Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 16 oktober 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Straatverbod en contactverbod. Aan het straatverbod wordt een dwangsom
gekoppeld van ƒ 500 per overtreding. Het Hof vernietigd de beslissing dat de
vrouw zich niet grievend mag uitlaten tegenover de buren en straatgenoten van
de man omdat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw zich
hieraan schuldig maakte.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1 Bij exploit van 14 mei 1997 is appellante – de vrouw – onder aanvoering
van twee grieven in hoger beroep gekomen van het door de president van de
arrondissementsrechtbank te Utrecht onder rolnummer KG 04.21.294/97 tussen
partijen in conventie en reconventie gewezen en op 1 mei 1997 uitgesproken
vonnis, met dagvaarding van geïntimeerde – de man – voor dit hof teneinde te
horen concluderen dat het hof bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar
bij voorraad, dat vonnis zal vernietigen in die zin dat in conventie de
veroordeling van de man aldus wordt aangevuld dat hij een dwangsom van ƒ 500
verschuldigd zal zijn voor iedere keer dat hij na betekening van het te
wijzen arrest in strijd met de veroordeling als opgenomen in het beroepen
vonnis handelt en voorts het vonnis in conventie zal bekrachtigen en in
reconventie de vorderingen van de man alsnog zal afwijzen danwel hem in deze
vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, een en ander met veroordeling
van de man in de kosten van beide instanties.

1.2 Te dienende dage is de man niet verschenen waarop verstek tegen hem
verleend is. De vrouw heeft vervolgens bij memorie geconcludeerd
overeenkomstig de appeldagvaarding.

1.3 Tenslotte heeft de vrouw de stukken van het geding in beide instanties,
waarvan de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de appeldagvaarding.

3. Uitgangspunt

De tweede overweging van de president is in hoger beroep niet bestreden zodat
ook het hof zal uitgaan van de daarin onder 2.1 tot en met 2.6 vermelde
feiten.

4. Beoordeling

4.1 Kort gezegd gaat het in deze zaak over het volgende.

a) Tussen partijen, op 27 oktober 1989 met elkaar gehuwd, is bij beschikking
van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 22 januari 1997 de
echtscheiding uitgesproken. Partijen hebben twee minderjarige kinderen.
Partijen wonen beiden te Houten. De kinderen, geboren op 6 oktober 1987 en 20
mei 1989, wonen bij de vrouw.

b) De door partijen afgesproken en in een echtscheidingsconvenant neergelegde
omgangsregeling tussen de man en de kinderen heeft verschillende keren tot
problemen tussen partijen geleid.

c) Bij de het geding voor de president inleidende dagvaarding vorderde de
vrouw, zakelijk weergegeven, een verbod aan de man om contact te hebben c.q.
te zoeken met de vrouw en de kinderen alsmede een zogenoemd straatverbod, een
en ander versterkt met een dwangsom.

d) De man bestreed die vordering en vorderde zijnerzijds, in reconventie,
zakelijk en kort weergegeven, een verbod aan de vrouw zich tegenover derden
over de man uit te laten alsmede een zogenoemd straatverbod, voorts de
vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en de kinderen gedurende de
Tulp- en de Pinkstervakantie, en, tenslotte, een bevel aan de vrouw te komen
tot invulling van een rooster met betrekking tot een omgangsregeling, een en
ander versterkt met een dwangsom en machtiging op de man de hulp van de
sterke arm in te roepen.

e) Bij het beroepen vonnis heeft de president de vordering van de vrouw
toegewezen waarbij zij echter de vordering tot bepaling van een dwangsom
heeft afgewezen omdat zij die, naast de door haar verleende machtiging aan de
vrouw de tenuitvoerlegging van het vonnis met behulp van de sterke arm te
bewerkstelligen, niet nodig achtte. In reconventie legde de president de
vrouw het gevorderde straatverbod op, verbood zij de vrouw zich op nodeloos
grievende wijze over de man uit te laten tegenover diens buren en
straatgenoten, machtigde zij de man de tenuitvoerlegging van het vonnis met
behulp van de sterke arm te bewerkstelligen en wees zij het meer of anders
gevorderde af.
De president compenseerde de tussen partijen in conventie en reconventie
gevallen kosten op de wijze als in het dictum is vermeld.

4.2 De eerste grief is gericht tegen de afwijzing in de conventie van de
vordering tot vaststelling van een dwangsom. De vrouw licht de grief toe met
erop te wijzen dat zij zelf heeft moeten constateren dat het geruime tijd
duurt voordat de politie, na gewaarschuwd te zijn, ter plekke is zodat een
overtreding van het straatverbod bij aankomst van de politie reeds beëindigd
kan zijn. Een dwangsom is doeltreffender aldus de vrouw die daaraan toevoegt
dat zulks in nog sterkere mate geldt bij overtreding van het contactverbod.

4.3 Het hof onderschrijft dat standpunt en zal dan ook, met vernietiging van
het vonnis in conventie in zoverre, alsnog de gevorderde dwangsom verbinden
aan de door de president uitgesproken veroordeling.

4.4 Met haar tweede grief komt de vrouw op tegen de in reconventie door de
president gegeven beslissing. Zij ontkent zich zodanig jegens de man gedragen
te hebben dat een straatverbod gerechtvaardigd is terwijl zij eveneens
ontkent zich ooit op grievende wijze over de man te hebben uitgelaten
tegenover diens buren of straatgenoten. De man heeft op geen enkele wijze
waargemaakt dat de vrouw zich aan een en ander schuldig gemaakt heeft, aldus
tenslotte de vrouw.

4.5 Ook deze grief slaagt omdat de man onvoldoende gesteld en aannemelijk
gemaakt heeft dat de vrouw zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen of
handelingen die de door de president getroffen voorlopige voorzieningen
rechtvaardigen. Het hof zal derhalve, met vernietiging van het vonnis in
reconventie in zoverre, de door de man gevraagde voorzieningen alsnog
weigeren.

4.6 De president heeft terecht in de omstandigheid dat partijen gewezen
echtelieden zijn, grond gevonden de gedingkosten te compenseren gelijk zij
deed. Op dezelfde grond zal het hof op na te melden wijze de kosten van het
hoger beroep tussen partijen compenseren.

5. Beslissing

Het hof:

vernietigt het in conventie gewezen vonnis waarvan beroep voorzover daarbij
de vordering met betrekking tot het vaststellen van een dwangsom werd
afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man een dwangsom van ƒ 500 zal verbeuren voor iedere keer dat
hij, na betekening van dit arrest, in strijd handelt met de in het beroepen
vonnis tegen hem uitgesproken veroordeling;

vernietigt het in reconventie gewezen vonnis waarvan beroep behoudens
voorzover het de beslissing omtrent de proceskosten betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

weigert alsnog de gevraagde voorzieningen;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voorzover het de in conventie en in
reconventie gegeven beslissing over de proceskosten betreft;

compenseert de op het hoger beroep gevallen kosten aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Coeterier, Visser, Cornelissen

Instantie: Kantonrechter Amersfoort, 15 oktober 1997

Instantie

Kantonrechter Amersfoort

Samenvatting


Een vrouwelijke werknemer verdient minder dan haar mannelijke collega terwijl
zij beiden hetzelfde werk verrichten. De kantonrechter oordeelt dat er
sprake is van directe discriminatie. Op grond van dit onrechtmatig handelen
van de werkgever wordt aan de vrouw een schadevergoeding en loon in dezelfde
salarisschaal als haar collega toegekend.
Vervolg op CGB 30 juli 1996, nr. 96-70.

Volledige tekst

1. Het procesverloop

B heeft een vordering ingesteld zoals in de dagvaarding aangekondigd.
NCIV heeft bij antwoord verweer gevoerd.
Vervolgens heeft B een repliek gediend en NCIV van dupliek.
Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

2. Gronden van de beslissing

2.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten:
– B werkt sedert 1 augustus 1992 bij NCIV in de functie medewerker DFEB,
sedert 1 januari 1996 voor 30 uren per week (80 procent), tegen een salaris
van laatstelijk ƒ 3.848,06 bruto per maand bij een volledige aanstelling;
– B is ingeschaald in salarisschaal 6, laatstelijk met delta 36, bij welke
inschaling bij een volledige aanstelling per 1 januari 1996 een salaris
hoort van ƒ 3.848,06 bruto per maand.
– met ingang van 1 november 1994 is de heer L na opheffing van zijn functie
wegens reorganisatie geplaatst in de functie medewerker DFEB;
– L is sedert 1 november 1994 ingeschaald in salarisschaal 8, laatstelijk
met delta 36, bij welke inschaling per 1 januari 1996 een salaris hoort
van ƒ 4.732,55 bruto per maand;
– B en L verrichten gelijke arbeid;
– van 1 november 1994 tot 1 januari 1997 heeft B voor haar arbeid in totaal
ƒ 20.838.78 bruto minder aan salaris ontvangen, nog te vermeerderen met
vakantie –

(…)

2.2 B vordert allereerst een verklaring voor recht, dat zij recht heeft
op een gelijke beloning voor haar werk als L. Daarnaast vordert zij veroordeling
van NCIV tot betaling aan haar van een bedrag van ƒ 20.838,78 bruto aan
tot 1 januari 1997 te weinig betaald loon, nog te verhogen met 8 procent
vakantietoeslag en met 8 procent kerstgratificatie over ƒ 10.224,90 en
6 procent over ƒ 10,613,88. Tenslotte vordert zij veroordeling tot betaling
van een loon van ƒ 4.732.55 bruto per maand vanaf 1 januari 1997, te vermeerderen
met wettelijke rente, kosten rechtens.

2.3 B voert daartoe aan, dat zij in strijd met het bepaalde in artikel
7:646 en volgende van het Burgerlijk Wetboek voor gelijk werk een ongelijke
beloning ontvangt, zodat NCIV is gehouden tot schadevergoeding.

2.4 NCIV voert als verweer – kort gezegd – dat er geen sprake is van een
verboden onderscheid naar geslacht. De verschillen in beloning zijn het
gevolg van een reorganisatie, waarbij L overeenkomstig het Transferstatuut
in schaal 8 moest worden ingeschaald.

2.5 De kantonrechter komt tot de volgende beoordeling. Vaststaat dat B
hetzelfde werk verricht als L, maar daarvoor lager is ingeschaald en dientengevolge
een lagere beloning ontvangt. NCIV handelt aldus in strijd met het bepaalde
in artikel 119 van het EG Verdrag, welke bepaling rechtstreekse werking
heeft in de arbeidsrelatie tussen B en NCIV, alsmede in de Nederlandse
wetgeving is geïncorporeerd in artikel 7:646 en volgende van het Burgerlijk
Wetboek.

2.6 Naar het oordeel van de kantonrechter is er sprake van een direct onderscheid
tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers, zodat niet relevant is of
dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Hierop stuit het door NCIV
omtrent de reorganisatie en het Transferstatuut aangevoerde af.

2.7 NCIV handelt derhalve onrechtmatig jegens B. De gevorderde verklaring
voor recht is toewijsbaar als hierna vermeld. Daarnaast is NCIV gehouden
tot schadevergoeding, waarbij de schade wordt gesteld op het verschil in
beloning met L.
Dit verschil beloopt tot 1 januari 1997 ƒ 20.838,78 bruto, te vermeerderen
met een bedrag van ƒ 1667.10 bruto aan vakantietoeslag, een bedrag van
ƒ 817.99 bruto aan kerstgratificatie tot 1 januari 1996 en ƒ 636.83 bruto
aan kerstgratificatie over 1996, welke bedragen dus toewijsbaar zijn.

2.8 Voorts is toewijsbaar de vordering tot betaling van het loon op basis
van salarisschaal 8, delta 36, vanaf 1 januari 1997. De gevorderde wettelijke
rente over het vanaf 1 januari 1997 te weinig betaalde salaris is niet
toewijsbaar, nu B heeft nagelaten te stellen met ingang van welke data
NCIV (telkens) in verzuim is geraakt met deze loonbetalingen.

2.9 NCIV zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in
de kosten van het geding.

3. Beslissing

De kantonrechter:
– verklaart voor recht dat NCIV aan B voor haar werk als medewerker DFEB
een salaris dient te betalen op grond van dezelfde inschaling in schaal
8, delta 36, als L;
– veroordeelt NCIV tot betaling aan B van de volgende bedragen:
a. ƒ 20.838.78 bruto aan te weinig betaald loon tot 1 januari 1997;
b. ƒ 1.667.10 bruto aan vakantietoeslag over dit loonbedrag;
c. ƒ 1.454,82 bruto aan kerstgratificatie over dit loonbedrag;

– veroordeelt NCIV tot betaling aan B van een salaris op grond van inschaling
in salarisschaal 8, delta 36, met ingang van 1 januari;
(…)

Toelichting:
Bovenstaande uitspraak is niet volledig. Delen van de uitspraak zijn ook
in het oorspronkelijke vonnis weggevallen. Het vonnis zal opnieuw geschreven
moeten worden.


Noot

De kantonrechter gaat hier recht op het doel af. Een vrouwelijke werknemer
verdient minder dan een mannelijke collega terwijl zij beiden hetzelfde
werk verrichten. Dat betekent dat de werkgever direct onderscheid tussen
mannelijke en vrouwelijke werknemers maakt, waardoor de vraag naar een
rechtvaardigingsgrond niet relevant is. Dus wordt op basis van onrechtmatig
handelen aan de vrouw een schadevergoeding en loon in dezelfde salarisschaal
als haar collega toegekend.
De kantonrechter gaat hiermee volledig voorbij aan het systeem van art.
7 t/m 12 WGB. Deze artikelen geven voorschriften voor de vergelijking van
de in art. 7:646 BW bedoelde arbeidsvoorwaarden. Verder blijkt niet uit
het vonnis of de kantonrechter bekend was met het oordeel van de Commissie
Gelijke Behandeling in dezelfde zaak (30 juni 1996, nr. 96-70). Lezing
van het Commissie-oordeel leert dat aan deze zaak wel meer haken en ogen
zitten dan het vonnis doet vermoeden.

Het gaat in feite om de vraag welke rol de gelijke-behandelingswetgeving
speelt bij de totstandkoming en de uitvoering van een bij een reorganisatie
geldend sociaal plan. Hoe moet een werkgever handelen, wanneer hij voor
de keuze staat om bij het vervallen van functies werknemers hetzij te plaatsen
in een lagere functie met een daarbij behorende lagere salarisschaal, dan
wel hen te ontslaan? Als er reden is voor herplaatsing, is een werkgever
dan gerechtigd de werknemer een financiële compensatie te verschaffen,
met als gevolg dat die werknemer hoger wordt beloond dan andere werknemers
met dezelfde functie? En kan die handelswijze strijd opleveren met de gelijke
behandelingswetgeving?

De Commissie had in deze zaak een genuanceerd oordeel gegeven. Vooropgesteld
werd dat salarisrechten ten gevolge van een vorige functie onder omstandigheden
enig verschil in beloning kunnen rechtvaardigen. Daarbij werd verwezen
naar eerdere oordelen (nrs. 96-31, 333-91-11 en 533-94-28). Waar het om
gaat is de vraag of het salaris dat een werknemer op basis van verworven
rechten ontvangt binnen het beloningssysteem van de werkgever valt.

De Commissie oordeelde dat de handelswijze van de werkgever in casu in
strijd was met de gelijke-behandelingswetgeving, omdat hij op twee punten
was afgeweken van een aantal uitgangspunten van zijn salarisbeleid. Door
middel van functiewaardering was vastgesteld dat de functie gewaardeerd
moest worden volgens schaal 6 en in het sociaal plan (Transferstatuut)
was vastgelegd dat in het kader van de reorganisatie een herplaatste medewerker
moest worden beloond conform de bij de functie behorende schaal. (In casu
was de werknemer ingeschaald op schaal 8.)

Tenslotte werd aangegeven hoe het wel had gekund: het is niet in strijd
met de gelijke-behandelingswetgeving om in een dergelijk geval een structurele
toeslag op het inkomen van de herplaatste werknemer uit te keren, waarin
de beloningsmaatstaven `verworven rechten’ alsmede `persoonlijke omstandigheden’
tot uitdrukking worden gebracht.

De oplossing was dus simpel geweest: als de werkgever de betrokken werknemer
structureel in schaal 6 had geplaatst en hem op grond van `verworven rechten’
en `persoonlijke omstandigheden’ daar bovenop een structurele toeslag had
toegekend waardoor het verschil tussen het oude en het nieuwe salaris minder
groot zou zijn, was de werkgever niet in strijd gekomen met de gelijke-behandelingswetgeving.
Voor de werkgever in deze zaak is het nu te laat. Hij moet op grond van
het vonnis de werkneemster met dezelfde functie ook volgens schaal 8 belonen.

Het vonnis roept verschillende vragen op. Ik ben er benieuwd naar of de
betrokken werkneemster de enige met een vergelijkbare functie was of dat
er ook nog anderen zijn, die nu met recht een beloning op basis van schaal
8 kunnen claimen. En, zat tussen de uitspraak van de Commissie en het indienen
van de vordering door de werkneemster voor de werkgever nog voldoende tijd
om de suggestie van de Commissie op te volgen om de betrokken werknemer
wel in de juiste schaal te plaatsen en hem een structurele toeslag toe
te kennen? Zo ja, dan heeft de werkgever daarvan kennelijk geen gebruik
gemaakt en volhard in zijn gekozen handelwijze. De uitkomst van het vonnis
is dan een kwestie van `eigen schuld, dikke bult’. Zo nee, dan wordt het
interessanter om te weten of de kantonrechter op de hoogte was van het
oordeel en zo nee, of dit zijn zienswijze zou hebben beïnvloed. De vroeger
bestaande regel, dat bij loonvorderingen op grond van de Wet gelijk loon
een advies van de Commissie gelijke behandeling moest worden overgelegd,
zou in dit geval zeer nuttig zijn geweest.

In ieder geval blijkt dat het zinnig is voor opstellers en uitvoerders
van een sociaal plan om vooraf een oordeel aan de Commissie gelijke behandeling
te vragen. Op grond van art. 12 lid 2 onder b AWGB is dat mogelijk.

Yvonne Konijn

Rechters

Mr Van den Bergh

Instantie: President Rechtbank Assen, 14 oktober 1997

Instantie

President Rechtbank Assen

Samenvatting


H heeft de CGB verzocht te onderzoeken of er in haar geval sprake was van
ongelijke beloning. De CGB heeft zich vervolgens tot haar werkgever, gedaagde,
gewend met het verzoek de salarisgegevens van H te overleggen en die van
vergelijkbare werknemers (maatmannen), alsmede gegevens over de inhoud
van de functies van H en de maatmannen. Gedaagde heeft dit geweigerd waarna
zij door de strafrechter tot een boete is veroordeeld. Hiertegen is door
gedaagde hoger beroep ingesteld. De CGB vordert nu in kort geding afgifte
van de gegevens op grond van artikel 19 AWGB, op straffe van een dwangsom.
De president deelt het oordeel van de CGB dat de AWGB haar een expliciet
vorderingsrecht toekent, hetgeen meebrengt dat zij bevoegd is als procespartij
op te treden, ook al heeft zij geen rechtspersoonlijkheid. Het verstrekken
van de gegevens is niet in strijd met de persoonlijke levenssfeer van de
maatmannen, nu de Wet persoonsregistratie bepaalt dat gegevens uit een
registratie moeten worden verstrekt als een wettelijk voorschrift dit vereist.
De CGB dient op een zorgvuldige wijze om te gaan met de gegevens, hetgeen
kan betekenen dat zij bepaalde gegevens niet aan partijen verstrekt.

Volledige tekst

; Overwegingen

1. De vordering en het procesverloop

1.1. Eisers, hierna ook te noemen de Staat en/of de Commissie, hebben bij
dagvaarding gevorderd dat de president bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad
en op de minuut, gedaagde zal veroordelen om binnen zeven dagen na betekening
van dit vonnis de door de Commissie in haar brief aan gedaagde van 28 februari
1996 gevraagde informatie aan de Commissie te verstrekken, op straffe van
een dwangsom van ƒ 5.000 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagde
in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen; met veroordeling van gedaagde
in de kosten van dit geding.

1.2. Ter zitting van 19 september 1997 hebben eisers bij monde van hun
advocaat van eis geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding. Zij hebben
de vordering beperkt tot de in de brief van 28 februari 1996 gevraagde
informatie, voor zover inmiddels niet verstrekt.

1.3. Gedaagde, hierna te noemen het IVM, heeft de vordering bestreden bij
monde van haar advocaat.

1.4. De behandeling van de zaak werd aangehouden tot 26 september 1997
teneinde partijen in de gelegenheid te stellen alsnog tot overeenstemming
te komen. Deze termijn werd verlengd tot 3 oktober 1997. Partijen hebben
echter geen overeenstemming bereikt.

1.5. Beide partijen legden pleitaantekeningen over en brachten stukken
in het geding, waarna zij vonnis verzochten.

2. Korte beschrijving van het geschil

Het gaat in dit kort geding om de vraag of gedaagde al dan niet verplicht
is bepaalde gegevens te verstrekken aan de Commissie gelijke behandeling,
die de gevraagde gegevens nodig denkt te hebben om een bij haar ingediende
klacht te kunnen onderzoeken.

3. De feiten

3.1. Op 20 augustus 1991 is er een dienstverband tot stand gekomen tussen
On- en Offshore Brandpreventie Dienst BV (hierna de OBD), een aan het IVM
gelieerde onderneming en mevrouw H. (hierna te noemen H). Dit dienstverband
is per 1 januari 1992 beëindigd.

3.2. per 1 januari 1992 is H als parttime medewerkster in dienst getreden
bij het IVM. Dit dienstverband is op 16 februari 1994 door de kantonrechter
te Emmen beëindigd.

3.3. Op 16 februari 1995 heeft H op grond van art. 12 Algemene weg gelijke
behandeling (hierna AWGB) de Commissie verzocht een onderzoek in te stellen
naar een, zoals door H wordt gesteld, geval van ongelijke beloning door
het IVM en om hier een oordeel over te geven.

3.4. Bij brief van 20 maart 1995 heeft de Commissie zich tot het IVM gewend.
Hierna is een correspondentie tussen de Commissie en het IVM ontstaan,
waarna in januari 1996 een bespreking tussen partijen heeft plaatsgevonden.
Tijdens deze bespreking heeft de Commissie het IVM een aantal vragen voorgelegd.
Deze vragen zijn door het IVM bij brief van 25 januari 1996 (deels) beantwoord.

3.5. Bij brieven van 28 februari, 25 maart en 12 juni 1996 heeft de Commissie
het IVM verzocht haar informatie te verstrekken, onder meer met betrekking
tot de salarishistorie van H en van mannelijke werknemers waarmee zij zich
vergelijkt (maatmannen) en over de inhoud van de functies van H en de betreffende
maatmannen. Het IVM heeft niet aan deze verzoeken voldaan.

3.6. De Commissie heeft hierop bij de Hoofdofficier van Justitie aangifte
gedaan wegens overtreding van art. 184 Wetboek van Strafrecht (Sr.) jo.
art. 19 AWGB. Bij vonnis van de politierechter te Assen d.d. 11 april 1997
is het IVM terzake van deze overtreding veroordeeld tot een boete van ƒ
1.500, waarvan ƒ 500 voorwaardelijk. Het IVM heeft appel aangetekend tegen
dit vonnis. Op het appel is nog niet beslist.

3.7. Bij brief van 14 juli 1997 heeft de Commissie, onder verwijzing naar
voorgenoemd vonnis, nogmaals verzocht de gevraagde informatie te verstrekken.
Het IVM heeft dit geweigerd.

4. Het standpunt van de Commissie/Staat

Eisers stellen, dat het IVM in strijd met de in art. 19 AWGB neergelegde
verplichting handelt en daarmee onrechtmatig. Zij stellen een spoedeisend
belang te hebben bij een veroordeling van gedaagde om de gevraagde gegevens
te verstrekken. De door gevraagde aangevoerde verweren gaan volgens hen
niet op.

5. Het standpunt van het IVM

5.1. Het IVM vraagt zich af of de Commissie en de staat bevoegd zijn in
rechte op te treden. Zij refereert zich aan het oordeel van de president
ten aanzien van deze kwestie.

5.2. Het IVM betwist het spoedeisend belang. H heeft zelf pas één jaar
na het vonnis van de kantonrechter aan de Commissie verzocht een onderzoek
in te stellen. Daarnaast is de discussie tussen partijen niet voortvarend
verlopen, hetgeen niet alleen aan het IVM te wijten valt.

5.3. Het IVM betwist dat er sprake is van ongelijke behandeling. De kantonrechter
heeft in het vonnis, waarbij de arbeidsovereenkomst werd ontbonden, overwogen
`dat door H in geen enkel opzicht, ook niet voor wat betreft haar salaris
een tastbaar gegeven is aangereikt waaruit deze ongelijke behandeling zou
kunnen blijken.’

5.4. Het IVM weigert om twee redenen informatie te verstrekken over de
door H als zodanig aangeduide maatmannen en de daarop betrekking hebbende
gegevens binnen de organisatie van het IVM.

1. de door H als maatmannen aangeduide personen vervullen geen, ook maar
enigszins vergelijkbare functies, zodat zij ook niet als maatman kunnen
worden geduid;

2. de gevraagde informatie is zowel voor de betrokkenen als voor de onderneming
van het IVM van vertrouwelijke aard, er bestaat geen waarborg dat deze
vertrouwelijkheid gegarandeerd is. H krijgt onbelemmerd inzage in alle
informatie, er bestaat geen waarborg dat deze niet door haar verder wordt
verspreid.

5.5. De Commissie vraagt eveneens om gegevens omtrent OBD, terwijl de klacht
van H zich niet richt tegen de OBD. Het IVM kan niet gedwongen worden gegevens
van derden aan de Commissie te verstrekken.

5.6. De Commissie kan zich niet te goeder trouw beroepen op art. 19 AWGB
alvorens zij een grondig onderzoek heeft gedaan naar de wederzijdse stellingen
van partijen.

5.7 Van de uitslag van een dergelijk onderzoek zou appel moeten openstaan,
terwijl in dat onderzoek zelf de nodige waarborgen voor onpartijdigheid
gegeven zouden moeten zijn. De AWGB is strijdig met art. 6 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), omdat in genoemde waarborgen
niet wordt voorzien.

5.8. H heeft zich pas één jaar na het vonnis van de kantonrechter gewend
tot de Commissie. Het IVM stelt met een beroep op het EVRM dat er sprake
is van undue delay.

5.9. Een kort geding is niet de aangewezen weg om de vordering zoals die
in geding is in te stellen. De AWGB kent niet de vereiste waarborgen voor
een juiste procesgang, zodat de enig aangewezen weg een bodemprocedure
is, in welke procedure genoemde waarborgen gegeven zijn.

5.10. Toewijzing van de vordering leidt tot een executiegeschil. Bovendien
staat de gevorderde dwangsom in geen verhouding tot het verzoek tot het
verstrekken van gegevens.

6. Beoordeling

6.1. Procesbevoegdheid Staat/Commissie

Eisers stellen, dat art. 15 AWGB aan de Commissie een expliciet vorderingsrecht
toekent en dat op grond hiervan de Commissie bevoegd is als procespartij
op te treden, hoewel zij geen rechtspersoonlijkheid heeft. Omdat de wet
en wetsgeschiedenis van de AWGB op dit punt niet duidelijk zijn, treedt
de Staat als formele procespartij op. De Commissie heeft voldoende belang
in de zin van art. 3:303 BW immers de vordering strekt ertoe om het mogelijk
te maken dat een overheidslichaam de wettelijk opgedragen taak uitvoert.
Bovendien is op grond van art. 3:305b lid 1 BW een overheidslichaam bevoegd
een vordering in te stellen ter bescherming van andere belangen, die het
overheidslichaam zich heeft aangetrokken. Van een onaanvaardbare doorkruising
van een publiekrechtelijke mogelijkheid is geen sprake. De enige denkbare
publieke weg (strafvervolging) is reeds gevolgd, zonder dat dit tot het
gewenste resultaat heeft geleid. Ik kan mij in deze stelling en vinden.
Daarbij ga ik ervan uit, dat ook het niet-nakomen van de inlichtingenplicht
van art. 19 AWGB een gedraging in strijd met de wet in de zin van art.
15 AWGB is.

6.2. Het spoedeisend belang staat voor mij voldoende vast. De
Commissie tracht, zo stelt zij onweersproken, reeds ruim twee jaar gegevens
van het IVM te verkrijgen, teneinde een onderzoek in de zaak H te kunnen
instellen. Zij heeft tot op heden niet de benodigde gegevens gekregen en
verdere vertraging zou tot een belemmering van het onderzoek kunnen leiden.
Het feit dat H eerst één jaar na de ontbinding van de arbeidsverhouding
een verzoek aan de Commissie heeft gedaan, doet daar niet aan af. Het gaat
in deze procedure om de verhouding tussen de Commissie en het IVM.

6.3. In deze procedure is niet aan de orde de vraag of er ten aanzien
van H sprake is van ongelijke behandeling.

Het oordeel van de kantonrechter dat door H geen gegevens zijn aangereikt
waaruit zou kunnen blijken dat er sprake is van ongelijke behandeling doet
alleen daarom al in dit kort geding niet terzake.
Ter beoordeling staat slechts de vraag of het IVM gegevens dient te verstrekken
aan de Commissie op grond waarvan zij een onderzoek naar een mogelijk geval
van ongelijke beloning kan starten.

6.4. Het IVM weigert om de in 4.4. genoemde redenen de gevraagde gegevens
te verstrekken. Ten aanzien van de eerste reden (de door H aangeduide
maatmannen vervullen geen vergelijkbare functie
), geldt, zoals eisers
terecht hebben aangevoerd, dat de Commissie pas kan beoordelen of een bepaalde
persoon terecht als maatman wordt aangeduid als zij over gegevens over
de functie van die persoon beschikt. Indien een persoon geen geschikte
maatman is zal de betreffende informatie niet worden meegenomen in het
onderzoek en niet in afschrift naar partijen worden gezonden.

6.5.1. Het IVM heeft verder betoogd, dat van haar niet verlangd kan worden
de gevraagde gegevens te verstrekken, omdat daarmee een inbreuk op
de persoonlijke levenssfeer
van haar en haar werknemers zou worden
gemaakt.
Eisers stellen hier tegenover, dat de voorzitter van de Registratiekamer
in een op verzoek van de Commissie uitgebracht advies heeft geconcludeerd
dat art. 19 AWGB een toelaatbare inbreuk op het recht op bescherming van
de persoonlijke levenssfeer vormt.

6.5.2. Art. 11 Wet persoonsregistraties (WPR) bepaalt, dat gegevens uit
een persoonsregistratie worden verstrekt aan een derde voorzover dit wordt
vereist ingevolge een wettelijk voorschrift. Art. 19 AWGB is een dergelijk
voorschrift. Dit voorschrift is niet in strijd met art. 10 van de Grondwet,
dat geen inhoudelijke criteria stelt voor bij of krachtens de wet te stellen
beperkingen. Het is ook verenigbaar met art. 8 EVRM omdat de bepaling kan
worden beschouwd als noodzakelijk in een democratische samenleving voor
de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Uiteraard is van
belang, dat de Commissie te werk gaat op een wijze, die de inbreuk op de
privacy van degene die gegevens verstrekt zo gering mogelijk doet zijn.
In dit verband is van belang, dat de voorzitter van de Registratiekamer
heeft gewezen op het feit, dat art. 16 van het Besluit Werkwijze Commissie
Gelijke Behandeling, dat bepaalt, dat de Commissie afschrift van de stukken
waarop zij beslist aan partijen doet toekomen, zich niet verzet tegen de
mogelijkheid om bepaalde inlichtingen slechts ter vertrouwelijke kennisneming
van de Commissie te verstrekken.

6.6. Het IVM stelt dat zij niet verplicht kan worden gegevens van
derden,
nl. de OBD, te verstrekken. Ik deel de visie van eisers,
dat in deze situatie, waarbij H aanvankelijk bij de OBD in dienst is getreden
en het salaris van H bij de OBD is bepaald, het IVM en de OBD aan elkaar
gelieerde bedrijven zijn, die een gemeenschappelijke administratie hebben
en waarbij werknemers van het ene naar het andere bedrijf overgaan, ook
gegevens van de OBD redelijkerwijs nodig kunnen zijn ter vervulling van
de taak van de Commissie. Het IVM heeft niet gesteld dat zij niet over
informatie betreffende de OBD beschikt.
Ter zitting heeft de Commissie bovendien toegezegd, dat, indien het IVM
kan aantonen over bepaalde informatie niet te beschikken, zij zich tot
de OBD zal wenden.
Daarom gaat ook dit verweer niet op.

6.7. Voor de stelling van het IVM dat de Commissie zich niet te goeder
trouw kan beroepen op art. 19 AWGB alvorens zij een grondig onderzoek heeft
gedaan naar de wederzijdse stellingen van partijen
geldt (evenals
hierboven in r.o. 6.4 overwogen) dat de Commissie eerst over alle relevante
gegevens moet kunnen beschikken voordat zij de stellingen van partijen
kan onderzoeken.

6.8. Het door IVM gedane beroep op art. 6 EVRM treft geen doel.
Dit is zo, omdat door de Commissie geen burgerlijke rechten en verplichtingen
worden vastgesteld. De Commissie doet slechts onderzoek en geeft haar oordeel.
Als zij of iemand anders burgerlijke rechten en verplichtingen wil zien
vastgesteld conform het oordeel van de commissie is tussenkomst van de
onafhankelijke rechter noodzakelijk. Geheel afgezien hiervan ben ik van
oordeel, dat het onderzoek, dat de Commissie doet in de AWGB en het Besluit
werkwijze commissie gelijke behandeling met voldoende waarborgen voor een
eerlijke en onpartijdige procedure is omgeven.

6.9. Ook het betoog, dat de redelijke termijn van art. 6 EVRM
geschonden wordt, doordat mevrouw H zich eerst 1 jaar na de uitspraak van
de kantonrechter tot de Commissie heeft gewend, gaat niet op. Ook hier
geldt dat een vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen niet
aan de orde is. Art. 14 AWGB bepaalt dat de Commissie onder meer geen onderzoek
instelt wanneer sinds het in art. 12 bedoelde onderscheid een zodanige
termijn is verstreken dat in redelijkheid geen onderzoek meer kan plaatsvinden.
Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is hangt af van de feiten en
omstandigheden van het geval, zoals de redenen om een verzoek in een laat
stadium aan te brengen, de ernst van de eventuele schending, de omvang
van de schade, de mate van onzekerheid voor de verweerder en de kans dat
bepaalde gegevens niet meer voorhanden zijn of dat bepaalde inlichtingen
niet meer gegeven kunnen worden. Het IVM heeft geen feiten of omstandigheden
gesteld, waaruit kan worden afgeleid dat in redelijkheid geen onderzoek
meer kan plaatsvinden.

6.10. Het IVM heeft haar stelling dat toewijzing van de vordering tot een
executiegeschil kan leiden naar mijn oordeel onvoldoende onderbouwd.
Ik zal dit verweer dan ook eveneens passeren.

6.11. Conclusie en kostenveroordeling

Uit het vorenoverwogene blijkt dat de verweren van het IVM geen doel treffen.
Ik zal de vorderingen van de Commissie dan ook toewijzen. Wel acht ik termen
aanwezig de op te leggen dwangsom te matigen en een maximum aan te verbeurten
dwangsommen te bepalen. Het IVM zal als de in het ongelijk gestelde partij
worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissingen
De president:

1. Veroordeelt het IVM om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis
de door de Commissie in haar brief aan gedaagde van 28 februari 1996 gevraagde
informatie aan de Commissie te verstrekken, voorzover inmiddels niet verstrekt.

2. Bepaalt dat het IVM een dwangsom van ƒ 2.500 verbeurt voor iedere dag
of een gedeelte daarvan dat het IVM in gebreke blijft aan dit vonnis te
voldoen, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van ƒ 100.000.

3. Veroordeelt het IVM in de kosten van dit geding (…).

4. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr Le Poole

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een onderwijsinstelling stelt bij de aanstelling van onderzoekers in
opleiding of post-doctoraal leeftijdsgrenzen. Volgens verzoeker leidt dit
tot
indirect onderscheid op grond van geslacht. Veelal herintredende vrouwen
voldoen niet aan deze leeftijdseisen. De Commissie oordeelt dat het een
feit
van algemene bekendheid is dat vrouwen vanwege zwangerschap, moederschap
en
zorgtaken vaker dan mannen hun loopbaan onderbreken dan wel in deeltijd
werken. Ook statistische gegevens met betrekking tot vrouwen met een
wetenschappelijke opleiding wijzen in deze richting. Hierdoor is aannemelijk
dat vrouwen eerder dan mannen onevenredig nadeel ondervinden van
leeftijdsgrenzen bij de opbouw van hun carrière. Niet aannemelijk is geworden
dat er deugdelijke gronden zijn voor het stellen van leeftijdsgrenzen.
Verboden indirect onderscheid op grond van geslacht.

Volledige tekst

De argumenten terzake van een moeilijkere outplacement van en hogere
wachtgelden voor oudere onderzoekers zijn financiële argumenten. Het is
vaste
rechtspraak van de Commissie dat financiële argumenten op zich niet voldoende
zijn om als zelfstandige en objectieve rechtvaardigingsgrond te fungeren
(Zie onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de
arbeid, 14 juli 1992, oordeel 398-92-40).
Het feit dat van een leeftijdscriterium kan worden afgeweken in geval van
een
vaste aanstelling of bij vervanging van vaste medewerkers maakt de door
de
wederpartij gegeven argumenten omtrent kwaliteit en leeftijdsopbouw niet
overtuigend en is zelfs in dat licht bezien arbitrair.

4.8. Concluderend is de Commissie van oordeel dat onder de gegeven
omstandigheden voor wat de centrale programma’s betreft niet aannemelijk
is
geworden dat het gehanteerde middel geschikt en noodzakelijk is om het
nagestreefde doel te bereiken. Voor wat de overige programma’s betreft
is
evenmin aannemelijk geworden dat er deugdelijke gronden zijn voor het stellen
van leeftijdseisen. De aangevoerde redenen zijn zeer algemeen en niet
overtuigend. Voorts zijn de financiële argumenten niet voldoende om als
zelfstandige en objectieve rechtvaardigingsgrond te fungeren.
Nu aan de vereisten van een objectieve rechtvaardigingsgrond niet is voldaan,
is de Commissie van oordeel dat er sprake is van verboden indirect
onderscheid naar geslacht.

4.9. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie op dat ook de voorwaarde
dat
personen met een vaste aanstelling niet aan het leeftijdscriterium hoeven
te
voldoen op gespannen voet kan staan met de wetgeving gelijke behandeling.
In
dit verband wordt verwezen naar tabel 11 van de NWO Facts 1995. Hieruit
kan
worden afgeleid dat van het wetenschappelijk personeel slechts 13 van de
813
vrouwen een vaste aanstelling hadden per 31 december 1995.
Daarentegen hadden 1912 van de 2186 mannen een vaste aanstelling.

4.10. Aanbeveling van de Commissie

De Commissie beveelt de wederpartij aan om in de programma’s uitdrukkelijk
een uitzondering op te nemen waardoor het voor vrouwelijke kandidaten,
die
vanwege eerdergenoemde zorgtaken de leeftijdsgrens zijn gepasseerd doch
overigens aan de gestelde eisen voldoen, mogelijk wordt in aanmerking te
komen voor een oio dan wel post-doc aanstelling. Voorts beveelt de Commissie
aan de vraag of terecht een beroep kan worden gedaan op de uitzondering
afzonderlijk en voorafgaand aan de procedure voor toewijzing te beoordelen.
Tenslotte beveelt de Commissie aan de hiervoor genoemde aanbevelingen op
te
nemen in een algemene richtlijn aan de betreffende stichtingen en dat
toezicht wordt uitgeoefend op een eenduidige uitvoering daarvan.
Tenslotte wordt erop gewezen dat de meest eenvoudige oplossing wellicht
is
geheel af te zien van het stellen van leeftijdsgrenzen voor toelating.
In dit
verband wordt verwezen naar de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied
van leeftijdsdiscriminatie en de terzake in voorbereiding zijnde wetgeving.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Nederlandse Organisatie
voor
Wetenschappelijk Onderzoek te Den Haag indirect onderscheid maakt naar
geslacht door bij de aanstelling van onderzoekers in opleiding en post-docs
leeftijdsgrenzen te stellen en derhalve in strijd met artikel 1a lid 1
Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen handelt.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr.drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een onderwijsinstelling stelt bij de toekenning van post-doctoraal beurzen
een leeftijdsgrens van 40 jaar. Volgens verzoeker leidt dit tot indirect
onderscheid op grond van geslacht. Veelal herintredende vrouwen voldoen
niet
aan deze leeftijdseis. Het is een feit van algemene bekendheid dat vrouwen
vanwege zwangerschap, moederschap en zorgtaken vaker dan mannen hun loopbaan
onderbreken dan wel in deeltijd werken. Ook statistische gegevens met
betrekking tot vrouwen met een wetenschappelijke opleiding wijzen in deze
richting. Hierdoor is aannemelijk dat vrouwen eerder dan mannen onevenredig
nadeel ondervinden van leeftijdsgrenzen bij de opbouw van hun carrière.
De
aangevoerde argumenten leveren geen objectieve rechtvaardiging op. Verboden
indirect onderscheid op grond van geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 8 mei 1996 verzocht de heer prof. J. G. te Groningen (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Koninklijke Nederlandse Academie
van Wetenschappen te Amsterdam (hierna: de wederpartij) onderscheid naar
geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. De wederpartij stelt bij de toekenning van post-doc beurzen een
leeftijdsgrens van 40 jaar. Volgens verzoeker leidt dit tot indirect
onderscheid op grond van geslacht, omdat veelal herintredende vrouwen niet
aan deze leeftijdseis voldoen. Verzoeker is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben enkele malen hun standpunten schriftelijk
toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 24 maart 1997. Verzoeker
heeft ook een verzoek om een oordeel ingediend tegen de Nederlandse
Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). De onderhavige zaak
en de
zaak met de NWO als wederpartij zijn ter zitting gevoegd behandeld.

Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. prof. J. G. (verzoeker)
– mw. H. Weyers (getuige)

van de kant van de wederpartij
– mw. drs. I. van den Heuvel (hoofd afdeling Internationale
Samenwerking en Kwaliteitsbeoordeling)
– dhr. mr. D.G. de Hen (stafmedewerker juridische en
bestuurlijk organisatorische aangelegenheden)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Tijdens de behandeling ter zitting heeft de wederpartij stukken
overgelegd. De Commissie heeft na de zitting nadere inlichtingen hieromtrent
aan de wederpartij gevraagd. Voorts heeft de Commissie bij het Centraal
Bureau voor de Statistiek (CBS) informatie opgevraagd.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een wetenschappelijke organisatie, die door de
overheid wordt gefinancierd. Zij stelt geld beschikbaar voor post-doc
beurzen. Dit zijn beurzen voor jonge gepromoveerde universitaire
onderzoekers. Deze beurzen worden aangevraagd door een universiteit (de
promotor/hoogleraar), niet door de onderzoeker zelf. De onderzoekers die
een
post-doc beurs krijgen, komen bij de universiteit die de aanvraag indient
in
dienst.
Bij de wederpartij zelf zijn geen onderzoekers in dienst.

Om in aanmerking te komen voor een post-doc beurs moet worden voldaan aan
een
aantal criteria. Deze criteria zijn dat men:
– gepromoveerd moet zijn;
– niet ouder mag zijn dan 40 jaar;
– niet in vaste dienst is aangesteld op een structurele personeelsplaats
bij
de universiteit die de aanvraag indient.

Van de leeftijdsgrens van 40 jaar wordt in principe niet afgeweken. Indien,
gelet op de maatschappelijke omstandigheden van de onderzoeker waar een
aanvraag voor wordt ingediend, strikte toepassing van dit criterium als
onredelijk en onrechtvaardig wordt aangemerkt, kan het bestuur beslissen
de
aanvraag alsnog in behandeling te nemen. Een toelichting op deze
omstandigheden dient de beursaanvraag te vergezellen. Bij het ontbreken
van
deze toelichting wordt een aanvraag ten behoeve van een onderzoeker ouder
dan
40 jaar niet in behandeling genomen, zodat deze ook niet inhoudelijk wordt
beoordeeld. Aanvragen voor een aanstelling in deeltijd kunnen niet worden
ingediend.
Ter zitting is gebleken dat van bovengenoemde uitzonderings-mogelijkheid
geen
gebruik wordt gemaakt ten behoeve van vrouwen die vanwege zorgtaken nadeel
van de leeftijdsgrens ondervinden.

3.2. De wederpartij heeft per brief van 15 oktober 1996 cijfermateriaal
overgelegd waarbij wordt aangegeven de verdeling naar geslacht van het
aantal
aanvragen en toewijzingen voor
post-doc beurzen in 1995. Voorts heeft zij ter zitting cijfermateriaal
overgelegd ter ondersteuning van haar verweer.
De betreffende gegevens zijn hierna onder de standpunten (3.11.) weergegeven.

3.3. Uit onderzoek van het CBS over “Vruchtbaarheid: trends en prognoses”
blijkt dat 73% van de laag opgeleide vrouwen geboren in 1950-1954 een eerste
kind kreeg voor hun 28ste jaar, tegen slechts 29% van de hoog opgeleide
vrouwen. Voor het cohort 1960-1964 liggen deze cijfers op 58%,
respectievelijk 16%. (Bron CBS Maandstatistiek bevolking (CBS) 97/7, J.
de
Beer, Vruchtbaarheid: trends en prognoses pag. 20.)

3.4. Uit onderzoek van het CBS over de werkzame beroepsbevolking van 15-64
jaar naar onderwijsniveau, positie werkkring, geslacht en wekelijkse
arbeidsduur 1996 (Bron: CBS, Enquête beroepsbevolking.
Tabel 42: Werkzame beroepsbevolking van 15-64 jaar naar onderwijsniveau,
positiewerkkring, geslacht en wekelijkse arbeidsduur, 1996.) blijkt het
volgende:

Verdeling naar geslacht en arbeidsduur m.b.t personen met een
wetenschappelijke opleiding. (Het betreft hier afgeronde cijfers, daarom
komen de totaal cijfers niet precies overeen met de opgetelde cijfers die
ervoor genoemd zijn.)

man en vrouw man vrouw
x1000
12-19 uur 15 . (Een punt(.) in de tabel betekent
dat gegevens van voldoende nauwkeurigheid ontbreken; het gaat hierbij om
cijfers die afgerond kleiner dan 5000 zijn.) 10
20-34 uur 105 39 66
> 35 uur 390 304 86
Totaal 511 348 163

De standpunten van partijen

Verzoeker brengt het volgende naar voren.

3.5. Verzoeker is hoogleraar. Door het stellen van de leeftijdseis van
40
jaar wordt door de wederpartij jegens vrouwen indirect onderscheid naar
geslacht gemaakt. Aangezien vooral vrouwen hun loopbaan onderbreken in
verband met zorgtaken en op latere leeftijd herintreden, worden met name
vrouwen benadeeld door het stellen van deze leeftijdseis. Ter ondersteuning
van dit standpunt legt verzoeker een verklaring van een getuige over.
Verzoeker wordt hierdoor eveneens benadeeld, omdat hij met enige regelmaat
geschikte vrouwelijke kandidaten niet kan voordragen voor een post-doc
beurs
bij de wederpartij.
Door de leeftijdseis zullen universiteiten geen aanvragen indienen voor
personen ouder dan 40 jaar, ook al is er een uitzonderingsmogelijkheid.
Reden
hiervoor is dat een aanvraag veel tijd kost en er per instelling een beperkt
aantal post-doc plaatsen zijn die door de wederpartij gefinancierd worden.
Onder deze omstandigheden zal een universiteit ‘op safe’ spelen. Hierdoor
wordt niet zichtbaar dat herintredende vrouwen door de leeftijdseis benadeeld
worden.

3.6. De door de wederpartij overgelegde cijfers doen niet ter zake.
De klacht van verzoeker gaat immers niet over het selectieproces, maar
over
de ontvankelijkheidseisen die daaraan vooraf gaan. Hoeveel vrouwen
uiteindelijk een post-doc beurs hebben gekregen is niet relevant, het gaat
er
juist om dat een bepaalde groep vrouwen niet voor deze beurs in aanmerking
komt. Uit de cijfers zou hoogstens afgeleid kunnen worden dat er relatief
minder aanvragen voor vrouwen dan voor mannen worden ingediend, hetgeen
de
stelling van verzoeker dat er sprake is van indirect onderscheid juist
ondersteunt.

3.7. Verzoeker is het niet eens met het standpunt van de wederpartij dat
een
oudere persoon minder ‘rendement’ oplevert. Verzoeker kent geen gegevens
waaruit blijkt dat de wetenschappelijke bijdrage van een 41-jarige net
gepromoveerde vrouw minder zou zijn dan die van een 30-jarige net
gepromoveerde man. Indien de geselecteerde kandidaten allemaal van
top-kwaliteit zijn, zoals de wederpartij stelt, dan valt er ook bij een
persoon boven de 40 jaar nog erg veel rendement te verwachten.

De wederpartij voert het volgende aan.

3.8. De wederpartij betwist dat er sprake is van indirect onderscheid.
Verzoeker stelt dat de leeftijdseis leidt tot indirect onderscheid, maar
laat
na om dit getalsmatig te onderbouwen. Zijn verwijzing naar concrete situaties
waar hij zelf tegenaan is gelopen, kan niet dienen als bewijs dat met name
vrouwen worden getroffen door het stellen van deze eis.

3.9. De wederpartij beoogt potentiële toponderzoekers, die aan het begin
staan van een wetenschappelijke carrière, voor de Nederlandse instellingen
van wetenschappelijk onderwijs te behouden. Zij wil een continue stroom
van
talentvolle jonge onderzoekers voor de Nederlandse wetenschapsbeoefening
in
stand houden. Op deze wijze kan het onderzoekspotentieel van de
universiteiten versterkt worden.

3.10. De financiering van post-docs moet worden gezien als een investering
die een zo hoog mogelijk ‘rendement’ moet opleveren in termen van
onderzoeksprestaties die post-docs als universitair (hoofd)docent of
hoogleraar na afloop van het onderzoek leveren. Dit rendement ligt doorgaans
hoger naarmate het onderzoek op jeugdiger leeftijd aanvangt en de loopbaan
zich daarna over een langere periode uitstrekt.

3.11. Bij de vaststelling van de leeftijdseis van 40 jaar, is rekening
gehouden met:

– de gemiddelde leeftijd bij het behalen van het doctoraal- of
ingenieursdiploma. Verwezen wordt naar de in dit verband overgelegde cijfers
van het CBS met betrekking tot geslaagden voor het doctoraalexamen naar
geslacht en leeftijd, over 1989-1994. Deze geven aan dat over genoemde
periode de mediaan ligt bij 25 jaar, dat wil zeggen dat bij een leeftijd
van
25 jaar tenminste 50% van de doctoraalstudenten het examen heeft gehaald.
Op
26 jarige leeftijd heeft 76% het doctoraalexamen gehaald.
Uit genoemd CBS onderzoek blijkt dat van het totaal aantal personen dat
het
doctoraalexamen heeft gehaald in 1994-1995, 53% man en 47% vrouw is;

– de gemiddelde duur van de voorbereiding van het proefschrift. De
wederpartij stelt dat alleen cumulatieve percentages en afvalpercentages
beschikbaar zijn. Het KUOZ 1996, Kengetallen Universitair Onderzoek –
verslagjaar 1994 geeft aan dat 16-18% van de aio’s die begint de promotie
niet voltooit (Rapport waarin de informatie over onderzoek weergegeven
is
inclusief informatie over aio’s. Utrecht: VSNU, 1996, onder 3.6 pagina
28.).
Voorts blijkt uit dit onderzoek dat van de aio’s die beginnen 35% promoveert
binnen 5 jaar, 55% binnen 6 jaar en 64% binnen 7 jaar (Zie KUOZ, Kengetallen
universitair onderzoek-verslagjaar 1994, tabel 3.4. pag 48.).
Uit de tabellen van Wetenschappelijk Onderwijs PersoneelsInformatie (WOPI)
1996, peildatum 31-12-95 blijkt het volgende.
Tabel B1 laat zien dat van de mannen én vrouwen die als aio zijn aangesteld
de leeftijdsopbouw als volgt verloopt:
9% is < 25 jaar, 68% is 25-29 jaar, 18% is 30-34 jaar en 4% is 35-39 jaar.
Tabel B2 laat zien dat de leeftijdsopbouw van (alleen) vrouwelijke aio’s
niet
significant verschilt van de leeftijdsopbouw van mannen en vrouwen tezamen:
8% is < 25 jaar, 66% is 25-29 jaar, 19% is 30-34 jaar en 4% is 35-39 jaar.
Genoemd KUOZ rapport geeft aan dat van de totale cumulatieve percentages
aio’s 77% mannen en 23% vrouwen zijn gepromoveerd in 1994 (t.a.p. tabel
3.6.
pagina 50.);

– het tijdvak dat na de promotie nodig is om zich -bij voorkeur door een
onderzoeksverblijf in het buitenland- tot zelfstandige onderzoeker te
ontwikkelen.
De wederpartij beschikt niet over statistische gegevens. De ervaring leert
echter dat zulks gemiddeld ligt op circa 2 jaar binnen de Natuur-, Levens-
en
Technische Wetenschappen en op minder dan 2 jaar voor Geestes-, Gedrags-
en
Maatschappijwetenschappen.

Deze factoren in beschouwing nemend is de maximale leeftijd van 40 jaar
als
redelijk ruim bemeten aan te merken.

3.12. De man/vrouw verhouding van post-doc beursaanvragen over
1992-1996 bedroeg procentueel gezien respectievelijk 86/14, terwijl de
verhouding bij de toewijzingen over genoemde periode procentueel gezien
respectievelijk 85/15 bedroeg.
De cijfers in de brief van 15 oktober 1996 van de wederpartij geven aan
dat
in 1995 110 aanvragen zijn ingediend, waarvan 95 door mannen en 15 door
vrouwen. Van deze aanvragen werden 33 toegewezen waarvan 26 aan mannen
en 7
aan vrouwen.
Hieruit blijkt dat het percentage vrouwelijke kandidaten dat voor een
post-doc beurs in aanmerking komt hoger ligt dan het percentage door vrouwen
ingediende aanvragen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid naar geslacht
maakt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door bij het toekennen van
post-doc beurzen een leeftijdsgrens van 40 jaar te stellen.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub c Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), verbiedt
in samenhang met artikel 1 AWGB, het maken van onderscheid naar geslacht,
bij
het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door
instellingen die werkzaam zijn op het gebied van onderwijs.

Artikel 7 AWGB bevat geen beperkingen met betrekking tot de aard van de
aan
te bieden goederen of diensten, dan wel de te sluiten overeenkomsten. Het
verbod beslaat uiteenlopende terreinen van het maatschappelijk leven en
kan
derhalve op zeer verschillende situaties van toepassing zijn.
De uitzonderingen op dit artikel zijn in deze zaak niet van toepassing,
omdat
deze gelden voor instellingen van bijzonder onderwijs (artikel 7 lid 2
AWGB)
en rechtsverhoudingen met een privékarakter (artikel 7 lid 3 AWGB).

In artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan direct en indirect
onderscheid. Indirect onderscheid houdt in onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg
heeft. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid
1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.

4.3. Ingevolge de Wet op het Wetenschappelijk Onderwijs is de wederpartij
een
rechtspersoon, die fondsen beschikbaar stelt aan universiteiten voor de
aanstelling van universitaire onderzoekers. De onderzoekers komen te werken
in onderwijs-instellingen, namelijk universiteiten. De wederpartij ontvangt
jaarlijks een bedrag van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen
om haar werkzaamheden te kunnen uitoefenen.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij een instelling is die werkzaam
is
op het gebied van onderwijs. De Commissie is dan ook van oordeel dat de
wederpartij valt onder het bereik van artikel 7 lid 1 sub c AWGB.

4.4. Ten aanzien van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het
volgende.
Verzoeker stelt dat herintredende vrouwen door de leeftijdseis van maximaal
40 jaar onevenredig zwaar worden getroffen en er derhalve sprake is van
indirect onderscheid naar geslacht. Verzoeker beschikt niet over
cijfermateriaal ter onderbouwing van zijn standpunt. Hij beroept zich op
het
feit van algemene bekendheid dat vrouwen vaker dan mannen hun loopbaan
onderbreken in verband met zorgtaken en daardoor pas later weer intreden
op
de arbeidsmarkt. Daarom is aannemelijk dat (herintredende) vrouwen benadeeld
worden door het stellen van deze leeftijdseis. Ter ondersteuning van dit
standpunt is een verklaring van een getuige overgelegd.

4.5. De Commissie is het met verzoeker eens dat het een feit van algemene
bekendheid is dat vrouwen vanwege zwangerschap, moederschap en zorgtaken
vaker dan mannen hun loopbaan onderbreken dan wel in deeltijd werken.
Daardoor is aannemelijk dat vrouwen in het algemeen eerder dan mannen
onevenredig nadeel ondervinden van leeftijdsgrenzen bij de opbouw van hun
carrière.
Dit is niet anders voor wat betreft vrouwen met een wetenschappelijke
opleiding. Voor de onderhavige zaak is van belang de categorie vrouwen
die in
1996 om en nabij 40 jaar was, dus omstreeks 1956 of eerder is geboren.
Uit het hiervoor onder 3.3. genoemde onderzoek van het CBS over
“Vruchtbaarheid: trends en prognoses” blijkt dat 73% van de laag opgeleide
vrouwen geboren in 1950-1954 een eerste kind kreeg voor het 28ste jaar,
tegen
slechts 29% van de hoog opgeleide vrouwen. Voor het cohort 1960-1964 liggen
deze cijfers op 58%, respectievelijk 16%. Hieruit kan worden afgeleid dat
ongeveer 70 tot 80% van de voor deze zaak relevante categorie vrouwen het
eerste kind na het 28ste jaar heeft gekregen. Dit betekent dat het merendeel
van deze vrouwen juist in de twaalf daarop volgende jaren vanwege
zwangerschap, moederschap en andere zorgtaken hun loopbaan (tijdelijk)
zullen
onderbreken of in deeltijd zullen werken. Dit laatste wordt bevestigd door
de
gegevens van het CBS over de werkzame beroepsbevolking van 15-64 jaar over
1996 (zie onder 3.4.). Deze cijfers geven aan dat wat betreft personen
met
een wetenschappelijke opleiding (76/163 x 100% =) 47% van de vrouwen en
(39/348 x 100% =) 11% mannen in deeltijd werken.
Er werken dus relatief 4,2 keer zoveel vrouwen als mannen in deeltijd.
Er is
derhalve sprake van indirect onderscheid jegens vrouwen door de
leeftijdsgrens van 40 jaar.

4.6. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1
AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat:
– aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is;
– de middelen, die gekozen worden om het nagestreefde doel te bereiken,
dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de instelling;
– deze middelen geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook
noodzakelijk zijn (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 14. en Hof
van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84 en Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebaüdereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88.).

4.7. Het doel van de wederpartij is om potentiële toponderzoekers, die
aan
het begin staan van een wetenschappelijke carrière, voor de Nederlandse
instellingen van wetenschappelijk onderwijs te behouden. Aan dit doel is
iedere discriminatie vreemd, terwijl het doel voldoet aan een werkelijke
behoefte van de wederpartij.

4.8. Vervolgens zal onderzocht moeten worden of het middel geschikt en
noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.
De wederpartij stelt een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen
voor een post-doc beurs, waaronder voorzover relevant een leeftijdsgrens
van
40 jaar. De wederpartij voert aan dat deze leeftijdsgrens niet willekeurig
is.
De leeftijdseis wordt gesteld om te waarborgen dat degenen die een post-doc
beurs krijgen een zo groot mogelijk rendement opleveren voor de
onderwijsinstellingen.
Bij het vaststellen van deze leeftijdseis is rekening gehouden met de
gemiddelde leeftijd waarop onderzoekers promoveren, de gemiddelde duur
van de
voorbereiding van het proefschrift en het tijdvak dat na de promotie nodig
is
om zich als zelfstandig onderzoeker te ontwikkelen. Dit standpunt wordt
onderbouwd met cijfermateriaal voorzover zulks voorradig is.

Voor wat betreft het standpunt van de wederpartij dat een zo hoog mogelijk
rendement gewaarborgd dient te zijn, is het op zich juist dat naarmate
een
onderzoeker ouder is, deze minder werkjaren beschikbaar heeft dan een jonge
onderzoeker.
De Commissie is echter met verzoeker van oordeel dat rendement niet
uitsluitend gerelateerd kan worden aan het (grotere) aantal werkjaren.
Er
zijn nog een aantal andere factoren die voor het rendement van belang zijn
zoals het intellectuele niveau, de kennis, de motivatie, de ervaring en
de
produktiviteit van de onderzoeker. Deze zijn niet van leeftijd afhankelijk.

Voor wat betreft het standpunt van de wederpartij dat de leeftijdsgrens
van
40 jaar niet willekeurig, dus gerechtvaardigd zou zijn, overweegt de
Commissie het volgende.
De Commissie concludeert dat ingevolge het standpunt van de wederpartij
gemiddeld genomen mannen en vrouwen aan de post-doc criteria kunnen voldoen
op de leeftijd van (26 jaar + 7 jaar + 2 jaar =) 35 jaar. Dit betekent
dat er
nog een marge zou zijn van 5 jaar om de gestelde leeftijdsgrens van 40
jaar
te halen.

Wat betreft de gemiddelde leeftijd bij het behalen van het doctoraalexamen
overweegt de Commissie als volgt.
De Commissie constateert in de eerste plaats dat de gegevens die de
wederpartij ter onderbouwing van haar standpunt hanteert betrekking hebben
op
de periode 1989-1994. Deze cijfers indiceren wel dat de voor wat de huidige
generaties studerenden betreft, de gemiddelde leeftijd waarop mannen en
vrouwen het doctoraalexamen halen ongeveer 26 jaar is. Zij zijn echter
niet
concludent voor wat betreft de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen het
doctoraalexamen halen. Daar komt bij dat de betreffende cijfers niet
bruikbaar zijn voor wat betreft de leeftijdscategorie die voor de onderhavige
zaak van belang is, namelijk de vrouwen die 40 jaar waren omstreeks 1996,
dus
omstreeks 1956 zijn geboren en omstreeks 1976 zijn gaan studeren.

Wat betreft de gemiddelde duur van de promotie overweegt de Commissie als
volgt.
De door de wederpartij overgelegde tabellen van het VSNU- onderzoek waaruit
kan worden afgeleid dat 64% van de personen die promoveren dit in zeven
jaar
afronden, hebben betrekking op het verslagjaar 1994 en zijn derhalve evenmin
concludent voor de onderhavige zaak.

Wat betreft de periode voor ontwikkeling tot zelfstandig onderzoeker is
de
door de wederpartij aangegeven periode van twee jaar een ervaringsregel
die
op zich niet is betwist. Daarbij wordt impliciet echter wel uitgegaan van
een
voltijdaanstelling.

Concluderend kan worden gesteld dat de onderbouwing van de wederpartij
niet
concludent is voor de leeftijdscategorie vrouwen waar verzoeker op doelt.
Hierdoor kan in zijn algemeenheid niet vastgesteld worden of de marge van
vijf jaar redelijk is en dit zal dan ook van geval tot geval beoordeeld
moeten worden.
De wederpartij voert aan dat afwijking van de leeftijdsgrens mogelijk is
indien, gelet op de maatschappelijke omstandigheden van de onderzoeker,
strikte toepassing van dit criterium als onredelijk en onrechtvaardig wordt
aangemerkt. Uit de verklaringen ter zitting is echter gebleken dat van
deze
mogelijkheid in de praktijk geen gebruik wordt gemaakt ten behoeve van
vrouwen die vanwege eerdergenoemde zorgtaken nadeel van de leeftijdsgrens
ondervinden. Daarbij werd door verzoeker benadrukt dat door de aanvragers,
vanwege het beperkt aantal post-doc plaatsen die door de wederpartij
gefinancierd worden, ieder risico voor afwijzing wordt vermeden. Dit heeft
tot gevolg dat er in de praktijk toch sprake is van uitsluiting van genoemde
categorie vrouwen.

De Commissie is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het middel
ten aanzien van de onderhavige categorie vrouwen te grofmazig is en niet
geschikt noch noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken. De Commissie
stelt vast dat aan de vereisten voor een objectieve rechtvaardigingsgrond
niet is voldaan. Derhalve is er sprake van verboden indirect onderscheid
naar
geslacht.

4.9. Ten overvloede wijst de Commissie er ambtshalve op dat het feit dat
aanvragen voor deeltijdaanstellingen niet zijn toegestaan, op gespannen
voet
kan staan met de wetgeving gelijke behandeling.

4.10. Aanbeveling van de Commissie

Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het hanteren van de
leeftijdsgrens van 40 jaar, aan (overigens gekwalificeerde) vrouwen boven
de
40 jaar niet in de weg hoeft te staan, indien in de praktijk door deze
categorie vrouwen met succes een beroep kan worden gedaan op de mogelijkheid
om van de strikte leeftijdsgrens af te wijken.
Teneinde te bevorderen dat deze uitzonderingsmogelijkheid in de praktijk
daadwerkelijk wordt benut, beveelt de Commissie de wederpartij aan in de
toelatingsvoorwaarden uitdrukkelijk op te nemen dat afwijking van de strikte
leeftijdseis voor genoemde categorie vrouwelijke kandidaten vanwege zorgtaken
mogelijk is. Voorts beveelt de Commissie aan in een procedure die voorafgaat
aan de procedure van toewijzing aan betrokkene uitsluitsel te geven over
afwijking van de leeftijdsgrens. Hierdoor kan worden voorkomen dat aanvragers
van post-doc plaatsen de betreffende categorie vrouwelijke kandidaten toch
als een “risico” voor de toewijzing blijven beschouwen.
Tenslotte wordt erop gewezen dat de meest eenvoudige oplossing wellicht
is
geheel af te zien van leeftijdsgrenzen voor de toelating. In dit verband
wordt verwezen naar de maatschappelijke ontwikkelingen op het gebied van
leeftijdsdiscriminatie en de terzake in voorbereiding zijnde wetgeving.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Koninklijke Nederlandse
Academie van Wetenschappen te Amsterdam verboden indirect onderscheid maakt
naar geslacht door bij het toekennen van post-doc beurzen een leeftijdsgrens
van 40 jaar te stellen en derhalve in strijd met artikel 7 lid 1 sub c
van de
Algemene wet gelijke behandeling handelt.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 10 oktober 1997

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De man komt de omgangsregeling niet goed na en de kinderen vertonen klachten,
zoals verlatingsangst en het-niet-willen- overblijven op school. De vrouw
wil
wel dat er contact is tussen de vader en de kinderen. De rechter acht zich
niet voldoende ingelicht en formuleert een aantal vragen aan de Raad voor
de
Kinderbescherming die daar onderzoek naar dient te verrichten.

Volledige tekst

Het geding

De man en de vrouw zijn in 1984 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van
de
rechtbank te ‘s-Gravenhage van 15 januari 1997 is tussen hen de echtscheiding
uitgesproken. Daarbij is aan de man ten laste van de vrouw een alimentatie
toegekend van ƒ 350,= per maand, vanaf het moment dat het thans op zijn
salaris rustende loonbeslag zal zijn opgeheven.

Voorts is bij die beschikking bepaald dat aan de vrouw voortaan alleen
het
gezag toekomt over de minderjarigen
1. Wendy, geboren op 16 mei 1987, en
2. Erwin, geboren op 14 augustus 1990,
en is door de man te betalen kinderalimentatie bepaald op ƒ 150,= per maand
per kind zolang het loonbeslag rust en op ƒ 250,= per maand per kind wanneer
het loonbeslag zal zijn opgeheven.

Bij genoemde beschikking is voorts bepaald dat de man gerechtigd is de
minderjarigen één weekend in de drie weken bij zich te hebben van
vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur, alsmede één
doordeweekse dag na schooltijd tot 19.00 uur en voorts de eerste drie weken
van de zomervakantie.

De man is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de beschikking
van
15 januari 1997 te vernietigen voor zover het betreft de hoogte van de
bijdragen voor de vrouw en de kinderen en, opnieuw beschikkende, de
kinderbijdrage te bepalen op nihil zolang het loonbeslag nog op het salaris
rust en op ƒ 250,= per maand zodra het loonbeslag is opgeheven en tenslotte
te bepalen dat de alimentatie voor de vrouw wordt gesteld op nihil, ook
wanneer het loonbeslag is opgeheven. In ieder geval verzoekt de man de
hoogte
van de vastgestelde bijdrage te wijzigen en te bepalen op een zodanig bedrag
en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie vermeent
te behoren.

De vrouw heeft tijdig een verweerschrift ingediend en in het incidentele
hoger beroep verzocht de beschikking van 15 januari 1997 te vernietigen
voor
wat betreft de vaststelling van de omgangsregeling alsmede de alimentatie
voor de vrouw en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man slechts in
onderling overleg met de vrouw de omgang met de minderjarige kan hebben
en
voorts te bepalen dat er geen omgangskosten ten laste van de draagkracht
van
de man kunnen worden opgevoerd, als gevolg waarvan de bijdrage in het
levensonderhoud van de vrouw dienovereenkomstig vermeerderd dient te worden,
althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie
vermeent te behoren, met handhaving van de overige beslissingen zoals
vastgelegd door de rechtbank.

Op 29 augustus is de zaak mondeling behandeld.

Beoordeling van de zaak in het principale en het incidentele hoger
beroep

1. Omgangsregeling

1.1. Omdat de man de omgangsregeling niet goed nakwam, heeft de vrouw
verzocht de vastgestelde omgangsregeling op te heffen en in plaats daarvan
op
te nemen in de beschikking dat een omgangsregeling in onderling overleg
kan
plaatsvinden. De vrouw acht het wel in het belang van de kinderen dat zij
omgang met hun vader hebben. De kinderen zijn in de maand juli 1997 twee
weken bij de man geweest en dat is niet goed gegaan volgens de vrouw; de
kinderen willen thans niet overblijven op school en lijden volgens de
vertrouwensarts aan verlatingsangst.

1.2. De man betwist dat hij de omgangsregeling niet goed is nagekomen.
De man
verklaarde aanvankelijk dat hij zich er noodgedwongen maar bij neerlegde
dat
er tijdelijk geen omgangsregeling zou zijn. Op de zitting is echter gebleken
dat hij de kinderen wel heel graag bij zich wil hebben.

1.3. Ter zitting zijn de partijen tot overeenstemming gekomen over een
voorlopige omgangsregeling van één weekend per maand van zaterdagmorgen
tot
zondagavond, te beginnen bij het weekend van 27 september 1997. Voorts
is ter
zitting afgesproken dat er één belcontact per week tussen de man en de
minderjarigen zal plaatsvinden, het tijdstip door de man aan te geven.

1.4. Het hof acht zich nog niet voldoende ingelicht om reeds nu een
verantwoorde eindbeslissing te nemen omtrent de omgang tussen de man en
de
kinderen. Het hof zal daarom een nadere behandeling bepalen en, met
instemming van beide partijen, de Raad voor de Kinderbescherming verzoeken
een onderzoek te verrichten, waarbij de volgende vragen leidraad kunnen
zijn.
a. hoe is de relatie van de kinderen met de man;
b. welk beeld hebben de kinderen van de man;
c. is de man in staat het omgangsrecht op een verantwoorde wijze uit te
oefenen;
d. beschikt de vrouw over voldoende draagkracht om de kinderen te stimuleren
omgang met de man te hebben, hen daarop voor te bereiden en hen daarbij
te
begeleiden;
e. welke factoren staan aan een goede omgang tussen de man en de kinderen
in
de weg en zijn er mogelijkheden om die factoren te doen verdwijnen;
f. doen zich bijzondere omstandigheden voor die van belang kunnen zijn
voor
de vaststelling van de omgangsregeling;
g. welke betekenis dient te worden toegekend aan de (verlatings)angsten
die
door de vrouw bij de kinderen zijn gesignaleerd;
h. hoe zou een goede omgangsregeling tussen de man en de kinderen er uit
moeten zien;
i. zijn er tijdens het onderzoek nog andere feiten en omstandigheden bekend
geworden die mogelijk van belang kunnen zijn voor enige door het hof te
nemen
beslissing?

2. Alimentatie

2.1. De man heeft gesteld dat de vrouw samenleeft met een ander als waren
zij
gehuwd, zodat de vrouw geen aanspraak meer kan maken op een bijdrage van
hem
in de kosten van haar levensonderhoud.

2.2. De vrouw heeft de samenleving betwist.

2.3. Het hof is van oordeel dat de man, nu hij geen nadere feiten en
omstandigheden heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn stelling,
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw samenleeft met een ander
als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

2.4. De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft
gehouden met het feit dat de vrouw in staat is in de kosten van haar eigen
onderhoud te voorzien.

2.5. De vrouw is 36 jaar oud. De minderjarigen wonen bij haar. Haar bruto
inkomen bedraagt ƒ 1.407,= per maand. Daarnaast verricht zij thuis
strijkwerkzaamheden waarmee zij gemiddeld rond ƒ 250,= bruto per maand
verdient.

2.6. Gelet op het inkomen van de vrouw en nu de man ter terechtzitting
heeft
aangegeven dat in verband met haar zorg voor de kinderen van de vrouw niet
verlangd kan worden dat zij naast haar strijkwerkzaamheden meer dan vijftig
procent werkt, staat de behoeft van de vrouw aan een aanvullende alimentatie
vast.

2.7. De man heeft gesteld dat de rechtbank bij de bepaling van zijn
draagkracht ten onrechte is uitgegaan van de bijstandsnorm voor
alleenstaande.

2.8. De man woont sedert mei 1996 samen. Zijn partner heeft als
administratieve uitzendkracht in 1996 gemiddeld ƒ 437,= netto per maand
verdiend. Van januari tot en met maart 1997 heeft zij ƒ 1.300,= netto per
maand verdiend en daarna, zo stelt de man in zijn appelschrift, verdiende
zij
weer een bedrag van rond ƒ 437,= netto per maand. Ter zitting heeft de
man
verklaard dat zijn partner in de week van 25 augustus 1997 voor een aantal
weken full-time is gaan werken.

2.9. Het hof acht de verdiencapaciteit van de partner van de man zodanig
dat
de man met betrekking tot zijn draagkracht als alleenstaande dient te worden
aangemerkt.

2.10. De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van
woonlasten van ƒ 380,= per maand. Zijn huur bedroeg tot juli (het hof leest:)
1997 ƒ 759,= per maand. Met ingang van 18 juni 1997 heeft de man een nieuwe
woning gehuurd, waarvan de netto huur ƒ 860,= per maand bedraagt. De man
meent dat de huur naar evenredigheid ten laste dient te komen van hemzelf
en
zijn partner.

2.11. Het hof zal, gelet op hetgeen hieromtrent onder 2.8. en 2.9. is
overwogen, aan de partner van de man een evenredig deel, te weten eenderde
deel, van de woonlasten van de man toerekenen.

2.12. De man, 35 jaar oud, heeft een inkomen van ƒ 48.444,= bruto per jaar,
inclusief vakantietoeslag. Onbetwist is dat zolang er een loonbeslag op
zijn
salaris lag, de man een netto inkomen had van ƒ 2.011,= per maand inclusief
vakantiegeld. De man heeft gesteld dat de premie ziektekostenverzekering
ƒ
12,= per maand bedraagt (alleen voor zichzelf). Voorts heeft hij, naast
eerdergenoemde huurlasten, per maand ƒ 120,= kosten omgangsregeling opgevoerd
en een bijdrage Sociaal Fonds van ƒ 10,=.

2.13. Het hof zal bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgaan
van
de inkomsten van de man als voormeld en voorts tot augustus 1997 rekening
houden met kosten omgangsregeling ad ƒ 100,= per maand gelet op de feitelijke
frequentie van die regeling, en daarna met kosten omgangsregeling c.q.
belcontacten -gelet op hetgeen ter zitting is afgesproken- ad ƒ 50,= per
maand en vervolgens -nu de partner van de man een-derde gedeelte daarvan
voor haar rekening dient te nemen- tot 1 juni 1997 met een bedrag van ƒ
530,=
per maand aan huur en vanaf 1 juni 1997 met een bedrag van ƒ 600,= per
maand.

2.14. Geen rekening wordt gehouden met de premie ziektekostenverzekering,
nu
de man ziekenfondsverzekerd is en de premie daaraan verbonden wordt geacht
te
zijn begrepen in de basisnorm.

2.15. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man, voordat het
loonbeslag is opgeheven, te weten voor 30 mei 1997, een alimentatie voor
de
kinderen toelaat van ƒ 150,= per maand per kind, waarna er geen ruimte
meer
is voor alimentatie voor de vrouw. Nadat het loonbeslag is opgeheven,
derhalve na 30 mei 1997, laat de draagkracht van de man een alimentatie
voor
de kinderen toe van ƒ 250,= per maand per kind en voor de vrouw van ƒ 350,=
per maand, welke alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke
maatstaven.

2.16. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking voor wat
betreft de alimentatie moet worden bekrachtigd.

Beslissing van de zaak in het principale en het incidentele hoger
beroep

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 15 januari
1997, voor zover het de alimentatie voor de vrouw en de kinderen betreft;

wijst af hetgeen in hoger beroep met betrekking tot die alimentatie meer
of
anders verzocht is;

verzoekt de raad voor de kinderbescherming, uitgaande van de onder 1.4.
gestelde vragen, een onderzoek als voormeld te verrichten en het hof daarover
te rapporteren en te adviseren;

heft de door de rechtbank bij beschikking van 15 januari 1997 vastgestelde
omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen op tot nadere mondelinge
behandeling van het hoger beroep;

bepaalt dat de man, in afwachting van het onderzoek door de raad voor de
kinderbescherming, de beide minderjarigen één weekend per maand van
zaterdagmorgen 10 uur tot zondagavond 17.00 uur bij zich mag hebben, te
beginnen bij het weekend van 27 september 1997, en voorts dat er één
belcontact per week tussen de man en de minderjarigen mag plaatsvinden,
het
tijdstip door de man te bepalen, bij voorkeur tevoren aan te geven;

bepaalt, in afwachting van het gereedkomen van het rapport, dat de
behandeling wordt voortgezet op 28 februari 1998 pro forma;

houdt iedere verder beslissing aan.

Rechters

Mr Wigleven

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 10 oktober 1997

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Een vrouw heeft als ziekenverzorgster in een kinderziekenhuis gewerkt en is
na overwerkt te zijn geraakt, in de WAO terecht gekomen. Het ziekenhuis heeft
haar, na haar salaris gedurende de ZW- en WAO-periode te hebben aangevuld,
ontslagen. De vrouw heeft vervolgens een
kennelijk-onredelijk-ontslagprocedure aangespannen, waarin zij
schadevergoeding vordert omdat, volgens haar, het ziekenhuis verantwoordelijk
is voor het feit dat zij nu in de WAO zit. De advocate wil aantonen dat er
verband is tussen de arbeidsongeschiktheid van de vrouw en de structurele
overbelasting op haar werk door het als ziekenverzorgster moeten verrichten
van verpleegkundige taken. De Kantonrechter Amsterdam stelt mede op basis van
de uitgebrachte deskundigenrapporten vast:
– dat de werkgever eiseres stelselmatig handelingen heeft opgedragen in
strijd met algemeen geldende medische en verpleegkundige opvattingen;
– dat er causaal verband bestaat tussen het verrichten van de handelingen en
de arbeidsongeschiktheid van eiseres;
– dat die arbeidsongeschiktheid niet is veroorzaakt door (te) grote
emotionele betrokkenheid van eiseres bij het werk.
Beëindiging van de dienstbetrekking zonder nadere financiële vergoeding is
derhalve kennelijk onredelijk. Voldoende aannemelijk is dat aan eiseres smart
is berokkend die ook toekenning van een vergoeding voor immateriële schade
rechtvaardigt.
Gedaagden dienen aan materiele en immateriële schadevergoeding een bedrag van
f. 60.000 te voldoen. De werkgever is niet van de uitspraak in hoger beroep
gegaan.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij tussenvonnis van 22 december 1995 -waarvan de inhoud als hier ingelast en
overgenomen geldt- is deskundigenbericht gelast.

De deskundigen hebben schriftelijk deskundigenbericht uitgebracht.

leder van partijen nam een schriftelijke conclusie na deskundigenbericht.
Eiseres wijzigde de eis.

Eiseres vroeg pleidooi.

Het pleidooi is gehouden op 4 juni 1997. De gemachtigden hebben pleitnotities
overgelegd.

Daarna is opnieuw vonnis gevraagd.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

De deskundigen hebben de hen onder a voorgelegde vraag bevestigend
beantwoord, de onder b gestelde vraag ontkennend.

Er is geen grond om hun oordeel niet te volgen.

De deskundigen hebben met hun handtekening onderschreven dat het overgelegde
deskundigenbericht hun oordeel op juiste wijze weergeeft. Voor zover sprake
is geweest van verschillende observaties en/of nuanceringen als door gedaagde
verondersteld, hebben die kennelijk niet aan dit gemeenschappelijk oordeel in
de weg gestaan.

De deskundigen hebben niet -zoals gedaagde aanvoert- gesteld dat eiseres bij
gedaagde om aandacht voor haar problemen met het werk heeft gevraagd, maar
dat er voor haar gevoel bij gedaagde weinig aandacht voor haar was. Uit de
woorden “voor haar gevoel” volgt bovendien dat de deskundigen dit niet als
een vaststaand feit hebben aangenomen of eiseres zich tijdens het
dienstverband heeft beklaagd, is overigens in het tussenvonnis van 20
december 1991 niet van belang geoordeeld.

Er is geen grond om aan te nemen dat de vraag of gedaagde door de onderhavige
tewerkstelling in strijd met de wet handelde, een relevante rol heeft
gespeeld bij de oordeelsvorming van de deskundigen.

Evenmin is er grond om te oordelen dat door de deskundigen verdergaand
onderzoek had moeten worden verricht dan zij voor hun oordeel voldoende
hebben geacht. Hun oordeel is voldoende gemotiveerd.

In vervolg op het tussenvonnis van 20 december 1991 is thans komen vast te
staan:

a. dat gedaagde aan eiseres stelselmatig handelingen heeft opgedragen of
overgelaten als in het tussenvonnis van 21 januari 1994 omschreven onder I
sub a tot en met g;

b. dat gedaagde door het opdragen en overlaten van die handelingen handelde
in strijd met algemeen geldende medische en verpleegkundige opvattingen;

c. dat er causaal verband bestaat tussen het verrichten van de handelingen en
de arbeidsongeschiktheid van eiseres;

d. dat die arbeidsongeschiktheid niet is veroorzaakt door (te) grote
emotionele betrokkenheid van eiseres bij het werk, de patiënten en hun
ouders, en door het niet kunnen verwerken dat zij dit werk op zeker moment
niet meer mocht verrichten.

Zoals in het tussenvonnis van 20 december 1991 onder V voorzien, moet het
gezien het vorenstaande kennelijk onredelijk worden geoordeeld dat gedaagde
de dienstbetrekking zonder nadere financiële vergoeding heeft beëindigd.

Mede gezien het deskundigenbericht is voldoende aannemelijk dat aan eiseres
smart is berokkend die toekenning van een vergoeding voor immateriële schade
rechtvaardigt.

Voorts in aanmerking genomen de duur van het dienstverband en de overige
omstandigheden van het geval, zal het bedrag van de naar billijkheid aan
eiseres toe te kennen schadevergoeding worden bepaald op f. 40.000,00 bruto
voor inkomensschade en
f. 20.000,00 ter zake van immateriële schade. Er zijn geen termen om, als
door gedaagde verzocht, aan de uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij
voorraad de voorwaarde te verbinden dat zekerheid moet worden gesteld.

De kosten van de deskundigenberichten zullen worden vastgesteld op f.
9.040,00.

Gedaagde dient te worden aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij en te
worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

Gedaagde wordt veroordeeld om aan eiseres als schadevergoeding naar
billijkheid te voldoen de som van f. 40.000,00 bruto voor inkomensschade en
f. 20.000,00 ter zake van immateriële schade

Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van de deskundigenberichten ten
bedrage van
f. 9.040,00, te betalen uit het reeds door haar gestorte depot. De griffier
wordt opgedragen het restant van het depot ad f. 2.960,00 aan gedaagde te
restitueren.

Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het geding, aan zijde van eiseres
tot op deze uitspraak begroot op f. 5.465,35 waarvan f. 5.250,00 als salaris
van de gemachtigde van eiseres.

Dit vonnis is tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Rechters

Mr. S.G. Ellerbroek

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 8 oktober 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De heer T. was de levenspartner van de heer B., die op 2 augustus 1993 is
overleden. B. was deelnemer is het pensioenfonds van gedaagde. In 1987 heeft
het pensioenfonds een partnerpensioen ingesteld. Om hiervoor in aanmerking te
komen was een notarieel samenlevingscontract vereist. T. en zijn partner
beschikten hier niet over. T. stelt dat hij desalniettemin in aanmerking
dient te komen voor partnerpensioen. De rechtbank stelt T. in het gelijk
omdat eiseres in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelde door hem
niet als partner te accepteren. Van belang daarbij is dat het Pensioenfonds
de voorwaarden van het partnerpensioen in 1987 alleen aan de werkgever heeft
toegestuurd. Uit andere gegevens (testament, levensverzekering, hypotheek)
blijkt dat T. en zijn partner materieel voldeden aan de eisen van
partnerpensioen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure.

Voor de procesgang in eerste instantie wordt verwezen naar het in deze zaak
door de kantonrechter te Amsterdam op 5 juni 1996 onder rolnummer 2484/95
tussen partijen gewezen vonnis. Bij dagvaarding is het BPF van dat vonnis in
hoger beroep gekomen. Bij daarop gevolgde memorie, met bewijsstukken, heeft
zij grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met een bewijsstuk, heeft
T. de grieven bestreden en zijn eis vermeerderd. Het BPF heeft zich bij akte
over die vermeerdering van eis uitgelaten, waarop T. een antwoordakte met een
bewijsstuk heeft genomen. Partijen hebben vervolgens stukken overgelegd ter
verkrijging van vonnis in hoger beroep. Daaronder bevinden zich de stukken
van de procedure in eerste aanleg.

Gronden van de beslissing.

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

De procedure in eerste aanleg

2. Bij inleidende dagvaarding heeft T., stellende dat hij is te beschouwen
als partner in de zin van het Pensioenreglement van het BPF, zakelijk
weergegeven een verklaring van recht gevorderd met die strekking alsmede de
veroordeling van het BPF tot betaling aan hem na door hem genoegzaam bevonden
specificatie van partnerpensioen, met rente vanaf de dagvaarding (31 januari
1995) en veroordeling van het BPF in de proceskosten.

3. Bij het bestreden vonnis werd de vordering toegewezen, met veroordeling
van het BPF in de proceskosten, waartoe werd overwogen:

1. In dit geding wordt uitgegaan van de volgende erkende of niet c.q.
onvoldoende weersproken feiten:
a. eiser was de levenspartner van de op 2 augustus 1993 overleden A. H. D.B.
– nader te noemen: D.B. D.B. was deelnemer in het pensioenfonds van gedaagde;
b. gedaagde heeft in 1987 een zg. partnerpensioen ingesteld, bedoeld voor de
ongehuwde partner van een deelnemer in het pensioenfonds. Het
pensioenreglement 1993 van gedaagde is krachtens art. 36 lid 1 van dat
reglement van toepassing op de deelneming van D.B. Het houdt, voorzover
relevant, in:

art. 1 sub d:
partner:
1. degene die met de deelnemer, gewezen deelnemer of gepensioneerde gehuwd
is;
2. de ongehuwde man of vrouw met wie de ongehuwde deelnemer, gewezen
deelnemer of gepensioneerde, blijkens een notarieel verleden
samenlevingscontract een gezamenlijke huishouding voert en die geen bloed- of
aanverwant in de rechte lijn van de deelnemer, gewezen deelnemer of
gepensioneerde is.

art. 8 lid 2:
Indien er geen sprake is van een huwelijk tussen deelnemer, gewezen deelnemer
of gepensioneerde en partner, dient deze in de akte als bedoeld in artikel 1
sub d 2, de partner als gerechtigde te hebben aangewezen voor het
partnerpensioen onder herroeping van eerdere aanwijzingen. Indien bedoelde
aanwijzing ontbreekt beslist het fonds.

art. 11 lid 2:
Geen aanspraak op partnerpensioen heeft:
(…)
b. de ongehuwde partner die niet middels een uittreksel van het
bevolkingsregister en een afschrift van de notariële akte als bedoeld in
artikel 1 sub d 2, kan aantonen dat hij op het moment van overlijden
tenminste gedurende het voorafgaande halfjaar met de deelnemer, gewezen
deelnemer of gepensioneerde een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
c. bij brief d.d. 31 augustus 1993 aan eiser beschreef gedaagde de haars
inziens geldende voorwaarden, waaraan voor de toekenning van een
partnerpensioen voldaan diende te worden. De brief houdt voorts in, voor
zover relevant: “Mocht u desondanks van mening zijn dat u op grond van
bijzondere omstandigheden een beroep op de hardheidsclausule kan doen, dan
kan uw aanvraag ter beoordeling aan het bestuur worden voorgelegd. U dient
dan aanvullende documentatie te verstrekken waaruit een gezamenlijk
financieel beheer en wederzijdse zorgplicht tussen u en uw partner blijkt.
Deze aanvullende documentatie kan bijvoorbeeld bestaan uit:
– een op elkaars leven afgesloten levensverzekering;
– een gezamenlijke bankrekening;
– een vastgesteld gezamenlijk bezit van goederen en/of schulden.
– een testament

Na ontvangst van het aanvraagformulier en de aanvullende documentatie zullen
wij uw verzoek aan het bestuur voorleggen.”

d. de Commissie Ingekomen Stukken van gedaagde heeft op 13 januari 1994 het
verzoek van eiser tot toekenning van een partnerpensioen afgewezen. De
besluitenlijst vermeldt:
“De commissie besluit het verzoek tot partnerpensioen aan de heer H. T. af te
wijzen daar betrokkenen voldoende gelegenheid hebben gehad een valide
samenlevingscontract op te stellen.”;

e. op 28 december 1988 is op verzoek van D.B. een testament verleden, waarin
hij eiser tot enig erfgenaam heeft benoemd en dat voor zover relevant onder
punt 2. inhoudt:
“Voor het geval ik ongehuwd en zonder achterlating van afstammelingen kom te
overlijden en onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat ik ten tijde van mijn
overlijden nog samenwoon en een gemeenschappelijke huishouding voer met de
heer H. J. J. T., geboren te Breda achttien juni negentienhonderd een en
zestig, welke gemeenschappelijke huishouding bestaat sinds een april
negentienhonderd acht en tachtig, beschik ik als volgt: (…)’

f. de ouders van D.B. hebben na diens overlijden bij notariële verklaring
d.d. september 1993 in het voormelde testament berust;

g. blijkens de inlichtingen van het bevolkingsregister van de gemeente Breda
zijn eiser en D.B. vanaf 1 april 1988 tot het overlijden van laatstgenoemde
op dezelfde adressen ingeschreven geweest;

h. eiser en D.B. hebben op elkaars leven levensverzekeringen afgesloten. op
15 januari 1993 hebben zij samen de woning met berging aan de (…) te Breda
gekocht, waarvoor zij eveneens samen hypothecaire verplichtingen zijn
aangegaan.

i. eiser en D.B. hielden in ieder geval in juni 1993 een gezamenlijke
spaarrekening aan en in 1988, 1990 en 1993 een gezamenlijke privé-rekening,
waarvan o.m. de lasten van hypotheek en levensverzekering werden voldaan.

2. Eiser vordert, zakelijk weergegeven, verklaring voor recht dat hij partner
is in de zin van het pensioenreglement van gedaagde alsmede de specificatie
en uitbetaling van de hem toekomende pensioenrechten. Hij stelt daartoe
sedert augustus 1980 een affectieve relatie te hebben onderhouden met D.B. en
uit diens deelneming in het pensioenfonds van gedaagde rechten te hebben
verworven.

3. Eiser stelt primair van gedaagde na de eerste afwijzing van de
pensioenaanvraag bij brief d.d. 24 februari 1994 telefonisch te hebben
vernomen dat de afwijzing gegrond was op art. 16 b van haar reglement. Eiser
voldeed aan die bepaling. Gedaagde heeft bij hem het vertrouwen gewekt dat de
bepaling van toepassing was en handelt onrechtmatig dan wel onzorgvuldig door
zich nadien op andere, meer beperkende voorwaarden te beroepen.

4. Eiser stelt subsidiair materieel te voldoen aan de voor toekenning van
pensioenrechten gestelde voorwaarden. Weliswaar beschikt hij niet over het in
rov. lb genoemde notarieel verleden samenlevingscontract met een
begunstigingsclausule t.a.v. het partnerpensioen. Het in rov. 1e genoemde
testament bevat echter een vergelijkbare aanwijzing van hem als de partner
van D.B. Uit andere stukken blijkt eveneens voldoende van zijn samenwoning
met en partnerschap van D.B.

5. Eiser stelt voorts dat de voorwaarde m.b.t. het samenlevingscontract niet
aan hem c.q. D.B. kenbaar is gemaakt. De weigering van gedaagde om hem
pensioenrechten te verlenen acht eiser in strijd met de goede trouw c.q. de
redelijkheid en billijkheid.

6. Meer subsidiair stelt eiser dat gedaagde ten onrechte zijn beroep op de
hardheidsclausule niet heeft gehonoreerd. Gedaagde heeft de invoering en de
wijziging van het partnerpensioen met de daaraan verbonden overgangsclausule
van twee jaar om te voorzien in het meergenoemde samenlevingscontract, niet
aan haar deelnemers bekend gemaakt. Gelet op die omstandigheid had gedaagde
een ruimer gebruik van de hardheidsclausule moeten maken.

7. Gedaagde heeft verweer gevoerd.

8. Geoordeeld wordt als volgt.
De primaire stelling faalt. Gedaagde voert terecht aan dat zowel het
aanvraagformulier als haar brief d.d. 24 februari 1994 zijn gebaseerd op de
in rov. 1b genoemde voorwaarden, die afweken van het niet meer van toepassing
zijnde art. 16b. Daargelaten de inhoud van de – betwiste – telefonische
mededelingen, heeft bij eiser derhalve niet het gerechtvaardigde vertrouwen
kunnen ontstaan dat gedaagde de actuele bepalingen niet zou toepassen.

9. Ten verwere tegen de subsidiaire stelling heeft gedaagde aangevoerd dat
aan alle in haar reglement genoemde bepalingen dient te worden voldaan, wil
een recht op uitkering ontstaan. Zij betwist de relevantie van het in rov. 1e
genoemde testament. Zij is gerechtigd haar eigen voorwaarden te stellen, die
niet gelijk hoeven te zijn aan die van de fiscus of de burgerlijke stand. Het
valt in de risicosfeer van gedaagde, indien D.B. zich niet via zijn werkgever
heeft laten informeren over de toepasselijke voorwaarden. Gedaagde betwist
tenslotte dat er tussen eiser en D.B. sprake was van een wederzijdse
financiële zorgplicht.

10. De subsidiaire stelling slaagt. Uit de door gedaagde overgelegde
brochures blijkt dat zij aan de invoering, c.q. ingrijpende herziening per 1
januari 1987 van het partnerpensioen reglementaire voorwaarden heeft
verbonden, welke voorwaarden nadien zijn gewijzigd. De bepalingen maken de
opstelling van een samenlevingscontract met een specifiek beding
noodzakelijk; met de overlegging na het overlijden van de deelnemer van
eenvoudig kenbare gegevens als die van de fiscus, de onderlinge financiële
huishouding en de burgerlijke stand kan niet worden volstaan. Aan gedaagde
komt in beginsel de vrijheid toe zodanige voorwaarden te stellen. Zij miskent
echter jegens haar deelnemers gehouden te zijn om de – beperkende –
voorwaarden kenbaar te maken, aldus dat deze relevante maatregelen konden
treffen.

11. Tegenover de betwisting door eiser dat hij c.q. D.B. in kennis is gesteld
van de hier relevante voorwaarden, heeft gedaagde niet anders aangevoerd dan
dat zij deze aan zijn werkgever heeft toegezonden. Nu zij niet heeft
aangevoerd D.B. zelf in kennis te hebben gesteld of te bewijzen aangeboden
heeft dat eiser en D.B. van de gewijzigde voorwaarden kennis droegen, is voor
een bewijsopdracht terzake geen plaats.

12. Gedaagde heeft zich beperkt tot een blote betwisting van de inhoud van de
partnerrelatie van eiser en D.B. Nu uit de in de rov. 1e – 1i genoemde feiten
voldoende blijkt van hun beider samenwoning, van hun gezamenlijke huishouding
en van de aanwijzing van eiser als enig erfgenaam onder uitsluiting van
andere mogelijke rechthebbenden, wordt geoordeeld dat zij materieel aan de
aan de toekenning van pensioenrechten gestelde voorwaarden hebben voldaan en
dat gedaagde in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door deze
aan eiser te onthouden. De vordering wordt mitsdien toegewezen.

13. Gelet op het bovenstaande behoeven de overige stellingen en weren geen
behandeling meer.

14. Gedaagde dient te worden aangemerkt als in het ongelijk gestelde partij
en te worden veroordeeld in de kosten van het geding.

De grieven

4. Bij memorie van grieven heeft het BPF onder meer het volgende tegen het
vonnis ingebracht:
Het BPF wenst grieven tegen het vonnis van de Kantonrechter aan te
voeren, waarmee wordt beoogd de gehele zaak in al zijn facetten opnieuw in
zijn geheel te beoordelen. Het BPF voert met name grieven aan tegen de
alinea’s 10, 11, 12, 13 en 14 van het vonnis van de Kantonrechter, alsmede de
hierop gebaseerde beslissing.

De vaststaande feiten

5. In hoger beroep zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de vaststelling van de
feiten in het vonnis van de kantonrechter onder rechtsoverweging 1, zodat ook
de rechtbank van die feiten uitgaat.

De vorderingen in hoger beroep

6. In hoger beroep vordert het BPF dat de rechtbank het vonnis zal
vernietigen en opnieuw rechtdoende T. alsnog zijn oorspronkelijke vordering
zal ontzeggen, met zijn veroordeling in de kosten van beide instanties.

7. Bij vermeerdering van eis, in zoverre zonder bezwaar van het BPF, vordert
T. wettelijke rente vanaf 22 september 1993 over de successievelijk
verschuldigde maandelijkse pensioenuitkeringen alsmede een bedrag van ƒ 5.000
met rente vanaf 4 december 1996 wegens buitengerechtelijke kosten.

De beoordeling van het hoger beroep

8. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het oordeel van de
rechtbank voor te leggen en lenen zich derhalve voor gezamenlijke
behandeling.

9. Bij de beoordeling dient als uitgangspunt dat het in het algemeen
vrijstaat aan het BPF om aan de toekenning van een partnerpensioen nadere
regels te stellen en dat zij in dit verband in redelijkheid de regel mag
stellen – naar zij op aannemelijke wijze betoogt op grond van redenen van
administratieve eenvoud – dat een notarieel verleden samenlevingscontract met
aanwijzing van de partner als gerechtigde op het partnerpensioen is
opgemaakt.

10. Een op grond van een dergelijke regel door het BPF gegeven beslissing is
echter, ook in het onderhavige geval waarin het niet gaat om een tussen
partijen gesloten overeenkomst, in een concreet geval niet van toepassing
voorzover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

11. Als zodanige omstandigheden gelden aan de zijde van T:

a. de brief van het BPF van 31 augustus 1993 waarin het vertrouwen werd
gewekt dat het bestuur, ondanks het (in dit geval) ontbreken van een
samenlevingscontract, toch tot toekenning van partnerpensioen kon beslissen
na overlegging van de daarin concreet genoemde stukken;
b. de omstandigheid dat het bestuur van het BPF na toezending door T. van de
in die brief genoemde stukken het verzoek om toekenning van een
partnerpensioen heeft afgewezen op een grond die het bij het verzenden van de
hiervoor genoemde brief reeds kende, te weten dat T. en zijn voormalige
partner voldoende gelegenheid hadden gehad een samenlevingscontract op te
stellen, en in weerwil van het feit dat T. alle in die brief bij wijze van
voorbeeld genoemde stukken had toegezonden;
c. de omstandigheid dat is gesteld noch gebleken welk stuk T. verder nog zou
kunnen overleggen -afgezien van een samenlevingscontract- om aan te tonen dat
zijn relatie met d.B. overeenkwam met een huwelijkssituatie;
d. de door de kantonrechter onder 1.e tot en met 1.i vastgestelde feiten,
waaruit onmiskenbaar blijkt dat T. en zijn voormalige partner materieel aan
de vereisten voor toekenning van partnerpensioen voldeden;
e. de omstandigheid dat er van moet worden uitgegaan dat T. aanmerkelijk
belang heeft bij toekenning aan hem van een partnerpensioen.

12. Hiertegenover staat het standpunt van het BPF dat een
samenlevingscontract eenvoudig en objectief is te controleren en dat zij bij
ontbreken daarvan allerlei situaties moet toetsen op de vraag of er materieel
sprake is van een partnerrelatie in de zin van het Pensioenreglement, in welk
verband zij onder meer tot taak zou krijgen testamenten te beoordelen hetgeen
in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd.

13. Dit laatste belang kan wellicht de doorslag geven in situaties waarin de
overblijvende partner niet in de gelegenheid is gesteld het bestaan van een
partnerrelatie aan te tonen en waarbij de overgelegde bescheiden minder
overtuigend zijn, zoals in het door het BPF genoemde vonnis van de
kantonrechter te ‘s-Gravenhage van 15 december 1994.

In het onderhavige geval echter heeft het BPF T. eerst in de gelegenheid
gesteld op andere wijze dan door een samenlevingscontract de partnerrelatie
aan te tonen. De in rechte ingenomen stelling, dat toepassing van de
hardheidsclausule slechts als tijdelijke overgangsregeling gedurende een
periode van uiteindelijk 4 jaar na de invoering van het pensioen in 1987
plaatsvond en daarna alleen in geval van bijvoorbeeld langdurige psychische
stoornis van de deelnemer, is niet te rijmen met de inhoud van de brief van
31 augustus 1993 waarbij het BPF die gelegenheid bood. Naar aanleiding van
die brief heeft T. zo overtuigend met stukken aangetoond dat hij materieel
aan de voorwaarden voldoet dat het BPF zich, nadat zij T. eerst expliciet had
meegedeeld dat hij die stukken zou kunnen toezenden, vervolgens in
redelijkheid niet op het standpunt kan stellen dat zij bij de toetsing van
die stukken voor problemen wordt gesteld. Derhalve valt in de omstandigheden
van dit geval het belang van het BPF bij handhaving van het vereiste van een
samenlevingscontract zodanig in het niet bij dat van T. bij toekenning van
een pensioenuitkering, dat het vasthouden door het BPF aan dat vereiste naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

14. Dit betekent dat het beroep ongegrond is en bij het vonnis waarvan beroep
de inleidende vorderingen van T. terecht zijn toegewezen. In verband met de
vermeerdering van eis, die grotendeels toewijsbaar zal blijken, dient de
rechtbank desalniettemin het vonnis te vernietigen en een nieuwe beslissing
te geven. Bij deze stand van zaken hoeven de overige stellingen van partijen
niet meer te worden besproken.

15. Nu het BPF zich ten aanzien van de bij vermeerdering van eis gevorderde
wettelijk rente heeft gerefereerd, dient deze eveneens te worden toegewezen.

16. Tegen de alsnog gevorderde vergoeding van buitenrechtelijke kosten heeft
het BPF evenwel verweer gevoerd. Zij meent dat geen andere kosten zijn
gemaakt, dan die ter voorbereiding van de procedure, waarin artikel 57 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet.

17. T. heeft een conceptdeclaratie van zijn raadsman overgelegd met
betrekking tot diens vóór de aanvang van de onderhavige procedure gemaakte
uren. Daaruit blijkt dat 14,5 uur aan de zaak is besteed tegen een uurtarief
van ƒ 280. Op 11 december 1995 is 1,5 uur besteed aan studie dossier en
literatuur en 1,5 uur aan ontwerp processtuk. Deze uren vallen onder Rv 57 en
blijven dus buiten beschouwing. Blijft voor toewijzing over 11,5 uur tegen ƒ
280 is ƒ 3.220. Omdat het de rechtbank niet duidelijk is of T. over genoemd
uurtarief nog btw verschuldigd is, zal het dictum als na te melden luiden.

18. Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient het BPF de
proceskosten in hoger beroep te dragen.

Beslissing in hoger beroep.

De rechtbank:

– vernietigt het op 5 juni 1996 tussen partijen onder rolnummer 2482/95
gewezen vonnis van de kantonrechter te Amsterdam;

En opnieuw rechtdoende:

– verklaart voor recht dat T. partner is in de zin van het Pensioenreglement
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaalindustrie;

– veroordeelt het BPF de aan T. uit hoofde van het partnerpensioen als
hiervoor bedoeld toekomende uitkering deugdelijk te specificeren en, nadat
deze specificatie door T. genoegzaam zal zijn verklaard, deze aan T. uit te
betalen, vermeerderd met de wettelijke rente over de maandelijkse
pensioenuitkeringen vanaf de respectievelijke vervaldata, voor zover het de
eerste termijn betreft vanaf 22 september 1993;

– veroordeelt het BPF tegen deugdelijk bewijs van finale kwijting aan T. te
voldoen een bedrag van ƒ 3.220 (drieduizend tweehonderdentwintig gulden), te
vermeerderen met eventueel door T. verschuldigde btw, en voorts met de
wettelijke rente vanaf 4 december 1996 tot aan de voldoening;

– veroordeelt het BPF in de proceskosten in eerste aanleg, tot het vonnis van
de kantonrechter aan de zijde van T. begroot op ƒ 2.003,65, en in de
proceskosten in hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van T. begroot
op ƒ 1.770;

– verklaart voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

– wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mrs. Beukenhorst, Polak en Smit

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van verpleegkundige. Zij
is
van mening dat zij is afgewezen omdat zij geen godsdienstige overtuiging
heeft. De instelling stelt dat verzoekster is afgewezen omdat zij niet
voldeed aan de door de wederpartij gehanteerde richtlijn over werkervaring.
De Commissie constateert dat standaard op het
‘sollicitatie-inlichtingen-formulier’ van de instelling de vraag naar de
geloofs- en levensovertuiging van de sollicitant is opgenomen. Tevens stelt
de Commissie vast dat het onderwerp godsdienst tijdens het
sollicitatiegesprek aan de orde is geweest. Volgens de instelling wilde
zij
de mate van respect te toetsen van toekomstige werknemers voor de
godsdienstige overtuiging van patiënten. De Commissie oordeelt dat de
instelling direct onderscheid op grond van godsdienst/levensovertuiging
maakt. Dit is verboden tenzij sprake is van een wettelijke uitzondering.
Bijvoorbeeld als het gaat om een instelling op godsdienstige grondslag.
De
Commissie stelt vast dat het hier gaat om een instelling op algemene
grondslag en de uitzondering dus niet van toepassing is.

Volledige tekst

Dit leidt tot de conclusie dat de uitzondering van artikel 5, derde lid,
AWGB
in casu niet van toepassing is.

Aangezien er geen andere wettelijke uitzonderingen op het verbod van
onderscheid op grond van godsdienst van toepassing zijn, oordeelt de
Commissie dat de wederpartij jegens verzoekster onderscheid grond van
godsdienst heeft gemaakt in strijd met de AWGB.

4.7. Tenslotte doet de Commissie de volgende aanbeveling.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij respect voor de godsdienstige
overtuiging of levensovertuiging van patiënten voldoende acht voor een
volwaardige taakuitvoering.
Onder 4.6. heeft de Commissie reeds overwogen dat het toetsen van de
professionele houding van een sollicitant ten opzichte van de godsdienstige
overtuiging of levensovertuiging van degenen met wie hij of zij beroepsmatig
in aanraking komt, in zijn algemeenheid niet in strijd is met de Algemene
wet
gelijke behandeling.
Daarbij dient evenwel voor sollicitanten duidelijk te zijn dat èn waarom
het
vereiste van het respect voor de godsdienstige overtuiging of
levensovertuiging van anderen wordt gesteld, alsmede dat helder dient te
zijn
wat deze eis inhoudt en hoe deze wordt getoetst.

De Commissie beveelt de wederpartij aan ter zake maatregelen te nemen.
In dit
kader doet de Commissie de wederpartij de suggestie over te gaan tot het
opnemen van een functie-eis met betrekking tot het beschikken over een
respectvolle houding ten aanzien van de godsdienst of levensovertuiging
van
patiënten in de functie-eisen bij de werving en selectie, ten einde op
voorhand beter te kunnen voldoen aan het vereiste van een objectieve
selectieprocedure.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIECGB

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Aanvullende
Thuiszorg Noordwest-Veluwe te Harderwijk jegens mevrouw J.M. S. te Ermelo
direct onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling
en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 oktober 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster, van Nigeriaanse afkomst, is sinds 2 september 1996 als
medewerkster in de huishoudelijke dienst werkzaam. Na een half jaar is
de
werksfeer verslechterd. Er ontstond zelfs tweemaal een handgemeen. De
werkgever vroeg daarop een ontslagvergunning voor verzoekster aan. De
Commissie overweegt dat er op de werkvloer sprake was van een verschil
in
omgangsvormen en cultuurverschillen en dat dit de aanleiding was voor
irritaties en onderhuidse spanningen. De wederpartij is tegen deze
discriminerende bejegening onvoldoende daadkrachtig opgetreden. Het besluit
de arbeidsverhouding met verzoekster te beëindigen houdt derhalve mede
verband met de etnische afkomst van verzoekster. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 14 juli 1997 verzocht mevrouw B.O.O. O. te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling met spoed haar oordeel uit
te
spreken over de vraag of door de Stichting Nederland F.I.C. te Maastricht
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid naar ras wordt gemaakt
op de
werkvloer en bij de beëindiging van de arbeidsverhouding zoals verboden
in de
Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).

1.2. Verzoekster is van Nigeriaanse afkomst. Zij is op 2 september 1996
als
medewerkster in de huishoudelijke dienst bij de wederpartij in dienst
getreden. Sinds februari is de werksfeer verslechterd met als resultaat
dat
de wederpartij een ontslagvergunning voor verzoekster heeft aangevraagd
bij
de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (RDA). Verzoekster is
van
mening dat de wederpartij jegens haar verboden onderscheid op grond van
ras
heeft gemaakt.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en besloten
de
zaak in een versnelde procedure te behandelen. Partijen hebben ieder hun
standpunten schriftelijk toegelicht. Daarnaast hebben partijen hun
standpunten mondeling toegelicht tijdens de zitting op 22 september 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. B.O.O. O. (verzoekster)
– mw. L. Brewster (medewerkster Meldpunt)

van de kant van de wederpartij
– dhr. H.M. Corver (directeur)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 De wederpartij beheert een klooster in Amsterdam waar voormalig docenten
die in de buurt les hebben gegeven wonen en hun pensioen genieten. Het
hoofdkantoor van de wederpartij is gevestigd te Maastricht. Het klooster
telt
ongeveer 20 bewoners, allen zijn van autochtone afkomst. Bij de wederpartij
zijn vijf medewerksters werkzaam. Twee medewerksters zijn van autochtone
afkomst en werken er al 17 tot 18 jaar. Zij zijn respectievelijk 72 en
86
jaar oud. Naast genoemde medewerksters zijn er ruim een jaar geleden drie
medewerksters van allochtone afkomst aangesteld. Twee als kok en één,
verzoekster, in de huishoudelijke dienst.

3.2. Verzoekster is van Nigeriaanse afkomst. Zij is op 2 september 1996
in
dienst getreden. Zij werd aangesteld voor een periode van zes maanden met
een
proeftijd van twee maanden. Begin februari 1997 werd de aanstelling van
verzoekster met zes maanden verlengd tot 2 september 1997.

3.3. Vanaf februari 1997 verslechterde de werksfeer. Er waren spanningen
tussen verzoekster en drie van haar collega’s. Op 24 februari 1997 is
een personeelsvergadering belegd waarin de verslechterde werksfeer aan
de
orde kwam.

3.4. Op 25 februari 1997 ontstond op de werkplek een handgemeen tussen
verzoekster enerzijds en een collega en haar echtgenoot anderzijds. De
wederpartij heeft verzoekster hierna naar huis gestuurd. Verzoekster heeft
aangifte van mishandeling gedaan bij de politie. Op dezelfde dag is
verzoekster naar de eerste hulp van een ziekenhuis geweest voor medische
behandeling. Op het betreffende formulier staat vermeld dat er sprake was
van
multiple kneuzingen na handgemeen c.q. mishandeling.

3.5. Op 2 mei 1997 ontstond een handgemeen tussen verzoekster en dezelfde
collega. Verzoekster werd hierop voor een periode van veertien dagen
geschorst met behoud van salaris op grond van artikel 12 van het Sociaal
Statuut van de CAO Verzorgingshuizen. De schorsingsperiode liep van 6 mei
1997 tot 21 mei 1997.
Vervolgens heeft de wederpartij op 8 mei 1997 bij de RDA een
ontslagvergunning voor verzoekster aangevraagd.

3.6. Verzoekster heeft begin mei 1997 een klacht ingediend over haar
bejegening op het werk bij de Stichting Meldpunt Discriminatie te Amsterdam
(hierna: het Meldpunt). Het Meldpunt heeft hierop zowel de betreffende
vestiging als het hoofdkantoor van de wederpartij aangeschreven.

Toen dit niet tot een bevredigend resultaat leidde, heeft het Meldpunt
namens
verzoekster een verzoek om een oordeel ingediend bij de Commissie. De
correspondentie is aan de Commissie overgelegd.

3.7. Bij brief van 27 juni 1997 heeft de wederpartij verzoekster meegedeeld
dat haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, eindigend op 1 september
1997, niet zal worden omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde
tijd.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt het volgende.

3.8. Tot februari 1997 hebben zich in de werkrelatie met de collega’s van
verzoekster geen problemen voorgedaan. Daarna merkte verzoekster dat er
-met
name door één collega- over haar afkomst werd geroddeld. Een en ander mondde
steeds vaker uit in woordenwisselingen die de werksfeer niet ten goede
kwamen.

3.9. Op 24 februari 1997 is hierover een vergadering belegd. Daarbij vielen
discriminerende opmerkingen van de kant van eerdergenoemde collega (hierna:
de collega). Er werd onder andere gezegd:”Zij komt uit Afrika en heeft
daarom
een mentaliteitsprobleem”, “Ga terug naar Afrika om in een boom te wonen”
en/of woorden van gelijke strekking. Het viel verzoekster op dat de directeur
niet inging op de discriminerende opmerkingen. Als verzoekster zelf op
de
opmerkingen wilde reageren maande hij haar tot stilte.

3.10. De volgende dag verscheen in de middagpauze plotseling de echtgenoot
van de collega op het werk. Hij begon tegen verzoekster te schreeuwen en
sloeg haar in het gezicht. De collega volgde haar echtgenoot, pakte
verzoekster bij haar haren en trok er hard aan. Er ontstond een
schermutseling waarbij verzoekster meerdere malen is geschopt en geslagen.
Verzoekster heeft zich hierover direct bij de directeur beklaagd. Deze
moet
gezien hebben dat haar oog dicht zat. Hij heeft niets gedaan en verzoekster
naar huis gestuurd. Verzoekster is tengevolge van de mishandeling geruime
tijd arbeidsongeschikt geweest. Van de mishandeling is een proces verbaal
door de politie opgemaakt.

3.11. Na terugkeer van haar ziekteverlof kreeg verzoekster tot haar verbazing
een waarschuwing van de directeur. Hij gaf aan dat zij ontslagen zou worden
bij herhaling. Hij wilde niet luisteren naar haar kant van het verhaal.
Zij
kreeg daarnaast een verbod zich in de keuken op te houden, waar de collega
de
scepter zwaait. Verzoekster mocht geen thee meer drinken van het huis en
moest in een aparte ruimte haar lunchpauze houden. Daardoor voelde zij
zich
buitengesloten en onheus behandeld.

3.12. Op 2 mei 1997 wilde verzoekster de stofzuiger opbergen toen de collega
met opzet een schop gaf tegen het apparaat. De stofzuiger kwam tegen het
been
van verzoekster. Verzoekster vroeg aan haar collega waarom zij dit had
gedaan, waarop de collega zei: “rot op, ga weg naar je land”. Vervolgens
gaf
de collega verzoekster een klap in het gezicht. Toen verzoekster terugsloeg,
begon de collega te gillen. Hierop stroomde een aantal mensen toe die meteen
de kant van de collega kozen en verzoekster het gebouw uitduwden zonder
haar
verhaal aan te horen. Eén van de aanwezige mannen zei: “Ik heb in Afrika
gewerkt, zo is de Afrikaanse mentaliteit”.

3.13. De directeur was bij de gebeurtenissen van 2 mei 1997 niet aanwezig.
In
zijn brief aan de RDA geeft hij echter aan dat de collega van verzoekster
de
aangevallen partij is en dat verzoekster meerdere keren fysiek geweld heeft
gebruikt. Kennelijk wordt de collega van verzoekster geloofd, immers alleen
voor verzoekster wordt ontslag aangevraagd.

3.14. Toen verzoekster op 6 mei 1997 op het werk verscheen mocht zij niet
naar binnen. Men zei tegen haar: “slaan jullie in Afrika mensen zomaar?”.
Van
de directeur kreeg verzoekster te horen dat
zij weg moest. Verzoekster is van mening dat zij door de wederpartij niet
in
de gelegenheid is gesteld haar kant van het verhaal te doen in het conflict
met haar collega. Zij voelt zich gekwetst door de gang van zaken en door
de
ontslagaanvraag. Volgens haar is er sprake van discriminatie op grond van
haar afkomst. De AWGB verbiedt het maken van onderscheid op de werkvloer.

De wederpartij stelt het volgende.

3.15. Voor wat de eerste zes maanden van het dienstverband betreft stelt
de
wederpartij in het verzoek tot ontbinding aan het Arbeidsbureau dat
verzoekster redelijk goed voldeed wat betreft de uitvoering van haar
werkzaamheden. Verzoekster had echter grote moeite zich aan te passen in
het
team van medewerksters. Verzoekster moest samenwerken met twee medewerksters
huishoudelijke dienst die respectievelijk al 18 en 16 jaar werkzaam zijn
bij
de wederpartij. Zij stelde zich niet bedeesd op en genoemde medewerksters
ergerden zich aan haar omgangsvormen. Zij hebben haar geholpen te integreren,
maar door haar impulsieve manier van reageren ontstonden er steeds weer
irritaties en conflicten. Om haar een eerlijke kans te geven werd de
aanstelling met zes maanden verlengd en werd haar aantal uren uitgebreid.
De
directeur heeft haar daarbij gewezen op haar opvliegend karakter dat een
beletsel zou kunnen zijn voor een vaste aanstelling.

Doordat verzoekster de Nederlandse taal in onvoldoende mate beheerste,
was
het voor de directeur erg moeilijk partijen met elkaar in gesprek te brengen.
Elk niet goed begrepen woord veroorzaakte problemen. Achterdocht was daarvan
weer het gevolg. Er bleven onderhuidse spanningen bestaan tussen verzoekster
en met name drie collega’s.

3.16. Tijdens een personeelsoverleg met de directie in februari, bleken
er
meer wrijvingspunten te bestaan tussen het team en verzoekster. Zij voelde
zich, naar de mening van de wederpartij onterecht, gediscrimineerd en gaf
daarvan uiting in een ordinaire scheldpartij. Ter zitting verklaarde de
directeur dat dit overleg moest worden afgekapt omdat er over en weer ruzie
werd gemaakt. Hij kon daartegen niets ondernemen. Zo begon de escalatie.
Daags daarna werd door verzoekster fysiek geweld gebruikt. De aangevallene
deed daarvan aangifte bij de politie. Ter zitting verklaarde de directeur
dat
hij na dit incident een ernstig gesprek met de collega en haar echtgenoot
heeft gevoerd. Hij heeft tegen hen echter geen verdere actie ondernomen.
Naar
zijn mening was dit niet nodig omdat alle betrokkenen reeds aangifte bij
de
politie zouden hebben gedaan.

3.17. Na dit incident heeft de directeur met instemming van verzoekster,
ervoor gezorgd dat verzoekster een eigen werkplek kreeg, zodat directe
confrontaties konden worden voorkomen. Ook heeft hij haar een eigen ruimte
gegeven waar zij in alle rust haar lunch kon gebruiken. Hij hoopte dat
daardoor de spanningen zouden verminderen en men geleidelijk tot normale
verhoudingen zou kunnen terugkeren. Daaraan zou verzoekster zelf ook moeten
meewerken. Deze maatregel leverde echter niet het gewenste resultaat op,
want
de spanningen bleven onderhuids bestaan. Een enkele aanleiding kon de zaak
weer doen ontploffen.

3.18. Tot teleurstelling van de wederpartij is dat ook gebeurd op vrijdag
2
mei 1997, toen er opnieuw fysiek geweld door verzoekster werd gebruikt
tegen
haar collega. Deze deed dezelfde
middag aangifte van mishandeling bij de politie. De directeur kan geen
informatie geven over de handtastelijkheden tussen verzoekster en haar
collega op 2 mei 1997 omdat hij daarbij niet in persoon aanwezig was. De
directeur heeft echter wel verwondingen aan de hals van de collega
geconstateerd.

3.19. De andere werknemers waren bang dat het geweld zou escaleren en zij
er
op enige dag het slachtoffer van zouden worden. De bewoners van het huis
voelden zich eveneens onveilig en onbehaaglijk in deze situatie. Op grond
hiervan heeft de directeur verzoekster met ingang van 6 mei 1997 voor
veertien dagen geschorst met behoud van salaris.

Aangezien de sfeer zodanig gespannen en verslechterd was, achtte de
wederpartij het niet langer verantwoord dat verzoekster nog terugkeert
na de
schorsing. Derhalve heeft de wederpartij op 8 mei 1997 een ontslagvergunning
aangevraagd bij de RDA.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden en bij de (voorgenomen)
beëindiging van de arbeidsverhouding, zoals bedoeld in artikel 5 lid 1
sub d
en sub b van de AWGB.

4.2. Artikel 1 sub b AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt
verstaan onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming. (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 13.)

4.3. Onder het verbod van onderscheid op grond van ras bij de
arbeidsvoorwaarden als genoemd in artikel 5 lid 1 onder d AWGB worden door
de
Commissie mede begrepen omstandigheden als een discriminerende bejegening
op
de werkvloer van de wederpartij. (Commissie gelijke behandeling 9 juli
1996,
oordeel 96-62:
20 februari 1997, oordeel 97-18).

4.4. De verplichting van de werkgever zich te onthouden van discriminatie
op
het terrein van de arbeid brengt mee, dat de werkgever er op moet toezien
dat
ook degenen waarover hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden
(Commissie gelijke behandeling, 17 juni 1997, oordeel 97-82.).
Daar komt bij dat van een werkgever verwacht mag worden dat hij klachten
over
discriminatie op de werkvloer zorgvuldig behandeld en passende maatregelen
treft. Indien de werkgever daarin tekort schiet, kan er sprake zijn van
onderscheid in strijd met de AWGB. (Commissie gelijke behandeling 20 februari
1997, oordeel 97-18: Commissie gelijke behandeling 21 oktober 1996, oordeel
96-88).

Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende.

4.5. Uit de aanvraag ontslagvergunning aan de RDA van 8 mei 1997 blijkt
dat
de wederpartij als gewichtige redenen voor de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst met verzoekster heeft aangevoerd dat er sprake is van
conflicten op de werkvloer welke te wijten zijn aan de impulsieve manier
van
reageren van verzoekster. Voorts noemt de wederpartij het herhaald gebruik
van fysiek geweld tegen een collega door verzoekster.

De Commissie stelt in de eerste plaats vast dat in deze niet ter discussie
staat dat verzoekster haar werkzaamheden op zich goed verrichtte. Eveneens
staat vast dat er op de werkvloer conflicten zijn ontstaan welke zijn ontaard
in het gebruik van fysiek geweld. Uit de overgelegde verklaring van het
ziekenhuis alsmede het overgelegde procesverbaal van mishandeling van 27
februari 1997 en de verklaringen van partijen ter zitting concludeert de
Commissie dat onbetwist is dat verzoekster op 25 februari 1997 door een
collega en haar echtgenoot op de werkvloer is mishandeld. Wat het incident
op
2 mei 1997 betreft, is niet weersproken dat ook door de collega fysiek
geweld
jegens verzoekster is gebruikt.

De Commissie constateert evenwel dat de wederpartij in de aanvraag voor
de
ontslagvergunning het ten onrechte doet voorkomen alsof uitsluitend door
verzoekster fysiek geweld zou zijn gebruikt jegens een collega.

4.6. De Commissie rekent het niet tot haar taak te beoordelen of de door
de
wederpartij aangevoerde redenen voor het ontslag rechtsgeldig zijn. De
taak
van de Commissie is om na te gaan of bij de beëindiging onderscheid naar
ras
is gemaakt. Naar het oordeel van de Commissie kan daarvan sprake zijn niet
alleen wanneer de redenen voor beëindiging uitsluitend ingegeven zijn door
de
etnische afkomst van betrokkene, maar ook als de etnische afkomst bij het
besluit tot beëindiging mede een rol heeft gespeeld.

4.7. Het is onbetwist dat op de werkvloer sprake was van discriminerende
opmerkingen over de etnische afkomst van verzoekster. Op de vergadering
van
24 februari 1997 zijn ook in het bijzijn van de directeur discriminerende
opmerkingen jegens haar gemaakt. De wederpartij heeft daartegen geen adequate
maatregelen getroffen. Toen verzoekster de volgende dag door de collega
en
haar man was mishandeld heeft de wederpartij verzoekster op geen enkele
wijze
in bescherming genomen. De directeur heeft ter zitting wel gesteld dat
hij
hierover een ernstig gesprek met betrokkenen heeft gehad. Hij heeft echter
alleen ten aanzien van verzoekster maatregelen getroffen.

4.8. Ten aanzien van het verweer van de wederpartij dat er van discriminatie
geen sprake kan zijn omdat hij zich juist heeft ingespannen allochtone
werknemers aan te stellen overweegt de Commissie het volgende. De Commissie
is ervan overtuigd dat de directeur met de beste intenties verzoekster
heeft
aangesteld.
De beschuldigingen terzake van discriminerende uitlatingen zijn ook niet
tegen hem persoonlijk gericht. Duidelijk is dat er sprake was van verschil
in
omgangsvormen en cultuurverschillen en dat zulks aanleiding was voor
irritaties en onderhuidse spanningen. Dit is geëscaleerd toen jegens
verzoekster op de werkvloer discriminerende opmerkingen werden gemaakt.
De wederpartij heeft de ernst van deze discriminerende bejegening onderschat,
althans en in ieder geval is zij hiertegen onvoldoende daadkrachtig
opgetreden.

4.9. De Commissie is op bovenstaande gronden van oordeel dat er sprake
was
van discriminerende bejegening op de werkvloer. De wederpartij is tekort
geschoten verzoekster daartegen te beschermen. Daarbij worden de conflicten
op de werkvloer, die mede voortspruiten uit etnische spanningen uitsluitend
aan verzoekster toegerekend. Het besluit de arbeidsverhouding met verzoekster
te beëindigen houdt derhalve mede verband met de etnische afkomst van
verzoekster. Als zodanig is er jegens haar verboden onderscheid op grond
van
ras gemaakt.

4.10. Wellicht ten overvloede wijst de Commissie erop dat ingevolge artikel
8
AWGB beëindiging van een arbeidsverhouding door de werkgever in strijd
met
artikel 5 AWGB (of wegens de omstandigheid dat in of buiten rechte een
beroep
is gedaan op artikel 5 AWGB) nietig is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Nederland F.I.C.
te Maastricht jegens mevrouw B.O.O. O. te Amsterdam direct onderscheid
naar
ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden en bij de (voorgenomen)
beëindiging, zoals verboden in artikel 5 lid 1 sub d en b van de Algemene
wet
gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. dr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)