Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een vervoerder diende, in opdracht van een winkel in huishoudelijke
apparatuur, een wasmachine aan het woonadres van verzoeker af te leveren.
Omdat deze op een woonwagenlocatie is gevestigd heeft de vervoerder geweigerd
de wasmachine af te leveren. Verzoeker is van mening dat de vervoerder
hiermee in strijd met de AWGB heeft gehandeld. De Commissie is van oordeel
dat er geen sprake is van direct onderscheid tussen woonwagenbewoners en
andere bewoners omdat het onderscheid dat wordt gemaakt onderscheid naar
woongebied is en een ieder treft die daar woont, ongeacht zijn ras. De
Commissie acht het op grond van een verklaring van het politiekorps te
eiden aannemelijk dat er zich veiligheidsproblemen voordeden op het terrein
en derhalve maatregelen getroffen moesten worden ter bescherming van de
medewerkers van de vervoerder. De Commissie stelt dat het door de vervoerder
aan verzoeker gedane voorstel, een objectieve rechtvaardiging vormt voor
het
gemaakte indirecte onderscheid naar ras. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 augustus 1996 verzocht de heer H. K. te Leiden (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of
D. van Geyl & Zn. B.V. (hierna: de wederpartij) onderscheid op grond van
ras
heeft gemaakt zoals bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. De wederpartij diende, in opdracht van een onderneming in huishoudelijke
apparatuur (hierna: de verkopende organisatie), op 25 maart 1996 een
wasmachine aan het woonadres van verzoeker af te leveren. Omdat deze op
een
woonwagenlocatie is gevestigd heeft de wederpartij geweigerd de wasmachine
af
te leveren. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd
heeft gehandeld met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht en zijn
uitgenodigd hun standpunten nader toe te lichten tijdens een zitting op
24
juni 1997. Van de uitnodiging ter zitting te verschijnen is door partijen
geen gebruik gemaakt.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. mr. drs. V. Everhardt (secretaris Kamer).

Na de zitting heeft de Commissie nadere inlichtingen gevraagd aan de politie
te Leiden. De betreffende gegevens zijn hierna onder punt 3.6 opgenomen.

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is woonachtig op het woonwagencomplex te Leiden en is
afkomstig uit een familie die al sinds generaties uit woonwagenbewoners
bestaat. Verzoeker beschikt over een standplaatsvergunning die is verleend
vanwege het feit dat zijn ouders en grootouders reeds woonden in woonwagens
en op woonwagenlocaties.

3.2. De wederpartij is een transportonderneming waarbij de werkzaamheden
uiteenlopen van verhuizingen tot wit- en bruingoed- distributie. Alle
werkzaamheden van de wederpartij worden ten behoeve van particulieren
verricht.

3.3. De wederpartij heeft met de verkopende organisatie een overeenkomst
betreffende de aflevering van goederen, die door particulieren bij de
verkopende organisatie zijn besteld.
Bij aflevering van de goederen worden de goederen in principe direct betaald
aan de medewerk(st)er(s) van de wederpartij. Dit betreft het gehele
aankoopbedrag dan wel het aankoopbedrag verminderd met een eventuele
aanbetaling.

3.4. Verzoeker heeft een wasmachine besteld bij een filiaal van de verkopende
organisatie. Volgens afspraak tussen de verkopende organisatie en verzoeker
zou de wasmachine op 25 maart 1996 worden afgeleverd. De wederpartij heeft
echter de aflevering geweigerd vanwege vervelende situaties waarmee haar
medewerkers in het verleden bij het afleveren van goederen op het
woonwagencomplex geconfronteerd zouden zijn.

3.5. Omtrent de aflevering van de wasmachine aan het adres van verzoeker
is
contact geweest tussen verzoeker, de wederpartij en de verkopende
organisatie. De verkopende organisatie heeft verzoeker een voorstel gedaan
om
tegemoet te komen aan de weigering van de wederpartij. Verzoeker ging
aanvankelijk met dit voorstel akkoord. Naderhand werd de koop evenwel
geannuleerd.

3.6. Uit informatie verstrekt door de districtschef van het politiekorps
Leiden/Voorschoten blijkt dat de door de wederpartij gestelde oplichting
dan
wel bedreiging/afpersing een vrij frequent voorkomend euvel op de regionale
woonwagenterreinen is geweest.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoeker stelt het volgende.

De wederpartij heeft in strijd gehandeld met de AWGB door de weigering
een
bestelde wasmachine af te leveren bij de woning van verzoeker, die gevestigd
is op een woonwagencomplex.
De wederpartij wil verzoeker niet aangeven wat de argumenten voor weigering
van de aflevering zijn.
Verzoeker is van mening dat de wederpartij geen formele grondslag heeft
waarop zij zich bij het nemen van de betreffende beslissing kan beroepen
en
dat er discriminatoire beweegredenen in het spel zijn.

Een medewerker bij het filiaal van de verkopende organisatie heeft verzoeker
laten weten dat er in het recente verleden meerdere artikelen zonder enige
problemen zijn bezorgd op het betreffende woonwagencomplex.

3.8. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij heeft bij haar handelwijze op geen enkele wijze willen
discrimineren. Medewerkers van de wederpartij zijn bij het afleveren van
goederen op het woonwagencomplex waar verzoeker woonachtig is, geconfronteerd
met vervelende situaties. De volgende voorbeelden illustreren dit:

1. Bedankt, ik ga even geld halen. Komt even later terug met twee niet
al te
vriendelijke honden, en of we maar zo vriendelijk willen zijn om zo vlug
mogelijk de woonwagen te verlaten.
2. Jongens rij even achter me aan naar de bank, ik dacht dat ik nog genoeg
geld bij me had. Maar een snelle wagen tegen een bestelbusje kent als
resultaat dat de cliënt is verdwenen.
3. Bij het woonwagencomplex aangekomen stonden er plotseling diverse mensen
om de auto heen, die de medewerkers op hun manier duidelijk maakten dat
het
beter was om maar niet uit te stappen. De goederen werden voor de wederpartij
uit de auto gehaald. Daarna mochten de medewerkers weer vertrekken.

De wederpartij heeft naar aanleiding van bovenstaande voorbeelden de politie
ingeschakeld. De politie heeft de wederpartij het advies gegeven om het
woonwagencomplex niet meer met de auto te betreden en geen contant geld
mee
te nemen of ervoor te zorgen dat de goederen van tevoren worden betaald.
De
wederpartij stelt dat zulks onmogelijk is aangezien zij niet de indruk
wil
wekken dat zij de betreffende bewoners niet vertrouwt ofwel discrimineert.
Vanaf eind 1995 danwel begin 1996 heeft de directie van de wederpartij
via
collega’s vernomen dat situaties zoals hierboven beschreven zich weer
herhaalden.
Naar aanleiding van deze ontwikkelingen stelde de wederpartij zich op het
standpunt dat het ten opzichte van haar medewerkers onverantwoordelijk
zou
zijn om hen te dwingen nog langer goederen af te leveren op het
woonwagencomplex te Leiden.

De wederpartij stelt dat de verkopende organisatie vóór het onderhavige
leveringsprobleem niet op de hoogte was van problemen omtrent de aflevering
van goederen op de betreffende woonwagenlocatie. Om in de toekomst problemen
omtrent aflevering te voorkomen heeft de wederpartij gesteld dat zij per
bezorging na zal gaan hoe zij naar de wens van de cliënt en zonder problemen
de betreffende goederen kan afleveren.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 7 lid 1 onder a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1
AWGB,
het maken van onderscheid naar ras onder meer bij het aanbieden van goederen
of diensten in de uitoefening van een beroep of bedrijf en bij het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Direct onderscheid is onderscheid dat
rechtstreeks verwijst naar één van de in de AWGB genoemde gronden, zoals
ras.

Indirect onderscheid op grond van ras is onderscheid op grond van een ander
criterium dan ras, dat direct onderscheid op deze grond tot gevolg heeft.
Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

4.3. Allereerst rijst de vraag of woonwagenbewoners vallen onder het begrip
ras zoals bedoeld in de AWGB.
Ter beantwoording van deze vraag dient als richtlijn de
totstandkomingsgeschiedenis van de goedkeuringswet van het Verdrag inzake
de
uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en van het daarop gebaseerde
strafrechtelijk verbod van rassendiscriminatie van artikel 429quater Wetboek
van Strafrecht. Uit beide blijkt dat bij de vaststelling of er sprake is
van
onderscheid wegens ras aangeknoopt kan worden bij kenmerken die van fysieke,
etnische, geografische, culturele, historische of godsdienstige aard zijn.

Deze uitleg van het begrip ras leidt er toe dat bij de onderhavige
beoordeling de samenhang van de groep in kwestie van belang is. Deze
samenhang kan door gemeenschappelijke culturele en/of historische
achtergronden worden bepaald.

Dat betekent dat in beginsel onder het begrip ras ook een groep personen
kan
vallen die zich van generatie op generatie als woonwagenbewoners manifesteert
en die zich beschouwt als een bevolkingsgroep met een van andere
bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur. Dit temeer omdat
woonwagenbewoners als behorend tot een bijzondere bevolkingsgroep door
de
omgeving veelal met vooroordeel en ongelijke behandeling tegemoet worden
getreden.

Verzoekers afkomst wordt gekenmerkt door een langdurige traditie van
woonwagenbewoning. Zijn standplaatsvergunning werd hem op dienovereenkomstige
grond verleend. Verzoeker beschouwt zichzelf als behorend tot de
bevolkingsgroep van woonwagenbewoners. Een en ander heeft tot gevolg dat
een
ongelijke behandeling van verzoeker als woonwagenbewoner kan worden beschouwd
als een ongelijke behandeling op grond van ras zoals bedoeld in artikel
1
AWGB.

4.4. De Commissie stelt op grond van de verklaringen van partijen vast
dat de
wederpartij weliswaar bereid was de apparatuur aan verzoeker te leveren
doch
onder andere leveringsvoorwaarden dan bij levering aan andere klanten.
Er is
dus sprake van ongelijke behandeling. De vraag doet zich voor of de ongelijke
behandeling van verzoeker dient te worden beschouwd als direct dan wel
indirect onderscheid op grond van ras.

4.5. De Commissie is van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake
is van direct onderscheid op grond van ras. De wederpartij maakt immers
bij
de verkoop geen onderscheid tussen woonwagenbewoners en andere personen.
Het
onderscheid dat wordt gemaakt is onderscheid naar woongebied en treft een
ieder die daar woont ongeacht zijn ras.
De ongelijke behandeling is gelegen in het feit dat het woonadres van
verzoeker op de woonwagenlocatie door de wederpartij als te riskant is
bestempeld om de gebruikelijke vervoersdienst voor de verkopende organisatie
te verrichten. Aangenomen mag worden dat door het ongelijk behandelen van
verzoeker vanwege zijn woongebied meer woonwagenbewoners zoals verzoeker
worden getroffen dan anderen, die op het woonwagencomplex woonachtig zijn.
Zoals hiervoor onder 4.3. aangegeven valt de groep van woonwagenbezoekers
waartoe verzoeker behoort onder het begrip ras. Aangezien door de ongelijke
behandeling in merendeel personen behorende tot deze groep getroffen worden
is er sprake van indirect onderscheid op grond van ras.

4.6. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1
AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
In dit geval gaat het om de rechtvaardiging van het beleid van de wederpartij
waarbij degenen die op woonwagenlocaties woonachtig zijn anders dan andere
klanten worden behandeld.

De Commissie toetst dit beleid, conform de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen aan de volgende criteria: (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hofvan Justitie
van
de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz 13 mei
1986, zaak 170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH
& Co.
KG 13 juli 1989, zaak 171/88.)
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn
– de middelen die gekozen zijn om het doel te bereiken dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte van de onderneming
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.

4.7. De wederpartij heeft aangevoerd dat het afleveren van het apparaat
onverantwoord was omdat de eigen medewerkers slachtoffer van eerder
omschreven praktijken werden. In zoverre is het doel van het onderscheid
in
overeenstemming met datgene wat uit oogpunt van de wettelijke regels voor
goed werkgeverschap van de wederpartij wordt gevergd ter bescherming van
de
veiligheid van zijn medewerkers. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd.

Op grond van dezelfde argumenten kan worden vastgesteld dat het gekozen
middel (vermijding van het risico) aan een werkelijke behoefte van de
onderneming beantwoordt.

De Commissie acht het op grond van de onder paragraaf 3.6. genoemde
verklaring van het politiekorps te Leiden aannemelijk dat er zich
veiligheidsproblemen voordeden op genoemd terrein en derhalve maatregelen
getroffen moesten worden ter bescherming van de medewerkers. Een adequate
bescherming van de werknemers van de wederpartij heeft in dit geval een
selectieve werking naar de bewoners toe. Het uitvoering geven aan de regels
voor goed werkgeverschap brengt de wederpartij zodoende in de onmogelijkheid
tegelijkertijd alle klanten van de verkopende organisatie dezelfde diensten
aan te bieden. De Commissie constateert dat de wederpartij met verzoeker
en
de verkopende organisatie in overleg is getreden, waarbij verzoeker door
de
verkopende organisatie een alternatieve regeling voor de aflevering is
aangeboden. Verzoeker zou – ter compensatie van de eigen vervoerskosten
– ƒ
100,– korting krijgen op het aan te schaffen apparaat, terwijl een
medewerker van de verkopende organisatie voor de aansluiting bij hem thuis
zou zorgen.
De Commissie is van oordeel dat verzoeker met dit voorstel een gelijkwaardige
voorziening werd aangeboden. Immers de huur van een busje of aanhangwagen
was, gezien de afstand, van zeer beperkte duur terwijl van bijkomende kosten
nauwelijks sprake was.

Het in- en uitladen van de machine kon door medewerkers van de verkopende
organisatie worden verricht. Een en ander zou bovendien binnen afzienbare
tijd te realiseren zijn geweest.
De Commissie is van oordeel dat binnen deze context het middel geschikt
en
noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.

4.8. Een en ander overziend is de Commissie van oordeel dat in casu een
objectieve rechtvaardigingsgrond voor het door de wederpartij gemaakte
indirecte onderscheid op grond van ras aanwezig is. Derhalve heeft de
wederpartij geen verboden indirect onderscheid op grond van ras jegens
verzoeker gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat D. van Geyl & Zn. B.V. te
Schiedam jegens de heer H. K. te Leiden geen verboden indirect onderscheid
op
grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a juncto
artikel 1 Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder(lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), dhr. mr. drs. V. Everhardt(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker, woonachtig op een woonwagencomplex, heeft een wasmachine besteld,
welke bij hem thuis afgeleverd diende te worden. De vervoerder van wiens
diensten de winkel gebruik maakt heeft echter de aflevering geweigerd.
Dit
vanwege vervelende situaties waarmee zijn medewerkers in het verleden bij
het
afleveren van goederen op het complex geconfronteerd zouden zijn. De
Commissie is van oordeel dat er geen sprake is van direct onderscheid op
grond van ras omdat de winkel onderscheid naar woongebied heeft gemaakt,
waarbij een ieder die daar woont, ongeacht zijn ras, getroffen wordt. De
Commissie oordeelt dat er sprake is van indirect onderscheid op grond van
ras
waar echter een objectieve rechtvaardigingsgrond voor is. De Commissie
overweegt dat de winkel in een situatie verkeerde dat een derde de
noodzakelijke medewerking aan het vervoer weigerde. De winkel heeft daarop
een vervangende regeling aangeboden. Dit voorstel is, aldus de Commissie,
een
geschikt en noodzakelijk middel om het gestelde doel, namelijk verzoeker
gelijkwaardige service aan te bieden, te bereiken. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 augustus 1996 verzocht de heer H. K. te Leiden (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of
Dixons B.V. te ‘s-Hertogenbosch (hierna: de wederpartij)
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in de Algemene
wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker heeft bij de wederpartij een wasmachine besteld. De
wederpartij diende de wasmachine op 25 maart 1996 bij de woning van verzoeker
af te leveren. De woning is gelegen op een woonwagencomplex. De vervoerder
van wiens diensten de wederpartij gebruikt maakt weigerde vanwege de locatie
de opdracht uit te voeren. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hier
niet adequaat op heeft gereageerd en daardoor heeft gehandeld in strijd
met
de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht en zijn
uitgenodigd hun standpunten nader toe te lichten tijdens een zitting op
24
juni 1997. Van de uitnodiging ter zitting te verschijnen is door partijen
geen gebruik gemaakt.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. mr. drs. V. Everhardt (secretaris Kamer).

Na de zitting heeft de Commissie nadere inlichtingen gevraagd aan de politie
te Leiden. De betreffende gegevens zijn hierna onder punt 3.6. opgenomen.

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is woonachtig op het woonwagencomplex te Leiden en is
afkomstig uit een familie die al sinds generaties uit woonwagenbewoners
bestaat. Verzoeker beschikt over een standplaatsvergunning die is verleend
vanwege het feit dat zijn ouders en grootouders reeds woonden in woonwagens
en op woonwagenlocaties.

3.2. De wederpartij is een onderneming in huishoudelijke apparatuur. Zij
beperkt haar activiteiten tot opslag en verkoop.
De wederpartij heeft met de vervoerder een overeenkomst betreffende de
aflevering van goederen, die door particulieren bij de wederpartij zijn
besteld.
Uit de overeenkomst tussen de wederpartij en de vervoerder volgt dat de
wederpartij de goederen normaal gesproken laat afleveren door de vervoerder.
Van deze gedragslijn kan evenwel ook worden afgeweken.
Bij aflevering van de goederen worden deze in principe direct betaald aan
de
medewerk(st)er(s) van de vervoerder. Dit betreft het gehele aankoopbedrag,
eventueel verminderd met een aanbetaling.

3.3. Verzoeker heeft bij een filiaal van de wederpartij een wasmachine
besteld. Volgens afspraak tussen de wederpartij en verzoeker zou de
wasmachine op 25 maart 1996 worden afgeleverd. De vervoerder heeft echter
de
aflevering geweigerd vanwege vervelende situaties waarmee zijn medewerkers
in
het verleden bij het afleveren van goederen op het woonwagencomplex
geconfronteerd zouden zijn.

3.4. Omtrent de aflevering van de wasmachine aan het adres van verzoeker
is
contact geweest tussen verzoeker, de wederpartij en de vervoerder. De
wederpartij heeft een voorstel gedaan om het ontstane afleveringsprobleem
op
te lossen. Verzoeker is niet op dit voorstel ingegaan.

3.5. Uit informatie verstrekt door de districtschef van het politiecorps
Leiden/Voorschoten blijkt dat de door de vervoerder gestelde oplichting
dan
wel bedreiging/afpersing een vrij frequent voorkomend euvel op de regionale
woonwagenterreinen is geweest.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt het volgende.

De wederpartij heeft in strijd gehandeld met de AWGB doordat haar vervoerder
heeft geweigerd om een bestelde wasmachine af te leveren bij zijn woning,
die
gevestigd is op een woonwagencomplex.
Verzoeker stelt dat bij het nemen van deze beslissing discriminatoire
beweegredenen bij de vervoerder aanwezig zijn geweest. De wederpartij heeft
deze discriminatoire beweegredenen van de vervoerder gerespecteerd.

3.7. Een medewerker van de wederpartij heeft ter oplossing van het
afleveringsprobleem verzoeker een korting op de aankoopprijs aangeboden.
Verzoeker heeft dit aanbod na enige bedenktijd afgewezen omdat het huren
van
een busje of aanhangwagen meer zou kosten dan de korting die werd aangeboden
zou opleveren.

3.8. Verzoeker is van mening dat de wederpartij haar verantwoordelijkheid
voor de aflevering van de wasmachine niet heeft genomen. De wederpartij
heeft
onvoldoende inzet getoond om de argumenten van de vervoerder te weerleggen.
Daarnaast heeft de wederpartij geen alternatieven aan verzoeker voorgelegd,
ondanks het feit dat deze met meerdere vervoerders contact heeft.

3.9. Een medewerker bij het filiaal van de wederpartij heeft verzoeker
laten
weten dat er in het recente verleden meerdere artikelen zonder enige
problemen zijn bezorgd op het betreffende woonwagencomplex.

3.10. De wederpartij stelt het volgende.

De beslissing om de wasmachine niet te bezorgen is genomen door de vervoerder
en niet door de wederpartij. Ondanks de overeenkomst tussen de wederpartij
en
vervoerder, kan de wederpartij de vervoerder niet dwingen een bestelling
af
te leveren. De vervoerder heeft de beslissing om de bestelling niet af
te
leveren genomen op grond van haar eigen argumenten. De wederpartij is niet
in staat geweest de argumenten van de vervoerder te ontzenuwen. Derhalve
heeft de wederpartij deze argumenten moeten respecteren.

3.11. De wederpartij stelt dat zij niet vooraf op de hoogte was van het
feit
dat haar vervoerder bij eerdere afleveringen van bestellingen op het
betreffende woonwagencomplex problemen heeft ondervonden.

3.12. De oplossing die de wederpartij heeft aangedragen hield in dat de
wasmachine zou worden aangesloten door één van haar medewerkers. Daarnaast
zou verzoeker een korting van ƒ 100,– krijgen op het aangekochte apparaat.
De korting was bedoeld ter bekostiging van het eigen vervoer van de
wasmachine. Aanvankelijk heeft verzoeker deze oplossing geaccepteerd. Later
is hij hierop teruggekomen en heeft hij de verkoop telefonisch geannuleerd.

3.13. De wederpartij stelt zich op het standpunt dat zij met het aanbieden
van bovenstaande oplossing heeft trachten te bereiken dat verzoeker zo
spoedig mogelijk de beschikking kon hebben over een wasmachine. Het benaderen
van een andere vervoerder was omwille van de snelheid van het afleveren
van
de wasmachine niet in de gedachte van de wederpartij opgekomen.
De beslissing van verzoeker om de aankoop te annuleren heeft de wederpartij
betreurd, maar net als de zienswijze van vervoerder moeten respecteren.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 7 lid 1 onder a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1
AWGB,
het maken van onderscheid naar ras onder meer bij het aanbieden van goederen
of diensten in de uitoefening van een beroep of bedrijf en bij het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Direct onderscheid is onderscheid dat
rechtstreeks verwijst naar één van de in de AWGB genoemde gronden, zoals
ras.

Indirect onderscheid op grond van ras is onderscheid op grond van een ander
criterium dan ras, dat direct onderscheid op deze grond tot gevolg heeft.
Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

4.3. Allereerst rijst de vraag of woonwagenbewoners vallen onder het begrip
ras zoals bedoeld in de AWGB.
Ter beantwoording van deze vraag dient als richtlijn de
totstandkomingsgeschiedenis van de goedkeuringswet van het Verdrag inzake
de
uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en van het daarop gebaseerde
strafrechtelijk verbod van rassendiscriminatie van artikel 429quater Wetboek
van Strafrecht. Uit beide blijkt dat bij de vaststelling of er sprake is
van
onderscheid wegens ras aangeknoopt kan worden bij kenmerken die van fysieke,
etnische, geografische, culturele, historische of godsdienstige aard zijn.

Deze uitleg van het begrip ras leidt er toe dat bij de onderhavige
beoordeling de samenhang van de groep in kwestie van belang is. Deze
samenhang kan door gemeenschappelijke culturele en/of historische
achtergronden worden bepaald. Dat betekent dat in beginsel onder het begrip
ras ook een groep personen kan vallen die zich van generatie op generatie
als
woonwagensbewoners manifesteert en die zich beschouwt als een bevolkingsgroep
met een van andere bevolkingsgroepen te onderscheiden cultuur. Dit temeer
omdat individuele woonwagenbewoners als behorend tot een bijzondere
bevolkingsgroep door de omgeving veelal met vooroordeel en ongelijke
behandeling tegemoet worden getreden.

Verzoekers afkomst wordt gekenmerkt door een langdurige traditie van
woonwagenbewoning. Zijn standplaatsvergunning werd hem op dienovereenkomstige
grond verleend. Verzoeker beschouwt zich zelf als behorend tot de
bevolkingsgroep van woonwagenbewoners die ook feitelijk wonen op
woonwagenlocaties. Een en ander heeft tot gevolg dat een ongelijke
behandeling van verzoeker als woonwagenbewoner kan worden beschouwd als
een
ongelijke behandeling op grond van ras zoals bedoeld in artikel 1 AWGB.

4.4. De Commissie stelt op grond van de verklaringen van de partijen vast
dat
de wederpartij weliswaar bereid was de apparatuur aan verzoeker te leveren
doch onder andere leveringsvoorwaarden dan bij levering aan andere klanten.
Er is dus sprake van ongelijke behandeling. De vraag doet zich voor of
de
ongelijke behandeling van verzoeker dient te worden beschouwd als direct
dan
wel indirect onderscheid op grond van ras.

4.5. De Commissie is van oordeel dat er in het onderhavige geval geen sprake
is van direct onderscheid op grond van ras. De wederpartij maakte immers
bij
de verkoop geen onderscheid tussen woonwagenbewoners en andere personen.
Het
onderscheid dat wordt gemaakt is onderscheid naar woongebied en treft een
ieder die daar woont ongeacht zijn ras.

De ongelijke behandeling is gelegen in het feit dat het woonadres van
verzoeker op de woonwagenlocatie als te riskant is bestempeld om onder
de
gebruikelijke condities te leveren, waardoor verzoeker door de wederpartij
een vervangende voorziening werd geboden. Aangenomen mag worden dat door
het
ongelijk behandelen van verzoeker vanwege zijn woongebied meer
woonwagenbewoners zoals verzoeker worden getroffen dan anderen, die op
het
woonwagencomplex woonachtig zijn. Zoals hiervoor onder 4.3. aangegeven
valt
de groep van woonwagenbewoners waartoe verzoeker behoort onder het begrip
ras. Aangezien door de ongelijke behandeling in merendeel personen behorende
tot deze groep getroffen worden is er sprake van indirect onderscheid op
grond van ras.

4.6. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1
AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
In dit geval gaat het om de rechtvaardiging van het beleid van de wederpartij
om voor degenen die op woonwagenlocaties woonachtig zijn andere
leveringsvoorwaarden te hanteren dan voor andere klanten.

De Commissie toetst dit beleid, conform de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen aan de volgende criteria (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie
van
de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz 13 mei
1986, zaak 170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH
& Co.
KG 13 juli 1989, zaak 171/88.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn
– de middelen die gekozen zijn om het doel te bereiken dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.

4.7. De wederpartij verkeerde in een situatie dat een derde de noodzakelijke
medewerking aan het vervoer weigerde. Met het aanbieden van een vervangende
regeling probeerde de wederpartij te bereiken dat verzoeker gelijkwaardige
service werd geboden. Aan dit doel is op zich iedere discriminatie vreemd
en
het beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de onderneming.

De wederpartij heeft verzoeker – ter compensatie van de eigen vervoerskosten
ƒ 100,– korting aangeboden op het aan te schaffen apparaat, terwijl een
medewerker van de wederpartij voor de aansluiting bij hem thuis zou zorgen.

De Commissie is van oordeel dat verzoeker met dit voorstel een gelijkwaardige
voorziening werd geboden. Immers de huur van een busje of aanhangwagen
was
gezien de afstand van zeer beperkte duur, terwijl van bijkomende kosten
nauwelijks sprake was. Het in- en uitladen van de machine kon door
medewerkers van de wederpartij worden verricht. Een en ander zou bovendien
binnen afzienbare tijd te realiseren zijn geweest.
Dit betekent dat het middel geschikt en noodzakelijk is om het gestelde
doel
te bereiken.

4.8. Een en ander overziend is de Commissie van oordeel dat in casu een
objectieve rechtvaardigingsgrond voor het door de wederpartij gemaakte
indirecte onderscheid op grond van ras aanwezig is. Derhalve heeft de
wederpartij geen verboden indirect onderscheid op grond van ras jegens
verzoeker gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Dixon B.V. te
‘s-Hertogenbosch jegens de heer H. K. te Leiden geen verboden indirect
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 7 lid
1
sub a juncto artikel 1 AWGB.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder(lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), dhr. mr. drs. V. Everhardt(secretaris Kamer)

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 25 november 1997

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Deze zaak is een vervolg op RN 1998, nr. 692.
De vrouw is verkracht door wethouder. De man heeft voorgewend haar te kunnen
helpen met haar urgente huisvestingsproblemen. Met een smoes heeft hij haar
meegelokt naar zijn woning alwaar hij haar heeft verkracht.
De president van de rechtbank oordeelt in januari 1995 dat niet met voldoende
zekerheid kan worden vastgesteld dat er sprake is van verkrachting, zodat
niet kan worden vooruitgelopen op het van de bodemrechter te verwachten
oordeel. De president overweegt voorts nog dat de eenzijdige
afhankelijkheidsrelatie voor gedaagde reden had moeten zijn terughoudendheid
te betrachten met het betreden van de persoonlijke levenssfeer van eiseres.
Het terstond aangaan van seksueel contact zou, zelfs indien gedaagde daartoe
zou zijn uitgenodigd, dan ook onrechtmatig kunnen worden geacht. Maar ook dit
(mogelijk) onrechtmatig handelen kan de president bij gebreke van toereikend
(bewijs-) materiaal onvoldoende inschatten.
De vrouw start een bodemprocedure. In november 1996 concludeert de Rechtbank
Zwolle dat naar aanleiding van het deskundigenbericht en de door de man
gemotiveerde betwisting niet in rechte vast is komen te staan dat de gedaagde
eiseres heeft verkracht. Ook is in rechte niet komen vast te staan dat
gedaagde een functionele zorgplicht jegens eiseres heeft geschonden, dan wel
dat eiseres zich in een van gedaagde afhankelijke positie bevond. De vrouw
gaat in hoger beroep.
Haar eerste grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de
benoemde deskundige (een districtspsychiater) uit hoofde van zijn functie ook
deskundig moet worden geacht op het gebied van seksueel geweld. Het hof is
van oordeel dat het van algemene bekendheid moet worden geacht dat
districtspsychiaters in hun praktijk te maken krijgen met uiteenlopende
vormen van criminaliteit, daden van seksueel geweld daarbij bepaald niet
uitgezonderd. Er is niet gesteld dat het bij deze psychiater anders zou zijn.
Derhalve is er geen grond om de waarde van het deskundigenrappart in twijfel
te trekken. Het hof achtte de eerste grief ongegrond.
Haar tweede grief richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de
wethouder geen (functionele) zorgplicht jegens appellante zou hebben
geschonden. Het hof bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank. Niet is komen
vast te staan dat tussen partijen sprake was van ‘een hulpverleningssituatie’
en evenmin dat gedaagde misbruik zou hebben gemaakt van een machtspositie
welke hij jegens eiseres innam.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg
De arrondissementsbank te Zwolle heeft op 13 november 1996 tussen partijen
een vonnis gewezen, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht en naar de
inhoud waarvan hier zoveel nodig wordt verwezen.

2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij exploot van 15 januari 1997 heeft appellante, H, aan geïntimeerde,
G, doen aanzeggen dat zij in hoger beroep kwam van voormeld vonnis, met
dagvaardin van G. Voor dit hof teneinde te horen eis doen en concluderen dat
het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, alsnog bij arrest
uitvoerbaar bij voorraad haar in haar vorderingen ontvankelijk zal verklaren,
althans deze zal toewijzen, met veroordeling van G. In de kosten van beide
instanties.

2.2. Bij memorie van grieven heeft H. Drie grieven tegen het vonnis
aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd, zakelijk weergegeven
overeenkomstig het petitum van de appeldagvaarding.

2.3. G. Heeft bij memorie van antwoord verweer gevoerd en geconcludeerd tot
bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, zo nodig onder aanvulling en/of
verbetering van gronden, met veroordeling van H in de kosten van het hoger
beroep.

2.4. Vervolgens hebben partijen haar stellingen bij pleidooi doen toelichten,
H. Door mevrouw mr E. Bisch, advocaat te Amsterdam, en G. Door mr R.F. Vogel,
advocaat te Almere. Beide hebben pleitnotities overgelegd, welk mede als hier
ingelast moeten worden beschouwd. Bij deze gelegenheid zijn nog overgelegd
het schriftelijk beklag van H. Ex. Art. 12 Sv. d.d. 14 februari 1994 en de
daarop gegeven beschikking van dit hof van 18 oktober 1994, houdende
afwijzing van dit beklag.

2.5. Tenslotte hebben partijen de stukken aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.

3 De grieven

H. Voert tegen het vonnis de navolgende grieven aan:

3.1. Ten onrechte neemt de rechtbank aan onder punt 4.2. van het vonnis dat
de benoemde deskundige districtspsychiater uit hoofde van zijn functie óok
deskundig geacht moet worden te zijn op het gebied van sequeel geweld”.

3.2. Ten onrechte overweegt de rechtbank onder punt 4.4. van het vonnis
waarvan beroep dat geïntimeerde geen (functionele) zorgplicht jegens
appellante zou hebben geschonden.

3.3. Ten onrechte stelt de rechtbank in het vonnis waarvan beroep dat de door
appellante in het geding gebrachte verklaringen slechts weergeven hetgeen
appellante zelf aan deze getuigen heeft verklaard.

4 Vaststaande feiten

Hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen in haar vonnis onder 1 staat
ook in hoger beroep als niet bestreden tussen partijen vast.

5 Behandeling van het geschil in hoger beroep

5.1. De eerste grief van H. Is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat
de benoemde deskundige, districtspsychiater drs. Gerrits, uit hoofde van zijn
functie ook deskundig moet worden geacht te zijn op het gebied van sequeel
geweld.

5.2. Het moet van algemene bekendheid worden geacht dat- van de zijde van
justitie benoemde- districtspsychiaters in hun praktijk te maken krijgen met
vele uiteenlopende vormen van criminaliteit, daden van sexuaal geweld daarbij
bepaald niet uitgezonderd. Gesteld noch gebleken is dat dit ten aanzien van
drs. Gerrits anders zou zijn en al evenmin is gesteld of gebleken dat hij
onvoldoende was toegerust voor rapportage in dit verband.
Dit gegeven zijnde, bestaat er geen grond om de waarde van het door drs.
Gerrits in deze zaak uitgebrachte rapport in twijfel te trekken, te minder nu
H. Geen concrete onderdelen van het rapport noemt waarin foutieve conclusies
zouden zijn getrokken of waaruit enig gebrek aan deskundigheid van drs..
Gerrits zou blijken. Hetgeen de rechtbank onder 4.2. van haar vonnis uit het
rapport van de deskundige heeft geciteerd is inhoudelijk door H. Ook niet
betwist.
Gelet op een en ander acht het hof de eerste grief ongegrond.

5.3. In grief 3.3. wil H. Klaarblijkelijk betogen dat de door haar in het
geding gebrachte verklaringen van derden haar eigen verklaring dat zij door
G. Tegen haar wil is gedwongen tot het hebben van sexuele gemeenschap- welke
gemeenschap op zichzelf vaststaat- voldoende ondersteunen om de verkrachting
voor bewezen te houden.

5.4. Het hof acht deze grief ongegrond en deelt het oordeel van de rechtbank
als weergegeven in het vonnis onder 4.3. met name is het hof van oordeel dat
aan de bewijskracht van bedoelde verklaringen in ernstige mate wordt afgedaan
door hetgeen de deskundige heeft gerelateerd omtrent de persoonlijkheid van
H, een en ander zoals in het vonnis overwogen onder 4.2.

5.5 Met haar tweede grief betoogt H., zoals het hof haar stellingen begrijpt,
dat het gedrag van G., indien het niet viel onder de delictsomschrijving van
art. 242 van het Wetboek van Strafrecht (verkrachting), was te beschouwen als
handelen in strijd met het bepaalde in art. 249, tweede lid, van
laatstgenoemd wetboek, althans in strijd met de strekking van dit
wetsartikel.

5.6 Dit verwijt spitst zich toe op het onderdeel sub 1 van bedoelde
wetsbepaling, doch het hof is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat H.
een persoon was die aan het gezag van G. was onderworpen, dan wel aan zijn
waakzaamheid was toevertrouwd of aanbevolen.

5.7 Niettemin acht het hof het niet uitgesloten dat – ook buiten de grens van
genoemde artikelen van het Wetboek van Strafrecht – onder omstandigheden het
hebben van sexuele gemeenschap met een ander onrechtmatig kan zijn, ook
indien niet blijkt dat dit tegen de uitgesproken wil van de laatste
geschiedt. Hierbij zijn echter uiteraard de omstandigheden waaronder een en
ander plaatsvindt van cruciaal belang.

5.8 In dit verband merkt het hof op:
– ten aanzien van de vraag wie het initiatief tot de intimiteiten heeft
genomen staan de verklaringen van partijen tegenover elkaar en deze worden
verder niet door enig bewijsmiddel ondersteund;
– H.’s woonsituatie was bepaald niet ideaal, maar niet uit het oog moet
worden verloren dat zij met haar kinderen verbleef in de woning van een man,
met wie zij een affectieve relatie onderhield en met wie zij nadien is
gehuwd, zodat haar woonsituatie in ieder geval in zoverre niet onhoudbaar
was;
– de stelling dat er een afhankelijkheidsrelatie tussen partijen bestond
vindt onvoldoende steun in de feiten: G. had als wethouder volkshuisvesting
niet in zijn portefeuille; niet (voldoende) is gebleken dat hij tegenover H.
anders heeft doen voorkomen dan wel dat zij anderszins goede gronden had om
aan te nemen dat hij haar substantiële hulp kon bieden in haar
huisvestingsproblematiek;
– wat de aanvankelijke bedoeling van (ieder van) partijen was bij de afspraak
tussen partijen als bedoeld in het vonnis onder 1.2 is niet duidelijk
geworden; de onjuistheid van het standpunt van G. dat hij slechts heeft
toegezegd aan de hand van de desbetreffende papieren te zullen nagaan of door
H. de juiste procedure was gevolgd, is ten processe niet gebleken.

5.9 Gelet op een en ander staat niet vast dat tussen partijen sprake was van
`een hulpverleningssituatie’ en evenmin dat G. misbruik zou hebben gemaakt
van een machtspositie welke hij jegens H. innam.

5.10 Er zijn dus onvoldoende omstandigheden gebleken welke de conclusie
wettigen dat zich een uitzonderingssituatie voordeed als onder 5.7 bedoeld.
Ook de onderhavige, naar het hof begrijpt subsidiaire grondslag van de
vordering van H. kan dus niet tot toewijzing van de vordering leiden.

5.11 Voor omkering van de bewijslast, als door H. bij pleidooi verdedigd,
zijn ook onvoldoende gronden gebleken. H. heeft zelf ook geen concrete feiten
te bewijzen aangeboden, welke, indien bewezen, het hof tot een ander oordeel
dan het navolgende zouden kunnen leiden, zodat haar bewijsaanbod wordt
gepasseerd.

5.12 De grieven zijn ongegrond, het vonnis waarvan beroep moet worden
bekrachtigd en H. moet als de in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 13
november 1996;
veroordeelt appellante in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de
zijde van geïntimeerde begroot op a ƒ 6.620, waarvan a ƒ 6.260 te betalen aan
de griffier van dit hof door overmaking op postbanknummer 935462 ten name van
de gerechten in het arrondissement Arnhem te Arnhem onder vermelding van de
namen van partijen en het rolnummer van deze zaak (a ƒ 5.400 wegens salaris
en a ƒ 860 wegens in debet gesteld griffierecht) en a ƒ 360 aan geïntimeerde
wegens zijn eigen bijdrage in het griffierecht.

Rechters

Mrs Van Eupen, Bierman, Heisterkamp

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is discriminatoir bejegend door zijn chef. De Commissie oordeelt
dat een werkgever wettelijk verplicht is zich te onthouden van discriminatie
in arbeidssituaties. Deze verplichting brengt met zich mee dat de werkgever
er op moet toezien dat ook degenen waarover hij het gezag uitoefent zich
van
discriminatie onthouden. Gelet op de ernst van de klacht van verzoeker
en de
gezagsverhouding tussen verzoeker en zijn chef, heeft het bedrijf de klacht
niet voldoende zorgvuldig afgewikkeld. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 22 oktober 1997 verzocht de heer D. O. te Haarlem (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of
zijn werkgever, ABN AMRO Bank N.V. te Amsterdam (hierna: de wederpartij),
jegens hem gehandeld heeft in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij tekort is geschoten op
te
treden toen hij in zijn werksituatie discriminatoir werd bejegend. Daardoor
is de situatie voor hem onhoudbaar geworden en heeft verzoeker de
kantonrechter gevraagd zijn arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens
gewichtige redenen. Volgens verzoeker heeft de wederpartij jegens hem
verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoeker heeft gevraagd zijn verzoek in een versnelde procedure
te behandelen. De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd. Partijen hebben
hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader mondeling toegelicht tijdens een zitting op 19 november 1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoeker
– dhr. D. O. (verzoeker)
– dhr. mr. E. Bakhuis (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. J.R.P.L. Dings (medewerker Arbeidszaken)
– mw. C.J.T. Feenstra (personeelsfunctionaris)
– dhr. mr. O. van der Kind (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst en sinds 18 maart 1974 werkzaam
bij
de wederpartij in diverse functies. Sinds 1 april 1985 is verzoeker
gedetacheerd bij een dochteronderneming van de wederpartij, de vennootschap
naar Marokkaans recht ABM Bank S.A. (hierna: de dochteronderneming),
gevestigd te Casablanca, Marokko. Verzoeker verrichtte zijn werkzaamheden
vanuit een filiaal van de wederpartij in Nederland. Verzoeker vervulde
daar
de functie van démarcheur en filiaalchef. De werkzaamheden van verzoeker
vielen functioneel onder het gezag van de directeur van de
dochteronderneming.

3.2. Uit de beoordelingsverslagen over de jaren 1991, 1992 en 1993 blijkt
dat
het functioneren van verzoeker door de wederpartij positief werd beoordeeld.
Het beoordelingsverslag over 1993 vermeldt dat verzoeker een zwaardere
functie ambieerde. Er zijn in 1994 en 1995 geen beoordelingsgesprekken
gevoerd. De beoordeling van 18 maart 1997 over 1996 is eveneens positief.

3.3. Tijdens een telefoongesprek van 11 september 1996, tussen de directeur
van de dochteronderneming en verzoeker, heeft de directeur een aantal
racistische uitlatingen gedaan, die verzoeker als beledigend heeft opgevat.
Op 13 september 1996 heeft verzoeker hierover telefonisch zijn beklag gedaan
bij de directeur-generaal International Division van de wederpartij.
Verzoeker heeft op 16 september 1996 deze klacht schriftelijk bevestigd
en
aangegeven dat de directeur van de dochteronderneming zijn
verontschuldigingen aan hem zou moeten aanbieden. Deze brief heeft hij
aan de
personeelsfunctionaris overhandigd.

3.4. Op 4 april 1997 meldt verzoeker zich arbeidsongeschikt. Op 10 april
1997 ontvangt verzoeker een fax van de dochteronderneming waaruit blijkt
dat
hij per 1 april 1997 uit zijn functie is ontheven bij de dochteronderneming.
De fax is getekend door twee directeuren die onder de verantwoordelijkheid
van de algemeen directeur van de dochteronderneming vallen.

3.5. Op 12 juni 1997 vraagt verzoeker de directeur-generaal International
Division per brief nogmaals aandacht voor de discriminerende bejegening
door
de directeur van de dochteronderneming. In reactie daarop volgt een brief
van
zijn directe chef en een brief van de directeur van de dochteronderneming,
waarin verontschuldigingen worden aangeboden.

3.6. Daarna is tussen partijen overleg gevoerd over hetzij een
heroriëntatie, c.q. herplaatsing, hetzij een beëindiging in der minne van
de
arbeidsverhouding. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt en verzoeker
heeft zich op 31 oktober 1997 tot de kantonrechter gewend met het verzoek
de
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen te ontbinden onder toekenning
van een schadeloosstelling.

De standpunten van partijen

Verzoeker stelt het volgende.

3.7. Verzoeker heeft vanaf zijn indiensttreding op 18 maart 1974, dus ruim
23
jaar, altijd naar tevredenheid gefunctioneerd. Tot het incident met de
directeur van de dochteronderneming heeft hij binnen de onderneming nooit
problemen ondervonden. Ofschoon alle andere buitenlandse REP-offices van
de
wederpartij in Amsterdam hun activiteiten hebben moeten staken, functioneert
het filiaal van de dochteronderneming, dat door hem is opgezet, met de
complimenten van het Ministerie van Economische Zaken. Ook in commercieel
opzicht is de onderneming, mede door toedoen van verzoeker, een succes.

3.8. In 1996 vond een discussie plaats over de eventuele sluiting van het
filiaal van de dochteronderneming in Amsterdam. Uit de discussie, waaraan
verzoeker zijn bijdrage heeft geleverd, volgde dat het kantoor geopend
bleef.
Verzoeker heeft in verband met de voortzetting van het filiaal een
businessplan opgesteld voor de directie van de dochteronderneming. Hij
heeft
daarop nooit een reactie ontvangen.

3.9. Tijdens het telefoongesprek van 11 september 1996 met de directeur
van
de dochteronderneming, heeft de laatste een aantal racistische uitlatingen
gedaan. Aanleiding was een verschil van inzicht over een arbeidsgeschil
tussen de dochteronderneming en één van haar medewerkers, werkzaam op het
filiaal te Amsterdam. In dit gesprek met verzoeker werd door de directeur
gezegd:
“Fucking Moroccan.” “Jullie Marokkanen zijn allemaal hetzelfde,” en …”I
don’t take any shit from any fucking Moroccan”…

Later die dag hebben beiden elkaar weer telefonisch gesproken, waarbij
dergelijke opmerkingen zich herhaald hebben. De racistische opmerkingen
hebben verzoeker zwaar getroffen.

3.10 Verzoeker heeft op 13 september 1996 zich hierover beklaagd bij de
directeur-generaal International Division van de wederpartij. Voorts nam
verzoeker contact op met de divisie Personeel en Organisatie van de
wederpartij, die adviseerde de door hem opgestelde klachtbrief niet te
versturen. De personeelsfunctionaris heeft deze brief wel aangenomen.

In deze brief werd onder meer aangegeven dat verzoeker van mening was dat
door de directeur van de dochteronderneming aan hem verontschuldigingen
aangeboden moesten worden voor de racistische bejegening. Volgens verzoeker
is de directeur van de dochteronderneming deze brief onder ogen gekomen,
aangezien deze hem enige tijd later opbelde met de vraag: “(….). jij
bent
toch een Nederlander?”

3.11. Na september 1996 werd verzoeker meegedeeld dat het filiaal gesloten
zou worden en hij zich tot het mobiliteitscentrum zou moeten wenden voor
een
heroriëntatietraject. Kort daarop kreeg verzoeker te verstaan dat niet
de
directeur van de dochteronderneming, maar een ander voortaan zijn functionele
chef was. Met deze situatie kon verzoeker geen vrede hebben.

3.12. De directeur van de dochteronderneming heeft geen excuses aangeboden.
Bij brief van 12 juni 1997 heeft verzoeker de directeur-generaal
International Division opnieuw aandacht gevraagd voor de destijds geuite
racistische uitlatingen, waarop bij brief van 8 juli 1997 voor het eerst
serieus werd gereageerd door de wederpartij.
Het heeft dus bijna negen maanden geduurd voor de wederpartij haar
verontschuldigingen aanbood.
De wederpartij heeft een klachtenregeling, waarin staat geschreven dat
“Uitdrukkelijk wordt bepaald dat de medewerker zich ook kan beklagen in
geval
van vermeend discriminatoir handelen.” De wederpartij had de klacht van
verzoeker als zodanig moeten opvatten.

3.13. Verzoeker werd zonder opgaaf van redenen ontheven uit zijn functie
en
tegelijkertijd werd een andere functionaris in zijn plaats aangesteld.
Verzoeker is nimmer gehoord, laat staan dat overleg met hem is gepleegd
in
deze. Volgens de wederpartij is dit laatste te wijten aan miscommunicatie
tussen alle betrokkenen. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat een
onoverbrugbare vertrouwensbreuk tussen verzoeker en de wederpartij is
ontstaan.

3.14. Op het verzoek om weer zijn oude werkzaamheden te hervatten, heeft
de
wederpartij gereageerd met de mededeling dat één en ander niet meer aan
de
orde is, en dat verzoeker er rekening mee moet houden dat de leiding van
het
kantoor in handen blijft van de huidige kantoorbeheerder, zelfs als verzoeker
op basis van een rechterlijk oordeel teruggeplaatst zou moeten worden.
Door
deze opmerkingen is bij verzoeker alle hoop op rehabilitatie en hervatting
van de werkzaamheden verloren gegaan.

3.15. Verzoeker stelt ter zitting dat hij in 1994 aangegeven had dat hij
na
tien jaar in dezelfde baan een andere functie ambieerde. Daar is destijds
geen actie op ondernomen. Deze kwestie werd pas in 1996 actueel toen de
continuering van het filiaal, en dus ook zijn functie, in geding was. Nadat
besloten was het filiaal in Amsterdam voort te zetten, ambieerde verzoeker
geen andere functie meer. Hij was immers reeds 52 jaar en was al 12 jaar
uit
het netwerk van de wederpartij zodat hij geen zicht had op andere functies.
Bovendien had hij plezier in continuering van de activiteiten die hij zelf
had opgezet. Daarbij kwam zijn expertise met het Marokkaanse bankwezen
en
zijn uitgebreide kennis van vreemde talen hem goed van pas. Toen de
wederpartij in 1997 aandrong op het volgen van een heroriëntatietraject
was
dat bij hem niet meer aan de orde. Er was voorts geen tijd voor omdat hij
geen vervanger had. Bovendien wist hij niet dat zijn eigen functie in geding
was. Niemand heeft dat ooit met hem besproken, zodat hij het belang van
het
traject niet kon inzien.

3.16. Verzoeker concludeert ter zitting dat de wederpartij door de
racistische bejegening, de wijze waarop daarmee is omgegaan en door hem
negen
maanden daarna zonder opgaaf van redenen uit zijn functie te ontheffen,
jegens hem onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

De wederpartij stelt het volgende.

3.17. De wederpartij ontkent dat zij ten opzichte van verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras bij arbeidsvoorwaarden. Verzoeker
verduidelijkt op geen enkele wijze waaruit dit onderscheid zou bestaan.
Hij
heeft enkel gewezen op het ontbindingsverzoek dat is ingediend bij de
kantonrechter.
Het verwijt dat de wederpartij een verzoek van verzoeker om een zwaardere
functie nooit serieus heeft genomen, houdt geen verband met de
arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub d van de Algemene
wet
gelijke behandeling (AWGB). Onder arbeidsvoorwaarden dient te worden
verstaan, de voorwaarden waaronder de werkzaamheden worden verricht. Het
niet
serieus ingaan op een verzoek om een zwaardere functie kan hier niet onder
worden gebracht. De arbeidsvoorwaarden zijn opgenomen in de CAO voor het
bankbedrijf en de Personeelsgids van de wederpartij en zijn voor alle
werknemers gelijk. Onderscheid, op welke grond dan ook, wordt dus niet
gemaakt.

3.18. Indien blijkt dat een medewerker een zwaardere functie ambieert,
wil
dit niet zeggen dat hij een dergelijke functie ook krijgt. Maatgevend is
hiervoor de tekst van de zogeheten managementtoets. In de beoordeling van
18
oktober 1993 staat vermeld dat een loopbaangesprek met personeelszaken
begin
1994 zou worden gearrangeerd. Niet is vermeld dat een promotie moet worden
geëffectueerd.

3.19. Naar aanleiding van verschillende loopbaangesprekken die sinds 1994
met
verzoeker gevoerd zijn, was de wederpartij van oordeel dat -gezien de
kwaliteiten van verzoeker- er geen promotie voor hem inzat. Daaraan doet
niet
af dat de wederpartij over zijn functioneren in de door hem uitgevoerde
functie tevreden was.
Bij de directie van de dochteronderneming is voorts de opvatting gegroeid
dat
de resultaten van het Amsterdamse kantoor betrekkelijk marginaal waren
en dat
er onvoldoende grip bestond op de gang van zaken. Het is een misverstand
dat
verzoeker salarisverhogingen zijn onthouden, hij had het einde van zijn
schaal bereikt.

3.20. De dochteronderneming heeft medegedeeld het kantoor in Amsterdam
uitsluitend te willen voortzetten met eigen vanuit Marokko gedetacheerde
werknemers. Via een heroriëntatie zou verzoeker herplaatst worden. Verzoeker
moet zich hierbij, gezien zijn niveau, flexibel opstellen.

3.21. De enige aanwijzing die verzoeker heeft genoemd bij zijn stelling
dat
er sprake is van onderscheid op grond van ras, is het incident met de
directeur van de dochteronderneming. Deze heeft inderdaad de gewraakte
uitlatingen gedaan. Deze uitlatingen hadden nooit gedaan mogen worden en
waren kwetsend voor verzoeker. De directeur van de dochteronderneming is
hierop door de wederpartij aangesproken en heeft verzoeker zijn excuses
aangeboden, evenals de wederpartij zelf. Verzoeker heeft deze excuses
geaccepteerd, waarmee voor de wederpartij de zaak over was. De wederpartij
kreeg van verzoeker dezelfde indruk.

3.22. Tussen het niet promoveren van verzoeker in 1994 en de uitlatingen
van
de directeur van de dochteronderneming in 1996 bestaat geen verband. De
uitlatingen betroffen een voor verzoeker zeer vervelend incident. Tevens
is
de wederpartij van mening dat verzoeker zijn positie heeft geschaad, door
voortdurend op dit incident te blijven hameren.

3.23. De wederpartij stelt, dat gezien het feit dat verzoeker vier jaar
heeft
gewacht met het indienen van een klacht bij de Commissie over het niet
promoveren, artikel 14 lid 1 sub c AWGB van toepassing is, dat bepaalt
dat de
Commissie geen onderzoek instelt, indien een zodanige termijn is verstreken
dat in redelijkheid geen onderzoek meer kan plaatsvinden. De wederpartij
verzoekt de Commissie de klacht niet ontvankelijk, althans ongegrond te
verklaren.

3.24. Voor wat de wijze betreft waarop verzoeker uit zijn functie is ontheven
erkent de wederpartij dat dit onzorgvuldig is geweest. De wederpartij wijt
dit aan een miscommunicatie tussen betrokkenen. Pas op 23 februari 1997
is de
wederpartij op de hoogte gesteld dat de dochteronderneming de detachering
van
verzoeker wilde beëindigen. Verzuimd is om verzoeker hiervan in kennis
te
stellen. Daarna heeft verzoeker geen prioriteit gegeven aan het
heroriëntatietraject, terwijl de personeelsfunctionaris hem uitdrukkelijk
had
aangegeven dat hij zulks wel zou moeten doen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden zoals verboden in artikel
5
lid 1 onder d van de AWGB.

4.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet ruim worden uitgelegd overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Ras omvat tevens huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, p. 13.)

4.3. Onder het verbod van onderscheid op grond van ras bij de
arbeidsvoorwaarden als bedoeld in artikel 5 lid 1 onder d AWGB worden door
de
Commissie mede begrepen omstandigheden als een discriminerende bejegening
door de werkgever. (Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1996, oordeel
96-62
en 20 februari 1997, oordeel 97-18.)

4.4. De verplichting van de werkgever zich te onthouden van discriminatie
op
het terrein van de arbeid brengt mee, dat de werkgever er op moet toezien
dat
ook degenen waarover hij het gezag uitoefent zich van discriminatie
onthouden. Dat houdt tevens in dat van een werkgever verwacht mag worden
dat
hij klachten over discriminatie op de werkvloer zorgvuldig behandelt en
passende maatregelen treft. Indien de werkgever daarin tekort schiet kan
er
sprake zijn van verboden onderscheid als bedoeld in de AWGB. (Commissie
gelijke behandeling, 20 februari 1997, oordeel 97-18; Commissie gelijke
behandeling 21 oktober 1996, oordeel 96-88.)

Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende.

4.5. De Commissie stelt in de eerste plaats vast dat in deze het functioneren
van verzoeker niet ter discussie staat. Onbetwist is dat verzoeker een
onberispelijke staat van dienst heeft en gedurende 23 jaar naar tevredenheid
heeft gefunctioneerd.
Eveneens staat vast dat door de directeur van de dochteronderneming van
de
wederpartij racistische uitlatingen zijn gedaan en dat eerst negen maanden
later daarvoor aan verzoeker schriftelijk verontschuldigingen zijn
aangeboden.

4.6. De wederpartij heeft aangevoerd dat zij de directeur van de
dochteronderneming direct na het incident op zijn gedrag heeft aangesproken.
Zij verkeerde in de veronderstelling dat dit incident naar genoegen van
verzoeker was afgehandeld. Het is haar immers bekend dat de betreffende
directeur het voorval in een telefoongesprek van 19 september 1996 met
verzoeker heeft besproken. Daarbij zou betrokkene aan verzoeker zijn
verontschuldiging hebben aangeboden. Toen zij uit de brief van verzoeker
in
juni 1997 begreep dat zulks naar de mening van verzoeker niet was gebeurd,
heeft de directeur, evenals de wederpartij zelf, daarvoor excuses aangeboden.
Verzoeker heeft deze excuses geaccepteerd, waarmee voor de wederpartij
de
zaak over was.

4.7. De vraag is of de wederpartij zich voldoende heeft gekweten van haar
onder 4.4. vermelde verplichtingen.
De Commissie wil wel aannemen dat de wederpartij na het indienen van de
klacht bij de directeur-generaal International Division actie heeft
ondernomen. Verzoeker is daarvan echter zoals ter zitting is gebleken niet
in
kennis gesteld, zodat hij dat niet wist en ook niet kon weten. Voorts is
ter
zitting geconstateerd dat de wederpartij heeft nagelaten bij verzoeker
zelf
te informeren of de betrokken directeur zijn excuses had aangeboden en
of de
klacht tot tevredenheid was afgehandeld. Dit is onder de gegeven
omstandigheden onzorgvuldig. De discriminerende uitlatingen zijn immers
niet
door een willekeurig persoon gedaan, maar door de directe functionele
directeur van verzoeker, die rechtstreeks over verzoeker gezag uitoefende.

4.8. De Commissie is dan ook van oordeel dat de wederpartij, gelet op de
ernst van de klacht van verzoeker en de gezagsverhouding tussen betrokkenen,
de klacht niet met voldoende zorgvuldigheid heeft afgewikkeld. De wederpartij
heeft daardoor verzoeker niet de bescherming geboden waartoe zij op grond
van
artikel 5 lid 1 sub d van de AWGB is gehouden.

4.9. Daarbij komt dat in deze onbetwist is dat de detachering van verzoeker
zonder opgaaf van redenen is beëindigd. Deze handelwijze van de wederpartij
heeft zodanige negatieve consequenties voor verzoeker gehad dat hij
arbeidsongeschikt werd. De wederpartij erkent dat de ontheffing van verzoeker
uit zijn functie op onzorgvuldige wijze is geschied.
Zij is echter van mening dat het niet binnen haar bevoegdheid lag om
verzoeker zijn functie te laten behouden. Derhalve heeft zij verzoeker
een
heroriënteringstraject aangeboden. Verzoeker heeft zich daarbij naar haar
mening niet flexibel opgesteld, zoals van een medewerker in een dergelijke
functie mag worden verwacht. Naar de mening van de wederpartij is verzoeker
wel onzorgvuldig behandeld, maar is er geen sprake van onderscheid op grond
van ras.

4.10. De Commissie constateert dat door het niet tijdig en adequaat optreden
door de wederpartij deze kwestie zich is blijven voortslepen en de
werkrelatie onder druk is komen te staan. Bij verzoeker is immers de indruk
blijven bestaan dat de wederpartij hem geen bescherming bood tegen de
discriminerende bejegening door zijn directe chef. Voorts is de beslissing
om
de detachering met verzoeker te beëindigen (mede) genomen door de directeur
die hem discriminatoir heeft bejegend, althans door de volle
dochteronderneming van de wederpartij. Daarbij staat vast dat de wijze
waarop
de detachering is beëindigd zowel door de dochteronderneming als door de
wederpartij op onzorgvuldige wijze is geschied. De Commissie is van oordeel
dat onder de gegeven omstandigheden de dochteronderneming jegens verzoeker
verboden onderscheid naar ras heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden. Voorts
dat zulks eveneens is toe te rekenen aan de wederpartij, op wie de
verplichting rust erop toe te zien dat jegens de door haar bij haar
dochtermaatschappij gedetacheerde werknemer, geen verboden onderscheid
naar
ras wordt gemaakt.

4.11. In het licht van bovenstaande feiten is aannemelijk dat verzoeker
door
de ongelijke behandeling op grond van zijn etnische afkomst niet in de
gelegenheid is gesteld zijn werkzaamheden te blijven verrichten. De
wederpartij heeft verzoeker weliswaar een heroriënteringstraject aangeboden.
Ter zitting is evenwel gebleken dat verzoeker de noodzaak van dit traject
niet heeft ingezien. Dit was ook niet mogelijk omdat de wederpartij in
gebreke is gebleven verzoeker tijdig over zijn positie duidelijkheid te
verschaffen. Zodoende is de onhoudbare situatie waarin verzoeker is komen
te
verkeren op grond waarvan door hem de ontbinding van de arbeidsovereenkomst
met de wederpartij wordt gevraagd, te wijten aan onderscheid op grond van
ras
door de wederpartij.

4.12. Voor wat het verweer van de wederpartij betreft ten aanzien van de
promotie en de beloning van verzoeker, is de Commissie van oordeel dat
dit
voorbij gaat aan de kern van de klacht van verzoeker. Dit verweer wordt
derhalve gepasseerd. Zodoende is de in paragraaf 3.23. genoemde termijn
niet
relevant.

4.13. Aanbeveling van de Commissie

De Commissie beveelt de wederpartij aan, gelet op de onberispelijke staat
van
dienst van verzoeker, te trachten om zonodig met behulp van onpartijdige
bemiddeling met verzoeker een oplossing in der minne te bereiken.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat ABN AMRO Bank N.V. te Amsterdam
jegens de heer D. O. te Haarlem bij de arbeidsvoorwaarden direct onderscheid
naar ras heeft gemaakt zoals verboden in artikel 5 lid 1 sub d van de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 24 november 1997

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Een vrouw wordt gedurende circa twee jaar ernstig lastiggevallen door de
verkoopleider van het filiaal waar zij werkzaam was. De vrouw vraagt
ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens wijziging van omstandigheden.
Het bedrijf heeft de verkoopleider in zijn functie gehandhaafd vanwege
het
vennootschappelijk belang en omdat de man als gezinshoofd verantwoordelijk
is
voor een gezin met kinderen.
De kantonrechter ziet aanleiding om een hogere vergoeding toe te kennen
dan
de landelijke kantonrechtersformule (c=1). De werkgever heeft namelijk
‘de
verplichting een zodanige werkomgeving te bieden (en te waarborgen) dat
haar
werknemers gevrijwaard zijn van (ondermeer) ongewenst gedrag van seksuele
aard’. Voorts is van belang dat het om een zeer jonge werkneemster van
zestien jaar gaat. Daarnaast is een andere werkneemster geconfronteerd
met
dergelijk gedrag. Conclusie: de werkgever is op dit punt tekort geschoten.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Verzoekster heeft op 27 augustus 1997 een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst ingediend.

Verweerster heeft op 22 september 1997 een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling vond plaats ter zitting van 27 oktober 1997.
Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Vervolgens is door de kantonrechter bepaald dat een beschikking zal worden
gegeven.

Het verzoek

Verzoekster (verder te noemen ‘L’) verzoekt ontbinding van de
arbeidsovereenkomst wegens wijziging van omstandigheden. Ter toelichting
op
dit verzoek heeft zij gesteld dat zij vanaf de aanvang van het dienstverband
slachtoffer is geweest van seksuele intimidatie gepleegd door de
verkoopleider van het filiaal waarin zij werkzaam was.
L is arbeidsongeschikt sedert juli 1996.

Nu verweerster (verder te noemen ‘X’) de desbetreffende verkoopleider in
zijn
functie heeft gehandhaafd is het voor L niet mogelijk het werk te hervatten.
L maakt aanspraak op een vergoeding van ƒ 10.000,= netto wegens immateriële
schadevergoeding, ƒ 10.000,= bruto vanwege te derven inkomsten alsmede
een
bijdrage voor (toekomstige) therapiekosten van ƒ 5000,= netto en tenslotte
een bijdrage in de advocaatkosten van ƒ 600,= netto.

Het verweer

X voert verweer. Dit verweer beperkt zich tot de hoogte van de verzochte
vergoeding. X stelt zich op het standpunt dat er geen reden is om een hogere
vergoeding toe te kennen dan conform de landelijke kantonrechtersformule
(c=1) dat betekent in dit geval ƒ 1.000,= bruto.

Beoordeling van het verzoek

1. De volgende feiten zijn komen vast te staan, althans zijn onvoldoende
weersproken.
L (leeftijd negentien jaar) is op 15 oktober 1994 in dienst getreden bij
X.
Zij was op zaterdag werkzaam als gastvrouw, receptioniste en secretaresse
in
het filiaal van X te Woerden. Haar salaris bedraagt ƒ 305,79 bruto per
maand.
Zij is vanaf de aanvang van het dienstverband lastig gevallen door de heer
Z,
in het desbetreffende filiaal werkzaam als verkoopleider. Nadat (de directie
van) X over het gedrag van de heer Z is geïnformeerd heeft zij hem hierop
aangesproken. Z heeft – op aandrang van werkgever – een bedrag van ƒ 10.000,-
als schadevergoeding betaald. Werkgever heeft Z een ernstige waarschuwing
gegeven en ontslag op staande voet bij (de schijn van) herhaling in het
vooruitzicht gesteld.
is thans “situatief arbeidsongeschikt”. Ze volgt een gymnasiumopleiding
en
doet dit (school)jaar eindexamen. Ze heeft professionele hulp moeten inroepen
om te herstellen van de gevolgen van de seksuele intimidatie.

2. Nu beide partijen een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wensen
zal
het verzoek worden toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding L een
vergoeding toe te kennen die hoger is dan de landelijke kantonrechtersformule
(c=1). X heeft als werkgever de verplichting een zodanige werkomgeving
te
bieden (en te waarborgen) dat haar werknemers gevrijwaard zijn van
(ondermeer) ongewenst gedrag van seksuele aard. Deze verplichting geldt
in de
onderhavige situatie temeer nu het gaat om een zeer jonge werkneemster
(zestien jaar ten tijde van de indiensttreding) als
. Het enkele feit dat een tweetal werkneemsters zijn geconfronteerd met
dergelijk gedrag (in een ernstige vorm) leidt tot de conclusie dat X als
werkgeefster op dit punt tekort is geschoten. Dat de desbetreffende werknemer
op aandrang van X (door middel van een door X aan hem verstrekte lening)
de
betrokken werkneemsters inmiddels een schadevergoeding van ƒ 10.000,- heeft
betaald doet daar niets aan af. Nu X de verkoopleider heeft gehandhaafd
in
zijn functie (waarbij X het vennootschappelijk belang en verkoopleider’s
verantwoordelijkheid als gezinshoofd van een gezin met kinderen als
argumenten heeft genoemd) is het evident dat
niet kan terugkeren en derhalve haar (zaterdag)baan verliest. De leeftijd
van
betrokkene, de betrekkelijk lange duur dat L last van de heer Z heeft
ondervonden, alsmede de ernst daarvan rechtvaardigen een vergoeding van
ƒ
10.000,- bruto.

Beslissing

De kantonrechter:

stelt L tot en met 12 december 1997 in de gelegenheid om het verzoek in
te
trekken en ontbindt, indien L haar verzoek niet binnen de hiervoor genoemde
termijn heeft ingetrokken, de arbeidsovereenkomst per 15 december 1997
met
toekenning van een vergoeding aan L ten laste van werkgever van ƒ 10.000,-
bruto;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mr Schokkenbroek

Instantie: Hoge Raad, 21 november 1997

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Partijen zijn op 24 januari 1986 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is
op 10 juli 1986 te Rotterdam een zoon geboren. De vader spant in 1994 een
echtscheidingsprocedure aan. Bij voorlopige voorzieningen is het kind aan
de moeder toevertrouwd. Vervolgens heeft de PAR op een verzoek van de rechtbank
een onderzoek ter zake van het gezag van het kind verricht. Vervolgens
heeft de Rechtbank de scheiding uitgesproken met de wijziging van de beschikking
voorlopige voorzieningen en het kind aan de vader toevertrouwd en een omgangsregeling
tussen de moeder en het kind. De moeder heeft vervolgens een contra-expertise
laten verrichten door het ABJ. Na rapportage van het AJB heeft de rechtbank
bij – niet uitvoerbare bij voorraad verklaarde – eindbeschikking de moeder
met het gezag over A. belast en een omgangsregeling tussen de vader en
het kind vastgesteld. De vader stelt hoger beroep in. Het hof heeft, na
de zaak mondeling te hebben behandeld en het kind te hebben gehoord, de
eindbeschikking van de rechtbank vernietigd en bepaald dat het gezag over
A. voortaan alleen aan de vader toekomt. Voorts heeft het Hof een omgangsregeling
tussen de moeder en het kind vastgesteld.
In cassatie betoogt de moeder dat het hof ten onrechte, althans zonder
deugdelijke motivering, heeft beslist dat het gezag over het kind niet
aan haar maar aan de vader toekomt. De Hoge Raad overweegt dat het hof
bij zijn beslissing over wie in beginsel geschikt is om de verzorging en
opvoeding van het kind op zich te nemen, zich terecht heeft laten leiden
door het belang van het kind. Het hof heeft alle beschikbare gegevens,
ook de verklaring in de Raadkamer van het kind zelf, in zijn beschouwingen
betrokken. Het Hof heeft uitvoerig uiteengezet welke factoren het in het
bijzonder van belang achtte voor zijn beslissing. Vervolgens heeft het
Hof aan het een en ander de slotsom verbonden “dat de vader, meer dan de
moeder, in staat is veiligheid, stabiliteit en continuïteit te bieden aan
hetgeen, gelet op de dreigende scheefgroei van het kind, zwaarder dient
te wegen dan de grotere praktische en in het verlengde daarvan emotionele
beschikbaarheid van de moeder”.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 21 april 1994 ter griffie van de Rechtbank te Rotterdam ingekomen
verzoekschrift heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de vader
– zich gewend tot die Rechtbank met het verzoek echtscheiding tussen hem
en verzoekster tot cassatie – verder te noemen: de moeder – uit te spreken
en hem te benoemen tot voogd en de moeder tot toeziend voogdes over hun
kind A.

De moeder heeft een verweerschrift ingediend en harerzijds onder meer verzocht
haar te benoemen tot voogdes en de vader tot toeziend voogd.

De Rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 26 januari 1995 de Raad voor
de Kinderbescherming te Rotterdam verzocht ten aanzien van de verzoeken
tot gezagsvoorziening een onderzoek in te stellen. Bij tussenbeschikking
van 21 april 1995 heeft de Rechtbank aan het Psychiatrisch Psychologisch
Pedagogisch Adviesbureau Randstad (PAR) een spoedonderzoek verzocht.
Bij beschikking van 13 juli 1995 heeft de Rechtbank de echtscheiding tussen
partijen uitgesproken, de beschikking voorlopige voorzieningen gewijzigd
in dier voege dat A. aan de vader werd toevertrouwd, voorts de beslissing
omtrent het gezag over de minderjarige voor zes maanden aangehouden en
de moeder in de gelegenheid gesteld een contra-expertise te laten verrichten.
Bij eindbeschikking van 5 september 1996 heeft de Rechtbank de moeder met
het gezag over A. belast en een omgangsregeling tussen de vader en A. vastgesteld.
Tegen laatstgenoemde beschikking heeft de vader hoger beroep ingesteld
bij het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage. Daarbij heeft hij het Hof primair
verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en hem alleen alsnog te
belasten met het gezag over A. Subsidiair heeft hij verzocht een omgangsregeling
vast te leggen.
Bij beschikking van 21 maart 1997 heeft het Hof de beschikking van de Rechtbank
van 5 september 1996 vernietigd, bepaald dat het gezag over A. alleen aan
de vader toekomt en een omgangsregeling tussen de moeder en A. vastgesteld.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel
uit.
De vader heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal
in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van de moeder heeft op die op 10 oktober 1997 gedateerde en
aan partijen toegezonden conclusie gereageerd bij brief van 11 november
1997, derhalve later dan verenigbaar is met de eisen van een goede procesorde
in cassatie, welke meebrengen dat op een eventuele schriftelijke reactie
op de conclusie van het Openbaar Ministerie slechts acht kan worden geslagen
indien deze bij de Hoge Raad is ingekomen binnen twee weken nadat de conclusie,
al naar de aard van het geding, ter rolle is genomen dan wel aan partijen
is verzonden. De Hoge Raad heeft de brief dan ook terzijde gelegd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Partijen zijn op 24 januari 1986 met elkaar gehuwd.
Uit dit huwelijk is op 10 juli 1986 te Rotterdam een zoon (A.) geboren.

In de onderhavige, door de vader in 1994 aangespannen echtscheidingsprocedure
heeft de Rechtbank bij beschikking voorlopige voorzieningen A. aan de moeder
toevertrouwd. Vervolgens heeft het PAR op verzoek van de Rechtbank een
onderzoek ter zake van het gezag over A. verricht, waarna de Rechtbank
bij beschikking de echtscheiding heeft uitgesproken, met wijziging van
haar beschikking voorlopige voorzieningen A. heeft toevertrouwd aan de
vader, en een omgangsregeling tussen de moeder en A. heeft vastgesteld.
Wat de toevertrouwing betreft werd deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad
verklaard.
De moeder is voorts in de gelegenheid gesteld een contra-expertise door
het ABJ te laten verrichten. Nadat het ABJ had gerapporteerd, heeft de
Rechtbank bij – niet uitvoer-baar bij voorraad verklaarde – eindbeschikking
de moeder met
het gezag over A. belast en een omgangsregeling tussen de vader en A. vastgesteld.
Op het door de vader ingestelde hoger beroep heeft het Hof, na de zaak
mondeling te hebben behandeld en A. in raadkamer te hebben gehoord, de
eindbeschikking van de Rechtbank vernietigd en bepaald dat het gezag over
A. voortaan alleen aan de vader toekomt. Voorts heeft het Hof een omgangsregeling
tussen de moeder en A. vastgesteld. Het Hof heeft zijn beschikking uitvoerbaar
bij voorraad verklaard.
Het middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte, althans zonder deugdelijke
motivering, heeft beslist dat het gezag over A. niet aan de moeder maar
aan de vader toekomt.

3.2 Het Hof stond voor de moeilijke vraag wie van de ouders, die naar zijn
oordeel (rov. 6) blijkens de verschillende rapportages beiden in beginsel
geschikt zijn om de verzorging en opvoeding van A. op zich te nemen, behoort
te worden belast met het gezag over A. Het heeft zich bij zijn beslissing
dienaangaande terecht laten leiden door het belang van A.
Bij zijn beoordeling van dat belang heeft ten processe beschikbare gegevens,
waaronder A. zelf in raadkamer heeft verklaard, schouwingen betrokken.
In de rov. 6 tot en met 9 heeft het Hof uitvoerig uiteengezet welke factoren
het in het bijzonder van belang achtte voor zijn beslissing. In rov. 10
heeft het Hof vervolgens aan een en ander de slotsom verbonden “dat de
vader, meer dan de moeder, in staat is veiligheid, stabiliteit en continuïteit
te bieden aan A., hetgeen, gelet op de dreigende scheefgroei van A., zwaarder
dient te wegen dan de grotere praktische en in het verlengde daar-van emotionele
beschikbaarheid van de moeder.” Het Hof achtte derhalve “continuering van
de bestaande situatie, waarin A. bij zijn vader verblijft”, in het belang
van A.
Het Hof heeft, zoals reeds is vermeld, de juiste maatstaf – het belang
van de minderjarige – gehanteerd en heeft, daarvan uitgaande, zijn beslissing
gebaseerd op afwegingen en waarderingen welke zijn voorbehouden aan het
Hof als rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie kan die beslissing
dan ook niet verder op haar juistheid worden getoetst. De bestreden beschikking
is voorts genoegzaam gemotiveerd en kan in het licht van de gedingstukken
niet onbegrijpelijk worden genoemd. Hierop stuiten alle door het middel
aangevoerde klachten af.

4. De beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Roelvink, Heemskerk, Jansen; A-G i.b.d. Moltmaker

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 21 november 1997

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vrouw vordert van de man ƒ 2.500 alimentatie per maand. Partijen hebben
één kind dat thans bij de man verblijft die volgens rechterlijk einduitspraak
alleen met het ouderlijk gezag is belast.
De man weet voldoende aanwijzingen te verschaffen op grond waarvan het
hof van oordeel is dat, in overeenstemming met de eisen van redelijkheid
en billijkheid, de bewijslast in dezen verlegd dient te worden naar de
vrouw, mede omdat zij op eenvoudiger wijze dan de man bewijs zou kunnen
aandragen voor haar stelling dat zij geen vermogen bezit en derhalve behoeftig
is.

Volledige tekst

HET GEDING

De man en de vrouw zijn op 12 oktober 1987 te Zoetermeer in algehele gemeenschap
van qoederen met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is op 30 januari 1988
het minderjarige kind R. geboren, welk kind thans verblijft bij de man,
die volgens rechterlijk einduitspraak alleen met het ouderlijke gezag is
belast.

Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 8 januari 1997 is
tussen de partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Het verzoek
van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud
werd door de rechtbank afgewezen.

De vrouw is van deze afwijzing tijdig in hoger beroep gekomen en heeft
verzocht voormelde beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 8
januari 1997 te vernietigen en bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,
de man te veroordelen aan de vrouw tot haar levensonderhoud uit te keren
een bedrag van ƒ 2.500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
althans een zodanig bedrag ais het hof in goede justitie zal vermenen te
behoren.

Op 9 juli 1997 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling behandeld
alwaar de man verweer heeft gevoerd en heeft verzocht de bestreden beschikking
van de rechtbank te bekrachtigen.
Na de zitting zijn nog de volgende stukken ingekomen:
– op 3 september 1997 een brief van de procureur van de vrouw;
– op 29 september 1997 een brief van de procureur van de vrouw
met als bijlagen:
– een verklaring van inschrijving van de ambtenaar van het bevolkingsregister
van Aruba van 2 september 1997;
– een verklaring namens de Gouverneur van Aruba van 2 september 1997;
– een faxbrief van de Dienst Landmeetkunde en Vastgoedregistratie op Aruba
van 12 augustus 1997;
– een nota successiebelasting van de Inspecteur der Belastingen van Aruba
van 16 juli 1997;
– een fax-exemplaar van een kennisgeving van de afdeling belastingadministratie/kadaster
van Santiago de Cali, (Colombia) van 22 september 1997;
– een fax-exemplaar van de akte van dading van 30 januari 1996 met een
vertaling daarvan;
– een fax-exemplaar van een toelichting op voormelde akte van dading van
de advocaat L. Wallis Luna van 19 september 1997;
– op 6 oktober 1997 een brief van de procureur van de vrouw met als bijlagen:
– originele exemplaren van drie bij brief van 29 september 1997 gevoegde
fax-exemplaren;
– op 17 oktober 1997 een brief van de procureur van de man met als bijlage:
– een brief van de man van 6 oktober 1997.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

1. De vrouw ontvangt sinds 1 mei 1996 een bijstandsuitkering.

2. De man bestrijdt primair dat de vrouw, ondanks het feit dat zij in Nederland
een bijstandsuitkering geniet, behoefte heeft aan een bijdrage in haar
levensonderhoud. Voorts bestrijdt hij dat zijn financiële draagkracht de
door de vrouw verzochte alimentatie toelaat.

3. Ter ondersteuning van de stelling dat de vrouw geen behoefte heeft aan
een bijdrage in haar levensonderhoud stelt de man dat de vrouw beschikt
over vermogen in Colombia, en in ieder geval over voldoende financiële
middelen om in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Recentelijk
verbleef de vrouw een jaar in Colombia. Zij heeft toen geen financiële
steun gehad van de man, noch voor de vuegreis noch voor het verbiijf aldaar,
ondanks dat zij in die periode geen bijstandsuitkerinq kreeg.
De man stelt voorts dat de juridische procedures in Colombia met betrekking
tot de erfenis van de heer Yuda Kelber, de in oktober 1981 op Curacao overleden
natuurlijke vader van de vrouw, door haar zijn verzwegen. Na de uitspraak
van het Gerecht in Eerste Aanleg op Curacao van 24 oktober 1983, is de
vrouw blijven doorprocederen in Colombia, waar Kelber vermogen had. Voorts
wijst de man er op dat, in de door de vrouw overgelegde stukken uit Colombia
ter ondersteuning van haar stelling dat zij aldaar niet over enig vermogen
beschikt, zij telkens weer onder een andere naam figureert, zowel met als
zonder een persoonsnummer, waardoor bij de man de indruk ontstaat dat er
gegevens worden achtergehouden. In ieder geval wordt volgens de man uit
deze stukken geenszins duidelijk dat de vrouw niet zou beschikken over
vermogen in Colombia.

4. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zij
over inkomsten uit vermogen kan beschikken en zo in haar eigen levensonderhoud
kan voorzien. Zij bestrijdt, onder meer onder overlegging van verklaringen
van het kadaster van Cali, Colombia, alsmede van het kadaster van Yumbo,
Colombia, en van het ministerie van mijnen en energie, dat zij enige onroerende
zaak bezit in Colombia. Het perceel in Colombia van haar moeder waarop
de vrouw een huis voor haar gezin zou laten bouwen, bleek niet meer van
haar moeder te zijn. Voorts stelt zij dat zij niet over de erfenis beschikt
van Yuda Kelber omdat zij volgens vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg
op Curacao van 24 oktober 1983 niet als natuurlijk kind van die man kan
worden beschouwd. Tijdens haar verblijf in Colombia is zij wel degelijk,
in tegenstelling tot hetgeen de man stelt, financieël afhankelijk qeweest,
namelijk van een lening van haar broer. Zij heeft bovendien diverse malen
geld opgenomen uit Nederland voor een totaal bedrag van ongeveer ƒ 18.500,-.
De vrouw heeft ter terechtzitting verklaard in Nederland te hebben gewerkt
als typiste en telefoniste en dat zij tot vorig jaar diverse kleine baantjes
had via een uitzendbureau. In Colombia is de kans om werk te vinden volgens
de vrouw mede op grond van haar leeftijd, 40 jaar, gering. Of zij teruggaat
naar Colombia is nog onduidelijk. Zij heeft ter terechtzitting te kennen
gegeven dat, gezien de duur van het huwelijk, de man haar nu financieël
zou moeten onderhouden.

5. Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft op goede gronden geconcludeerd dat, mede gelet op de
beslissing van de gemeente Zoetermeer van 24 juli 1996, waarbij de gemeente
ten aanzien van de verstrekking van de bijstandsuitkering heeft overwogen
dat het vermogen van de vrouw niet nauwkeurig kon worden vastgesteld, de
verstrekking van de bijstandsuitkering alleen onvoldoende is voor het aantonen
van de behoefte van de vrouw. Het hof neemt die beslissing over en maakt
die tot de zijne.

6. Voorts overweegt het hof dat de man, mede gelet op hetgeen terzake in
eerste instantie naar voren is gebracht, voldoende aannemelijk heeft gemaakt
dat de vrouw over enig vermogen kan beschikken. Het feit dat de vrouw recentelijk
gedurende een periode van ongeveer een jaar in Colombia heeft verbleven
zonder financiële steun van de man doet het vermoeden ontstaan dat de vrouw
over vermogen kan beschikken. Het komt het hof daarbij niet aannemelijk
voor dat de vrouw, ondanks de door haar overgelegde afschriften, werkelijk
geld heeft geleend van haar broer tijdens haar verblijf in Colombia.
Op grond van deze door de man verschafte aanwijzingen is het hof van oordeel
dat, in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid, de
bewijslast in dezen verlegd dient te worden naar de vrouw, mede omdat zij
op eenvoudiger wijze dan de man bewijs zou kunnen aandragen voor haar stelling
dat zij geen vermogen bezit en derhalve behoeftig is.

7. De vrouw is derhalve in de gelegenheid gesteld om alsnog aanvullende
stukken over te leggen om haar financiële positie duidelijk te maken. Het
hof constateert dat de door de vrouw overgelegde stukken telkens een andere
naam vermelden, de ene keer in combinatie met een persoonsnummer en de
andere keer niet. De na de zitting door de vrouw overgelegde stukken hebben
nagenoeg alle betrekking op de heer A.J. van Stroe, de overleden echtgenoot
van de moeder van de vrouw. De constaterinq dat de heer Van Stroe geen
onroerende zaken op Aruba in zijn bezit heeft gehad en de kennisgeving
van de belastingadministratie/kadaster te Cali van 22 september 1997 dat
er geen inschrijving ten name van de heer Van Stroe is geregistreerd, zijn
voor deze zaak irrelevant.

8. Op grond van de inhoud van de stukken en op grond van hetgeen partijen
ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, acht het hof evenals de
rechtbank, voldoende aannemelijk dat de vrouw over inkomsten uit vermogen
kan beschikken om in haar eigen levensonderhoud te voorzien, voor het geval
van verblijf in Nederland eventueel in aanvulling op tijdelijke baantjes
zoals zij opgeeft gewoon te zijn te verrichten. Haar behoefte aan een door
de man aan haar te betalen alimentatie staat derhalve niet vast.

Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden
bekrachtigd voor zover aan ’s Hofs oordeel onderworpen.

BESLISSING

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 8 januari
1997 voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat de man en de vrouw ieder de eigen kosten draagt van het geding
in hoger beroep.

Rechters

Mrs Hehemann, Koning, Van der Leuven

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is een vluchteling van Afghaanse afkomst met de zogenaamde
A-status. Verzoeker solliciteerde als ziekenverzorgende in opleiding.
Verzoeker werd afgewezen voor de functie omdat zijn verblijfsdocument een
geldigheidsduur had van vijf jaar. De instelling is bang dat mensen de
opleiding voortijdig afbreken. Daarom heeft zij ervoor gekozen dat personen
die geen verblijfsduur voor onbepaalde tijd hebben niet voor de functie
in
aanmerking komen. De Commissie oordeelt dat de instelling hiermee indirect
onderscheid naar nationaliteit maakt. Immers alleen personen met een
niet-Nederlandse nationaliteit worden uitgesloten van de opleiding. De
Commissie stelt dat verzoeker is afgewezen op grond van een onjuiste
beoordeling van zijn verblijfstitel en de daarmee samenhangende
verblijfsduur. Door onjuiste hantering van het middel is er geen sprake
van
een objectieve rechtvaardiging. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 mei 1997 verzocht de heer N. R. te Den Haag (hierna: verzoeker)
de
Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of
verpleeghuis “De Lozerhof” te Den Haag (hierna: de wederpartij) onderscheid
op grond van ras of ook nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld in de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is een vluchteling van Afghaanse afkomst. Hij is als
vluchteling toegelaten en heeft nu de zogenaamde A-status.
Verzoeker solliciteerde als ziekenverzorgende in opleiding bij de
wederpartij, een verpleeghuis. Verzoeker werd afgewezen voor de functie
omdat
zijn verblijfsdocument een geldigheidsduur had van vijf jaar. Verzoeker
is
van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid heeft gemaakt naar ras
of
ook nationaliteit, in strijd met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 30 september 1997.
Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. N. R. (verzoeker)
– dhr. J. Hofstra (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– mw. B. Gerlach (medewerkster afdeling personeelszaken)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker solliciteerde in december 1996 naar aanleiding van een oproep
in de vacaturebank van het Arbeidsbureau naar de functie van
ziekenverzorgende in opleiding bij de wederpartij, een psychogeriatrisch
verpleeghuis.

3.2. De wederpartij wees verzoeker op 18 december 1996 schriftelijk af
voor
de functie. In de brief werd meegedeeld dat de keuze niet op verzoeker
was
gevallen. De reden van de afwijzing werd niet vermeld. Verzoeker heeft
vervolgens telefonisch contact opgenomen met de wederpartij om te vragen
naar
de reden van de afwijzing.
In het telefoongesprek werd door een medewerkster van de wederpartij aan
verzoeker meegedeeld dat hij was afgewezen omdat hij niet in het bezit
was
van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verzoeker gaf aan dat
de
A-status een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd inhoudt. Daarna is
een
discussie ontstaan en is het gesprek op onaangename wijze geëindigd.

3.3. Verzoeker heeft vervolgens brief van 12 januari 1997 om een nadere
schriftelijke motivering van de afwijzing gevraagd. Tevens bood verzoeker
zijn excuses aan voor de wijze waarop het telefoongesprek was verlopen.
Op 17
februari 1997 had verzoeker nog geen reactie van de wederpartij ontvangen
en
zond hij een herinnering naar de wederpartij. Ook hierop werd door de
wederpartij niet gereageerd.
Verzoeker is met ingang van april 1997 bij een andere instelling met de
opleiding begonnen.

De standpunten van partijen

Verzoeker stelt het volgende.

3.5. Omdat de motivering van de afwijzing van belang was voor de verdere
sollicitaties van verzoeker, heeft hij contact opgenomen met de afdeling
Personeel en Organisatie van de wederpartij. Een medewerkster van deze
afdeling deelde verzoeker mee dat hij was afgewezen omdat zijn
verblijfsdocument een geldigheidsduur had van vijf jaar en dat men er daarom
weinig nut in zag verzoeker in opleiding te nemen, omdat na vijf jaar de
kans
bestond dat verzoeker het land moest verlaten.

3.6. Verzoeker heeft de A-status en deze is van onbeperkte duur. Toen
verzoeker probeerde uit te leggen dat de termijn van vijf jaar alleen de
geldigheidsduur van het document betrof en niet die van de verblijfstitel,
geloofde de wederpartij hem niet. Verzoeker werd hierdoor van zijn stuk
gebracht, emotioneel en boos en kon het gesprek niet meer voort zetten.

3.7. Verzoeker is van mening dat de wederpartij bij de behandeling bij
de
vervulling van een openbare betrekking direct of indirect onderscheid heeft
gemaakt tussen personen. De afwijzingsgrond, geldigheidsduur van het
verblijfsdocument, werkt in ieder geval discriminerend ten aanzien van
personen van buitenlandse afkomst.

3.8. Nu de betreffende afdeling van de wederpartij niet op de brieven van
verzoeker heeft gereageerd gaat verzoeker er vanuit dat de wederpartij
haar
standpunt inzake de afwijzingsgrond voor sollicitanten met een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd niet heeft gewijzigd. Dergelijke
sollicitanten lopen bij deze instelling waarschijnlijk nog steeds de kans
op
grond van deze discriminerende en onjuiste reden te worden afgewezen.

3.9. Verzoeker geeft ter zitting aan dat de wederpartij hem had moeten
oproepen voor een sollicitatiegesprek toen zij ontdekt had dat zij hem
ten
onrechte niet had uitgenodigd. De vacature was toen immers niet vervuld,
zodat hij nog in aanmerking had kunnen komen voor de opleiding. Hoewel
de
wederpartij erkend heeft een fout te hebben gemaakt, heeft verzoeker dus
toch
belang bij een oordeel van de Commissie. Er zijn bovendien vele vluchtelingen
met een A-status die soortgelijke problemen ondervinden.

De wederpartij stelt het volgende.

3.10. Een medewerkster van de wederpartij en verzoeker hebben telefonisch
contact met elkaar gehad. Verzoeker wilde de reden van de afwijzing weten.
De
reden van de afwijzing was dat verzoeker niet in het bezit is van een
verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verzoeker gaf aan dat de
wederpartij haar beleid zou moeten herzien omdat zijn verblijfstitel, de
A-status, een verblijfsvergunning is voor onbepaalde tijd. De medewerkster
gaf vervolgens aan dat een dergelijke wijziging van het beleid eerst intern
overlegd zou moeten worden.

3.11. Na het gesprek met verzoeker heeft de wederpartij informatie
aangevraagd over verblijfsvergunningen bij het Ministerie van Buitenlandse
Zaken. Hieruit bleek dat de wederpartij verzoeker ten onrechte had afgewezen.

3.12. De wederpartij heeft ter zitting uiteengezet dat aan alle sollicitanten
een inlichtingenformulier wordt verstrekt. Daarin moet ingevolge de op
de
werkgever rustende wettelijke verplichtingen de nationaliteit van de
sollicitant en de verblijfsstatus worden ingevuld. De opleiding tot
ziekenverzorgende duurde destijds twee jaar en zeven maanden, thans is
de
duur drie jaar. Bij de selectie wordt thans erop gelet dat de opleiding
kan
worden afgerond. Deze opleiding kost ongeveer ƒ 5000,-per leerling. Bij
de
selectie is niet van belang of betrokkene langer dan de periode van ongeveer
drie jaar in Nederland mag verblijven. Ook autochtone leerlingen kunnen
immers na drie jaar weggaan bij de instelling.

3.13. De wederpartij verklaart ter zitting voorts dat voor het vaststellen
van de verblijfsduur van de sollicitant werd gelet op het verblijfsdocument.
Zij heeft, nadat zij inlichtingen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken
had ingewonnen, begrepen dat voor de verblijfsduur onderzocht moet worden
welke verblijfstitel betrokkene heeft. De wederpartij heeft inmiddels haar
werkwijze dienovereenkomstig aangepast, zodat in de toekomst personen met
een
A-status niet meer afgewezen zullen worden.

3.14. Hoewel verzoeker op basis van een ongegronde reden niet werd
uitgenodigd voor een gesprek, heeft de wederpartij hem daarna niet meer
benaderd voor een sollicitatiegesprek en heeft zij zijn brief niet
beantwoord. Dat houdt verband met de onaangename wijze waarop verzoeker
de
medewerkster van de wederpartij te woord stond tijdens het telefoongesprek.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van ras en/of nationaliteit als bedoeld in de AWGB
door verzoeker af te wijzen voor de functie van ziekenverzorgende in
opleiding.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
het
maken van onderscheid op grond van ras en nationaliteit onder meer bij
de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Direct onderscheid is onderscheid dat
rechtstreeks verwijst naar één van de in de AWGB genoemde gronden, zoals
ras
of nationaliteit.

Indirect onderscheid op grond van ras of nationaliteit is onderscheid op
grond van een ander criterium dan ras of nationaliteit, dat direct
onderscheid op deze gronden tot gevolg heeft.

Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).
Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon-
of
verblijfplaats. (Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22014, Handelingen
22
februari 1994, pag. 1086.)
De Commissie stelt vast dat de klacht van verzoeker betrekking heeft op
de
verblijfsduur, die verband houdt met de verblijfsstatus van vreemdelingen.
Het onderzoek beperkt zich derhalve tot onderscheid op grond van
nationaliteit in staatkundige zin.

4.3. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag zal eerst worden
onderzocht of de wederpartij direct onderscheid naar nationaliteit heeft
gemaakt door verzoeker af te wijzen voor de functie.

Bij de beoordeling van de sollicitatiebrieven hanteert de wederpartij een
standaardformulier. In dit formulier wordt mede gevraagd naar de
verblijfsstatus en de nationaliteit van de sollicitant. In het geval dat
de
sollicitant niet de Nederlandse nationaliteit heeft, is voor de beslissing
of
de sollicitatie in behandeling wordt genomen de geldigheidsduur van de
verblijfsvergunning doorslaggevend. Op het moment van de sollicitatie van
verzoeker gold voor hem een verblijfsduur voor onbepaalde tijd.

Uit het vorenstaande volgt dat de selectie op dit punt niet afhankelijk
is
van de nationaliteit van de sollicitant, maar van de eis (de verblijfsduur)
die aan de verblijfsvergunning worden gesteld. Door deze eis worden niet
alle
personen met een verblijfsvergunning uitgesloten, doch wel degenen aan
wie
geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is verleend.
De Commissie concludeert op grond hiervan dat de wederpartij jegens verzoeker
geen direct onderscheid naar nationaliteit heeft gemaakt.

4.4. Vervolgens is het de vraag of de wederpartij door het hanteren van
dit
selectiecriterium van verblijfsduur indirect onderscheid naar nationaliteit
heeft gemaakt. Er is sprake van indirect onderscheid indien door dit
selectiecriterium in overwegende mate personen van niet-Nederlandse
nationaliteit nadelig worden getroffen.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
De wederpartij hanteert de tijdsduur van de verblijfsvergunningen als
selectiecriterium. Zoals hiervoor onder 4.3. is overwogen, worden door
een
dergelijk criterium alle sollicitanten aan wie een verblijfsvergunning
voor
bepaalde tijd is verleend uitgesloten. Dit zijn uitsluitend personen met
een
niet-Nederlandse nationaliteit, omdat alleen zij in het bezit kunnen zijn
van
een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De Commissie concludeert derhalve
dat door het hanteren van dit criterium indirect onderscheid naar
nationaliteit wordt gemaakt.

4.5. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1
AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co. KG 13
juli
1989, zaak 171/88.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de middelen die gekozen worden om het nagestreefde doel te bereiken dienen
te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de organisatie;
– en deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde
doel
te bereiken.

Het doel van de wederpartij is om personen tot de opleiding toe te laten
die
feitelijk in staat zijn de opleiding af te maken en
daarna als ziekenverzorgende werkzaam te zijn. Aan dit doel is iedere
discriminatie vreemd en het beantwoordt aan een werkelijke behoefte van
de
organisatie.

Het middel dat gekozen is, is dat personen die geen verblijfsduur voor
onbepaalde tijd hebben niet voor de functie in aanmerking komen. De
wederpartij heeft de verblijfsduur beoordeeld aan de hand van het
verblijfsdocument.
Het staat vast dat aan verzoeker als vluchteling de zogenoemde A-status
was
toegekend. De A-status geeft de vluchteling een verblijfstitel, die vrijwel
vergelijkbaar is met de positie van personen met de Nederlandse
nationaliteit.
Dit betekent dat verzoeker door de wederpartij is afgewezen op grond van
een
onjuiste beoordeling van zijn verblijfstitel en de daarmee samenhangende
verblijfsduur.

De Commissie concludeert dat verzoeker bij een juiste beoordeling van zijn
verblijfsduur wel tot de selectie toegelaten had moeten worden. Van een
middel dat niet juist wordt gehanteerd kan de geschiktheid en
noodzakelijkheid niet worden getoetst. Derhalve is er geen sprake van een
objectieve rechtvaardiging en heeft de wederpartij jegens verzoeker door
hem
voor de selectie af te wijzen verboden indirect onderscheid naar
nationaliteit gemaakt.

4.6. Wellicht ten overvloede wijst de Commissie erop dat, voor zover de
verblijfstitel en ook de verblijfsduur door de wederpartij wel juist
beoordeeld waren, beoordeeld zou moeten worden of dit middel (een
verblijfsduur voor onbepaalde tijd) geschikt en noodzakelijk is om het
nagestreefde doel te bereiken. Aan een dergelijke inhoudelijke toetsing
is de
Commissie niet toegekomen en dit kan thans achterwege blijven nu de
wederpartij heeft aangegeven dat zij uit eigen beweging dit selectiecriterium
heeft gewijzigd.
Het criterium van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt door
haar niet meer gehanteerd. Dit betekent in ieder geval dat personen met
een
zogenoemde A-status tot de selectie zullen worden toegelaten. De Commissie
heeft hiervan met instemming kennis genomen.

4.7. Aanbeveling van de Commissie

Voor wat het gewijzigde selectiebeleid betreft doet de Commissie de volgende
aanbeveling.
De wederpartij heeft aangegeven dat zij thans als criterium hanteert dat
de
verblijfsduur van de sollicitant gelijk moet zijn aan de duur van de
opleiding zodat deze kan worden afgerond. Dit lijkt op voorhand een redelijk
en zakelijk argument. De Commissie tekent echter hierbij aan dat bij
sollicitanten met de Nederlandse nationaliteit niet te verifiëren valt
of zij
de opleiding zullen afronden. Hierdoor lijkt het aannemelijk dat
sollicitanten met een andere dan de Nederlandse nationaliteit eerder dan
sollicitanten met de Nederlandse nationaliteit zullen worden afgewezen.
Dit
betekent dat ook voor wat het gewijzigde criterium betreft van geval tot
geval onderzocht zal moeten worden of het objectief gerechtvaardigd is.

De Commissie beveelt de wederpartij dan ook aan dit selectiecriterium met
de
noodzakelijke zorgvuldigheid te hanteren, zodat wordt voorkomen dat voor
vreemdelingen, die rechtsgeldig in Nederland verblijven, de kansen op een
goede opleiding onnodig worden beperkt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat De Lozerhof te Den Haag,
jegens
de heer N. R. te Den Haag verboden indirect onderscheid op grond van
nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van
de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder(lidKamer), dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft als oproepsuppoost bij een museum gewerkt. Zij is van
mening dat oproepsuppoosten ongelijk werden beloond ten opzichte van
oproepbaliemedewerkers.
De Commissie stelt vast dat het verschil in beloning tussen beide groepen
niet is terug te voeren tot een onderscheid op grond van geslacht nu in
beide
groepen meer vrouwen dan mannen werkten. Ook binnen de functiegroepen is
geen
sprake van een verschil in beloning tussen mannen en vrouwen. De Commissie
heeft geen nader onderzoek ingesteld naar de beloning van de maatman die
als
oproepbaliemedewerker werkzaam is geweest, aangezien niet aannemelijk is
dat
sprake is van onderscheid naar geslacht bij de verschillende beloning van
de
beide functiegroepen. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 november 1996 verzocht mevrouw Y.M. de J. te Spijkenisse (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel te geven over de vraag of het Museum voor Volkenkunde te Rotterdam
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld
in
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft als oproepsuppoost bij een onder de wederpartij
ressorterend museum gewerkt. Zij is van mening dat zij in haar functie
ongelijk beloond werd ten opzichte van baliemedewerkers. Zij heeft een
mannelijke collega als maatman aangewezen, de heer D. Wissel (hierna:
maatman) in zijn functie als baliemedewerker.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben enkele malen hun
standpunten toegelicht.

De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld, met
ondersteuning door een bedrijfskundige van de Arbeidsinspectie van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Arbeidsinspectie)
en een bedrijfskundige van de Commissie.
In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met
verzoekster, de wederpartij en de maatman. Van dit onderzoek
ter plaatse is een rapport opgemaakt d.d. 21 augustus 1997.

2.2. Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 30 september 1997.
Zij hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie
– mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
– mw. G. de Vries (bedrijfskundige).

van de kant van de Arbeidsinspectie
– dhr. S. Bisschop (bedrijfskundige)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een gemeente, waaronder het museum waar
verzoekster werkzaam was, ressorteerde. De wederpartij kent een eigen
functiewaarderingssysteem, de zogeheten ‘Rotterdamse
methode’. Dit systeem analyseert functies op zeven hoofdgezichtspunten.
Een
werkgroep die voor de vier stedelijke musea in de gemeente is ingesteld,
adviseert de directie van het museum over de functie-indeling.
Het aanvangssalaris van een medewerker wordt vastgesteld op grond van de
waardering van de functie. Hierbij hanteert de wederpartij aanloopschalen
en
functieschalen. Persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld ervaring
en
het laatstgenoten salaris, kunnen mede bepalend zijn voor de hoogte van
het
aanvangssalaris. Deze omstandigheden bepalen aantal periodieken binnen
de
salarisschaal waarin een functie is ingedeeld.
Bij goed functioneren wordt jaarlijks een periodieke salaris-
verhoging toegekend tot het maximum van de salarisschaal bereikt is.

3.2. Verzoekster is op 1 november 1993 in dienst getreden bij de wederpartij
als oproepsuppoost voor minimaal een uur per week voor een periode van
een
half jaar. Verzoekster verdiende ƒ 13,14 per uur inclusief de toelage voor
onregelmatige/ploegendienst en exclusief 8% vakantietoeslag was. Dit bedrag
is afgeleid van salarisschaal 1 met 0 periodieken. Verzoeksters contract
is
per 1 mei 1994 met een half jaar verlengd. Het salaris bedroeg vanaf dat
moment ƒ 13,40 per uur hetwelk was afgeleid van het op dat moment van
toepassing zijnde schaalbedrag van salarisschaal 1 periodiek 0. Verzoeksters
contract is per 1 november 1994 opnieuw met een half jaar verlengd, op
basis
van dezelfde salariëring.
In tegenstelling tot het eerste contract waren de twee daarop-
volgende contracten zogenoemde nul-urencontracten.

Verzoekster is in dienst getreden in het kader van de start van een soort
proefproject met oproepsuppoosten.
De functie oproepsuppoost is door de wederpartij niet beschreven en
gewaardeerd. Wel is de functie suppoost beschreven en gewaardeerd. Deze
functie is ingedeeld in salarisschaal 2. De functie van oproepsuppoost
is
mede op grond van de indeling van de functie suppoost in salarisschaal
2, in
salarisschaal 1
ingedeeld. Vanaf augustus 1994 werd de oproepsuppoosten tevens een
museumjaarkaart, een jaarverslag, personeelsinformatie en de banenkrant
van
de gemeente ter beschikking gesteld.

Hoewel zij hier op grond van het salarisbeleid van de wederpartij voor
in
aanmerking hadden moeten komen, zijn aan verzoekster en de overige
oproepsuppoosten geen jaarlijkse periodieke verhogingen toegekend.

3.3. De maatman is tegelijk met verzoekster bij de wederpartij in dienst
getreden als oproepsuppoost. Zijn uurloon was gelijk aan dat van verzoekster.
Hij heeft deze functie vervuld tot
1 mei 1995 en is ook steeds in dezelfde salarisschaal (1) met 0 periodieken
ingedeeld geweest.
Per 1 mei 1995 is maatman bij Multiflex Rotterdam b.v. in dienst getreden.
Dit bedrijf heeft hem als baliemedewerker tewerkgesteld bij de wederpartij
op
basis van een contract voor 46 uur per vier weken. Het salaris van maatman
bedroeg ƒ 16,29 bruto per uur.

De functie baliemedewerker is door de wederpartij niet
beschreven. Wel is de functie van gastvrouw/heer beschreven en gewaardeerd
en
in salarisschaal 3 ingedeeld. Op grond hiervan is ook de functie van
baliemedewerker in salarisschaal 3 ingedeeld.
In de functiebeschrijving van gastvrouw/heer zijn een aantal elementen
opgenomen die overeenkomen met de door maatman genoemde functietaken.
Daarnaast zijn bij deze functiebeschrijving taken opgenomen die ook door
de
suppoosten worden verricht.

3.4. De wederpartij heeft overzichten verstrekt van het aantal mannen en
vrouwen bij haar in dienst in de functies oproep-suppoost en baliemedewerker,
ten tijde dat verzoekster daar werkzaam was.
De functie oproep-suppoost werd vervuld door zes vrouwen en vijf mannen.
Alle
oproep-suppoosten werden op gelijke wijze, namelijk in salarisschaal 1
met 0
periodieken, ingeschaald. De functie baliemedewerker werd vervuld door
drie
vrouwen en een man. Ook de baliemedewerkers werden steeds op gelijke wijze
ingeschaald, namelijk salarisschaal 3 met 3 periodieken. Bij deze telling
is
maatman niet meegerekend, aangezien deze als baliemedewerker niet bij de
wederpartij in dienst is. Eén van de vrouwelijke baliemedewerkers was in
een
uitloopperiodiek geplaatst.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Zij is van mening dat zij gediscrimineerd is, op grond van de verschillende
behandeling tussen de functiegroep van de oproepsuppoosten en de functiegroep
van de baliemedewerkers. Baliemedewerkers krijgen een hoger uurloon dan
oproepsuppoosten. In tegenstelling tot de oproep-suppoosten krijgen de
baliemedewerkers bovendien een weekendtoeslag.

Zij heeft vanwege het verschil in beloning tussen beide functiegroepen
een
aantal keren om opslag gevraagd, maar haar werd
gezegd dat de functies niet vergelijkbaar waren en dat er geen geld
beschikbaar was. Zij is van mening dat de wederpartij een nonchalante houding
had ten opzichte van de oproep-suppoosten.
Gedurende de eerste maanden van haar dienstverband heeft
verzoekster incidenteel werkzaamheden verricht, die later
uitsluitend door baliemedewerkers werden verricht. Zij is van mening dat
een
suppoost een grotere financiële verantwoordelijkheid heeft dan een
baliemedewerker, aangezien deze verantwoordelijk is voor alle
(kunst)voorwerpen. Beschadiging van
(kunst)voorwerpen zou grote financiële gevolgen kunnen hebben. Dit bedrag
zal
groter zijn dan de inhoud van de kassa waar de baliemedewerkers mee te
maken
hebben.

Verzoekster is van mening dat er op papier weliswaar sprake is van
verschillen tussen de functies suppoost en oproep-suppoost, maar dat haar
daarvan in de praktijk niets is gebleken. Zo wordt eerstelijns informatie
aan
bezoekers volgens haar door suppoosten ook niet verstrekt.
Volgens verzoekster is maatman feitelijk reeds voor het einde van zijn
laatste contractsperiode als oproep-suppoost bij de
wederpartij als baliemedewerker werkzaam geweest. Zij vermoedt dat hij
hiervoor ook het bijbehorende salaris heeft gekregen.

De oproep-suppoosten werd in tegenstelling tot het overige
personeel geen catalogi, jaarverslagen, museumjaarkaart,
personeelsinformatie of banenkranten van de gemeente, verstrekt. Verzoekster
heeft hier herhaalde malen om verzocht. Dit heeft er toe geleid dat alle
oproep-suppoosten vanaf augustus 1994 de beschikking kregen over
jaarverslagen en, indien zij langer dan een half jaar in dienst zijn, een
museumjaarkaart.

Verzoekster is van mening dat ook de gegevens van de medewerkers van de
zogenaamde Multibedrijven die bij de wederpartij werkzaam zijn in beschouwing
moeten worden genomen. Deze medewerkers hebben dezelfde (secundaire)
arbeidsvoorwaarden als de ambtenaren en bovendien kunnen zij ook groepsleider
worden binnen de functiegroep suppoosten. Het betreft hier vermoedelijk
drie
mannen en een vrouw.

Verzoekster heeft in eerste instantie een oproepcontract gehad voor minimaal
één uur per week. In de tweede en derde contracts- periode was deze clausule
niet langer opgenomen. Hierdoor was verzoekster niet langer ziekenfonds
verzekerd en moest zij zich als zelfstandige particulier verzekeren. Zij
heeft de wederpartij verzocht de clausule opnieuw op te nemen in haar
contract. Dit is echter niet gebeurd ondanks dat de wederpartij dit had
toegezegd.

Voorts maakt verzoekster melding van een groot aantal klachten over de
behandeling van oproep-suppoosten in het algemeen en haar in het bijzonder.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

Het verschil in beloning tussen baliemedewerkers en oproep-
suppoosten is gebaseerd op functiewaardering en houdt op geen enkele manier
verband met ongelijke behandeling. Bij het
waarderen van functies wordt nooit in mannen- of
vrouwen(functies) gedacht.

Het is geen automatisme dat bij indiensttreding een functie-
beschrijving wordt overhandigd en een functie-indeling wordt meegedeeld.
De wederpartij is er voor wat betreft de groep oproep-suppoosten vanuit
gegaan dat vooral studenten voor deze functie in aanmerking wilden komen.
Zij
ging er vanuit dat er sprake zou zijn van een korte dienstperiode waardoor
men er niet aan toe zou komen om aan deze personeelsleden jaarlijks
periodieke verhogingen te moeten verstrekken. De wederpartij heeft geen
verklaring voor het feit dat verzoekster nadat zij een jaar in dienst was,
geen periodieke verhoging heeft gekregen. Wel zou verzoekster indien zij
langer bij de wederpartij werkzaam was gebleven, in aanmerking zijn gekomen
voor periodieke verhogingen.

De wederpartij is van mening dat bij de beschrijving en de
waardering van de verschillende functies moeten worden uitgegaan van de
organieke functie. De functie suppoost is zwaarder dan de functie
oproep-suppoost. Met name de eerstelijns informatie aan bezoekers is voor
de
oproep-suppoost marginaal ten opzichte van de suppoost. Voor de functie
oproep-suppoost hebben bij de salariëring mede financiële argumenten een
rol
gespeeld.
Bovendien waren zij geen ambtenaar, waardoor zij een andere
status hadden. Zij kregen ook geen weekendtoeslag.
De baliemedewerkers kregen wel een weekendtoeslag. Zij werkten volgens
een
vast rooster en hadden een andere
arbeidsovereenkomst dan de oproep-suppoosten.
Bij de beoordeling van de verdeling van mannen en vrouwen over de onderhavige
functies zou ook het algehele beleid van de
wederpartij op dat gebied in ogenschouw moeten worden genomen,
om eventuele afwijkingen daarvan in perspectief te kunnen
beschouwen. De wederpartij heeft in dat verband gewezen op
gemeentelijke kengetallen met betrekking tot de verdeling van mannen en
vrouwen bij de wederpartij.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt, door verzoekster als oproep-suppoost lager te belonen dan maatman
die als baliemedewerker werkzaam was.

4.2. Verzoekster is op 1 november 1993 in dienst getreden bij de wederpartij.
Haar laatste arbeidsovereenkomst eindigde op
1 mei 1995.

De beloning wordt getoetst aan de toepasselijke wetsartikelen die in die
periode van kracht waren, te weten artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek
(BW) (Per 1 april 1997 is dit artikelnummer 7:646 lid 1 BW, de norm is
echter
niet gewijzigd.) en de artikelen 7, 8 en 9 van de Wet gelijke behandeling
van
mannen en vrouwen (WGB).

Artikelen 7, 8 en 9 WGB bepalen dat een werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het punt van de beloning
wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke
waarde verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is berekend
op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt
dat onder meer bij de arbeids-
voorwaarden geen onderscheid naar geslacht mag worden gemaakt. Onder de
arbeidsvoorwaarden valt de beloning.

Artikel 7A:1637ij lid 5 BW bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen
en
vrouwen direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt
verstaan. Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond
van
andere hoedanigheden dan het geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of
gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolgen
heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

4.3. De Commissie oordeelt uitsluitend over de vraag of een bepaald verschil
in behandeling wordt veroorzaakt door een onderscheid op grond van één
van de
in de gelijke behandelingswetgeving genoemde gronden, zoals geslacht.
Uiteraard zijn ook buiten de in de gelijke behandelingswetgeving neergelegde
gronden vormen van ongelijke behandeling denkbaar die in strijd kunnen
zijn
met het algemene beginsel van gelijke behandeling, doch het behoort niet
tot
de bevoegdheid van deze Commissie om daarover te oordelen.

Verzoekster vergelijkt zich voor wat betreft haar beloning met een maatman
die (officieel) vanaf 1 mei 1995 als baliemedewerker in het museum werkzaam
is geweest.
Aan verzoekster is gevraagd toe te lichten waarom zij zich
als vrouw ongelijk behandeld voelt. Verzoekster heeft aangegeven dat zij
zich
niet zozeer als vrouw ongelijk behandeld voelt, maar dat zij van mening
is
dat sprake is van ongelijke beloning tussen de oproep-suppoosten en
baliemedewerkers.

4.4. De Commissie heeft de wederpartij verzocht aan te geven hoeveel mannen
en hoeveel vrouwen bij haar in dienst waren ten tijde dat verzoekster daar
als oproep-suppoost werkzaam was. Tevens is gevraagd aan te geven hoe deze
mensen waren ingeschaald.
De aantallen mannen en vrouwen in de verschillende functies zijn van belang
voor de vraag of wellicht sprake is van indirect onderscheid naar geslacht
door de ongelijke beloning van
oproep-suppoosten en baliemedewerkers. Hiervan zou sprake zijn als door
het
gehanteerde beloningsverschil vrouwen in overwegende mate worden getroffen.
De Commissie is van mening dat sprake moet zijn van een substantieel verschil
tussen het aantal getroffen mannen en vrouwen alvorens kan worden aangenomen
dat vrouwen in overwegende mate worden getroffen.
Uit de door de wederpartij verstrekte gegevens blijkt dat de functie
oproep-suppoost werd vervuld door zes vrouwen en vijf
mannen. De functie baliemedewerker werd vervuld door drie vrouwen en een
man.
Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat, hoewel er een verschil in beloning
is tussen beide functiegroepen, dit verschil niet is terug te voeren naar
geslacht. Immers, in beide groepen werkten meer vrouwen dan mannen. Indien
de
baliemedewerkers, die via de multibedrijven bij de wederpartij werkten,
worden meegerekend, wordt de verhouding vier mannen en vier vrouwen. Hieruit
volgt dat de verschillende beloning tussen de verschillende functiegroepen
geen onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft.

Uit de door de wederpartij verstrekte gegevens blijkt voorts dat de
oproep-suppoosten steeds op gelijke wijze werden ingeschaald, namelijk
salarisschaal 1 met 0 periodieken. Maatman is in de periode dat hij als
oproep-suppoost in dienst was bij de
wederpartij eveneens in salarisschaal 1 met 0 periodieken.
Evenals de oproep-suppoosten, werden de baliemedewerkers steeds op gelijke
wijze ingeschaald, namelijk salarisschaal 3 met 3 periodieken.
Tussen de mannen en de vrouwen binnen de functiegroepen zijn geen
salarisverschillen geconstateerd. Een onderscheid op grond van geslacht
acht
de Commissie derhalve ook op dit punt niet aan de orde.

4.5. Nu niet aannemelijk is geworden dat onderscheid op grond van geslacht
een rol heeft gespeeld bij de verschillende beloning tussen baliemedewerkers
en oproep-suppoosten, heeft de Commissie geen nader onderzoek ingesteld
naar
de vraag of verzoekster en maatman arbeid van gelijke dan wel nagenoeg
gelijke waarde verrichten. Verzoekster heeft tevens aangevoerd, dat maatman
reeds voordat hij in dienst trad bij het multibedrijf feitelijk als
baliemedewerker heeft gefunctioneerd. Formeel zou hij toen nog als
oproep-suppoost in dienst bij het museum zijn geweest. Dit is echter door
de
betrokken maatman ontkend, terwijl verzoekster haar vermoedens niet nader
heeft onderbouwd. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de maatman
de
facto eerder (dat wil zeggen in zijn functie als oproep-suppoost) werkzaam
en
beloond is geweest als baliemedewerker.

Op grond van het voorgaande heeft de Commissie eveneens geen verder onderzoek
ingesteld naar de vraag of de beloning van
verzoekster en maatman op grondslag van gelijkwaardige maatstaven heeft
plaatsgevonden.
De Commissie sluit daarbij niet uit dat de waardering van de functie van
oproep-suppoost wellicht aan de lage kant is geweest, maar stelt vast dat
er
daarbij geen sprake is van een onderscheid op grond van geslacht.

Ook de overige klachten van verzoekster over de haar ten deel gevallen
behandeling zijn niet terug te voeren tot klachten die betrekking hebben
op
een vorm van ongelijke behandeling, met name geslacht, waarover de Commissie
bevoegd is te oordelen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Gemeente
Rotterdam te Rotterdam jegens mevrouw Y.M. de J. te
Spijkenisse bij de beloning geen onderscheid heeft gemaakt
op grond van geslacht als bedoeld in de gelijke
behandelingswetgeving.

Rechters

Mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G. Nicolai(lid Kamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Roermond, 19 november 1997

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


De vrouw, moeder van twee kinderen van tien en elf jaar en alleenstaand,
heeft een eigen praktijk als yogalerares. Zij verdient hiermee onvoldoende
om
boven de bijstandsgrens uit te komen. Van de Sociale Dienst krijgt zij
een
veertigurige arbeids- en solliciatieplicht opgelegd.
De vrouw wenst haar yogapraktijk voort te zetten en wil zelf voor haar
kinderen zorgen en tekent beroep aan tegen de veertigurige arbeidsplicht.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De gemeente dient een nieuwe
beslissing te nemen toegespitst op de individuele omstandigheden van de
vrouw. Hierbij zal rekening moeten worden gehouden met de zorg voor haar
kinderen en met haar – beginnend – ondernemerschap.
Vervolg op B&W Venray 3 december 1996, RN 1998, 695, m.nt. Marleen van
Geffen.

Volledige tekst


De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die
eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling
van
dit beroep, een en nader -anders dan de gemachtigde kennelijk voorstaat-
overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor
de
in aanmerking te nemen procesbehandelingen wordt tweenhalve punt toegekend
(één punt voor het beroepschrift, een halve punt voor het indienen van
repliek en één punt voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van
de
zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor
één.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III.Beslissing

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep gegrond en vernietigd het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eiseres;

veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank,
aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 1.775,= (als kosten van rechtsbijstand)
te vergoeden door verweerders gemeente aan de griffier der gerechten in
het
arrondissement Roermond;

bepaalt dat verweerders gemeente aan eiseres het door deze gestorte
griffierecht volledig vergoedt.

Noot

Het verhaal is inmiddels bekend: een bijstandsmoeder tracht op eigen kracht
een inkomstenbron te creëren, waarbij zij werk en zorg op een aangename
en
verantwoorde manier kan combineren. De gemeente Venray, waar de vrouw woont,
straft deze creativiteit af met een fulltime solicitatieplicht en een
beperking ten aanzien van de omvang van haar activiteiten als zelfstandig
yogalerares. In Nemesis 1997 nr. 2 schreef ik een uitgebreide noot bij
de
teleurstellende beslissing op bezwaar. De vrouw ging niet bij de pakken
neer
zitten en stelde beroep in bij de Arrondissementsrechtbank te Roermond,
waar
ze een gewillig oor vond voor haar grieven.
In mijn noot stelde ik dat het college van B&W zich geheel achter de letter
van de wet had verscholen, omdat zij de vrouw in kwestie bijna standaard
hadden ingedeeld in de categorie werklozen die zijn aangewezen op arbeid
in
dienstbetrekking, uit welke indeling vervolgens automatisch een fulltime
beschikbaarheid voortvloeide. De rechtbank is van oordeel dat het college
zich er te gemakkelijk vanaf heeft gemaakt: het had uitdrukkelijk en
gemotiveerd dienen te beslissen over de (wijze van) toepassing van artikel
107 lid 1 Abw (dat afwijking van de algemene sollicitatieplicht mogelijk
maakt) in het geval van deze bijstandsmoeder. Met andere woorden het college
heeft zich niet achter de wet maar achter een enkele bepaling – artikel
113
Awb (arbeidsverplichting) – verscholen, terwijl artikel 70 lid 1 sub b
Awb
(dat voorschrijft dat de aan de bijstandsverlening verbonden verplichtingen
in het toekennings- of voortzettingsbesluit worden genoemd) naar een heel
hoofdstuk verwijst. De rechtbank heeft weinig waardering voor het feit
dat
het college eerst ter zitting melding maakte van – voor een geval als dit
gunstig – beleid terzake.
Uit deze uitspraak zou kunnen worden afgeleid dat sociale diensten bij
het
opleggen van aan de bijstandsverlening verbonden verplichtingen gehouden
zijn
om expliciet aan te geven waarom geen gebruik is gemaakt van de bevoegdheid
tot ontheffing van een of meerdere verplichtingen. Dit dwingt diensten
tot
het leveren van maatwerk, waarbij met name bijstandsmoeders gediend kunnen
zijn.
Over de invulling in dit individuele geval laat de rechtbank zich niet
in
concreto uit. Maar enige creativiteit lijkt zij wel op prijs te stellen,
gelet op haar overweging dat in de systematiek van de wet en in het bijzonder
hoofdstuk VIII voldoende mogelijkheden zijn gelegen ‘om te komen tot het
stimuleren van de zelfstandige bestaansvoorziening met een op de persoon
van
de bijstandsgerechtigde toegesneden arbeids- en sollicitatieplicht, waarbij
–
voor het geval van eiseres – zorgtaken, (oriëntatie op) arbeid in
dienstbetrekking en zelfstandige activiteiten op elkaar kunnen worden
afgestemd’.
De advocaat heeft in de procedure ook nog de stelling opgeworpen dat de
arbeidsverplichting strijdt met het VN-vrouwenverdrag. Gelet op de context
neem ik aan dat zij heeft bedoeld dat het opleggen van een
arbeidsverplichting zonder rekening te houden met zorgtaken strijdig is
met
dit Verdrag. De rechtbank is op deze stelling niet ingegaan. Toch klinkt
in
de laatste overweging van de rechtbank wel een gender-bewust geluid door,
waarin zorg en werk niet meer elkaar per definitie uitsluitende grootheden
zijn. Hierin kan een impliciete verwijzing worden gezien naar twee
doelstellingen van het VN-vrouwenverdrag: positieverbetering van vrouwen
en
bestrijding van de dominante genderideologie.

Marleen van Geffen

Rechters

Mrs Huijbers, Van Dijk, Smits