Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 30 oktober 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De dochter van appellante is seksueel misbruikt door de
(toenmalige)partner van appellante. Appellante vordert namens
haar dochter ƒ 5000 als voorschot op immateriële
schadevergoeding. De president van de rechtbank wijst ƒ 2000 toe.
In beroep wordt dit vonnis bekrachtigd. Er is geen algemene norm
op grond waarvan een voorschot van ƒ 5000
toegekend zou moeten worden, aldus het hof. Appellante heeft niet
aannemelijk gemaakt dat er in de bodemprocedure een bedrag van
minimaal ƒ 5000 zal worden toegekend.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, O., is bij exploot van 24 december 1996 in hoger
beroep gekomen van een op 12 december 1996 uitgesproken vonnis in
kort geding van de president van de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam onder rolnummer KG 96/3177 TG gewezen tussen O. als
eiseres en geïntimeerde, T., als gedaagde.

1.2. Bij memorie van grieven heeft O. één grief tegen het
beroepen vonnis aangevoerd en geconcludeerd, zakelijk, dat het
hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover de
vordering in eerste aanleg niet volledig werd toegewezen en,
opnieuw rechtdoende, bij arrest de oorspronkelijke vordering
alsnog volledig zal toewijzen met veroordeling van T. in de
kosten van het geding in beide instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft T. de grief bestreden en
geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met
veroordeling van O. in de kosten van, naar het hof begrijpt, het
geding in hoger beroep.

1.4. Ten slotte hebben partijen de stukken van beide instanties
aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van
deze stukken geldt als hier ingevoegd.

2. De grief

Voor de inhoud van de grief verwijst het hof naar de memorie van
grieven.

3. De vaststaande feiten
In rechtsoverweging 1 van haar vonnis heeft de president onder de
letters a
t/m g een aantal feiten als ten processe vaststaand opgesomd.

Tegen deze opsomming zijn geen grieven gericht, zodat ook het

hof van die feiten uitgaat.

4. De beoordeling van het hoger beroep 4.1. In

dit kort geding gaat het om het volgende.

a. D. W. O., D., is geboren op 8 september 1981. Zij is de
dochter van O.. b. O. en T. hebben een relatie gehad. T.
kent D. vanaf haar peuterleeftijd. c. Op 29 oktober 1995
heeft D. aangifte gedaan bij de Jeugd- en Zedenpolitie te
Amsterdam tegen T., wegens door hem jegens haar gepleegde
ontucht in de
zomer van 1992 (ongeveer vier maal) en de zomer van 1993
(een onbekend aantal malen).

d. T. heeft tijdens een verhoor door de politie op 29
oktober 1995 en door de rechter-commissaris op 31 oktober
1995 bekend ontuchtige handelingen met D. te hebben
gepleegd in die zin dat hij bij haar in bed is gaan liggen,
haar heeft gezoend en onzedelijk heeft betast.

e. In een brief van psychiater J. Somers van 8 oktober 1996
aan de gemachtigde van O. is over D. onder meer geschreven:
“Ik heb de voorlopige diagnose gesteld op PTSS syndroom na
seksueel misbruik onthulling, gevolgd door een tijdelijk
emotioneel onveilige situatie. De vraag of e.e.a. verband
houdt met seksueel misbruik lijkt mij aannemelijk (…)”

f. In een brief van huisarts T.D. Injo van 24 september
1996 aan de gemachtigde van O. is over D. onder meer
geschreven:
“April 1995 zag ik D. met klachten van duizeligheid,
hoofdpijn, pijn op de borst, wegrakingen, tintelingen en
krachteloosheid. (…) Een verband tussen de
eerderbeschreven spanningsuitingen en het seksueel misbruik
dat D. ondergaan heeft, is mijns inziens duidelijk.”

g. O. heeft op 2 december 1995 van de kantonrechter een
machtiging verkregen om voor D. een vordering tot
schadevergoeding tegen T. in te stellen.

h. O. vordert in dit kort geding betaling aan haar door T.
van een bedrag van ƒ 5.000 als voorschot op de door D.
geleden immateriële schade en veroordeling van T. in de
kosten van het geding.

i. De president heeft in het vonnis waarvan beroep een
bedrag van ƒ 2.000 toegewezen met veroordeling van T. in de
kosten van het geding.

4.2. Met de grief bestrijdt O. de beslissing van de
president om niet de gevorderde ƒ 5.000 maar slechts ƒ
2.000 toe te wijzen als voorschot
op immateriële schade. Hieromtrent overweegt het hof het
navolgende.

4.3. T. heeft bij memorie van antwoord aangevoerd dat de
president terecht heeft overwogen dat het verkrijgen van
een voorschot op schadevergoeding voor het
verwerkingsproces van D. een positief effect heeft en
voorts dat de president terecht heeft overwogen dat, gelet
op alle omstandigheden van het geval, een voorschot van ƒ
2.000 redelijk is. Het zojuist weergegeven standpunt van T.
houdt tevens in dat T. in hoger beroep zijn in eerste
instantie gevoerde
verweer, anders dan de grootte van het voorschot
betreffende, niet langer heeft gehandhaafd. Aldus is in dit
hoger beroep nog slechts in geding of O. terecht aanspraak
maakt op een hoger bedrag.

4.4. In dit hoger beroep is O. er niet in geslaagd
aannemelijk te maken dat in een bodemprocedure een bedrag
van ƒ 5.000 zal worden toegewezen en dat daarop thans reeds
in die mate vooruit dient te worden gelopen. Ter
onderbouwing van haar standpunt heeft O. slechts aangevoerd
dat “in vrijwel alle zaken in kort geding waarbij een
voorschot op de immateriële schade op grond van seksueel
geweld wordt gevorderd, een bedrag van ƒ 5. 000 wordt
toegekend”. De hierin besloten stelling wordt door het hof

als ongegrond verworpen. Er bestaat geen algemene norm op

grond waarvan in kort geding een voorschot op immateriële

schade terzake van seksueel geweld of vergelijkbaar

onrechtmatig handelen pleegt te worden toegewezen. De

omvang van de schade in het algemeen en die van een

voorschot daarop in kort geding in het bijzonder is

afhankelijk van tal van factoren. Daarop heeft de

president, beslissende in dit kort geding tot betaling van

een geldvordering, kennelijk gedoeld toen zij overwoog dat

een bedrag van ƒ 2.000 redelijk is, gelet op alle

omstandigheden van het geval. Het hof kan zich met die

overweging verenigen en maakt deze tot de zijne.

4.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de grief

tevergeefs is voorgedragen. Het vonnis waarvan beroep zal

worden bekrachtigd. O. zal als de in het ongelijk gestelde

partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger

beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt O. in de kosten van dit hoger beroep, tot op
deze uitspraak aan de zijde van T. begroot op ƒ 1.820, op
de voet van artikel 57b Rv te betalen aan de griffier van
dit hof;

verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft
uitvoerbaar bij voorraad.
@@~

Rechters

Mrs. Kop, Visser en Doeleman

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 30 oktober 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De man heeft erkend ontucht met de dochter van de vrouw te hebben gepleegd.
In kort geding bij de rechtbank Amsterdam heeft aanvraagster een voorschot
van ƒ 5.000 immateriële schadevergoeding gevorderd. De President heeft ƒ
2.000 toegewezen. Daarmee wijkt de rechtbank zonder nadere motivering af van
hetgeen in Amsterdam gewoonlijk als voorschot wordt toegewezen, nl. ƒ 5.000.
De vrouw gaat hiervan in hoger
beroep en het Hof wijst de vordering om een hogere vergoeding ook af. Het Hof
stelt dat er geen algemene norm is op grond waarvan in kort geding een
voorschot om immateriële
schadevergoeding wordt toegewezen. De omvang van de schade is afhankelijk van
tal van factoren. Volgens het Hof doelde de rechtbank daarop toen zij besloot
dat ƒ 2.000 redelijk was gelet op alle omstandigheden van het geval.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, O., is bij exploot van 24 december 1996 in hoger beroep
gekomen van een op 12 december 1996 uitgesproken vonnis in kort geding van de
president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder rolnummer KG
96/3177 TG gewezen tussen O. als eiseres en geintimeerde, T., als gedaagde.

1. 2. Bij memorie van grieven heeft O. één grief tegen het beroepen vonnis
aangevoerd en geconcludeerd, zakelijk, dat het hof het vonnis waarvan beroep
zal vernietigen voor zover de vordering in eerste aanleg niet volledig werd
toegewezen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest de oorspronkelijke vordering
alsnog volledig zal toewijzen met veroordeling van T. in de kosten van het
geding in beide instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft T. de grief bestreden en geconcludeerd
tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep met veroordeling van O. in de
kosten van, naar het hof begrijpt, het geding in hoger beroep.

1.4. Ten slotte hebben partijen de stukken van beide instanties aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van deze stukken geldt als
hier ingevoegd.

2. De grief

Voor de inhoud van de grief verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. De vaststaande feiten

In rechtsoverweging 1 van haar vonnis heeft de presidentde letters a t/m g
een aantal feiten als ten processe vaststaand opgesomd. Tegen deze opsomming
zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

4. De beoordeling van het hoger beroep

4.1. In dit kort geding gaat het om het volgende.

a. D. W. O., Doenja, is geboren op 8 september 1981. Zij is de dochter van O.

b. O. en T. hebben een relatie gehad. T. kent Doenja vanaf haar
peuterleeftijd.

c .Op 29 oktober 1995 heeft Doenja aangifte gedaan bij de Jeugd- en
Zedenpolitie te Amsterdam tegen T., wegens door hem jegens haar gepleegde
ontucht in de zomer van 1992 (ongeveer vier maal) en de zomer van 1993 (een
onbekend aantal malen).

d. T. heeft tijdens een verhoor door de politie op 29 oktober 1995 en door de
rechter-commissaris op 31 oktober 1995 bekend ontuchtige handelingen met
Doenja te hebben gepleegd in die zin dat hij bij haar in bed is gaan liggen,
haar heeft gezoend en onzedelijk heeft betast.

e. In een brief van psychiater J. Somers van 8 oktober 1996 aan de
gemachtigde van O. is over Doenja onder meer geschreven:
“Ik heb de voorlopige diagnose gesteld op PTSS syndroom na seksueel misbruik
onthulling, gevolgd door een tijdelijk emotioneel onveilige situatie. De
vraag of e. e.a. verband houdt met seksueel misbruik lijkt mij aannemelijk
(…)”

f. In een brief van huisarts T.D. Injo van 24 september 1996 aan de
gemachtigde van O. is over Doenja onder meer geschreven:
“April 1995 zag ik Doenja met klachten van duizeligheid, hoofdpijn, pijn op
de borst, wegrakingen, tintelingen en krachteloosheid. (…) Een verband
tussen de eerderbeschreven spanningsuitingen en het seksueel misbruik dat
Doenja ondergaan heeft, is mijns inziens duidelijk.”

g. O. heeft op 2 december 1995 van de kantonrechter een machtiging verkregen
om voor Doenja een vordering tot schadevergoeding tegen T. in te stellen.

h. O. vordert in dit kort geding betaling aan haar door T. van een bedrag –
van ƒ 5.000, = als voorschot op de door Doenja geleden immateriële schade en
veroordeling van T. in de kosten van het geding.

i. De president heeft in het vonnis waarvan beroep een bedrag van ƒ 2.000
toegewezen met veroordeling van T. in de kosten van het geding.

4.2. Met de grief bestrijdt O. de beslissing van de president om niet de
gevorderde
ƒ 5.000, = maar slechts ƒ 2. 000 toe te wijzen als voorschot op immateriële
schade. Hieromtrent overweegt het hof het navolgende.

4.3. T. heeft bij memorie van antwoord aangevoerd dat de president terecht
heeft overwogen dat het verkrijgen van een voorschot op schadevergoeding voor
het verwerkingsproces van Doenja een positief effect heeft en voorts dat de
president terecht heeft overwogen dat, gelet op alle omstandigheden van het
geval, een voorschot van
ƒ 2.000 redelijk is. Het zojuist weergegeven standpunt van T. houdt tevens in
dat T. in hoger beroep zijn in eerste instantie gevoerde verweer, anders dan
de grootte van het voorschot betreffende, niet langer heeft gehandhaafd.
Aldus is in dit hoger beroep nog slechts in geding of O. terecht aanspraak
maakt op een hoger bedrag.

4.4. In dit hoger beroep is O. er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat
in een bodemprocedure een bedrag van ƒ 5.000 zal worden toegewezen en dat
daarop thans reeds in die mate vooruit dient te worden gelopen. Ter
onderbouwing van haar standpunt heeft O. slechts aangevoerd dat “in vrijwel
alle zaken in kort geding waarbij een voorschot op de immateriële schade op
grond van seksueel geweld wordt gevorderd, een bedrag van
ƒ 5. 000, = wordt toegekend”. De hierin besloten stelling wordt door het hof
als ongegrond verworpen. Er bestaat geen algemene norm op grond waarvan in
kort geding een voorschot op immateriële schade terzake van seksueel geweld
of vergelijkbaar onrechtmatig handelen pleegt te worden toegewezen. De omvang
van de schade in het algemeen en die van een voorschot daarop in kort geding
in het bijzonder is afhankelijk van tal van factoren. Daarop heeft de
president, beslissende in dit kort geding tot betaling van een geldvordering,
kennelijk gedoeld toen zij overwoog dat een bedrag van ƒ 2.000 redelijk is,
gelet op alle omstandigheden van het geval. Het hof kan zich met die
overweging verenigen en maakt deze tot de zijne.

4.5. Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de grief tevergeefs is
voorgedragen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. O. zal als de
in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger
beroep.

5. de beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt O. in de kosten van dit hoger beroep, tot op deze uitspraak aan
de zijde van T. begroot op ƒ 1.820, op de voet van artikel 57b Rv te betalen
aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij
voorraad.

Rechters

Mrs. Kop, Visser en Doeleman

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker, van Iraanse afkomst, heeft gesolliciteerd naar de functie van
stukadoor. Hij heeft drie dagen op proef gewerkt. Daarna is hem meegedeeld
dat hij niet in dienst werd genomen. Verzoeker heeft geen loon ontvangen
voor
het werk dat hij heeft verricht.
Voor de functie geldt als functie-eis vijf jaar Nederlandse
stukadoorservaring. De Commissie oordeelt dat hanteren van deze functie-eis
tot onevenredige benadeling van personen van niet-Nederlandse nationaliteit
leidt. Het afnemen van een praktijktoets is op zich een geschikt middel
om te
beoordelen of een kandidaat voor het werk geschikt is. Het is echter niet
noodzakelijk de kosten van deze toets door de sollicitant te laten betalen.
In sollicitatieprocedures is het gebruikelijk dat daarmee verband houdende
kosten door de werkgever worden voldaan. Nu het bedrijf de kosten van de
praktijktests niet voor haar rekening neemt, is er geen objectieve
rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. Strijd met de wet.
De Commissie beveelt aan dat het bedrijf de kosten voor de praktijktoets
voor
haar rekening neemt. Ook beveelt zij het bedrijf aan, te voren duidelijk
aan
te geven aan welke criteria een goede stukadoor in Nederland behoort te
voldoen. Een (ongewild) onderscheid naar ras of nationaliteit is hiermee
te
voorkomen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 januari 1997 verzocht de heer R.M.D. A. te Dordrecht
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of De
Bruyn
Intergips afbouw BV te Dordrecht (hierna: de
wederpartij) jegens hem onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van
stukadoor. Hij heeft drie dagen bij de wederpartij op proef gewerkt. Daarna
is hem meegedeeld dat hij niet in dienst werd genomen. Verzoeker heeft
geen
loon ontvangen voor het werk dat hij heeft verricht. Verzoeker is van mening
dat de wederpartij jegens hem in strijd heeft gehandeld met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op
2 september 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoeker
– dhr. R.M.D. A. (verzoeker)
– mw. A. (echtgenote verzoeker)
– dhr. P. van Gulik (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. L. de Bruyn (algemeen directeur)
– dhr. J. van Rekum (getuige, uitvoerder)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een stukadoorsbedrijf. Zij heeft circa 100 werknemers
in dienst waarvan zeven van allochtone afkomst. Het bedrijf werkt met
onderaannemers. Er wordt in groepen gewerkt verspreid over 40 tot 50
bouwlocaties.

3.2. Verzoeker is van Iraanse afkomst en heeft de vluchtelingenstatus.
Hij
woont inmiddels twee en half jaar in Nederland. Verzoeker heeft in augustus
1996 naar aanleiding van een vacature bij het arbeidsbureau bij de
wederpartij gesolliciteerd naar de functie van stukadoor. Er volgde een
sollicitatiegesprek met de uitvoerder van de wederpartij, in aanwezigheid
van
verzoekers echtgenote. Afgesproken werd dat verzoeker een aantal proefdagen
zou komen werken. Verzoeker heeft drie dagen bij de wederpartij gewerkt,
namelijk op 26, 27 en 28 augustus 1996. Na de derde dag kreeg hij te horen
dat hij niet kon blijven werken. Verzoeker heeft voor zijn werkzaamheden
geen
beloning ontvangen.

3.3. Ten aanzien van de selectie van nieuwe werknemers volgt de
wederpartij de volgende procedure.
Bij twijfel aan adequate werkervaring van sollicitanten laat de wederpartij
de sollicitanten twee of drie dagen in haar bedrijf op proef werken. Deze
praktijktoets wordt niet gedaan als een sollicitant aantoonbare ervaring
heeft bij een Nederlands stukadoorsbedrijf waarvan referenties kunnen worden
nagetrokken. Sollicitanten die ervaring in het buitenland hebben opgedaan
dienen in ieder geval de toets te doen, omdat referenties van deze groep
praktisch niet nagetrokken kunnen worden.
Op grond van de kwantiteit en kwaliteit van de door de sollicitant geleverde
productie, besluit de wederpartij de betreffende sollicitant al dan niet
in
dienst te nemen. Degenen die in dienst genomen worden, krijgen voor de
werkzaamheden die in de proeftijd zijn verricht loon uit betaald. Wie
afgewezen wordt ontvangt geen loon.

3.4. Na de afwijzing van verzoeker heeft zijn contactpersoon bij de Stichting
Vluchtelingenwerk Dordrecht zich op 26 september 1996 tot de wederpartij
gewend. Vervolgens heeft verzoeker zich gewend tot de Anti Discriminatie
Raad
Dordrecht (hierna: ADRD). Deze heeft de wederpartij bij brief van 20 november
1996 om opheldering gevraagd. Bij brief van 10 december 1996 reageerde
de
wederpartij op de brief van de ADRD. Zij stelde dat verzoekers prestatie
gedurende de proefdagen niet voldeed en derhalve deze proefperiode beëindigd
was. Vervolgens heeft de ADRD op 15 januari 1997 namens verzoeker een klacht
bij de Commissie ingediend.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.
Tijdens het sollicitatiegesprek is afgesproken dat verzoeker drie dagen
op
proef zou komen werken, waarvoor hij betaald zou worden. Vervolgens werkte
verzoeker drie dagen. Na twee werkdagen sprak de wederpartij zich positief
uit over het geleverde werk. Daarom mocht hij de volgende dag terug komen.
Aan het einde van de derde proefdag werd verzoeker meegedeeld dat hij niet
meer terug hoefde te komen. De uitvoerder wilde hierover geen uitleg geven.
Voor de gewerkte dagen heeft verzoeker geen beloning ontvangen. Verzoeker
ging er van uit dat hij wel voor de gewerkte dagen betaald zou krijgen.
Daarom heeft zijn echtgenote diverse malen telefonisch bij de wederpartij
geïnformeerd waar de uitbetaling bleef. De wederpartij antwoordde telkens:
“morgen”.

De Bouw en Houtbond FNV heeft aan verzoeker laten weten dat het juridisch
gezien niet is toegestaan om iemand voor een proefperiode van drie dagen
kosteloos te laten werken. Gezien de vluchtelingenstatus van verzoeker,
kon
in redelijkheid niet van hem verwacht worden dat hij kennis had van de
van
toepassing zijnde arbeidsrechtelijke bepalingen. De wederpartij heeft van
deze onwetendheid misbruik gemaakt en door hem niet te betalen voor zijn
verrichte arbeid indirect onderscheid op grond van ras gemaakt. Verzoeker
stelt ter zitting dat het hem niet zozeer gaat om de betaling, maar om
het
feit dat de wederpartij hem niet eerlijk heeft verteld dat hij niet betaald
zou worden als hij niet werd aangesteld. Bovendien is verzoeker, hoewel
de
uitvoerder zijn werk als goed beoordeelde, niet in dienst genomen. Hij
voelt
zich hierdoor onheus en ongelijk behandeld.

De echtgenote van verzoeker heeft ter zitting verklaard dat tijdens het
sollicitatie-gesprek afgesproken was dat verzoeker op proef moest werken
maar
wel doorbetaald zou worden. Daarom heeft zij steeds gebeld om te vragen
waar
de betaling bleef. Later is door de uitvoerder gezegd dat er geen noodzaak
was om salaris uit te betalen, omdat verzoeker toch een uitkering had.

3.6. De wederpartij brengt het volgende naar voren.

Aan het arbeidsbureau heeft zij opgegeven dat vijf jaar werkervaring een
vereiste is voor de vervulling van onderhavige functie. Daarbij gaat het
om
werkervaring als stukadoor in Nederland. De (technische) eisen die aan
goed
stukadoorswerk worden gesteld verschillen namelijk per land. Leeftijd acht
de
wederpartij geen geschikt selectiemiddel. Ook diploma’s zijn geen geschikt
selectiecriterium omdat er voor het stukadoorswerk geen specifieke diploma’s
bestaan. De kwaliteit van het werk van sollicitanten kan de wederpartij
slechts in de praktijk beoordelen.

Bij twijfel aan adequate en voldoende werkervaring wordt tegen kandidaten
van
Nederlandse en zeker tegen kandidaten van buitenlandse afkomst gezegd dat
zij
twee dagen op proef dienen te werken. Deze dagen worden niet uitbetaald
als
het werk niet goed is, omdat het dan voor rekening van de wederpartij door
anderen overgedaan moet worden. Per jaar werken vijf tot zeven mensen op
proef, zowel autochtonen als allochtonen. Kandidaten die werkervaring hebben
bij een vergelijkbaar, gerenommeerd Nederlands bedrijf worden zonder deze
proefdagen in dienst genomen. Bij buitenlandse werknemers kunnen referenties
praktisch niet worden nagetrokken.

Toen verzoeker kwam solliciteren, heeft hij zich uitgegeven als een zeer
goede stukadoor. Tijdens het sollicitatiegesprek werd overeengekomen dat
verzoeker twee dagen kosteloos zou meewerken om zijn kunnen te tonen, dit
met
behoud van uitkering. Na afloop van de tweede werkdag werd geconstateerd
dat
zijn werk ver beneden peil was. Wat hij had gemaakt was namelijk slechts
voor
10% redelijk tot goed van kwaliteit. Dit is aan verzoeker verteld. Voorts
werd aan hem meegedeeld dat de wederpartij, vanwege genoemde reden, niet
met
hem verder zou gaan. Vervolgens heeft verzoeker gevraagd nog één dag te
mogen
meedraaien. Hij dacht dat hij dan een betere werkprestatie kon laten zien.
De
wederpartij heeft hiermee ingestemd.
Aan het einde van de derde werkdag bleek er geen verbetering te zijn in
de
kwantiteit en de kwaliteit van verzoekers werk. Dit was voor de wederpartij
aanleiding om de proef met verzoeker te beëindigen.

De wederpartij ontkent ten stelligste dat de uitvoerder het werk van
verzoeker heeft goed bevonden. Als dat het geval was geweest, was verzoeker
wel in dienst genomen. De behoefte aan goede stukadoors overtreft immers
het
aanbod. Gezien dit krappe aanbod maakt het voor de wederpartij niet uit,
uit
welk land sollicitanten afkomstig zijn.

3.7. De getuige van de wederpartij stelt het volgende.
Verzoeker heeft niet goed begrepen dat wie niet na de proefdagen mag blijven,
geen betaling voor de gewerkte dagen krijgt. De getuige vermoedt, achteraf
gezien, dat hij niet duidelijk is geweest over de betaling.
Voordat verzoeker aan het werk ging heeft de getuige hem gewaarschuwd dat
de
normen die de wederpartij aan het geleverde werk stelt, heel hoog zijn.
Vervolgens heeft hij verzoeker gemakkelijk stukadoorswerk gegeven. De tweede
dag van de proefperiode is hij op het werk langs geweest en heeft verzoeker
gezegd dat het werk niet goed was. Verzoeker was van mening dat zijn werk
wel
goed was. Hoewel de getuige verzoeker na twee dagen wilde laten stoppen,
heeft hij op uitdrukkelijk verzoek van verzoeker er in toegestemd, dat
deze
nog één dag op proef kon werken.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 In geding is de vraag of de wederpartij bij de selectie jegens verzoeker
onderscheid op grond van ras en/of nationaliteit heeft gemaakt in strijd
met
de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Artikel 5, lid 1, sub a, AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1
AWGB
onderscheid op ras en/of nationaliteit bij de behandeling bij de vervulling
van een openstaande betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat rechtstreeks verwijst naar één van de in de AWGB genoemde
gronden, zoals ras of nationaliteit.
Indirect onderscheid houdt in onderscheid op grond van andere hoedanigheden
dan ras en/of nationaliteit dat direct onderscheid op deze gronden tot
gevolg
heeft. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid
1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.

Het begrip ras in de AWGB moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Ras omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.)

Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon-
of
verblijfplaats. (Eerste Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 22014, Handelingen
22
februari 1994, pag. 1086).

4.3. De Commissie stelt vast dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst
tot
stand is gekomen. Derhalve is niet aan de orde of de wederpartij bij de
arbeidsvoorwaarden verboden onderscheid heeft gemaakt.
Verzoeker beklaagt zich erover dat de wederpartij hem ten onrechte niet
heeft
aangenomen. Naar zijn mening was immers het werk dat hij in het kader van
de
praktijktoets heeft gedaan goed. Voorts is verzoeker van mening dat de
wederpartij hem onjuist heeft voorgelicht, door hem niet mee te delen dat
hij
niet betaald zou worden voor de werkzaamheden die hij in het kader van
de
toets heeft verricht. De vraag is dus of de wederpartij bij de selectie
direct of indirect onderscheid naar ras of ook naar nationaliteit heeft
gemaakt.

De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

4.4. De wederpartij hanteert bij de selectie van kandidaten als functie-eis
het beschikken over vijf jaar werkervaring.
De wederpartij heeft aangegeven dat stukadoorswerk van land tot land sterk
verschilt. Dit brengt mee dat de sollicitant over Nederlandse
stukadoorservaring moet beschikken.

De Commissie is van oordeel dat niet alleen personen van Nederlandse afkomst
of nationaliteit, maar ook personen van niet- Nederlandse etnische afkomst
of
nationale herkomst aan genoemde functie-eis kunnen voldoen. Door het stellen
van genoemde functie-eis wordt derhalve geen direct onderscheid op grond
van
ras of nationaliteit gemaakt.

4.5. Vervolgens is de vraag aan de orde of hantering van genoemde functie-eis
indirect onderscheid naar ras of ook naar nationaliteit tot gevolg heeft.
Dit
is het geval als door deze functie-eis personen van niet-Nederlandse etnische
of nationale afstamming en/of nationaliteit in onevenredige mate worden
getroffen.

De Commissie acht het aannemelijk dat meer autochtone sollicitanten dan
sollicitanten van niet-Nederlandse afkomst of nationaliteit over vijf jaar
Nederlandse stukadoorservaring beschikken. De wederpartij heeft voorts
aangegeven dat van sollicitanten die in Nederland werkervaring hebben
opgedaan referenties kunnen worden nagetrokken. Indien zij bij een ander
gerenommeerd stukadoorsbedrijf ervaring hebben opgedaan worden zij
onmiddellijk aangenomen. Dit is niet het geval bij sollicitanten die ervaring
in het buitenland hebben opgedaan, omdat referenties praktisch niet
nagetrokken kunnen worden. De Commissie acht het op de hiervoor genoemde
gronden aannemelijk dat door het hanteren van deze functie-eis personen
van
niet-Nederlandse afkomst of nationaliteit onevenredig benadeeld worden
bij de
selectie. De Commissie concludeert derhalve dat door het hanteren van deze
functie-eis indirect onderscheid naar ras of nationaliteit wordt gemaakt.

4.6. Volgens artikel 2 lid 1 AWGB geldt het in de AWGB neergelegde verbod
van
onderscheid niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is. Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat
de
Commissie dat:
– aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is;
– de middelen, die gekozen zijn om het nagestreefde doel te bereiken, dienen
te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de onderneming;
– deze middelen geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
(Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 14, en Hof van Justitie van
de
Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei
1986,
zaak 170/84 en Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co.KG,
13 juli 1989, zaak 171/88.)

Het doel van de wederpartij is om kwalitatief goede werknemers te werven.
Aan
dit doel is iedere discriminatie vreemd en het voldoet aan een werkelijke
behoefte van de onderneming.

De wederpartij wil dit doel bereiken door het hanteren van de functie-eis
van
vijf jaar Nederlandse stukadoorservaring. Indien zulks niet aantoonbaar
is,
wordt als selectiemiddel het onbetaald werken op proef gedurende twee of
drie
dagen gehanteerd.
De vraag die voorligt is of dit middel, namelijk de onbetaalde praktijktoets,
geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken.
De wederpartij heeft aangegeven dat voor het onderhavige beroep diploma’s
geen geschikte selectiemiddelen zijn. Aangezien er geen specifieke diploma’s
bestaan, is de praktijkervaring van belang. De praktijkervaring kan indien
er
geen aantoonbare werkervaring is, slechts door middel van een praktijktoets
worden vastgesteld.
De Commissie acht het onder de gegeven omstandigheden aannemelijk dat het
afnemen van een praktijktoets op zich een geschikt middel is om het beoogde
doel te bereiken. Voor wat betreft de vraag of dit middel ook noodzakelijk
is
overweegt de Commissie het volgende.
De wederpartij betaalt geen loon in geval naar haar oordeel de sollicitant
op
grond van de praktijktoets niet geschikt is voor de functie. In geval de
sollicitant de praktijktoets niet goed uitvoert moet het werk worden
overgedaan. Hierdoor heeft de wederpartij hogere kosten. Dit financieel
argument is naar vaste rechtspraak van de Commissie niet voldoende om de
noodzaak van het gehanteerde middel te rechtvaardigen (Zie oordelen Commissie
gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid 12 januari 1994, 94-04
en
19 mei 1994, 94-35.). Het is voorts gebruikelijk in sollicitatieprocedures
dat de daarmee verband houdende kosten door de werkgever worden voldaan.
Dit
houdt niet alleen in dat reiskosten worden vergoed, maar ook dat kosten
die
door de werkgever worden gemaakt voor bijvoorbeeld het laten afnemen van
psychologische tests, door de werkgever worden gedragen. In het onderhavige
geval komt daarbij dat de praktijktoets niet enkele uren, maar zeker twee
dagen arbeidsinspanning van de sollicitant vergt.

Nu in het geval van verzoeker de wederpartij de kosten van de praktijktests
niet voor haar rekening neemt, is de Commissie van oordeel dat het middel
niet noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. De Commissie
concludeert dat aan de hiervoor genoemde criteria voor een objectieve
rechtvaardiging niet is voldaan en de wederpartij derhalve verboden indirect
onderscheid naar ras of ook nationaliteit heeft gemaakt.

4.7. Voor wat betreft de klacht van verzoeker dat hij goed werk heeft
afgeleverd en dus ten onrechte niet is aangesteld overweegt de Commissie
het
volgende.
De Commissie rekent het niet tot haar taak te oordelen of een sollicitant
al
dan niet geschikt is voor een functie (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling 27 september 1996, oordeel 96-76 en 11 juni 1997, oordeel
97-69.). De taak van de Commissie is te onderzoeken of bij de beoordeling
verboden onderscheid is gemaakt. Indien een sollicitant niet op basis van
objectieve criteria is beoordeeld kan dat aanleiding geven tot het vermoeden
dat er sprake is van verboden onderscheid. In het onderhavige geval zijn
er
geen objectieve criteria vastgesteld om te beoordelen of voldaan is aan
het
vereiste van Nederlandse stukadoorservaring. De specifieke verklaringen
ter
zitting van de wederpartij over de productie en werkwijze van verzoeker
geven
echter geen aanleiding tot een vermoeden van onderscheid. Het feit dat
er
voortdurend een tekort is aan goede stukadoors en dat bij de wederpartij
enkele stukadoors van niet-Nederlandse afkomst of nationaliteit werkzaam
zijn
duiden evenmin in die richting.

4.8. Aanbeveling van de Commissie

Wellicht ten overvloede merkt de Commissie ten aanzien van het gehanteerde
selectiemiddel het volgende op en doet de volgende aanbeveling.
Het door de wederpartij gehanteerde selectiemiddel, van twee of drie dagen
werken op proef zonder betaling, kan op gespannen voet staan met de
redelijkheid en billijkheid die partijen ten opzichte van elkaar op grond
van
het burgerlijk recht in de pré-contractuele fase in acht behoren te nemen.
De
Commissie beveelt de wederpartij aan om overeenkomstig hetgeen bij
sollicitaties gebruikelijk is, de kosten van het selectieinstrument voor
haar
rekening te nemen.

Dit kan in gevallen als deze geschieden bijvoorbeeld door de sollicitant
een
(onkosten)vergoeding te betalen voor diens (arbeids)inspanning in het kader
van de praktijktoets. Voorts beveelt de Commissie de wederpartij aan, te
voren duidelijk aan te geven aan welke criteria een goede stukadoor in
Nederland behoort te voldoen. Dit kan door aan de sollicitant vooraf in
de
praktijk goed werk te laten zien. Hierdoor kan worden voorkomen dat bij
de
selectie (ongewild) verboden onderscheid naar ras of nationaliteit wordt
gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Bruyn Intergips afbouw
BV te
Dordrecht jegens de heer R.M.D. A. te Dordrecht bij de behandeling bij
de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid naar ras en/of
nationaliteit heeft gemaakt zoals verboden door artikel 5 lid 1 onder a
van
de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.K.deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De arbeidsovereenkomst van verzoekster wordt beëindigd vanwege de
bedrijfseconomische situatie en het functioneren van verzoekster. De
Commissie constateert dat het bedrijf niet tevreden was over verzoeksters
functioneren. Het negatieve oordeel over het functioneren hangt volgens
de
Commissie samen met problemen bestaande uit vermindering van de arbeidsduur,
verandering in werktijden en daarmee gepaard gaande vervoersproblemen met
het
woon-werkverkeer van verzoekster. Deze veranderingen kwamen tot stand op
grond van een doktersadvies ten aanzien van verzoeksters zwangerschap.
Dit
leidt tot het oordeel dat de zwangerschap van verzoekster mede een rol
heeft
gespeeld bij de beslissing de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. Strijd
met wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 juli 1997 verzocht mevrouw C.W. G. te Arcen (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te
spreken over de vraag of Egidius Janssen N.V. te Belfeld (hierna: de
wederpartij) heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij als directiesecretaresse
op
basis van een tijdelijk contract. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij de arbeidsverhouding heeft beëindigd vanwege haar zwangerschap
en
daarmee een verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen heeft gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Het verzoek is in behandeling genomen en de Commissie heeft een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
weergegeven.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 1 september
1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoekster
– mw. C.W. G. (verzoekster)
– mw. mr. M.E. Bergkamp (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. L. R. van Dijk (commercieel directeur)
– dhr. J.G.L. Geeraets (hoofd personeel en organisatie)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. S.A. van Zeeland (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een bedrijf dat 250 mensen in vaste dienst heeft
en 30
tot 50 uitzendkrachten.
Verzoekster is sinds begin maart 1995 als fulltime directiesecretaresse
via
een uitzendbureau werkzaam geweest bij de wederpartij. Aansluitend daarop
heeft verzoekster op basis van een contract voor bepaalde tijd voor de
duur
van één jaar, ingaande 1 januari 1996, gewerkt. In september 1996 is, vanwege
het vertrek van een collega van verzoekster, de arbeidsduur van de laatste
uitgebreid van 32 naar 40 uur. In oktober 1996 heeft verzoekster een
sollicitatie bij een ander bedrijf afgezegd in de veronderstelling spoedig
een contract voor onbepaalde tijd bij de wederpartij te krijgen. Per 1
januari 1997 heeft verzoekster wederom een contract voor bepaalde tijd
gekregen, eindigende 30 juni 1997. De wederpartij stelt bij brief van 26
november 1996 aan verzoekster dat dit contract voor bepaalde tijd wordt
aangeboden “gezien de huidige situatie waarin onze organisatie verkeert”.
Tevens is vermeld: “Tijdig voor de afloop van de verlenging zal bekeken
worden of uw arbeidsovereenkomst kan worden omgezet in een dienstverband
voor
onbepaalde tijd”.

Eind januari 1997 deelde verzoekster de wederpartij mee drie maanden zwanger
te zijn. Er waren medische problemen met haar zwangerschap. Na een bezoek
aan
de gynaecoloog op 14 maart 1997 is in overleg met de bedrijfsarts besloten
verzoeksters werktijden terug te brengen van vijf dagen tot drie hele dagen.
Later worden deze gewijzigd in vijf halve dagen.

Op 7 april 1997 heeft de wederpartij verzoekster meegedeeld dat haar
tijdelijk contract niet zal worden voortgezet. Bij brief van 9 april 1997
is
verzoekster meegedeeld, dat haar tijdelijk dienstverband niet wordt verlengd
per 1 juli 1997 met als reden dat de bedrijfseconomische situatie de
wederpartij noopt tot reductie van indirecte personeelskosten.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Reeds in juli 1995, toen verzoekster nog via een uitzendbureau bij de
wederpartij werkzaam was, heeft deze de toezegging gedaan na afloop van
de
uitzendperiode een contract voor onbepaalde tijd aan te bieden. Zij heeft
toen echter een contract voor bepaalde tijd gekregen en daarna wederom
een
tijdelijk contract.

In oktober 1996 heeft verzoekster een sollicitatiegesprek gevoerd bij een
ander bedrijf, waar ook haar echtgenoot werkzaam is. Het betrof een vast
dienstverband terwijl sprake was van een beter salaris dan dat bij de
wederpartij. De wederpartij heeft haar ten sterkste afgeraden deze
sollicitatie voort te zetten, omdat het niet verstandig zou zijn in hetzelfde
bedrijf te werken als de echtgenoot. In dit gesprek heeft de wederpartij
zijn
tevredenheid over verzoekster laten blijken, haar gecomplimenteerd en weer
toegezegd dat zij een vast contract zou krijgen. Vanwege de opgewekte
verwachting heeft verzoekster haar sollicitatie afgezegd. Diezelfde maand
heeft zij een gunstig beoordelingsbriefje getekend.

3.3. Op 4 maart 1997 deelde de gynaecoloog verzoekster mee op korte termijn
een bloedtransfusie nodig te achten. Op 14 maart 1997 hebben de gynaecoloog
en verzoekster vermindering van haar werktijd besproken. Op 17 maart 1997
heeft de bedrijfsarts voorgesteld drie dagen te werken en twee dagen thuis
te
blijven. Hij vond halve dagen, gezien de vervoerssituatie van verzoekster,
niet wenselijk. Verzoeksters reistijd is anderhalf uur vice versa met de
bus
en 40 minuten vice versa door middel van carpoolen met een collega uit
haar
woonplaats.

Op 21 maart 1997 meldde verzoekster zich ziek vanwege steken in haar buik.
Vanwege de vermindering van haar werktijd had verzoekster de lopende zaken
aan haar collega-directiesecretaresse overgedragen. Haar afwezigheid is
echter niet opgevangen. Zij en haar collega hebben afzonderlijk gevraagd
om
een invalkracht. Verzoekster stelt, niet in drie dagen die werkzaamheden
te
kunnen verrichten waarvoor zij aanvankelijk vijf dagen de tijd had.

Op 28 maart 1997 heeft de wederpartij zijn ontevredenheid geuit jegens
verzoekster over haar werktijden en tijdsindeling. Haar werd opgedragen
in
plaats van drie hele dagen van 7.30 uur tot 16.00 uur voortaan halve dagen
te
werken, van 8 uur tot 12 uur. Dit leverde voor verzoekster een zwaardere
belasting op terwijl tevens door deze opdracht de mogelijkheid werd ontnomen
om te carpoolen naar haar werk. Daardoor zou verzoeksters reistijd met
de bus
anderhalf uur bedragen. De wederpartij heeft verzoekster echter gezegd
zijn
conclusie te trekken over de voortzetting van haar halfjaarcontract als
zij
niet zou instemmen met het voorstel over de nieuwe werktijden. Diezelfde
dag
bezocht verzoekster haar huisarts, die voorstelde voorlopig helemaal thuis
te
blijven en contact op te nemen met de bedrijfsarts.

Op 2 april 1997 adviseerde de bedrijfsarts verzoekster halve dagen te werken.
De arts achtte echter de reiswijze en de reistijden niet verantwoord. Hij
stelde voor dat de wederpartij een taxi ter beschikking zou stellen.

Op 3 april 1997 heeft de wederpartij verzoekster gezegd na te willen denken
over een taxi maar het bij voorbaat een belachelijk voorstel te vinden.
De
wederpartij stelde voor ‘s-ochtends te carpoolen en om 12.00 uur verzoekster
door een collega naar het busstation te laten brengen. Verzoekster stelt
dat
carpoolen om 8 uur in de ochtend niet mogelijk is en dat de oplossing voor
het einde van de ochtend niet structureel is, aangezien bedoelde collega
de
helft van de tijd vanwege zijn semi- buitendienstfunctie niet aanwezig
is. De
wederpartij was het echter niet met verzoekster eens en wees erop dat het
verzoeksters keuze is om in Arcen te wonen. Ter zitting stelt verzoekster
dat
het voorstel van de wederpartij om met een collega mee te rijden naar het
busstation volgens de bedrijfsarts niet verantwoord was, omdat zij in haar
woonplaats dan nog een eind moest lopen.

De wederpartij verweet verzoekster in hetzelfde gesprek nalatigheid, omdat
zij een aantal dagen afwezig was. Verzoekster meldde dat zij zich heeft
ziek
gemeld en doktersverklaringen heeft. Verzoekster wordt tevens verweten
afspraken te vergeten, spullen kwijt te zijn en vrij te nemen wanneer zij
maar wil. De wederpartij vond de werkplek een chaos. Verzoekster heeft
dit
bestreden en gevraagd wat de wederpartij bereid is te doen aan haar
vervoerssituatie. Deze heeft geantwoord dat verzoekster nog maar eens goed
moest nadenken over wat zij wil en de hoorn neergelegd zonder te groeten.

Diezelfde dag heeft verzoekster een aan de Commissie overgelegde fax gestuurd
naar DAS Rechtsbijstand te Amsterdam waarin zij stelt, dat haar werkgever
de
doktersverklaring wil negeren en nieuwe werktijden eist onder bedreiging
van
het niet verlengen van haar contract met aanhaling van het citaat: “Het
bedrijf zal zijn conclusies trekken”.

3.4. Op 4 april 1997 heeft de wederpartij ingestemd met het voorstel van
de
bedrijfsarts om drie hele dagen te werken. Op 7 april 1997 heeft verzoekster
de problemen op haar werk opnieuw met de wederpartij besproken. Er waren
stapels werk blijven liggen. De wederpartij uitte zijn ontevredenheid over
haar werk en sprak over nalatigheid. Ook was er ontevredenheid over haar
afwezigheid in verband met ziekte en bezoeken aan de gynaecoloog: verzoekster
was volgens de wederpartij te vaak afwezig, wanneer zij maar wilde.
Verzoekster heeft in bedoeld gesprek het besluit van de bedrijfsarts
aangehaald. De wederpartij deelde echter mede dat, gezien de ontevredenheid
sinds enkele maanden, het contract met verzoekster na 30 juni 1997 niet
zou
worden voortgezet. Verzoekster heeft geen concreet antwoord gekregen op
haar
vraag om toelichting op de ontevredenheid. Diezelfde dag bezocht zij de
bedrijfsarts die haar aanraadde voorlopig helemaal thuis te blijven.

Haar tijdelijke arbeidscontract is niet verlengd ondanks herhaaldelijke
toezeggingen van de wederpartij dat zij een contract voor onbepaalde tijd
zou
krijgen. Verzoekster betwist dat het onderzoek met betrekking tot een
reorganisatie en de situatie van het bedrijf reden waren om haar geen
toezeggingen over een vast dienstverband te doen. Haar is door de wederpartij
gezegd dat zij ondanks dat nodig bleef. Verzoekster stelt dat zij door
de
wederpartij aan het lijntje is gehouden. Totdat verzoekster meedeelde zwanger
te zijn, zijn er geen problemen geweest. Er waren geen klachten, wel
complimenten. Het gesprek in maart 1997 kwam als een donderslag bij heldere
hemel. Volgens verzoekster is de reden voor alle problemen die zij bij
de
wederpartij heeft gehad alsmede haar uiteindelijke ontslag gelegen in haar
zwangerschap.

3.5. De wederpartij brengt het volgende naar voren.

Het niet verlengen van het dienstverband met verzoekster is gelegen in
bedrijfseconomische omstandigheden en heeft niets te maken met haar
zwangerschap. De wederpartij heeft in 1995-1996 anderhalf miljoen gulden
verlies geleden. Een door de wederpartij ingeschakeld bureau heeft van
juni
tot oktober 1996 een onderzoek verricht. Er is ongeveer een jaar geleden
een
reorganisatie gestart waarbij een scheiding is gemaakt tussen de directe
en
indirecte kosten. De laatsten zijn die welke niet direct gerelateerd zijn
aan
het productieproces. Volgens het onderzoeksrapport moesten functies worden
opgeheven in de afdelingen Staf en Verkoop. Er zijn inmiddels ongeveer
vijftien mensen ontslagen, allen op de indirecte afdelingen. Thans is de
situatie iets verbeterd, de noodzaak tot reorganisatie is daarmee echter
niet
verdwenen.
Het contract met verzoekster is per 1 januari 1997 verlengd, omdat het
tijdelijk was. De gedachte was dat voorlopig verlenging kon plaatsvinden
en
pas te zijner tijd hoefde te worden bezien wat de situatie van het bedrijf
was. Per 1 juli 1997 had verzoekster juridisch een contract voor onbepaalde
tijd moeten krijgen. Vanwege de onzekere situatie van het bedrijf is de
wederpartij daartoe niet overgegaan. De opvolgster van verzoekster is dan
ook
een uitzendkracht.

Er is nooit sprake geweest van een toezegging omtrent een arbeidsovereenkomst
voor onbepaalde tijd. Het overleg tussen verzoekster en de
commercieel-directeur is inhoudelijk nooit van dien aard geweest en het
is
ook nooit de bedoeling geweest dat verzoekster de indruk zou kunnen krijgen
van een toezegging omtrent een dienstverband voor onbepaalde tijd. Een
vereiste opdracht van de directie aan het hoofd Personeel en Organisatie
van
de wederpartij daartoe is nimmer verstrekt.
In mei 1996 heeft de wederpartij verzoekster reeds meegedeeld, dat in verband
met het ingeschakelde onderzoeksbureau geen toezeggingen konden worden
gedaan
over een vast contract. Op 26 november 1996 is bevestigd dat van dit laatste
geen sprake zou zijn. De wederpartij heeft verzoekster afgeraden te
solliciteren naar het andere bedrijf vanwege de persoonlijke mening dat
het
niet verstandig is om in hetzelfde bedrijf te werken als de echtgenoot.

3.6. De bedrijfseconomische situatie was de hoofdreden voor het niet
verlengen van verzoeksters contract. De wederpartij stelt ter zitting dat
als
die situatie anders was geweest verzoekster -indien de problemen waren
gebleven omtrent haar functioneren- toch was ontslagen. Na aanvankelijke
tevredenheid over verzoekster functioneren was er in de tweede helft van
1996
een aantal zaken waarover de wederpartij niet tevreden was. Het ging om
kleine foutjes, misverstanden in de communicatie. In die tijd heeft
verzoekster ook een normale beoordeling gehad. In oktober waren er nog
geen
grote twijfels, anders zou verzoeksters contract toen ook niet zijn verlengd.
Het is slechter gegaan in de periode december 1996/januari 1997. In maart
1997 is over echt fout gelopen zaken met verzoekster een gesprek gevoerd.

Toen verzoekster minder uren werkte vanwege medische problemen met haar
zwangerschap is dit opgevangen door haar collega- directiesecretaresse.
Vanaf
het begin heeft de wederpartij meegewerkt met de bedrijfsarts. In goed
overleg is besloten dat verzoekster drie dagen kon werken. Verzoekster
had
daarover echter andere ideeën, zij wilde de werktijden zelf invullen. De
wederpartij en verzoekster hebben hierover discussies gehad. Toen verzoekster
later in plaats van drie hele dagen vijf halve dagen werkzaam was, waren
er
meer problemen met de reistijden van verzoekster. De drie hele dagen zijn
omgezet in vijf halve dagen, omdat hele dagen een te zware belasting voor
haar opleverden.
De wederpartij ontkent met klem dat het niet verlengen van het contract
met
verzoekster iets te maken heeft met haar zwangerschap.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1 In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
tussen mannen en vrouwen heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling door haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet te
verlengen.

4.2. In dit verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 7:646 lid 1 van het Burgerlijke Wetboek (BW) bepaalt onder meer
dat
een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij het
aangaan of de beëindiging van een arbeidsovereenkomst.
De Commissie heeft in eerdere uitspraken (Commissie gelijke behandeling,
23
mei 1995, oordeel 95-15; Commissie gelijke behandeling, 24 juli 1995, oordeel
95-29; Commissie gelijke behandeling, 17 april 1996, oordeel 96-26.)
geoordeeld dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te
verlengen, een besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst
is.

Artikel 7:646 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat onder
onderscheid tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en indirect
onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap
is blijkens deze bepaling een vorm van direct onderscheid.

Ook indien zwangerschap niet de enige of doorslaggevende reden is geweest
bij
het aangaan van een arbeidsovereenkomst maar daarbij wel een rol heeft
gespeeld, is volgens de Commissie in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling gehandeld (Zie onder andere: Commissie gelijke behandeling,
23
mei 1995, oordeel 95-15;
Commissie gelijke behandeling, 13 november 1995, oordeel 95-47.).

De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschap(sverlof) als een onlosmakelijk gevolg
van
de zwangerschap worden beschouwd en op één lijn gezet worden met de
zwangerschap zelf (Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeel
95-15;
Commissie gelijke behandeling, 22 november 1996, oordeel 96-105;
Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1997, oordeel 97-83.).

Zoals de Commissie reeds in eerdere zaken (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid oordeel 420-92-50, 2
september 1992 en 414-92-53, 15 september 1992.) heeft geoordeeld, rekent
de
Commissie het niet tot haar taak om te beoordelen of een kandidaat geschikt
is voor de functie. De taak van de Commissie is na te gaan of er bij de
beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid gemaakt is in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

De wet biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid.
De
enige uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid zijn de in artikel
7:646 lid 2 tot en met lid 4 BW genoemde uitzonderingen. Gesteld noch
gebleken is dat deze uitzonderingen hier van toepassing zijn.

4.3. Ten aanzien van de vraag of de zwangerschap van verzoekster (mede)
een
rol heeft gespeeld bij het besluit van de wederpartij haar geen
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden, overweegt de
Commissie als volgt.

In de brief van 8 april 1997, waarin de wederpartij verzoekster meedeelt
dat
haar contract van rechtswege is beëindigd, is de bedrijfseconomische situatie
als redengeving aangevoerd. Gelet op het door de wederpartij gestelde
aangaande de verliesgevende situatie van het bedrijf, het onderzoek van
het
onder 3.5. genoemde bureau en de maatregelen die dienaangaande zijn
getroffen, overweegt de Commissie dat de bedrijfseconomische situatie
mogelijk een reden was voor de wederpartij om verzoekster geen vast
dienstverband aan te bieden.
Tevens moet worden geconstateerd dat de wederpartij in het
beëindigingsgesprek met verzoekster op 7 april 1997 is ingegaan op het
in
haar ogen onvoldoende functioneren van verzoekster en dat dit plaatsvond
in
het kader van het besluit haar geen nieuw contract aan te bieden. Ter zitting
heeft de wederpartij verklaard dat -los van de door haar als hoofdreden
genoemde bedrijfseconomische situatie- het functioneren van verzoekster
reden
zou zijn om geen nieuwe arbeidsovereenkomst met haar aan te gaan als haar
functioneren onveranderd zou blijven. Deze kwalificatie van verzoeksters
functioneren alsmede het feit dat op dit functioneren in het kader van
het
beëindigingsgesprek op 7 april 1997 is ingegaan, maakt naar het oordeel
van
de Commissie aannemelijk dat verzoeksters functioneren -mogelijk naast
de
bedrijfseconomische situatie- mede een rol heeft gespeeld bij bedoeld besluit
van de wederpartij.

4.4. Ten aanzien van het functioneren van verzoekster overweegt de Commissie,
onder verwijzing naar haar taak dienaangaande zoals aangeduid onder 4.2,
als
volgt.

In oktober/november 1996 was de wederpartij over verzoeksters functioneren
tevreden, gelet op haar beoordeling in die tijd en gelet op het aanbod
van
een contract voor de duur van zes maanden. De Commissie acht het aannemelijk
dat haar functioneren in ieder geval boven enige twijfel was verheven.
De
wederpartij heeft verzoekster immers afgeraden bij een ander bedrijf een
sollicitatie voort te zetten waarbij zij een vast dienstverband zou kunnen
krijgen met een hogere salariëring dan bij de wederpartij. Hierdoor en
door
het bij de wederpartij blijven van verzoekster worden naar het oordeel
van de
Commissie vraagtekens opgeroepen bij de stelling van de wederpartij, dat
bij
verzoekster nooit de indruk kan zijn gewekt omtrent een vast dienstverband
bij de wederpartij. Het handelen van de laatste duidt in elk geval op een
zodanige waardering van verzoeksters functioneren dat de wederpartij haar
als
directiesecretaresse niet wilde missen.

Tussen partijen is niet betwist dat er gedurende en vanaf januari 1997
problemen waren. De medische problemen die rechtstreeks samenhingen met
verzoeksters zwangerschap leidden na advies daartoe van de bedrijfsarts
tot
gesprekken met de wederpartij omtrent werktijden en vervoersmogelijkheden.
Verzoekster heeft gesteld dat deze gesprekken moeizaam verliepen. De
Commissie acht op grond van hetgeen partijen schriftelijk hebben aangedragen
en ter zitting hebben verwoord aannemelijk, dat de wederpartij het eerste
advies van de bedrijfsarts om drie hele dagen te gaan werken problematisch
achtte. Het tweede advies, inhoudende het werken gedurende vijf halve dagen
mits gepaard gaande met een verandering van reistijden en reiswijze, was
bij
de wederpartij problematisch op het punt van de medische voorwaarde
betreffende het vervoer.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de medische problemen betreffende
de zwangerschap van verzoekster leidden tot kanttekeningen en bezwaren
van de
wederpartij bij de werktijdindeling en daarmee samenhangende
vervoersmogelijkheden van verzoekster.

4.5. Ten aanzien van de arbeidsduur zelf staat vast dat deze was verminderd,
aanvankelijk naar drie hele dagen en later naar vijf halve dagen. Verzoekster
heeft onbetwist gesteld dat niet alleen zijzelf maar ook haar
collega-directiesecretaresse die voor haar vervanging zorg zou dragen,
afzonderlijk om een invalkracht hebben gevraagd vanwege verzoeksters
vermindering van werktijd. Hieruit leidt de Commissie af dat de stelling
van
verzoekster dat stapels werk bleven liggen in ieder geval aannemelijk is,
inzoverre is bedoeld dat van de werkzaamheden die normaliter door verzoekster
werden verricht, niet alle van belang blijvende taakonderdelen meer werden
opgepakt.

De Commissie constateert dat de wederpartij niet tevreden was over
verzoeksters functioneren. Verzoekster stelt dat de wederpartij haar chaos
en
nalatigheid verweet. De Commissie acht het niet onaannemelijk dat de
vermindering van verzoeksters arbeidsduur en de wijziging van haar werktijden
enerzijds en de verwijten van de wederpartij anderzijds met elkaar verband
hielden. Immers, gedurende de bijna twee jaren dat verzoekster werkzaam
was
bij de wederpartij is geen sprake geweest van -aan de Commissie gebleken-
twijfel over haar functioneren. Tevens moet worden vastgesteld dat de door
de
wederpartij gestelde vraagtekens bij haar functioneren parallel lopen met
de
zwangerschapsperiode van verzoekster, die gepaard ging met medische problemen
en die daarom leidde tot werktijdvermindering.

4.6. Op grond van het voorgaande acht de Commissie aannemelijk dat het
negatieve oordeel van de wederpartij over het functioneren van verzoekster
samenhangt met de vermindering van de arbeidsduur, de verandering in
werktijden en de daarmee gepaard gaande vervoersproblemen met het
woon-werkverkeer. Deze wijzigingen kwamen tot stand op grond van het
doktersadvies ten aanzien van haar zwangerschap. Dit leidt tot het oordeel
dat de zwangerschap van verzoekster mede een rol heeft gespeeld bij de
beslissing van de wederpartij geen arbeidsovereenkomst met verzoekster
aan te
gaan. Mitsdien heeft de wederpartij direct onderscheid op grond van geslacht
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Egidius Janssen N.V. te Belfeld
jegens mevrouw C.W. G. direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
als bedoeld in artikel 7:646 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en derhalve
in
strijd met voornoemde wet heeft gehandeld.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), dhr. mr. S.A. vanZeeland (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 23 oktober 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De rechtsontwikkeling is thans nog niet zover dat ongehuwd duurzaam samenleven
in juridische zin gelijk gesteld moet worden aan het huwelijk. Door het
onderscheid te gronden op het door een huwelijk ontstaan van wettelijke
onderhoudsverplichtingen en de daarmee samenhangende verhaalsmogelijkheid,
welke niet ontstaan bij een niet-huwelijkse samenlevingsvorm, heeft verweerder
kunnen oordelen dat voor dit onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond
aanwezig is. In het onderhavige geval is er sprake van een bijzondere situatie
van eiser waarbij de afweging van de belangen die aan de beleidsregel ten
grondslag heeft gelegen niet tot een redelijke uitkomst leidt. De partner
van eiser kan – gelet op de hoogte van de AOW-uitkering – nimmer voldoen
aan het middelenvereiste. En gezien de leeftijd van de partner is dit voor
de toekomst ook feitelijk onmogelijk. Als eiser en partner gehuwd zouden
zijn dan zou de partner vrijgesteld zijn van de middeleneis, maar zij kunnen
geen huwelijk aangaan vanwege het huwelijksbeletsel voor homo’s. Bij de
weging van het belang van de staat bij verhaal kan er niet aan worden voorbij
gegaan dat de mogelijkheid van verhaal even gering of zelfs afwezig kan
zijn voor de categorie gehuwden van 57,5 jaar en ouder, voor wie een vrijstelling
van het middelenvereiste geldt.

Volledige tekst


Dat de REK niet heeft willen anticiperen op de wetgeving inzake geregistreerd
partnerschap, lijkt mij juist. Eerst zal immers duidelijk moeten worden
hoe het beleid op dat punt toe- of aangepast zal worden.
De wetgeving inzake geregistreerd partnerschap (met name de Wet van 5 juli
1997 tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, Staatsblad 1997,
324, en de Aanpassingswet geregistreerd partnerschap van 17 december 1997,
Staatsblad 1997, 660, waardoor circa honderd andere wetten gewijzigd zijn)
voorziet voor het vreemdelingenrecht niet in een gelijkstelling van geregistreerden
aan gehuwden. Dat is echter slechts het toevallige gevolg van het feit
dat in de Vreemdelingenwet zelf nergens sprake is van het huwelijk. Uitgangspunt
van de wetgever is echter geweest dat het geregistreerd partnerschap dezelfde
rechtsgevolgen heeft als het huwelijk, met uitzondering van met name de
rechtsgevolgen ten aanzien van kinderen. Daarom al ligt het niet voor de
hand om geregistreerden in het vreemdelingenbeleid anders te behandelen
dan gehuwden. Bovendien zou een dergelijk onderscheid moeilijk te rechtvaardigen
zijn in het kader van artikel 429quater Wetboek van Strafrecht (indirecte
discriminatie wegens seksuele gerichtheid), artikel 14 EVRM en artikel
26 IVBPR. Door partnerschapsregistratie ontstaan immers precies dezelfde
onderhoudsplichten en bijbehorende verhaalsmogelijkheden als door huwelijkssluiting.
En ook de andere klassieke gronden ter rechtvaardiging van onderscheid
wegens burgerlijke staat gaan niet op ter rechtvaardiging van onderscheid
tussen geregistreerd partnerschap en huwelijk: beide relatievormen zijn
even ‘rechtszeker’, en geregistreerden hebben net als gehuwden gekozen
voor een heel pakket voor- en nadelen.
Daarom dient de Vreemdelingencirculaire zo toegepast te worden dat er geen
verschil wordt gemaakt tussen gehuwden en geregistreerden. Naar verluidt
is dat ook het beleid sinds 1 januari 1998, en is een overeenkomstige tekstuele
wijziging van de Vreemdelingencirculaire in voorbereiding (telefonische
informatie van het Ministerie van Justitie). Afgewacht zal moeten worden
of deze gelijkstelling niet alleen betrekking heeft op Nederlandse partnerschappen,
maar ook op in Denemarken, Noorwegen, Zweden, IJsland, Hawaï of elders
geregistreerde partnerschappen.

Geregistreerde partners zullen dus kunnen profiteren van de verminderingen
en vrijstellingen van het middelenvereiste die de Vreemdelingencirculaire
aan gehuwden toekent. Het blijft dan echter de vraag of ongeregistreerde
gelijkgeslachtelijke partners vervolgens even slecht behandeld mogen worden
als ongehuwde heteropartners. Want wat is het geval?
Terwijl elke vreemdeling, verblijfsgerechtigd of niet, in het huwelijk
mag treden met een Nederlander of ingezetene van het andere geslacht (afgezien
van de obstakels voor schijnhuwelijken), is partnerschapsregistratie voorbehouden
aan Nederlanders en vreemdelingen met een ‘verblijfstitel’ (artikel 1:80a,
eerste en tweede lid, BW). Opmerking verdient dat voor het aangaan van
een notarieel samenlevingscontract geen verblijfstitel vereist is, en ook
na invoering van de Koppelingswet niet vereist zal zijn (aldus
werd telefonisch bevestigd door de Koninklijke Notariële Broederschap en
door FORUM).
Wat precies bedoeld wordt met het in de vreemdelingenwetgeving onbekende
begrip ‘verblijfstitel’ is onduidelijk. Tijdens de parlementaire behandeling
heeft de Staatssecretaris er wel een restrictieve uitleg aan gegeven. Voor
vreemdelingen van buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte
zou het begrip ‘rechtsgeldige verblijfstitel in de zin van artikel 80a,
tweede lid,’ slechts slaan op verblijfstitels op grond van de artikelen
9, 9a en 10 van de Vreemdelingenwet: verblijfsvergunning, voorwaardelijke
verblijfsvergunning, vestigingsvergunning, toelating als vluchteling (Kamerstukken
II, 1996/97, 23 761, nr. 11, p. 7). Ook heeft de Staatssecretaris gesteld
dat de eis van een rechtsgeldige verblijfstitel inhoudt dat ’ten aanzien
van een bepaalde persoon ingestemd is met het bestendig verblijf in Nederland.
(‘) Het gaat dan uitdrukkelijk niet om visa, zoals het toeristenvisum’
(Handelingen II, 1996/97, p. 3143). Een verblijfstitel op grond van artikel
8 Vreemdelingenwet (‘kort verblijf’, ‘verblijf in de vrije termijn’, zie
A. Kuijer & J.D.M. Steenbergen, Nederlands vreemdelingenrecht,
Utrecht: Nederlands Centrum Buitenlanders 1996, p. 48-50) zou volgens de
Staatssecretaris dus onvoldoende zijn voor partnerschapsregistratie. Afgewacht
zal moeten worden of de rechter bereid zal zijn deze niet in de wettekst
neergelegde beperking van de kring van registratiegerechtigden te volgen.
Over de vraag of een dergelijke beperking ook beoogd is ten aanzien van
EU- en EER- burgers, bevat de wetsgeschiedenis geen heldere uitspraak.
Veelal zal de verblijfstitel van een EU-burger rechtstreeks ontleend worden
aan het EG-recht (zie Kuijer en Steenbergen 1996, p. 49, 55-57 en 76).
Een EG-verblijfskaart (een verblijfsvergunning) voegt daar niet veel meer
aan toe dan een bewijsmiddel. Volgens de memorie van toelichting op artikel
80a, eerste lid, zou partnerschapsregistratie open staan voor ‘EU-onderdanen
die in Nederland rechtsgeldig verblijf houden’ (Kamerstukken II, 1993/94,
23 761, nr. 3, p. 5). Die formulering lijkt erop te duiden dat EU-burgers
die (nog) niet over een verblijfskaart beschikken (bijvoorbeeld omdat zij
hier slechts een paar maanden komen werken, of hier werk zoeken, of hier
als toerist verblijven) in Nederland wel een geregistreerd partnerschap
mogen aangaan. In de ambtelijke praktijk lijkt daar echter anders over
gedacht te worden (telefonische informatie van en over verschillende ambtenaren
van de burgerlijke stand).
Overigens heeft de Commissie openstelling burgerlijk huwelijk de staatssecretaris
geadviseerd te bewerkstelligen dat de vereisten voor buitenlanders die
hier willen registreren geheel gelijk worden aan de vereisten die gelden
voor buitenlanders die hier willen huwen (Kamerstukken I, 1996/97, 23 761,
nr. 157d, p. 7-8). De Staatssecretaris heeft zich in beginsel bereid getoond
om dit advies op te volgen, maar wil eerst de evaluatie in 1998 van de
schijnhuwelijkenregeling afwachten (idem, p. 2).
Hoe dan ook, voor een vreemdeling zonder verblijfsvergunning (of vestigingsvergunning
of toelating als vluchteling) zal het vooralsnog praktisch erg moeilijk
zijn om in Nederland een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Als de
partners niet kunnen huwen, zullen zij dus eerst moeten trachten om op
grond van hun ongeregistreerde partnerschap een partnerafhankelijke verblijfsvergunning
te bemachtigen (waarna zij desgewenst op basis van die vergunning hun partnerschap
kunnen laten registreren). Daardoor blijft voor hen het hogere middelenvereiste
van belang. En daarom is het ook na 1 januari 1998 nog niet te rechtvaardigen
dat voor de meeste ongeregistreerde homopartners een hoger middelenvereiste
geldt dan voor gehuwde heteropartners. Met een iets verder gaande uitspraak
zou de REK dit probleem volledig hebben kunnen oplossen.

Kees Waaldijk

Rechters

Mrs Claessens, Van der Meer, Van Bennekom

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 22 oktober 1997

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Werkneemster heeft aansluitend op haar bevallingsverlof ouderschapsverlof
gevraagd en gekregen, waarbij zij gedurende drie dagen per week werkte.
Zij wil nu graag een vast dienstverband voor drie dagen per week. Op organisatorische
en financiële gronden wijst de werkgeefster dit verzoek af. Werkgeefster
kan hoogstens accoord gaan met een dienstverband van vier dagen per week.
Werkneemster verzoekt nu partiële ontbinding van haar arbeidsovereenkomst.
Subsidiair verzoekt zij algehele ontbinding van de arbeidsovereenkomst,
met toekenning van een vergoeding.
De kantonrechter wijst het verzoek tot partiële ontbinding af. De kantonrechter
oordeelt dat de werkgeefster voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het
op bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische gronden voor haar onmogelijk
is om in te stemmen met de verzochte vermindering van de arbeidstijd. Uit
de door haar verschafte gegevens betreffende haar organisatie is duidelijk
geworden dat het voor werkgeefster zeer bezwaarlijk is de functie van werkneemster
door haar part-time te laten verrichten. De kantonrechter oordeelt dat
de werkneemster ten onrechte stelt dat hier sprake zou zijn van discriminatie
omdat in het algemeen een weigering als die van werkgeefster meer vrouwen
dan mannen zou treffen omdat vrouwen vaker zorgtaken vervullen. Als deze
stelling al juist zou zijn, ligt hier niet de discriminatie bij de werkgeefster,
maar in de verdeling van de zorgtaken. Het subsidiaire verzoek van werkneemster
tot algehele ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt wel toegewezen.
Vast staat dat de ontbinding uitsluitend een gevolg is van de gewijzigde
omstandigheden van werkneemster. Hiervan valt de werkgeefster geen enkel
verwijt te maken. Er is derhalve geen aanleiding een vergoeding ten laste
van werkgeefster vast te stellen, nu werkneemster zelf de arbeidsovereenkomst
wenst te beëindigen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

(…)

De feiten:

1.1. W is op 1 juni 1981 in dienst gestreden bij (de rechtsvoorgangster
van) Handico als administratief medewerkster. Zij is thans werkzaam als
medewerkster gatecontrol tegen een salaris van ƒ 3.614,62 bruto per maand,
exclusief een vakantietoeslag van 8%. Zij is geboren op 5 augustus 1963.

1.2. In 1996 is W bevallen van een zoon. Aansluitend aan het bevallingsverlof
heeft zij ouderschapsverlof gevraagd en gekregen, waarbij zij gedurende
3 dagen per week werkte. Zij heeft reeds in april 1996 aangegeven een vast
dienstverband voor 3 dagen per week te ambiëren. Handico heeft slechts
het ouderschapsverlof verleend en wilde eerst later terugkomen op een dienstverband
van 3 dagen per week.
Bij brief van 23 april 1997 geeft Handico aan vast te willen houden aan
de vijfdaagse werkweek voor W met ingang van 1 juni 1997. W heeft schriftelijk
aangegeven het daar niet mee eens te zijn, maar heeft onder -schriftelijk-
protest het werk voor 5 dagen hervat.

1.3. Door ontstane spanningen heeft zij zich ziek gemeld.

1.4. Ter zitting heeft Handico aangegeven accoord te kunnen gaan met een
4-daagse werkweek van W. W heeft na de zitting via haar gemachtigde meegedeeld
dat voor haar een 4-daagse werkweek niet aanvaardbaar is.

Het standpunt van W -verkort en zakelijk weergegeven-:

W meent dat er sprake is van een verandering van omstandigheden, welke
van dien aard is, dat de dienstbetrekking tussen partijen primair voor
2 dagen per week dient te worden ontbonden.

In de eerste reactie van Handico werd aangegeven dat de inwilliging van
haar verzoek bepaald zou worden door de financiële resultaten over 1996.
Het aanstellen van twee part time medewerkers zou kostenverhogend zijn.
Zonder enige verwijzing naar de bedrijfsresultaten wordt het verzoek thans
afgewezen.
Het standpunt van Handico kan niet gehandhaafd worden. Ten eerste is er
geen reële financiële onderbouwing, ten tweede zijn de kosten van twee
in plaats van één medewerker niet of nauwelijks hoger, terwijl de flexibele
inzetbaarheid zelfs voordelen kan hebben.
Zouden er al extra kosten zijn, dan wegen deze niet op tegen haar belangen
om korter te kunnen gaan werken.
De schijn wordt gewekt dat Handico geen part time medewerkers wenst. De
weigering van Handico om W in deeltijd te laten werken pakt discriminerend
uit. Deze weigering zal meer vrouwen treffen dan mannen, immers vrouwen
vervullen vaker zorgtaken dan mannen.
Mocht verkorting van de werktijd financieel nadelig uitpakken, dan is dit
nog geen rechtvaardigingsgrond om het verzoek af te wijzen.
Subsidiair verzoekt W, indien de gedeeltelijke ontbinding niet toewijsbaar
wordt geacht, algehele ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De houding
van Handico geeft haar geen andere keuze. Gezien de duur van het dienstverband,
het gunstig verloop van het ouderschapsverlof en de houding van de werkgeefster,
meent W dat haar in dat geval een vergoeding toekomt op basis van de kantonrechtersaanbeveling,
met als factor C 1,5.
Immers Handico gedraagt zich niet als een goed werkgever.

Het standpunt van Handico -verkort en zakelijk weergegeven-:

Handico heeft het verzoek van W om part time te werken afgewezen, zowel
op financiële gronden als op organisatorische gronden. Handico heeft in
1995 grootscheeps gereorganiseerd, waarbij een 5-tal gedwongen ontslagen
is gevallen. Gedurende de periode van zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof
is Handico gedwongen geweest een relatief dure uitzendkracht in te huren.
Gedurende het ouderschapsverlof lukte het niet om iemand voor 2 dagen te
vinden en was Handico genoodzaakt iemand voor 3 dagen in te huren.
De verliezen over 1993, 1994 en 1995 zijn omgezet in een kleine winst over
1996. Gezien de resultaten over het eerste halfjaar (overgelegd) is over
1997 weer een verlies voorzien.
Organisatorisch gezien heeft een medewerkster gatecontrol een afwisselende
en veelomvattende spilfunctie. Het is van groot belang dat de zaken goed
worden overgedragen teneinde logistieke problemen te voorkomen. In verband
hiermee is een zogenaamde jobrotation ingevoerd tussen enerzijds het verrichten
van werkzaamheden aan de gate en anderzijds het verrichten van werkzaamheden
ten behoeve van de loodsbalie, de receptie en de bediening van de telefooncentrale.
De totaal vier fulltime medewerkers rouleren op vaste basis tussen voornoemde
functies om zoveel mogelijk kennis op te doen. In geval van ziekte of vakantie
gaat het werk aan de gate voor. Het op ad hoc basis inhuren van een medewerker
voor de gate is welhaast onmogelijk. Gaten in de bezetting dienen daarom
intern te worden opgelost.
W is een fulltime arbeidsovereenkomst aangegaan. Het feit dat thans haar
persoonlijke omstandigheden zijn gewijzigd, waardoor zij van mening is
dat een fulltime dienstverband niet langer wenselijk is, komt voor haar
rekening en risico. W hoeft haar baan niet te verliezen. Handico betwist
dat W beperkt inzetbaar is. Zij heeft een breed scala van uiteenlopende
werkzaamheden binnen Handico verricht. Zij is beslist elders goed inzetbaar.
De verzoeken van W dienen te worden afgewezen.

Beoordeling

Het primaire verzoek van W tot partiële ontbinding wordt afgewezen. Handico
heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het op bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische
gronden voor haar niet mogelijk is accoord te gaan met de verzochte verkorting
van de arbeidstijd. Uit de door haar verschafte gegevens betreffende haar
organisatie is duidelijk geworden dat het voor Handico zeer bezwaarlijk
is de functie van W door haar part time te laten verrichten.
Ten eerste zou dit inhouden dat Handico hoogst waarschijnlijk gedwongen
zou worden een tweede part time medewerker gate control aan te trekken
voor 3 dagen in plaats van de 2 dagen die W korter wil werken, omdat tijdens
het ouderschapsverlof gebleken is dat het niet mogelijk was iemand voor
2 dagen aan te trekken. Dit alleen al zou kostenverhogend werken, hetgeen
gezien de financiële positie van Handico niet verantwoord is.
Ten tweede geeft het organisatorisch veel problemen de functie van W, namelijk
medewerker gate control, door twee mensen te laten verrichten. Het betreft
hier een veelomvattende functie, waarbij grote kennis van het bedrijf nodig
is. Problemen aan de gate hebben onmiddellijke gevolgen voor de bedrijfsresultaten.
De overdracht van zaken is van het grootst mogelijke belang teneinde logistieke
problemen te voorkomen. Het op de gate inhuren op ad hoc basis van een
medewerker is welhaast onmogelijk vanwege het ontbreken van de benodigde
kennis.
Handico heeft gepoogd W tegemoet te komen door alsnog een 4-daagse werkweek
aan te bieden. W heeft dit afgedaan met de mededeling dat voor haar een
3-daagse werkweek maximaal haalbaar is.
W stelt ten onrechte dat hier sprake zou zijn van discriminatie, omdat
in het algemeen een weigering als die van Handico meer vrouwen zou treffen
dan mannen, omdat -aldus W- vrouwen vaker zorgtaken vervullen dan mannen.
Als de stelling van W al juist zou zijn ligt hier niet de discriminatie
bij Handico, maar in de verdeling van de zorgtaken. Voor Handico is het
in haar huidige omstandigheden onmogelijk accoord te gaan met een aanmerkelijke
verkorting van de arbeidstijd van een werknemer. Noch gesteld, noch gebleken
is dat Handico hierbij onderscheid zou maken tussen mannelijke en vrouwelijke
werknemers.
Subsidiair verzoekt W, nu de partiële ontbinding zal worden afgewezen,
algehele ontbinding van de arbeidsovereenkomst, daar zij geen andere keus
heeft. Nu zij zelf van mening is dat zij geen andere keus heeft en zij
zich derhalve niet in staat acht de arbeidsovereenkomst voort te zetten,
ook niet in een 4-daagse werkweek, is dit een wijziging van omstandigheden,
zodat van haar niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te
zetten en zal de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen ontbonden
worden.
W heeft verzocht een vergoeding vast te stellen. Handico is van mening
dat aan W geen enkele vergoeding toekomt.
Gezien het vorenoverwogene staat vast dat de ontbinding uitsluitend het
gevolg is van de gewijzigde persoonlijke omstandigheden van W, ten gevolge
waarvan zij zichzelf niet langer in staat acht fulltime werkzaam te zijn.
Hiervan valt Handico geen enkel verwijt te maken. Er is derhalve geen aanleiding
een vergoeding vast te stellen nu W zelf de arbeidsovereenkomst wenst te
beëindigen.
Nu in bovengenoemde zin zal worden beslist zal een termijn worden bepaald
binnen welke verzoekster bevoegd is het verzoek in te trekken.
Gelet op de aard van het geschil en de gebleken omstandigheden worden termen
aanwezig geacht om de kosten van de procedure te compenseren in die zin
dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

Stelt verzoekster in de gelegenheid haar verzoek in te trekken uiterlijk
31 oktober 1997.
Indien het verzoek niet wordt ingetrokken:
Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van
1 november 1997.
Wijst af het meer of anders gevorderde.
Ongeacht of het verzoek wordt ingetrokken:
Compenseert de kosten van de procedure in die zin dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mr Kampert

Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 22 oktober 1997

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


Eiseres heeft in kort geding ƒ 10.000 immateriële schadevergoeding gevorderd
wegens verkrachting. De vordering wordt afgewezen omdat de President het
spoedeisend belang niet aanwezig achtte. De rechter motiveert dit door
te stellen dat tussen de datum van de stuiting van de verjaring en het
aanhangig maken van het kort geding een periode van ruim twee jaar zit.
Het hof oordeelt dat schade als gevolg van een seksueel vergrijp voor een
deel bestaat uit leed dat moeilijk te verwerken is. Het slachtoffer kan
voordat het verwerkingsproces is beëindigd, in het algemeen, nauwelijks
een weloverwogen beslissing nemen over het al dan niet vragen van een schadevergoeding.
Het hof oordeelt dat niet blijkt dat aan het verwerkingsproces omstreeks
eind december 1992 een einde is gekomen. Derhalve is het hof van oordeel
dat het (enkele) tijdsverloop niet in de weg staat voor het aanvaarden
van het spoedeisend belang.

Volledige tekst

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis
uitgesproken op 24 februari 1995 door de president van de arrondissementsrechtbank
te Groningen.

Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 9 maart 1995 is door A hoger beroep ingesteld van genoemd
vonnis met dagvaarding van R tegen de zitting van 22 maart 1995.

De conclusie van de dagvaarding in hoger beroep luidt:
‘het vonnis van E.A. Heer president van de Arrondissementsrechtbank te
Groningen op 24 februari 1995 gewezen onder rolnummer 10885/KG ZA 95-19
ter vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door appellant in prima gevraagde
voorzieningen alsnog toe te wijzen met veroordeling van geïntimeerde in
de kosten van beide instanties’.

Bij memorie van grieven heeft A -kortweg- geconcludeerd tot vernietiging
van het beroepen vonnis, tot ’toewijzing van de vordering’, alsmede tot
veroordeling van R in de kosten van beide instanties.

Bij memorie van antwoord is door R verweer gevoerd en incidenteel geappelleerd
met als conclusie:

‘Voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de President
van de Arrondissementsrechtbank te Groningen van 24 februari 1995 in zoverre
te vernietigen dat geïntimeerde alsnog in de kosten van het geding in eerste
instantie wordt veroordeeld’.

Door A is in het incidenteel appèl geantwoord met als conclusie:

‘Mevrouw A verzoekt het Hof
– in het principaal appèl het vonnis van de President d.d. 19 april 1996
te vernietigen en de vordering toe te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde
in de kosten van het geding in eerste en tweede instantie
– in het incidenteel appèl de grief van appellant in het incidenteel appèl
ongegrond te verklaren en geïntimeerde te veroordelen in de kosten van
de procedure in eerste en tweede instantie.

Daarna hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

Door A zijn in het principaal appèl twee grieven opgeworpen.

Door R is in het incidenteel appèl één grief opgeworpen.

De beoordeling

In het principaal en incidenteel appèl:

1. Tegen de weergave van de feiten onder de kop ‘vaststaande feiten’ op
de bladzijden 2 en 3 van het vonnis waarvan beroep is geen grief ontwikkeld,
zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

In principaal appèl

Met betrekking tot grief 1:

2. De grief is – zakelijk weergegeven – gericht tegen het oordeel van de
president dat A. na het stuiten van de verjaring op 23 december 1992 te
lang heeft gewacht met het aanhangig maken van de procedure in kort geding,
zodat niet (meer) van een spoedeisend belang kan worden gesproken.

3. Als ervaringsfeit geldt dat de schade als gevolg van een seksueel vergrijp
(voor een deel) bestaat in leed van een soort dat voor het slachtoffer
moeilijk te verwerken pleegt te zijn, welke verwerking dan ook veel tijd
pleegt te kosten. Zulks blijkt ondermeer ook uit de parlementaire behandeling
van het wetsontwerp 22889 dat heeft geleid tot de wet van 7 juli 1994,
Staatsblad 529, uit welke behandeling voorts blijkt dat het slachtoffer,
voordat het verwerkingsproces is beëindigd, in het algemeen nauwelijks
in staat zal zijn een weloverwogen beslissing te nemen (zie de memorie
van Toelichting TK 22889 nr. 3 blz. 6).

4. Nu niet blijkt dat bedoeld verwerkingsproces in of omstreeks december
1992 reeds tot een einde was gekomen, terwijl de stukken van het geding
voorshands aanleiding geven tot het aannemen van het voortduren daarvan,
kan op grond van het bovenstaande – daargelaten thans de bij de bespreking
van grief 2 aan de orde zijnde vraag of een seksueel vergrijp in voldoende
mate vaststaat – het in de grief bestreden oordeel dat het (enkele) tijdsverloop
in de weg staat aan het aanvaarden van het vereiste spoedeisend belang,
niet worden gedeeld.

5. Het bovenoverwogene brengt mee dat de grief doel treft.

Met betrekking tot grief 2:

6. De grief strekt -kort weergegeven- ten betoge dat de president ten onrechte
heeft geoordeeld dat de zaak zich niet leent voor een behandeling in kort
geding, met name niet omdat de procedure geen plaats biedt voor de noodzakelijke
vaststelling van de feiten.

7. Uit de gedingstukken is genoegzaam komen vast te staan dat R, destijds
37 jaar oud, in het jaar 1983 seksuele toenadering tot A -die toen de leeftijd
van zeventien jaar had- heeft gezocht alsmede dat het tussen hen alstoen
is gekomen tot seksueel gerichte handelingen. Daarnaast heeft het hof bij
de stukken meerdere rapportages van handelaars aangetroffen, die allen
bij de behandeling tot uitgangspunt hebben genomen dat A het slachtoffer
was van een seksueel vergrijp.

8. In het licht van deze omstandigheden, mede gelet op de bijzondere aard
van het door A aan R verweten gedrag waarvan het bewijs doorgaans moeilijk
rechtstreeks is te leveren, acht het hof het voorshands voldoende aannemelijk
dat R zich jegens A onrechtmatig heeft gedragen, op grond waarvan naar
het voorlopig oordeel van het hof genoegzaam vast staat dat A jegens R
aanspraak kan maken op schadevergoeding. Met de president is het hof van
oordeel dat de procedure in kort geding zich niet leent voor een meer diepgaande
vaststelling van de feiten, doch -gelet op het bovenoverwogene- staat zulks
in het onderhavige geval niet aan toewijzing van het gevorderde in de weg.

9. Weliswaar heeft A, als uit het beroepen vonnis blijkt, ter zitting in
prima nog doen zeggen dat zij het bij de behandeling in kort geding wenst
te laten, doch nu op partijen geen verplichting rust om de zaak in een
bodemprocedure aanhangig te maken terwijl elk van partijen daartoe desgewenst
wel de mogelijkheid heeft, staat een en ander niet aan toewijzing van het
gevorderde in de weg.

10. Ook deze grief treft doel.

De verdere beoordeling in het principaal appèl:
11. R heeft nog doen aanvoeren -kortweg- dat het door A gevorderde voorschotbedrag
onvoldoende is onderbouwd, terwijl de relatie tot de in een bodemprocedure
toe te kennen bedrag aan schadevergoeding ontbreekt.

12. Het hof deelt deze opvatting niet. Indien in een bodemprocedure het
door A gestelde seksuele vergrijp van R wordt vastgesteld, staat daarmee
in voldoende mate vast dat A desgevorderd jegens R aanspraak zal kunnen
maken op vergoeding van een substantieel bedrag terzake van materiële en
immateriële schade. In dat licht bezien is een voorschot van ƒ 10.000
niet buitensporig te noemen.

13. R heeft voorts gewezen op het zijns inziens aanwezige zogenaamde ‘restitutierisico’.
Nu hij hieraan evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden ten grondslag
heeft gelegd, kan het hof hem daarin niet volgen.

De slotsom in het principaal appèl:

14. De grieven treffen doel, als gevolg waarvan de beroepen uitspraak niet
in stand zal kunnen blijven.

15. In aansluiting op hetgeen terzake van het spoedeisend belang is overwogen
in de eerste alinea van blz. 5 van het beroepen vonnis, hetgeen het hof
overneemt en tot het zijne maakt, en nu naar het voorlopig oordeel van
het hof voorts het bestaan van een vorderingsrecht van A in voldoende mate
aannemelijk is geworden terwijl het door R gestelde omtrent het restitutierisico
een toereikende grondslag mist, is het hof van oordeel dat de door A gevorderde
voorziening in kort geding alsnog voor toewijzing in aanmerking komt.

16. Onbetwist blijkt uit de gedingstukken dat A op 12 januari 1995 jegens
R aanspraak heeft gemaakt op het onderhavige voorschot tegen 26 januari
1995. Vanaf laatstgenoemde datum is R daarover de wettelijke rente aan
A verschuldigd.
Als de in het ongelijk te stellen partij zal R voorts worden veroordeeld
in de proceskosten, zowel van de eerste aanleg als die van het principaal
appèl.

In het incidenteel appèl:

17. De grief heeft betrekking op de kostencompensatie in prima.

18. In de hiervoor onder 16 overwogene ligt verwerping van het standpunt
van R in deze besloten.

19. De grief faalt. Het incidenteel appèl zal worden verworpen.

20. Als de in het ongelijk te stellen partij zal R worden veroordeeld in
de kosten van het incidenteel appèl.

De beslissing

Het gerechtshof:

in het principaal appèl:

vernietigt het vonnis van d.d. 24 februari 1995, waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt R. om binnen 7 werkdagen na de betekening van dit arrest, aan
A. bij wege van voorschot te betalen een bedrag groot ƒ 10.000 (zegge
tienduizend gulden), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf
26 januari 1995 tot aan de dag van voldoening.

Veroordeelt R in de kosten van de procedure in eerste aanleg, aan de zijde
van A te begroten op ƒ408,15 aan verschotten en ƒ 1.500 aan salaris voor
de procureur;
alsmede in de kosten van de procedure in het principaal appèl, tot aan
deze uitspraak aan de zijde van A te begroten op ƒ 499,05 aan verschotten
en ƒ 1.025 aan salaris voor de procureur, waarvan te voldoen aan de griffier,
die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ƒ 481,10 aan verschotten en
ƒ 2.525 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest, voor zover het bovengenoemde veroordelingen betreft,
uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appèl:

Verwerpt het beroep;

veroordeelt R in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van A te begroten op nihil aan verschotten en ƒ
512,50 aan salaris voor de procureur, waarvan te voldoen aan de griffier,
die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ƒ 512,50 aan salaris voor de
procureur.

Rechters

Mrs Falkena, Knijp, Bax-Stegenga

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


NWO geeft subsidies voor onderzoek bij universiteiten. Zij doet dit in
de vorm van aanstellingen van onderzoekers. Bij het verlenen van een aanstelling
hanteert zij leeftijdsgrenzen. De Commissie oordeelt dat de NWO door het
hanteren van deze leeftijdsgrenzen in strijd handelt met de wet gelijke
behandeling. Uit cijfermateriaal blijkt dat de leeftijdsgrenzen vooral
vrouwen met zorgtaken benadelen. De NWO kan onvoldoende aannemelijk maken
dat de gehanteerde leeftijdsgrenzen noodzakelijk zijn. Het argument dat
het rendement van een oudere onderzoeker minder is dan van een jongere
is niet juist. Het rendement van een onderzoeker wordt naast zijn leeftijd
ook bepaald door het intellectuele niveau, de kennis en zijn motivatie
en produktiviteit. Verder doet de Commissie in haar oordeel de aanbeveling
dat het afwijken van de leeftijdsgrenzen voor vrouwen met zorgtaken in
de praktijk ook toegepast moet worden. De meest eenvoudige oplossing is
evenwel geheel af te zien van het stellen van leeftijdseisen.

Volledige tekst

Tenslotte wordt erop gewezen dat de meest eenvoudige oplossing wellicht
is geheel af te zien van het stellen van leeftijdsgrenzen voor toelating.
In dit verband wordt verwezen naar de maatschappelijke ontwikkelingen op
het gebied van leeftijdsdiscriminatie en de terzake in voorbereiding zijnde
wetgeving.

5. Het oordeel van de commissie

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Nederlandse Organisatie
voor Wetenschappelijk Onderzoek te Den Haag indirect onderscheid maakt
naar geslacht door bij de aanstelling van onderzoekers in opleiding en
post-docs leeftijdsgrenzen te stellen en derhalve in strijd met artikel
1a lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen handelt.

Noot

Op 13 oktober 1997 oordeelde de CGB dat met het hanteren van leeftijdscriteria
bij de aanstelling van wetenschappelijk onderzoekers indirect onderscheid
op grond van geslacht wordt gemaakt door de Nederlandse Organisatie voor
Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) en de Koninklijke Nederlandse Academie
van Wetenschappen (KNAW). Vrouwen ondervinden eerder dan mannen onevenredig
nadeel van deze leeftijdsgrenzen omdat vrouwen hun loopbaan vaker onderbreken
en vaker in deeltijd werken. De zorg en verantwoordelijkheid voor de kinderen
is de belangrijkste reden om dit te doen. De CGB stelt voorop dat dit een
feit van algemene bekendheid is. De Commissie laat het niet bij deze constatering
maar toont met behulp van statistische gegevens aan dat vrouwen met een
wetenschappelijke opleiding in de betrokken leeftijdscategorieën onevenredig
vaak worden getroffen. Daarmee stond vast dat er sprake is van indirect
onderscheid op grond van geslacht. Dit is verboden door de WGB en de AWGB
tenzij het onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De argumenten om de
leeftijdsgrenzen te hanteren, konden de objectieve rechtvaardigingstoets
niet doorstaan. Voor de afweging van de CGB kan naar het oordeel zelf worden
verwezen omdat de overwegingen duidelijk zijn en bovendien overeenkomstig
vaste Commissie-rechtspraak; het betreft de overwegingen 4.6 en 4.7. Het
eindoordeel is dat in strijd met de wet is gehandeld.

Het oordeel heeft nog een interessant staartje met de aanbeveling in 4.8.
De CGB adviseert NWO om in het beleid een uitdrukkelijke uitzondering op
te nemen waardoor vrouwelijke kandidaten die vanwege zorgtaken de leeftijdsgrens
zijn gepasseerd maar voor het overige wel aan de functie-eisen voldoen,
toch in aanmerking kunnen komen voor de aanstelling als onderzoeker. De
Commissie doet een aanbeveling waarmee kan worden voorkomen dat in de toekomst
nog langer het verboden sekse-onderscheid wordt gemaakt. Met de aanbeveling
lijkt tevens een waardering te worden uitgedrukt voor het maatschappelijke
belang dat gemoeid is bij de daadwerkelijke verlening van zorg voor kinderen
en anderen. Degenen die tot de groep behoren die deze zorgtaken verrichten,
moeten vanwege dit maatschappelijke belang niet worden benadeeld in het
aanstellingsbeleid. Aldus kan de aanbeveling van de Commissie worden opgevat.

Op 14 oktober 1997 ontvingen de leden van de Tweede Kamer een wetsvoorstel
waarin het maken van onderscheid op grond van leeftijd bij het aanbieden
en het aangaan van een arbeidsverhouding wordt verboden (TK 1997-1998,
25 677). Dat dit een dag na de uitspraken van de CGB was, berust op toevalligheden
maar roept wel de vraag op of het wetsvoorstel niet op voorhand achterhaald
is. Immers: personen die tot de groep behoren die relatief het meest gedupeerd
wordt door het hanteren van leeftijdscriteria, genieten de bescherming
van het verbod van indirect onderscheid op grond van sekse.

Het wetsvoorstel heeft een negatief advies van de Raad van State meegekregen
onder andere omdat het niet ter discussie staat dat leeftijdsdiscriminatie
ook nu al verboden is. De Raad doelt hiermee op de mogelijkheden van het
discriminatieverbod van artikel 1 Gw en artikel 26 Bupo-verdrag. Voor gegevens
over jurisprudentie hieromtrent valt te verwijzen naar het artikel `Leeftijds-
en vrouwendiscriminatie’ van Tineke van Vleuten in Nemesis 1995 nr. 5,
p. 112-121 en tevens naar de voorbeelden op p. 11-13 van de memorie van
toelichting bij het zojuist aangehaalde wetsvoorstel.

Wat betekent dit in neutrale termen geformuleerde verbod van onderscheid
op grond van leeftijd voor personen die tot de groep behoren die relatief
het meest gedupeerd wordt door deze vorm van onderscheid? Zijn die personen
daarmee beter af dan met het verbod van discriminatie op grond van sekse?
Een kijkje in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp werkt verhelderend
bij het geven van een antwoord op deze vragen. Uit deze toelichting blijkt
niet dat vrouwen een belangrijke doelgroep zijn geweest voor de ontwerpers
van het wetsvoorstel. Op één plaats wordt op de volgende manier een link
gelegd `… dat leeftijdsdiscriminatie regelmatig vrouwen lijkt te treffen
en dat er mogelijk een verband is tussen leeftijdsdiscriminatie en vrouwendiscriminatie.
De Stichting van de Arbeid wijst erop dat onderscheid naar leeftijd zich
mogelijk meer voor kan doen ten aanzien van vrouwen, aangezien deze veelal
tijdelijk uittreden in verband met het verrichten van zorgtaken.’ (MvT
p. 9) Deze vijf regels komen voor in een toelichting die twintig pagina’s
telt. Daarbij staat het buiten kijf dat de indieners van het wetsvoorstel
hadden kunnen beschikken over het statistische materiaal waarover ook de
CGB de beschikking had.

Voor de beantwoording van de bovenstaande vragen is het eveneens verhelderend
de bijdrage Rechten zonder illusies van Dorien Pessers in het
NJB 1991, p. 999-1008 nog eens te herlezen. Zij wijst op de ontwaarding
van het discriminatieverbod ondermeer door het gebruik van een neutrale
terminologie. Ook de uitbreiding van de verdachte criteria brengt een ontwaarding
mee waardoor vormen van discriminatie die verregaand geïnstitutionaliseerd
zijn – zoals vrouwendiscriminatie – veel moeilijker aan te pakken zijn
met een discriminatieverbod.

Het oordeel van de CGB maakt duidelijk dat er verschil bestaat tussen een
verbod van seksediscriminatie en een neutraal geformuleerd verbod van leeftijdsdiscriminatie.
Bij de Commissie is de blik gericht op de positie van vrouwen als personen
die het meest gedupeerd zijn en bovenal op hun omstandigheden. Die benadering
maakt het mogelijk tot een aanbeveling te komen die discriminatie in de
toekomst kan voorkomen. Als de vraag aan de orde moet komen of functie-eisen
indirect discriminerend zijn voor vrouwen, dwingt dat tot het nadenken
over oplossingen waar vrouwen baat bij hebben. Onderstreept kan worden
dat alleen als vrouwen onevenredig worden getroffen een beroep op het verbod
van indirect onderscheid op grond van sekse kan worden gehonoreerd.

Ook bij de belangenafweging die plaats vindt bij de objectieve rechtvaardigingstoets
is aandacht voor de groep die het meest wordt gedupeerd door discriminerende
functie-eisen nodig. Zo kan het maatschappelijk belang dat voor kinderen
en anderen wordt gezorgd naast de deelname aan de betaalde arbeid of een
tijdlang in plaats van deelname aan de betaalde arbeid, worden meegewogen
bij deze toets. Dat maatschappelijk belang kan bijvoorbeeld worden geplaatst
naast het maatschappelijk belang van het aantal jaren rendement dat een
onderzoeker in de toekomst nog moet opleveren. NWO voerde dit rendementsargument
aan bij de CGB ten voordele van het stellen van de leeftijdsgrenzen.

Het oordeel van de CGB dwingt tot een herbezinning op de vraag op welke
manier het discriminatieverbod moet worden ingezet. Die herbezinning is
ook nodig in verband met de verplichtingen die Nederland heeft op grond
van het VN-vrouwenverdrag. Het VN-vrouwenverdrag verplicht in artikel 11
eerste lid onder b tot het treffen van passende maatregelen om vrouwen
het recht te garanderen op dezelfde arbeidsmogelijkheden met inbegrip van
toepassing van dezelfde selectiemaatstaven in het arbeidsproces. Vrouwen
moeten worden gevrijwaard van alle vormen van directe en indirecte discriminatie.
Artikel 3 VN-Vrouwenverdrag verplicht tot het treffen van passende maatregelen
die leiden tot een positieverbetering van vrouwen.

De betekenis van artikel 1 (verbod vrouwendiscriminatie), artikel 2 (verbod
van directe en indirecte vrouwendiscriminatie bij wet), artikel 3 (positieverbetering
vrouwen) en artikel 5 (doorbreken genderideologie) VN-vrouwenverdrag in
hun onderlinge samenhang is goed uitgelegd in Het Vrouwenverdrag in
Nederland anno 1997
(in de wandelgangen rapport Groenman) op p. 21-27.
Aan de indieners van het wetsvoorstel moet dit als verplichte literatuur
worden voorgeschreven.

Van een wetsvoorstel waarin de positie van vrouwen vrijwel wordt veronachtzaamd,
is weinig positieverbetering te verwachten. Het oordeel van de CGB kan
daar wel aan bijdragen en spoort daarmee goed met de verplichtingen van
het VN-vrouwenverdrag.

Eva Cremers – Hartmann

Rechters

Mrs Gonçalves-Ho Kang You, Nicolai, Dierx

Instantie: Hoge Raad, 17 oktober 1997

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


De man en vrouw waren gehuwd bij huwelijkse voorwaarden met koude
uitsluiting.
Na de scheiding heeft de man gevorderd dat de vrouw het aankoopbedrag van
het
huis aan hem terug zal betalen. Het hof heeft deze vordering afgewezen
omdat
de man het daarmee gemoeide bedrag had betaald ’ter voldoening aan een
op hem
rustende dringende verplichting van moraal en fatsoen en derhalve ter
voldoening aan een op hem rustende natuurlijke verbintenis’.
Het hof heeft hiervoor drie omstandigheden doorslaggevend geacht.
1. Kort na aanvang van het huwelijk heeft de vrouw haar werk opgegeven
om in
het bedrijf van de man te kunnen gaan werken.
2. De vrouw beschikt niet over een zodanig vermogen dat zij na de scheiding
geheel of in belangrijke mate in eigen onderhoud kon voorzien.
3. De subsidie voor de onderhavige woning – die voor de vrouw was bestemd
–
was aan de man ten goede gekomen.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie – verder te noemen: de vrouw – heeft bij exploit
van
25 maart 1991 eiser tot cassatie – verder te noemen: de man – gedagvaard
voor
de Rechtbank te Leeuwarden en – na wijziging van eis – gevorderd de man
te
veroordelen om aan de vrouw een bedrag van ƒ 122 000 te betalen, vermeerderd
met de wettelijke rente daarover vanaf 10 augustus 1990, althans vanaf
18
september 1991, althans vanaf de dag van de dagvaarding, en het te dezen
gelegde conservatoire beslag van waarde te verklaren.

De man heeft deze vorderingen bestreden en heeft, voor zover thans nog
van
belang, zijnerzijds in reconventie gevorderd de vrouw te veroordelen tot
betaling van een bedrag van ƒ 171 990, te vermeerderen met de wettelijke
rente over ƒ 116 754 vanaf 4 augustus 1990 en over het overige vanaf 19
september 1991, waarna hij bij repliek in reconventie zijn eis nog heeft
vermeerderd met een bedrag van ƒ 6758, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf 9 juli 1992.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 april 1993 in conventie de
beslissing aangehouden en in reconventie een comparitie van partijen gelast.
Bij eindvonnis van 26 mei 1994 heeft de Rechtbank in conventie de vorderingen
van de vrouw vrijwel geheel toegewezen, en heeft zij in reconventie de
vorderingen van de man tot een bedrag van ƒ 111 903,80 toegewezen, met
afwijzing van het meer of anders gevorderde. Tegen beide genoemde vonnissen,
voor zover in reconventie gewezen, heeft de vrouw hoger beroep ingesteld
bij
het Gerechtshof te
eeuwarden. De man heeft dit hoger beroep bestreden en heeft zijnerzijds,
zowel in conventie als in reconventie, tegen beide vonnissen incidenteel
hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 24 april 1996 heeft het Hof in het
principaal en incidenteel appel voormeld tussenvonnis bekrachtigd en voorts
het eindvonnis, voorzover daarbij in reconventie ƒ 111 903,80 met rente
werd
toegewezen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vrouw in reconventie
veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van ƒ 5341,80 met de
wettelijke rente over ƒ 4590 sinds 4 augustus 1990 en over ƒ 751,80 sinds
9
juli 1992, met bekrachtiging van het eindvonnis voor het overige. Het arrest
van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld.
De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De
vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor
partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal
Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het bezwaar met betrekking tot de in cassatie
overgelegde producties

De door M. bij de schriftelijke toelichting overgelegde producties bevatten
gegevens van feitelijke aard en kunnen, nu zij in de feitelijke instanties
niet in het geding waren, voor de beoordeling van de zaak in cassatie geen
rol spelen.

4. Beoordeling van het middel

4.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:

(i) Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Hun huwelijk is in januari
1990
door echtscheiding geëindigd. Begin 1989, toen de man de echtelijke woning
verliet, is de vrouw daarin achtergebleven en zijn de drie kinderen van
partijen, geboren in 1975, 1978 en 1980, aan de zorgen van de vrouw
toevertrouwd.

(ii) Blijkens een akte van huwelijkse voorwaarden, gedateerd 6 december
1972,
was tussen partijen elke gemeenschap van goederen uitgesloten en kwamen
de
kosten van de gemeenschappelijke huishouding voor rekening van de man,
met
dien verstande dat, wanneer de vrouw in de bestrijding van die kosten
vrijwillig bijdroeg, de man niet verplicht was dit haar te vergoeden.

(iii) De voormalige echtelijke woning, waar de vrouw met de kinderen woont,
is haar eigendom. De vrouw heeft deze woning in 1981 als premiewoning
aangekocht. De koopsom en de daarop verschuldigde kosten, in totaal een
bedrag van ƒ 116 754 belopend, zijn daarbij door de man voldaan. De vrouw
heeft echter, tot zekerheid van een schuld van de man aan de Rabobank (welke
schuld ook de financiering van de woning betrof), een hypotheek op die
woning
aan de bank verleend. Over de jaren 1982 tot en met 1988 is de voor de
vrouw
bestemde woning-subsidie – overheidsbijdrage voor de op naam van de vrouw
staande premiewoning – op een rekening van het bedrijf van de man gestort
en
derhalve aan de man ten goede gekomen.

(iv) In het voorjaar van 1991 vernam de vrouw dat de Rabobank van plan
was om
in verband met de schuld van de man, ongeveer ƒ 150 000 belopend, onder
meer
ten aanzien van die woning executiemaatregelen te treffen. Zij heeft toen
door storting van een bedrag van ƒ 122 000 op de rekening van de man bij
de
Rabobank bewerkstelligd dat voormelde hypotheek door de bank werd geroyeerd.

4.2. Nadat de vrouw in conventie een vordering tot terugbetaling van de
in
4.1 onder (iv) genoemde ƒ 122 000 tegen de man had ingesteld, welke vordering
in de feitelijke instanties werd toegewezen en in cassatie niet meer aan
de
orde is, heeft in reconventie de man, voor zover thans nog van belang,
gevorderd de aldaar onder (iii) genoemde ƒ 116 754 aan hem terug te betalen.
Naar aanleiding van een desbetreffend verweer van de vrouw heeft het Hof
deze
laatste vordering afgewezen omdat de man het daarmee gemoeide bedrag had
betaald “ter voldoening aan een op hem rustende dringende verplichting
van
moraal en fatsoen en derhalve ter voldoening aan een op hem rustende
natuurlijke verbintenis”. Hiertegen richt zich het middel.

4.3. Bij het bestreden oordeel is het Hof, onder verwijzing naar HR 15
september 1995, NJ 1996, 616, voor zover thans van belang ervan uitgegaan
dat
ook onder het hier van toepassing zijnde oude recht de objectieve maatstaf
van art. 6:3 lid 2, aanhef en onder b, BW gelding had en sprak het
dienovereenkomstig als zijn oordeel uit dat bij de toepassing van deze
maatstaf aan het subjectieve inzicht van degene die de prestatie voldoet,
geen beslissende betekenis toekomt. Hiervan uitgaande, heeft het voorts
overeenkomstig genoemd arrest vooropgesteld dat in een geval als het
onderhavige, waarin (bij een zogenaamde “koude uitsluiting”) de man gelden
heeft verstrekt voor de aankoop van een geheel of mede op naam van de vrouw
te plaatsen, gemeenschappelijke of alleen voor de vrouw bestemde woning,
in
het algemeen sprake is van een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid
van
een natuurlijke verbintenis zoals hier bedoeld, nu het voor de hand ligt
dat
een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het
einde van het huwelijk in de woning kan blijven wonen en deze waarborg
niet
tot zijn recht zou komen, wanneer zij het gevaar loopt deze woning te moeten
verkopen om aan een vergoedingsplicht jegens de man of diens erfgenamen
te
kunnen voldoen. Tegen deze achtergrond heeft het Hof voor zijn bestreden
oordeel, meer concreet, drie omstandigheden doorslaggevend geacht. Allereerst
heeft het in aanmerking genomen dat de vrouw, zoals niet of onvoldoende
was
weersproken, kort na de aanvang van het huwelijk een betaalde werkkring
had
opgegeven om in het bedrijf van de man te kunnen gaan werken, in welk bedrijf
zij gedurende ongeveer veertien jaren circa 40 uren per week zonder beloning
had gewerkt, en dat dus de vrouw ten behoeve van het bedrijf van de man
de
mogelijkheid had prijsgegeven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Verder heeft het Hof in aanmerking genomen dat niet was gebleken dat de
vrouw
over een zo aanzienlijk vermogen beschikte, dat zij na het einde van het
huwelijk geheel of in belangrijke mate in haar levensonderhoud kon voorzien.
Ten slotte heeft het Hof nog verwezen naar de hiervóór in 4.1 onder (iii)
reeds vermelde omstandigheid dat de subsidie voor de onderhavige woning
– die
voor de vrouw was bestemd – aan de man ten goede was gekomen. Aan een en
ander heeft het Hof, kort gezegd, nog toegevoegd dat aan zijn oordeel niet
afdoet dat de man ingevolge de tussen partijen geldende huwelijkse
voorwaarden gedurende het huwelijk de kosten van de gezamenlijke huishouding
heeft gedragen en dat het bedrijf van de man de laatste jaren van het
huwelijk niet winstgevend is gebleken, en evenmin dat de vrouw na het
uiteengaan van partijen in februari 1989 per 1 augustus 1989 door werk
in
haar eigen onderhoud voorziet.

4.4. Aldus heeft het Hof een juiste maatstaf aangelegd en geen rechtsregel
geschonden, ook niet de regel van art. 6:3 lid 2, aanhef en onder b, BW.
Daarbij verdient nog opmerking dat voor de vraag of de man, door in 1981
de
koopsom van de echtelijke woning te betalen en de kosten van de koop voor
zijn rekening te nemen, aan een dringende morele verplichting voldeed,
niet
van belang is hoe thans, vele jaren later, partijen er financieel blijken
voor te staan, en evenmin van belang is of het huwelijk van partijen door
overlijden dan wel door een echtscheiding werd beëindigd. Voor het overige
is
’s Hofs oordeel zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat
het
in cassatie niet verder op juistheid kan worden getoetst. Het is geenszins
onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Derhalve faalt het middel.

5. Beslissing

De Hoge Raad: verwerpt het beroep; compenseert de kosten van het geding
in
cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Roelvink, Heemskerk, Jansen

Instantie: Rechtbank Maastricht, 16 oktober 1997

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Partijen zijn onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. Man en vrouw vorderen
nu beiden bij de rechtbank de andere partij te veroordelen mee te werken
aan de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Kort voor het feitelijk uiteengaan
vervreemdt de man goederen buiten het medeweten van de vrouw. De man laat
de opbrengst niet in de gemeenschap vallen. De vrouw stelt niet wat de
waarde is van de goederen en zij levert ook geen bewijs over de waarde
van de goederen. De rechtbank gaat niet over tot de benoeming van een deskundige
die de waarde kan vaststellen van de vervreemde goederen omdat de goederen
niet meer te traceren zijn. De waarde wordt niet vastgesteld. De rechtbank
laat de door de man vervreemde goederen bij de verrekening buiten beschouwing.

Volledige tekst

1. Verder verloop van de procedure

De bij voornoemd vonnis gelaste comparitie heeft plaatsgevonden op 21 november
1996. Het proces-verbaal daarvan is bij de stukken gevoegd.
De vrouw heeft vervolgens, onder overlegging van produkties, een conclusie
na comparitie genomen, waarna de man, onder overlegging van produkties,
een antwoord-conclusie na comparitie heeft genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor vonnis, waarvan de
datum nader is bepaald op heden.

2. De vorderingen

De vrouw vordert – kort gezegd – voor zover toelaatbaar uitvoerbaar bij
voorraad, de man te veroordelen om:

1) medewerking te verlenen aan de verdeling van de huwelijksgemeenschap;
2) te gedogen dat de Rechtbank de wijze van de verdeling van de gemeenschap
vaststelt;
3) te gedogen dat de Rechtbank een deskundige benoemd teneinde de waarde
van de tot de gemeenschap behorende goederen vast te stellen, voorzover
partijen daarover geen overeenstemming bereiken;
4) medewerking te verlenen aan een openbare verkoop van de door de Rechtbank
aan te wijzen goederen, en
5) om de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

Naar de Rechtbank begrijpt concludeert de man tot toewijzing van het onder
1) gevorderde en tot afwijzing van het onder 2), 3), 4) en 5) gevorderde.

Terzake de vordering in conventie merkt de Rechtbank op dat nu de vrouw
heeft nagelaten aan te geven hoe zij de verdeling vastgesteld wenst te
zien, Zij die vordering in die zin begrijpt dat de vrouw vordert de gemeenschap
te verdelen overeenkomstig de wijze die zij ten overstaan van de notaris
heeft aangegeven, waarvan blijkt uit het aan de dagvaarding gehechte proces-verbaal
van zwarigheden.

In reconventie:

De man vordert – kort gezegd – voor zover toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

– de vrouw te veroordelen mede te werken aan de verdeling van de huwelijksgemeenschap;
– dat de Rechtbank zal bepalen dat de verdeling van de gemeenschap zal
plaatsvinden als aangegeven in de conclusie van antwoord in conventie;
– dat de Rechtbank een onzijdig persoon benoemt om de vrouw eventueel te
vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de gemeenschap;
– dat de Rechtbank zal bepalen dat de kosten van de onzijdige persoon ten
laste zullen komen van de gemeenschap;
– de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de man, althans
tot afwijzing van zijn vorderingen.

3. Beoordeling

In conventie en reconventie

De vrouw en de man hebben beiden gevorderd de andere partij te veroordelen
mede te werken tot verdeling van de huwelijksgemeenschap.
De Rechtbank zal partijen in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk
verklaren op grond van het volgende.
De Rechtbank zal, overeenkomstig het tevens door partijen gevorderde de
wijze van verdeling vaststellen.
Partijen hebben dan geen belang meer bij een veroordeling van de ander
om mee te werken te onderhandelen met elkaar teneinde tot overeenstemming
te komen omtrent de wijze van verdeling an der partijen huwelijksgemeenschap,
welke wijze van verdeling immers door de Rechtbank zal worden vastgesteld.
Daarnaast zal de Rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering
een onzijdig persoon te benomen om de vrouw, voor zover zij onwillig is,
te vertegenwoordigen bij de werkzaamheden tot verdeling van de huwelijksgemeenschap.
Ook bij dat deel van zijn vordering heeft de man, gelet op de vaststelling
door de Rechtbank van de wijze van verdeling, immers geen belang.
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel
niet althans onvoldoende betwist, het navolgende vast:

Op 7 mei 1988 is het echtscheidingsvonnis d.d. 26 mei 1988 ingeschreven
in de registers van de Burgerlijke Stand.
De huwelijksgemeenschap van partijen, die in algehele gemeenschap van goederen
waren gehuwd, is derhalve op die datum ontbonden.

Partijen zijn op 20 juni 1986 reeds feitelijk uit elkaar gegaan. Op die
datum heeft de vrouw de woning verlaten. De man heeft van 20 juni 1986
tot 11 maart 1988 krachtens voorlopige voorzieningen het voortgezet gebruik
van de echtelijke woning en inboedel gehad. Daarna is dit aan de vrouw
toegewezen.
Op 28 maart 1988 heeft de vrouw maritaal beslag laten leggen op de in de
woning aanwezige inboedel.

Nadat partijen ten overstaan van notaris K. niet tot verdeling van de ontbonden
gemeenschap konden geraken, heeft voornoemde notaris op 5 januari 1994
een procesverbaal van zwarigheden opgemaakt.

De Rechtbank begrijpt uit het proces-verbaal van zwarigheden dat de vrouw
naast de inboedel waarop conservatoir-maritaal beslag is gelegd, de saldi
bij de Rabobank en schulden uit door haar aangegane geldleningen ter herinrichting
van nieuwe woonruimte, verrekend wenst te zien:
– paard van dochter;
– trailer;
– oude koets;
– tuigage;
– pro resto hoofdsom van paard dochter M. ad ƒ 350,=;
– koopsom materialen uit afbraak ponystal en geplastificeerd hekwerk;
– stuk grond gelegen aan de V. P. te S.;
– enveloppe met ƒ 1500,=;
– Nederlandse muntenverzameling;
– goederen zoals gespecificeerd in een brief van haar d.d. 10 mei 1993;
– de kosten van “opslag meubelen” ad ƒ 50,= p.m.;
– de teruggave belastingen en premieheffingen 1985 en half 1986;
– de levensverzekering bij de RVS.
De Rechtbank begrijpt verder uit het proces-verbaal van zwarigheden dat
de vrouw stelt dat de man naast voornoemde goederen nog meer goederen aan
de inboedel heeft onttrokken, welke zij ook verdeeld wenst te zien.

Daarnaast wenst de vrouw afgifte door de man van:
– speelgoed van de kinderen;
– fotoalbums;
– geboortekaartjes;
– doopakte en doopkaarsen;
– spaarbankkboekjes van M. en A.;
– huurcontract, bouwvergunningen en tekeningen van de echtelijke woning;
– verdere papieren;
– trouwboekje.

De man maakt geen aanspraak op de inboedelgoederen zoals beschreven in
het proces-verbaal van het conservatoir maritaal beslag en op de goederen
die door hem aan de vrouw zijn afgegeven, overeenkomstig de door partijen
opgemaakte lijst, welke door de man als produktie 5 bij zijn conclusie
van antwoord in conventie is overgelegd.
Daarentegen wenst hij dat bij de verdeling rekening wordt gehouden met:
– ƒ 900,= welke de vrouw na de blokkering van voormelde rekeningen middels
eurocheques heeft opgenomen;
– premies die de man betaald heeft ter zake van de levensverzekering en
autoverzekering.

Goederen genoemd onder punt 3 van de brief van mr. Haverhoek d.d. 21 mei
1993, overgelegd bij dagvaarding en de niet met name genoemde goederen
waarvan de vrouw stelt dat de man ze aan de inboedel heeft onttrokken.

De vrouw gaat niet akkoord met het door de man gedane voorstel van toebedeling
van de inboedel, nu de man naar haar zeggen waardevolle goederen aan de
gemeenschap heeft onttrokken voordat het maritaal beslag werd gelegd en
tevens een aantal aanwezige goederen heeft beschadigd, hetgeen de man betwist.

Een aantal goederen welke de man aan de gemeenschap onttrokken zou hebben
heeft de vrouw uitdrukkelijk aangeduid in het proces-verbaal van zwarigheden,
zoals blijkt uit bovenstaande opsomming.

De Rechtbank overweegt allereerst dat Zij voorbij gaat aan het gevorderde
terzake het weiland van de kinderen en de pony’s van A. en M. nu slechts
in geding is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waar voornoemde
goederen niet toe behoorden.

Ten aanzien van de trailer, de paardestal en de tuigage stelt de man dat
de verkoop plaats heeft gevonden voor het uit elkaar gaan van partijen.
De koets/sjees zou naar een schroothandelaar zijn gebracht zonder iets
op te brengen.
Ten aanzien van het speelgoed erkent de man een gedeelte van het gezamelijke
speelgoed van de kinderen te hebben meegenomen.
De enveloppe met ƒ 1.500,= heeft volgens de man nooit bestaan. Hij betwist
verder de muntenverzameling en de lijst met overige goederen te hebben
meegenomen.

Ter zake van de trailer, de sjees, de koopsom paardestal en de tuigage
overweegt de Rechtbank dat, nu de man erkent dat hij die goederen kort
voor het feitelijk uiteengaan van partijen heeft vervreemd, terwijl hij
niet betwist dat hij zulks buiten medeweten van de vrouw heeft gedaan,
het aan de man zou zijn bewijs te leveren van zijn stelling dat de opbrengst
van genoemde goederen ten bate van de gemeenschap is gekomen, hetgeen de
vrouw weerspreekt.
Nu de man heeft nagelaten van voormelde stelling bewijs aan te bieden,
zal de Rechtbank er veronderstellenderwijze van uitgaan dat de man de opbrengst
uit de verkoop van die goederen niet in de gemeenschap heeft ingebracht.
Het voorgaande brengt met zich mee dat in beginsel termen aanwezig zijn
om op het aandeel van de man toe te rekenen hetgeen hij vanwege voormelde
handelwijze aan de gemeenschap schuldig is.
Door de vrouw is niet betwist dat voormelde goederen door de man zijn vervreemd
en dat zij zich derhalve niet meer in zijn macht bevinden.
Daar de vrouw niet heeft gesteld wat de waarde is van de onderhavige goederen,
noch heeft aangeboden bewijs te leveren omtrent de waarde ervan, tast de
Rechtbank daaromtrent volledig in het duister.
Aangezien de goederen naar alle waarschijnlijkheid niet meer te traceren
zijn, zou ook een eventueel door de Rechtbank te benoemen deskundige geen
opheldering kunnen geven over de waarde van voormelde goederen, zodat de
Rechtbank daartoe niet zal overgaan.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de Rechtbank de aanname dat de man
voormelde goederen heeft onttrokken aan de gemeenschap bij de toedeling
buiten beschouwing zal laten.

Terzake de enveloppe met ƒ 1.500,= waarvan de vrouw stelt dat de man die
aan de gemeenschap heeft ontvreemd, merkt de Rechtbank op dat gezien de
gemotiveerde betwisting van de man niet is komen vast te staan dat er een
enveloppe met ƒ 1.500,= in de echtelijke woning aanwezig was. De bewijslast
te dien aanzien ligt naar het oordeel van de Rechtbank bij de vrouw nu
zij die enveloppe met inhoud bij de verdeling wenst te betrekken. Gelet
op de omstandigheid dat de vrouw heeft nagelaten terzake bewijs aan te
bieden, gaat de Rechtbank voorbij aan de voormelde stelling van de vrouw.
Bij de verdeling zal derhalve niet worden betrokken een enveloppe met ƒ
1.500,=.

Ten aanzien van de partijen geschillen omtrent het speelgoed van de kinderen
van partijen oordeelt de Rechtbank dat speelgoed van kinderen in beginsel
geacht wordt deel van de huwelijksgemeenschap uit te maken en dat de redelijkheid
en billijkheid bij verdeling van een huwelijksgemeenschap met zich brengt
dat dat speelgoed zonder nadere verrekening wordt toebedeeld aan de verzorgende
ouder, in casu de vrouw.

Met betrekking tot de muntenverzameling, fotoalbums, geboortekaartjes,
doopakte en doopkaatsen, het huurcontract van de echtelijke woning, bouwvergunningen
en tekeningen voor dat pand, het trouwboekje, en de goederen beschreven
op pag. 1 t/m 3 in de brief van de vrouw d.d. 10 mei 1993, overgelegd bij
dagvaarding, merkt de Rechtbank op dat de man in eerste instantie twee
mogelijke redenen aanvoert voor het ontbreken van die goederen ten tijde
van het maritaal beslag, te weten:
– een inbraak d.d. 12-11-1987, en
– het niet noteren door de deurwaarder van goederen welke zich op zolder,
in de kelder en in het schuurtje bevonden.
Terzake de aangevoerde inbraak merkt de Rechtbank op dat blijkens het proces-verbaal
van aangifte slechts een zeer klein aantal goederen was gestolen, waaronder
het in voormelde brief van 10 mei 1993 genoemde wijwaterbakje en pijpenrek.
Terzake het proces-verbaal van de deurwaarder merkt de Rechtbank op dat
voor zover al geloof moet worden gehecht dat de deurwaarder bepaalde plaatsen
in huis niet zou hebben bezocht, de man niet heeft gesteld dat voornoemde
goederen zich op zolder, in de kelder of in het schuurtje bevonden, hetgeen
ook niet aannemelijk is.
Op grond van het voorgaande is de Rechtbank van oordeel dat de man onvoldoende
weerlegd heeft de stelling van de vrouw dat hij voormelde goederen, waarvan
hij niet betwist dat die goederen tot de gezamenlijke inboedel van partijen
behoorden en zich in de echtelijke woning bevonden ten tijde van het door
hem bewonen van die woning in het kader van de voorlopige voorziening,
aan de inboedel onttrokken heeft.

De rechtbank zal nu de man niet heeft gesteld aanspraak te maken op (een
gedeelte van) voormelde inboedelgoederen, die goederen aan de vrouw toebedelen.
Uitgezonderd van die toedeling aan de vrouw worden het wijwaterbakje en
het pijpenrek, aangezien de vrouw niet betwist heeft dat die goederen gestolen
zijn.
Overeenkomstig de vordering van de vrouw zal de Rechtbank daarenboven de
afgifte van de fotoalbums, geboortekaartjes, doopakte en doopkaarsen, het
huurcontract van de echtelijke woning, bouwvergunningen en tekeningen voor
dat pand, het trouwboekje, door de man aan de vrouw te bevelen.

Terzake de stelling dat de vrouw dat de man nog andere inboedelgoederen
heeft onttrokken aan de inboedel, merkt de Rechtbank vooreerst op dat,
gezien de tegenstrijdige standpunten van partijen te dien aanzien, ten
processe niet is komen vast te staan dat de man nog meer goederen aan de
inboedel heeft onttrokken.

In beginsel zou voormeld twistpunt aanleiding geven aan de Rechtbank om,
teneinde de juistheid van voormelde stelling van de vrouw te toetsen en
zekerheid te krijgen over de samenstelling en de waarde van de te verdelen
inboedel ten tijde van de ontbinding van het huwelijk, een bewijsopdracht
te geven. De Rechtbank is van oordeel dat waar de vrouw stelt dat de overige
ontvreemde goederen bij de verdeling moeten worden betrokken, het aan de
vrouw is gemotiveerd te stellen om welke goederen het gaat en eventueel
aan te bieden bewijs te leveren van haar stellingen. Nu zij dat echter
heeft nagelaten gaat de Rechtbank voorbij aan die stelling van de vrouw.

In dit verband merkt de Rechtbank nog op dat het naar Haar oordeel op de
weg van (een der) partijen gelegen had om, ter voorkoming althans beperking
van geschillen over de inboedel, in een eerdere fase conservatoir maritaal
beslag te leggen of een boedelbeschrijving op te (doen) maken.

Aangezien de man afziet van aanspraken op de inboedelgoederen waarop maritaal
beslag is gelegd en die welke aan de vrouw zijn afgegeven, zal de Rechtbank
die goederen aan de vrouw toedelen.

De bankrekeningen

Bij de Rabobank te (…) bestaan nog 2 geblokkeerde rekeningen ten name
van partijen:
– rekeningnr. 15.02.119.927
– rekeningnr. 15.02.104.180.

De exacte saldi op die rekeningen zijn onbekend vanwege de rente die op
de rekeningen wordt bijgeschreven.

Partijen twisten over de vraag of het door de vrouw, na het blokkeren van
de rekeningen, opgenomen bedrag van ƒ 900,= verrekend moet worden bij de
toedeling van die saldi.
Nu uit de door de man overgelegde rekeningafschriften blijkt dat de WAO-uitkering
van de vrouw ten bedrage van ƒ 574,65 per maand in de maanden juni 1986
en juli 1986 is overgeboekt naar de geblokkeerde rekening met nummer 15.02.119.927,
waardoor de vrouw niet de beschikking had over haar uitkering, terwijl
de man erkent over die periode geen huishoudgeld aan de vrouw te hebben
afgedragen, is de Rechtbank van oordeel dat de vrouw in redelijkheid gehandeld
heeft door voormelde ƒ 900,= op te nemen.
Bij de toedeling van de saldi van voormelde rekeningen zal de Rechtbank
dat bedrag derhalve niet verrekenen.

De geldleningen

Eind 1986 is de vrouw voor herinrichtingskosten een lening aangegaan bij
de Kredietbank te (…) en bij de gemeente (…).
De vrouw stelt dat de terugbetaalde bedragen te weten ƒ 588,= en ƒ 2.820,=
verrekend moeten worden omdat zij door het meenemen van de inboedel door
de man genoodzaakt was die leningen ter herinrichting aan te gaan.

Wat er ook zij van de gestelde ontvreemding van inboedelgoederen, met de
man is de Rechtbank van oordeel dat verrekening van voormelde bedragen
alleen in de rede ligt wanneer ook de waarde van de daarvan aangeschafte
goederen tussen partijen wordt verdeeld.
Gelet op het vorenoverwogene zal de Rechtbank, er veronderstellenderwijze
vanuitgaande dat de waarde van de aangeschafte goederen gelijk is aan de
terugbetaalde bedragen, die bedragen buiten beschouwing laten bij de verdeling.

Teruggave belastingen en premieheffingen 1985 en 1986

Uit de door de man overgelegde bescheiden blijkt dat hij over 1985 heeft
terugontvangen een bedrag van ƒ 399,= ter zake van inkomstenbelasting en
een bedrag van ƒ 264,= ter zake van de premieheffing volksverzekeringen.
Over het jaar 1986 heeft hij niets terugontvangen.

Partijen zijn het erover eens dat voormelde bedragen bij helfte verdeeld
moeten worden.
De Rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

De levensverzekering

Blijkens een door de man overgelegde brief van RVS Levensverzekeringen
nv d.d. 6 april 1989, is de tot de huwelijksgemeenschap behorende levensverzekering
komen te vervallen in verband met het onbetaald blijven van de premie vanaf
april 1987, waaronder een afkoopwaarde van ƒ 504,93 ter beschikking van
de huwelijksgemeenschap is gekomen.

Partijen zijn het erover eens dat voormeld afkoopwaarde verdeeld moet worden.
De man wil daarbij verrekenen de achterstallige premie die hij in de periode
van augustus 1986 t/m maart 1987 betaald heeft. Met de vrouw is de Rechtbank
van oordeel dat de betaalde premies niet voor verrekening in aanmerking
komen nu het kennelijk betreft voldoening aan lopende gemeenschapsverplichtingen
voor de ontbinding van de huwelijksgemeenschap.

Hetzelfde geldt ten aanzien van de door de man betaalde premies van de
autoverzekering.

Kosten opslag meubelen

De man betwist de noodzaak en de gemaakte kosten an de opslag. De Rechtbank
oordeelt dat de kosten van de opslag geen gemeenschapsschuld zijn die door
beide partijen gedragen moet worden. Het gaat hier om betalingen die voor
het ontbinden van de gemeenschap (de peildatum voor de verdeling) gedaan
zijn en welke niet in het kader van de verdeling voor verrekening vatbaar
zijn.

Schade

De vrouw stelt dat de man in en rondom de echtelijke woning zaken vernield
en/of beschadigd heeft. Op die grond is zij van mening dat een aantal schadeposten
bij de verdeling in aanmerking moet worden genomen.

De rechtbank overweegt terzake dat, gelet op de betwisting van de man,
niet is komen vast te staan dat de man schade aan gemeenschapsgoederen
heeft toegebracht. De bewijslast in dezen ligt naar het oordeel van de
Rechtbank bij de vrouw. Nu zij echter nalaat bewijs aan te bieden van haar
stellingen met betrekking tot de schade toegebracht door de man, gaat de
Rechtbank aan die stellingen voorbij.

Ten aanzien van de proceskosten overweegt de Rechtbank dat Zij gezien het
feit dat partijen elkaars gewezen echtelieden zijn termen aanwezig acht
de kosten te compenseren op de wijze als hierna in het dictum vermeld.

UITSPRAAK:

In conventie en reconventie

I. Stelt de wijze van verdeling tussen partijen als volgt vast:

Aan de vrouw wordt toebedeeld:

– de inboedelgoederen als vermeld in het proces-verbaal van conservatoir-maritaal
beslag;
– de inboedelgoederen als vermeld op de lijst welke als produktie 5 bij
de conclusie van antwoord in conventie is overgelegd;
– de Nederlandse muntenverzameling en de goederen beschreven op pag. 1
t/m 3 in de brief van de vrouw d.d. 10 mei 19923, overgelegd bij dagvaarding,
met uitzondering van het wijwaterbakje en pijpenrek;
– de helft van het saldo op rekeningnr. 15.02.119.927;
– de helft van het saldo op rekeningnr. 15.02104.180;
– de helft van ƒ 399,= terugontvangen ter zake van inkomstenbelasting 1985;
– de helft van ƒ 264,= terugontvangen ter zake van premieheffing volksverzekeringen
1985;
– de helft van de afkoopwaarde van de levensverzekering ad ƒ 504,93.

Aan de vrouw wordt tevens toebedeeld:
– speelgoed van de kinderen;
– fotoalbums;
– geboortekaartjes;
– doopakte en doopkaarsen;
– spaarbankboekjes van (…) en (…);
– huurcontract, bouwvergunningen en tekeningen van de echtelijke woning;
– verdere papieren;
– trouwboekje.
De rechtbank beveelt de afgifte van laatstgenoemde goederen door de man
aan de vrouw.

Aan de man wordt toegedeeld:
– de helft van het saldo op rekeningnr. 15.02.119.927;
– de helft van het saldo op rekeningnr. 15.02.104.180;
– de helft van ƒ 399,= terugontvangen ter zake van inkomstenbelasting 1985;
– de helft van ƒ 264,= terugontvangen ter zake van premieheffing volksverzekeringen
1985;
– de helft van de afkoopwaarde van de levensverzekering ad. ƒ 504,93.

Ontzegt het meer of anders gevorderde.
Compenseert de proceskosten aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr Casparie