Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 7 november 1997

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Stichting opgericht ter uitvoering van de Rijksbijdrageregeling banenpools
heeft een toeslag op het minimumloon uitbetaald aan de bij haar in dienst
zijnde gehuwde banenpoolers die kostwinner zijn. Een alleenstaande werknemer
vordert in de onderhavige procedure uitbetaling van eenzelfde toeslag. Hij
beroept zich op art. 7A:1637ij lid 7 (oud) BW en op de discriminatieverboden
van art. 1 Gw en art. 26 BuPo-verdrag. Om te beoordelen of het door de
Stichting gemaakte onderscheid in het licht van art. 1 Grondwet en art. 26
BuPo-verdrag “door de beugel” kon, moet worden nagegaan of met dat
onderscheid wel een legitiem doel werd nagestreefd en of dat onderscheid kon
worden aangemerkt als een passend middel om dat doel te bereiken (HR 7 mei
1993, NJ 1995, 259). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de Stichting
met het gemaakte onderscheid een legitiem doel heeft nagestreefd nu het met
de toeslag nagestreefde doel volledig strookte met de doelstelling van de
banenpool zoals geregeld in de Rijksbijdrageregeling banenpools. Het oordeel
dat het gemaakte onderscheid tussen gehuwden/samenwonenden enerzijds en
alleenstaanden anderzijds een passend middel was om het gestelde doel te
bereiken geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie – verder te noemen: L. – heeft bij exploit van 16 mei 1994
verweerster in cassatie – verder te noemen: Zaanstad – gedagvaard voor de
kantonrechter te Zaandam en – voor zover thans in cassatie van belang –
gevorderd Zaanstad te veroordelen om aan L. te betalen ƒ 2600 bruto als loon
of schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente.
Zaanstad heeft primair de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, subsidiair
de vordering gemotiveerd bestreden.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 1 september 1994 de incidentele
vordering tot onbevoegdheidsverklaring afgewezen.
Na verdere conclusiewisseling in de hoofdzaak heeft de Kantonrechter bij
eindvonnis van 22 december 1994 de vordering van L. afgewezen.
Tegen het eindvonnis heeft L. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te
Haarlem. Bij vonnis van 14 mei 1996 heeft de Rechtbank voormeld eindvonnis
aan de kantonrechter bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft L beroep ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Zaanstad heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het
beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Zaanwerk is een door de gemeente Zaanstad ter uitvoering van de
Rijksbijdrageregeling banenpools (Stcrt. 1990/172) opgerichte stichting.
(ii) Doelstelling van de banenpool vormt het bieden van betaalde arbeid op
boventallige arbeidsplaatsen in de collectieve sector, aan die langdurig
werklozen die zeer moeilijk plaatsbaar zijn op de arbeidsmarkt. Binnen het
geheel van arbeidsvoorzieningsmaatregelen vormt de banenpool het sluitstuk.
(iii) Doel van Zaanwerk is uitvoering te geven aan de onder (i) vermelde
regeling door deze zeer moeilijk plaatsbare werklozen een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd aan te bieden, zoals bedoeld in art 7A:1637a (oud) BW,
daartoe gesubsidieerd van overheidswege.
(iv) B en W van de gemeente Zaanstad hebben op 5 november 1991 besloten aan
gehuwde/samenwonende banenpoolers, in dienst van Zaanwerk, ƒ 100 extra op het
met hen overeengekomen of overeen te komen loon te betalen (hierna: de
toeslag). De toeslag is op grond van dit besluit vanaf 1 april 1991
daadwerkelijk uitbetaald door Zaanwerk aan haar daarvoor in aanmerking
komende werknemers.
(v) Daar het ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid de toeslag in
strijd achtte met de uitgangspunten van de in (i) vermelde
Rijksbijdrageregeling, is deze over de periode maart-augustus 1994
trapsgewijs tot nihil teruggebracht.
(vi) L. is op 1 april 1992 als banenpooler bij Zaanwerk tegen het minimumloon
in dienst getreden.

3.2 L. heeft aan zijn onder 1 vermelde vordering ten grondslag gelegd dat
hij, als banenpooler bij Zaanwerk in dienst, maandelijks het minimumloon
krijgt uitbetaald, dat hij alleenstaand is en dat hem is gebleken dat
Zaanwerk sedert 1 april 1991 aan gehuwde banenpoolers die kostwinner zijn,
voor hetzelfde werk ƒ 100 bruto per maand meer betaalt. L. acht het toekennen
van een ‘gehuwdentoeslag’ in strijd met art. 7A:1637ij lid 7 (oud) BW,
althans onrechtmatig jegens hem. In hoger beroep heeft L. daaraan toegevoegd
dat het door Zaanwerk gemaakt onderscheid in strijd is met art. 1 Grondwet en
art. 26 IVBPR.

3.3 De Kantonrechter heeft de vordering afgewezen. De Rechtbank heeft dat
vonnis bekrachtigd. Kort gezegd en voor zover in cassatie van belang heeft de
Rechtbank daartoe geoordeeld dat a) de toeslag niet als loon kan worden
aangemerkt (rov. 4.4), b) art. 7A:1637ij lid 7 (oud) toepassing mist (rov.
4.7) en c) het door Zaanwerk gemaakte onderscheid een legitiem doel diende en
kon worden aangemerkt als een passend middel om dat doel te bereiken, zodat
van strijd met art. 1 Grondwet en/of art. 26IVBPR geen sprake is (rov.4.11).
De onderdelen 1 en 2 keren zich tegen het onder a vermelde oordeel; onderdeel
3 bestrijdt het onder b vermelde oordeel en de onderdelen 4-7 komen op tegen
de onder c vermelde oordelen.

3.4 De vraag of de toeslag als loon kon worden aangemerkt en de vraag of
sprake was van een verboden onderscheid als bedoeld in art. 7A;1637ij (oud)
behoeven in cassatie geen behandeling. Immers, voor de vraag of sprake was
van – kort gezegd – verboden discriminatie, is niet van betekenis of de
toeslag al dan niet als loon kon worden aangemerkt, terwijl van een door art.
1637ij (oud) verboden onderscheid slechts dan geen sprake kan zijn, indien
daarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen.
Dit een en ander brengt mee dat de onderdelen 1-3 buiten behandeling kunnen
blijven.

3.5 De onderdelen 4-7 keren zich tegen rov. 4.11 van het vonnis van de
Rechtbank, luidende:
“Zaanwerk heeft onbestreden aangevoerd dat de toeslagenregeling is ingevoerd
om de instroom van gehuwde en samenwonende banenpoolers te bevorderen door
het financiële verschil met de daaraan voorafgaande uitkeringssituatie te
vergroten. L. heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat bevordering van
instroom als bedoeld geen legitiem doel zou zijn en dat dit doel met een
toeslagenregeling als de onderhavige niet kan worden bereikt. Dat deze
regeling werd uitgevoerd door een ‘private werkgever’, zoals in eerste aanleg
bij repliek is opgemerkt, brengt niet mee dat aan de regeling geen
arbeidspolitieke doeleinden ten grondslag mogen liggen. Bovendien miskent de
opmerking dat het in casu wel degelijk gaat om de overheid, te weten de
gemeente Zaanstad, gestoken in een privaatrechtelijk jasje. (…)”

3.6 Bij de beoordeling van de onderdelen 4-7 stelt de Hoge Raad voorop dat de
Rechtbank in rov. 4.10 terecht (en in cassatie onbestreden) tot uitgangspunt
heeft genomen dat, om te beoordelen of het door Zaanwerk gemaakt onderscheid
in het licht van art. 1 Grondwet en art. 26 IVBPR ‘door de beugel’ kon, moet
worden nagegaan of met dat onderscheid een legitiem doel werd nagestreefd en
of dat onderscheid kon worden aangemerkt als een passend middel om dat doel
te bereiken (HR 7 mei 1993, NJ 1995, 259).

3.7.1 Onderdeel 4 verwijt de Rechtbank vooreerst dat zij met haar in 3.5
weergegeven oordeel de regels van bewijslastverdeling die voor een geval als
het onderhavige gelden, heeft miskend, althans deze regels op een onjuiste
en/of onvoldoende gemotiveerde wijze heeft toegepast.
Kennelijk heeft de Rechtbank in hetgeen Zaanwerk heeft aangevoerd,
weergegeven in de eerste zin van rov. 4.11, als standpunt van Zaanwerk
gelezen dat het doel van de toeslag was ook aan gehuwden en samenwonenden een
financiële prikkel te verschaffen om aan het banenpoolproject deel te nemen,
omdat het geboden loon voor deze groep vrijwel niet verschilde van het
uitkeringsniveau, en geoordeeld dat dit doel legitiem was en het gemaakte
onderscheid een passend middel was om dat doel te bereiken en dat hetgeen
. daartegenover heeft aangevoerd, haar niet tot een ander oordeel brengt.
Aldus heeft de Rechtbank derhalve, anders dan het onderdeel betoogt, niet
miskend dat op Zaanwerk de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, de
bewijslast rust van feiten en omstandigheden die een redelijke en objectieve
rechtvaardiging voor het gemaakt onderscheid opleveren. Zij heeft haar
oordelen ook niet onvoldoende gemotiveerd. De klacht kan derhalve niet tot
cassatie leiden.

3.7.2 Hetgeen het onderdeel voorts nog aanvoert, mist feitelijke grondslag
omdat de aangevallen overweging – de eerste zin van rov. 4.11 -, anders dan
het onderdeel kennelijk veronderstelt, geen oordeel van de Rechtbank inhoudt,
maar slechts het standpunt van Zaanwerk weergeeft. Daarbij verdient nog
aantekening dat de juistheid van dat standpunt aan de orde komt bij de
behandeling van de onderdelen 6 en 7.

3.8 Het oordeel van de Rechtbank dat L. onvoldoende heeft gesteld tegenover
hetgeen Zaanwerk heeft aangevoerd, is, in het licht van hetgeen L. in zijn
memorie van grieven heeft aangevoerd, anders dan onderdeel 5 betoogt, niet
onbegrijpelijk. Het onderdeel faalt dus.

3.9 De onderdelen 6 en 7 nemen – blijkens het hiervoor in 3.7.1 overwogene
terecht – tot uitgangspunt dat de Rechtbank heeft geoordeeld dat met de
toeslagenregeling het legitieme doel werd nagestreefd om ook aan gehuwden en
samenwonende een financiële prikkel te verschaffen om aan het
banenpoolproject deel te nemen, omdat het geboden loon zonder toeslag vrijwel
niet verschilde van het uitkeringsniveau voor die groep en dat het met
alleenstaanden gemaakte onderscheid een passend middel was om dat te
bereiken.

3.10 Onderdeel 6 bestrijdt het oordeel van de Rechtbank dat met het gemaakte
onderscheid een legitiem doel werd nagestreefd. Het onderdeel faalt. Hetgeen
Zaanwerk heeft gedaan komt erop neer dat zij in het kader van de bevordering
van de plaatsing van zeer moeilijk op de arbeidsmarkt plaatsbare werklozen
een extra financiële prikkel heeft verschaft aan gehuwden en samenwonenden
voor wie de reeds gegeven prikkel – het loon – objectief onvoldoende was,
zulks als sluitstuk binnen het geheel van arbeidsvoorzieningsmaatregelen. Dit
strookte volledig met de doelstelling van de banenpool zoals die geregeld is
in de Rijksbijdrageregeling banenpools. De Rechtbank heeft dus terecht
geoordeeld dat Zaanwerk met het gemaakte onderscheid een legitiem doel heeft
nagestreefd. De slotklacht van het onderdeel faalt reeds, omdat zij
betrekking heeft op een door de Rechtbank ten overvloede gegeven oordeel.

3.11 Onjuist, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk, acht onderdeel
7 het oordeel van de Rechtbank dat het gemaakte onderscheid tussen
gehuwden/samenwonenden enerzijds en alleenstaanden anderzijds een passend
middel was om het gestelde doel te bereiken. Dat oordeel geeft evenwel niet
blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, verweven als het is met
waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder op juistheid worden
getoetst. Onbegrijpelijk is het evenmin. Hierop stuit het onderdeel af, voor
zover het als feitelijke grondslag heeft in de stukken van het geding

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;
veroordeelt L. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak
aan de zijde van Zaanwerk begroot op ƒ 577,20 aan verschotten en ƒ 3.000 voor
salaris.

Noot

Waarom bestaat er eigenlijk nog nationale gelijke behandelingswetgeving vroeg
ik me na lezing van dit arrest af. Een toetsing aan de hand van art. 26
BuPo-verdrag is veel simpeler dan die op grond van de AWGB. Dit blijkt als
dit arrest wordt gelegd naast een vergelijkbare zaak bij de Commissie gelijke
behandeling die eerder in Nemesis werd gepubliceerd (CGB 3 juli 1997, 97-81,
Nemesis 1998, 818). Weliswaar is de uitkomst in beide zaken gelijk, maar dat
hoeft niet altijd het geval te zijn.
Wat doet de Hoge Raad in dit arrest.
In de eerste plaats wordt een beroep op art. 1637ij lid 7 (oud; de zaak
speelde nog vóór de inwerkingtreding van de Awgb) zonder meer terzijde
geschoven, omdat eiser in cassatie daarbij geen belang zou hebben. Overweging
3.4. kan wellicht beter worden begrepen, als de conclusie van AG Bakels erbij
wordt betrokken (zie daarvoor JAR 1997, 262). Deze stelt (nrs. 2.3 t/m 2.6)
dat er in deze zaak in feite slechts één vraag relevant is, namelijk of de
rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het onderscheid
een legitiem doel dient en kan worden aangemerkt om dat doel te bereiken.
Daarbij doet het er niet toe of de toeslag als loon in de zin van art. 1637ij
wordt beschouwd en evenmin is van belang of wordt vastgesteld of de toeslag
al dan niet is toegekend bij het aangaan of beëindigen van de
arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 1637ij lid 7 BW (oud). Daarmee wordt
echter voorbij gegaan aan de vraag of een onderscheid tussen gehuwden en
samenwonenden enerzijds en alleenstaanden anderzijds wel valt onder het in
1637ij lid 7 verboden onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden. En ook, als
de bepaling eventueel van toepassing zou zijn, of er sprake was van direct
dan wel indirect onderscheid. Het gehele artikel lijkt er niet toe te doen.
Slechts een toetsing aan art. 26 BuPo-verdrag wordt relevant geacht.
En dan gaat het simpel. Er wordt dezelfde lijn gevolgd als in HR 7 mei 1993,
NJ 1995, 259: nagegaan moet worden of met het gemaakte onderscheid een
legitiem doel wordt nagestreefd en of dat onderscheid kan worden aangemerkt
als een passend middel om dat doel te bereiken. Dat het in 1993 ging om
onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden, terwijl hier een onderscheid naar
leefvormen aan de orde was werd niet vermeld. Kennelijk wordt het
vanzelfsprekend geacht dat ook dit onderscheid valt onder het verbod van
discriminatie wegens status van art. 26 BuPo-verdrag.

De Commissie gelijke behandeling gaat anders te werk. De hierboven genoemde
zaak betreft een project voor langdurig werklozen, gefinancierd met behulp
van de Melkert-II regeling. Op basis van deze regeling wordt 32 uur per week
gewerkt en een dag per week naar school gegaan. Alleenstaanden krijgen echter
een arbeidscontract voor 32 uur per week, terwijl dat voor gehuwden en
samenwonenden 38 uur per week is. De Commissie gaat na of het gemaakte
onderscheid onder de Awgb valt en zo ja, of sprake is van direct of indirect
onderscheid. In de Awgb wordt niet meer zoals in art. 1637ij lid 7 BW (oud)
gesproken over onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden, maar over
onderscheid naar burgerlijke staat. De Commissie oordeelt met verwijzing naar
de wetsgeschiedenis, dat onderscheid op grond van woon- en leefomstandigheden
een indirect onderscheid naar burgerlijke staat kan opleveren. Dat betekent
dat – met behulp van statistische gegevens – nagegaan moet worden of
ongehuwden door de regeling in overwegende mate worden benadeeld. Pas als die
benadeling is vastgesteld, wordt toegekomen aan de vraag of er sprake is van
een objectieve rechtvaardigingsgrond. Deze aanpak is vaste lijn van de
Commissie. (Zie hierover uitgebreider de noot van H.P.A. Knops bij CGB 14
juli 1997, 97-84 in NJCM-Bulletin 1998, p. 291 e.v.)
Deze aanpak betekent ten eerste een strengere toets of een gemaakt
onderscheid door de wettelijke bepaling wordt gevangen en ten tweede dat
aandacht wordt besteed aan de vraag of het onderscheid direct dan wel
indirect is. Een uitspraak hierop heeft, zoals bekend, gevolgen voor de
acceptatie van rechtvaardigingsgronden. Dit verschil valt bij de Hoge Raad
geheel weg.

Ook bij de behandeling van de vraag of het onderscheid gerechtvaardigd is,
blijkt de benadering van de Hoge Raad anders te zijn. Het gaat om twee
vragen: dient het onderscheid een legitiem doel en kan het worden aangemerkt
als een passend middel om het doel te bereiken. Het doel, om door het geven
van een financiële prikkel de instroom van gehuwde en samenwonende
banenpoolers te bevorderen werd legitiem geacht. Kennelijk was het gekozen
middel (de toeslagenregeling) ook passend, althans gaf het oordeel van de
rechtbank niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kon het verder in
cassatie niet op juistheid worden getoetst wegens verwevenheid met
waarderingen van feitelijke aard. De rechtbank had echter niet anders gedaan
dan oordelen dat de werknemer onvoldoende had aangevoerd om aan te nemen dat
het gekozen doel met een toeslagenregeling niet kon worden bereikt.
De CGB hanteert bij de beoordeling of er sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond de door het Hof van Justitie EG aangereikte criteria:
is aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd, beantwoorden de
gekozen middelen om het gestelde doel te bereiken aan een daadwerkelijke
behoefte, en zijn de gekozen middelen geschikt en noodzakelijk om het
gestelde doel te bereiken. De gevolgde toetsing is vervolgens heel precies
uit het oordeel te lezen. Daarbij wordt veel meer dan bij de civiele rechter
onderscheid gemaakt tussen de verschillende criteria. De commissie ging in de
‘Melkert-banen zaak’ vooral in op het derde criterium. Uiteindelijk gaf de
aanwezigheid van een aantal bijzondere omstandigheden de doorslag. Hierdoor
werd geoordeeld dat gekozen was voor een zowel geschikt als noodzakelijk
middel om het beoogde doel te bereiken. Dit is een veel strengere maatstaf
dan de Hoge Raad aanlegt. In de ‘Banenpool-zaak’ was er geen sprake van
bijzondere omstandigheden en toch werd het gekozen middel passend geacht.
Maar ook afgezien van het verschil in aanpak zijn de toetsingscriteria
verschillend. Of een gekozen middel passend is zal eerder bevestigend
beantwoord kunnen worden dan de vraag of het gaat om een geschikt en
noodzakelijk middel. Bij het laatste criterium kan gekeken worden of er
wellicht minder bezwarende alternatieven waren geweest om het doel te
bereiken; bij de vraag of het middel passend is, hoeft dat niet per se. Ook
hier valt de toetsing aan de Awgb zwaarder uit.

Door de aanpak van de Hoge Raad zijn de verfijnde mechanismen van de Awgb
overboord gezet. Zowel in geval van direct als indirect onderscheid kan een
beroep worden gedaan op art. 26 BuPo-verdrag. In alle gevallen zal er dan
gekeken worden of het onderscheid een legitiem doel dient en of het kan
worden aangemerkt als een passend middel om het doel te bereiken. In
tegenstelling met de Awgb is daarbij het verschil tussen direct en indirect
onderscheid vervallen.
Het is niet duidelijk of dit een bewuste keuze is geweest of dat het arrest
een gevolg is van de omstandigheid dat de Hoge Raad meer vertrouwd is met
internationale verdragen dan met de nationale gelijke-behandelingswetgeving.
Uit de conclusie van AG Bakels valt op te maken dat hij in ieder geval niet
veel affiniteit heeft met dit terrein. Hij gebruikt als afkorting voor de
Awgb de Wgb (terwijl deze afkorting wordt gebruikt voor de nog steeds
bestaande Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen 1980), stelt dat de
Awgb per 1 januari 1994 is ingevoerd (terwijl dat pas 1 september 1994 was)
en is van mening dat ‘met alle respect voor de Commissie, haar status
geenszins op één lijn te stellen valt met die van een rechterlijk college”.
Over de status van de Oordelenbundel merkt hij op: ‘Verwezen wordt naar de
‘Oordelenbundel 1992’, maar dit is bij mijn weten niet een in de juridische
wereld voldoende bekende en toegankelijke bron’.
Commentaar lijkt me hier verder overbodig. Je kunt hooguit constateren dat
bijscholing in gelijke-behandelingswetgeving het minste is wat dient te
gebeuren.

Yvonne Konijn

Rechters

Mrs Snijders, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk, Herrmann

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 7 november 1997

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vader is inmiddels voor de derde keer getrouwd. Heeft twee kinderen uit
eerste huwelijk, drie uit het tweede huwelijk en één uit het derde huwelijk.
Hij verzoekt om nihilstelling van de kinderalimentatie.
Zijn derde vrouw heeft haar WW-uitkering opgezegd om in het bedrijf van
haar man (de vader) administratieve werkzaamheden te kunnen verrichten.
Het hof is van oordeel dat deze beslissing tegen de achtergrond van de
onderhoudsverplichtingen van hem jegens zijn kinderen, niet redelijk is.
Het hof bepaalt kinderalimentatie en verdeelt draagkracht over de vijf
kinderen.

Volledige tekst

HET GEDING

Tussen de ouders is op 26 oktober 1983 echtscheiding uitgesproken, welke
is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking
van de rechtbank te Dordrecht van 8 maart 1984 is de moeder benoemd tot
voogdes en de vader tot toeziend voogd over de minderjarigen, te weten
1. R., geboren op 19 mei 1981, en
2. P., geboren op 30 januari 1983.

Bij die beschikking is een kinderalimentatie opgelegd van ƒ 320,- per maand
per kind, als nader in die beschikking aangegeven.
Na indexeringen bedraagt die bijdrage thans ƒ 397,64 per maand per kind.

De vader heeft de rechtbank te Rotterdam bij inleidend verzoekschrift verzocht
om de kinderalimentatie met ingang van de datum van de te geven beschikking,
althans met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum op nihil
te stellen met vaststelling van hetgeen de vader tot op de datum van de
beschikking verschuldigd zal zijn op hetgeen hij tot op dat moment heeft
betaald.

De rechtbank heeft het verzoek van de vader bij beschikking van 26 februari
1997 afgewezen.

De vader is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, de kinderalimentatie
met ingang van 26 februari 1997 te bepalen op nihil, althans op zodanig
bedrag als het hof zal vermenen te behoren met bepaling van de door de
vader verschuldigde achterstand op hetgeen hij per 26 februari 1997 had
voldaan.

De moeder heeft tijdig een verweerschrift ingediend en verzocht de vader
in zijn beroep niet-ontvankelijk te verkiaren, althans het beroep af te
wijzen, onder handhaving van de bestreden beschikking.

De minderjarige Renate Johanna heeft haar mening bij brief van 22 september
1997 aan het hof kenbaar gemaakt.

Op 2 oktober 1997 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling behandeld
door mr. A.P.M. Simonis als raadsheer-commissaris.

Bij brief van 10 oktober 1997 heeft de vader nog stukken in het geding
gebracht.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof gaat van de volgende gegevens uit (bedragen op hele guldens afgerond):

De behoefte van de kinderen aan alimentatie staat als niet bestreden vast.

1. De vader heeft, nadat hij er voor gekozen had om zijn dienstverband
in verband met herstructurering bij Cacao De Zaan B.V. te beëindigen, in
het kader van een stimuleringsregeling een uitkering van ƒ 52.838,- bruto
ontvangen.
De vader is een eigen adviesbureau gestart in 1994. Hij is hertrouwd in
1991, uit welk huwelijk kinderen zun geboren en opnieuw getrouwd in 1995.
De huidige echtgenote van de vader heeft haar WW-uitkering, die zij met
ingang van 12 juni 1995 ontving, doen beeindigen door in het bedrijf van
haar man enig administratief werk te verrichten.
Volgens de vader had hij, indien de echtgenote niet zou hebben meegewerkt,
personeel moeten inhuren. Volgens de vader zou de WW-uitkering van zijn
echtgenote toch na zekere tijd zijn beeindigd, met als gevoig dat en zijn
echtgenote niet in eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien en de ondernemingswinst
zou worden gedrukt met personeelskosten.
De echtgenote heeft thans de zorg voor een kind, geboren 1 oktober 1996,
zodat volgens de vader niet gesteld kan worden dat zij geheel in eigen
levensonderhoud kan voorzien. Om die reden heeft de rechtbank de vader
ten onrechte als alleenstaande aangemerkt en ten onrechte slechts de helft
van de woonkosten te zijnen laste gebracht.

1.1. Ten onrechte heeft de rechtbank volgens de vader geen rekening gehouden
met de premie lijfrente ad ƒ 517,- per maand. De vader heeft een volgens
hem bescheiden lijfrentepolis gesloten, die in overeenstemming is met de
winst van zijn bedrijf.

1.2. De vader heeft gemiddeld eens per veertien dagen een dag omgang met
zijn drie uit een eerder (de vader bedoelt kennelijk: later) huwelijk geboren
kinderen, zodat de rechtbank volgens de vader ten onrechte geen rekening
heeft gehouden met ƒ 60,- per maand aan kosten omgangsregeling.

1.3. De vader heeft gesteld dat hij, indien zelfs geen rekening zou worden
gehouden met de meewerkende echtgenote, de lijfrentepremie en de kosten
van omgang, een draagkrachtruimte heeft van ƒ 579,- per maand, welke ruimte
volgens de vader gelijkelijk over alle kinderen dient te worden verdeeld.
Nu de moeder – zulks volgens de vader tegen een gemaakte afspraak in –
is overgegaan tot invordering van de achterstand, verzoekt de vader om
bepaling van de achterstand op hetgeen hij tot op de datum van de beschikking
heeft voldaan.

2. De moeder heeft tegen het bovenstaande verweer gevoerd en bekrachtiging
van de beschikking gevraagd. Zij heeft gesteld dat de rechtbank terecht
heeft beslist dat de keuze van de vader om zun echtgenote te laten meewerken
in de onderneming, waardoor haar eigen inkomen uit W.W. is komen te vervallen,
tegen de achtergrond van de onderhoudsverplichting jegens zijn kinderen
onredelijk is te achten.
De vader heeft volgens de moeder onvoldoende bewezen dat de in de jaarcijfers
1996 opgenomen personeelslasten betrekking hebben op assistentie die bij
bepaalde omvangrijke of spoedeisende projecten is ingehuurd en dat daarbij
geen sprake was van administratieve werkzaamheden, die volgens de vader
een anderhalve dag per week door zijn echtgenote worden uitgevoerd.
Volgens haar is de rechtbank terecht uitgegaan van een winst van ƒ 52.640,-,
omdat de rechtbank te Haarlem destijds is uitgegaan van een geprognostiseerde
winst 1996 ad ƒ 41.800,-.

3. Nu de vader winst uit onderneming geniet, welke van jaar tot jaar kan
fluctueren, is het hof van oordeel dat met betrekking tot het inkomen van
de vader dient te worden uitgegaan van een gemiddelde winst over de jaren
1994, 1995, 1996, hetgeen neerkomt op een bedrag van ƒ 47.438,-.

3.1. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de vader om zijn echtgenote
te laten meewerken in zijn onderneming, waardoor haar eigen inkomen is
komen te vervallen, tegen de achtergrond van de onderhoudsverplichtingen
van hem jegens zun kinderen, niet redelijk is. Uit de overgelegde stukken
is immers gebleken dat de echtgenote van de vader met ingang van 12 juni
1995 recht had op een loongerelateerde uitkering van maximaal 9 maanden
tot 11 maart 1996 met aansluitend een vervolguitkering van maximaal 2 jaar.
Het hof is van oordeel dat deze keuze niet mag worden afgewenteld op de
alimentatieverplichting jegens de kinderen.

3.2. Het hof houdt geen rekening met de door de vader opgevoerde premie
lijfrente ad ƒ 517,- per maand (welke de vader in zijn berekening heeft
gesteld op ƒ 562,- per maand), aangezien dat leidt tot vermogensvorming
welke niet ten laste van de minderjarigen dient te komen.

3.3. Nu de vader voor het eerst in hoger beroep kosten omgangsregeling
in verband met de kinderen uit zijn tweede huwelijk opvoert, en de moeder
ook deze kosten gemotiveerd heeft betwist, zal het hof met deze kosten
geen rekening houden. Het hof merkt daarbij op dat uit de beschikking van
de rechtbank te Haarlem van 19 november 1996 valt af te leiden dat de vader
geen omgang heeft met zijn kinderen uit het tweede huwelijk. De vader heeft
niet aannemelijk gemaakt dat dat thans wel het geval is.

3.4. Het hof houdt geen rekening met het in de berekening van de vader
opgenomen eigen risico ziektekostenverzekering ad ƒ 139,- per maand, nu
de vader niet aanemelijk heeft gemaakt dat het eigen risico gemiddeld genomen
wordt gerealiseerd.

3.5. Met de overige door de vader opgevoerde kosten houdt het hof, nu deze
in hoger beroep niet zijn bestreden, rekening.

3.6. De draagkracht van de vader laat de opgelegde alimentatie niet langer
toe, indien daarbij tevens rekening wordt gehouden met de alimentatieverplichting
van drie kinderen uit het tweede huwelijk en zijn onderhoudsplicht voor
het kind dat thans deel uitmaakt van zun gezin.
Een redelijke wetstoepassing brengt mee dat het voor het onderhoud beschikbare
bedrag tussen die kinderen wordt verdeeld, in beginsel gelijkelijk tenzij
bijzondere omstandigheden tot een andere verdeling aanleiding geven, zoals
bijvoorbeeld het geval kan zijn bij een duidelijk verschil in behoefte.
Daarvan is in deze zaak niet gebleken. Wat er ook zij van hetgeen de vader
ten aanzien van de alleenstaande norm en de gedeelde woonlasten heeft aangevoerd,
gelet op het vorenoverwogene ziet het hof wel aanleiding meer dan de gebruikelijke
draagkrachtruimte ter beschikking van de alimentatie van de kinderen te
houden.

3.7. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden
vernietigd.
Na te noemen bedragen zijn in overeenstemming met de wettelijke maatstaven
en de kinderen hebben daaraan ook behoefte.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 26 februari
1997 en bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking
van 8 maart 1994 van de rechtbank te Dordrecht – de alimentatie voor de
minderjarigen R. en P. op ƒ 75,- per maand per kind met ingang van 1 maart
1996

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Rechters

Mrs Simonis, Van den Wildenberg, Wigleven

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 6 november 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Verzoekster wil adoptie herroepen en wil daarbij de Nederlandse nationaliteit
behouden. Zij heeft sinds haar dertiende jaar geen contact meer met haar
adoptiefouders. Haar verzoek wordt in eerste instantie niet toegewezen omdat
zij niet aan de termijnen heeft voldaan zoals gesteld in art. 1:231 lid 2 BW.
De rechter in hoger beroep oordeelt dat de voorgeschreven termijn in dit
geval een onaanvaardbare inbreuk maakt op haar recht en belang op haar eigen
identiteit en haar een onaanvaardbare beperking oplegt bij haar beslissing
over zo’n fundamentele kwestie als herroeping van een adoptie. Het verzoek
tot herroeping dient te worden toegewezen.
Het verzoek om na de herroeping de Nederlandse nationaliteit te behouden
wordt verworpen nu zij een dergelijk verzoek in eerste aanleg en niet voor
het eerst in hoger beroep kan doen.

Volledige tekst

1. het geding in hoger beroep
1.1. Verzoekster is in hoger beroep gekomen van een beschikking van 8 januari
1996 van de rechtbank te Amsterdam, verzoekschriftnummer 96.5165F, zaaknummer
112824.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Verzoekster heeft op 12 september 1996 bij de rechtbank te Amsterdam een
verzoek ingediend strekkende tot herroeping van de adoptie uitgesproken bij
vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 3 januari 1980 en ingeschreven in de
registers van de Burgerlijke Stand te ‘s-Gravenhage op 24 maart 1980 door
L.G.A.K., geboren op 21 augustus 1974, en J.G.C.A., geboren op 21 augustus
1984 (hierna: de adoptief ouders).

2.2. In geschil is de beschikking waarvan beroep waarbij verzoekster niet
ontvankelijk is verklaard in haar verzoek tot herroeping van haar adoptie.

Verzoekster verzoekt alsnog haar inleidend verzoek tot herroeping van haar
adoptie toe te wijzen. Voorts heeft verzoekster tijdens de mondelinge
behandeling in hoger beroep verzocht voor recht te verklaren dat zij haar
Nederlandse nationaliteit na herroeping van de adoptie zal behouden.

2.3 Het volgende is gebleken.

Verzoekster is op 26 januari 1975 geboren te Seoul City in Korea als de
dochter van J.S.K. en S.M.Y.

Bij vonnis van 3 januari 1980 van de rechtbank te Amsterdam is de adoptie van
verzoekster door haar adoptiefouders uitgesproken.

Verzoekster heeft sinds haar 13e levensjaar geen contact meer met haar
adoptiefouders.

Verzoekster is van mening dat herroeping van de adoptie in haar kennelijke
belang is nu de verstandhouding tussen haar en de adoptiefouders zeer slecht
is. Zij stelt daartoe dat ze in de periode dat ze bij haar stiefouders
verbleef veel problemen heeft ondervonden. Zij heeft haar jeugd bij de
adoptiefouders ervaren als een emotionele, sociale en lichamelijke
verwaarlozing die uiteindelijk resulteerde in een ondertoezichtstelling
waarbij de adoptiefmoeder uit de ouderlijke macht is ontheven.

Verzoekster is van mening dat de rechtbank door enkel te overwegen dat zij
niet heeft voldaan aan de termijnen gesteld in artikel 1:231, lid 2 van het
Burgerlijk Wetboek (BW) te kort is geschoten. Immers verzoekster heeft zelf
in de eerste aanleg gesteld dat zij niet eerder een verzoek tot herroeping
heeft kunnen indienen omdat zij niet bekend was met voornoemde wetsbepaling.
Voorts is zij van mening dat haar recht en belang op een eigen identiteit
boven de wettelijke beperking ten aanzien van de mogelijkheid tot herroeping
moet worden gesteld.

Verzoekster heeft de Nederlandse Nationaliteit.

Verzoekster heeft voorts tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep
betoogd dat zij bij herroeping van de adoptie ingevolge artikel 1:231, lid 2
BW jo artikel 5 en 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap haar
Nederlandse nationaliteit zal verliezen.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1 Ingevolge artikel 1:231 lid 2 BW wordt een verzoek tot herroeping van
adoptie toegewezen, indien de herroeping kennelijk in het belang is van de
geadopteerde, de rechter van de redelijkheid van de herroeping in gemoede
overtuigd is, en het verzoek is ingediend niet eerder dan twee jaren en niet
later dan drie jaren na de dag waarop de geadopteerde meerderjarig is
geworden.

3.2 Verzoekster heeft betoogd dat haar een zekere ’terme de grace’ gegund had
moeten worden nu zij onverwijld na kennisname van de mogelijkheid tot
herroeping van haar adoptie al het mogelijke heeft gedaan daarvoor in
aanmerking te komen.

3.3 Het hof stelt voorop dat uit de parlementaire geschiedenis van artikel
1:231, lid 2 BW blijkt dat de achterliggende gedachte van de bepaling, dat
het desbetreffende verzoek niet eerder dan twee jaren en niet later dan drie
jaren na de dag waarop de geadopteerde meerderjarig is geworden dient te
worden ingediend, is -kortgezegd- om de geadopteerde na het bereiken van zijn
of haar meerderjarigheid een korte bezinningsperiode te gunnen voordat hij of
zij zijn of haar beslissing neemt tot het indienen van een
herroepingsverzoek.

Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de beperking van de termijn
waarbinnen het desbetreffende verzoek dient te worden gedaan er mede toe
dient om te voorkomen dat de geadopteerde op basis van materiële en zelfs
onedele motieven besluit om deze weg in te slaan.

Nu het hof niet is gebleken dat bij verzoekster bij haar verzoek materiële
dan wel onedele motieven voorop hebben gestaan, evenmin is gebleken dat
verzoekster haar besluit niet weloverwogen heeft genomen, nu bovendien
verzoekster er, zodra zij ermee bekend werd dat herroeping van adoptie thans
mogelijk is, al het mogelijke heeft gedaan om tot een herroeping te komen en
slechts circa zeven maanden na het verstrijken van de in artikel 1:231, lid 2
BW voorgeschreven termijn haar verzoek heeft ingediend, is het hof van
oordeel dat, mede gelet op de feiten en omstandigheden zoals in 2.3. vermeld
de in artikel 1:231, lid 2 BW voorgeschreven termijn in dit geval een
onaanvaardbare inbreuk maakt op haar recht en belang op eigen identiteit en
haar een onaanvaardbare beperking oplegt bij haar beslissing over zo’n
fundamentele kwestie als herroeping van een adoptie.

Het hof neemt bij zijn beslissing in het bijzonder in aanmerking, dat
verzoekster reeds geruime tijd geen contact met haar adoptiefouders
onderhoudt zodat deze haar niet van de mogelijkheid van een herroeping op de
hoogte hebben kunnen stellen, en voorts dat, bij letterlijke toepassing van
de onderhavige bepaling, verzoekster, die pas recentelijk met de mogelijkheid
tot herroeping bekend werd, geen gebruik van deze mogelijkheid zou kunnen
maken, laat staan dat haar een bezinningsperiode gegund zou zijn, zoals door
de werkgever beoogd. Het hof is derhalve van oordeel dat uit de strekking van
artikel 1:231, lid 2 BW volgt dat in dit geval – ondanks een kleine
overschrijding van de in artikel 1:231, lid 2 BW voorgeschreven termijn –
herroeping van de adoptie nog tot de mogelijkheden dient te behoren en dat
verzoekster in haar verzoek ontvankelijk is. Gelet op het overwogene in 2.3,
in het bijzonder met betrekking tot de relatie van verzoekster en haar
adoptiefouders, is het hof van de redelijkheid van haar verzoek overtuigd en
is voldoende aannemelijk geworden dat de herroeping in het kennelijke belang
is van verzoekster, zodat het verzoek tot herroeping dient te worden
toegewezen.

3.4. Gelet op artikel 5 en 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap zal
verzoekster ten gevolge van de herroeping van de adoptie haar Nederlandse
nationaliteit verliezen. Het verzoek van verzoekster -tijdens de mondelinge
behandeling in hoger beroep- tot het voor recht verklaren dat zij haar
Nederlandse nationaliteit na de herroeping van haar adoptie behoudt wordt
verworpen, nu zij een dergelijk verzoek in eerste aanleg en niet voor het
eerst in hoger beroep kan doen.

3.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

verklaart verzoekster ontvankelijk in haar verzoek tot herroeping van haar
adoptie en vernietigt de beschikking waarvan beroep;

wijst het verzoek ten aanzien van de adoptie toe;

verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot behoud van haar
Nederlanderschap na herroeping van de adoptie;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs Torrenga, Koopmann, Meijer

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 5 november 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Stiefouderadoptie. Victor is in 1983 geboren als wettig kind in het huwelijk
van X en A. Na de echtscheiding is er -in onderling overleg- tot april 1991
een omgangsregeling geweest. Deze is in april 1991 gestopt. Bij beschikking
van 17 december 1991 heeft de rechtbank een verzoek van X tot het vaststellen
van een omgangsregeling afgewezen. A krijgt een nieuwe relatie, met B. Sinds
1987 wordt Victor opgevoed in het gezin van A en B. In 1995 vindt
achternaamswijziging plaats. Uit een vaderschapsonderzoek blijkt vervolgens
dat B de biologische vader van Victor is. X, die de wettige vader is,
protesteert tegen het verzoek tot adoptie door B. Hij beroept zich op zijn
vetorecht. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van misbruik van het
vetorecht. Daarbij is naast het opvoedings- en verzorgingsaspect, van belang
dat X niet de biologische vader van Victor is en dat hij sinds 1991 geen
omgang met Victor meer heeft gehad.

Volledige tekst

De rechtbank overweegt als volgt:
Verzoekers hebben in hun verzoekschrift en ter zitting kort gezegd aangevoerd
dat de verzochte adoptie in het belang is van Victor, alsmede in het belang
van verzoeker en Victor die recht en belang hebben bij juridische erkenning
van hun biologische en feitelijke vader/zoon-relatie (mede in het licht van
artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM).
Het belang van (wettige vader, proc. mr. M.R. Oranje, adv. mr. A.J.M.
Bark-van Gink te Utrecht) daarentegen bij het tegenhouden van de adoptie is
naar hun inzicht zo gering dat het gebruik door X van zijn vetorecht in deze
gezien moet worden als misbruik van bevoegdheid. Zij zoeken daarbij
aansluiting bij jurisprudentie van de Hoge Raad.
X heeft ter zitting van 23 januari 1996 het verzoek tot adoptie
tegengesproken.
Als motivering voor het inroepen van het vetorecht heeft hij het volgende
gesteld

1. hij wenst de thans nog bestaande band met Victor te behouden en deze ten
spoedigste uit te breiden door middel van een omgangsregeling;

2. voor hem is het behouden van deze band met Victor uit emotioneel oogpunt
erg belangrijk;

3. hij is er niet van overtuigd dat de stiefouderadoptie de vrije wil van
Victor is;

4. hij wenst de thans nog bestaande juridische band met Victor te behouden om
aldus te vermijden dat Victor mogelijk in de toekomst aan hem zal tegenwerpen
dat hij, door zich niet te verzetten tegen de gevraagde adoptie, zelf aan het
verloren gaan van die band heeft meegewerkt;

5. voor hem is niet aanvaardbaar dat verzoeker – en niet hij, X – het gezag
over Victor zal verkrijgen indien verzoekster tijdens de minderjarigheid van
Victor mocht overlijden.

(…)
De minderjarige Victor is op 2 mei 1996 en op 9 september 1997 afzonderlijk
gehoord.
Hij heeft in beide verhoren zowel als bij de Raad voor de Kinderbescherming
de stellige wens geuit door verzoeker te worden geadopteerd. Hij geeft
hiervoor aan dat hij niet alleen feitelijk maar ook juridisch wil horen tot
het gezin van zijn moeder en biologische vader, dat hij X ruim 6 jaar niet
meer heeft gezien, nooit echt een band met X heeft gehad en dat hij niet bij
X zou willen moeten wonen als verzoekster zou overlijden. Hij wil geen
contact meer met X.
Hij geeft voorts aan bereid te zijn om persoonlijk dan wel per brief X te
vertellen dat hij de adoptie zelf wil als X daardoor van zijn wens overtuigd
zou kunnen worden.

Hij geeft verder nog aan dat hij het X niet zou hebben tegengeworpen, zoals
deze vreest, als hij aan de adoptie zou hebben meegewerkt, hij vindt het nu
juist onbegrijpelijk dat X niet aan de adoptie meewerkt.

Uit de stukken komt verder het navolgende naar voren.
Uit een vaderschapsonderzoek is gebleken dat niet X maar verzoeker de
biologische vader van Victor is. X heeft tegen de uitslag van dit onderzoek
bezwaren geuit, doch nu hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de
uitslag van het bloedonderzoek een andere zou zijn indien aan zijn bezwaren
zou zijn tegemoetgekomen, zal de rechtbank de uitslag van het bloedonderzoek
als onvoldoende betwist overnemen.

Na de echtscheiding van X en verzoekster is er een omgangsregeling geweest
tussen X en Victor. Deze is in april 1991 feitelijk gestopt.
Bij beschikking van 17 december 1991 heeft de rechtbank te Utrecht een
verzoek van X tot het vaststellen van een omgangsregeling afgewezen, welke
beschikking door het gerechtshof te Amsterdam is bekrachtigd. X heeft geen
nieuw verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling hierna ingediend.

Bij Koninklijk Besluit van (…) 1995 is de geslachtsnaam van Victor
gewijzigd van X in (die van verzoeker) X is naar aanleiding van dit verzoek
ook gehoord.
Uit de onder meer door verzoekers aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad
op dit punt blijkt dat het vetorecht waarop X zich beroept -een absoluut
recht is, maar onderhevig is aan rechterlijke toetsing. Bij die toetsing
dient een belangenafweging plaats te vinden tussen die van de andere ouder
(X) en die van de minderjarige (Victor). Naarmate de minderjarige langer door
de verzoekende adoptief ouder wordt verzorgd en opgevoed, gaan de belangen
van de minderjarige bij adoptie zwaarder wegen.

In het onderhavige geval is Victor sinds 1987 en aldus gedurende het grootste
deel van zijn leven in het gezin van verzoekers verzorgden opgevoed. Naast
dit opvoedings/verzorgingsaspect speelt in deze naar het oordeel van de
rechtbank ook een rol dat X niet de biologische vader van Victor is, sinds
1991 geen omgang met Victor meer heeft gehad en dat het gelet op de wens van
Victor in deze niet aannemelijk is dat daarin in de toekomst nog verandering
komt.

De familierechtelijke band tussen X en Victor is hierdoor verminderd tot een
uitsluitend juridische band.
Dat X de juridische band met Victor wil behouden uit emotioneel oogpunt is
begrijpelijk.
Het vetorecht heeft ook tot doel hem het behouden van die band mogelijk te
maken.
Bij de uitoefening daarvan dient hij echter ook het belang van Victor bij het
scheppen van juist die juridische band met zijn biologische vader zwaar te
laten wegen. Dat hij dat heeft gedaan is tijdens de behandelingen ter
terechtzitting en uit de stukken niet, althans onvoldoende gebleken.

Gezien al het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat alle
gronden die X voor het gebruik van zijn vetorecht heeft aangevoerd
gemotiveerd zijn bestreden en X tegenover het belang van Victor bij adoptie
-een rechtens te respecteren belang heeft bij gebruik van zijn vetorecht.

X maakt dan ook naar het oordeel van de rechtbank misbruik van zijn
vetorecht. Dit heeft tot gevolg dat de rechtbank op grond van de inhoud van
de overgelegde stukken en van hetgeen voorts bij de behandelingen ter
terechtzitting is gebleken, van oordeel is dat de verzochte adoptie zowel uit
het oogpunt van verbreking van de juridische band met X als uit dat van
bevestiging van de banden met verzoeker in het belang van Victor is.

Rechters

Mr. Hofman-Bijl

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft in verband met haar zwangerschap verlenging gevraagd
van de
geldigheidstermijn van het theorie-examen voor verkeersvlieger. Dit verzoek
is afgewezen mede gelet op het beleid om geen verlenging te verlenen die
de
duur van een maand te boven gaat.
De Commissie stelt vast dat het besluit betrekking heeft op voorwaarden
voor
toelating tot examens die in het kader van de beroepsopleiding
verkeersvlieger vereist zijn. De Commissie oordeelt dat indirect onderscheid
naar geslacht wordt gemaakt omdat de gehanteerde termijn van een maand
tot
gevolg heeft dat vrouwen die zwanger zijn onevenredig worden getroffen.
Uit
de aard der zwangerschap vloeit voort dat een maand verlenging vaak niet
genoeg zal zijn. De Commissie acht het onderscheid niet objectief
gerechtvaardigd. Het is niet aannemelijk geworden dat de vereiste
theoretische kennis na een maand verlenging niet meer in voldoende mate
aanwezig is. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 september 1997 verzocht mevrouw K. C. te Uithoorn (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) met
spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Verkeer
en
Waterstaat te Den Haag (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
heeft
gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster heeft in verband met haar zwangerschap verlenging gevraagd
van de geldigheidstermijn van het theorie-examen voor verkeersvlieger.
De
wederpartij heeft hiervoor geen toestemming gegeven. Verzoekster is van
mening dat de handelwijze van de wederpartij in strijd is de wetgeving
gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en conform het
verzoek van verzoekster de versnelde behandeling toegepast.

2.2. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 14 oktober 1997.
Voorafgaand aan de zitting heeft de wederpartij haar standpunt schriftelijk
uiteengezet. Verzoekster heeft een afschrift ontvangen.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– mw. K. C. (verzoekster)

van de kant van de wederpartij:
– mw. mr. M.P.C. Bruinhof (jurist, stafafdeling Juridische
Bestuurszaken Rijksluchtvaartdienst)
– mw. mr. E.C.W. Bosch (medewerker Bureau Bewijzen van
Bevoegdheid van de Luchtvaartinspectie Rijksluchtvaartdienst)

van de kant van de Commissie:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij heeft onder andere tot taak de vliegveiligheid in de
burgerluchtvaart te bevorderen alsmede wettelijke regelingen en de daaruit
voortvloeiende algemene maatregelen van bestuur uit te voeren. In dat kader
kan zij op aanvraag diverse soorten bewijzen van vliegbevoegdheid
verstrekken.

Om het bewijs van bevoegdheid/de bevoegdheidverklaring verkeersvlieger
te
ontvangen, is op grond van de Regeling Toezicht
Luchtvaart (Besluit van 22 januari 1959, Staatsblad 1959, 67 zoals
laatstelijk gewijzigd bij Besluit, Staatsblad 1996, 17).) (hierna: RTL)
onder
andere het met een score van 70% of hoger afleggen van een theorie-examen
(acht vakken) noodzakelijk. Om het bewijs van bevoegdheid beroepsvlieger
te
ontvangen is een score tussen de 60% en 70% voldoende. Dit examen heeft
op
grond van de Regeling van 3 maart 1988 inzake de
geldigheidsduur van de examens met betrekking tot de afgifte van bewijzen
van
bevoegdheid en bevoegdverklaringen (Staatscourant, 1988, 54.) (hierna:
de
Regeling), een geldigheid van 36 maanden. Voor wat betreft het vliegbewijs
voor beroepsvlieger wordt na verloop van de 36
maanden, het examen geldig gehouden indien men in het bezit is van een
privévliegbewijs. Voor wat betreft het vliegbewijs voor verkeersvlieger,
heeft het examen een geldigheidsduur van 36 maanden indien men in het bezit
is van een geldig vliegbewijs beroepsvlieger met de bevoegdverklaring
blindvliegen (artikel 1 lid 5 Regeling).

Op grond van artikel 2 van de Regeling kan door de directeur-generaal van
de
Rijksluchtvaartdienst in bijzondere gevallen van de genoemde termijnen
worden
afgeweken.

Voor het ontvangen van een bewijs van bevoegdheid/de bevoegdheidverklaring
verkeersvlieger is ook het met goed gevolg afleggen van een examen omtrent
de
vereiste bedrevenheid, noodzakelijk.
Op grond van artikel 6 twintigste lid van de Regeling van
22 juni 1988 inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor bewijzen
van bevoegdheid en bevoegdverklaringen (Staatscourant 1988, 37.) kan een
bevoegdheidsverklaring of een bewijs van bevoegdheid niet worden aangevraagd
indien een aanvraagster zich in het eerste of derde trimester van een
zwangerschap bevindt.

3.2. Verzoekster beschikt over een privévliegbewijs. Zij heeft het
theorie-examen voor verkeersvlieger met succes voltooid. Dit examen was
conform de 36 maanden termijn geldig tot 1 juni 1997.
Het theorie-examen beroepsvlieger bleef ook na die datum geldig aangezien
verzoekster over een privévliegbewijs beschikt.

Om het theorie-examen verkeersvlieger geldig te houden had verzoekster
vóór 1
juni 1997 moeten beschikken over een geldig vliegbewijs beroepsvlieger
waaronder een bevoegdverklaring blindvliegen. Hiertoe had verzoekster een
praktisch examen moeten afleggen. Verzoekster heeft het betreffende praktisch
examen op 6 mei 1997 aangevraagd.

Verzoekster was op dat moment in het derde trimester van een zwangerschap
en
werd om die reden -tijdelijk- medisch ongeschikt verklaard op grond van
het
bepaalde in artikel 6 lid 20 van de Regeling van 22 juni 1988. Zij heeft
om
verlenging van de geldigheidstermijn van het theorie-examen verkeersvlieger
met zeveneneenhalve maand verzocht. De directeur-generaal van de
Rijksluchtvaartdienst heeft dit verzoek afgewezen bij brief van 18 juni
1997.
In deze brief wordt verzoekster meegedeeld, dat haar zwangerschap niet
als
een bijzonder geval in de zin van artikel 2 van de Regeling wordt aangemerkt.
Daarbij wordt aangegeven dat van bijzondere gevallen slechts sprake is
in
geval van zeldzame, individuele, buiten de persoon gelegen gevallen die
een
uitzondering vormen op hetgeen gangbaar is.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.

Zij heeft om verlenging van de geldigheid van het theorie-examen verzocht
voor de duur van zeveneneenhalve maand. Deze termijn is afgeleid van haar
medische ongeschiktheid gedurende het eerste en derde trimester van haar
zwangerschap en zes weken
bevallingsverlof.

Dat de wederpartij haar medische ongeschiktheid vanwege zwangerschap niet
als
een bijzonder geval heeft gehonoreerd, levert volgens verzoekster indirect
onderscheid op van vrouwen. In de wet zijn allerlei voorzieningen getroffen
zodat zwangerschap geen nadelen oplevert voor vrouwen in het
bedrijfsleven. Door geen uitstel te verlenen, wordt verzoekster benadeeld
omdat zij vanwege haar zwangerschap de termijn van 36 maanden overschrijdt.
De samenhang tussen het afgelegde theorie-examen en het praktische gedeelte
is niet van dien aard dat deze (beperkte) verlenging tot problemen zou
kunnen
leiden.

Voor de toepassing van de Ziektewet wordt onder ziekte mede
verstaan, zwangerschap en bevalling. Om die reden moet zwangerschap worden
gezien als een buiten de persoon gelegen geval dat een uitzondering vormt
op
hetgeen gangbaar is volgens de Regeling en waarin deze Regeling niet
voorziet. Artikel 2 van de Regeling zou derhalve dienen te worden toegepast.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

Het begrip ‘bijzondere gevallen’ in artikel 2 van de Regeling is bedoeld
voor
de onvoorziene, zeldzame, individuele, buiten de persoon gelegen gevallen
die
een uitzondering vormen op hetgeen gangbaar is volgens de Regeling en waarin
deze niet voorziet. Als voorbeeld kan worden genoemd het geval waarbij
de
kandidaat op de dag van het afleggen van het praktijkexamen ernstig ziek
is
of het geplande praktijkexamen niet door kan gaan vanwege slechte
weersomstandigheden. Er moet sprake zijn van een goede
studieplanning. De aanvraag voor het praktisch examen dient bovendien
ingediend te zijn voor het einde van de maand voorafgaand aan de maand
waarin
het theoretisch examen verloopt.

De wederpartij voert een zeer terughoudend beleid met betrekking tot het
verlengen van de geldigheidstermijn van examens.
De periode van 36 maanden is ruim voldoende om aan de overige
voorwaarden voor afgifte van het bewijs van bevoegdheid te
voldoen. Ook wanneer sprake is van omstandigheden die op zichzelf verlenging
rechtvaardigen wordt verlenging slechts voor maximaal één maand verleend.
De
door verzoekster aangedragen argumenten -haar zwangerschap- zou op zich
wel
aanleiding kunnen zijn om van het bepaalde in artikel 1 van de Regeling
af te
wijken, maar niet voor een termijn van meer dan één maand. Het in deze
gevoerde restrictieve beleid is vaste praktijk, maar is niet schriftelijk
vastgelegd dan wel kenbaar gemaakt.
Verlenging van de periode brengt de samenhang tussen de examens in gevaar
en
daardoor het streven naar een zo veilig mogelijke vluchtuitvoering. Dit
is
ook het uitgangspunt van de termijn van 36 maanden. Deze is gebaseerd op
basis van ervaring met betrekking tot de periode die nodig is om het examen
af te kunnen ronden en op de veronderstelling dat na deze termijn de
samenhang tussen de theorie en de praktijk te zeer afneemt omdat na 36
maanden de theorie-kennis niet meer op het vereiste niveau is.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door haar
niet de door haar in verband met haar zwangerschap gevraagde, verlenging
te
verlenen van de geldigheidstermijn van het theoretisch-examen
verkeersvlieger.

4.2. In dit verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 7 eerste lid onderdeel b Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
verbiedt onder andere onderscheid bij het aanbieden van goederen of diensten
en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake,
indien dit geschiedt door de openbare dienst (Zie Tweede Kamer, 1990-1991,
22014, nr. 3, p. 20: “Artikel 7 bevat geen beperkingen met betrekking tot
de
aard van de aan te bieden goederen of diensten, dan wel ter zake te
sluiten overeenkomsten. Het onderhavige verbod van onderscheid beslaat
uiteenlopende terreinen van het maatschappelijke leven en kan derhalve
op
zeer verschillende situaties van toepassing zijn.”). Tot de openbare dienst
behoren alle diensten en bedrijven door de Staat en openbare lichamen beheerd
(Tweede Kamer, 1991-1992, 22014, nr. 5, p. 88.).

Artikel 4 onderdeel c AWGB bepaalt dat onderscheid dat gemaakt wordt bij
of
krachtens enige andere wet, welke voorafgaand aan deze wet in werking is
getreden, door de AWGB onverlet wordt gelaten.

Artikel 4 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
verbiedt een natuurlijke of rechtspersoon onderscheid te maken tussen mannen
en vrouwen bij de toelating tot en de behandeling binnen een beroepsopleiding
dan wel bij het afnemen van het examen.

Artikel 1 lid 2 van de WGB en artikel 1 AWGB bepalen dat onder onderscheid
zowel direct als indirect onderscheid moet worden verstaan. Direct
onderscheid op grond van geslacht ziet mede op onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling en moederschap. Onder indirect onderscheid wordt
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht
dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid
objectief gerechtvaardigd is (artikel 6 WGB en artikel 2 lid 1 AWGB).

Artikel 4 onderdeel a AWGB bepaalt dat de WGB door de AWGB onverlet is
gelaten.

4.3. Voor wat betreft het bepaalde in artikel 4 lid c AWGB stelt de Commissie
vast dat deze bepaling op het onderhavige geval niet van toepassing is.
Het
artikel betreft immers onderscheid dat bij of krachtens wet wordt gemaakt.
Daarvan is in deze zaak geen sprake, immers in de in het geding zijnde
Regeling is niet vastgelegd dat medische ongeschiktheid wegens zwangerschap
geen reden kan zijn voor verlenging. De Regeling geeft slechts aan dat
uitzonderingen op de termijn gemaakt kunnen worden.

4.4. De eerste vraag die beantwoord moet worden betreft de betekenis van
de
artikelen 7 AWGB en 4 WGB in het onderhavige geval.
Zoals de Commissie eerder heeft vastgesteld, is de reikwijdte van artikel
7,
eerste lid, onderdeel b AWGB niet onbeperkt en valt een groot deel van
het
eenzijdig overheidshandelen daarbuiten (Commissie gelijke behandeling,
15
juli 1996, oordeel 96-63; 27 mei 1997, oordeel 97-59 en 30 juni 1997, oordeel
97-78.). Het is de bedoeling van de wetgever geweest de reikwijdte van
deze
bepaling te beperken tot het zakelijke goederen- en
dienstenverkeer van de overheid. Dit brengt mee dat in beginsel
publiekrechtelijke rechtshandelingen van de overheid niet vallen onder
de
reikwijdte van artikel 7 AWGB. Uit de wetgeschiedenis blijkt voorts dat
het
aanbieden van goederen en diensten niet noodzakelijkerwijs in het kader
van
een overeenkomst behoeft te geschieden (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014,
nr.5,
p. 87.). Zo is niet uitgesloten dat dienstverlening door de overheid en
ook
publiekrechtelijke rechtshandelingen onder artikel 7 AWGB vallen, indien
zij
het karakter hebben van het aanbieden van goederen en diensten.

Het besluit om geen verlenging te verlenen is genomen door de
directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst van de wederpartij. Deze
heeft deze bevoegdheid krachtens de onder 3.1. genoemde Regeling. De Regeling
vloeit voort uit de, in het kader van de Luchtvaartwet uitgevoerde,
publiekrechtelijke taak om de vluchtveiligheid te bewaken.
Voor het antwoord op de vraag welke bepalingen van de gelijke
behandelingswetgeving van toepassing zijn, acht de Commissie het volgende
van
belang.
Het karakter van het onderhavige besluit is tweeledig. Enerzijds is het
besluit om verzoekster niet de door haar gevraagde verlenging van de
geldigheidsduur van het theoretisch examen te geven een in het kader van
de
publiekrechtelijke taak betreffende het toezicht op de
luchtverkeersveiligheid uitgeoefende bevoegdheid tot afgifte van bewijzen
van
bevoegdheid. Anderzijds heeft het betreffende besluit betrekking op de
toelating tot de examens die in het kader van de beroepsopleiding tot
verkeersvlieger vereist zijn.
De Commissie is van oordeel dat het aangevochten besluit van de
directeur-generaal van de Rijksluchtvaartdienst in feite betrekking heeft
op
voorwaarden betreffende de toelating tot het praktiche deel van het examen.
Daargelaten de vraag of het afgeven van bewijzen van bevoegdheid valt onder
de reikwÿdte van artikel 7 lid 1 AWGB, is derhalve artikel 4 lid 1 WGB
van
toepassing op het besluit betreffende de toelating tot het examen, dat
in het
kader van de beroepsopleiding tot verkeersvlieger is vereist.

4.5. Thans komt de vraag aan de orde of de wederpartij onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt door verlenging van de geldigheidsduur van het
theoretisch examen te weigeren, en daarmee de toelating tot het praktisch
deel van het examen te blokkeren.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van direct onderscheid overweegt
de
Commissie het volgende.

De wederpartij hanteert een aantal criteria bij de beoordeling of kan worden
afgeweken van de geldende termijnen. Deze criteria zijn dat het moet gaan
om:
– onvoorziene;
– zeldzame;
– individuele;
– en niet in de persoon gelegen situaties;
– er moet sprake zijn van een goede studieplanning.
De wederpartij hanteert tevens een vast beleid dat een verlenging niet
gegeven wordt voor een termijn langer dan één maand.
Hiermee wordt niet direct verwezen naar geslacht dan wel zwangerschap of
bevalling. De Commissie is van oordeel dat hiermee geen direct onderscheid
naar geslacht wordt gemaakt.

4.6. De wederpartij honoreert een verzoek om uitstel uitsluitend op grond
van
de hierboven genoemde criteria, voorzover de gevraagde verlenging de
gebruikelijke termijn van één maand niet te boven gaat. Door het strak
hanteren van de termijn van één maand zullen vrouwen die zwanger zijn
onevenredig getroffen worden: uit de aard van de zwangerschap vloeit voort
dat zij immers vaker niet genoeg hebben aan een verlenging voor één maand.
De
Commissie is daarom van mening dat indirect onderscheid is gemaakt naar
geslacht door bij de weigering om verzoekster de gevraagde verlenging te
verlenen strak vast te houden aan de termijn van één maand.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er een objectieve
rechtvaardigingsgrond is voor het gemaakte onderscheid.
De Commissie toetst hierbij, conform de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen aan de volgende criteria (HvJEG,
Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/86; Rinner-Künh
versus FWW Spezial Gebäudereinigung GmbH & Co, 13 juli 1989, zaak 171/88;
Beune versus ABP, 28 september 1994, zaak C-7193.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd
zijn;
– de middelen die gekozen zijn om het doel te bereiken dienen
te beantwoorden aan een werkelijke behoefte;
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het doel
te bereiken.

Het doel dat de wederpartij nastreeft is het bewaken van de
luchtveiligheid. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd.

Het middel dat gehanteerd wordt is het afgeven van bevoegdheidsbewijzen
en
bevoegdverklaringen, waartoe onder andere zowel de kennis (door middel
van
een theorie-examen) als de bedrevenheid (door middel van een praktijk-examen)
worden getoetst, waarbij als uitgangspunt geldt dat er voldoende samenhang
moet zijn tussen beide examens. De Commissie is van oordeel dat een dergelijk
middel op zich geschikt is om het doel te bereiken.
Thans rijst echter de vraag, of de wijze waarop het middel wordt toegepast,
te weten het strikt hanteren van een maximum-termijn van één maand bij
het
verlenen van verlenging van de termijn van 36 maanden tussen het theorie-
en
praktijkexamen, ook noodzakelijk is.
Hiervoor heeft de wederpartij als argument aangedragen dat de theoriekennis
niet meer op het vereiste niveau zou zijn na het verstrijken van die termijn.
De wederpartij beroept zich daarbij op niet nader geadstrueerde algemene
ervaring. De Commissie onderkent dat deze kennis na verloop van tijd kan
verminderen. Zij is echter van oordeel dat de wederpartij niet nader heeft
onderbouwd, en derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt, dat het uitgesloten
geacht moet worden dat de kennis nog in voldoende mate aanwezig is bij
een
verlenging van de termijn voor een periode langer dan één maand. Nu de
Regeling de bevoegdheid tot verlening van de termijn heeft toegekend, is
daarmee niet gezegd dat deze bevoegdheid beperkt zou moeten zijn tot een
periode van één maand.
Daarmee stelt de Commissie vast dat niet is komen vast te staan dat het
gehanteerde middel noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.
Dat betekent dat er geen objectieve rechtvaardigingsgrond kan worden
aangevoerd voor het door de wederpartij gevoerde ontheffingsbeleid. Dit
beleid is daardoor in strijd met artikel 4 lid 1 WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de Minister
van Verkeer en Waterstaat te Den Haag jegens mevrouw K. C. te Uithoorn
indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel
4 lid
1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. dr. L. Mulder(lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 november 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft aan de Commissie haar arbeidsvoorwaarden regeling
voorgelegd om deze te laten toetsen aan de Wet onderscheid arbeidsduur
(WOA).
De Commissie heeft geconstateerd dat een aantal van de arbeidsvoorwaarden
niet met de WOA in overeenstemming is. De reiskostenvergoeding naar rato
is
in strijd met de wet. Bij het toekennen van vakantiedagen aan deelnemers
van
de seniorenregeling wordt er een verboden onderscheid op grond van
arbeidsduur gemaakt. Voorts is de beperking tot voltijdwerkers van de toegang
tot de seniorenregeling in strijd met de WOA. En tot slot wordt bij het
toekennen van een overwerkvergoeding onderscheid gemaakt, doordat
deeltijdwerkers over hun overwerkuren geen pensioenrechten, noch
vakantierechten opbouwen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 17 maart 1997 verzocht Tebodin Consultants & Engineers te Den Haag
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of de binnen haar bedrijf geldende
arbeidsvoorwaarden in overeenstemming zijn met de Wet onderscheid arbeidsduur
(WOA of de wet) (Stb. 1996, 391).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Vervolgens heeft de Commissie verzoekster opgeroepen voor een
zitting op 9 september 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw M. v.d. Ven-Draaisma (personeelsfunctionaris)
– mw M. Ingenbleek (OR-secretaris)

van de kant van de Commissie
– mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is een internationaal opererend advies- en ingenieursbureau.
In Nederland zijn ongeveer 900 personeelsleden werkzaam in zeven vestigingen.
Van het personeelsbestand is 16 a 17% vrouw; ongeveer 10% is 55 jaar of
ouder, onder wie vijf deeltijders. Het verzoek heeft betrekking op de
arbeidsvoorwaarden in Nederland. Op het bedrijf is geen collectieve
arbeidsovereenkomst van toepassing. De arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd
in
de arbeidsovereenkomst met de medewerker en staan nader omschreven in het
personeels-instructieboek.

Dit boek is samengesteld uit genummerde personeelsinstructies over bepaalde
(onderdelen van de) arbeidsvoorwaarden.
De standaardwerktijd bedraagt 41,25 uur per week.

3.2. De Personeelsinstructie, nummer 32.0, onderwerp:
parttime werken, 1 november 1996, luidt, voor zover relevant,
als
volgt:
“1. Deze personeelsinstructie is van toepassing op alle medewerkers met
een
vast dienstverband.
2. De mogelijkheid om voor de regeling parttime werken in aanmerking te
komen
is afhankelijk van de functie die in de organisatie wordt bekleed. Een
en
ander te bepalen door de vestigingsdirectie in overleg met het Hoofd van
de
afdeling Personeelszaken.
2.1. Het parttime werken is gebonden aan een ondergrens van minimaal 33
uur
per week. De arbeidstijd dient vier hele dagen, dan wel drie of vier hele
dagen en één of twee halve dagen per week te bedragen. De werktijden worden
in overleg met de medewerker en afdelingshoofd door de vestigingsdirectie
vastgesteld. Door de vestigingsdirectie kan, na overleg met de medewerker
worden bepaald dat de werktijden en de arbeidstijd tijdelijk gewijzigd
worden.
3. De navolgende arbeidsvoorwaarden zullen ten opzichte van een fulltime
dienstverband naar rato worden toegepast:
. salaris;
. pensioenpremie en -opbouw;
. premie voor de ongevallenverzekering en de uitkering;
. vakantie-uren;
. premie en uitkering van de aanvullende W.A.O.-verzekering en de
excedentenregeling;
. vergoeding woon-werkverkeer;
. kopen van extra vakantiedagen.
3.2. Indien het parttime werken tijdelijk niet kan worden geëffectueerd
en
langer moet worden gewerkt ten gevolge van het niet op een andere wijze
in
kunnen plannen van werkzaamheden, kunnen, naar rato van een maximum van
41.25
uur per jaar, meergewerkte dagen worden overgeboekt naar vakantie. Het
meerdere boven het maximum wordt 1:1 uitbetaald.
3.3. De detacheringsregeling is onverkort van toepassing met dien verstande
dat de onder paragraaf 1.1. van deze instructie opgenomen bepaling van
vijf
aaneengesloten etmalen, bij parttime werken gewijzigd wordt in vier
aangesloten etmalen.
Indien bij de opdrachtgever het aantal te werken uren afwijkt van hetgeen
tussen de parttime werkende medewerker en het bedrijf is overeengekomen,
zal
in overleg tussen vestigingsdirectie en afdeling Personeelszaken, na overleg
met de medewerker, de te volgen handelwijze worden bezien.
Ten aanzien van zakenreizen en detachering in het buitenland geldt ten
aanzien van detachering dat de te volgen handelwijze in overleg tussen
vestigingsdirectie en de afdeling personeelszaken, na overleg met de
medewerker, zal worden bezien.

Indien sprake is van een zakenreis wordt in afwijking van eventuele parttime
afspraken tijdelijk tenminste 41,25 uur/week gewerkt.
5. Naast het in deze personeelsinstructie gestelde is een aparte parttime
regeling van kracht voor medewerkers vanaf 55 jaar.
5.1. De senior medewerker kan vanaf 55 jaar minimaal 80% parttime werken,
waarbij tot de leeftijd van 60 jaar toestemming van de Directie is vereist.
Het salaris op de datum van ingang van parttime werken wordt naar rato
aangepast.
Vanaf 62 jaar kan de senior medewerker 80% werken terwijl het bedrijf 90%
betaalt van het op de datum van ingang van het parttime werken, geldende
salaris.”

Aanvankelijk luidde de regeling dat voor de senior medewerker van 62 jaar
en
ouder, die zijn arbeidstijd zou terugbrengen tot 80%, ook zijn salaris
met
hetzelfde percentage verminderd zou worden. Deze teruggang in inkomen
belemmerde het gebruik van de seniorenregeling. Op verzoek van de
ondernemingsraad is de huidige regeling van 90% salaris bij 80% arbeidsduur
tot stand gekomen. Na deze wijziging is van de regeling gebruik gemaakt.

Personeelsinstructie 32.0 luidt verder:
“5.2. Voorts gelden de volgende condities:
– vakantiedagen:
. tot 62 jaar: het basisaantal en de extra dagen naar rato
. vanaf 62 jaar: het basisaantal dagen naar rato
(van de arbeidstijd) en een aangepast aantal extra dagen; zie P.I.T.
Vakantie.
– pensioenpremie: opbouw/premie op basis van een fulltime
dienstverband
– detacheringsregeling, bijzonder en extra verlof: afhankelijk
van feitelijke werktijdinvulling naar rato
– kopen van extra vakantiedagen, overboeken van overuren naar vakantie,
regeling zakenreizen Nederland/buitenland en de reiskostenregeling
woon- werkverkeer indien van openbaar vervoer gebruik wordt gemaakt,
worden indien van toepassing onverkort gehandhaafd.”

3.3. Personeelsinstructie, nummer 4.0, 1 januari 1996, onderwerp:
vakantie, is van toepassing op alle medewerkers met een vast
dienstverband. De bepalingen luiden, voor zover relevant, als volgt.
“4. Medewerkers die 55 jaar of ouder zijn hebben recht op twee vakantiedagen
extra per jaar, boven het basis aantal dagen. Medewerkers die 57 jaar of
ouder zijn hebben recht op drie vakantiedagen extra per jaar, boven het
basis
aantal dagen. Medewerkers die 60 jaar of ouder zijn hebben recht op vier
vakantiedagen extra per jaar, boven het basis aantal dagen.

Medewerkers die 62 jaar zijn en geen gebruik maken van de parttime regeling
in het kader van het seniorenbeleid, hebben recht op tien vakantiedagen
extra
per jaar, boven het basis aantal dagen.
Medewerkers die 63 jaar zijn en geen gebruik maken van de parttime regeling
in het kader van het seniorenbeleid, hebben recht op 15 vakantiedagen extra
per jaar, boven het basis aantal dagen.
Medewerkers die 64 jaar zijn en geen gebruik maken van de parttime regeling
in het kader van het seniorenbeleid, hebben recht op 20 vakantiedagen extra
per jaar, boven het basis aantal dagen.
Medewerkers die 62 jaar zijn en gebruik maken van de parttime regeling
in het
kader van het seniorenbeleid, hebben recht op vier vakantiedagen extra
per
jaar, boven het aantal basis dagen.
Medewerkers die 63 jaar zijn en gebruik maken van de parttime regeling
in het
kader van het seniorenbeleid, hebben recht op negen vakantiedagen extra
per
jaar, boven het basis aantal dagen.
Medewerkers die 64 jaar zijn en gebruik maken van de parttime regeling
in het
kader van het seniorenbeleid, hebben recht op veertien vakantiedagen extra
per jaar, boven het basis aantal dagen.
In het jaar dat de bovengenoemde leeftijden worden bereikt, geldt een
toekenning naar rato”.

In deze personeelsinstructies is niet opgenomen de arbeidsvoorwaarde dat
voor
werknemers van 55 jaar en ouder die in deeltijd gaan werken, de
pensioenopbouw plaatsvindt op basis van 100% salaris.

De effecten van deze personeelsinstructies blijken uit het navolgende schema.

3.4. Ook in Personeelsinstructie, nummer 3.0, 1 januari 1996,
onderwerp: overwerk, komt een bepaling voor over deeltijd. Deze
instructie geldt voor medewerkers met een vast dienstverband in salarisgroep
één tot en met acht, die niet werkzaam zijn in de buitendienst. De inhoud
van
de bepalingen luiden, voor zover relevant, als volgt.
“3. Als overuren worden beschouwd uren boven de normale arbeidsduur, te
weten
boven 8,25 uur per werkdag van maandag tot en met vrijdag en alle uren
op
zaterdag en zon- en feestdagen.
Indien sprake is van een parttime dienstverband worden de gewerkte uren
tussen het contractueel overeengekomene en de in het voorgaande genoemde
grenzen niet als overuren beschouwd.

4. Overuren worden vergoed op basis van het normale uurloon, verhoogd met
de
volgende toeslagen:
– op werkdagen 25%
– op zaterdagen 50%
– op zon-/feestdagen 100%.
10. De medewerker is gerechtigd overuren in vakantie-uren te laten honoreren.
Hierbij geldt dat overwerkuren één op één in vakantie-uren kunnen worden
omgezet tot een maximum van 41,25 uren per jaar.
De overwerktoeslagen worden dan in geld gehonoreerd.

3.5. Personeelsinstructie, nummer 2.0, 29 januari 1996, onderwerp:
de werktijdenregeling, is van toepassing op werknemers en ingeleend personeel
aangeduid met de term medewerkers. Voor zover relevant, luiden de bepalingen
als volgt.
“8.1 Tebtime
De stamtijd is 9.00-16.30 op maandag tot en met donderdag, en 09.00- 16.00
op
vrijdag.
8.2 De arbeidstijd dient per dag minimaal zeven en kan in het kader van
deze
personeelsinstructie maximaal tien uur bedragen. De keuze om extra gewerkte
uren als Tebtime of al overwerk te bestempelen, wordt gemaakt door de
medewerker, met dien verstande dat overwerk goedgekeurd dient te worden
door
het afdelingshoofd.
8.3 Door af te wijken van de standaardwerktijd bouwt de medewerker een
tekort
of overschot op. Dit mag niet meer bedragen dan 35 uur. ((….)).
8.4 De medewerker wordt op zijn verzoek een overzicht van zijn saldo
verstrekt. Bij een tekort/overschot van 30 uur wordt de medewerker
schriftelijk geïnformeerd. Indien de grens van 35 uur wordt overschreden,
worden bij een overschot de meeruren als vervallen beschouwd. Bij een tekort
groter dan 35 uur vervalt de minimale arbeidsduur van zeven uur/dag en
geldt
er een minimale arbeidstijd van 8,25 uur per dag.
8.5. Aan het einde van elk kalenderjaar kan een overschot/tekort van maximaal
tien uur worden overgeboekt naar het erop volgende kalenderjaar. Een
overschot groter dan tien uur vervalt, tenzij de medewerker niet in staat
is
gesteld, of ingeval van ziekte is geweest, deze uren op te nemen.
In dat geval wordt het overschot boven tien uur a 100% uitbetaald. Een
tekort
groter dan tien uur, wordt naar keuze van de medewerker, hetzij beschouwd
als
verlof voor eigen rekening, hetzij in mindering gebracht op het vakantie
tegoed van het volgende kalenderjaar.
8.6. Een overschot kan hetzij in eenheden van 8,25 uur, maximaal drie maal
per jaar, hetzij als 24,75 in één keer worden overgeboekt naar het
vakantietegoed. Na het overboeken van een overschot op vakantie blijft
artikel 8.3 van toepassing.
Dit artikel is niet van toepassing op medewerkers met een freelance
dienstverband oude stijl.
8.8. Het in art. 8.2 t/m 8.7 en 8.10 gestelde geldt voor medewerkers met
een
parttime dienstverband naar rato van de contractueel overeengekomen
arbeidstijd”.

3.6. Personeelsinstructie, nummer 30.0, 13 september 1993,
onderwerp: aanvullende verzekering Wet op de arbeidsongeschiktheids-
verzekering
, is van toepassing op medewerkers, onder wie medewerkers
die in het buitenland werkzaam zijn, jonger dan 58 jaar, voor wie verzoekster
“een vrijwillige verzekering WAO heeft afgesloten”. De relevante bepaling
luidt als volgt:
“6. De premie is voor rekening van de werknemer en bedraagt een percentage
van het brutosalaris tot het maximum van de WAO-loongrens,
Dit brutosalaris wordt voor medewerkers met een fulltime dienstverband
als
volgt berekend:
. vast personeel: periodesalaris x 13 en vakantietoeslag;
. freelance personeel: wordt door het hoofd van de afdeling
Personeelszaken vastgesteld.
Voor medewerkers met een parttime dienstverband vindt premieberekening
naar
rato plaats. De premie wordt op het salaris ingehouden. De wettelijke
bepalingen betreffende de fiscale en sociale wetgeving zijn van toepassing.

Het standpunt van verzoekster

3.7. Verzoekster brengt het volgende naar voren.

Verzoekster heeft een personeelsinstructie parttime werken, nummer 32.0.
Per
1 november 1996 is de WOA van kracht geworden. Op grond van deze wet is
deze
regeling aangepast. Verzoekster vraagt de Commissie om te beoordelen of
deze
regeling zodanig is opgesteld dat geen verboden onderscheid wordt gemaakt
naar arbeidsduur.

In deze personeelsinstructie is een aparte regeling voor werknemers vanaf
62
jaar, de zogenaamde seniorenregeling, opgenomen. Deze regeling houdt in
dat
deze medewerkers hun arbeidstijd kunnen terugbrengen tot ten hoogste 80%,
waarbij verzoekster 90% salaris betaalt en de pensioenopbouw voor 100%
plaatsvindt.
De medewerker die gebruik maakt van deze regeling levert zes vakantiedagen
per jaar in.
Verzoekster vraagt zich af of in dit geval onderscheid wordt gemaakt naar
arbeidsduur. In de personeelsinstructie over het onderwerp parttime werken
(32.0) wordt aangegeven dat het basis aantal vakantiedagen wordt opgebouwd
naar rato van de arbeidsduur. Verzoekster constateert zelf dat de
personeelsinstructie over het onderwerp vakantie (4.0) voor medewerkers
die
gebruik maken van de seniorenregeling, een niet gelijkluidende regeling
bevat. (Zie het schema in overweging 3.3.)

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Verzoekster vraagt een oordeel van de Commissie over twee specifieke
kwesties in de arbeidsvoorwaarden voor deeltijdwerkers, zoals opgenomen
in de
personeelsinstructies 32.0 en 4.0. De Commissie zal tevens de
personeelsinstructies in haar geheel beoordelen op eventuele strijd met
de
WOA.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraagstelling is het volgende wetsartikel
van belang.

Artikel 7:648 BW (Tot 1 april 1997 gold artikel 7A:1637ija BW, in werking
getreden op 1 november 1996.) verbiedt onderscheid tussen werknemers op
grond
van een verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een
arbeidsovereenkomst wordt aangegaan, voortgezet dan wel opgezegd, tenzij
een
dergelijk onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

4.3. De wijze van toetsen of sprake is van onderscheid als bedoeld in de
WOA,
is beschreven in de Memorie van Toelichting:
“In veruit de meeste gevallen zal een relatering van aan werknemers toe
te
kennen aanspraken aan hun contractuele arbeidsduur geen benadeling in
bovengenoemde zin meebrengen en dus geen onderscheid opleveren als hier
bedoeld. Het kan echter voorkomen, dat uit de aard en strekking van een
bepaalde arbeidsvoorwaarde voortvloeit dat een toekenning naar rato tot
benadeling zou leiden, zodat in die gevallen ofwel het toekennen van
identieke aanspraken ofwel een nog andere gedragslijn uitgangspunt dient
te
zijn. Per arbeidsvoorwaardelijke regeling zal derhalve, in het licht van
aard
en strekking van de betreffende arbeidsvoorwaarde, bezien moeten worden
welke
gedragslijn uitgangspunt behoort te zijn, wil geen sprake zijn van
onderscheid op grond van arbeidsduur.” (Tweede Kamer, 1995-1996, 24 498,
nr.
3, p.13)

4.4. Wanneer sprake is van onderscheid op grond van een verschil in
arbeidsduur, moet worden onderzocht of het onderscheid objectief
gerechtvaardigd is. Voor de objectieve rechtvaardigingstoets geldt dat
een
handelwijze verklaard moet kunnen worden door factoren die niets van doen
hebben met ongerechtvaardigd onderscheid.

Uit de Memorie van Toelichting op de WOA blijkt dat de wetgever verwacht
dat
de rechter en de Commissie aansluiting zoeken bij de criteria die door
het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) zijn ontwikkeld
in
het kader van de objectieve rechtvaardiging van indirect onderscheid op
grond
van geslacht (HvJEG, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986,
zaak
170/84, Jur. 1986, p. 1607; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung
GmbH & Co, 13 juni 1989, zaak 171/88, Jur. 1989, p. 2743.) In het kader
van
het toetsen van de objectieve rechtvaardiging bij onderscheid naar
arbeidsduur is niet altijd relevant om te toetsen of aan het nagestreefde
doel iedere discriminatie vreemd is, omdat bij onderscheid naar arbeidsduur
het onderscheid juist (mede) op verschil in behandeling is gericht. De
Commissie legt de door het HvJEG in het kader van indirect onderscheid
ontwikkelde objectieve rechtvaardiging zodanig uit, dat bij het onderscheid
op grond van arbeidsduur aan de volgende criteria moet worden getoetst:

– het met de betreffende handelwijze nagestreefde doel moet zwaarwegend
en
legitiem zijn;
– de middelen die gekozen worden, moeten geschikt (doelmatig) en noodzakelijk
(proportioneel) zijn om het doel te bereiken.

4.5. In de personeelsinstructies 32.0 en 30.0, onderwerpen: parttime werken
en aanvullende verzekering WAO, is aangegeven dat de navolgende
arbeidsvoorwaarden naar rato worden toegepast: salaris, pensioenpremie
en
-opbouw, premie voor de collectieve ongevallenverzekering en de uitkering,
vakantie-uren, premie en uitkering van de aanvullende WAO-verzekering en
excedentenregeling, vergoeding van woon- en werkverkeer, kopen van extra
vakantiedagen.

De Commissie stelt vast dat de bepalingen over salaris, pensioenpremie
en
-opbouw, vakantie-uren, premie en uitkering van de aanvullende
WAO-verzekering, excedentenregeling en de mogelijkheid tot het kopen van
extra vakantiedagen in evenredigheid met de omvang van de arbeidsduur worden
toegepast. Deze bepalingen zijn dus in overeenstemming met de wet.

Met betrekking tot de collectieve ongevallenverzekering heeft verzoekster
ter
zitting meegedeeld dat deze verzekering ook buiten werktijd, gedurende
24 uur
per dag, van kracht is. De premie en de daarop gebaseerde dekking wordt
berekend aan de hand van het salaris. Onder deze omstandigheden is ook
deze
bepaling in overeenstemming met de wet.

De bepaling omtrent de vergoeding woon-werkverkeer naar rato van de
arbeidsduur zou in strijd met de wet kunnen zijn. Bij vergoedingsregelingen
die beogen de werknemers te vrijwaren van onkosten die samenhangen met
de
uitoefening van het werk, behoren in het algemeen de feitelijk gemaakte
kosten te worden vergoed. (Tweede Kamer, 1995-1996, 24 498, nr. 3, p.11)
Ter
zitting heeft verzoekster meegedeeld dat dit bij haar de praktijk is. De
Commissie constateert hier een discrepantie tussen de in de
personeelsinstructie vastgelegde regeling en de praktijk. De Commissie
oordeelt dat de formulering van de regeling met betrekking tot de kosten
van
het woon-werkverkeer niet in overeenstemming is met de wet.

4.6. De Commissie constateert dat de seniorenregeling, zoals geregeld in
Personeelsinstructie 32.0 en Personeelsinstructie 4.0, in de leeftijd 55
tot
62 jaar voor wat betreft salaris en opbouw van vakantierechten aan
deeltijders dezelfde rechten toekent als aan voltijders.

4.7. De Commissie constateert vervolgens dat de seniorenregeling met
betrekking tot het aantal vakantiedagen in Personeelsinstructie 4.0. en
Personeelsinstructie 32.0 niet eenduidig is geformuleerd. Volgens de
letterlijke tekst van deze personeelsinstructies, zoals die is uitgewerkt
in
het hierboven -onder 3.3.- opgenomen schema, heeft een medewerker vanaf
62
jaar, die gebruik maakt van de seniorenregeling en zijn arbeidstijd
terugbrengt tot 80%, volgens Personeelsinstructie 4.0 recht op 26
respectievelijk 28 vakantiedagen. Deze medewerker behoudt dus zijn
vakantiedagen voor 100%. Volgens Personeelsinstructie 32.0 heeft de
medewerker die gebruik maakt van de seniorenregeling, echter slechts recht
op
in totaal 20,8 respectievelijk 22,4 vakantiedagen. Dit betekent een
behandeling naar rato. Deze tegenstrijdigheid zal door verzoekster zelf
opgelost moeten worden. (Ook art. 5.2 Pit 32.0:”Voorts gelden de volgende
condities:-vakantiedagen: tot 62 jaar: het basisaantal en de extra dagen
naar
rato” laat zich op twee manieren lezen.)

4.8. De Commissie zal de uitwerking van beide personeelsinstructies in
de
kolommen “Parttime PIT 4.0” en “Parttime PIT 32.0” van het
– onder 3.3. opgenomen – schema beoordelen.
“Parttime PIT 4.0”

Volgens deze personeelsinstructie heeft een werknemer vanaf 62 jaar, die
van
de parttime-regeling gebruik maakt, in verhouding tot de werknemer die
geen
gebruik maakt van de regeling, recht op relatief meer vakantiedagen dan
een
voltijdwerknemer. (Volgens de naar rato-redenering zou een werknemer van
62
jaar, die 80% gaat werken, recht hebben op 80% van 36 resp.
38 dus
28,8 resp. 30,4 vakantiedagen, terwijl hij 30 resp.
32
vakantiedagen krijgt.)
De deeltijder wordt dus bevoordeeld ten opzichte van de voltijder.
“Parttime PIT 32.0”
Volgens deze personeelsinstructie heeft een werknemer vanaf 62 jaar, die
van
de parttime-regeling gebruik maakt, in verhouding tot de werknemer die
geen
gebruik maakt van de regeling, recht op relatief minder vakantiedagen.
(Vlg.
PIT 32.0 heeft deze werknemer recht op in totaal 24,8 resp.
26,4
t.o.v. (80% van 36 resp. 38 =) 28,8 resp. 32,4 vakantiedagen.)
De
deeltijder wordt dus benadeeld ten opzichte van de voltijder.

Volgens Personeelsinstructie 32.0 heeft alleen een voltijd-werknemer vanaf
62
jaar, die gebruik maakt van de mogelijkheid tot 80% deeltijd, recht op
90%
salaris. Dit betekent in de eerste plaats een bevoordeling van deze
rechthebbende ten opzichte van de andere werknemers, omdat het salaris
per
uur van deze ‘deeltijder’ hoger is dan dat van de anderen. Tevens betekent
deze regeling een benadeling van reeds in deeltijd werkzame werknemers,
die
immers geen toegang hebben tot deze regeling. (Vgl. MvT, TK 1995-1996,
24
498, nr. 3, p.12 met betrekking tot de toegang tot een VUT-regeling.)
Volgens deze personeelsinstructie heeft een werknemer die gebruik maakt
van
de mogelijkheid tot deeltijd, recht op een pensioenopbouw op basis van
een
voltijdsalaris. Dit betekent bevoordeling van de senior die in deeltijd
gaat
werken.

4.9. Ten aanzien van de onder 4.8. geconstateerde verschillen in behandeling
moet vervolgens beoordeeld worden of dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

Voor het onderscheid in de regeling met betrekking tot het aantal
vakantiedagen voor deelnemers aan de seniorenregeling heeft verzoekster
geen
motivering gegeven. Deze regeling, waarbij deeltijders en voltijders niet
pro
rata behandeld worden, terwijl dit wel de juiste wijze van behandeling
zou
zijn, is dus in strijd met de wet.

Verzoekster heeft met betrekking tot de 90% salarisbetaling bij 80% werktijd
aangevoerd dat deze regeling is ingevoerd op verzoek van de ondernemingsraad
om de deeltijdregeling voor senioren aantrekkelijker te maken. Deze
doelstelling is legitiem.
Met betrekking tot de vraag of het middel geschikt en proportioneel is
overweegt de Commissie als volgt.
Enerzijds betekent deze regeling dat het evenredigheidsbeginsel met
betrekking tot de meest primaire arbeidsvoorwaarde, het gelijke uur-salaris,
wordt doorbroken. Anderzijds bleek deze extra-beloning voor de senior
medewerker van 62 jaar en ouder noodzakelijk, omdat zonder deze beloning
de
teruggang in inkomen te groot was, waardoor van de seniorenregeling geen
gebruik werd gemaakt. Na de invoering van de extra-beloning is wel gebruik
gemaakt van de regeling. Deze ongelijkheid van inkomen doet zich slechts
gedurende de korte tijd van drie jaar voor. Deze omstandigheden afwegend,
komt de Commissie tot het oordeel dat het middel geschikt is en proportioneel
aan het gestelde doel, het handhaven van werkgelegenheid van en voor senior
medewerkers van 62 jaar en ouder.

Verzoekster heeft met betrekking tot de 100% pensioenopbouw bij 80% werktijd
zelf geen motivering gegeven. De Commissie overweegt ambtshalve, dat het
zeer
aannemelijk is dat van een deeltijdregeling die de mogelijkheid tot 100%
pensioenopbouw zou ontberen, door werknemers geen gebruik zal worden gemaakt
vanwege het feit dat het leeftijdspensioen gebaseerd is op het laatstgenoten
salaris, het zogenaamde eindloonstelsel.
De Commissie is van oordeel dat dit een voldoende objectieve rechtvaardiging
is.

4.10. Voor het feit dat de seniorenregeling alleen voor voltijders
toegankelijk is, heeft verzoekster geen rechtvaardiging aangedragen. De
Commissie is van oordeel dat de toegang tot arbeidsvoorwaardenregelingen
voor
voltijders en deeltijders in beginsel gelijk behoort te zijn (Zie Commissie
gelijke behandeling, 9 september 1997, oordeel 97-95). Op dit punt is de
regeling dus in strijd met de wet.

4.11. In Personeelsinstructie 3.0 heeft verzoekster de beloning voor overwerk
geregeld. Uit deze personeelsinstructie blijkt dat deeltijders geen toeslag
op hun salaris krijgen voor de tijd tussen hun contractuele werktijd en
de
standaard werktijd.

In een recent oordeel (Commissie gelijke behandeling, 18 juni 1997,
oordeel 97-72) is de Commissie tot de conclusie gekomen, dat het onthouden
van overwerkvergoeding aan deeltijders over de gewerkte uren boven de
contractuele werktijd geen onderscheid oplevert als bedoeld in de WOA.
In
hetzelfde oordeel heeft de Commissie overwogen dat de totale beloning van
voltijders en deeltijders per uur gelijk moet zijn. Dit betekent dat voor
deeltijders de overwerkuren ook moeten bijdragen aan de pensioenopbouw,
de
opbouw van vakantierechten e.d. Ter zitting heeft verzoekster meegedeeld
dat
dat bij haar niet het geval is. De Commissie komt derhalve tot het oordeel
dat deze arbeidsvoorwaarde in strijd is met de wet.

4.12. Verzoekster kent in haar arbeidsvoorwaarden de mogelijkheid om in
deeltijd te werken. Deze mogelijkheid heeft echter een ondergrens van 33
uur
per week. Het is een feit van algemene bekendheid dat in Nederland vooral
vrouwen in deeltijdbanen (willen) werken vanwege zorgtaken. Omdat verzoekster
de Commissie niet gevraagd een oordeel uit te spreken over deze ondergrens
voor werken in deeltijd, heeft de Commissie geen onderzoek gedaan naar
de
getalsmatige verhoudingen tussen mannen en vrouwen bij verzoekster. De
Commissie vestigt echter wel de aandacht van verzoekster op het feit dat
het
hanteren van deze ondergrens zou kunnen leiden tot indirect onderscheid
tussen mannen en vrouwen. (Commissie gelijke behandeling, 10 augustus 1995,
oordeel 95-32, in het bijzonder overweging 4.5.)

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Nederlandse
arbeidsvoorwaarden bij Tebodin Consultants & Engineers te
Den Haag op de punten:
– de formulering van de vergoeding woon-werkverkeer (art. 3 PIT 32.0);
– de toekenning van het aantal vakantiedagen aan deelnemers aan de
seniorenregeling (art. 5.2. PIT 32.0 en art. 4 PIT 4.0);
– het beperken van de toegang tot de seniorenregeling tot voltijdmedewerkers;
– het ontbreken van pensioenopbouw en opbouw van vakantierechten in de
beloning voor deeltijders in de uren die zij werkzaam zijn tussen hun
individuele arbeidstijd en de standaard arbeidstijd (art. 3 PIT 3.0);
in strijd zijn met artikel 7:648 BW.

Rechters

Mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 30 oktober 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


O. komt in hoger beroep tegen het vonnis van de president van de rechtbank
waarbij toegekend wordt een voorschot op de immateriële schadevergoeding van
ƒ 2.000 i.p.v. ƒ 5.000. Er was ƒ 5.000 gevorderd. Ter onderbouwing van haar
standpunt dat ƒ 5.000 dient te worden toegewezen voert zij aan dat “in
vrijwel alle zaken in kort geding waarbij een voorschot op de immateriële
schade wordt gevorderd, een bedrag van ƒ 5.000 wordt toegekend”. Het hof
verwerpt de hierin besloten stelling als ongegrond. Het hof oordeelt dat er
geen algemene norm is op grond waarvan in kort geding een voorschot op
immateriële schade terzake van seksueel geweld of vergelijkbaar onrechtmatig
handelen pleegt te worden toegewezen. De omvang van de schade in het algemeen
en die van een voorschot daarop in kort geding in het bijzonder is
afhankelijk van tal van factoren. Daarop heeft de president in kort geding
gedoeld toen zij overwoog dat een bedrag van ƒ 2.000 redelijk is, gelet op
alle omstandigheden van het geval. Het hof kan zich met die overweging
verenigen en maakt deze tot de zijne. Het hof bekrachtigd het vonnis van de
president van de rechtbank.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, O., is bij exploot van 24 december 1996 in hoger beroep
gekomen van een op 12 december 1996 uitgesproken vonnis in kort geding van de
president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder rolnummer KG
96/3177 TG gewezen tussen O. als eiseres en geïntimeerde, T., als gedaagde.

1.2. Bij memorie van grieven heeft O. één grief tegen het beroepen vonnis
aangevoerd en geconcludeerd, zakelijk, dat het hof het vonnis waarvan beroep
zal vernietigen voor zover de vordering in eerste aanleg niet volledig werd
toegewezen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest de oorspronkelijke vordering
alsnog volledig zal toewijzen met veroordeling van T. in de kosten van het
geding in beide instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft T. de grief bestreden en geconcludeerd
tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van O. in de
kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

1.4. Ten slotte hebben partijen de stukken van beide instanties aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van deze stukken geldt als
hier ingevoegd.

2. De grief
Voor de inhoud van de grief verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. De vaststaande feiten
In rechtsoverweging 1 van haar vonnis heeft de president onder de letters a
t/m g een aantal feiten als ten processe vaststaand opgesomd. Tegen deze
opsomming zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten
uitgaat.

4. De beoordeling van het hoger beroep

4.1 In dit kort geding gaat het om het volgende.
a. D.W.O., is geboren op 8 september 1981. Zij is de dochter van O.
b. O. en T. Hebben een relatie gehad. T. Kent D. vanaf haar peuterleeftijd.
c. Op 29 oktober 1995 heeft D. aangifte gedaan bij de Jeugd- en Zedenpolitie
te Amsterdam tegen T., wegens door hem jegens haar gepleegde ontucht in de
zomer van 1992 (ongeveer vier maal) en de zomer van 1993 (een onbekend aantal
malen).
d. T. Heeft tijdens een verhoor door de politie op 29 oktober 1995 en door de
rechter-commissaris op 31 oktober 1995 bekend ontuchtige handelingen met D.
te hebben gepleegd in die zin dat hij bij haar in bed is gaan liggen, haar
heeft gezoend en onzedelijk heeft betast.
e. In een brief van psychiater J.S. van 8 oktober 1996 aan de gemachtigde van
O. is over D. onder meer geschreven:
‘Ik heb de voorlopige diagnose gesteld op PTSS syndroom na seksueel
misbruik onthulling, gevolgd door een tijdelijk emotioneel onveilige
situatie. De vraag of e.e.a. verband houdt met seksueel misbruik lijkt mij
aannemelijk (…)’

f. In een brief van huisarts T.D. Injo van 24 september 1996 aan de
gemachtigde van O. is over D. onder meer geschreven:
‘April 1995 zag ik D. met klachten van duizeligheid, hoofdpijn, pijn op
de borst, wegrakingen, tintelingen en krachteloosheid. (…)
Een
verband tussen de eerder beschreven spanningsuitingen en het seksueel
misbruik dat D. ondergaan heeft, is mijns inziens duidelijk.’

g. O. heeft op 2 december 1995 van de kantonrechter een machtiging verkregen
om voor D. een vordering tot schadevergoeding tegen T. in te stellen.
h. O. vordert in dit kort geding betaling aan haar door T. van een bedrag van
ƒ 5.000 als voorschot op de door D. geleden immateriële schade en
veroordeling van T. in de kosten van het geding.
i. De president heeft in het vonnis waarvan beroep een bedrag van ƒ 2.000
toegewezen met veroordeling van T. in de kosten van het geding.

4.2. Met de grief bestrijdt O. de beslissing van de president om niet de
gevorderde ƒ 5.000 maar slechts ƒ 2.000 toe te wijzen als voorschot op
immateriële schade. Hieromtrent overweegt het hof het navolgende.

4.3 T. heeft bij memorie van antwoord aangevoerd dat de president terecht
heeft overwogen dat het verkrijgen van een voorschot op schadevergoeding voor
het verwerkingsproces van D. een positief effect heeft en voorts dat de
president terecht heeft overwogen dat, gelet op alle omstandigheden van het
geval, een voorschot van ƒ 2.000 redelijk is. Het zojuist weergegeven
standpunt van T. houdt tevens in dat T. in hoger beroep zijn in eerste
instantie gevoerde verweer, anders dan de grootte van het voorschot
betreffende, niet langer heeft gehandhaafd. Aldus is in dit hoger beroep nog
slechts in geding of O. terecht aanspraak maakt op een hoger bedrag.

4.4. In dit hoger beroep is O. er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat
in een bodemprocedure een bedrag van ƒ 5.000 zal worden toegewezen en dat
daarop thans reeds in die mate vooruit dient te worden gelopen. Ter
onderbouwing van haar standpunt heeft O. slechts aangevoerd dat ‘in vrijwel
alle zaken in kort geding waarbij een voorschot op de immateriële schade op
grond van seksueel geweld wordt gevorderd, een bedrag van ƒ 5.000
wordt toegekend’. De hierin besloten stelling wordt door het hof als
ongegrond verworpen.
Er bestaat geen algemene norm op grond waarvan in kort geding een voorschot
op immateriële schade terzake van seksueel geweld of vergelijkbaar
onrechtmatig handelen pleegt te worden toegewezen. De omvang van de schade in
het algemeen en die van een voorschot daarop in kort geding in het bijzonder
is afhankelijk van tal van factoren. Daarop heeft de president, beslissende
in dit kort geding tot betaling van een geldvordering, kennelijk gedoeld toen
zij overwoog dat een bedrag van ƒ 2.000 redelijk is, gelet op alle
omstandigheden van het geval. Het hof kan zich met die overweging verenigen
en maakt deze tot de zijne.

4.5. Uit het voren overwogene vloeit voort dat de grief tevergeefs is
voorgedragen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. O. zal als de
in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger
beroep.

5. de beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt O. in de kosten van dit hoger beroep, tot op deze uitspraak aan
de zijde van T. begroot op ƒ 1.820, op de voet van artikel 57b Rv te betalen
aan de griffier van dit hof;
verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij
voorraad.

Rechters

Mrs Kop, Visser, Doeleman

Instantie: Rechtbank Maastricht, 30 oktober 1997

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


De moeder stelt een vaderschapsactie in. Er wordt een bloedonderzoek bevolen
maar de man weigert bij de bloedbank te verschijnen. De rechtbank is van
oordeel dat, nu de man na betwisting door de vrouw van zijn stelling, dat
zij in het verleden met andere mannen intieme relaties heeft gehad, niet
langer heeft gepersisteerd bij zijn in verband hiermee gedane bewijsaanbod,
het vermoeden gerechtvaardigd is dat de man de vader van het kind is.

Volledige tekst

Verder verloop van de procedure

Bij voormeld vonnis werd een deskundigenonderzoek naar het bloed van de
man, de vrouw en de minderjarige X bevolen, ter beantwoording van de vraag
of de man de biologische vader is, respectievelijk kan zijn van dit kind.

Tevens werd bij dit vonnis tot deskundige benoemd het hoofd van de afdeling
Bloedgroepengenetica van het Centraal Laboratorium van de Bloedtransfusiedienst
van het Nederlandse Rode Kruis mevrouw dr. G de L of haar plaatsvervanger.

In opdracht van mevrouw dr De L is de Rechtbank bij schrijven van 2 april
1997 medegedeeld dat op 14 november 1996 bloed is afgenomen van de vrouw
en X en dat de man een aantal malen via zijn procureur is opgeroepen eveneens
bloed te laten afnemen door genoemd laboratorium, doch dat hij op de afgesproken
tijdstippen niet is verschenen.
Mevrouw dr. De L heeft bij schrijven van 14 april 1997 haar opdracht aan
deze Rechtbank teruggegeven omdat zij door de weigerachtige houding van
de man deze opdracht niet kan uitvoeren.

De vrouw heeft op 26 juni 1997 nog een akte genomen.

De vrouw heeft vervolgens andermaal de stukken doen overleggen voor het
verkrijgen van vonnis, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

Verdere beoordeling:

De Rechtbank verwijst naar hetgeen in voormeld interlocutoir vonnis is
overwogen en beslist.
De Rechtbank gaat er van uit -gelet op de ten processe overgelegde akte
van geboorte van de minderjarige- dat deze niet door iemand is erkend.

Partijen zijn verdeeld gebleven over de vraag of de man wel of niet de
biologische vader van X is. Zij hebben vervolgens hun medewerking toegezegd
aan een bloedonderzoek mede te werken.

Uit het voormeld schrijven d.d. 2 april 1997 van mevrouw dr. De L van het
Centraal Laboratorium van de bloedtransfusiedienst van het Nederlandse
Rode Kruis aan deze rechtbank blijkt dat de man, na herhaalde oproepen,
niet is verschenen om in verband met het bevolen deskundigenonderzoek bloed
te laten afnemen. Mevrouw dr. De L heeft vervolgens, in verband met de
weigerachtige houding van de man, bij schrijven van 14 april 1997 haar
opdracht aan de Rechtbank teruggegeven.

De Rechtbank is van oordeel dat, nu de man niet heeft meegewerkt aan het
bij interlocutoir vonnis van deze Rechtbank van 11 mei 1995 bevolen bloedonderzoek,
en hij, na betwisting door de vrouw van zijn stelling dat zij in het verleden
met andere mannen dan de man intieme relaties heeft gehad, niet langer
heeft gepersisteerd bij zijn in verband hiermee gedane bewijsaanbod, het
vermoeden gerechtvaardigd is dat de man de vader van X is.

De Rechtbank is voorts van oordeel dat, voordat zij kan bepalen of en zo
ja welk bedrag de man voor de minderjarige X kan betalen, de man in de
gelegenheid dient te worden gesteld financiële bescheiden met betrekking
tot zijn inkomen en lasten over de jaren 1992 tot en met 1997 aan de Rechtbank
te doen toekomen, een en ander op de wijze zoals hierna nader wordt bepaald.

Uitspraak:

Bepaalt dat de man binnen 4 weken na de datum van dit vonnis financiële
bescheiden, te weten de aanslagen Inkomstenbelasting en Premieheffing over
de jaren 1992 tot en met 1996, en voorts wat betreft 1997 de salarisstroken
dan wel uitkeringsafschriften over de maanden januari tot en met oktober
evenals bescheiden omtrent zijn eventuele lasten aan de Rechtbank zal doen
toekomen.

Verwijst de zaak daartoe naar de rol van 27 november 1997.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr Ballieux

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 30 oktober 1997

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Appellant is van mening dat in de pensioenberekening ongeoorloofd onderscheid
wordt gemaakt tussen in voltijd werkenden en in deeltijd werkenden en dat
daardoor indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt dat strijdig
is met
artikel 119 EG-verdrag. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat van
dergelijke discriminatie geen sprake is. Daartoe overweegt de Raad dat
appellant geen echte deeltijdwerker is. Bovendien voegt de Raad hier aan
toe
dat hij overigens in de bepalingen die de pensioenberekening betreffen
geen
discriminatie heeft kunnen ontwaren.

Volledige tekst

Rechters

Mrs Treffers, Stevens, Geerling-Brouwer

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft de Turkse nationaliteit en is sedert 23 oktober 1987 werkzaam
bij een bedrijf. Verzoeker stelt dat hij door dit bedrijf onheus bejegend
is
op grond van ras. Ook wordt hij ongelijk beloond ten opzichte van een
autochtone collega die arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde verricht. De
Commissie concludeert naar aanleiding van een door de Arbeidsinspectie
verricht loononderzoek dat het bedrijf de beloningsmaatstaven dienstjaren
en
leeftijd niet gelijk heeft toegepast. Op grond daarvan concludeert de
Commissie dat jegens verzoeker onderscheid op grond van ras is gemaakt
bij de
arbeidsvoorwaarden. De Commissie oordeelt daarnaast dat niet aannemelijk
is
geworden dat het bedrijf verzoeker discriminatoir bejegend heeft. De
Commissie beveelt het bedrijf aan in haar gehele onderneming een deugdelijk
functiewaarderingssysteem in te voeren, ter voorkoming van verboden
onderscheid.

Volledige tekst


Verzoeker, de wederpartij en de maatmannen zijn akkoord gegaan met de
opgestelde functie-beschrijvingen die de feitelijk opgedragen werkzaamheden
weergeven, zij het dat verzoeker en de wederpartij verschillen in opvatting
over een bepaald aspect van de werkzaamheden die verzoeker feitelijk
verricht. De Commissie heeft derhalve ten aanzien van verzoeker beide
functiebeschrijvingen, aangeduid als verzoeker-1 en verzoeker-2, in het
onderzoek betrokken. De resultaten van het door de Arbeidsinspectie verrichte
loononderzoek zullen voor de Commissie de basis vormen van het te geven
oordeel.

4.5. Met betrekking tot de vraag of er sprake is van arbeid van (nagenoeg)
gelijke waarde, overweegt de Commissie als volgt.
Uit de waarderingsresultaten (zie 3.8.) blijkt het volgende.
De onderhavige functies van dit onderzoek zijn in grote mate gelijksoortig.
Het betreft technisch uitvoerende functies. Hoewel de waarderingen per
gezichtspunt onderling verschillen, wordt de totale puntenopbouw (ook wel
`het functieprofiel’ genoemd) niet of nauwelijks aangetast. De verschillen
worden veroorzaakt door detailwaarderingen voor taakelementen die per functie
verschillen. De waarderingsverschillen worden dan ook niet primair
veroorzaakt door een verschil in functiesoort, maar meer door verschillen
op
het niveau van de gezichtspunten.

Vergelijking van de resultaten
Uit de functiewaarderingsresultaten is gebleken dat de functies als volgt
worden gewaardeerd:

functie verzoeker-1 77 punt
functie verzoeker-2 74 punt
functie maatman-1 101 punt
functie maatman-2 65 punt

In de CAO zijn twee verschillende salarisstructuren ontwikkeld. Ingevolge
de
CAO-structuur gelden voor de uitvoerende functies als de onderhavige vijf
CAO-loongroepen (zie 3.9.).

Op basis van de waarderingsresultaten behoren de functies van verzoeker-2
en
maatman-2 in loongroep B ingedeeld te worden.
De functie van verzoeker-1 behoort in loongroep C ingedeeld te worden en
die
van maatman-1 in loongroep D. Hiermee ligt tevens vast dat de functies
van
verzoeker-2 en maatman-2 van gelijke waarde zijn, daar functies binnen
dezelfde loongroep worden geacht gelijkwaardig aan elkaar te zijn. De functie
van verzoeker-1 is echter van hogere waarde dan de functie van maatman-2
en
van lagere waarde dan de functie van maatman-1.

4.6. Ingevolge een arrest van het EG-Hof (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Murphy e.a. versus An bord Telecom Eirean, 4 februari 1988,
zaak 157/86, Jur. 1988,673, pagina 626.) heeft een werknemer die arbeid
verricht van hogere waarde dan de arbeid van de maatman recht op een
tenminste gelijk loon als dat van de maatman. Dit houdt naar het oordeel
van
de Commissie in dat verzoeker in de functie van verzoeker-2 in beginsel
recht
heeft op tenminste een gelijk loon als maatman-2. Verzoeker heeft in de
functie aangeduid als verzoeker-1 in beginsel recht op een exact gelijke
of
hogere beloning dan maatman-2 en een lagere beloning dan maatman-1. Of
verzoeker recht heeft op een exact gelijke dan wel hogere beloning dan
maatman-2 hangt echter ook af van de toegepaste beloningsmaatstaven.

Voor dit onderzoek is de indeling in de CAO-loongroepen noodzakelijk om
te
bepalen of de functies van gelijke waarde zijn. De wederpartij beloont
het
personeel echter niet volgens de CAO-loongroepen. Derhalve dienen, om te
bepalen in hoeverre verzoeker gelijk beloond wordt als de maatmannen (dat
wil
zeggen op grond van gelijkwaardige maatstaven), de beloningsmaatstaven
en de
feitelijke lonen bij de wederpartij geanalyseerd te worden.

4.7. Vergelijking van de toepassing van de beloningsmaatstaven

De wederpartij heeft aangegeven (bijlagen A-2 en A-10 (De bijlagen waarnaar
in deze paragraaf wordt verwezen, zijn de bijlagen bij het onderzoeksrapport
van de Arbeidsinspectie.)) dat hoewel er aanvankelijk nauwelijks
beloningsmaatstaven bestonden (men werkte op handslag), momenteel wel
rekening wordt gehouden met een aantal factoren. Deze factoren zijn, naast
algemene loonronden, opleiding, kennis, inzet, prestatie, flexibiliteit,
anciënniteit c.q. dienstjaren en leeftijd.

Opleiding en kennis
De wederpartij heeft aangegeven (bijlage A-2) dat voor de onderhavige
functies geen goede opleidingen bestaan. Men wordt op de werkplek geschoold.
Voor de betrokken medewerkers is dit niet van invloed geweest bij de
vaststelling van het aanvangssalaris, daar zij destijds op het niveau van
het
wettelijk minimumjeugdloon zijn aangesteld.

Inzet, prestatie en flexibiliteit
Over dit onderwerp hebben zowel de wederpartij als verzoeker tijdens het
onderzoek ter plaatse het nodige gezegd (zie bijlagen A-1 en A-2). De
wederpartij zegt regelmatig functioneringsgesprekken te houden, waarvan
geen
schriftelijk verslag wordt gemaakt. Verzoeker had aanvankelijk problemen
met
zijn overplaatsing van de expeditie naar de produktie, maar functioneerde
in
1995 goed. Hierdoor kon hem ook een salarisverbetering worden toegezegd.
Verzoeker stelt dat met hem slechts eenmaal een functioneringsgesprek is
gehouden, waarin is aangegeven dat hij goed functioneerde. Tijdens dit
functioneringsgesprek is een salarisverbetering aangeboden van ƒ 190,00
per
maand.
Uit de gesprekken is niet gebleken dat deze factoren bij de maatmannen
en
verzoeker op verschillende wijze van invloed zijn geweest op de hoogte
van
het salaris.

Dienstjaren en leeftijd
Aangezien bovengenoemde factoren bij verzoeker en de maatmannen de hoogte
van
de salarissen niet wezenlijk verschillend hebben beïnvloed, blijken vooral
de
leeftijd en dienstjaren een belangrijke rol gespeeld te hebben. Bij de
vergelijking van deze beloningsmaatstaven valt op dat de eerste jaren van
het
dienstverband steeds aansluiting is gezocht bij het wettelijk
minimum(jeugd)loon (beloningsmaatstaf leeftijd). Daarna vindt een doorgroei
plaats naar het maximum van het functieloon (beloningsmaatstaf dienstjaren).
Hierbij zijn enkele verschillen te constateren tussen de maatmannen en
verzoeker. Om hier een goed inzicht in te geven is in de volgende grafiek
een
schematische weergave van de loonontwikkeling opgenomen.

In bovenstaande grafiek kunnen de salarissen over verschillende kalenderjaren
met elkaar vergeleken worden, daar de salarisverschillen steeds tegen een
constante factor (het wettelijk minimumloon) zijn afgezet. De jeugdlonen
van
de betrokkenen zijn hierbij omgerekend naar het volwassen wettelijk
minimumloon.
Uit de grafiek is af te lezen dat verzoeker de eerste dienstjaren relatief
beter beloond werd dan maatman-1 (over maatman-2 zijn geen salarisgegevens
bekend gedurende zijn eerste dienstjaren bij de wederpartij). Dit is met
name
toe te schrijven aan de functie die hij op dat moment vervulde, waarin
hij
veel overuren maakte. Na de overgang naar de huidige functie groeit het
verschil tussen verzoeker en maatman-1 echter in het nadeel van verzoeker.
Na
het 5e jaar zit verzoeker op het niveau van het wettelijk minimumloon,
terwijl maatman-1 dan circa 40% boven het wettelijk minimumloon verdient.
Ten opzichte van maatman-2 geldt dat het salarisverschil eerst na het zesde
jaar toeneemt. Dit is toe te schrijven aan het feit dat de wederpartij
maatman-2 bij het bereiken van de vakvolwassen leeftijd aanvankelijk bleef
belonen op het niveau van een 22-jarige. Eerst in zijn zevende dienstjaar
vond een aanpassing plaats en ging het salarisverschil tussen hem en
verzoeker groeien. In het negende jaar is dit salarisverschil ook tot circa
40% boven het wettelijk minimumloon toegenomen.

Uit voorgaande toelichting op de salarisverschillen blijkt dat ook de
leeftijd van betrokkenen een rol speelt om de salaris-verschillen in het
juiste perspectief te kunnen beschouwen. Hiertoe zijn de salarisverschillen
per leeftijdsjaar in de volgende grafiek nogmaals weergegeven, maar dan
vanaf
het moment dat de betrokkenen allen de voor het minimumloon vakvolwassen
leeftijd hebben bereikt. Ook in deze grafiek geldt dat de salarissen over
verschillende kalenderjaren met elkaar vergeleken kunnen worden, daar het
wettelijk minimumloon als constante factor is aangehouden.

Uit deze grafiek blijkt dat de betrokkenen bij de wederpartij op het moment
dat zij 23 jaar zijn op het niveau van het wettelijk minimumloon zitten.
Voor
maatman-2 geldt hierop een uitzondering, daar zijn salaris te laat is
aangepast. Na het 23-ste jaar groeien de twee maatmannen naar een
salarisniveau dat circa 40% boven het wettelijk minimumloon ligt, terwijl
verzoekers salaris constant op het niveau van het wettelijk minimumloon
gehandhaafd blijft.

Tenslotte is onderzocht hoe verzoekers salaris zich verhoudt ten opzichte
van
dat van de maatmannen, indien de dienstjaren in de huidige functie van
verzoeker worden meegewogen. Deze gegevens zijn in de volgende grafiek
opgenomen.

Een vergelijking met maatman-2 is moeilijk te maken, daar zijn salaris
in
deze periode niet bekend is. Ten opzichte van maatman-1 blijkt het verschil
na twee dienstjaren in de functie te gaan groeien en bereikt in het vijfde
jaar een verschil van 40% ten opzichte van het wettelijk minimumloon.

4.9. De vergelijking tussen verzoeker en de maatmannen leert het volgende.

Verzoeker ten opzichte van maatman-1:
Bij aanvang van de vergelijkingsperiode ontvangt verzoeker een salaris
van ƒ
1791,03 en maatman-1 een salaris van ƒ 3248,00. Aan het eind van de
onderzoeksperiode zijn de salarisbedragen respectievelijk ƒ 2217,83 en
ƒ
3550,00.
Ten aanzien van de bepalende beloningsmaatstaven (leeftijd en diensttijd)
zijn de verschillen tussen verzoeker en maatman-1 aan het eind van de
onderzoeksperiode:
– Verschil in functieniveau (volgens de functiewaarderingsresultaten krijgt
verzoekers functie 74 respectievelijk 77 USB-punten en de functie van
maatman-1 101 USB-punten)
– Verschil in leeftijd; verzoeker 28 jaar en maatman-1 33 jaar
– Verschil in dienstjaren; verzoeker 9 dienstjaren en maatman-1 12
dienstjaren
– Verschil in dienstjaren in de functie; verzoeker 6 dienstjaren en maatman-1
1 dienstjaar in zijn huidige functie en 12 dienstjaren, indien de voorgaande
functie hier ook bij betrokken wordt.
Maatman-1 bereikt het functieloon (circa 40% boven het wettelijk
minimumloon) op 26-jarige leeftijd, met 5 dienstjaren bij de wederpartij
en
in de functie.
Voor verzoeker geldt dat hij op 28-jarige leeftijd en met 9 dienstjaren
bij
de wederpartij, waarvan 6 jaren in de huidige functie nog op het niveau
van
het wettelijk minimumloon zit.

Opgemerkt wordt dat de functie van maatman-1 gedurende de eerste negen
jaren
waarschijnlijk gelijk is geweest aan de functie die verzoeker momenteel
vervult. Dit is niet nader onderzocht in de zin van een inventarisatie
van
preciese werkzaamheden, en dergelijke. Niettemin zijn in het
onderzoeksrapport alle benodigde gegevens aan te treffen, die een
verantwoorde vergelijking mogelijk maken.

Het EG-Hof heeft vastgesteld dat het beginsel van gelijke beloning niet
enkel
geldt in de situatie waarin de te vergelijken werknemers tegelijkertijd
arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde voor eenzelfde werkgever verrichten.

Een werknemer kan voor de vergelijking van de arbeid onder omstandigheden
bijvoorbeeld ook een voorganger aanwijzen (Hof van Justitie Europese
Gemeenschappen, Marcarthys Ltd./Smith, 27 maart 1980, zaak 129/79, jur.
1980,
p. 1275 e.v.). Dit betekent dat voor de beoordeling van de gelijke beloning
van verzoeker ook met de vorige functie van maatman-1 mag worden vergeleken.
Deze functies kunnen dan als gelijkwaardig worden beschouwd. Derhalve is
verzoeker ten opzichte van maatman-1 (in diens vorige functie) ongelijk
beloond.

Verzoeker ten opzichte van maatman-2:
Bij aanvang van de vergelijkingsperiode ontvangt verzoeker een salaris
van ƒ
1791,03. Het salaris van maatman-2 op dat moment is onbekend. Aan het eind
van de onderzoeksperiode ontvangt verzoeker een salaris van ƒ 2217,83 en
maatman-2 een salaris van ƒ 3090,27.
Ten aanzien van de bepalende beloningsmaatstaven (leeftijd en diensttijd)
zijn de verschillen tussen verzoeker en maatman-2 aan het eind van de
onderzoeksperiode:
– Verschil in leeftijd; verzoeker 28 jaar en maatman-2 35 jaar
– Verschil in dienstjaren; verzoeker 9 dienstjaren en maatman-2 18
dienstjaren
– Verschil in dienstjaren in de functie; verzoeker 6 dienstjaren en maatman-2
18 dienstjaren
Maatman-2 bereikt het functieloon op 26-jarige leeftijd, met 9 dienstjaren
bij de wederpartij en in de functie (dit was 3 dienstjaren na het bereiken
van de voor het wettelijk minimumloon vakvolwassen leeftijd).
De functie van maatman-2 is van nagenoeg gelijke waarde als de functie
van
verzoeker of lichter.
Voor verzoeker geldt dat hij op 28-jarige leeftijd en met 9 dienstjaren
bij
de wederpartij, waarvan 6 jaren in de huidige functie nog op het niveau
van
het wettelijk minimumloon zit.
Derhalve is verzoeker ten opzichte van maatman-2 ongelijk beloond.

4.10. De Commissie concludeert op bovenstaande gronden dat de wederpartij
de
beloningsmaatstaven dienstjaren en leeftijd niet gelijk heeft toegepast
tussen verzoeker en de maatmannen.
Derhalve concludeert de Commissie dat de wederpartij, verzoeker ten opzichte
van de maatmannen niet gelijk heeft beloond als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling en de wederpartij jegens verzoeker derhalve onderscheid
op grond van ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden.

4.11. Het onderzoek naar de beloning van de andere Turkse werknemers is
niet
in volle omvang uitgevoerd. De verklaring van de wederpartij dat de lagere
beloning van enige Turkse werknemers voortvloeit uit het feit dat zij op
een
andere afdeling werkzaam zijn, is geen afdoende verklaring, omdat door
middel
van functiewaardering het niveau van functies wordt onderzocht. De afdeling
waar de functies uitgeoefend worden heeft hierop geen invloed. Hoewel vanwege
het beperkte onderzoek ten aanzien van bedoelde werknemers thans niet
geconcludeerd kan worden dat er sprake is van verboden onderscheid, is
er wel
aanleiding ook ten aanzien van deze werknemers na te gaan of de beloning
in
overeenstemming is met de wetgeving gelijke behandeling.

4.12. Verzoeker heeft zich niet alleen beklaagd over ongelijke beloning,
maar
ook over een onheuse discriminatoire bejegening door de wederpartij. Dit
wordt door de wederpartij ten stelligste ontkend. Uit de verklaringen van
partijen en uit het onderzoek ter zitting blijkt dat beide partijen verwijzen
naar dezelfde incidenten die zich tussen hen hebben voorgedaan. De
verklaringen van verzoeker en de wederpartij spreken elkaar echter tegen.
Wel
is duidelijk geworden, met name ten aanzien van de verzoeken om
loonsverhoging, dat er kennelijk gebreken waren in de communicatieve sfeer,
waar verzoeker zich ernstig door gegriefd voelt. De Commissie is echter
van
oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker door de wederpartij
discriminatoir is bejegend.

4.13. Aanbeveling van de Commissie

Het geheel in beschouwing nemend constateert de Commissie dat de wijze
waarop
de wederpartij de beloning van haar werknemers vaststelt niet doorzichtig
is.
Het beloningssysteem is daardoor niet inzichtelijk en niet controleerbaar.
Dit brengt het risico met zich mee dat er onderscheid tussen personen op
grond van ras wordt gemaakt. De Commissie beveelt de wederpartij derhalve
aan, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.11. is overwogen, in haar gehele
onderneming een deugdelijk functiewaarderingssysteem in te voeren, zulks
ter
voorkoming van verboden onderscheid. Voorts beveelt zij de wederpartij
aan
zonodig de salarissen van alle betreffende werknemers in overeenstemming
te
brengen met de voorschriften voortvloeiende uit de wetgeving gelijke
behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat H. Geerdink Bouwspecialiteiten
B.V. te Beekbergen, jegens de heer M. A., te Apeldoorn onderscheid op grond
van ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel
5
lid 1 sub d van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y.Gonçalves – Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. A.W.Heringa (lid Kamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)