Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 26 augustus 1997

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Op grond van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel is aanvraagster veel
lager ingeschaald dan een mannelijke collega, die tegelijkertijd met haar in
dienst trad en hetzelfde werk doet. Bij de inschaling is onvoldoende rekening
gehouden met de relevante werkervaring van de vrouw en is door het criterium
‘laatstgenoten salaris’ indirect onderscheid naar geslacht is gemaakt.
De kantonrechter oordeelt dat het niet laten meetellen van de relevante
onbetaalde arbeid indirect discriminerend is voor vrouwen. Het bewijsrisico
rust bij degene die zich op deze indirecte discriminatie beroept. De vrouw
zal moeten bewijzen wat de hoogte van haar laatstgenoten salaris was. De
relevante werkervaring kan niet volledig worden gelijkgesteld met de
werkervaring van personen die volledig aan het arbeidsproces deelnemen. De
kantonrechter acht het redelijk indien eiseres twee periodieken hoger wordt
ingeschaald. Door de vrouw is hoger beroep aangetekend.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Bij conclusie van eis heeft eiseres gesteld en gevorderd overeenkomstig de
dagvaarding.

Bij conclusie van antwoord met producties heeft gedaagde daartegen verweer
gevoerd en tot afwijzing geconcludeerd.

Bij re- en dupliek, de eerste met producties, hebben partijen hun standpunten
nader toegelicht en gehandhaafd.

Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

Gronden van beslissing

1. Als enerzijds en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken,
alsmede op grond van de overgelegde bescheiden staat in dit geding in elk
geval het volgende vast:

a. Eiseres is sedert 20 augustus 1990 in dienst als docente edelsmeden bij de
Vereniging voor Beroepsonderwijs Amsterdam waarvan gedaagde de rechtsopvolger
is. Eiseres verricht haar werkzaamheden in de vestiging vakschool voor
edelsmeden en fijne techniek van het Zadkine College te Amsterdam.

b. Bij indiensttreding is eiseres ingeschaald in schaal 7, regelnummer 1 van
het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. Het aanvangssalaris
bedroeg ƒ 2.436,21 bruto per maand bij de door eiseres gemaakte arbeidsuren.

c. Tegelijk met eiseres is een mannelijke docent edelsmeden aangenomen die
werd ingeschaald in schaal 8, regelnummer 7. Zijn aanvangssalaris bedroeg ƒ
3.448,28 bij hetzelfde aantal arbeidsuren.

d. De inschaling van eiseres en de bedoelde mannelijke collega is geschied
volgens de regels van het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RPBO), een
algemene maatregel van bestuur waarin de salarissen van onderwijzend
personeel wordt vastgesteld ingevolge artikel 38 van de Wet op het Voortgezet
Onderwijs.

e. Inschaling vindt plaats niet naar de bevoegdheid en de leeftijd van de
werknemer, maar naar de functie die deze gaat vervullen. Het salaris van een
nieuwe medewerker wordt in beginsel vastgesteld op het laagste bedrag in de
laagste schaal behorend bij de desbetreffende functie (I-P6).

f. Een hogere inschaling kan worden bereikt doordat met voorheen verworven
relevante ervaring rekening wordt gehouden door aan te sluiten bij het
laatstgenoten salaris.
Personen die voorheen reeds in het reguliere onderwijs werkzaam zijn geweest
(I-P7) of die een onderwijsfunctie aanhouden (I-P8) worden automatisch
aangesloten bij het laatstgenoten salaris.
Personen die voorheen buiten het onderwijs werkzaamheden hebben verricht
waarin relevante ervaring is opgedaan (I-P9) kunnen ook via het laatstgenoten
salaris hoger worden ingeschaald.
Voor personen met een onderbroken loopbaan in het onderwijs kan een extra
periodiek voor elke vier jaar van de loopbaanonderbreking worden toegekend
(I-P10).
Artikel I-P10 kan echter niet worden toegepast naast I-P9.

g. Het laatstgenoten salaris wordt zonodig omgerekend van een deeltijdfunctie
naar een voltijdfunctie. Ook wordt het omgerekend naar het loonpeil van het
moment van indiensttreding.

h. Eiseres heeft zich op 27 september 1990 gewend tot de Commissie gelijke
behandeling (CGB) met de vraag of de Vereniging voor Beroepsonderwijs
Amsterdam te Amsterdam jegens haar onderscheid heeft gemaakt/maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

i. De CGB heeft bij haar uitspraak van 2 december 1992 als haar oordeel
uitgesproken dat de Vereniging voor Beroepsonderwijs Amsterdam indirect
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt/maakt jegens mevrouw B te Oude
Niedorp, en daarmee heeft gehandeld/handelt in strijd met artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek.

j. De commissie heeft daartoe overwogen:
4.6. Toegespitst op de onderhavige zaak, betekent dit naar het oordeel van
het oordeel van de commissie het volgende.
Verzoekster is herintreedster. Haar aanvangssalaris is vastgesteld één
periodiek boven het minimumsalaris dat gold voor haar functie en weerspiegelt
niet de door haar opgedane relevante ervaring. Weliswaar overweegt de door
haar Minister in deze situatie een beroep op de hardheidsclausule toe te
staan en artikel I-P10 analoog toe te passen, (…), maar -zoals gezegd- dit
artikel biedt geen compensatie voor de ervaring die eertijds is opgedaan. Met
name verzoeksters ervaring als zelfstandige wordt hiermee niet gewaardeerd,
nu artikel I-P10 slechts compensatie biedt voor de periode van de
loopbaanonderbreking.

Voor het aldus gemaakte onderscheid heeft de Minister behalve de
bovengenoemde algemene rechtvaardiging geen objectieve rechtvaardiging
aangevoerd. De wederpartij had zich bij deze objectieve rechtvaardigingen
aangesloten. Voorts heeft de wederpartij zich voor het gemaakt onderscheid
beroepen op haar verplichting de inschalingsregeling, en dus het criterium
laatstgenoten salaris, toe te passen. Ook dit beroep faalt. Zoals de
Commissie reeds eerder heeft uitgesproken heeft de werkgever immers, los van
de vraag of -een element uit- de inschalingsregeling in strijd komt met de
wetgeving gelijke behandeling, een eigen verantwoordelijkheid voor naleving
van de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie concludeert dan ook dat ook aan werkgeverszijde van het bestaan
van een objectieve rechtvaardiging voor het niet mee laten wegen van
verzoekster relevante ervaring, en derhalve voor haar relatief lage beloning,
niet is gebleken.

Voor wat betreft de vergelijking tussen verzoekster en haar mannelijke
collega merkt de Commissie nog op dat nu zij (ongeveer) gelijkwaardige arbeid
verrichten, verzoekster in beginsel recht heeft op een gelijk beloning. Het
feit dat beiden een verschillend arbeidsverleden hebben doet hier in beginsel
niet aan af. De Commissie overweegt hierover dat zo een zeker
beloningsverschil in de beginfase al verklaard zou kunnen worden uit een
surplus aan ervaring bij deze collega, de wederpartij toch na verloop van
tijd verzoeksters salaris dient te heroverwegen. Van een (voornemen tot)
onderzoek naar de gerechtvaardigheid van een beloningsverschil gebaseerd op
een verschil in ervaring bij indiensttreding, is de Commissie echter niets
gebleken.”

k. De Minister van Onderwijs en Wetenschappen heeft bij brief van 16 april
1993 aan de CGB bericht dat gelet op de inhoud van de overwegingen bij de
oordelen van de commissie inzake de inschalingszaken deze oordelen geen
aanleiding geven tot het nemen van nadere maatregelen c.q. beslissingen.
Bij de beoordeling van de vraag of het criterium laatstgenoten salaris in
overwegende mate nadelig uitwerkt voor vrouwen moet worden uitgegaan van een
vergelijking tussen alle groepen mannen en vrouwen waarvoor dit criterium
wordt gehanteerd. De Minister meent dat op basis van dit uitgangspunt moet
worden geconcludeerd dat het criterium opgedane werkervaring zoal dat tot
uitdrukking komt in het laatstgenoten salaris, gelijkelijk uitwerkt voor het
gehele personeel.

1. Eiseres heeft bij brief van 26 januari 1993 aan de Vereniging voor
Beroepsonderwijs bericht dat deze bij de inschaling van eiseres indirect
onderscheid naar geslacht maakt en dat dit onderscheid moet worden
weggenomen.
Op 30 december 1993 heeft eiseres de rechtsopvolger van genoemde vereniging,
de Stichting voor Edelsmeden en Fijne Techniek, aansprakelijk gesteld voor
het achterstallig loon en vakantiegeld.
Op 8 augustus 1995 heeft eiseres schriftelijk aan de volgende rechtsopvolger,
de Stichting Open Beroepsonderwijs Rotterdam en regio, van de vordering op de
hoogte gesteld.
Noch de rechtsvoorgangers van gedaagde noch gedaagde zelf hebben gevolg
gegeven aan de uitspraak van de CGB.

2. Eiseres vordert
I. te verklaren voor recht dat gedaagde jegens haar onrechtmatig heeft
gehandeld door haar vanaf 20 augustus 1990 verkeerd in te schalen;
II. te verklaren voor recht dat gedaagde eiseres vanaf 1 augustus 1990,
subsidiair vanaf 26 januari 1991 dient in te schalen in schaal 8 regelnummer
7, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984;
III. met veroordeling van gedaagde tot inschaling van eiseres in schaal 8
regelnummer 7 vanaf 26 januari 1991 en, ingevolge de regeling conform de
BBRA, respectievelijk de daarop volgende schalen tot en met heden, en tot
betaling aan eiseres van het verschil tussen het aan haar betaalde salaris,
vakantietoeslag en overige emolumenten conform schaal 7 regelnummer 2 vanaf
26 januari 1991 en het salaris c.a. waarop zij vanaf 26 januari 1991 recht
meent te hebben volgens schaal 8 regelnummer 7 en de daarop volgende schalen
conform de BBRA tot en met heden, welke bedragen verhoogd dienen te worden
met de wettelijke rente en met de wettelijke verhoging vanaf de dag der
sommatie van 30 december 1993 tot de voldoening;
IV. met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3. Eiseres stelt daartoe dat aan haar bij de inschaling wel een periodiek
extra is toegekend in verband met de relevante ervaring, die zij voor de
functie van docente edelsmeden had genoten, maar dat daaraan voorafgaand niet
is beoordeeld in welke mate zij relevante ervaring bezat. Zo is er geen
rekening mee gehouden dat eiseres vanaf 1969 werkzaam is geweest in een
groepsatelier, dat zij sinds 7 november 1969 als zelfstandige staat
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en daarna van 1970 tot de geboorte
van haar zoon in 1979 als zelfstandige werkte in haar eigen winkel/werkplaats
en lessen edelsmeden en emailleren heeft gegeven aan de Volksuniversiteit.
Voorts is niet meegeteld dat zij na haar verhuizing uit Amsterdam
vrijwilligerswerk heeft gedaan, cursussen emailleren gaf en voor juweliers in
de regio heeft gewerkt. Tenslotte is geen rekening gehouden met haar
(levens)ervaring als opvoedster en verzorgster van haar kind.
Omdat gedaagde geen gevolg heeft willen geven aan punt 4 van de uitspraak van
de CGB handelt gedaagde jegens eiseres in strijd met de wet. Eiseres meent
recht te hebben op inschaling in schaal 8 regelnummer 7.

4. Gedaagde voert allereerst aan dat, hoewel er sprake is van een
dienstverband met gedaagde, zij geen vrijheid heeft in de vaststelling van
het salaris van haar medewerkers. Gedaagde is als werkgever verplicht de
regels ingevolge het RPBO toe te passen en kan geen directe invloed
uitoefenen op de inschalingsregeling.

5. Dit verweer moet aanstonds worden verworpen: gedaagde is als werkgever
gehouden bij de inschaling van haar werknemers de toepasselijke wettelijke
regels toe te passen. Deze gaan vóór de regels uit hoofde van een algemene
maatregel van bestuur zoals het RPBO is. In casu wordt gedaagde handelen in
strijd met (thans) artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek verweten. Derhalve zal
inhoudelijk moeten worden onderzocht of dat verwijt terecht is gemaakt.

6. Gedaagde handhaaft voorts het door haar in de procedure voor de CGB
ingenomen standpunt. Bij de inschaling van eiseres is wel degelijk rekening
gehouden met haar werk- en levenservaring. Daarvoor is haar een extra
periodiek toegekend. De Minister (van Onderwijs) onderschrijft niet het
oordeel van de CGB dat bij toepassing van de regels ingevolge het RPBO sprake
is van een indirect onderscheid zonder voldoende objectieve
rechtvaardigingsgronden.

7. Het punt dat partijen verdeeld houdt is de vraag of de rechtsvoorgangers
van gedaagde bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst met eiseres indirect
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door eiseres voor de eerder door haar
concreet opgedane relevante levens- en werkervaring (slechts) één extra
periodiek toe te kennen op het minimale salaris voor de functie waarin zij
werd aangenomen, in vergelijking met de relevante ervaringen van de
mannelijke collega die tegelijk met eiseres in dienst kwam en die aanzienlijk
hoger werd ingeschaald.

8. Het CGB-oordeel dat met toepassing van de regelgeving ingevolge het RPBO
door gedaagde jegens eiseres wel indirect onderscheid naar geslacht is
gemaakt, is gebaseerd op het algemeen bekende feit dat het veelal vrouwen
zijn die hun loopbaan onderbreken voor het verrichten van zorgtaken (en ander
onbetaald werk) en het daarna moeilijker voor hen is om bij herintreding in
het arbeidsproces de hoogte van het laatstgenoten salaris (van voor de
onderbreking) aan te tonen en het onjuist is om de tijd die door hen is
besteed aan die zorgtaken en andere onbetaalde arbeid niet (voldoende) als
relevante ervaring mee te tellen, zodat onverkorte toepassing van de
regelgeving voor hen ongunstiger uitpakt dan in het algemeen voor mannen het
geval is.

9. De grondslag van dit oordeel kan in zijn algemeenheid als juist worden
aangemerkt. Dit geeft echter nog geen antwoord op de vraag of gedaagde op
grond van de door eiseres aangevoerde – en door haar voldoende hard te maken
– feiten en omstandigheden tot een andere afweging had moeten komen bij de
inschaling van eiseres.

10. Het gaat met name om de werkervaring van eiseres voordat in 1979 haar
zoon werd geboren en daarna in de periode van 1979 tot de aanvang van het
dienstverband bij gedaagde waarin eiseres met haar zoon van een
bijstandsuitkering leefde en zij cursussen gaf, reparaties verrichtte voor
juweliers en vrijwilligerswerk deed.

11. Het staat vast dat eiseres vanaf 1970 steeds als zelfstandig edelsmid
ingeschreven heeft gestaan in het Handelsregister van de Kamer van
Koophandel. Zij heeft ter onderbouwing van haar inkomen tot 1979 een brief dd
30 augustus 1991 van drs. C.H. van Wagensveld overgelegd waarin staat dat het
dossier van eiseres enkele jaren geleden is opgeruimd tezamen met alle andere
mappen van ex-cliënten ouder dan 7 jaar. Hij herinnert zich dat eiseres tot
1976 les gaf aan de Volksuniversiteit en toen tussen de ƒ 240 en ƒ 300 per
maand ontving bij 1 lesuur van 90 minuten. Volgens zijn – niet inzichtelijk
gemaakte – berekening komt dit neer op ƒ 135 per lesuur en voor een volledige
baan naar een huidig salaris op ƒ 4756 per maand. Andere bescheiden waaruit
kan blijken welk inkomen zij zich tot 1979 heeft verworven zijn er niet meer.

12. De kantonrechter kan niet meegaan met de redenering van drs. van
Wagensveld. Blijkens productie 4a bij repliek bedroeg het honorarium van de
Volksuniversiteit in 1970 ƒ 30 per lesuur van 90 minuten. Er moet in
redelijkheid van worden uitgegaan dat eiseres naast het geven van 1 lesuur
aan de Volksuniversiteit ook andere werkzaamheden verrichtte. Over de
precieze aard van die werkzaamheden en de hoogte van de daarmee verworven
inkomsten is echter onvoldoende concreets gesteld of aannemelijk geworden.
Eiseres kan derhalve niet aantonen dat zij tot 1979 een zodanig hoog inkomen
heeft genoten met relevante werkzaamheden dat dit bij toepassing van het
criterium van ‘laatstgenoten inkomen’ als bedoeld in artikel I-P9 van het
RPBO tot een hogere inschaling kon leiden.

13. Toepassing van juistgenoemd criterium voor personen die hun loopbaan niet
(voor zorgtaken) hebben onderbroken leidt – ook volgens de redenering van de
CGB in punt 4.4. van haar beslissing – niet tot directe of indirecte
discriminatie op grond van geslacht. Volgens de CGB wordt dit anders indien
de loopbaan wel voor zorgtaken wordt onderbroken, omdat het vanwege het
verstrijken van de tijd moeilijker zal zijn het laatstgenoten salaris aan te
tonen. De vraag is wel voor wiens risico dit behoort te komen. Naar het
oordeel van de kantonrechter rust dit risico op degene die zich op dit
gegeven beroept, in casu eiseres. Toepassing van artikel 1- P9 RPBO bij de
inschaling van eiseres komt in deze situatie niet in strijd met het bepaalde
in artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek. Dat gedaagde de vóór 1979 door eiseres
opgedane werkervaring op 1 periodiek op haar salaris heeft gesteld kan daarom
niet als onjuist worden aangemerkt.

14. Omtrent de door eiseres opgedane werkervaring vanaf 1979 tot haar
indiensttreding bij gedaagde is uit bescheiden betreffende de
bijstandsuitkering van eiseres gebleken dat zij tijdens de bij standsperiode
inkomsten uit werkzaamheden opgaf van circa ƒ 200 per maand wegens door har
gegeven cursussen sieraden maken e.d. Zij stelde haar sieraden ook ten toon.
Deze werkzaamheden leveren relevante werkervaring op voor de functie waarvoor
gedaagde eiseres in dienst heeft genomen. Het gaat om ervaring, opgedaan in
de periode dat eiseres in verband met de verzorging en opvoeding van haar
zoon, overigens niet aan het arbeidsproces kon deelnemen, welke omstandigheid
doorgaans vrouwen treft. Nu deze ervaring alsmede de levenservaring opgedaan
bij de verzorging en opvoeding van een eigen kind volgens de regels van het
RPBO bij inschaling van de betrokkene niet wordt meegewogen (tenzij de
betrokkene voorheen in het reguliere onderwijs werkzaam was geweest, hetgeen
bij eiseres niet het geval is) en loopbaanonderbreking voor het verrichten
van zorgtaken doorgaans vrouwen treft, is ten aanzien van eiseres indirect
onderscheid op grond van geslacht gemaakt. Dit levert strijd op met het
bepaalde in artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek. Gedaagde heeft derhalve jegens
eiseres onrechtmatig gehandeld. De vordering onder 1. is daarom toewijsbaar.

15. De bedoelde ervaringen kunnen in redelijkheid niet volledig gelijk worden
gesteld met de werkervaring van personen die wel (praktisch) volledig aan het
arbeidsproces deelnemen. Dit betekent dat het niet redelijk voorkomt om voor
elk jaar dat eiseres wegens haar zorgtaken niet aan het reguliere
arbeidsproces kon deelnemen een volledige periodiek toe te kennen. De tijdens
de procedure voor de CGB door de Minister van Onderwijs gestelde mogelijkheid
om – met toepassing van de hardheidsclausule – in het geval van eiseres
artikel 1 – P10 van het RPBO analoog toe te passen komt wel redelijk voor,
mits – anders dan de Minister destijds heeft voorgesteld – wordt uitgegaan
van de basisinschaling in schaal 7, regelnummer 1. Eiseres heeft gedurende 11
jaar met haar zoon van een bijstandsuitkering geleefd. Dit betekent dat haar
2 extra periodieken toegekend moeten worden, zodat de basisinschaling in
schaal 7, regelnummer 3 had moeten geschieden teneinde het gemaakte
onderscheid op grond van geslacht op te heffen. De vordering onder II is
derhalve niet toewijsbaar.

16. Eiseres wordt in de gelegenheid gesteld haar vordering onder III met
inachtneming van het voorgaande te berekenen. Zij kan daarbij tevens aangeven
waarom van de datum 26 januari 1991 wordt uitgegaan. Eiseres kan daartoe een
akte nemen. Gedaagde kan daar eveneens bij akte op reageren.

Beslissing

De Kantonrechter:
I. Verklaart voor recht dat gedaagde jegens eiseres onrechtmatig heeft
gehandeld door haar vanaf 20 augustus 1990 verkeerd in te schalen;
II. Wijst de vordering onder II af.
III. Verwijst de zaak naar de rolzitting van 23 september 1997 voor akte
zijdens eiseres als bedoeld in r.o. 16;
Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr Tan

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 22 augustus 1997

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De biologische vader wil zijn kind erkennen. De moeder weigert haar toestemming
te verlenen.
Het hof acht deze weigering geen misbruik van bevoegdheid omdat de moeder
daartoe in rechte te respecteren belangen heeft aangedragen. Ten eerste
het feit dat de man naar alle waarschijnlijkheid een verzoek tot wijziging
van het ouderlijk gezag zal indienen. Ten tweede dat in het geval de moeder
komt te overlijden de erkenner een wettelijke voorkeurspositie heeft met
betrekking tot het verkrijgen van het ouderlijk gezag. Bovendien beschouwt
het kind de huidige partner van de moeder als haar vader en is deze ook
voornemens het kind te erkennen. Wel benadrukt het hof het belang van omgang
van het kind met de biologische vader.

Volledige tekst

1. Het geding

De man en de moeder hebben een relatie gehad uit welke relatie op 25 december
1995 is geboren het kind K. De man heeft het kind niet erkend. De moeder
is ingevolge artikel 1:253b, eerste lid BW van rechtswege belast met het
ouderlijk gezag over de minderjarige.

Bij inleidend verzoekschrift van 10 oktober 1996 heeft de man de rechtbank
te Rotterdam verzocht de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente
Schiedam te gelasten dat het register van de burgerlijke stand aldaar wordt
aangevuld met een akte, houdende erkenning door de man van zijn minderjarige
kind en aantekening van deze erkenning op de geboorteakte van de minderjarige.

Bij beschikking van 20 januari 1997 heeft de rechtbank de ambtenaar van
de burgerlijke stand van de gemeente Schiedam gelast een akte op te maken,
houdende erkenning van de minderjarige en voorts dezelfde ambtenaar gelast
om aan het onder hem berustende register van geboorten toe te voegen op
de daarin voorkomende akte een latere vermelding met betrekking tot de
op te maken akte van erkenning.

Van die beschikking heeft de moeder tijdig hoger beroep ingesteld. Zij
heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen.

De man heeft tijdig een verweerschrift ingediend.

Op 30 juli 1997 is de zaak mondeling behandeld.

De procureur-generaal mr. J.F. Dekking, die ter terechtzitting is verschenen,
heeft aldaar geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

1. Ter terechtzitting in hoger beroep zijn de volgende feiten komen vast
te staan.
De moeder en de man hebben in de periode vanaf 1994 tot juli/augustus 1996
een relatie gehad. Zij hebben nimmer samengewoond. Wel verbleven zij over
en weer af en toe een paar dagen bij elkaar. Beiden hebben zij hun eigen
woning aangehouden gedurende de relatie. Na de geboorte van hun dochter
K hebben zij samen het kind aangegeven en de man stond met de moeder op
de geboortekaart vermeld. Hij heeft het kind toen niet erkend wegens financiële
bezwaren. Tijdens hun relatie en na het verbreken hiervan heeft de moeder
de verantwoordelijkheid gedragen voor de financiële en feitelijke verzorging
van het kind. De man heeft tijdens de relatie en na het verbreken hiervan,
afgezien van de aanschaf van kleertjes, geboortekaarten en dergelijke zaken,
geen enkele financiële bijdrage geleverd ten behoeve van het levensonderhoud
van het kind. De man heeft het kind ruim een jaar niet gezien ondanks een
door dit hof bij beschikking van 25 april 1997 vastgestelde voorlopige
omgangsregeling (waarbij werd bepaald dat de man eenmaal per veertien dagen
in het gebouw van de Raad voor de kinderbescherming te Arnhem het kind
gedurende twee uur bij zich mag hebben). Hij heeft thans, behalve de biologische,
geen enkele band met zijn kind. Het kind is thans anderhalf jaar oud. Het
kent haar biologische vader niet en beschouwt de huidige partner van de
moeder als haar vader. Het leeft thans in gezinsverband met haar moeder
en deze partner en het inmiddels uit deze relatie geboren kind. De partner
is van plan K te erkennen en de moeder heeft ter terechtzitting verklaard
dat zij haar toestemming zal verlenen tot deze erkenning.

2. De vrouw heeft in hoger beroep niet betwist dat de man tot het kind
in een als gezinsleven in de zin van artikel 8, eerste lid EVRM aan te
merken relatie staat. Het hof gaat derhalve hiervan uit. De man heeft in
beginsel aanspraak op erkenning van deze relatie als familierechtelijke
rechtsbetrekking. In zijn arrest van 8 april 1988, NJ 1989, 170, overwoog
de Hoge Raad dat de toestemming van de moeder, in het geval dat de man
de biologische vader is van het kind en er tussen hem en dat kind gezinsleven
bestaat in de zin van artikel 8 eerste lid EVRM, vervangen kan worden door
een rechterlijke beslissing indien de weigering van de moeder slechts op
te vatten is als misbruik van de bevoegdheid die in artikel 1:224, eerste
lid aanhef en onder d BW besloten ligt.

3. Wat betreft de door de rechter aan te leggen maatstaf wordt in de latere
rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder Hoge Raad 18 mei 1990, NJ 1991,
374 en 375, een onderscheid gemaakt tussen de gebruikelijke en de ongebruikelijke
situatie. In het onderhavige geval gaat het om de gebruikelijke situatie
waarin de moeder is belast met het ouderlijk gezag over het kind, daarmee
in gezinsverband samenleeft en het verzorgt en opvoedt. In die situatie
betekent wijziging van de rechtspositie van het kind die het gevolg is
van erkenning door de man steeds in zekere mate een inbreuk op het gezins-
en privéleven van de moeder en mogelijk ook op dat van het kind. Niet licht
zal dan kunnen worden aangenomen dat een weigering van de moeder om toestemming
te geven tot erkenning slechts kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid
die in artikel 1:224, eerste lid aanhef en onder d BW besloten ligt. Daarvan
is slechts sprake wanneer de moeder geen enkel te respecteren belang heeft
bij haar weigering. Een afweging van de belangen van de moeder tegen die
van de man komt daarbij niet aan de orde. Thans dient het hof een oordeel
te geven over de vraag of in het onderhavige geval sprake is van misbruik
van bevoegdheid als hiervoor bedoeld.

4. De moeder heeft te kennen gegeven dat een reden voor de weigering om
haar toestemming te verlenen is gelegen in de wijziging van de geslachtsnaam
van het kind welke een gevolg is van een erkenning. Ter terechtzitting
is gebleken dat de man ermee instemt dat de geslachtsnaamswijziging als
gevolg van een erkenning niet zal plaatsvinden, reden waarom het belang
van de moeder om om die reden haar toestemming te weigeren, komt te vervallen.

5. De moeder weigert voorts haar toestemming te verlenen, uit angst dat
de man gebruik zal maken van de hem alsdan toekomende bevoegdheid een verzoek
tot wijziging van het ouderlijk gezag in te dienen bij de rechter. De angst
van de moeder dat de man van deze bevoegdheid gebruik zou kunnen maken,
is naar ’s hofs oordeel in de onderhavige zaak een rechtens te respecteren
belang.

6. Voorts weigert de moeder haar toestemming te verlenen tot de erkenning
vanwege het feit dat de man, mocht de moeder komen te overlijden, een wettelijke
voorkeurspositie heeft met betrekking tot de verkrijging van het ouderlijk
gezag, zie de artikelen 1:253g, derde lid en 1:253h, derde lid BW. Nu het
kind in gezinsverband met de huidige partner van de moeder leeft en deze
als haar vader beschouwt, is het niet in haar belang wanneer het bij overlijden
van de moeder, in het gezin van de man zou worden geplaatst als gevolg
van een toewijzing van een verzoek van de man om met het ouderlijk gezag
te worden belast, aldus de moeder. Ook hier geldt, dat de angst van de
moeder dat de man van deze bevoegdheid gebruik zou kunnen maken – nu een
verzoek van de man als hier bedoeld volgens de genoemde artikelen slechts
wordt afgewezen indien gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen
van het kind zouden worden verwaarloosd, en derhalve niet reeds indien
die belangen zouden worden geschaad, hetgeen bij een overplaatsing als
die waarvoor de moeder vreest licht het geval kan zijn – naar ’s hofs oordeel
in de onderhavige zaak een rechtens te respecteren belang is. Opmerking
verdient nog het volgende. Het kind leeft thans in gezinsverband met de
moeder en haar huidige partner en het inmiddels uit deze relatie geboren
kind. Deze partner is voornemens K te erkennen en de moeder heeft verklaard
dat zij hiertoe haar toestemming zal verlenen. Men is nog niet overgegaan
tot die erkenning zulks om de uitkomst van de onderhavige zaak af te wachten
en om het verwijt van misbruik van bevoegdheid te voorkomen. De moeder
heeft ter terechtzitting verklaard haar toestemming tot die erkenning te
zullen verlenen en naar ’s hofs oordeel is aannemelijk geworden dat de
huidige partner van de moeder zal overgaan tot erkenning van het kind na
afloop van de onderhavige procedure. Er is in deze situatie geen sprake
van een onzekere toekomstige gebeurtenis waarmee geen rekening zou mogen
worden gehouden.

7. Nu de moeder naar het oordeel van het hof in rechte te respecteren belangen
heeft bij de weigering haar toestemming tot de erkenning te verlenen, maakt
zij geen misbruik van de haar toekomende bevoegdheid ex artikel 1:224,
eerste lid aanhef en onder d BW.

8. Ten overvloede merkt het hof het volgende op. Het is voor de ontwikkeling
van het kind van groot belang dat het een goed contact heeft met haar biologische
vader. De moeder heeft tot nu toe elke medewerking geweigerd aan een omgangsregeling
tussen het kind en de man. Nu haar huidige partner het kind zal erkennen
en er, naar het hof mag aannemen, als gevolg hiervan een zekere mate van
rust zal ontstaan bij de moeder, is het gewenst dat de moeder haar medewerking
aan de proefomgangsregeling, zoals deze reeds door dit hof is vastgelegd,
zal verlenen.

9. Op grond van het vorenoverwogene komt het hof tot de conclusie dat de
bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het oorspronkelijk
verzoek alsnog dient te worden afgewezen.

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 20 januari
1997; wijst het verzoek van de man af.

Rechters

Mrs Van Deth, Van den Wildenberg, Van Oldenborgh

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 19 augustus 1997

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Een werkgever vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een
werkneemster wegens verandering van omstandigheden, zijnde een nijpende
financieel economische situatie. Dit is onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De vrouw vraagt in haar verweerschrift toekenning van materiële en
immateriële schadevergoeding wegens seksuele intimidatie door haar directe
chef. Zij is hierdoor ziek thuis.
De werkgever heeft onvoldoende gedaan om het geschonden vertrouwen van
de vrouw in de leiding van het bedrijf te herstellen. Het feit dat de vrouw
ziek is geworden en zich onder psychiatrische behandeling heeft moeten stellen,
zijn omstandigheden die voor rekening en risico van de werkgever komen,
daargelaten wat de directeur persoonlijk heeft gedaan om de chef te
corrigeren.
Toekenning ƒ 5.000 materiële en ƒ 1.500 immateriële schadevergoeding.

Volledige tekst

Het verloop van het geding:

Op 23 juli 1997 is ter griffie van dit kantongerecht binnengekomen een
verzoek van X de arbeidsovereenkomst met mevrouw M te ontbinden op grond
van
een gewichtige reden bestaande in een verandering van omstandigheden.

Bij het verzoekschrift was een accountantsrapport als bijlage bijgevoegd.

Namens mevrouw M is een verweerschrift ingediend waaraan 23 produkties
waren
gehecht. Dat verweerschrift strekt tot primair afwijzing van het verzoek,
subsidiair tot toekenning van een vergoeding ter zake van materiële en
immateriële schade.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 11 augustus
1997. Namens X waren aanwezig haar directeur B alsmede de heer T, accountant
en de gemachtigde mr Hoogenboom. Mevrouw M werd bijgestaan door haar
gemachtigde mr L.M.P. de Bie.

Nadat de partijen hun standpunten hadden toegelicht en de zitting nog enige
tijd geschorst is geweest voor overleg tussen partijen heeft de kantonrechter
beschikking bepaald op heden.

Het verzoek:

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan:

Mevrouw M is 30 jaar oud en is sedert 10 oktober 1996 in dienst op basis
van
een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 6 maanden, die op 10 april
is
verlengd voor wederom 6 maanden. Voor haar indiensttreding was mevrouw
M
vanaf 9 juli 1996 als uitzendkracht (deels full-time en deels part-time)
bij
X gaan werken.

Het verzoek komt er hierop neer, dat X in mei 1997 haar door accountants
opgestelde financieelrapport heeft ontvangen waaruit blijkt dat in het
jaar
1996 een verlies is geleden van ƒ 172.214,= wat direct resulteerde in een
negatief eigen vermogen van ƒ 132.214,=. Zouden die cijfers, aldus X, bekend
zijn geweest toen de eerste termijn van het dienstverband afliep, dan zou
het
niet zijn verlengd.

Er moet daarom worden georganiseerd en dat heeft het verlies van een
arbeidsplaats tot gevolg en doordat mevrouw M, aldus als laatste
vertegenwoordiger bij haar in dienst is getreden, komt zij het eerst voor
beëindiging van haar dienstverband in aanmerking.

Namens mevrouw M is, kort samengevat en voorzover van belang, ten verwere
het
volgende aangevoerd:

X is medio 1996 vanuit Hong Kong opgericht om naamsbekendheid te creëren
op
de West- en Oost-europese markt omdat mevrouw M in Polen is geboren en
van
1986 tot 1996 in Spanje heeft gewerkt en 5 talen spreekt, zou zij zich
gaan
richten op de landen in het Oostblok en Spanje.

Contacten leggen en het aantrekken van klanten is nog steeds primaire
doelstelling en daar wordt ook veel tijd en geld in geïnvesteerd. Daarom
worden veelal zeer concurrerende aanbiedingen gedaan die dan ook uiteraard
verliesgevend zijn en dat X het eerste half jaar verlies heeft geleden
is dan
ook niet verbazingwekkend. Er is in dit geval geen sprake van nijpende
financieel economische situatie. De prognose over het lopende boekjaar
is
niet kenbaar gemaakt bovendien is door X niet gemotiveerd aangegeven welke
bezuiniging op personele uitgaven nodig is om een bedrijf binnen redelijke
termijn weer financieel gezond te maken.

Verder heeft X onvoldoende inzicht gegeven in de toepassing van de
anciënniteitsregeling. Voor het geval de kantonrechter van oordeel is,
dat de
aangevoerde argumenten ontbinding van het dienstverband rechtvaardigen
heeft
M opgemerkt dat een medewerker van X (de salesmanager C) haar in de loop
van
het dienstverband in ernstige mate seksueel heeft geïntimideerd als gevolg
waarvan zij sinds 21 mei j.l. ziek thuis is. C was haar directe chef en
maakte zowel mondeling als per e-mail grove seksueel getinte opmerkingen
in
haar richting.

Zij heeft, nadat haar bezwaren in de richting van C niets opleverden, de
zaak
bij de directeur B aan de orde gesteld. Maar B heeft onvoldoende maatregelen
genomen. Bovendien hebben haar collega’s C, die overigens inmiddels bij
X is
vertrokken gedekt, aldus M, die thans als gevolg van een en ander onder
behandeling van een psychiater van het Riagg is.

Hoewel zij zich met het verlies van haar baan als zodanig niet zegt te
kunnen
verenigen, stelt zij dat van haar door de plaatsgevonden seksuele intimidatie
en de ten gevolge daarvan verstoorde arbeidsrelatie redelijkerwijs niet
gevergd kan worden te moeten terugkeren en de arbeidsovereenkomst te laten
voortduren.

Om die reden wil zij ook zelf wel dat het dienstverband wordt beëindigd
maar
zij wenst dan een vergoeding van twee maandsalarissen vermeerderd met een
immateriële vergoeding in totaal afgerond op een bedrag van ƒ 8.500,-.

X heeft de stellingen van M ten aanzien van het gedrag van C niet betwist.
Zij stelt echter, dat directeur B C wel degelijk tot de orde heeft geroepen.
Hij is niet tot ontslag van C overgegaan omdat hij meende, dat het Nederlands
arbeidsrecht daartoe in de gegeven omstandigheden geen mogelijkheden bood.

De gevraagde vergoeding acht X, gelet op de bedrijfseconomische
omstandigheden, te hoog.

De beoordeling van het verzoek:

Het oordeel of bedrijfseconomische omstandigheden tot vermindering van
het
aantal arbeidsplaatsen nopen is in de eerste plaats voorbehouden aan de
ondernemer en diens beleid in dat verband is voor slechts marginale toetsing
door de rechter vatbaar. Met de in dat verband passende terughoudendheid
is
de kantonrechter niettemin van oordeel dat X onvoldoende aannemelijk heeft
gemaakt waarom de arbeidsplaats van mevrouw M juist nu zou zijn komen te
vervallen, nadat het dienstverband een maand eerder was verlengd. Niet
aannemelijk is dat op dat moment de financieel-economische positie van
het
bedrijf, hoewel de cijfers officieel pas een maand later gereed waren,
zozeer
onbekend was dat daarmee toen de verlenging van het dienstverband aan de
orde
was, geen rekening mee is gehouden. Daar komt bij dat X heeft toegegeven
dat
het er op dit moment weer beter voor het bedrijf uitziet.

Aangezien in dit geval echter partijen het er over eens zijn, dat de
verhoudingen in ieder geval te zeer zijn verstoord om voortzetting van
het
dienstverband mogelijk te maken zal het verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst in ieder geval worden ingewilligd.

De vraag is of er een vergoeding behoort te worden toegekend.

Het enkele feit dat de financieel-economische situatie van X niet rooskleurig
is betekent niet dat er geen ruimte is voor toekenning van een vergoeding.
Een vergoeding zal het resultaat wel enigszins nadelig beïnvloeden, maar
vertegenwoordigt slechts een beperkt deel van de totale kosten (van 22
mei
1996 tot 31 mei 1996 ƒ 268.766,=). Het is niet billijk de werknemer geen
vergoeding toe te kennen aangezien de risico’s van een (nog) niet goed
renderende onderneming niet bij de werknemer liggen.

Daarnaast is aannemelijk geworden, dat M ernstig te lijden heeft gehad
onder
seksuele intimidaties van haar directe chef C. Weliswaar is ook aannemelijk
geworden, dat B, C tot de orde heeft geroepen, maar er is onvoldoende gedaan
om het geschonden vertrouwen van M in de leiding van het bedrijf te
herstellen, wat haar oorzaak deels zou kunnen vinden in de omstandigheid
dat
B C in aanwezigheid van M in het Chinees heeft toegesproken een taal die
M
niet beheerst. Verder is aannemelijk, dat M als gevolg van seksuele
intimidaties van C ziek is geworden en zich onder psychiatrische behandeling
heeft moeten stellen. Dit zijn omstandigheden die in ieder geval voor
rekening en risico van X komen, daargelaten wat de directeur persoonlijk
heeft gedaan om C te corrigeren.

Onder deze omstandigheden is een hogere vergoeding dan gebruikelijk
geïndiceerd, terwijl er tevens aanleiding is M een vergoeding wegens
immateriële schade toe te kennen.

Ter zake van materiële schade zal de vergoeding naar billijkheid worden
bepaald op ƒ 5.000,-. Daarnaast zal haar vergoeding wegens immateriële
schade
van ƒ 1.500,- worden toegekend. Beide bedragen zullen, indien het verzoek
niet wordt ingetrokken dienen te zijn betaald op uiterlijk 1 september
1997.

X behoort in deze zaak als de in het ongelijk te stellen partij te worden
aangemerkt en moet dan ook in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

geeft X tot 25 augustus 1997 de gelegenheid het verzoek in te trekken;

en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken;

willigt het verzoek in en bepaalt dat het dienstverband zal eindigen met
ingang van 1 september 1997;

kent aan mevrouw M een vergoeding toe van ƒ 5.000,= (vijfduizend gulden)
ter
zake van materiële schade bruto en ƒ 1.500,= (eenduizend vijfhonderd gulden)
ter zake van immateriële schade (netto) beide bedragen te betalen uiterlijk
1
september 1997;

veroordeelt X in de proceskosten aan de zijde van mevrouw M gevallen, tot
op
heden begroot op ƒ 1.500,= aan salaris voor de gemachtigde, te voldoen
aan de
griffier van dit kantongerecht door storting of overschrijving op
postrekeningnummer: 50.76.23, met welk bedrag de griffier zal dienen te
handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 57b Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering.

Rechters

Mr Veling

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 augustus 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 oktober 1995 verzocht de heer M. B. te Maastricht (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over
de vraag of het Woningbureau te Maastricht (hierna: de wederpartij) jegens
hem onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is sinds 19 december 1986 ingeschreven voor een huurwoning.
Verzoeker heeft aangegeven dat de woning aan een aantal voorwaarden dient
te
voldoen. De wederpartij heeft verzoeker alleen woningen aangeboden die
niet
aan zijn woonwensen voldeden. Daarnaast heeft de wederpartij de woningen
die
wel aan de woonwensen van verzoeker voldeden, aan personen aangeboden,
waarvoor een dergelijke woning niet noodzakelijk is. Verzoeker is van mening
dat zijn Marokkaanse afkomst hierbij een rol heeft gespeeld en dat de
wederpartij hierdoor in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op
16 december 1996.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. M. B. (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. J.W.B. Kerckhoffs (medewerker Toewijzing & Communicatie)
– dhr. mr. H.J. ter Meulen (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)

2.3. Ter zitting zijn beide partijen akkoord gegaan met het voorstel van
de
Commissie om de zaak te schikken. Hiertoe is een schikkingsvoorstel
geschreven, waarmee beide partijen hebben ingestemd.

De Commissie heeft in het kader van het schikkingsvoorstel op
30 mei 1997 een onderzoek ter plaatse ingesteld bij een woning aan de
Burgemeester Bauduinstraat 89 te Maastricht.
Partijen hebben hierna de Commissie laten weten dat het niet gelukt is
de
zaak in der minne te schikken. Vervolgens is het onderzoek afgesloten.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een stichting, opgericht door vier Maastrichtse
woningcorporaties, met als doel zorg te dragen voor een rechtvaardige en
doelmatige woonruimteverdeling van beschikbaar komende woonruimte van de
deelnemende woningcorporaties.
De wederpartij doet dit onder andere door het inschrijven van
woningzoekenden, het verstrekken van informatie en het mede ontwikkelen
van
woonruimteverdelingsbeleid. Het proces om te komen tot het aanbieden van
een
woning is zodanig gereguleerd dat de aangesloten woningcorporaties elke
beschikbare woning inbrengt in het computersysteem en dat vervolgens
automatisch de juiste kandidaten voor de woning worden geselecteerd. De
wederpartij wijst geen woningen toe. Dat doen de woningcorporaties zelf.
Tot de oprichting van de wederpartij was woonruimteverdeling een
aangelegenheid van de gemeente Maastricht. In 1991 heeft de wederpartij
de op
dat moment ingeschreven woningzoekenden van de gemeente Maastricht
overgenomen met behoud van hun inschrijf- datum. Zo is ook verzoeker met
de
inschrijfdatum van 19 december 1986 als woningzoekende in het bestand
opgenomen.

3.2. Het is mogelijk om als urgent woningzoekende of als woonwens
woningzoekende te worden ingeschreven binnen de organisatie van de
wederpartij. Het gevolg van het feit dat men zich als woonwens woningzoekende
laat registreren is dat men na verloop van tijd een woning krijgt aangeboden
die voldoet aan de opgegeven woonwensen. Hoe lang de wachttijd is, is
afhankelijk van de woonwensen en het aantal woningen dat beschikbaar is.
Een
urgente inschrijving wordt alleen aanbevolen wanneer er een zo groot
woonprobleem is dat een snelle oplossing ‘bittere noodzaak’ is.
Voorts kan dan een woningaanbod niet geweigerd worden. Indien een
woningzoekende als urgent staat ingeschreven garandeert de wederpartij
dat
binnen één jaar na de inschrijvingsdatum een geschikte woonruimte wordt
aangeboden.
Ook bij de toewijzing van een woning aan een urgent woningzoekende wordt,
wat
betreft het woningtype, rekening gehouden met zowel de noodzakelijke grootte
van de woning als met aanvullende voorwaarden van de Gemeenschappelijke
Medische Dienst (GMD).
Een urgent woningzoekende kan geen specifieke woonwens opgeven ten aanzien
van een bepaalde wijk.

3.3. Op het volledige woningbestand van de vier corporaties van ongeveer
23.000 woningen, hebben de corporaties slechts één woning met zeven
slaapkamers en maar 55 woningen met zes slaapkamers beschikbaar.

3.4. Het gezin van verzoeker bestaat uit negen personen: Het echtpaar en
zeven kinderen in de leeftijd van 18, 17, 16, 12, 9, 7 en 4 jaar. Verzoeker
woont met zijn gezin in een huis met vijf slaapkamers. Verzoeker staat
sinds
19 december 1986 als woonwens woningzoekende ingeschreven bij de wederpartij.
Verzoeker is als zodanig ingeschreven omdat hij een woning wil betrekken
met
(a) minimaal zeven slaapkamers en (b) gelegen in de wijk Oostermaas of
naaste
omgeving. De drie oudste kinderen van verzoeker staan sinds 31 mei 1995
apart
ingeschreven als woningzoekenden.

3.5. In de huidige woning van verzoeker is er sprake van een steeds
terugkerend probleem in verband met vochtoverlast. Dit probleem doet zich
voor in zowel de woonkamer, de douche, de slaapkamers als op de overloop.
Voorzover deze klachten in het verleden werden verholpen, is dit van
tijdelijke aard geweest.

3.6. Op 23 mei 1990 heeft een verzekeringsgeneeskundige rapporteur van
de GMD
(hierna: de deskundige) naar aanleiding van een bezoek aan het huisadres
van
verzoeker een rapport opgemaakt.
Op grond van de gezondheidstoestand van verzoeker, zijn echtgenote en enkele
kinderen, alsmede de vochtoverlast in de huidige woning, constateert de
deskundige dat de woning niet adequaat is en ook niet aangepast kan worden.
Als eisen voor een adequate woning formuleert de rapporteur:
– Een woning met een droge, goede ventilatie en met centrale verwarming;
– Een woning met een goed geventileerde badkamer (om religieus/ hygiënische
redenen heeft de familie bezwaren tegen een badkamer/toilet in rechtstreekse
verbinding met de keuken)
– Een woning met minimaal één slaapkamer en de badkamer op de begane grond;
– Een woning met tenminste vijf slaapkamers.

3.7. De wederpartij heeft verzoeker op 3 mei 1994 voor het eerst een woning
aangeboden. Het betrof een ééngezinswoning met vier slaapkamers. Deze woning
was gelegen in de wijk Oostermaas aan de Burgemeester Nierstraszstraat
48.
Verzoeker heeft op 6 mei 1994 door middel van het antwoordformulier laten
weten dat hij de woning afwijst.

In respectievelijk november en december 1994 heeft de wederpartij een tweede
en derde woning aan verzoeker aangeboden. Het betrof de woning aan de
Tillystraat 21 en de woning aan de Burgemeester Hennequinstraat 13. Beide
woningen hadden vijf slaapkamers en waren gelegen in de wijk Oostermaas.

3.8. Ter zitting hebben beide partijen te kennen gegeven de zaak te willen
schikken. Hiertoe is een schikkingsvoorstel gedaan met de volgende inhoud:
– De huidige woning wordt behouden ten behoeve van de drie oudste kinderen;
– Er wordt gezocht naar een woning met vier slaapkamers voor de rest van
het
gezin in de wijk Oostermaas te Maastricht en, indien mogelijk, in de
Marconistraat zelf;
– De te betrekken woning voldoet aan de eisen van de GMD;
– De huurprijs van de te betrekken woning staat in redelijke verhouding
tot
het inkomen;
– De eerste ter beschikking komende woning met vier slaapkamers, die voldoet
aan de hierboven genoemde voorwaarden, wordt aan verzoeker aangeboden.
De
woning dient wel te voldoen aan het (nog uit te brengen) Wet Voorzieningen
Gehandicapten-advies.
Verzoeker en de wederpartij zijn schriftelijk met de inhoud van het
schikkingsvoorstel akkoord gegaan.

3.9. Verzoeker heeft de wederpartij op 27 februari 1997 schriftelijk laten
weten dat hij zeer gaarne de woning op de Burgemeester Bauduinstraat 140
zou
willen betrekken. De betreffende woning werd hem niet aangeboden.
In maart 1997 heeft de wederpartij verzoeker een tweetal woningen aangeboden.
De eerste woning, gelegen aan de Stadhouderstraat 18, heeft verzoeker
geweigerd vanwege het feit dat er asbest was verwerkt in de plafonds. De
tweede woning, gelegen aan de Burgemeester Pylsstraat 44, heeft verzoeker
geweigerd vanwege een te hoge huur in vergelijking met de huidige huur.
Bij brief van 11 april 1997 heeft de gemachtigde van de wederpartij aan
verzoeker meegedeeld dat de woning aan de Burgemeester Bauduinstraat 89
met
vier slaapkamers, een zolder en een kelder zou vrijkomen. De woning zou
tevens worden voorzien van een CV-installatie, inclusief combiketel.
De gemachtigde van de wederpartij heeft tevens aangegeven dat conform de
criteria bij de toewijzing een woningzoekende slechts tweemaal een aangeboden
woning mag weigeren. Een eventuele weigering van verzoeker zou derhalve
door
de wederpartij aangemerkt worden als niet meer terecht.

3.10. Op 15 april 1997 heeft verzoeker aan de betreffende
Woningstichting laten weten dat hij de aangeboden woning weigert. Op het
antwoordformulier heeft verzoeker de wederpartij medegedeeld dat hij de
woning weigert in verband met de te kleine slaapkamers. Geen van de kamers
is
groot genoeg voor het slaapkamerameublement van verzoeker.

3.11. Op 30 mei 1997 heeft de Commissie een onderzoek ter plaatse uitgevoerd.
Verzoeker heeft op 2 juni 1997 laten weten dat hij niet terugkomt op zijn
besluit om de woning te weigeren.

De standpunten van partijen

3.12. Verzoeker stelt het volgende.
Verzoeker is van mening dat de wederpartij in haar woning-
toewijzingsbeleid onderscheid maakt naar nationale dan wel etnische afkomst
en daarmee in strijd met de AWGB handelt. Verzoeker is niet de enige
die problemen kent met de toewijzing van woonruimte door de wederpartij.
Er
zijn volgens hem veel meer Marokkaanse gezinnen met dezelfde problemen.
Verzoeker stelt dat de tegenwerking van de wederpartij op een zeer subtiele
manier plaatsvindt. Er zal daarom langdurig onderzoek nodig zijn om te
kunnen
constateren dat de wederpartij zich aan discriminatie schuldig maakt.

3.13. Vanwege zijn wooncultuur, woongedrag en tradities wil verzoeker niet
een woning toegewezen krijgen in bepaalde wijken waar hij absoluut niet
wil
wonen. De woningen die verzoeker toegewezen heeft gekregen in het jaar
1995
waren hooguit even groot als de huidige woning met vijf slaapkamers.
Verzoeker heeft de wederpartij diverse malen verzocht om een grotere woning
aan hem toe te wijzen onder meer de woningen aan de Alfons Ariënsstraat
112,
de Burgemeester Bauduinstraat 62 en de Burgemeester Nierstraszstraat 9.
Telkens werd gezegd dat de woning al aan een ander was toegekend. Deze
woningen zijn bijna allemaal toegewezen aan kleine Nederlandse gezinnen.
Zo is bijvoorbeeld het huis aan de Bauduinstraat 62 met zes slaapkamers,
toegewezen aan een gezin met twee kinderen.
Verzoeker stelt dat er in de Alfons Ariënsstraat tien woningen staan met
zeven of meer slaapkamers, waarvoor hij in aanmerking zou willen komen.
Daarnaast heeft verzoeker als oplossing voor het probleem voorgesteld dat
hij
twee woningen naast elkaar zou willen huren.

3.14. Verzoeker stelt dat hij er belang bij heeft in de wijk Oostermaas
te
blijven wonen. Hij woont er al 25 jaar en zijn kinderen zitten in die wijk
op
school. Daarnaast verricht verzoeker vrijwilligerswerk in het wijkcentrum.
Zoals de wederpartij bekend is, is het onmogelijk om zijn
inschrijving als woonwens woningzoekende te wijzigen in een inschrijving
als
urgent woningzoekende omdat zijn vrouw en hij zware astmaklachten hebben.
Dit
heeft dus automatisch tot gevolg dat verzoeker wel woonwensen moet hebben.

3.15. De woningen op de Burgemeester Nierstrazstraat 48, de Tillystraat
21 en
de Burgemeester Hennequinstraat 13 heeft verzoeker geweigerd in verband
met
het feit dat de woningen te klein waren. Geen van de drie woningen voldeed
aan de woonwens van verzoeker van zeven slaapkamers. Op het antwoordformulier
heeft verzoeker alleen de bijkomende redenen voor weigering vermeld.

Hij heeft daarop aangegeven dat de eerste woning niet voldeed aan zijn
privacy-eisen, de tweede woning te kleine slaapkamers had en niet beschikte
over een open kelder, de derde woning nagenoeg gelijk was aan de huidige
woning van verzoeker.

3.16. Verzoeker stelt dat de eerste twee woningen die in het kader van
het
schikkingsvoorstel zijn aangeboden niet passend waren.
Een woning die wel passend was en zou vrijkomen aan de Burgemeester
Bauduinstraat 140, is echter aan iemand anders toegewezen. Dit ondanks
het
feit dat verzoeker zijn wens om deze woning te betrekken kenbaar had gemaakt.
Door deze gang van zaken is verzoeker van mening dat de wederpartij zich
niet
aan de gemaakte afspraken heeft gehouden.
De derde woning die verzoeker in het kader van het schikkings-voorstel
werd
aangeboden was gelegen aan de Burgemeester Bauduinstraat 89. Verzoeker
heeft
in eerste instantie deze woning geweigerd in verband met het feit dat de
slaapkamers te klein zijn voor zijn inboedel. Op 28 april 1997 heeft
verzoeker zijn weigeringsgronden aangevuld door te stellen dat de woning
in
slechte staat van onderhoud verkeert en dat daarnaast de huurprijs te hoog
is.

3.17. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij maakt in haar verdelingsbeleid geen enkel onderscheid naar
afkomst, religie of anderszins. Zij hanteert bij de verdeling van de woningen
slechts voor iedereen gelijkelijk geldende en in de volkshuisvesting algemeen
geaccepteerde criteria met betrekking tot de omvang en het inkomen van
het
huishouden in relatie tot de grootte en de huurprijs van de woning.
Het feit dat in de woningzoekendenadministratie geen rekening wordt gehouden
met de vraag of een woningzoekende al dan niet allochtoon is, duidt er
al op
dat er geen enkel onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit.

3.18. Het woningprobleem van verzoeker is wezenlijk terug te voeren op
de
indringende schaarsteverhoudingen rond de zeer grote woningen zoals die
tot
voor kort voor zijn gezin nodig zou zijn. Dergelijke woningen zijn zeer
schaars in verhouding tot het aantal wachtende grote gezinnen, waaronder
zich
ook contingenten vluchtelingen en asielzoekers bevinden, die volgens
afspraken met de overheid versneld geholpen moeten worden.

Gezien de grootte van het gezin van verzoeker kunnen alleen vijf of meer
kamerwoningen worden aangemerkt als passende woning.

3.19. Dit schaarsteprobleem werd door verzoeker, hoewel hij daarop wel
degelijk is gewezen door de wederpartij, zelf aanmerkelijk versterkt door
exclusief te opteren voor slechts twee van de bijna veertig in Maastricht
aanwezige wijken.

Hiermee heeft verzoeker een aantal potentiële andere grote woningen elders
in
de stad op voorhand uitgesloten. Aan zeer lange wachttijden valt dan niet
te
ontkomen. Het handhaven van de woonwensen van verzoeker maakt het toewijzen
van woonruimte met minimaal één slaapkamer en één badkamer, die niet in
rechtstreekse verbinding met de keuken mag staan, op de begane grond dan
wel
een woning voorzien van een traplift moeilijker. Desondanks is gedurende
de
inschrijftijd tot twee maal toe een passende woning aangeboden. Verzoeker
heeft deze aanbiedingen niet geaccepteerd.

Om de kansen op een passend woningaanbod enigszins te vergroten zijn conform
een voorstel van verzoeker tijdens het gesprek op
31 mei 1995 de drie oudste kinderen apart ingeschreven als woningzoekende.In
verband met de specifieke woonwensen van verzoeker ten aanzien van onder
andere de wijk en de wens om dicht bij elkaar te wonen is toen niet gekozen
voor inschrijving als urgent. Ook bij de keuze voor een urgente inschrijving
wordt rekening gehouden met het pakket van eisen zoals dit is opgesteld
door
de GMD in het kader van de Regeling Geldelijke Steun Huisvesting
Gehandicapten (RGSHG). Wel is het zo, dat dan geen aanvullende wensen kunnen
worden gehonoreerd.

3.20. Met betrekking tot de opmerking van verzoeker dat hij herhaalde malen
heeft verzocht om bepaalde woningen toegewezen te krijgen stelt de
wederpartij dat de genoemde woningen zijn toegewezen aan de volgende
huishoudens:
Alfons Ariënsstraat 112: Eéngezinswoning met zes slaapkamers per 1 november
1995 ingezet ten behoeve van de huisvesting van een vluchtelingengezin;
Burgemeester Bauduinstraat 62: Eéngezinswoning met 5 slaapkamers per 23
juni
1995 verhuurd aan gezin met drie kinderen, sinds 1991 ingeschreven. Juist
in
deze periode had verzoeker het aanbod Burgemeester Nierstrazstraat 48 laten
lopen. De inschrijving staat dan geblokkeerd voor andere aanbiedingen;
Burgemeester Nierstraszstraat 9: Eéngezinswoning met drie slaapkamers.
In
1995 verhuurd aan Nederlands gezin met één kind, sinds 1987 ingeschreven.
Gezien het beperkt aantal slaapkamers is deze woning niet passend voor
de
familie van verzoeker.

3.21. De woning aan de Burgemeester Bauduinstraat 89 die in het kader van
de
schikking aan verzoeker is aangeboden voldoet geheel aan het
schikkingsvoorstel. De wederpartij kan het argument van verzoeker dat de
slaapkamers van de woning te klein zijn voor zijn slaapkamerameublement
in
alle redelijkheid niet serieus nemen en beschouwt de weigering van verzoeker
om de woning te accepteren als volstrekt ondeugdelijk.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van ras heeft gemaakt door verzoeker geen passende woning aan
te
bieden.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB dient overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd en omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3. pag. 13.).

Artikel 7 lid 1 sub c AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB het
maken
van onderscheid bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het
sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit
geschiedt door een instelling op het terrein van volkshuisvesting.

4.2. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag dient onderzocht
te
worden of de wederpartij valt onder het bereik van artikel 7 lid 1 sub
c
AWGB.
De wederpartij is ingevolge haar doelstellingen werkzaam op het gebied
van de
woonruimteverdeling en kan derhalve worden aangemerkt als een instelling
op
het terrein van de volkshuisvesting als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub
c
AWGB.
Voor wat de taak van de wederpartij betreft stelt de Commissie vast dat
deze
inhoudt woningzoekenden te registreren en voor te dragen, terwijl zij voorts
een belangrijk aandeel heeft in het toewijzen van een woning aan
woningzoekenden. Derhalve is de Commissie van oordeel dat het handelen
van de
wederpartij valt onder de bereik van artikel 7 lid 1 sub c AWGB.

4.3. Vervolgens dient onderzocht te worden of aannemelijk is geworden dat
bij
het niet aanbieden van een passende woning aan verzoeker zijn afkomst (mede)
een rol heeft gespeeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is
niet
alleen sprake van een door de wet verboden onderscheid wegens ras, als
deze
grond de enige aanleiding vormt voor een ongelijke behandeling, maar tevens
als deze grond mede aanleiding tot een ongelijke behandeling is (Zie onder
meer Commissie gelijke behandeling, 11 februari 1997, oordeel 97-17.).
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

Verzoeker stelt dat hij sinds 1986 bij de wederpartij als woonwens
woningzoekende is ingeschreven en dat ondanks zo’n lange wachttijd aan
hem
geen passende woning is aangeboden. De Commissie stelt vast dat personen
die
zich bij de wederpartij willen inschrijven zich op een tweetal manieren
kunnen laten registreren. De keuze of men wil worden ingeschreven als zijnde
urgent woningzoekende dan wel woonwens woningzoekende wordt aan de
woningzoekende zelf overgelaten. De wederpartij heeft hierin slechts een
adviserende rol.

De wachttijd binnen de groep van woonwens woningzoekende hangt weer af
van de
opgegeven woonwensen van de woningzoekende.
Bij het laten registreren van de woonwensen van de woningzoekende heeft
de
wederpartij tevens een adviserende rol.
De wachttijd voor een passende woning hangt dus af van de wijze waarop
een
woningzoekende zich bij de wederpartij heeft laten registreren.

4.4. De wederpartij garandeert dat een urgent woningzoekende binnen één
jaar
een woning kan betrekken die voldoet aan de eisen die zijn gesteld door
de
GMD. Verzoeker heeft niet voor deze optie gekozen vanwege het feit dat
hij de
kans liep dat hij niet zou komen te wonen in één van de woonwijken van
zijn
voorkeur.
Voorts is verzoeker door de wederpartij op de hoogte gesteld dat hij, gezien
zijn woonwensen, geconfronteerd zou worden met een zeer lange wachttijd.
Desondanks heeft verzoeker zijn registratie als woonwens woningzoekende,
met
zeer specifieke wensen omtrent de grootte, de ligging en de huurprijs van
de
woning gehandhaafd.
Uit het bovenstaande valt af te leiden dat verzoeker onder de gegeven
omstandigheden het risico kon lopen van een lange wachttijd.

4.5. Verzoeker voert aan dat er wel passende woningen beschikbaar waren,
doch
de wederpartij deze niet aan hem heeft aangeboden. Verzoeker had onder
meer
als woonwens kenbaar gemaakt dat hij een woning wilde betrekken die groter
is
dan zijn huidige woning en die minimaal zeven slaapkamers zou hebben.
Op grond van de verklaringen van de wederpartij stelt de Commissie vast
dat
er in het bestand van de wederpartij een schaarste is aan woningen voor
grote
gezinnen. Voorts dat dit schaarste probleem wordt versterkt doordat verzoeker
heeft geopteerd voor slechts twee van de veertig woonwijken in Maastricht.
Gezien de woonwensen van verzoeker en de schaarste aan woningen voor grote
gezinnen heeft de wederpartij verzoeker in aanmerking laten komen voor
woningen van vijf of meer kamers in de door verzoeker opgegeven woonwijken.
In de periode 1994-1995 heeft de wederpartij aan verzoeker drie keer een
woning aangeboden. Alle drie de aangeboden woningen betroffen tenminste
een
vijf kamerwoning. De eerst aangeboden woning had slechts vier slaapkamers
en
voldeed daarmee niet aan de eisen van de GMD.
Voor wat het standpunt van verzoeker betreft dat hij de wederpartij meerdere
malen gewezen heeft op het feit dat er geschikte woningen vrij zouden komen,
heeft de wederpartij met voldoende redenen omkleed aangegeven waarom deze
woningen niet aan verzoeker zijn aangeboden.

4.6. Het geheel overziend is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
voldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat het niet toewijzen van een passende
woning, gelet op het schaarse aanbod, te wijten was aan de cumulatie van
specifieke woonwensen van verzoeker. Derhalve komt de Commissie tot de
conclusie dat niet aannemelijk is geworden dat de etnische afkomst van
verzoeker (mede) een rol heeft gespeeld bij het niet aanbieden van een
passende woning aan verzoeker.

4.7. Aanbeveling van de Commissie

De Commissie constateert dat in de onderhavige zaak bij verzoeker
onduidelijkheden over de realisatie van zijn woonwensen zijn gerezen,
waardoor bij hem de indruk is ontstaan dat er sprake is van onderscheid
op
grond van ras. De wederpartij maakt bij het aanbieden van woningen gebruik
van het zogenoemde “distributiemodel” van woningtoewijzing. Dit heeft tot
consequentie dat er een extra schakel wordt gecreëerd tussen een vrijgekomen
woning en een woningzoekende. Door deze extra schakel kan de woningzoekende
uiteindelijk niet zelf beoordelen of een woning voldoet aan zijn woonwensen.
In het zogenoemde “Delftse model” van woningtoewijzing worden door de
woningcorporatie in een woningkrant vrijgekomen woningen aangeboden. Een
woningzoekende kan reageren op een vrijgekomen woning en maakt zelf de
afweging of een woning passend is of niet.
Onduidelijkheden over de realisatie van woonwensen van een woningzoekende,
zoals in onderhavige zaak, zullen dan minder snel optreden.
De Commissie beveelt de wederpartij aan haar woningtoewijzingsbeleid op
een
vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.

5 HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat het
Woningbureau Maastricht te Maastricht jegens de heer
M. B. te Maastricht geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals
bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 augustus 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker exploiteert een benzinestation. Een van zijn werknemers (de
belanghebbende) wil ouderschapsverlof opnemen. Over de wijze waarop het
ouderschapsverlof kan worden ingevuld verschilt verzoeker van mening met
de
belanghebbende. Verzoeker wil de werktijden van de belanghebbende niet
aanpassen aan de openingstijden van het kinderdagverblijf. De Commissie
stelt
vast dat verzoeker geen direct onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt, omdat de grond voor het onderscheid is gelegen in het waarborgen
van
de continuïteit van de bedrijfsvoering bij verzoeker. De Commissie
constateert dat sprake is van indirect onderscheid waarvoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond aanwezig is.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 juli 1997 verzocht de heer L. N. te Nieuwe-Tonge (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over
de vraag of hij onderscheid maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoeker is vennoot van een vennootschap onder firma (v.o.f.) die
een
benzinestation exploiteert. Hij heeft vier werknemers in dienst die in
ploegendiensten de werkzaamheden verrichten. Een werkneemster is recentelijk
bevallen en wil per 28 augustus 1997 ouderschapsverlof opnemen. De
wederpartij verschilt van mening met deze werkneemster over de wijze waarop
het ouderschapsverlof kan worden ingevuld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek om een oordeel over eigen handelen
in
behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft de Commissie
verzocht om een spoedprocedure toe te passen. De Commissie heeft dit verzoek
ingewilligd.

Verzoeker heeft zijn standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens is verzoeker opgeroepen om te verschijnen op een zitting
van
de Commissie op 5 augustus 1997.
Voor deze zitting heeft de Commissie tevens de betreffende werkneemster
als
belanghebbende opgeroepen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. L. N.
– dhr. B.A.M. Oostdam (gemachtigde)

in de hoedanigheid van belanghebbende
– mw. B.A. M.
– dhr. mr. J. Bel (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker exploiteert een benzinepompstation.
Het benzinepompstation is in principe geopend van maandag tot en met zaterdag
van 6.00 uur tot 22.00 uur. De werkzaamheden aan de benzinepomp worden
in
ploegendiensten uitgevoerd door vier vrouwelijke werknemers. Deze werknemers
zijn werkzaam in vier verschillende diensten, welke staan vermeld in een
brief van 23 april 1997 over de werkafspraken per 1 april 1996 tussen
verzoeker en werknemers. Over de diensten staat het volgende in deze brief
opgenomen:

“… A. De ochtenddienst van 06.00 uur tot 11.00 uur op maandag t/m zaterdag
(hierna: ma. t/m za.)
B. De middagdienst van 11.00 tot 16.00 uur op ma. t/m za.
C. De avonddienst van 16.00 uur tot 22.00 uur op ma. t/m za.
D. De dagdienst van 13.00 uur tot 19.00 uur op ma. t/m za.
van 11.00 uur tot 19.00 uur op za.

Bij een 38 urige werkweek bedraagt het aantal daadwerkelijke werkuren bij
een
volledige bezetting van 4 werknemers:
A. Ochtenddienst: 30 uur
B. Middagdienst: 30 uur
C. Avonddienst: 36 uur
D. Dagdienst: 38 uur
Totaal aantal werkuren 134 uur per 4 weken = 33,50 uur per week

In overleg tussen werknemers en werkgever is besloten dat iedere werknemer
na
een middagdienst eens per 4 weken een vrije zaterdag heeft. Dit impliceert
dat de werkweek bij een volledige bezetting van 4 werknemers momenteel
als
volgt is:
A. Ochtenddienst: 33 uur, 3 uur extra op zaterdag van 06.00 uur tot 14.00
uur
B. Middagdienst: 25 uur
C. Avonddienst: 33 uur, 3 uur extra op zaterdag van 14.00 tot 22.00 uur
D. Dagdienst: 38 uur
Totaal aantal werkuren 129 uur per 4 weken = 32,25 uur per week

Bovengenoemd schema blijft intact zolang er een bezetting is van 4
werknemers. Bij ziekte en vakanties van 1 der medewerkers zullen de
werktijden als volgt worden ingevuld door 3 werknemers:
A. Ochtenddienst: van 06.00 uur tot 14.00 uur op ma. t/m za.
B. Middagdienst: van 14.00 uur tot 22.00 uur op ma. t/m vrij.
C. Dagdienst: van 13.00 uur tot 19.00 uur op ma. t/m vrij.
van 14.00 uur tot 22.00 uur op zaterdag

Dit schema blijft intact bij minimaal 3 werknemers, bij vakantie en ziekte
door 2 werknemers zullen de werktijden van de overige 2 werknemers als
volgt
worden ingevuld:
A. Ochtenddienst: van 06.00 uur t/m 14.00 uur op ma. t/m za.
B. Middagdienst: van 14.00 uur t/m 22.00 uur op ma. t/m za.

Conform de steeds geldende afspraak zal er een verrekening van uren
plaatsvinden per kalenderjaar volgens het onderstaande principe: Is er
aan de
hand van de urenstaten meer gewerkt dan gemiddeld 38 uur per week door
een
der werknemers, dan zullen de meeruren uitbetaald worden. Is er aan de
hand
van de urenstaten minder gewerkt dan gemiddeld 38 uur per week door een
der
werknemers dan zal er geen terugbetaling worden verlangt…”

“… Overeengekomen werd dat de werknemers in verband met het overdragen
van
de kas steeds een half uur eerder op het bedrijf aanwezig zijn, zodat de
diensten ook daadwerkelijk eindigen om 11.00 en 16.00 uur.”

In de brief van 23 april 1997 wordt voorts nog met klem gesteld, dat de
onderlinge collegialiteit van groot belang is om de werkschema’s te kunnen
uitvoeren.

Sinds 27 juni 1988 is mevrouw B.A. M. (hierna: belanghebbende) als
benzinepompbediende voor 38 uur per week bij verzoeker in dienst. Zij is
op
26 mei 1997 bevallen. Op 6 mei 1997 heeft zij verzoeker schriftelijk gemeld
met ingang van 28 augustus 1997, gedurende zes maanden, ouderschapsverlof
op
te willen te nemen in aansluiting op haar zwangerschaps- en bevallingsverlof
en haar daarop volgend vakantieverlof. In die periode wil zij 20 uur per
week
werken. Zij geeft daarbij aan dat kinderopvang regelbaar is via een
kinderdagverblijf dat geopend is op werkdagen van 06.30-19.00 uur.
Bij brief van 18 juni 1997 heeft verzoeker ingestemd met het
ouderschapsverlof en aan belanghebbende een voorstel gedaan voor het
werkschema gedurende het ouderschapsverlof. Het voorstel is gebaseerd op
de
gedachte dat belanghebbende om de dag werkt, volgens de gebruikelijke
diensten. Hierbij sluiten de voorgestelde werktijden van belanghebbende
niet
aan bij de openingstijden van het kinderdagverblijf. Belanghebbende heeft
verzoeker gevraagd haar werktijden aan te passen aan de openingstijden
van
het kinderdagverblijf. Verzoeker is hiertoe niet bereid om
bedrijfsorganisatorische redenen.

Tijdens of na afloop van de briefwisseling tussen verzoeker en belanghebbende
is verder geen overleg meer geweest, over mogelijke andere invullingen
van
het ouderschapsverlof.

3.2. Het standpunt van verzoeker

Verzoeker stelt het volgende.
Vanwege bedrijfsorganisatorische redenen kan verzoeker niet voldoen aan
het
verzoek van belanghebbende haar werktijden, gedurende haar ouderschapsverlof,
aan te passen aan de openingstijden van het kinderdagverblijf. Belanghebbende
zal dan ook gedurende de periode van haar ouderschapsverlof in
ploegendiensten moeten werken.
Het werkschema dat bij brief van 18 juni 1997 aan belanghebbende is
meegedeeld, waarbij belanghebbende om de dag moet werken met inzet van
een
uitzendkracht op de andere dag, is het hoogst haalbare voor de werkgever.

Verzoeker geeft aan, dat reeds jaren bekend is dat er zowel in ochtend-,
middag-, avond-, en dagdiensten wordt gewerkt. Een andere organisatie van
de
diensten was in het verleden en is ook nu nog steeds niet mogelijk. Gebroken
diensten zijn eveneens niet mogelijk omdat er anders een onevenredig nadeel
ontstaat voor collega’s. De vrije tijd van de overige werknemers komt dan
in
het gedrang. Er is in de regio geen uitzendbureau bereid gevonden om te
voorzien in gebroken diensten, waarbij tijdelijk personeel ingezet moet
worden voor korte perioden (bijvoorbeeld drie kwartier). Er zou dan sprake
zijn van onevenredig lange reistijden in verhouding tot de werktijd. In
het
schema dat normaal werd aangehouden werkte belanghebbende gemiddeld 32,25
uur
per week met één vrije zaterdag per vier weken. Het werkschema gedurende
het
ouderschapsverlof ziet er dan in het voorstel van verzoeker als volgt uit:

Dag Week 1 Week 2 Week 3 Week 4
(6-11) (11-7) (11-4) (4-10) (13-7)
Maandag 5 uur 5 uur
Dinsdag 6 uur 6 uur
Woensdag 5 uur 5 uur
Donderdag 6 uur 6 uur
Vrijdag 5 uur 5 uur
Zaterdag 8 uur 8 uur
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Totaal 15 uur 20 uur 15 uur 20 uur
=============================================

Verzoeker heeft bij het opstellen van het rooster geen rekening gehouden
met
de per 1 juli 1997 ingegane herziening van de wettelijke regeling met
betrekking tot het ouderschapsverlof. Op grond van deze regeling is het
mogelijk om ook minder dan 20 uur te werken gedurende het ouderschapsverlof
en is zelfs een voltijds verlof van drie maanden niet uitgesloten.

3.3. Het standpunt van belanghebbende

Belanghebbende brengt naar voren dat zij bereid is zich aan te passen aan
de
eisen van de werkgever, mits zij haar werktijden kan combineren met de
openingstijden van het kinderdagverblijf. Zij ziet anders onoverkomelijke
problemen met kinderopvang. Haar partner werkt zes dagen per week en het
kinderdagverblijf heeft te kennen gegeven dat gastouderopvang in de vroege
ochtend niet eenvoudig te regelen is. Sinds zij het voorstel van verzoeker
heeft ontvangen, heeft zij nog geen tijd en ruimte gehad om andere
mogelijkheden te zoeken. Ook heeft zij zich nog niet verdiept in de
oplossingen die zij na afloop van het ouderschapsverlof zou kunnen vinden
voor het feit, dat de werktijden van de dienstroosters niet overeenstemmen
met de openingstijden van het kinderdagverblijf. Zij denkt dat
gastouderopvang wellicht toch een mogelijkheid is.
De door verzoeker geuite bezwaren kan zij zich wel voorstellen. Zij voorziet
ook wel problemen als haar collega’s de diensten op inconveniënte vroege
en
late uren moeten opvangen gedurende een periode van zes maanden. Zij is
evenwel van mening dat verzoeker met haar in overleg had kunnen treden
om een
oplossing te vinden. Het zou ook wel mogelijk zijn om voor korte periodes
uitzendkrachten te vinden, al weet zij niet of dat ook in de omgeving van
verzoeker het geval is.
Zij was niet op de hoogte van de ruimere mogelijkheden die er per 1 juli
1997
zijn gekomen voor de invulling van het ouderschapsverlof (anders dan
gedurende zes maanden voor de helft van de werktijd) en wil nadenken over
een
mogelijk alternatief.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of verzoeker onderscheid op grond van geslacht
maakt als bedoeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door de
werktijden van belanghebbende, gedurende haar ouderschapsverlof, niet aan
te
passen aan de openingstijden van het kinderdagverblijf.

Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wettelijke bepalingen
van belang.

Artikel 7:646 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere dat de
werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in de
arbeidsvoorwaarden. Onder onderscheid wordt zowel direct als indirect
onderscheid tussen mannen en vrouwen verstaan. Onder indirect onderscheid
wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij
dit
onderscheid objectief gerechtvaardigd is (artikel 1 juncto artikel 6 WGB).
Er
is sprake van indirect onderscheid indien het nadelig effect van een
maatregel in overwegende mate personen van één geslacht treft, terwijl
daarvoor geen objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebaüdereinigung GmbH & Co.KG, zaak 171/88,
13 juli 1989.).

4.2. Op 1 januari 1991 is de Wet op het ouderschapsverlof in werking getreden
(Stb. 1990, 562). Deze wet geeft zowel werknemers in de private sector
als
degenen werkzaam in dienst van een publiekrechtelijk lichaam het recht
gedurende een bepaalde periode (maximaal 6 maanden) onbetaald
ouderschapsverlof op te nemen. In artikel 7:644 BW is dit recht vastgelegd.
Lid 6 van dit artikel bepaalt dat de werkgever tot 4 weken voor de
ingangsdatum van het ouderschapsverlof de spreiding van het aantal uren
over
de week kan wijzigen. Per 1 juli 1997 is de Wet op het ouderschapsverlof
en
het BW met betrekking tot het ouderschapsverlof gewijzigd (Wet van 25 juni
1997, Stb. 1997, 266). Artikel 7:644 lid 4 luidt nu als volgt: Het verlof
wordt opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste zes
maanden. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft
van de
arbeidsduur per week. In afwijking van de eerste danwel de tweede volzin
kan
de werknemer de werkgever verzoeken om verlof voor een langere periode
dan
zes maanden onderscheidenlijk om meer uren verlof per week dan de helft
van
de arbeidsduur per week. De werkgever stemt in met het verzoek tenzij
gewichtige redenen zich daartegen verzetten.

Wellicht ten overvloede wijst de Commissie erop, dat het niet tot haar
taak
behoort om te toetsen of op de juiste wijze invulling is gegeven aan de
wettelijke bepalingen betreffende het ouderschapsverlof. De taak van de
Commissie is om te beoordelen of verzoeker door voorwaarden te stellen
aan de
wijze waarop belanghebbende gebruik maakt van het ouderschapsverlof handelt
in overeenstemming met de wetgeving gelijke behandeling.

4.3. Eerst komt de vraag aan de orde of verzoeker door geen gehoor te geven
aan het verzoek van belanghebbende om haar werktijden aan te passen aan
de
openingstijden van het kinderdagverblijf direct of indirect onderscheid
naar
geslacht heeft gemaakt.

De Commissie stelt vast dat verzoeker geen direct onderscheid op grond
van
geslacht heeft gemaakt. Daarvan zou immers slechts sprake zijn, indien
aannemelijk is dat de reden voor de afwijzing van het verzoek van
belanghebbende gelegen is in het geslacht van belanghebbende. Dat is in
casu
niet het geval.

4.4. Vervolgens is de vraag aan de orde of er sprake is van indirect
onderscheid.
Uit de Enquête Beroepsbevolking welke gehouden is door het Centraal Bureau
voor de Statistiek blijkt, dat relatief meer vrouwen dan mannen een beroep
doen op de Wet op het ouderschapsverlof.
Gemiddeld 165.000 mannen en 66.000 vrouwen konden in de jaren 1994-1996
ouderschapsverlof opnemen. Van alle mannen die recht hadden op
ouderschapsverlof heeft 10% daadwerkelijk ouderschapsverlof opgenomen,
van
alle vrouwen met recht op ouderschapsverlof 41%. Ruim viermaal zoveel vrouwen
als mannen maakten dus gebruik van het recht op ouderschaps-verlof.
Bovenstaande cijfers rechtvaardigen de conclusie dat het weigeren van (een
bepaalde invulling van) ouderschapsverlof relatief meer vrouwen dan mannen
zal treffen, en dat er derhalve sprake is van indirect onderscheid naar
geslacht. Bij verzoeker werken bovendien uitsluitend vrouwen dus ook in
het
onderhavige geval zal het stellen van voorwaarden uitsluiten vrouwen kunnen
treffen.

Vervolgens rijst de vraag of dit onderscheid objectief gerechtvaardigd
is.
Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond wordt verstaan (Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen, Jengkins versus Kingsgate, 31 maart 1981,
zaak 96/80, Jur. 1981, p. 911; Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak
170/84, Jur. 1986, p. 1620; Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989,
zaak 171/88, Jur. 1989, p. 2757.):
– dat aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is;
– de ter bereiking van het doel gekozen middelen dienen te
beantwoorden aan een werkelijke behoefte (van de onderneming); en
– daarvoor ook geschikt en noodzakelijk zijn.

Het doel van de onderhavige voorwaarde is gelegen in het waarborgen van
de
continuïteit van de bedrijfsvoering bij verzoeker. In dit kader is mede
van
belang dat de personeelsbezetting tijdens de openingstijden op een zodanige
manier is gewaarborgd dat de onderlinge verhoudingen niet verstoord worden.
Dit doel is op zich niet discriminerend.

Het middel in het onderhavige geval is het hanteren van en vasthouden aan
specifieke dienstroosters. Dit middel kan geschikt geacht worden om gedurende
de relatief lange openingstijden te zorgen voor personeelsbezetting met
een
redelijke spreiding van inconveniënte diensten. De vraag rijst evenwel
of de
wijze waarop het middel in het onderhavige geval is toegepast ook
noodzakelijk is. Daarbij stelt de Commissie vast dat het verzoek van
belanghebbende is gedaan vóór de recente wijzigingen van de regelgeving
met
betrekking tot het ouderschapsverlof. Onder de vóór 1 juli 1997 geldende
wettelijke normen, was een verlof voor minder dan 20 uur niet mogelijk.
De
Commissie acht voldoende aannemelijk gemaakt dat een andere wijze van
indeling van het ouderschapsverlof voor verzoeker onder die voorwaarde
onoverkomelijke problemen met zich had gebracht. Het is immers onmogelijk
om
op de betreffende locatie bij onderbroken werktijden aanvullende
uitzendarbeid in te huren, waardoor voor de resterende collega’s onevenredig
nadeel zou ontstaan. Dit laatste is door belanghebbende ook onderschreven.
De omstandigheden van dat moment boden derhalve verzoeker geen ruimte voor
andere oplossingen.
De Commissie concludeert dat het gehanteerde middel geschikt en noodzakelijk
is, waarmee is vastgesteld dat er sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte indirecte onderscheid naar geslacht.

De nieuwe wettelijke regeling voor het ouderschapsverlof, die in werking
is
getreden na de reactie van verzoeker op het door belanghebbende gedane
voorstel voor ouderschapsverlof, biedt evenwel meer mogelijkheden voor
een
flexibele invulling van de werktijden (in die zin dat belanghebbende alleen
werkt in de weken waarin haar rooster wel valt binnen de openingstijden
van
het kinderdagverblijf, dus bijvoorbeeld om de vier weken de dienst van
11-16
uur doet, waarbij de resterende ononderbroken diensten met behulp van
uitzendkrachten worden ingevuld), danwel een voltijds verlof van drie
maanden. Aangezien belanghebbende te kennen heeft gegeven een alternatief
voorstel te willen overwegen om aan de bezwaren van verzoeker tegemoet
te
komen, beveelt de Commissie verzoeker aan hierover met belanghebbende in
overleg te treden, teneinde te onderzoeken of binnen thans geldende ruimere
wettelijke kaders een regeling gevonden kan worden waarbij de bezwaren
van
belanghebbende worden ondervangen. Uit het bovenstaande kan immers afgeleid
worden dat het stellen van voorwaarden aan de werktijden gedurende het
ouderschapsverlof op zich is toegestaan maar dat verzoeker steeds zal moeten
aangeven waarom het objectief gerechtvaardigd is om een bepaald voorstel
van
een werknemer af te wijzen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de heer L. N. te Nieuwe-Tonge
bij het verlenen van ouderschapsverlof geen onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 7:646 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer),, dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 12 augustus 1997

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Partijen zijn niet met elkaar gehuwd. De vrouw is zwanger. Het kind wordt
geboren binnen 306 dagen na echtscheiding. Eisers willen dat in het
geboorteregister de geslachtsnaam van de biologische vader wordt opgenomen
met achterwegelating van de geslachtsnaam van de ex-echtgenoot.
Volgens de rechter is er sprake van een gezinsleven tussen het kind en
de
biologische vader. Voor de geboorte van het kind heeft de wettige vader
het
vaderschap ontkend en bij diezelfde akte heeft de biologische vader het
kind
erkend.
Dientengevolge wordt de biologische vader als de vader van het kind in
de
geboorteakte vermeld. Daarbij zal echter aan de geboorteakte een latere
vermelding moeten worden toegevoegd betreffende de ontkenning van het
vaderschap en de gelijktijdige erkenning, echter zonder vermelding op de
geboorteakte van de geslachtsnaam van de ex-echtgenoot. Anders zou afbreuk
worden gedaan aan het geldende stelsel dat is gebaseerd op vastlegging
van de
historische gang van zaken, openbaarheid en nauwkeurige aansluiting bij
de
wet.

Volledige tekst

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet
weersproken, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van de
producties, het volgende vast.

1.1. V. is gehuwd geweest met R.S., welk huwelijk is ontbonden op 28 juli
1997 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers
van
de Burgerlijke Stand.

1.2. V. woont sedert december 1996 samen met D.H.

1.3. Bij akte van 29 juli 1997, opgemaakt door de ambtenaar van de
Burgerlijke Stand (BS) van de Gemeente Dongeradeel heeft V. verklaard het
vaderschap van R.S. betreffende het kind, waarvan zij toen in verwachting
was, te ontkennen, – terwijl D.H. bij diezelfde akte dit kind heeft erkend.

1.4. Op zondag 10 aug. 1997 is V. in de gemeente Dongeradeel bevallen van
een
kind van het vrouwelijk geslacht.

1.5. V. en D.H. wensen (thans) niet met elkaar in het huwelijk te treden.

Het geschil

2.1. V. en D.H. vorderen, dat de ambtenaar van de BS van de gemeente
Dongeradeel zal worden veroordeeld om in de geboorte-akte betreffende het
op
10 aug. 1997 uit V. geboren kind D.H. als vader te vermelden, om in die
akte
als geslachtsnaam van dit kind “D.H.” te vermelden en de registratie van
S.
als de vader in die akte achterwege te laten.

2.2. V. en D.H. stellen, dat zij bij deze vordering een spoedeisend belang
hebben, nu de aangifte van deze geboorte binnen 3 dagen na de geboorte
dient
plaats te vinden.

2.3. Zij baseren hun vordering er op, dat de in art. 1:198 lid 3 BW gestelde
huwelijkseis – zonder welke de erkenning geen gevolg kan hebben – een
ontoelaatbare inbreuk maakt op het gezinsleven en derhalve in strijd is
met
art. 8 EVRM. Zij stellen zich op het standpunt, dat er nu reeds sprake
is van
een gezinsband van D.H. met het kind, nu hij al geruime tijd met V.
samenleeft, het kind heeft verwekt en in al zijn doen en laten zich als
de
vader van dit kind gedraagt.

2.4. De ambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld, dat het niet aan
hem
als ambtenaar BS is om te bepalen, of in deze zaak kan worden gesproken
van
“family life” in de zin van art. 8 EVRM. Hij verwijst naar de afspraken
van
het Openbaar Ministerie en ambtenaren BS in het arrondissement Leeuwarden,
waarbij is afgesproken dat de ambtenaar BS niet zal bepalen of er in een
bepaald geval sprake is van “family life” en dat dit is voorbehouden aan
de
rechterlijke macht.

Beoordeling van het geschil

3.1. Naar het voorlopig oordeel van de president is in deze zaak sprake
van
een spoedeisend belang, nu de gevraagde maatregel zinloos is wanneer de
geboorte-akte eenmaal is opgemaakt, hetgeen binnen drie dagen na de geboorte
dient te geschieden.

3.2. Naar het voorlopig oordeel van de president is in het onderhavige
geval
duidelijk sprake van een (prenataal) gezinsleven tussen D.H. en het inmiddels
geboren kind.

3.3. Nu de vrouw bij akte, opgemaakt door de ambtenaar BS, op 29 juli 1997
het vaderschap van S. heeft ontkend en D.H. bij diezelfde akte het kind
heeft
erkend en er tevens van moet worden uitgegaan dat er sprake is van een
gezinsband tussen D.H. en het kind, komt daardoor vast te staan dat D.H.
thans als de vader van het op 10 aug. 1997 uit V. geboren kind dient te
worden beschouwd. Immers volgens HR 17 sept. 1993, NJ 1994, 373 m.nt. EAA
heeft de door V. en D.H. op 29 juli 1997 voor de ambtenaar BS afgelegde
verklaring rechtsgevolg, ook zonder dat er tussen hen (binnen een jaar
na de
geboorte) een huwelijk tot stand komt. Dit betekent, dat thans D.H. als
de
vader van het kind in de geboorte-akte dient te worden vermeld.

3.4. Daarbij zal echter een latere vermelding aan de geboorteakte moeten
worden toegevoegd betreffende de ontkenning van het vaderschap door V.
met
gelijktijdige erkenning door D.H., echter zonder vermelding
op de
geboorte-akte van de naam van S. Zou deze latere vermelding niet geschieden,
dan zou afbreuk worden gedaan aan het in Nederland geldende stelsel van
de
Burgerlijke Stand, dat is gebaseerd op vastlegging van de historische gang
van zaken, openbaarheid en nauwkeurige aansluiting bij de geldende wet
(zie
noot sub 9 prof. mr. J. de Boer onder HR 20 okt. 1995, NJ 1996, 174).
Vermelding van de naam S. in deze latere vermelding is niet noodzakelijk
in
het licht van de door het stelsel van de Burgerlijke Stand beschermde
belangen, maar zou daarentegen wel een inbreuk betekenen op het belang,
dat
V. c.s. hebben op bescherming van hun privéleven en – in het verlengde
daarvan – hun familie- en gezinsleven.

3.5. De president overweegt ten overvloede, dat op 20 juni 1997 onder
rolnummer 154/97 in kort geding door de president in deze rechtbank een
andersluidende beslissing is gegeven in een bijna identieke zaak. De
onderhavige zaak verschilt echter met dit eerder besliste geschil in die
zin
dat in deze zaak reeds voor de geboorte een akte van ontkenning en erkenning
is opgemaakt, hetgeen niet het geval was in de zaak, berecht bij het vonnis
van 20 juni 1997.

4.1. Nu de ambtenaar BS door op voorhand te weigeren de geboorte-akte op
de
hierboven omschreven wijze op te maken niet anders heeft gedaan dan de
uitvoering van zijn wettelijke plicht in het raam van de voor hem geldende
regels en afspraken, dient hij niet te worden veroordeeld in de kosten
van
dit geding, zodat op dit punt de vordering zal worden afgewezen.

Beslissing

De president, rechtdoende in kort geding:
gebiedt de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de Gemeente Dongeradeel

a. bij het opmaken van de geboorte-akte van het kind, dat op 10 aug. 1997
uit
V. is geboren, D.H. te vermelden als de vader van dit kind en als
geslachtsnaam van dit kind de geslachtsnaam D.H. te vermelden;

b. de registratie van S. als de vader van dit kind in deze akte achterwege
te
laten;

c. aan deze aldus opgemaakte geboorte-akte een latere vermelding toe te
voegen, dat de moeder bij akte van 29 juli 1997, opgemaakt door de ambtenaar
van de Burgerlijke Stand van de Gemeente Dongeradeel, het vaderschap heeft
ontkend van de man van wie zij blijkens inschrijving in de registers van
de
Burgerlijke Stand van de Gemeente Dantumadeel op 28 juli 1997 van echt
is
gescheiden en dat D.H. gelijktijdig bij diezelfde akte van 29 juli 1997
het
kind heeft erkend;

d. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

e. wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr Vos

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 7 augustus 1997

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


Vrouw – Syrische nationaliteit – huwt op 27 juli 1993 met K, die de
Nederlandse nationaliteit bezit. Ingaande 13 augustus 1993 heeft zij een
verblijfsvergunning voor verblijf bij echtgenoot. Op 19 oktober 1994 wordt
hun (Nederlandse) zoon geboren. In verband met ernstige mishandeling en
bedreigingen verlaat zij, in oktober 1995, haar echtgenoot. Zij doet aangifte
van mishandeling. Op 20 oktober 1995 wordt het huwelijk feitelijk verbroken.
De man verspreidt vervolgens het gerucht dat zij een relatie heeft met een
andere man, zodat zij als overspelige vrouw wordt gezien. Zij wordt door
mannelijke familieleden met de dood bedreigd en kan daarom niet terug naar
Syrië. De IND verleent haar een zelfstandige verblijfsvergunning, echter niet
op grond van het dreigend geweld, maar op grond van artikel 8 EVRM omdat door
de rechter een omgangsregeling is vastgesteld voor de vader van haar kind.

Volledige tekst

Op 23 februari heeft de vreemdelinge, van Syrische nationaliteit, K. N.,
geboren op 28 juli 1968, bij de korpschef van Utrecht een aanvraag ingediend
om verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende vergunning tot
verblijf, alsmede een aanvraag om wijziging van de beperking waaronder de
vergunning tot verblijf is verleend.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet kan de verlenging
van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf worden geweigerd op
aan het algemeen belang ontleende gronden.

Betrokkene is op 29 april 1993 Nederland ingereisd. Betrokkene is op 27 juli
1993 gehuwd met A. K., van Nederlandse nationaliteit. Op 13 augustus 1993
heeft betrokkene een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf, met
als doel “verblijf bij Nederlandse echtgenoot A. K.’, waarna zij op 13
augustus 1993 in het bezit is gesteld van de gevraagde vergunning, geldig tot
13 augustus 1994. Deze vergunning tot verblijf is laatstelijk verlengd tot 13
augustus 1996.

Betrokkene heeft verklaard dat zij op 20 oktober 1995 bij A. K. is weggegaan
en op een ander adres is gaan wonen. Gebleken is dat betrokkene sinds 30
november 1995 op een ander adres dan A. K. staat ingeschreven in de
Gemeentelijke Basisadministratie te Utrecht. Gelet hierop kan het huwelijk,
op grond waarvan verblijf was toegestaan, geacht worden feitelijk te zijn
verbroken op 20 oktober 1995. Bij vonnis van 24 juli 1996 is de echtscheiding
uitgesproken. Dit vonnis is op 4 september 1996 ingeschreven in de registers
van de Burgerlijke Stand.

Gelet op het vorenstaande voldoet betrokkene niet meer aan de beperking
waaronder een vergunning tot verblijf is verleend.

Het beleid ten aanzien van in Nederland toegelaten huwelijkspartners die in
het bezit zijn geweest van een afhankelijke verblijfstitel, zoals betrokkene,
houdt onder meer in dat dezen, na verbreking van het huwelijk, in aanmerking
kunnen komen voor een zelfstandige verblijfstitel. Het huwelijk dient dan
echter voor de ontbinding of ontwrichting reeds drie jaar te hebben bestaan,
waarvan ten minste één jaar direct voorafgaande aan de ontbinding of
ontwrichting tijdens een op grond van artikel 9 of 10 van de Vreemdelingenwet
toegestaan verblijf in Nederland.

Betrokkene kan aan het boven weergegeven beleid geen aanspraak op voortgezet
verblijf hier te lande ontlenen, aangezien zij niet voldoet aan de hiervoor
gestelde eis met betrekking tot de duur van het huwelijk.

Uit het huwelijk tussen betrokkene en A. K. is op 19 oktober 1994 een zoon
geboren, te weten S. K. Dit kind bezit de Nederlandse nationaliteit. Bij
vonnis van 4 september 1996, waarbij de echtscheiding is uitgesproken tussen
betrokkene en A. K., is tevens bepaald dat A. K. recht heeft op omgang met
zijn zoon gedurende één dag per drie weken. Betrokkene heeft verklaard dat
door A. K. daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven aan deze omgangsregeling.

Gelet hierop bestaat aanleiding de geldigheidsduur van de op 13 augustus 1993
aan betrokkene verleende vergunning tot verblijf te verlengen onder
gelijktijdige wijziging van de beperking waaronder de vergunning tot verblijf
is verleend.

Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40);

BESLUIT:

de geldigheidsduur van de op 13 augustus 1993 aan betrokkene verleende
vergunning tot verblijf te verlengen tot 20 oktober 1996, onder gelijktijdige
verlenging van geldigheidsduur tot 18 augustus 1998, onder gelijktijdige
wijziging van de beperking in “in verband met het uitoefenen van gezinsleven
in de zin van artikel 8 EVRM kind met vader”, met ingang van 20 oktober 1995.

Rechters

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 7 augustus 1997

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


De vrouw is binnen haar huwelijk zwaar mishandeld. Voor de vrouw is geen
opvang in het land van herkomst, Syrië, aanwezig. Tussen de vader en het kind
bestaat een omgangsregeling. De vader ziet het kind eenmaal per drie weken.
Dit is in casu voldoende om aan de vrouw een verblijfsvergunning te
verstrekken op grond van artikel 8 EVRM.

Volledige tekst

Op 23 februari 1996 heeft de vreemdelinge, van Syrische nationaliteit, B,
geboren op 28 juli 1968, bij de korpschef van Utrecht een aanvraag ingediend
om verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende vergunning tot
verblijf, alsmede een aanvraag om wijziging van de beperking waaronder de
vergunning tot verblijf is verleend.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vreemdelingenwet kan de verlenging
van de geldigheidsduur van een vergunning tot verblijf worden geweigerd op
aan het algemeen belang ontleende gronden.

Betrokkene is op 29 april 1993 Nederland ingereisd. Betrokkene is op 27 juli
1993 gehuwd met K, van Nederlandse nationaliteit. Op 13 augustus 1993 heeft
betrokkene een aanvraag ingediend om een vergunning tot verblijf, met als
doel verblijf bij Nederlandse echtgenoot K, waarna zij op 13 augustus 1993 in
het bezit is gesteld van de gevraagde vergunning, geldig tot 13 augustus
1994. Deze vergunning tot verblijf is laatstelijk verlengd tot 13 augustus
1996.

Betrokkene heeft verklaard dat zij op 20 oktober 1995 bij K is weggegaan en
op een ander adres is gaan wonen. Gebleken is dat betrokkene sinds 30
november 1995 op een ander adres dan K staat ingeschreven in de Gemeentelijke
Basisadministratie te Utrecht. Gelet hierop kan het huwelijk, op grond
waarvan verblijf was toegestaan, geacht worden feitelijk te zijn verbroken op
20 oktober 1995. Bij vonnis van 24 juli 1996 is de echtscheiding
uitgesproken. Dit vonnis is op 4 september 1996 ingeschreven in de registers
van de Burgerlijke Stand.

Gelet op het vorenstaande voldoet betrokkene niet meer aan de beperking
waaronder een vergunning tot verblijf is verleend.

Het beleid ten aanzien van in Nederland toegelaten huwelijkspartners die in
het bezit zijn geweest van een afhankelijke verblijfstitel, zoals betrokkene,
houdt onder meer in dat dezen, na verbreking van het huwelijk, in aanmerking
kunnen komen voor een zelfstandige verblijfstitel.
Het huwelijk dient dan echter voor de ontbinding of ontwrichting reeds drie
jaar te hebben bestaan, waarvan ten minste één jaar direct voorafgaande aan
de ontbinding of ontwrichting tijdens een op grond van artikel 9 of 10 van de
Vreemdelingenwet toegestaan verblijf in Nederland.

Betrokkene kan aan het boven weergegeven beleid geen aanspraak op voortgezet
verblijf hier te lande ontlenen, aangezien zij niet voldoet aan de hiervoor
gestelde eis met betrekking tot de duur van het huwelijk.

Uit het huwelijk tussen betrokkene en K is op 19 oktober 1994 een zoon
geboren, te weten S K. Dit kind bezit de Nederlandse nationaliteit. Bij
vonnis van 4 september 1996, waarbij de echtscheiding is uitgesproken tussen
betrokkene en K, is tevens bepaald dat K recht heeft op omgang met zijn zoon
gedurende één dag per drie weken. Betrokkene heeft verklaard dat door K
daadwerkelijk uitvoering wordt gegeven aan deze omgangsregeling.

Gelet hierop bestaat aanleiding de geldigheidsduur van de op 13 augustus 1993
aan betrokkene verleende vergunning tot verblijf te verlengen onder
gelijktijdige wijziging van de beperking waaronder de vergunning tot verblijf
is verleend.

Gelet op het bepaalde bij en krachtens de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40);

BESLUIT:
de geldigheidsduur van de op 13 augustus 1993 aan betrokkene verleende
vergunning tot verblijf te verlengen tot 20 oktober 1996, onder gelijktijdige
verlenging van geldigheidsduur tot 18 augustus 1998, onder gelijktijdige
wijziging van de beperking in verband met het uitoefenen van gezinsleven in
de zin van artikel 8 EVRM kind met vader, met ingang van 20 oktober 1995.

Rechters

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 31 juli 1997

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Politieagent wordt ervan beschuldigd een aantal vrouwelijke collega’s te
hebben aangerand in werktijd. Hij wordt hiervoor veroordeeld tot vijf maanden
gevangenisstraf waarvan vier maanden voorwaardelijk.
De rechtbank overweegt dat de verdachte in zijn functie van politieambtenaar
de grenzen behoorde te kennen en te respecteren. Een politieambtenaar heeft
ook een voorbeeldfunctie, zeker wanneer het gaat om het tonen van respect
voor anderen.
De vorderingen benadeelde partij worden tot een bedrag van ƒ 500,-
toegewezen.

Volledige tekst

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende
dagvaarding onder voornoemd parketnummer, zoals deze ter terechtzitting
overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.
Van
deze dagvaarding en vordering zijn kopieën in dit vonnis gevoegd (bladzijden
genummerd 1A t/m E).

Dagvaarding van verdachte

naam: K
voornamen: F.R.B.
geboren op: 11 maart 1961 te Rotterdam
wonende te: (….)
adres: (….)

Hierbij dagvaart ik u om als verdachte te verschijnen op vrijdag 02 mei
1997,
te 10.00 uur, ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de
arrondissementsrechtbank te Rotterdam, Wilhelminaplein 125, teneinde terecht
te staan terzake van hetgeen hieronder is omschreven.

Ik verwijs naar de mededelingen onder 1, 3, 5, 6, 8, 9 en 10 op de
achterzijde van dit blad.

Rotterdam, 18 april 1997
De officier van justitie.

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

1. hij in of omstreeks de periode van 1 mei 1996 tot en met 17 februari
1997
te Rotterdam (in het politiebureau Walenburgerweg) en/of (elders in)
Nederland meermalen, althans eenmaal (telkens)
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een vrouw genaamd Br
(telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handeling(en), namelijk het (telkens) * (aan de balie van de
werkverdeler van dat politiebureau)
– voelen aan en/of strijken over en/of knijpen in en/of vastpakken van
de/een
bil(len) van die Br en/of
– met zijn verdachte’s penis en/of (onder)lijf duwen en/of rijden tegen
het
lichaam van die Br,
en/of
* (in de keuken van dat politiebureau)
– voelen aan en/of strijken over en/of het knijpen in en/of vastpakken
van de
borst(en) van die Br en/of
– voelen aan en/of strijken over en/of knijpen in de vagina en/of de
schaamstreek van die Br,
en/of
* in meer/een ruimte(n)/kamer(s) van dat politiebureau duwen tegen en/of
brengen van de hand(en) van die Br naar zijn verdachte’s penis en/of het
laten vastpakken door die Br van zijn verdachte’s penis
met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben (telkens)
bestaan uit
– het onverhoeds en/of opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vastpakken
en/of vasthouden van die Br en/of
– het onverhoeds en/of opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vastpakken
en/of vasthouden van de hand(en) en/of arm(en) van die Br en/of (vervolgens)
brengen en/of duwen van de hand(en) van die Br naar zijn verdachte’s penis;
(G1/1, blz.3, G7/1 blz. 3, G1/1 blz. 5, G1/1 blz. 8, G1/3 blz 3)
(Sr 246)

2. hij in of omstreeks de periode van 1 mei 1994 tot en met 17 februari
1997
te Rotterdam (aan het politiebureau Walenburgerweg) en/of (elders in)
Nederland meermalen, althans eenmaal (telkens)
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging
met
geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een vrouw
genaamd K
(telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handeling(en), namelijk het (telkens)
– duwen tegen en/of brengen van de hand(en) van die K naar zijn verdachte’s
penis
– in of omstreeks de periode eind 1995- begin 1996 in een (verhoorkamer
van
dat politiebureau) brengen van zijn verdachte’s tong in de mond van die
K met
geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met geweld
en/of
de bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben (telkens) bestaan
uit
– het onverhoeds en/of opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vastpakken
en/of vasthouden van die K en/of
– het onverhoeds en/of opzettelijk gewelddadig brengen van zijn, verdachtes,
mond naar de mond van die K en/of
– het onverhoeds en/of opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vastpakken
en/of vasthouden van de hand(en) en/of arm van die K en/of (vervolgens)
brengen en/of duwen van de hand(en) van die K naar zijn verdachte’s penis;
(G2/1 blz 3, A2/2 blz 1 en 2)
(Sr 246)

3. hij in of omstreeks de periode van 1 september 1996 tot en met 17 februari
1997 te Rotterdam (aan het politiebureau Noord) en/of (elders in) Nederland,
meermalen, althans eenmaal (telkens)
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld
en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een vrouw genaamd
D,
(telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handelingen, namelijk het (telkens)
– vastpakken van de/een borst (en) en/of bil(len) van die D en/of
– strijken met zijn, verdachte’s hand(en) over de (blote) rug van die D,
met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld
en/of bedreiging met andere feitelijke(i)d(en) heeft/hebben (telkens) bestaan
uit
– het opzettelijk gewelddadig en/of krachtig die van D op zijn verdachte’s
schoot trekken en/of
-het onverhoeds en/of opzettelijk trekken en/of rukken van de blouse van
die
D uit de broek van die D;
(G3/1 blz 4, G9/1 blz 2, A3/2 blz 2, G30/1 blz 2)
(Sr 246)

4. hij in of omstreeks de periode van 1 mei 1996 tot en met 17 februari
1997
te Rotterdam (aan het politiebureau Walenburgerweg) en/of (elders in)
Nederland meermalen, althans eenmaal (telkens)
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging
met
geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een vrouw
genaamd S
(telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handeling(en), namelijk het (telkens)
– in of omstreeks de periode van 1 juli 1996 tot en met 1 december 1996
(in
de keuken van dat politiebureau) voelen aan en/of strijken over en/of het
knijpen in en/of vastpakken van de borst(en) en/of bil(len) van die S en/of
– voelen aan en/of strijken over en/of het knijpen in en/of vastpakken
van de
borst(en) en/of bil(len) van die S en/of
– duwen tegen en/of brengen van de hand(en) van die S naar zijn verdachte’s
penis
met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en of de bedreiging met
geweld en/of de bedreiging met andere feitleijkhe(i)d(en) heeft/hebben
(telkens) bestaan uit
– het opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vastpakken en/of vasthouden
van
die S en/of
– het opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vastpakken en/of vasthouden
van
de hand(en) en/of arm(en) van die S en/of (vervolgens) brengen en/of duwen
van de hand(en) van die S naar zijn verdachte’s penis;
G 4/1 blz 3, G 4/1 blz 4, G4/2 blz 2, G4/2 blz 4)
(Sr 246)

5. hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1995 tot en met 17 februari
1997 te Rotterdam (in een woning gelegen aan de van der Sluisstraat en/of
aan
het politiebureau Walenburgerweg) en/of (elders in) Nederland meermalen,
althans eenmaal (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)
en/of door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere
feitelijkhe(i)d(en) een vrouw genaamd R
(telkens) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handeling(en), namelijk het (telkens)
– voelen aan en/of strijken over en/of het knijpen in en/of vastpakken
van de
borst(en) en/of de bil(len) van die R en/of
– voelen aan en/of strijken over en/of het knijpen in de vagina en/of de
schaamstreek van die R en/of
– met zijn verdachte’s penis en/of (onder)lijf duwen en/of rijden en/of
neukende bewegingen maken tegen het lichaam van die R
met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en)
en/of bedreiging met geweld en/of de bedreiging met andere
feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben (telkens) bestaan uit het onverhoeds
vastpakken en/of met kracht tegen zijn verdachte’s lijf aandrukken en/of
opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vastpakken en/of vasthouden van
die R;
G8/1 blz 2, G8/1 blz 3, G8/1 blz 4/5, G81 blz 5, G8/1 blz 6, G19/1 blz
3)
(Sr 246)

6. hij in of omstreeks de periode van 1 september 1996 tot en met 1 januari
1997 te Rotterdam
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging
met
geweld en/of door bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand,
te
weten S, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer
ontuchtige handeling(en), namelijk het binnendringen van zijn verdachtes,
tong in de mond van die S,
met geweld en/of een andere feitelijkhe(i)d(en) en/of de bedreiging met
geweld en/of bedreiging met andere feitelijkhe(i)d(en) heeft/hebben bestaan
uit het
– opzettelijk gewelddadig en/of krachtig aan een hand van die S die hij,
verdachte, vasthield, die S naar zich toetrekken, en/of
– opzettelijk gewelddadig en/of krachtig vast blijven houden van die hand
van
die S en/of
– onverhoeds en/of opzettelijk gewelddadig naar zich toetrekken van die
S
en/of
– onverhoeds en/of opzettelijk gewelddadig plaatsen van zijn, verdachtes,
mond op de mond van die S;
G12/1 blz 2/3)
(Sr 246)

Vordering wijziging telastelegging

Parketnummer 0060077-97

De officier van jusititie bij het bovengenoemde parket gezien
de
dagvaarding in de zaak tegen K.

van oordeel, dat de telastelegging als volgt hoort te worden
gewijzigd
dat aan het onder 3 telastegelegde na: “borsten’ wordt toegevoegd:
“en/of bil(len)”

gezien art. 313 Wetboek van Strafvordering;
vordert, dat deze wijziging zal worden toegelaten.
Gedaan ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam
op 17
juli 1997.

De officier van justitie,

1. hij in of omstreeks 31 januari 1997 te Rotterdam (in het politiebureau
Walenburgerweg) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een
vrouw
genaamd Br heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige
handelingen, namelijk het aan de balie van de werkverdeler van dat
politiebureau)
– met zijn verdachte’s onderlijf duwen en rijden tegen het lichaam van
die
Br,
– voelen aan en/of strijken over en/of het knijpen in en/of vastpakken
van de
borst(en) van die Br
met geweld en/of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit
– het krachtig vastpakken en vasthouden van die Br

2. hij in of omstreeks de periode vaneind 1995 tot begin 1996 te Rotterdam
(aan het politiebureau Walenburgerweg
door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of een vrouw genaamd
K
heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, namelijk het
– in of omstreeks de periode eind 1995- begin 1996 in een (verhoorkamer
van
dat politiebureau) brengen van zijn verdachte’s tong in de mond van die
K met
geweld en/of andere feitelijkhe(i)d heeft/hebben bestaan uit
– het krachtig vastpakkenvan die K en
– het onverhoeds brengen van zijn, verdachtes, mond naar de mond van die
K

3. hij in de periode van 1 september 1996 tot en met december 1996 te
Rotterdam (aan het politiebureau Noord)
door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) een vrouw genaamd D,
heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, namelijk het
– strijken met zijn, verdachte’s hand over de blote rug van die D,
met geweld en/of een andere feitelijkhe(i) heeft/hebben bestaan uit
– het opzettelijk krachtig die van D op zijn verdachte’s schoot trekken
van
de blouse van die D uit de broek van die D;

5. hij in de periode van 1 januari 1997 tot 17 februari 1997 te Rotterdam
aan
het politiebureau door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of
door bedreiging met geweld en/of door bedreiging met (een) andere
feitelijkheid een vrouw genaamd R
heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),
namelijk het knijpen in en vastpakken van de de billen van die R en/of
– voelen aan en/of strijken over en/of het knijpen in de vagina en/of de
schaamstreek van die R
met geweld en/of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit krachtig
vastpakken van die R

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie mr. Gerding heeft gerekwireerd de bewezenverklaring
van het onder 1. t/m 6. ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte
tot een gevangenisstraf voor de tijd van 180 dagen voorwaardelijk met een
proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarde de betaling van
een
door de rechtbank op te leggen schadevergoeding aan de slachtoffers te
betalen binnen drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis,
met
aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede
tot
het verrichten van arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 240 uur.

Niet bewezen

Het onder 4. en 6. ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen,
zodat de verdachte daarvan dien te worden vrijgesproken.

Bewezen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder
1,
2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze als vermeld in de
hierna
ingevoegde bijlage (bladzijden genummerd 1F t/m 1I), die van dit vonnis
deel
uitmaakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte
moet
daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke
verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd.
Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet
geschaad in de verdediging.

Bewijs

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde
heeft begaan op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud
van
wettige bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin
de
wet aanvulling van het vonnis vereist, in een aan dit vonnis gehechte bijlage
worden opgenomen.

Strafbaarheid van de feiten

De bewezen feiten leveren op:
1., 2., 3., en 5.:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid,
strafbaar gesteld bij artikel 246 van het wetboek van Strafrecht, meermalen
gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken, die de strafbaarheid van
de
feiten uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van
de
verdachte uitsluiten. De verdachte is strafbaar.

Motivering van de straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de aard van
de
feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de
persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken
uit
het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende
in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt
aan
seksuele intimidatie van vier vrouwelijke collega’s, waarbij hij deze
collega’s (onder meer) tegen hun wil in de billen heeft geknepen,
getongzoend, danwel met zijn onderlijf tegen het lichaam heeft geduwd.

Het mag zo zijn geweest dat verdachtes seksueel getinte gedrag vaak is
getolereerd en soms zelf gestimuleerd, waar het de bewezenverklaarde feiten
betreft is onmiskenbaar sprake geweest van ongewenste seksuele intimidatie.
In deze gevallen heeft verdachte de slachtoffers, terwijl hij wist dat
zij
dit niet wilden, gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen en
daarmee de grenzen die maatschappelijk en strafrechtelijk worden gesteld,
overschreden. Vooral in zijn functie van politieambtenaar behoorde verdachte
deze grenzen te kennen en te respecteren.

De bewezenverklaarde gedragingen vonden plaats in werktijd, en zijn door
de
slachtoffers als kwetsend en vernederend ervaren, en hebben mede het plezier
dat zij in hun werk hadden, negatief beïnvloed. Een aantal van de
slachtoffers bekleedde binnen het politiekorps een lagere functie dan
verdachte. Verdachtes gedrag werd door andere collega’s en hogeren in rang
niet gecorrigeerd. Hierdoor moet het voor de slachtoffers extra moeilijk
geweest zijn zich effectief teweer te stellen.
Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke
integriteit van zijn slachtoffers, maar ook het vertrouwen dat zij in hun
collega mochten hebben, geschonden.

De rechtbank heeft voorts ten nadele van verdachte meegewogen dat hij de
bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd tijdens de uitoefening van zijn
functie. Van een politieambtenaar mag een zekere voorbeeldfunctie uitgaan,
zeker wanneer het gaat om het tonen van respect voor anderen.

Anderzijds heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat verdachte
blijkbaar pas in een laat stadium in zijn gedrag is gecorrigeerd.
Bovendien is er rekening mee gehouden dat verdachte niet eerder in aanraking
met de rechter is geweest en thans door zijn werkgever is geschorst.

Alles overziend acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van
vijf
maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee
jaren
voor de bewezenverklaarde feiten passend en geboden.

De rechtbank heeft vier maanden voorwaardelijk opgelegd mede om de verdachte
ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijk strafbaar gedrag te vertonen.

Verdachte heeft ter zitting subsidiair een aanbod tot dienstverlening (arbeid
ten algemeen nutte) gedaan, voor het geval hem toch een onvoorwaardelijke
vrijheidsstraf zou worden opgelegd. Gelet op het feit dat de aan verdachte
opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand gelijk is aan
de
tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft gezeten, is de
praktische betekenis van dit aanbod komen te vervallen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is behalve op het reeds genoemde artikel gegrond
op de
artikelen 14a, 14b, 14c en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen benadeelde partij

Op de wijze voorzien in artikel 51b, tweede lid, van het Wetboek van
Strafvordering hebben zich ter terechtzitting bij monde van hun raadsman
mr.
B.C.W. van Eijck door de opgave van de inhoud van hun vorderingen en van
de
gronden waarop deze berusten, voordat de officier van justitie in de
gelegenheid is gesteld om overeenkomstig artikel 311 van dat wetboek het
woord te voeren, gevoegd als benadeelde partijen mevrouw K, terzake van
feit
2., en mevrouw D, terzake van feit 3., beiden domicilie kiezend te Rotterdam.
De benadeelde partij K vordert vergoeding van immateriële schade tot een
bedrag van ƒ 3.000,-, de benadeelde partij D vordert vergoeding van
immateriële schade tot een bedrag van ƒ 1.500,-.

Door of namens de verdachte is zowel de aansprakelijkheid als de door de
benadeelde partijen gestelde hoogte van de schade betwist.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot het opleggen van een door
de
rechtbank te bepalen schadevergoeding aan verdachte als bijzondere voorwaarde
bij een voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf.

Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze benadeelde partijen
rechtstreeks schade toegebracht door de bewezenverklaarde feiten.
De gevorderde bedragen terzake van immateriële schade zijn naar maatstaven
van redelijkheid en billijkheid elk toewijsbaar tot een bedrag van ƒ 500,-.
zodat deze bedragen aan respectievelijk de benadeelde partij K en de
benadeelde partij D zullen worden toegewezen en de vorderingen voor het
overige zullen worden afgewezen.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen ten dele worden toegewezen,
moet
de verdachte de kosten van de benadeelde partijen betalen, welke tot op
heden
worden begroot op nihil.

Beslissing

De Rechtbank:

– verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 4 en 6 ten laste gelegde
feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

– verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 en 5 ten laste
gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

– verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2, 3 en 5 meer
of
anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt
de
verdachte daarvan vrij;

– stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde
strafbare feiten;

– verklaart de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

– veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot
een
gevangenisstraf voor de tijd van vijf (5) maanden;

– bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier (4) maanden,
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht
gelasten;

– stelt daarbij een proeftijd vast en bepaalt dat deze twee jaren bedraagt;
de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:
* de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar
feit
schuldig maakt;

– beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging
van
deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht,
bij
de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht,
voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering
is
gebracht;

– wijst de vorderingen van de benadeelde partijen ten dele toe en veroordeelt
de verdachte tegen kwijting aan zowel mevrouw K als aan mevrouw D, beiden
domicilie kiezende te Rotterdam, te betalen een bedrag van ƒ 500,- (zegge:
vijfhonderd gulden);

– wijst af het meer of anders gevorderde;

– veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij
gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van
de
tenuitvoerlegging nog op te maken.

Rechters

Mrs Van Breukelen-Van Aarnhem, Rullmann, Van Boven

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 25 juli 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Moeder heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar dochtertje door
een nachtwaker in een kindertehuis. Het kindertehuis heeft hierna de
plaatsing van het kind zonder toestemming van haar kinderrechter of
gezinsvoogdes beëindigd, de moeder de toegang tot de instelling ontzegd en
onjuiste gegevens aan politie en openbaar ministerie verstrekt.
Op 12 juli 1995 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan. De vorderingen
van eiseres zijn afgewezen. Hoewel de rechter de beëindiging van de plaatsing
van het kind in Beth Palet zonder toestemming daartoe van de kinderrechter
betiteld als in vergaande mate op eigen gezag en eigenmachtig handelen van
Beth Palet vindt hij dit toch onvoldoende om te spreken van onrechtmatig
handelen of wanprestatie. In hoger beroep wordt deze uitspraak bevestigd.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellante, B, is bij exploit van 6 oktober 1995 in hoger beroep gekomen
van een vonnis dat door de arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder
rolnummer H93.3423 tussen partijen is gewezen en dat is uitgesproken op 12
juli 1995, met dagvaarding van geïntimeerde, FIOM, voor dit hof.

1.2. Bij memorie heeft B tegen genoemd vonnis twaalf grieven aangevoerd en
geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en,
opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vorderingen van B alsnog zal
toewijzen met veroordeling van FIOM in de kosten van beide instanties.

1.3. Bij memorie van antwoord heeft FIOM de grieven bestreden, bewijs
aangeboden, en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal
bekrachtigen met veroordeling van B in de kosten van het hoger beroep.

1.4. Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties
overgelegd aan het hof voor het wijzen van arrest. De inhoud van al deze
stukken geldt als hier ingevoegd.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende
weersproken staat, mede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van
de overgelegde bewijsstukken, ten processe het volgende vast:

a. B is de moeder-voogdes van D. D. is geboren op 5 november 1985. D is onder
toezicht gesteld. De kinderrechter te Alkmaar heeft haar bij beschikking van
4 augustus 1988 geplaatst in het opvang- en begeleidingscentrum voor ouder en
kind, Beth Palet te Amsterdam. Daar is zij, samen met B, met ingang van 6
augustus 1988 opgenomen.

b. De plaatsing van D in Beth Palet is laatstelijk bij beschikking van 23
oktober 1989 verlengd tot 16 maart 1990.

c. FIOM is de rechtsopvolger van de Stichting Beth Palet die destijds de
verantwoordelijkheid droeg voor Beth Palet. De gedragingen van Beth Palet
zijn aan FIOM toe te rekenen.

d. B heeft op 28 november 1989 bij de politie aangifte gedaan van seksueel
misbruik van D door een medewerker van Beth Palet.

e. Bij brief van 1 december 1989 heeft de directeur van Beth Palet aan B met
onmiddellijke ingang de toegang tot Beth Palet ontzegd. Dit brengt, aldus
genoemde brief, met zich mee dat de plaatsing van D op de kindergroep
Binnendoor eveneens met onmiddellijke ingang is beëindigd.

4. Behandeling van de grieven

4.1. De grieven 1, 2 en 3 strekken ten betoge dat Beth Palet onrechtmatig
jegens B heeft gehandeld door B op 1 december 1989 met onmiddellijke ingang
de toegang tot het opvang- en begeleidingscentrum
Beth Palet te ontzeggen. B voert hiertoe aan dat zij, nadat zij van 6
augustus 1988 tot oktober 1989 in Beth Palet had verbleven ook op 1 december
1989 nog aangewezen was op de hulp van Beth Palet. Deze hulpverlening werd
door het besluit van Beth Palet abrupt beëindigd. B is met name geschaad
doordat op 1 december 1989 de ambulante hulp vanuit Beth Palet nog doorliep
en zij voor haar sociale contacten volledig van
Beth Palet afhankelijk was. Bovendien berustte het besluit op onterechte
gronden, aldus B.

4.2. Hieromtrent geldt het volgende.

4.3. Op 6 augustus 1988 zijn B en haar dochter D samen opgenomen in Beth
Palet. Op dat moment is de hulpverlening door Beth Palet aan moeder en kind
van start gegaan.

4.4. De opname van D in Beth Palet geschiedde op grond van een beschikking
van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar van 4 augustus 1988. Blijkens
die beschikking stond D op 4 augustus 1988 onder toezicht en was de opname in
Beth Palet, met ingang van 6 augustus 1988, noodzakelijk in het belang van
D’s verzorging en opvoeding. Plaatsing geschiedde op grond van telefonische
informatie van de gezinsvoogdes, mevrouw S van de Stichting `Voor jeugd en
gezin’ te Alkmaar. B is over voornoemde plaatsing tevoren niet door de
kinderrechter gehoord. De plaatsing van D is vervolgens een aantal malen door
de kinderrechter verlengd. De laatste verlengingsbeschikking is van 23
oktober 1989; toen is de plaatsing verlengd tot 16 maart 1990. In november
1989 verbleef D overdag in de crèche van Beth Palet; zij sliep twee nachten
per week in Beth Palet en de overige nachten bij B, die inmiddels in het
Centrum van Jeugdhulpverlening HVO woonde.

4.5. De opname van B in Beth Palet op 6 augustus 1988 geschiedde op
vrijwillige basis. Zij heeft daar verbleven van 6 augustus 1988 tot oktober
1989. Op 1 december 1989 verbleef zij in genoemd Centrum van
Jeugdhulpverlening HVO. Begin 1990 heeft zij, met D, een eigen huis
betrokken.

4.6. Zowel de opname van B in Beth Palet als de hulpverlening van Beth Palet
aan B heeft van meet af aan plaats gevonden in het kader van de – gedwongen –
hulpverlening aan D. D was door de kinderrechter onder toezicht gesteld en
dit betekent dat zij met zedelijke of lichamelijke ondergang werd bedreigd en
dus dringend hulp nodig had. De maatregel van ondertoezichtstelling is er op
gericht dergelijke hulp te geven met instandhouding en zo nodig en mogelijk
versterking van de band tussen ouder en kind. In die zin er tevens sprake van
hulpverlening aan de ouders van het kind. Dit geldt ook wanneer het kind,
zoals bij D is gebeurd, in het kader van de ondertoezichtstelling uithuis
wordt geplaatst. In dit bijzondere geval bracht de uithuisplaatsing van D mee
dat ook B in Beth Palet werd opgenomen. Dit betekent dat Beth Palet naast de
– afgeleide – verplichting die zij had jegens B als moeder van het bij haar
geplaatste kind D, ook een afzonderlijke verplichting had jegens B op grond
van het feit dat B, gezien haar verblijf in Beth Palet, bij Beth Palet ook
voor zichzelf hulp ontving.

4.7. Die verplichting eindigde niet op het moment dat B, in oktober 1989, uit
Beth Palet vertrok. Al was de behandelingsovereenkomst tussen Beth Palet en B
in oktober beëindigd dan nog brengt de zorgvuldigheid die een hulpverlenende
instelling als Beth Palet betaamt jegens de personen aan wie zij
hulpverlening, als in nummer 4.6. aangegeven, verstrekt mee dat Beth Palet op
1 december 1989, toen zij het onderhavige besluit nam, rekening diende te
houden met de belangen van B. Dat geldt met name nu vast staat dat er,
ondanks het verblijf van B elders, vrijwel dagelijks contact tussen Beth
Palet en B was in verband met het voortgezette verblijf van D in Beth Palet.

4.8. Het belang van B was echter niet het enige belang dat telde. Bij Beth
Palet verbleven op 1 december 1989 ook andere kinderen dan D en ook andere
ouders dan B. Beth Palet had met de belangen van die anderen rekening dienen
te houden. In het onderhavige geval diende zij het belang van B bij
voortzetting van de contacten met Beth Palet, af te wegen tegen het belang
van bovengenoemde anderen dat, naar in redelijkheid viel te verwachten,
geschaad kon worden door de onrust die was ontstaan in verband met de
ernstige verdenking die B met betrekking tot een medewerker van Beth Palet
had geuit.

4.9. Gelet op het feit dat B op 1 december 1989 niet zelfstandig woonde maar
dat zij in het Centrum voor Jeugdhulpverlening HVO verbleef zodat Beth Palet
er van mocht uitgaan dat B, toen de contacten met Beth Palet werden
verbroken, niet van alle hulp verstoken was en gelet op de zwaarwegende
belangen van de andere kinderen en ouders die onder de hoede van Beth Palet
verbleven, is het hof van oordeel dat Beth Palet in de gegeven omstandigheden
in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om B, terwille van de
noodzakelijke rust binnen Beth Palet, de toegang tot Beth Palet te ontzeggen.

4.10. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat daarbij in het midden
kan blijven of Beth Palet aan B de toegang op terechte dan wel onterechte
gronden heeft ontzegd. Het gaat er bij de beoordeling van de rechtmatigheid
van dit besluit jegens B immers niet om of B zich wel of niet aan wangedrag
jegens Beth Palet heeft schuldig gemaakt, maar of er binnen Beth Palet sprake
was van een verstoring van de orde en de rust, als hierboven (onder nummer
4.8.) aangegeven. Dat laatste is ook door B niet betwist.

4.11. Dit betekent dat de grieven 1, 2, en 3 falen.

4.12. De grieven 4, 5 en 6 stellen de vraag aan de orde of Beth Palet op haar
rustende verplichtingen jegens D heeft geschonden.

4.13. Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorop dat D in Beth
Palet verbleef op grond van een beschikking tot uithuisplaatsing die de
kinderrechter te Alkmaar, in het kader van de ondertoezichtstelling van D, op
4 augustus 1988 had gegeven. Die beschikking was laatstelijk verlengd op 23
oktober 1989; zij gold nog tot 16 maart 1990.

4.14. Zoals hierboven, sub 4.6. is overwogen, gaat het bij een
ondertoezichtstelling om een justitiële maatregel ter bescherming van een
kind dat in zijn bestaan wordt bedreigd. De gezinsvoogd die bij de
ondertoezichtstelling is benoemd heeft volgens het te dezen toepasselijke –
oude – recht tot taak om, onder leiding van de kinderrechter, toezicht op het
kind te houden en ouder en kind te begeleiden. Deze toezichthoudende taak van
de gezinsvoogd houdt niet op wanneer een kind door de kinderrechter in een
instelling als Beth Palet wordt geplaatst. Op de instelling waar het kind dan
verblijft rust de plicht om in overleg met de gezinsvoogd en de kinderrechter
de feitelijke zorg voor het kind uit te oefenen en daarbij die beslissingen
te nemen die in het belang van het kind noodzakelijk zijn. Voor elke
beslissing geldt dat deze het belang van het kind moet dienen.

4.15. Uit de stukken, in het bijzonder een brief van de kinderrechter te
Alkmaar van 22 januari 1993 en een brief van de gezinsvoogdes van 12 maart
1993, blijkt dat overleg met de gezinsvoogdes niet heeft plaatsgevonden en
dat door de kinderrechter niet vooraf toestemming tot beëindiging van de
plaatsing is gegeven. Het is onder die omstandigheden onaanvaardbaar dat Beth
Palet, terwijl de plaatsingsbeschikking onverkort van kracht was, het
verblijf van D in haar instelling heeft beëindigd. Het argument dat aan B in
verband met de noodzakelijke orde en rust binnen de instelling de toegang
diende te worden ontzegd, kan niet dienen ter rechtvaardiging van de
beslissing van Beth Palet om D eigenmachtig buiten de deur te zetten. Een
dergelijke handelwijze zou alleen gerechtvaardigd jegens D kunnen zijn
indien, in een acute – situatie waarin een beslissing van de kinderrechter
tot beëindiging van de plaatsing niet kon worden afgewacht, verwijdering uit
Beth Palet in het specifieke belang van D dringend geboden was. Van een
dergelijke situatie was in de gegeven omstandigheden geen sprake.

4.16. Met name kan het feit dat het contact tussen Beth Palet en B was
verbroken, de handelwijze van Beth Palet jegens D niet rechtvaardigen. Het
lag immers op de weg en binnen de mogelijkheden van Beth Palet om voor de
praktische problemen die waren ontstaan doordat B niet tot Beth Palet kon
worden toegelaten terwijl D daar nog verbleef, een oplossing te vinden.

4.17. Ook in het feit dat D op 1 december 1989 niet meer permanent in Beth
Palet verbleef en dat een overplaatsing in voorbereiding was, kan geen
rechtvaardiging van het gedrag van Beth Palet worden gezien. Uit het advies
van de gezinsvoogdes aan de kinderrechter van 24 oktober 1989 blijkt dat
beëindiging van de plaatsing in Beth Palet op dat moment nog geenszins in het
belang van D werd geacht. De gezinsvoogdes maakt melding van het feit dat de
leiding van Beth Palet meent dat D nog minstens een jaar in Beth Palet moet
blijven. Er diende nog verder onderzocht te worden wanneer B zelf weer
volledig voor D zou kunnen zorgen. Dat proces is door Beth Palet verstoord
door de plotse beëindiging van het verblijf van D in Beth Palet op 1 december
1989.

4.18. Geïntimeerde voert nog aan dat de kinderrechter bij beschikking van 17
januari 1990 de plaatsing van D in Beth Palet met terugwerkende kracht tot 1
december 1989 heeft beëindigd. Geïntimeerde ziet hierin een bevestiging van
haar stelling dat de plaatsing van D in Beth Palet op 1 december 1989 al een
aflopende zaak was en dat er geen ander onheil is geschied dan dat het
vertrek van D uit Beth Palet door de handelwijze van Beth Palet twee maanden
is vervroegd. In deze veronderstelling acht zij zich gesteund door de brief
van de gezinsvoogdes aan de kinderrechter van 9 januari 1990, waarin tot
opheffing van de ondertoezichtstelling wordt geadviseerd.

4.19. In die stellingname kan het hof geïntimeerde echter niet volgen. Dat de
kinderrechter, geconfronteerd met het fait accompli van de feitelijke
beëindiging van het verblijf van D bij Beth Palet, de plaatsing met
terugwerkende kracht heeft beëindigd betekent niet dat zij de handelwijze van
Beth Palet goedkeurt. Aan een formele beëindiging van een plaatsing die
materieel niet meer bestaat zullen naar alle waarschijnlijkheid voornamelijk
praktische overwegingen ten grondslag hebben gelegen. Ook aan de
omstandigheid dat de gezinsvoogdes zich bij de feiten heeft neergelegd in die
zin dat zij D en B na 1 december 1989 heeft begeleid bij het vinden van
oplossingen in de nieuw ontstane situatie, komt te dezen geen betekenis toe.
Dit betekent immers niet dat de gezinsvoogdes alsnog met de gang van zaken
instemt. Integendeel, in bovengenoemde brief van 9 januari 1990 noemt zij het
gebeurde bij Beth Palet `naar D toe een heel slechte zaak’. Voorts maakt zij
melding van het feit dat D van dit alles een behoorlijke terugslag heeft
gekregen.

4.20. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hof, anders dan de rechtbank, van
oordeel is dat Beth Palet wel degelijk onrechtmatig jegens D heeft gehandeld
door haar verblijf in Beth Palet op 1 december 1989 abrupt te beëindigen. De
grieven 4, 5, en 6 treffen in zoverre doel.

4.21. De grieven 7 t/m 11 strekken ten betoge dat Beth Palet inbreuk heeft
gemaakt op haar geheimhoudingsplicht jegens B en het recht op privacy van B
heeft geschonden.

4.22. De grieven 7 en 9 hebben met name betrekking op de verklaring die
directeur H op 17 januari 1990 heeft afgelegd tegenover de gemeentepolitie te
Amsterdam. H is toen als getuige gehoord naar aanleiding van de door B gedane
aangifte van seksueel misbruik van D door een medewerker van Beth Palet.

4.23. B beklaagt zich over het feit dat H bij dat verhoor de suggestie wekt
van een preoccupatie van B met seksueel misbruik en over het feit dat hij niet
relevante en onjuiste informatie verstrekt over de overige kinderen van B.

4.24. Deze klacht is niet terecht. H was, mede gezien zijn
verantwoordelijkheid jegens de medewerker van Beth Palet die van seksueel
misbruik werd verdacht, verplicht aan de politie de informatie te verstrekken
die de politie bij het onderhavige opsporingsonderzoek nodig oordeelde. Het
was in de gegeven omstandigheden onvermijdelijk dat H bij het verstrekken van
die informatie ook de relevante persoonlijke gegevens met betrekking tot de
aangeefster van het strafbare feit, B, aan de politie meedeelde. Niet juist
is de stelling dat H daarbij de grenzen van het noodzakelijk heeft
overschreden. Daarbij doet niet terzake dat de gegevens die H, naar het hof
aanneemt naar beste weten, aan de politie verstrekte op een ondergeschikt
punt wellicht niet geheel correct waren. Van een inbreuk op het recht op
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van B of van een schending van de
geheimhoudingsplicht van Beth Palet jegens B is in de gegeven omstandigheden
dan ook geen sprake.

4.25. Dit betekent dat de grieven 7 en 9 falen.

4.26. De grieven 10 en 11 hebben betrekking op de stelling dat Beth Palet op
onrechtmatige wijze informatie over B zou hebben verstrekt aan de
psychotherapeute drs. Groen en aan een bewoonster van Beth Palet, mevrouw T.

4.27. Het hof deelt de mening van de rechtbank dat B deze stelling
onvoldoende heeft toegelicht. De enkele mededeling van drs. Groen dat zij na
het gebeurde in december 1989 in een telefoongesprek met een medewerker van
Beth Palet ongevraagd informatie over B verkreeg, is te vaag om daaruit enige
gevolgtrekking te maken met betrekking tot de juistheid van de stelling van
B. Ditzelfde geldt voor de brief van 8 juni 1993 van mevrouw T waarin melding
wordt gemaakt van de wijze waarop, drie jaar na de aangifte door B, binnen
Beth Palet over het gebeurde wordt gesproken.

4.28. Ook grieven 9 en 10 zijn derhalve ongegrond.

4.29 Grief 8 stelt de brief van 23 februari 1990 van directeur H van Beth
Palet aan de Hoofdofficier van justitie in het arrondissement Amsterdam aan
de orde.

4.30. Deze brief is zonder enige twijfel beledigend jegens B. H maakt melding
van `stoken’ door B, van een eerdere aangifte door B zonder enige feitelijke
grond en van B als een moeder die niet tot een verantwoorde opvoeding van
haar kinderen in staat is en uitsluitend een eigen statusbelang nastreeft,
kennelijk gedreven door haar eigen tekortkomingen.

4.31. Nu B heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat de vordering op
grond van belediging (art. 1408 BW (oud)) is verjaard, gaat het in hoger
beroep alleen nog om de vraag of H met bovengenoemde brief een inbreuk heeft
gemaakt op een geheimhoudingsplicht en op het recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van B. Van schending van een geheimhoudingsplicht
zou sprake zijn als H in die brief gegevens over de persoon van B had
geopenbaard die hij uit hoofde van zijn functie, met name uit het bij Beth
Palet over B bestaande dossier, had verkregen.

4.32. Zulks is echter niet gebleken. Met betrekking tot de persoon van B
bevat de brief uitsluitend gegevens die al in het verhoor van H bij de
politie naar voren waren gekomen of waarvan het enkele memoreren geen inbreuk
op de privacy oplevert. Wat betreft de mededeling inzake het psychiatrisch
verleden van B geldt nog in het bijzonder dat uit de brief kan worden
afgeleid dat H daarvan niet uit hoofde van zijn functie kennis droeg. Zoals
gezegd dient de – kwetsende – wijze waarop de gegevens door H zijn
gepresenteerd bij dit oordeel buiten beschouwing te blijven.

4.33. Dit betekent dat grief 10 faalt.

4.34. Met grief 12 betoogt B dat Beth Palet onrechtmatig jegens haar heeft
gehandeld door, naar aanleiding van een aangifte wegens bekladding van het
pand van Beth Palet op 12 juli 1990, aan de politie te melden dat er in het
verleden problemen zijn geweest met B en dat Beth Palet vermoedt dat B iets
met de bekladding te maken heeft.

4.35. Dit betoog gaat niet op. Door bij een aangifte van een strafbaar feit
tegenover de politie melding te maken van een serieuze verdenking jegens een
mogelijke dader, handelt de aangever niet onrechtmatig. Dat is niet anders
indien later blijkt dat de verdenking ongegrond is.

4.36. Ook grief 12 faalt derhalve.

5. Verdere behandeling van het hoger beroep

5.1. De behandeling van de grieven leidt tot de uitkomst dat Beth Palet niet
onrechtmatig jegens B heeft gehandeld en dat de vordering tot
schadevergoeding van B voor zichzelf dan ook niet toewijsbaar is.

5.2. De gegrondbevinding van grieven 4, 5 en 6 leidt tot het oordeel dat het
hof van oordeel is dat Beth Palet wel onrechtmatig jegens D heeft gehandeld.

5.3. B vordert namens D een bedrag van ƒ 10 000 als immateriële
schadevergoeding. Zij wijst erop dat D schade heeft geleden doordat zij
volledig is ingestort door het plotselinge beëindigen van de hulpverlening
door Beth Palet.

5.4. Wat hier van zij, de vordering dient te worden afgewezen nu het te dezen
toepasselijke – oude – recht alleen voorziet in een vergoeding van ideële
schade voorzover deze voortvloeit uit verwonding of belediging.

6. Slotsom

6.1. De grieven 4, 5 en 6 zijn gegrond. De gegrondbevinding van deze grieven
leidt niet tot een ander oordeel omtrent de vorderingen van B, zodat er geen
aanleiding bestaat tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.

6.2. De overige grieven falen.

6.3. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, met verbetering
van de gronden waarop dit berust, als in het arrest nader aangegeven.

6.4. Partijen worden in hoger beroep over en weer op bepaalde punten in het
ongelijk gesteld. In die omstandigheid vindt het hof aanleiding de
proceskosten in hoger beroep te compenseren als hierna te melden.

7. Beslissing

Het hof:

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, met verbetering van gronden als in
dit arrest aangegeven;

– bepaald dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Rechters

Mrs, Rutten-Roos, De Brauw-Huydecoper, Van Lingen