Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werd als gehuwde vrouw tot 1 januari 1991 uitgesloten van de
verplicht gestelde bedrijfspensioenregeling. De Commissie oordeelt dat
de
werkgever een verboden onderscheid maakt naar geslacht. Sinds 8 april 1976
bestaat een afdwingbaar recht voor vrouwen op gelijke behandeling ten aanzien
van het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 14 januari 1997 verzocht mevrouw V. van E. te ‘s-Gravenhage (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel te geven over de vraag of Parfumerie Désiree BV te Wateringen
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld
in
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is sinds 1972 in dienst van de wederpartij. Zij heeft
pensioen opgebouwd vanaf 1 januari 1991. In de daarvoorliggende periode
sloot
de geldende pensioenregeling gehuwde vrouwen uit. Zij is van mening dat
de
wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens zijn zij uitgenodigd voor een zitting op 24 juni 1997. Op deze
uitnodiging zijn partijen niet ingegaan.

Deze zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaak waarin verzoekster
het
betreffende pensioenfonds als wederpartij heeft aangemerkt. In die zaak
heeft
de Commissie een oordeel uitgesproken onder nummer 97-86.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

Van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. mr. L.H. Blom (hoofd juridische zaken)

Van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een Kamer ad hoc van de Commissie.
In
deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een parfumeriezaak. Verzoekster werkt sinds 21
november 1972 bij de wederpartij. Voor het bedrijf van de wederpartij gold
vanaf 1 januari 1972 de verplicht gestelde bedrijfspensioenregeling. Deze
pensioenregeling gold voor mannelijke werknemers van 23 tot 65 jaar en
voor ongehuwde en de bij rechterlijk vonnis van tafel en bed gescheiden
vrouwelijke werknemers van 27 tot 65 jaar. Aangezien verzoekster vanaf
10
november 1972 gehuwd was, was zij niet in het pensioenfonds opgenomen.

Vanaf 1 januari 1991 gold de pensioenregeling voor alle mannelijke en
vrouwelijke werknemers vanaf 25 jaar, onafhankelijk van de huwelijkse staat.
Vanaf die datum is ook verzoekster in de pensioenregeling opgenomen.

Vanwege de uitspraken van het Hof van Justitie van 17 mei 1990 en vervolgens
op 28 september 1994, heeft het pensioenfonds besloten om met terugwerkende
kracht van vijf jaar, gerekend vanaf 28 september 1994, premievrij
inhaalpensioen te verstrekken (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group,
C-262/88, 17 mei 1990, NJ 1992-436.Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en
Stichting Pensioenfonds NCIV, C 57/93, 28 september 1994, JUR 1994,
I-4541.Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Fisscher versus
Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel,
C-128/93, 28 september 1994, JUR 1994, I-4583). Voor verzoekster is dit
nog
nietvastgesteld.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Sinds haar indiensttreding heeft zij er naar gestreefd een pensioen te
kunnen
opbouwen. Dit werd afgewezen omdat dit indertijd niet verplicht zou zijn.

Verzoekster heeft in 1995 een claim voor inhaalpensioen ingediend bij de
wederpartij op aanraden van het Instituut voor Vrouw en Arbeid. De
wederpartij heeft haar doorverwezen naar het pensioenfonds, de wederpartij
in
de gevoegde zaak. Het pensioenfonds heeft haar meegedeeld, dat met een
afhandeling moet worden gewacht totdat de rechterlijke macht een definitieve
uitspraak over de verjaring heeft gedaan. Verzoekster heeft de Commissie
verzocht om haar te ondersteunen zodat het tot een definitieve uitspraak
komt.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.
Op het bedrijf is geen CAO van toepassing maar de Verordening
arbeidsvoorwaarden detailhandel. Het pensioenreglement van de wederpartij
in
de gevoegde zaak is van toepassing op het bedrijf. Via de bedrijfsvereniging
zijn door de wederpartij de betreffende premies afgedragen. Op kosten van
het
pensioenfonds zijn met terugwerkende kracht tot september 1989
pensioenrechten verleend. Wat er met de daarvoorliggende periode moet
gebeuren, is op dit moment nog niet duidelijk. Volgens het informatieblad
van
het pensioenfonds krijgen de betrokken deelneemsters hierover in de loop
van
1997 bericht.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door haar
geen
toegang te verlenen tot de geldende pensioenregeling.

Verzoekster is op 21 november 1972 in dienst getreden bij de wederpartij.
Vanaf 1 januari 1991 is zij opgenomen in de pensioenregeling en bouwt zij
pensioen op. Voor de periode gelegen tussen 28 september 1989 en 1 januari
1991 zal door het pensioenfonds aan de vrouwelijke werknemers die daarvoor
in
aanmerking komen een premievrij inhaalpensioen worden verstrekt. Hoewel
de
wederpartij in de gevoegde zaak ter zitting heeft meegedeeld dat verzoekster
daarvoor zeker in aanmerking zal komen, is een dergelijk besluit formeel
nog
niet genomen. De periode die ter beoordeling voorligt, betreft derhalve
de
periode gelegen tussen 21 november 1972 en 1 januari 1991.

4.2. De eerste vraag die rijst, is aan welke artikelen uit de wetgeving
gelijke behandeling moet worden getoetst. Daarover overweegt de Commissie
als
volgt.

Op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL) in
werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te oordelen over
klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de Wet gelijke behandeling van
mannen
en vrouwen (WGB), waarbij artikel 1637ij BW werd ingevoerd. In beide wetten
werd voorzien in een Commissie die bevoegd was te oordelen over geschillen
over deze wetgeving. Op 1 juli 1989 trad op grond van de zogenaamde
Reparatiewet zowel in artikel 1637ij BW als in de WGB een aantal wijzigingen
in werking. Deze Reparatiewet voorzag in een nieuwe Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. Deze had ook de bevoegdheid
om te oordelen over klachten die beoordeeld moesten worden op grond van
de
gelijke behandelingswetgeving die gold vóór 1 juli 1989. De huidige Commissie
gelijke behandeling heeft deze bevoegdheid van haar voorgangsters eveneens.

De WGL bepaalde dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten aanzien van
pensioenregelingen was niet opgenomen. Evenals het huidige artikel 7A:1637ij
BW (Per 1 april 1997 is de norm van dit artikel in het Burgerlijk Wetboek
opgenomen in artikel 7:646) bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat een
werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middellijk) onderscheid
mag
maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder
begrepen de beloning. Op grond van lid 1 van artikel (7A:)1637ij BW zijn
onder arbeidsvoorwaarden niet begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge
pensioenregelingen. Derhalve zal nagegaan moeten worden of de Commissie
bevoegd is een oordeel over dit verzoek uit te spreken.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de eerdere WGL en voorts
zowel met artikel 1637ij BW als artikel 7A:1637ij BW mede een volledige
uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EG-Verdrag en de daarop
gebaseerde EG-Richtlijnen. Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in
de
zaak Von Colson en Kamann (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen,
Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen, C-14/83,
10 april 1984, JUR 1984-1891) van mening dat nationale rechters en anderen
die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden
de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het
licht
van de bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel
119
EG-Verdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als
gemaakt in artikel (7A:)1637ij BW moet interpreteren in het licht van de
jurisprudentie van het EG-Hof over het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in artikel
(7A:)1637ij BW zo op dat slechts die pensioenkwesties, terzake waarvan
volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking
van artikel 119 EG-Verdrag, van de wettelijke norm van gelijke behandeling
zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd
om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling
valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag, en derhalve binnen
de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.

4.3. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt
binnen
het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag, overweegt de Commissie als volgt.

Uit het arrest van het EG-Hof in de zaak Fisscher (Hof van Justitie van
de
Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance
Group, C-262/88, 17 mei 1990, NJ 1992-436.Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en
Stichting Pensioenfonds NCIV, C 57/93, 28 september 1994, JUR 1994, I-4541.
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis
Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, C-128/93,
28 september 1994, JUR 1994, I-4583.) volgt dat de onderhavige regeling
een
pensioenregeling is die binnen het loonbegrip van artikel 119 EG-Verdrag
valt. Dat arrest betrof immers dezelfde pensioenregeling die ook nu in
geding
is terwijl in het arrest wordt bevestigd dat deze pensioenregeling binnen
de
werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag valt.
De Commissie stelt op grond hiervan vast dat de onderhavige pensioenregeling
binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling valt.

4.4. Ten aanzien van de vraag vanaf wanneer de aansluiting bij een
pensioenregeling onder de norm van gelijke behandeling van de WGL en de
daaropvolgende wetgeving valt, overweegt de Commissie als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance
Group, C-262/88, 17 mei 1990, NJ 1992-436.Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en
Stichting Pensioenfonds NCIV, C 57/93, 28 september 1994, JUR 1994, I-4541.
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis
Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, C-128/93,
28 september 1994, JUR 1994, I-4583) bevestigd dat niet alleen het recht
op
uitkering uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht
op
aansluiting daartoe binnen de werkingssfeer van artikel 119 EG-Verdrag
valt
en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde
discriminatieverbod.

In genoemde uitspraken heeft het EG-Hof voorts aangegeven dat er voor het
recht op aansluiting geen bijzondere beperking in de tijd geldt, en dat
dit
recht derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II arrest
(Hof
van Justitie der Europese Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), C-43/75, 8 april 1976, NJ 1976-510)
waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119
EG-Verdrag heeft erkend, kan worden ingeroepen. Het Hof wijst er echter
uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij de pensioenregeling mede
betekent dat ook over de betrokken periode (alsnog) premies moeten worden
betaald, ook door de werknemer indien het pensioenreglement een
werknemersbijdrage voorschrijft.

Het bovenstaande betekent dat onderscheid tussen mannen en vrouwen met
betrekking tot aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling in strijd is
met
de wetgeving gelijke behandeling vanaf 8 april 1976.

Het verzoek heeft gedeeltelijk betrekking heeft op een tijdvak gelegen
vóór 8
april 1976. Voor wat betreft de periode 21 november 1972, de indiensttreding
van verzoekster bij de wederpartij, tot 8 april 1976 dient de vraag of
sprake
is van ongelijke behandeling op grond van geslacht met betrekking tot
aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling op grond van het bovenstaande
dan
ook ontkennend te worden beantwoord.

4.5. Vervolgens komt de Commissie toe aan de vraag of de wederpartij in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door voor de
periode gelegen tussen 8 april 1976 en 1 januari 1991 voor verzoekster
geen
pensioenregeling te treffen.
De bestreden pensioenregeling sloot vrouwelijke werknemers die gehuwd zijn
uit van deelname. Gehuwde mannelijke werknemers werden niet uitgesloten.
De
Commissie concludeert hieruit dat vanaf 8 april 1976 sprake is van direct
onderscheid tussen mannen en vrouwen als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingsgronden. De Commissie ziet ook geen aanleiding om tot toepassing
van deze gronden te concluderen.

4.6. Voor zover het verzoek mede betrekking heeft op de vraag welke
verjaringstermijn van toepassing is in deze zaak merkt de Commissie op
dat
het niet tot haar taak behoort om vast te stellen welke verjaringstermijn
naar burgerlijk recht van toepassing is. Zij kan slechts haar oordeel
uitspreken over de vraag of er een door de wetgeving gelijke behandeling
verboden onderscheid is gemaakt (Zie in dezelfde zin: Commissie gelijke
behandeling, 30 december 1994, oordeelnummer 94-11).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Parfumerie Désiree BV te
Wateringen jegens mevrouw V. van E. te ‘s-Gravenhage van 8 april 1976 tot
1
januari 1991 direct onderscheid tussen mannen en vrouwen heeft gemaakt
als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling en derhalve in strijd heeft
gehandeld met deze wetgeving.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid Kamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een gemeente verstrekt de Pas-65 aan inwoners die de leeftijd van 65 jaar
bereikt hebben. Daarnaast verstrekt zij deze pas aan de gehuwden en duurzaam
samenwonende partner van laatstgenoemden, indien deze tenminste 60 jaar
oud
zijn. Reden hiervoor is dat 65-plussers dan meer gestimuleerd zouden worden
om deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten.
Volgens verzoekster maakt de gemeente onderscheid op grond van burgerlijke
staat omdat alleenstaanden die tussen de 60 en 65 jaar zijn geen pas krijgen.
De Commissie oordeelt dat de categorie ongehuwden onevenredig wordt benadeeld
ten opzichte van de gehuwden. De gemeente beschikt niet over gegevens waaruit
blijkt dat 65-plussers meer worden gestimuleerd om deel te nemen aan
maatschappelijke activiteiten indien de partner ook over de Pas-65 beschikt.
De Commissie acht de regeling dan ook in strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 augustus 1996 verzocht de Stichting Centrum Individu en
Samenleving (CISA) te Den Haag (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke
behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of de gemeente Den
Haag
(hierna: de wederpartij) onderscheid maakt als bedoeld in de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. De wederpartij verstrekt de Pas 65 aan inwoners die de leeftijd van
65
jaar bereikt hebben. Daarnaast verstrekt zij deze pas aan de gehuwde of
duurzaam samenwonende partner van laatstgenoemden, indien deze tenminste
60
jaar oud is. Door gehuwden en samenwonenden met een partner van 65 jaar
en
ouder reeds op 60-jarige leeftijd voor de pas in aanmerking te laten komen
en
alleenstaanden eerst op 65-jarige leeftijd, maakt de wederpartij jegens
laatstgenoemden onderscheid naar burgerlijke staat.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Verzoekster is een stichting die zich ten doel stelt het ondersteunen
en
stimuleren van de emancipatie van alleenstaanden in materiële,
maatschappelijke en psychologische zin. Verzoekster tracht haar doel onder
meer te verwezenlijken door het bevorderen van het materieel welzijn van
individuen, het bevorderen van de integratie van de individuele leefvorm
in
de wetenschaps-beoefening, het bevorderen van de vorming van geëigende,
herkenbare sociale kaders en het bevorderen van het maatschappelijk
zelfbewustzijn van individuen, een en ander in de ruimste zin des woords
genomen met alle wettig ten dienste staande middelen. Uit de feitelijke
werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming met haar
statuten de belangen van alleenstaanden behartigt.
De AWGB beschermt personen die getroffen kunnen worden door onderscheid
op
grond van burgerlijke staat, zoals alleenstaanden. Verzoekster behartigt
de
belangen van alleenstaanden en voldoet dus aan de vereisten van artikel
12,
tweede lid, onderdeel e, AWGB. Verzoekster heeft geen namen genoemd van
personen ten nadele van wie zou zijn gehandeld, zoals bedoeld in artikel
12,
derde lid, AWGB. Een onderzoek door de Commissie naar mogelijke bezwaren
van
deze personen tegen het onderhavige verzoek kan derhalve achterwege blijven.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.
Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. Daarnaast heeft
de
Commissie op grond van artikel 11 Besluit werkwijze Commissie gelijke
behandeling informatie ingewonnen bij het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS).

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunt nader toe
te
lichten tijdens een zitting op 27 mei 1997. Het Ministerie van VWS is
eveneens opgeroepen.

2.3. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. drs. L. de Zwaan (voorzitter)

van de kant van de wederpartij
– mw. mr. M. Hertogs (juridisch medewerkster)

van de kant van het Ministerie van VWS:
– mw. mr. J. Ietsma (juridisch medewerkster)
– mw. mr. M. Vredevoogd (beleidsmedewerkster Juridische zaken Ouderenbeleid)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De Pas 65 is op 1 december 1975 ingevoerd en berust op een circulaire
van de Minister van het toenmalige Ministerie van Cultuur, Recreatie en
Maatschappelijk werk (hierna: CRM) (Circulaire van de Minister van CRM,
6 mei
1975, BSR/Bjw – U 34828). Op grond van deze regeling hebben personen van
65
jaar en ouder recht op een pas, terwijl tevens hun gehuwde partners van
60
jaar en ouder hetzelfde recht kregen.
Bij circulaire van 1 februari 1980 (Circulaire van de Staatssecretaris
van
CRM) is de regeling uitgebreid tot duurzaam samenwonende partners. Van
duurzaam samenwonenden wordt gesproken, indien zij gedurende tenminste
een
jaar hebben samengewoond op één adres. In de partnerregeling is bepaald
dat
eenmaal verkregen rechten niet meer vervallen. Indien een huwelijk of
samenwoning als gevolg van een scheiding of overlijden teneinde komt, voordat
de jongere partner 65 jaar is, mag deze de pas behouden. In 1990 heeft
de
Minister van WVC nogmaals uiteengezet voor welke personen de pas is bedoeld
(Circulaire van het Ministerie van WVC, 24 augustus 1990,
HOA-U-3699). De Minister heeft er bij de gemeentebesturen op aangedrongen
de
ter zake opgestelde aanbevelingen strikt in acht te nemen omwille van de
landelijke uniformiteit en ter voorkoming van ongelijke gevallen. De
wederpartij heeft het in de circulaire aanbevolen beleid als gemeentelijke
beleidsregel aanvaard.

3.2. Met de Pas 65 kan gratis dan wel tegen gereduceerd tarief gebruik
gemaakt worden van voorzieningen op het terrein van cultuur, recreatie,
vorming en openbaar vervoer per tram, bus en metro.
De pas wordt verstrekt via de gemeenten en kan tegen betaling van leges
worden afgehaald bij de Dienst Burgerzaken.

3.3. Met de invoering van de Pas 65 in 1975 werd beoogd de deelname van
65-plussers aan het sociale en culturele leven te bevorderen en te
stimuleren. Uit onderzoek door het Ministerie van CRM was gebleken dat
deze
groep door gebrek aan scholing en vorming en door vroegere leef- en
werkomstandigheden in vergelijking met de leeftijdsgroep van 60 tot 65
jaar
een minder actief leven leidde en in mindere mate participeerde in het
maatschappelijk verkeer (Zie ook: Tweede Kamer, vergaderjaar 1974-1975,
13
463, nrs. 1-2.). De uitbreiding naar 60-jarigen met een partner van 65
jaar
en ouder was gebaseerd op de gedachte dat een 65-plusser eerder gebruik
van
de pas zal maken als zijn of haar partner er ook één heeft. Er werd van
de
veronderstelling uitgegaan dat een 65-plusser met een partner zonder pas
niet
alleen op pad zou gaan. Daarom zou een extra stimulans nodig zijn.

3.4. Uit onderzoek, verricht enige jaren na de invoering van de Pas 65,
is
gebleken dat er indicaties zijn voor een positief effect van de pas
(Nederlands Instituut voor Maatschappelijk Werk Onderzoek-NIMAWO, Cijfers
en
meningen over Pas 65, Willem Melief, Den Haag, december 1981). In dat
onderzoek is de partnerregeling niet betrokken.

Het standpunt van verzoekster

3.5. De regeling op grond waarvan de wederpartij de Pas 65 verstrekt, is
in
strijd met artikel 1 Grondwet (Gw), artikel 26 Internationaal Verdrag inzake
burgerlijke en politieke rechten, artikel 15, eerste lid, onderdeel a,
Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten;
de
artikelen 1 en 7, eerste lid, onderdelen b en c, AWGB.
De achtergrond van de ongelijke behandeling door de wederpartij is de
gedachte dat alleenstaanden geen sociaal of gezinsleven hebben. Voor het
begrip partner is een collectief (groeps)kenmerk gehanteerd, waarbij op
voorhand wordt aangenomen dat alleenstaanden geen sociale binding met hun
omgeving hebben, dit in tegenstelling tot gehuwden. Het onderscheid wordt
gemaakt op grond van burgerlijke staat. Deze grond valt onder artikel 1
Gw,
waarin discriminatie op welke grond dan ook, niet is toegestaan. Artikel
1
AWGB verbiedt onderscheid op grond van burgerlijke staat.

De regeling maakt zowel direct als indirect onderscheid naar burgerlijke
staat. Het directe onderscheid wordt veroorzaakt door het verschil in
behandeling tussen gehuwden en ongehuwden. Het indirecte onderscheid wordt
veroorzaakt door het criterium alleenstaand. Gehuwden en daarmee
gelijkgestelden tussen 60 en 65 jaar kunnen in aanmerking komen voor de
pas.
Dit betekent dat alle gehuwde partners tussen 60 en 65 jaar in aanmerking
komen voor de pas. Deze categorie ondervindt derhalve geen nadeel van de
regeling. Van de ongehuwden in dezelfde leeftijdscategorie komt het merendeel
niet in aanmerking voor de pas, omdat alleenstaanden van deze categorie
de
meerderheid vormen.
Voor dit onderscheid bestaat geen objectieve rechtvaardiging. Er zijn geen
gegronde redenen om aan te nemen dat de partnerregeling gehuwde of
samenwonende partners meer stimuleert tot maatschappelijke participatie
dan
alleenstaanden, wanneer hun de pas eveneens vanaf 60-jarige leeftijd zou
worden verstrekt. De regeling gaat uit van de onjuiste veronderstelling,
dat
uitsluitend partners elkaar stimuleren tot maatschappelijke participatie
alsmede dat gehuwden per definitie samen maatschappelijke activiteiten
ondernemen. Uit jurisprudentie (Commissie gelijke behandeling m/v, 12 juli
1991, oordeelnummer 355-91-45; Commissie gelijke behandeling, 7 januari
1997,
oordeelnummer 97-06; Hoge Raad, 7 mei 1993, NJ 1995,259) blijkt dat de
culturele ontwikkelingen en maatschappelijke opvattingen ten aanzien van
alleenstaanden zodanig zijn gewijzigd, dat hieraan niet voorbij kan worden
gegaan en dat deze geen rechtvaardigingsgrond vormen voor het gemaakte
onderscheid. Weliswaar blijkt uit onderzoek (Nederlands Instituut voor
Maatschappelijk Werk Onderzoek-NIMAWO, Cijfers en meningen over Pas 65,
Willem Melief,
Den Haag, december 1981.)(dat de pas aan de doelstelling heeft beantwoord,
maar naar het effect van de partnerregeling is geen apart onderzoek verricht.
Jong bejaarden, dus ook de jongere partners van 65-plussers, zijn zonder
de
pas maatschappelijk actief. Het is aannemelijk dat zij hun 65-pluspartner
ook
zonder de pas zullen stimuleren tot activiteit.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in 1989 aan de lidstaten
een aanbeveling gedaan de nodige maatregelen te nemen om per 1 januari
1991
een Europese 60-plusserskaart in te voeren (Aanbeveling 89/350, 10 mei
1989).
De Europese Commissie beoogt daarmee vorm te geven aan het recht dat
60-plussers krachtens het EG-Verdrag hebben om in de lidstaat waar zij
verblijven dezelfde voordelen in zake openbaar vervoer en culturele
activiteiten te genieten als de inwoners van die lidstaat vanaf die leeftijd
(Brief van de Minister van WVC d.d. 18 december 1989, HOA-U-3215). De
Voorlopige Raad voor het Ouderenbeleid pleit voor de invoering van een
Europese 60-plus-pas, omdat daarmee tevens het onderscheid ten nadele van
alleenstaande 60-plussers kan worden opgeheven (Voorlopige Raad voor het
Ouderenbeleid: Een Passend voorstel, Advies over de aanbeveling van de
Europese Commissie over een Europese Pas 60, Rijswijk, juli 1990).

De Pas 65 geeft grote financiële voordelen. Blijkens onderzoek wordt deze
vooral gezien als een kortingkaart voor met name het openbaar vervoer.
Bezitters van de pas blijken ongeveer vier maal meer gebruik te maken van
het
openbaar vervoer dan niet-pasbezitters.

Verlaging van de leeftijd tot 60 jaar sluit voorts aan bij de kortingpas
van
de NS alsmede de situatie dat veel alleenstaanden op die leeftijd zijn
gestopt met werken en zij gemiddeld een slechtere inkomenspositie hebben
dan
gehuwden en samenwonenden.

Het standpunt van de wederpartij

3.6. De wederpartij acht zich gebonden aan de door het Ministerie van VWS
vastgestelde circulaire. De wederpartij heeft geen andere betrokkenheid
bij
de Pas 65 dan de afgifte daarvan. De financiële gevolgen van de Pas 65
worden
gedragen door andere instellingen en organisaties. De wederpartij heeft
dan
ook niet de bevoegdheid de voorwaarden voor de Pas 65 te veranderen. Indien
de deelnemende instanties het aantal kaarthouders niet meer kunnen inschatten
zou dit de acceptatie van de Pas 65 bovendien kunnen doen verminderen.

De verklaring van het Ministerie van VWS

3.7. Hoewel de gemeenten juridisch niet verplicht zijn om overeenkomstig
de
circulaire te handelen, worden zij omwille van de landelijke uniformiteit
dringend verzocht de regels in acht te nemen. Het Ministerie kan zich dan
ook
vinden in de stelling van de wederpartij dat zij zich niet bevoegd acht
van
de voorwaarden tot afgifte van de Pas 65 af te wijken.

Aanvankelijk was het Ministerie van mening dat de afgifte van de Pas 65
zonder meer kon worden aangemerkt als het aanbieden van goederen of diensten
in de zin van artikel 7 AWGB, omdat de pas financiële voordelen geeft en
derhalve een economische waarde vertegenwoordigt. Ter zitting heeft het
Ministerie zijn mening gewijzigd. Er moet gedifferentieerd worden naar
het
verstrekken van de pas en het geven van de met de pas verbonden kortingen.
Het eerstgenoemde valt niet onder het aanbieden van goederen en diensten,
het
laatstgenoemde wel.

In de circulaire wordt geen direct onderscheid gemaakt op grond van
burgerlijke staat. Het verschil in behandeling heeft immers niet alleen
betrekking op gehuwden, waarvan de ene partner 65 jaar of ouder is en de
andere partner tenminste 60 jaar is, maar ook op ongehuwd samenwonenden
in
dezelfde leeftijdscategorieën.

Voor zover de circulaire zou leiden tot indirect onderscheid op grond van
burgerlijke staat is dit objectief gerechtvaardigd vanwege het doel van
de
regeling, het bevorderen van de maatschappelijke participatie van
65-plussers. Uit onderzoek blijkt dat dit doel ook grotendeels wordt
verwezenlijkt. Het Ministerie heeft ter zitting meegedeeld, dat het uit
signalen en adviezen van de ouderenbonden heeft opgemaakt dat 65-plussers
beter werden bereikt door de jongere partner ook de pas te verstrekken.
Gedegen onderzoek naar dit effect is echter niet gedaan.

Het doel van de Pas 65 is het opheffen van de achterstand van 65-plussers
op
sociaal-cultureel gebied. Dit doel wordt niet gediend door het ter
beschikking stellen van de Pas 65 aan alle 60-plussers.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. De Commissie onderzoekt eerst of het handelen van de wederpartij kan
worden aangemerkt als het aanbieden van goederen en diensten, als bedoeld
in
artikel 7 AWGB.

4.2. Artikel 7, eerste lid, onderdeel b, AWGB verbiedt het maken van
onderscheid bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt
door de openbare dienst. De wederpartij behoort tot de openbare dienst.

Artikel 7 AWGB bevat het ruim geformuleerde verbod om onderscheid te maken
bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren
of
beëindigen van overeenkomsten ter zake (Zie Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 20:”Artikel 7 bevat geen beperkingen met
betrekking tot de aard van de aan te bieden goederen of diensten, dan wel
de
ter zake te sluiten overeenkomsten. Het onderhavige verbod van onderscheid
beslaat uiteenlopende terreinen van het maatschappelijk leven en kan derhalve
op zeer verschillende situaties van toepassing zijn.” ).
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het aanbieden van goederen en diensten
niet noodzakelijkerwijs in het kader van een overeen-komst behoeft te
geschieden (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 014, nr.5, pag. 87).
Zo
is niet uitgesloten dat bepaalde feitelijke overheidshandelingen of ook
publiekrechte-lijke rechtshandelingen onder artikel 7 AWGB vallen, indien
zij
het karakter hebben van het aanbieden van goederen en diensten.

4.3. De wederpartij draagt zorg voor verstrekking van de pas 65. De Commissie
gaat ervan uit dat de wederpartij met haar handelen (mede) vanuit haar
eigen
verantwoordelijkheid voor ouderen handelt. Aan de verstrekking van de pas
is
inherent dat de pashouders bepaalde financiële voordelen genieten bij
deelname aan het maatschappelijk verkeer. De verstrekking en het recht
op
bedoelde kortingen zijn in casu nauw met elkaar verweven in het handelen
van
de wederpartij. Daaraan doet niet af dat -zoals het Ministerie van VWS
op
zichzelf terecht heeft gesteld- toekenning van de pas niet gelijk staat
aan
het specifiek geven van een korting bij de feitelijke gebruikmaking van
het
openbaar vervoer of deelname aan concrete culturele activiteiten.
Het begrip goederen en diensten in artikel 7 AWGB is een ruim begrip. Het
handelen van de wederpartij kan worden aangemerkt als het optreden in het
maatschappelijk goederen- en dienstenverkeer als aanbieder. Daaraan doet
niet
af dat haar handelen tevens een besluit is in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht. Dit leidt tot de conclusie dat het handelen van de wederpartij
valt onder de reikwijdte van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, AWGB.

4.4. Thans is de vraag in het geding of de wederpartij, door partners van
65-plussers die 60 jaar of ouder zijn wel en alleenstaande 60-plussers
geen
Pas 65 toe te kennen, onderscheid naar burgerlijke staat maakt als bedoeld
in
de AWGB.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid naar burgerlijke staat zowel
direct als indirect onderscheid begrepen wordt.
Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid dat verwijst naar één
van
de hiervoor genoemde persoonskenmerken.
Indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat is onderscheid op grond
van andere hoedanigheden of gedragingen dan burgerlijke staat dat direct
onderscheid op die grond tot gevolg heeft.

Artikel 2, eerste lid, AWGB bepaalt dat het in deze wet neergelegde verbod
van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.

4.5. Ten aanzien van de vraag of sprake is van direct onderscheid op grond
van burgerlijke staat overweegt de Commissie het volgende.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij de Pas 65 verstrekt aan
60-plussers, mits deze een partner hebben die 65 jaar is of ouder. Dit
leidt
tot een onderscheid tussen alleenstaande 60-plussers enerzijds en 60-plussers
met een partner anderzijds. Met gehuwde 60-plussers zijn ongehuwde
leeftijdsgenoten gelijk gesteld, mits deze samenwonen met een partner die
65
jaar is of ouder. Aangezien het onderhavige verschil in behandeling niet
gegrond is op het wel of niet hebben van de huwelijkse staat, is van direct
onderscheid op grond van burgerlijke staat geen sprake.

4.6. Ten aanzien van de vraag of sprake is van indirect onderscheid op
grond
van burgerlijke staat overweegt de Commissie als volgt.
Van indirect onderscheid naar burgerlijke staat is sprake indien ongehuwden
door het handelen van de wederpartij in overwegende mate worden benadeeld.
Het betreft hier onderscheid tussen 60-plussers met een partner die 65
jaar
is of ouder en 60-plussers zonder een partner in die leeftijdscategorie.
De
Commissie overweegt dat van de gehuwde 60-plussers met een partner die
65
jaar is of ouder allen in aanmerking komen voor de Pas 65. Geen van de
gehuwden ondervindt derhalve nadeel van het handelen van de wederpartij.
Van
de ongehuwde 60-plussers zullen in ieder geval alle alleenstaanden worden
benadeeld, omdat zij geen partner hebben.

Gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek wijzen in dit verband
op
het volgende (CBS, Maandstatistiek bevolking 1996, nr. 7, pag. 38, tabel
3):

aantallen huishoudens zonder gehuwden (xl000)
eenpersoonshuishoudens 2048
niet gehuwde samenwoners 589
eenoudergezinnen 325
totaal 2962

Uit deze cijfers blijkt dat van het totaal van de huishoudens van ongehuwden
ongeveer (2373:2962=)80% zonder partner woont en ongeveer 20% met een
partner. Van de gehuwden heeft uiteraard 100% een partner. Gesteld noch
gebleken is dat deze verhoudingen bij de inwoners van de wederpartij anders
zijn. Evenmin kan op voorhand aannemelijk worden geacht dat dit beeld in
de
leeftijdsgroep van 60-plussers zodanig anders zou zijn dat alleenstaanden
niet meer een substantieel deel vormen van de ongehuwde 60-plussers.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat, nu mag worden aangenomen dat
in de
bewuste leeftijdscategorie het merendeel van de ongehuwden door de regeling
wordt benadeeld terwijl niemand van de gehuwden wordt benadeeld, sprake
is
van het in overwegende mate benadelen van ongehuwden. Derhalve is sprake
van
indirect onderscheid naar burgerlijke staat.

Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2, eerste lid,
AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardiging aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3,
pag. 14; Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986,
zaaknummer 170/84):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
de
werkelijke behoefte van de organisatie;
– de middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel
te
bereiken.

Het doel dat de wederpartij met haar handelen beoogt is het bevorderen
van de
maatschappelijke participatie van 65-plussers. De Commissie is van oordeel
dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is.

Het middel om het genoemde doel te bereiken is het toekennen van de pas
aan
60-plussers mits deze een partner hebben die 65 jaar is of ouder. Verzoekster
heeft niet betwist en de Commissie acht aannemelijk dat het gekozen middel
beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de wederpartij.

Ten aanzien van de geschiktheid en de noodzaak van het middel om het genoemde
doel te bereiken, overweegt de Commissie als volgt.

Van de kant van het Ministerie van VWS is gesteld dat bij de invoering
van de
Pas 65 in 1975 bewust gekozen werd voor de leeftijdsgrens van 65 jaar,
omdat
uit onderzoek bleek dat personen in de leeftijdsgroep van 60 tot 65 jaar
in
het algemeen aanzienlijk actiever waren dan de groep van 65 en ouder. Dit
plaatst naar het oordeel van de Commissie reeds vraagtekens bij de aanname
dat toekenning van de pas aan een jongere partner van de 65-plusser
daadwerkelijk een middel is dat geschikt en noodzakelijk is om de
laatstgenoemde te stimuleren aan het sociale en culturele leven deel te
nemen. Van de kant van het Ministerie van VWS is ter zitting verklaard
dat
men niet over enig onderzoek beschikt waaruit blijkt dat 65-plussers meer
gestimuleerd worden tot maatschappelijke participatie indien hun partners
van
60 jaar en ouder ook over een pas 65 beschikken. Wel waren er volgens genoemd
Ministerie signalen of adviezen van ouderenbonden. Deze zijn niet aan de
Commissie overgelegd. Het was ook niet mogelijk om de Commissie te informeren
over de meer precieze inhoud van deze signalen of adviezen. Tevens moet
worden geconstateerd dat de circulaire van de Staatssecretaris van CRM
van 1
februari 1980 aan de gemeentebesturen, waarin met de gehuwde partner van
60
jaar of ouder de ongehuwd samenwonende leeftijdsgenoot werd gelijkgesteld,
slechts meldt dat er aanleiding was de Pas 65-regeling aan te passen onder
meer aan veranderende maatschappelijke opvattingen. De Commissie neemt
aan
dat bedoelde opvattingen betrekking hebben op de gelijkstelling van ongehuwd
samenwonenden met gehuwden. Daaruit kan echter geen enkele conclusie worden
getrokken ten aanzien van de ratio van de partnerregeling als zodanig.

Gelet op het voorgaande neemt de Commissie aan dat de invoering van de
partnerregeling niet heeft plaatsgevonden na onderzoek, op grond waarvan
de
geschiktheid en de noodzaak van deze regeling voor het bevorderen van de
maatschappelijke participatie van de 65-plussers zou zijn gebleken.
Voorts ontbreekt een onderzoek naar de effecten van de partnerregeling
op de
participatie van de 65-plussers wier partner van 60 jaar of ouder een Pas
65
is toegekend. In het in 1981 verrichte onderzoek is de ratio van de
partnerregeling niet betrokken, zodat dit onderzoek evenmin grond geeft
aan
de stelling dat door deze regeling de maatschappelijke participatie van
65
plussers zou zijn of zou worden vergroot.

Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat er geen gronden
aanwezig zijn de partnerregeling te beoordelen als een geschikt en een
noodzakelijk middel om de maatschappelijke participatie van 65-plussers
te
vergroten. Derhalve is sprake van indirect onderscheid op grond van
burgerlijke staat, waarvoor geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat.

4.7. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij gebonden is aan de
circulaires van het Ministerie overweegt de Commissie, dat deze circulaires
de wederpartij niet ontslaan van haar eigen verplichting tot naleving van
de
wetgeving gelijke behandeling. Deze wetgeving is immers van hogere orde.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de gemeente
Den Haag door aan alleenstaanden van 60 jaar en ouder geen Pas 65 toe te
kennen niet objectief gerechtvaardigd indirect onderscheid naar burgerlijke
staat maakt, als bedoeld in artikel 7 juncto artikel 1 en 2 AWGB en derhalve
in strijd met de AWGB handelt.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp ‘s-Hertogenbosch, 11 juli 1997

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Verzoekster kan een jaar na haar scheiding niet voldoen aan het vereiste van het beschikken over werk – met een inkomen ter hoogte van het minimumloon – voor tenminste een jaar.
Maar de vrouw krijgt van haar in Taiwan verblijvende man voldoende middelen zodat zij niet afhankelijk is van de openbare kas. Of het hebben van
voldoende middelen – ondanks het niet hebben van werk op de fatale termijn – reden is om voortgezet verblijf toe te staan, zal onderwerp zijn voor nader
onderzoek, waarvoor een bodemprocedure meer mogelijkheid biedt.
De rechter is verder van oordeel dat de staatssecretaris de belangen van verzoekster onvoldoende heeft afgewogen in het kader van de toetsing aan
de klemmende redenen van humanitaire aard. Niet meegewogen is bijvoorbeeld het feit dat in Taiwan de kinderen zullen worden toegewezen aan haar man en zijzelf geen contact meer met de kinderen zal mogen hebben. Ook ontbreekt
de toets aan het in de Vc genoemde criterium – de zorg die de vrouw heeft voor de vier kinderen die in Nederland een opleiding volgen. De vrouw mag het
administratieve beroep in Nederland afwachten.

Volledige tekst

1. Procesverloop

Verzoekster bezit de Taiwanese nationaliteit en is vreemdeling in de zin
van
artikel 1 van de Vw.

Verzoekster heeft op 16 januari 1992 verzocht om verlening van een vergunning
tot verblijf met als doel: ‘verblijf bij echtgenoot en het verrichten van
arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf’. Verzoekster is
in
het bezit gesteld van de gevraagde vergunning tot verblijf welke laatstelijk
geldig was tot 16 januari 1995.

Op 20 en 29 december 1994 heeft verzoekster om verlenging van de eerder
verleende vergunning tot verblijf en wijziging van de beperking verzocht
in:
‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’.

Bij beschikking van 26 september1995 heeft verweerder afwijzend beslist
op
verzoeksters aanvraag om een vergunning tot verblijf. De beschikking is
op
dezelfde dag aan verzoekster uitgereikt.

Tegen de niet-inwilliging van de aanvraag om verlening van een vergunning
tot
verblijf heeft verzoekster op 23 oktober 1995 administratief beroep
ingesteld. Bij beschikking van 8 oktober 1996 heeft verweerder het
administratief beroepsschrift van verzoekster ongegrond verklaard. Deze
beschikking werd aan verzoekster in persoon uitgereikt waarbij haar werd
meegedeeld dat zij de behandeling van een eventueel in te dienen
beroepsschrift niet in Nederland mag afwachten en Nederland binnen vier
weken
dient te verlaten.

Op verzoekschrift van 31 oktober 1996 heeft verzoekster de president verzocht
een onverwijlde voorziening te treffen, inhoudende -kort gezegd- dat
verweerder niet zal overgaan tot uitzetting van verzoekster uit Nederland
zolang nog niet beslist zal zijn op het beroepschrift van verzoekster.

Verzoekster is ter zitting van 4 juni 1997 verschenen en heeft zich aldaar
laten bijstaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting
laten
vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 Awb kan indien tegen een besluit bij de rechtbank
beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de
rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld de
president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,
op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet
op
de betrokken belangen, dat vereist.

In artikel 8:86 eerste lid van de Awb is bepaald dat de president
onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak kan doen, indien het verzoek wordt
gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van
oordeel is dat na de zitting als bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van
de
Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling
van
de zaak.

De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld
in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen
in de
hoofdzaak. In dit geding is derhalve aan de orde of het bestreden besluit
waarbij het administratief beroep van verzoekster ongegrond is verklaard
in
rechte kan worden gehandhaafd.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

Verzoekster is op 5 januari 1992, tezamen met haar echtgenoot en vier
kinderen, Nederland ingereisd. Op 16 januari 1992 heeft zij om verlening
van
een vergunning tot verblijf verzocht met als doel: ‘verblijf bij echtgenoot
en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat
verblijf’. Verzoekster is in het bezit gesteld van de gevraagde vergunning
tot verblijf welke laatstelijk geldig was tot 16 januari 1995. Op 20
december 1994 heeft verzoekster om wijziging van de verstrekte vergunning
verzocht in ‘arbeid als zelfstandige’. Haar echtgenoot die sedert 1 januari
1994 geen werk meer had heeft op 20 december 1994 eveneens om wijziging
van
de vergunning tot verblijf verzocht in:
‘arbeid in loondienst’. Op 21 december 1994 werd, nadat gebleken was dat
daarvoor een arbeidscontract en een tewerkstellingsvergunning nodig was,
dit
aangepast in ‘arbeid als zelfstandige’. Op 29 december 1994 heeft verzoekster
vervolgens verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar
verleende vergunning tot verblijf. De aanvraag van de echtgenoot van
verzoekster werd bij de beschikking 26 september 1995 niet ingewilligd
omdat
niet meer werd voldaan aan de voorwaarden waaronder de vergunning was
verstrekt. Ten aanzien van zijn verzoek om (voortgezet) verblijf voor het
verrichten van arbeid als zelfstandige werd overwogen, dat hij daarvoor
niet
in aanmerking komt, omdat uit een ambtsbericht van de Minister van
Economische Zaken was gebleken dat geen wezenlijk Nederlands economisch
belang is gediend met de voortgezette exploitatie van het bedrijf van hem
en
verzoekster. Bij beschikking van eveneens 26 september 1995 werd de aanvraag
tot verlenging en wijziging van de vergunning tot verblijf van verzoekster
niet ingewilligd aangezien zij, gelet op het feit dat haar man ook geen
verlenging van de vergunning tot verblijf heeft gekregen en het een
afhankelijke aanvraag betrof, niet meer voldeed aan de beperking waaronder
de
vergunning tot verblijf was verleend. Ten aanzien van niet-inwilliging
van de
aanvraag ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’ zijn dezelfde
overwegingen gebruikt als die bij haar echtgenoot. Het administratief
beroepsschrift van de echtgenoot van verzoeker is later ingetrokken. Hangende
de administratieve beroepsprocedure is gebleken dat het arbeidscontract
van
de echtgenoot van verzoeker op 31 december 1993 was beëindigd en dat hij
op 1
januari 1994 Nederland heeft verlaten onder achterlating van verzoekster
en
hun minderjarige kinderen. In de aanvullende gronden van het administratieve
beroep d.d. 4 juni 1996 is om die reden namens verzoekster aangevoerd,
dat de
aanvraag van verzoekster om verlenging van de verblijfsvergunning slechts
getoetst dient te worden aan het geldende beleid voor voortgezet verblijf
na
ontwrichting huwelijk dan wel vertrek van de hoofdpersoon.
Verweerder heeft zich ten dien aanzien in de beschikking op het
administratieve beroepsschrift op het standpunt gesteld dat ingevolge
eerdergenoemd beleid verzoekster geacht kan worden met ingang van 1 januari
1994, zijnde datum van ontwrichting huwelijk, in het bezit te zijn gesteld
van een vergunning tot verblijf onder de beperking ‘voor het verrichten
van
arbeid al dan niet in loondienst’ met een geldigheidsduur tot 1 januari
1995.
Nu verzoekster op 1 januari 1995 met de toenmalige werkzaamheden niet
duurzaam beschikte over voldoende middelen van bestaan en voorts niet is
gebleken dat verzoekster nog enig moment voor dan wel na 1 januari 1995
beschikte over een arbeidsplaats voor nog tenminste een jaar waarmee zij
voldoende duurzame middelen van bestaan zou verdienen, voldeed zij, volgens
verweerder, niet aan de vereisten voor voortgezet verblijf na ontwrichting
huwelijk. In het verweerschrift heeft verweerder de beschikking op het
administratief beroepsschrift in die zin aangevuld dat bij de beoordeling
van
een aanvraag om voortgezet verblijf na ontwrichting van het huwelijk het
vereiste van voldoende middelen van bestaan geen rol speelt. Naar het oordeel
van verweerder is derhalve niet van belang dat verzoekster -wellicht-
voldoende middelen van bestaan had op 1 januari 1995 als ook nadien.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij wil werken zodra haar kinderen op
eigen
benen kunnen staan. Voorlopig vindt zij echter dat zij eerst en vooral
altijd
beschikbaar moet zijn voor haar kinderen. Zij is van mening dat zij gelet
op
de strekking en doel van het beleid desalniettemin in aanmerking komt voor
voortgezet verblijf nu zij van haar in Taiwan verblijvende (ex)echtgenoot
een
uitkering terzake van levensonderhoud ontvangt en zij dus niet ten laste
komt
van de openbare kas.

De president overweegt als volgt:

Ingevolge de Vc 1994, hoofdstuk B1/2 kan, zoals reeds is overwogen, en
een
geval van feitelijke of juridische verbreking van een huwelijksrelatie
een
toegelaten huwelijkspartner onder bepaalde voorwaarden in aanmerking komen
voor een zelfstandige vergunning tot verblijf, indien het huwelijk (voordat
de ontbinding zich daarvan voordoet) reeds drie jaar heeft bestaan waarvan
tenminste een jaar -direct voorafgaande aan de ontbinding of ontwrichting
van
het huwelijk- tijdens een op grond van artikel 9 of 10 Vw toegestaan
verblijf. Komt de vreemdeling in een zodanige situatie niet in aanmerking
voor een vergunning tot vestiging, voor een vergunning tot verblijf op
grond
van klemmende redenen van humanitaire aard of voor een vergunning tot
verblijf voor een ander doel, dan wordt hem een vergunning tot verblijf
voor
het verlenen van arbeid al dan niet in loondienst verleend met een
geldigheidsduur van een jaar. Het ontbreken van voldoende middelen of het
(nog) niet verrichten van arbeid wordt niet tegengeworpen. De vreemdeling
krijgt gedurende een jaar de gelegenheid -indien hij daarover nog niet
beschikt- arbeid te vinden. Aan vreemdelingen die voortgezet verblijf voor
arbeid in loondienst beogen, dient dit te worden geweigerd indien zij bij
het
verstrijken van dat jaar niet beschikken over werk voor tenminste nog een
jaar, waarmee ten minste het bestaansminimum in de zin van de Algemene
bijstandswet (Abw) wordt verdiend. Bij verlenging van de geldigheidsduur
van
een vergunning tot verblijf, verstrekt op basis van eerdergenoemd beleid,
is
bepalend de situatie op het moment van het verstrijken van de geldigheidsduur
van deze vergunning.

In het onderhavige geval is de president allereerst met verweerder van
oordeel dat verzoekster op 1 januari 1994, datum ontwrichting huwelijk,
geacht moet worden in het bezit te zijn gesteld van een vergunning tot
verblijf onder de beperking ‘voor het verrichten van arbeid in loondienst’
met een geldigheidsduur van 1 januari 1995. Gelet op het hiervoor omschreven
beleid is derhalve van belang of verzoekster op 1 januari 1995 voldeed
aan de
vereisten voor voortgezet verblijf na ontwrichting huwelijk. Verweerder
stelt
zich ten dien aanzien op het standpunt dat verzoekster niet aan de vereisten
voldoet voor voortgezet verblijf nu zij op de peildatum niet beschikte
over
werk voor tenminste nog een jaar, waarmee ten minste het bestaansminimum
in
de zin van de Algemene bijstandswet (Abw) werd verdiend. Verzoekster stelt
zich op het standpunt dat de ratio van eerdergenoemd beleid is dat men
niet
ten laste komt van de openbare kas. Nu verzoekster weliswaar niet beschikt
en
beschikte over werk doch wel voldoende middelen tot bestaan tot haar
beschikking heeft, dient zij conform deze ratio van het beleid in aanmerking
te worden gebracht voor voortgezet verblijf. De president is dienaangaande
van oordeel dan niet zonder meer kan worden volgehouden dat het toestaan
van
voortgezet verblijf enkel op basis van het hebben van voldoende middelen
indruist tegen de ratio van verweerders beleid. De president kan zich niet
aan de indruk onttrekken dat een achterliggende reden van het vereiste
‘het
hebben van werk’ zal zijn het niet ten laste komen van de openbare kas.

Naar het oordeel van de president leent de beantwoording van de vraag wat
de
ratio is van het in de Vc geformuleerde beleid, zich echter niet voor
beantwoording in een spoedprocedure als de onderhavige. Met name de vraag
of
het hebben van voldoende middelen ondanks het niet hebben van werk op de
fatale termijn reden is voor voortgezet verblijf, zal onderwerp zijn voor
nader onderzoek, waarvoor een bodemprocedure meer mogelijkheid biedt.

Afgezien van het voorgaande is de president van oordeel dat het bestreden
besluit niet in stand kan blijven. De president overweegt daartoe als volgt.

Blijkens de Vc 1994 B1/23 kan het verblijf van de vreemdeling ook wegens
klemmende redenen van humanitaire aard worden voortgezet. Als voorbeeld
van
klemmende redenen van humanitaire aard worden in de Vc genoemd de
omstandigheid dat de vreemdeling nauwe banden heeft met Nederland of in
Nederland wonende personen of omdat terugkeer naar het land van herkomst
redelijkerwijs niet verlangd kan worden. In het geval het gaat om gescheiden
vrouwen wordt dit, blijkens de Vc, getoetst aan:
– de situatie van alleenstaande vrouwen in het land van herkomst;
– de maatschappelijke positie van de betrokkene in het land van herkomst;
– de vraag of in het land van herkomst een naar de maatstaven van dat land
aanvaardbaar te achten opvang aanwezig is;
– de zorg die de betrokkene heeft voor kinderen die hier te lande zijn
geboren en/of een opleiding volgen.

Uit het bestreden besluit noch uit het verweerschrift noch uit de overige
zich in het dossier bevindende stukken blijkt dat verweerder de ten dien
aanzien relevant te achten feiten en belangen heeft vergaard en afgewogen.
Zo
is niet gebleken dat verweerder zich een beeld heeft gevormd over de situatie
van alleenstaande vrouwen in Taiwan en wat de maatschappelijke positie
van
verzoekster in haar land van herkomst zal zijn. Van belang hierbij is dat
verzoekster zelf heeft aangegeven dat zij bij terugkeer in Taiwan van haar
kinderen gescheiden zal worden. De kinderen zouden dan door de familie
van de
(ex)echtgenoot opgevoed worden en zij zal geen contact met haar kinderen
mogen hebben.
Verweerder heeft hier echter niet op gereageerd. Tenslotte ontbreekt ook
de
toets aan het laatste – de zorg die verzoekster heeft voor de vier kinderen
die in Nederland een opleiding volgen – criterium.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder in het bestreden besluit
voorbij is gegaan aan zijn eigen, in de Vc weergegeven, beleid. De afwijzing
van de aanvraag om voortgezet verblijf berust derhalve op een onvoldoende
draagkrachtige motivering. Het beroep is derhalve gegrond en het besluit
moet
worden vernietigd.

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak bestaat er aanleiding tot het treffen
van een voorlopige voorziening, in die zin dat verweerder wordt verboden
verzoekster en haar kinderen uit Nederland te verwijderen tot opnieuw op
het
administratieve beroep zal zijn beslist.

De president acht gelet op het vooroverwogene termen aanwezig verweerder
onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door
de
verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van
het
Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot
op
in totaal ƒ 1.420,= voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende
rechtsbijstand:
* 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en het beroepschrift;
* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
* waarde per punt ƒ 710,=;
* wegingsfactor 1.

Tevens zal de president bepalen dat door de Staat der Nederlanden aan
verzoekster het door haar gestorte griffierecht dient te worden vergoed.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

3. Beslissing

De president:
– verklaart het beroep gegrond;
– vernietigt het bestreden besluit;
– bepaalt dat verweerder wordt verboden verzoekster uit Nederland te
verwijderen tot opnieuw op het administratieve beroep zal zijn beslist;
– gelast de Staat der Nederlanden aan verzoekster te vergoeden het door
haar
gestorte griffierecht;
– veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten,
vastgesteld op ƒ 1.420,=, te vergoeden door de Staat der Nederlanden.

Rechters

Mr Van Daalen

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 juli 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Man en vrouw zijn gescheiden. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Vrouw
wil dat erfenis buiten beschouwing blijft omdat het ging om een
schijnhuwelijk waarin zij regelmatig is mishandeld en seksueel misbruikt. Hof
honoreert dit. Man kan geen aanspraak maken op verdeling van het bedrag dat
de vrouw uit de nalatenschap is toegevallen.

Volledige tekst

1. Het verdere geding in hoger beroep

1.1. De vrouw is bij exploit van dagvaarding van 15 februari 1996 in hoger
beroep gekomen van vonnissen die door de arrondissementsrechtbank te
Amsterdam onder rolnummer H. 92.2811 tussen partijen zijn gewezen en die zijn
uitgesproken op 6 juli 1994 en 1 november 1995, met dagvaarding van de man
voor dit hof.

1.2. De vrouw heeft bij memorie vier grieven tegen de vonnissen waarvan
beroep aangevoerd, met conclusie, naar het hof verstaat, zakelijk
weergegeven, tot vernietiging van deze vonnissen en afwijzing van de
vorderingen van de man met zijn veroordeling in de kosten in beide
instanties.

1.3. De man heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden,
alsmede een bewijsaanbod gedaan met conclusie tot bekrachtiging van die
vonnissen en veroordeling van de vrouw in de kosten van beide instanties.

1.4. Nadat de stukken waren overgelegd voor het wijzen van arrest heeft het
hof bij tussenarrest van 19 september 1996 een comparitie van partijen
gelast, die heeft plaatsgevonden op 20 februari 1997.

1.5. De man heeft vervolgens bij akte producties overgelegd, en de vrouw
heeft ditzelfde gedaan bij antwoordakte.

1.6. Tenslotte zijn de stukken van het geding in eerste aanleg en in hoger
beroep, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, door de man wederom voor
het wijzen van arrest aan het hof overgelegd. Bij die stukken bevindt zich
ook het procesverbaal van voormelde comparitie.

1.7. De zaak is naar de meervoudige kamer verwezen.

2. De grieven

De grieven houden in:

Grief 1
Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis van 6 juli 1994 onder r. o. 4
het verweer verworpen, dat de vordering van de man in strijd komt met de
redelijkheid en billijkheid wegens het karakter van der partijen huwelijk, te
weten schijnhuwelijk, alsmede wegens het feit dat de man de vrouw staande
huwelijk regelmatig seksueel heeft misbruikt en heeft
mishandeld.

Grief 2
Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis van 1 november 1995 onder r.o.
5 overwogen dat de schuld van de vrouw aan B. thans niet bij de scheiding en
deling behoort te worden betrokken, omdat de verschuldigdheid van deze
vordering niet in voldoende mate zou vaststaan.

Grief 3
Ten onrechte heeft de rechtbank in haar vonnis van 1 november 1995 onder r.o.
7 overwogen dat het bezit van de man aan onroerende zaken in Turkije bij de
vaststelling van de gemeenschap buiten beschouwing dient te worden gelaten,
waarbij de rechtbank overigens nog overweegt dat het de vrouw vrijstaat een
nadere verdeling te vorderen.

Grief 4
Ten onrechte heeft de rechtbank bij vonnis van 1 november 1995 de vorderingen
van de man tot een bedrag van ƒ 10.175,13 toegewezen.

3. Waarvan het hof uitgaat

3.1. De rechtbank heeft in het vonnis van 6 juli 1994 onder r.o. 1 sub a. t/m
d. een aantalfeiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is niet in
geding, zodat ook het hof van dat een en ander zal uitgaan.

3.2. Voorts staat blijkens het in zoverre niet bestreden vonnis van 1
november 1995 vast, dat:
e. de vrouw uit de nalatenschap van haar op 4 juli 1988 overleden oom na
aftrek van kosten op of na 20 april 1993 ƒ 20.250,25 heeft ontvangen, en
f. de waarde van enige bij de vrouw gebleven in de gemeenschap vallende
goederen (herenfiets, televisie, telefoon en koelkast) moet worden gesteld op
ƒ 100.

3.3. Tenslotte staat thans als enerzijds gesteld en anderzijds niet
(voldoende) betwist vast:
g. De vrouw had toen zij met de man trouwde een bijstandsuitkering, die
overging in een gezinsuitkering mede ten behoeve van de man. Van 6 september
1988 tot 6 september 1989 heeft de man door arbeid in het levensonderhoud van
de vrouw en zichzelf voorzien met een loon van iets meer dan het
minimuminkomen, waarna de verlening van bijstand werd hervat. De vrouw geniet
nog steeds een bijstandsuitkering.
h. op deze uitkering wordt thans als gevolg van executoriaal beslag van de
man op grond van het vonnis waarvan beroep ƒ 65 per maand ingehouden, en
bovendien het gehele vakantiegeld.
i. De vrouw heeft van het bedrag dat zij uit de nalatenschap van haar oom
ontving niets meer over. Zij heeft daarvan ƒ 6.000 aan tandartskosten moeten
uitgeven.

4. Behandeling van het hoger beroep

4.1. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de vordering van de man in
strijd komt met de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van het
huwelijk van partijen. Zij betoogt dat het om een schijnhuwelijk ging, dat de
man niet uit liefde met haar is getrouwd, maar om een verblijfsvergunning in
Nederland te verkrijgen, en dat hij haar tijdens het huwelijk regelmatig
seksueel heeft misbruikt en heeft mishandeld.

4.2. De man heeft ontkend dat sprake was van een schijnhuwelijk. Hij heeft
echter op een rechtstreekse vraag van de raadsheer-commissaris of hij uit
liefde met de vrouw getrouwd is dan wel om een verblijfsvergunning te krijgen
geen antwoord willen geven. Het hof acht dan ook onvoldoende betwist, dat het
motief voor het huwelijk het verkrijgen van een verblijfsvergunning was, en
concludeert daaruit dat een werkelijke lotsverbondenheid, die in het algemeen
aan de basis ligt van een huwelijk en de daarmee samenhangende
huwelijksgemeenschap van goederen, niet werd beoogd. Daaraan doet niet af,
dat partijen, ondanks het feit dat het huwelijk om zakelijke redenen was
gesloten, vervolgens enige tijd een normaal huwelijksleven hebben geleid,
zoals door de man aangevoerd en door de vrouw, voor wat betreft de eerste één
á twee jaren, onvoldoende gemotiveerd betwist, in het bijzonder gelet op haar
opmerkingen dat in het eerste jaar alles goed ging, dat de eerste scheuren in
het huwelijk in de loop van 1989 ontstonden, en dat partijen na juni 1990
niet meer hebben samengeleefd.

4.3. De vrouw heeft ter adstructie van mishandelingen van de man stukken
overlegd, waaruit blijkt dat zij (ondermeer) vanaf begin juni 1990 in een
“Blijf van mijn lijf huis” verbleef, dat de huisarts toen meerdere
bloeduitstortingen en strangulatieplekken geconstateerd heeft, en dat zij ter
verkrijging van een straatverbod een kort geding tegen de man heeft
aangespannen, waarna de man een schriftelijke verklaring heeft afgelegd
inhoudende “Hierbij deel ik U mede als er een probleem tussen mij en mijn
vrouw komt, dat ik daarvoor een mondelinge oplossing zal zoeken. Dat wil
zeggen dat ik nooit meer (onderstreping van het hof) lichamelijk geweld zal
gebruiken”.

4.4. Het hof acht door deze stukken voldoende aangetoond, dat de vrouw door
de man tijdens het huwelijk is mishandeld. Daaraan doet niet af dat de
schriftelijke verklaring van de man zelf naar zijn zeggen door zijn broer is
opgesteld, en niet serieus bedoeld was. De verklaring is, naar het hof
begrijpt, voorzien van een Turkse vertaling, en door de man ondertekend, en
de man stelt niet dat hij de inhoud niet heeft begrepen. Hij heeft de
verklaring gebruikt ter afwering van een dreigend straatverbod in rechte, en
moet zich ook om die reden van de betekenis van die brief bewust zijn
geweest. De man heeft bovendien de mededeling van de vrouw dat de uitgaven
voor haar gebit van ƒ 6.000 het gevolg waren van zijn mishandelingen niet
weersproken. Onder deze omstandigheden dient het algemeen gestelde
bewijsaanbod van de man, die het tegendeel zou moeten bewijzen, als te vaag
te worden gepasseerd.

4.5. Partijen zijn voor hun levensonderhoud tijdens het huwelijk grotendeels
afhankelijk geweest van een bijstandsuitkering. De man heeft daaraan slechts
gedurende een korte periode van een jaar een bijdrage geleverd. Er is geen
bijzondere inspanning zijnerzijds geweest, die op zich zelf zou
rechtvaardigen dat hij meedeelt in hetgeen de vrouw uit de nalatenschap van
de oom is toegevallen. Niet gesteld of gebleken is dat deze nalatenschap op
enigerlei wijze (mede) aan de man gerelateerd is, en dat hij op de helft
daarvan om andere dan zuiver formele redenen aanspraak zou kunnen maken.

4.6. Bij toewijzing van de vordering van de man zou de vrouw, die, afgezien
van de (bescheiden) erfenis, al vele jaren op een bestaansminimum leeft, naar
het zich laat aanzien nog eens jarenlang op een minimale uitkering gekort
worden. De man daarentegen heeft thans, naar het hof begrijpt, inkomsten uit
arbeid.

4.7. Het huwelijk heeft formeel nog geen vier jaren geduurd, en de
samenleving niet langer dan een periode, die ongeveer overeenkomt met de
noodzakelijke duur voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor de
man.

4.8. Het hof stelt voorop, dat de regels van redelijkheid en billijkheid
kunnen maken, dat afgeweken dient te worden van de regel van verdeling bij
helfte van een gemeenschap van goederen na echtscheiding.

4.9. Al de bovengenoemde omstandigheden tesamen maken in casu dat de man in
redelijkheid en billijkheid geen aanspraak kan maken op verdeling van het
bedrag, dat de vrouw uit de nalatenschap is toegevallen, waarbij het hof in
het bijzonder in aanmerking neemt de door de vrouw tengevolge van de
mishandelingen van de man tijdens het huwelijk opgelopen schade en het
karakter van het huwelijk, zoals in r.o. 4.2 weergegeven.

4.10. Ditzelfde geldt echter niet voor de onder r.o. 1 b. van het vonnis van
de rechtbank van 1 november 1995 genoemde goederen, nu het ervoor gehouden
moet worden dat deze uit de gemeenschappelijke inkomsten tijdens het huwelijk
zijn gekocht. De vrouw dient terzake in verband met overbedeling ƒ 50 aan de
man te betalen.

4.11. Een en ander brengt mee, dat de eerste grief grotendeels slaagt.

4.12. De tweede grief betreffende verrekening van de vermeende vordering op
de vrouw van B. wordt echter niet terecht voorgedragen. B. heeft in de
desbetreffende procedure sedert december 1991 geen stappen meer ondernomen,
en de vrouw betwist zijn vordering. De advocaat van B. heeft na een door de
vrouw afgewezen schikkingsvoorstel in het najaar van 1996 niets meer van zich
laten horen. Het hof is daarom met de rechtbank van oordeel dat het bestaan
van die schuld dusdanig onzeker is, dat deze thans niet in de beoordeling van
de zaak behoort te worden betrokken.

4.13. Dit laatste geldt evenzeer voor de mogelijke eigendom van grond van de
man in Turkije, waarop grief 3 betrekking heeft. De man heeft zich
gemotiveerd verweerd tegen de stelling van de vrouw dienaangaande. De vrouw
heeft geen bewijs aangeboden, terwijl, los daarvan, de gebeurtenis waaruit
zij de eigendom afleidt voor verschillende interpretaties vatbaar is. Ook
grief 3 moet daarom worden verworpen.

4.14. Grief vier behoeft, na het voorgaande, geen afzonderlijke behandeling.

5. Samenvatting en slotsom.

5.1. Het voorgaande brengt mee, dat de vonnissen waarvan beroep dienen te
worden vernietigd het, en dat alsnog dient te worden beslist als volgt.

5. 2. De kosten zullen, gelet op de aard van de zaak, tussen partijen worden
gecompenseerd als volgt.

6. Beslissing

Het hof:
– vernietigt de vonnissen waarvan beroep;
– veroordeelt de vrouw om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de man te
betalen een bedrag van ƒ 50 (vijftig gulden);
– verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
– compenseert de kosten van het geding in beide instanties aldus dat iedere
partij de eigen kosten draagt;
– wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs Torrenga, van Zandwijk-Hillebrands en Koopmann

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster stelt dat zij vanwege haar zwangerschap geen bonussen heeft
ontvangen. Volgens de werkgever heeft verzoekster geen bonussen gekregen
vanwege haar verminderde inzetbaarheid door haar zwangerschap.
De Commissie oordeelt dat vaststaat dat verzoeksters zwangerschap bij het
achterwege laten van de bonussen mede een rol gespeeld heeft. De werkgever
heeft daarmee onderscheid gemaakt naar geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 december 1996 verzocht mevrouw M.H.M. S. te Amersfoort (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of FES Services B.V., statutair gevestigd te Capelle aan
den
IJssel, kantoorhoudende te Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is van 1 oktober 1994 tot 15 november 1996 als
adviseur/interimmanager bij de wederpartij werkzaam geweest. Haar is over
1995 geen bonus toegekend; evenmin heeft ze met ingang van 1 januari 1996
een
salarisverhoging gekregen; daarnaast heeft ze in 1996 geen schenking van
ƒ
100,– ontvangen voor haar verjaardag. Verzoekster stelt bovendien in
vergelijking met haar collega’s te laag te zijn beloond. Volgens verzoekster
is een en ander het gevolg van haar zwangerschap en heeft de wederpartij
onderscheid naar geslacht gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk nader toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe
te lichten tijdens een zitting op 1 juli 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. M.H.M. S. (verzoekster)
– dhr. D.J. de Jong (partner van verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. R. Hoogvliet (directeur)
– dhr. P. Schenk (hoofd afdeling sociale dienstverlening)
– dhr. mr. D.P. Boddé (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is met ingang van 1 oktober 1994 bij de wederpartij in
dienst getreden in de functie van adviseur/interimmanager tegen een bruto
salaris van ƒ 4.450,– per maand. Daarnaast kreeg zij vanaf 21 januari
1995
een auto ter beschikking. Ze mocht hiermee 10.000 km per jaar privé rijden
en
was voor het meerdere een vergoeding van ƒ 0,35 per gereden kilometer
verschuldigd. Ze ontving voorts een onkostenvergoeding van ƒ 150,– per
maand. Tevens heeft verzoekster de cursus toetser/beslisser op kosten van
de
wederpartij gevolgd. De kosten hiervan bedroegen ongeveer ƒ 5.000,–.

De wederpartij legt zich toe op personele en organisatorische dienstverlening
aan derden. Tot mei 1993 werkte de wederpartij slechts met freelancers.
Daarna is een aantal medewerkers in vaste dienst genomen. De wederpartij
haalt opdrachten binnen en zorgt dat de medewerkers te werk gesteld kunnen
worden. Per werknemer wordt het persoonlijk resultaat vastgesteld door
de
salariskosten af te zetten tegen het aantal gedeclareerde uren. De werknemers
kunnen hun persoonlijk resultaat slechts in beperkte mate beïnvloeden.
Zij
worden uitgeleend op dagbasis, de cliënt bepaalt hoeveel dagen er gewerkt
wordt. Wanneer een cliënt tevreden is over de dienstverlening van de
gedetacheerde medewerker, wordt laatstgenoemde vaak voor een langere periode
ingehuurd. In die zin kan de werknemer de omzet beïnvloeden. Regelmatig
komt
het echter voor dat het werk waarvoor de werknemer was ingehuurd voltooid
is
of dat degene die vervangen moest worden terugkomt. In dat geval heeft
de
werknemer -ondanks goed functioneren- geen mogelijkheid de omzet te
beïnvloeden.

3.2. In artikel 4.2. van verzoeksters arbeidscontract was de volgende
bepaling opgenomen: “Het salaris zal jaarlijks worden herzien in de maand
december. Het alsdan vastgestelde salaris gaat in per januari
daaraanvolgend.”

In artikel 4.3. van het arbeidscontract staat vermeld: “Afhankelijk van
het
resultaat van werkgever en de inzet daarbij van werknemer kan aan het einde
van het kalenderjaar door werkgever een tantième aan werknemer worden
toegekend, een en ander enkel en alleen ter beoordeling van werkgever.”

3.3. Verzoekster heeft met ingang van 1 januari 1995 geen salarisverhoging
ontvangen omdat ze toen nog maar drie maanden bij de wederpartij werkzaam
was. Wel is haar een bonus van ƒ 600,– toegekend.

Verzoekster heeft van 10 oktober tot en met 22 december 1995 per dag twee
a
drie uur minder gewerkt vanwege haar zwangerschap. Verzoekster was in die
periode gedetacheerd in Zaanstad en had daardoor een reistijd van vier
uur
per dag. Dit zou leiden tot een werkdag van twaalf uur. Gelet op haar
zwangerschap was dit voor haar te vermoeiend.

Op 18 januari 1996 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden. Tijdens
dit gesprek is de tevredenheid over het functioneren van verzoekster
uitgesproken. Tevens is haar meegedeeld dat geen salarisverhoging en geen
bonus zouden worden toegekend. De inhoud van dit gesprek is door de
wederpartij bevestigd bij brief van 28 maart 1996. Deze brief luidt -voor
zover hier van belang- als volgt:
(…)
“Per 1 januari 1996 heeft u wederom geen salarisverhoging gekregen.
Salarisverhoging en het toekennen van een bonus heeft binnen ons bedrijf
niet
alleen te maken met goed functioneren. Wij zijn een commercieel bedrijf,
dus
ook de gemaakte omzet per medewerker en het resultaat van het bedrijf in
het
algemeen zijn zaken die hierbij aan de orde komen.
Zoals in ons laatste gesprek uiteengezet, is uw omzet in 1995 sterk
achterwege gebleven bij de verwachtingen. Uw kosten afgezet tegen de omzet
laten zelfs een verlies zien. Als oorzaak hiervan kan met name uw
ziekteverzuim worden aangewezen.
Gezien uw zwangerschap is daar alle begrip voor. U bent daar in het
functioneringsgesprek dan ook niet op aangesproken. Wel is tijdens het
functioneringsgesprek besproken dat wij een zwangerschapsperiode niet
geschikt achten om een salarisverhoging toe te kennen. Afgesproken is toen
dat we in de periode na de bevalling rond de tafel gaan zitten om nieuwe
afspraken te maken. Immers dan is duidelijk hoe uw arbeidspatroon er uit
zal
zien.”
(…)

Verzoekster heeft tegen het niet toekennen van een bonus en salarisverhoging
geprotesteerd, waarna opnieuw een gesprek heeft plaatsgevonden. De
wederpartij heeft haar in dit gesprek meegedeeld dat een salarisverhoging
onbespreekbaar was.

Op 12 april 1996 is verzoekster met zwangerschapsverlof gegaan. Het
bevallingsverlof eindigde op 2 augustus 1996. Aansluitend is verzoekster
arbeidsongeschikt geweest tot 1 november 1996.

3.4. Verzoekster heeft vervolgens een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter te Rotterdam onder
toekenning van een vergoeding. Bij beschikking van 5 november 1996 is de
arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 15 november 1996. Het verzoek
om
toekenning van een vergoeding is afgewezen.

Het standpunt van verzoekster

3.5. De wederpartij heeft door haar geen bonus en salarisverhoging toe
te
kennen vanwege haar zwangerschap onderscheid gemaakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling. Ingevolge artikel 4.2. van de
arbeidsovereenkomst had verzoekster recht op een salarisverhoging. Tijdens
het functioneringsgesprek op 8 maart 1995 is verzoekster bovendien toegezegd,
dat zij met ingang van 1 januari 1996 wel een salarisverhoging zou ontvangen.
Daar komt bij dat verzoekster met ingang van 1 oktober 1995 een zwaardere
functie is gaan uitoefenen, namelijk de functie van toetser/beslisser,
hetgeen normaal gesproken tot een hoger salaris leidt. De wederpartij kon
aan
haar cliënten vanaf dat moment een hoger tarief voor verzoekster in rekening
brengen. Tenslotte lag een salarisverhoging gelet op verzoeksters aantoonbaar
goede prestaties in de rede.

De wederpartij stelt ten onrechte dat verzoekster met ingang van 1 januari
1995 salarisverhoging heeft gekregen, doordat haar een auto ter beschikking
was gesteld en de wederpartij de kosten voor een cursus vergoedde. Reeds
bij
indiensttreding van verzoekster maakten deze arbeidsvoorwaarden deel uit
van
de arbeidsovereenkomst.

De wederpartij onderbouwt de stelling, dat verzoeksters omzet in relatie
tot
haar salaris leidde tot verlies, met een jaaroverzicht over 1996. Het niet
toekennen van salarisverhoging had echter betrekking op de omzet over 1995.
Hiervan is geen jaaroverzicht overgelegd. Het persoonlijk resultaat van
verzoekster tot de datum waarop haar zwangerschapsverlof is ingegaan,
bedraagt ƒ 6.867,–. Verzoekster heeft gedurende deze periode steeds fulltime
gewerkt.

De stelling van de wederpartij, dat onduidelijk was hoe haar arbeidspatroon
eruit zou komen te zien, is onjuist. Verzoekster heeft meteen gezegd dat
zij
één dag per week ouderschapsverlof wilde opnemen en vier dagen per week
zou
gaan werken. Over parttime werken heeft ze niet gesproken. Niet valt in
te
zien waarom het opnemen van ouderschapsverlof van invloed zou zijn op de
arbeidsvoorwaarden.

3.6. Gebruikelijk is dat aan de werknemers van de wederpartij ter gelegenheid
van hun verjaardag een bedrag van ƒ 100,– wordt uitbetaald. Verzoekster
heeft dit in 1995 ook ontvangen. In 1996 is haar echter zonder opgave van
redenen geen ƒ 100,– uitbetaald, dit in tegenstelling tot haar collega’s.

3.7. Verzoeksters salaris was ten opzichte van vergelijkbare functies bij
de
gemeenten aan de lage kant. Verzoeksters collega’s in dienst bij de gemeenten
worden veelal ingeschaald in schaal 9, 10 of hoger. Ook met de wederpartij
vergelijkbare bureaus betalen voor verzoeksters functie een hoger salaris.
Bij dergelijke bureaus is een bruto salaris van ƒ 5.000,– bespreekbaar.

Verzoekster was de enige werknemer bij de wederpartij die de functie
toetser/beslisser vervulde. Een vrouwelijke collega van verzoekster deed
lager gekwalificeerd werk, namelijk heronderzoeken en
bijstandsmaatschappelijk werk, en had reeds bij aanvang van haar
dienstverband een hoger salaris dan verzoekster. Deze collega ontving
bovendien twee maal een loonsverhoging. Dat laatste gold ook voor een andere
vrouwelijke collega. Een mannelijke collega die op freelance basis werkzaam
was ontving voor lager gekwalificeerd werk een salaris van ƒ 4.550,– a
ƒ
4.600,– bruto. Hij ontving bovendien reiskostenvergoeding op basis van
het
openbaar vervoer. Van de andere collega’s kende verzoekster de
arbeidsvoorwaarden niet.

Het standpunt van de wederpartij

3.8. Uit artikel 4.2. van verzoeksters arbeidsovereenkomst mag niet worden
afgeleid dat het salaris ieder jaar zonder meer wordt verhoogd. Er staat
dat
het salaris zal worden herzien, dat betekent niet automatisch een verhoging.

Ten onrechte stelt verzoekster dat zij per 1 januari 1995 geen loonsverhoging
zou hebben gekregen. Verzoekster is met ingang van die datum een auto ter
beschikking gesteld. Tevens is ze in de gelegenheid gesteld de opleiding
toetser/beslisser op kosten van de wederpartij te volgen.

De resultaten van verzoekster gaven geen aanleiding om haar met ingang
van 1
januari 1996 een salarisverhoging toe te kennen. Verzoekster is op grond
van
de verwachtingen omtrent haar prestaties bij haar indiensttreding een
relatief hoog salaris toegekend. Hoewel verzoekster op zichzelf goed
functioneerde, bleef haar omzet achter bij de verwachtingen. Door haar
hoge
salaris -dat aanmerkelijk hoger was dan dat van haar collega’s- heeft de
wederpartij wat verzoekster betreft verlies geleden. Doordat verzoekster
gedurende lange periode niet zou werken vanwege haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof was er ook geen zicht op het inhalen van het verlies.
Daarom
was een salarisverhoging niet bespreekbaar.

Het goed functioneren is op zichzelf niet voldoende om een salarisverhoging
toe te kennen. De 17 collega’s van verzoekster functioneerden eveneens
naar
tevredenheid en ontvingen evenmin een salarisverhoging. De stelling van
verzoekster dat zij met ingang van 1 oktober 1995 een hogere functie is
gaan
bekleden is onjuist. De functie van toetser/beslisser bestaat bij de
wederpartij niet. Verzoekster is net als haar collega’s bij de wederpartij
in
dienst getreden als adviseur en kon in diverse functies gedetacheerd worden.
De zinsnede “wij achten een zwangerschapsperiode niet geschikt om een
salarisverhoging toe te kennen” is uit zijn verband gehaald. Verzoekster
had
tijdens het functioneringsgesprek meegedeeld na haar zwangerschap parttime
-waarschijnlijk drie dagen per week- te willen werken. De wederpartij heeft
aangegeven dat dit geen probleem was, maar dat het om die reden voor de
hand
lag het gesprek over de arbeidsvoorwaarden uit te stellen tot na het
zwangerschaps- en bevallingsverlof. Pas dan zou vaststaan hoeveel dagen
per
week verzoekster zou gaan werken. De omvang van het dienstverband zou van
invloed zijn op de arbeidsvoorwaarden, omdat verzoekster had aangegeven
de
auto, die haar op basis van een fulltime dienstverband was toegekend, te
willen blijven gebruiken.

Dat de wederpartij geen onderscheid maakt in geval van zwangerschap blijkt
ook uit het feit dat zij een collega van verzoekster in dienst heeft genomen
toen die zwanger was.

3.9 Aan slechts vijf medewerkers van de wederpartij is over 1995 een bonus
uitbetaald. Dit was op basis van uitzonderlijk goede prestaties. Het betrof
vier van de elf vrouwen en één van de zeven mannen.

3.10. Geen van de medewerkers van de wederpartij heeft in 1996 ƒ 100,–
voor
zijn of haar verjaardag gekregen. Deze regeling is in 1996 gewijzigd in
die
zin dat op 31 december ƒ 100,– aan alle werknemers wordt uitbetaald.
Verzoekster was op 31 december 1996 niet meer bij de wederpartij in dienst
en
heeft deze schenking daardoor misgelopen.

3.11. Verzoekster stelt ten onrechte dat zij in vergelijking met haar
collega’s te laag werd beloond. De vrouwelijke collega die verzoekster
heeft
genoemd had in tegenstelling tot verzoekster geen studieregeling en niet
de
beschikking over een dienstauto. Voorts gaat de vergelijking met de
freelancer niet op; een freelancer dient regelmatig aanspraak te maken
op een
WW- of zelfs bijstandsuitkering en kent geen pensioenregeling. Bovendien
had
genoemde freelancer geen dienstauto.

Verzoekster had in vergelijking met gemeente-ambtenaren evenmin een te
laag
salaris. Verzoeksters bruto salaris bedroeg inclusief de onkostenvergoeding
en de auto in totaal ƒ 6.102,– per maand. Een gemeente-ambtenaar ontvangt
in
de functie toetser/beslisser in schaal 9 en 10 respectievelijk minimaal
ƒ
3.953,– en ƒ 3.773,– en maximaal ƒ 5.446,– en ƒ 5.983,–.

Het salaris van verzoekster was evenmin lager dan dat van haar collega’s
in
dienst bij met de wederpartij vergelijkbare bureau’s.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
door haar
– met ingang van 1 januari 1996 geen salarisverhoging toe te kennen;
– over 1995 geen bonus toe te kennen;
– met haar verjaardag in 1996 geen ƒ 100,- toe te kennen;
– in vergelijking met haar collega’s te laag te belonen.

4.2. Voor de beantwoording van deze vragen zijn de volgende wetsartikelen
van
belang.

Ingevolge artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is het verboden
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden.
(Sinds 1 april 1997 is de betreffende norm vastgelegd in artikel 6:646
BW).

Dit verbod betreft zowel direct als indirect onderscheid. Onder direct
onderscheid wordt ingevolge artikel 7A:1637ij lid 5 BW mede verstaan
onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap.

Van direct onderscheid naar geslacht is niet alleen sprake wanneer
zwangerschap de enige of doorslaggevende reden was voor een verschil in
behandeling in de arbeidsvoorwaarden, maar tevens indien zwangerschap mede
een rol heeft gespeeld.(Zie onder meer: Commissie gelijke behandeling,
23 mei
1995, oordeelnummer 95-15; Commissie gelijke behandeling, 13 november 1995,
oordeelnummer 95-47).

Artikel 7A:1637ij lid 1 BW en de artikelen 7 tot en met 9 Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WBG) bepalen voorts dat een werkgever
geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het punt van de beloning
wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde verrichten.

Ten aanzien van de salarisverhoging:

4.3. Uit het voorgaande volgt dat beoordeeld moet worden of verzoeksters
zwangerschap mede een rol gespeeld heeft bij de beslissing van de wederpartij
om verzoekster met ingang van 1 januari 1996 geen salarisverhoging toe
te
kennen.

Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord. Vaststaat immers dat deze
beslissing samenhing met de omstandigheid dat verzoekster in 1995 gedurende
een aantal weken iedere dag twee uur minder had gewerkt. Dit ziekteverzuim
was een gevolg van haar zwangerschap. Een en ander is met zoveel woorden
vastgelegd in de brief van de wederpartij aan verzoekster van 28 maart
1996.

De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschap(sverlof) als een onlosmakelijk gevolg
van
de zwangerschap worden beschouwd en op één lijn gezet worden met de
zwangerschap zelf.(Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer
95-15; Commissie gelijke behandeling, 22 november 1996,
oordeelnummer 95-105.) De Commissie oordeelt dat onderscheid op grond van
beperkte inzetbaarheid door ziekte ten gevolge van zwangerschap eveneens
direct onderscheid oplevert.

Door de beslissing geen salarisverhoging toe te kennen mede te baseren
op
verzoeksters verminderde inzetbaarheid vanwege zwangerschap heeft de
wederpartij derhalve direct onderscheid gemaakt naar geslacht zoals bedoeld
in artikel 7A:1637ij BW.

De Commissie merkt hierbij op dat ook andere omstandigheden bij de beslissing
van de wederpartij een rol gespeeld kunnen hebben. De verwijzing van de
wederpartij naar verzoeksters zwangerschap hoeft naar het oordeel van de
Commissie dan ook niet zonder meer tot de conclusie te leiden dat verzoekster
voor salarisverhoging in aanmerking had moeten komen. De vraag, of de
wederpartij verzoekster gelet op de overige omstandigheden een
salarisverhoging in redelijkheid had kunnen onthouden, staat echter niet
ter
beoordeling van de Commissie.

Ten aanzien van de bonus:

4.4. Voorts moet de vraag worden beantwoord of verzoeksters zwangerschap
mede
een rol gespeeld heeft bij het niet toekennen van een bonus over 1995 aan
verzoekster.

Geconstateerd moet worden dat de wederpartij ook het niet toekennen van
een
bonus mede heeft gebaseerd op verzoeksters verminderde inzetbaarheid wegens
zwangerschap. Dat betekent dat de wederpartij ook hierbij direct onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt. De stelling van de wederpartij, dat niet
iedereen een bonus kreeg, doet aan deze conclusie niet af.

Evenals bij de salarisverhoging hoeft de omstandigheid dat verzoeksters
zwangerschap mede een rol gespeeld heeft bij de beslissing om verzoekster
over 1995 geen bonus toe te kennen, niet zonder meer tot de conclusie te
leiden dat verzoekster voor een bonus in aanmerking had behoren te komen.
Er
kunnen andere omstandigheden geweest zijn die aan het toekennen van een
bonus
in de weg hebben gestaan. Dit is echter niet ter beoordeling aan de
Commissie.

Ten aanzien van de schenking van ƒ 100,–:

4.5. Verzoekster stelt dat het bij de wederpartij gebruikelijk was om de
werknemers ter gelegenheid van hun verjaardag een schenking te doen van
ƒ
100,–. De wederpartij heeft dit op zichzelf erkend, maar stelt dit beleid
te
hebben gewijzigd. De schenking zou verplaatst zijn naar het einde van het
jaar. Dit laatste is door verzoekster betwist.

Nu verzoekster echter op geen enkele wijze heeft aangegeven waarom het
niet
schenken van ƒ 100,– aan verzoekster ter gelegenheid van haar verjaardag
zou
samenhangen met haar zwangerschap en dit ook overigens niet is gebleken,
laat
de Commissie de vraag of het beleid was gewijzigd buiten beschouwing. Van
onderscheid naar geslacht is op dit punt derhalve geen sprake.

Ten aanzien van de ongelijke beloning als bedoeld in de WGB:

4.6. Tenslotte dient de vraag te worden beantwoord of de wederpartij
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij de beloning. Verzoekster heeft
daartoe aangevoerd dat twee vrouwelijke collega’s voor lager gekwalificeerd
werk een hogere beloning ontvingen.

Ingevolge artikel 7 WGB kan van ongelijke beloning in de zin van artikel
7A:1637ij lid 1 BW slechts worden gesproken, indien de werknemer in
vergelijking met een werknemer van het andere geslacht voor arbeid van
(nagenoeg) gelijke waarde een hoger salaris ontvangt. Aangezien verzoekster
haar salaris vergelijkt met dat van collega’s van hetzelfde geslacht, kan
van
ongelijke beloning als hiervoor bedoeld geen sprake zijn.

Verzoekster heeft één mannelijke collega aangewezen, die als freelancer
voor
de wederpartij werkzaam is geweest en volgens verzoekster lager
gekwalificeerd werk zou verrichten. Indien echter zou komen vast te staan
dat
verzoekster arbeid van hogere waarde zou verrichten dan deze maatman, zou
dit
ertoe leiden dat zij recht zou hebben op een salaris dat tenminste gelijk
is
aan dat van de maatman. (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
Murphy e.a. versus An bord Telecom Eirean, 4 februari 1988, zaak 157/86,
Jur.
1988, 673, pag. 626.
Zie ook: Commissie gelijke behandeling, 12 december 1995, oordeelnummer
95-61). Gebleken is dat het salaris van verzoekster vermeerderd met
emolumenten als een auto en een onkostenvergoeding hoger was dan dat van
de
maatman. Een vergelijking van de functie van verzoekster met die van genoemde
maatman zou derhalve niet tot een hoger salaris voor verzoekster leiden.
Daar
komt bij dat de financiële positie van een freelancer -zoals de wederpartij
stelt- niet zonder meer vergeleken kan worden met iemand die een vast
dienstverband heeft zoals verzoekster.

Nu onbetwist is gesteld dat het salaris van verzoekster vermeerderd met
emolumenten het hoogste was van alle werknemers van de wederpartij in de
functie van adviseur/interimmanager, ziet de Commissie geen aanleiding
om
ambtshalve een maatman aan te wijzen.

De stelling van verzoekster, dat gemeente-ambtenaren met een vergelijkbare
functie alsmede collega’s in dienst bij vergelijkbare bedrijven een hoger
salaris genieten dan verzoekster, kan evenmin tot de conclusie leiden dat
van
ongelijke beloning sprake is. Ingevolge artikel 7 WGB dient immers sprake
te
zijn van een vergelijking met een werknemer binnen dezelfde onderneming.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van ongelijke beloning in de
zin
van artikel 7A:1637ij BW geen sprake is.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat FES Services B.V., statutair
gevestigd te Capelle aan den IJssel, kantoorhoudende te Rotterdam jegens
mevrouw M.H.M. S. te Amersfoort:
– bij de beslissing haar met ingang van 1 januari 1996 geen salarisverhoging
toe te kennen en haar met betrekking tot 1995 geen bonus toe kennen direct
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld;
– door haar ter gelegenheid van haar verjaardag geen
ƒ 100,– toe te kennen en bij de beloning in de zin van artikel 7 tot en
met
9 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen geen onderscheid heeft
gemaakt naar geslacht als bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek
en
ten aanzien daarvan derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw.mr.D. Jongsma (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster stelt dat de uitzendrelatie met haar door het bedrijf is beëindigd
in verband met haar zwangerschap. De Commissie concludeert dat het bedrijf
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat verzoekster naar de mening van
het bedrijf niet naar behoren functioneerde. Ook zonder de zwangerschap
zou de uitzendrelatie met haar worden beëindigd. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 5 december 1996 verzocht mevrouw (….) te Rotterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of (….) te Rotterdam (hierna: de wederpartij)
jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als bedoeld
in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij de uitzendrelatie met
haar heeft beëindigd in verband met haar zwangerschap. Zij stelt dat de
wederpartij daarmee een verboden onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 20 mei 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….)
– dhr. (….)

van de kant van de wederpartij
– dhr. ir. (….)
– dhr. (….) (getuige)
– dhr. (….) (getuige)
– dhr. (….) (getuige)
– dhr. (….) (getuige)
– mw. mr. J.W. Voûte-Zevenbergen (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een software-producent voor de olie- en gasindustrie.
Vanaf 9 september 1996 werkte verzoekster in de functie van managementassistente
bij de wederpartij. Ze was aangenomen via een uitzendbureau voor een periode
van drie maanden. Op vrijdagochtend 27 september 1996 deelde verzoekster
aan de wederpartij mee dat ze bijna zes maanden zwanger was. Een week later
heeft de wederpartij vervolgens te kennen gegeven dat zij de uitzendrelatie
op termijn wilde beëindigen. Verzoekster mocht nog één maand blijven. Verzoekster
wilde graag tot aan haar zwangerschapsverlof – ongeveer eind november –
blijven werken. De wederpartij heeft hier niet mee ingestemd. Voordat er
een nieuwe kandidate zou komen voor een sollicitatiegesprek voor de betreffende
functie, heeft verzoekster nog een gesprek gehad met de wederpartij (de
managing director). Van dit gesprek, waarin ze heeft uiteengezet dat ze
het niet eens is met de beslissing, heeft ze een bandopname gemaakt. Verzoekster
is uiteindelijk zelf eerder weggegaan bij de wederpartij. Ze heeft gekozen
voor een andere tijdelijke baan waar ze tot haar zwangerschapsverlof kon
blijven.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Zij meent dat zij op grond van haar zwangerschap is weggestuurd. Ze vindt
het onrechtvaardig dat zij op deze manier is behandeld.

Verzoekster zou op uitzendbasis drie maanden bij de wederpartij werkzaam
zijn. Ze had daarbij de mondelinge toezegging gehad, dat bij gebleken geschiktheid
dit zou resulteren in een vast contract. Het werk beviel verzoekster goed.
Ze was op haar plaats in deze functie en wilde deze graag voor langere
tijd uitoefenen. Ze had geen redenen om aan te nemen dat ze niet goed functioneerde.
Uit het op band opgenomen gesprek dat verzoekster met de wederpartij voerde,
blijkt volgens verzoekster dat de wederpartij tevreden was over haar werkzaamheden.
Dat ze weg moest had te maken met haar zwangerschap.
Om dat te bewijzen haalt verzoekster enkele citaten uit het gesprek aan:

Verzoekster: `Op zich ben je toch tevreden over mij, toch’?
Wederpartij: `Ja, maar daar gaat het nu niet om’.
Verzoekster: `Waar gaat het dan wel om’?
Wederpartij: `Om het inwerken en weer inwerken’.

Verzoekster: `Waar het mij om gaat is dat dit hele gesprek wat we nu hebben
pas is begonnen op het moment dat ik vertelde dat ik zwanger was, en niet
eerder’.
Wederpartij: `Nee, dat klopt’.
Verzoekster: `Dus dit zou allemaal niet gespeeld hebben, alles wat je nu
zegt, als ik niet zwanger was geweest’?
Wederpartij: `Nee, maar je bent wel zwanger’.

Hoewel het voor verzoekster teleurstellend was dat een vast dienstverband
niet mogelijk was, legde ze zich daar bij neer. Belangrijk voor verzoekster
was dat ze tot haar zwangerschapsverlof kon blijven. Ze zag er tegenop
om in haar positie opnieuw te gaan solliciteren en ze was bang dat ze nu
geen andere baan zou krijgen. Bovendien was het financieel van belang dat
ze de week voor haar zwangerschapsverlof nog zou werken. Dat was van invloed
op de hoogte van de uitkering.

Verzoekster stelt dat de wederpartij had toegezegd dat ze tot haar zwangerschapsverlof
kon blijven. De wederpartij is daar op teruggekomen en deelde aan verzoekster
mee dat ze nog maar één maand mocht blijven. Intussen zou de wederpartij
op zoek gaan naar een nieuwe kandidaat die per 1 november zou komen. Uiteindelijk
heeft verzoekster gekozen voor een andere tijdelijke baan.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Door verzoekster is ten onrechte een klacht ingediend en deze klacht dient
derhalve te worden afgewezen.

Volgens de wederpartij was verzoekster op de hoogte van het belang en de
noodzaak van (met name de continuïteit van) haar werkzaamheden voor de
continuïteit voor het bedrijf. Gaandeweg bleek dat haar functioneren niet
optimaal was. `De produktiviteit en efficiënte werkwijze van verzoekster
was een groot probleem’, aldus de wederpartij. Daarnaast leidde haar stijl
van communiceren tot irritatie bij anderen. Het kostte veel moeite om aan
verzoekster eenvoudige zaken uit te leggen. Als voorbeeld heeft de wederpartij
genoemd, dat verzoekster na een aantal weken nog niet wist naar wie bepaalde
post toe moest. Verder was haar kennis van de engelse taal een probleem.
De wederpartij stelt hoge eisen aan taalbeheersing en uitspraak. Ze werd
derhalve ongeschikt geacht voor de functie van management-assistente.

Naar aanleiding van de mededeling van verzoekster dat zij zwanger was en
in het licht van haar functioneren heeft de wederpartij vervolgens als
zorgvuldig werkgever en verantwoordelijk ondernemer een afweging gemaakt.
Conclusie van deze afweging was, dat verzoekster onvoldoende geschikt werd
geacht voor de betreffende functie. De wederpartij heeft toen aangegeven
dat de uitzendrelatie op termijn zou worden beëindigd.
Het feit dat verzoekster zwanger was heeft geen enkele rol gespeeld in
deze afweging. Het had alleen tot gevolg dat het moment van beoordeling
van het functioneren wellicht eerder heeft plaatsgevonden.

Doordat het matige functioneren van verzoekster niet aan de kaak is gesteld,
is ten onrechte bij haar de schijn ontstaan dat zij op grond van zwangerschap
niet kon blijven. In een poging de kool en de geit te sparen, is de wederpartij
een discussie over het disfunctioneren van verzoekster uit de weg gegaan.

De wederpartij heeft gesteld dat er wel kritische opmerkingen richting
verzoekster zijn gemaakt, maar die werden door haar niet als zodanig begrepen.
Volgens de wederpartij was verzoekster niet gevoelig voor de kritiek die
werd geuit.

Met betrekking tot de bandopname stelt de wederpartij dat het op z’n minst
onbetamelijk van verzoekster is dat zij zonder mededeling een gesprek heeft
opgenomen. Uit het gespreksverslag blijkt dat het matige functioneren van
verzoekster wel degelijk impliciet naar voren is gebracht.

De wederpartij haalt de volgende citaten aan:

‘ Zelfs dat wil ik niet zeggen. Als je niet zwanger was geweest dan hadden
we op een gegeven moment een beslissing genomen. Die beslissing is nu niet
ter zake. Dat wil niet zeggen dat ik ontevreden ben, daar gaat het niet
om. Dat zeg ik dus ook niet. Maar het is wel zo dat ik ook niet de rationele
beslissing heb genomen van: OK we gaan hier voor langere tijd mee door.’

Volgens de wederpartij blijkt dat duidelijk is gesteld dat er voor verzoekster
geen toekomst was weggelegd bij de wederpartij.

‘ Nee, maar als je wel zwanger was geweest en er waren andere dingen weer
niet zo geweest, het is een combinatie van die dingen. Als je wel zwanger
was geweest en er waren andere dingen niet zo geweest had ik wellicht of
waarschijnlijk of wat dan ook, ook niet gezegd van je moet weg.’

De wederpartij stelt dat de situatie een combinatie van dingen is. De zwangerschap
van verzoekster is in ieder geval niet, althans, slechts van ondergeschikt
belang.
Uit het gespreksverslag kan niet worden afgeleid dat de reden voor het
streven naar de beëindiging van de uitzendrelatie met verzoekster haar
zwangerschap was.

Tenslotte voert de wederpartij aan dat verzoekster zelf de uitzendrelatie
met de wederpartij heeft beëindigd. De wederpartij heeft derhalve geen
beëindigingshandeling gepleegd, die aan de wetgeving gelijke behandeling
kan worden getoetst. Het voeren van een mogelijk niet duidelijk beëindigingsgesprek
is niet in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

4.
DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door de beëindiging van de
uitzendrelatie onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere
dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij
de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. (Per 1 april 1997 is de inhoud
van dit artikel in het Burgerlijk Wetboek vervat in artikel 7:646.) Onder
onderscheid wordt zowel direct als indirect onderscheid tussen mannen en
vrouwen verstaan. Op grond van het vijfde lid van artikel 7A:1637ij BW
moet onder direct onderscheid op grond van geslacht mede onderscheid op
grond van zwangerschap worden verstaan.

De wet biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid.
De enige uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid zijn de in
de wet in artikel 7A:1637ij BW, tweede tot en met vierde lid, genoemde
uitzonderingen. De uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

Op grond van artikel 1b van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB) strekt de werkingssfeer van de gelijke-behandelingsnorm zich uit
tot arbeid die wordt verricht onder gezag, anders dan krachtens arbeidsovereenkomst
naar burgerlijk recht of ambtelijke aanstelling. Uit artikel 1b WGB volgt
dat artikel 7A:1637ij BW van overeenkomstige toepassing is op een uitzendrelatie
tussen een inlener en uitzendkracht. (Commissie gelijke behandeling, 28
februari 1990, oordeelnummer 3-90-6+7.)

4.3. Verzoekster heeft zelf de uitzendrelatie beëindigd door ergens te
gaan werken waar ze tot haar zwangerschapsverlof kon blijven. De Commissie
heeft echter reeds eerder overwogen dat het initiatief tot beëindiging
van een arbeidsovereenkomst bij de wederpartij ligt indien de wederpartij
aan verzoekster kenbaar maakt tot een dergelijke beëindiging te willen
komen. (Commissie Gelijke behandeling, 30 december 1994, oordeelnummer
94-19.)

4.4. Ook indien zwangerschap niet de enige of doorslaggevende reden is
geweest voor de beëindiging van een arbeidsverhouding maar daarbij wel
(mede) een rol heeft gespeeld, is er sprake van strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. (Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer
95-15 en Commissie gelijke behandeling, 13 november 1995, oordeelnummer
95-47.)

4.5. De vraag die voorligt is derhalve, of aannemelijk is dat de zwangerschap
van verzoekster (mede) aanleiding vormde voor de wederpartij om de uitzendrelatie
met verzoekster, eerder dan aan het einde van de oorspronkelijk overeengekomen
termijn, te beëindigen.
Het is daarbij niet de taak van de Commissie om het functioneren van verzoekster
te beoordelen; wel dient de Commissie de aannemelijkheid van het verweer
van de wederpartij te beoordelen, dat uitsluitend het functioneren van
verzoekster heeft geleid tot het besluit de uitzendrelatie te beëindigen.

Verzoekster stelt dat zij op grond van haar zwangerschap niet langer kon
blijven werken bij de wederpartij. Ze had geen redenen om aan te nemen
dat ze niet goed functioneerde.
De wederpartij stelt dat zij de uitzendrelatie met verzoekster wilde beëindigen
omdat verzoekster onvoldoende geschikt werd geacht voor de betreffende
functie. Volgens de wederpartij bleek al vóór de mededeling van verzoekster
dat ze zwanger was, dat haar functioneren onvoldoende was.

4.6. Vaststaat dat het matige functioneren van verzoekster niet expliciet
is besproken vóór de mededeling met betrekking tot de zwangerschap. Tijdens
de zitting heeft de wederpartij aangevoerd dat er wel kritische opmerkingen
richting verzoekster zijn geuit. Volgens de wederpartij werden zij echter
niet als zodanig geïnterpreteerd door verzoekster, en was zij niet gevoelig
voor kritiek. De wederpartij heeft geen toezeggingen gedaan met betrekking
tot het voortzetten van de uitzendrelatie. Tevens is niet tegen verzoekster
gezegd dat ze naar tevredenheid functioneerde.
De Commissie acht het derhalve aannemelijk dat vóór de mededeling van verzoekster
omtrent haar zwangerschap twijfels konden bestaan over haar functioneren.

Naar het oordeel van de Commissie heeft de wederpartij voldoende aannemelijk
gemaakt dat verzoekster naar de mening van de wederpartij niet naar behoren
functioneerde. Om die reden is de Commissie tot de conclusie gekomen dat,
indien verzoekster niet zwanger zou zijn geweest, de wederpartij op ongeveer
dezelfde termijn het besluit zou hebben genomen dat de uitzendrelatie met
verzoekster, vanwege onvoldoende functioneren, zou worden beëindigd.

De Commissie voegt hieraan toe dat de (mate van) inzichtelijkheid, systematiek
en controleerbaarheid van gevolgde procedures met betrekking tot het functioneren
van medewerkers een rol kan spelen bij de beoordeling van de vraag of er
sprake is van door de wet verboden onderscheid. In dit kader beveelt de
Commissie de wederpartij aan tot zorgvuldige afspraken en procedures terzake
te komen, waarbij bijvoorbeeld ook een beoordelingsmoment wordt afgesproken.

Met betrekking tot de bandopname stelt de Commissie vast dat partijen het
erover eens zijn dat deze opname de weergave van het gesprek is. Met uitzondering
van de door partijen hieruit schriftelijk of mondeling geciteerde passages
heeft de Commissie de opname niet als bewijsmateriaal gebruikt.
De reden hiervoor is dat deze opname buiten medeweten van de wederpartij
gemaakt is en dat verzoekster hierdoor mogelijkheid heeft gehad, vanuit
haar overtuiging, invloed uit te oefenen op het verloop van het gesprek.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Rotterdam jegens
mevrouw (….) te Rotterdam geen onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht als bedoeld in artikel 7A:1637ij van het Burgerlijk Wetboek bij
de beëindiging van de tewerkstelling via een uitzendbureau.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix (secretarisKamer)

Instantie: Kantonrechter Breda, 6 juli 1997

Instantie

Kantonrechter Breda

Samenvatting


Verzoekster wenst de arbeidsovereenkomst met verweerder te ontbinden omdat
verweerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hierdoor is de werkverhouding
tussen partijen onherstelbaar beschadigd en een vertrouwensbasis ontbreekt.
Verweerder werkt als analist bij verzoekster. Verweerder is op 27 februari
1997 veroordeeld door de rechtbank Breda tot een gevangenisstraf van vijftien
maanden waarvan vijf voorwaardelijk wegens het plegen van ontucht met minderjarigen.
Verweerder heeft van aanvang af verklaard onschuldig te zijn aan de tegen
hem gerezen bedenkingen en heeft dan ook hoger beroep ingesteld. Tevens
stelt verweerder dat hij op het werk nooit alleen is met minderjarigen.
De rechtbank is het met de verweerder eens dat de vrees voor problemen
op de werkvloer van de werkgever irreëel is. Er is onvoldoende bewijs van
een unaniem verzet tegen terugkomst van verweerder. Voorts is van belang
dat, naar het oordeel van de kantonrechter, het op de weg van de werkgever
ligt om, daar waar een strafrechtelijk onderzoek en naderhand een strafrechtelijke
veroordeling onrust op de werkvloer hebben teweeggebracht, een bemiddelende
en ook voorlichtende rol te spelen teneinde het ontstaan van mogelijke
vooroordelen tegen te gaan. Er is niet gebleken dat daartoe inspanningen
zijn verricht.
De kantonrechter oordeelt dat er geen sprake is van een zodanige verandering
in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk
of na korte tijd moet eindigen.

Volledige tekst

De beschikking van 6 juli 1997

2. Het verzoek en het verweer

Het verzoek strekt, voor zover er tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst
bestaat, tot ontbinding van die arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige
redenen, kosten rechtens. Verzoekster voert als grondslag voor haar rekest
aan dat door de strafrechtelijke veroordeling van verweerder de werkverhouding
tussen partijen (en een groot aantal collega’s van verweerder) onherstelbaar
beschadigd is en een vertrouwensbasis ontbreekt.
Verweerder betwist de door verzoekster aangevoerde grondslag. Primair heeft
hij geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Subsidiair wordt verzocht
de beslissing aan te houden in afwachting van het verdere verloop van zijn
strafzaak.
3. De beoordeling

Verweerder – geboren 22 juli 1961 – is sedert 1 februari 1983 in dienst
bij het Medisch Centrum De Klokkenberg te Breda in de functie van analist
tegen een brutoloon van a 4536 per maand.

Uit de stukken is komen vast te staan dat per 1 april 1997 het thoraxcentrum
van Medisch Centrum De Klokkenberg is overgegaan naar verzoekster.
Verzoekster heeft het verzoek voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het
geval er een arbeidsovereenkomst tussen haar en verweerder totstandgekomen
is. In deze procedure zal, gelet op het voorwaardelijke karakter van het
verzoek, niet nader worden ingegaan op de vraag of er een arbeidsovereenkomst
tussen partijen bestaat.
Verweerder is als medisch analist werkzaam bij het klinisch chemisch laboratorium.
Vanaf 7 november 1996 heeft verweerder feitelijk geen werkzaamheden verricht,
zulks in verband met detentie en arbeidsongeschiktheid. De bedrijfsarts
heeft verweerder met ingang van 21 april 1997 weer arbeidsgeschikt geacht.

Aan het verzoek is ten grondslag gelegd dat zich een verandering van omstandigheden
heeft voorgedaan die daaruit bestaat dat de vertrouwensbasis tussen enerzijds
verzoekster en verweerder en anderzijds een groot aantal laboratoriummedewerkers
en verweerder ontbreekt, doordat men niet meer met verweerder wil samenwerken.
Verweerder is sedert begin november 1996 onderwerp van een strafrechtelijk
onderzoek en is op 27 februari 1997 veroordeeld door de rechtbank te Breda
tot een gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 voorwaardelijk wegens
het plegen van ontucht met minderjarigen. De terugkomst van verweerder
zou – zo blijkt uit de stellingen van verzoekster – niet meer gewenst zijn
in verband met gerezen afschuw bij zijn collegae.

Verweerder heeft verklaard zijn werkzaamheden weer zo spoedig mogelijk
te willen hervatten. Verweerder heeft van aanvang af aan verklaard onschuldig
te zijn tegen de hem gerezen bedenkingen. Van het inmiddels gewezen vonnis
is hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof.

De kantonrechter volgt het standpunt van verweerder dat, nu nog geen onherroepelijke
veroordeling gevolgd is het volgens het geldende rechtssysteem voor moet
worden gehouden dat verweerder (vooralsnog) onschuldig is. Van belang is
voorts dat de vermeende ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in
de privé-sfeer.

Met verweerder is de kantonrechter van oordeel dat ter zitting door verzoekster
geuite vrees van collegae voor problemen op de werkvloer irreëel is. Gebleken
is dat verweerder tijdens zijn arbeidsongeschiktheid regelmatig contacten
heeft onderhouden met diverse collegae. Van een unaniem verzet tegen de
terugkomst van verweerder zoals verzoekster heeft betoogd is onvoldoende
gebleken; slechts een deel van de collegae is gekant tegen de terugkomst
van verweerder. Evenmin is gebleken dat zich in het 14-jarige dienstverband
van verweerder met De Klokkenberg voorvallen in de sfeer van de thans gerezen
verdenking hebben voorgedaan danwel nadere niet te tolereren gedragingen.
Verweerder heeft onweersproken gesteld in de uitoefening van zijn werkzaamheden
nooit alleen met minderjarigen te zijn.

Voorts is van belang dat, naar het oordeel van de kantonrechter, het op
de weg van de werkgever ligt om, daar waar een strafrechtelijk onderzoek
en naderhand een strafrechtelijke veroordeling onrust op de werkvloer hebben
teweeggebracht, een bemiddelende en ook voorlichtende rol te spelen teneinde
het ontstaan van mogelijke vooroordelen tegen te gaan. Met uitzondering
van een poging van dhr. Van Rijsbergen van de afdeling personeelszaken
van het Medisch Centrum Klokkenberg is niet gebleken dat daartoe inspanningen
zijn verricht. Mogelijk heeft hierbij een rol gespeeld de volgens verzoekster
gewijzigde opstelling van het Medisch Centrum Klokkenberg kort voor de
datum van overgang van het thoraxcentrum, doch deze omstandigheid kan niet
aan verweerder worden tegengeworpen nu verzoekster als opvolgend werkgeefster
– zoals in deze procedure wordt aangenomen – een eigen verantwoordelijkheid
heeft op dit gebied.
De houding van verzoekster ten opzichte van verweerder is van begin af
aan afwijzend geweest, zo is ter zitting gebleken.

Gesteld noch gebleken is dat verweerder in de uitoefening van zijn werkzaamheden
niet naar behoren zou functioneren.
Gelet op het vorenstaande moet worden geoordeeld, dat er geen sprake is
van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst
billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd moet eindigen, zodat het verzoek
zal worden afgewezen.

4. De kosten
(….)

Rechters

Mr Slot

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is werkzaam geweest in het kader van een project voor langdurig
werklozen, gefinancierd met behulp van de Melkert II-regeling. Verzoeker
is
alleenstaand, zijn collega gehuwd. Beiden werkten 32 uur en gingen één
dag
per week naar school. Verzoeker had echter een arbeidscontract voor 32
uur
per week, zijn gehuwde collega een arbeidscontract voor 38 uur per week.
Verzoeker stelt dat de wederpartij hiermee onderscheid heeft gemaakt naar
burgerlijke staat. Het bedrijf had stelt dat zij volgens de
subsidieregelingen gehandeld heeft. Gehuwden en samenwonenden konden een
contract voor 38 uur krijgen omdat zij anders een beroep op de bijstand
zouden moeten doen voor een aanvullende uitkering, in strijd met de
voorwaarden voor subsidie. De Commissie concludeert dat de wederpartij
hiermee onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt. Gelet echter
op de
bijzondere omstandigheden acht de Commissie het gemaakte onderscheid in
dit
geval gerechtvaardigd.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 5 februari 1996 verzocht de heer J.D. J. te Amsterdam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over
de vraag of Stichting GOA Groenvoorziening Amsterdam Zuidoost te Wageningen
(hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft gemaakt als bedoeld
de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is met ingang van 1 juni 1995 bij de wederpartij in dienst
getreden voor 32 uur per week in het kader van de Subsidieregeling
experimenten activering van uitkeringsgelden (EAU), de zogenaamde Melkert
II-regeling, tegen een salaris van ƒ 2.150,97 bruto per maand. Verzoeker
is
alleenstaand. Zijn gehuwde collega ontving voor dezelfde werkzaamheden
een
salaris van ƒ 2.560,84 bruto per maand. Verzoeker stelt dat de wederpartij
jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van burgerlijke staat.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1 De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling genomen
en een onderzoek ingesteld.

Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
toe
te lichten.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe
te lichten tijdens een zitting op 13 november 1996.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. J.D. J. (verzoeker)
– dhr. A. Winkelaar (collega)
– dhr. C. Gijesen (werkmeester)
– dhr. mr. R.A. van Seumeren (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. A.C. Schenk (coördinator)
– dhr. J. Zijlmans (coördinator)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Na deze zitting heeft de Commissie besloten nadere informatie in te
winnen bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze
schriftelijke informatie is op 3 februari 1997 ontvangen.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 De wederpartij is een stichting die blijkens haar reglement ten doel
heeft het opleiden van (jeugdige) werknemers ten behoeve van de
groenvoorziening in de regio Amsterdam Zuidoost, teneinde te kunnen voorzien
in de behoeften aan goed opgeleide vakmensen in die bedrijfstak op
middellange termijn.

De projecten van de wederpartij zijn erop gericht om langdurig werkzoekenden
uit Amsterdam Zuidoost, die door onvoldoende opleiding, werkervaring en/of
persoonlijke omstandigheden niet in staat zijn zelfstandig een betaalde
baan
te vinden, een opleiding te geven met vooruitzicht op werk. Tijdens de
projectperiode worden zij in staat gesteld werkervaring op te doen en een
diploma te behalen.

3.2. Verzoeker heeft deelgenomen aan één van de groenprojecten van de
wederpartij. Dit groenproject is in 1994 gestart en is uitgevoerd door
het
Stadsdeel Amsterdam Zuidoost, Regionaal Bureau Arbeidsvoorziening Amsterdam
Zuidoost en het lokale bedrijfsleven. Het opleidingstraject omvatte twee
fasen.

De eerste fase bestond uit het aanleren van theoretische en praktische
vaardigheden en was vooral gericht op een kennismaking met de sector. Tevens
was deze fase erop gericht de deelnemers te laten wennen aan het
arbeidsritme. Deze fase duurde een jaar. De deelnemers behielden gedurende
deze fase hun uitkering.

De tweede fase van het project is gestart op 1 juni 1995 en duurde tot
1
september 1996. Vanaf eerstgenoemde datum zijn de deelnemers bij de
wederpartij in loondienst getreden. Deze fase is bedoeld om de deelnemers
werkervaring te laten opdoen, de opleiding Beginnend Beroepsbeoefenaar
Groene
Ruimte te volgen en een diploma te behalen. In het kader van deze opleiding
gingen de deelnemers één dag per week naar een reguliere vakschool. Zij
werkten vier dagen per week bij de bij de wederpartij aangesloten bedrijven.
Deze hadden een garantie gegeven voor een baan na beëindiging van het
project. Alle deelnemers hebben een baan gekregen.

3.3. Het project zou gefinanceerd worden met behulp van de Kaderregeling
arbeidsinpassing (KRA-WEP-subsidieregeling), op basis van
werkervaringsplaatsen. Gedurende de looptijd van het project bleek echter
dat
deze regeling niet meer bestond. Vervolgens heeft de wederpartij gebruik
gemaakt van de Subsidieregeling experimenten activering van uitkeringsgelden,
ook wel Melkert II-regeling genoemd (Staatscourant 1995 13.).

Op grond van laatstgenoemde regeling kan aan werkgevers subsidie worden
verstrekt voor de (mede)financiering van de loonkosten van een werknemer,
mits wordt voldaan aan de volgende criteria:
– de toekomstige werknemer is gerechtigd in Nederland arbeid te verrichten;
– hij of zij heeft sedert tenminste één jaar geen arbeid in dienstbetrekking
of als zelfstandige verricht; en
– hij of zij ontvangt een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet
(Abw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers (IOAW) of de Wet inkomensvoorziening oudere en
gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ).

Aan de te subsidiëren arbeidsplaats zijn voorts de volgende voorwaarden
verbonden:
a. er dient een minimum dienstverband van zes maanden of meer óf een
dienstverband voor onbepaalde tijd te worden aangegaan;
b. het loon en de tot het loon te rekenen vergoedingen en eventueel
daarboven verstrekte toeslagen die op grond van artikel 10 juncto artikel
11
van de Wet op de loonbelasting 1964 tot het loon gerekend worden bedraagt
ten
hoogste 120% van het minimumloon, zulks naar evenredigheid van het aantal
in
de arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsuren;
c. het op grond van de arbeidsovereenkomst verschuldigde loon is tenminste
gelijk aan de hoogte van de uitkering waarop de betrokken werknemer recht
zou
hebben indien met hem of haar geen arbeidsovereenkomst zou zijn gesloten.

Voorts is in artikel 4, eerste lid, onderdeel e, van de Melkert II-regeling
bepaald dat de gemiddelde arbeidsduur per week, gerekend over het gehele
project, niet meer dan 32 uur mag bedragen.

3.4. Bij de uitvoering van de Melkert II-regeling bleek dat alleenstaande
ouders met één of meer kinderen jonger dan 18 jaar, samenwonenden, gehuwden
of alleenstaanden die in verband met persoonlijke omstandigheden een hogere
uitkering dan het standaardnormbedrag ontvangen, bij een arbeidscontract
voor
32 uur een aanvullend beroep op de uitkering zouden moeten doen. In dat
geval
zou hun inkomen lager zijn dan de voor hen geldende uitkeringsnorm. Op
grond
van de bij 3.3. onder c. genoemde voorwaarde zouden zij niet aan projecten
gebaseerd op de Melkert II-regeling kunnen deelnemen. Van laatstgenoemde
voorwaarde mocht onder geen beding worden afgeweken, omdat de regeling
budgettair neutraal diende te zijn (Subsidieregeling experimenten activering
van uitkeringsgelden, Staatscourant 1995,13, zie de toelichting onder
‘subsidie’.).

Aan het project van de wederpartij nam een aantal personen deel dat gehuwd
was of samenwoonde. Om te voorkomen dat zij het project niet zouden kunnen
voortzetten of dat zij geen opleiding zouden kunnen volgen, heeft de
wederpartij hen aangesteld voor 38 uur. Bij een aanstelling van deze omvang
was hun inkomen niet meer lager dan de voor hen geldende uitkeringsnorm.

Zowel de werknemers met een aanstelling voor 38 uur als de werknemers met
een
aanstelling voor 32 uur dienden vier dagen per week (32 uur) te werken.
De
vijfde dag was een schooldag. Gedurende de schoolvakanties moesten de
werknemers met een aanstelling voor 38 uur vijf dagen per week werken.

Het kwam voor dat werknemers langer werkten dan het voorgeschreven aantal
uren. Dit gold zowel voor de parttimers als voor de fulltimers. Deze overuren
werden niet uitbetaald, maar gecompenseerd met extra verlof.

3.5. Verzoeker is alleenstaand. Hij is aangesteld voor 32 uur per week
en
heeft een salaris van ƒ 2.150,97 bruto per maand. Eén van zijn gehuwde
collega’s is aangesteld voor 38 uur en heeft een salaris van ƒ 2.560,84
bruto
per maand.

Verzoeker maakte gebruik van de mogelijkheid om extra verlof op te bouwen;
hij werkte gedurende de schoolvakanties vijf dagen per week.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt het volgende.

De wederpartij heeft door gehuwden hoger te belonen dan alleenstaanden
onderscheid gemaakt op grond van burgerlijke staat. De omstandigheid dat
de
gehuwden in de vakantieperiodes op de schooldag moesten werken, doet daar
op
zichzelf niet aan af. Buiten de vakantieperiodes was er immers sprake van
ongelijke behandeling.

Pas na ondertekening van het contract heeft verzoeker ontdekt dat een aantal
collega’s een hoger salaris ontving. Verzoeker had het op prijs gesteld
als
hij tijdig over dit verschil in behandeling was geïnformeerd.

De financieringsproblemen van de wederpartij dienen niet afgewenteld te
worden op de deelnemers aan het project. Het door de wederpartij gehanteerde
middel om haar doel te bereiken is noch geschikt noch noodzakelijk. De
wederpartij had het maken van onderscheid kunnen voorkomen door bijvoorbeeld
een aanvullende financieringsbron te zoeken.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

Doordat de eerder geplande subsidieregeling gedurende de looptijd van het
project kwam te vervallen, diende de wederpartij gebruik te maken van de
Melkert II-regeling. De wederpartij was daardoor één van de eerste
uitvoerders van deze regeling. Destijds was bij de gemeente onbekend hoe
de
regeling precies geïnterpreteerd moest worden.

Doordat het opleidingstraject in het groenproject bestond uit vier werkdagen
en een schooldag was dit niet goed in de Melkert II-regeling in te passen.
Deze regeling voorzag namelijk niet in een aanvullende opleidingsdag. Het
was
mogelijk geweest om de personen met een uitkering naar de gezinsnorm 38
uur
per week te laten werken. Deze personen zouden dan echter geen opleiding
kunnen volgen en geen diploma kunnen behalen. Aangezien de wederpartij
de
deelnemers bij aanvang van het project toezeggingen had gedaan met betrekking
tot het volgen van een opleiding en het behalen van een diploma, hetgeen
een
voorwaarde was voor het verkrijgen van een vaste baan, achtte de wederpartij
een dergelijke oplossing niet wenselijk. De wederpartij heeft getracht
aanvullende financiering te verkrijgen, maar is daar niet in geslaagd.

De Sociale Dienst bleek bevoegd te zijn om in gevallen als het onderhavige
toestemming te geven voor het verstrekken van contracten voor 38 uur. Hier
schijnt regelmatig gebruik van gemaakt te worden. Ook in dit geval heeft
de
Sociale Dienst toestemming gegeven.

De door de wederpartij gekozen oplossing had tot gevolg dat personen die
een
uitkering naar de gezinsnorm hadden hoger beloond werden dan personen die
een
uitkering naar de norm voor alleenstaanden hadden. Beide groepen gingen
er
tijdens het project echter financieel op vooruit. Het inkomen van de
alleenstaande bedroeg ongeveer ƒ 400,– meer dan hun oorspronkelijke
uitkering en dat van de gehuwden en samenwonenden bedroeg ongeveer ƒ 300,–
meer dan hun uitkering. De alleenstaanden gingen er relatief dus meer op
vooruit dan de gehuwden en samenwonenden.

3.8. Het Ministerie van Sociale Zaken stelt het volgende.

Doordat een deel van de uitkeringsgerechtigden met een 32-urige werkweek
niet
boven het niveau van hun uitkering zouden geraken en er maar weinigen waren
met een zodanig lage uitkering dat hun een contract voor minder dan 32
uur
kon worden aangeboden, bleek het in de praktijk niet mogelijk om de in
de
Melkert II-regeling voorgeschreven gemiddelde arbeidsduur van 32 uur per
week
te handhaven. Daarom is bij ministeriële circulaire van 21 november 1995
een
zogenaamde hardheidsclausule in de Melkert II-regeling opgenomen (Uitvoering
bepalingen Subsidieregeling experimenten met uitkeringsgelden, 21 november
1995, Staatscourant 1995,230.). Op grond daarvan kan het gestelde in artikel
4 van de Melkert II-regeling zo worden geïnterpreteerd dat het mogelijk
wordt
in individuele gevallen een uitkeringsgerechtigde in dienst te nemen op
een
arbeidsovereenkomst voor meer dan 32 uur per week, indien dit noodzakelijk
is
om het inkomen gelijk of hoger te doen zijn dan de bijstandsuitkering.
In een
dergelijke situatie hoeft deze arbeidsovereenkomst niet langer te worden
gecompenseerd met andere banen om tot het gemiddelde van 32 uur per
arbeidsovereenkomst per week per project te komen.

Uit het voorgaande volgt dat de Melkert II-regeling niet dwingt tot het
maken
van onderscheid naar burgerlijke staat. Het uitgangspunt is de hoogte van
de
bijstandsuitkering van betrokkene, welke afhankelijk is van diens individuele
situatie.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar burgerlijke staat heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB door met hem
een
arbeidscontract voor 32 uur per week en met zijn samenwonende en gehuwde
collega’s een arbeidscontract voor 38 uur per week af te sluiten, terwijl
iedereen, behoudens gedurende de schoolvakanties, 32 uur per week werkte
en 8
uur per week naar school ging.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen
van
belang.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel d, AWGB verbiedt het maken van onderscheid
naar burgerlijke staat bij de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid naar burgerlijke staat zowel
direct als indirect onderscheid begrepen wordt. Indirect onderscheid naar
burgerlijke staat is onderscheid op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan burgerlijke staat dat direct onderscheid op deze grond
tot
gevolg heeft.

Artikel 2, eerste lid, AWGB bepaalt dat het in de wet neergelegde verbod
van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.

4.3. De wederpartij heeft bij de uitvoering van het project gebruik gemaakt
van een subsidieregeling van de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid. Ingevolge deze regeling is aan de wederpartij een subsidie
verleend voor de financiering van de tweede fase van haar project. De
Commissie heeft reeds eerder beslist dat subsidies als eenzijdige
rechtshandelingen beschouwd moeten worden en deze in beginsel niet onder
de
reikwijdte van artikel 7 AWGB vallen (Commissie gelijke behandeling, 28
mei
1996, oordeelnummer 96-43; Commissie gelijke behandeling, 4 november 1996,
oordeelnummer 96-92; Commissie gelijke behandeling, 27 mei 1997,
oordeelnummer 97-59.). De klacht van verzoeker richt zich echter niet tegen
het subsidiebesluit, maar tegen het handelen van de wederpartij in het
kader
van de arbeidsovereenkomst. Deze arbeidsverhouding valt onder het bereik
van
artikel 5 AWGB, dat in casu van toepassing is.

4.4. De Commissie constateert dat het aangaan van een arbeidscontract voor
38
uur niet voortvloeit uit de burgerlijke staat van betrokkenen. Immers,
zowel
gehuwden als ongehuwden kunnen voor dit contract in aanmerking komen. Of
zij
hiervoor in aanmerking komen wordt bepaald door de hoogte van hun uitkering.
Daarbij is een verschil tussen alleenstaanden enerzijds en gehuwden
anderzijds. Met gehuwden worden echter ongehuwd samenwonenden gelijkgesteld.
Aangezien het onderhavige verschil in behandeling niet gegrond is op wel
of
niet hebben van de huwelijkse staat, is van direct onderscheid naar
burgerlijke staat geen sprake.

4.5. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de alleenstaande onder het
begrip burgerlijke staat als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, AWGB valt.

De wederpartij heeft degenen die voorheen een uitkering genoten naar de
norm
voor alleenstaanden anders behandeld dan degenen met een gezinsuitkering.
Eerstgenoemden werden immers aangesteld voor 32 uur en de anderen voor
38 uur
per week. Allen werkten
-behalve gedurende de schoolvakanties- 32 uur per week. Dit leidde ertoe
dat
de alleenstaanden buiten de vakanties voor dezelfde werkzaamheden een lager
salaris ontvingen dan degenen met een gezinsuitkering.

Hoewel het zijn van alleenstaande in de AWGB niet als persoonskenmerk wordt
genoemd en onderscheid op die grond derhalve niet met zoveel woorden wordt
verboden, kunnen alleenstaanden onder omstandigheden bescherming aan de
AWGB
ontlenen. Blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB kan onderscheid op grond
van woon- en leefomstandigheden een indirect onderscheid naar burgerlijke
staat opleveren (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag.
13-14 en nr. 5, pag. 68.). In het onderhavige geval is van een verschil
in
behandeling wegens woon- en leefomstandigheden sprake. De woon- en
leefomstandigheden zijn immers bepalend voor de hoogte van de
bijstandsuitkering, terwijl de hoogte van deze uitkering weer bepalend
is
voor de contractsduur. Dit leidt tot de conclusie dat verzoeker als
alleenstaande een beroep kan doen op het in de AWGB verboden indirecte
onderscheid naar burgerlijke staat (Zie ook: Commissie gelijke behandeling,
7
januari 1997, oordeelnummer 97-06.).

4.6. Het voorgaande leidt ertoe dat onderzocht moet worden of er in het
onderhavige geval sprake is van indirect onderscheid naar burgerlijke staat.

Daarvan is sprake indien ongehuwden door de regeling van de wederpartij
in
overwegende mate worden benadeeld. Geconstateerd moet worden dat van de
gehuwden niemand wordt benadeeld. Doordat gehuwden vóór de indiensttreding
een gezinsuitkering hadden (Uiteraard zijn daarop uitzonderingen mogelijk,
zoals bijvoorbeeld degenen die van tafel en bed gescheiden zijn. Deze
categorie wordt echter -gelet op de beperkte omvang daarvan- buiten
beschouwing gelaten.), kwamen zij allemaal voor een contract van 38 uur
in
aanmerking. Van de ongehuwden kregen de alleenstaanden een contract voor
32
uur. Een contract voor meer uren was gelet op de voor deze categorie geldende
uitkeringsnorm immers niet noodzakelijk (Een uitzondering daarop vormen
de
alleenstaanden die vanwege persoonlijke omstandigheden een hogere uitkering
genieten. Gelet op de beperkte omvang daarvan zal deze categorie eveneens
buiten beschouwing worden gelaten.).
Doordat binnen de categorie gehuwden niemand werd getroffen en binnen de
categorie ongehuwden in ieder geval alle alleenstaanden -volgens door het
Centraal Bureau voor de Statistiek verstrekte gegevens vormen zij 38,8%
van
de ongehuwden (CBS, Aantallen thuiswonenden jonger dan 65 jaar met periodieke
bijstand krachtens de Awb-sec naar uitkeringstype/geslacht,
31 december 1994, opgesteld door J. van der Togt, SOZ.)- werden getroffen,
zijn de ongehuwden in overwegende mate benadeeld door de regeling. Dit
leidt
tot de conclusie dat de wederpartij indirect onderscheid heeft gemaakt
op
grond van burgerlijke staat.

4.7. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2, eerste
lid,
AWGB niet ten aanzien van onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
De
Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14; Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986,
zaaknummer 170/84.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de middelen die zijn gekozen om het gestelde doel te bereiken moeten
beantwoorden aan een daadwerkelijke behoefte; en
– de gekozen middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde
doel te bereiken.

Het doel dat de wederpartij met het aanbieden van contracten van 38 uur
heeft
beoogd kan worden omschreven als het mogelijk maken dat alle langdurig
werklozen die fase I (leertraject) van het project hebben gevolgd kunnen
deelnemen aan fase II (werkervaringstraject). Dit doel is op zichzelf iedere
discriminatie vreemd.

Het middel om dit doel te bereiken is het verstrekken van een contract
van 38
uur aan de deelnemers met een gezinsuitkering en het verstrekken van een
contract van 32 uur aan alleenstaanden. Niet is betwist en de Commissie
acht
aannemelijk dat dit middel aan een daadwerkelijke behoefte beantwoordt.

4.8. Ten aanzien van de vraag of het gekozen middel geschikt en noodzakelijk
is om het doel te bereiken constateert de Commissie ten aanzien van de
feiten
het volgende.

Ingevolge de oorspronkelijke Melkert II-regeling zou de wederpartij gehuwden
en samenwonenden niet meer aan het vervolg van het werklozenproject kunnen
laten deelnemen. Bij een contract van 32 uur zouden deze personen immers
loon
ontvangen dat lager zou zijn dan de uitkering waar zij recht op hadden.
Aan
de voorwaarde van de oorspronkelijke Melkert II-regeling, inhoudende dat
het
loon tenminste gelijk zou moeten zijn aan de hoogte van de uitkering, zou
dan
niet zijn voldaan. Dat zou betekenen dat voor die arbeidsplaatsen geen
subsidie mogelijk was waardoor bij gebreke aan andere
financieringsmogelijkheden de gehuwden en
samenwonenden in tegenstelling tot alleenstaanden niet in dienst zouden
kunnen treden. De oorspronkelijke subsidieregeling leidde bij de wederpartij
derhalve tot een verschil in behandeling in het nadeel van gehuwden en
samenwonenden.

Doordat de wederpartij gehuwden en samenwonenden een contract van 38 uur
aanbood opdat zij het project zouden kunnen voortzetten, ontstond wederom
een
verschil in behandeling maar nu ten nadele van alleenstaanden. Deze laatsten
kregen immers een contract voor 32 uur, terwijl zij evenals de gehuwden
en
samenwonenden in beginsel vier dagen per week werkten en één dag per week
naar school gingen. Naderhand heeft de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid bij circulaire bepaald, dat in een geval als het onderhavige
een arbeidscontract voor meer dan 32 uur mag worden aangeboden. Daarmee
heeft
de Minister in de regelgeving de ruimte gegeven onderscheid te maken zoals
in
het onderhavige geval door de wederpartij is gemaakt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat bij de wederpartij ingevolge
de
oorspronkelijke subsidieregeling een verschil in
behandeling zou ontstaan ten nadele van gehuwden en samenwonenden en ten
voordele van alleenstaanden. De uitvoering die de wederpartij aan de
subsidieregeling heeft gegeven leidt tot een verschil in behandeling dat
het
spiegelbeeld is van het voorgaande, namelijk ten nadele van alleenstaanden
en
ten voordele van gehuwden en samenwonenden.

4.9. Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie ontslaat het feit dat
een
verschil in behandeling voortvloeit uit een regeling die door een wederpartij
wordt gehanteerd op zichzelf die wederpartij niet om de wetgeving gelijke
behandeling na te leven (Zie bijvoorbeeld: Commissie gelijke behandeling,
6
februari 1996, oordeelnummer 96-7.). Een beroep op de Melkert II-regeling
disculpeert de wederpartij in deze zaak op zichzelf dan ook niet en kan
niet
zonder meer als een objectieve rechtvaardigingsgrond worden aangemerkt.

Het voorgaande kan echter uitzondering lijden indien er sprake is van
bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de Commissie zijn dergelijke
omstandigheden in dit geval aanwezig.

Het project van de wederpartij is gestart met gebruikmaking van een
subsidieregeling die gedurende het project werd beëindigd. Voorafgaande
aan
de inwerkingtreding en gebruikmaking van de Melkert II-regeling had de
wederpartij reeds met langdurig werklozen bindende afspraken gemaakt ten
aanzien van het project dat bestond uit een leertraject en een
werkervaringstraject. Het tweejarig project zou eindigen met het behalen
van
een diploma in de Groenvoorziening en het verkrijgen van een gegarandeerde
baan. In verband met deze baangaranties had de wederpartij afspraken gemaakt
met deelnemende bedrijven uit Amsterdam Zuidoost. Deze garanties werden
verstrekt onder de voorwaarde dat het project mede zou worden afgesloten
met
een afgeronde opleiding in de Groenvoorziening.

De wederpartij heeft bij de werknemers die waren aangewezen op een
gezinsuitkering de uren die bestemd waren voor scholing betaald. Zou zij
dit
niet hebben gedaan dan zouden de arbeidsplaatsen van deze personen vanwege
de
op dat moment vigerende subsidievoorwaarde niet zijn gesubsidieerd. Ondanks
pogingen daartoe van de wederpartij zijn andere financieringsbronnen niet
gevonden. Het gevolg van het niet betalen van de scholingsdag zou derhalve
zijn geweest dat gehuwden en ongehuwd samenwonenden niet meer aan het project
hadden kunnen deelnemen waardoor de baangarantie, de essentie van het
werklozenproject, zou komen te vervallen.

De Commissie overweegt dat, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden,
in de keuze tussen het niet verder laten deelnemen van gehuwde en
samenwonende langdurig werklozen aan een project dat leidde tot baangaranties
enerzijds en een in de tijd beperkt onderscheid op grond van burgerlijke
staat in de beloning terwijl wel iedere deelnemer aan het project kon blijven
deelnemen met de garantie dat aan de langdurige werkloosheid een einde
zou
komen anderzijds, de wederpartij een zowel geschikt als noodzakelijk middel
heeft gekozen om het beoogde doel te bereiken.

De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij niet in strijd met
de
AWGB heeft gehandeld omdat er een objectieve rechtvaardigingsgrond is voor
het indirecte onderscheid naar burgerlijke staat.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat Stichting GOA Groenvoorziening Amsterdam
Zuidoost te Wageningen jegens de heer J.D. J. te Amsterdam een objectief
gerechtvaardigd indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft
gemaakt als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel d, AWGB en daarmee
niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw.mr.D. Jongsma (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 juli 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is werkzaam geweest in het kader van een project voor langdurig
werklozen, gefinancierd met behulp van de Melkert II-regeling. Verzoeker
is alleenstaand, zijn collega gehuwd. Beiden werkten 32 uur en gingen één
dag per week naar school. Verzoeker had echter een arbeidscontract voor
32 uur per week, zijn gehuwde collega een arbeidscontract voor 38 uur per
week.
Verzoeker stelt dat de wederpartij hiermee onderscheid heeft gemaakt naar
burgerlijke staat. Het bedrijf stelt dat zij volgens de subsidieregelingen
heeft gehandeld. Gehuwden en samenwonenden krijgen een contract voor 38
uur omdat zij ander een beroep op de bijstand zouden moeten doen voor een
aanvullende uitkering. Terwijl volgens de MelkertII-regeling het loon tenminste
gelijk dient te zijn aan de hoogte van de uitkering.
De Commissie concludeert dat de wederpartij hiermee onderscheid naar burgerlijke
staat heeft gemaakt. Gelet echte op de bijzonder omstandigheden acht de
Commissie het gemaakte onderscheid in dit geval gerechtvaardigd.

Volledige tekst

(….)

4. De overwegingen van de commissie

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar burgerlijke staat heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB door met hem
een arbeidscontract voor 32 uur per week en met zijn samenwonende en gehuwde
collega’s een arbeidscontract voor 38 uur per week af te sluiten, terwijl
iedereen, behoudens gedurende de schoolvakanties, 32 uur per week werkte
en 8 uur per week naar school ging.
(…)

4.5. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de alleenstaande onder het
begrip burgerlijke staat als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, AWGB valt.
De wederpartij heeft degenen die voorheen een uitkering genoten naar de
norm voor alleenstaanden anders behandeld dan degenen met een gezinsuitkering.
Eerstgenoemden werden immers aangesteld voor 32 uur en de anderen voor
38 uur per week. Allen werkten
– behalve gedurende de schoolvakanties – 32 uur per week. Dit leidde ertoe
dat de alleenstaanden buiten de vakanties voor dezelfde werkzaamheden een
lager salaris ontvingen dan degenen met een gezinsuitkering.
Hoewel het zijn van alleenstaande in de AWGB niet als persoonskenmerk wordt
genoemd en onderscheid op die grond derhalve niet met zoveel woorden wordt
verboden, kunnen alleenstaanden onder omstandigheden bescherming aan de
AWGB ontlenen. Blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB kan onderscheid
op grond van woon- en leefomstandigheden een indirect onderscheid naar
burgerlijke staat opleveren. In het onderhavige geval is van een verschil
in behandeling wegens woon- en leefomstandigheden sprake. De woon- en leefomstandigheden
zijn immers bepalend voor de hoogte van de bijstandsuitkering, terwijl
de hoogte van deze uitkering weer bepalend is voor de contractsduur. Dit
leidt tot de conclusie dat verzoeker als alleenstaande een beroep kan doen
op het in de AWGB verboden indirecte onderscheid naar burgerlijke staat.

4.6. Het voorgaande leidt ertoe dat onderzocht moet worden of er in het
onderhavige geval sprake is van indirect onderscheid naar burgerlijke staat.
Daarvan is sprake indien ongehuwden door de regeling van de wederpartij
in overwegende mate worden benadeeld. Geconstateerd moet worden dat van
de gehuwden niemand wordt benadeeld. Doordat gehuwden vóór de indiensttreding
een gezinsuitkering hadden, kwamen zij allemaal voor een contract van 38
uur in aanmerking. Van de ongehuwden kregen de alleenstaanden een contract
voor 32 uur. Een contract voor meer uren was gelet op de voor deze categorie
geldende uitkeringsnorm immers niet noodzakelijk.

Doordat binnen de categorie gehuwden niemand werd getroffen en binnen de
categorie ongehuwden in ieder geval alle alleenstaanden -volgens door het
Centraal Bureau voor de Statistiek verstrekte gegevens vormen zij 38,8%
van de ongehuwden- werden getroffen, zijn de ongehuwden in overwegende
mate benadeeld door de regeling. Dit leidt tot de conclusie dat de wederpartij
indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van burgerlijke staat.

4.7. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2, eerste
lid, AWGB niet ten aanzien van onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is. De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria:
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de middelen die zijn gekozen om het gestelde doel te bereiken moeten
beantwoorden aan een daadwerkelijke behoefte; en
– de gekozen middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde
doel te bereiken.

Het doel dat de wederpartij met het aanbieden van contracten van 38 uur
heeft beoogd kan worden omschreven als het mogelijk maken dat alle langdurig
werklozen die fase I (leertraject) van het project hebben gevolgd kunnen
deelnemen aan fase II (werkervaringstraject). Dit doel is op zichzelf iedere
discriminatie vreemd.
Het middel om dit doel te bereiken is het verstrekken van een contract
van 38 uur aan de deelnemers met een gezinsuitkering en het verstrekken
van een contract van 32 uur aan alleenstaanden. Niet is betwist en de Commissie
acht aannemelijk dat dit middel aan een daadwerkelijke behoefte beantwoordt.

4.8. Ten aanzien van de vraag of het gekozen middel geschikt en noodzakelijk
is om het doel te bereiken constateert de Commissie ten aanzien van de
feiten het volgende.
Ingevolge de oorspronkelijke Melkert II-regeling zou de wederpartij gehuwden
en samenwonenden niet meer aan het vervolg van het werklozenproject kunnen
laten deelnemen. Bij een contract van 32 uur zouden deze personen immers
loon ontvangen dat lager zou zijn dan de uitkering waar zij recht op hadden.
Aan de voorwaarde van de oorspronkelijke Melkert II-regeling, inhoudende
dat het loon tenminste gelijk zou moeten zijn aan de hoogte van de uitkering,
zou dan niet zijn voldaan. Dat zou betekenen dat voor die arbeidsplaatsen
geen subsidie mogelijk was waardoor bij gebreke aan andere financieringsmogelijkheden
de gehuwden en samenwonenden in tegenstelling tot alleenstaanden niet in
dienst zouden kunnen treden. De oorspronkelijke subsidieregeling leidde
bij de wederpartij derhalve tot een verschil in behandeling in het nadeel
van gehuwden en samenwonenden.
Doordat de wederpartij gehuwden en samenwonenden een contract van 38 uur
aanbood opdat zij het project zouden kunnen voortzetten, ontstond wederom
een verschil in behandeling maar nu ten nadele van alleenstaanden. Deze
laatsten kregen immers een contract voor 32 uur, terwijl zij evenals de
gehuwden en samenwonenden in beginsel vier dagen per week werkten en één
dag per week naar school gingen. Naderhand heeft de Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid bij circulaire bepaald, dat in een geval als het
onderhavige een arbeidscontract voor meer dan 32 uur mag worden aangeboden.
Daarmee heeft de Minister in de regelgeving de ruimte gegeven onderscheid
te maken zoals in het onderhavige geval door de wederpartij is gemaakt.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat bij de wederpartij ingevolge
de oorspronkelijke subsidieregeling een verschil in
behandeling zou ontstaan ten nadele van gehuwden en samenwonenden en ten
voordele van alleenstaanden. De uitvoering die de wederpartij aan de subsidieregeling
heeft gegeven leidt tot een verschil in behandeling dat het spiegelbeeld
is van het voorgaande, namelijk ten nadele van alleenstaanden en ten voordele
van gehuwden en samenwonenden.

4.9. Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie ontslaat het feit dat
een verschil in behandeling voortvloeit uit een regeling die door een wederpartij
wordt gehanteerd op zichzelf die wederpartij niet om de wetgeving gelijke
behandeling na te leven. Een beroep op de Melkert II-regeling disculpeert
de wederpartij in deze zaak op zichzelf dan ook niet en kan niet zonder
meer als een objectieve rechtvaardigingsgrond worden aangemerkt.
Het voorgaande kan echter uitzondering lijden indien er sprake is van bijzondere
omstandigheden. Naar het oordeel van de Commissie zijn dergelijke omstandigheden
in dit geval aanwezig.
Het project van de wederpartij is gestart met gebruikmaking van een subsidieregeling
die gedurende het project werd beëindigd. Voorafgaande aan de inwerkingtreding
en gebruikmaking van de Melkert II-regeling had de wederpartij reeds met
langdurig werklozen bindende afspraken gemaakt ten aanzien van het project
dat bestond uit een leertraject en een werkervaringstraject. Het tweejarig
project zou eindigen met het behalen van een diploma in de Groenvoorziening
en het verkrijgen van een gegarandeerde baan. In verband met deze baangaranties
had de wederpartij afspraken gemaakt met deelnemende bedrijven uit Amsterdam
Zuidoost. Deze garanties werden verstrekt onder de voorwaarde dat het project
mede zou worden afgesloten met een afgeronde opleiding in de Groenvoorziening.
De wederpartij heeft bij de werknemers die waren aangewezen op een gezinsuitkering
de uren die bestemd waren voor scholing betaald. Zou zij dit niet hebben
gedaan dan zouden de arbeidsplaatsen van deze personen vanwege de op dat
moment vigerende subsidievoorwaarde niet zijn gesubsidieerd. Ondanks
pogingen daartoe van de wederpartij zijn andere financieringsbronnen niet
gevonden. Het gevolg van het niet betalen van de scholingsdag zou derhalve
zijn geweest dat gehuwden en ongehuwd samenwonenden niet meer aan het project
hadden kunnen deelnemen waardoor de baangarantie, de essentie van het werklozenproject,
zou komen te vervallen.
De Commissie overweegt dat, gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden,
in de keuze tussen het niet verder laten deelnemen van gehuwde en samenwonende
langdurig werklozen aan een project dat leidde tot baangaranties enerzijds
en een in de tijd beperkt onderscheid op grond van burgerlijke staat in
de beloning terwijl wel iedere deelnemer aan het project kon blijven deelnemen
met de garantie dat aan de langdurige werkloosheid een einde zou komen
anderzijds, de wederpartij een zowel geschikt als noodzakelijk middel heeft
gekozen om het beoogde doel te bereiken.
De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij niet in strijd met
de AWGB heeft gehandeld omdat er een objectieve rechtvaardigingsgrond is
voor het indirecte onderscheid naar burgerlijke staat.
(…)

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Lagerwerf-Vergunst, Rodrigues

Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 2 juli 1997

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Eiser is van medio 1966 tot 1974 door zijn stiefvader sekseel misbruikt. In
1985 heeft de stiefvader het misbruik toegegeven. Hij is in september
begonnen met maandelijks ƒ 250 te betalen, totaal ƒ 25 500. Daarnaast heeft
de stiefvader op grond van een tweetal veroordelingen door de president van
de rechtbank eiser ƒ 57 500 betaald.
Eiser vordert van zijn stiefvader ƒ 8207,51 aan deskundigenkosten, ƒ 160 000
aan smartengeld, ƒ 50 000 materiële schadevergoeding en ƒ 1 526 725
vergoeding voor het verlies aan verdiencapaciteit.
De rechtbank kent eiser de volgende vergoedingen toe: ƒ 996 890 voor verlies
aan verdiencapaciteit, ƒ 35 000 smartengeld, ƒ 50 000 materiële
schadevergoeding en ƒ 8207,51 voor deskundigenkosten.

Volledige tekst

Procesgang

De zaak is bij dagvaarding van 29 januari 1996 aanhangig gemaakt. Partijen
zijn verschenen. In de procedure zijn de volgende processtukken gewisseld:

– conclusie van eis, tevens akte houdende overlegging producties, in
conventie van de zijde van eiser (in het vervolg, ook als verweerder in
reconventie: M);

– conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie van de zijde van
gedaagde (verder, tevens als eiser in reconventie: S);

– akte houdende overlegging producties van de zijde van M, conclusie van
repliek tevens conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van M;

– akte houdende specificatie vordering van de zijde van M;

– akte houdende overlegging producties van de zijde van M;

– akte houdende wijziging vordering van de zijde van M.

Nadat ter rolle van 21 mei 1997 aan S akte niet dienen is verleend voor
conclusie van dupliek in conventie en voor repliek in reconventie is
tenslotte door M vonnis gevraagd onder overlegging van de stukken, met
daarbij behorende producties, waarvan de inhoud als hier herhaald moet
gelden.

Rechtsoverwegingen

1. De vordering in conventie en reconventie

1.1. De vordering van M strekt er – na wijziging van eis – toe dat de
rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– de (wettelijke) erfgenamen van wijlen S veroordeelt om aan M een
geldbedrag, althans een geldbedrag dat de rechtbank in goede justitie zal
vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der
dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met veroordeling
van de (wettelijke) erfgenamen van S in de kosten van het geding.

1.2. S heeft tegen de vordering verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing
van de vordering en tot veroordeling van M in de kosten van het geding.

1.3. In reconventie strekt de vordering van S er toe dat de rechtbank, bij
vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
– voor recht verklaart dat S als voorschot op de schadevergoeding die hij aan
M verschuldigd is wegens onrechtmatig handelen, in de periode vanaf september
1987 tot 1 maart 1996 middels betalingen van ƒ 250 per maand in totaal ƒ 25
500 aan M heeft voldaan en te verstaan dat S gerechtigd zal zijn het
laatstgenoemd bedrag te verrekenen met de (nader vast te stellen)
schadevergoeding, die hij aan M verschuldigd is wegens voormeld onrechtmatig
handelen, met veroordeling van M in de kosten van het geding.

1.4. M heeft tegen de vordering in reconventie verweer gevoerd met conclusie
tot afwijzing van de vordering en tot veroordeling van S in de kosten van het
geding.

In conventie en reconventie

De vaststaande feiten

2. Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede
op grond van de niet-bewiste inhoud van de overgelegde producties onder meer
het volgende vast:

– op 3 juli 1958 is M geboren uit het huwelijk tussen C.M. en A.K.
– Op 8 juli 1964 is de scheiding tussen de ouders van M uitgesproken.
– Vanaf die periode dateert de relatie tussen de moeder van M en S.
– De moeder van M en S, die feitelijk als stiefvader functioneerde, hebben
achtereenvolgens in S en IJ gewoond.
– Vanaf medio 1966 tot 1974 heeft S M seksueel misbruikt, welk misbruik
bestond uit ontucht met een sado-masochistische inslag. Nadien heeft het
seksueel misbruik nog incidenteel plaatsgevonden en dan met name in het
najaar van 1978 en 1979.
– Op 1 juli 1983 zijn de moeder van M en S in het huwelijk getreden.
– In het voorjaar van 1985 heeft S aan M het seksueel misbruik toegegeven.
– In september 1987 is M met een studie psychologie begonnen.
– Vanaf september 1987 tot 1 maart 1996 heeft M maandelijks een bedrag van ƒ
250 ontvangen. In totaal heeft M aldus een bedrag van ƒ 25 500 ontvangen.
– Op 15 februari 1990 heeft S schriftelijk zijn excuses aangeboden.
– Op 19 maart 1990 heeft S zich schriftelijk bereid verklaard de door M als
gevolg van zijn onrechtmatig handelen geleden schade te vergoeden. In deze
schriftelijke verklaring heeft S gesteld dat hij tot dusver geweigerd heeft
schade te vergoeden.
– Op 20 maart 1990 heeft S als voorschot op de schadevergoeding aan M een
bedrag van ƒ 100 voldaan.
– Bij vonnis van de president van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 1991 is
S veroordeeld om aan M een bedrag van ƒ 7500 te betalen ter delging van de
kosten die verbonden zijn aan nader onderzoek door deskundigen naar de omvang
van de materiële en immateriële schade van M. Dit bedrag heeft S aan M
voldaan.
– Op 16 november 1995 is door Drs. F, klinisch psycholoog-psychoanalyticus
een expertise-onderzoek betreffende M uitgebracht.
– Bij vonnis van de president van de rechtbank Leeuwarden van 6 maart 1996 is
S veroordeeld om aan M een bedrag van ƒ 50 000 te voldoen als voorschot op de
door M door S’ toedoen geleden materiële en immateriële schade. Dit bedrag
heeft S eveneens aan M betaald.
– Op 17 juni 1996 heeft Drs. H, psychiater, een psychiatrisch rapport omtrent
M uitgebracht.
– Bij arbeidsdeskundigenrapport van 10 oktober 1996 heeft de
registerarbeidsdeskundige W van het Bureau voor
Arbeidsgeschiktheidsvraagstukken Terzet de schade als gevolg van het
onrechtmatig handelen door S begroot.
– Op 5 december 1996 is S te IJ overleden.
– Er heeft geen betekening van dit overlijden vanwege de belanghebbenden aan
M plaatsgehad.

3. het standpunt van M

In conventie

3.1. Hij baseert zijn vordering op voormelde vaststaande feiten. Doordat hij
jarenlang door S – zijn stiefvader – seksueel is misbruikt, heeft hij schade
geleden. Op grond van dit onrechtmatig handelen vordert hij schadevergoeding.
Hij specificeert deze schade als volgt:

deskundigenkosten ƒ 8 207,51
immateriële schade ƒ 160 000,00
materiële schade ƒ 50 000,00
verlies aan verdiencapaciteit ƒ 1 526 725,00
+++++++++++++++
ƒ 1 744 932,51

Af:
betaling van 20 maart 1990 ƒ 100,00
vonnis van 20 juni 1991 ƒ 7 500,00
vonnis van 6 maart 1996 ƒ 50 000,00
+++++++++++++
totaal ƒ 1 687 332,51

3.2. Aan deskundigenkosten om de schade vast te stellen heeft hij in totaal
een bedrag van ƒ 8207,51 moeten betalen. Hierop dient in mindering te
strekken het door de president van de rechtbank Amsterdam (vonnis 20 juni
1991) toegewezen voorschot op de deskundigenkosten.

3.3. De immateriële kosten (smartengeld) begroot M op een bedrag van ƒ 160
000. De aspecten die in dit verband genoemd kunnen worden zijn:
– het totale isolement waarin M is geraakt;
– zijn onvermogen op seksueel en intiem gebied;
– het niet kunnen leggen danwel vasthouden van relaties;
– een ingrijpende verstoring van dag- en nachtritme, uitmondend in ernstige
slaapstoornissen;
– het ontbreken van enig toekomstperspectief etc.

3.4. De materiële schadevergoeding (ƒ 50 000) is verschuldigd omdat M
allerlei extra kosten heeft moeten maken en nog zal moeten maken. De volgende
uitgaven heeft hij hierbij op het oog:
– extra kosten door studievertraging wegens het niet meer ontvangen van
studiefinanciering;
– kosten wegens vervoer naar hulpverlenende instanties;
– reis- en verblijfkosten in verband met activiteiten van hulporganisaties en
verwerking van het seksueel misbruik;
– telefoonkosten in verband met het opbellen naar hulpverlenende instanties;
– continu gebrek aan geld, gekoppeld aan psychisch disfunctioneren, hetgeen
heeft geleid in een achterstand van tandheelkundige verzorging;
– kosten wegens aangeschafte literatuur over seksueel misbruik;
– kosten wegens therapieën, medische kosten, etc.

3.5. Het verlies aan verdiencapaciteit begroot M op een bedrag van ƒ 1 526
725. Hij stelt hiertoe dat hij zeker in staat zou zijn geweest een
academische studie af te ronden. Gelet op het rapport van de
arbeidsdeskundige moet het verlies aan verdiencapaciteit dan ook op dit
bedrag gesteld worden.

In reconventie

3.6 De betalingen van ƒ 250 per maand moeten worden gezien als een
studietoelage afkomstig van de moeder van M. Deze betalingen kunnen zeker
niet gezien worden als een voorschot onder algemene titel waar het de
materiële en immateriële schade betreft.

4. Het standpunt van S

In conventie

4.1. Hij betwist niet dat hij jegens M onrechtmatig heeft gehandeld. Ten
aanzien van de door M gevorderde schade bestrijd hij wel dat alleen het
seksueel misbruik oorzaak is van het maatschappelijk disfunctioneren van M.
Dit maatschappelijk disfunctioneren kan volgens hem ook het gevolg zijn van
het slechte huwelijk van de ouders van M en van hun echtscheiding.

4.2. Hij betwist voorts dat door het onrechtmatig handelen M geen academische
studie heeft kunnen afronden. Ook de broer van M disfunctioneert
maatschappelijk min of meer, terwijl ook de vader van M geen enkele studie
heeft voltooid. Het onvermogen van M om een academische studie af te maken,
zo hij daar intellectueel al toe in staat is, kan derhalve ook andere
oorzaken hebben dan het onrechtmatig handelen van hemzelf.

4.3. Tenslotte beroept hij zich op matiging van de schadevergoeding, daar
toewijzing van het door M gevorderde bedrag – gelet op zijn draagkracht – tot
onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

In reconventie

4.4. Vanaf september 1987 tot 1 maart 1996 heeft S in termijnen van ƒ 250 per
maand, in totaal ƒ 25 500 betaald als voorschot op de schadevergoeding. Nu M
betwist dat dit bedrag als voorschot op de schadevergoeding is betaald, heeft
S belang bij een verklaring voor recht dat dit bedrag als voorschot op de
schadevergoeding is betaald.

5. Beoordeling van het geschil

In conventie

5.1. Ten aanzien van het verweer van S dat het causale verband tussen het
seksuele misbruik en het maatschappelijk disfunctioneren van M onvoldoende is
aangetoond overweegt de rechtbank het navolgende.

5.2. Drs. F, klinisch psycholoog-psychoanalyticus heeft na psychologisch
onderzoek de resultaten hiervan in zijn rapport van 16 november 1995 als
volgt samengevat: `M komt in het psychologisch onderzoek naar voren als een
intelligente, depressieve en zeer geïsoleerde man met veel achterdocht,
wraakgevoelens en grote moeite met aanpassing aan de maatschappij. Hij houdt
zich geforceerd staande door zijn intellectuele belangstelling en
beredenerende benadering van vragen over de realiteit en vragen over zijn
eigen psyche. Hij doet zich niet mooier voor dan hij is en ook anderszins
zijn er geen aanwijzingen dat hij in enig deel van het onderzoek gelogen zou
hebben.”
Voorts zijn aan Drs. F de volgende vragen gesteld.
“1. Kunt u na uw onderzoek aangeven welke direkte en indirekte psychische
gevolgen M heeft ondervonden (of nog ondervindt) van genoemde traumatische
jeugdervaringen?
2. Kunt u aangeven in welke mate de onder 1. genoemde psychische problematiek
heeft geleid tot een disfunctioneren op maatschappelijk terrein, met name
waar het betreft de school- en studieprestaties, vervolgopleiding en het
functioneren in reguliere arbeid: dit afgezet tegen de potentiële
mogelijkheden die M heeft gezien zijn intellectueel vermogen?”
Drs. F heeft het navolgende geconcludeerd: `Er is bij genoemde onderzochte
sprake van sterk gefikserde stoornissen in het psychisch dat wil zeggen
emotioneel en intellectueel functioneren alsmede in het sociaal dat wil
zeggen maatschappelijk en opleidingsmatig functioneren. Deze kunnen worden
aangeduid als chronische vormen van depersonalisatie en derealisatie.
Onderzochte gaat gebukt onder een pathologische ontwikkeling van de
gewetensfuncties en van de agressieregulatie die gefixeerd is geworden in
morele zelfbestraffing. Als gevolg van door het seksueel misbruik
geïntroduceerd seksueel geheim is er een rem ontstaan in zijn intellectuele
ontwikkeling, die een gevolg is van de intense chronische schaamte. Deze
schaamteproblematiek is debet aan zijn gestagneerde sociale en relationele
ontwikkeling waarin het verlammende isolement dat dit intrapyschisch moet
afweren nog steeds niet doorbroken is. Een kleiner deel van de bij
onderzochte levende neurotische conflicten hebben te maken met het verlies
van zijn eigen vader door de scheiding van zijn moeder op jonge leeftijd. Een
veel groter deel van de stoornissen die in mate van psychopathologie veel
ernstiger zijn dan deze neurotische conflicten staan in sterk verband met de
hierboven aangeduide gevolgen van seksueel misbruik.”

5.3. Aan Drs. H , psychiater, die op 17 juni 1996 een psychiatrisch rapport
heeft uitgebracht, zijn dezelfde vragen gesteld als aan Drs. F zijn gesteld.
Hij beantwoordt deze vragen als volgt: `Vraag 1. De directe gevolgen van wat
M heeft meegemaakt zijn een viertal:
1. overstimulatie op seksueel gebied als kind;
2. geheimhouding over wat er binnen de familie plaatsvond;
3. breuk met zijn familie en isolement, nadat hij het misbruik aan de orde
stelde;
4. stagnatie in de ontwikkeling door bovengenoemde factoren en daaruit
voortvloeiende depressies.
De indirecte gevolgen vloeien voort uit de bovengenoemde directe gevolgen:
1. een vastlopen op het gebied van de studie en werk door de angst zich bloot
te geven, sociaal isolement en verhoogde stress, maar ook door hoog opgelopen
conflicten met ouders over wat in het verleden plaatsvond en over de
ondersteuning van zijn studie;
2. het niet kunnen aangaan van blijvende en stabiele heteroseksuele relaties
door de door seksuele overstimulatie verstoorde normale seksuele
ontwikkeling.

Vraag 2. M heeft ongetwijfeld een goede aanleg wat zijn intellectuele
capaciteiten betreft. Daaraan hoeft niet te worden getwijfeld. Zijn
prestaties ten tijde van de middelbare school zijn misschien niet optimaal
geweest, maar hij heeft met maar één jaar verlies zijn VWO examen gehaald.
Het is pas daarna misgegaan wat betreft zijn school en studieprestaties. Het
is de eenzaamheid en het onvermogen sociaal te functioneren en zich van zijn
familie los te maken, wat zijn studie in het eerste jaar heeft doen
mislukken, maar wellicht de belangrijkste factor was toen het opnieuw
beginnen van de seksuele contacten met zijn stiefvader. Hij heeft meer dan
anderen een veilige en steunende omgeving nodig om goed te kunnen
functioneren. Vanuit zijn neurotische problematiek echter zal hij moeite
hebben in zo’n omgeving `zichzelf’ te zijn en zich op zijn gemak te voelen.
Wat voor studie geldt, geldt m.i. in sterkere mate voor reguliere arbeid. Het
is dan ook niet verwonderlijk dat zijn pogingen om in 1985 opnieuw de studie
te hervatten zijn vastgelopen. Dit mislukken werd nog meer in de hand gewerkt
door de toen hevig oplaaiende conflicten over financiële ondersteuning en de
gevolgen van het naar buiten brengen, wat er in het verleden omtrent het
seksueel misbruik had plaatsgevonden.”

5.4. De rechtbank is op grond van deze rapporten in onderling verband en
samenhang beschouwd tot de conclusie gekomen dat het causale verband tussen
het seksuele misbruik en het maatschappelijk disfunctioneren van M voldoende
aannemelijk is geworden. Het door S gestelde kan niet dienen om af te doen
aan het causale verband tussen het seksuele misbruik en het maatschappelijk
disfunctioneren van M.

5.5. Ook het door S gevoerde verweer dat ook de broer van M, die niet
seksueel is misbruikt, min of meer maatschappelijk disfunctioneert en dat ook
de vader van M geen enkele studie heeft voltooid, kan – gezien deze rapporten
– niet aan het causale verband afdoen.

5.6. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is
komen vast te staan dat S wegens zijn onrechtmatig handelen jegens M
schadeplichtig is geworden.

5.7. S heeft voorts de hoogte van de gevorderde schadevergoeding bestreden.
Omtrent de hoogte van de toe te wijzen schadevergoeding overweegt de
rechtbank het navolgende.

5.8. Aan de arbeidsdeskundige was de vraag gesteld vast te stellen welke
schade, materieel en immaterieel M heeft geleden en nog zal lijden, waaronder
voor de toekomst de verdiencapaciteit. In zijn rapport heeft de deskundige
onder andere gesteld:
“Teneinde een antwoord te kunnen te geven op de gestelde vragen zal eerst
duidelijk moeten worden of betrokkene geschikt kan worden geacht zowel op dit
moment, in het verleden en in de toekomst om loon- danwel inkomstvormende
arbeid te verrichten. Betrokkene geeft aan zowel loondienstfuncties als
functies in zelfstandigheid te kunnen overwegen indien hij in een betere
toestand komt.
De lange ontwenning op de arbeidsmarkt maakt dat deze man zeer moeilijk aan
werk zal kunnen komen zeker in een tijd waarbij ziektewet en WAO voor
werkgevers en werknemers niet meer het vangnet bieden als voorheen. Na een
lange periode van arbeidsontwenning is het dan ook vaak dat er uitsluitend
een keuze voor een zelfstandige beroepsuitoefening overblijft. Evenwel blijkt
uit onderzoek dat dit niet altijd de beste keuze is. Veel van deze zogenaamde
gedwongen starters behoren vervolgens tot de groep waarbij het bedrijf geen
levensvatbaarheid blijkt te hebben. Er spelen aan deze zaak dus meerdere
aspecten. Het is dus niet zozeer alleen maar de weging
belasting/belastbaarheid of op basis hiervan betrokkene geschikt kan worden
geacht voor de arbeidsmarkt alsook de reden waarom hij tot op heden,
behoudens een beperkte periode van uitzendbureaus, geen arbeidservaring heeft
opgedaan. Voor intreden op de arbeidsmarkt heeft hij een relatief hoge
leeftijd. Dit betekent dan ook dat potentiële werkgevers, ook als ze uit
zouden kunnen gaan van een minimumloonsituatie, daarin, gezien zijn leeftijd,
al snel op de hoogste loonwaarde terechtkomen. Dit geeft hem een
achterstelling ten opzichte van jonge kandidaten. Helaas is het zo dat tegen
een periode van arbeidsontwenning op basis van psychische problematiek in
Nederland totaal anders wordt aangekeken dan bij andere redenen van het niet
deelnemen c.q. niet deelgenomen hebben aan het arbeidsproces. Deze factor
wordt extra versterkt door de manier waarop thans wordt omgegaan met
aanstellingskeuringen ondanks het feit dat bekend is dat de voorspellende
waarde daarvan gering is. Ondernemers moeten meer en meer overnemen dat wat
voorheen door de sociale verzekeringswetgeving werd gedragen. Dit maakt dat
ondernemers bij dit soort kandidaten een duidelijk meer afwachtende houding
aannemen dan bij andere kandidaten.”

5.9. Ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid overweegt de deskundige onder
meer het navolgende:
“Alvorens de materiële schade te kunnen behandelen dient helder te zijn of en
in hoeverre betrokkene arbeidsongeschikt dient te worden geacht. De
belastbaarheid van betrokkene is beperkt. De psychiater H. geeft aan: `Hij
heeft meer dan anderen een veilige en steunende omgeving nodig om goed te
kunnen functioneren. Vanuit zijn neurotische problematiek echter zal hij
moeite hebben om in zo’n omgeving `zichzelf’ te zijn en zich op zijn gemak te
voelen. Wat voor de studie geldt, geldt mijns inziens in sterkere mate voor
reguliere arbeid. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zijn pogingen om in
1985 opnieuw de studie te hervatten zijn vastgelopen. Dit mislukken werd nog
meer in de hand gewerkt door de toen hevig oplaaiende conflicten over
financiële ondersteuning en de gevolgen van het naar buiten brengen, wat zich
in het verleden omtrent het seksueel misbruik had plaatsgevonden.”
De psycholoog-psychoanalyticus drs. F geeft aan dat: `Er is bij genoemde
onderzochte sprake van sterk gefixeerde stoornissen in het psychisch dat wil
zeggen emotioneel en intellectueel functioneren alsmede in het sociaal dat
wil zeggen maatschappelijk en opleidingsmatig functioneren.”
Indien ik uitga van voornoemde gegevens en op dit moment moet beoordelen op
lage loonfuncties (functieniveau ARBI 1 tot en met 3) dan betekent een en
ander dat betrokkene vooral in productiewerk terecht komt. Dit betekent dat
hij onder zijn psychisch denkvermogen functioneert hetgeen op termijn leidt
tot overbelasting (onderbelasting leidt tot overbelasting). Als ik functies
wil duiden op het niveau van zijn intellectuele capaciteiten, dan loop ik
eveneens vast op de door de deskundigen genoemde belastbaarheid. Functies op
dit niveau doen een appel op creativiteit, vastberadenheid,
zelfverzekerdheid, doorzettingsvermogen en dadingskracht. Werkgevers die
lonen betalen behorende bij hogere functieniveaus willen daartegenover
duidelijke prestaties zien. Met andere woorden: er zal geen sprake zijn van
een `veilige en steunende omgeving’.

5.10. De deskundige concludeert vervolgens dat hij op grond van de huidige
psychiatrische en psychologische expertise voor betrokkene op de huidige
arbeidsmarkt geen reële kansen ziet.

5.11. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige aan de hand van de in het rapport
genoemde uitgangspunten het verlies aan verdiencapaciteit berekend. Kort
samengevat komen deze uitgangspunten er op neer dat berekend is wat het
verlies aan verdiencapaciteit is tussen het 23e en 65e levensjaar van M,
afgezet tegen het huidig inkomen uit de Algemene bijstandswet (eventueel nog
vermeerderd met toeslag). De arbeidsdeskundige is daarbij van drie opties
uitgegaan, te weten het geval dat M het minimumloon zou verdienen, dat hij in
het onderwijs werkzaam zou zijn en dat hij als academicus werkzaam zou zijn.
Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige rekening gehouden met de sterftekans
van betrokkene, met een gemiddelde inflatie van 3% en een gemiddelde rente
van 6%. Hij komt dan tot de volgende bedragen.

carrière minimaal (1) maximaal (2)
minimumloon ƒ 434 246 ƒ 513 826
onderwijs ƒ 996 890 ƒ 1 176 470
maximaal ƒ 1 447 144 ƒ 1 526 725

(1) = ABW + toeslag
(2) = ABW zonder toeslag

5.12. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de arbeidsdeskundige
blijk geeft van een gedegen onderzoek. Zij zal de inhoud van het rapport,
behoudens ten aanzien van het hierna te behandelen smartengeld, dan ook aan
haar beslissing ten grondslag leggen. De rechtbank zal het bedrag aan verlies
van verdiencapaciteit vaststellen op een bedrag van ƒ 996 890. De rechtbank
overweegt hiertoe dat niet kan worden uitgegaan van een zeer grote mate van
waarschijnlijkheid dat M een academische studie zou hebben afgerond. Het feit
dat hij in de zomer van 1977 met goed gevolg eindexamen Atheneum A heeft
gedaan, wil nog niet zeggen dat hij een academische functie zou hebben
gekregen. Wèl acht de rechtbank het waarschijnlijk dat hij met succes in het
onderwijs, althans op gelijkwaardig niveau, zijn inkomsten zou hebben kunnen
verdienen. De rechtbank gaat voorts uit van een huidig inkomensniveau op
basis van de Algemene bijstandswet met toeslag. Gelet op de zeer bijzondere
omstandigheden van M met betrekking tot zijn huidig functioneren in de
maatschappij, zou hij zeker hierop aanspraak hebben kunnen maken.

5.13. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade, een bedrag van ƒ
160 000 is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde haar bovenmatig
toekomt. Anders dan de arbeidsdeskundige in zijn rapport heeft betoogd, kan
het ondergane leed niet gelijkgesteld worden met het leed van personen,
bijvoorbeeld met een dwarslaesiepatiënt, waarbij ook een onherstelbare schade
aan de orde is die elke dag weer forse consequenties met zich brengt en door
de betreffende persoon zelf niet kan worden beëindigd. M heeft nog enigszins
mogelijkheden en het moet zelfs niet onwaarschijnlijk geacht worden dat hij
in de toekomst voor zichzelf in het dagelijks leven betere perspectieven zal
hebben. De rechtbank zal het bedrag aan smartengeld vaststellen – ex aequo et
bono – op een bedrag van ƒ 35 000.

5.14. De vordering met betrekking tot de overige materiële schade, een bedrag
van ƒ 50 000 als in het rapport van de arbeidsdeskundige weergegeven, komt de
rechtbank redelijk en billijk voor. Zij zal dit bedrag dan ook toewijzen.

5.15. Met betrekking tot de wijziging van eis overweegt de rechtbank dat het
geding nog niet in staat van wijzen was toen S overleed. Het overlijden van S
is niet door de erven S als belanghebbenden conform artikel 256 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan M betekend. Het geding moet
daarom geacht worden te zijn voortgezet ten name van S, ook al is na diens
overlijden geen conclusie aan zijn zijde meer genomen. Dit brengt mee dat de
veroordeling tot betaling ten name van S zal moeten luiden.

5.16. Rekening houdend met de reeds door S verstrekte voorschotten ten
bedrage van ƒ 57 600 zal S veroordeeld worden tot betaling van een bedrag van
ƒ 1 032 497,51.

5.17. Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal S veroordeeld
worden in de kosten van het geding.

In reconventie

5.18. De vordering van S met betrekking tot de verklaring voor recht dat hij
al een bedrag van ƒ 25 500 als voorschot op de schadevergoeding heeft
voldaan, zal de rechtbank afwijzen. S heeft niet aannemelijk gemaakt dat de
maandelijkse betalingen ten titel van schadevergoeding zijn betaald. Gezien
het feit dat M in september 1987 met een studie aanving en dit het tijdstip
is waarop de betalingen zijn aangevangen, althans tot welke datum zij met
terugwerkende kracht zijn verricht, lijkt het voor de hand te liggen dat deze
betalingen als studietoelage zijn bedoeld. Bovendien kan uit de schriftelijke
verklaringen van S van 19 maart 1990, inhoudende dat hij tot dusver geweigerd
heeft schade te vergoeden en thans bereid is de uit zijn gedrag
voortvloeiende schade te vergoeden, worden afgeleid dat voorheen van
schadevergoeding nog geen sprake was.

5.19. Als de in het ongelijk te stellen partij zal S veroordeeld worden in de
kosten van het geding.

Beslissing

De rechtbank

In conventie

veroordeelt S tegen behoorlijk bewijs van kwijting tot betaling aan M een
bedrag van ƒ 1 032 497,51 (zegge: één miljoen tweeëndertigduizend
vierhonderdzevenennegentig gulden en eenenvijftig cent), vermeerderd met de
wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 januari 1996 tot aan de dag der
voldoening;

verwijst S in de proceskosten, tot aan deze beslissing aan de zijde van M in
totaal begroot op ƒ 1842,96;

þþF.fixed¯veroordeelt mitsdien S tot betaling aan:
A. de griffier van deze rechtbank voor:
– het in debet gestelde vast recht
ƒ 262,50
– de deurwaarder D. de Veen te Sneek
voor het uitbrengen van de dagvaarding ƒ 72,96

– salaris procureur ƒ 1420,00
derhalve in totaal ƒ 1755,46

met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het
bepaalde in artikel 57b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

B. M voor het niet in debet gestelde vast recht ƒ 87,50

verklaard dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie

wijst de vorderingen van S af;

verwijst S in de proceskosten, tot aan deze beslissing aan de zijde van M in
totaal begroot op ƒ 355,=;

veroordeelt mitsdien S tot betaling aan:

de griffier van deze rechtbank voor:
– salaris procureur ƒ 355
met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het
bepaalde in artikel 57b RV Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Rechters

Mr. Dijkstra-de Vries