Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is vanwege haar zwangerschap enige tijd ziek geweest. Zij is
van
mening dat haar werkgever er door middel van pesterijen naar streeft het
dienstverband met haar te beëindigen, omdat zij vanwege haar ziekte langdurig
afwezig is geweest. Hoewel jegens verzoekster onzorgvuldig is gehandeld,
komt
de Commissie tot het oordeel dat de zwangerschap van verzoekster geen rol
heeft gespeeld bij de gang van zaken na het einde van het bevallingsverlof.
De Commissie merkt op dat jurisprudentie van het Hof erop duidt dat ziekte
na
afloop van het zwangerschapsverlof niet valt onder de bescherming van de
vrouw voor wat betreft zwangerschap, ook als de ziekte haar oorsprong vindt
in de zwangerschap. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 22 januari 1997 verzocht mevrouw M.T.W. van den B. te Helmond
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel te geven over de vraag of door Appèl B.V. te ‘s-Hertogenbosch
(hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht is gemaakt als bedoeld
in
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is vanwege zwangerschap enige tijd ziek geweest.
Zij is van mening dat haar werkgever op grond van haar langdurige afwezigheid
vanwege die ziekte, er via pesterijen naar streeft het arbeidscontract
te
beëindigen. Verzoekster stelt dat hierdoor in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling is gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Daarnaast heeft de Commissie schriftelijk informatie ingewonnen bij
medewerkers van de uitvoeringsinstelling sociale verzekeringen, de
controlerend arts en de arbeidsdeskundige.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht tijdens een zitting op
26 mei 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. M.W.T. van den B. (verzoekster)
– dhr. J.H.A. van den B. (echtgenoot)

van de kant van de wederpartij
– dhr. C.I.J. van der Ven (algemeen directeur)
– dhr. J.H.O. van Veen (P&O manager)

van de kant van de Commissie:
– mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 7 september 1992 voor onbepaalde tijd voor minimaal
240 uur per jaar in dienst getreden bij de wederpartij in de functie van
gastvrouw in Theater ’t Speelhuis te Helmond. Voorzover van belang bepaalt
het personeelsreglement van de wederpartij dat “het dienstverband met een
werknemer/neemster zal worden beëindigd als hij/zij 1 jaar achtereen een
uitkering volgens de Ziektewet heeft ontvangen”.
De werkzaamheden bestaan uit het ontvangen van gasten, het -draaien van
garderobe- en bardiensten, het verzorgen van de artiesten en dergelijke.
De
werkzaamheden worden uitgevoerd door een team van gastvrouwen tussen wie
de
concrete werkzaamheden verdeeld worden.
Het personeelsbestand van de wederpartij bestaat uit ongeveer 425 medewerkers
in vaste dienst, van wie ruim 80% vrouwen.

Verzoekster is in november 1994 ziek geworden tengevolge van zwangerschap.
Op
19 juni 1995 is verzoekster bevallen. Naar
aanleiding van een spreekuurbezoek van verzoekster op
27 november 1995 heeft de controlerend arts van de arbodienst op 28 november
1995 de wederpartij bericht dat werkhervatting nog niet volledig mogelijk
leek. Tevens is meegedeeld dat de bedrijfsvereniging op korte termijn een
uitspraak zou moeten doen over de arbeidsongeschiktheid in het kader van
de
WAO.
Eind november 1995 heeft verzoekster -op voorstel van de arbodienst-
telefonisch contact opgenomen met de wederpartij. Zij heeft gevraagd om
haar
werkzaamheden op basis van arbeidstherapie te mogen hervatten. Op 13 december
1995 is verzoekster door de directeur van de wederpartij teruggebeld met
de
mededeling dat hij ervan uitging dat verzoekster ontslagen was vanwege
het
feit dat zij één jaar een Ziektewetuitkering had gekregen. Het verzoek
tot
werkhervatting op basis van arbeidstherapie werd afgewezen.
Nadat verzoekster diezelfde dag schriftelijk tegen deze gang van zaken
had
geprotesteerd en nadrukkelijk had aangegeven terug te willen keren in haar
vaste werkomgeving, heeft de wederpartij zijn excuses aangeboden voor het
ontslag en de afwijzing van het verzoek tot werkhervatting gemotiveerd.
In de loop van december 1995/januari 1996 is verzoekster door de
bedrijfsvereniging arbeidsgeschikt verklaard. Hiervan is de
wederpartij niet en verzoekster wel op de hoogte gesteld.
Bij brief van 15 februari 1996 heeft de bedrijfsvereniging over deze gang
van
zaken aan de wederpartij haar verontschuldiging aangeboden, de beslissing
tot
arbeidsgeschiktverklaring ingetrokken en verzoekster hersteld verklaard
tegen

26 februari 1996.
Op 26 februari 1996 heeft verzoekster haar werkzaamheden niet hervat. Op
28
februari 1996 heeft de wederpartij telefonisch contact opgenomen met
verzoekster en haar uitgenodigd voor een
gesprek. Verzoekster zou op deze uitnodiging reageren, maar heeft dat niet
gedaan. Bij brief van 5 maart 1996 is verzoekster
vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 7 maart 1996. Deze brief bereikte
verzoekster echter pas op 7 maart 1996, zodat verzoekster aan deze
uitnodiging geen gehoor kon geven. Op
14 maart 1996 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de wederpartij en
verzoekster. Naar aanleiding van dit gesprek heeft de wederpartij op 15
maart
1996 aan verzoekster bericht haar met ingang van de volgende week weer
te
zullen oproepen via de projectleiding van het Theater ’t Speelhuis tot
hervatting van haar werkzaamheden.
Verzoekster heeft haar werkzaamheden niet hervat, maar zich ziek gemeld.
Verzoekster is door de bedrijfsvereniging ongeschikt verklaard voor
werkhervatting bij haar eigen werkgever.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Zij is van mening dat de wederpartij haar systematisch heeft gepest vanwege
haar afwezigheid in verband met ziekte samenhangend met zwangerschap. Dit
heeft ertoe geleid dat zij door de bedrijfsvereniging arbeidsongeschikt
is
verklaard voor werkzaamheden bij de wederpartij.

De pesterijen zijn begonnen met de telefonische ontslagaanzegging in november
1995 door de directeur van de wederpartij. Vervolgens heeft men, ook nadat
zij hersteld was gemeld, verzoeksters
directe chefs verboden verzoekster in te plannen op het werkrooster.
Het nieuwe uniform heeft verzoekster zelf moeten ophalen op de locatie
na
herhaald verzoek om het aan haar te verstrekken.
Verzoekster werd zowel voor als na haar herstelmelding niet uitgenodigd
voor
vergaderingen of personeelsfeesten. Ook is verzoekster geen kerstpakket
verstrekt en geen vakantiegeld uitbetaald. Het vakantiegeld zou alleen
door
de wederpartij betaald worden indien verzoekster het bedrag dat in december
als ziekengeld is betaald, zou terugstorten.
Voorts is ondanks aandringen van verzoekster geen contact
opgenomen met de bedrijfsvereniging over de werkhervatting. Verzoekster
is
gedreigd met ontslag en door de P&O manager is er telefonisch op aangedrongen
dat zij zelf ontslag zou nemen.
Door een formele opstelling met betrekking tot verzoeksters
herstelmelding, is haar terugkeer naar het werk tegengehouden. Een
telefonisch herstelmelding werd namelijk niet geaccepteerd.

Verzoekster is door de arts van de arbodienst en de arbeids-
deskundige van de bedrijfsvereniging geïnformeerd over een uitspraak gedaan
door een operationeel manager van de wederpartij. Deze heeft in februari
1996
gezegd dat verzoekster gedumpt moest worden omdat het maar eens afgelopen
moest zijn met
al die zwangere vrouwen bij de wederpartij.

Indien de wederpartij daadwerkelijk had gewild dat verzoekster haar werk
zou
hervatten had zij met spoed om een herkeuring
kunnen vragen. Bovendien had zij mee kunnen werken aan een terugkeer op
arbeidstherapeutische basis. Gelet op hetgeen zich heeft afgespeeld is
verzoekster niet bereid om met de wederpartij in gesprek te gaan over een
mogelijke terugkeer.

Verzoekster is tot haar zwangerschap, haar tweede sinds indiensttreding
bij
de wederpartij, nooit ziek geweest.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Zij heeft gelet op de samenstelling van haar personeelsbestand voldoende
ervaring met, en begrip voor, zwangere vrouwen. Zij heeft er ook geen baat
bij dat verzoekster in de WAO is terecht gekomen en betreurt het dat deze
situatie heeft kunnen ontstaan.

De wederpartij heeft als beleid dat arbeid op therapeutische basis niet
wordt
toegestaan, tenzij de opdrachtgever daarmee instemt. Arbeid op therapeutische
basis betekent altijd beperkingen met betrekking tot de te verrichten arbeid.
Daardoor worden andere personeelsleden zwaarder belast, hetgeen de
wederpartij wil vermijden.

Hoewel de wederpartij, nadat verzoekster een jaar een uitkering ingevolge
de
WAO ontvangt, een ontslagvergunning zou kunnen aanvragen, is zij hier niet
toe over gegaan. Verzoekster is door de bedrijfsvereniging arbeidsongeschikt
verklaard voor haar eigen werk bij de wederpartij. Zolang er geen herkeuring
heeft plaatsgevonden die tot een andere conclusie zou leiden, gaat de
wederpartij ervan uit dat verzoekster niet arbeidsgeschikt is voor het
uitvoeren van haar werkzaamheden. Mocht het zo zijn dat verzoekster terug
wil
keren naar het project waar zij werkzaam was, dan zou de wederpartij dat
graag van haar vernemen.

Ten aanzien van het door verzoekster gestelde met betrekking tot de
pesterijen voert de wederpartij het volgende aan.
Het aanzeggen van het ontslag door de directeur berust op een vergissing.
Deze vergissing is waarschijnlijk veroorzaakt doordat destijds met twee
personeelsbestanden voor arbeidsgeschikte respectievelijk arbeidsongeschikte
werknemers, werd gewerkt. Hiervoor heeft de wederpartij reeds schriftelijk
haar excuses aan verzoekster aangeboden. Andere dreigementen en het
aandringen op ontslagname kunnen niet bevestigd worden. Dat verzoekster
niet
is ingeroosterd, heeft te maken met het feit dat zij arbeidsongeschikt
verklaard was. Dat verzoekster een uniform heeft gekregen, heeft de
wederpartij verbaasd aangezien deze op de locatie zelf moet worden opgehaald.
Het niet uitnodigen voor personeelsfeesten en vergaderingen hangt samen
met
het feit dat verzoekster – volgens de bij de wederpartij bekende informatie
–
in die periode volledige bedrust werd voorgeschreven. Ten aanzien van het
kerstpakket is echter wel sprake van een verzuim van de kant van de
wederpartij. Het kerstpakket had bij verzoekster moeten worden afgegeven.

Verzoekster heeft in december 1995 abusievelijk een bedrag aan ziekengeld
ontvangen van de wederpartij. Verzoekster ontving in die maand reeds een
uitkering. Het abusievelijk uitgekeerde bedrag was veel groter dan het
bedrag
aan vakantiegeld dat verschuldigd was. Verzoekster heeft echter geweigerd
dit
bedrag terug te betalen.

De wederpartij betwijfelt of de operationeel manager werkelijk de uitspraak
heeft gedaan over zwangere vrouwen. In elk geval distantieert de wederpartij
zich van die uitspraak.

3.4. De arbo-arts en de arbeidsdeskundige stellen het volgende.
Vanuit zijn adviserende taak heeft de arts geprobeerd verzoekster te laten
terugkeren naar de werkgever. Dit is niet gelukt, waarbij de arts stellig
de
indruk kreeg, na telefonisch contact met de (reeds eerder genoemde)
operationeel manager van de werkgever, dat er weinig bereidheid bestond
mee
te werken aan een terugkeer. Desgevraagd kan de arts zich echter niet
herinneren dat de uitspraak, dat het maar eens afgelopen moest zijn met
al
die zwangere vrouwen bij de wederpartij, door de operationeel manager gedaan
is. Was deze uitspraak wel gedaan, dan had hij zich daarvan zeker iets
kunnen
herinneren.

De arbeidsdeskundige kan zich niet herinneren dat de uitspraak door de
operationeel manager gedaan is en veronderstelt dat, indien een dergelijke
uitspraak of woorden van gelijke strekking zouden zijn gedaan, hij zich
deze
zeker zou hebben herinnerd. Hierover is ook niets terug te vinden in het
betreffende dossier.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij in de arbeidsvoorwaarden
jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld
in
de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Ingevolge artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW), met ingang
van 1 april 1997 artikel 7:646 lid 1 BW, is het verboden bij de
arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij lid 5 BW en 7:646 lid 5 BW bepalen dat onder onderscheid
tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid.
Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is blijkens
deze bepalingen een vorm van direct onderscheid. Onder onderscheid vanwege
zwangerschap wordt mede begrepen onderscheid wegens afwezigheid als gevolg
van zwangerschap.

De wet biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid.
De
enige uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid zijn de in artikel
7A:1637ij lid 2-4 BW en 7:646 lid 2-4 BW genoemde uitzonderingen.
Gesteld noch gebleken is dat deze uitzonderingen hier van toepassing zijn.

De Commissie hanteert een brede uitleg van het begrip arbeidsvoorwaarden.
De
door verzoekster geschetste feiten en omstandigheden vallen binnen het
kader
van dit begrip. (Zie Commissie gelijke behandeling, 17 juli 1996, oordeel
96-65, overweging 4.4.)

4.3. De vraag die voorligt is of het aannemelijk is dat de situatieve
arbeidsongeschiktheid van verzoekster veroorzaakt wordt door haar
zwangerschap.

4.4. De reeks van ervaringen is begonnen met de weigering van de wederpartij
verzoekster op arbeidstherapeutische basis
haar werkzaamheden eind november 1995 te laten hervatten.
De wederpartij heeft daarvoor een argumentatie gegeven, die met onderscheid
op grond van geslacht niets van doen heeft. De vraag of deze argumentatie
voldoende is voor het voldoen aan de bredere norm van goed werkgeverschap
kan
niet door de Commissie beoordeeld worden. De Commissie kan zich de
teleurstelling van verzoekster over deze weigering voorstellen.

4.5. Op 13 december 1995 heeft de directeur telefonisch meegedeeld dat
hij
ervan uitging dat de dienstbetrekking beëindigd was. Het personeelsreglement
kent een bepaling met betrekking tot een dergelijke beëindiging. Deze
bepaling is van toepassing op het gehele personeel. Voor toepassing van
deze
bepaling wordt volgens de wederpartij afwezigheid in verband met (ziekte
vanwege) zwangerschap niet meegeteld. Direct na het protest heeft de
wederpartij onder opgave van redenen voor dit misverstand en met excuses
meegedeeld dat van ontslag geen sprake was. De Commissie acht daarom
aannemelijk dat de zwangerschap van verzoekster niet de reden was voor
de
ontslagaanzegging.

4.6. Na haar herstelverklaring in de loop van december 1995/
januari 1996 wilde verzoekster haar arbeid hervatten. Zij heeft dat
telefonisch meegedeeld. De wederpartij heeft daar niet op gereageerd. In
februari 1996 bleek dat de bedrijfsvereniging de wederpartij niet had
geïnformeerd. Het is duidelijk dat verzoekster – aanvankelijk terecht –
in de
veronderstelling
verkeerde dat de wederpartij haar op oneigenlijke gronden niet wilde toelaten
tot haar werkzaamheden. Uit de brief van de bedrijfsvereniging van 15
februari 1996 blijkt echter dat de wederpartij te goeder trouw van mening
kon
zijn, dat verzoekster nog arbeidsongeschikt was. Het komt de Commissie
voor
dat verzoekster deze fout van de bedrijfsvereniging ten onrechte aan de
wederpartij blijft toerekenen.

4.7. Verzoekster is door de uitvoeringsinstelling arbeidsgeschikt verklaard
per 26 februari 1996. Daarna heeft zij haar arbeid niet hervat, maar zich
wederom ziek gemeld. Overigens duidt jurisprudentie van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschap (HvJEG) erop dat ziekte na afloop van het
zwangerschapsverlof niet valt onder de bescherming van de vrouw voor wat
betreft zwangerschap en moederschap, ook als de ziekte haar oorsprong vindt
de zwangerschap of de bevalling. (HvJEG, Handels- og Kontorfunktionjrernes
Forbund i Danmark versus Dansk Arbejdsgiverforening, 8 november 1990,
C-179/88, NJ 1993/162 en HvJEG,
arsson/Fotex Supermarked A/S, 11 juni 1997, C-400/95.)

4.8. De stellingen van verzoekster dat de wederpartij zowel aan de
controlerend arts als aan de arbeidsdeskundige zou hebben laten weten
‘genoeg’ te hebben van zwangere vrouwen en uit te zijn op de beëindiging
van
het dienstverband, worden niet door de arts en de arbeidsdeskundige
bevestigd.

4.9. Voor de overige klachten van verzoekster heeft de wederpartij een
meer
dan redelijke verklaring gegeven.
Ter zitting heeft de directeur van de wederpartij verklaard nog steeds
bereid
te zijn om verzoekster haar werkzaamheden te laten hervatten.

Het bovenstaande leidt de Commissie tot de conclusie dat de wederpartij
jegens verzoekster geen onderscheid naar geslacht vanwege zwangerschap
heeft
gemaakt. De Commissie tekent hierbij aan dat jegens verzoekster, zoals
uit de
feiten blijkt, zowel door de uitvoeringsinstelling als door de werkgever
onzorgvuldig is gehandeld.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de besloten vennootschap
Appèl
B.V. te ‘s-Hertogenbosch jegens mevrouw M.W.T. van den B. te Helmond geen
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

Rechters

Mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G. Nicolai(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 18 juli 1997

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Bij de scheiding (in 1995) is geen kinderalimentatie opgelegd conform het
echtscheidingsconvenant. In 1996 heeft de moeder de rechter verzocht toch een
kinderalimentatie vast te stellen. De vader kan zich volgens het hof niet met
vrucht beroepen op het convenant nu dit convenant de mogelijkheid van
wijziging onverlet laat, zodat het bij een wijziging van omstandigheden
gewijzigd kan worden. De moeder is in dagdienst gaan werken, voor de opvang
van de dochter, die psychisch erg lijdt onder de scheiding, hetgeen in een
vermindering van inkomsten heeft geresulteerd. De partner van de vader heeft
voordat zij met hem ging samenwonen, ontslag genomen. Het hof dicht de nieuwe
partner dan ook een zekere verdiencapaciteit toe. Deze verdiencapaciteit is
echter niet zodanig dat deze de toepassing van de alleenstaandenorm
rechtvaardigt.

Volledige tekst

Het geding

Tussen de ouders is door de rechtbank te ‘s-Gravenhage bij beschikking van 22
november 1995 de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 18 maart
1996 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij deze
beschikking is bepaald dat de moeder voortaan alleen het gezag zal uitoefenen
over de minderjarige Claudia, geboren op 22 februari 1983. Er is geen
kinderalimentatie opgelegd, conform het door partijen op 1 augustus 1995
ondertekende echtscheidingsconvenant.

De moeder heeft de rechtbank op 23 juli 1996 verzocht om die beschikking te
wijzigen en de kinderalimentatie te bepalen op ƒ 350 per maand, bij
vooruitbetaling te voldoen.
De rechtbank heeft bij beschikking van 18 februari 1997, uitvoerbaar bij
voorraad, de kinderalimentatie met ingang van 1 augustus 1996 bepaald op ƒ
350 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De vader is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht bij
beschikking, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van
de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 februari 1997 te vernietigen.

De moeder heeft tijdig een verweerschrift ingediend, waarin zij heeft
verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen.

Op 20 juni 1997 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling
behandeld.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

1. In zijn hoger beroepschrift heeft de vader niet bestreden dat C. Behoefte
heeft aan een kinderalimentatie van ƒ 350 per maand. Haar behoefte aan een
dergelijk bedrag staat dan ook in rechte vast.

2. De vader kan zich volgens het hof niet met vrucht beroepen op het door
partijen ondertekende convenant op het punt van de kinderalimentatie, nu dit
convenant de mogelijkheid van wijziging onverlet laat, zodat het bij een
wijziging van omstandigheden gewijzigd kan worden. De vader had daarmee
rekening dienen te houden op het moment dat hij verstrekkende financiële
verplichtingen aanging jegens de bank en zijn nieuwe echtgenote, en had
tevens rekening moeten houden met een eventuele oplevende
alimentatieverplichting jegens zijn dochter.

3. De moeder is 49 jaar oud, C. woont bij haar. Na de echtscheiding hebben de
financiële omstandigheden van de moeder zich gewijzigd. Zij is alleen in
dagdienst gaan werken, omdat de opvang van C., die psychisch erg lijdt onder
de scheiding van haar ouders, dit vergde. Daardoor is haar inkomen gedaald.
Per maand bedraagt haar netto inkomen thans volgens haar opgave a ƒ 1909,49.
De huur bedraagt a ƒ 681 per maand.

4. De vader heeft bestreden voldoende draagkracht te hebben om de gevraagde
bijdrage in het levensonderhoud van C. van a ƒ 350 per maand te betalen. Met
name heeft hij zich gekeerd tegen toepassing van de alleenstaandenorm,
gestoeld op de opvatting van de rechtbank, dat het niet aannemelijk is dat
zijn partner geen eigen inkomen heeft. Hij stelt dat zijn partner in het
geheel geen eigen inkomen heeft en maakt aanspraak op toepassing van de
gezinsnorm.

5. De vader, 49 jaar oud, heeft blijkens de jaaropgaaf een
invaliditeitspensioen genoten van a ƒ 39.550. Van dit inkomen gaat het hof
bij de berekening van de draagkracht van de vader uit.
Hij is op 16 april 1996 gehuwd met mevrouw E., die geen eigen inkomen heeft.
Het is het hof gebleken dat mevrouw E. Zich voorafgaand aan haar huwelijk met
de vader een inkomen verwierf als conciërge bij een onderwijsinstelling te
H., welk inkomen werd aangevuld met een uitkering op grond van de
Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers.
Gebleken is dat zij op 1 maart 1996, toen zij ging samenwonen met de vader,
een verzoek tot ontslag heeft ingediend bij haar werkgever. Met ingang van
die dag is ook haar uitkering op grond van voormelde Rijksgroepsregeling
beëindigd.
De vader heeft ter zitting betoogd dat zijn huidige echtgenote ontslag heeft
gevraagd vanwege medische redenen, doch hij heeft dit op geen enkele wijze
aannemelijk gemaakt.
Bovendien heeft de vader gesteld dat zijn huidige echtgenote slechts een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd had gesloten bij de Stichting
Facilitaire Onderwijs Ondersteuning H. Deze stelling wordt echter niet
ondersteund door de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die de vader heeft
overgelegd. Deze arbeidsovereenkomst is, gelet op de datum van ondertekening,
15 maart 1996, speciaal opgesteld ter gelegenheid van de vrijwillige
opzegging van haar dienstbetrekking door de echtgenote van de vader.
Het hof gaat er dan ook vanuit dat de huidige echtgenote van de vader een
contract voor onbepaalde tijd had bij de stichting waarvoor zij werkzaam was,
en dat er geen verschoonbare reden voor haar was om dit werk te staken. Het
hof dicht dan ook de echtgenote van de vader een zekere verdiencapaciteit
toe. Gelet op de jaaropgaaf over 1996, die de vader heeft overgelegd met
betrekking tot de huidige werkzaamheden van zijn nieuwe echtgenote (a ƒ
3.271), is deze verdiencapaciteit echter niet zodanig dat deze toepassing van
de alleenstaande-norm rechtvaardigt.

6. De vader heeft tezamen met zijn huidige echtgenote een woning gekocht te
Schagen, voor een bedrag van ƒ 220.000.
Het hof houdt rekening met een, gezien de omstandigheden van de vader,
redelijke woonlast van ƒ 800 per maand, zijnde de huursom die de vader
betaalde voordat hij de woning in Schagen kocht, waarvan ƒ 350 uit het
normbedrag dient te worden bestreden. Op grond van het hiervoor onder 2
overwogene laat het hof de hogere, nadien op zich genomen, woonlasten,
waaronder begrepen het overbruggingskrediet, buiten beschouwing.
De nieuwe echtgenote van de vader wordt geacht een bijdrage te leveren in de
woonlasten, ter grootte van ƒ 250 per maand, gelet op haar hiervoor onder
punt 4 genoemde verdiencapaciteit.

7. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader een alimentatie voor
zijn minderjarige dochter C. toelaat van a ƒ 250 per maand, waaraan zij
behoefte heeft, welke alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke
maatstaven zodat de uitspraak, waarvan wijziging wordt verzocht, niet meer
aan de wettelijke maatstaven voldoet en er sprake is van een wijziging van
omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW.

8. Het voorgaande brengt met zich mee dat de bestreden beschikking dient te
worden vernietigd.

De beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 februari
1997 en opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met
ingang van 1 augustus 1996 op ƒ 250 per maand , wat de na heden te
verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af;

Rechters

Mr Von Brucken Fock

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 18 juli 1997

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Beide ouders hebben na scheiding het gezag. De moeder vraagt wijziging
aan. De ouders hebben een uiteenlopende visie op de opvoeding van de kinderen
en respecteren elkaars wijze van opvoeding niet. Het hof acht beide ouders
geschikt, echter gezien het feit dat de moeder altijd voor de kinderen
heeft gezorgd en praktisch meer beschikbaar is, wordt moeder met het eenhoofdig
gezag belast. Ook de omgangsregeling wordt verminderd naar een weekend
in de veertien dagen.

Volledige tekst

Het geding

Het Hof heeft op 28 juni 1996 terzake van het door de ouders ieder voor
zich ingestelde hoger beroep van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage
van 20 december 1995 een tussenbeschikking gegeven, waarbij de bestreden
beschikking, voor zover daarin tussen partijen de echtscheiding is uitgesproken,
werd bekrachtigd en waarbij de overige beslissingen zijn aangehouden in
afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming.

Het hof heeft op 20 december 1996 terzake van het door de vader ingediende
verzoek (rekestnummer 708-H-96) om een omgangsregeling te bepalen tussen
hem en de minderjarigen een tussenbeschikking gegeven, waarbij voorlopig,
in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming,
een omgangsregeling is vastgesteld.

Het hof verwijst naar beide tussenbeschikking waarvan de inhoud als hier
herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

Op 4 juni 1997 is de zaak wederom mondeling behandeld.

Op 24 juni 1997 heeft de procureur van de vader nog schriftelijke stukken
ingediend, waarop op 4 juli 1997 door de raadsman van de moeder is gereageerd.

De minderjarige F is op 25 juni 1997 gehoord in de raadkamer.

Beoordeling van de zaken in hoger beroep

1. Ten aanzien van de gezagsvoorziening en de omgangsregeling

1.1. Uit het door de raad voor de kinderbescherming verrichte onderzoek,
waarover op 27 februari 1997 rapport is uitgebracht, komt onder meer naar
voren dat het kernprobleem tussen de ouders is dat de moeder met de kinderen
naar België wil verhuizen. De moeder, die al haar familie in België heeft
gaat regelmatig gedurende de weekeinden met de kinderen naar België. De
moeder heeft thans een vriend in België, die naar haar zeggen, het goed
met de kinderen kan vinden. Het gezin van de ouders is in 1981 in Nederland
komen wonen; daarvoor woonden zij in België.

1.2. De moeder woont met de kinderen in de voormalige echtelijke woning
van de partijen in Oegstgeest. Zij verricht geen werkzaamheden buitenshuis.
De vader woont eveneens in Oegstgeest en heeft een drukke baan bij ESTEC
in Noordwijk. Het oudste kind F bezoekt het gymnasium; in raadkamer deelde
hij het hof mee dat het op dit moment niet goed met hem op school gaat.
M en R bezoeken de basisschool.

1.3. De ouders hebben een uiteenlopende visie op de opvoeding van de kinderen
en respecteren elkaars wijze van opvoeden niet. Wel zijn beide ouders van
mening dat de kinderen bij elkaar in één gezin dienen te blijven. De beide
jongste kinderen geven aan bij de moeder te willen blijven wonen. Het oudste
kind F is graag bij zijn vader, maar vindt het bij de moeder ook prettig.
Hij is na een bezoek aan vader enkele keren niet naar moeder teruggegaan
omdat hij bij de vader tot rust wilde komen. Hij lijdt onder de spanningen
tussen de ouders en is belast door hun onderlinge strijd. Hij is hiervoor
reeds naar een psychologe geweest.

1.4. Het Hof is van oordeel dat beide ouders op zichzelf geschikt zijn
de kinderen te verzorgen en op te voeden. Echter gelet op het feit dat
de moeder degene is die altijd voor de kinderen heeft gezorgd en bij wie
de kinderen ook reeds sedert de echtscheidingsprocedure verblijven en nu
niet is gebleken dat het met de kinderen niet goed gaat bij de moeder,
waarbij nog komt dat de moeder praktisch meer beschikbaar is dan de vader,
die door een drukke baan bij ESTEC vaak op reis moet en in het buitenland
verblijft, is het hof van oordeel dat het in het belang van de kinderen
is dat de moeder met het gezag over hen wordt belast. Hoewel F aangeeft
zeer op zijn vader gesteld te zijn is dit nog geen reden om het gezag aan
de vader toe te wijzen, te meer daar beide ouders het er over eens zijn
dat de kinderen niet van elkaar gescheiden moeten worden. Het gezamenlijk
uitoefenen van het ouderlijk gezag, hetgeen de vader wenst om op die wijze
nog een rol te kunnen blijven spelen in de opvoeding van de kinderen, is
in dit geval mogelijk omdat de ouders slecht met elkaar kunnen communiceren
en een uiteenlopende visie over de opvoeding van de kinderen hebben. Het
hof zal derhalve de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

1.5. Tot op heden was er een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen
van vijf dagen per twee weken. Gebleken is dat de twee jongste kinderen
hier problemen mee hebben. M is vaak vermoeid na een bezoek aan de vader
en R klaagt over hoofdpijn. Gebleken is dat de huidige frequentie in de
omgangsregeling, die binnen veertien dagen naast een lang weekend ook tweemaal
een bezoek met overnachting tijdens de schoolweken inhoudt, als te onrustig
en verwarrend wordt ervaren. Het hof zal daarom in het belang van de kinderen
een omgangsregeling vaststellen van een lang weekend per veertien dagen
vanaf vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd en
de bestreden beschikking op dit punt vernietigen.
Voor F, die veel behoefte heeft aan contact met zijn vader zou deze regeling
wat summier kunnen zijn; het hof gaat er vanuit dat de moeder bereid is
om indien dit in het belang van F is royaal mee te werken aan eventueel
een extra contact tussen F en de vader.

2. Ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw en de kinderen.

2.1. Ter zitting heeft de man zich bereid verklaard voor de kinderen een
alimentatie te betalen van ƒ 1000 per maand per kind, alsmede de studiekostenverzekering
ad ƒ 150 per maand per kind. Mede gelet op datgene wat men gewend was aan
de kinderen uit te geven en waaraan zij dus blijkbaar behoefte hebben,
lijkt het hof dit bedrag niet onredelijk, zodat de bestreden beschikking
op dit punt dient te worden vernietigd.

2.2. De behoefte aan een alimentatie van de vrouw staat als niet bestreden
vast.

2.3. De man is werkzaam bij ESTEC en heeft een netto inkomen volgens recente
netto-salarisspecificaties van maart en april 1997 van ƒ 14 423 per maand,
inclusief vakantiegeld. Daarnaast ontvangt de man een daggeldvergoeding
die, volgens de vrouw, voor 50% als verkapt loon dient te worden aangemerkt.
Voor rekening van de man komt per maand ƒ 1185 aan huur; de man stelt dat
hij eenzelfde bedrag aan huur wenst te besteden als de vrouw, te weten
ƒ 1667 per maand. Aan premie ziektekostenverzekering stelt hij een bedrag
van ƒ 100 per maand te betalen. Voorts stelt hij nog de navolgende lasten
te hebben:
– aan verwervingskosten: ƒ 1045 per maand;
– aan kosten omgangsregeling: ƒ 2455 per maand;
– aan autokosten, inclusief garage: ƒ 2609 per maand
– aan kosten huishoudelijke hulp; ƒ 238 per maand.

3.1. Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van
een netto salaris van ƒ 14 423 per maand, inclusief vakantiegeld. Het komt
het hof, gelet op de hoogte van dit salaris, onaannemelijk voor dat een
internationale werkgever als ESTEC met daggeldvergoedingen beoogt een extra
loon aan de werknemer toe te kennen en dat die vergoedingen door de bank
genomen niet kostendekkend zijn.

3.2. Het hof gaat uit van de huidige woonlast van de man van ƒ 1185 per
maand en houdt geen rekening met een eventuele toekomstige woonlast.

3.3. Ten aanzien van de door de man opgevoerde verwervingskosten merkt
het hof op dat deze kosten door de vrouw zijn betwist op één na. De man
heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem overgelegde bewijsstukken
uitsluitend zakelijk gemaakte kosten betreffen, waar geen vergoeding of
bijdrage van de werkgever tegenover staat. De man heeft niet aannemelijk
gemaakt dat zijn kosten terzake uitstijgen boven hetgeen normaliter als
verwervingskosten forfaitair is af te trekken, zodat het hof alleen rekening
zal houden met een bedrag van ƒ 216 per maand.

3.4. Ten aanzien van de autokosten merkt het hof op dat de man weliswaar
een verklaring van de werkgever heeft overgelegd waaruit valt af te leiden,
dat hij een auto nodig heeft voor het maken van dienstreizen, maar uit
niets blijkt dat de door de man zakelijk gereden kilometers, ook bij dienstreizen,
niet (deels) declarabel zijn dan wel dat de werkgever hiervoor niet enige
(bij voorbeeld vaste maandelijkse) bijdrage betaalt. In het licht van de
door de man aangevoerde hoogte van zijn kosten had het op zijn weg gelegen
terzake bewijs te leveren.
Tevens kan worden geconstateerd dat vele van de door de man opgevoerde
kosten, zoals verzekering, wegenbelasting, ANWB-lidmaatschap, garage en
wasbeurten, (mede) zijn terug te voeren op kosten van privé gebruik van
de auto; evenmin heeft de man bewijsstukken overgelegd van de financieringslasten
van de auto. Gelet hierop houdt het hof rekening met een bedrag van ƒ 500
per maand aan autokosten.

3.5. Ten aanzien van de kosten van huishoudelijke hulp zal het hof rekening
houden met het door de man opgegeven bedrag van ƒ 238 per maand, welk bedrag
het hof redelijk acht gelet op de veeleisende baan van de man waarmee meer
uren zijn gemoeid dan gedurende een normale werkweek en het daardoor ook
hoge inkomen dat de man geniet.

3.6. De door de man opgevoerde kosten van de omgangsregeling acht het hof
exorbitant hoog. Uiteraard staat het de man vrij zoveel kosten voor de
kinderen te maken als hij wenst, maar het hof houdt slechts rekening met
de normale kosten in verband met de op te leggen omgangsregeling en acht
een bedrag van ƒ 500 per maand redelijk.

3.7. Het hof houdt volledig rekening met de door de man op zich genomen
verplichting om de premie voor de spaarpolissen ten behoeve van de kinderen
ad ƒ 150 per maand per kind te betalen.

3.8. Met de ziektekosten wordt slechts rekening gehouden voorzover deze
niet door de vrouw worden betwist, te weten met een bedrag van ƒ 69 per
maand.

4. Het hof acht, mede gelet op de hoogte van de toegekende alimentatie,
die de behoefte van de vrouw dekt, geen termen aanwezig om het door de
vrouw in de brief van 4 juli 1997 gedane bewijsaanbod te honoreren.

5. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man slechts een alimentatie
voor de vrouw, waaraan zij behoefte heeft, toelaat van ƒ 4.150 per maand,
welke alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Beslissing omtrent de zaken in hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 20 december
1995 voor zover daarbij de in die beschikking opgenomen omgangsregeling
is vastgesteld en voorzover daarbij de alimentatie voor de vrouw en de
minderjarigen is bepaald op respectievelijk ƒ 3750 per maand en ƒ 750 per
maand per kind, en in zoverre opnieuw beschikkende:

kent aan de vrouw ten laste van de man, met ingang van de datum waarop
de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand een alimentatie toe van ƒ 4.150 per maand, wat na heden te verschijnen
termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat tussen de man en de minderjarigen een omgangsregeling zal bestaan
inhoudende een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd
tot maandagmorgen voor schooltijd;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang
van de datum waarop de vrouw alleen het gezag over de minderjarigen uitoefent
op ƒ 1000 per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen
betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover nog aan het oordeel van
het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is;

bepaalt dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt van het geding
in hoger beroep.

Rechters

Mrs Von Brucken Fock, Simonis, Van Leuven

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een doorlopend krediet. De bank hanteert een leeftijdsgrens
voor de kredietverstrekking. Deze grens is voor mannen en vrouwen gelijk,
ondanks het feit dat vrouwen gemiddeld ouder worden. Hierdoor is er volgens
verzoekster sprake van onderscheid op grond van geslacht. De Commissie
overweegt dat het gebruik van sexe-specifieke statistische gegevens in
de
regel tot onderscheid zou leiden. Het hanteren van een leeftijdsgrens waarbij
geen gebruik wordt gemaakt van dergelijke gegevens, levert juist geen
onderscheid op. Geen strijd met wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 24 december 1996 verzocht mevrouw M.A. van der M. te Amsterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of Postbank N.V. te Amsterdam
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid maakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een doorlopend krediet bij de wederpartij. De
wederpartij hanteert voor dat krediet een leeftijdsgrens van 60 jaar gelet
op
het toenemend overlijdensrisico. Volgens verzoekster maakt de wederpartij,
door hierbij niet te differentiëren naar geslacht, onderscheid naar geslacht
omdat vrouwen gemiddeld ouder worden dan mannen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 9 juni 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. M.A. van der M. (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. G. Bakker (afdeling Consumptief Krediet)
– dhr. mr. A. ten Veen (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft in oktober 1995 een overeenkomst gesloten met de
wederpartij op grond waarvan de wederpartij haar een doorlopend krediet
verstrekt. Op deze overeenkomst zijn de Voorwaarden Doorlopend Krediet
van
toepassing. Artikel 7 van deze voorwaarden bepaalt dat de limiet bij het
bereiken van een nader door de wederpartij te bepalen leeftijd, al dan
niet
gefaseerd, zal worden verlaagd. Artikel 11 van de voorwaarden bepaalt het
volgende: “Indien de kredietnemer tijdens de duur van deze overeenkomst
komt
te overlijden vervalt de verplichting tot betaling van de op de dag van
overlijden uitstaande schuld, met uitzondering van die bedragen die op
de dag
van overlijden reeds verschuldigd maar nog niet betaald waren. (…)”.
De leeftijdsgrens, bedoeld in artikel 7, bedroeg ten tijde van het
verzoekschrift 60 jaar. Vanaf de 60-jarige leeftijd van de kredietnemer
wordt
de limiet met jaarlijks 20% verlaagd, zodat het krediet op 65-jarige leeftijd
is afgelost. Vanaf 1 februari 1997 is de leeftijd waarop de limiet wordt
verlaagd, verhoogd tot 65 jaar.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Het overlijdensrisico voor mannen verschilt aanzienlijk met dat voor vrouwen.
Het zou in de rede liggen dit verschil in de regels met betrekking tot
afbouw
van het krediet te betrekken, als het overlijdensrisico als argument voor
het
hanteren van een leeftijdsgrens wordt gehanteerd.

Een gelijkwaardige behandeling van mensen betekent niet dat zij ook altijd
gelijk moeten worden behandeld. Het gaat om gelijke behandeling bij gelijke
gevallen. Mannen en vrouwen zijn in dit geval niet gelijk. Bij andere
regelingen waarbij het overlijdensrisico een belangrijke factor vormt (b.v.
pensioenen en verzekeringen), worden op grond van actuariële tabellen vrouwen
anders behandeld dan mannen en dat wordt geaccepteerd. Dit betekent dat
ook
in deze situatie gebruik gemaakt dient te worden van naar sexe gescheiden
sterftetabellen. Zou de Commissie tot het oordeel komen dat het hanteren
van
eenzelfde leeftijdsgrens voor mannen en vrouwen in deze concrete situatie
niet leidt tot strijd met de wet, dan dienen in geen enkele andere regeling
waarbij het overlijdensrisico van belang is, actuariële tabellen gebruikt
te
worden. Met andere woorden: òf in iedere situatie waarbij het
overlijdensrisico een rol speelt, wordt gebruik gemaakt van actuariële
gegevens òf in geen enkele situatie.
Het verhogen van de leeftijdsgrens of het afsluiten van een persoonlijke
lening met een leeftijdsgrens van 70 jaar roepen eenzelfde principieel
bezwaar op.

Verzoekster stelt geen prijs op het kwijtschelden van de schuld bij
overlijden. Zij heeft geen nabestaanden die op een erfenis wachten en
eventuele schulden zullen uit haar boedel moeten worden betaald. Zij vraagt
zich af of ooit onderzocht is of er een categorie mensen is die geen prijs
stelt op kwijtschelding van de schuld.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Discriminatie of onderscheid heeft betrekking op het maken van een verschil.
Daarvan is naar de mening van de wederpartij geen sprake, omdat zij een
voor
iedereen gelijke leeftijdsgrens hanteert bij het afsluiten en afbouwen
van
een doorlopend krediet. Deze grens geeft de gemiddelde leeftijd aan waarbij
de bank het nog bedrijfseconomisch verantwoord acht aan haar cliënten
doorlopend krediet te verstrekken, ongeacht geslacht, ras, nationaliteit
of
gerichtheid van deze cliënten en derhalve ook ongeacht de vraag of er
afhankelijk van geslacht, ras, nationaliteit of gerichtheid wellicht
verschillende sterftetabellen gelden.

Bij het vaststellen van de leeftijdsgrens spelen naast bedrijfs-economische
argumenten ook commerciële argumenten een rol. In het dynamische krachtenveld
van de Nederlandse concurrentieverhoudingen worden voorwaarden van andere
aanbieders van consumptief krediet enerzijds en maatschappelijke
ontwikkelingen die van invloed zijn op consumentengedrag anderzijds,
voortdurend getoetst aan de bestaande voorwaarden en regelingen van de
wederpartij. Dit leidt tot een continue produktontwikkeling en aanpassingen
in het bestaande produktassortiment. Ten aanzien van de leeftijdsgrens
die
door de wederpartij bedrijfseconomisch verantwoord wordt geacht, wordt
gebruik gemaakt van de sterftetabellen van het Centraal Bureau voor de
Statistiek. Deze tabellen worden vergeleken met de sterfteontwikkeling
in de
eigen portefeuille.

Het hanteren van een leeftijdsgrens is op zichzelf niets bijzonders. Dit
gebeurt immers ook bij het recht op een uitkering krachtens AOW en de
leeftijd waarop men meerderjarig wordt. Het standpunt van verzoekster houdt
in dat men ook daarin een discriminatie van mannen moet zien, omdat die
gemiddeld minder lang leven en daarom minder lang meerderjarig zijn of
in het
bezit van een AOW-uitkering worden gesteld.

Verzoekster was op de hoogte met de voorwaarden bij het afsluiten van het
krediet. Deze vormden kennelijk geen reden om van de overeenkomst af te
zien.

3.4. Ten aanzien van het produkt Doorlopend Krediet heeft de wederpartij
gekozen voor één gestandaardiseerd produkt met voor alle cliënten geldende
uniforme produktkenmerken en kredietvoorwaarden. Het doel van de regeling
is
het creëren van een situatie waarin zoveel mogelijk de openstaande restschuld
van cliënten bij leven wordt afgelost. Dit heeft te maken met het beleid
om
een eventueel uitstaande schuld bij overlijden van de kredietnemer kwijt
te
schelden. Het in de tarieven berekende percentage van het overlijdensrisico
zou een te grote druk leggen op de tarieven indien een lening tot een hogere
leeftijd zou kunnen worden afgesloten. Teneinde de tarieven op een
aanvaardbaar niveau te houden, heeft de wederpartij het overlijdensrisico
afgedekt door middel van een afbouwregeling aanvankelijk vanaf 60 jaar,
inmiddels vanaf 65 jaar.

Het probleem van de leeftijdsgrens zou kunnen worden opgelost door
introductie van een gedifferentieerd doorlopend krediet, waarbij gedacht
kan
worden aan een doorlopend krediet met een hogere leeftijdsgrens en het
niet
meer kwijtschelden van de restantschuld. Echter voor veel klanten kan de
uitstaande schuld bij overlijden niet worden verrekend met de nalatenschap.
Om nabestaanden niet te confronteren met een uitstaande schuld is deze
regeling ingesteld. Indien een restantschuld moet worden ingevorderd bij
de
erfgenamen zal dit, ook als het zonder moeilijkheden verloopt, altijd een
bepaalde hoeveelheid werk en dus kosten voor de wederpartij met zich brengen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij, door voor mannen en vrouwen
bij
het verstrekken van een doorlopend krediet eenzelfde leeftijdsgrens te
hanteren, jegens verzoekster onderscheid maakt naar geslacht als bedoeld
in
de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen
van
belang.

Artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Algemene wet gelijke behandeling
(AWGB) verbiedt onder andere het maken van onderscheid bij het aanbieden
van
goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren en beëindigen van
overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf. De wederpartij valt als bancaire instelling onder de
reikwijdte van dit artikel.

Onder onderscheid in de zin van de AWGB moet krachtens artikel 1, onderdeel
a, van deze wet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Artikel
1,
onderdeel b, AWGB bepaalt onder meer dat onder direct onderscheid,
onderscheid tussen personen op grond van geslacht moet worden verstaan.
Op
grond van artikel 1, onderdeel c, AWGB moet onder indirect onderscheid
worden
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan
geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg heeft.

Artikel 2, tweede lid, AWGB bepaalt dat het in deze wet neergelegde verbod
van onderscheid op grond van geslacht niet geldt in gevallen waarin het
geslacht bepalend is. Bij algemene maatregel van bestuur (Besluit Gelijke
Behandeling) zijn de gevallen waarin deze uitzondering aan de orde is,
nader
omschreven. (Koninklijk besluit van 18 augustus 1994, Staatsblad 657).

4.3. De wederpartij hanteert een vaste leeftijdsgrens die gelijk is voor
mannen en vrouwen. De klacht van verzoekster betreft het feit dat de
wederpartij niet differentieert naar geslacht. De Commissie overweegt
hieromtrent het volgende.

Het stellen van een leeftijdsgrens als zodanig bij het aanbieden van goederen
en diensten en bij het sluiten, uitvoeren en beëindigen van overeenkomsten
ter zake kan een handelen zijn waardoor vrouwen -danwel mannen- onevenredig
worden benadeeld. De leeftijdsgrens kan dan als neutraal criterium worden
beschouwd. Als het gevolg van hantering van die leeftijdsgrens echter in
overwegende mate één van beide geslachten treft, is sprake van indirect
onderscheid op grond van geslacht.

In deze zaak zou op grond van deze redenering kunnen worden onderzocht
of
sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht. De Commissie
gaat
daartoe echter niet over vanwege het feit dat het in deze zaak een verzoek
om
een oordeel betreft aangaande de vraag, of de wederpartij de gestelde
leeftijdsgrens behoort te relateren aan een sexespecifiek kenmerk, namelijk
het verschil in sterfterisico’s voor mannen en vrouwen. Een criterium -zoals
in casu de leeftijdsgrens- dat als zodanig neutraal is, verliest zijn
neutrale karakter als het direct gerelateerd wordt aan een sexespecifiek
kenmerk.

Het gebruik van statistische gegevens die sexespecifiek zijn, leidt als
regel
tot direct onderscheid op grond van geslacht. De norm van gelijke behandeling
houdt immers in, dat kenmerken die verbonden zijn aan een bepaald geslacht
niet mogen leiden tot een verschil in behandeling benadeling danwel
bevoordeling van de betrokkenen ten opzichte van degenen die tot het andere
geslacht behoren. Met het hanteren van een leeftijdsgrens waarbij juist
geen
gebruik gemaakt is van sexe-specifieke gegevens, zoals in casu bij de
bestreden voorwaarde bij kredietverlening door de wederpartij, wordt derhalve
geen onderscheid naar geslacht gemaakt.

Deze conclusie wordt naar het oordeel van de Commissie ondersteund door
het
volgende.
In de AWGB zijn uitzonderingen opgenomen op het verbod tot het maken van
onderscheid op grond van geslacht. Artikel 1, onderdeel h, van het Besluit
gelijke behandeling bevat een dergelijke uitzondering. Deze betreft de
verzekering van een risico dat afhankelijk is van het leven van een persoon
tegen een van het geslacht van die persoon afhankelijke premie, voorzover
het
verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen het verschil in
premie
redelijkerwijs meebrengt. Geconstateerd moet worden dat het gebruik van
sterftetabellen die differentiëren naar geslacht bij levensverzekeringen
onder bepaalde voorwaarden een toegestaan onderscheid vormt. Uit de
wetsgeschiedenis (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 014, nr. 10,
pag.
32-37 en Handelingen Tweede Kamer, 11 februari 1993, pag. 48-3604/3605)
blijkt dat dit de enige uitzondering is waar het gebruik van naar sexe
gescheiden sterftetabellen is toegestaan. Ook dit leidt tot de conclusie
dat
sexespecifieke sterftetabellen als grond voor een verschillende
leeftijdsgrens voor mannen en vrouwen bij de kredietverleningsvoorwaarden
een
verboden onderscheid op grond van geslacht zou opleveren.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de wederpartij,
door bij de kredietverlening een leeftijdsgrens te hanteren die niet
differentieert naar mannen en vrouwen, geen onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat de Postbank N.V. te Amsterdam jegens mevrouw
M.A. van der M. te Amsterdam geen onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de Algemene
Wet Gelijke Behandeling en derhalve niet in strijd met deze wet heeft
gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw.mr.A.N. Veekamp (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Roermond, 16 juli 1997

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


De vrouw wil de achternamen van haar twee kinderen van twee verschillende
vaders laten wijzigen in haar eigen achternaam. Een vader heeft bezwaar.
De
raad van de kinderbescherming adviseert negatief en het verzoek wordt door
het ministerie van Justitie afgewezen. Als grond daartoe wordt aangevoerd
de
Richtlijn 1989: het is in het belang van het kind wanneer het zijn werkelijke
afkomst (status) kent. De vrouw heeft te kennen gegeven de kinderen op
een
door haarzelf te bepalen tijdstip te zullen inlichten over hun status.
Ook de
Rechtbank wijst haar verzoek af met als belangrijkste argument het risico
van
statusverduistering.
De vrouw is in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van
State.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder
het
bezwaar van eiseres tegen de beslissing inzake de wijziging van de
geslachtsnaam van haar kinderen ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit is beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in
afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb zijn R en V
door
de rechtbank aangemerkt als belanghebbende.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 juni 1997, waar
eiseres, bijgestaan door gemachtigde mr. H. Hartmann en V zijn verschenen.
Namens verweerder is verschenen J. van de Broek.

II Overwegingen

Uit het op 29 juni 1988 door echtscheiding ontbonden huwelijk tussen eiseres
en R zijn geboren Charissa, geboortedatum 15 oktober 1985 overlijdensdatum
22
februari 1990, en Jarmil, geboortedatum 28 december 1987. Uit de per
september/oktober 1989 beëindigde relatie van eiseres met V is geboren
Gimenne, geboortedatum 8 juni 1989, welk kind door de voornoemde V is erkend.

Op 30 maart 1995 heeft eiseres zich tot hare Majesteit de Koningin gewend
met
het verzoek de geslachtsnamen van haar kinderen Jarmil en Gimenne te wijzigen
in Van der M, de naam van eiseres. Daarbij heeft eiseres aangegeven de
kinderen vanaf ongeveer drie maanden na hun geboorte alleen op te voeden,
dat
er met de vaders geen contact is en dat voor een rustige opvoeding het
voeren
van de geslachtsnaam van eiseres door alle leden van het gezin nodig is.

Door een ambtenaar van de afdeling burgerzaken van de gemeente Venlo is
betreffende het verzoek van inlichtingen opgemaakt en geadviseerd het verzoek
in te willigen. Uit het bij die staat behorende verslag van bevindingen
blijkt dat Jarmil met de naam van zijn moeder is ingeschreven op school
en
dat er met de vader noch met diens familie (opa en oma) contact is. Bij
schrijven d.d. 19 augustus 1996 heeft de vader van Jarmil te kennen gegeven
geen toestemming voor de naamswijziging te verlenen. Blijkens een bij de
staat van inlichtingen gevoegde verklaring heeft de vader van Gimenne geen
bezwaar tegen de naamswijziging.

Op het verzoek van verweerder (d.d. 15 juni 1995) om na te gaan of de
belangen van de minderjarige kinderen Jarmil en Gimenne zich verzetten
tegen
het verzoek van de moeder tot wijziging van hun geslachtsnaam, brengt de
Raad
voor de Kinderbescherming op 28 februari 1996 rapport uit. De Raad
concludeert dat voor moeder en dus voor het gezin het enige gemoedsrust
zou
kunnen opleveren om één achternaam te hebben. Desalniettemin adviseert
de
Raad afwijzend zolang de kinderen niet zijn voorgelicht over hun afkomst
en
ze niet de leeftijd hebben zelf een mening over een naamswijziging te kunnen
vormen.

Bij brief van 6 mei 1996 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat is besloten
het verzoek van eiseres af te wijzen. Eiseres heeft bij schrijven van 10
juni
1996 bezwaar tegen dit besluit gemaakt, welk bezwaar ongegrond is verklaard
bij het thans bestreden besluit.

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is
met
het geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen
rechtsbeginsel. Daartoe wordt overwogen als volgt.

In het belang van de rechtszekerheid is in de Richtlijnen voor
geslachtsnaamwijziging het beleid vastgelegd en openbaar gemaakt, zoals
dat
ten aanzien van geslachtsnaamwijziging wordt gevoerd. Ingevolge artikel
3,
eerste lid, aanhef en sub a van die richtlijnen wordt op verzoek van de
wettelijke vertegenwoordiger de geslachtsnaam van een minderjarige gewijzigd,
indien de moeder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking van
de
buitenhuwelijkse samenleving met de vader gedurende ten minste drie jaren
onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige als ongehuwde
ouder
heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en sub b van de richtlijnen wordt
het
verzoek afgewezen indien de belangen van het kind zich tegen de inwilliging
van het verzoek verzetten. Uit de toelichting blijkt het volgende:

“Bij de beoordeling van deze verzoeken om naamswijziging staat het belang
van
het kind centraal. De naamswijziging moet in het belang van het kind zijn.
In
het algemeen is het in het belang van het kind dat het dezelfde naam draagt
als de andere leden van het gezin waarin het wordt opgevoed. Een verschil
in
naam in een gezin roept vaak bij derden vragen op, die als hinderlijk worden
ervaren. In veel gevallen gaat het kind reeds onder de gevraagde naam door
de
wereld en alleen bij officiële gelegenheden, bij voorbeeld wanneer het
wordt
ingeschreven voor een school of een examen, blijkt dat het kind wettelijk
een
andere geslachtsnaam draagt. De naamswijziging komt de stabiliteit en rust
in
het gezin ten goede; het kind valt niet langer op door zijn afwijkende
geslachtsnaam en de naamswijziging bevestigt de band met de persoon wiens
naam wordt verleend. De naamswijziging is echter alleen in het belang van
de
minderjarige, indien de verzorgingssituatie van de minderjarige bestendig
kan
worden geacht.”
en

“In het kader van de afweging of de belangen van het kind zich tegen de
naamswijziging verzetten, kan evenwel de mate waarin er contact tussen
de
vader en het kind bestaat, naast andere overwegingen een rol spelen.”

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de richtlijnen kan op verzoek de Raad
voor de Kinderbescherming adviseren omtrent een verzoek tot wijziging van
de
geslachtsnaam van een minderjarige, terwijl dat artikellid tevens bepaalt
dat
het advies van de Raad in elk geval wordt ingewonnen, indien één van de
ouders van het kind bezwaar maakt tegen de verzochte naamswijziging.

Een advies dat is uitgebracht door de Raad van de Kinderbescherming vormt
in
het algemeen voldoende grondslag voor een beslissing als de onderhavige.
Daarbij dient het bestuursorgaan zich ingevolge het bepaalde in de artikelen
3:2 en 3:9 van de Awb ervan te vergewissen dat die adviezen voldoen aan
de
eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid aan de besluitvorming zelf
moeten worden gesteld. De zorgvuldigheid gebiedt dat een advies als het
onderhavige niet zonder meer door het bestuursorgaan wordt overgenomen
als
blijkt dat het advies tot stand is gekomen zonder dat daaraan een zorgvuldig
onderzoek is voorafgegaan. Gelet op het bepaalde in de artikelen 4:16 en
4:19
van de Awb mag een bestuursorgaan evenmin zonder meer op zodanig advies
afgaan als het advies niet sluitend is, kennelijk onjuiste feiten vermeldt
of
anderszins door de wijze waarop het is opgesteld aanleiding geeft tot twijfel
omtrent de juistheid van de conclusie.

Verweerder stelt zich, samengevat, op het volgende standpunt. Beslissend
voor
de toewijzing van het verzoek tot naamswijziging is of het belang van de
kinderen zich niet tegen de wijziging verzet. Een facet daarbij is de
statusvoorlichting, waaronder verstaan wordt dat iemand zijn werkelijke
afkomst kent. Uit kinderbeschermingsoogpunt moet een kind voldoende op
de
hoogte zijn van zijn afstamming. Deze voorlichting is in het algemeen ook
van
belang voor een kind jonger dan 12 jaar.
Bij zeer jonge kinderen is het niet inlichten niet beslissend voor de
afwijzing van een verzoek, tenzij vast komt te staan dat de wettelijke
vertegenwoordiger zich terughoudend opstelt en niet voornemens is binnen
een
redelijke termijn tot de statusvoorlichting over te gaan. Verweerder hanteert
een hierbij een leeftijdsgrens van acht jaar. In de onderhavige zaak is
er
sprake van een terughoudende opstelling van eiseres, aldus verweerder.
Verweerder leidt dit af uit opmerkingen van eiseres (de kinderen kennen
hun
vader niet en G zal uitleg krijgen als ze er oud genoeg voor is); uit het
rapport van de Raad van de Kinderbescherming (de kinderen zijn niet
voorgelicht; later zal eiseres uitleg geven; moeder ervaart het als een
gemak
dat er nog niets verteld is); uit het bezwaarschrift (het ligt aan de vaders
dat de kinderen hen niet kennen, zij vervullen hun vaderrol niet); en uit
hetgeen ter hoorzitting is opgemerkt door eiseres’ gemachtigde (het is
nu
niet in het belang van de kinderen te vertellen wie hun vaders zijn). Het
ontbreken van de statusvoorlichting, waarvan het belang, aldus verweerder,
evident is, is een belemmering voor het inwilligen van de aanvraag.

Voorts acht verweerder het belang bij de naamswijziging niet aangetoond
nu de
kinderen bekend staan onder de naam van hun moeder; slechts op officiële
documenten wordt de officiële naam geplaatst. Met de naam van de vaders
worden de kinderen in het dagelijks verkeer niet geconfronteerd. De
naamswijziging vergroot aanmerkelijk het risico van statusverduistering,
terwijl een oplossing van de eventuele problemen in de relatie tussen de
moeder en de vaders hierdoor niet bereikt wordt.
Waar de Raad van de Kinderbescherming verplicht was de statusvoorlichting
aan
de orde te stellen, kan niet geoordeeld worden dat het advies niet zorgvuldig
tot stand is gekomen.

Het standpunt van eiseres komt samengevat neer op het volgende.
Eiseres zal de kinderen voorlichten omtrent hun status wanneer zij daaraan
toe zijn. Op dit moment zijn stabiliteit en rust binnen het gezin
belangrijker dan het voorlichten van de kinderen omtrent hun status.
Richtlijn noch wet vermelden overigens de eis van statusvoorlichting. Terzake
van de door verweerder gehanteerde leeftijdsgrens van acht jaar, wijst
eiseres erop dat ten tijde van het indienen van het verzoek op 30 maart
1995
J zeven jaar was en G vijf jaren. Het kan haar niet verweten worden dat
zoveel tijd verlopen is sinds het indienen van het verzoek. Voorts is de
leeftijd waarop een kind informatie kan begrijpen en verwerken afhankelijk
van het bevattingsvermogen en de rijpheid van het kind zelf. J, leerling
van
een
OM-school, is daar nog niet aan toe. De Richtlijn acht daarnaast een kind
van
twaalf jaar in staat om zijn wil te bepalen omtrent de naamswijziging.
Met betrekking tot het niet zorgvuldig tot stand komen van het onderzoek
van
de Raad van de Kinderbescherming wijst eiseres o.a. op het feit dat er
geen
onderzoek is gedaan naar de vraag of het belang van de kinderen zich tegen
naamswijziging verzet.
Er is een direct belang voor de naamswijziging: het zal gemoedsrust in
het
gezin opleveren.

De rechtbank overweegt als volgt:
In een reeks van uitspraken heeft de Afdeling (Bestuurs) Rechtspraak van
de
Raad van State terzake van verzoeken om naamswijzigingen uitgesproken dat
hij
van oordeel is dat de zogeheten statusvoorlichting rechtstreeks strekt
tot
het in de Richtlijnen 1989 centraal gestelde belang van het kind, in het
algemeen ook van het kind jonger dan twaalf jaar. In dit soort gevallen,
waarin vast staat dat de onder de geslachtsnaam van eiseres bekend staande
minderjarige wordt opgevoed door eiseres en waarin tevens vast staat dat
de
minderjarige in het geheel niet op de hoogte is van zijn afkomst, acht
de
Afdeling het niet onredelijk dat verweerder het feit, dat de voorlichting
niet heeft plaatsgevonden, een belemmering vindt voor inwilliging van het
verzoek om naamswijziging. De Afdeling heeft in die uitspraken tevens
overwogen dat het feit dat de statusvoorlichting ontbreekt, op zichzelf
reeds
een voldoende draagkrachtige basis is voor het bestreden besluit. De vraag
naar de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van de Raad
van
de Kinderbescherming kan hier niet aan afdoen.

Nu vast staat dat de kinderen niet zijn voorgelicht omtrent hun afkomst
moet,
gelet op de hierboven samengevatte jurisprudentie zoals deze door het hoogste
rechtscollege gevormd is, overwogen worden dat het standpunt van verweerder
overeenkomstig de gevormde jurisprudentie is. Het bestreden besluit levert
naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen strijd op met het
geschreven of ongeschreven recht dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. Beslissing

De arrondissementsrechtbank te Roermond;

gelet op het bepaalde in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht;

verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mrs Chao-Duyvis

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 15 juli 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De B. wordt ervan beschuldigd dat hij: er een gewoonte van heeft gemaakt
kinderporno te verspreiden en in voorraad te hebben gehad, in Thailand
ontucht heeft gepleegd met jongens jonger dan zestien jaar en het medeplegen
van het handelen in verdovende middelen. De rechtbank verklaart het OM
niet-ontvankelijk voorzover betreft het plegen van ontucht met één
minderjarige jongen. De rechtbank verklaart het overige bewezen en
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar waarvan zes
maanden voorwaardelijk.

Volledige tekst

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaardingen
zoals ter terechtzitting nader omschreven. Van de dagvaardingen en de
vorderingen nadere omscrhijving telastegegging zijn kopieën als bijlagen
1,
2, 3 en 4 aan dit vonnis gehecht. De nader omschreven telasteleggingen
gelden
als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

Ontvankelijkhied van de officier van justitie

Jurisdictie

Door de raadsman is ter zitting bepleit dat Nederlandse rechtsmacht (…)
in
strijd zou zijn met de achtergrond van artikel 5 lid 1 sub 2 Sr, aangezien
het zeer de vraag is of het de Thaise autoriteiten veel kan schelen dat
verdachte voor de door hem op Thais grondgebied in 1990 gepleegde feiten
wordt vervolgd.
De raadsman concludeert derhalve dat het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank overweegt daartoe dat dit verweer geen steun vindt in het
recht,
aangezien art. 5 lid 1 sub 2 Sr slechts als voorwaarde stelt dat op de
feiten
straf is gesteld door de wet van het land waar de feiten zijn begaan. Nu
niet
is gebleken dat plegers van dergelijke feiten door de Thaise autoriteiten
van
vervolging zijn uitgesloten, verwerpt de rechtbank dit verweer.

Klachtvereiste

Door de raadsman is ter terechtzitting geconcludeerd (…) dat het Openbaar
Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging,
aangezien de leeftijd van de twee jongens niet is vastgesteld en geen klacht
is ingediend. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat op grond van het
bepaalde in artikel 1 lid 2 Sr toepassing dient te worden gegeven aan artikel
247 lid 2 Sr, hetgeen impliceert dat het klachtvereiste ook van toepassing
is
op feiten gepleegd vóór 1 december 1991 (zie arresten HR 23-3-1993, NJ
1993/722, en HR 22-4-1997, NJB 1997/95).

Naar het oordeel van de rechtbank is inderdaad het klachtvereiste als bedoeld
in artikel 247 lid 2 Sr, gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 2 Sr, ook
van
toepassing op feiten gepleegd vóór 1 december 1991.

Met betrekking tot de door verdachte tenlastegelegde feiten leidt het
vorenstaande tot het volgende:

Ten aanzien van feit 1:
Volgens de conclusie van het rapport van de artsen uit Thailand (…) die
gespecialiseerd zijn in de groei en ontwikkeling van kinderen, welke
conclusie is gebaseerd op bestudering van video-prints en videoband van
“Boy
1″, moest “Boy 1” 10 jaar oud zijn en kon hij niet ouder zijn dan 12 jaar.
Aangezien op grond van deze conclusie niet kan worden uitgesloten dat de
jongen de leeftijd van 12 jaar of ouder al had bereikt, is de rechtbank
van
oordeel dat de officier van justitie, nu er geen klacht is, niet-ontvankelijk
dient te worden verklaard in haar vervolging.

Ten aanzien van feit 2:
Op grond van – onder meer – de verklaring van verdachte ter terechtzitting
van 1-7-1997, inhoudende – onder meer – dat “Boy 2” tussen de acht en negen
jaar oud was in de maand februari 1990, bestaat er naar het oordeel van
de
rechtbank voldoende mate van zekerheid dat “Boy 2” ten tijde van de in
de
tenlastelegging genoemde periode de leeftijd van de in de tenlastelegging
genoemde periode de leeftijd van 12 jaar nog niet had. Derhalve kon en
mocht
de officier van justitie overgaan tot vervolging zonder klacht en verwerpt
de
rechtbank het verweer van de raadsman in zoverre.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Onderzoek in Thailand

Met betrekking tot het rapport van de artsen uit Thailand (blz. 797 tot
en
met 799 van het doorgenummerde proces-verbaal) is door de raadsman ter
terechtzitting bepleit (punt 17 tot en met 25 uit de pleitnotities van
de
raadsman), dat de waarborgen met betrekking tot het deskundigenonderzoek
in
het kader van een gerechtelijk vooronderzoek zijn geschonden en het rapport
naar zijn inhoud onvoldoende houvast biedt voor een nauwkeurige vaststelling
van de leeftijd van de jongens op videobeelden. De raadsman bepleit dan
ook
dat het rapport niet mag bijdragen tot het bewijs.

Dit verweer behoeft geen verdere beoordeling, nu verdachte daar, gelet
op het
hiervoor onder 2. overwegene, in zaak B onder 1 geen belang meer bij heeft
en
in zaak B onder 2 genoemd rapport niet zal worden gebezigd, aangezien
verdachte niet heeft betwist dat “Boy 2”, jonger dan 12 jaar was ten tijde
van de in de telastelegging genoemde periode en ook overigens niet
aannemelijk is geworden dat genoemde jongen twaalf jaar of ouder was.

3.2. Equality of arms

Door de raadsman is ter terechtzitting bepleit dat de RC op 16 mei 1997
aan
de verbalisanten Den B en R opdracht heeft gegeven om met de officier van
justitie naar Thailand te gaan, teneinde aldaar een onderzoek in te stellen.
In Thailand hebben zij de getuige H. A. Gehoord. De raadsman heeft aangevoerd
dat hierdoor is gehandeld in strijd met het beginsel van “equality of arms”,
zoals is verankerd in artikel 6 EVRM, aangezien de raadsman niet de
gelegenheid is geboden bij het onderzoek in Thailand aanwezig te zijn (punt
17 tot en met 20 uit de pleitnotities van de raadsman).

De rechtbank komt ook niet aan de beoordeling van dit verweer toe, aangezien
de verklaring van getuige H. A. niet als bewijsmiddel zal worden gebezigd.

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het
telastegelegde heeft begaan zoals is aangegeven op de aan dit vonnis als
bijlagen 5 en 6 gehechte – gestreepte- kopieën van de telastelegging. De
inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn
deze
verbeterd. Verdachte is hierdoor niet geschaad in zijn verdediging.

3.4 In voorraad hebben/verspreiden

Door de raadsman is (…) ter terechtzitting bepleit dat het enkele bezit
van
kinderporno zonder “externe gerichtheid” niet valt onder de
delictsomschrijving van artikel 240b Sr. (…) De raadsman is van mening
dat
vrijspraak dient te volgen, aangezien er geen sprake is van “in voorraad
hebben” en “verspreiden”.

De rechtbank is van oordeel, anders dan de raadsman stelt, dat er in het
onderhavige geval wel sprake is van “externe gerichtheid”.

Daarbij wijst de rechtbank op de volgende omstandigheden:
1). In de verzameling inbeslaggenomen videobanden zijn beelden aangetroffen,
waarbij in gewone pornobanden tussen de beelden fragmenten zijn opgenomen,
waarbij verdachte zelf onherkenbaar is gemaakt;
2) Het aantal onder verdachte inbeslaggenomen videobanden (133) met
kinderpornografische afbeeldingen;
3) Verdachte heeft, zoals blijkt uit de feiten en omstandigheden die in
de
bewijsmiddelen zijn vervat, ook videoband(en) met kinderpornografische
afbeeldingen geruild.

3.5. Met betrekking tot het in zaak A onder 3 en 4 bewezen verklaarde is
het
een feit van algemene bekendheid dat MDMA hetzelfde is als XTC.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft
begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten gebruikt,
zoals is aangegeven.

5. De strafbaarheid van de feiten.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van
een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van
verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van
het
bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon
van
verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende
straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten
meewegen dat verdachte zich in zaak a onder 2 heeft schuldig gemaakt aan
-kort gezegd- het verspreiden en in voorraad hebben van een groot aantal
videobanden bevattende -veelal zeer schokkende c.q. ‘harde’-
kinderpornografische afbeeldingen.
Door aldus te handelen heeft verdachte bijgedragen aan het in stand houden
van het maken en verhandelen van deze kinderporno.

Voorts heeft verdachte door het plegen van het in zaak B onder 2 bewezen
geachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van
het
jeugdige slachtoffer, welke inbreuk naar alle waarschijnlijkheid negatieve
psychische gevolgen met zich mee brengt en de sexuele ontwikkeling van
het
slachtoffer schaadt.

Bovendien heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bewerken, verkopen
en
afleveren van hoeveelheden cocaïne en XTC-pillen en voorts hoeveelheden
voor
verdere verspreiding geschikte hard- en softdrugs in zijn woning voorhanden
gehad, zijnde voor de gezondheid van gebruikers daarvan schadelijke stoffen.
Het gebruik van deze middelen is ook bezwarend voor de samenleving onder
andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde
criminaliteit. Met het oog op de bij de verdachte aangetroffen hoeveelheid
verdovende middelen overweegt de rechtbank dat deze kennelijk niet alleen
voor eigen gebruik waren bestemd.

Anderzijds heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf acht geslagen
op
de inhoud van een rapport van psychiater J.M.J.F. Offermans, d.d. 13 mei
1997, een rapport van psycholoog drs. J.A. Abraham, d.d. 21 april 1997,
en
een voorlichtingsrapport van de Reclassering Nederland, Arrondissement
Amsterdam, d.d. 30 juni 1997.
In de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze in genoemde
rapporten en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn
gekomen, alsmede gelet op de omstandigheid dat verdachte niet eerder met
politie en justitie in aanraking is geweest en het tijdsverloop in zaak
B,
ziet de rechtbank aanleiding een gedeelte van na te noemen gevangenisstraf
voorwaardelijk op te leggen.

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten 113 VSH
videobanden en 20 video “8” bandjes, dienen onttrokken te worden aan het
verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze
voorwerpen het in zaak A onder 2 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen
van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd
is
met de wet.

Door de raadsman van verdachte is bepleit dat voorzover de rechtbank tot
een
veroordeling zou komen van de feiten 3 en 4 (zaak A), er sprake is van
een
voortgezette handeling in de zin van artikel 56 SR, aangezien aan de feiten
immers één wilsbesluit ten grondslag heeft gelegen, terwijl voorts sprake
is
van gelijksoortige feiten.
De rechtbank verwerpt dit verweer van de raadsman en overweegt daartoe
dat de
in zaak A onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten niet in zodanig verband
staan
dat zij beschouwd moeten worden als een voortgezette handeling.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1, 5, 14a, 14b, 14c 36b,
36c, 47, 57, 240b, en 247(oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen
2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van
verdachte terzake van het in zaak B onder 1 telastegelegde.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastgelegde heeft begaan zoals hiervoor
in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd
dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het in zaak A onder 2 telastegelegde:
Een gewoonte maken van het verspreiden en in voorraad hebben van
gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van sexuele gedragingen, waarbij
iemand die kennelijk de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt,
is
betrokken, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak A onder 3 telastegelegde:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste
lid, onder B en onder C, van de Opiumwet gegeven verboden, meermalen
gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak A onder 4 telastegelegde:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste
lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerst
lid, onder c, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het in zaak B onder 2 telastegelegde:
Medeplegen van met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten
echt
ontuchtige handelingen plegen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte de L daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3)
jaar.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van
deze
uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij
de
tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Beveelt dat zes (6) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal
worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het
einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:
– 113 VSH videobandjes
– 20 video “8” bandjes.

Noot

In deze zaak voor de Rechtbank Amsterdam gaat het om een zogenaamde
‘sekstoerist’. Sinds oktober 1996 is dit inmiddels het derde, mij bekende,
proces waarbij iemand wordt veroordeeld voor het in het buitenland ontucht
plegen met een jeugdige onder de zestien jaar (zie Rechtbank ‘s-Gravenhage,
RN 1998 689 m.nt. Stan Meuwese en in hoger beroep Hof ‘s-Gravenhage RN
1998,
810 m.nt. Bart Swier). De verdachte in deze zaak wordt evenals bij de
voorgenoemde zaak vervolgd voor het, kortgezegd, in voorraad hebben van
kinderporno (art. 240b Sr) en het plegen van ontucht met een jeugdige onder
de zestien jaar (art. 247 Sr). daarnaast wordt hij ook beschuldigd van
handel
in verdovende middelen (art. 2 en 3 Opiumwet). Hij wordt voor al deze feiten
veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf waarvan een half jaar
voorwaardelijk. Voor een vijfde feit wordt het Openbaar Ministerie
niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een klacht in de zin
van
art. 247 lid 2 Sr. Ik zal me in dit commentaar beperken tot de vervolging
terzake van het plegen van ontucht en het in vorraad hebben van kinderporno.
In mijn vorige annotatie is het wetsvoorstel Opheffing bordeelverbod (nr
25437) besproken dat in deze zaak ook relevant is. Kort samengevat wordt
in
dat voorstel geregeld dat het klachtvereiste (zie art. 245 lid 2 Sr) vervalt
voorzover het gaat om jeugdprostitutie. In zaken waarbij een jeugdige onder
de zestien jaar zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele
handelingen kunnen politie en justitie ambtshalve opsporen en vervolgen.
de
reden voor de wetswijziging is dat het klachtvereiste een belemmering vormt
bij de bestrijding van kindersekstoerisme. Mijn commentaar op dat
wetsvoorstel is dat niet het klachtvereiste de belemmering is maar het
feit
dat de jeugdige slachtoffers geen aangifte doen en dat wetsvoorstel zodoende
slechts in spaarzame gevallen nut heeft. In de onderhavige zaak is er sprake
van zo’n spaarzaam geval, de verdachte had wellicht voor het vijfde feit
veroordeeld kunnen worden indien het wetsvoorstel inmiddels wet zou zijn
geweest. Ik zal dat uitleggen: bij de verdachte werden videobanden
aangetroffen waarop kinderporno was opgenomen. In opdracht van de
rechter-commissaris zijn toen twee opsporingsambtenaren met een officier
van
justitie naar Thailand afgereisd om een onderzoek in te stellen. Kennelijk
zijn de slachtoffers niet zelf gevonden en daarom werd een rapport van
Thaise
artsen als bewijs gebruikt om hun leeftijd vast te stellen. De vaststelling
van de leeftijd is essentieel met het oog op het klachtvereiste. Bij een
vervolging ex art 247 Sr is deze namelijk vereist voorzover het gaat om
ontucht met jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaar. Normaliter wordt
er
in een ontuchtzaak een uittreksel uit het bevolkingsregister gebruikt maar
dat kon in casu niet. De rechtbank wordt niet overtuigd door het rapport
van
de gespecialiseerde artsen. Zij stellen op basis van de videoband dat het
slachtoffer tien jaar moest zijn en niet ouder kon zijn dan twaalf jaar.
Op
grond van deze conclusie kan het volgens de rechtbank niet uitgesloten
worden
dat de jongen de leeftijd van twaalf jaar al had bereikt. Wat dat betreft
heeft de rechtbank meer vertrouwen in de verdachte: in de andere
tenlastegelegde ontuchtzaak wordt de rechtbank overtuigd door zijn verklaring
waarin hij stelt dat het slachtoffer tussen de acht en negen jaar is. Hoe
het
ook zij, als het gaat om (‘slechts’) ontuchtige handelingen dan zorgt het
klachtvereiste ervoor dat er voldoende mate van zekerheid moet zijn omtrent
de leeftijd anders is het OM niet-ontvankelijk. Op grond van het wetsvoorstel
hoeft de leeftijd niet meer te worden vastgestled als blijkt dat de verdachte
het slachtoffer betaald heeft, een klacht is dan niet meer vereist. Hoe
moet
blijken dat het gaat om jeugdprostitutie is onduidelijk: op zich hoeft
de
officier de betaling niet te bewijzen nu het niet in de delictsomschrijving
is opgenomen.
Als het niet gaat om ontuchtige handelingen maar om het seksueel
binnendringen moet er wel duidelijkheid komen omtrent de leeftijd nu in
art.
245 Sr staat geschreven dat het moet gaan om iemand die de leeftijd van
twaalf jaren maar nog niet van zestien jaren heeft bereikt. Art. 247 Sr
spreekt slechts over het plegen van ontuchtige handelingen met een jeugdige
beneden de zestien jaar. Bioj het seksueel binnendringen bij een kind jonger
dan twaalf jaar is art. 244 Sr van toepassing, dit artikel kent ook een
zwaardere strafbedreiging.
Samenvattend kan gesteld worden dat op grond van het wetsvoorstel het
mogelijk wordt om zonder klacht van het slachtoffer iemand te vervolgen
ex
art. 247 Sr in het geval diegene herkend wordt op een kinderpornoband als
degene die ontuchtige handelingen pleegt met een kind tussen de twaalf
en
zestien jaar.
Op zich is het gebruikelijk, als er tenminste voldoende geld en mankracht
is,
dat de politie, als die kinderporno aantreft, de slachtoffers tracht te
traceren voorzover dat uiteraard mogelijk is. Dit om een drietal redenen:
om
hulp te verlenen aan deze slachtoffers, om verdere verspreiding van de
kinderporno te voorkomen en om (andere)mogelijke verdachten te vervolgen.
In
deze zaak heeft men de slachtoffers ook proberen te vonden maar dit is
niet
gelukt. desondanks dacht justitie voldoende bewijs te hebben om de verdachte,
behalve voor het in voorraad hebben van kinderporno, ook te vervolgen voor
het plegen van ontucht. Met gedeeltelijk succes dus.
Voor wat betreft de tenlastelegging van het in voorraad hebben van
kinderporno werd in casu een vaak gevoerd verweer naar voren gebracht:
de
verdachte had de kinderporno niet in voorraad maar slechts in bezit, hetgeen
niet strafbaar is. De rechtbank is het in casu niet eens met deze zienswijze:
de verdachte had ze ‘in voorraad’ want er was sprake van een ‘externe
gerichtheid’. Deze externe gerichtheid bleek onder meer uit het grote aantal
banden (133) dat bij hem in beslag werd genomen en uit het feit dat de
verdachte ook banden ruilde met anderen. Dit laatste criterium kan men
ook
terugvinden in de handleiding van het college van procureurs-generaal inzake
opsporing en vervolging kinderpornografie (zie Tekst & Commentaar
Stafrecht,
red. Nijboer en Cleiren, 2e druk, p. 1741-1746, voor kritiek
op (het voorgenoemde criterium in) deze handleiding zie J. Schuijer,
Schieten op een bewegend doel: de nieuwe kinderpornowet, D&D
1997,
p. 443-453). Dat dit verweer vaak gevoerd wordt is niet vreemd nu er veel
onduidelijkheid is wat het verschil is tussen het ‘in bezit hebben’ en
het
‘in voorraad hebben’. Dit verschil is vervaagd nu de minister het
vervaardigen van kinderporno voor eigen gebruik en het onder zich hebben
daarvan ook ziet als het ‘in voorraad hebben’ daarvan (zie HTK 1994, 23682,
nr 5, p. 17). In de Kamer wordt, ondanks dat men dit in 1994 in strijd
achtte
met art. 8 EVRM, door de CDA-fractie gepleit voor een strafbaarstelling
van
het bezit van kinderporno. Ook de PvdA meende onlangs dat strafbaarstelling
zeer ernstig moet worden overwogen (zie J. Schuijer, a.w., p. 451). Het
lijkt
dan ook waarschijnlijk dat bij de evaluatie van de kinderpornowet,
waarschijnlijk in 1998, de strafbaarstelling zal volgen. Een voordeel zou
in
ieder geval zijn dat dit veel onduidelijkheid wegneemt.

Bart Swier

Rechters

Mrs Bentinck, Koopmans en Sipkens

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster vraagt een oordeel over eigen handelen. Zij werft en bemiddelt
vrijwilligers voor uitzending naar ontwikkelingslanden. Zij bemiddelt niet
ten behoeve van personen met een financieel afhankelijke partner of ten
behoeve van personen die worden vergezeld door een of meerdere afhankelijke
kinderen. Verzoekster wil weten of dit beleid strookt met de wetgeving
gelijke behandeling.
De Commissie oordeelt dat geen sprake is van onderscheid op grond van
geslacht. De Commissie is wel van oordeel dat er sprake is van onderscheid
op
grond van burgerlijke staat. De beide beleidsaspecten leiden namelijk tot
een
onevenredige benadeling van gehuwden.

Volledige tekst

– geen direct onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft gemaakt
zoals
bedoeld in artikel 1 jo. 5, eerste lid AWGB door niet te bemiddelen voor
kandidaten met een financieel afhankelijke partner of met één of meerdere
afhankelijke kinderen, en derhalve ten aanzien hiervan niet in strijd heeft
gehandeld met deze wet,
– indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft gemaakt zoals
bedoeld in artikel 1 jo. 5, eerste lid AWGB dat niet objectief is
gerechtvaardigd, door niet te bemiddelen voor kandidaten met een financieel
afhankelijke partner en met één of meerdere afhankelijke kinderen en derhalve
ten aanzien hiervan in strijd heeft gehandeld met deze wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam als zelfstandige en heeft een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Zij is zwanger. De verzekeraar verstrekt
een uitkering in verband met zwangerschap mits de vermoedelijke
bevallingsdatum ten minste twee jaar na aanvang van de verzekering ligt.
Door
deze voorwaarde komt verzoekster niet in aanmerking voor een uitkering.
De
verzekeraar stelt dat zij deze beperkende voorwaarde hanteert ter voorkoming
van misbruik van de uitkering. De Commissie oordeelt dat er sprake is van
onderscheid op grond van geslacht. Bij de betreffende verzekering zijn
geen
wachttermijnen gesteld aangaande het recht op uitkering, behalve als er
sprake is van zwangerschap of bevalling. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 februari 1997 verzocht mevrouw I.B. P. te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door MOVIR u.a. te Nieuwegein
(hierna: de wederpartij) onderscheid is gemaakt op grond van geslacht als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is werkzaam als zelfstandige. Zij heeft een
arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de wederpartij. De
wederpartij verstrekt een uitkering in verband met zwangerschap mits de
vermoedelijke bevallingsdatum ten minste twee jaar na aanvang van de
verzekering ligt. Door deze voorwaarde komt verzoekster niet in aanmerking
voor de uitkering in verband met zwangerschap.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 10
juni
1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

Van de kant van verzoekster
– mw. I.B. P. (verzoekster)

Van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. W. van Dungen
– mw. mr. L. Dommering-van Rongen (gemachtigde)

Van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is, sinds 1 september 1996, werkzaam als zelfstandig
huisarts in associatie in een praktijk. Per deze datum heeft verzoekster
een
arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de wederpartij. De
wederpartij is een onderlinge waarborgmaatschappij die zich heeft
gespecialiseerd in het verzekeren van arbeidsongeschiktheid van vrije
beroepsbeoefenaren.
In de polisvoorwaarden staat vermeld, dat de vrouwelijke verzekerde in
verband met haar bevalling recht heeft op een uitkering in verband met
zwangerschap gedurende ten hoogste 16 weken mits zij ten tijde van de
vermoedelijke bevallingsdatum ten minste twee jaar bij de wederpartij is
verzekerd.

Verzoekster is zwanger, de uitgerekende bevallingsdatum is 7 juli 1997.
Zij
komt niet voor de uitkering in verband met zwangerschap in aanmerking.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Huisartsen in opleiding zijn verplicht verzekerd bij de wederpartij.
Verzoekster heeft echter haar opleiding in het Verenigd Koninkrijk gevolgd,
als gevolg waarvan zij zich nog moest verzekeren toen zij haar werkzaamheden
als afgestudeerd huisarts in Nederland startte.

Wanneer afgestudeerde vrouwelijke medici zich als
huisarts vestigen, behoren zij doorgaans tot een leeftijdscategorie waarin
zij een zwangerschap niet meer jaren kunnen uitstellen. De regeling van
de
wederpartij legt verzoekster beperkingen op. Aangezien de verzekering van
de
wederpartij de zwangerschap niet altijd dekt, maakt deze onderscheid tussen
mannen en vrouwen. Zij handelt hiermee in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij heeft, naar aanleiding van een verzoek van de Landelijke
Huisartsen Vereniging, in 1993 besloten de arbeidsongeschiktheidsverzekering
aan te vullen met een uitkering in verband met zwangerschap. Onderdeel
van de
regeling is dat de verzekerde ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum
ten minste twee jaar bij de wederpartij verzekerd is geweest. De hoogte
van
de uitkering is bovendien gefixeerd op de verzekerde daguitkering zoals
deze
twee jaar voor de vermoedelijke bevallingsdatum gold.

De achtergrond van deze regeling is het voorkomen van misbruik. De
wederpartij was indertijd de eerste particuliere verzekeraar die deze
uitkering invoerde. Het risico was aanwezig dat vrouwelijke verzekerden
oververtegenwoordigd zouden raken, of dat vrouwen zich uitsluitend voor
de
duur van 16 weken bij de wederpartij zouden verzekeren en vervolgens de
verzekering weer op zouden zeggen. Omdat de verzekerde het te verzekeren
dagbedrag naar eigen keuze los van het feitelijke inkomen kan bepalen,
bestond bovendien het risico dat het dagbedrag speciaal met het oog op
de
uitkering in verband met zwangerschap zou worden verhoogd. Vanwege deze
redenen is een wachtperiode van twee jaar ingevoerd.
Ter zitting heeft de wederpartij verklaard dat geen sprake is geweest van
een
merkbare toeloop van vrouwen naar aanleiding van de uitbreiding van de
verzekering. Kort nadat de wederpartij de uitkering in verband met
zwangerschap opnam in de verzekering zijn andere maatschappijen haar daarin
gevolgd. Niet elke maatschappij echter heeft een dergelijke uitkering.
Wat de
wachttijd betreft zijn er maatschappijen die evenals de wederpartij de
termijn van twee jaar hanteren, maar er is bijvoorbeeld ook een maatschappij
die een wachttijd kent van 306 dagen. De wederpartij noemt als voorbeeld
tevens een maatschappij die geen wachttijd heeft, maar uitgaat van 50%
van
het dagbedrag. Het maximeren van het dagbedrag past echter niet in de
filosofie van de wederpartij. Zij hanteert ook een andere dekkingssystematiek
dan bedoelde maatschappij.
In plaats van hantering van de betwiste wachttermijn zou de uitkering kunnen
worden verlaagd. Dit voorkomt echter niet dat vrouwen zich massaal gaan
verzekeren. De duur van de wachttermijn is tot stand gekomen in overleg
met
de actuaris van de wederpartij.

De wederpartij heeft een collectief contract met de Stichting
Beroepsopleidingen Huisartsen. De huisartsenopleiding is een driejarige
opleiding. De huisartsen zijn tijdens de opleiding verplicht verzekerd.
Als
zij aansluitend verzekerd blijven bij de wederpartij vormt de bestreden
termijn van twee jaar geen probleem. Het marktaandeel van de wederpartij
bij
huisartsen in opleiding is 100%, bij afgestudeerde huisartsen naar schatting
40% a 50%. De wederpartij heeft ook een substantieel marktaandeel bij
tandartsen en dierenartsen.

3.4. De in 1993 ingevoerde uitkering in verband met zwangerschap staat
los
van de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid. Van
arbeidsongeschiktheid is sprake indien er in directe relatie tot ziekte
of
ongeval objectief vast te stellen stoornissen bestaan, waardoor de verzekerde
voor ten minste 25% beperkt is om de werkzaamheden verbonden aan het in
de
polis omschreven beroep te verrichten. De uitkering in verband met
zwangerschap heeft gelet op deze definitie geen relatie met
arbeidsongeschiktheid; wel is deze uitkering vergelijkbaar met de uitkering
als bedoeld in artikel 29a van de Ziektewet. Dit artikel betreft de
‘eigenlijke’ bevallingsuitkering van 16 weken, waarop aanspraak ontstaat
ongeacht of sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid.
De
wederpartij gaat er vanuit dat dit wetsartikel geen verboden onderscheid
maakt en leidt hieruit af dat ditzelfde geldt voor de bestreden
verzekeringsvoorwaarde.

Er is evenmin sprake van een verboden onderscheid, aangezien het geslacht
bepalend is voor het verstrekken van de uitkering in verband met zwangerschap
en deze uitkering in het bijzonder de bescherming van de vrouw betreft
in
verband met zwangerschap. Artikel 2, tweede lid, AWGB staat een dergelijk
onderscheid toe. De wederpartij wijst in dit verband ook op artikel 1 sub
i
van het Besluit gelijke behandeling. In dat besluit zijn de gevallen van
geslachtsbepaaldheid omschreven. Laatstgenoemd artikel duidt op het verlenen
van diensten die uitsluitend kunnen worden verleend aan mannen dan wel
vrouwen.
De beperking van twee jaar maakt het niet verboden onderscheid niet alsnog
verboden. Het staat de wederpartij immers vrij de desbetreffende dienst
al
dan niet te verlenen. Dat betekent dat het haar eveneens vrijstaat de dienst
onder beperkende voorwaarden te verlenen. Ook de uitkering in het kader
van
de Ziektewet kent beperkingen. Zo duurt de verlofregeling in verband met
zwangerschap en bevalling maximaal 16 weken.

De wederpartij stelt op grond van het voorgaande dat met hantering van
de
wachttermijn van twee jaar bij de uitkering in verband met zwangerschap
geen
verboden onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
maakt op grond van geslacht als bedoeld in de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB) door in de polisvoorwaarden te bepalen, dat de uitkering
in verband met zwangerschap wordt verstrekt op voorwaarde dat de
vermoedelijke bevallingsdatum tenminste twee jaar na aanvang van de
verzekering ligt.

4.2. In dit verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid in de zin van de wet zowel
direct als indirect onderscheid wordt verstaan.

Onder direct onderscheid wordt op grond van dit artikel onder andere verstaan
onderscheid tussen personen op grond van geslacht. Direct onderscheid op
grond van geslacht ziet mede op onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014,
nr. 3,
pagina 13.).

Onder indirect onderscheid moet op basis van artikel 1 AWGB worden verstaan,
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan geslacht
dat
direct onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft.
In artikel 2, tweede lid, AWGB is bepaald dat het in de wet neergelegde
verbod van onderscheid op grond van geslacht niet geldt in gevallen waarin
het geslacht bepalend is en in gevallen waarin het de bescherming van de
vrouw betreft, met name in verband met zwangerschap en moederschap.

Artikel 2, zesde lid, AWGB bepaalt onder meer dat de in het tweede lid
van
dit wetsartikel bedoelde gevallen nader bij algemene maatregel van bestuur
worden omschreven. Dit is geschied in het Besluit gelijke behandeling
(Koninklijk besluit van 18 augustus 1994, Staatsblad 657.) (hierna: het
Besluit).

Artikel 1, onderdeel b van het Besluit bepaalt dat als geslachtsbepaald
worden aangemerkt de gevallen die behoren tot de volgende categorie: de
bescherming van de gezondheid alsmede de geneeskundige behandeling of
verzorging, waaronder begrepen geneeskundig onderzoek, in verband met
zwangerschap, moederschap, de voortplantingsfunctie van de mens of anderszins
de lichamelijke verschillen tussen mannen en vrouwen betreffende, voor
zover
voor een doelmatige bescherming dan wel behandeling of verzorging onderscheid
op grond van geslacht nodig is.

Artikel 1, onderdeel i van het Besluit bepaalt dat als geslachtsbepaald
wordt
aangemerkt het verlenen van diensten die uitsluitend kunnen worden verleend
aan mannen dan wel vrouwen.

In artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB is bepaald dat het maken van
onderscheid onder andere verboden is bij het aanbieden van goederen of
diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten
ter
zake, indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Het
handelen van de wederpartij valt onder de reikwijdte van dit wetsartikel.

4.3. Ten aanzien van het verstrekken van de uitkering in verband met
zwangerschap als zodanig overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij biedt arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan en verstrekt
in
dat kader een uitkering in verband met zwangerschap. Reeds eerder heeft
de
Commissie geoordeeld dat bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen het niet
verlenen van een uitkering bij arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan
door
zwangerschap of bevalling (anders dan dat de arbeidsongeschiktheid gevolg
is
van complicaties daarbij), direct onderscheid op grond van geslacht oplevert
als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB en mitsdien in
strijd
is met deze wet (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling, 10 maart
1995,
oordeelnummer 95-4.). Het verstrekken van een uitkering in verband met
zwangerschap in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering als
zodanig leidt derhalve niet tot onderscheid in de zin van genoemde wet.
Het
betekent dat de wet op dat punt wordt nageleefd en dat door deze uitkering
te
verstrekken sprake is van gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De
door
de wederpartij aangeduide vrijheid om verzekeringen aan te bieden, wordt
derhalve beperkt door het wettelijk verbod op het maken van onderscheid
naar
geslacht. Uit de AWGB vloeit voort dat bij het aanbieden van
arbeidsongeschiktheidsverzekeringen de arbeidsongeschiktheid die ontstaat
door zwangerschap of bevalling -ook los van verzekering van complicaties
daarbij- dient te worden meeverzekerd.

4.4. Ten aanzien van de vraag of de beperkende voorwaarde die de wederpartij
stelt bij de uitkering in verband met zwangerschap in strijd is met de
AWGB
overweegt de Commissie het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat de wederpartij de vrijheid heeft bij het
aanbieden van verzekeringen als de onderhavige, bepalingen op te nemen
ter
voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ook deze vrijheid wordt
echter beperkt door het wettelijk verbod op het maken van onderscheid naar
geslacht. Dit betekent dat de voorwaarden die in het kader van voorkoming
van
misbruik bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen worden gesteld, niet mogen
leiden tot een verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen.

De Commissie stelt vast dat bij de onderhavige
arbeidsongeschiktheidsverzekering geen wachttermijnen zijn gesteld aangaande
het recht op uitkering, behalve als sprake is van zwangerschap of bevalling.
In dat geval wordt een wachttermijn van twee jaar gehanteerd.

Zowel in de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen als in de AWGB wordt
onderscheid op grond van zwangerschap en bevalling aangemerkt als direct
onderscheid op grond van geslacht (Zie noot 1.). De Commissie is derhalve
van
oordeel dat de wet geen andere conclusie toelaat dan dat de wederpartij
direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a, AWGB.

4.5. Direct onderscheid op grond van geslacht is verboden, tenzij sprake
is
van een in de wet genoemde uitzondering. Ten aanzien van de vraag of in
deze
zaak de in artikel 2, tweede lid, AWGB genoemde wettelijke uitzonderingen
van
toepassing zijn op bedoeld verbod, overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij doet een beroep op genoemd wetsartikel en verwijst daarbij
naar artikel 1, onderdeel b van het Besluit, ervan uitgaande dat het
verstrekken van een uitkering in verband met zwangerschap moet worden
beschouwd als een handelen dat valt onder de bescherming van de gezondheid
zoals in het Besluit bedoeld. Nog daargelaten de vraag of het verstrekken
van
een uitkering in verband met zwangerschap als zodanig een maatregel is
tot
bescherming van de gezondheid van de vrouw als bedoeld in het Besluit,
moet
worden geconstateerd dat in deze zaak niet het verstrekken van genoemde
uitkering als zodanig in geding is maar het daarbij stellen van een
beperkende voorwaarde. De Commissie overweegt dat het stellen van de
wachttermijn van twee jaar niet kan worden beschouwd als een handelen dat
de
bescherming van de gezondheid dient. Dit leidt tot de conclusie dat het
beroep van de wederpartij op artikel 1, onderdeel b van het Besluit moet
worden verworpen en mitsdien wat dit betreft geen sprake is van een
wettelijke uitzondering als bedoeld in artikel 2, tweede lid, AWGB.

De wederpartij heeft tevens een beroep gedaan op artikel 1, onderdeel i
van
het Besluit. Zij stelt daarbij dat, nu het aanbieden van de dienst
geslachtsbepaald is, beperkende voorwaarden daarbij evenmin kunnen leiden
tot
een verboden onderscheid.
De Commissie kan de wederpartij hierin niet volgen. De dienst die de
wederpartij verleent is het aanbieden van een
arbeidsongeschiktheidsverzekering. Omdat de uitkering in verband met
zwangerschap niet op zichzelf staat maar moet worden begrepen als een deel
van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, kan deze uitkering niet als een
aparte dienst worden beschouwd. De Commissie voegt hier wellicht ten
overvloede aan toe dat het feit dat zwangerschap tot de risico’s behoort
die
in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering worden verzekerd,
de
arbeidsongeschiktheidsverzekering als zodanig niet tot een dienst maakt
die
uitsluitend kan worden verleend aan vrouwen. Het beroep van de wederpartij
op
artikel 1, onderdeel i van het Besluit dient naar het oordeel van de
Commissie derhalve eveneens te worden verworpen. Mitsdien is ook wat dit
betreft geen sprake van een wettelijke uitzondering als bedoeld in artikel
2,
tweede lid, AWGB.

De wederpartij heeft voorts nog als verweer aangevoerd dat een wachttermijn
nodig is teneinde te voorkomen dat vrouwen zich massaal gaan verzekeren.
Daargelaten de vraag of dit verweer kan slagen nu dit laatste zich niet
heeft
voorgedaan nadat de wederpartij als eerste particuliere verzekeraar de
zwangerschapsuitkering invoerde en sindsdien meer verzekeraars dit voorbeeld
zijn gevolgd, kan de Commissie niet anders dan constateren dat de wet geen
andere uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid op grond van
geslacht toestaat dan die welke in de AWGB zijn vervat.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
een verboden direct onderscheid op grond van geslacht maakt, door bij het
aanbieden van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen als voorwaarde te stellen
dat alleen in geval van zwangerschap het recht op de uitkering ontstaat
mits
de verzekerde ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum ten minste
twee
jaar bij de wederpartij is verzekerd.

Wellicht ten overvloede voegt de Commissie hieraan toe dat het de wederpartij
blijft vrijstaan ook bij de uitkering in verband met zwangerschap bepalingen
op te nemen ter voorkoming van misbruik, mits daarmee geen verschil in
behandeling als bedoeld in de AWGB wordt gemaakt met de bepalingen
betreffende de overige -niet slechts bij vrouwen voorkomende- oorzaken
van
arbeidsongeschiktheid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat MOVIR u.a. te Nieuwegein
jegens
mevrouw I.B. P. te Amsterdam direct onderscheid op grond van geslacht maakt
als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet
gelijke behandeling en derhalve heeft gehandeld in strijd met genoemde
wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 15 juli 1997

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


De vrouw heeft een straatverbod gevraagd voor een zeer beperkt gebied.
De ex-partner woont in een andere buurt en heeft in haar buurt niets te
zoeken. Partijen zijn al geruime tijd uit elkaar en hebben een kind. In
september 1996 heeft de man getracht de vrouw met een mes te verwonden;
de vader van de vrouw heeft geprobeerd haar te beschermen en werd toen
het slachtoffer. De man is veroordeeld tot 24 maanden wegens poging tot
doodslag, waarvan zestien maanden onvoorwaardelijk. De man is inmiddels
op proefverlof en is op 27 juli 1997 definitief vrij. De president van
de rechtbank heeft de zaak acht maanden aangehouden omdat de vrees van
de vrouw dat de man haar wat zal aandoen onvoldoende wordt bevonden om
nu al een straatverbod toe te wijzen.
De man heeft de vrouw vanuit de gevangenis geschreven dat het allemaal
haar schuld was en bij de rechter heeft hij verklaard dat hij er spijt
van heeft. De rechter wil hem een kans geven te bewijzen dat hij zich aan
zijn toezegging houdt. Inmiddels heeft de man een verzoek tot een omgangsregeling
met het kind van partijen ingediend. De vrouw gaat in hoger beroep.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

Dit blijkt uit de navolgende, door partijen ter vonniswijzing overgelegde
stukken:

– dagvaarding.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten nog nader
toegelicht.

2. De vaststaande feiten

Partijen hebben gedurende enige jaren een relatie gehad. Gedurende enige
tijd hebben zij met elkaar samengewoond. Hierna hebben partijen de relatie
op LAT-basis voortgezet. Uit hun relatie is één thans nog minderjarig kind
geboren, te weten:
Chantal, geboren op (…) 1993. De man heeft de minderjarige erkend.
De relatie van partijen is verbroken in het najaar van 1995. De onderlinge
verhoudingen raakten gespannen en er ontstonden conflicten.
Op 5 september 1996 heeft de man getracht de vrouw met een mes te mishandelen.
De vader van de vrouw greep in, waarna de man hem ernstige steekwonden
heeft toegebracht en vervolgens wederom heeft getracht de vrouw te verwonden.
De politie heeft ingegrepen. De man is aangehouden, in voorlopige hechtenis
genomen en vervolgd. Door deze rechtbank is de man met betrekking tot deze
gebeurtenissen ter zake van poging tot doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf
voor de tijd van 24 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk.

Op 25 juli 1997 zal de man in vrijheid worden gesteld. Hij heeft inmiddels
viermaal proefverlof gekregen, waarbij hij gedurende het weekend, van vrijdag
tot zondagavond thuis is geweest. De man heeft tijdens deze dagen geen
kontakt gezocht met de vrouw.

De man heeft bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot vaststelling
van een omgangsregeling met Chantal. De vrouw voert in de betreffende procedure
verweer.

3. De standpunten van partijen.

De vrouw vordert – kort gezegd – een straat- en kontaktverbod, op straffe
van een dwangsom, omdat zij vreest dat de man haar wederom op agressieve
wijze zal benaderen.

Ter zitting is namens de man betoogd dat hij bijzonder veel spijt heeft
van het gebeuren op 5 september 1996. Hij zegt toe dat hij thans op geen
enkele wijze meer kontakt zal opnemen met de vrouw en/of de minderjarige
Chantal en niet in de buurt van de woning van de vrouw zal komen. Via de
daartoe geëigende gerechtelijke procedure wil hij trachten het kontakt
met de minderjarige te herstellen. Het gevorderde straat- en kontaktverbod
vindt de man derhalve overbodig.

4. De beoordeling

Op grond van de inhoud van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting
is de president van oordeel dat er thans onvoldoende aanleiding is de vordering
toe te wijzen.

Weliswaar moeten de gebeurtenissen tussen partijen, welke aan de detentie
van de man vooraf zijn gegaan, als zeer ernstig worden beschouwd, doch
deze kunnen thans niet zonder meer de grondslag zijn voor het opleggen
van een verbod als gevorderde. Van feiten en/of omstandigheden waaruit
kan worden afgeleid dat de man wederom inbreuk zal maken op het recht van
de vrouw op haar privacy, lichamelijke en geestelijke integriteit en rust
in haar woonomgeving en/of haar sociaal leven is onvoldoende gebleken.
De enkele vrees van de vrouw voor dergelijke inbreuken door de man is onvoldoende
om de gevraagde voorzieningen thans toe te wijzen.

Gelet op de ernstige gebeurtenissen in het verleden is de vrees van de
vrouw voor herhaling alleszins begrijpelijk. Teneinde de vrouw de gelegenheid
te geven om, zodra de man zich niet aan zijn toezeggingen houdt om haar
met rust te laten, op korte termijn voorzieningen af te dwingen die haar
een ongestoord leven kunnen garanderen, zal de onderhavige procedure worden
aangehouden voor een termijn van acht maanden.

5. De beslissing

de president

alvorens te beslissen:

houdt het onderzoek ter terechtzitting aan voor een termijn van acht maanden,
binnen welke termijn op verzoek van de vrouw de zaak wederom ter zitting
zal worden behandeld.

Noot

Het straat- en/of contact-verbod is inmiddels een bekende rechtsfiguur
geworden binnen de civiele rechtspraktijk. In tien jaar tijd is deze rechtsfiguur
dankzij de volhardendheid en creativiteit van feministische advocaten een
machtig wapen geworden in handen van slachtoffers van (seksueel) geweld.
Ook de rechterlijke macht heeft daartoe een positieve bijdrage geleverd
door haar – in de regel – welwillende opstelling. Deze welwillendheid heeft
echter, zoals de bovengepubliceerde uitspraken laten zien, ook haar grenzen.

In de uitspraak van de president van de Rechtbank Rotterdam van 15 juli
1997, RN 1998, nr. 839, lijkt de nog niet voldoende geconcretiseerde dreiging
van geweld zo’n grens op te leveren. De gedaagde heeft zich weliswaar in
het verleden gewelddadig getoond, maar is daarvoor bestraft. Dit laatste
rechtvaardigt in de ogen van de president van de Rechtbank Rotterdam niet
een op voorhand uit te vaardigen straatverbod. Daarbij komt dat gedaagde
een omgangsregeling heeft verzocht met betrekking tot diens minderjarige
kind, hetgeen wijst op voortzetting van de feitelijke betrekkingen tussen
partijen. Door te kiezen voor aanhouding van de zaak, in plaats van het
niet ontvankelijk verklaren van eiseres vanwege het niet spoedeisende karakter
van haar vordering, biedt de rechter partijen bovendien tegelijkertijd
de gelegenheid om – als het ware onder begeleiding van het aanhangige kort
geding – te komen tot een zeker herstel van betrekkingen.

De tweede uitspraak waarin duidelijk grenzen worden gesteld aan het straat-
en contactverbod is de beslissing van de president van de Rechtbank Arnhem
van 2 mei 1997, RN 1998, nr. 837.
Voorafgaand kan worden opgemerkt dat de uitspraak een wat `benepen’ karakter
heeft. Of, en in hoeverre de – mijns inziens wat vergaande – inhoud en
omvang van de vorderingen daartoe hebben bijgedragen is niet te achterhalen.
Terzijde kan worden gewezen op het belang van een strafrechtelijke veroordeling
voor het civielrechtelijke bewijs, waarvan blijkt uit het tussenvonnis
(art.188 Rv.). De afwijzing van het gevorderde straat- en contactverbod
lijkt in hoofdzaak te zijn terug te voeren op het anderhalf jaar durende
tijdsverloop gelegen tussen het seksueel misbruik en de civiele actie.
Daarnaast wordt ook het feit dat de gedaagde sedert een half jaar geen
onrechtmatigheden meer zou hebben gepleegd jegens eiseres meegewogen. De
president van de Rechtbank Arnhem lijkt hiermee echter een aantal zaken
te verwarren. In de eerste plaats wordt eiseres verweten dat zij niet gelijk
met de aangifte een kort geding heeft aangespannen. Dit lijkt mij een onterecht
verwijt. In feite komt dit neer op `rechtsverwerking’: door te kiezen voor
het strafrecht wordt eiseres gekort in haar civielrechtelijke mogelijkheden.
Daarmee wordt echter voorbij gegaan aan het feit dat een beroep op het
strafrecht voor de meeste slachtoffers een veel voor de hand liggender
keuze is dan het instellen van een civiele actie. Immers vaak pas nadat
ervaring is opgedaan met de voor slachtoffers in de regel weinig bevredigende
strafrechtelijke procedure, volgt een beroep op de civiele rechter. Deze
zaak vormt hierop geen uitzondering. Integendeel, het tijdsverloop komt
geheel en al voor rekening van Justitie en kan als zodanig niet aan eiseres
worden verweten. Voor zover het oordeel van de president is gegrond op
de gedachte dat eiseres blijkbaar niet al teveel last heeft van de aanwezigheid
van gedaagde in haar directe woonomgeving – zij verdraagt dit immers al
ruim anderhalf jaar – miskent dit de (in potentie) aanwezige psychische
problemen bij het slachtoffer. Het is immers heel wel mogelijk dat zij
zich staande weet te houden vanuit de hooggespannen
verwachtingen die zij koestert terzake van justitieel optreden (opgemerkt
kan worden dat het slachtoffer zich, volgens nadere informatie van de advocate,
alsnog onder behandeling zal stellen). Maar ook los hiervan kan de vraag
worden opgeworpen of het feit dat een slachtoffer er voor kiest om geen
therapie te volgen dwingend wijst op afwezigheid van psychische schade.
Zo’n beslissing berust immers op een autonome, persoonlijke keuze van het
slachtoffer en is in deze zaak – gelet op de jeugdige leeftijd van het
slachtoffer – heel wel te begrijpen. Hoewel de vergelijking scheef gaat
kan hier worden opgemerkt dat ook een van de overlevende slachtoffers van
Dutroux een duidelijke keuze heeft gemaakt om geen therapie te ondergaan.
Daarentegen dient het slachtoffer zich ervan bewust te zijn dat, gelet
op de aard van de schade, een onderzoek in het kader van een deskundigenrapportage
onvermijdelijk is met het oog op de bewijslast. Uit de begeleidende brief
van de advocate van het slachtoffer blijkt dan ook dat zo’n deskundigenonderzoek
alsnog zal plaatsvinden in het kader van de bodemprocedure. Terugkomend
op het door mij eerdere opgemerkte ietwat `benepen’ karakter van deze uitspraak,
wil ik nog wijzen op de afwijzing van de kosten terzake van loonderving
gemaakt door de vader van het slachtoffer. Door te overwegen dat deze vader
voor de begeleiding van zijn dochter maar een beroep moet doen op zijn
vrije dagen miskent de rechter de causaliteit: de oorzaak dat begeleiding
van het slachtoffer nodig is ligt immers niet bij deze vader, maar in het
handelen van gedaagde. Bovendien zal deze vader zijn vrije dagen hard nodig
hebben om – tezamen met zijn dochter – de problemen te boven te komen.

Afsluitend rest mij op te merken dat hoewel het hier een zaak met complexe
belangen betreft, het primaire uitgangspunt ook in civilibus zou moeten
zijn gelegen bij de belangen van het slachtoffer van seksueel misbruik
en niet bij die van de gedaagde: deze roept door diens handelen een risico
op onwelgevallige sancties over zichzelf af, welke – zoals in dit geval
– ook repercussies kunnen hebben voor derden.

Als laatste, maar zeker niet als minste, rest mij de uitspraak van de president
van de Rechtbank Alkmaar van 5 juni 1997, RN 1998, nr. 838. Op zichzelf
is deze uitspraak minder problematisch dan de voorgaande, omdat de gedaagde
het seksueel misbruik
toegeeft en het ontstaan van schade dientengevolge in beginsel niet wordt
betwist. Het belang van deze uitspraak ligt dan ook niet zozeer in de vraag
naar de grenzen van het straat- en/of
contactverbod, maar in de rechtsvraag naar de aanvang van de verjaringstermijn.
In overeenstemming met eerdere uitspraken stelt de rechter vast dat de
aanvang van de verjaringstermijn variabel is, namelijk afhankelijk van
het moment waarop het slachtoffer in staat is rechtsmaatregelen te treffen.
Door te overwegen dat de verjaring in de `heersende leer’ aanvangt op het
moment van aangifte (rechtsoverweging 4.4.) benadrukt de president het
belang van de verruimde (civielrechtelijke en strafrechtelijke) verjaringstermijn
met betrekking tot seksueel misbruik (Wet van 7 juli 1994, Staatsblad 1994,
529). Overigens is ook een ruimer criterium denkbaar dan het doen van aangifte;
het gaat erom vast te stellen op welk moment en met welk doel het slachtoffer
het recht activeert (zie: Rechtbank Maastricht 18 september 1995, RN 1997,
691 en Hof ‘s-Hertogenbosch 8 januari 1996, RN 1996, 555).

Afsluitend wil ik nog enige opmerkingen maken over de omvang van de vordering
in dit kort geding. Er wordt namelijk een verhuisgebod geëist, hetgeen
voor gedaagde – die geboren en getogen is in de betreffende plaats – vergaande
gevolgen heeft. Bovendien voert de gedaagde als verweer aan dat eiseressen
zich vrijwillig in diens woonplaats hebben gevestigd. Hoewel de president
van de Rechtbank Alkmaar niet expliciet reageert op dit verweer, lijkt
de verwerping daarvan te zijn terug te voeren op het feit dat gedaagde
zich in het verleden aan maar liefst zeven minderjarige – naar ik aanneem
– plaatsgenoten heeft vergrepen. Door zo te handelen verspeelt de gedaagde
zijn `geboorterecht’ en is uitstoting uit een betrekkelijk kleine gemeenschap
gerechtvaardigd. Bovendien staat hier niet alleen het `geboorterecht’ van
gedaagde ter beoordeling, maar ook dat van eiseressen. Uit de feiten valt
af te leiden dat eiseressen (waaronder twee dochters van gedaagde) in de
periode van het seksueel misbruik elders zijn gaan wonen, maar na verloop
van tijd willen terugkeren naar hun geboorteplaats, respectievelijk oorspronkelijke
woonplaats. Een beperkt straatverbod als verzocht door gedaagde is dan
ook, gelet op de omvang van het seksueel misbruik en het belang van eiseressen
om terug te kunnen keren, niet aan de orde. In feite is er sprake van `verbanning’
van gedaagde: hoewel het verhuisgebod juridisch gezien geen straf is (lees:
intentioneel opgelegd leed), heeft het in de uitwerking daarvan een vergelijkbare
werking. Daarmee wordt de verwevenheid tussen civiel recht en strafrecht
in zaken betreffende seksueel geweld nogmaals bevestigd.

Renee Kool

Rechters

Mr. Van der Woude-Kraaijvanger

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam als zelfstandige en heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Zij is zwanger. De verzekeraar verstrekt een uitkering in verband met zwangerschap
mits de vermoedelijke bevallingsdatum ten minste twee jaar na aanvang van
de verzekering ligt. Door deze voorwaarde komt verzoekster niet in aanmerking
voor een uitkering. De verzekeraar stelt dat zij deze beperkende voorwaarde
hanteert ter voorkoming van misbruik van de uitkering. De Commissie oordeelt
dat er sprake is van onderscheid op grond van geslacht. Bij de betreffende
verzekering zijn geen wachttermijnen gesteld aangaande het recht op uitkering,
behalve als er sprake is van zwangerschap of bevalling.

Volledige tekst

(…)
4. De overwegingen van de commissie

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
maakt op grond van geslacht als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling
(AWGB) door in de polisvoorwaarden te bepalen, dat de uitkering in verband
met zwangerschap wordt verstrekt op voorwaarde dat de vermoedelijke bevallingsdatum
tenminste twee jaar na aanvang van de verzekering ligt.
(…)

4.3. Ten aanzien van het verstrekken van de uitkering in verband met zwangerschap
als zodanig overweegt de Commissie als volgt.
De wederpartij biedt arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan en verstrekt
in dat kader een uitkering in verband met zwangerschap. Reeds eerder heeft
de Commissie geoordeeld dat bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen het
niet verlenen van een uitkering bij arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan
door zwangerschap of bevalling (anders dan dat de arbeidsongeschiktheid
gevolg is van complicaties daarbij), direct onderscheid op grond van geslacht
oplevert als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB en mitsdien
in strijd is met deze wet. Het verstrekken van een uitkering in verband
met zwangerschap in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
als zodanig leidt derhalve niet tot onderscheid in de zin van genoemde
wet. Het betekent dat de wet op dat punt wordt nageleefd en dat door deze
uitkering te verstrekken sprake is van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. De door de wederpartij aangeduide vrijheid om verzekeringen aan
te bieden, wordt derhalve beperkt door het wettelijk verbod op het maken
van onderscheid naar geslacht. Uit de AWGB vloeit voort dat bij het aanbieden
van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen de arbeidsongeschiktheid die ontstaat
door zwangerschap of bevalling -ook los van verzekering van complicaties
daarbij- dient te worden meeverzekerd.

4.4. Ten aanzien van de vraag of de beperkende voorwaarde die de wederpartij
stelt bij de uitkering in verband met zwangerschap in strijd is met de
AWGB overweegt de Commissie het volgende.
Vooropgesteld moet worden dat de wederpartij de vrijheid heeft bij het
aanbieden van verzekeringen als de onderhavige, bepalingen op te nemen
ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik. Ook deze vrijheid wordt
echter beperkt door het wettelijk verbod op het maken van onderscheid naar
geslacht. Dit betekent dat de voorwaarden die in het kader van voorkoming
van misbruik bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen worden gesteld, niet
mogen leiden tot een verschil in behandeling tussen mannen en vrouwen.
De Commissie stelt vast dat bij de onderhavige arbeidsongeschiktheidsverzekering
geen wachttermijnen zijn gesteld aangaande het recht op uitkering, behalve
als sprake is van zwangerschap of bevalling. In dat geval wordt een wachttermijn
van twee jaar gehanteerd.
Zowel in de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen als in de AWGB wordt
onderscheid op grond van zwangerschap en bevalling aangemerkt als direct
onderscheid op grond van geslacht. De Commissie is derhalve van oordeel
dat de wet geen andere conclusie toelaat dan dat de wederpartij direct
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel
7, eerste lid, onderdeel a, AWGB.

4.5. Direct onderscheid op grond van geslacht is verboden, tenzij sprake
is van een in de wet genoemde uitzondering. Ten aanzien van de vraag of
in deze zaak de in artikel 2, tweede lid, AWGB genoemde wettelijke uitzonderingen
van toepassing zijn op bedoeld verbod, overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij doet een beroep op genoemd wetsartikel en verwijst daarbij
naar artikel 1, onderdeel b van het Besluit, ervan uitgaande dat het verstrekken
van een uitkering in verband met zwangerschap moet worden beschouwd als
een handelen dat valt onder de bescherming van de gezondheid zoals in het
Besluit bedoeld. Nog daargelaten de vraag of het verstrekken van een uitkering
in verband met zwangerschap als zodanig een maatregel is tot bescherming
van de gezondheid van de vrouw als bedoeld in het Besluit, moet worden
geconstateerd dat in deze zaak niet het verstrekken van genoemde uitkering
als zodanig in geding is maar het daarbij stellen van een beperkende voorwaarde.
De Commissie overweegt dat het stellen van de wachttermijn van twee jaar
niet kan worden beschouwd als een handelen dat de bescherming van de gezondheid
dient. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep van de wederpartij op
artikel 1, onderdeel b van het Besluit moet worden verworpen en mitsdien
wat dit betreft geen sprake is van een wettelijke uitzondering als bedoeld
in artikel 2, tweede lid, AWGB.

De wederpartij heeft tevens een beroep gedaan op artikel 1, onderdeel i
van het Besluit. Zij stelt daarbij dat, nu het aanbieden van de dienst
geslachtsbepaald is, beperkende voorwaarden daarbij evenmin kunnen leiden
tot een verboden onderscheid.
De Commissie kan de wederpartij hierin niet volgen. De dienst die de wederpartij
verleent is het aanbieden van een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Omdat
de uitkering in verband met zwangerschap niet op zichzelf staat maar moet
worden begrepen als een deel van de arbeidsongeschiktheidsverzekering,
kan deze uitkering niet als een aparte dienst worden beschouwd. De Commissie
voegt hier wellicht ten overvloede aan toe dat het feit dat zwangerschap
tot de risico’s behoort die in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekering
worden verzekerd, de arbeidsongeschiktheidsverzekering als zodanig niet
tot een dienst maakt die uitsluitend kan worden verleend aan vrouwen. Het
beroep van de wederpartij op artikel 1, onderdeel i van het Besluit dient
naar het oordeel van de Commissie derhalve eveneens te worden verworpen.
Mitsdien is ook wat dit betreft geen sprake van een wettelijke uitzondering
als bedoeld in artikel 2, tweede lid, AWGB.

De wederpartij heeft voorts nog als verweer aangevoerd dat een wachttermijn
nodig is teneinde te voorkomen dat vrouwen zich massaal gaan verzekeren.
Daargelaten de vraag of dit verweer kan slagen nu dit laatste zich niet
heeft voorgedaan nadat de wederpartij als eerste particuliere verzekeraar
de zwangerschapsuitkering invoerde en sindsdien meer verzekeraars dit voorbeeld
zijn gevolgd, kan de Commissie niet anders dan constateren dat de wet geen
andere uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid op grond van
geslacht toestaat dan die welke in de AWGB zijn vervat.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
een verboden direct onderscheid op grond van geslacht maakt, door bij het
aanbieden van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen als voorwaarde te stellen
dat alleen in geval van zwangerschap het recht op de uitkering ontstaat
mits de verzekerde ten tijde van de vermoedelijke bevallingsdatum ten minste
twee jaar bij de wederpartij is verzekerd.
Wellicht ten overvloede voegt de Commissie hieraan toe dat het de wederpartij
blijft vrijstaan ook bij de uitkering in verband met zwangerschap bepalingen
op te nemen ter voorkoming van misbruik, mits daarmee geen verschil in
behandeling als bedoeld in de AWGB wordt gemaakt met de bepalingen betreffende
de overige -niet slechts bij vrouwen voorkomende- oorzaken van arbeidsongeschiktheid.
(…)

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Dierx, Den Boer