Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een autoverhuurbedrijf heeft in een advertentie een kortingspas aangeboden
voor de huur van een personenauto. In dit openbare aanbod staan geen acceptatievoorwaarden
vermeld. In de brochure staat vermeld dat de klant zich dient te identificeren
met een rijbewijs en een ander identificatie-bewijs. In de praktijk blijkt
dat de klant in het bezit dient te zijn van de Nederlandse nationaliteit.
De Commissie oordeelt dat hierdoor het acceptatiebeleid van het bedrijf
is aan te merken als onzorgvuldig, ondoorzichtig en inconsistent aan te
merken en onderscheid maakt op grond van nationaliteit.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 september 1996 verzocht het Anti Discriminatie Bureau te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of (….) te Hoofddorp (hierna: de wederpartij) onderscheid
op grond van nationaliteit heeft gemaakt zoals bedoeld in de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. De wederpartij heeft per advertentie een aanbieding gedaan voor de
verhuur van personenauto’s. De wederpartij heeft verzoeker meegedeeld dat
buitenlanders, vanwege het feit dat het een aanbieding betreft voor meerdere
huurdagen in één jaar, geen gebruik mogen maken van deze aanbieding. Verzoeker
is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met
de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 22 april 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– mw. (….) (meldpuntmedewerkster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (managing director)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M. G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. drs. V. Everhardt (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een internationaal autoverhuurbedrijf en maakt onderdeel
uit van een wereldwijd verspreid franchise-netwerk van autoverhuurbedrijven.

3.2. De wederpartij heeft in de Gouden Gids een advertentie geplaatst voor
de verhuur van personenauto’s. In de advertentietekst biedt de wederpartij
een `daytripper’-kortingspas aan. Deze kortingspas is een couponboekje
met zeven coupons. Elke coupon geeft recht op één dag (24 uur) huur van
een personenauto. De zeven coupons zijn één jaar geldig. Er zijn geen beperkingen
aan het aantal huur-dagen dat men aaneensluitend kan huren tegen inlevering
van de benodigde coupons. Men kan van een paar dagen tot een paar maanden
aaneengesloten huren. Ook is er geen beperking met betrekking tot het aantal
kilometers dat men mag rijden.
De wederpartij probeert met deze daytripper-aanbieding te bereiken dat
mensen uit de stad of regio Amsterdam die geregeld een auto nodig hebben,
gebruik maken van de diensten van de weder-partij.

3.3. In de tekst van de advertentie in de Gouden Gids staat niet vermeld
aan welke acceptatievoorwaarden men dient te voldoen om in aanmerking te
komen voor de daytripper-kortingspas. Evenmin wordt vermeld hoe de klant
zich dient te identificeren. In een brochure over deze aanbieding is opgenomen
dat men zich dient te identificeren met behulp van een rijbewijs en een
tweede legitimatie zoals bijvoorbeeld een paspoort. Men dient ook een borgsom
te betalen van minimaal ƒ 500.

3.4. Een natuurlijk persoon (hierna: de derde) heeft telefonisch gereageerd
op de advertentie in de Gouden Gids. Van een medewerker van de wederpartij
kreeg hij te horen dat de aanbieding slechts gold voor die personen die
én in het bezit zijn van een Nederlands rijbewijs én de beschikking hebben
over een Nederlands paspoort.
De betreffende medewerker heeft in dit gesprek niet genformeerd naar de
woon- of verblijfplaats van de derde.

3.5. De derde, die zijn vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft,
heeft over de handelwijze van de wederpartij een klacht ingediend bij verzoeker.
Verzoeker heeft naar aanleiding van deze klacht de wederpartij aangeschreven.
Verzoeker kon zich met de reactie van de wederpartij niet verenigen en
heeft zich tot de Commissie gewend. Zij heeft aan de Commissie meegedeeld
dat zij daarbij niet als gemachtigde van de derde, maar als belangenorganisatie
optreedt.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt het volgende.

De wederpartij heeft verzoeker meegedeeld dat een buitenlander geen gebruik
van de daytripper-aanbieding kan maken, omdat de kortingspas slechts wordt
verleend als de betreffende persoon kan voldoen aan de eis dat minimaal
zeven dagen per jaar een auto wordt gehuurd.

De wederpartij gaat er vanuit dat `buitenlanders’ aan deze eis niet kunnen
voldoen. Blijkbaar rekent de wederpartij tot buitenlanders niet alleen
personen die hun woon- of verblijfplaats buiten Nederland hebben, maar
ook personen met een niet-Nederlandse nationaliteit die wel hun vaste woon-
of verblijfplaats in Nederland hebben. Deze laatste groep personen wordt
door de handelwijze van de wederpartij ook uitgesloten van deze aanbieding.
Door dit beleid maakt de wederpartij onderscheid op grond van nationaliteit
bij het aanbieden van goederen en diensten.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij selecteert niet op huidskleur, religie of afkomst en maakt
evenmin onderscheid naar nationaliteit. De huurder dient wel een Nederlandse
ingezetene te zijn en een vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland
te hebben. Wanneer clinten aan deze voorwaarden voldoen komen zij in aanmerking
voor een daytripper-aanbieding. Ter zitting verduidelijkt de wederpartij
dat met Nederlandse ingezetene niet bedoeld wordt dat men de Nederlandse
nationaliteit heeft, maar dat het gaat om de vraag of men een vaste woon-
of verblijfplaats in Nederland heeft. Deze eis wordt gesteld om zoveel
mogelijk de financiële risico’s te beperken van vervreemding van en schade
aan de huurauto.

3.8. Met de daytripper-aanbieding wordt beoogd aan een bekende klantenkring
die in Amsterdam of omgeving woont en die regelmatig een auto nodig heeft
een auto te verhuren tegen een gunstig tarief. Hiermee wordt vooruit gelopen
op de autodeelprogramma’s die in opkomst zijn.

3.9. De wederpartij maakt in de wijze waarop cliënten zich dienen te identificeren
geen verschil tussen de normale verhuur van personenauto’s en de betreffende
daytripper-aanbieding.
De eisen die de wederpartij stelt aan de wijze waarop haar clinten zich
dienen te identificeren worden met regelmaat aangepast en het personeel
van de wederpartij wordt hiervan op de hoogte gebracht. Gedeeltelijk zijn
deze regels en instructies door de wederpartij schriftelijk vastgelegd
in een protocol, dat door de medewerkers van de wederpartij wordt gebruikt
bij de verhuur van auto’s. Verder wordt het personeel regelmatig mondeling
geïnstrueerd hoe de transacties afgehandeld moeten worden.

3.10. Er is vermoedelijk een misverstand ontstaan tussen de derde en één
van haar verhuurmedewerkers over de vraag of de derde slechts voor een
korte of langere tijd een auto wilde huren. In de loop van de procedure
heeft de wederpartij uiteengezet dat de formulering van de medewerkster
wat ongelukkig is gekozen. Bedoeld was te zeggen dat de daytripper-aanbieding
niet geldt voor buitenlanders zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Aan buitenlanders wordt zeer vaak een auto verhuurd. Bijna de helft van
de cliënten is buitenlander. Wanneer een klant niet in aanmerking komt
voor de daytripper-aanbieding zijn er nog vele andere mogelijkheden voor
het huren van een auto. Dit is zowel vanuit het oogpunt van marketing als
voor de instructie van medewerkers eenvoudiger. Of het tarief even gunstig
is als van de daytripper-aanbieding hangt mede af van de vraag en het aanbod
op dat moment.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
op grond van nationaliteit als bedoeld in de AWGB door de acceptatievoorwaarden
die zij hanteert bij de daytripper-aanbieding.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub a AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
het maken van onderscheid onder meer op grond van nationaliteit bij het
aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen
van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt in de uitoefening van
een beroep of bedrijf.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid tussen personen onder andere
wordt verstaan onderscheid op grond van nationaliteit. Onder onderscheid
wordt verstaan zowel direct als indirect onderscheid. Onder indirect onderscheid
wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan nationaliteit,

dat direct onderscheid op grond van nationaliteit tot gevolg heeft.

Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als nationaliteit
in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of verblijfplaats.
(Handelingen I, 22 februari 1994, p. 1086.)

4.3. ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek

Verzoeker is een stichting die zich blijkens haar statuten onder meer ten
doel stelt het instandhouden van meldpunten voor klachten over discriminerend
handelen en de behandeling van deze klachten. Verzoeker tracht dit doel
onder meer te bereiken door middel van onderzoek, overleg en andere (juridische)
acties.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoeker blijkt dat zij in overeenstemming
met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de AWGB, de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) en artikel 7:646-648 Burgerlijk
Wetboek (BW) beogen te beschermen.

De Commissie is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verzoeker
aan de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld in artikel 12 lid 2 sub
e AWGB voldoet.

Verzoeker heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou
zijn gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door
de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek blijft derhalve achterwege.

4.4. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende.

Verzoeker heeft aangegeven dat zij in deze niet optreedt als gemachtigde
van de derde, maar als belangenorganisatie. Als zodanig heeft zij het algemene
beleid bij de daytripper-aanbieding van de wederpartij ter beoordeling
aan de Commissie voorgelegd. Het onderzoek van de Commissie richt zich
dan ook op de acceptatievoorwaarden die de wederpartij in het algemeen
hanteert bij de daytripper-aanbieding.

4.5. De wederpartij is een autoverhuurbedrijf. In het kader van haar bedrijfsvoering
heeft zij door middel van het plaatsen van een advertentie een aanbod gedaan
voor de verhuur van personenauto’s.
Hiermee heeft de wederpartij diensten aangeboden in de uitoefening van
haar bedrijf. Gelet op de parlementaire behandeling van de AWGB valt ook
het niet aangaan van overeenkomsten met mogelijke klanten onder het maken
van onderscheid bij het aanbieden van goederen en diensten en het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake (Eerste Kamer, vergaderjaar
1991-1992, 22 014, nr. 212c, Memorie van Antwoord, pag. 7-8.).
Het handelen van de wederpartij valt dan ook onder het bereik van artikel
7 lid 1 sub a AWGB.

4.6. De Commissie constateert dat in de advertentietekst van de daytripper-aanbieding
geen acceptatievoorwaarden staan vermeld. In de uitgebreide brochure van
de daytripper-aanbieding wordt vermeld dat men zich met behulp van een
rijbewijs en een tweede legitimatie, zoals een paspoort, moet legitimeren.

Uit de verklaringen van verzoeker en de wederpartij blijkt dat deze voorwaarde
in de praktijk door de (medewerkers van) de wederpartij op verschillende
manieren wordt uitgelegd aan derden. Deze variëren van het vereiste van
het bezit van een Nederlands paspoort en Nederlands rijbewijs, uitsluiting
van buitenlanders vanwege het minimaal aantal huurdagen van zeven tot het
vereiste dat men Nederlands ingezetene moet zijn met een vaste woon- of
verblijfplaats in Nederland.

Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat de formuleringen van haar
medewerker wat ongelukkig gekozen waren. Bedoeld werd dat men een vaste
woon- of verblijfplaats in Nederland moet hebben om voor de daytripper-aanbieding
in aanmerking te komen.

4.7. Op grond van het bovenstaande stelt de Commissie vast dat er bij het
openbaar aanbod geen acceptatievoorwaarden staan vermeld en de wederpartij
verschillende acceptatievoorwaarden hanteert.
Het acceptatiebeleid is hierdoor onzorgvuldig, ondoorzichtig en inconsistent.
Deze verschillende voorwaarden houden in dat men in het bezit moet zijn
van de Nederlandse nationaliteit, waardoor personen van niet-Nederlandse
nationaliteit geen gebruik kunnen maken van de daytripper aanbieding. De
Commissie concludeert hieruit dat door de wederpartij bij het aanbieden
van genoemde daytripper-kortingspas direct onderscheid wordt gemaakt naar
nationaliteit.

4.8. De wederpartij heeft ter zitting onderkend dat de uitvoering van het
acceptatiebeleid niet optimaal is. Zij heeft aangegeven dat de betreffende
aanbieding erop gericht is om personen zonder vaste woon- of verblijfplaats
in Nederland, vanwege het verhoogde financiële risico uit te sluiten van
de daytripper-aanbieding. Dit is naar de mening van de wederpartij gerechtvaardigd.
De Commissie zal derhalve, ten overvloede, ingaan op de vraag of het acceptatiebeleid
van de wederpartij, ingeval het wel juist zou zijn toegepast, zich als
zodanig met de AWGB verdraagt.

4.9. Door het stellen van de eis van een vaste woon- of verblijfplaats
in Nederland wordt geen direct onderscheid op grond van nationaliteit gemaakt.
Er wordt immers niet direct verwezen naar de nationaliteit.
Wel kunnen door deze eis niet-Nederlanders eerder nadelig worden getroffen
dan personen met de Nederlandse nationaliteit (Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen, J. O’Flynn versus Adjudication Officer 23 mei
1996, zaak 237/94.).
Door het hanteren van deze eis wordt derhalve indirect onderscheid op grond
van nationaliteit gemaakt.

4.10. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1
AWGB niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.

De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014,
nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus
versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak 170/84; Rinner-Kühn versus FWW
Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co. KG 13 juli 1989, zaak 171/88.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
een werkelijke behoefte van de organisatie;
– en deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde
doel te bereiken.
Het ligt op de weg van de wederpartij om een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan te voeren.

4.11. De Commissie constateert dat het doel van de wederpartij is haar
financiële risico’s te beperken en zodoende haar bedrijfsbelangen te beschermen.
De Commissie is van oordeel dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd
is. Dit nagestreefde doel beantwoordt tevens aan een werkelijke behoefte
van de wederpartij.

4.12. Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel, in dit geval de
uitsluiting van personen zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
van de daytripper-aanbieding, geschikt en noodzakelijk is om dit doel te
bereiken.
Hieromtrent overweegt de Commissie dat dit middel te grofmazig kan zijn,
omdat daardoor ook personen uitgesloten worden die geen verhoogd financieel
risico vormen.
De wederpartij heeft aangegeven dat voor cliënten die niet aan het vereiste
van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland voldoen, alternatieve
producten worden aangeboden. Dit is zowel vanuit het oogpunt van marketing
als voor de instructie van medewerkers eenvoudiger. De prijs van deze alternatieve
aanbiedingen voor het huren van een auto hangt onder meer af van de vraag
en aanbod op dat moment. Het is mogelijk dat een dergelijk alternatief
product gunstiger is qua prijs dan de daytripper-aanbieding. Voorts geeft
de wederpartij aan dat ongeveer de helft van haar cliënten uit buitenlanders
bestaat en voert aan dat door de verscheidenheid in het aanbod van vergelijkbare
producten geen sprake is van uitsluiting van buitenlanders.

In het kader van deze zaak heeft de Commissie geen onderzoek kunnen doen
naar de vergelijkbaarheid van de diverse producten van de wederpartij,
vanwege de complexiteit en ondoorzichtigheid van het totale aanbod.

De Commissie volstaat dan ook met de conclusie dat, ingeval de wederpartij
vergelijkbare aanbiedingen heeft van soortgelijke producten voor buitenlanders,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, hierin een objectieve
rechtvaardiging gelegen kan zijn voor uitsluiting van genoemde groep van
de daytripper-aanbieding. Dit kan in zijn algemeenheid niet beoordeeld
worden. Van geval tot geval zal onderzocht moeten worden of is voldaan
aan de strikte criteria voor een objectieve rechtvaardiging bij uitsluiting
van een bepaalde door de AWGB beschermde groep.

4.13. Aanbeveling van de Commissie

De Commissie beveelt de wederpartij aan een inzichtelijk en consistent
acceptatiebeleid te voeren teneinde te voorkomen dat (ongewild) onderscheid
naar nationaliteit wordt gemaakt. Dit betekent dat acceptatievoorwaarden
eenduidig gesteld en bekend gemaakt dienen te worden. Voorts zullen medewerkers
(beter) genstrueerd moeten worden om het beleid deugdelijk uit te voeren.
Hierbij verdient aandacht dat vooraf zorgvuldig wordt beoordeeld dat geen
acceptatievoorwaarden worden gesteld die strijdig zijn met de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Hoofddorp door
het door haar gehanteerde aceptatiebeleid bij het aanbieden van de daytripper-kortingspas
direct onderscheid op grond van nationaliteit heeft gemaakt als bedoeld
in artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve
in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M. G.Nicolai (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), dhr. mr. drs.V. Everhardt (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is sinds 1978 werkzaam als boekhoudster. Omdat zij een administratieve
functie vervult is zij uitgesloten van het pensioenfonds, dit in tegenstelling
tot het technische personeel. Zij is van mening dat deze uitsluiting in

strijd is met de wetgeving gelijke behandeling, omdat meer vrouwen dan
mannen administratieve functies vervullen.
De Commissie constateert dat de mannen die bij de wederpartij in dienst
waren – met uitzondering van de directie – allemaal een technische functie
uitoefenden en dat de vrouwen geen van allen een technische functie vervulden.
Oordeel Commissie: onderscheid naar geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 april 1993 verzocht mevrouw (….) te Katwijk (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (hierna:
de Commissie m/v) haar oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te
Katwijk (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is met ingang van 1 januari 1978 in dienst getreden van
(….), de rechtsvoorgangster van de
wederpartij. Zij heeft een administratieve functie. Verzoekster is vanwege
het feit dat zij een administratieve functie vervult uitgesloten van het
Pensioenfonds, Spaarloonfonds en het
VUT-fonds van de bedrijfstak; dit in tegenstelling tot het
technische personeel. Zij is van mening dat deze uitsluiting in strijd
is met de wetgeving gelijke behandeling, omdat meer
vrouwen dan mannen administratieve functies vervullen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie m/v heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk nader toegelicht.
De Commissie m/v heeft de behandeling van het verzoek opgeschort in verband
met het feit dat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ
EG) uitspraak zou doen in een aantal voor de interpretatie van de pensioen-problematiek
relevante zaken. Verzoekster heeft eveneens een klacht ingediend tegen
de Stichting Grafische Bedrijfsfondsen (dossiernummer 93-578B). In deze
zaak heeft de Commissie m/v op 22 juni 1994 een oordeel vastgesteld, waarin
verzoekster niet-ontvankelijk verklaard is in haar klacht.

De Commissie m/v heeft haar werkzaamheden met ingang van
1 september 1994 overgedragen aan de Commissie gelijke
behandeling (hierna: de Commissie), die is ingesteld op grond van de Algemene
wet gelijke behandeling.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op 27 juni 1995.
Na deze zitting heeft de Commissie besloten nadere informatie in te winnen.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opnieuw opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op
30 januari 1996.

2.2. De Commissie heeft het verzoek gesplitst en over het pensioen-onderdeel
een oordeel uitgesproken op 18 maart 1996
(oordeel 96-15).

Ten aanzien van de VUT-regeling en de Spaarloonregeling is nader onderzoek
ingesteld. De Commissie heeft verzoekster bij brief van 30 januari 1996
verzocht om nadere informatie. Deze informatie heeft de Commissie op 6
december 1996 ontvangen.

Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun stand-
punten nader toe te lichten tijdens een zitting op 20 mei 1997.

2.3. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. mr. M. Spek (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….)(directeur)
– dhr. (….) (medewerker KVGO en Vereniging Zeefdruk en Signondernemingen)
– prof. dr. E. Lutjens (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door de onder 2.3. genoemde leden van de
Commissie.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster, geboren op 8 juli 1934, is met ingang van
1 januari 1978 als boekhoudster in dienst getreden van de
besloten vennootschap (….). In 1984 heeft bij deze vennootschap een reorganisatie
plaatsgevonden. De onderneming is gesplitst in een moedermaatschappij,
(….), met twee dochtermaatschappijen (….) en (….) In 1986 is er een
derde dochtermaatschappij opgericht, de (….). De wederpartij is de rechtsopvolgster
van (….). Laatstgenoemde zal verder tevens als de rechtsvoorgangster
van de wederpartij worden aangeduid.

De rechtsvoorgangster van de wederpartij is sinds haar oprichting in 1972
een zeefdrukbedrijf. Sinds 1 oktober 1982 is de CAO voor het Zeefdrukbedrijf
(verder: de CAO) van toepassing. Vanaf diezelfde datum gold een in de CAO
vastgestelde spaarloon- en VUT-regeling.
De VUT-regeling houdt in dat werknemers vanaf het bereiken van de 61 jarige
leeftijd recht hebben op vervroegde uittreding, indien zij de tien voorafgaande
jaren onafgebroken werkzaam zijn geweest als werknemer in de zin van de
CAO en dus VUT-premie hebben betaald. Na de reorganisatie van 1984 was
de CAO niet meer op de wederpartij van toepassing.

3.2. Ingevolge de CAO zijn de technische werknemers verplicht deel te nemen
in het VUT-fonds en Spaarloonfonds van de Stichting Grafische Bedrijfsfondsen
(verder: SGB) op grond van de definitie van het begrip `werknemer’ in die
CAO:
‘zowel mannen als vrouwen, wier gewone taak het is technische arbeid te
verrichten in de in artikel 1 van dit hoofdstuk
bedoelde ondernemingen of gedeelten van ondernemingen. Daartoe behoren
in elk geval de functies zoals deze zijn opgenomen in de bij de c.a.o.
behorende functielijst.’
De functie van administratief medewerker is niet in de functielijst opgenomen.

3.3. Verzoekster heeft haar werkgever diverse malen kenbaar gemaakt dat
zij voor de spaarloon- en VUT-regeling in aanmerking wilde komen. Naar
aanleiding daarvan heeft de wederpartij in 1987 bij de Grafische Bedrijfsfondsen
(GBF) geïnformeerd naar de mogelijkheden voor vrijwillige deelneming door
verzoekster aan deze fondsen. Het GBF heeft de wederpartij laten weten
dat zulks slechts mogelijk was, indien alle niet onder de CAO vallende
werknemers vrijwillig zouden deelnemen. Na opgave van kosten heeft de wederpartij
van deze mogelijkheid afgezien.

Tevens heeft het GBF de wederpartij er op geattendeerd dat
vrijwillige deelneming door verzoekster niet mogelijk is, omdat verzoekster
in dienst is van de moedermaatschappij, die geen lid (meer) is van een
grafische werkgeversorganisatie.
Voorts is er gewezen op de omstandigheid dat recht op een
VUT-uitkering slechts kan ontstaan na gedurende tien jaar
VUT-premie te hebben betaald. Gelet op de leeftijd van verzoekster zou
zij na tien jaar niet meer voor VUT in aanmerking komen.
In 1989 heeft verzoekster met behulp van haar gemachtigde opnieuw pogingen
in het werk gesteld om verzoekster voor een spaarloon- en VUT-regeling
in aanmerking te laten komen. Deze pogingen hebben niet tot resultaat geleid.
Een nieuwe poging in 1992 is evenmin geslaagd.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Verzoekster is van mening dat er jegens haar indirect onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt, omdat het technische personeel wel wordt toegelaten
tot het VUT- en het Spaarloonfonds en het administratieve personeel niet.
Verzoekster stelt dat het
technische personeel in overwegende mate uit mannen bestaat, terwijl het
administratieve personeel voornamelijk uit vrouwen bestaat. Verzoekster
is daarom van oordeel dat het vrouwelijke personeel door de regeling in
overwegende mate wordt getroffen en er derhalve sprake is van indirect
onderscheid naar geslacht.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

De CAO maakt geen indirect onderscheid jegens vrouwen. Er zijn ook vrouwen
die technische beroepen uitoefenen. De wederpartij heeft in het verleden
een aantal vrouwen in dienst gehad als tekenaar, sjabloonsnijder of fotograaf.

Voor zover er al sprake zou zijn van een vermoeden van indirect onderscheid,
kan dit niet aan de wederpartij worden tegengeworpen. De wederpartij heeft
de regels immers toegepast zoals die toen golden.

Na de reorganisatie van 1984 was de CAO niet meer op de toen opgerichte
onderneming van de wederpartij van toepassing, omdat de werkingssfeer van
de CAO zich alleen uitstrekt tot onder-
nemingen waarin zeefdrukwerkzaamheden worden verricht.
De wederpartij verricht alleen managementwerkzaamheden, zodat de CAO niet
op haar van toepassing is.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster vanaf 1
oktober 1982, de ingangsdatum van de spaarloon- en VUT-regeling, (indirect)
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling door deze regelingen niet in haar arbeidsvoorwaarden op te
nemen.

Vanaf 1980 gold de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB oud),
waarbij artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) (oud) werd ingevoerd.
De Commissie m/v was bevoegd over de uit de uitvoering van deze wet voortvloeiende
geschillen te oordelen. Op 1 juli 1989 werden zowel in artikel 1637ij BW
als in de WGB(oud) een aantal wijzigingen van kracht op grond waarvan laatstgenoemde
Commissie eveneens tot onderzoek en oordelen bevoegd was. Van laatstgenoemde
Commissie heeft de huidige Commissie de bevoegdheden overgenomen.

Evenals het huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude
artikel 1637ij BW dat een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect
(middellijk) onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in ondermeer
de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd
om te onderzoeken of de (voorgangster van) de
wederpartij jegens verzoekster onderscheid heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden.

4.2. Vervolgens komt de Commissie toe aan de vraag of de wederpartij in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door voor verzoekster
geen spaarloon- en VUT-regeling te treffen in de periode 1982-1984. In
deze periode was immers de CAO, waarin de spaarloon- en VUT-regeling was
opgenomen, op de rechtsvoorgangster van de wederpartij van toepassing.

4.3. Van direct onderscheid is geen sprake. Beoordeeld moet worden of er
sprake is van indirect onderscheid. Om die vraag te kunnen beantwoorden
dient te worden bekeken hoeveel mannen en vrouwen er destijds bij de (voorgangster
van de) wederpartij in dienst waren en of zij in aanmerking kwamen voor
de spaarloon- en VUT-regeling. Uit het onderzoek is gebleken dat er in
1978 – cijfers over 1982 zijn niet voorhanden – tien mannen en zes vrouwen
bij de wederpartij in dienst waren. De mannen oefenden (met uitzondering
van de directie) allemaal technische functies uit; voor hen gold derhalve
vanaf 1982 een spaarloon- en VUT-regeling. Voor de zes vrouwen, die geen
van allen een technische functie vervulden, bestond geen (verplichte) spaarloon-
en VUT-regeling. De omstandigheid dat alle mannen een spaarloon- en VUT-regeling
hadden en geen van de vrouwen, zou tot indirect onderscheid kunnen leiden.
Alleen vrouwen werden immers door de regeling nadelig getroffen.

Gelet echter op de beperkte omvang van het personeelsbestand, kan aan deze
cijfers op zichzelf geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Immers,
kleine veranderingen in het personeelsbestand kunnen in de onderlinge verhouding
tussen het aantal mannen en vrouwen tot grote verschillen leiden. Aan deze
cijfers kan derhalve slechts dan betekenis worden toegekend, indien deze
overeenkomen met gegevens uit de bedrijfstak of met landelijke gegevens
van het aantal vrouwen werkzaam in administratieve functies en het aantal
mannen werkzaam in technische functies. Uit statistische gegevens blijkt
dat in de periode van 1975 tot 1985 ruim twee maal zoveel vrouwen als mannen
werkzaam waren in administratieve functies, terwijl de technische functies
in overwegende mate door mannen werden vervuld. (Arbeidskrachtentelling
1975 en 1985 en Enquête Beroeps-bevolking 1987, 1989 en 1991 in Sociale
Atlas van de Vrouw, deel 2, Arbeid en Inkomen. B.T.J. Hooghiemstra en M.
Niphuis-Nell. Rijswijk, SCP, Den Haag, Vuga, 1993, pagina 250.)

Omdat de cijfers bij de wederpartij eenzelfde beeld geven als de landelijke
cijfers is er geen aanleiding om te veronderstellen dat deze een onbetrouwbaar
beeld zouden geven. Op grond van deze cijfers kan derhalve tot indirect
onderscheid worden
geconcludeerd.

4.4. Ingevolge artikel (7A:)1637ij lid 5 BW is indirect onderscheid niet
verboden, indien hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria (Zie voetnoot 4 en Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Jenkins versus Kingsgate, 96/80, 31 maart 1985, JUR 1981,
p. 911.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn en
– de middelen die zijn gekozen om het doel te bereiken dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte en
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

De stelling van de wederpartij dat zij steeds de wettelijke regelingen
heeft nageleefd, kan niet als een objectieve rechtvaardigingsgrond worden
aangemerkt.

Op de wederpartij rust een eigen verantwoordelijkheid om de gelijke behandelingswetgeving
die – zoals uit overweging 4.1. blijkt – reeds in 1982 van kracht was na
te leven. Daar komt bij dat wet noch regelgeving in de weg stond aan het
treffen van een spaarloon- en VUT-regeling voor het administratieve personeel
uit eigen beweging.

4.5. Voorzover in het verweer van de wederpartij de stelling moet worden
gelezen dat zij geen onderscheid heeft gemaakt, omdat zij slechts de van
toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomst heeft toegepast, geldt
dat de wetgeving gelijke behandeling van hogere orde is dan de CAO. Voorzover
bepalingen in de CAO in strijd komen met het verbod op het maken van onderscheid
als bedoeld in artikel (7A:)1637ij lid 1 BW, zijn deze bepalingen nietig
op grond van artikel (7A:)1637ij lid 8 BW.

4.6. Nu ook overigens niet is gebleken van gronden die een objectieve rechtvaardigingsgrond
zouden kunnen opleveren, concludeert de Commissie dat de rechtsvoorgangster
van de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door op verzoekster niet de
spaarloon- en VUT-regeling van toepassing te verklaren, die op het technische
personeel wel van toepassing was.

4.7. Vanaf 1984 was de CAO niet (meer) op de wederpartij van
toepassing, maar alleen op de werkmaatschappijen. Alle werknemers die een
arbeidsverhouding hadden met de rechtsvoorgangster van de wederpartij en
wier arbeidsverhouding bij de reorganisatie overging naar de wederpartij
verloren hun op de CAO gebaseerde arbeidsvoorwaarden, althans voorzover
deze arbeidsvoorwaarden gerealiseerd werden door de op grond van de CAO
verplichte aansluiting bij het GBF. De vraag of de wederpartij verplicht
was om de bestaande arbeidsvoorwaarden van haar personeel dat overging
van (….). naar (….), anderszins te continueren, onttrekt zich aan de
oordelende taak van de
Commissie.

4.8. Voorzover de Commissie bekend is, waren bij de wederpartij sinds de
reorganisatie van 1984 naast de twee mannelijke directeuren slechts vrouwelijke
werknemers in dienst. Voor de directie was een pensioenregeling, maar geen
spaarloon- of VUT-regeling van kracht. Omdat de Commissie niet bevoegd
is tot oordelen over de vraag of de arbeidsvoorwaarden die golden bij de
rechtsvoorgangster van de wederpartij ook van toepassing waren na de reorganisatie,
kan de Commissie de vraag of jegens verzoekster ook na de reorganisatie
onderscheid is gemaakt bij de toepassing van de spaarloon- en VUT-regeling
niet beantwoorden.
Echter, indien rechtens de arbeidsvoorwaarden van verzoekster na de reorganisatie
van 1984 gecontinueerd hadden behoren te worden, heeft het door de Commissie
geconstateerde, verboden onderscheid zich ook voorgezet na de reorganisatie
van 1984.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Katwijk jegens
mevrouw (….) te Katwijk indirect onderscheid heeft gemaakt tussen mannen
en vrouwen bij de spaarloon- en VUT-regeling als bedoeld in artikel (7A:)1637ij
Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Mw. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. mr. W.A. van Veen (lidKamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker werkt in deeltijd en krijgt alleen overwerkvergoeding betaald
voor extra gewerkte uren die de normale arbeidstijd overschrijden. Hij
is van mening dat deze regeling in strijd is met het verbod op onderscheid
tussen werknemers naar arbeidsduur. De Commissie oordeelt dat gelet op
de EG-jurisprudentie een dergelijke regeling niet in strijd met de wet
is.
De Commissie heeft wel bekeken of de totale beloning die aan deeltijd-
en voltijdwerkers bij hetzelfde aantal uren wordt betaald op grond van
de CAO gelijk is. Dit was niet het geval bij de pensioenopbouw. De wederpartij
draagt bij overwerk door deeltijders niet automatisch premie af, terwijl
dat bij dezelfde uren voor een voltijdwerker wel wordt gedaan. Het bruto
uurloon valt hierdoor bij hetzelfde aantal gewerkte uren voor de deeltijdwerker
lager uit. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 19 december 1996 verzocht de heer (….) te Dalfsen (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of (….) te ‘s-Hertogenbosch (hierna: de wederpartij)
jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van arbeidsduur in strijd
met artikel 7A:1637ija/7:648 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

1.2. Verzoeker is in dienst van de wederpartij op basis van een contract
voor 24 uur per week. Conform de op het bedrijf van toepassing zijnde CAO,
keert de wederpartij een overwerktoeslag uit op het moment dat meer dan
40 uur per week wordt gewerkt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens
heeft de Commissie partijen uitgenodigd voor een zitting op 1 april 1997.
Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt. Naar aanleiding
van de zitting heeft de Commissie nadere informatie bij de wederpartij
opgevraagd. Deze is op 11 april 1997, 2 en 30 mei 1997 ontvangen.

2.2. Bij de zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is sinds juni 1987 als chauffeur in dienst bij de
wederpartij. Vanaf september 1993 werkt hij in deeltijd op basis van een
contract voor 24 uur per week.

Op het bedrijf van de wederpartij is de algemeen verbindend verklaarde
Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het Beroepsgoederenvervoer over de
weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de CAO) van toepassing. Artikel
24 van de CAO definieert overuren als de uren, niet liggend op zaterdag
en/of zondag, waarmee de diensttijd van 40 uur per week wordt overschreden.
In artikel 25 van de CAO, onderdeel B, wordt bepaald dat overuren worden
vergoed door een geldbedrag ter grootte van het aantal gemaakte overuren
vermenigvuldigd met het uurloon, vermeerderd met 30%. In artikel 9 onderdeel
B van de CAO zijn bijzondere bepalingen voor deeltijdwerkers opgenomen.
In lid 5 van dit artikel wordt, overeenkomstig artikel 24 van de CAO, aangegeven
wanneer sprake is van overuren.
Op grond van artikel 9 onderdeel B lid 4c van de CAO dient voor het berekenen
van zowel de vakantietoeslag als de vakantieaanspraken het totaal aantal
verrichte diensturen in een kalenderjaar als basis te worden genomen.
Op grond van artikel 12 onderdeel A lid 1 van de CAO wordt het loon bij
arbeidsongeschiktheid gebaseerd op het gemiddelde nettoloon van de laatste
dertien weken voorafgaand aan de eerste dag van de arbeidsongeschiktheid.
Voor opbouw van vakantie-aanspraken en vakantietoeslag, alsmede voor de
grondslag van het loon bij arbeidsongeschiktheid is het uurloon van een
deeltijdwerker voor een extra uur, niet zijnde overwerk in de zin van de
CAO, gelijk aan dat van een voltijdwerker voor hetzelfde uur.

Artikel 2 van het Pensioenreglement bepaalt dat onder loon wordt verstaan
het op de datum van vaststelling van de pensioengrondslag voor de deelnemer
geldende vaste loon vermeerderd met de vakantietoeslag. Over overuren wordt
geen pensioen opgebouwd.
Artikel 12 van het Pensioenreglement bepaalt dat de vaststelling van de
pensioengrondslag bij deeltijdwerkers is gebaseerd op een percentage van
de normale (voltijdse) arbeidsduur.

De werknemer kan een verzoek indienen om over de extra gewerkte uren, die
echter geen overwerk zijn in de zin van de CAO, pensioen op te bouwen.
Een dergelijk verzoek kan worden ingediend bij het verplicht gestelde Bedrijfspensioenfonds
Beroepsvervoer over de weg. Indien dit verzoek wordt toegestaan is de werkgever
niet verplicht om het werkgeversdeel van de pensioenpremie over de extra
gewerkte uren voor zijn rekening te nemen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.

Hij werkt 24 uur per week verdeeld over drie dagen. Indien hij meer dan
de individueel overeengekomen aantal uren op een dag werkt, maar zijn totale
arbeidsuren in een week niet de 40 uur overschrijden, krijgt hij geen overwerktoeslag
voor de extra uren.
Dit betekent, dat de collega van verzoeker die wel voltijds werkt en op
dezelfde dag als verzoeker meer dan 8 uur werkt, voor dezelfde extra uren
hoger wordt beloond.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Bij de totstandkoming van de parttime-overeenkomst met verzoeker is deze
gewezen op de geldende regels voor overuren.
De wederpartij past de CAO correct en op gelijke wijze toe op al haar deeltijdwerkers.
De CAO is algemeen verbindend verklaard door het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid.
De wederpartij is van mening dat het verschil in de regeling betreffende
de pensioenopbouw van deeltijdwerkers voor wat betreft de extra gewerkte
uren haar niet kan worden aangerekend aangezien zij gebonden is aan de
reglementen van het bedrijfspensioenfonds, onder de werkingssfeer waarvan
zij verplicht valt.

Er moet naar de totale arbeidsuren per week gekeken worden.
Door het uur dat de voltijdwerker na het achtste uur op een dag werkt,
wordt zijn totale arbeidsduur van 40 uur (de norm) overschreden. Door het
uur dat verzoeker na het achtste uur op een dag werkt, wordt weliswaar
de individuele arbeidsduur van 24 uur overschreden maar niet de norm van
40 uur. Zou verzoeker echter voor dat uur wel een overwerkvergoeding ontvangen,
dan zou hij voor in totaal 25 uur werk meer verdienen dan zijn collega
voor in totaal 25 uur werk. Derhalve zou in dat geval sprake zijn van ongelijke
behandeling.

De regeling voor overwerk in de onderhavige CAO is in overeenstemming met
uitspraken van het Europese Hof van Justitie (HvJ). Het HvJ heeft geoordeeld
dat er in het kader van een dergelijke betaling van overuren geen sprake
is van ongelijke behandeling van voltijdwerkers en deeltijdwerkers.

3.4. De wederpartij heeft aangegeven desgevraagd wel de werkgevers-
kosten voor opbouw van pensioen over de extra gewerkte uren te voldoen.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar arbeidsduur maakt dat niet objectief gerechtvaardigd is, als bedoeld
in artikel 7A:1637ij a van het BW, door toepassing van de overwerkregeling
van de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg.
Met ingang van 1 april 1997 is het betreffende verbod op onderscheid op
grond van een verschil in arbeidsduur vervat in artikel 7:648 BW.

4.2. Vóór 1 november 1996 kon een onderscheid naar arbeidsduur indirect
onderscheid naar geslacht opleveren, zoals verboden in artikel 7A:1637ij
BW, indien een dergelijk onderscheid in overwegende mate personen van een
bepaald geslacht trof.

Per 1 november 1996 is het verbod op onderscheid naar arbeidsduur opgenomen
in artikel 7A:1637ij a/7:648 BW waarin onder andere is bepaald dat een
werkgever geen onderscheid mag maken tussen werknemers op grond van een
verschil in arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst
wordt aangegaan, voortgezet dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid
objectief gerechtvaardigd is.

4.3. De systematiek die volgens de Memorie van Toelichting (MvT) gevolgd
moet worden bij toetsing of een regeling in strijd is met de norm van artikel
7A:1637ija/7:648 BW, is als volgt (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr.
3, p. 9.). Eerst moet worden gekeken of sprake is van bevoordeling of benadeling
op grond van arbeidsduur. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord,
moet bekeken worden of het onderscheid gerechtvaardigd is. Voor de objectieve
rechtvaardigingstoets geldt dat aangetoond moet kunnen worden dat een handelwijze
verklaard kan worden door factoren die niets van doen hebben met ongerechtvaardigd
onderscheid. De wetgever heeft hiermee beoogd aan te sluiten bij de criteria
die met betrekking tot de objectieve rechtvaardiging bij indirect onderscheid
tussen mannen en vrouwen door het HvJ zijn ontwikkeld.
Deze criteria worden in de MvT als volgt weergegeven:
– de ter bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte (van de onderneming) (legitimiteit);
– moeten geschikt zijn om dat doel te bereiken (doelmatigheid);
– en daarvoor ook noodzakelijk zijn (proportionaliteit).
De regering sprak hierbij de verwachting uit dat de rechter, ter voorkoming
van een dubbele rechtsgang, bij de beoordeling of een onderscheid op grond
van arbeidsduur objectief gerechtvaardigd is deze factoren in zijn beoordeling
betrekt (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 3, p. 13.).

4.4. Bij de totstandkoming van deze wet is van de zijde van de
regering uitdrukkelijk aangegeven dat de norm van deze wet met betrekking
tot overwerkvergoeding voor deeltijdwerkers conform de uitspraak van het
HvJ in de zaak Helmig moet worden uitgelegd (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498,
nr.3, p. 10-11.). De zaak Helmig betrof een mogelijk verboden onderscheid
op grond van geslacht (HvJ EG, 15 december 1994, Stadt Lengerich e.a. versus
Helmig e.a., c-399/92 e.a., JAR 1995, 36.). Het HvJ gaf een prejudiciële
beslissing over de vraag of een CAO die alleen recht geeft op een overwerkvergoeding
indien het aantal gewerkte uren de volgens de CAO normale arbeidstijd overschrijdt,
in strijd is met de artikel 119 EG
Verdrag en de Richtlijn 75/117 EG vervatte discriminatieverboden. Deze
CAO-bepaling zou indirect onderscheid naar geslacht tot gevolg kunnen hebben
omdat in overwegende mate vrouwen erdoor benadeeld zouden worden. Het HvJ
oordeelde dat moet worden nagegaan of de behandeling van voltijd- en deeltijdwerkers
ongelijkheid meebrengt. Volgens het Hof is sprake van ongelijke behandeling
telkens wanneer de totale beloning die aan voltijdwerkers wordt betaald,
bij hetzelfde aantal uren dat uit hoofde van de dienstbetrekking is gewerkt,
hoger is dan de aan deeltijdwerkers betaalde totale beloning. Het Hof komt
op basis van die overweging tot de conclusie dat van ongelijke behandeling
geen sprake is, nu de deeltijdwerkers bij een gelijk aantal arbeidsuren
dezelfde totale beloning ontvangen als voltijdwerkers.
Van discriminatie in de zin van artikel 119 EG-Verdrag en artikel 1 van
de Richtlijn 75/11/EG is dan ook geen sprake.
Ondanks het feit dat bij deze benadering zowel in de Tweede als in de Eerste
Kamer vraagtekens zijn gezet (Tweede Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 4, p.
6 e.v., Eerste Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 232a, p. 2.), is de regering
bij de door haar gekozen benadering gebleven (Tweede Kamer, 1995-1996,
24498, nr. 5. p. 10 en Eerste Kamer, 1995-1996, 24498, nr. 232b, p. 3.).
De Commissie constateert dat met de door de regering gekozen interpretatie
door de wetgever is afgeweken van de uitgangspunten van de (nieuwe) wet

Arbeidsduur, namelijk dat de norm van de normale voltijdse werknemer moet
worden losgelaten en dat werknemers gelijk behandeld moeten worden in evenredigheid
met de omvang van hun dienstbetrekking.

Op grond van deze wetsgeschiedenis kan de Commissie geen andere conclusie
trekken, dan dat het onthouden van een overwerkvergoeding aan deeltijdwerkers
over extra gewerkte uren die de normale arbeidstijd niet overschrijden,
betekent dat geen sprake is van een benadeling van deeltijdwerkers in strijd
met het verbod van onderscheid op grond van arbeidsduur, zoals neergelegd
in artikel 7A:1637ija/7:648 BW. (De voorganger van de Commissie, de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, had in oordelen
die dateerden voor de uitspraak van het HvJ in de zaak Helmig beslist,
dat er wel sprake was van indirect onderscheid naar geslacht in strijd
met artikel 7A:1637ij BW wanneer hierdoor in overwegende mate vrouwen getroffen
waren, aangezien ook voor deeltijders werken buiten de overeengekomen uren
een extra belasting met zich mee kon brengen.)
Verzoeker kan derhalve geen aanspraak maken op een overwerk vergoeding
indien het door hem gewerkte aantal uren de volgens de CAO normale arbeidstijd
niet overschrijdt.

4.5. De vraag die vervolgens voorligt, is of er sprake is van gelijke beloning
van voltijdwerkers en deeltijdwerkers. Uit het hierboven genoemde arrest
van het HvJ in de zaak Helmig vloeit immers eveneens voort, dat de totale
beloning die aan voltijdwerkers wordt betaald bij hetzelfde aantal uren
dezelfde moet zijn voor deeltijdwerkers. Uren die een deeltijdwerker overwerkt
maar die nog binnen de normale arbeidstijd vallen, dienen ten aanzien van
alle elementen en voorwaarden op gelijke wijze beloond te worden als de
gewerkte uren van een voltijdwerker, ongeacht of deze buiten de contractuele
arbeidsduur van de deeltijdwerker vallen.
Dat betekent dat naast de betaling van het geldende uurloon ook gelijke
toekenning van vakantierechten en -toeslag, pensioenrechten en dergelijke
dient te geschieden aan de deeltijdwerker over de extra gewerkte uren (Eerste
Kamer, 1995-1996, 22498, nr. 232b, p. 2. Vergelijk L.A.J. Schut, Deeltijdarbeid
en ongelijkheidscompensatie, in: Ongelijkheidscompensatie als roode draad
in het recht, Kluwer, Deventer 1997.). Is dat niet het geval dan is ten
aanzien van dat onderdeel sprake van onderscheid op grond van arbeidsduur
en moet beoordeeld worden of het onderscheid objectief gerechtvaardigd
is.

Over de extra uren die een deeltijdwerker werkt en die niet als overuren
worden aangemerkt, worden op grond van de vigerende CAO wel vakantierechten
en vakantietoeslag opgebouwd (artikel 35 jo. 9 onderdeel B lid 4a en 4c).
Voor de vraag of de extra gewerkte uren meetellen als basis voor de uitkering
bij ziekte bepaalt artikel 12 onderdeel A lid 1 sub e van de CAO dat de
uitkering bij arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd op het gemiddelde loon
van de laatste dertien weken voorafgaand aan de arbeids-ongeschiktheid.
Dat betekent dat de wederpartij bij de berekening rekening houdt met de
werkelijke gewerkte arbeidsuren. Wanneer dit tot een onredelijke uitkomst
leidt, kan een werkgever/werknemer verzoeken om een referteperiode van
52 weken aan te houden.

In het Pensioenreglement is geen regeling opgenomen voor de opbouw van
pensioenrechten voor deeltijdwerkers over de extra gewerkte uren, niet
zijnde overuren in de zin van de CAO.
Dat betekent dat deeltijdwerkers, over de door hen gewerkte extra uren,
anders dan voltijdwerkers die dezelfde uren werken, in principe geen pensioenaanspraken
opbouwen.
Hierover draagt de werkgever geen werkgeverspremie af, hetgeen betekent
dat het bruto uurloon voor de extra gewerkte uren voor een deeltijdwerker
in verhouding lager uit valt dan voor een voltijdwerker bij hetzelfde aantal
gewerkte uren. Daarmee ontstaat er een onderscheid in het totale uurloon
van de deeltijdwerker ten opzichte van de voltijdwerker.

Hieraan doet niet af, dat de betrokken medewerker desgewenst bij het pensioenfonds
een verzoek in kan dienen om over deze uren wel pensioen op te bouwen,
en dat de wederpartij in dat geval bereid is het werkgeversdeel van de
premie voor zijn rekening te nemen. Het feit dat de werknemer zelf het
initiatief moet nemen en dat de werkgever de keuze heeft om al dan niet
de werkgeverspremie te betalen over de gewerkte extra uren, maken deze
regeling niet tot een gelijkwaardig alternatief.
Een gelijke behandeling zou in kunnen houden dat, analoog aan de regeling
die op grond van de CAO geldt bij arbeidsongeschiktheid, de pensioenaanspraken
worden opgebouwd op basis van het werkelijk gewerkte aantal arbeidsuren
gedurende een bepaalde referteperiode.

De Commissie stelt op grond van het voorgaande vast dat er bij de berekening
van de pensioenopbouw over gewerkte uren sprake is van onderscheid op grond
van arbeidsduur.

Ten aanzien van de vraag of dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is,
heeft de wederpartij aangegeven dat zij gehouden is de geldende pensioenreglementen
toe te passen.
Het feit dat de wederpartij gehouden is de CAO te volgen, en haar werknemers
bij het bedrijfspensioenfonds aan te melden, ontslaat haar evenwel niet
van de verplichting tot naleving van artikel 1637ij a BW/ 7:648 BW. (Vergelijk
oordeel Commissie gelijke behandeling,
19 december 1996, oordeel 96-117.) Deze verplichting richt zich tot iedere
werkgever, en kan niet ontlopen worden door een verwijzing naar collectieve
afspraken. Het gemaakte onderscheid is derhalve niet objectief gerechtvaardigd.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te ‘s-Hertogenbosch
jegens de heer (….) te Dalfsen

I. geen onderscheid heeft gemaakt naar arbeidsduur als bedoeld in artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek /7:648 Burgerlijk Wetboek door deeltijdwerkers
geen overwerkvergoeding toe te kennen voor extra gewerkte uren voor zover
die de voltijdse arbeidsduur niet te boven gaan.

II. onderscheid naar arbeidsduur heeft gemaakt als verboden in artikel
7A:1637ija Burgerlijk Wetboek/7:648 Burgerlijk Wetboek door voor deeltijdwerkers
niet automatisch pensioenpremies af te dragen over gewerkte extra uren.

Rechters

Mrs Goldschmidt, Dierx, Nicolai

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 17 juni 1997

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Slachtoffer van mishandeling voegt zich als benadeelde partij in de strafzaak
en dient een vordering in tot een bedrag van ƒ 4.750, bestaande uit ƒ 1.536
materiële schade en ƒ 3.214 immateriële schade. De politierechter heeft de
vordering van de benadeelde toegewezen tot een bedrag van ƒ 4750. De
verdachte gaat in hoger beroep en stelt dat de vordering van het slachtoffer
niet eenvoudig van aard is en dat het slachtoffer daarom niet ontvankelijk
moet worden verklaard. Het hof heeft in hoger beroep geoordeeld dat de
benadeelde partij niet heeft aangetoond dat hij materiële schade tot een
bedrag van ƒ 1.536 heeft geleden zodat de vordering in zoverre wordt
afgewezen. Het hof acht aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële
schade heeft geleden tot een bedrag van ƒ 2.500 en wijst de vordering tot dat
bedrag toe. De dader gaat in cassatie tegen het oordeel van het hof.
De Hoge Raad vindt het oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde
partij van eenvoudige aard is en dat aannemelijk is geworden dat de
benadeelde partij immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van ƒ 2500
in het licht van de stukken van het geding niet onbegrijpelijk. Het feit dat
het hof de verdachte heeft vrijgesproken van de strafverzwarende
omstandigheid dat de mishandeling van het slachtoffer zwaar lichamelijk
letsel tengevolge had doet aan het voren overwogene niet af.

Volledige tekst

1. De bestreden uitspraak
Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
politierechter in de arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 24 januari
1995- de verdachte ter zake Van “mishandeling” veroordeeld tot twee maanden
gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts
heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partij toegewezen in voege als
in het arrest vermeld.

2. Het cassatie beroep
Het beroep is ingesteld door de verdachte, namens deze heeft mr M.G.
Hoogerwerf, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur een middel van cassatie
voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel
uit.

3. De conclusie van het openbaar ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.

4. Beoordeling van het eerste middel
4.1.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt onder
meer in:
Ter terechtzitting is verschenen een persoon opgevende te zijn H., die
verklaart zich in dit geding te voegen als benadeelde partij met betrekking
tot de door hem, ten gevolge van het aan verdachte telastgelegde, geleden
schade en wel tot een totaalbedrag van ƒ 6.536, samengesteld uit een bedrag
van ƒ 1.536 wegens immateriële schade en een bedrag van ƒ 5.000 wegens
materiële schade. Hij voert daartoe aan dat hij sinds 31 augustus 1994 nog
niet heeft kunnen werken en dat hij sindsdien lichamelijke klachten heeft,
welke hij voordien niet had, waarvoor hij onder behandeling is bij een
neuroloog en een fysiotherapeut. Hij deelt mede dat hij gedurende twee weken
een zogenaamde halskraag heeft moeten dragen en nog tweemaal per week
fysiotherapie heeft.

4.1.2. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij
toegewezen tot een bedrag van ƒ 4750. Aangezien de benadeelde partij ter
terechtzitting in hoger beroep niet is verschenen duurt de voeging in eerste
aanleg ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 421 Sv in hoger
beroep van rechtswege voort, voorzover de gevorderde schadevergoeding in
eerste aanleg is toegewezen.

4.1.3. Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte aldaar onder
meer aangevoerd:
Met betrekking tot de vordering van de heer H. Herhaal ik zoals ik ook reeds
in eerste instantie heb aangevoerd dat deze vordering mede gelet op het
vorenstaande bepaald niet eenvoudig van aard is en dat dientengevolge de heer
H. Niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. Immers blijkens
de memorie van toelichting bij het ook toen reeds voor Dordrecht geldende
artikel 361 lid 3 Wetboek van strafvordering moet bij vorderingen die worden
betwist en alleen door een grondig onderzoek met behulp van getuigen en
deskundigen kunnen worden beoordeeld. De strafrechter, aldus die memorie van
toelichting Tweede kamer 1989-1990 2134 nr 3 kan zich op grond van dit
artikel beperken tot beslissingen over vorderingen waarover volstrekte
duidelijkheid bestaat of waarover de gewenste duidelijkheid op eenvoudige
wijze kan worden verkregen. Wat de hoogte van een smartengeldvergoeding moet
zijn is eveneens niet eenvoudig vast te stellen omdat daarvoor tevens inzicht
nodig is in de duur van het letsel, de feitelijke beperkingen in de
beroepsuitoefening (waarvan bewijs ontbreekt), de vrijetijdsbesteding, de
pijnhevigheid en duur en de mate van blijvende functionele invaliditeit. Door
H. Is dienaangaande geen enkel bewijsstuk overgelegd. Dezerzijds wordt
overigens betwist dat H. Ten gevolge van de mishandeling daadwerkelijk
langdurig arbeidsongeschikt is geweest en ook dat hij tijdens ziekte minder
vakantiedagen opbouwt. Kortom ik meen dat de heer H. Niet ontvankelijk dient
te worden verklaard in zijn vordering.

4.1.4 het Hof heeft met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij
als volgt overwogen:
H. heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het geding over deze strafzaak
en heeft een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade tot een
bedrag van ƒ 4.750, bestaande uit ƒ 1.536 materiële schade en overigens
immateriële schade.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist. Naar het
oordeel van het hof heeft de benadeelde partij niet aangetoond dat hij
materiële schade tot een bedrag van ƒ 1.536 heeft geleden zodat de vordering
in zoverre wordt afgewezen. Het hof acht aannemelijk geworden dat de
benadeelde partij immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van ƒ 2.500
en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

4.2 Ingevolge het derde lid van art. 361 Sv. kan de rechter, indien hij van
oordeel is dat de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige
aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding, onder meer op
verzoek van de verdachte bepalen dat zij in het geheel of ten dele
niet-ontvankelijk is. Indien de rechter – ondanks een verzoek van de
verdachte om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat deze niet van
eenvoudige aard is – die vordering toch ontvankelijk oordeelt, is hij noch op
grond van art. 361 Sv. noch op grond van enige andere bepaling gehouden dat
oordeel nader te motiveren. Voorzover het middel van een andere
rechtsopvatting uitgaat faalt het derhalve.

4.3 Door de vordering van de benadeelde partij (ten dele) toe te wijzen heeft
het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat die vordering van
eenvoudige aard is. Dat oordeel is feitelijk en kan in cassatie slechts op
zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
In aanmerking genomen hetgeen de benadeelde partij ter terechtzitting in
eerste aanleg naar voren heeft gebracht, zoals hiervoor onder 4.1.1. is
weergegeven, is ’s Hofs oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van
eenvoudige aard is en dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij
immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van ƒ 2.500 in het licht van
de stukken van het geding niet onbegrijpelijk. Dat het Hof de verdachte heeft
vrijgesproken van de strafverzwarende omstandigheid dat de mishandeling van
H. zwaar lichamelijk letsel tengevolge had doet aan het vorenoverwogene niet
af.

4.4 Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.

5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop het bestreden arrest ambtshalve zou behoren te
worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Noot

In dit arrest schept de Hoge Raad enige duidelijkheid met betrekking tot een
Terwee-claim in de strafzaak. Voor de oplettenden onder u; inderdaad betreft
het een delict gepleegd voor 1 april 1995 zodat in feite de Wet Terwee niet
van toepassing is. Die geldt immers voor delicten gepleegd na die datum.
Zoals bekend zijn echter voor de invoeringsdatum van de wet twee
arrondissementen aangewezen bij wijze van experiment, waaronder Dordrecht. In
dat arrondissement speelde zich de onderhavige strafzaak af. In deze zaak
kwam de vraag aan de orde wanneer een vordering benadeelde partij van
eenvoudige aard is en welke motiveringseisen aan de rechter mogen worden
gesteld bij vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding.
De casus lag als volgt.
De verdachte had op 31 augustus 1994 een slachtoffer mishandeld en diende
zich daarvoor te verantwoorden bij de politierechter. De officier van
justitie had zware mishandeling te laste gelegd hetgeen bewezen werd
verklaard door de politierechter.
In de strafzaak had het slachtoffer zich gevoegd als benadeelde partij en een
vordering ingediend voor een totaalbedrag van ƒ 6.536 samengesteld uit een
bedrag van ƒ 1.536 voor materiële schade en een bedrag van ƒ 5.000 voor
immateriële schade. Namens de verdachte werd bezwaar gemaakt tegen de
vordering omdat deze onvoldoende was onderbouwd en niet eenvoudig van aard
was. Er werd dan ook door de verdediging verzocht de vordering van de
benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De politierechter wijst
echter de vordering van de benadeelde partij toe voor een bedrag van ƒ 4.750
waarvan ƒ 2.500 voor de immateriële schade.
De verdachte gaat in appel en het Gerechtshof te ‘s-Gravenhage doet op 14
februari 1996 uitspraak en veroordeelt de man wegens eenvoudige mishandeling.
Voorts wordt in appel namens de verdachte opnieuw verzocht om
niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van de benadeelde partij. Voor
de duidelijkheid, het slachtoffer is niet in beroep gekomen van de
gedeeltelijk toegekende schadevergoeding en heeft te kennen gegeven de
vordering te handhaven voor het door de politierechter toegekende bedrag van
ƒ 4.750.
Het hof is echter van oordeel dat de materiële schade onvoldoende is
onderbouwd door het slachtoffer en wijst deze af. Uit het arrest wordt niet
geheel duidelijk waar de materiële claim uit bestond. Mogelijk betrof dit
gederfd loon gelet op het feit dat het slachtoffer aanvoerde
arbeidsongeschikt te zijn, ofwel medische kosten. De immateriële schade wordt
wel toegewezen voor het bedrag van ƒ 2.500.

Op basis van welke bewijsmiddelen hebben nu politierechter en gerechtshof
besloten tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vordering benadeelde partij?
Blijkens de stukken heeft het slachtoffer ter onderbouwing van zijn
immateriële schadevergoeding overgelegd de aangifte waarin hij verklaart
letsel te hebben opgelopen alsmede een geneeskundige verklaring. Uit de
geneeskundige verklaring d.d. 8 september 1994 blijkt dat het gaat om
uitwendig letsel, te weten een builtje op het hoofd en een kneuzing van de
nek. Het slachtoffer heeft voorts tijdens de zitting bij de politierechter
aangevoerd sedert 31 augustus 1994 nog niet aan het werk te zijn, nog immer
lichamelijke klachten te hebben welke hij voordien niet had, nog immer onder
behandeling te zijn van een neuroloog en fysiotherapeut. Hij verklaart
gedurende twee weken een halskraag gedragen te hebben en fysiotherapie te
hebben gehad. Deze ter zitting afgelegde verklaring heeft het slachtoffer
niet onderbouwd met gegevens uit de behandelende sector althans dat blijkt
niet uit de stukken.
De verdachte gaat vervolgens in cassatie. Niet tegen de veroordeling wegens
mishandeling, wel tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde
partij.
Belangrijkste argumenten zijn schending en vormverzuim van de artikelen 361
lid 3 en 415 Sv aangezien het gerechtshof ten onrechte en zonder deugdelijke
motivering het verweer van de verdediging heeft gepasseerd dat de vordering
van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is. In de opvatting van de
raadsvrouw van verdachte was de vordering niet eenvoudig van aard omdat deze
werd betwist en alleen door middel van getuigen of deskundigen kon worden
vastgesteld.
De Hoge Raad geeft in dit arrest een duidelijk antwoord op het door de
verdediging gestelde motiveringsgebrek. Noch uit artikel 361 Sv noch uit
enige andere bepaling volgt dat het gerechtshof het oordeel dat de vordering
van de benadeelde partij ontvankelijk is en dus eenvoudig van aard, nader
dient te motiveren. Dit oordeel is voorts van feitelijke aard en kan in
cassatie slechts worden getoetst op zijn begrijpelijkheid, aldus de Hoge
Raad.
Gelet op de stukken en hetgeen door het slachtoffer bij de politierechter
naar voren is gebracht, acht de Hoge Raad het oordeel van het Gerechtshof
niet onbegrijpelijk.

Wat is de waarde van dit arrest voor de praktijk?
De verdediging had in dit geval wel een punt. Zowel politierechter als
gerechtshof hanteerden in deze zaak als bewijsmiddel onder andere een ter
zitting afgelegde verklaring door het slachtoffer, die echter niet werd
onderbouwd door medische verklaringen uit de behandelende sector.
In het algemeen geldt echter dat in de strafzaak de gestelde immateriële
schade wel degelijk onderbouwd dient te worden met gegevens uit de
behandelende sector, te weten verklaringen van artsen of psychiaters ter
voorkoming van niet-ontvankelijk verklaringen of erger nog afwijzingen. Ik
zou uit dit arrest ook niet de conclusie trekken dat immateriële
schadevergoedingen minder onderbouwing behoeven. Dit geldt evenzeer voor de
vordering tot materiële schadevergoeding. Ook deze dient te worden onderbouwd
met bewijsstukken.
De praktijk leert ook dat tot op heden geen peil valt te trekken op de hoogte
van de toe te kennen Terwee-claims. Met name de politierechter, die immers
terstond uitspraak moet doen, is nogal geneigd tot een niet-ontvankelijk
verklaring van vorderingen van de benadeelde partij omdat deze vorderingen
vaak onvoldoende onderbouwd worden gepresenteerd dan wel de schade inderdaad
niet eenvoudig is vast te stellen.
De toegekende immateriële schadevergoedingen door de politierechter lijken
voorts nogal gekoppeld te worden aan de boetes die deze rechter tot op heden
gewend was op te leggen in zaken waar het mishandelingen betrof. Vaak werd
dan ook niet meer immateriële schadevergoeding toegekend dan ƒ 1000.
In de onderhavige zaak wordt ƒ 2.500 toegekend. Blijkbaar heeft het
slachtoffer zowel politierechter als gerechtshof weten te overtuigen van de
ernst van de gevolgen van de mishandeling. Een bedrag van ƒ 2.500 voor de
gevolgen van mishandeling is overigens niet buitensporig te noemen.
Wat de hoogte van de toe te kennen immateriële schadevergoedingen in
strafzaken betreft biedt het arrest nauwelijks houvast. Het zal in
voorkomende gevallen blijven afhangen van de vraag in hoeverre de immateriële
vordering van de benadeelde partij kan worden onderbouwd met gegevens uit de
behandelende sector. Wel maakt dit arrest duidelijk dat het aan het oordeel
van de rechter is om vast te stellen of een vordering van de benadeelde
partij van eenvoudige aard is zonder dat daarvoor een uitgebreide motivering
behoeft te worden gegeven.

Gerda van Dijk

Rechters

Mrs Hermans, Bleichrodt, Corstens

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkt als ziekenverpleegkundige bij de wederpartij. Zij is
gedurende langere tijd door een patiënt wegens haar afkomst gediscrimineerd
en bedreigd. Hierover heeft zij verschillende keren bij de leiding geklaagd.
Uiteindelijk is zij door de werkgever voor ontslag voorgedragen. De Commissie
oordeelt dat de werkgever wettelijk verplicht is zich te onthouden van
discriminatie in arbeidssituaties. Deze verplichting brengt met zich mee
dat
de werkgever er op moet toezien dat ook degenen waarover hij het gezag
uitoefent zich van discriminatie onthouden. De werkgever heeft niet voldaan
aan de verplichting om verzoekster van discriminatie op de werkvloer te
vrijwaren. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 maart 1997 verzocht mevrouw T. C. te Tilburg (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of
de Stichting Zorgcentrum Tilburg Zuid te Tilburg (hierna: de wederpartij)
onderscheid maakt op grond van ras in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster werkt bij de wederpartij, een zorgcentrum. Zij is gedurende
langere tijd door een patiënt gediscrimineerd en bedreigd. Hierover heeft
zij verschillende keren bij de leiding geklaagd. Deze heeft echter nagelaten
passende maatregelen te treffen. Dit had tot gevolg dat verzoekster
arbeidsongeschikt werd. Volgens verzoekster heeft de wederpartij hiermee
in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Het verzoek is in behandeling genomen en de Commissie heeft een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft gevraagd haar verzoek met spoed
te
behandelen. De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd. Partijen hebben
hun
standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hun standpunten nader
toegelicht tijdens een zitting op 28 mei 1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoekster
– mw. T. C. (verzoekster)
– mw. C. Katu-Bin-Mara (coördinator Anti-Discriminatie Bureau
Tilburg)
– dhr. M. van Erp (vertegenwoordiger van de vakorganisatie NU’91)

van de kant van de wederpartij
– dhr. C. Vrijsen (hoofd stafafdeling Personeel & Opleiding)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen in de daarop volgende
week een gesprek zouden hebben om tot een minnelijke oplossing van het
geschil te geraken.

De zitting werd aangehouden totdat verzoekster de uitkomst van genoemd
gesprek aan de Commissie bekend zou hebben gemaakt. Dit gesprek heeft
niet plaatsgevonden en verzoekster heeft de Commissie gevraagd haar oordeel
uit te brengen.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is sinds 28 november 1986 bij de wederpartij in dienst
in de
functie van nachtverpleegkundige. Haar werktijden liggen steeds tussen
22.00
uur en 8.00 uur. Zij is vanaf april 1996 regelmatig door een patiënt bedreigd
en uitgescholden. Hierbij heeft de patiënt ook discriminerende en racistische
opmerkingen gemaakt tegen verzoekster.

Verzoekster heeft haar klachten hierover intern gemeld, zowel mondeling
als
schriftelijk. De klachten zijn eveneens ter kennis gebracht van de directie.

Op 5 juli 1996 heeft verzoekster zich ziek gemeld in verband met de
eerdergenoemde gedragingen van de patiënt.
Daarna is een aantal maatregelen getroffen waardoor verzoekster -afgezien
van acute situaties- alleen nog met de patiënt zou worden geconfronteerd
indien er een tweede verpleegkundige bij was. De patiënt zelf werd ook
op
zijn gedrag aangesproken.

Verzoekster heeft daarna haar werkzaamheden hervat en op de afgesproken
wijze verricht. Rond half september 1996 vond een evaluatie plaats. Partijen
waren daarbij eensluidend van oordeel dat de maatregelen niet het gewenste
resultaat hadden. Overplaatsing van verzoekster naar een andere afdeling
werd
door de wederpartij als enige mogelijke oplossing gezien. Verzoekster stemde
hiermee in.

Op 23 december 1996 heeft verzoekster zich vanwege het discriminerende
gedrag
van de patiënt weer ziek gemeld. Naar aanleiding daarvan heeft de wederpartij
besloten om op korte termijn tot de overplaatsing van verzoekster over
te
gaan.

Verzoekster is vervolgens een aanbod gedaan om te gaan werken op een andere
afdeling bij de wederpartij. Zij zou op die afdeling ook in de dagdienst
moeten meedraaien. Zij heeft dit geweigerd omdat zij alleen ’s nachts werkt
en dit ook in een andere functie wil blijven doen. De directeur zegt toe
naar
een oplossing te zullen zoeken.

Op 6 februari 1997 ontvangt verzoekster evenwel een brief van de advocaat
van
de wederpartij dat de wederpartij een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter
zal indienen.

Het verzoek wordt op 11 maart 1997 ingediend bij de kantonrechter te Tilburg.
De kantonrechter heeft de ontbinding op 22 april 1997 geweigerd omdat
onvoldoende aannemelijk is dat er sprake is van gewichtige redenen die
moeten
leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op korte termijn.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Zij is regelmatig door eerdergenoemde patiënt bedreigd en uitgescholden,
waarbij racistische en discriminerende uitlatingen niet van de lucht waren.
Deze incidenten heeft verzoekster telkenmale aan zowel direct als indirect
leidinggevenden gemeld. Zij heeft tevens al haar medewerking verleend om
tot
een oplossing te komen. De wederpartij heeft echter geen constructieve
houding aangenomen, waardoor het niet mogelijk is om tot een oplossing
te
komen. Overplaatsing van de patiënt wordt door de wederpartij evenmin
overwogen.
Verzoekster heeft altijd goed gefunctioneerd. Zij heeft het gevoel dat
-terwijl de oorzaak van de problemen bij de patiënt en niet bij haar ligt-
zij toch wordt aangewezen als de veroorzaakster van de problemen. Verzoekster
is bereid de overplaatsing te accepteren als de wederpartij haar een redelijk
en passend alternatief aanbiedt.

3.3. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
De arbeidsvoorwaarden zijn vastgelegd in de Collectieve Arbeidsovereenkomst
Ziekenhuiswezen, waarvan de meest recente uitgave die van 1996-1997 is.
In
deze arbeidsvoorwaarden wordt geen onderscheid op grond van ras en/of
nationaliteit gemaakt. Ook in de uitvoering van het arbeidsvoorwaardenbeleid
en het sociaal-personeelsbeleid wordt door de wederpartij geen onderscheid
gemaakt op grond van ras en/of nationaliteit.

De patiënt is herhaaldelijk aangesproken op zijn gedrag, zowel door de
teamleiding als door de directie. Hij uit zich op een wijze die niet te
tolereren is. Hem overplaatsen is moeilijk, want hij verblijft in een kamer
die aan zijn handicap is aangepast. Er is niet tegen hem gezegd dat hij
zou
worden overgeplaatst als hij niet zou stoppen met het betreffende gedrag.
De wederpartij vindt dat er te veel nadruk wordt gelegd op discriminatie.
De
patiënt in kwestie heeft niets tegen verzoekster persoonlijk. Het is voor
iedereen vervelend hem te verzorgen.

Tenslotte stelt de wederpartij dat verzoekster een starre houding heeft
aangenomen door alléén in nachtdienst te willen blijven werken. Er moet
van
beide kanten water in de wijn worden gedaan. Een oplossing ligt gemakkelijker
als verzoekster ook overdag zou kunnen werken. Degene met wie zij voor
de
nacht van werkplek zou kunnen ruilen is immers van Antilliaanse afkomst
en
zou dus met dezelfde problemen te kampen krijgen als verzoekster.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar ras heeft gemaakt bij de arbeidsvoorwaarden zoals verboden in artikel
5
lid 1 onder d van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

4.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet ruim worden uitgelegd overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Ras omvat tevens huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming.(Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, p. 13.)

4.3. Onder het verbod van onderscheid op grond van ras bij de
arbeidsvoorwaarden als genoemd in artikel 5 lid 1 onder d AWGB worden door
de
Commissie mede begrepen omstandigheden als een discriminerende bejegening
op
de werkvloer van de wederpartij. (Commissie gelijke behandeling, 9 juli
1996,
oordeel 96-62 en 20 februari 1997, oordeel 97-18.)

4.4. De verplichting van de werkgever zich te onthouden van discriminatie
op
het terrein van de arbeid brengt mee, dat de werkgever er op moet toezien
dat
ook degenen waarover hij het gezag uitoefent zich van discriminatie
onthouden.

4.5. In dit geval gaat het niet om discriminatie van een werknemer door
(een)
andere werknemer(s), maar om de wijze waarop een verpleegkundige door een
patiënt wordt bejegend. Ook in dergelijke gevallen heeft de wederpartij
de
mogelijkheid de situatie op te lossen, bijvoorbeeld door het stellen van
bindende gedragsregels of door het treffen van andere maatregelen ten
opzichte van de patiënt. Dat betekent dat -gelet op de wettelijke
gelijkheids-voorschriften- het in casu evenzeer tot de verplichtingen van
de
wederpartij behoort, er op toe te zien dat patiënten zich onthouden van
discriminerende gedragingen.

Van de werkgever kan onder omstandigheden tevens worden gevergd dat deze
aan
het betreffende personeelslid vervangende, gelijkwaardige werkzaamheden
aanbiedt, zodat het personeelslid niet langer wordt blootgesteld aan het
onheuse optreden van de
patiënt. Tekortschieten in genoemde verplichtingen betekent dat wordt
gehandeld in strijd met artikel 5 lid 1 onder d AWGB.

4.6. Onbetwist is dat er op de werkvloer van verzoekster sprake is van
aanhoudende beledigingen en bedreigingen door een patiënt die tot een
onwerkbare situatie hebben geleid voor verzoekster. Deze beledigingen zijn
mede van racistische en discriminerende aard. Hierbij is de intentie van
de
patiënt niet van belang. Het gaat immers niet om de vraag welke bedoelingen
achter zijn opmerkingen steken, maar om de bewoordingen die hij daarbij
gebruikt. De scheldwoorden verwijzen naar de huidskleur van verzoekster.

4.7. Met betrekking tot de onder 4.5. genoemde verplichtingen heeft de
wederpartij aangevoerd dat de patiënt op zijn gedrag is aangesproken, maar
dat hier geen gedragswijziging van wordt verwacht. Ter zitting is evenwel
vastgesteld dat dit niet op dwingende wijze heeft plaatsgevonden. Voorts
is
de wederpartij van mening dat de patiënt niet overgeplaatst kan worden,
omdat
hij van een speciaal aan hem aangepaste kamer gebruik maakt. De wederpartij
heeft zodoende geen maatregelen getroffen die voldoende adequaat waren
om
verzoekster op de betreffende werkplek te vrijwaren van de discriminerende
bejegening door de betreffende patiënt.

4.8. Derhalve rust op de wederpartij de verplichting onder de gegeven
omstandigheden aan verzoekster vervangende gelijkwaardige werkzaamheden
aan
te bieden. De Commissie constateert dat de wederpartij aan verzoekster
-die
in haar langdurige dienstverband uitsluitend ’s nachts werkte- vervangende
werkzaamheden heeft aangeboden die evenwel overdag dienden te worden
uitgevoerd.
Toen verzoekster dit aanbod afwees, werd daarna door de wederpartij
gesuggereerd dat zij onvoldoende aan het vinden van een oplossing
meewerkte. Deze stellingname heeft ook mede ten grondslag gelegen aan het
naderhand bij de kantonrechter ingediende ontbindingsverzoek.

Zoals ook door de kantonrechter overwogen heeft verzoekster in zekere zin
recht om uitsluitend in nachtdienst te werken vanwege het feit dat zij
reeds
langdurig uitsluitend in nachtdienst werkzaam is. Aan dit recht wordt niet
afgedaan door het feit dat de meest voor de hand liggende wisseling van
de
werkzaamheden volgens de wederpartij niet mogelijk is, omdat de betreffende
verpleegkundige, net als verzoekster, van allochtone afkomst is.
De wederpartij heeft verzoekster zodoende geen gelijkwaardige, vervangende
werkzaamheden aangeboden.

4.9. Een en ander overziend komt de Commissie tot de conclusie dat de
wederpartij heeft gefaald in haar verantwoordelijkheid om een passende
oplossing voor verzoekster te zoeken. Dat betekent dat de wederpartij niet
heeft voldaan aan eerdergenoemde verplichting om verzoekster van
discriminatie op de werkvloer te vrijwaren.
De Commissie is derhalve van oordeel dat de wederpartij verzoekster niet
de
bescherming heeft geboden waartoe een werkgever op grond van artikel 5
lid 1
onder d AWGB is gehouden.

4.10. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie hierbij op dat bovenstaande
verplichting van de werkgever niet alleen voortvloeit uit de wettelijke
gelijkheidsvoorschriften. Ook de kantonrechter heeft aangegeven dat de
wederpartij in deze een zorgplicht voor het welzijn van haar werknemers
heeft, zoals neergelegd in de artikelen 7A:1638x en 7A:1638z BW en artikel
3
leden 1 en 4 van de Arbeidsomstandighedenwet.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Zorgcentrum Tilburg Zuid
te
Tilburg jegens mevrouw T. C. te Tilburg bij de arbeidsvoorwaarden direct
onderscheid naar ras maakt zoals verboden door artikel 5 lid 1 onder d
van de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank Arnhem, 12 juni 1997

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Verdachte is, terwijl hij met toestemming van de moeder van het slachtoffer
na een feestje in het huis verbleef, bij het slachtoffer in bed gekropen.
Terwijl zij sliep heeft hij haar betast en ontucht met haar gepleegd.
Hiervoor is hij veroordeeld op grond van artikel 247 lid 1 WvSr, ontucht met
bewusteloze, geestelijk gestoorde of kind. De rechtbank zag geen grond om
verdachte te veroordelen voor feitelijke aanranding der eerbaarheid.

Volledige tekst

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen in de dagvaarding is omschreven. Aan
bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt overeenkomstig de kennisgeving van
verdere vervolging tenlastegelegd dat hij in of omstreeks de nacht van 15 op
16 juni 1996 door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met
geweld of een andere feitelijkheid A heeft gedwongen tot het plegen en/of
dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het opzettelijk ontuchtig
ontbloten van de borsten en/of het onderlichaam van die A en/of het betasten
van haar borst(en) en/of vagina en/of uit het tussen en/of tegen de
(ontblote) benen en/of (ontblote) billen brengen van zijn (ontblote) penis,
en welk geweld of andere feitelijkheid en/of welke bedreiging met geweld of
andere feitelijkheid bestond uit het misbruik maken van de omstandigheid dat
die A lag te slapen; art 246 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij in of omstreeks de nacht van 15 op 16 juni 1996 met A van wie hij,
verdachte, wist dat die A in staat van bewusteloosheid of lichamelijke
onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of
ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die A niet of
onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te
maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer ontuchtige handeling(en)
heeft gepleegd, bestaande uit het – terwijl meergenoemde A lag te slapen –
ontbloten van de borsten en het onderlichaam van die A en/of het betasten van
haar borst(en) en/of vagina en/of het tussen en/of tegen de benen en/of
billen brengen van zijn ontblote penis;
art. 247 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 30 mei 1997 ter terechtzitting onderzocht.
Daarbij is verdachte niet verschenen. Tegen verdachte is verstek verleend.

De officier van justitie heeft geëist overeenkomstig de hierna opgenomen
fotokopie van de vordering, bijlage II.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank acht het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend
bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

De rechtbank acht met name niet bewezen dat de verdachte het slachtoffer door
geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere
feitelijkheid heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van de in de
tenlastelegging nader omschreven handelingen. Het tenlastegelegde misbruik
maken van de omstandigheid dat het slachtoffer lag te slapen heeft niet
bestaan in geweld of bedreiging daarmee of bedreiging met een andere
feitelijkheid. Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin sprake van een
andere feitelijkheid dan geweld waardoor het slachtoffer tot een en ander zou
zijn gedwongen, omdat niet gezegd kan worden dat de verdachte bij het achter
het slachtoffer in bed gaan liggen en het uitvoeren van de ontuchtige
handelingen een zodanig middel heeft aangewend en zodanige druk op het
slachtoffer heeft toegepast dat het slachtoffer als gevolg daarvan die
handelingen (bewust) onderging of toeliet.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het
subsidiair tenlastegelegde heeft begaan voor zover niet doorgestreept in
bijlage III.

Hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is tenlastegelegde is niet
bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan is
gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Met iemand die in staat van onmacht verkeert buiten echt ontuchtige
handelingen plegen,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van
verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

a. de aard en de ernst van het gepleegde feit en met de omstandigheden
waaronder dit is gepleegd;
b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze
blijken uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal.
c. een uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 26 april
1997.

Ten aanzien van de aard en de duur van de op te leggen straf overweegt de
rechtbank het navolgende:

Terwijl verdachte na een feestje met toestemming van haar moeder in de woning
van aangeefster A verbleef, is verdachte bij aangeefster – die op dat moment
sliep – in bed gekropen en heeft hij ontuchtige handelingen met haar
gepleegd, daarbij gebruik makend van het feit dat zij sliep. Verdachte heeft
hierdoor op ontoelaatbare wijze misbruik gemaakt van haar lichamelijke
onmacht op dat moment. Verdachte heeft daardoor inbreuk gemaakt op haar
lichamelijke en geestelijke integriteit.

De rechtbank is van oordeel dat voor de afdoening van de onderhavige zaak
geen andere straf in aanmerking komt dan een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf, naast een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf.

7. Vordering benadeelde partij

De rechtbank heeft kennisgenomen van de civiele vordering van de benadeelde
partij A.

De rechtbank acht toewijzing van de gevorderde immateriële schade, en
gemaakte kosten voor de aanschaf van nieuw beddegoed, ondergoed en nachtjapon
tot een bedrag van ƒ xxx in redelijkheid en billijkheid toewijsbaar.
Voor wat betreft het meer en anders gevorderde is de rechtbank van oordeel
dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor
behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal de benadeelde partij A voor
wat betreft dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Op grond van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht zal
de rechtbank verdachte tevens de verplichting opleggen tot betaling aan de
Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van voornoemde benadeelde
partij.

8. Toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke
voorschriften, op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, en 27 van het Wetboek van
Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank, recht doende:

Verklaart niet bewezen dat het primair tenlastegelegde door verdachte is
begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat het subsidiair tenlastegelegde, voorzover niet
doorgestreept in bijlage III, door verdacht is begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte subsidiair meer of anders is
tenlastegelegde dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan
vrij.

Verstaat dat het aldus bewezen verklaarde oplevert het strafbare feit zoals
vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt hem voor dit feit tot a. een gevangenisstraf voor de tijd van:
twaalf (12) maanden

Bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf groot drie (3) maanden niet
zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.
De rechtbank stelt een proeftijd vast van twee (2) jaar. De tenuitvoerlegging
kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd heeft
schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal
de rechtbank de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering doorgebracht, in mindering brengen.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij A

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe en veroordeelt X
tegen kwijting aan A te betalen ƒ xx.
Veroordeelt verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt,
tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Verklaart de benadeelde partij A voor het overige niet-ontvankelijk nu de
vordering voor dat gedeelte niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent
voor behandeling in het strafgeding. Verstaat dat de vordering voorzover die
niet is toegewezen kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt aan veroordeelde X de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de
benadeelde partij A, te betalen ƒ xx, bij gebreke van volledige betaling en
volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 dagen, met
dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor
opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt daarbij dat, indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting
tot betaling aan de Staat van een bedrag van ƒ xx ten behoeve van de
benadeelde partij A daarmee de verplichting van veroordeelde om aan de
benadeelde partij een bedrag van ƒ xx te betalen komt te vervallen, en dat,
indien veroordeelde aan de benadeelde partij een bedrag van ƒ xx heeft
betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van
ƒ xx ten behoeve van de benadeelde partij komt te vervallen.

Rechters

Mrs Reinking, Lensineng en Melissen

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 12 juni 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Vader heeft kind niet erkend en wil dit alsnog doen. Tot de geboorte van het
kind, op 29 december 1987, hebben partijen een affectieve relatie gehad en
hebben zij enige jaren samengewoond. Bij de geboorte hadden zij een
LAT-relatie die medio 1989 door de moeder is beëindigd. Toen is er een
omgangsregeling tot stand gekomen van één weekend per twee weken. In april
1993 is die beëindigd. De rechtbank bepaalde in 1995 dat de vader en het kind
elkaar regelmatig een brief zullen schrijven en over en weer voorstellen
kunnen doen om iets met elkaar te gaan doen. Moeder stelt dat de erkenning
niet in het belang van het kind is, o.a. omdat dit zal leiden tot een
achternaamswijziging. Hof oordeelt dat er weliswaar sprake is van family life
tussen vader en kind, als bedoeld in artikel 8 EVRM, maar dat de moeder een
te respecteren belang heeft bij de weigering tot erkenning.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De vader is in hoger beroep gekomen van een beschikking van 23 oktober
1996 van de rechtbank te Utrecht, rekestnummer 50704 FA RK 95-5226 LW.

1.2. De moeder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld op 28 april 1997.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Uit de relatie tussen partijen is geboren S. E. M. (S.) op 25 december
1987. De vader heeft op 29 december 1987 aangifte van de geboorte gedaan. De
moeder heeft van rechtswege het ouderlijk gezag over S.. De vader heeft S.
niet erkend.

2.2. In geschil is de afwijzing bij de beschikking waarvan beroep van het
verzoek van de vader strekkende tot aanvulling van het register van de
Burgerlijke Stand van de gemeente Utrecht met een akte houdende erkenning
door hem van S. en vermelding van deze erkenning op de geboorteakte.
De vader verzoekt zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.
De moeder verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.
De procureur-generaal heeft geadviseerd tot afwijzing van het verzoek van de
vader en bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep.

2.3. Het volgende is gebleken.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en enige jaren samengewoond. Ten
tijde van de geboorte van S. woonden partijen niet meer samen maar hadden zij
nog een LAT-relatie, welke medio 1989 door de moeder is beëindigd. Tot die
tijd heeft de vader S. enkele dagen per week in het huis van de moeder
verzorgd.

Partijen zijn vervolgens een omgangsregeling overeengekomen inhoudende dat
tussen de vader en S. één weekend in de twee weken omgang zou plaatsvinden.
In april 1993 is aan deze omgangsregeling een einde gekomen.

Bij beschikking van 15 november 1995 is door de rechtbank te Utrecht een
omgangsregeling vastgesteld waarin is bepaald dat de vader en S. elkaar
regelmatig een brief zullen schrijven en over en weer voorstellen kunnen doen
om iets met elkaar te gaan doen.

De vader en S. hebben sinds 1993 sporadisch contact met elkaar gehad.

Bij brief van 26 september 1995 heeft de vader aan de ambtenaar van de
Burgerlijke Stand te Utrecht verzocht zijn vaderschap officieel te
registreren en daarvan een uittreksel aan hem te doen toekomen.

Bij brief van 5 oktober 1995 heeft de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te
Utrecht geweigerd aan het verzoek van de vader te voldoen.

2.4. Ten aanzien van de moeder is het volgende gebleken.

Zij is op 8 februari 1955 geboren en vormt met S. een gezin.

Zij betwist niet dat de vader de biologische vader van S. is, doch ziet niet
in welk belang de vader heeft bij erkenning van S..

Zij is van mening dat erkenning van S. door de vader niet in het belang is
van S., nu dit zal leiden tot een achternaamswijziging. S. is thans negen
jaar oud en draagt vanaf zijn geboorte de achternaam van de moeder. Hij is
bij alle officiële instanties en in zijn persoonlijke contacten onder die
naam bekend. De moeder is van oordeel dat het plotseling dragen van een
andere achternaam de ontwikkeling van S. zal verstoren omdat hij dan telkens
tekst en uitleg zal moeten geven van zijn nieuwe achternaam.

2.5. Ten aanzien van de vader is het volgende gebleken.

Hij is in 1944 geboren en sinoloog.

Hij is van mening dat de moeder geen te respecteren belang heeft bij haar
weigering tot het verlenen van toestemming tot erkenning door hem van S..
Voorzover het te respecteren belang van de moeder gelegen is in haar bezwaren
tegen de naamswijziging van S. na erkenning van S. door hem merkt de vader op
dat S. zijn huidige achternaam kan blijven gebruiken.
Hij stelt dat op grond van de wetswijzigingen in het naamrecht aangenomen
door de Eerste Kamer op 8 april 1997 partijen vanaf 1 januari 1998, door het
afleggen van een gezamenlijke verklaring bij de Burgerlijke Stand, kunnen
kiezen voor de achternaam van de moeder of de vader. De vader is van mening
dat het belang van de moeder bij haar weigering hiermee zal komen te
vervallen. Daarnaast is de vader van oordeel dat erkenning van S. tot gevolg
zal hebben dat deze als erfgenaam van hem zal gelden, hetgeen in het belang
van S. is, gelet op de sinds kort verschenen uitgave en, naar de vader hoopt,
het daaraan verbonden financiële gewin van een door hem geschreven boek
(‘China why”).

De vader is tot slot van mening dat de weigering van de moeder toestemming te
verlenen aan de erkenning van S. door hem slechts kan worden opgevat als
misbruik van bevoegdheid.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Vaststaat dat tussen de vader en S. sprake is van ‘family life’ in de
zin van artikel 8 EVRM.

3.2. Het hof stelt voorop dat in het geval dat tussen een vader en een kind
“family life’ in de zin van artikel 8 EVRM bestaat, weigering door de moeder
tot het verlenen van toestemming tot erkenning door de vader van het kind
misbruik van bevoegdheid kan opleveren indien de moeder bij die weigering
geen enkele te respecteren belang heeft.

3.3. Nu de moeder het kind vanaf de geboorte merendeels alleen heeft opgevoed
en verzorgd, het kind thans negen jaar oud is en vanaf zijn geboorte de
achternaam van de moeder draagt en gelet op het feit dat blijkens het
bepaalde in artikel 1:221, lid 1, tweede zijn juncto artikel 1:5, lid 2 BW S.
na erkenning van hem door de vader de achternaam van de vader zou krijgen
tegen welke naamswijziging de moeder grote bezwaren heeft omdat deze
naamswijziging ingrijpende gevolgen zou hebben voor het gezins- en privéleven
van de moeder en van S., kan niet gezegd worden dat de moeder bij haar
weigering tot het verlenen van toestemming aan de vader tot erkenning van S.
geen enkel te respecteren belang heeft. Hetgeen door de vader is aangevoerd
is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

3.4. Het verzoek van de vader tot erkenning van S. dient – vooralsnog – op
grond van de huidig wetgeving te worden afgewezen.

3.5. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Rechters

Mrs. Den Ottolander, Rodenburg en Koopmann

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker klaagt over de CAO in zijn bedrijfstak. Op grond van de CAO geldt
een kinderopvangregeling die alleen aan vrouwelijke werknemers een tegemoetkoming
in de kosten voor kinderopvang biedt. Het uitsluiten van mannelijke werknemers
is volgens hem onderscheid op grond van geslacht.
Eén van de voorwaarden voor de wettelijk toegestane voorkeursbehandeling
van vrouwen is de feitelijke achterstandspositie van vrouwen. In het voorliggende
geval vormt evenwel niet de (eventuele) feitelijke ongelijkheid van vrouwen
in (delen van) de betreffende sector de grond, maar de vrees voor onvoldoende
aanbod van personeel.
De Commissie stelt vast dat er in dit geval geen sprake is van een onderscheid
dat tot doel heeft om vrouwen een bevoorrechte positie toe te kennen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen. Derhalve is de uitzondering van
artikel 2 lid 3 AWGB hier niet van toepassing. De Commissie oordeelt dat
er sprake is van strijd met de wet. De regeling heeft namelijk niet tot
doel om feitelijke achterstanden voor vrouwen op te heffen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 5 februari 1997 verzocht de heer (….) te Nijmegen
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
Georganiseerd Overleg voor de Vleesgroothandel en
Exportslachterijen te Den Haag (hierna: de wederpartij)
onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker is werkzaam bij (….) te (….), dat de door de wederpartij
gesloten CAO toepast. Bij dit bedrijf heeft verzoeker een verzoek ingediend
voor een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang op grond van artikel
45 van de CAO voor de Vleesgroothandel en Exportslachterijen. Het verzoek
is afgewezen, omdat in principe alleen vrouwelijke werknemers voor deze
regeling in aanmerking komen. Verzoeker is van mening dat de regeling in
strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Het verzoek is in behandeling genomen en de Commissie heeft een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.2. Vervolgens zijn partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten
tijdens de zitting van de Commissie op 12 mei 1997.
De onderhavige zaak is ter zitting gevoegd behandeld met het verzoek waarin
verzoeker om een oordeel heeft gevraagd inzake het handelen van de werkgever
in deze (oordeel 97-67).

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (secretaris Georganiseerd overleg voor de Vleesgroothandel
en Exportslachterijen)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft een dienstbetrekking bij een bedrijf in de vleessector
te (….). Verzoeker heeft bij dit bedrijf een verzoek ingediend voor een
tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Het verzoek om hem een tegemoetkoming
toe te kennen in de kosten van kinderopvang is door het bedrijf afgewezen.
Als reden hiervoor is gegeven dat het bedrijf de CAO voor Vleesgroothandel
en Exportslachterijen volgt.

Artikel 45 van de CAO voor de Vleesgroothandel en Exportslachterijen luidt;
‘In de kosten van kinderopvang wordt een tegemoetkoming van ƒ 200 per maand
per werkneemster gegeven, indien zij de werkgever de factuur overlegt van
de daartoe bevoegde instelling die de kinderopvang verzorgt.’
Volgens de werkgever betekent dit dat het artikel alleen voor vrouwelijke
werknemers geldt.

3.2. Op grond van artikel 50 van de CAO voor Vleesgroothandel en Exportslachterijen
is de Vaste Commissie ingesteld ter bevordering van de eenvoudige uitlegging
en toepassing van de bepalingen van deze CAO en ter voorkoming van geschillen
omtrent de uitlegging en toepassing daarvan. De gemachtigde van verzoeker
heeft aan de Vaste Commissie de vraag voorgelegd, of de door de werkgever
gegeven interpretatie van artikel 45 van de CAO de juiste is.
De Vaste Commissie heeft op 6 december 1996 vastgesteld dat de werkgever
conform artikel 45 van de CAO heeft gehandeld.
De Vaste Commissie is wel van mening dat artikel 45 op gespannen voet staat
met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Enkele bedrijven in de
vleessector laten zowel werknemers als werkneemsters toe tot de regeling,
aldus de Vaste Commissie.
De Vaste Commissie geeft ook aan dat zij haar visie zal melden aan de sociale
partners. Ze hoopt daarmee te bevorderen dat het artikel zal worden aangepast.

3.3. De betreffende CAO is recentelijk met 11 maanden verlengd en zal gelden
tot en met 28 februari 1998. Hoewel er voorstellen waren om het betreffende
artikel te wijzigen, is dit tengevolge van onverwachte gebeurtenissen in
de sector niet gebeurd.
Vóór 28 februari 1998 zal geen verandering meer in de bepaling optreden.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker is van mening dat artikel 45 van de CAO voor Vleesgroothandel
en Exportslachterijen in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

3.5. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
De wederpartij stelt dat de kinderopvangregeling zoals is verwoord in artikel
45 van de CAO is afgesproken omdat een dergelijke regeling aansloot bij
de wens om een aantrekkelijk werkgever voor mannen en vrouwen te zijn.
Hierbij is gekozen voor de bestaande tekst, waarbij het in elk geval aan
werkgeverszijde als gunstig werd beoordeeld dat positieve discriminatie
plaatsvond. Dit laatste om het werk in de sector aantrekkelijker te maken
voor vrouwen in het licht van verwachte problemen van onvoldoende aanbod
van nieuw personeel. De wederpartij hanteert overigens geen voorkeursbeleid
voor vrouwen.

Ten aanzien van het budget merkt de wederpartij op dat er geen sprake is
van een `branche-breed’ budget. Een budget dat door allen wordt gevoed
en waaruit bij noodzaak een beroep op kan worden gedaan, bestaat niet.
De eventuele kosten worden door het desbetreffende bedrijf gedragen. Bekend
is dat sommige werkgevers de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
ook aan mannelijke werknemers toekennen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling door hem geen tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
toe te kennen.

4.2. Aangezien de kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde is aan
te merken, moet deze regeling worden getoetst aan artikel 5 lid 1 onderdeel
d AWGB dat bepaalt dat in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen
mannen en vrouwen mag worden gemaakt. Artikel 2 Lid 3 van de AWGB schrijft
voor dat van het genoemde verbod mag worden afgeweken, indien het onderscheid
tot doel heeft vrouwen een bevoorrechte positie toe te kennen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het onderscheid
in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 2 lid 4 van de Tweede Richtlijn van
de Europese Gemeenschappen betreffende de gelijke behandeling van mannen
en vrouwen. (EG-Richtlijn 76/207, 9 februari 1976, PB EG 1976, L39.)

4.3. De wederpartij heeft te kennen gegeven dat het toekennen van een tegemoetkoming
in de kosten van kinderopvang aan vrouwen is gebaseerd op de wens om ook
voor vrouwen een aantrekkelijk werkgever te zijn. Eén en ander in het licht
van verwachte problemen van onvoldoende aanbod van nieuw personeel.

De wederpartij zegt op die manier een voorkeursbehandeling voor vrouwen
toe te passen. Voorkeursbehandeling is één van de wettelijk toegestane
uitzonderingen op de gelijke behandelingsnorm.
Eén van de voorwaarden voor de wettelijk toegestane voorkeurs-
behandeling van vrouwen is de feitelijke achterstandspositie van vrouwen.
(Tweede Kamer 1990-1991, 22014, nr.3, p. 14). In het voorliggende geval
vormt evenwel niet de (eventuele) feitelijke ongelijkheid van vrouwen in
(delen van) de betreffende sector de grond, maar de vrees voor onvoldoende
aanbod van personeel.
De Commissie stelt vast dat er in dit geval geen sprake is van een onderscheid
dat tot doel heeft om vrouwen een bevoorrechte positie toe te kennen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen.
Derhalve is de uitzondering van artikel 2 lid 3 AWGB hier niet van toepassing.
Evenmin is gesteld noch gebleken dat één van de andere wettelijke uitzonderingsmogelijkheden
op het wettelijk verbod van onderscheid op grond van geslacht van toepassing
zijn.
Daarmee staat vast dat er sprake is van een verboden onderscheid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Georganiseerd Overleg
voor de Vleesgroothandel en Exportslachterijen te ‘s-Gravenhage jegens
de heer (….) onderscheid naar geslacht bij de arbeidsvoorwaarden heeft
gemaakt als verboden in artikel 5 lid 1 onder d. van de Algemene wet gelijke
behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. vander Heijden (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van beveiligings-receptioniste.
Voor deze functie is het van belang dat er goed verstaanbaar Nederlands
moet worden gesproken. Hier zou zij niet aan voldoen volgens de werkgever
omdat zij een Surinaams accent heeft. Een deskundige op het gebied van
de taalwetenschap heeft geconstateerd dat verzoekster zonder meer verstaanbaar
Nederlands, met een duidelijke dictie en een zorgvuldige articulatie heeft
gesproken. De werkgever is van mening dat een Surinaams accent `geen goed
corporate image’ is. De Commissie oordeelt dat de afwijzing van verzoekster
zodanig is verweven met haar etnische afkomst dat de werkgever onderscheid
op grond van ras heeft gemaakt. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 5 november 1996 verzocht mevrouw (….) te Amsterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling de haar oordeel uit te spreken over de
vraag of (….) (hierna: de wederpartij) onderscheid op grond van ras heeft
gemaakt zoals bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft driemaal bij de wederpartij gesolliciteerd naar
de functie van beveiligingsreceptioniste. Zij is elke keer afgewezen. Verzoekster
is van mening dat zij niet is aangenomen vanwege haar Surinaamse accent
en dat de wederpartij daarmee in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft de Commissie verzocht om een spoedprocedure
toe te passen. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 15 april 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw (….) (verzoekster)
– mw (….) (gemachtigde Meldpunt Discriminatie Amsterdam)

van de kant van de wederpartij
– dhr (….) (personeelsfunctionaris)
– mw mr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M. G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer)
– dhr. mr. drs. V. Everhardt (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een particulier beveiligingsbedrijf met verschillende
regiovestigingen. Er zijn circa 1400 werknemers werkzaam, die grotendeels
bij opdrachtgevers gestationeerd zijn ter uitvoering van de beveiligingstaken.
Verzoekster is van Surinaamse afkomst. Zij heeft naar aanleiding van een
advertentie drie maal gesolliciteerd naar de functie van beveiligingsreceptioniste.

3.2. De taken van een beveiligingsreceptioniste zijn enerzijds het bewaken
van het gebouw en anderzijds dienstverlening aan de receptie zoals het
ontvangen en doorverwijzen van bezoekers, het opnemen van de telefoon en
dergelijke.
De opleidingseisen voor de functie van beveiligingsreceptioniste zijn:
LBO-C/MAVO-niveau en het in bezit zijn van het diploma van algemeen beveiligingsmedewerker
(voorheen: het basisdiploma beveiliging). Daarnaast worden er eisen gesteld
met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal, representativiteit
en klantgerichtheid. De taaleis staat niet vermeld in de advertentie. Voldoende
schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal wordt afgeleid uit het
behalen van het diploma algemeen beveiligingsmedewerker. Ervaring wordt
niet vereist.

3.3. Verzoekster heeft in februari 1996 voor het eerst gesolliciteerd bij
de wederpartij naar de functie van beveiligingsreceptioniste in de regio
Amsterdam. Verzoekster was op dat moment nog niet in het bezit van het
basisdiploma beveiliging. Zij is schriftelijk afgewezen met als reden dat
na selectie de voorkeur werd gegeven aan een andere kandidaat. Naar aanleiding
van haar tweede sollicitatie in juni 1996 is verzoekster opgeroepen voor
een gesprek. Inmiddels was zij in het bezit van het vereiste basisdiploma.
Zij werd wederom schriftelijk afgewezen. In deze afwijzingsbrief stond
vermeld dat verzoekster telefonisch nader kon informeren naar de reden
van afwijzing. Dit heeft verzoekster niet gedaan. Verzoekster heeft voor
de derde keer in oktober 1996 gesolliciteerd. Deze keer werd zij opgeroepen
voor een gesprek op 23 oktober 1996.

3.4. Tijdens dit gesprek op 23 oktober 1996 deelde de personeelsfunctionaris
van de wederpartij mee dat verzoekster bij de tweede sollicitatie was afgewezen
wegens haar Surinaamse accent. Om deze reden zou zij ook deze keer niet
in aanmerking komen voor de functie van beveiligingsreceptioniste. Verzoekster
was per abuis opgeroepen. De personeelsfunctionaris heeft in hetzelfde
gesprek verzoekster voorgesteld om iets aan haar Surinaamse accent te doen
door middel van logopedie. Als het accent vervolgens zou zijn verminderd
zou verzoekster opnieuw bij de wederpartij kunnen solliciteren. Verzoekster
heeft dit voorstel afgeslagen.

3.5. Na de derde afwijzing heeft een kennis van verzoekster (hierna: de
getuige) namens haar telefonisch contact opgenomen met de betreffende personeelsfunctionaris
van de wederpartij om nader te informeren naar de reden van afwijzing.
Een schriftelijke verklaring van dit gesprek is door verzoekster overgelegd
en door de wederpartij niet betwist. Volgens deze verklaring was verzoekster
een geschikte kandidaat. De enige reden voor de afwijzing was het Surinaamse
accent. De klanten van de wederpartij stelden het op prijs om te woord
te worden gestaan door een accentloze receptioniste. Verzoekster zou daarom
ook zijn afgewezen als zij een plat Amsterdams accent zou hebben gehad.

3.6. Verzoekster heeft naar aanleiding van de afwijzing een telefonisch
gesprek van circa vijf minuten gevoerd met een medewerkster van de Vakgroep
Algemene Taalwetenschap en Dialectologie van de Katholieke Universiteit
Nijmegen (hierna: de deskundige). Een verklaring van dit gesprek, dat volgens
de deskundige niet gekwalificeerd kan worden als een onderzoek, is bij
de stukken overgelegd.
De deskundige heeft geconstateerd dat verzoekster Nederlands met een duidelijk
waarneembaar Surinaams accent spreekt. Daarnaast was zij de mening toegedaan
dat verzoekster een aangename heldere stem heeft en zonder meer verstaanbaar
Nederlands spreekt, met een duidelijke dictie en een zorgvuldige articulatie.

De deskundige voegde hier nog aan toe dat nergens in de literatuur gerapporteerd
is dat Nederlands met een Surinaams accent voor moedertaalsprekers van
het Nederlands minder verstaanbaar zou zijn dan het Standaard Nederlands.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt het volgende.

3.7. Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd met de AWGB
handelt. In artikel 5 lid 1 AWGB is het verboden onderscheid te maken op
grond van afkomst bij het aanbieden van dienstbetrekkingen. De afwijzing
op grond van een Surinaams accent is in feite een afwijzing op grond van
afkomst.

3.8. Verzoekster onderschrijft de mening van de deskundige zoals die onder
3.6. is weergegeven.

3.9. De wederpartij stelt het volgende.

Er is niet gehandeld in strijd met de AWGB. De eisen die in verband met
representativiteit aan de functie van beveiligingsreceptioniste worden
gesteld kunnen in redelijkheid worden gesteld. In deze functie worden dagelijks
honderden diverse mensen te woord gestaan. Om deze reden wordt in samenspraak
met de opdrachtgevers de eis gesteld dat er in redelijke mate verstaanbaar
Nederlands moet worden gesproken.
De opdrachtgevers stellen het op prijs dat er accentloos Nederlands wordt
gesproken in representatieve functies zoals beveiligingsreceptioniste.
Een beveiligingsreceptioniste fungeert immers als visitekaartje van het
bedrijf.

Ter zitting stelt de wederpartij dat goed verstaanbaar Nederlands moet
worden gesproken. Personen met een spraakgebrek of die een zodanig van
het algemeen aanvaard Nederlands afwijkend spraakgebruik hebben, dat zij
niet voldoen aan de eisen voor representatie, worden niet aangenomen. Deze
eisen gelden voor alle sollicitanten, van welke afkomst dan ook.
Voorts stelt de wederpartij dat mensen die met een Surinaams accent spreken
geen goed `corporate image’ geven. Uit commerciële overwegingen is de wederpartij
genoodzaakt rekening te houden met de eisen van de klanten.

3.10. Verzoekster is niet afgewezen op grond van een Surinaams accent,
maar vanwege haar zeer zware Surinaamse accent. Een zwaar accent, of dat
nu Haags, Amsterdams of Surinaams is en de verstaanbaarheid in de weg staat,
is voor de wederpartij en haar opdrachtgevers niet acceptabel. Verzoekster
voldeed dus niet aan de gestelde eisen en was ook niet bereid daar verandering
in te brengen.

3.11. De wederpartij onderkent dat de deskundige anders heeft geoordeeld
dan haar personeelsfunctionaris. De wederpartij tekent er echter wel bij
aan dat de mening van de deskundige slechts gebaseerd is op een telefoongesprek
van vijf minuten. De contacten die de beveiliginsreceptioniste heeft bij
de opdrachtgever duren doorgaans langer.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van ras heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking door verzoekster af te wijzen voor de functie
van beveiligingsreceptioniste vanwege haar Surinaamse accent en daardoor
in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB,
onder meer het maken van onderscheid naar ras bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking.

Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid.
Van indirect onderscheid is sprake indien op grond van andere hoedanigheden
of gedragingen dan ras onderscheid wordt gemaakt, dat direct onderscheid
naar ras tot gevolg heeft.

Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst,
of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,
nr. 3, pag. 13.).

4.3. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende.

De Commissie stelt vast dat in de advertentie voor de functie van beveiligingsreceptioniste
geen taaleis is opgenomen. Voor de betreffende functie worden bij de selectie
wel eisen gesteld met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal.
Voor wat de schriftelijke beheersing betreft is de eis die de wederpartij
stelt duidelijk en is voorts onbetwist dat verzoekster daaraan voldoet.
De eisen die de wederpartij echter stelt ten aanzien van de mondelinge
taalbeheersing zijn niet eenduidig. Uit de verklaringen van de wederpartij
blijkt dat zij verschillende taaleisen stelt. Deze variëren van: in redelijke
mate verstaanbaar Nederlands spreken, goed verstaanbaar Nederlands spreken,
een niet te zeer afwijkend algemeen aanvaard Nederlands spreken tot `accentloos
Nederlands’ spreken.

4.4. De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat aan een functie taaleisen
gesteld kunnen worden, indien deze functioneel van aard zijn (Zie Oordelen
Commissie gelijke behandeling 27 september 1997, oordeel 96-75 en oordeel
96-76; 19 november 1996, oordeel 96-101). Voor wat de functie van beveiligingsreceptioniste
betreft is niet betwist dat aan deze functie eisen kunnen worden gesteld
ten aanzien van de taalbeheersing. De Commissie acht in het onderhavige
geval voldoende onderbouwd dat het functioneel is dat er goed verstaanbaar
Nederlands moet worden gesproken. Het dienstverlenende karakter van de
functie brengt met zich dat betrokkene veelvuldig mondeling met bezoekers
moet communiceren.

4.5. De wederpartij heeft verzoekster afgewezen, naar zij zelf stelt, niet
vanwege haar Surinaamse accent, maar vanwege haar zeer zware Surinaamse
accent. De wederpartij stelt voorts dat een zwaar accent dat aan de verstaanbaarheid
in de weg staat voor haar en haar opdrachtgevers niet acceptabel is. De
wederpartij geeft hiermee aan dat verzoekster door haar zeer zware Surinaamse
accent niet goed verstaanbaar is en derhalve niet aan de door haar en haar
opdrachtgevers gestelde taaleis voldoet.

4.6. De Commissie rekent het niet tot haar taak om te beoordelen of een
verzoeker al dan niet geschikt is voor een functie, zoals de Commissie
reeds in eerdere zaken heeft geoordeeld (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling, 27 september 1996 oordeel 96-76.). De taak van de Commissie
is om na te gaan of er bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid
onderscheid is gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
Daarbij wordt de beoordeling over de geschiktheid in zoverre betrokken
dat, indien de sollicitant op ondeugdelijke gronden is afgewezen, dit aanleiding
kan zijn tot het vermoeden dat daarbij verboden onderscheid, in dit geval
naar ras, een rol heeft gespeeld.

4.7. Volgens de verklaring van de deskundige die circa vijf minuten met
verzoekster gesproken heeft, spreekt verzoekster zonder meer verstaanbaar
Nederlands, met een duidelijke dictie en een zorgvuldige articulatie. De
deskundige heeft tevens verklaard dat nergens in de literatuur gerapporteerd
is dat Nederlands met een Surinaams accent voor moedertaalsprekers van
het Nederlands minder verstaanbaar zou zijn dan het Standaard Nederlands.
Ook de Commissie is op grond van haar eigen waarneming ter zitting, waarbij
verzoekster veelvuldig zelf het woord heeft gevoerd, van oordeel dat verzoekster
goed verstaanbaar Nederlands spreekt. Voorts dat er geen sprake is van
een zwaar Surinaams accent. De Commissie is op grond van het vorenstaande
van oordeel dat de door de wederpartij gegeven reden voor afwijzing van
verzoekster niet deugdelijk is.

4.8. Vervolgens is aan de orde de vraag of door de afwijzing van verzoekster
vanwege haar Surinaamse accent jegens haar direct of indirect onderscheid
naar ras is gemaakt.
De Commissie constateert dat het Surinaamse accent van verzoekster in de
loop van de procedure steeds meer werd benadrukt, in die zin dat er sprake
zou zijn: niet van een Surinaams accent, maar van een zeer zwaar Surinaams
accent.
Zowel uit de verklaring van de getuige als van de wederpartij blijkt dat
door de wederpartij uit commerciële overwegingen aan de eisen van klanten
wordt voldaan. De wederpartij heeft dit ter zitting nader toegelicht door
aan te geven dat haar opdrachtgevers vinden dat een Surinaams accent `geen
goed corporate image’ is.

4.9. Het geheel overziende is de Commissie van oordeel dat de afwijzing
van verzoekster zodanig is verweven met haar etnische afkomst dat de wederpartij
jegens haar direct onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

4.10. Ten overvloede overweegt de Commissie ten aanzien van de taaleis
accentloos Nederlands het volgende. De wederpartij heeft als verweer aangevoerd
dat voor een representatieve functie als die van beveiligingsreceptioniste
het vereiste van accentloos Nederlands spreken wordt gesteld. De Commissie
heeft reeds eerder geoordeeld dat het hanteren van deze functie-eis bij
de werving of selectie indirect onderscheid naar ras of nationaliteit tot
gevolg heeft. Niet ontkend wordt dat door genoemde taaleis ook sollicitanten
van autochtone afkomst vanwege hun uitspraak afgewezen kunnen worden. Een
dergelijke taaleis treft echter merendeels personen die niet vanaf hun
eerste kinderjaren in Nederland hebben gewoond. Dit zijn in overwegende
mate personen van niet-Nederlandse etnische of nationale afstamming of
niet Nederlandse nationaliteit (Zie Commissie gelijke behandeling, 19 november
1996, oordeel 96-101).
In het onderhavige geval komt de Commissie niet toe aan de beoordeling
van de vraag of het hanteren van de taaleis van accentloos Nederlands objectief
gerechtvaardigd is, nu reeds op de hiervoor genoemde gronden sprake is
van direct onderscheid naar ras.

4.11. Aanbeveling van de Commissie

Zoals hiervoor reeds gesteld stelt de wederpartij geen eenduidige taaleisen
bij de selectie voor de onderhavige procedure. Dit kan tot gevolg hebben
dat deze functie-eis willekeurig wordt toegepast. Voorts is daardoor niet
controleerbaar of een sollicitant al dan niet terecht is afgewezen. De
Commissie beveelt derhalve de wederpartij aan, voorzover aan een functie
in redelijkheid taaleisen gesteld kunnen worden, zorgvuldig na te gaan
welk niveau van taalbeheersing voor de betreffende functie noodzakelijk
is. Deze functie-eis dient reeds in de advertentie bekend te worden gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Amsterdam jegens
mevrouw (….) te Amsterdam direct onderscheid naar ras heeft gemaakt bij
de behandeling bij de vervulling van de openstaande betrekking, zoals verboden
in artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene wet Gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M. G.Nicolai (lid Kamer), dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer), dhr. mr.drs. V. Everhardt (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker krijgt volgens de CAO (zie oordeel 97-67) geen tegemoetkoming
in de kosten voor kinderopvang. Verzoeker meent dat de regeling in strijd
is met de wetgeving gelijke behandeling. De werkgever heeft niet gesteld
dat er in zijn bedrijf een voorkeursbeleid wordt toegepast dat is gericht
op het opheffen of verminderen van feitelijke ongelijkheden. Ook het feit
dat het bedrijf de CAO volgt, betekent niet dat zij de wet niet hoeft na
te leven. Strijd met wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 5 februari 1997 verzocht de heer (….) te Nijmegen (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of (….) te (….) (hierna: de wederpartij) onderscheid
maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij. Hij heeft bij de wederpartij
een verzoek ingediend voor een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang
op grond van artikel 45 van de CAO voor de Vleesgroothandel en Exportslachterijen.
Het verzoek is afgewezen, omdat alleen vrouwelijke werknemers voor deze
regeling in aanmerking komen. Verzoeker is van mening dat de regeling in
strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Het verzoek is in behandeling genomen en de Commissie heeft een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.2. Vervolgens zijn partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten
tijdens de zitting van de Commissie op 12 mei 1997.
De onderhavige zaak is ter zitting gevoegd behandeld met een zaak waarin
verzoeker over dezelfde regeling om een oordeel heeft gevraagd inzake het
handelen van de betrokken CAO-partijen (oordeel 97-67).

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. (….) (secretaris Georganiseerd overleg voor de Vleesgroothandel
en exportslachterijen)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft een dienstbetrekking bij de wederpartij. Verzoeker
heeft bij de wederpartij een verzoek ingediend voor een tegemoetkoming
in de kosten van kinderopvang. Het verzoek om in aanmerking te komen voor
deze tegemoetkoming is door de weder-partij afgewezen.
Als reden hiervoor is gegeven dat de wederpartij de CAO voor Vleesgroothandel
en Exportslachterijen volgt.

Artikel 45 van de CAO Vleesgroothandel en Exportslachterijen luidt als
volgt:
`In de kosten van kinderopvang wordt een tegemoetkoming van ƒ 200 per maand
per werkneemster gegeven, indien zij de werkgever de factuur overlegt van
de daartoe bevoegde instelling die de kinderopvang verzorgt.’

Volgens de werkgever betekent dit dat het artikel alleen voor vrouwelijke
werknemers geldt.

3.2. Op grond van artikel 50 van de CAO voor Vleesgroothandel en Exportslachterijen
is de Vaste Commissie ingesteld ter bevordering van de eenvoudige uitlegging
en toepassing van de bepalingen van deze CAO en ter voorkoming van geschillen
omtrent de uitlegging en toepassing daarvan. De gemachtigde van verzoeker
heeft aan de Vaste Commissie de vraag voorgelegd, of de door de werkgever
gegeven interpretatie van artikel 45 van de CAO de juiste is.
De Vaste Commissie heeft op 6 december 1996 vastgesteld dat de wederpartij
conform artikel 45 van de CAO heeft gehandeld.
De Vaste Commissie is wel van mening dat artikel 45 op gespannen voet staat
met de Algemene wet gelijke behandeling. Enkele bedrijven in de vleessector
laten zowel werknemers als werkneemsters toe tot de regeling, aldus de
Vaste Commissie.
De Vaste Commissie geeft ook aan dat zij haar visie zal melden aan de sociale
partners die zijn vertegenwoordigd in het Georganiseerd Overleg. Ze hoopt
daarmee te bevorderen dat het artikel zal worden aangepast.

3.3. De betreffende CAO is recentelijk met 11 maanden verlengd en zal gelden
tot en met 28 februari 1998. Hoewel er voorstellen waren om het betreffende
artikel te wijzigen, is dit tengevolge van onverwachte gebeurtenissen in
de sector niet gebeurd.
Vóór 28 februari 1998 zal geen verandering meer in de bepaling optreden.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker is van mening dat artikel 45 van de CAO voor Vleesgroothandel
en Exportslachterijen in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

3.5. De wederpartij stelt dat ze geen andere regeling met betrekking tot
kinderopvang hanteert dan die conform artikel 45 van de CAO voor Vleesgroothandel
en Exportslachterijen

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling door hem geen tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang
toe te kennen.

4.2. Aangezien de kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde is aan
te merken, moet deze regeling worden getoetst aan artikel artikel 7:646
Burgerlijk Wetboek (BW). Deze bepaling was voor 1 april 1997 vervat in
artikel 7A:1637ij BW.
Artikel 7:646 BW bepaalt onder andere dat een werkgever in de arbeidsvoorwaarden
geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken. Lid 4 van dit artikel
schrijft voor dat van het in lid 1 genoemde verbod mag worden afgeweken,
indien het bedingen betreft die vrouwelijke werknemers in een bevoorrechte
positie beogen te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen
of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat
tot het beoogde doel.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 2 lid 4 van de Tweede Richtlijn van
de Europese Gemeenschappen betreffende de gelijke behandeling van mannen
en vrouwen. (EG-Richtlijn 76/207, 9 februari 1976, PB EG 1976, L39.)

4.3. In het oordeel in de gevoegde zaak heeft de Commissie vastgesteld
dat er geen sprake is van een wettelijk toegestaan voorkeursbeleid in de
betreffende sector. De bepaling op grond waarvan uitsluitend vrouwelijke
werknemers een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang krijgen
is ingegeven door te verwachten problemen in verband met onvoldoende aanbod
van personeel. Door het geven van de onderhavige vergoeding tracht de wederpartij
zijn aantrekkelijkheid als werkgever voor met name vrouwen te vergroten.
Een wettelijk toegestaan voorkeursbeleid kan echter alleen gebaseerd worden
op het opheffen van achterstandspositie van vrouwen (zie oordeel 97-67).

De wederpartij heeft niet gesteld dat er in zijn bedrijf een voorkeursbeleid
wordt toegepast dat is gericht op het opheffen of verminderen van feitelijke
ongelijkheden.
Het feit dat de wederpartij verplicht is de CAO te volgen, ontslaat haar
niet van de verplichting tot naleving van artikel 7:646/7A:1637ij BW. Deze
verplichting richt zich tot iedere werkgever en kan niet ontlopen worden
door een verwijzing naar collectieve afspraken. (Zie met name: Commissie
gelijke behandeling, 30 oktober 1995, oordeel 95-44.)
Daarbij wijst de Commissie er op, dat de wederpartij in de gevoegde zaak
naar voren heeft gebracht, dat er andere werkgevers in de sector zijn die
onder dezelfde CAO de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang ook
aan mannelijke werknemers verstrekken.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Druten jegens de
heer (….) te Nijmegen onderscheid naar geslacht bij de arbeidsvoorwaarden
heeft gemaakt als verboden in artikel 7:646 Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. vander Heijden (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix(secretaris Kamer)