Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker klaagt over de CAO in zijn bedrijfstak. Op grond van de CAO geldt
een kinderopvangregeling die alleen aan vrouwelijke werknemers een tegemoetkoming
in de kosten voor kinderopvang biedt. Het uitsluiten van mannelijke werknemers
is volgens hem onderscheid op grond van geslacht. De Commissie oordeelt
dat er inderdaad sprake is van strijd met de wet. De regeling heeft namelijk
niet tot doel om feitelijke achterstanden voor vrouwen op te heffen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 5 februari 1997 verzocht de heer (….) te Nijmegen
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
Georganiseerd Overleg voor de Vleesgroothandel en
Exportslachterijen te Den Haag (hierna: de wederpartij)
onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker is werkzaam bij (….) te (….), dat de door de wederpartij
gesloten CAO toepast. Bij dit bedrijf heeft verzoeker een verzoek ingediend
voor een tegemoetkoming in de kosten voor kinderopvang op grond van artikel
45 van de CAO voor de Vleesgroothandel en Exportslachterijen. Het verzoek
is afgewezen, omdat in principe alleen vrouwelijke werknemers voor deze
regeling in aanmerking komen. Verzoeker is van mening dat de regeling in
strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Het verzoek is in behandeling genomen en de Commissie heeft een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.2. Vervolgens zijn partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten
tijdens de zitting van de Commissie op 12 mei 1997.
De onderhavige zaak is ter zitting gevoegd behandeld met het verzoek waarin
verzoeker om een oordeel heeft gevraagd inzake het handelen van de werkgever
in deze (oordeel 97-67).

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (secretaris Georganiseerd overleg voor de Vleesgroothandel
en Exportslachterijen)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft een dienstbetrekking bij een bedrijf in de vleessector
te (….). Verzoeker heeft bij dit bedrijf een verzoek ingediend voor een
tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Het verzoek om hem een tegemoetkoming
toe te kennen in de kosten van kinderopvang is door het bedrijf afgewezen.
Als reden hiervoor is gegeven dat het bedrijf de CAO voor Vleesgroothandel
en Exportslachterijen volgt.

Artikel 45 van de CAO voor de Vleesgroothandel en Exportslachterijen luidt;
‘In de kosten van kinderopvang wordt een tegemoetkoming van ƒ 200 per maand
per werkneemster gegeven, indien zij de werkgever de factuur overlegt van
de daartoe bevoegde instelling die de kinderopvang verzorgt.’
Volgens de werkgever betekent dit dat het artikel alleen voor vrouwelijke
werknemers geldt.

3.2. Op grond van artikel 50 van de CAO voor Vleesgroothandel en Exportslachterijen
is de Vaste Commissie ingesteld ter bevordering van de eenvoudige uitlegging
en toepassing van de bepalingen van deze CAO en ter voorkoming van geschillen
omtrent de uitlegging en toepassing daarvan. De gemachtigde van verzoeker
heeft aan de Vaste Commissie de vraag voorgelegd, of de door de werkgever
gegeven interpretatie van artikel 45 van de CAO de juiste is.
De Vaste Commissie heeft op 6 december 1996 vastgesteld dat de werkgever
conform artikel 45 van de CAO heeft gehandeld.
De Vaste Commissie is wel van mening dat artikel 45 op gespannen voet staat
met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Enkele bedrijven in de
vleessector laten zowel werknemers als werkneemsters toe tot de regeling,
aldus de Vaste Commissie.
De Vaste Commissie geeft ook aan dat zij haar visie zal melden aan de sociale
partners. Ze hoopt daarmee te bevorderen dat het artikel zal worden aangepast.

3.3. De betreffende CAO is recentelijk met 11 maanden verlengd en zal gelden
tot en met 28 februari 1998. Hoewel er voorstellen waren om het betreffende
artikel te wijzigen, is dit tengevolge van onverwachte gebeurtenissen in
de sector niet gebeurd.
Vóór 28 februari 1998 zal geen verandering meer in de bepaling optreden.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker is van mening dat artikel 45 van de CAO voor Vleesgroothandel
en Exportslachterijen in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

3.5. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
De wederpartij stelt dat de kinderopvangregeling zoals is verwoord in artikel
45 van de CAO is afgesproken omdat een dergelijke regeling aansloot bij
de wens om een aantrekkelijk werkgever voor mannen en vrouwen te zijn.
Hierbij is gekozen voor de bestaande tekst, waarbij het in elk geval aan
werkgeverszijde als gunstig werd beoordeeld dat positieve discriminatie
plaatsvond. Dit laatste om het werk in de sector aantrekkelijker te maken
voor vrouwen in het licht van verwachte problemen van onvoldoende aanbod
van nieuw personeel. De wederpartij hanteert overigens geen voorkeursbeleid
voor vrouwen.

Ten aanzien van het budget merkt de wederpartij op dat er geen sprake is
van een `branche-breed’ budget. Een budget dat door allen wordt gevoed
en waaruit bij noodzaak een beroep op kan worden gedaan, bestaat niet.
De eventuele kosten worden door het desbetreffende bedrijf gedragen. Bekend
is dat sommige werkgevers de tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
ook aan mannelijke werknemers toekennen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling door hem geen tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
toe te kennen.

4.2. Aangezien de kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde is aan
te merken, moet deze regeling worden getoetst aan artikel 5 lid 1 onderdeel
d AWGB dat bepaalt dat in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen
mannen en vrouwen mag worden gemaakt. Artikel 2 Lid 3 van de AWGB schrijft
voor dat van het genoemde verbod mag worden afgeweken, indien het onderscheid
tot doel heeft vrouwen een bevoorrechte positie toe te kennen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het onderscheid
in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 2 lid 4 van de Tweede Richtlijn van
de Europese Gemeenschappen betreffende de gelijke behandeling van mannen
en vrouwen. (EG-Richtlijn 76/207, 9 februari 1976, PB EG 1976, L39.)

4.3. De wederpartij heeft te kennen gegeven dat het toekennen van een tegemoetkoming
in de kosten van kinderopvang aan vrouwen is gebaseerd op de wens om ook
voor vrouwen een aantrekkelijk werkgever te zijn. Eén en ander in het licht
van verwachte problemen van onvoldoende aanbod van nieuw personeel.

De wederpartij zegt op die manier een voorkeursbehandeling voor vrouwen
toe te passen. Voorkeursbehandeling is één van de wettelijk toegestane
uitzonderingen op de gelijke behandelingsnorm.
Eén van de voorwaarden voor de wettelijk toegestane voorkeurs-
behandeling van vrouwen is de feitelijke achterstandspositie van vrouwen.
(Tweede Kamer 1990-1991, 22014, nr.3, p. 14). In het voorliggende geval
vormt evenwel niet de (eventuele) feitelijke ongelijkheid van vrouwen in
(delen van) de betreffende sector de grond, maar de vrees voor onvoldoende
aanbod van personeel.
De Commissie stelt vast dat er in dit geval geen sprake is van een onderscheid
dat tot doel heeft om vrouwen een bevoorrechte positie toe te kennen teneinde
feitelijke ongelijkheden op te heffen.
Derhalve is de uitzondering van artikel 2 lid 3 AWGB hier niet van toepassing.
Evenmin is gesteld noch gebleken dat één van de andere wettelijke uitzonderingsmogelijkheden
op het wettelijk verbod van onderscheid op grond van geslacht van toepassing
zijn.
Daarmee staat vast dat er sprake is van een verboden onderscheid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Georganiseerd Overleg
voor de Vleesgroothandel en Exportslachterijen te
‘s-Gravenhage jegens de heer (….) onderscheid naar geslacht bij de arbeidsvoorwaarden
heeft gemaakt als verboden in artikel 5 lid 1 onder d. van de Algemene
wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. vander Heijden (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix(secretaris Kamer)

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 10 juni 1997

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De dochters E. en M. hebben in uitgebreide verklaringen bij de politie
verregaande beschuldigingen jegens de ouders geuit ten aanzien van
verkrachtingen, ontucht en andere feiten waaronder zwangerschapsonderbrekingen en babymoorden. De ouders ontkennen de
beschuldigingen.
In kort geding vorderen de dochters een straat- en contactverbod en een
voorschot op de schadevergoeding. De president van de rechtbank wijst deze de
vorderingen toe, te weten ƒ 8000 materiële schadevergoeding en ƒ 5000
immateriële schadevergoeding en een straat- en contactverbod voor een periode
van twee jaar. De rechtbank heeft de onderzoeksresultaten van de door
eiseressen geraadpleegde deskundigen, tezamen met de voor de politie
afgelegde verklaringen, als voldoende bewijs geoordeeld om te concluderen dat
er sprake is geweest van seksueel misbruik. Dat de deskundigen
partij-deskundigen zijn doet niet terzake. Hun vakbekwaamheid en
onafhankelijkheid staat niet ter discussie.
In hoger beroep oordeelt het hof dat gelet op de verklaringen van de dochters
enerzijds, de betwisting van de ouders anderzijds, en de tegenstrijdige
opinies vermeld in de overgelegde rapporten en reacties, de vraag of de
ouders debet zijn aan de huidige psychische gesteldheid van de dochters niet
met voldoende zekerheid in positieve zin kan worden beantwoord. Het hof
vernietigt het vonnis van der rechtbank.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg
Met betrekking tot het verloop van het geding en de overwegingen en
beslissingen in eerste aanleg verwijst het hof naar het door de president van
de rechtbank te Arnhem op 27 maart 1996 onder rolnummer KG 1996/135 gewezen
vonnis in kort geding, waarvan afschrift wordt aangehecht.

2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij exploot van 4 april 1996 hebben appellanten, verder te noemen de
ouders of onderscheidenlijk de vader en de moeder, geïntimeerden, verder ook
te noemen de dochters of onderscheidenlijk E en M, aangezegd in hoger beroep
te komen van dat vonnis met gelijktijdig dagvaarding van geïntimeerden voor
dit hof.

2.2. Bij memorie van grieven hebben de ouders na te melden grieven tegen dat
vonnis aangevoerd en toegelicht met conclusie dat het hof dat vonnis zal
vernietigen en opnieuw rechtdoende, zo nodig met aanvulling en/of verbetering
van gronden de vordering van de dochters alsnog zal afwijzen door hen daarin
niet ontvankelijk te verklaren althans hen deze te ontzeggen en hen zal
veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.

2.3. De dochters hebben de grieven bij memorie van antwoord bestreden en
geconcludeerd dat het hof dat vonnis, zo nodig met verbetering van gronden,
zal bekrachtigen met veroordeling van de ouders in de kosten van beide
instanties.

2.4. Partijen hebben hun zaak vervolgens doen pleiten, de ouders door mr A.G.
Coumans en mr E.P.R. Sutorius, advocaten te Arnhem, de dochters door mr G.
Van Driem, advocaat te Amsterdam. De advocaten van beide partijen hebben een
pleitnota overgelegd.

2.5. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van
arrest.

3. De grieven
De grieven luiden als volgt:

Grief 1: ten onrechte oordeelt de president dat eiseressen in kortgeding
ontvangen kunnen worden in hun vorderingen.

Grief 2: Ten onrechte oordeelt de president in r.o. 4.16 dat appellanten
jegens iedere eiseres onrechtmatig hebben gehandeld.

Grief 3: Ten onrechte oordeelt de president dat de vakbekwaamheid en
onafhankelijkheid van de deskundigen niet betwist is en dat gedaagden niet
twijfelen aan de bekwaamheid en onpartijdigheid van de deskundigen.

Grief 4. In o.r. 4.15 overweegt de president ten onrechte dat de rapporten
van prof. Van Tilburg en dr Draijer kunnen worden aangemerkt als
deskundigenberichten als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 17
november 1995

Grief 5. Ten onrechte overweegt de president in r.o. 4.16 dat nu noch
gesteld, noch gebleken is dat anderen dan gedaagden het gestelde sexuele
misbruik zouden hebben gepleegd, het zeer aannemelijk is dat eiseressen door
gedaagden sequeel is misbruikt.

Grief 6: Appellanten achten het onjuist en onbegrijpelijk dat eiseressen
belang hebben bij het door hen gevorderde straat-en contactverbod.

Grief 7: Ten onrechte oordeelt de president dat geen rekening behoefte te
worden gehouden met een restitutierisico, aangezien in een bodemprocedure
naar zijn inschatting zeker een hoger bedrag dan ƒ 5.000 zou worden
toegekend.

4. Vaststaande feiten
4.1. De door de president van de rechtbank in het vonnis (onder 2)
vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Het hof zal dan ook
eveneens van die feiten uitgaan. Daarna kunnen thans de volgende vaststaande
feiten worden toegevoegd.

4.2. Dit hof heeft het beklag van E op de voet van artikel 12 Wetboek van
Strafvorderingen bij beschikking van 28 oktober 1996 voor een deel
niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige afgewezen. De
niet-ontvankelijkverklaring is gegrond op de omstandigheid dat in de tijdens
de behandeling van het beklag ingekomen brief van de officier van justitie
wordt medegedeeld dat op grond van aanvullend bewijs alsnog is besloten tot
vervolging over te gaan.

4.3. De officier van justitie van de arrondissement Arnhem heeft de ouders
kennis gegeven dat hij hen verder zal vervolgen op grond van de verdenking
dat zij zich hebben schuldig gemaakt aan -kort gezegd- verkrachting van en
ontucht met E gepleegd in de periode van 1 september 1982 tot augustus 1985.

4.4. De vader heeft op 15 november 1996 een bezwaarschrift tegen die
kennisgeving ingediend.

4.5. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 februari 1997 de stukken in
handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
gesteld teneinde door het Gerechtelijk Laboratorium schriftvergelijkend
onderzoek te laten verrichten naar twee (originele) brieven en, zo dit
laboratorium zou bevinden dat de brieven met een hoge mate van
waarschijnlijkheid door dezelfde persoon zijn geschreven, J.A.J. Hörmann
hierover te horen. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:
Bij de uiteindelijke beoordeling zullen vervolgens de mate van
deskundigheid en de integriteit van Horman als therapeut belangrijke
elementen zijn. Indien zou blijken dat er op goede gronden reden is om reeds
nu hieraan te twijfelen, dan is het de vraag of een verdere vervolging van
verdachte gerechtvaardigd is.

4.6. Drs M.J.C. Bakker, psychologe te Rhenen, heeft bij brief van 12 april
1997 aan de advocaat van de dochters medegedeeld dat E sinds 28 januari 1997
bij haar in behandeling is en dat de sessies met E naar voren is gekomen dat
H. E heeft mishandeld, sexueel misbruikt en voortdurend heeft vernederd.
Bakker heeft hiervan op 25 maart 1997 samen met E melding gemaakt bij de
inspectie voor de Volksgezondheid te Utrecht. Voor een aangifte (bij de
politie) voelde E zich volgens Bakker nog niet krachtig genoeg. E is volgens
Bakker doodsbang voor zijn reactie en wordt tot heden door H. bedreigd.

5. De beoordeling van de grieven
5.1 Tegen de afwijzing door de president van de vordering van M in haar
hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen
J. en E. tot het verkrijgen van een voorschot op een voor de kinderen te
verkrijgen schadevergoeding is geen hoger beroep ingesteld. Deze vordering
behoeft dan ook niet meer te worden beoordeeld.

5.2 Het gaat in dit kort geding om de vraag of voldoende aannemelijk is dat
de rechter in een bodemprocedure op basis van het thans voorhanden zijnde
bewijsmateriaal tot de vaststelling zou komen dat het door de dochters aan
hun vorderingen ten grondslag gelegde juist is.

5.3 Voor de beantwoording van die vraag acht het hof de volgende feiten en
omstandigheden van belang.

5.4 De dochters (eerst E, vervolgens M) hebben in uitgebreide verklaringen
(als aangeefster respectievelijk getuigen bij de politie verregaande
beschuldigingen jegens de ouders geuit ten aanzien van sexueel misbruik
(verkrachtingen, ontucht en andere feiten waaronder
zwangerschapsonderbrekingen en babymoorden) gepleegd tijdens de jeugd van de
dochters.

5.5 De ouders hebben die beschuldigingen in dit geding gemotiveerd betwist.
Tijdens hun verhoren bij de politie als verdachten (zij zijn op 17 januari
1995 in verzekering gesteld, vervolgens in voorlopige hechtenis genomen en op
2 februari 1995 in vrijheid gesteld) hebben zij ook steeds ontkend zich aan
de door de dochters genoemde feiten te hebben schuldig gemaakt. Tegenover de
stellingen en verklaringen van de dochters staan kortom de ontkenningen van
de ouders.

5.6 Zowel de dochters als de ouders hebben ter staving van hun standpunt een
reeks van rapporten overgelegd, die telkens zijn opgesteld in opdracht van de
advocaat van de dochters onderscheidenlijk de ouders en – in de meeste
gevallen – in antwoord op door die advocaat gestelde vragen. De door de
dochters overgelegde rapporten zijn veelal tot stand gekomen na onderzoek
en/of behandeling van de dochters.

5.7 Naast de in het vonnis van de president vermelde rapporten kunnen thans
worden genoemd: een rapport van prof. dr H.L.G.J. Merckelbach van 9 september
1996; Merckelbach komt – voor zover hier van belang – tot het volgende
resumé: de incestherinneringen van E voldoen aan het profiel van een
“recovered memory”; er zijn aanwijzingen dat suggestieve technieken als
hypnose en geleide herinnering een rol hebben gespeeld in de totstandkoming
van deze herinneringen; op grond daarvan is een sceptische houding op haar
plaats als het gaat om de accuratesse van deze herinneringen; hij voegt
daaraan toe dat de redenering dat de verklaringen van M onafhankelijke
evidentie vormt voor het waarheidsgetrouwe karakter van de verklaringen van E
op tenminste drie gronden in twijfel is te trekken, te weten (kort gezegd):
1 de verhoren van M laten in technisch opzicht te wensen over;
2 de verklaringen van M zijn inconsistent; haar verklaringen “radicaliseren”.
als voorbeeld daarvan noemt Merckelbach dat zij verklaard heeft dat demoeder
lever eet van een geaborteerde foetus.
3 lang voordat M haar verklaringen heeft afgelegd heeft zij van haar zus (E)
vernomen wat er zou hebben plaats gehad en zij heeft tijdens het afleggen van
haar verklaringen contact gehad met haar zus;
– een rapport van dr J.J. van Koppen van 12 september 1996; Van Koppen
bereikt de conclusie dat de gegevens in het dossier er op wijzen dat bij E
sprake is van verdrongen herinneringen; hij meent dat het mogelijk is dat
verdrongen herinneringen tijdens de therapie door Hörmann zijn ontstaan en
stelt dat de analyses in de rapporten van drs O’Breen, drs Van Mastrigt,
prof. dr Van Tilburg, drs Rensen en dr Draijer niet de conclusie kunnen
dragen dat bij E sprake is van sexueel misbruik in haar jeugd;
– een reactie van dr Draijer van 20 december 1996 op die twee rapporten;
zij betwist de bevindingen van Van Koppen en Merckelbach en blijft bij haar
eerdere (in eerste aanleg overgelegde) rapport; zij wijst er onder meer op
dat haar het meest is opgevallen dat Van Koppen en Merckelbach geen aandacht
besteden aan het feit dat de dochters elkaars verhaal “valideren”; wel is zij
het met Van Koppen en Merckelbach eens dat elk zicht op de beïnvloeding die
mogelijk door het optreden van Hörmann heeft plaats gevonden weg is; Draijer
uit daarbij de vrees dat Hörmann geen idee heeft hoezeer hij de zaak van E
door zijn optreden in negatieve zin heeft beïnvloed; zij merkt voorts op dat
de persoonlijkheidsproblematiek van E haar mogelijkheden ondermijnt om
“betrouwbaar” geacht te worden, maar aangezien dit niet geldt voor M, het
haar wenselijk lijkt om veel meer ruimte te maken voor de validerende
kwaliteit van haar (M’s) verklaringen;
– een reactie van Van Koppen en Merckelbach van 20 februari 1997′, zij
handhaven daarin de door ieder van hen in genoemde rapporten getrokken
conclusies;
– een reactie van dr Draijer van 21 april 1997; zij meent dat de reactie van
Van Koppen en Merckelbach geen nieuwe gezichtspunten toevoegt aan de eerder
naar voren gebrachte standpunten en dat zij het belang reduceren van het feit
dat er verklaringen liggen van twee zusjes.

5.8 De president van de rechtbank heeft, in beroep onweersproken, beslist dat
de babymoorden en de zwangerschapsonderbrekingen voorshands niet aannemelijk
zijn geworden.

5.9 Het hof stelt ten aanzien van de overige beschuldigingen van de dochters
vast dat de door de partijen geraadpleegde personen en de behandelaars van de
dochters (aan wier deskundigheid, afgezien van Hörmann, ieder op diens
vakgebied, op zich door de partijen zelf geen wezenlijke. twijfels zijn
geuit) het volstrekt oneens zijn over het waarheidsgehalte van de
verklaringen van de dochters. Geen van de uitgebrachte rapporten en reacties
kan evenwel worden beschouwd worden als een deskundigenbericht in de zin van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; de daartoe vereiste, door
artikel 223 Rv gewaarborgde, beginselen van een goede procesorde, waarvan
hier met name het wederhoor wordt genoemd, zijn niet in acht genomen. Daaraan
kan voor wat betreft de door de dochters overgelegde rapporten niet afdoen
dat, zoals de president heeft overwogen, zowel professor dr Van Tilburg als
dr Draijer gerenommeerd zijn en aan hun vakbekwaamheid niet behoeft te worden
getwijfeld. De vierde grief is dan ook terecht voorgedragen.

5.10 Het hof acht op grond van de rapporten van Van Tilburg en Draijer wel
meer dan aannemelijk dat bij beide dochters sprake is van een
posttraumatische stress-stoornis die indicatief is voor een trauma en dat dit
trauma is veroorzaakt door een (ernstig) misbruikverleden en daaraan
gekoppelde mishandeling en verwaarlozing. Tevens is op grond daarvan
aannemelijk dat dit trauma er toe geleid heeft dat de dochters (in meer of
mindere mate) niet in staat zijn op hun werk en in contacten met anderen op
adequate wijze te functioneren.

5.11 Gelet op de stellingen van de dochters enerzijds, de betwisting van de
ouders anderzijds, en de tegenstrijdige opinies vermeld in de overgelegde
rapporten en reacties kan de in 5.2 geformuleerde vraag – in het bijzonder de
vraag of de ouders debet zijn aan de huidige psychische gesteldheid van de
dochters – naar het voorlopig oordeel van het hof redelijkerwijs evenwel niet
met voldoende zekerheid in positieve zin worden beantwoord. Het hof laat
daarbij meewegen dat het optreden van Hörmann, die een wezenlijke rol bij de
behandeling van E en het uiteindelijk doen aanvangen van het strafrechtelijk
onderzoek tegen de ouders heeft gespeeld, mede gelet op de voormelde brief
van drs Bakker van 12 april 1997, een uiterst dubieuze is geweest, hetgeen
hem niet alleen als “therapeut” diskwalificeert, maar ook ernstige twijfel
oproept ten aanzien de beïnvloeding die zijn optreden mogelijk bij E heeft
teweeg gebracht. Het hof kan de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van
M zonder meer niet goed beoordelen, maar zal daaraan voorlopig geen
doorslaggevende betekenis mogen toekennen, nu vast staat dat zij deze heeft
afgelegd nadat zij van haar zuster E vernomen had wat er volgens haar in het
gezin heeft plaats gehad (en overigens: nadat de ouders in vrijheid waren
gesteld).

5.12 In een zaak als deze zou het, gelet op de bij de dochters al vóór het
uitbrengen van de inleidende dagvaarding bekende betwisting van de
beschuldigingen door de ouders, voor de hand hebben gelegen als zij, als
meest gerede partij, een voorlopig deskundigenonderzoek zouden hebben
verzocht, alvorens een geding aanhangig te maken, of in ieder geval tijdens
de procedure alsnog een daartoe strekkend verzoek zouden hebben gedaan. Het
een noch het ander is echter geschied. Voor nadere bewijslevering is in dit
kort geding geen plaats.

6 Slotsom
De vierde grief slaagt. De overige grieven behoeven geen bespreking. Het
vonnis van de president van de rechtbank zal, voorzover aan het oordeel van
het hof onderworpen, worden vernietigd en de vorderingen van de dochters
zullen alsnog worden afgewezen. Het hof acht gelet op de familierelatie
tussen partijen termen aanwezig de kosten van het geding in eerste aanleg en
in hoger beroep te compenseren op na te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof, rechtdoende in hoger beroep in kort geding: vernietigt het door de
president van de rechtbank te Arnhem op 27 maart 1996 tussen partijen gewezen
vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre
opnieuw rechtdoende: wijst de vorderingen van de dochters alsnog af;
compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep
aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Pel, Katz-Soeterbroek, Van Ginkel

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 10 juni 1997

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het hof heeft in hoger beroep een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 19
oktober 1994 bevestigd, waarbij de verdachte ter zake van ‘poging tot het
plegen van handelingen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het
lichaam, met iemand van wie hij weet dat zij aan een zodanige gebrekkige
ontwikkeling van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvoldoende in
staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen
weerstand te bieden’ is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan
drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het cassatiemiddel richt zich erop dat de in casu vereiste psychische
stoornis van zodanige aard en ernst moet zijn dat zij – specifiek – de
wilsbepaling, de wilsuiting of het weerstandsvermogen van het slachtoffer ten
aanzien van de seksuele handeling in zeer ernstige mate frustreert. Dit zou
in overeenstemming zijn met de gedachten van de Commissie Melai in dezen die
strenge eisen aan de aard en ernst van de psychische stoornis stelt.
De Hoge Raad stelt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de
verdachte wist dat het slachtoffer aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling
van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil
omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen
weerstand te bieden. Het enkele weten dat iemand ‘een beetje achterlijk’ is,
is niet toereikend. Het bestreden arrest wordt daarom vernietigd. Zie ook RN
1997, nr. 721 en RN 1998, nr 941 en RN 1998, nr 942 m.nt. Katinka
ünnemann.

Volledige tekst

7. Bij de onder a bedoelde voorwaarde (de wetenschap van verzoeker omtrent de
gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van het slachtoffer) behoeft
niet te worden stilgestaan. Want die heeft het hof vervuld kunnen achten op
grond van verzoekers verklaring dat hij wist dat het slachtoffer “een beetje
achterlijk was”.

8. Voor wat betreft de sub b vermelde eisen hebben de rechtbank en het hof
niet gekozen uit de drie telastegelegde alternatieven inzake het onvermogen
tot het bepalen of uiten van de wil of het weerstand bieden. Een dergelijke
keuze behoeft in de regel niet te worden gemaakt, mits ieder alternatief
(enige) steun vindt in de bewijsmiddelen (vgl. HR NJ 1961, 194 nt BVAR
alsmede de losbladige Strafvordering, aant. 30 bij art. 338). Aan die
bewijsvoering schort het. De bewijsmiddelen houden immers niets in waaruit
kan worden afgeleid dat verzoeker wist dat de geestelijke toestand van het
slachtoffer van dien aard was dat zij omtrent de (voorgenomen) seksuele
handeling
niet in vrijheid haar wil kon bepalen of
kenbaar maken of weerstand bieden. Met name kan dat
niet volgen uit de tot bewijs gebezigde verklaring van E. Ploem, werkzaam bij
de Sociaal Pedagogische Dienst te Amsterdam, nu deze slechts inhoudt dat het
slachtoffer
“moeilijk functioneert in het dagelijks leven. In haar hersenen zijn
hersencellen afgebroken. Zij kan moeilijk iets uitleggen en is naÅ ef en
goedgelovig. Ze gaat makkelijk in dingen mee die vreemde mensen doen als deze
vriendelijk zijn”.
Daaruit volgt niet zonder meer dat gezegd kan worden dat het slachtoffer
“gegenüber dem sexuellen Ansinnen des Täters keinen zur Abwehr ausreichenden
Widerstandswille bilden, äussern oder realisieren kann”, gelijk
Schönke-Schröder, Strafgesetzbuch, 24e, 3 ad º 179, de rechtspraak inzake de
op art. 243 Sr gelijkende Duitse bepaling samenvatten. Nog minder volgt uit
deze verklaring dat verzoeker daarvan weet had.

9. Het middel is derhalve gegrond voor zover het klaagt over de
ontoereikendheid van het bewijs.

10. De klacht dat de hiervoor bedoelde verklaring van Ploem niet voldoet aan
de eis van art. 342 lid 1 Sv faalt daarentegen. Het hof heeft deze verklaring
kunnen opvatten in die zin dat zij daarin mededeelt dat zij het slachtoffer
heeft leren kennen als iemand die moeilijk functioneert in het dagelijks
leven, etc. en dat zij uit hoofde van haar functie bekend was met de oorzaak
van dit disfunctioneren.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot
verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof teneinde op het bestaande
hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

Rechters

Mrs. Hermans, Bleichrodt, Corstens, A-G Van Dorst

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een anti-discriminatiebureau heeft bij een disco twee praktijktesten uitgevoerd
waarbij een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar
hebben getracht toegang te krijgen. De allochtone groep werd geweigerd,
terwijl de autochtone groep wel werd toegelaten. De wederpartij hanteert
bij voorzienbare drukte op zaterdagnacht een vaste-klantenbeleid, inhoudende
dat alleen toegang wordt verleend aan vaste klanten, al dan niet vergezeld
van introducés. Uit de verklaringen van twee deelnemers van de autochtone
groep blijkt dat deze personen behoren tot de vaste klantenkring van de
wederpartij. De Commissie acht het op grond hiervan niet aannemelijk dat
de disco bij de toelating in strijd met de wet heeft gehandeld. Wel beveelt
zij aan om duidelijke objectieve criteria en een inzichtelijke procedure
te hanteren voor de toelating tot haar discotheek.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 juni 1996 heeft Anti Discriminatie Bureau Twente (ADB) te Enschede
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling verzocht een oordeel
uit te spreken over de vraag of (….) te Enschede (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij twee praktijktesten uitgevoerd,
waarbij een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar
hebben getracht toegang te krijgen tot de dansgelegenheid van de wederpartij.
Omdat de allochtone groep werd geweigerd, terwijl de autochtone groep werd
toegelaten, is verzoekster van mening dat de wederpartij in strijd heeft
gehandeld met de AWGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een stichting welke zich blijkens haar statuten onder meer
ten doel stelt het bestrijden van discriminerend handelen van overheidsorganen,
instellingen, bedrijven, groepen of personen, alles in de ruimste zin des
woords, een en ander uitgevoerd volgens een jaarlijks door het bestuur
vast te stellen beleidsplan en daarbij behorend werkplan.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming
met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB), de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB) en art. 7:646-648 Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te beschermen. Hiermee
voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld in
art. 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou
zijn gehandeld, zoals bedoeld in art. 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door
de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek blijft derhalve achterwege.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1 De Commissie heeft het verzoek om een oordeel in behandeling genomen
en partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. Verzoekster heeft
een videoband met opnames van de praktijktest overgelegd die zijn uitgezonden
in het programma `Hier en nu’ van de NCRV op 3 juni 1996.

3.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten nader toegelicht op een zitting op 25 maart 1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– dhr (….) (coördinator verzoekster)
– dhr (….) (medewerker verzoekster)
– mw mr. (….) (deskundige Landelijk Bureau Racismebestrijding)

van de kant van de wederpartij:
– dhr (….) (hoofd administratie en organisatie)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij exploiteert een discotheek. Voor wat betreft de toegang
tot haar etablissement hanteert de wederpartij een vaste-klantenbeleid,
hetgeen inhoudt dat bij grote drukte of te verwachten drukte alleen vaste
klanten of regelmatige bezoekers toegelaten worden. Dit toegangsbeleid
staat ook vermeld op het informatiebord aan de gevel van de zaak.

4.2. Naar aanleiding van meerdere klachten van allochtone jongeren over
de weigering om hen toe te laten tot verschillende discotheken in Twente,
heeft verzoekster praktijktesten uitgevoerd bij een viertal gelegenheden,
waaronder die van de wederpartij. Het doel van deze testen was enerzijds
om na te gaan of discotheekbezoekers ongelijk worden behandeld op grond
van hun huidskleur of afkomst en anderzijds om te bezien of de in mei 1993
door het Bedrijfschap Horeca ingevoerde anti-discriminatiecode wordt gehandhaafd
in deze discotheken.

De vier onderzochte discotheken zijn geselecteerd op grond van:
– meldingen bij verzoekster van jongeren, die slachtoffer zijn geweest
van weigering bij de discotheken;
– getuigenissen van jongeren, die bij de discotheken hebben geconstateerd
dat allochtone jongeren werden geweigerd;

– de omstandigheid dat Enschede en Hengelo steden zijn, die de meeste Twentse
discotheekbezoekers ontvangen in het weekend.

De eerste praktijktest is uitgevoerd in de nacht van 25 op 26 mei 1996.
Van deze praktijktest zijn filmopnamen gemaakt, die in NCRV’s `Hier en
nu’ van 3 juni 1996 zijn uitgezonden. De tweede praktijktest is in de nacht
van 1 op 2 juni 1996 uitgevoerd.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt het volgende

4.3. Ten aanzien van de uitvoering van de praktijktest heeft verzoekster
een aantal algemene uitgangspunten gehanteerd.

Alle groepen konden op grond van uiterlijke kenmerken `zo op het oog’ omschreven
worden als gemiddelde discotheekbezoekers. Het profiel van de testpersonen
was als volgt:
– de testpersonen hebben op geen enkele wijze een relatie met de organisatie
van verzoekster;
– de testpersonen hebben geen strafrechtelijk verleden;
– de testpersonen onderscheiden zich niet al te veel van de gemiddelde
discotheekbezoekers in de zin van haardracht, kleding, schoeisel en dergelijke;
– de allochtone testpersonen beheersen de Nederlandse taal zodanig dat
zij tot discussie met bijvoorbeeld een portier in staat zijn.

Verzoekster heeft voor de praktijktest personen geselecteerd die niet bekend
waren bij de te bezoeken discotheken.

4.4. In de nacht van zaterdag 25 mei op zondag 26 mei 1996 heeft verzoekster
een praktijktest horeca uitgevoerd bij drie discotheken in Hengelo en één
in Enschede. De discotheken zijn in mei bezocht door twee groepen, één
groep bestaande uit vier allochtone jongeren en één controlegroep bestaande
uit vier autochtone jongeren. De controlegroep had tot taak om direct na
de weigering van de allochtone jongeren toegang te vragen bij de discotheek.
Voorts was er een medewerker van de organisatie van verzoekster aan de
controlegroep toegevoegd om zoveel mogelijk mee te maken van discussies
aan de deur van discotheken tussen portiers en de allochtone jongeren.
Beide groepen werden in het oog gehouden en gevolgd door medewerkers van
het ADB om zicht te houden op de totale gebeurtenissen.
De praktijktest is vervolgens herhaald in de nacht van 1 juni 1996 op 2
juni 1996. Zowel de allochtone groep als de controlegroep bestond bij de
tweede praktijktest uit twee personen.

4.5. Met betrekking tot de discotheek van de wederpartij heeft de praktijktest
in de nacht van 25 op 26 mei 1996 bij de allochtone groep tot de volgende
bevindingen geleid:
‘Om tien over een arriveerden wij bij de wederpartij. Door de portier werd
mij (K.A.) en T.S. gevraagd of wij in het bezit zijn van een studentenkaart.
Ik zei de portier dat wij niet in het bezit zijn van een studentenkaart.
Daarop antwoordde de portier: `Dan mogen jullie er niet in.’
Ondertussen vraagt T.S. aan een naar buiten komende Duitse of zij ook in
het bezit is van een studentenkaart. Zij antwoordt stellig: `Nein’. Vervolgens
gaat een man van middelbare leeftijd aan ons voorbij en naar binnen, zonder
dat om een studentenkaart wordt gevraagd. Ik vraag aan de portier waarom
deze man wel naar binnen mag. De portier antwoordt: `Omdat hij een vaste
klant is’. Daarop vraag ik hem: `Hoe kunnen wij hier vaste klant worden?’
De portier antwoordt mij: `Jullie komen gewoon niet naar binnen.’ Tijdens
deze discussie die enkele minuten duurde hebben wij gemerkt dat 10 a 15
blanke personen langs ons heen werden toegelaten zonder dat hen om een
studentenkaart werd gevraagd.
Om de discussies niet te laten escaleren vertrekken wij. Op enkele meters
verwijderd van de voordeur passeren wij de controlegroep.’

De bevindingen van de controlegroep bij de uitvoering van de praktijktest
bij de wederpartij in de nacht van 25 op 26 mei 1996 luiden als volgt:

‘Om kwart over een arriveerden wij bij de ingang van de discotheek van
de wederpartij. Zonder dat ons om een studentenkaart werd gevraagd werden
wij toegelaten.’

Een medewerker van de organisatie van verzoeker die aanwezig was bij de
praktijktest op 25 en 26 mei, rapporteert het volgende:
‘Vanaf tien over tot kwart over een stond ik (A.O.) in de directe nabijheid
van deze discotheek. Nadat de allochtone groep gearriveerd was, zag ik
dat er een discussie met de portier ontstond. Ondertussen gingen blanke
jongeren naar buiten of naar binnen. Nadat de allochtone groep vertrok
arriveerde tegelijkertijd de controlegroep. Ik zag dat hen de toegang niet
werd geweigerd.’

4.6. De bevindingen van de tweede praktijktest in de nacht van 1 juni op
2 juni 1996 luidden voor de allochtone groep als volgt:
‘Rondom 00:30 arriveren wij (M.S. en O.E.) bij deze discotheek. De toegang
wordt ons geweigerd met de mededeling dat de zaak vol is. Hierop gaan wij
met de portier in discussie, omdat er langs ons heen Nederlandse jongeren
worden toegelaten. Op de vraag: `Waarom zij wel en wij niet?’, antwoordt
de portier: `Als je het er niet mee eens bent dan doe je beklag maar bij
de politie.’

De controlegroep meldt over de uitvoering van de praktijktest bij de wederpartij
op 1 en 2 juni 1996 het volgende:
‘Om 00:40 staan wij (S.H. en B.A.) voor deze discotheek. Zonder belemmering
en/of vragen kunnen wij deze zaak betreden.’

4.7. Naar aanleiding van de verklaring van de wederpartij dat twee van
de autochtone testpersonen vaste klant waren bij de wederpartij merkt verzoekster
op dat zij hiervan niet op de hoogte was. Volgens verzoekster waren deze
twee bekenden alleen bij de eerste praktijktest aanwezig, maar niet bij
de tweede test. Vanwege de toegezegde anonimiteit van de testpersonen kan
verzoekster hieromtrent geen uitsluitsel geven.

De wederpartij stelt het volgende

4.8. In tegenstelling tot hetgeen verzoekster stelt heeft zij in casu het
beginsel van hoor en wederhoor geschonden door de wederpartij niet vooraf
op de hoogte te stellen van de uitkomsten van de praktijktest. Ten aanzien
van het profiel van de testpersonen stelt de wederpartij dat het mogelijk
correct is dat de testpersonen niet bekend zijn bij de zaaleigenaren, maar
dat van groter belang is of de testpersonen bekend zijn bij de portiers,
die het toelatingsbeleid uitvoeren. Het verslag van de bevindingen klopt
op een aantal punten niet met de videobeelden. Dit betreft het gemelde
tijdstip van het bezoek en de feitelijke weergave van de gebeurtenissen.

4.9. Het klantenbestand vormt een redelijke afspiegeling van de bevolking.
Op drukke avonden is er alleen toegang voor vaste klanten en studenten.
De portiers voeren dit beleid uit aan de deur en vragen zonodig naar een
studentenkaart. Vaste klanten kunnen introducés meenemen en zo kunnen ook
zij vaste klant worden. De capaciteit van de discotheek is ongeveer 400
personen. De wederpartij werft uit zijn vaste klanten medewerkers en portiers,
waarvan 5 of 6 personen van allochtone afkomst zijn.

4.10. De wederpartij heeft een getuigenverklaring overgelegd van twee van
de autochtone testpersonen, waarin zij verklaren vaste klant te zijn bij
de wederpartij. Deze twee testpersonen stellen in hun verklaring dat zij
de voorlichtingsavonden voorafgaande aan de praktijktesten niet hebben
bijgewoond en daardoor bij aanvang van de praktijktesten niet goed op de
hoogte zijn geweest van de bedoelingen ervan. In verband met de praktijktesten
hebben zij de discotheek van de wederpartij tweemaal bezocht. Zij hebben
van tevoren aangegeven dat zij vaste klant waren bij de discotheek van
de wederpartij en hebben daarom vraagtekens geplaatst bij de uitkomsten
van de praktijktesten bij de wederpartij. De wederpartij heeft voorts een
verklaring van een van zijn portiers overgelegd waaruit blijkt dat hij
de controlegroep heeft toegelaten, omdat de leden daarvan hem bekend waren.


5. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de toelating tot haar
discotheek onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in artikel
1 in samenhang met artikel 7 AWGB.

5.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB dient overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd. Dit omvat tevens huidskleur,
afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB onder
meer direct onderscheid tussen personen op grond van ras bij het aanbieden
van goederen en diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf. Onder het sluiten van overeenkomsten wordt mede verstaan
het weigeren een overeenkomst aan te gaan (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014,
nr. 5, p. 7-8.).

5.3. Verzoekster heeft verslagen van de praktijktesten en een videoband
als bewijs overgelegd. Zowel de civiele rechter als de strafrechter hebben
de praktijktest als bewijsmiddel geaccepteerd (Zie onder andere Rb Amsterdam
20 maart 1992, Rechtspraak Rassendiscriminatie 287 (straf) en Rb Zutphen
26 juni 1980, Rechtspraak Rassendiscriminatie 16 (civiel).). De Commissie
is eveneens van oordeel dat door middel van praktijktesten, afhankelijk
van de omstandigheden, het bewijs van ongelijke behandeling kan worden
geleverd.
De Commissie stelt voorts vast dat niet gesteld of gebleken dat het beeldverslag
inbreuk op het recht op privacy maakt, zodat de videoband eveneens als
bewijsmiddel kan dienen.

5.4. De Commissie stelt op grond van de verklaringen van verzoekster en
het overgelegde videomateriaal vast dat de allochtone groep vergelijkbaar
is met de controlegroep wat betreft leeftijd, uiterlijke verzorging en
houding. Beide groepen hebben op de bewuste nacht op min of meer gelijke
wijze en kort na elkaar toegang geprobeerd te krijgen tot de discotheek.

5.5. Verzoekster heeft een verslag van de eerste praktijktest in de nacht
van 25 op 26 juni 1996 als bewijs overgelegd. Uit dit verslag en de daarop
ter zitting gegeven toelichting van verzoekster blijkt dat de allochtone
groep de toegang tot de discotheek is geweigerd, terwijl daarentegen de
controlegroep is toegelaten.
Uit het verslag van de tweede praktijktest in de nacht van 1 juni op 2
juni 1996 blijkt dat de allochtone groep werd geweigerd omdat de zaak vol
zou zijn, terwijl de controlegroep toegelaten werd.

5.5. De wederpartij hanteert bij voorzienbare drukte en op zaterdagnacht
– een nacht waarop ook de praktijktest heeft plaatsgevonden – een vaste-klantenbeleid.
Dit betekent dat slechts vaste klanten of studenten, zonodig op vertoon
van hun studentenkaart, al dan niet vergezeld van introducés de toegang
wordt verleend. Aan de gevel bij de toegangsdeur van de discotheek staat
dit beleid ook vermeld.
Uit de verklaringen van de twee deelnemers aan de controlegroep blijkt
dat deze personen behoren tot de vaste klantenkring van de wederpartij.
Voorts blijkt daaruit dat zij de discotheek van de wederpartij tweemaal
in verband met de praktijktesten hebben bezocht. Verzoekster ontkent niet
dat deze personen vaste klant waren, maar wel dat deze aan de tweede praktijktest
hebben deelgenomen. Vanwege de toegezegde anonimiteit van de deelnemers
aan de praktijktest heeft verzoekster deze stelling niet nader door middel
van bewijs gestaafd.
Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de autochtone
groep niet voldeed aan de criteria om als controlegroep voor de praktijktesten
te dienen.

5.6. Naar het oordeel van de Commissie volgt hieruit dat door middel van
de onderhavige twee praktijktesten niet aannemelijk is geworden dat de
wederpartij bij de toelating tot haar discotheek verboden onderscheid naar
ras heeft gemaakt.

5.7. Aanbeveling van de Commissie

Het vaste-klantenbeleid van de wederpartij houdt in dat vaste klanten en
studenten worden toegelaten. Voorzover de studenten geen vaste klant zijn,
kunnen zij een studentenkaart tonen. De wijze waarop de wederpartij vaststelt
wie al dan niet vaste klant is, is niet inzichtelijk en niet eenduidig.
Hoewel in de onderhavige zaak niet is komen vast te staan dat de wederpartij
verboden onderscheid naar ras maakt, is de Commissie van oordeel dat een
dergelijk toelatingsbeleid er toe kan leiden dat jongeren uit bepaalde
bevolkingsgroepen worden uitgesloten en dat zodoende (bewust of onbewust)
verboden onderscheid wordt gemaakt. De Commissie beveelt derhalve de wederpartij
aan om duidelijke objectieve criteria en een inzichtelijke procedure te
hanteren voor de toelating tot haar discotheek.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (….)
te Enschede bij de weigering van allochtone jongeren in de bij de praktijktesten
betrokken gevallen geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals
bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b Algemene wet gelijke behandeling en derhalve
niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een anti-discriminatiebureau heeft bij een disco twee praktijktesten uitgevoerd
waarbij een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar
geprobeerd hebben toegang te krijgen tot de disco. De allochtone groep
werd geweigerd, terwijl de autochtone groep wel werd toegelaten. De disco
stelt een selectief toelatingsbeleid te voeren met als selectiecriteria:
lidmaatschap, een minimum leeftijd, correcte kleding en gedrag. Weigeringen
vinden plaats op basis van visuele herkenning door de portier.
De Commissie stelt vast dat beide groepen niet in het bezit waren van een
lidmaatschapspas, zodat lidmaatschap niet als selectiecriterium is gehanteerd.
Uit video-opnames is gebleken dat beide groepen wat betreft leeftijd, uiterlijke
verzorging en houding tijdens de test vergelijkbaar waren. Op grond daarvan
concludeert de Commissie dat de selectiecriteria geen reden vormden om
de allochtone groep te weigeren. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 juni 1996 heeft Anti Discriminatie Bureau Twente (ADB) te Enschede
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling verzocht een oordeel
uit te spreken over de vraag of (….) te Hengelo (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij twee praktijktesten uitgevoerd,
waarbij een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar
hebben getracht toegang te krijgen tot de dansgelegenheid van de wederpartij.
Omdat de allochtone groep werd geweigerd, terwijl de autochtone groep werd
toegelaten, is verzoekster van mening dat de wederpartij in strijd heeft
gehandeld met de AWGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een stichting welke zich blijkens haar statuten onder meer
ten doel stelt het bestrijden van discriminerend handelen van overheidsorganen,
instellingen, bedrijven, groepen of personen, alles in de ruimste zin des
woords, een en ander uitgevoerd volgens een jaarlijks door het bestuur
vast te stellen beleidsplan en daarbij behorend werkplan.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming
met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB), de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB) en artikel 7:646-648 Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te beschermen.
Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld
in artikel 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou
zijn gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door
de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek blijft derhalve achterwege.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek om een oordeel in behandeling genomen
en partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. Verzoekster heeft
een videoband met opnames van de praktijktest overgelegd die zijn uitgezonden
in het programma `Hier en nu’ van de NCRV op 3 juni 1996.

3.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunten toegelicht op een zitting op 25 maart 1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– dhr (….) (coördinator verzoekster)
– dhr (….) (medewerker verzoekster)
– mw mr. (….) (deskundige Landelijk Bureau Racismebestrijding)

van de kant van de wederpartij:
– dhr mr. D.M. Van Lieshout (advocaat)
– dhr (….) (vennoot)
– dhr (….) (vennoot)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij exploiteert een discotheek. Voor wat betreft de toegang
tot haar etablissement hanteert de wederpartij als huisregel dat uitsluitend
leden – al of niet op vertoon van een lidmaatschapskaarttoegang hebben
tot haar discotheek.

4.2. Naar aanleiding van meerdere klachten van allochtone jongeren over
de weigering om hen toe te laten tot verschillende discotheken in Twente,
heeft verzoekster praktijktesten uitgevoerd bij een viertal gelegenheden,
waaronder die van de wederpartij. Het doel van deze testen was enerzijds
om na te gaan of discotheekbezoekers ongelijk worden behandeld op grond
van hun huidskleur of afkomst en anderzijds om te bezien of de in mei 1993
door het Bedrijfschap Horeca ingevoerde anti-discriminatiecode wordt gehandhaafd
in deze discotheken.

De vier onderzochte discotheken zijn geselecteerd op grond van:
– meldingen bij verzoekster van jongeren, die slachtoffer zijn geweest
van weigering bij de discotheken;
– getuigenissen van jongeren, die bij de discotheken hebben geconstateerd
dat allochtone jongeren werden geweigerd;
– de omstandigheid dat Enschede en Hengelo steden zijn, die de meeste Twentse
discotheekbezoekers ontvangen in het weekend.

De eerste praktijktest is uitgevoerd in de nacht van 25 op 26 mei 1996.
Van deze praktijktest zijn filmopnamen gemaakt, die in NCRV’s `Hier en
nu’ van 3 juni 1996 zijn uitgezonden. De tweede praktijktest is in de nacht
van 1 op 2 juni 1996 uitgevoerd.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt het volgende

4.3. Ten aanzien van de uitvoering van de praktijktest heeft verzoekster
een aantal algemene uitgangspunten gehanteerd.

Alle groepen konden op grond van uiterlijke kenmerken `zo op het oog’ omschreven
worden als gemiddelde discotheekbezoekers. Het profiel van de testpersonen
was als volgt:
– de testpersonen hebben op geen enkele wijze een relatie met de organisatie
van verzoekster;
– de testpersonen hebben geen strafrechtelijk verleden;
– de testpersonen onderscheiden zich niet al te veel van de gemiddelde
discotheekbezoekers in de zin van haardracht, kleding, schoeisel en dergelijke;
– de allochtone testpersonen beheersen de Nederlandse taal zodanig dat
zij tot discussie met bijvoorbeeld een portier in staat zijn.

Verzoekster heeft voor de praktijktest personen geselecteerd die niet bekend
waren bij de te bezoeken discotheken.
Deze personen waren ouder dan 21 jaar, zij waren goed gekleed en hadden
een normale haardracht. Voor zover er verschillen tussen beide groepen
bestonden, vielen deze in het nadeel uit van de autochtone controlegroep
die wellicht een iets minder goed verzorgde indruk maakte dan de allochtone
groep.

4.4. In de nacht van zaterdag 25 mei op zondag 26 mei 1996 heeft verzoekster
een praktijktest horeca uitgevoerd bij drie discotheken in Hengelo en één
in Enschede. De discotheken zijn in mei bezocht door twee groepen, een
groep bestaande uit vier allochtone jongeren en één controlegroep bestaande
uit vier autochtone jongeren. De controlegroep had tot taak om direct na
de weigering van de allochtone jongeren toegang te vragen bij de discotheek.
Voorts was er een medewerker van de organisatie van verzoekster aan de
controlegroep toegevoegd om zoveel mogelijk mee te maken van discussies
aan de deur van discotheken tussen portiers en de allochtone jongeren.
Beide groepen werden in het oog gehouden en gevolgd door medewerkers van
de organisatie van verzoekster om zicht te houden op de totale gebeurtenissen.

De praktijktest is vervolgens herhaald in de nacht van 1 op 2 juni 1996.
Zowel de allochtone groep als de controlegroep bestond bij de tweede praktijktest
uit twee personen.

4.5. Met betrekking tot de discotheek van de wederpartij heeft de praktijktest
in de nacht van 25 op 26 mei 1996 voor de allochtone groep tot de volgende
bevindingen geleid:
‘Tegen half één die nacht arriveerden we bij deze discotheek. Daar werd
door een portier aan mij (K.A.) om een pas gevraagd. Ik zei hem dat wij
die niet hadden. Daarop antwoordde hij: `Dan komen jullie er niet in!’.
Ik vroeg hem: `Hoe komen wij aan een pas?’ De portier antwoordde: `Je moet
van de week maar even overdag bellen om een aanvraag in te dienen. En dan
hoor je wel of je als lid wordt toegelaten.’ Om geen problemen te veroorzaken
deden we enkele passen naar achteren en zagen vervolgens dat blanke jongeren
wel werden toegelaten zonder dat er om een pas werd gevraagd. Tot slot
zagen wij dat een groep van vier Antillianen deze discotheek wilde bezoeken.
Ook hen werd om een pas gevraagd. En toen zij die niet konden laten zien
werd hen de toegang ook geweigerd.’

De bevindingen van de controlegroep bij de uitvoering van de praktijktest
bij de wederpartij in de nacht van 25 op 26 mei 1996 luiden als volgt:

‘Om 00:35 arriveerden wij bij discotheek (….) Mij (M.V.) werd door een
portier gevraagd of wij in het bezit zijn van een ledenkaart. Ik antwoordde
hem ontkennend. Daarop antwoordde de portier:’dan komen jullie er niet
in.’ Toen ik hem vroeg kunnen we niet even binnen een kijkje nemen?’, werden
wij zonder problemen toegelaten tot deze discotheek.’

4.6. De bevindingen van de allochtone jongeren bij de uitvoering van de
praktijktest bij de wederpartij in de nacht van 1 op 2 juni 1996 zijn de
volgende:
‘Vijf over één arriveren wij (M.S. en O.E.) bij deze discotheek. Als wij
deze zaak willen betreden worden wij door de portier staande gehouden.
Op de vraag waarom wij niet naar binnen mogen antwoordt de portier: `Omdat
jullie geen leden zijn’. Zonder daarover in discussie te gaan vertrekken
wij weer.’

De bevindingen van de controle groep bij de uitvoering van de praktijktest
bij de wederpartij op 1 en 2 juni 1996 luiden als volgt:
‘Om 01.10 uur betreden wij (S.H. en B.A.) zonder dat ons om een ledenkaart
is verzocht deze discotheek.’

De wederpartij stelt het volgende.

4.7. Het verzoek dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat verzoekster
het algemeen geldende beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door
na te laten zich tot de wederpartij te wenden. Schending van dit beginsel
heeft tot gevolg dat het onderzoek als nietig moet worden beschouwd.
Er rust op verzoekster een verplichting om het Bedrijfsschap Horeca bij
het onderzoek te betrekken. Dit is evenwel nagelaten. Voorts is verzoekster
bevooroordeeld ten aanzien van de wederpartij en heeft verzoekster nagelaten
de wederpartij en de Commissie volledig te informeren over de gestelde
bevindingen. Ten slotte maakt de wederpartij bezwaar tegen het gebruik
van technische middelen al of niet van mediamieke aard bij de uitvoering
van de praktijktest door verzoekster.

Gelet op de wijze waarop verzoekster de praktijktest heeft uitgevoerd ontvalt
de grondslag aan deze klacht.
Voorts zijn de resultaten uit het onderzoek niet concludent voor de stelling
dat de wederpartij de AWGB heeft geschonden. De dienstdoende portier heeft
zowel in de maand mei als in de maand juni personen, die hij als leden
meende te herkennen de toegang verleend en personen die hij niet als leden
kon of meende te herkennen de toegang geweigerd.

4.8. De wederpartij heeft ter zitting toegelicht dat aanvankelijk werd
gewerkt met een kaartsysteem voor leden. Nadien is door de snelle toename
van het aantal leden met de afgifte van kaarten gestopt, omdat er teveel
kaarten in omloop kwamen in verhouding tot de maximale capaciteit van 1.100
personen. Tevens weten de portiers wie wel of geen lid is en of het introducés
van leden betreffen. Het aanmelden als lid kan nog steeds, maar er worden
geen lidmaatschapskaarten meer verstrekt.

Kennelijk heeft de portier de autochtone controlegroep als leden herkend
en hen daarom toegang verleend. De portiers letten bij de toelating van
klanten sterk op correcte kleding en op een minimum leeftijd van 21 jaar.
Ook is het mogelijk dat de personen afkomstig uit allochtone groep geweigerd
zijn, omdat zij in het verleden problemen in de discotheek hebben veroorzaakt.

Overigens is een lidmaatschapskaart geen garantie voor toelating. Indien
een portier verwacht dat iemand overlast bezorgt, komt hij er niet in ongeacht
of hij kaarthouder is of niet. De weigeringen vinden plaats op basis van
herkenning door de portiers. Voor de uitvoering van dit beleid staat bij
de buiten-ingang van de discotheek altijd één en dezelfde vaste portier.

5. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de toelating tot haar
discotheek onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in artikel
1 in samenhang met artikel 7 AWGB.

5.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras dient in de AWGB overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd. Dit omvat tevens huidskleur,
afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 13.).

Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB onder
meer direct onderscheid tussen personen op grond van ras bij het aanbieden
van goederen en diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf. Onder het sluiten van overeenkomsten wordt mede verstaan
het weigeren een overeenkomst aan te gaan (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992,
22 014, nr. 5, p. 7-8.).

5.3. Met betrekking tot het verweer van de wederpartij dat verzoekster
niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard, overweegt de Commissie als
volgt.
Op grond van de AWGB is verzoekster niet gehouden zich eerst tot de wederpartij
te wenden alvorens een verzoek bij de Commissie in te dienen. Hoewel naar
de mening van de Commissie het horen van de reactie van de wederpartij
wel het belang van een optimale acceptatie van de gelijke behandelingsnorm
dient, is er geen sprake van een wettelijke verplichting daartoe. Evenmin
rust op verzoekster de verplichting haar klacht eerst aan het Bedrijfsschap
Horeca voor te leggen.
De Commissie is voorts van oordeel dat het gebruik door verzoekster van
audiovisuele middelen bij het onderzoek geen redenen geeft om haar niet-ontvankelijk
te verklaren. Niet gesteld of gebleken is dat het beeldverslag inbreuk
op het recht op privacy maakt, zodat de videoband als bewijsmiddel kan
dienen.

5.4. Verzoekster heeft verslagen van de praktijktesten en een videoband
als bewijs overgelegd. Zowel de civiele rechter als de strafrechter hebben
de praktijktest als bewijsmiddel geaccepteerd (Zie onder andere Rb Amsterdam
20 maart 1992, Rechtspraak Rassendiscriminatie 287 (straf) en Rb Zutphen
26 juni 1980, Rechtspraak Rassendiscriminatie 16 (civiel).).
De Commissie is eveneens van oordeel dat door middel van praktijktesten,
afhankelijk van de omstandigheden, het bewijs van ongelijke behandeling
kan worden geleverd.

5.5. Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de
Commissie het volgende.

Uit het verslag van de eerste praktijktest in de nacht van 25 op 26 juni
1996 en de daarop ter zitting gegeven toelichting blijkt dat aan beide
groepen om een pas werd gevraagd. Geen van de jongeren was in het bezit
van een pas. De allochtone jongeren werd de toegang tot de discotheek geweigerd,
terwijl de autochtone jongeren daarentegen wel zijn toegelaten.

Het verslag van de tweede praktijktest in de nacht van 1 juni op 2 juni
1996 levert eenzelfde uitkomst op als de eerste test: de allochtone groep
werd geweigerd, de autochtone groep werd wel toegelaten. Aan geen van beide
groepen werd om een pas gevraagd. De allochtone jongeren werden geweigerd
omdat zij geen lid zouden zijn. De autochtone jongeren werd wel toegang
verleend. Onbetwist is dat zij evenmin lid waren.

5.6. De wederpartij heeft als reden voor weigering van de allochtone jongeren
aangevoerd dat zij een selectief toelatingsbeleid op grond van lidmaatschap
voert.
Uit de toelichting van de wederpartij blijkt dat het lidmaatschap voor
bezoekers echter geen garantie biedt voor toelating tot de discotheek.
De wederpartij stelt immers behalve het lidmaatschap nog andere selectiecriteria
te hanteren, te weten een minimum leeftijd van 21 jaar, correcte kleding
en slecht gedrag in het verleden of te verwachten slecht gedrag.
Voorts is de uitvoering van het beleid in handen van één en dezelfde portier
die op basis van visuele herkenning – er worden immers geen lidmaatschapskaarten
meer verstrekt – de vaste klanten en introducés zou herkennen.

5.7. De Commissie stelt op grond van de hiervoor genoemde uitkomsten van
de praktijktesten vast dat noch de allochtone noch de autochtone jongeren
in het bezit waren van een pas. Voorts is gesteld en niet weersproken dat
noch de allochtone noch de autochtone jongeren lid waren van de discotheek.
De Commissie constateert derhalve dat het lidmaatschap in de praktijk niet
als doorslag-gevend selectiecriterium wordt gehanteerd.

De Commissie stelt op grond van de verklaringen van verzoekster en het
overgelegde videomateriaal vast dat de allochtone groep vergelijkbaar is
met de autochtone controlegroep wat betreft leeftijd, uiterlijke verzorging
en houding.

Eveneens staat vast dat geen van de deelnemers aan de praktijktest bekend
waren bij de wederpartij. Beide groepen hebben op de bewuste nacht op min
of meer gelijke wijze en kort na elkaar geprobeerd toegang te krijgen tot
de discotheek.
De Commissie concludeert derhalve dat de hiervoor door de wederpartij genoemde
bijkomende selectiecriteria geen redenen voor het niet-toelaten van de
allochtone jongeren in kwestie konden opleveren.

Aangezien geen van de door de wederpartij aangevoerde redenen een aannemelijke
verklaring opleveren voor de weigering van de allochtone groep, concludeert
de Commissie dat er sprake is van verboden onderscheid op grond van ras
jegens allochtone jongeren in de bij de praktijktesten betrokken gevallen.

5.8. De Commissie acht het beleid van visuele herkenning van leden en introducés
alsmede toetsing van de selectiecriteria door een en dezelfde portier van
een discotheek met een capaciteit van 1.100 bezoekers niet redelijk uitvoerbaar.
Dit beleid heeft naar het oordeel van de Commissie direct onderscheid naar
ras tot gevolg en is dus in strijd met de AWGB. De Commissie concludeert
dat dit toelatingsbeleid niet alleen in de bij de praktijktesten betrokken
gevallen maar ook in het algemeen bij de toelating tot de discotheek leidt
tot verboden onderscheid op grond van ras.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (….)
te Hengelo door het door haar gehanteerde toelatingsbeleid voor bezoekers
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 7 lid
1 sub b Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in strijd met deze
wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een anti-discriminatiebureau heeft bij een disco twee praktijktesten uitgevoerd
waarbij een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar
geprobeerd hebben toegang te krijgen tot de discotheek van de wederpartij.
De allochtone groep werd geweigerd, terwijl de autochtone groep wel werd
toegelaten. Volgens de disco wordt zij tot het voeren van een selectief
toelatingsbeleid gedwongen doordat groepen allochtone jongeren voor problemen
zorgden. Daarom worden ze geweigerd.
De Commissie oordeelt dat de Hoge Raad in een strafzaak heeft uitgesproken
dat indien bepaalde personen wegens hun ras de toegang tot een bar-dancing
wordt geweigerd dit achterstelling wegens ras oplevert. De Commissie oordeelt
op grond daarvan dat de wederpartij met haar toelatingsbeleid direct onderscheid
naar ras maakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

A. Op 11 juni 1996 heeft Anti Discriminatie Bureau Twente (ADB) te Enschede
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling verzocht een oordeel
uit te spreken over de vraag of
(….) te Hengelo (hierna: de wederpartij) onderscheid heeft gemaakt op
grond van ras als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij twee praktijktesten uitgevoerd,
waarbij een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar
hebben getracht toegang te krijgen tot de dansgelegenheid van de wederpartij.
Omdat de allochtone groep werd geweigerd, terwijl de autochtone groep werd
toegelaten, is verzoekster van mening dat de wederpartij in strijd heeft
gehandeld met de AWGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een stichting welke zich blijkens haar statuten onder meer
ten doel stelt het bestrijden van discriminerend handelen van overheidsorganen,
instellingen, bedrijven, groepen of personen, alles in de ruimste zin des
woords, een en ander uitgevoerd volgens een jaarlijks door het bestuur
vast te stellen beleidsplan en daarbij behorend werkplan.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming
met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB), de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB) en artikel 7:646-648 Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te beschermen.
Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld
in artikel 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou
zijn gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door
de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek blijft derhalve achterwege.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek om een oordeel in behandeling genomen
en partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. Verzoekster heeft
een videoband met opnames van de praktijktest overgelegd die zijn uitgezonden
in het programma `Hier en nu’ van de NCRV op 3 juni 1996.

3.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen voor een zitting
op 25 maart 1997. De wederpartij heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– dhr (….) (coördinator verzoekster)
– dhr (….) (medewerker verzoekster)
– mw mr. (….) (deskundige Landelijk Bureau Racismebestrijding)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

3.3. Verzoekster heeft bij brief van 1 april 1997 nadere informatie overgelegd
over de praktijktest die is gehouden in de nacht van 1 op 2 juni 1996.

3.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij exploiteert een Bar-Dancing, waarin zich ook een discotheek
bevindt. Voor wat betreft de toegang tot haar etablissement hanteert de
wederpartij een open-deur principe, dat wil zeggen dat de wederpartij geen
lidmaatschapseisen stelt voor de toegang tot haar discotheek.

4.2. Naar aanleiding van meerdere klachten van allochtone jongeren over
de weigering om hen toe te laten tot verschillende discotheken in Twente,
heeft verzoekster praktijktesten uitgevoerd bij een viertal gelegenheden,
waaronder die van de wederpartij. Het doel van deze testen was enerzijds
om na te gaan of discotheekbezoekers ongelijk worden behandeld op grond
van hun huidskleur of afkomst en anderzijds om te bezien of de in mei 1993
door het Bedrijfschap Horeca ingevoerde anti-discriminatiecode wordt gehandhaafd
in deze discotheken.

De vier onderzochte discotheken zijn geselecteerd op grond van:
– meldingen bij verzoekster van jongeren, die slachtoffer zijn geweest
van weigering bij de discotheken;
– getuigenissen van jongeren, die bij de discotheken hebben geconstateerd
dat allochtone jongeren werden geweigerd;
– de omstandigheid dat Enschede en Hengelo steden zijn, die de meeste Twentse
discotheekbezoekers ontvangen in het weekend.

De eerste praktijktest is uitgevoerd in de nacht van 25 op 26 mei 1996.
Van deze praktijktest zijn filmopnamen gemaakt, die in NCRV’s `Hier en
nu’ van 3 juni 1996 zijn uitgezonden. De tweede praktijktest is in de nacht
van 1 op 2 juni 1996 uitgevoerd.

De standpunten van partijen

4.3. Verzoekster stelt het volgende

Ten aanzien van de uitvoering van de praktijktest heeft verzoekster een
aantal algemene uitgangspunten gehanteerd.

Alle groepen konden op grond van uiterlijke kenmerken `zo op het oog’ omschreven
worden als gemiddelde discotheekbezoekers.
Het profiel van de testpersonen was als volgt:
– de testpersonen hebben op geen enkele wijze een relatie met de organisatie
van verzoekster;
– de testpersonen hebben geen strafrechtelijk verleden;
– de testpersonen onderscheiden zich niet al te veel van de gemiddelde
discotheekbezoekers in de zin van haardracht, kleding, schoeisel en dergelijke;
– de allochtone testpersonen beheersen de Nederlandse taal zodanig dat
zij tot discussie met bijvoorbeeld een portier in staat zijn.

Verzoekster heeft voor de praktijktest personen geselecteerd die niet bekend
waren bij de te bezoeken discotheken.

4.4. In de nacht van zaterdag 25 mei op zondag 26 mei 1996 heeft verzoekster
een praktijktest horeca uitgevoerd bij drie discotheken in Hengelo en één
in Enschede. De discotheken zijn in mei bezocht door twee groepen, één
groep bestaande uit vier allochtone jongeren en één controlegroep bestaande
uit vier autochtone jongeren. De controlegroep had tot taak om direct na
de weigering van de allochtone jongeren toegang te vragen bij de discotheek.
Voorts was er een medewerker van de organisatie van verzoekster aan de
controlegroep toegevoegd om zoveel mogelijk mee te maken van discussies
aan de deur van discotheken tussen portiers en de allochtone jongeren.
Beide groepen werden in het oog gehouden en gevolgd door medewerkers van
de organisatie van verzoekster om zicht te houden op de totale gebeurtenissen.

De praktijktest is vervolgens herhaald in de nacht van 1 juni 1996 op 2
juni 1996. Zowel de allochtone groep als de controlegroep bestond bij de
tweede praktijktest uit twee personen.

4.5. Met betrekking tot de discotheek van de wederpartij heeft de praktijktest
in de nacht van 25 op 26 mei 1996 de volgende bevindingen opgeleverd:
‘Tussen 23:30 en 23:45 uur stonden we met z’n vieren (H.F., A.J., M.S.
en K.A.) voor de ingang van deze discotheek. Een portier vroeg ons: `Wat
is de bedoeling?’ Daarop zei ik (K.A.): `Wij willen graag naar binnen!’.
Daarop antwoordde de portier letterlijk: `Jullie mogen niet naar binnen.’
Op mijn vraag waarom, kreeg ik een roze papiertje overhandigd, dat ik in
de duisternis niet kon lezen. Toen zei de portier: `Er is hier geen discussie
over mogelijk’, en begon ons naar buiten te duwen. Hierop gingen wij niet
in en zonder problemen te veroorzaken vertrokken wij en lazen buiten de
discotheek de volgende tekst: `H.H. Portiers. Wees bijzonder alert op personen
waarvan het vermoeden bestaat, dat men een verdovend- of pepmiddel zou
kunnen gebruiken, zoals softdrugs of XTC-tabletten. Bij het geringste vermoeden
deze personen onherroepelijk de toegang weigeren. Vorenstaande geldt evengoed
voor kleurlingen als voor blanke personen. Aan deze maatregel kan geen
discriminerende uitleg worden gegeven. (….) wil in geen enkel opzicht
in verband gebracht worden met verdovende en/of pepmiddelen. Tevens personen
weigeren die zich hebben misdragen of in de nabijheid van `t samenscholen,
behoudens het wachten op taxi-bus-vervoer.’
Niemand van onze groep was ooit eerder bij de discotheek op bezoek geweest.
De allochtone groep jongeren wordt op 25 en 26 mei 1996 de toegang geweigerd.’

De bevindingen van de controlegroep bij de uitvoering van de praktijktest
bij de wederpartij in de nacht van 25 op 26 mei 1996 luiden als volgt:

‘Even na 23:45 uur arriveerden wij (Y.H., A.H., N.B. en M.V.) bij deze
discotheek. Voor de ingang passeerden wij de Marokkaanse groep jongeren.
Bij het naar binnen gaan hoorden wij allen dat de ene tot de andere portier
zei: `Die zwarten komen er hier niet in!’. De autochtone jongeren werd
de toegang niet belemmerd.’

4.6. De bevindingen van de allochtone jongeren bij de uitvoering van de
tweede praktijktest in de nacht van 1 juni op 2 juni 1996 zijn de volgende:
‘Rondom 23:00 uur arriveren wij (M.S. en O.E.) bij deze discotheek. Op
de vraag van de portier: `Wat komen jullie doen?’, antwoorden wij: `wij
willen vanavond bij (de discotheek van de wederpartij) uitgaan!’.

Daarop antwoordt de portier: `Jullie komen er niet in’. Wij hebben toen
geprobeerd in discussie te gaan om zijn motieven te achterhalen. De enige
reactie was dat hij telkens herhaalde: `Jullie komen er niet in’. Na verloop
van tijd besloten wij te vertrekken.’

De bevindingen van de controlegroep luiden als volgt:
‘Om 23:15 passeren wij (S.H. en B.A.) op ongeveer tien meter vanaf de toegangsdeur
de allochtone jongeren. Zonder belemmering en/of vragen van de portier
kunnen wij deze zaak betreden.’

De wederpartij stelt het volgende

4.7. Na vijftien jaar heeft de wederpartij haar beleid ten aanzien van
de toegang tot haar discotheken gewijzigd ten aanzien van bepaalde allochtone
jongeren, waarbij de portiers gevoelsmatig het idee krijgen dat deze jongeren
later in de discotheken problemen zullen veroorzaken.

Door het voorheen gevoerde soepelere beleid ten aanzien van allochtone
jongeren is gebleken dat er binnen de discotheek meer moeilijkheden ontstonden
met allochtone dan met autochtone jongeren. Op 2 september 1995 leidde
dit tot opstootjes tussen circa dertig Turkse en Marokkaanse jongeren.
Daarop zijn afspraken gemaakt binnen de organisatie van de wederpartij
in die zin dat allochtone jongeren op dezelfde wijze als autochtone jongeren
moesten worden behandeld. De portiers kregen richtlijnen waarbij hen nadrukkelijk
op het hart werd gedrukt om een objectief en oprecht beleid te voeren,
waarbij zij zich niet moesten laten leiden door gevoelens omtrent discriminatie.
Daarnaast moesten de portiers zoveel mogelijk allochtone jongeren weigeren,
waarvan vermoed werd dat zij tot de probleemgroepen behoorden. Indien deze
maatregelen niet zouden zijn getroffen, zou het voortbestaan van de onderneming
ernstig in gevaar zijn gebracht.

Allochtone jongeren, vooral Turkse en Marokkaanse, vormen in een uitgaanscentrum
een eigen groep in de totale groep van gasten. Dit leidt in veel gevallen
tot problemen binnen de eigen groep of met een andere groep allochtone
jongeren. Dit probleem laat zich in de praktijk maar op één manier ondervangen,
namelijk door er voor te zorgen dat er een goede spreiding van het aantal
allochtone jongeren is en door er voor te zorgen dat deze groep niet te
groot wordt. Ook op basis van deze argumenten worden soms allochtone jongeren
geweigerd ter voorkoming van problemen in en buiten de zaak en ter bescherming
van het aanwezige publiek.
Van de kant van het autochtone publiek is nooit de indruk gewekt dat zij
zich afzetten tegen het allochtone publiek. Hier komt echter een einde
aan als er sprake is van samenscholing van allochtone jongeren op bepaalde
plaatsen, zoals hoeken van de zaal, toiletingangen of trapportalen.

4.8. Met betrekking tot de op 25 mei 1996 uitgevoerde praktijktest merkt
de wederpartij op dat het hier drie Turkse of Marokkaanse oudere bezoekers
betrof van middelbare leeftijd, die de gemiddelde leeftijd van de vaste
bezoekers ver te boven ging. Met het oog op de verkoop van drugs zijn de
portiers vooral alert bij oudere bezoekers. De gemiddelde leeftijd van
de bezoekers van de onderhavige discotheek ligt tussen de 17 en 20 jaar.
Bezoekers van 35 tot 40 jaar hebben daar niets te zoeken.

5. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de toelating tot haar
discotheek onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in artikel
1 in samenhang met artikel 7 AWGB.

5.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB dient overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd. Dit omvat tevens huidskleur,
afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB onder
meer direct onderscheid tussen personen op grond van ras bij het aanbieden
van goederen en diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf. Onder het sluiten van overeenkomsten wordt mede verstaan
het weigeren een overeenkomst aan te gaan (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014,
nr. 5, p. 7-8.).

5.3. Verzoekster heeft verslagen van de praktijktesten en een videoband
als bewijs overgelegd. Zowel de civiele rechter als de strafrechter hebben
de praktijktest als bewijsmiddel geaccepteerd (Zie onder andere Rb Amsterdam
20 maart 1992, Rechtspraak Rassendiscriminatie 287 (straf) en Rb Zutphen
26 juni 1980, Rechtspraak Rassendiscriminatie 16 (civiel).). De Commissie
is eveneens van oordeel dat door middel van praktijktesten, afhankelijk
van de omstandigheden, het bewijs van ongelijke behandeling kan worden
geleverd.
De Commissie stelt voorts vast dat niet gesteld of gebleken is dat het
beeldverslag inbreuk op het recht op privacy maakt, zodat de videoband
als bewijsmiddel kan dienen.

5.4. Uit het verslag van de eerste praktijktest in de nacht van
25 op 26 juni 1996 en de daarop ter zitting gegeven toelichting blijkt
dat de allochtone groep de toegang tot de discotheek is geweigerd, terwijl
daarentegen de controlegroep is toegelaten.
De allochtone groep is daarbij door de portier van de discotheek een papier
overhandigd waaruit blijkt dat de weigering wordt gemotiveerd met het argument
dat deze bezoekers in verband worden gebracht met verdovende middelen,
zich hebben misdragen of nabij de discotheek samenscholen.
De wederpartij heeft als verklaring gegeven dat de allochtone groep is
geweigerd omdat hun leeftijd beduidend hoger lag dan die van de gemiddelde
discotheekbezoeker. Met het oog op drugsdealers zijn portiers vooral alert
bij oudere bezoekers.
De Commissie stelt op grond van de verklaringen van verzoekster en het
overgelegde videomateriaal vast dat de allochtone groep vergelijkbaar is
met de controlegroep wat betreft leeftijd, uiterlijke verzorging en houding.
De Commissie constateert derhalve dat niet aannemelijk is dat het verschil
in behandeling van de allochtone groep voortvloeit uit een verschil in
leeftijd. Uit de verklaringen van de controlegroep, die niet zijn betwist,
blijkt voorts dat de reden van weigering van de allochtone jongeren door
een der portiers gebaseerd was op hun huidskleur.
De Commissie is dan ook van oordeel dat uit de eerste praktijktest blijkt
dat de wederpartij in het betreffende geval verboden onderscheid naar ras
heeft gemaakt.

5.5. Het verslag van de tweede praktijktest in de nacht van 1 op 2 juni
1996 bevestigt het resultaat van de eerste praktijktest, met dien verstande
dat bij de tweede praktijktest de allochtone jongeren zonder nadere motivering
werden geweigerd.

5.6. De wederpartij heeft aangevoerd dat zij noodgedwongen een selectief
toelatingsbeleid moet voeren. Allochtone groepen jongeren zouden in toenemende
mate voor problemen in de discotheek hebben gezorgd. Naar aanleiding van
deze problemen is de wederpartij ertoe overgegaan een beleid te voeren,
waarbij zoveel mogelijk allochtone jongeren – waarvan de wederpartij meent
dat ze tot een probleemgroep behoren – zouden worden geweigerd. Voorts
wordt met het toelatingsbeleid mede beoogd een goede spreiding van het
aantal allochtone jongeren te bereiken.

Over de toelaatbaarheid van deze zogenoemde ordemaatregel heeft de Hoge
Raad in 1981 zich in een strafzaak uitgesproken (HR 24 november 1981, NJ
1982, 177 m.n. Malai.). In dit arrest overweegt de Hoge Raad dat indien
bepaalde personen wegens hun ras de toegang tot een bar-dancing geweigerd
wordt, dit achterstelling wegens ras van die personen oplevert.

Dit is volgens de Hoge Raad ook het geval indien die weigering geschiedt
met het motief het gevaar voor de verstoring van de goede omgang tussen
de bezoekers te bezweren. Hetzelfde geldt wanneer die personen op een ander
moment wel zouden worden toegelaten.

De Commissie stelt op grond van de toelichting van de wederpartij vast
dat haar toelatingsbeleid als een zogenoemde ordemaatregel moet worden
beschouwd, op grond waarvan allochtone jongeren de toegang wordt geweigerd.
Met dit toelatingsbeleid wordt direct onderscheid naar ras gemaakt zoals
verboden in de AWGB.

5.7. De Commissie concludeert dat dit toelatingsbeleid, niet alleen in
de bij de praktijktesten betrokken gevallen, maar ook in het algemeen bij
de toelating tot de discotheek, leidt tot verboden onderscheid op grond
van ras.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (….)
te Hengelo door het door haar gehanteerde toelatingsbeleid voor bezoekers
direct onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel
7 lid 1 sub b Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in strijd met
deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Aan verzoekster en haar vriendin is de toegang geweigerd op een door een
bedrijf georganiseerde presentatie van haar producten. Deze bijeenkomst
bestond uit een diner en een demonstratie van producten. De bijeenkomst
was alleen toegankelijk voor echtparen. Volgens verzoekster is dit in strijd
met de gelijke behandelingswetgeving.
Oordeel Commissie: direct onderscheid op grond van burgerlijke staat.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 december 1996 verzocht mevrouw (….) te Eindhoven (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de (….) te Uden (hierna: de wederpartij)
jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van burgerlijke staat als
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Aan verzoekster en haar vriendin is door de wederpartij de toegang
geweigerd op een door de wederpartij georganiseerde presentatie van haar
producten. Deze bijeenkomst bestond uit een diner en een demonstratie van
de producten van de wederpartij. De bijeenkomst was alleen toegankelijk
voor echtparen. Verzoekster is van mening dat de handelwijze van de wederpartij
in strijd is met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld.
De wederpartij heeft de Commissie, telefonisch, meegedeeld dat zij weigert
haar standpunt schriftelijk toe te lichten. Ook heeft de wederpartij geweigerd
aan het verdere onderzoek van de Commissie mee te werken.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen. De wederpartij
heeft geen gehoor gegeven aan deze oproep. Verzoekster heeft haar standpunt
nader toegelicht tijdens een zitting op 14 mei 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een verkoopkantoor voor diverse wolproducten welke
bestemd zijn voor bedden.

3.2. De wederpartij heeft een uitnodiging onder potentiële klanten verspreid
voor een diner en een demonstratie van haar producten. Deze bijeenkomst
werd ’s avonds op 12 november 1996 in een motel te Eindhoven gehouden.
De uitnodiging had de vorm van een bon. De tekst bevatte onder meer de
volgende informatie:
‘ UITNODIGING
gratis `DINER VOOR TWEE’-BON
inclusief twee consumpties
MOTEL EINDHOVEN
Deze dinerbon is alleen geldig voor echtparen op bovenvermelde datum.
Gezondheidsinformatie over natuurproducten.
Deelname aan `Diner voor Twee’ verplicht u tot niets.’

3.3. Verzoekster en haar vriendin wilden van deze uitnodiging gebruik maken.
Zij werden niet toegelaten omdat in de bon vermeld stond dat de uitnodiging
alleen voor echtparen gold. Verzoekster is ongehuwd.

Het standpunt van verzoekster

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Bij binnenkomst werd aan verzoekster en haar vriendin door een vertegenwoordiger
van de wederpartij de toegang geweigerd, omdat zij twee vrouwen waren.
Zij werden door hem gewezen op de zin in de uitnodiging `deze dinerbon
is alleen geldig voor echtparen’. Verzoekster was deze zin ontgaan. Verzoekster
gaf te kennen de weigeringsgrond ongeloofwaardig te vinden. Zij stelde
dat hierdoor alleenstaande vrouwen, zoals zij, uitgesloten worden.
De persoon door wie verzoekster aangesproken werd, antwoordde hierop: `Meisjes
toch, zoiets spreekt toch voor zich. Dat is net zo iets als twee vrouwen
op een voetbalveld, die hebben daar toch geen verstand van’. Toen de vertegenwoordiger
van de wederpartij volhardde in de weigering, eiste verzoekster haar bon
terug. Vervolgens zijn verzoekster en vriendin vertrokken nadat verzoekster
gezegd had, dat zij stappen zou ondernemen omdat zij de weigering als discriminatie
beschouwt.

Verzoekster merkt op, dat door de gehanteerde weigeringsgrond alleenstaande
vrouwen en mannen en homoseksuele of lesbische paren van deelname aan de
onderhavige bijeenkomst door de wederpartij worden uitgesloten.
Een dergelijke uitsluiting vindt zij onjuist en acht zij kwetsend voor
mensen die behoren tot deze groepen. Verzoekster wil dat de wederpartij
de zin `de dinerbon is alleen geldig voor echtparen’ uit de advertentie
verwijdert.

Het is verzoekster niet bekend of de bedrijfsleiding van het Motel op de
hoogte was van het in de bon vermelde toelatingsbeleid.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij, door verzoekster de toegang
te weigeren tot het diner en de demonstratie van de producten vanwege het
feit dat verzoekster samen met haar vriendin geen echtpaar vormde, jegens
haar onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft gemaakt.

4.2. Ter beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB bepaalt onder meer dat het maken
van onderscheid op grond van burgerlijke staat is verboden bij het aanbieden
van goederen of diensten in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect
onderscheid. In artikel 1, onderdeel b, AWGB staat dat direct onderscheid,
onderscheid is tussen personen op grond van onder andere burgerlijke staat.

4.3. Ten aanzien van de vraag of het bestreden handelen van de wederpartij
valt onder de reikwijdte van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB,
overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij verkoopt wolproducten. Zij heeft deze producten aangeboden
door personen uit te nodigen voor een diner, waarbij een demonstratie van
haar producten plaatsvond. Het bestreden handelen van de wederpartij heeft
derhalve plaatsgevonden in het kader van het aanbieden van goederen in
de uitoefening van haar bedrijf en valt mitsdien onder de reikwijdte van
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB.

4.4. Met betrekking tot de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie
als volgt.

In de uitnodiging (de `diner voor twee’-bon) staat de vermelding `Deze
dinerbon is alleen geldig voor echtparen…’. Bij het weigeren van de toegang
van verzoekster (en haar vriendin) tot het diner en de demonstratie van
de producten, heeft de wederpartij naar deze tekst verwezen.

Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de wederpartij, door verzoekster
de toegang te ontzeggen tot het diner en de demonstratie van de producten
vanwege het feit dat zij samen met haar vriendin geen echtpaar vormde,
direct onderscheid heeft gemaakt naar burgerlijke staat als bedoeld in
artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (….) te Uden jegens
mevrouw (….) te Eindhoven direct onderscheid heeft gemaakt op grond van
burgerlijke staat als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a van
de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in strijd heeft gehandeld
met deze wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst(lid Kamer), drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Een anti-discriminatiebureau heeft bij een disco een praktijktest uitgevoerd
waarbij een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar
hebben getracht toegang te krijgen. De allochtone jongeren werd de toegang
geweigerd, omdat zij niet in het bezit waren van een ledenkaart. De groep
autochtone jongeren heeft vervolgens niet meer getracht de toegang te verkrijgen.
Omdat de portiers bij deze weigering niet hebben aangegeven hoe een ledenkaart
verkregen kon worden, is volgens verzoekster onderscheid gemaakt op grond
van ras.
De Commissie oordeelt dat, nu de groep autochtone jongeren de praktijktest
niet heeft uitgevoerd, niet vastgesteld kan worden of er daadwerkelijk
sprake is van onderscheid op grond van ras. Verzoekster heeft kort voor
de zitting aanvullend bewijs aangeboden op grond waarvan het onderzoek
zal worden voortgezet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1 Op 11 juni 1996 heeft Anti Discriminatie Bureau Twente (ADB) te Enschede
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling verzocht een oordeel
uit te spreken over de vraag of (….) te Hengelo (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij een praktijktest uitgevoerd waarbij
een allochtone en een autochtone groep jongeren kort na elkaar hebben getracht
toegang te krijgen tot de dansgelegenheid van de wederpartij. Beide groepen
werd de toegang geweigerd, omdat zij niet in het bezit waren van een ledenkaart.
Omdat de portiers bij deze weigering niet hebben aangegeven hoe een ledenkaart
verkregen kon worden, is verzoekster van mening dat de wederpartij in strijd
heeft gehandeld met de AWGB.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een stichting welke zich blijkens haar statuten onder meer
ten doel stelt het bestrijden van discriminerend handelen van overheidsorganen,
instellingen, bedrijven, groepen of personen, alles in de ruimste zin des
woords, een en ander uitgevoerd volgens een jaarlijks door het bestuur
vast te stellen beleidsplan en daarbij behorend werkplan.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming
met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB), de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB) en artikel 7:646-648 Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te beschermen.
Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld
in artikel 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou
zijn gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door
de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek blijft derhalve achterwege.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek om een oordeel in behandeling genomen
en partijen hebben hun standpunten schriftelijktoegelicht. Verzoekster
heeft een videoband met opnames van de praktijktest overgelegd die zijn
uitgezonden in het programma `Hier en nu’ van de NCRV op 3 juni 1996.

3.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen voor een zitting
op 25 maart 1997. De wederpartij heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster:
– dhr (….) (coördinator verzoekster)
– dhr (….) (medewerker verzoekster)
– mw mr. (….) (deskundige Landelijk Bureau Racismebestrijding)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij exploiteert een discotheek. Voor wat betreft de toegang
tot haar etablissement hanteert de wederpartij de regel dat toelating plaatsvindt
op vertoon van een lidmaatschapskaart.

4.2. Naar aanleiding van meerdere klachten van allochtone jongeren over
de weigering om hen toe te laten tot verschillende discotheken in Twente,
heeft verzoekster praktijktesten uitgevoerd bij een viertal gelegenheden,
waaronder die van de wederpartij.
Het doel van deze testen was enerzijds om na te gaan of discotheekbezoekers
ongelijk worden behandeld op grond van hun huidskleur of afkomst en anderzijds
om te bezien of de in mei 1993 door het Bedrijfschap Horeca ingevoerde
anti-discriminatiecode wordt gehandhaafd in deze discotheken.

De vier onderzochte discotheken zijn geselecteerd op grond van:
– meldingen bij verzoekster van jongeren, die slachtoffer zijn geweest
van weigering bij de discotheken;
– getuigenissen van jongeren, die bij de discotheken hebben geconstateerd
dat allochtone jongeren werden geweigerd;
– de omstandigheid dat Enschede en Hengelo steden zijn, die de meeste Twentse
discotheekbezoekers ontvangen in het weekend.

De eerste praktijktest is uitgevoerd in de nacht van 25 op 26 mei 1996.
Van deze praktijktest zijn filmopnamen gemaakt, die in NCRV’s `Hier en
nu’ van 3 juni 1996 zijn uitgezonden.

De tweede praktijktest is in de nacht van 1 op 2 juni 1996 uitgevoerd,
maar niet bij de discotheek van de wederpartij.

De standpunten van partijen

4.3. Verzoekster stelt het volgende

Ten aanzien van de uitvoering van de praktijktest heeft verzoekster een
aantal algemene uitgangspunten gehanteerd.

Alle groepen konden op grond van uiterlijke kenmerken `zo op het oog’ omschreven
worden als gemiddelde discotheekbezoekers. Het profiel van de testpersonen
was als volgt:
– de testpersonen hebben op geen enkele wijze een relatie met de organisatie
van verzoekster;
– de testpersonen hebben geen strafrechtelijk verleden;
– de testpersonen onderscheiden zich niet al te veel van de gemiddelde
discotheekbezoekers in de zin van haardracht, kleding, schoeisel en dergelijke;
– de allochtone testpersonen beheersen de Nederlandse taal zodanig dat
zij tot discussie met bijvoorbeeld een portier in staat zijn.

Verzoekster heeft voor de praktijktest personen geselecteerd die niet bekend
waren bij de te bezoeken discotheken.
Deze personen waren ouder dan 21 jaar, zij waren goed gekleed en hadden
een normale haardracht. Voor zover er verschillen tussen beide groepen
bestonden, vielen deze in het nadeel uit van de autochtone controlegroep
die wellicht een iets minder goed verzorgde indruk maakte dan de allochtone
groep.

4.4. In de nacht van zaterdag 25 mei op zondag 26 mei 1996 heeft verzoekster
een praktijktest horeca uitgevoerd bij drie discotheken in Hengelo en één
in Enschede. De discotheken zijn in mei bezocht door twee groepen, één
groep bestaande uit vier
allochtone jongeren en één controlegroep bestaande uit vier autochtone
jongeren. De controlegroep had tot taak om direct na de weigering van de
allochtone jongeren toegang te vragen bij de discotheek.
Voorts was er een medewerker van de organisatie van verzoekster aan de
controlegroep toegevoegd om zoveel mogelijk mee te maken van discussies
aan de deur van discotheken tussen portiers en de allochtone jongeren.
Beide groepen werden in het oog gehouden en gevolgd door medewerkers van
de organisatie van verzoeksters om zicht te houden op de totale gebeurtenissen.

De praktijktest is vervolgens herhaald in de nacht van 1 juni 1996 op 2
juni 1996, maar dat is niet gebeurd bij de discotheek van de wederpartij.

4.5. Met betrekking tot de discotheek van de wederpartij heeft de praktijktest
in de nacht van 25 op 26 mei 1996 de volgende bevindingen opgeleverd:
‘Rondom middernacht arriveerden wij bij discotheek (….)
De portier vroeg om onze ledenkaart. Wij zeiden hem dat wij geen lid waren,
maar dat graag wilden worden. Waarop hij zei dat dat vanavond niet kon.
Inmiddels merkte ik (K.A.) dat de controlegroep vlak achter ons stond en
ook meerdere bezoekers wilden deze disco bezoeken. De portier riep iedereen
toe: `Zonder ledenkaart kom je er niet in!’. ((….)) Daarop vertrokken
wij en de controlegroep’.

Verslag van twee medewerkers van de organisatie van verzoekster van de
uitvoering van de praktijktest bij de wederpartij op 25 en 26 mei 1996:
‘Met zijn tweeën (A.O. en T.V.) stonden we in de directe nabijheid van
deze disco. Wij zagen een discussie ontstaan tussen de Marokkaanse groep
en de portier. Er kwamen meerdere bezoekers bij staan, waaronder de controlegroep.
Na enkele minuten vertrok de Marokkaanse en de controlegroep, waarna de
overige blanke bezoekers vrij toegang hadden tot deze disco.’

Verzoekster constateert na deze weigering dat andere allochtone jongeren
de toegang wordt geweigerd en dat autochtone jongeren niet om een ledenkaart
wordt gevraagd.

4.6. Naar aanleiding van het schriftelijk verweer van de wederpartij stelt
verzoekster dat allochtone jongeren zich bij verzoekster beklaagd hebben
dat portiers in dienst bij de wederpartij niet kenbaar maken hoe een ledenkaart
verkregen kan worden. Ook klaagden zij erover dat autochtone jongeren niet
om een ledenkaart werd verzocht. De wederpartij voert een inconsequent
toelatingsbeleid, omdat een portier moet kunnen aangeven waarop hij een
weigering om een bepaalde persoon toe te laten baseert.

4.7. Verzoekster heeft bij brief van 21 maart 1997 aan de Commissie verzocht
een tweede praktijktest in haar oordeel te betrekken. Deze praktijktest
heeft plaatsgevonden op zaterdagnacht 26 oktober 1996 en zaterdagnacht
2 november 1996.

De wederpartij stelt het volgende

4.8. Op basis van een nader intern onderzoek concludeert de wederpartij
dat de portier niet discriminerend heeft opgetreden door te vragen om een
ledenkaart.

De getuigenis van de twee medewerkers van de organisatie van verzoekster
sluit niet uit dat er geen allochtone jongeren zijn toegelaten. Uit dit
verslag blijkt uitsluitend dat er na het vertrek van beide onderzoeksgroepen
alleen autochtonen zijn
toegelaten.

5. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de toelating tot haar
discotheek onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in artikel
1 in samenhang met artikel 7 AWGB.

5.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB dient overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim te worden uitgelegd. Deze omvat tevens huidskleur,
afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB onder
meer direct onderscheid tussen personen op grond van ras bij het aanbieden
van goederen en diensten, indien dit geschiedt in de uitoefening van een
beroep of bedrijf. Onder het sluiten van overeenkomsten wordt mede verstaan
het weigeren een overeenkomst aan te gaan (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014,
nr. 5, p. 7-8.).

5.3. Verzoekster heeft verslagen van de praktijktesten en een videoband
als bewijs overgelegd. Zowel de civiele rechter als de strafrechter hebben
de praktijktest als bewijsmiddel geaccepteerd (Zie onder andere Rb Amsterdam
20 maart 1992, Rechtspraak Rassendiscriminatie 287 (straf) en Rb Zutphen
26 juni 1980, Rechtspraak Rassendiscriminatie 16 (civiel).). De Commissie
is eveneens van oordeel dat door middel van praktijktesten, afhankelijk
van de omstandigheden, het bewijs van ongelijke behandeling kan worden
geleverd.
De Commissie constateert voorts dat niet gesteld of gebleken is dat het
beeldverslag inbreuk op het recht op privacy maakt, zodat de videoband
eveneens als bewijsmiddel kan dienen.

5.4. De Commissie stelt op grond van de verklaringen van verzoekster en
het overgelegde videomateriaal vast dat de allochtone groep vergelijkbaar
is met de controlegroep wat betreft leeftijd, uiterlijke verzorging en
houding.

5.5. Uit het verslag van de praktijktest in de nacht van 25 op 26 juni
1996 en de daarop ter zitting gegeven toelichting blijkt dat de allochtone
groep de toegang tot de discotheek is geweigerd en dat de controlegroep
geen toegang heeft geprobeerd te krijgen.
Aangezien de controlegroep de praktijktest niet heeft uitgevoerd, is het
niet mogelijk vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van onderscheid
op grond van ras.

5.6. Verzoekster stelt dat na de praktijktest nog andere allochtone jongeren
zijn geweigerd, terwijl autochtone jongeren niet om een ledenkaart werd
gevraagd. Verzoekster heeft kort voor de zitting van die stelling aanvullend
bewijs aangeboden door middel van twee praktijktesten die op zaterdagnacht
26 oktober en 2 november 1996 zijn uitgevoerd en heeft het verslag van
deze testen overgelegd. De Commissie zal het onderzoek voortzetten voor
wat deze twee praktijktesten betreft en zal de wederpartij in de gelegenheid
stellen op het door verzoekster overgelegde verslag te reageren.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij het onderzoek zal voortzetten
op de wijze als in overweging 5.6. omschreven.
De wederpartij wordt in de gelegenheid gesteld op het verslag van verzoekster
over de twee praktijktesten van oktober en november 1996 te reageren en
zonodig tegenbewijs te leveren. De wederpartij dient deze informatie te
verstrekken uiterlijk 4 weken na het vaststellen van dit oordeel.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank Groningen, 5 juni 1997

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Een collega van L dient in 1995 bij de leiding van het Verpleegtehuis een
klacht in dat L zich in 1990 of 1991 tegenover een vrijwilligster schuldig
gemaakt zou hebben aan seksuele intimidatie. De klacht wordt op verzoek van
het Verpleegtehuis onderzocht door een extern onderzoeksbureau. Het bureau
komt op grond van het horen van de betrokkenen en twee de auditu getuigen tot
de conclusie dat het aannemelijk is te achten dat zich een incident heeft
voorgedaan. Op grond daarvan neemt de directie van het Verpleegtehuis waar
werkzaam is het besluit hem de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op
te leggen.
De rechtbank overweegt als volgt: Het is voldoende aannemelijk geworden dat L
zich ten opzichte van mevrouw X (de vrijwilligster) schuldig heeft gemaakt
aan seksuele intimidatie. Hierbij heeft de rechtbank met name van belang
geacht de terzake uitgebrachte rapportage van het bureau Bezemer & Kuiper,
alsmede de door een tweetal medewerkers van dat bureau ter zitting afgelegde
verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onderzoek van
meergenoemd bureau op uiterst zorgvuldige en deskundige wijze plaatsgevonden
en de rechtbank vermag dan ook niet in te zien dat uit de aldus verkregen
informatie niet de op daartoe aangevoerde gronden de conclusies konden worden
getrokken als verwoord in de uitgebrachte rapportage. Voorts heeft de
rechtbank in het bijzonder van belang geacht de door mevrouw X ter zitting
afgelegde verklaring. Deze verklaring spoort met de eerder door haar
tegenover het bureau Bezemer & Kuiper en anderen, onder wie onder meer een
tweetal medewerkers van het Verpleegtehuis afgelegde verklaringen. Dat zij
zich niet exact kan herinneren wanneer een en ander zich heeft afgespeeld,
alsmede dat een en ander pas naar buiten is gekomen in augustus 1995,
betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat haar mededelingen ter
zake niet geloofwaardig zijn. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat
het gedrag van
op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het vertrouwen dat gesteld moet
kunnen worden in een functionaris, die werkzaam is als coördinator
vrijwilligerswerk en als zodanig vrijwel allemaal vrouwen onder zich heeft.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het vergrijp van L, de
opgelegde straf daarmee niet onevenredig is te achten.

Volledige tekst

1. Procesverloop

Verweerders hebben eiser bij besluit van 22 oktober 1996, nr. 6613, met
onmiddellijke ingang van 1 november 1996 de disciplinaire straf van
ongevraagd ontslag opgelegd.

Tegen dit besluit heeft eiser op 19 november 1996 een bezwaarschrift
ingediend.

Bij het bestreden besluit van 20 december, nr. 8491, hebben verweerders het
bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit bij beroepschrift, ingekomen op 9 januari 1997,
beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij voor de gronden van beroep verwezen
naar de bezwaarschriften van 4 september 1996 en 19 november 1996.

Verweerders hebben op 17 januari 1997 (per fax) een verweerschrift ingediend
en tevens bij brief – met bijlagen- verwezen naar de gedingstukken die reeds
door verweerders waren ingezonden.

De door partijen eerder ten behoeve van de behandeling van het door eiser
gedane verzoek om een voorlopige voorziening ingezonden stukken, zijn door de
rechtbank ambtshalve toegevoegd aan de onderhavige zaak.

De rechtbank heeft, gelet op hetgeen is gesteld omtrent eisers financiële
situatie tijdens de behandeling op 24 december 1996 van het -overigens ter
zitting ingetrokken- verzoek om voorlopige voorziening, aanleiding gezien, op
de voet van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), te bepalen
dat de zaak versneld wordt behandeld. Aan partijen is daarvan bij brief van 9
januari 1997 mededeling gedaan.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend,
door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de
rechtbank van 30 januari 1997. Eiser is aldaar, daartoe ambtshalve opgeroepen
zijnde, in persoon verschenen, bijgestaan door de heer M.C. van der Heijden,
juridisch medewerker, en mw. A. de Jonge, regiobestuurder, beiden werkzaam
bij de CNV-Bond CFO te Den Haag.
Verweerders hebben zich, daartoe ambtshalve opgeroepen zijnde, doen
vertegenwoordigen door mr J.C.M. Silvius, advocaat en procureur te Winschoten
en de heer W.G. Driessen, directeur van het gemeentelijk Verpleeghuis Olde
Wolde te Winschoten

Als getuige is door de rechtbank opgeroepen en verschenen, mw. A.H. Eefting,
wonende te Winschoten, voorheen werkzaam als vrijwilligster bij verpleeghuis
Olde Wolde te Winschoten.

Tevens zijn verschenen de door verweerders opgeroepen getuigen:
de heer A. Blaauw, coördinator activiteitenbegeleiding in Verpleeghuis Olde
Wolde te Winschoten;
mr L.A.M. ten Brink, wonende te Almere, als extern juridisch adviseur
verbonden aan het Bureau Bezemer & Kuiper te Rotterdam; mw.drs. C.J.B.
Lorijn, wonende te Norg, psycholoog, als extern adviseur verbonden aan het
Bureau Bezemer & Kuiper, voornoemd.
Alsmede de door eiser opgeroepen getuigen:
de heer J. Smid, wonende te Elburg, voormalig hoofd verpleegdienst van het
Verpleeghuis Old Wolde;
de heer D. Kerkstra, wonende te Blijham, voormalig hoofd Personeel en
Organisatie bij voornoemd verpleeghuis.

Ter bovengenoemde terechtzitting is het onderzoek geschorst. De rechtbank
heeft gelast dat verweerders nader onderzoek zullen verrichten in verband met
hetgeen ter zitting is gesteld omtrent het tijdstip waarop het aan het
strafontslag ten grondslag gelegde plichtsverzuim zou hebben plaatsgevonden,
en heeft het tijdstip van de nadere zitting bepaald.

Partijen hebben een afschrift van het proces-verbaal ontvangen. Tevens zijn
afschriften van de door hen over en weer ingezonden nadere stukken aan
partijen toegezonden.

De tweede behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden ter zitting van 13
maart 1997, gehouden te Groningen.

Aldaar zijn verschenen, eiser en zijn gemachtigden de heer M.C. van der
Heijden en mw. A. de Jonge, voornoemd
Voor verweerders zijn verschenen mr. J.C.M. Silvius en de heer W.G. Driessen,
voornoemd.

2. Rechtsoverwegingen

De feiten

Eiser is sedert 1 november 1982 in vaste dienst van de gemeente Winschoten,
laatstelijk in de functie van coördinator vrijwilligerswerk alsmede
omgevingsfunctionaris in de gemeentelijk verpleeghuis Old Wolde te
Winschoten.

Verweerders hebben bij brief van 23 augustus 1996 aan eiser – die vanaf 30
juni 1995 zijn werkzaamheden had gestaakt wegens algehele
arbeidsongeschiktheid en sedert 20 september 1995 was geschorst -medegedeeld
dat zij, gelet op de resultaten van het onderzoek, ingesteld naar aanleiding
van (het bekend worden van) een klacht van een voorheen in het verpleeghuis
werkzame vrijwilligster – Mw.E – over sexuele intimidatie gepleegd door
eiser, overwegen hem de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te
leggen wegens ernstig plichtsverzuim. Dit is nader toegelicht.
Eiser is in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden, van welke
mogelijkheid bij gebruik heeft gemaakt bij brief van 4 september 1996.

Bij besluit van 22 oktober 1996, hebben verweerders eiser met onmiddellijke
ingang van 1 november 1996 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag
opgelegd, zulks met toepassing van artikel 8:12 van de Collectieve
Arbeidsvoorwaarden Regeling (CAR).

Het door eiser tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is door verweerder
– nadat eiser op 11 december is gehoord – bij het thans bestreden besluit
ongegrond verklaard.

Verweerders hebben de in geding zijnde disciplinaire straf van ongevraagd
ontslag met ingang van 1 november 1996 opgelegd op basis van de conclusie dat
eiser zich, blijkens het op verzoek van verweerders – door Bureau Bezemer &
Kuiper te Rotterdam – verrichte onderzoek, in de zomer van 1991 jegens een in
het verpleeghuis werkende vrijwilligster, schuldig heeft gemaakt aan
gedragingen die te dulden zijn als sexuele intimidatie. Aldus heeft eiser
zich, naar het oordeel van verweerders, schuldig gemaakt aan zeer ernstig
plichtsverzuim.

Eiser ontkent ten stelligste dat hij zich op enig moment schuldig zou hebben
gemaakt aan enige vorm van sexuele intimidatie en heeft voorts onder meer (in
eerdergenoemde bezwaarschriften) – kort samengevat – aangevoerd dat:
– het bureau Bezemer & Kuiper concludeert dat het slechts aannemelijk is te
achten dat er een incident heeft plaatsgevonden;
– eiser vanaf 5 november 1990 tot 8 juli 1991 ten gevolge van extreme
oververmoeidheidsverschijnselen met ziekteverlof is geweest: vanaf 2 april
1991 is hij op therapeutische basis 2 en vanaf 6 mei 1991 3 ochtenden per
week werkzaam geweest, vanaf 10 juni 1991 is hij 50% hersteld verklaard en
heeft hij de werkhervatting met een dagdeel per week verder opgebouwd;
– het vermeende feit niet naar voren is gebracht door het vermeende
slachtoffer, maar door een collega van eiser (B) met wie de relatie in het
voorjaar van 1995 was vertroebeld;
– het merkwaardig is dat B eerst in augustus/september 1995 de, hem sinds
1991 bekende, vermeende feiten aan de directeur van verpleeghuis Old Wolde
meedeelt, en dat naar aanleiding van een reorganisatie die mede inhoudt dat
hij met eiser een kamer moet delen;
– het vermeende slachtoffer pas op 26 oktober 1995 schriftelijk een klacht
heeft ingediend;
– bedoelde vrijwilligster door veranderende omstandigheden binnen het
verpleeghuis, gezien haar lichamelijke beperkingen, geen zinvol
vrijwilligerswerk meer kon verrichten, hetgeen zij eiser kwalijk nam en
uiteindelijk heeft geresulteerd in haar vertrek;
– eiser in de periode vanaf juni 1995 herstellende was van
oververmoeidheidsverschijnselen die zich onder andere uitten in
-sedert de gebeurtenissen vanaf 14 september 1995 verergerde-
concentratiestoornissen, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat eiser grote
moeite heeft zich voldoende te verweren en ook een verklaring is voor het
feit dat eiser zich geestelijk niet in staat achtte een confrontatie met
bedoelde vrijwilligster aan te gaan;
– het eigen bedrijf van eiser sinds 1994 alleen nog bestaat bij de Kamer van
Koophandel en eiser daaruit al gedurende langere tijd geen inkomsten heeft;
– de argumenten waarop verweerders zich baseren op onzorgvuldige en
ondeugdelijke wijze tot stand zijn gekomen en er geen enkel bewijs te leveren
dat een en ander zich vijf jaar geleden aldus heeft voorgedaan;
– de door verweerders getroffen maatregel buitenproportioneel is.

Verweerders hebben -onder verwijzing naar het besluit van 22 oktober 1996 en
de eerder ingezonden stukken- gesteld, dat zij de verweten gedraging in
voldoende mate aannemelijk achten en dat op basis daarvan terecht de
onderhavige beslissing is genomen.

Blijkens het besluit van 22 oktober 1996, hebben verweerders zich bij het
nemen van hun besluit om eiser met onmiddellijke ingang van 1 november 1996
de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op te leggen als bedoeld in
artikel 8:12 CAR, onder meer gebaseerd op de volgende stukken:
-het(verslag van het) verkennend vooronderzoek van het Bureau Bezemer &
Kuiper (verder B&K) van 15 september 1995;
– de rapportage (van het nadere onderzoek door) en het advies van B&K van 3
juni 1996;
– de verslagen van de hoorgesprekken in het kader van voornoemd onderzoek.
Op grond van deze stukken zijn verweerders tot de overtuiging gekomen dat
eiser zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden en in de uitoefening van
zijn functie van coördinator vrijwilligerswerk jegens E schuldig heeft
schuldig gemaakt aan het plaatsen van door haar als seksistisch ervaren
opmerkingen en gedragingen die zijn te duiden als sexuele intimidatie. Gelet
op de gedingstukken en hetgeen bij de behandeling ter terechtzittingen door
verweerders is gesteld, hebben verweerders daarbij met name gewicht gehecht
aan de consistentie van de verklaringen van E. Verder hebben verweerders
gewezen op de cumulatie van bewijsmiddelen, zoals genoemd in de
gedingstukken, te weten: de verklaring van E zelf, de verklaringen van mensen
aan wie E genoemde gedragingen heeft verteld, de consistentie van de
verklaringen van E en de uitkomst van het onderzoek van Bureau B&K.

Verweerders hebben zich op het standpunt gesteld dat eiser heeft gehandeld in
strijd met hetgeen een goed ambtenaar behoort te doen en na te laten. Gelet
op met name de aard van het -nader omschreven- incident op eisers kamer in
mei/juni 1990, de omstandigheden waaronder deze gedragingen zijn gepleegd,
eisers positie als coördinator vrijwilligerswerk alsmede de positie van
betrokkene als vrijwilligster, ieder voor zich en in onderlinge samenhang
beschouwd, luidt de conclusie van verweerders dat eiser zich heeft schuldig
gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim.
Voorts hebben verweerders overwogen dat het noodzakelijk vertrouwen, dat in
eiser dient te worden gesteld terzake van zijn samenwerking met – meest
vrouwelijke – vrijwilligers als gevolg van deze gedragingen onherstelbaar is
beschadigd.

Nadat bij de behandeling ter zitting van 30 januari 1997 de verweten
gedragingen werden geplaatst in het jaar 1990 in plaats van 1991, hebben
verweerders de rechtbank verzocht met toepassing van artikel 8:69 Algemene
wet bestuursrecht, ambtshalve de feiten aan te vullen en het bestreden
besluit te lezen als stond er in 1990 in plaats van 1991.
Eiser heeft verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben.

Ten aanzien van het geschil

Allereerst dient te worden beoordeeld of verweerders terecht het standpunt
hebben ingenomen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan (zeer ernstig)
plichtsverzuim.

Deze vraag wordt bevestigd beantwoord.
De rechtbank concludeert op grond van beschikbare gegevens dat voldoende
aannemelijk is geworden dat eiser zich ten opzichte van E heeft schuldig
gemaakt aan sexuele intimidatie.

Hierbij heeft de rechtbank met name van belang geacht de terzake uitgebrachte
rapportage van het bureau B&K, alsmede de door een tweetal medewerkers van
dat bureau ter zitting van 30 januari 1997 afgelegde verklaringen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onderzoek door meergenoemd bureau
op uiterst zorgvuldige en deskundige wijze plaats gevonden en de rechtbank
vermag dan ook niet in te zien dat uit de aldus verkregen informatie niet op
de daartoe aangevoerde gronden de conclusies konden worden getrokken als
verwoord in de uitgebrachte rapportage.

Voorts heeft de rechtbank in het bijzonder van belang geacht de door E ter
zitting van 30 januari 1997 afgelegde verklaring.
Die verklaring spoort met eerdere door verzoekster tegenover het bureau B&K
en anderen, onder wie onder meer een tweetal medewerkers van het Verpleeghuis
‘Old Wolde’, afgelegde verklaringen.
Dat zij zich niet exact kan herinneren wanneer een en ander zich heeft
afgespeeld -ter zitting van 30 januari 1997 heeft zij verklaard dat een en
ander zich heeft voorgedaan in het voorjaar van 1990, terwijl verweerders er
bij het nemen van het bestreden besluit vanuit zijn gegaan dat een en ander
zich heeft voorgedaan in het voorjaar van 1991- alsmede dat een en ander pas
naar buiten is gekomen in augustus 1995, betekent naar het oordeel van de
rechtbank niet dat haar mededelingen terzake niet geloofwaardig zijn.

Eiser heeft gesteld dat hij zich in 1990 noch in 1991 heeft schuldig gemaakt
aan sexuele intimidatie jegens E. In dit verband heeft hij er op gewezen dat
E problemen van sexuele aard had met haar partner, waarover zij met hem
wenste te spreken. Hij ging hier echter niet op in.
Naar eiser ter zitting van 13 maart 1997 heeft aangevoerd is het denkbaar dat
E vanuit die situatie het voorval heeft verzonnen.
De rechtbank kan eiser hierin niet volgen.
Uit de beschikbare gegevens is geen enkele aanwijzing te putten die wijst in
de door eiser denkbaar geachte richting.

Naar het oordeel van de rechtbank moet het door eiser jegens E begane
vergrijp worden aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim.
Met verweerders is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van eiser op
onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan het vertrouwen dat gesteld moet kunnen
worden in een functionaris, die werkzaam is als coördinator vrijwilligerswerk
en als zodanig vrijwel allemaal vrouwen onder zich heeft.

Gezien het hiervoor overwogene hebben verweerders zich terecht op het
standpunt gesteld dat sprake is van zeer ernstig plichtsverzuim.
Hieruit volgt dat verweerders bevoegd zijn tot het opleggen van een
disciplinaire straf.

Verweerders hebben er voor gekozen eiser de straf van ongevraagd ontslag op
te leggen.

De rechtbank ziet geen gronden om te oordelen dat verweerders door aldus van
hun bevoegdheid gebruik te maken, een beslissing hebben genomen die moet
worden aangemerkt als een beslissing waartoe verweerders na afweging van de
daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet hebben kunnen komen, dan wel
als een beslissing waarbij verweerders anderszins hebben gehandeld in strijd
met de wet of met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder
met name het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het vergrijp van
eiser, de opgelegde straf daarmee niet onevenredig is te achten.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

3. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige
kamer.

RECHT DOENDE,

verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mw mr drs A. Houtman

Instantie: Rechtbank Arnhem, 5 juni 1997

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Een vrouw van 38 jaar is van haar tiende tot haar 22ste jaar misbruikt
(1965-1977). Zij heeft daarvan op 18 november 1992 aangifte gedaan. Omdat
de
verjaringstermijn vijf jaar bedraagt ingeval dader en schade bekend zijn,
kan
haar worden tegengeworpen dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard.
De vrouw heeft in 1986 eenmalig met haar huisarts over het misbruik gesproken
en in 1985 eenmalig met de dames S. en H.
De rechtbank concludeert dat er tot 1992 geen moment valt aan te wijzen
waarop de vrouw bekend was met de schade ten gevolge van het misbruik.
Het
beroep van de wederpartij op verjaring gaat derhalve niet op.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van de procedure

In deze zaak is op 22 februari 1996 een tussenvonnis gewezen. Op 25 september
1996 en 13 november 1996 heeft een comparitie van partijen plaats gevonden.
Partijen hebben zich na afloop van het tweede gedeelte van de comparitie
beraden over een minnelijke schikking welke niet tot stand is gekomen.
Vervolgens zijn de stukken overgelegd voor vonnis.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan.

2.1. De rechtbank neemt over en volhardt bij hetgeen in het tussenvonnis
van
22 februari 1996 is overwogen en beslist.

2.2. Ten aanzien van de verjaring van F’s vordering waarop T zich beroepen
heeft, is in dat vonnis gesteld, dat de verjaringstermijn van 5 jaar niet
later dan november 1992 (het tijdstip waarop F aangifte heeft gedaan van
seksueel misbruik door T) een aanvang heeft genomen.
De vraag dient beantwoord te worden of er vóór dat tijdstip een moment
valt
aan te wijzen waarop zij met de schade bekend was.

2.3. F heeft gesteld dat zij tot 1992 gezwegen heeft over het met haar
gepleegde misbruik uit angst niet geloofd te worden. Slechts in de volgende
drie gevallen heeft zij
er, zoals zij onweersproken ter comparitie heeft verklaard, voor die tijd
over gesproken.

Het misbruik is aangestipt -en niet meer dan dat- toen zij er in 1986
eenmalig met haar huisarts over sprak. In dat gesprek uitte de huisarts
zijn
vermoeden dat F misbruikt was en F bevestigde dit. Uit niets blijkt dat
er
toen gesproken is over dat F zich bewust was van de mogelijke schade die
door
dit misbruik veroorzaakt was.
In de gesprekken met de dames S en H die rond 1985 plaats vonden is het
misbruik telkens eenmalig ter sprake gekomen. F zegt hierover dat tijdens
de
gesprekken het misbruik in haar gedachten was, terwijl zij het daarna weer
wegstopte. Ook hieruit kan niet blijken dat F ten tijde van de gesprekken
zich bewust was van, laat staan bekend was met schade opgelopen door het
misbruik.

2.4. Weliswaar heeft F zoals zij zelf heeft verklaard, ook in de jaren
voor
1992 vele lichamelijke en psychische klachten gehad maar uit niets valt
af te
leiden dat deze klachten door F toen in verband zijn gebracht met het
seksuele misbruik en dus als schade ten gevolge van dat misbruik door haar
zijn onderkend.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat er
tot
1992 geen moment valt aan te wijzen waarop F bekend was met de schade ten
gevolge van het misbruik. Het beroep van T op de verjaring van F ’s vordering
gaat derhalve niet op.

2.5. De door F gevorderde schadevergoeding heeft zij gebaseerd op een door
haar gesteld jarenlang seksueel misbruik van haar door T. Tegenover T’s
ontkenning van het misbruik heeft F haar eigen verklaring gesteld en de
verklaringen van enkele personen die zij in het verleden over het misbruik
ingelicht heeft. Deze verklaringen vormen geen zelfstandig bewijs, hoogstens
zouden zij gebruikt kunnen worden als aanvullend bewijs. Nu F geen
bewijsaanbod heeft gedaan en evenmin duidelijk heeft gemaakt hoe zij het
door
haar gestelde misbruik zou kunnen bewijzen, ziet de rechtbank geen aanleiding
haar een bewijsopdracht te geven.

2.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden
afgewezen.

2.7. F zal als de geheel in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten
worden verwezen.

De beslissing

De arrondissementsrechtbank te Arnhem, rechtdoende

wijst de vordering af.

Veroordeelt F in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan
de
zijde van T vastgesteld op ƒ 350,- aan verschotten en ƒ 2.130,- aan salaris
van de procureur.

Rechters

Mr C. Lely-van Goch