Instantie: Kantonrechter Utrecht, 25 september 1997

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Partijen hebben samengewoond en hebben in 1992 een kind gekregen, waarover
zij gezamenlijk de ouderlijke macht hebben. In juni 1995 is de samenleving
beëindigd en de moeder verzoekt thans om de voogdij. De kantonrechter beslist
conform het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en wijst het gezag
aan de moeder toe. Overgangsrecht betreffende ‘de wet tot nadere regeling van
het gezag en van de omgang met minderjarige kinderen’ die per 2 november 1995
in werking is getreden.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Het verzoek strekkende tot wijziging van de ouderlijke macht in voogdij is op
7 juni 1995 op de griffie ingediend; het verweerschrift, dat een zelfstandig
verzoek inhield, is ontvangen op 3 augustus 1995. Nadat over en weer door
partijen nog geschriften zijn ingediend, is de mondelinge behandeling
gehouden op 3 oktober 1995. Bij beschikking van 4 oktober 1995 heeft de
kantonrechter de zaak aangehouden en om advies aan de Raad voor de
Kinderbescherming gevraagd. Dit advies is bij rapport van 18 augustus 1997
uitgebracht. De mondelinge behandeling is – nadat verweerder de kantonrechter
in de procedure tot het treffen van een omgangsregeling had gewraakt – op 22
september 1997 door een andere kantonrechter voortgezet. Partijen, hun
gemachtigden en een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming
te Den Haag waren aanwezig. Vervolgens heeft de kantonrechter bepaald dat een
beschikking zal worden gegeven.

Motivering van de beslissing

1. Partijen – hierna te noemen V. en S. hebben in juli 1987 een affectieve
relatie gekregen en in verband daarmee samengewoond. Op 29 januari 1992 is
uit die relatie een kind geboren, geheten J.S. Bij beschikking van 26 maart
1992 van de kantonrechter te Utrecht zijn partijen beide bekleed met de
ouderlijke macht over J.. In juni 1995 is de samenleving beëindigd. J.
verblijft bij haar moeder. Bij vonnis van de president van de rechtbank
Utrecht in kort geding d.d. 10 oktober 1995 is S. verboden zich gedurende een
periode van twaalf maanden na betekening van het vonnis te bevinden in
Hazerswoude, rechtstreeks mondeling of schriftelijk contact te zoeken met V.
of J. en deze op welke wijze dan ook lastig te vallen.
S. heeft op 18 februari 1997 een afzonderlijk verzoek ingediend tot het
treffen van een omgangsregeling en informatieverstrekking.

2. V. verzoekt de kantonrechter haar te benoemen tot voogdes over J. en de
vader S. tot toeziend voogd, alsmede betaling door S van ƒ 250 als bijdrage
in de kosten van verzorging en opvoeding van J.. Dit laatste verzoek heeft V.
op 1 september 1995 ingetrokken.

3. S. voerde aanvankelijk verweer. Hij achtte V. niet geschikt als voogdes en
verzocht bij zijn verweerschrift hem tot voogd, althans tot tijdelijk voogd,
te benoemen en V. tot toeziend voogdes. Ter zitting van 22 september 1997
heeft S. verklaard, dat hij akkoord gaat met een toewijzing van het ouderlijk
gezag aan V.

4. In deze zaak is een onderzoek gedaan door het PAR Rotterdam, dat op 16
oktober 1996 een rapport heeft uitgebracht. Het PAR is een afdeling van de
Stichting Rijnhove en verleent service op het gebied van ambulante
multidisciplinaire diagnostiek. De Raad voor de Kinderbescherming te Den Haag
heeft op 18 augustus 1997 een rapport uitgebracht. Het advies van de Raad
luidt evenals dat van het PAR het gezag over J. aan de moeder toe te wijzen
en het verzoek tot vaststelling omgang aan te houden tot over één jaar.

5. Het onderhavig verzoek is ingediend vóór de wetswijziging van 6 april 1995
Stb. 240, welke wet in werking is getreden op 2 november 1995. De hiervoor
vermelde beschikking van 26 maart 1992 was aangetekend in het voogdijregister
van het kantongerecht Utrecht. Gelet op de overgangsbepalingen (artikel III
onder 2) heeft die beschikking rechtskracht gehouden. Het onderhavig verzoek
wordt aangemerkt als een verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en
bepaling dat het ouderlijk gezag aan de moeder toekomt (artikel 1:253n B.W.).
Gelet op artikel IV van de overgangsbepalingen en artikel 1:253 o lid 3 B.W.
is de kantonrechter tot kennisneming daarvan bevoegd. Nu S. zich niet langer
verzet tegen een toewijzing van het ouderlijk gezag aan de moeder, is het
verzoek toewijsbaar.

Beschikking

De kantonrechter

beëindigt het gezamenlijk gezag van de ouders over J. S., geboren op 29
januari 1992 te Nieuwegein en bepaalt dat V. voortaan het gezag over J. S.
voornoemd uitoefent;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. van Ditzhuijzen

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 24 september 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


In het tussenvonnis werd A toegelaten tot het bewijs dat groepsleider H
haar seksueel heeft misbruikt in de periode van oktober 1979 tot eind maart
1984. A heeft zeven getuigen doen horen, waarna H in tegenverhoor drie
getuigen heeft voortgebracht. De rechtbank is van oordeel dat op grond
van de niet door tegenverhoor ontzenuwde getuigenverklaringen in onderling
verband en samenhang beschouwd, A geslaagd is in het haar opgedragen bewijs.
Gelet op de inhoud van deze verklaringen die elkaar aanvullen en bevestigen,
is niet van doorslaggevend belang dat de getuigen niet uit eigen waarneming
kunnen verklaren over de sexuele contacten die hebben plaatsgevonden.
Na bewijslevering staat vast dat de sexuele contacten tussen A en H zijn
begonnen toen A zestien jaar oud was en zijn doorgegaan tot omstreeks haar
twintigste jaar. H diende in zijn functie als groepsleider te verzorgen
en hulp te verlenen, hij oefende in die hoedanigheid gezag over haar uit.
Door onder deze omstandigheden met A een seksuele relatie aan te knopen
en gedurende ruim vier jaar te laten voortbestaan, heeft H misbruik gemaakt
van zijn vertrouwensfunctie tegenover haar. Dit levert een onrechtmatige
daad jegens A op. H is aansprakelijk voor de schade die A ten gevolge daarvan
heeft geleden en zal lijden. De rechtbank is van oordeel dat door A geleden
immateriële schade naar billijkheid moet worden vastgesteld op ƒ 40.000,–.

Volledige tekst

Verder verloop van de procedure

Ingevolge het in deze zaak op 9 november 1994 gewezen vonnis heeft A zeven
getuigen doen horen, waarna H in tegenverhoor drie getuigen heeft voorgebracht.
Daarna hebben partijen het resultaat van de bewijsvoering in daartoe strekkende
conclusies, beide met bewijsstukken, besproken en heeft A nog een akte
uitlating produktie genomen. Tenslotte hebben partijen andermaal stukken
overgelegd ter verkrijging van vonnis.

Gronden van de beslissing

1. Bij genoemd tussenvonnis werd A toegelaten tot het bewijs van dat H
haar sexueel heeft misbruikt in de periode van oktober 1979 tot eind maart
1984.

2.1. Als getuige heeft A het door haar gestelde onder ede bevestigd en
nader toegelicht.

2.2. Voorts hebben als getuigen in het kader van voornoemde bewijsopdracht,
voor zover van belang en zakelijk weergegeven, verklaard:

(…) psycholoog/psychotherapeut:
Ik was in de tijd dat A in Santpoort verbleef haar groeps- en individuele
therapeut. Ik heb geen herinnering meer aan de gesprekken die ik met haar
heb gevoerd, maar ontleen mijn verklaring aan het dossier met evaluatieverslagen.
Het team waarvan ik een meningvormend lid was ging wat betreft A uit van
onder andere een incest hypothese. Dit hield verband met de symptomen die
zij vertoonde: zij was depressief, verminkte zichzelf en had een neiging
tot suicide. Zij heeft ook een poging tot zelfmoord gedaan. Zij had verder
angst voor aanrakingen en sexualiteit was niet bespreekbaar. Tijdens de
individuele therapie die ik haar gaf, was sprake van een geheim dat lange
tijd niet helder werd. Ik citeer uit een evaluatieverslag dat door mij
is geschreven op 8 december 1982. Daar staat het volgende: “uiteindelijk
doorbraak van het gekerm (…) overdrachtelijk gezien wel een bevestiging
van de incesthypothese.” Het meest waarschijnlijk is dat dit betekent dat
de incesthypothese wel wordt bevestigd, alleen niet in de strikte zin van
sexuele intimidatie met familie, maar met iemand die op dat moment de vader/moeder
vertegenwoordigde in de beleving van A.

(…)
Ik ken A uit de periode dat zij in Amstelland zat. Ik was daar humanistisch
geestelijk raadsvrouw en had een vertrouwensfunctie, los van het behandelteam.
Ik heb uit de gesprekken die ik met A voerde de volgende herinneringen:
– A vertelde mij dat zij voorheen in een opvanghuis had gezeten waar H
hulpverlener was. zij vertelde dat hij haar ’s avonds kwam instoppen en
een nachtzoen kwam geven en dat dit na verloop van tijd escaleerde via
aanrakingen tot uiteindelijk het bij haar in bed kruipen. Verdere details
herinner ik mij niet; ik denk dat zij die niet heeft verteld.
– A ging in de weekeinden naar H en (…). Ik weet niet hoe vaak. A vertelde
daarover dat (…) eerder naar bed ging en dat ze dat vervelend vond omdat
de contacten met (…) dan te dicht op haar huid kwamen. Op details ging
zij niet in, maar ik dacht daarbij aan handtastelijkheden. Ik denk dat
ik niet naar details heb gevraagd. Het waren schichtige verhalen van een
soort schuldgevoel. A sprak woorden in de trant van: “ik doe het zelf.
Ik kan me niet verweren.”
-A bevond zich in een loyaliteitsconflict. Zij vertelde dat op Amstelland
twee therapeuten waren die bevriend waren met H, om die reden wilde ze
niet met het behandelteam praten over datgene wat H deed.

(…) psycholoog:
A is eind 1989 bij mij in therapie gekomen. Zij is nog steeds bij mij onder
behandeling. Bij de aanvang van de therapie en in de periode daarna wist
ik uit hetgeen A mij vertelde dat er iets was met ene (…). Zij wilde
daarover aanvankelijk niet praten. Ik ben daarop doorgegaan. Langzaam maar
zeker kreeg ik het hele verhaal te horen. A was bang dat ik haar schuldig
zou verklaren. Zij vond zélf dat ze schuldig was. Zij vond dat als ze vroeg
om affectie, dat ze ook vroeg om een sexuele relatie. Zij dacht dat dat
erbij hoorde. A vertelde dat hij met haar naar bed ging en aan haar zat
en dat de sexuele contacten zijn begonnen in het CHJ en tot ongeveer 1984
zijn doorgegaan. A heeft mij verder verteld dat zij over haar sexuele contacten
met H heeft gesproken met een raadsvrouwe en een psycholoog in Amstelland
en dat zij hun geheimhouding heeft gevraagd. De klachten van A beschrijf
ik als een post-traumatisch stress-syndroom. Het is niet eenvoudig aan
te geven welke van haar symptomen het gevolg zijn van de affectieve verwaarlozing
in haar jeugd en welke van het sexueel misbruik door H, maar de klachten
bestaande uit flash-backs, nachtmerries, beelden van graaiende handen en
het kapot maken van alles dat aardig is, horen wel duidelijk bij dit, aan
aardig zijn gerelateerde, sexueel misbruik.

(…)
Ik ben vanaf juli 1979 tot juni 1990 in dienst geweest van het CHJ. De
eerste jaren van mijn dienstverband heb ik gewerkt in het CHJ Purmerend.
Ik was in de tijd dat A in het huis in Purmerend verbleef en H daar werkte
hoofdleider en had met beiden dagelijks contact.
In het voorjaar van 1991 ontving ik een brief van A. Zij schreef dat zij
door één van mijn collega’s misbruikt was. Zij schreef niet door wie en
voor zover ik mij kan herinneren ook niet in welke periode. Ik was geschokt
en vroeg mij af wie dat zou kunnen zijn. Ik kwam uit bij H, omdat A en
hij op een bepaalde manier met elkaar omgingen. Ik bedoel dat zij heel
goed met elkaar konden opschieten en dat A met hem betere contacten had
dan met andere groepsleiders. A verbleef regelmatig op de boot van H. Zij
bezocht hem daar door de week en bracht weekends op de boot door. Dit werd
vanuit de instelling gestimuleerd. Dat was eigenlijk uit onmacht. Wij konden
niet goed overweg met de problematiek van A en kregen de indruk dat zij
extra steun ondervond van H. Na ontvangst van voornoemde brief en tijdens
een gesprek met A daarover herinnerde ik mij dat zich één keer een probleem
had voorgedaan in verband met een weekend dat A bij H zou doorbrengen.
Behalve A zouden alle pupillen dat weekend weg zijn en zij stelden voor
dat zij naar H zou gaan. Ik herinner mij dat A daarop zodanig reageerde
dat duidelijk was dat zij er geen trek in had. Ik denk nu dat dit misschien
een signaal van haar was.

(…) in contra-enquête:
H is een ex-collega van mij. We werkten als groepsleiders bij het CHJ te
Purmerend op het moment dat A daar verbleef. Hij was haar mentor. Er bestond
tussen hen een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie. Zo’n relatie draagt
mijns inziens het risico in zich dat je de grenzen van hulpverlening overschrijdt.
H is een hulpverlener die fysieke contacten niet uit de weg ging; hij deed
zijn werk fysiek, knuffelde de pupillen. Hij gaf hen warmte; daardoor voelden
sommige kinderen zich veilig bij hem. Aanvankelijk was A afkerig van fysieke
contacten maar H heeft dat naar mijn idee doorbroken.

3. Op grond van de hiervoor onder 2.2. aangehaalde, niet in tegenverhoor
ontzenuwde getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd,
is de rechtbank van oordeel dat A is geslaagd in het haar opgedragen bewijs.
Gelet op de inhoud van deze verklaringen die elkaar aanvullen en bevestigen,
is niet van doorslaggevend belang dat de getuigen niet uit eigen waarneming
kunnen verklaren over de sexuele contacten die hebben plaatsgevonden. Uit
deze verklaringen aangevuld door de gedetailleerde getuigenverklaring van
A blijkt dat zij niet alleen tijdens de door haar sinds 1989 gevolgde therapie
bij X voornoemd, maar ook al in de periode waarin de sexuele handelingen
met H plaatsvonden, daarover signalen heeft afgegeven en – in bedekte termen
en onder verband van geheimhouding – met anderen heeft gesproken.

4. Na bewijslevering staat vast dat de sexuele contacten tussen A en H
zijn begonnen toen A zestien jaar oud was en zijn doorgegaan tot omstreeks
haar twintigste jaar. Vast staat voorts – H heeft dat in zijn verweer zelfs
benadrukt – dat A, toen zij bij het CHJ kwam, een voorgeschiedenis had
van affectieve verwaarlozing ten gevolge van een moeilijke gezinssituatie
en dat zij erg gesloten en depressief was. H diende haar, in zijn functie
van groepsleider, te verzorgen en hulp te verlenen; hij oefende in die
hoedanigheid gezag over haar uit. Als mentor had hij tegenover A, in vergelijking
tot de andere groepsleiders, een extra verantwoordelijkheid en vooral een
vertrouwensfunctie. A onderhield al tijdens het mentorschap van H buiten
het CHJ contacten met hem en deze contacten bleven bestaan nadat H ander
werk ging doen. H behield daarbij tegenover A, zo blijkt uit de getuigenverklaringen,
de vertrouwensfunctie die tijdens zijn mentorschap was ontstaan.
Door onder deze omstandigheden met A een sexuele relatie aan te knopen
en gedurende ruim vier jaar te laten voortbestaan, heeft H misbruik gemaakt
van zijn gezag en vertrouwensfunctie tegenover haar. Dit is aan te merken
als sexueel misbruik en levert een onrechtmatige daad jegens A op. H is
aansprakelijk voor de schade die A ten gevolge daarvan heeft geleden en
zal lijden.

5. Alle voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank
van oordeel dat A door H op zodanige wijze in haar persoon is aangetast
dat de door haar geleden immateriële schade naar billijkheid moet worden
vastgesteld op ƒ 40.000,-, zodat dat onderdeel van de vordering van A toewijsbaar
is. Tegen de gevorderde wettelijke rente heeft H geen verweer gevoerd.

6. Voldoende aannemelijk is dat A door het sexueel misbruik, de psychische
nasleep daarvan en de daaraan gerelateerde arbeidsongeschiktheid eveneens
inkomensschade lijdt en heeft geleden. Nu de omvang van deze schade nog
niet vast staat kan het beloop daarvan niet worden begroot. Overigens zal
deze schade naar alle waarschijnlijkheid niet kunnen worden vastgesteld
zonder onderzoek door deskundigen, zoals een arbeidspsycholoog en/of arbeidsdeskundige.
De rechtbank zal dan ook de vordering van A strekkende tot vergoeding van
inkomensschade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet toewijzen.

7. Een en ander leidt tot de volgende beslissing. H wordt als de in het
ongelijk gestelde partij belast met de kosten van het geding.

Beslissing

De rechtbank:
– veroordeelt H tot betaling aan A van ƒ 40.000,- (veertigduizend gulden),
vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 februari 1994
tot aan de voldoening;

– veroordeelt H tot betaling aan A van een vergoeding voor geleden en nog
te lijden inkomensschade ten gevolge van haar arbeidsongeschiktheid, voor
zover verband houdend met voornoemd onrechtmatig handelen, op te maken
bij staat en te vereffenen volgens de wet;

– veroordeelt H in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van A begroot op ƒ 6.939,74 en als volgt te voldoen:
aan A:
ƒ 150,- voor bij haar gevallen kosten aan vast recht;
ƒ 273,- wegens taxe getuigen;
en
aan de griffier van deze rechtbank;
ƒ 490,- aan overig vast recht;
ƒ 5.915,- aan salaris procureur;
ƒ 11,74 aan exploitkosten;

– verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr Uriot

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 24 september 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Bij tussenvonnis van 9 december 1994 heeft de rechtbank eiseres een
bewijsopdracht opgedragen. Na het doen horen van getuigen en getuigen in
contra-enquête, is de rechtbank thans van oordeel dat eiseres in haar
bewijsopdracht is geslaagd. Vanaf haar zestiende jaar is eiseres ruim vier
jaar lang door haar mentor, werkzaam in het opvanghuis waarin zij destijds
woonde, seksueel misbruikt en verkracht. Bij de uitoefening van zijn gezag
over eiseres, bracht gedaagdes mentorschap een extra verantwoordelijkheid en
vooral een vertrouwensfunctie met zich mee. Deze omstandigheden in aanmerking
genomen stelt de rechtbank de door eiseres geleden immateriële schade vast op
ƒ 40.000. Tevens is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van
inkomensschade. Deze is veroorzaakt door het seksueel misbruik, de psychische
nasleep daarvan en de daaraan gerelateerde arbeidsongeschiktheid. De omvang
van de schade is echter nog niet bepaald en zal moeten worden vastgesteld na
onderzoek door een arbeidsdeskundige/arbeidspsycholoog. De rechtbank zal de
vordering van eiseres strekkende tot vergoeding van inkomensschade, op te
maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, toewijzen.

Volledige tekst

Verder verloop van de procedure

Ingevolge het in deze zaak op 9 november 1994 gewezen vonnis heeft A zeven
getuigen doen horen, waarna H in tegenverhoor drie getuigen heeft
voorgebracht.
Daarna hebben partijen het resultaat van de bewijsvoering in daartoe
strekkende conclusies, beide met bewijsstukken, besproken en heeft A nog een
akte uitlating producties genomen.
Tenslotte hebben partijen andermaal stukken overgelegd ter verkrijging van
vonnis.

Gronden van beslissing

1. Bij genoemd tussen vonnis werd A toegelaten tot het bewijs dat H haar
seksueel heeft misbruikt in de periode van oktober 1979 tot eind maart 1984.

2.1. Als getuige heeft A het door haar gestelde onder ede bevestigd en nader
toegelicht.

2.2. Voorts hebben als getuigen in het kader van voornoemde bewijsopdracht,
voor zover van belang en zakelijk weergegeven. verklaard:

Nico Eimert Karsdorp, psycholoog/psychotherapeut:
Ik was in de tijd dat A. in Santpoort verbleef haar groeps- en individuele
therapeut. Ik heb geen herinnering meer aan de gesprekken die ik met haar heb
gevoerd, maar ontleen mijn verklaring aan het dossier met evaluatieverslagen.
Het team waarvan ik een meningvormend lid was ging wat betreft A uit van
onder andere een incest-hypothese. Dit hield verband met de symptomen die zij
vertoonde: zij was depressief, verminkte zichzelf en had een neiging tot
suïcide. Zij heeft ook een poging tot zelfmoord gedaan. Zij had verder angst
voor aanrakingen en seksualiteit was niet bespreekbaar. Tijdens de
individuele therapie die ik haar gaf, was sprake van een geheim dat lange
tijd niet helder werd. Ik citeer uit een evaluatieverslag dat door mij is
geschreven op 8 december 1982. Daar staat het volgende: “uiteindelijk
doorbraak van het gekerm (…) overdrachtelijk gezien wel een bevestiging van
de incesthypothese.” Het meest waarschijnlijk is dat dit betekent dat de
incesthypothese wel wordt bevestigd, alleen niet in de strikte zin van
seksuele intimiteit met familie, maar met iemand die op dat moment de
vader/moeder vertegenwoordigde in de beleving van A.

Elsje Semijntje Francijntje Aleyd Kaper-Klaver: Ik ken A uit de
periode dat zij in Amstelland zat. Ik was daar humanistisch geestelijk
raadsvrouw en had een vertrouwensfunctie, los van het behandelteam. Ik heb
uit de gesprekken die ik met A voerde de volgende herinneringen:
– A vertelde mij dat zij voorheen in een opvanghuis had gezeten waar H
hulpverlener was. Zij vertelde dat hij haar Is avonds kwam instoppen en een
nachtzoen kwam geven en dat dit na verloop van tijd escaleerde via
aanrakingen tot uiteindelijk het bij haar in bed kruipen. Verdere details
herinner ik mij niet; ik denk dat zij die niet heeft verteld.
A ging in de weekeinden naar H en Hennie. Ik weet niet hoe vaak. A vertelde
daarover dat Hennie eerder naar bed ging en dat ze dat vervelend Vond omdat
de contacten met Bob dan te dicht op haar huid kwamen. Op details ging zij
niet in, maar ik dacht daarbij aan handtastelijkheden. Ik denk dat ik niet
naar details heb gevraagd. Het waren schichtige verhalen van een soort
schuldgevoel. A sprak woorden in de trant van: “Ik doe het zelf. Ik kan me
niet verweren.” A bevond zich in een loyaliteitsconflict. Zij vertelde dat op
Amstelland twee therapeuten waren die bevriend waren met H. Om die reden
wilde ze niet met het behandelteam praten over datgene wat H deed.

Margriet Catharina Johanna Bakker, psycholoog:
A is eind 1989 bij mij in therapie gekomen. Zij is nog steeds bij mij onder
behandeling. Bij de aanvang van de therapie en in de periode daarna wist ik
uit hetgeen A mij vertelde dat er iets was met ene Bob. Zij wilde daarover
aanvankelijk niet praten. Ik ben daarop doorgegaan. Langzaam maar zeker kreeg
ik het hele verhaal te horen. A was bang dat ik haar schuldig zou verklaren.
Zij vond zélf dat ze schuldig was. Zij vond dat als ze vroeg om affectie, dat
ze ook vroeg om een seksuele relatie. Ze dacht dat dat erbij hoorde. A
vertelde dat hij met haar naar bed ging en aan haar zat en dat de seksuele
contacten zijn begonnen in het CHJ en tot ongeveer 1984 zijn doorgegaan. A
heeft mij verder verteld dat zij over haar seksuele contacten met H heeft
gesproken met een raadsvrouwe en een psycholoog in Am- stelland en dat zij
hun om geheimhouding heeft gevraagd. De klachten van A beschrijf ik als een
post-traumatisch stress-syndroom. Het is niet eenvoudig aan te geven welke
van haar symptomen het gevolg zijn van de affectieve verwaarlozing in haar
jeugd en welke van het seksueel misbruik door H maar de klachten bestaande
uit flash-backs, nachtmerries, beelden van graaiende handen en het kapot
maken van alles dat aardig is, horen wel duidelijk bij dit, aan aardig zijn
gerelateerde, seksueel misbruik.

G. B.: Ik ben vanaf juli 1979 tot juni 1990 in dienst geweest van
het CHJ. De eerste jaren van mijn dienstverband heb ik gewerkt in het CHJ
Purmerend. Ik was in de tijd dat A in het huis in Purmerend verbleef en H
daar werkte hoofdleider en had met beiden dagelijks contact.
In het voorjaar van 1991 ontving ik een brief van A. Zij schreef dat zij door
één van mijn collega’s misbruikt was. Zij schreef niet door wie en voor zover
ik mij kan herinneren ook niet in welke periode. Ik was geschokt en vroeg mij
af wie dat zou kunnen zijn. Ik kwam uit bij H omdat A en hij op een bepaalde
manier met elkaar omgingen. Ik bedoel dat zij heel goed met elkaar konden
opschieten en dat A met hem betere contacten had dan met andere
groepsleiders. A verbleef regelmatig op de boot van H. Zij bezocht hem daar
door de week en bracht weekends op de boot door. Dit werd vanuit de
instelling gestimuleerd. Dat was eigenlijk uit onmacht. Wij konden niet goed
overweg met de problematiek van A, en kregen de indruk dat zij extra steun
ondervond van H. Na ontvangst van voornoemde brief en tijdens een gesprek met
A daarover herinnerde ik mij dat zich één keer een probleem had voorgedaan in
verband met een weekend dat A bij H zou doorbrengen. Behalve A zouden alle
pupillen dat weekend weg zijn en wij stelden voor dat zij naar H zou gaan. Ik
herinner mij dat A daarop zodanig reageerde dat duidelijk was dat zij er geen
trek in had. Ik denk nu dat dit misschien een signaal van haar was.

P.I.: (in contra-enquête):
H is een ex-collega van mij. Wij werkten als groepsleiders bij het CHJ te
Purmerend op het moment dat daar verbleef. Hij was haar mentor. Er bestond
tussen hen een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie. Zo’n relatie draagt mijns
inziens het risico in zich dat je de grenzen van hulpverlening overschrijdt.
H is een hulpverlener die fysieke contacten niet uit de weg ging; hij deed
zijn werk fysiek, knuffelde de pupillen. Hij gaf hen warmte; daardoor voelden
sommige kinderen zich veilig bij hem. Aanvankelijk was A afkerig van fysieke
contacten maar H heeft dat naar mijn idee doorbroken.

3. Op grond van de hiervoor onder 2.2. aangehaalde, niet in tegenverhoor
ontzenuwde getuigenverklaringen, in onderling verband en samenhang beschouwd,
is de rechtbank van oordeel dat A is geslaagd in het haar opgedragen bewijs.
Gelet op de inhoud van deze verklaringen die elkaar aanvullen en bevestigen,
is niet van doorslaggevend belang dat de getuigen niet uit eigen waarneming
kunnen verklaren over de seksuele contacten die hebben plaatsgevonden. Uit
deze verklaringen aangevuld door de gedetailleerde getuigenverklaring van A,
blijkt dat zij niet alleen tijdens de door haar sinds 1989 gevolgde therapie
bij B voornoemd, maar ook al in de periode waarin de seksuele contacten met H
plaatsvonden, daarover signalen heeft afgegeven en – in bedekte termen en
onder verband van geheimhouding – met anderen heeft gesproken.

4. Na bewijslevering staat vast dat de seksuele contacten tussen A en H zijn
begonnen toen A zestien jaar oud was en zijn doorgegaan tot omstreeks haar
twintigste jaar. Vast staat voorts – H heeft dat in zijn verweer zelfs
benadrukt – dat A, toen zij bij het CHJ Purmerend kwam, een voorgeschiedenis
had van affectieve verwaarlozing ten gevolge van een moeilijke gezinssituatie
en dat zij erg gesloten en depressief was. H diende haar, in zijn functie van
groepsleider, te verzorgen en hulp te verlenen; hij oefende in die
hoedanigheid gezag over haar uit. Als mentor had hij tegenover A, in
vergelijking tot de andere groepsleiders, een extra verantwoordelijkheid en
vooral een vertrouwensfunctie. A onderhield al tijdens het mentorschap van H
buiten het CHJ contacten met hem en deze contacten bleven bestaan nadat H
ander werk ging doen.
H behield daarbij tegenover A, zo blijkt uit de getuigenverklaringen, de
vertrouwensfunctie die tijdens zijn mentorschap was ontstaan. Door onder deze
omstandigheden met A een seksuele relatie aan te knopen en gedurende ruim
vier jaar te laten voortbestaan, heeft H misbruik gemaakt van zijn gezag en
vertrouwensfunctie tegenover haar. Dit is aan te merken als seksueel misbruik
en levert een onrechtmatige daad jegens A op. H is aansprakelijk voor de
schade die A ten gevolge daar van heeft geleden en zal lijden.

5. Alle voornoemde omstandigheden in aanmerking genomen is de rechtbank van
oordeel dat A door H op zodanige wijze in haar persoon is aangetast dat de
door haar geleden immateriële schade naar billijkheid moet worden vastgesteld
op ƒ 40.000, zodat dat onderdeel van de vordering van A toewijsbaar is. Tegen
de gevorderde wettelijke rente heeft H geen verweer gevoerd.

6. Voldoende aannemelijk is dat A door het seksueel misbruik, de psychische
nasleep daarvan en de daaraan gerelateerde arbeidsongeschiktheid eveneens
inkomensschade lijdt en heeft geleden. Nu de omvang van deze schade nog niet
vast staat kan het beloop daarvan niet worden begroot. Overigens zal deze
schade naar alle waarschijnlijkheid niet kunnen worden vastgesteld zonder
onderzoek door deskundigen, zoals een arbeidspsycholoog en/of
arbeidsdeskundige. De rechtbank zal dan ook de vordering van A strekkende tot
vergoeding van inkomensschade op te maken bij staat en te vereffenen volgens
de wet toewijzen.

7. Een en ander leidt tot de volgende beslissing. H wordt als de in het
ongelijk gestelde partij belast met de kosten van het geding.

Beslissing.

De rechtbank:

– veroordeelt H tot betaling aan A van ƒ 40.000 (veertigduizend gulden),
vermeerderd met wettelijke rente over dat bedrag vanaf 23 februari 1994 tot
aan de voldoening;

– veroordeelt H tot betaling aan A van een vergoeding voor geleden en nog te
lijden inkomensschade ten gevolge van haar arbeidsongeschiktheid, voor zover
verband houdend met voornoemd onrechtmatig handelen, op maken bij staat en te
vereffenen volgens de wet;

– veroordeelt H in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van A begroot op ƒ 6.939,74 en als volgt te voldoen:
aan A:
ƒ 150 voor bij haar gevallen kosten aan vast recht;
ƒ 273 wegens taxe getuigen;
en
ƒ 490 aan overig vast recht;
ƒ 5.915 aan salaris procureur;
ƒ 111,74 aan exploitkosten;

– verklaart de betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr C. Uriot

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 september 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster kreeg na afloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof
andere
taken opgedragen dan die welke zij had voordat zij met verlof ging. Het
bedrijf waar de vrouw werkt stelt dat de wijziging van de taakinhoud een
goede manier was voor verzoekster om weer aan het werkritme te wennen.
De
Commissie overweegt dat dit een legitieme doelstelling zou kunnen zijn,
indien verzoekster te kennen had gegeven een gewijzigde taakinhoud op prijs
te stellen. Zij had echter aangegeven vanaf haar eerste werkdag na het
verlof
dat zij haar oorspronkelijke taken te willen verrichten. De Commissie komt
dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een objectieve
rechtvaardiging voor het gemaakte indirecte onderscheid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 24 april 1997 verzocht mevrouw M.T. H. te
Barendrecht (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de gemeente Dordrecht te Dordrecht
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld
in
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is als consulente WVG/maatschappelijk werkster werkzaam
bij
de wederpartij. Na afloop van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof kreeg
zij andere taken opgedragen dan die welke zij had voordat zij met verlof
ging. Verzoekster stelt dat de wederpartij daarmee in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk nader toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun
standpunten nader toe te lichten tijdens een zitting op
25 augustus 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. M.T. H. (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. J. Haye (unithoofd)
– dhr. H. Schouwenaars (afdelingschef)
– dhr. W. Huijbregts (plv. afdelingschef)
– mw. M. van de Vijver (P&O-adviseur)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster werkt sinds juli 1992 als consulente WVG/maatschappelijk
werkster bij de Dienst Welzijn, Directoraat Sociale Dienst van de
wederpartij.
Aansluitend op haar bevallingsverlof heeft verzoekster ouderschapsverlof
opgenomen. Op verzoeksters eerste werkdag na haar bevallingsverlof, 29
mei
1996, deelde de afdelingschef haar mee, dat haar werkzaamheden ten behoeve
van haar cliëntenbestand werden overgenomen door een uitzendkracht.
Verzoekster zou volledig worden belast met een deel van het bij haar functie
behorende takenpakket, namelijk de uitvoering van hercontroles. Verzoekster
heeft tegen deze gang van zaken geprotesteerd. Tijdens een gesprek tussen
verzoekster, de afdelingschef en het unithoofd heeft de laatste een voorstel
gedaan voor een oplossing. Daarmee is verzoekster op 21 juni 1996 onder
protest accoord gegaan.
Het voorstel hield in dat verzoekster de eerste drie maanden uitsluitend
hercontroles zou uitvoeren. Daarna zou zij de taken die zij verrichtte
voordat zij met zwangerschapsverlof ging, weer volledig uitvoeren.

Op 24 juni 1996 is verzoekster het haar toegewezen werk gaan uitvoeren.
Omdat
verzoekster zich daarin toch niet gelukkig voelde, heeft zij zich ziek
gemeld. Vervolgens heeft verzoekster diverse gesprekken gevoerd met de
bedrijfsarts en met het unithoofd. Eind augustus 1996 heeft een gesprek
plaatsgevonden tussen verzoekster en het afdelingshoofd. Tijdens dit gesprek
is men overeengekomen dat verzoekster weer haar oorspronkelijke takenpakket
zou gaan uitvoeren. Daarom kreeg zij de helft van haar cliëntenbestand
terug.
Op 16 september 1996 heeft verzoekster haar oorspronkelijke werkzaamheden
voor 20 uur per week hervat.

3.2. Op 16 januari 1997 uitte verzoekster de wens om per 1 maart 1997 in
deeltijd te gaan werken voor 24 uur per week. In diezelfde maand is
verzoekster schriftelijk bericht dat de wederpartij accoord was met haar
verzoek om in deeltijd te werken.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.

Bij het bureau waar zij werkt heeft iedere medewerker een eigen
cliëntenbestand dat een aantal wijken omvat.
Toen verzoekster na haar bevallingsverlof terugkeerde, bleek dat iedereen
in
het kader van de WVG bij vervoerskosten hercontroles moest uitvoeren.
Aangezien dit een grote hoeveelheid werk met zich bracht, was de afspraak
dat
iedereen hieraan mee zou werken. Verzoekster was bereid dit werk te doen,
maar wilde niet uitsluitend die taak verrichten. Bij haar terugkeer bleek
dit
laatste echter wel de opdracht, terwijl de andere medewerkers naast
uitvoering van de hercontroles hun overige taken behielden. Het uitvoeren
van
hercontroles is een klein gedeelte van het totale werkpakket van een
werknemer van het bureau en volgens verzoekster zeer eenzijdig.

Het was voor de organisatie eenvoudig om haar, gelet op het vele werk
betreffende de hercontroles, drie maanden dit werk te laten verrichten.
In
dat geval hoefde men niet te veel te regelen. Dit is volgens verzoekster
echter niet zoals het hoort. Men wilde er echter niet over praten. Toen
het
unithoofd het compromisvoorstel deed, inhoudende dat verzoekster drie maanden
de hercontroles zou uitvoeren en daarna haar eigen cliëntenbestand zou
behartigen, heeft verzoekster hem gevraagd waarom zij niet meteen met haar
eigen bestand aan de slag kon. Daarop werd geantwoord: “procedure”. Op
welke
procedure dit betrekking had, kon het unithoofd verzoekster niet vertellen.

Verzoekster betreurt de wijze waarop de wederpartij met haar omgaat en
het
feit dat de wederpartij de conflicten afdoet met de verklaring dat er slecht
is gecommuniceerd. De wederpartij heeft fouten gemaakt en verzuimd met
een
behoorlijke oplossing te komen. Door de wederpartij wordt een vrouw die
graag
meer wil maken van haar werk en net moeder is geworden, niet op prijs
gesteld. Een vervolgcarrière bij de wederpartij lijkt door de problemen
ernstig in het gedrang te komen.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

Bij de terugkomst van verzoekster ging het feitelijk om de wijze waarop
de
werktijden tijdens de periode van het ouderschapsverlof zouden worden
ingevuld. Verzoekster wilde vanwege de kinderopvang op maandag, dinsdag
en
woensdag gaan werken. Voor de dienst was dat bezwaarlijk. Hoewel men bij
de
dienst gewend is aan flexibele werktijden, moeten de loketten en de telefoon
-onder andere voor het telefonisch spreekuur- altijd bezet zijn. Besloten
werd aan de wens van verzoekster om genoemde drie dagen te werken tegemoet
te
komen. Dat betekende wel dat een geringe verschuiving in het takenpakket
noodzakelijk was.

Het telefonisch spreekuur wordt gehouden op vijf ochtenden gedurende één
uur.
Het afdelingshoofd en de plaatsvervangend chef stellen ter zitting dat
een
medewerker vanwege de bereikbaarheid tijdens het telefonisch spreekuur
voor
de eigen cliënten zo veel mogelijk in de ochtend aanwezig moet zijn.
Bovendien wordt anders het overige personeel te veel belast. Als verzoekster
de hercontroles zou uitvoeren, zou dit een oplossing zijn voor de periode
waarin de uitzendkracht er nog zou zijn en verzoekster niet fulltime zou
werken.
Het unithoofd stelt ter zitting tegen de wens van het afdelingshoofd en
diens
plaatsvervanger te hebben besloten, dat verzoekster op de drie aangeduide
dagen kon werken. Zijn overweging daarbij was dat voor het personeel de
eis
van aanwezigheid op vijf ochtenden per week nadelig kan zijn. Indien aan
die
eis niet kan worden voldaan, dienen collega’s te vervangen. In het licht
daarvan heeft het unithoofd een compromisvoorstel gemaakt. Aangezien hij
veronderstelde dat het moeilijk voor verzoekster zou zijn om haar gehele
oorspronkelijke takenpakket uit te voeren, zou ze beter kunnen beginnen
met
uitvoering van de hercontroles. Dit is een goede manier om weer in het
werkritme te komen omdat hercontroles beter te plannen zijn. Het unithoofd
heeft er echter niet aan getwijfeld dat verzoekster weer haar oorspronkelijke
takenpakket zou kunnen uitoefenen. De deeltijdwens van verzoekster is ook
gehonoreerd. Als verzoekster in deeltijd zou gaan werken zou haar takenpakket
ook enigszins gewijzigd moeten worden, omdat zij vanwege de verminderde
werktijd niet meer alle taken betreffende haar volledige cliëntenbestand
zou
kunnen verrichten.

Over de verschuiving in het takenpakket van verzoekster is helaas niet
tijdig
met haar overlegd, waardoor verzoekster met een voldongen feit werd
geconfronteerd toen zij na haar bevallingsverlof op het werk terugkeerde.
Hoewel een en ander niet soepel is verlopen, is de wederpartij van mening
dat
van enige vorm van discriminatie geen sprake is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen
van
belang.

Artikel 1a, lid 1 van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB)
verbiedt het bevoegd gezag onderscheid tussen mannen en vrouwen te maken
onder andere in de arbeidsvoorwaarden.
Dit verbod betreft zowel direct als indirect onderscheid. Onder direct
onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap. Onder indirect onderscheid wordt verstaan
onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan geslacht, dat onderscheid
op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is (artikel 1 juncto artikel 6 WGB).

4.3. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de wederpartij door
de
taakinhoud van verzoekster gedurende haar ouderschapsverlof te wijzigen
direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

Van direct onderscheid is sprake, indien aannemelijk is dat de reden voor
de
afwijzing van het verzoek van verzoekster om haar oorspronkelijke taken
te
verrichten is gebaseerd op haar geslacht. Dat is in casu niet het geval.
Evenmin kan worden gesteld dat van direct onderscheid sprake is vanwege
het
feit dat verzoekster het recht op ouderschapsverlof uitoefent, aangezien
dit
recht aan zowel mannen en vrouwen toekomt (Commissie gelijke behandeling,
oordeel 94-01, overweging 4.4.). De Commissie is derhalve van oordeel dat
de
wederpartij geen direct onderscheid heeft gemaakt.

4.4. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of door het handelen
van
de wederpartij jegens verzoekster indirect onderscheid op grond van geslacht
is gemaakt. Daarvan is sprake indien door gebruikmaking van het recht op
ouderschapsverlof, waardoor een wijziging van functie-inhoud kan
plaatsvinden, in overwegende mate personen van één geslacht nadelig worden
getroffen. De Commissie overweegt daarover als volgt.

Uit de Enquête Beroepsbevolking welke jaarlijks gehouden wordt door het
Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt, dat relatief meer vrouwen dan
mannen een beroep doen op de Wet op het ouderschapsverlof (Zie ook Commissie
gelijke behandeling, oordeel 97-92 d.d. 13 augustus 1997. De Wet op het
ouderschapsverlof is op 1 januari 1991 in werking getreden (Stb. 1990,
562)
en per 1 juli 1997 gewijzigd bij wet van 25 juni 1997 (Stb. 1997, 266).).
Gemiddeld 165.000 mannen en 66.000 vrouwen konden in de jaren 1994 tot
en met
1996 ouderschapsverlof opnemen. Van alle mannen die recht hadden op
ouderschapsverlof heeft 10% daadwerkelijk ouderschapsverlof opgenomen,
van
alle vrouwen met recht op ouderschapsverlof 41%. Ruim viermaal zoveel vrouwen
als mannen maakten dus gebruik van het recht op ouderschapsverlof. Dit
leidt
tot de conclusie dat bij toepassing van een beleid zoals de wederpartij
dit
bij gebruikmaking van het recht op ouderschapsverlof voert, overwegend
vrouwen zouden worden getroffen. De Commissie heeft geen aanleiding te
veronderstellen dat dit in casu anders ligt en is derhalve van oordeel
dat
sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht.

4.5. Indirect onderscheid op grond van geslacht is verboden tenzij dit
onderscheid objectief gerechtvaardigd is (Hof van Justitie van de Europese
gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co.KG, zaak
171/88, 13 juli 1989.). Het ligt op de weg van de wederpartij om een
objectieve rechtvaardigingsgrond aan te voeren.

Verzoekster mocht gedurende drie maanden na ingang van haar ouderschapsverlof
haar oorspronkelijke takenpakket niet uitoefenen. De Commissie stelt vast
dat
dit na de genoemde periode van drie maanden wel mogelijk was, ondanks het
feit dat verzoekster ook dan -evenals tijdens de genoemde drie maanden-
gedurende drie hele dagen per week zou werken. Als verzoekster na afloop
van
haar ouderschapsverlof in deeltijd zou gaan werken, zou zij haar werk
eveneens verrichten in drie dagen en haar oorspronkelijke taken uitoefenen.

De wederpartij heeft als objectieve rechtvaardiging voor de opdracht aan
verzoekster om voor de periode van drie maanden uitsluitend hercontroles
uit
te voeren aangevoerd, dat dit een goede manier werd geacht voor verzoekster
om weer aan het werkritme te wennen. De Commissie overweegt dat dit een
legitieme doelstelling zou kunnen zijn, als verzoekster te kennen zou hebben
gegeven een dergelijk aangepast takenpakket op prijs te stellen. De Commissie
constateert evenwel dat verzoekster vanaf haar eerste werkdag na het
bevallingsverlof heeft aangegeven weliswaar evenals haar collegae te willen
werken aan uitvoering van de hercontroles, maar zoals al haar collegae
tevens
haar oorspronkelijke taken te willen verrichten. Nu gesteld noch gebleken
is
dat in het geval van verzoekster problemen te verwachten zouden zijn
aangaande haar gewenning aan het werkritme, leidt dit tot de conclusie
dat
het door de wederpartij aangedragen argument onvoldoende is om het gemaakte
indirecte onderscheid te rechtvaardigen.

Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de wederpartij, door
verzoeksters takenpakket met ingang van haar ouderschapsverlof te wijzigen,
een verboden indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de gemeente Dordrecht te
Dordrecht jegens mevrouw M.T. H. te Barendrecht indirect onderscheid in
de
arbeidsvoorwaarden heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1a, lid 1 van de
Wet
gelijke behandeling mannen en vrouwen door met ingang van haar
ouderschapsverlof haar takenpakket te wijzigen en derhalve in strijd heeft
gehandeld met genoemde wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer).

Instantie: De nationale ombudsman, 18 september 1997

Instantie

De nationale ombudsman

Samenvatting


Verzoekster, wier dochter in 1993 slachtoffer is geworden van een
zedendelict, klaagt erover dat het regionale politiekorps Utrecht, district
Binnensticht, en het arrondisementsparket te Utrecht, haar niet hebben
geïnformeerd over de afhandeling van de strafzaak tegen de verdachte van dit
delict. Verzoekster is daardoor de mogelijkheid ontnomen zich namens haar
dochter in de strafzaak te voegen als benadeelde partij. Voorts heeft
verzoekster bezwaar tegen de wijze waarop de hoofdofficier van justitie te
Utrecht – bij brief van 11 januari 1996 – haar klacht ter zake heeft afgedaan
Zij heeft er met name bezwaar tegen dat:
– het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast;
– het oordeel onvoldoende is gemotiveerd, doordat eraan voorbij is gegaan dat
de verzoekster de mogelijkheid is ontnomen zich namens haar dochter in de
strafzaak te voegen als benadeelde partij.
De nationale ombudsman oordeelt als volgt:
Ingevolge de richtlijn die destijds van toepassing was diende de politie het
slachtoffer uitdrukkelijk te vragen of deze op de hoogte wilde worden
gehouden van het verloop binnen het onderzoek. Gelet op een en ander had de
betrokken politieambtenaar in het proces-verbaal moeten opnemen dat
verzoekster op de hoogte wilde worden gehouden. De politie had verzoekster
moeten informeren over de mogelijkheid om zich als benadeelde partij te
voegen. Het is immers niet uitgesloten dat het slachtoffer schade blijkt te
hebben geleden ook nadat de aangifte is opgenomen. Het is aannemelijk dat de
politie geen slachtofferbrieven aan het parket heeft verzonden. Ook dat is
niet juist.
De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps
Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het
regionale politiekorps Utrecht (de burgemeester van Utrecht), is gegrond.
In het proces-verbaal van aangifte was niet vermeld dat verzoekster op de
hoogte wilde worden gehouden van de strafzaak, noch dat zij zich wilde voegen
als benadeelde partij. Bovendien had het arrondissementsparket te Utrecht
geen slachtofferbrieven ontvangen bij het proces-verbaal. Het parket kon
daarmee niet weten dat verzoekster zich als benadeelde partij wilde voegen.
Het parket mocht destijds afgaan op de informatie die de politie had
verstrekt. De klacht over de onderzochte gedraging van het
arrondissementsparket te Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van
de Minister van Justitie is niet gegrond.
De hoofdofficier van justitie had moeten onderkennen dat de verzoeksters
klacht zich mede richtte op de politie. Verwacht had mogen worden dat hij, nu
het hier ging om politieoptreden in een strafvorderlijk kader, zich over de
klacht met de politie had verstaan, om na te gaan hoe het contact tussen
verzoekster en politie was verlopen, en of wellicht sprake was van een
verzuim aan de kant van de politie.
De klacht over de onderzochte gedraging van de hoofdofficier van justitie te
Utrecht, die eveneens wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van
Justitie, is gegrond ten aanzien van de procedure van afdoening van de
klacht, en niet gegrond ten aanzien van de motivering van de afdoening.

Volledige tekst

‘… Uit de (…) (de reactie van de korpsbeheerder op de klacht; N.o.) en
uit de (…) (de reactie van de Minister van Justitie op de klacht; N.o.)
moge blijken dat ik respectievelijk op de hoogte gehouden wenste te worden
van de strafzaak en mij als benadeelde partij te willen stellen. De heer B.
(de hoofdofficier van justitie te Utrecht; N.o.) beroept zich op het
uitsluitend gebruiken van het dossier, welke bovenstaande informatie niet
blijkt te bevatten. De aanname dat mijn verklaring geen nieuw licht op de
zaak zou werpen is derhalve onterecht. Een belangrijk aspect in deze is voor
mij het door de heer B. niet serieus nemen van mijn klachten: allereerst
betreft dit het niet in eerste instantie doorzenden van mijn klachtenbrief
aan het Ministerie van Justitie, het niet vragen of ik wenste te volharden in
mijn klacht en schadeclaim en tenslotte het irrelevant achten van mijn
verklaring m.b.t. de afhandeling van de klacht c.q. schadeclaim …’

F. Nadere reactie van de korpsbeheerder

1. De korpsbeheerder herhaalde bij brief met bijlagen van 21 november 1996
zijn eerder ingenomen standpunt.
Over de informatieverstrekking door de politie aan verzoekster deelde de
korpsbeheerder onder meer het volgende mee:

‘Mevrouw S. heeft niet expliciet aangegeven dat zij zich als beledigde
partij wilde opstellen. In het proces-verbaal is dit verzoek dan ook niet
opgenomen, zoals te tijde van de aangifte ook niet gebruikelijk was. Volgens
de verbalisant in het onderzoek is bovenstaand verzoek niet aan de orde
geweest en dus niet besproken in het vooronderzoek. Mevrouw S. heeft zich in
eerste instantie nimmer daarover uitgelaten. Wel is afgesproken dat de
verbalisant mevrouw S. op de hoogte zou houden van het verloop van het
onderzoek. Dit is geen verplichting maar dient zuiver als een service van
zijn kant te worden gezien, gezien de praktijk in 1993. Na de invoering van
de Wet Terwee (april 1995) is de vraag of de slachtoffers op de hoogte
gehouden willen worden van het verloop van het onderzoek standaard in de
aangifte opgenomen.

Daarnaast gaat mevrouw S. in op het feit dat zij op de hoogte gehouden wilde
worden van de voortgang van het onderzoek met de bedoeling, in geval van een
strafzaak, zich op termijn te voegen in de strafzaak tegen de verdachte.
De verbalisant heeft aangegeven mevrouw S. op de hoogte te willen houden van
de voortgang. Over de inhoud en het tijdig verstrekken van informatie is hij
soms afhankelijk van anderen. De verbalisant is op een gegeven moment te laat
geïnformeerd en heeft derhalve de toezegging aan mevrouw S. niet voor 100%
waar kunnen maken.’

2. Bij de reactie van de korpsbeheerder bevond zich als bijlage een exemplaar
van de zogenaamde slachtofferbrief die de politie aan het
arrondissementsparket had dienen te zenden. Deze brief bevatte de
standaardmededeling dat het slachtoffer, als deze daar prijs op stelde, kon
verzoeken om te worden geïnformeerd omtrent het verloop en de afdoening van
de strafzaak en van de mogelijkheid op vergoeding binnen het strafproces van
de geleden schade. Verder was in deze brief vermeld dat het slachtoffer
binnen drie weken na de ontvangst van de brief dit verzoek kon richten aan de
officier van justitie te Utrecht.

G. Commentaar van verzoekster

Op 9 december 1996 deelde verzoekster tegenover een medewerkster van het
Bureau Nationale ombudsman telefonisch het volgende mee.

‘De brief met bijlagen van de beheerder van het regionale politiekorps
Utrecht van 21 november 1996 bevat geen nieuwe informatie die mij aanleiding
geeft tot een reactie. Wel wil ik over mijn klacht nog (maals) het volgende
naar voren brengen.

Waar ik in het onderhavige aangelegenheid vooral bezwaar tegen heb, is dat de
politie in mijn herhaalde vragen om op de hoogte te worden gehouden, en in
mijn vragen naar mogelijkheden om schade vergoed te krijgen, geen aanleiding
heeft gezien om te vertellen dat ik me als beledigde partij kon voegen in het
strafproces tegen de verdachte. Ik heb inmiddels begrepen dat ik dan sowieso
over de voortgang in de strafzaak zou zijn geïnformeerd. De politie moet dat
toen toch ook geweten hebben. Ik ben van mening dat de politie niet op een
concrete vraag mijnerzijds had hoeven wachten om toch op de mogelijkheid van
voeging als beledigde partij te wijzen.
Ik vind het onbegrijpelijk en kwalijk dat dat in onze zaak, en in andere
zaken, niet is gebeurd. Van het Bureau Slachtofferhulp heb ik later namelijk
vernomen dat dit verzuim wel vaker wordt gepleegd.
Voor zover er in het onderhavige onderzoek een reconstructie van mijn
gesprekken met de heer P. van de politie wordt gemaakt, wil ik opmerken dat
daarin wel schadeclaims ter sprake zijn gekomen. Ik heb het over
schadevergoeding gehad; de heer P. heeft mij laten weten dat ik daar pas na
het strafproces iets mee zou kunnen doen. Die informatie was dus onjuist.
Tot slot wil ik nog opmerken dat we toentertijd niet naar het Bureau
Slachtofferhulp zijn gegaan omdat mijn dochter elders al hulp had
ingeschakeld. Extra hulp betekende toen voor haar alleen maar een extra
belasting. Wij hebben daarvan afgezien. Later zijn we wel bij het Bureau
Slachtofferhulp terecht gekomen. Daar werd ons verteld dat de politie vaker
verzuimt om een slachtoffer van een strafbaar feit te wijzen op de
mogelijkheid van voeging als beledigde partij.’

H. Nadere reactie van de betrokken ambtenaar P.

Op 28 februari 1997 ontving de Nationale ombudsman een rapport van de
betrokken ambtenaar P. van 6 juli 1996, opgemaakt in reactie op verzoeksters
klacht. De inhoud van dit rapport komt overeen met de informatie die de
korpsbeheerder in zijn reactie van 18 juli 1996, hiervoor vermeld onder C.,
naar voren heeft gebracht.

BEOORDELING

A. Algemeen

1. Ingevolge de richtlijnen ten aanzien van het slachtofferbeleid dient het
arrondissementsparket het slachtoffer van een misdrijf dat te kennen heeft
gegeven te willen worden geïnformeerd over het verloop van de procedure tegen
de verdachte of zich als benadeelde partij te willen voegen in de strafzaak,
op de hoogte te stellen van de plaats, de datum en het tijdstip van de
terechtzitting (zie ACHTERGROND onder 1.).

2. De dochter van verzoekster is slachtoffer geworden van een zedendelict.
Verzoekster en haar, destijds minderjarige, dochter hebben daarvan op 13
maart 1993 aangifte gedaan bij de regiopolitie Utrecht. In het proces-verbaal
dat van de aangifte is opgemaakt, is niet vermeld of verzoekster zich al dan
niet namens haar dochter wilde voegen als beledigde partij, dan wel of zij al
dan niet op de hoogte wilde worden gehouden van het verdere verloop van de
strafprocedure.

3. De politierechter te Utrecht heeft de verdachte bij vonnis van 18
september 1995 veroordeeld. Verzoekster was tevoren niet op de hoogte gesteld
van de zittingsdatum.

4. Verzoekster heeft erover geklaagd dat het regionale politiekorps Utrecht
noch het arrondissementsparket te Utrecht haar heeft geïnformeerd over de
afhandeling van de strafzaak tegen de verdachte, waardoor haar de
mogelijkheid is ontnomen zich namens haar dochter in de strafzaak te voegen
als benadeelde partij.

5. Ten tijde van de onderhavige gedraging, vóór de inwerkingtreding van de
Wet Terwee, was de gang van zaken met betrekking tot de
informatieverstrekking aan slachtoffers in het arrondissement Utrecht als
volgt. De politie zond tegelijkertijd met het proces-verbaal in tweevoud een
formulier, een zogenaamde slachtofferbrief, aan het arrondissementsparket.
Het parket zond vervolgens een exemplaar van deze brief aan het slachtoffer.
In deze brief berichtte het parket het slachtoffer dat deze het parket kon
verzoeken om te worden geïnformeerd over het verloop van de strafzaak en gaf
het informatie over de mogelijkheid op vergoeding van de geleden schade.

B. Ten aanzien van het regionale politiekorps te Utrecht

1. In het proces-verbaal dat de politie van de aangifte heeft opgemaakt,
staat niet vermeld dat verzoekster zich namens haar dochter wilde voegen als
benadeelde partij en evenmin dat verzoekster op de hoogte wilde worden
gehouden van het verloop van de strafzaak.

2. Voldoende staat echter vast dat verzoekster op het moment dat haar dochter
aangifte deed, heeft laten weten dat zij op de hoogte wilde worden gehouden
van het verloop binnen het onderzoek.
Ingevolge de richtlijn die destijds van toepassing was (zie
ACHTERGROND onder 1.2.1.) diende de politie het slachtoffer
uitdrukkelijk te vragen of deze op de hoogte wilde worden gehouden van de
strafzaak. Gelet op een en ander had de betrokken politieambtenaar in het
proces-verbaal moeten opnemen dat verzoekster op de hoogte wilde worden
gehouden. Het is onjuist dat dit niet is gebeurd.

3. Hierbij wordt opgemerkt dat de betrokken politieambtenaar naderhand uit
een oogpunt van actieve informatieverstrekking wel correct heeft gehandeld
door verzoekster verschillende malen persoonlijk en op eigen initiatief
telefonisch op de hoogte te stellen van het verloop van de strafzaak.

4. Het is voldoende aannemelijk dat verzoekster op het moment van de aangifte
niet heeft aangegeven dat zij zich namens haar dochter wilde voegen als
benadeelde partij, en dat op dat moment niet over kosten is gesproken.
Ingevolge de hiervoor, onder 2., genoemde richtlijn diende de politie het
slachtoffer echter ook al destijds uitleg te verschaffen over wat het inhoudt
om zich als benadeelde partij te voegen in een strafzaak. De politie had
verzoekster dan ook moeten informeren over de mogelijkheid om zich als
benadeelde partij te voegen. Het is immers niet uitgesloten dat het
slachtoffer schade blijkt te hebben geleden ook nadat de aangifte is
opgenomen.

5. De korpsbeheerder heeft erkend dat de politie de slachtofferbrieven
waarschijnlijk niet met het proces-verbaal aan het arrondissementsparket
heeft gezonden. Het arrondissementsparket Utrecht heeft laten weten geen
slachtofferbrieven te hebben ontvangen. Het is dan ook aannemelijk dat de
politie geen slachtofferbrieven aan het parket heeft gezonden. Ook dat is
niet juist.
De betrokken politieambtenaar had overigens in zijn telefonische contacten
met de betreffende parketsecretaris over de voortgang van de strafzaak kunnen
vragen of het parket verzoekster ook zelf zou informeren. Dan had wellicht
kunnen blijken dat het parket geen slachtofferbrief bij het proces-verbaal
had aangetroffen.

6. Het voorgaande betekent dat, alles bijeengenomen, de onderzochte gedraging
niet behoorlijk is.
Indien de politie wel de slachtofferbrieven aan het parket had gezonden en in
het proces-verbaal de mededeling had opgenomen dat verzoekster op de hoogte
wilde worden gehouden van het verloop van de strafprocedure, dan wel of zij
zich wilde voegen als benadeelde partij, had het arrondissementsparket
verzoekster de in ACHTERGROND onder 1.3.1. bedoelde
slachtofferbrief moeten zenden.

C. Ten aanzien van het arrondissementsparket Utrecht

1. In het proces-verbaal van aangifte was niet vermeld dat verzoekster op de
hoogte wilde worden gehouden van de strafzaak, noch dat zij zich wilde voegen
als benadeelde partij. Bovendien had het arrondissementsparket te Utrecht van
de politie geen slachtofferbrieven ontvangen bij het proces-verbaal.

2. Het parket kon daarmee niet weten dat verzoekster zich als benadeelde
partij wilde voegen. Het parket mocht destijds afgaan op de informatie die de
politie had verstrekt. In de periode voordat de Wet Terwee in werking is
getreden, was het parket immers niet verplicht om alle dossiers te
controleren, om te bezien of er, ondanks het ontbreken van informatie van de
kant van de politie, toch een slachtoffer was dat wilde worden geïnformeerd.
In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

3. Wel is er aanleiding nog het volgende op te merken. Blijkens de brief van
het college van procureurs-generaal aan verzoekster van 1 augustus 1996, en
het ambtsgericht aan dit college van de hoofdofficier van justitie van 23
juli 1996 was de hoofdofficier van oordeel dat het risico moest worden
vermeden dat een slachtoffer een slachtofferbrief zou ontvangen terwijl deze
niet meer met de strafzaak geconfronteerd wilde worden. Wanneer dat destijds
voor het parket een expliciet punt van overweging zou zijn geweest, valt niet
in te zien waarom niet in een ernstige zaak als deze contact met de politie
is opgenomen, om te verifiëren of het slachtoffer inderdaad geen verdere
betrokkenheid wenste.
In dit verband wordt ook verwezen naar de reactie van de korpsbeheerder, waar
deze aangeeft dat de parketsecretaris de betrokken verbalisant op de hoogte
zou houden van de zittingsdatum, dit in reactie op de grote belangstelling
voor de zaak van de kant van de politie. Wanneer deze toezegging aan de
verbalisant is gedaan, is het onjuist dat het parket de politie pas drie
weken nadat de zitting had plaatsgevonden over deze zitting heeft
geïnformeerd.

D. Ten aanzien van de hoofdofficier van justitie

1. In haar klachtbrief van 24 november 1995 heeft verzoekster zich beklaagd
over de gebrekkige informatievoorziening over de strafzaak en aangegeven dat
zij door een fout van het openbaar ministerie of de politie niet in de
gelegenheid was gesteld zich als benadeelde partij te voegen in de strafzaak.
De brief was gericht aan de Minister van Justitie, en werd beantwoord door de
hoofdofficier van justitie te Utrecht. Verzoekster heeft bezwaar tegen de
wijze waarop de hoofdofficier van justitie -bij brief van 11 januari 1996-
haar klacht van 24 november 1995 heeft afgedaan. Zij heeft er met name
bezwaar tegen dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is toegepast, en
dat het oordeel van de hoofdofficier onvoldoende is gemotiveerd.

2. Ten aanzien van het punt van hoor en wederhoor is het volgende van belang.
De hoofdofficier heeft verzoekster in zijn brief van 11 januari 1996 laten
weten dat het dossier zoals het openbaar ministerie dat had ontvangen geen
aanwijzingen bevatte dat verzoekster geïnformeerd wilde worden, zodat het
openbaar ministerie geen verwijt trof. Deze reactie is in zoverre
ontoereikend, dat de hoofdofficier had moeten onderkennen dat verzoeksters
klacht zich mede richtte op de politie. Verwacht had mogen worden dat hij, nu
het hier ging om politieoptreden in strafvorderlijk kader, zich over de
klacht met de politie had verstaan, om na te gaan hoe het contact tussen
verzoekster en politie was verlopen, en of wellicht sprake was van een
verzuim aan de kant van de politie. Vervolgens had hij zijn bevindingen voor
een reactie aan verzoekster behoren voor te leggen, alvorens de klacht af te
doen. Het is dan ook onjuist dat de hoofdofficier in zijn brief van 11
januari 1996 de klacht al direct heeft afgedaan.
In zoverre is de onderzochte gedraging op het punt van de procedure van
afdoening van de klacht niet behoorlijk.

3. Ten aanzien van de klacht over de motivering van de afdoening in de brief
van 11 januari 1996 voert verzoekster aan dat de hoofdofficier van justitie
eraan is voorbijgegaan dat haar de mogelijkheid is ontnomen om zich namens
haar dochter in de strafzaak te voegen als benadeelde partij.
Verzoekster kan op dit punt in haar klacht niet worden gevolgd, nu de
hoofdofficier wel degelijk is ingegaan op het feit dat verzoekster zich niet
heeft kunnen voegen. Dat hij daarbij op het standpunt heeft gesteld dat er
geen sprake was van een verzuim van de kant van het openbaar ministerie doet
er niet aan af dat hij voldoende recht heeft gedaan aan het punt van de
verhaalsmogelijkheden voor verzoekster. Ook de omstandigheid dat hij het
verzoek om schadevergoeding niet zelf had mogen afdoen, zoals hij ook zelf
heeft aangegeven, maakt dit niet anders.
In zoverre is de onderzochte gedraging behoorlijk.

CONCLUSIE

De klacht over de onderzochte gedraging van het regionale politiekorps
Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de beheerder van het
regionale politiekorps Utrecht (de burgemeester van Utrecht), is gegrond.
De klacht over de onderzochte gedraging van het arrondissementsparket te
Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie,
is niet gegrond.

De klacht over de onderzochte gedraging van de hoofdofficier van justitie te
Utrecht, die eveneens wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van
Justitie, is gegrond ten aanzien van de procedure van afdoening van de
klacht, en niet gegrond ten aanzien van de motivering van de afdoening.

Rechters

Mr L. de Bruin, substituut-ombudsman

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 18 september 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Appellante is verkracht door haar ex-zwager. Tegen het besluit van het
Openbaar Ministerie om hem niet te vervolgen loopt een klachtprocedure op
grond van art. 12 WvSv. Daarnaast vordert zij in kort geding een voorschot
schadevergoeding ter hoogte van ƒ 5.000 voor immateriële en ƒ 2000 voor
materiële schade. Deze vordering wordt afgewezen
omdat niet buiten redelijke twijfel staat dat de bodemrechter de vordering
zal toewijzen. Appellante is er niet in geslaagd voldoende aannemelijk te
maken dat zij is verkracht.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, T., is bij exploot van 27 november 1996 in hoger beroep
gekomen van een op 14 november 1996 uitgesproken vonnis in kort geding van de
president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, onder rolnummer KG
96/2865 0dC gewezen tussen T. als eiseres en geïntimeerde, M., als gedaagde.

1.2. Bij memorie van grieven heeft T. vijf grieven tegen het beroepen vonnis
aangevoerd en geconcludeerd – zakelijk weergegeven – dat het hof het vonnis
waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest,
uitvoerbaar bij voorraad, de in eerste instantie geweigerde voorzieningen als
bedoeld in het petitum van de inleidende dagvaarding onder C, D en E alsnog
zal treffen, zulks met veroordeling van M. in de kosten van het geding in
beide instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft M. de grieven bestreden, en geconcludeerd
tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en met veroordeling van T. in
de kosten van het hoger beroep.

1.4. Daarna hebben partijen hun zaak doen bepleiten, T. door haar procureur
en M. door zijn advocaat. Mr. Zonneveld heeft zich daarbij bediend van
pleitnotities. T. heeft bij die gelegenheid nog enkele geschriften in het
geding gebracht.

1.5. Ten slotte hebben partijen de stukken van beide instanties, waaronder
ook voormelde geschriften en pleitnotities, aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest. De inhoud van deze stukken geldt als hier ingevoegd.

2. De grieven
Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. De vaststaande feiten

In rechtsoverweging 1 van zijn vonnis heeft de president onder de letters a
t/m e een aantal feiten als ten processe vaststaande opgesomd. Tegen deze
opsomming zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten
uitgaat.

4. De beoordeling van het hoger beroep

4.1. In dit kort geding gaat het om het volgende.

a. T. heeft op 26 oktober 1995 bij de politie Flevoland-district Almere
aangifte gedaan van verkrachting door M., volgens T. gepleegd in de nacht van
24 op 25 oktober 1995 ten huize van T..
b. Partijen hebben in voornoemde nacht seksueel contact (inclusief
penetratie) met elkaar gehad. Daarbij is geen condoom gebruikt.
c. Bij brief van 31 mei 1996 heeft de behandelend officier van justitie te
Zwolle aan T. meegedeeld dat hij niet zal overgaan tot verdere vervolging van
M., omdat hij “onvoldoende wettig bewijs aanwezig achtte om een veroordeling
door de rechter te kunnen bewerkstelligen”.
d. Tegen deze beslissing heeft T. op 13 juni 1996 een beklag op de voet van
artikel 12 Sv. gedaan bij het gerechtshof te Arnhem. Ten tijde van de
behandeling ter terechtzitting in hoger beroep van dit kort geding heeft de
behandeling van bedoeld artikel 12 Sv-beklag ter terechtzitting van het
gerechtshof te Arnhem nog niet plaatsgevonden. De in hoger beroep overgelegde
ambtsberichten zijn niet eensluidend in hun adviezen.
e. M. heeft zich vrijwillig onderworpen aan een zogeheten AIDS-test en de
uitslag daarvan (inhoudende – naar bij gelegenheid van het pleidooi in hoger
beroep onweersproken gemeld – dat M. op het moment van de test niet besmet
was met het HIV-virus) kort voor de behandeling van het kort geding in eerste
instantie aan T. meegedeeld. Daarop heeft T. haar vordering tot het afnemen
van een AIDS-test ter terechtzitting in eerste instantie ingetrokken.
f. De president heeft de overige vorderingen van T. afgewezen en daartoe
overwogen dat er onvoldoende basis is voor een schadevergoeding als door T.
gevorderd op de grond dat (nog) geen strafrechtelijke veroordeling is gevolgd
voor M. voor de door T. gestelde verkrachting, terwijl die verkrachting door
M. is betwist. Aldus werd volgens de president niet voldaan aan het vereiste
dat voor toewijzing van een geldvordering in kort geding buiten redelijke
twijfel dient te zijn dat ook de bodemrechter tot toewijzing zal overgaan.
g. De president heeft de kosten van het geding gecompenseerd aldus dat ieder
der partijen de eigen kosten draagt op grond van de overweging dat M. aan T.
had toegezegd een AIDS-test te zullen ondergaan, maar daarmee zolang heeft
gewacht dat de uitslag daarvan eerst na aanvang van de terechtzitting kon
worden meegedeeld aan T..

4.2. Met de grieven bestrijdt T. de afwijzing door de president van de
vordering tot het betalen van ƒ 5.000 als voorschot op immateriële schade, de
vordering tot het betalen van ƒ 2.000 als voorschot op door haar gestelde
materiële schade en voorts de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 23
september 1996. De grieven 1 tot en met 4 lenen zich voor gezamenlijke
behandeling.
4.3. Ook in hoger beroep is T. er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat
zij door M. is verkracht. Voor toewijzing van een geldvordering in kort
geding heeft als uitgangspunt heeft te gelden dat voldoende aannemelijk is
dat ook de bodemrechter die vordering zal toewijzen. Aan dat criterium is in
deze zaak niet voldaan.

4.4. Als hiervoor onder 4.1 onder d. al is vermeld, heeft het beklag op de
voet van artikel 12 Sv. ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep van
dit geding nog niet geleid tot een beslissing. Zelfs indien het gerechtshof
de vervolging van M. zal bevelen wil dat nog geenszins zeggen dat dit tot een
onherroepelijke veroordeling zal leiden. Dat geldt des te sterker nu blijkens
de in hoger beroep in het geding gebrachte geschriften de officier van
justitie en de hoofdofficier van justitie te Arnhem in hun ambtsberichten tot
de conclusie komen dat er te weinig bewijsmiddelen voorhanden zijn die
vervolging van M. rechtvaardigen. Daaraan kan niet afdoen dat de
advocaat-generaal bij het gerechtshof te Arnhem in zijn ambtsbericht het hof
te Arnhem adviseert de klacht gegrond te verklaren en de vervolging door te
zetten.

4.5. Met juistheid heeft de president overwogen dat aan het verwijt van T.
dat M. tijdens de politieverhoren wisselende standpunten heeft ingenomen
voorbijgegaan moet worden nu aan M. niet is verweten dat hij tijdens die
politieverhoren op enig moment de beweerde verkrachting heeft erkend.

4.6. De vraag of er aanleiding is voor een andere dan de gewone
bewijslastverdeling, als wordt bepleit met grief 4, hoort thuis in een
bodemprocedure waar alle in de toelichting op de vierde grief genoemde feiten
en omstandigheden aan de orde kunnen komen.

4.7. Al het vorenoverwogene brengt mee dat niet gezegd kan worden dat T. haar
stellingen met betrekking tot de verkrachting van haar door M. voldoende
aannemelijk heeft gemaakt.

4.8. Op het vorenoverwogene stuiten de grieven 1 tot en met 4 af.

4.9. De vijfde grief strekt, als nader bij pleidooi toegelicht, ten betoge
dat op M. een contractuele plicht jegens T. rustte om haar te informeren over
de resultaten van een door hem af te leggen AIDS-test. Door zijn toezegging
niet eerder dan op de terechtzitting in eerste aanleg na te komen heeft M.,
aldus T., laatstgenoemde onnodig lang in het ongewisse gelaten waardoor zij
te kampen heeft gehad met gevoelens van angst en onzekerheid die haar
aanspraak geven op een immateriële schadevergoeding.

4.10. Dienaangaande overweegt het hof dat voorshands niet aannemelijk is
geworden dat M. zich rechtens afdwingbaar jegens T. heeft verbonden om binnen
een bepaald tijdsbestek een AIDS-test te ondergaan en de uitslag daarvan aan
T. mee te delen. Onder de omstandigheden van het geval acht het hof het
evenmin onrechtmatig jegens T. dat M. eerst op de terechtzitting in eerste
aanleg de uitslag van de AIDS-test bekend heeft gemaakt. Dit voorlopige
oordeel baseert het hof op het feit dat M. de gestelde verkrachting
gemotiveerd heeft betwist en dat ook verder tegenover de gemotiveerde
betwisting van M. geen feiten en omstandigheden, hem betreffende (waaronder
het door T. gestelde promiscue gedrag van M.) aannemelijk zijn gemaakt, die
rechtvaardigen dat M. zich onderwerpt aan een AIDS-test. Aan dit een en ander
kan niet afdoen dat M. eigener beweging, kennelijk om T. die tenslotte de
zuster van zijn ex- echtgenote is, gerust te stellen zich vrijwillig heeft
onderworpen aan een AIDS-test. Hierbij weegt voorts mee dat T., wat er ook
zij van haar angstgevoelens om zelf een AIDS-test te ondergaan, geen
aanleiding heeft gezien ter beperking van de gestelde schade zelf zo’n test
te ondergaan die haar meer zekerheid over eventuele besmetting met het
HIV-virus had kunnen geven dan de uitslag van een door M. ondergane
AIDS-test. Ook deze grief treft derhalve geen doel.

4.11. De slotsom is derhalve dat de grieven falen, dat de president de
gevraagde voorzieningen terecht heeft geweigerd en dat het beroepen vonnis
moet worden bekrachtigd.

4.12. Met betrekking tot de kosten in de eerste instantie wordt nog het
volgende overwogen. T. vordert in dit hoger beroep veroordeling van M. in de
kosten van het geding in eerste instantie. Tegen de afwijzing door de
president van de door haar ook in eerste instantie gevorderde
kostenveroordeling is echter geen grief aangevoerd. Nu M. heeft geconcludeerd
tot bekrachtiging van het beroepen vonnis en slechts veroordeling van T. in
de kosten van het hoger beroep heeft bepleit, behoeft niet te worden
onderzocht of de president ten onrechte tot compensatie van kosten heeft
geoordeeld. Als de in het ongelijk gestelde partij zal T. wel worden
veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt T. in de kosten van dit hoger beroep, tot op deze uitspraak aan
de zijde van M. begroot op ƒ 4.620.

Rechters

Mrs. Walkate, Coeterier en Doeleman

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 12 september 1997

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Na een vijftal procedures tussen vader en moeder over de omgang van het
kind
met de vader heeft de Raad voor de kinderbescherming geadviseerd de
omgangsregeling stop te zetten. Om in de toekomst de weg naar mogelijke
contacten open te houden, acht de raad het wel zinvol dat de moeder twee
keer
per jaar de vader op de hoogte stelt van de ontwikkeling van het kind.
De
rechter is daarentegen van oordeel dat het weliswaar op korte termijn beter
is, maar dat er geen omgang is dat wanneer de gemoederen weer enigszins
zijn
bedaard, er getracht dient te worden de omgangsregeling ten uitvoer te
leggen.

Volledige tekst

Het geding

De ouders zijn in 1987 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank
te
Middelburg van 18 mei 1994 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken,
die
is ingeschreven op 18 juli 1994.

Bij deze beschikking is de moeder tot voogdes benoemd over het minderjarige
kind van de ouders, te weten:
Nikki, geboren op 15 maart 1988.

Op 21 november 1995 heeft de raad voor de kinderbescherming een rapport
uitgebracht met betrekking tot een mogelijke omgangsregeling tussen de
vader
en Nikki.

Bij beschikking van de rechtbank te Middelburg van 24 januari 1996 werd
een
omgangsregeling vastgesteld in die zin dat er drie proefcontacten zouden
plaatsvinden met behulp van de raad voor de kinderbescherming.

Bij beschikking van de rechtbank te Middelburg van 24 april 1996 is een
omgangsregeling vastgesteld met ingang van juni 1996 van eenmaal per drie
weken een ochtend in het weekend van 9.30 uur tot 12.00 uur en dat gedurende
drie maanden en met ingang van september 1996 één dag per twee weken in
het
weekend van 10.00 uur tot 19.00 uur.

Bij vonnis in kort geding van de president te Middelburg van 12 september
1996 is de moeder veroordeeld tot nakoming van de vastgestelde
omgangsregeling in die zin dat er met ingang van 3 november 1996 één zondag
per twee weken van 10.00 uur tot 19.00 uur omgang zal zijn tussen de vader
en
de minderjarige, zulks onder verbeurte van een bedrag van ƒ 250,= per
overtreding van dit vonnis.

Bij vonnis in kort geding van de president te Breda van 30 januari 1997
is de
moeder ontheven van de veroordeling tot nakoming van de omgangsregeling
en
heeft de president bepaald dat de moeder een verzoekschrift tot wijziging
van
de omgangsregeling moet indienen bij de rechtbank te Middelburg.

Op 21 januari 1997 heeft de moeder de rechtbank verzocht om de beschikking
van 24 april 1996 te wijzigen in die zin dat wordt verklaard voor recht
dat
de vader geen recht heeft op een omgangsregeling met Nikki.

De vader heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de moeder.

Bij beschikking van 26 maart 1997 heeft de rechtbank te Middelburg het
verzoek van de moeder afgewezen.

Bij beschikking van 23 april 1997 heeft de rechtbank te Middelburg het
verzoek van de vader hem te belasten met het gezag over Nikki afgewezen.

De moeder is op 23 mei 1997 in hoger beroep gekomen van de beschikking
van 26
maart 1997 en heeft verzocht deze beschikking te vernietigen en, opnieuw
beschikkende, haar verzoek tot een verklaring voor recht dat de vader geen
recht heeft op een omgangsregeling met Nikki alsnog toe te wijzen.

De vader heeft geen verweer gevoerd. Zijn advocaat, mr. J.W. Leseman, heeft
het hof bij brief van 22 juli 1997, ingekomen ter griffie op 23 juli 1997,
medegedeeld dat de vader de uitkomst van de onderhavige procedure niet
langer
relevant acht nu -ongeacht deze uitkomst- de voor de omgang benodigde
medewerking van de moeder aan de tenuitvoerlegging van de omgangsregeling
niet zal worden verleend.

De advocaat van de moeder, mr. A.I. Cambier, heeft het hof bij brief van
1
augustus 1997, ingekomen ter griffie op 4 augustus 1997, verzocht de zaak
schriftelijk af te doen.

Op 11 augustus heeft de raad voor de kinderbescherming schriftelijk zijn
standpunt aan het hof kenbaar gemaakt.

Op 13 augustus 1997 heeft de terechtzitting plaatsgevonden. Er is toen
niemand verschenen.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat er
onvoldoende grond aanwezig is om de omgangsregeling te wijzigen zoals
verzocht, nu de moeder als enige onderbouwing van het verzoekschrift het
voorval van 27 oktober 1996 heeft aangevoerd, toen er een onaangenaam treffen
ten huize van de moeder heeft plaatsgevonden waarvan Nikki getuige is
geweest.

2. De moeder heeft gesteld dat voornoemd treffen tussen de vader en een
vriendin van de moeder die de vader de toegang tot de woning weigerde omdat
de vader zich vergezeld van zijn nieuwe partner -hetgeen niet was
afgesproken- meldde voor het eerste contact met Nikki, een bevestiging
is van
het feit dat de vader de belangen van Nikki uit het oog verliest. Zij meent
dat deze zeer negatieve ervaring een zodanige wijziging van omstandigheden
is
dat de eerder opgelegde omgangsregeling in redelijkheid niet meer kan
plaatsvinden.

3. De vader heeft de moed opgegeven. Hij meent dat, wat de uitkomst van
de
procedure in hoger beroep ook zal zijn, de moeder geen medewerking zal
verlenen aan de omgang tussen hem en Nikki.
Hij heeft het hof dan ook medegedeeld dat hij met het oog hierop geen verweer
zal voeren tegen het verzoek van de moeder in hoger beroep.

4. Gelet op de nog steeds heftige strijd tussen de ouders, acht de raad
voor
de kinderbescherming momenteel iedere vorm van contact dan wel pogingen
daartoe schadelijk voor Nikki. Om in de toekomst de weg naar mogelijke
contacten open te houden, acht de raad het wel zinvol dat de moeder twee
keer
per jaar de vader op de hoogte stelt van de ontwikkeling van Nikki.

5. In 1994 is tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. Sindsdien
zijn er tussen hen vijf procedures gevoerd, te weten bij de rechtbank te
Middelburg terzake van de omgangsregeling tussen de vader en Nikki, bij
de
presidenten in kort geding te Middelburg en Breda, eveneens terzake van
de
omgangsregeling, bij de rechtbank te Middelburg, terzake van het gezag
over
Nikki, en andermaal bij de rechtbank te Middelburg, wederom terzake van
de
omgangsregeling, welke laatste zaak thans hier dient in hoger beroep.

6. In de beschikkingen die naar aanleiding van genoemde procedures zijn
gegeven met betrekking tot de omgangsregeling heeft de rechtbank dan wel
de
president te Middelburg geoordeeld dat er tussen de vader en Nikki omgang
zou
moeten zijn. De moeder heeft desondanks geen dan wel nagenoeg geen
medewerking verleend aan een omgangsregeling tussen de vader en Nikki.
Het
incident op 27 oktober 1996 heeft haar aanleiding gegeven om thans definitief
een punt te zetten achter de omgang tussen de vader en Nikki. Het hof evenwel
is met de rechtbank van oordeel dat het enkele incident op 27 oktober 1996
geen aanleiding mag zijn de vader de contacten met Nikki volledig te
ontzeggen. Weliswaar heeft de vader het hoofd in de schoot gelegd en
weliswaar is het beter voor alle partijen dat er op korte termijn geen
uitvoering wordt gegeven aan de omgangsregeling, dit neemt niet weg dat,
wanneer de gemoederen weer enigszins zijn bedaard, er getracht dient te
worden de omgangsregeling ten uitvoer te leggen.

7. Het hof is, gelet op het bovenstaande, dan ook van oordeel dat de
rechtbank op goede gronden het verzoek van de moeder om de beschikking
van 24
april 1996 te wijzigen in dier voege dat wordt verklaard voor recht dat
de
vader geen recht heeft op een omgangsregeling met Nikki, heeft afgewezen.

8. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden
bekrachtigd.

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Middelburg van 26 maart
1997.

Rechters

Mrs Van den Wildenberg, Groothuis, De Hoogh

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 12 september 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij een arbeidsbureau gesolliciteerd naar een vacature
voor
chauffeur/bezorger bij een groothandel in automaterialen. Verzoeker is
door
het arbeidsbureau niet doorverwezen naar de werkgever die de vacature bij
de
wederpartij had aangemeld. Volgens verzoeker vanwege het feit dat de
betreffende werkgever een vrouw wenste aan te stellen. Het arbeidsbureau
stelt dat verzoeker niet is doorverwezen vanwege het functieprofiel en
verzoekers arbeidsverleden. Voor de vacature zijn bovendien vijftien mensen
opgeroepen, waaronder één vrouw.
De Commissie concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat het geslacht
van verzoeker een rol heeft gespeeld bij het handelen van het arbeidsbureau.
Er is dan ook geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 maart 1997 verzocht de heer G.A.A. de P. te Gorinchem (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening Rijnmond te Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens
hem
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker heeft bij een vestiging van de wederpartij gesolliciteerd
naar
een vacature voor chauffeur/bezorger bij een groothandel in automaterialen.
Verzoeker is door de wederpartij niet doorverwezen naar de werkgever die
de
vacature bij de wederpartij had aangemeld. Verzoeker stelt dat de wederpartij
hem heeft meegedeeld dat de betreffende werkgever in de onderhavige functie
een vrouw wenste aan te stellen en hem daarom niet heeft doorverwezen.
Verzoeker is derhalve van mening dat de wederpartij jegens hem onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft naar aanleiding van het verzoek nadere informatie
ingewonnen bij verzoeker. Vervolgens heeft zij de zaak in behandeling genomen
en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad
hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen te verschijnen tijdens
een zitting op 21 juli 1997.
Verzoeker is niet op de zitting verschenen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij
– dhr. L. van der Have (stafmedewerker Arbeidsbureau Gorinchem)
– mw. M.C. mr. Fhijnbeen (medewerker sector Juridische
Aangelegenheden Arbeidsvoorziening Nederland)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Onder de wederpartij ressorteert het Arbeidsbureau Gorinchem.
Bij dit arbeidsbureau is een vacature voor een zelfstandige
chauffeur/bezorger (m/v) aangemeld door een groothandel in automaterialen
voor haar werklocatie te Gorinchem. Genoemde functie omvat de volgende
taken:
bezorgen, transporteren, sjouwen, inpakken, opslaan, uitgeven en laden
en
lossen van auto-onderdelen. Tevens wordt in de functieomschrijving vermeld
dat vrouwen nadrukkelijk gevraagd worden om te solliciteren.
De vacature is op 21 januari 1997 door het arbeidsbureau Gorinchem ingeboekt
en vervolgens conform de functie-omschrijving bekend gemaakt in de
vacatureruimte van het Informatiecentrum van dit arbeidsbureau.

Verzoeker heeft eind januari 1997 op de vacature gesolliciteerd bij een
consulent van de wederpartij. Hij is niet doorverwezen. Omdat de vacature
nog
in de vacatureruimte van het informatiecentrum hing, heeft verzoeker in
februari 1997 aan de balie van het arbeidsbureau nogmaals naar de functie
geïnformeerd. Van de balie-medewerkster kreeg verzoeker toen te horen dat
hij
een geschikte kandidaat zou zijn. Verzoeker heeft de vacaturemelding
meegekregen en heeft telefonisch contact opgenomen met de werkgever.

3.2. Het arbeidsvoorzieningsbeleid van de wederpartij met betrekking tot
vrouwen kan als volgt worden weergeven.
In het Landelijk Beleidskader 1997 van Arbeidsvoorziening, zoals door de
wederpartij aan de Commissie overgelegd, is aangegeven dat gestreefd wordt
naar evenredigheid in de deelname van vrouwen aan bemiddelingsplannen.
Op basis van de Anti-discriminatiecode, Besluit CBA 28 oktober 1993, nr.
1993/142, eveneens aan de Commissie overgelegd, wordt ten aanzien van vrouwen
(en etnische minderheden) een voorkeursbeleid gevoerd dat erop gericht
is hen
gelijke kansen te geven op de arbeidsmarkt.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoeker stelt het volgende.

Op het arbeidsbureau trof hij op 22 januari 1997 de vacature voor
chauffeur/bezorger aan.
Hij heeft herhaalde malen bij de wederpartij geïnformeerd naar deze vacature.
Hem werd echter meegedeeld, dat hij niet geschikt zou zijn voor de functie,
dat alleen vrouwen konden solliciteren of dat de functie al vergeven was.
De
vacature hing echter nog steeds in het informatiecentrum van de wederpartij.
De vijfde keer dat verzoeker informeerde naar de vacature heeft hij de
vacaturemelding mee gekregen. De zin waarin vrouwen nadrukkelijk worden
gevraagd te solliciteren, werd ter plekke doorgestreept. Vervolgens heeft
hij
gebeld met de werkgever. Deze vertelde verzoeker dat, indien hij een dag
eerder zou hebben gereageerd, verzoeker de baan had gekregen.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

Het is onjuist dat verzoeker niet is doorverwezen op grond van het feit
dat
de voorkeur uitging naar een vrouw.
De consulent van verzoeker was reeds enige jaren als bemiddelaar bekend
met
verzoeker. Verzoeker is door deze consulent niet doorverwezen vanwege
verzoekers arbeidsverleden en in zijn persoon gelegen omstandigheden waardoor
hij geen geschikte kandidaat werd bevonden. Daarover zijn diverse gesprekken
met verzoeker gevoerd. Verzoekers dossier bij de wederpartij begint in
1992.
Vele gesprekken hebben sindsdien plaatsgevonden. Korte perioden van werken,
al dan niet via uitzendbureaus, werden afgewisseld met perioden van
werkloosheid. Actieve dienstverlening van de wederpartij vindt vooralsnog
niet meer plaats. Verzoeker zal eerst aan zichzelf dienen te werken.

Dat verzoeker in februari 1997 aan de balie van het informatiecentrum te
horen kreeg dat hij wel een geschikte kandidaat zou zijn, kan voor een
deel
worden verklaard door het feit dat de medewerkers van het informatiecentrum
een meer globale taak hebben dan de eigen consulenten van werkzoekenden.
Bovendien was de medewerkster die verzoeker te woord stond, slechts één
week
in dienst. De wederpartij is niet op de hoogte van de doorhaling van de
zin
“vrouwen worden nadrukkelijk gevraagd te solliciteren”, die volgens verzoeker
aan de balie heeft plaats gevonden.

Hoewel de werkgever een duidelijke voorkeur had voor een vrouw, was het
slechts beperkt mogelijk om met deze voorkeur rekening te houden. In totaal
vijftien personen, waaronder verzoeker, zijn door de wederpartij uitgenodigd
voor een oriënterend gesprek. Veertien daarvan waren van het mannelijk
geslacht. Tien mannen en de enige vrouwelijke kandidaat zijn verwezen naar
de
werkgever. Het geslacht van verzoeker heeft dan ook geen rol gespeeld bij
het
besluit om hem niet te verwijzen naar de werkgever.

De betreffende vacature is door de werkgever ingetrokken. Het arbeidsbureau
heeft dan ook niet bemiddeld bij de uiteindelijke vervulling van de vacature.

Met de van de werkgever verkregen informatie is de vacature bekend gemaakt
in
de vacatureruimte van het Informatiecentrum van de wederpartij. Op verzoek
van de werkgever is in de advertentie voor de vacature de tekst opgenomen:
“vrouwen worden nadrukkelijk gevraagd om te solliciteren”. De werkgever
heeft
eveneens verzocht, gelet op de samenstelling van het team (zes mannen en
één
vrouw), een voorkeursbeleid voor vrouwen toe te passen.
De zinsnede “vrouwen worden nadrukkelijk gevraagd te solliciteren” duidt
naar
de mening van de wederpartij niet op een handelen in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. De wederpartij wijst in dat verband op artikel 2 derde
lid van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) en haar eigen
voorkeursbeleid voor vrouwen zoals neergelegd in de onder 3.2. aangeduide
Anti-discriminatie-code en het eveneens onder 3.2. aangeduide Landelijk
Beleidskader van Arbeidsvoorziening.
Het is een feit van algemene bekendheid dat in de branche van
garages/automaterialenhandel -de branche waarin de betreffende werkgever
opereert- sprake is van een laag aandeel van vrouwen, zowel in de bestaande
werknemerspopulatie als in het aanbod van werknemers. Dit geldt ook voor
de
specifieke functiesoort chauffeur/bezorger. Derhalve acht de wederpartij
een
voorkeursbeleid gerechtvaardigd.
Bedrijven in het midden- en kleinbedrijf kennen in het algemeen geen
uitgewerkt en gedetailleerd voorkeursbeleid. Ook de uitvoering in de praktijk
van het wervings- en selectiebeleid is niet zo fijnmazig als de criteria
die
door de Commissie gehanteerd worden bij de toetsing van voorkeursbeleid.
De
wederpartij heeft niet de mogelijkheid om de maatschappelijke werkelijkheid
volledig naar haar hand te zetten. Het is immers uiteindelijk de werkgever
die beslist welke kandidaat wordt aangenomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de bemiddeling voor de
vacature chauffeur/bezorger jegens verzoeker onderscheid naar geslacht
heeft
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 3, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB) bepaalt dat het niet is toegelaten om bij de behandeling van de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen
en vrouwen.

Op grond van het eerste lid van artikel 5 van de WGB mag worden afgeweken
van
het verbod van artikel 3 WGB indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen
in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijk ongelijkheden
op
te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding
staat tot het beoogde doel.

Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 3 WGB richt dit artikel
zich
zowel tot de werkgever als tot een derde die door deze werkgever wordt
betrokken bij de werving- en selectieprocedure (Tweede Kamer, vergaderjaar
1986-1987, 19908, nr. 3, blz. 18. Zie ook Commissie gelijke behandeling
van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991, oordelen 91-35 en 91-36.).
Zoals de Commissie reeds eerder heeft vastgesteld, is naast de werkgever
een
door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor de naleving
van
de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken is (Commissie
gelijke behandeling, 3 oktober 1995, oordeel 95-37; 27 november 1995, oordeel
95-53). Derhalve heeft de wederpartij een eigen verantwoordelijkheid en
is
zij gehouden de WGB na te leven.

De Commissie is tevens van oordeel dat ook indien geslacht niet de enige
of
doorslaggevende reden is geweest voor het niet doorverwijzen/ bemiddelen
van
verzoeker maar slechts één van de redenen, in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling is gehandeld (In dezelfde zin: Commissie gelijke behandeling,
23
mei 1995, oordeel 95-15; 13 november 1995, oordeel 95-47; 29 februari 1996,
oordeel 96-10.).

4.3. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie als
volgt.

Verzoekers stelling dat hem is meegedeeld, dat alleen vrouwen konden
solliciteren en derhalve zijn geslacht de reden was voor de wederpartij
om
hem niet door te verwijzen, wordt door de wederpartij betwist. De wederpartij
heeft aangegeven dat het niet doorverwijzen van verzoeker is gelegen in
het
niet voldoen aan het profiel van de functie gelet op de persoon van verzoeker
en zijn arbeidsverleden.
De wederpartij stelt tevens dat het geslacht van verzoeker geen reden kan
zijn geweest hem niet door te verwijzen. Immers, zij heeft voor de
onderhavige functie vijftien mensen op geroepen, onder wie één vrouw. Tevens
is meer dan de helft van de mannelijke kandidaten doorverwezen.

Verzoeker is niet ter zitting verschenen en heeft ook anderszins niet
gereageerd op het schriftelijk verweer van de wederpartij. Op grond van
het
voorgaande komt de Commissie tot de conclusie dat niet aannemelijk is
geworden dat het geslacht van verzoeker een rol speelde bij het handelen
van
de wederpartij.

Nu geen sprake is van onderscheid op grond van geslacht en de klacht van
verzoeker zich niet richt op het voorkeursbeleid van de werkgever als zodanig
noch op het voorkeursbeleid dat de wederpartij voert, laat de Commissie
de
vraag buiten beschouwing of dit voorkeursbeleid in overeenstemming is met
de
daaraan wettelijk gestelde eisen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Regionaal Bestuur voor
de
Arbeidsvoorziening Rijnmond te Rotterdam jegens de heer G.A.A. de P. te
Gorinchem geen onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in artikel
3, eerste lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lid Kamer),dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 september 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft gesolliciteerd naar de functie van woonconsulent. Hij is
niet
uitgenodigd en afgewezen. Verzoeker stelt dat de reden hiervoor was dat
hij
van Marokkaanse afkomst is. De Commissie stelt vast dat verzoeker is
afgewezen omdat hij niet voldeed aan de door de wederpartij gestelde
functie-eisen. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de wederpartij
in de selectieprocedure onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. In
de
advertentie stond de zin “Allochtonen die zich herkennen in dit profiel,
worden met nadruk verzocht te solliciteren”. De tekst was opgenomen omdat
de
instelling de dienstverlening aan allochtone cliënten wilde verzekeren.
De
instelling voert echter geen voorkeursbeleid. De advertentietekst is daarom
in strijd met de wet, aangezien er noch sprake is van voorkeursbeleid voor
etnische minderheden, noch van rasbepaaldheid van de functie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 december 1996 verzocht de heer M. O. te
’s Gravenhage (hierna: verzoeker), de Commissie gelijke behandeling haar
oordeel uit te spreken over de vraag of Woningbouwvereniging De Brittenbrug
te Katwijk (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid op grond van
ras
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van
woonconsulent. Hij is niet uitgenodigd voor een gesprek en is afgewezen.
Verzoeker stelt dat de reden hiervoor was dat hij van Marokkaanse afkomst
is.
Verzoeker is van mening dat de handelwijze van de wederpartij in strijd
is
met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 30 juni 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. M. O. (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. ing. L.W. Greven (directeur)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves – Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een woningbouwvereniging die circa 2.200
verhuureenheden exploiteert. Zij heeft begin november 1996 via een
advertentie geworven voor een woonconsulent(e).
De advertentie is in diverse dagbladen alsmede in de ‘Allochtonenkrant’
geplaatst.

3.2. De advertentie vermeldt de volgende functie-eisen:
– een afgeronde opleiding MBO-sociale dienstverlening;
– enkele jaren relevante werkervaring;
– flexibele en doelgerichte instelling gecombineerd met
communicatieve vaardigheden;
– ervaring met tekstverwerking;
– kennis van NCCW-software is een pre.
Onder genoemde functie-eisen is schuin gedrukt de volgende zin opgenomen:
“Allochtonen die zich herkennen in dit profiel, worden met nadruk
verzocht te solliciteren”
.

3.3. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst. Hij solliciteerde bij brief
van 10
november 1996 naar voornoemde functie.
Verzoeker volgt sinds 1996 de drie-jarige opleiding MBO-sociale
dienstverlening. Deze opleiding is door verzoeker nog niet afgerond.
Verzoeker heeft sinds 1991 via uitzendbureaus werkervaring opgedaan bij
verschillende werkgevers. Het betreft voornamelijk het werken met
automatiseringssystemen, archiefwerk en administratief werk.

3.4. Per brief, gedateerd 12 november 1996, werd de ontvangst van de
sollicitatie-brief van verzoeker door de wederpartij bevestigd. Hierin
is
onder meer aangegeven dat uit de binnengekomen brieven een eerste selectie
zal worden gemaakt van kandidaten “die volledig voldoen aan het gestelde
profiel”.
Bij brief van 26 november 1996 werd verzoeker voor onderhavige
functie afgewezen. Hierin werd gesteld dat andere kandidaten op grond van
aangegeven werkervaring en opleiding beter in het functieprofiel pasten.
Verzoeker heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met een medewerkster
van de wederpartij voor een nadere toelichting op zijn afwijzing.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.

Uit de advertentie had verzoeker de indruk gekregen dat allochtone kandidaten
voorrang hadden.

Hij begrijpt dat voldaan dient te worden aan de gestelde functie-eisen.
Hij
is echter van mening dat er bij sollicitaties altijd “iets wordt bedacht”
om
geen mensen van Marokkaanse of Turkse afkomst aan te nemen.

Tijdens het telefoongesprek dat verzoeker met de medewerkster van wederpartij
voerde heeft deze gezegd dat hij een goed CV en goede werkervaring had.
Zonder nadere toelichting heeft zij hem vervolgens meegedeeld dat een vrouw
was aangenomen. Hem is niet gezegd dat deze vrouw meer werkervaring had.
Aangezien hij geen nadere toelichting kreeg ontstond bij hem de indruk
dat
hij gediscrimineerd werd. Verzoeker beschouwt zijn afwijzing als een “vorm
van apartheid”.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.

Door het vertrek van de enige woonconsulente was ten behoeve van het team
bewonerszaken een ervaren kracht met relevante werkervaring nodig. Bij
de
werving is rekening gehouden met de samenstelling van het aanwezige
personeelsbestand. De huidige samenstelling komt qua verhouding
allochtoon/autochtoon niet geheel overeen met de samenstelling van de
huurders waaronder veel van Turkse en Marokkaanse afkomst. De wederpartij
geeft aan dat hij wel werknemers van Surinaamse en Antilliaanse afkomst
in
dienst heeft, maar geen werknemers van Turkse of Marokkaanse afkomst. Dat
is
de reden om in advertenties met nadruk allochtonen op te roepen om te
reageren. Daarom wordt ook, naast algemene kranten, in de landelijke
‘Allochtonenkrant’ geadverteerd.
De wederpartij voert geen voorkeursbeleid voor allochtonen. Voorkeursbeleid
ligt in de gemeente waarin de wederpartij werkt moeilijk. Daarom is voor
genoemde aanpak gekozen.

De wederpartij hanteert de volgende sollicitatie-procedure.
Na het sluiten van de sollicitatietermijn wordt aan de hand van de
sollicitatiebrieven en CV’s bekeken in hoeverre de kandidaten aan het
geschetste profiel voldoen. De eerste selectie wordt gemaakt aan de hand
van
opleidingsvereisten, verlangde vaardigheden en juiste werkervaringsvereisten.
Hierbinnen wordt, indien de hoeveelheid dat noodzakelijk maakt, geselecteerd
op additionele vaardigheden.
Uit de sollicitatiebrief van verzoeker blijkt dat hij niet beschikt over
een
afgeronde opleiding MBO-SD en niet beschikt over enkele jaren relevante
werkervaring. Uiteindelijk bleken
24 kandidaten wel aan deze twee criteria te voldoen, waarvan er na een
nadere
selectie op basis van additionele ervaring en vaardigheden uiteindelijk
acht
kandidaten overbleven. Van deze kandidaten zijn vervolgens de meest geschikt
geachte kandidaten uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek.

Al deze kandidaten beschikten over een opleiding MBO-SD of HBO-SD, met
drie
tot acht jaar relevante werkervaring. Ook waren zij allen bekend met de
in de
advertentie genoemde software en met het terrein volkshuisvesting. Verzoeker
kwam niet voor een dergelijk gesprek in aanmerking omdat hij niet over
voornoemde kwalificaties beschikte. Na de eerste gesprekken met de kandidaten
en de verwachting dat zich daarbinnen een geschikte kandidaat zou bevinden,
zijn de overige kandidaten -waaronder verzoeker- met een standaardbrief
afgewezen. De vacature is vervuld door een herintredende vrouw. Zij beschikt
over een afgeronde HBO-SD-opleiding en veel werkervaring.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van een
betrekking en/of bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking jegens verzoeker onderscheid op grond van ras heeft gemaakt
zoals
bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
onderscheid op grond van ras bij de aanbieding van een betrekking en bij
de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras dient in de AWGB overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 13.).

4.3. Van het verbod op onderscheid naar ras mag slechts worden afgeweken
als
er sprake is van één van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in
artikel 2 lid 3 en lid 4 AWGB, namelijk in geval van voorkeursbeleid ten
behoeve van etnische minderheden of in geval van rasbepaaldheid van de
functie.

4.4. De vraag die voorligt is of de etnische afkomst van verzoeker (mede)
een
rol heeft gespeeld bij de afwijzing voor de functie van woonconsulent door
de
wederpartij.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt

Met betrekking tot de selectie

4.5. Het is vaste rechtspraak van de Commissie dat zij het niet tot haar
taak
rekent om te beoordelen of iemand geschikt is voor een functie (Zie onder
meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij: 2 september
1992 oordeel 420-92-50 en 15 september 1992 oordeel 414-92-53 en Commissie
gelijke behandeling: 30 september 1996 oordeel 96-78.). De taak van de
Commissie is om na te gaan of bij de beoordeling van de (mate van)
geschiktheid onderscheid gemaakt is in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

4.6. De Commissie stelt vast dat verzoeker is afgewezen omdat hij niet
voldeed aan de door de wederpartij gestelde functie-eisen. Immers, verzoeker
voldoet niet aan de eis van een afgeronde opleiding MBO-Sociale
Dienstverlening en heeft niet de beschikking over enkele jaren relevante
werkervaring.
Op grond van de specifieke verklaringen van de wederpartij acht de Commissie
het aannemelijk dat de kandidaten die wel zijn uitgenodigd voor de selectie,
alsmede de kandidate die vervolgens is aangesteld, wel aan de functie-eisen
voldoen. De Commissie heeft derhalve geen aanwijzing dat de wederpartij
daarbij onderscheid naar ras zou hebben gemaakt. Verzoeker heeft geen
concrete aanwijzingen gegeven die erop zouden kunnen duiden dat zijn afkomst
in de sollicitatieprocedure een rol heeft gespeeld.
De Commissie is dan ook van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat
de
wederpartij in de selectieprocedure onderscheid op grond van ras heeft
gemaakt.

Met betrekking tot de werving

4.7. De wederpartij heeft in de advertentie de zin
“Allochtonen die zich herkennen in dit profiel, worden met nadruk
verzocht te solliciteren”
opgenomen.

De Commissie is van oordeel dat door een dergelijke oproep autochtone
kandidaten minder snel zullen solliciteren, terwijl allochtone kandidaten
juist eerder zullen reflecteren.
Een aanbieding van een betrekking die zich specifiek richt tot personen
van
een bepaalde etnische afkomst, is slechts geoorloofd in geval van een
voorkeursbeleid voor etnische minderheden of wanneer er sprake is van
rasbepaaldheid van de functie (zie paragraaf 4.3.).

De Commissie constateert op grond van de verklaring van de wederpartij
ter
zitting dat de wederpartij geen voorkeursbeleid voor etnische minderheden
voert.

De wederpartij heeft verklaard dat opname van genoemde zin in de advertentie
en plaatsing van de advertentie in de allochtonenkrant ten doel hebben
de
kwaliteit van de dienstverlening aan haar allochtone cliënten te verbeteren.
Verwezenlijking van een dergelijk beleidsdoel valt niet onder het bereik
van
het in de wet neergelegde voorkeursbeleid. Dat moet een ander doel dienen,
namelijk het opheffen of verminderen van feitelijke ongelijkheden voor
onder
meer etnische minderheden.
Het vermelden van de gewraakte zinsnede in de advertentie waarin onderscheid
op grond van ras wordt gemaakt kan dan ook niet gerechtvaardigd worden
met
een beroep op artikel 2 lid 3 AWGB.

4.8. Vervolgens dient bezien te worden of het verweer van de wederpartij
dat
zij de allochtone cliënten op adequate wijze wil bereiken, beschouwd kan
worden als een beroep op rasbepaaldheid van de functie in de zin van artikel
2 lid 4 AWGB.

De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Ter uitwerking van artikel 2 lid 4 AWGB worden in het Besluit gelijke
behandeling de gevallen waarin ras bepalend is, limitatief opgesomd
(Koninklijk Besluit van 18 augustus 1994, Stb. 657.). De Commissie
constateert dat in deze opsomming van beroepsactiviteiten geen uitzondering
is opgenomen, waarbij het een woningbouwvereniging is toegestaan om met
het
oog op de dienstverlening aan cliënten met een bepaalde etnische afkomst,
personen te werven die afkomstig zijn uit deze doelgroep.
Nu de wetgever daarin niet heeft voorzien kan de Commissie gezien de beperkte
strekking van de wettelijke uitzonderingen, niet anders concluderen dan
dat
de wederpartij niet met succes een beroep kan doen op de rasbepaaldheid
van
de functie in kwestie. Dit brengt mee dat voorzover in de advertentie
personen van allochtone afkomst met nadruk worden uitgenodigd te
solliciteren, zulks in strijd is met de AWGB (Zie Commissie gelijke
behandeling: 25 april 1997 oordeel 97-52.).

Aangezien er noch sprake is van een voorkeursbeleid voor etnische
minderheden, noch van rasbepaaldheid van de functie, concludeert de Commissie
dat de wederpartij bij de aanbieding van de betrekking onderscheid naar
ras
heeft gemaakt zoals verboden in artikel 5 lid 1 sub a van de AWGB.

4.9. Aanbeveling van de Commissie

Ten overvloede merkt de Commissie het volgende op en doet de volgende
aanbeveling.

Het is begrijpelijk dat verzoeker teleurgesteld is dat hij afgewezen werd
voor de functie. Immers door de wederpartij is ten onrechte de indruk gewekt
dat sprake is van een voorkeursbeleid, waardoor bij allochtone sollicitanten
verkeerde verwachtingen kunnen worden gewekt.

De Commissie heeft er begrip voor dat de wederpartij een goede
dienstverlening aan haar cliënten wil verzekeren en dat het daarbij soms
noodzakelijk kan zijn om medewerkers aan te stellen die goed op de hoogte
zijn van achtergrond en cultuur van de cliënten. In zo’n geval kan overwogen
worden de aanwezigheid van die kennis als functie-eis of als aanbevolen
aspect in de advertentie op te nemen. Zo zou een tekst opgenomen kunnen
worden waarin staat dat affiniteit met de betreffende doelgroep of bekendheid
met de betreffende allochtone cultuur tot aanbeveling strekt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat
Woningbouwvereniging De Brittenburg te Katwijk jegens de heer
M. O. te s’ Gravenhage:

ten aanzien van de werving
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke
behandeling door in de advertentie te vermelden dat allochtonen die zich
herkennen in het gevraagde profiel met nadruk worden verzocht te
solliciteren;

ten aanzien van de selectie
geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij de vervulling van een
openstaande betrekking zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene
wet gelijke behandeling en derhalve niet in strijd met deze wet heeft
gehandeld door verzoeker af te wijzen in de sollicitatieprocedure.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves – Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr.A.W.Heringa (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 september 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft gesolliciteerd naar de functie van algemeen medewerker
unitadministratie. Hij is niet uitgenodigd en afgewezen. Verzoeker stelt
dat
de reden hiervoor was dat hij van Marokkaanse afkomst is. De Commissie
stelt
vast dat de wederpartij allochtonen, overigens alleen vrouwen, heeft
opgeroepen voor een sollicitatiegesprek. Nu allochtone vrouwen zijn
opgeroepen en een allochtone vrouw is aangesteld door de wederpartij,
concludeert de Commissie dat geen onderscheid op grond van ras is gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 december 1996 verzocht de heer M. O. te ’s Gravenhage (hierna:
verzoeker), de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over
de vraag of de Raad voor de Kinderbescherming, Directie Zuid-West, te
Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid op grond van
ras
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van
algemeen medewerker unitadministratie. Hij is niet uitgenodigd voor een
gesprek en is afgewezen. Verzoeker stelt dat de reden hiervoor was dat
hij
van Marokkaanse afkomst is. Verzoeker is van mening dat de handelwijze
van de
wederpartij in strijd is met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op 30 juni 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. M. O. (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. C.A. Barlemento (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves – Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3 DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is één van de Raden voor de Kinderbescherming
ressorterend onder het Ministerie van Justitie, in onderhavig geval de
Raad
voor de Kinderbescherming Directie Zuid-West.
De klacht betreft de vestiging van de wederpartij te Den Haag.

3.2. Verzoeker heeft naar aanleiding van een wervingsadvertentie van de
wederpartij in De Volkskrant van 26 oktober 1996 in november 1996
gesolliciteerd naar de functie van algemeen medewerker unitadministratie
bij
de Haagse vestiging van de wederpartij.

3.3. Blijkens de advertentie bestaat de functie uit de volgende taken:
– het verrichten van telefoon- en receptiewerkzaamheden;
– het beantwoorden van vragen van algemene aard en zorg voor overdracht
van inhoudelijke vragen;
– post- en archiefwerkzaamheden;
– type- en kopieerwerkzaamheden;
– deelname aan en verslaglegging van unitvergaderingen.

3.4. In de advertentie zijn de volgende functie-eisen vermeld:
– minimaal MAVO werk- en denkniveau;
– uitstekende sociale vaardigheden;
– dienstverlenende en cliëntgerichte instelling;
– hulpvaardige en assertieve instelling;
– bewust zijn van het representatieve karakter van de functie;
– in staat zijn adequaat op te treden in uiteenlopende
onverwachte situaties;
– bij voorkeur ervaring met geautomatiseerde gegevensverwerking en
tekstverwerking.

3.5. De advertentie bevat de volgende passage:
“Justitie draagt bij aan het vergroten van de werkgelegenheid voor vrouwen,
gehandicapten en leden van etnische minderheden. Indien u tot één van deze
groepen behoort wordt u uitdrukkelijk uitgenodigd te solliciteren.”

3.6. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst.
Hij heeft in Marokko een opleiding aan het Lyceum gevolgd.
In Nederland nam hij deel aan diverse cursussen Nederlandse taal, volgde
de
MEAO-opleiding en sinds 1996 volgt hij de drie-jarige opleiding MBO-sociale
dienstverlening.
Verzoeker heeft sinds 1991 via uitzendbureaus werkervaring opgedaan bij
verschillende werkgevers. Het betreft voornamelijk het werken met
automatiseringssystemen, archiefwerk en administratief werk.

3.7. De wederpartij heeft de ontvangst van de sollicitatiebrief van verzoeker
op 11 november 1996 schriftelijke bevestigd. In deze brief heeft de
wederpartij verzoeker gewezen op de prioriteitsvolgorde die het Ministerie
van Justitie bij vacaturevervulling volgt: “herplaatsingskandidaten, interne
kandidaten Justitie, Jeugdbescherming en Reclassering en externe kandidaten
waarvan allochtone kandidaten de voorkeur genieten”. Tevens werd verzoeker
meegedeeld dat hij beschouwd werd als externe kandidaat.

3.8. De wederpartij baseert zich bij haar personeelsbeleid onder meer op
beleid zoals vastgelegd in een aan de Commissie overgelegde notitie
“Instrumenten en activiteiten allochtonenpersoneels-beleid”, gedateerd
6
september 1996. Hierin is onder de paragraaf ‘Werving en Selectie’ ten
aanzien van selectie van kandidaten onder meer het volgende opgenomen:
“Eerst
worden de potentieel geschikte allochtone kandidaten in de procedure
betrokken, daarna de potentieel geschikte autochtone kandidaten” en “Bij
voorkeur worden nieuwe allochtone medewerkers aangesteld op reguliere
functies.”

3.9. Verzoeker is bij brief van 4 december 1996 voor de betreffende functie
afgewezen waarbij als reden voor de afwijzing is vermeld: “gezien de
samenstelling van het team is besloten een andere kandidaat voor de functie
voor te dragen”. De wederpartij heeft uiteindelijk een allochtone vrouw
in de
onderhavige functie aangesteld.

De standpunten van partijen

3.10. Verzoeker stelt het volgende.
Verzoeker heeft naar aanleiding van de advertentie telefonisch bij de
wederpartij geïnformeerd of het zinvol was te solliciteren. Nadat hij zijn
opleidingen en ervaring had meegedeeld is hem gezegd: “ja, schrijf maar
een
brief.”

Personen van Marokkaanse afkomst worden door de wederpartij achtergesteld.
Zij zijn immers niet in het team van de wederpartij vertegenwoordigd. Daarom
zouden zij bij voorkeur door de wederpartij aangenomen dienen te worden.

Ter zitting bevestigt verzoeker dat zijn klacht geen betrekking heeft op
mogelijk onderscheid op grond van geslacht. Zijn verzoek aan de Commissie
heeft betrekking op mogelijke uitsluiting van personen van Marokkaanse
afkomst door de wederpartij.

3.11. De wederpartij stelt het volgende.

Er waren tussen de 80 en 90 sollicitanten. Niet kan worden aangegeven hoeveel
sollicitanten uit de voorkeursgroepen hebben gesolliciteerd. De gegevens
van
sollicitanten worden namelijk na afloop van de procedure door de wederpartij
vernietigd.

De wederpartij hanteert een voorkeursbeleid ten aanzien van vrouwen, leden
van etnische minderheden en mensen met een handicap. Zij streeft daarnaast
naar diversiteit in haar team wat betreft allochtonen en autochtonen alsmede
mannen en vrouwen.
Wat allochtonen betreft is dit streven mede gebaseerd op de samenstelling
van
het cliëntenbestand, waaronder zich personen van Turkse en Marokkaanse
afkomst bevinden.

Meerdere kandidaten voldeden aan de selectie-criteria.
Ook verzoeker voldeed aan de opleidingseisen. Dat was ook niet de reden
voor
afwijzing. In eerste instantie zijn echter alleen zes allochtone vrouwen,
voor een gesprek uitgenodigd. Vijf daarvan werden geschikt bevonden.
Dat interne sollicitanten voorgaan en dat in dit geval alleen vrouwen voor
een gesprek uitgenodigd werden is weliswaar niet in de advertentie vermeld,
maar stond wel in de afwijzingsbrief aan de sollicitanten. Gezien de
samenstelling van het team is een allochtone vrouw aangesteld.

De wederpartij is van mening dat bij de werving en selectie voor de
onderhavige vacature geen sprake is geweest van discriminatie. Zij stelt
dat
zij met inachtneming van de prioriteitsvolgorde en het te voeren
voorkeursbeleid op zorgvuldige wijze heeft gehandeld. Het feit dat een
allochtone vrouw is aangesteld berust op de combinatie van voorkeursbeleid
en
het streven naar diversiteit in het team.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking jegens verzoeker onderscheid
heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. De wederpartij heeft in de selectieprocedure de voorkeur gegeven aan
een
allochtone vrouw. De klacht van verzoeker heeft betrekking op onderscheid
op
grond van ras.
Nu verzoeker ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat zijn klacht
geen
betrekking heeft op een mogelijk onderscheid op grond van geslacht, heeft
het
onderzoek van de Commissie daarop geen betrekking gehad. De Commissie
onderzoekt dan ook niet nader of de wederpartij in dit geval een
voorkeursbeleid voor vrouwen had mogen toepassen en of dit voorkeursbeleid
juist is toegepast.

4.3. Inzake de AWGB zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
onderscheid op grond van ras bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 13.).

Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Direct onderscheid is onderscheid op grond van één
van
de verboden gronden, in dit geval ras. Indirect onderscheid is onderscheid
op
grond van een ander criterium dan ras, dat direct onderscheid naar ras
tot
gevolg heeft.

4.4. Van het verbod op onderscheid naar ras mag slechts worden afgeweken
als
er sprake is van één van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in
artikel 2 lid 3 en lid 4 AWGB, namelijk in geval van voorkeursbeleid ten
behoeve van etnische minderheden of in geval van rasbepaaldheid van de
functie.

4.5. De vraag die voorligt is of de etnische afkomst van verzoeker (mede)
een
rol heeft gespeeld bij de afwijzing van verzoeker door de wederpartij voor
de
functie van algemeen medewerker unitadministratie.

Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt.

4.6. Het is vaste rechtspraak van de Commissie dat zij het niet tot haar
taak
rekent om te beoordelen of iemand geschikt is voor een functie (Zie Commissie
gelijke behandeling: 30 september 1996 oordeel). De taak van de Commissie
is
om na te gaan of bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid
onderscheid gemaakt is in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

4.7. Verzoeker meent dat hij afgewezen is vanwege zijn Marokkaanse afkomst.
Hij is nadrukkelijk van mening dat de specifieke Marokkaanse afkomst van
sollicitanten een rol bij afwijzing van sollicitanten door de wederpartij
speelt. Door de wederpartij is dit bestreden.

De Commissie stelt allereerst vast dat niet betwist is dat verzoeker voldeed
aan de door de wederpartij in de advertentie gestelde functie-eisen en
dat
dit niet de reden was waarom hij voor onderhavige functie is afgewezen.
Aangezien de gegevens van sollicitanten door de wederpartij vernietigd
zijn
kan de Commissie niet vaststellen hoeveel personen van specifiek Marokkaanse
afkomst gesolliciteerd hebben, in hoeverre zij aan de functie-eisen voldeden
en hoeveel van hen door de wederpartij zijn afgewezen. Derhalve kan zij
de
vraag niet beantwoorden of de specifiek Marokkaanse afkomst van sollicitanten
een rol heeft gespeeld bij de afwijzing door de wederpartij van
sollicitanten.

4.8. Vervolgens gaat de Commissie na of de allochtone -niet specifiek
Marokkaanse- afkomst van verzoeker een rol heeft gespeeld bij zijn afwijzing.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij allochtonen, overigens alleen
vrouwen, heeft opgeroepen voor een sollicitatiegesprek.
Nu allochtone vrouwen zijn opgeroepen en een allochtone vrouw is aangesteld
door de wederpartij concludeert de Commissie dat niet alleen allochtone
mannen maar ook autochtone mannen door de wederpartij zijn afgewezen voor
de
functie. Bij deze selectie is dus geen onderscheid naar etnische (allochtone)
afkomst gemaakt. Derhalve is niet aannemelijk dat verzoeker afgewezen is
vanwege zijn allochtone afkomst.

Op grond van het voorgaande oordeelt de Commissie dat de wederpartij jegens
verzoeker geen onderscheid heeft gemaakt op grond van ras. Aangezien geen
onderscheid is gemaakt op grond van ras, onderzoekt de Commissie niet of
de
wettelijke uitzonderingen van toepassing zijn.

4.9. Wat betreft de zorgvuldigheid in de sollicitatie-procedure merkt de
Commissie het volgende op.

De Commissie constateert dat in onderhavige advertentie niet was aangegeven
dat herplaatsingskandidaten en interne kandidaten voorrang hebben ten
opzichte van externe kandidaten. Hoewel de wederpartij deze informatie
wel in
de ontvangstbevestiging aan de sollicitanten meedeelt, wijst de Commissie
erop dat het zorgvuldiger was geweest als deze procedure reeds in de
advertentietekst zou zijn vermeld. Nu dit echter geen gevolgen heeft die
op
onderscheid naar ras zijn terug te voeren, verbindt de Commissie hieraan
geen
conclusies.

4.10 Aanbeveling van de Commissie

Ten overvloede merkt de Commissie ten aanzien van de selectieprocedure
het
volgende op en doet de volgende aanbeveling.

De wederpartij heeft na afsluiting van de sollicitatieprocedure de gegevens
van sollicitanten vernietigd. Op zichzelf is het juist dat ter bescherming
van het recht op privacy van de sollicitanten de gegevens van sollicitanten
niet worden bewaard. Een dergelijke snelle vernietiging belemmert echter
onderzoeken als die van de Commissie in geval personen klachten hebben
over
een sollicitatieprocedure.
De Commissie beveelt de wederpartij dan ook aan dergelijke gegevens enige
tijd te bewaren, totdat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat terzake
van
een sollicitatieprocedure geen nadere procedure wordt aangespannen.

5 HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de Raad
voor de Kinderbescherming Directie Zuid-West te Rotterdam jegens de heer
M.
O. te Katwijk geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld
in artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve
niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves – Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr.A.W.Heringa (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)