Instantie: Rechtbank Alkmaar, 5 juni 1997

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Eiseressen 2 en 3 zijn dochters van gedaagde. Zij zijn in het verleden
toen zij nog twaalf jaren of jonger waren, door gedaagde seksueel misbruikt
en zij hebben hiervan eind 1996 aangifte gedaan. Vaststaat dat de vorderingen
van de dochters strafrechtelijk zijn verjaard.
Eiseressen vorderen materiële schadevergoeding (therapiekosten), immateriële
schadevergoeding en een straat-/contactverbod, inhoudende een verhuisgebod.
Gedaagde erkent het seksueel misbruik en het ontstaan van de schade wordt
niet betwist. Wel doet gedaagde een beroep op de verjaringstermijn. Het
verhuisgebod vindt gedaagde niet toewijsbaar omdat hij dan onevenredig
wordt geschonden in zijn bewegingsvrijheid. Bovendien zijn eiseressen vrijwillig
in de woongemeente van gedaagde gaan wonen.
De rechtbank oordeelt dat in het onderhavige geval eiseressen eind 1996
aangifte hebben gedaan en de verjaringstermijn van vijf jaar is daarmee
nog niet overschreden.
Omdat gedaagde het seksueel misbruik erkent, wordt een schadevergoeding
van ƒ 1.000,- ten behoeve van eiseres 1, en ƒ 6.600,- ten behoeve van eiseressen
2 en 3 voor therapiekosten toegekend. Tevens wordt ƒ 5.000,- per persoon
voor immateriële schadevergoeding toegekend.
De rechtbank verbiedt verder gedaagde zich op te houden in zijn huidige
woongemeente, en hij dient derhalve te verhuizen en mag geen contact opnemen
met eiseressen voor een periode van vijf jaren op verbeurte van een dwangsom.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 21 mei 1997 hebben eiseressen gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagde heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De behandeling van de zaak

1. De uitgangspunten

Eiseressen sub 2 en 3 zijn dochters van gedaagde.
Eiseressen zijn in het verleden, in de periode eind jaren zeventig – begin
jaren tachtig toen zij nog 12 jaren of jonger waren, door gedaagde sexueel
misbruikt en zij hebben in verband daarmee eind 1996 aangifte gedaan bij
de politie.

Thans stellen zij hun civielrechtelijke vordering in.

Vast staat dat de vorderingen van eiseressen sub 2 en 3 inmiddels in strafrechtelijke
zin zijn verjaard; de vordering van gedaagde sub 1 niet.
Mede in verband met de aangifte van eiseres sub 1 is gedaagde gedagvaard
om op 18 juni 1997 te verschijnen voor de meervoudige kamer voor de behandeling
van strafzaken bij deze rechtbank.

2. De vordering

Eiseressen vorderen – zakelijk weergegeven – dat de president gedaagde
verbiedt zich te bevinden in Hoogkarspel, gemeente Drechterland, gedurende
een periode van 5 jaar, alsmede telefonisch danwel op andere wijze contact
op te nemen met eiseressen, zulks op verbeurte van een dwangsom.

Tevens vorderen zij vergoeding van kosten in verband met therapie en wat
betreft eiseressen sub 2 en 3 eveneens immateriële schadevergoeding.

Eiseressen hebben daartoe het volgende aangevoerd.
Gedaagde heeft jegens hen onrechtmatig gehandeld. Het sexuele misbruik
heeft grote psychische schade bij eiseressen veroorzaakt. In verband daarmee
volgen zij hypnotherapie. De aangifte bij de politie heeft geleid tot een
geestelijke crisis.

Er gaat thans een voortdurende dreiging uit van gedaagde. Opheffing daarvan
zal het genezingsproces bevorderen. De woonomgeving van eiseressen en gedaagde
zijn dusdanig nauw verweven dat het vermijden van confrontaties met gedaagde
haast onmogelijk is. Eiseressen hebben belang bij een veilige leefomgeving,
welk belang prevaleert boven het recht van gedaagde op bewegingsvrijheid,
inhoudende dat hij zich in het dorp kan blijven vestigen. Eiseressen maken
bovendien en integendeel tot gedaagde actief deel uit van het sociaal leven
van Hoogkarspel.

Derhalve dient gedaagde, om confrontaties met eiseressen te voorkomen,
het dorp te verlaten en derhalve naar elders te verhuizen.
De therapiekosten van eiseressen worden niet vergoed door enige ziektekostenverzekeraar.
Aangezien gedaagde deze schade bij eiseressen door zijn onrechtmatige handelen
heeft veroorzaakt, dient hij tot vergoeding daarvan over te gaan.

Vergoeding van de immateriële schade betekent voor eiseressen tevens erkenning
als slachtoffer van sexueel misbruik en draagt zo bij tot het genezingsproces.

Eiseressen sub 2 en 3 betwisten dat hun civiele vordering verjaard is.
Uit recente jurisprudentie blijkt dat de verjaringstermijn aanvangt bij
het bekend worden met de schade en de dader. De bekendheid met de schade
vindt bij sexueel misbruik echter vaak pas plaats bij aangifte bij de politie
of bij therapie omdat de slachtoffers zich pas dan realiseren dat hen zodanige
schade is berokkend dat hen een schadevergoeding in financiële zin toekomt.

Ten aanzien van eiseressen sub 2 en 3 dient als aanvang van de verjaringstermijn
van vijf jaren derhalve te worden aangekomen eind 1996 zodat thans de ingediende
vorderingen in volle omvang ontvankelijk zijn.

3. Het verweer

Gedaagde heeft als verweer het volgende aangevoerd.
De civiele vorderingen van eiseressen sub 2 en 3 zijn verjaard. Eiseres
sub 2 heeft tegenover de politie verklaard dat zij in 1989 tengevolge van
relatieproblemen bekend werd met de door haar geleden schade. Zij heeft
zelfs naar aanleiding hiervan gedaagde geconfronteerd met haar ervaringen.
Gedaagde sub 2 heeft tegenover de politie verklaard dat zij het door haar
ondergane sexueel misbruik heeft besproken in 1984 toen zij 17 jaar oud
was. Bekendheid met de schade heeft derhalve langer dan vijf jaren geleden
plaatsgevonden en die vorderingen zijn derhalve verjaard. Eiseressen sub
2 en sub 3 dienen derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien
van de door hen ingestelde vorderingen.

Subsidiair stelt gedaagde dat hij ook ten aanzien van laatstgenoemden bereid
is de gemaakte therapiekosten te vergoeden, tenzij echter blijkt dat de
ziektekostenverzekeraar die kosten vergoedt. Omdat gedaagde zich al bereid
heeft verklaard de therapiekosten te vergoeden, is een terzake uitgesproken
veroordeling onnodig. De wettelijke rente acht gedaagde niet toewijsbaar.
Hij heeft namelijk al eerder aangeboden om kosten te vergoeden, maar er
werd geen specificatie overgelegd. Enige immateriële schade wordt niet
ontkend, doch de hoogte daarvan kan nu nog niet worden vastgesteld omdat
zoals eiseressen stellen die behandeling langdurig zal zijn.

Ten aanzien van het gevraagde verbod om zich in Hoogkarspel op te houden
stelt gedaagde dat zijn grondrecht van eerbiediging van de bewegingssfeer
zodanig onevenredig wordt geschonden dat geen belangenafweging dit kan
rechtvaardigen. Eiseressen zijn vrijwillig in Hoogkarspel – en dus in de
woongemeente van gedaagde – gaan wonen.

Indien de president van oordeel is dat een dergelijk verbod toch dient
te worden uitgesproken verzoekt gedaagde beperking van het gebied, subsidiair
een ruime termijn voor verhuizing.

Ten aanzien van dat verbod stelt gedaagde dat nu hij zelf al zoveel als
mogelijk tracht contact met eiseressen te vermijden, een eventuele inschakeling
van de sterke arm overbodig is.

4. De gronden van de beslissing

4.1. Aan het standpunt van gedaagde inhoudende dat de vorderingen van eiseressen
sub 2 en sub 3 zijn verjaard dient te worden voorbijgegaan.

4.2. De onderhavige rechtsvorderingen tot schadevergoeding verjaren door
verloop van 5 jaren na de aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde
zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is
geworden, in ieder geval verjaren zij na verloop van 20 jaren na de gebeurtenis
waarvoor schade is veroorzaakt.

4.3. Vaststaat dat de maximale verjaringstermijn van 20 jaar niet is overschreden.

4.4. Ten aanzien van het tijdstip van aanvang van de onder 4.2. bedoelde
verjaringstermijn oordeelt de president dat volgens de heersende leer als
zodanig dient te worden aangemerkt de dag waarop de benadeelde een dermate
fase in het verwerkingsproces heeft bereikt dat hij of zij tot het doen
van aangifte in staat is.

Ervaringsregel is immers dat slachtoffers van zedenmisdrijven die in hun
prille jeugd hebben plaatsgevonden doorgaans in een langdurig verwerkingsproces
terecht komen, gedurende welk proces zij niet of nauwelijks in staat zijn
een weloverwogen beslissing te nemen omtrent het al dan niet begroten van
schade en het vorderen van een vergoeding terzake.
Geen omstandigheid is gebleken om thans van die in de jurisprudentie ontwikkelde
regel af te wijken.

In het onderhavige geval hebben de betrokkenen eind 1996 aangifte gedaan
en dus is de termijn van verjaring bij lange na niet overschreden.

4.5. Ten aanzien van de inhoudelijke kant van de zaak overweegt de president
als volgt.
Door erkenning van het gepleegde sexuele misbruik staat vast dat gedaagde
zich onrechtmatig heeft gedragen jegens eiseressen.

4.6. Algemeen bekend is dat sexueel misbruik van vooral zeer jonge minderjarigen,
zoals in de onderhavige zaak in de leeftijdscategorie van 8 tot 12 jaren,
bij de slachtoffers leidt tot schade in psychische zin. Er heeft immers
een grote inbreuk plaatsgehad in hun persoonlijke levenssfeer en op het
recht van onaantastbaarheid van hun lichaam.

Daarbij komt dat namens gedaagde de thans door eiseressen ingediende vorderingen
tot materiële en immateriële schadevergoeding niet – danwel onvoldoende
gemotiveerd – zijn weersproken. Die vorderingen liggen dan ook voor toewijzing
gereed met dien verstande dat aan de toewijzing wat betreft de materiële
schade na te melden voorwaarde zal worden gekoppeld.

4.7. Ten aanzien van het gevorderde verhuisgebod dient een belangenafweging
plaats te vinden; aan de ene zijde het recht van bewegingsvrijheid van
gedaagde en aan de andere zijde dat van eiseressen inhoudende dat zij daadwerkelijk
met hun therapie kunnen beginnen.

4.8. Naar het oordeel van de president hebben eiseressen aannemelijk gemaakt
dat therapie pas mede kan slagen wanneer zij niet voortdurend alert hoeven
te zijn op mogelijke confrontaties met gedaagde. Dat belang van verschoond
blijven van confrontaties dient thans, mede gelet op het hiervoor onder
4.4. en 4.6. overwogene, te prevaleren boven dat van gedaagde, hetgeen,
gelet op de omstandigheid dat de woonomgeving van eiseressen dusdanig nauw
verweven is met die van gedaagde, een verhuisplicht van gedaagde tot buiten
het dorp Hoogkarspel met zich brengt.
De president acht het niet onredelijk, gelet op de strekking van het gebod,
na te melden termijn toe te staan.

Machtiging tot hulp sterke arm wordt prematuur geacht.

4.9. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld
in de kosten van het geding.

Beslissing

De president:

– verbiedt gedaagde zich op te houden in het dorp Hoogkarspel, gemeente
Drechterland, met ingang van 1 maart 1998 gedurende een periode van 5 jaren,
alsmede eiseressen gedurende die periode telefonisch danwel op andere wijze
te benaderen, zulks op verbeurte van een dwangsom van ƒ 250 voor iedere
dag of gedeelte van een dag dat gedaagde daarmee in gebreke blijft, met
een maximum bedrag aan te verbeuren dwangsommen van ƒ 30.000;

– veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen;

– aan eiseres sub 1 een bedrag van ƒ 1000 (DUIZEND GULDEN) wegens gemaakte
therapiekosten, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de datum van
dagvaarding tot de datum der algehele voldoening;

– aan eiseressen sub 2 en 3 een bedrag van ƒ 6600 (ZESDUIZEND ZESHONDERD
GULDEN) per persoon wegens therapie- en reiskosten, te verhogen met de
wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot de datum der algehele voldoening,
een en ander onder de voorwaarde dat niet blijkt dat voornoemde schades
door enige verzekeraar worden vergoed;

– veroordeelt gedaagde om aan eiseressen sub 2 en sub 3 bij wege van voorschot
op de immateriële schadevergoeding te betalen van ƒ 5000 (VIJFDUIZEND GULDEN)
per persoon, te verhogen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding
tot de dag der algehele voldoening;

– veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de
zijde van eiseressen begroot op ƒ 470,33 aan verschotten en op ƒ 1500 aan
salaris van de procureur;

– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

– weigert het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Van Dijk

Instantie: Kantonrechter Groenlo, 5 juni 1997

Instantie

Kantonrechter Groenlo

Samenvatting


De werkgever wil de arbeidsovereenkomst met werknemer (algemeen directeur)
ontbinden. De werknemer is op 27 november 1996 aangehouden en in verzekering
gesteld op verdenking van verkrachting, meerdere malen gepleegd, in de
periode tussen omstreeks 1 juli 1986 en 1 juni 1987, alsmede op verdenking
van feitelijke aanranding.
Naar aanleiding hiervan heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen het
bestuur en de werknemer. Het bestuur heeft besloten dat de werknemer zijn
werkzaamheden kon voortzetten. Op 16 april 1997 is de werknemer veroordeeld
voor verkrachting tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden.
Het slachtoffer was een twintig jaar jongere leerling met ernstige psychische
problemen op de school waar de werknemer docent was.
Op 17 april 1997 is de werknemer op non-actief gesteld.
De kantonrechter onderschrijft het standpunt van de Stichting dat door
de veroordeling van de werknemer zijn positie als algemeen directeur onhoudbaar
is geworden. Hij heeft immers een voorbeeldfunctie en twijfel aan de integriteit
van de directeur zal repercussies hebben binnen de gehele organisatie;
zijn geloofwaardigheid als leidinggevende komt dan in het geding. Aan zijn
gedrag worden zware eisen gesteld, zowel binnen de instelling als in de
privésfeer.
Ook al hebben de feiten zich elf jaar geleden afgespeeld, de onrust die
hierover bij het personeel en/of bewoners is ontstaan, is actueel. Van
belang is voorts dat het merendeel van het personeel van de Stichting waaraan
de directeur leiding dient te geven van het vrouwelijke geslacht is en
dat zich onder dit personeel slachtoffers van zedendelicten bevinden.
De kantonrechter wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
toe met een schadevergoeding van de helft van de Kantonrechtersformule.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

1.1. De Stichting heeft bij verzoekschrift binnengekomen ter griffie op
6 mei 1997, verzocht de arbeidsovereenkomst met X, te ontbinden wegens
gewichtige redenen.

1.2. X heeft zich tegen het verzoek verweerd bij verweerschrift, binnengekomen
ter griffie op 21 mei 1997, S heeft op genoemde datum voorts stukken gedeponeerd
ter griffie.

1.3. Op 26 mei 1997 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgehad.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht en pleitnotities overgelegd.

2. De feiten

2.1. De Stichting exploiteert te (….) en (….) in totaal drie verzorgingshuizen
als bedoeld in de Wet op de Bejaardenoorden. De Stichting voert haar beleid
op christelijke grondslag.

2.2. X is sedert 1 maart 1990 in dienst bij de Stichting, laatstelijk in
de functie van algemeen directeur tegen een salaris van ƒ 7952 bruto per
maand.

2.3. X is op 27 november 1996 aangehouden en in verzekering gesteld op
verdenking van verkrachting, meerdere malen gepleegd, in de periode tussen
omstreeks 1 juli 1986 en 1 juni 1987, alsmede op verdenking van feitelijke
aanranding.

2.4. Op 29 november 1996 is de bewaring van X bevolen en gelijktijdig geschorst,
X heeft het bestuur van de Stichting over een en ander geïnformeerd. Hierna
heeft een gesprek plaatsgevonden tussen het dagelijks bestuur van de Stichting
en X, in aanwezigheid van hun beider raadslieden.

2.5. Naar aanleiding van de tijdens dit gesprek zijdens X verschafte informatie
heeft het bestuur hem te kennen gegeven dat hij zijn werkzaamheden kon
voortzetten. X heeft zulks gedaan en heeft het personeel van de Stichting
en de bewoners op de hoogte gesteld van (de reden van) zijn aanhouding.

2.6. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de Arrondissementsrechtbank
te Zutphen d.d. 16 april 1997 is bewezen verklaard dat X in juli 1986 in
de gemeente Nunspeet eenmaal de mevrouw A heeft verkracht. X is terzake
veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. Genoemde
mevrouw A was destijds leerling op een school, waar X als docent werkzaam
was.

2.7. Over zowel de strafzitting als de veroordeling zijn in dagbladen berichten
verschenen. De voorzitter van het bestuur van de Stichting heeft na de
veroordeling een journalist te woord gestaan.

2.8. X is op 17 april 1997, nadat hij in bijzijn van zijn raadsvrouwe naar
aanleiding van zijn veroordeling door het bestuur van de Stichting is gehoord,
op nonactief gesteld door de Stichting.

2.9. X heeft tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

3. De standpunten van partijen

3.1. De Stichting heeft ter ondersteuning van haar ontbindingsverzoek,
verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. Tengevolge van de veroordeling
door de rechtbank (een onafhankelijk rechterlijk college), ondanks de eerdere
ontkenning door X zich aan het tenlastegelegde te hebben schuldig gemaakt,
alsmede de publiciteit die daaromheen is geweest, is een volstrekt onwerkbare
situatie ontstaan. Daarbij is van belang dat X leiding geeft aan ruim 120
met name vrouwelijke werknemers, waaronder zich ook slachtoffers van zedendelicten
bevinden. Voorts voert de Stichting een beleid op christelijke grondslag,
en door de berichtgeving rond de strafzaak is bekend geworden dat X een
buitenechtelijke relatie heeft gehad, hetgeen op gespannen voet staat met
deze grondslag. Een en ander levert primair een dringende reden op, subsidiair
een wijziging der omstandigheden die maakt dat voortzetting van de dienstbetrekking
redelijkerwijs niet van de Stichting verlangd kan worden

3.2. X heeft gemotiveerd verweer gevoerd, in dat verband heeft hij ontkend
zich aan het tenlastegelegde schuldig te hebben gemaakt, in verband met
welke ontkenning hij hoger beroep heeft aangetekend tegen het vonnis van
de rechtbank. Hij erkent dat hij destijds een (sexuele) relatie met mevrouw
A heeft gehad. Voor zover al sprake zou zijn van een strafbaar feit, geldt
dat dit 11 jaar geleden in een andere gemeente is gebeurd en dat geen enkel
verband bestaat met de arbeidsverhouding met de Stichting. X heeft altijd
goed gefunctioneerd binnen de Stichting, en de Stichting heeft ten onrechte,
na de veroordeling op 16 april jongstleden, niet inhoudelijk met X besproken
in hoeverre zulks een belemmering voor het uitoefenen van zijn functie
binnen de Stichting zou vormen, doch heeft aanstonds een zeer rigoureus
besluit genomen, te weten te streven naar beëindiging van het dienstverband.
Primair pleit X voor afwijzing van het verzoek; subsidiair verzoekt hij
om een vergoeding ter hoogte van ƒ 180.000 vermeerderd met ƒ 10.000 immateriële
schadevergoeding, kosten juridische bijstand en outplacement, alsmede doorbetaling
van de pensioenpremie.

4. De beoordeling

4.1. Bij de beoordeling van het verzoek wordt het volgende vooropgesteld.
Kenmerkend voor (de taken van) de Stichting is dat de zorg voor mensen
aan haar is toevertrouwd. Hoewel in elke arbeidsverhouding het element
van vertrouwen van belang is, zal dat vertrouwen in de arbeidsrelaties
bij een instelling binnen de zorgsector extra gewicht hebben. Een directeur
van een dergelijke instelling heeft zowel ten opzichte van het bij de instelling
werkzame personeel, als ten opzichte van de personen, wier zorg aan de
instelling is toevertrouwd, een voorbeeldfunctie. Twijfel aan (de integriteit
van) de directeur zal repercussie hebben binnen de gehele organisatie;
zijn geloofwaardigheid als leidinggevende komt dan in het geding. Een en
ander betekent dat aan het doen en laten van een directeur in het algemeen
verzwaarde eisen zullen en kunnen worden gesteld. Dit geldt niet uitsluitend
zijn doen en laten binnen de instelling, doch tevens (zij het in beperkte
mate) zijn doen en laten in privé-sfeer.

4.2. Tegen deze achtergrond wordt het standpunt van de Stichting, hierop
neerkomende, dat door de veroordeling van X door de rechtbank, als genoemd
onder 2.6, zijn positie als algemeen directeur onhoudbaar is geworden,
dezerzijds onderschreven. Daaraan doet niet af dat X tegen het vonnis van
de rechtbank hoger beroep heeft ingesteld. Uit de verslaggeving in de pers
naar aanleiding van de veroordeling is bekend geworden dat X heeft erkend
dat hij als docent van een school een (sexuele) relatie heeft gehad met
een circa twintig jaar jongere leerling van die school, die ernstige psychische
problemen had en aan wie hij hulp bood. Van algemene bekendheid is dat
een hulpverlener zich in een dergelijke relatie, die zich kenmerkt door
afhankelijkheid, van sexuele contacten dient te onthouden. Nu vaststaat
dat X dat niet heeft gedaan, maakt zulks dat, zelfs indien hij in hoger
beroep vrijgesproken zou worden van het hem tenlastegelegde, hij in deze
zin onprofessioneel en laakbaar heeft gehandeld. Een en ander heeft zich
weliswaar 11 jaar geledenen in een andere gemeente afgespeeld, doch deze
vaststaande (immers door X erkende) feiten zijn eerst thans in het kader
van de strafzaak aan het licht gekomen. De onrust die hierover bij personeel
en/of bewoners is ontstaan, is derhalve actueel. Van belang is voorts dat
het merendeel van het personeel van de Stichting waaraan X als algemeen
directeur leiding dient te geven van het vrouwelijk geslacht is en dat
zich, zo heeft de Stichting onweersproken gesteld, onder dit personeel
slachtoffers van zedendelicten bevinden. Nu er aldus (deels gerechtvaardigde)
twijfel is ontstaan rond de persoon van haar algemeen directeur, is voldoende
aannemelijk dat de vertrouwensrelatie tussen partijen is geschonden.

4.3. Het voorgaande brengt mee dat het verzoek zal worden toegewezen. Gelet
op het feit dat er sprake is van gedragingen van X, die niet in relatie
staan met het dienstverband met de Stichting en die zich geruime tijd geleden
hebben voorgedaan, is geen sprake van een dringende reden. Wel levert hetgeen
onder 4.2 is overwogen een wijziging der omstandigheden op, op grond waarvan
de dienstbetrekking billijkheidshalve zal dienen te eindigen.

4.4. X heeft subsidiair om toekenning van een substantiële vergoeding verzocht.
Bij de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat om een vergoeding
aan X toe te kennen zijn de navolgende factoren van belang. Vooropgesteld
wordt dat de ontstane situatie de Stichting niet valt aan te rekenen. X
heeft de Stichting verweten dat zij niets heeft gedaan om het hem mogelijk
te maken binnen zijn functie door te werken, doch gelet op hetgeen hierover
is overwogen kan niet gezegd worden dat de Stichting daartoe gehouden was.
Ook het feit dat de Stichting de pers te woord heeft gestaan kan geen verwijtbaarheid
aan haar zijde teweegbrengen, nu de mededelingen die zijn gedaan niet grievend
zijn en de Stichting onweersproken heeft gesteld dat zij benaderd is door
een journalist en dat harerzijds geen publiciteit is gezocht. Van de publiciteit
rond de (openbare) strafzaak, welke inherent is aan zedendelicten, in het
bijzonder wanneer het hoger geplaatste personen betreft, kan haar derhalve
geen verwijt worden gemaakt. De reden die aan toewijzing van het verzoek
ten grondslag ligt, ligt veeleer in de risicosfeer van X. De kantonrechter
acht niettemin termen aanwezig om X een (beperkte) vergoeding toe te kennen.
Daarbij is van belang dat tussen de gedragingen van X in het verleden en
de arbeidsverhouding geen relatie bestaat, en dat X zo heeft onweersproken
gesteld, gedurende zijn gehele dienstverband goed heeft gefunctioneerd,
en dat hij zowel intern als extern vele initiatieven heeft ontplooid, waarvan
de Stichting ook na zijn vertrek de vruchten kan plukken. Daarenboven heeft
beëindiging van het dienstverband voor X ingrijpende gevolgen, gelet op
zijn leeftijd alsmede gelet op de reden van beëindiging van het dienstverband,
waardoor het vinden van een andere baan bemoeilijkt zal worden, terwijl
op dit moment van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling geen
sprake is en de Stichting er niettemin voor heeft gekozen reeds tot indiening
van het onderhavige verzoek over te gaan. Alle omstandigheden van het geval
in aan
merking nemende, wordt de na te melden vergoeding billijk geacht, waarbij
voor de berekening is uitgegaan van de kantonrechtersformule met een correctiefactor
C van 0,5.

4.5. In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden de kosten
van de procedure te compenseren aldus, dat iedere partij met de eigen kosten
belast blijft.

Beslissing

De kantonrechter stelt partijen in kennis van het voornemen de arbeidsovereenkomst
tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 juli 1997, zulks onder toekenning
van een vergoeding aan X ten laste van de Stichting van ƒ 41.748 bruto.
Stelt de Stichting tot uiterlijk 15 juni 1997 in de gelegenheid het verzoek
in te trekken.
Voorts voor het geval het verzoek wordt ingetrokken:
De kantonrechter te Groenlo.
Compenseert de proces-kosten in dier voege dat iedere partij belast blijft
met de eigen kosten.
Voorts voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken:
De kantonrechter te Groenlo.
Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van
1 juli 1997.
Kent aan X ten laste van de Stichting een vergoeding toe van ƒ 41.748 bruto.
Compenseert de proces-kosten in dier voege dat iedere partij belast blijft
met de eigen kosten.

Rechters

Mr Hillen

Instantie: Kantonrechter Delft, 5 juni 1997

Instantie

Kantonrechter Delft

Samenvatting


Verzoekster is sinds 1993 in dienst bij SRK als juridisch medewerkster.
Zij heeft in juni 1995 een kind gekregen. Sinds september 1995 werkt zij
24 uur per week met gebruikmaking van ouderschapsverlof. Dit verlof is
door SRK met een jaar verlengd. Na afloop hiervan heeft verzoekster gevraagd
24 uur te kunnen blijven werken. Dit verzoek is afgewezen omdat het beleid
van SRK is dat werknemers minstens 32 uur moeten werken, verspreid over
vier of vijf dagen.
Verzoekster wil dat haar arbeidsovereenkomst gedeeltelijk wordt ontbonden
en daarbij beroept zij zich op de CAO, die voorschrijft dat de werkgever
deeltijdarbeid zal bevorderen en verzoeken daartoe zal toetsen aan de economische
en organisatorische mogelijkheden binnen het bedrijf. Een ander argument
van verzoekster is dat zij gedurende geruime tijd 24 uur heeft gewerkt
en dat dit voor de organisatie geen enkel probleem heeft opgeleverd.
De kantonrechter wijst het verzoek af omdat SRK zich voldoende heeft ingespannen
om deeltijdarbeid te bevorderen. Bovendien heeft zij voldoende aangetoond
dat het economisch en organisatorisch onmogelijk is om minder dan 32 uur
te werken. Het feit dat verzoekster geruime tijd probleemloos 24 uur heeft
gewerkt kan SRK niet worden tegengeworpen. Het beroep op art. 6:258 BW
wordt verworpen omdat de geboorte van een kind niet als een onvoorziene
omstandigheid kan worden gezien. Deze omstandigheid ligt volgens de kantonrechter
binnen de risicosfeer van verzoekster zelf en dient uitsluitend voor haar
rekening te komen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

– Verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 22 april 1997.
– Beschikking dagbepaling d.d. 23 april 1997.
– Mondelinge behandeling d.d. 26 mei 1997.

Rechtsoverweging

1. Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel
of niet voldoende gemotiveerd weersproken, mede op grond van de in zoverre
niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, het navolgende vast.

1.1. P, geboren op 5 september 1963, is op 1 april 1993 voor onbepaalde
tijd als juridisch medewerkster in loondienst bij SRK getreden tegen een
aanvangssalaris van ƒ 4800 bruto per maand voor een 40-urige werkweek.

1.2. Terzake van deze arbeidsovereenkomst hebben partijen een schriftelijke
overeenkomst getekend waarin onder meer is opgenomen:
‘(…) Het voorgaande wordt op sommige onderdelen nader uitgewerkt en aangevuld
door de CAO voor het verzekeringsbedrijf (binnendienst), die door het SRK
naar analogie pleegt te worden toegepast, en door de in de SRK-Personeelsgids
opgenomen regelingen. Bijgaand een exemplaar van de CAO; de Personeelsgids
zal u worden uitgereikt.’

1.3. In artikel 18 lid 3 onder d bepaalt de CAO voor het verzekeringsbedrijf
(binnendienst), hierna verder te noemen de CAO, onder meer:
‘De werkgever zal afwegen welke mogelijkheden aanwezig zijn voor deeltijddienstverband
naast voltijddienstverband, teneinde deeltijdarbeid te bevorderen. Hierbij
wordt ook gedacht aan andere vormen van deeltijdarbeid dan halftijd dienstverband.
De werkgever zal een daartoe strekkend verzoek van de werknemer toetsen
aan de bedrijfseconomische en bedrijfsorganisatorische mogelijkheden.
(….)’.

1.4. In de onderneming van SRK is het voor `behandelaars’, zoals P, mogelijk
om 32 uur per week te werken, verdeeld over 5 werkdagen. Per augustus 1996
is het voor moeders met schoolgaande kinderen mogelijk om die 32 uren te
verdelen over 4 werkdagen en recentelijk komt dit laatste recht ook toe
aan mannelijke medewerkers.

1.5. P is op 22 mei 1995 met zwangerschapsverlof gegaan, op 25 juni 1995
bevallen van een kind en heeft op 18 september 1995 haar werkzaamheden
bij SRK hervat. Met gebruikmaking van het recht op ouderschapsverlof werkt
P vanaf laatstgenoemde datum 24 uur per week. SRK heeft op een daartoe
strekkend verzoek van P toegestaan dat het ouderschapsverlof, dat aanvankelijk
op 19 maart 1996 zou eindigen, zou worden verlengd met één jaar.

1.6. Met het oog op het eindigen van het verlengde ouderschapsverlof op
19 maart 1997 heeft P, bij brief van 13 januari 1997, aan SRK kenbaar gemaakt
haar werkzaamheden in deeltijd te willen verrichten en wel voor 24 uur
per week.

1.7. Bij brief van 21 februari 1997 heeft SRK, met verwijzing naar het
binnen haar onderneming gevoerde vaste beleid, afwijzend op dat verzoek
gereageerd en gesteld dat een deeltijdfunctie voor 32-uur per week wel
mogelijk is.

1.8. S.R.K. heeft aangeboden het ouderschapsverlof met nog één termijn
van 4 maanden te verlengen, welk aanbod P niet heeft aanvaard, waarop SRK
heeft ingestemd met een continuering van het verlengde ouderschapsverlof
hangende de onderhavige procedure.

2. Verzoek

2.1. P heeft verzocht de dienstbetrekking tussen partijen met ingang van
1 juni 1997 of zoveel eerder of later als in goede justitie mocht worden
bepaald, gedeeltelijk te ontbinden voor 16 van de 40 uren waarvoor de dienstbetrekking
is aangegaan en te bepalen dat de overeenkomst voor het overige en onder
dezelfde voorwaarden (ook qua huidige verdeling van 24 uren gelijkelijk
over drie dagen per week) in stand blijven, kosten rechtens.
P heeft, stellende dat SRK een verzoek om parttime te mogen werken in redelijkheid
niet kan weigeren, onder meer het volgende aangevoerd:

2.2. Uit artikel 18 van de CAO volgt dat de werkgever zal afwegen, welke
mogelijkheden aanwezig zijn voor een deeltijddienstverband teneinde deeltijdwerk
te bevorderen. Ingevolge genoemd artikel is de werkgever verplicht een
verzoek van een werknemer te toetsen aan de concrete omstandigheden van
dat moment. Dit heeft SRK nagelaten door te constateren, dat het verzochte
niet strookt met de in 1986 vastgestelde beleidsregels dat de arbeidsduur
niet minder dan 32 uur per week mag bedragen. SRK handelt hiermee in strijd
met de CAO. Het beleid van SRK voldoet niet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen,
nu de CAO uitdrukkelijk refereert aan halftijd dienstverbanden en daaruit
moet worden opgemaakt dat halftijd dienstverbanden mogelijk moeten zijn.

Er bestaan geen zwaarwegende bedrijfsorganisatorische of bedrijfseconomische
belangen die een 24-urige dienstverband in de weg staan.
SRK is gehouden de individuele toets toe te passen en handelt dan ook door
dat niet te doen in strijd met die verplichting, terwijl SRK die bovendien
nog heeft toegezegd jegens de Ondernemingsraad (OR) op 6 oktober 1994.

Op de afdeling waar P werkzaam is werken 9 mannelijke en 5 vrouwelijke
medewerksters. Tien daarvan zijn fulltime werkzaam: twee vrouwelijke medewerksters
zijn 36 uur per week werkzaam: één vrouwelijke medewerker is met ouderschapsverlof
en begint eerdaags met een 32-urige werkweek en P werkt thans 24 uur per
week. De werkzaamheden van P thans zijn goed geregeld en de opvang van
haar cliënten tijdens haar afwezigheid verloopt zonder enig probleem.

Gezien de organisatie moet het mogelijk zijn de wegvallende uren van P
goed op te vangen, nu dat ook goed is gelopen tijdens het ouderschapsverlof.
In deze periode van het ouderschapsverlof waren er geen problemen en heeft
P naar haar cliënten aangegeven op welke dagen zij zelf niet bereikbaar
was.

Bij andere rechtsbijstandverzekeraars bestaan ruimere mogelijkheden dan
bij SRK om parttime te werken, met een minimum (bij ARAG) van 2,5 dagen
per week. Niet valt in te zien waarom dat ook niet bij SRK kan.
SRK hanteert ten onrechte het argument dat bij honorering van het verzoek
van P het hek van de dam is. Uit een onderzoek van CNV is namelijk gebleken
dat slechts 30% van de fulltimers parttime zou willen werken.
Onjuist is voorts dat parttime werken meer kost dan fulltime werk.

Bij de beslissing van SRK op het verzoek van P om parttime te mogen werken
heeft SRK onvoldoende rekening gehouden met de belangen van P. Er is sprake
van onvoldoende (redelijk) evenwicht en SRK handelt aldus niet zoals van
een goed werkgever mag worden verlangd.

Voor zover nodig beroept P zich op artikel 6:258 BW op grond waarvan de
rechter op verzoek van een van partijen bij een overeenkomst, die overeenkomst
gedeeltelijk kan ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden, welke
van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid
en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag
verwachten.

3. Verweer

Het gemotiveerde verweer van SRK strekt tot afwijzing van het verzochte
met veroordeling van P in de kosten van deze procedure.
Voor zover van belang zal de stellingname van SRK hierna worden besproken.

4. Beoordeling

4.1. Het verzoek van P tot partiële ontbinding van de dienstbetrekking
wordt afgewezen. Dit oordeel is gebaseerd op de navolgende overwegingen.
De kantonrechter kan in het midden laten of partiële ontbinding van een
arbeidsovereenkomst al dan niet tot de (wettelijke) mogelijkheden behoort,
nu P alleen de door haar verzochte partiële ontbinding wenst en niet wenst
in te gaan op het aanbod van SRK om 32 in plaats van de overeengekomen
arbeidsduur van 40 uur per week te werken.

4.2. Voorop dient te worden gesteld dat, en anders dan P meent, uit de
CAO niet kan worden opgemaakt dat op haar de plicht rust halftijd dienstverbanden
binnen de onderneming voor elke beroepsgroep of functie mogelijk te maken.
Hooguit kan in de CAO een aansporing voor de werkgever worden gelezen zich
in te spannen parttime werken te bevorderen.
SRK heeft in zoverre aan deze aansporing gevolg gegeven door voor de beroepsgroep
waartoe P behoort de mogelijkheid te scheppen korter te werken, doch niet
minder dan 32 uur per week.

4.3. SRK heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat op grond van een zorgvuldige
belangenafweging, mede gelet op bedrijfsorganisatorische en bedrijfseconomische
grondslagen, korter werken dan 32 uur binnen haar onderneming niet verantwoord
is.

De binnen de onderneming van SRK sinds 1986 geldende regeling kan worden
aangemerkt als het op een behoorlijke wijze uitvoering geven aan het bepaalde
in artikel 18 van de CAO.
Niet valt in te zien waarom SRK tot nog meer gehouden zou zijn, noch ingevolge
de CAO, noch anderszins. SRK handelt aldus niet in strijd met haar plichten
van een goed werkgever.

4.4. Het beroep van P op de thans nog bestaande situatie van het verlengde
ouderschapsverlof en haar argument dat een 24-urige werkweek mogelijk is
faalt.
Voldoende aannemelijk is gemaakt dat SRK P gedurende de afgelopen periode
sinds de geboorte van haar kind tegemoet heeft willen komen in het vinden
van een oplossing voor de opvang van het kind tijdens de werktijden van
P. Van aanvang af moet het P duidelijk zijn geweest dat dit slechts een
tijdelijke oplossing was, zoals ook bij enkele andere werknemers is toegepast.

Deze welwillendheid kan thans door P niet tegen SRK worden gebruikt teneinde
haar doel te bereiken en aldus de gehele bedrijfsvoering, naast andere
punten, op het punt van de bereikbaarheid, klantvriendelijkheid en dienstverlening
omver te werpen.

4.5. Het beroep van P op artikel 6:258 BW – voor zover deze bepaling van
invloed is op het onderhavige verzoek – wordt gepasseerd nu de door P aangevoerde
`onvoorziene omstandigheden’ niet als zodanig kunnen worden betiteld en
deze omstandigheden binnen de risicosfeer van P zelf liggen en uitsluitend
voor haar rekening behoren te komen.

5. Nu het verzoek wordt afgewezen, zal P worden veroordeeld in de kosten
van deze procedure, zoals hierna zal worden bepaald.

Beslissing

De kantonrechter:
wijst het verzochte af;
veroordeelt P in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde
van SRK begroot op ƒ 500 aan salaris gemachtigde.

Rechters

Mr. Puite

Instantie: Hof Amsterdam, 5 juni 1997

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn gescheiden. De vrouw heeft het gezag over hun zoontje van drie
jaar. De omgangsregeling is afgewezen. De vader is thans gedetineerd wegens
seksueel misbruik van kinderen.
De Rechtbank Haarlem heeft geoordeeld dat van de moeder niet kan worden
gevergd dat zij de vader schriftelijk of mondeling regelmatig informeert over
de belangrijke feiten betreffende het kind. Wel dient de moeder eenmaal per
jaar een recente foto van het kind te sturen. Het hof komt tot het oordeel
dat het belang van het kind zich verzet tegen het opleggen van een
informatieplicht in die zin dat moeder gehouden zou zijn eenmaal per jaar een
recente foto te sturen aan de vader. Wanneer de verhouding tussen
ex-echtelieden zodanig is verstoord dat het opleggen van een
informatieregeling onrust en spanningen bij de moeder met zich mee zal
brengen, kan dit een zodanige weerslag hebben op het kind dat een
informatieplicht niet in het belang van het kind wordt geacht.

Volledige tekst

Het geding in hoger beroep

1.1. De moeder is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een
beschikking van 29 oktober 1996 van de rechtbank te Haarlem, rekestnummer E
16506/95 KR 29422/96.

1.2. De vader heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld op 21 april 1997.

1.4. De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen, maar wel
zijn raadsman.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn op 31 augustus 1990 gehuwd. Hun huwelijk is op 19 maart
1996 ontbonden. Uit hun huwelijk is geboren D op 11 maart 1993. De moeder is
belast met het ouderlijk gezag over D.
Bij de echtscheidingsbeschikking van 9 januari 1996 van de rechtbank te
Haarlem is – onder meer -, de behandeling van de zaak met betrekking tot de
omgangsregeling tussen de vader en D aangehouden, de Raad voor de
Kinderbescherming (de Raad) verzocht terzake rapport en advies uit te brengen
en bepaald dat de moeder, hangende het onderzoek van de Raad, verplicht is de
vader regelmatig op de hoogte te stellen van belangrijke feiten en
omstandigheden die de persoon van D of diens verzorging en opvoeding
betreffen.

Bij beschikking waarvan beroep is – voor zover hier van belang – het verzoek
van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en D
afgewezen. Voorts is hierbij de beschikking van 9 januari 1996 voornoemd
gewijzigd, in die zin dat de moeder niet langer gehouden is om de vader te
informeren over D, en is bepaald dat de moeder de vader éénmaal per jaar een
recente foto van D doet toekomen.

2.2. In geschil is de informatieplicht, inhoudende dat de moeder de vader
éénmaal per jaar een recente foto van D doet toekomen, zoals bepaald bij de
beschikking waarvan beroep. Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de
moeder de beschikking van 9 januari 1996 voornoemd te wijzigen in die zin dat
zij geen informatieplicht zal hebben tegenover de vader, en het verzoek van
de vader te bepalen dat de moeder éénmaal per kwartaal aan hem een recente en
duidelijke foto van D zal opsturen en dat hij eveneens éénmaal per kwartaal
schriftelijk danwel mondeling geïnformeerd zal worden over het opgroeien en
de ontwikkeling van D.

De moeder verzoekt het inleidend verzoek van de vader alsnog af te wijzen en
– zakelijk weergegeven – te bepalen dat zij geen informatieplicht tegenover
de vader, in welke vorm dan ook, zal hebben.

De vader verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. Het volgende is gebleken.

De vader is in of omstreeks 1996 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie
jaar en zes maanden wegens ontucht met minderjarigen en verblijft thans in
een Penitentiaire Inrichting.

Uit het verslag d.d. 14 juni 1996 van een door het onderzoeksbureau RBZ in
opdracht van de Raad verricht onderzoek is – zakelijk weergegeven – onder
meer het volgende naar voren gekomen. (…) Vader is onder meer veroordeeld
wegens seksueel misbruik van (onder andere) S (9 jaar), de dochter van
mevrouw K (hof: de tweede ex-echtgenote van de vader) uit een eerder
huwelijk. (…) De moeder wil niet het risico nemen dat met D hetzelfde zal
gebeuren als met de andere kinderen. Moeder is er niet zeker van dat vader
geen seksuele handelingen met D heeft uitgevoerd of zou kunnen uitvoeren.
(…) Eigenlijk vindt moeder dat het er niet toe doet of vader D al dan niet
misbruikt heeft. Ze vindt het voldoende bewezen dat vader een pedofiel is,
die kinderen heeft misbruikt en ze vindt dat je als moeder je kind tegen zo
iemand moet beschermen (…) Wanneer het om een omgangsregeling tussen D en
vader gaat, lijken echter oprechte zorgen om haar kind voorop te staan niet
haat of wraakgevoelens ten aanzien van vader. (…) Gebleken is dat moeder
grote moeite heeft met situaties waarin vader al dan niet direct een appèl op
haar doet. Ze raakt dan weer in verwarring en voelt zich toenemend onzeker.
Zij is dan minder goed in staat pedagogische structuur aan te brengen, waarop
D kan reageren met versterkt koppig gedrag. (…) Op grond van het rapport
van het PBC (hof: Pieter Baan Centrum te Utrecht) kan gezegd worden dat vader
een persoonlijkheidsstoornis heeft (…) en geen vermogen heeft om in
relationeel opzicht goed te functioneren. (…) De kans op recidive is niet
uitgesloten. Het onderzoeksbureau acht het niet in het belang van D dat er op
korte termijn een omgangsregeling wordt vastgesteld.

In het advies d.d. 29 augustus 1996 van de Raad te Haarlem aan de rechtbank
te Haarlem naar aanleiding van bovengenoemd door de RBZ verricht onderzoek is
onder meer het volgende vermeld.
(…) Op grond van de door de RBZ uitgebrachte onderzoeksgegevens adviseert
de Raad u het verzoek van vader tot een omgangsregeling met zijn zoontje D af
te wijzen. (…) Moeder is opgelucht over het raadsadvies. Zij merkt op dat
zij regelmatig door vader gedwarsboomd wordt. Is het niet door kaartjes aan D
met indirecte boodschappen aan haar erop, dan zijn het wel telefoontjes van
vader, althans dat vermoedt moeder heel sterk. Ook kwam zij er een tijd
geleden achter dat vader een verhuisbericht aan de PTT heeft opgegeven,
waarbij de post bestemd voor D naar het (tijdelijke) adres van vader gestuurd
werd. Zo zijn er steeds weer gebeurtenissen waardoor moeder uit haar
evenwicht raakt. Enkele weken geleden werd zij door vader telefonisch
bedreigd. Hiervan heeft zij aangifte gedaan bij de politie. (…) Ten aanzien
van de informatieplicht zijn wij van mening dat dit, gezien de situatie, niet
door moeder moet gebeuren. Wel zijn wij van mening dat moeder eenmaal per
jaar een recente foto van D aan vader moet opsturen. Voor informatie over D
kan vader zelf het kinderdagverblijf benaderen.

D dient volgens de moeder in toekomst zelf te beoordelen hoe hij tegenover de
vader staat. Zij zegt D thans te willen beschermen. D zou het later vervelend
kunnen vinden dat zij de vader foto’s van hem heeft toegezonden en haar dat
kwalijk kunnen nemen, aldus de moeder. Bovendien zou het zenden van
informatie aan de vader bij de moeder zo grote spanningen oproepen dat
dientengevolge ook de gemoedsrust van D zou worden verstoord. De moeder zegt
thans onder behandeling te zijn van een RIAGG en tweemaal per week hulp te
krijgen van Gespecialiseerde Gezinsverzorging.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. De feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld in aanmerking
nemend, is het hof van oordeel dat het belang van D zich verzet tegen het
opleggen van een informatieplicht, in die zin dat de moeder gehouden zou zijn
éénmaal per jaar een recente foto van D aan de vader te doen toekomen. De
gedragingen van de vader ten opzichte van de moeder na het uiteengaan van
partijen mede in aanmerking nemend, is aannemelijk geworden dat het verzenden
van een foto van D aan de vader veel onrust en spanningen bij de moeder met
zich zal brengen. Nu voorts aannemelijk is dat een en ander zijn weerslag zal
hebben op D, wordt bovengenoemde informatieplicht niet in het belang van D
geacht.

3.2. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het
hof onderworpen;

wijst het inleidend verzoek van de vader alsnog af;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs Torrenga, Den Ottolander, Koopmann

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Samenvatting Nemesis:
Verzoekster is van mening dat het pensioenfonds van haar man, het
ABP, onderscheid maakt op grond van geslacht. Bij het overlijden van haar
man behoudt zij slechts vijfzevende deel van het aan haar echtgenoot toegewezen
pensioen terwijl bij eerder overlijden van verzoekster haar echtgenoot
honderd procent zou hebben gekregen.
De Commissie oordeelt dat het verschil in hoogte van de uitkering van verzoekster
en haar overleden echtgenoot wordt bepaald door het feit dat er sprake
is van twee verschillende uitkeringen met een verschillende grondslag,
namelijk een ouderdomspensioen en een nabestaandenpensioen. In die zin
kunnen beide pensioenuitkeringen dan ook niet met elkaar worden vergeleken.
Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 februari 1996 verzocht mevrouw (….) te Steyl (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel te
geven over de vraag of door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Den
Haag (hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht wordt gemaakt als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeksters echtgenoot heeft via zijn werkgever een aanvullend pensioen
opgebouwd dat is ondergebracht bij de wederpartij. Na het overlijden van
haar echtgenoot krijgt verzoekster als nabestaande vijf zevende deel van
het aan haar echtgenoot toegewezen pensioen, terwijl bij een eerder overlijden
van verzoekster, haar echtgenoot 100% zou hebben gekregen. Toen verzoeksters
echtgenoot 65 jaar werd, kreeg hij een lager aanvullend pensioen dan een
vrouw in overigens dezelfde omstandigheden zou krijgen. Verzoekster is
van mening dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
handelt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen, na eerst nadere
informatie van verzoekster te hebben opgevraagd, en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht. Partijen
zijn uitgenodigd voor een zitting op 8 april 1997. Zij hebben van deze
uitnodiging geen gebruik gemaakt.

2.2. Bij de zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeksters echtgenoot werkte tot zijn pensionering in 1990 voor
een werkgever die zijn pensioenverzekering had ondergebracht bij de wederpartij.
Vanaf zijn pensionering ontving verzoeksters echtgenoot een aanvullend
ouderdomspensioen dat gebaseerd is op de Algemene Burgerlijke Pensioenwet
(hierna: ABPW).

De pensioenregeling kent een ouderdomspensioen van maximaal 70% van het
laatstverdiende loon (het ambtelijk pensioen). In het ambtelijk pensioen
is het wettelijk ouderdomspensioen ingebouwd. Het ambtelijk pensioen verminderd
met de inbouw is het aanvullend ouderdomspensioen.

Tot 1986 bestond er een verschillende inbouw van het wettelijk ouderdomspensioen
voor gehuwde mannen en vrouwen. Bij gehuwde mannen werd de inbouw afhankelijk
gesteld van het wettelijk ouderdomspensioen voor gehuwden, bij vrouwen
van het (lagere) wettelijk ouderdomspensioen voor ongehuwden. Dit heeft
tot gevolg dat het aanvullend ouderdomspensioen van gehuwde mannen lager
is dan van gehuwde vrouwen.
Vanaf 1986 geldt voor (gehuwde) mannen en vrouwen zonder terugwerkende
kracht dezelfde inbouw van het wettelijk ouderdoms-pensioen.

Verzoeksters echtgenoot heeft de wederpartij bij brief van
20 januari 1991 verzocht de vaststelling van het pensioen te herzien. De
wederpartij heeft dit verzoek afgewezen onder verwijzing naar een uitspraak
van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 februari 1995 (Crvb, 16 februari
1995, AB 1995/396), aangezien verzoeksters echtgenoot niet voor
17 mei 1990 een beroep heeft gedaan op gelijke behandeling wat zijn pensioenvoorziening
betreft.

3.2. Verzoeksters echtgenoot is in mei 1995 overleden. Op basis van de
ABPW heeft verzoekster recht op een nabestaandenpensioen. De hoogte van
het nabestaandenpensioen bedraagt vijf zevende deel van het pensioen van
de overleden partner. Indien de partner van een gepensioneerde overlijdt,
behoudt de gepensioneerde zijn volledige pensioen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.

Er is sprake van ongelijke behandeling wanneer de inbouw in het pensioen
van gehuwde mannen anders wordt berekend dan de inbouw in het pensioen
van gehuwde vrouwen. De wederpartij heeft dat ook erkend.
De termijnen die in uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (HvJ) en de Crvb worden gesteld, zorgen ervoor dat de ongelijke
behandeling blijft voortduren.

Tevens is er sprake van ongelijke behandeling bij overlijden van één van
de partners. Als een vrouw weduwe wordt, krijgt zij 70% van het pensioen
van haar man toegewezen. Indien de vrouw zou zijn overleden, zou de echtgenoot
toch 100% van het door hem opgebouwde pensioen behouden. Aangezien het
wegvallen van echtgenoot of echtgenote in beide gevallen tot minder kosten
leidt, zou het logisch zijn wanneer ieder 15% in zou leveren.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

Zij betwijfelt of verzoekster in haar verzoek kan worden ontvangen, nu
haar verzoek het door haar echtgenoot opgebouwde pensioen betreft en deze
echtgenoot is overleden.

De wederpartij is van mening dat onderscheid naar burgerlijke staat inzake
pensioenen is toegestaan, gelet op artikel 5 lid 6 van de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

Het HvJ heeft in haar uitspraak van 28 september 1994 bepaalt dat alleen
degene die voor 17 mei 1990 een rechtsvordering op het punt van gelijke
behandeling bij de inbouw van het pensioen heeft ingesteld, met succes
om gelijke behandeling op het gebied van pensioen kan verzoeken met betrekking
tot pensioenaanspraken die zijn opgebouwd tijdens diensttijd tussen 8 april
1976 en 17 mei 1990 (HvJ, Bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
versus Beune, 28 september 1994, C-7/93, Jur. 1994, I-4471.). De Crvb heeft,
gelet op deze uitspraak van het HvJ, aangegeven dat indien niet voor 17
mei 1990 een beroep is gedaan op gelijke behandeling op het gebied van
pensioen, geen beroep kan worden gedaan op het in artikel 119 EEG-Verdrag
neergelegde beginsel van gelijke beloning van mannen en vrouwen. Aangezien
verzoekster, noch haar overleden echtgenoot, voor 17 mei 1990 een verzoek
tot herziening van de inbouwberekening overeenkomstig die van een gehuwde
vrouw, heeft gedaan, heeft de wederpartij het pensioen niet herzien.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding zijn de vragen of:

– I. de wederpartij jegens verzoekster onderscheid als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling heeft gemaakt door voor haar echtgenoot een andere
berekening van het aanvullend ouderdomspensioen te hanteren dan bij een
vrouw in overigens dezelfde omstandigheden, waardoor verzoeksters echtgenoot
een lager aanvullend ouderdomspensioen is toegekend;

– II. de wederpartij jegens verzoekster onderscheid als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling heeft gemaakt door haar een nabestaandenpensioen toe
te kennen dat vijf zevende deel van het ouderdomspensioen van haar overleden
echtgenoot bedraagt.

4.2. Allereerst dient de Commissie de ontvankelijkheid van de klachten
van verzoekster te beoordelen, aangezien de wederpartij zich er op beroept
dat verzoekster niet in haar klachten kan worden ontvangen nu deze het
door haar echtgenoot opgebouwde pensioen betreft en haar echtgenoot is
overleden.
De Commissie kan de wederpartij in dit verweer niet volgen.
De hoogte van het nabestaandenpensioen is mede afhankelijk van de hoogte
van de pensioeninbouw in het door haar overleden echtgenoot opgebouwde
ouderdomspensioen. Verzoekster heeft dan ook – zoals bevestigd in het Ten
Oeverarrest van het HvJ – ten aanzien van de pensioeninbouw een eigen belang
op grond waarvan zij, gelet op de gelijkheidsvoorschriften, een verzoek
om een oordeel kan indienen. (HvJ, Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds
voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, C-109/91,
Jur. 1993, I-4879.)
Dat verzoekster belang heeft bij een klacht over de hoogte van haar nabestaandenpensioen
behoeft geen verder betoog.

4.3. Ten aanzien van de pensioeninbouw

Alvorens de onder 4.1. I gestelde vraag te kunnen beantwoorden dient het
volgende aan de orde te worden gesteld.

In de eerste plaats speelt de vraag aan welke gelijkheidsvoorschriften
deze klacht van verzoekster dient te worden getoetst.
Verzoeksters echtgenoot was werkzaam als ambtenaar. Dat betekent dat met
de inwerkingtreding van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
in de burgerlijke openbare dienst (WGBBOD) per 4 juli 1980 op grond van
artikel 1 lid 1 (WGBBOD) onderscheid in de arbeidsvoorwaarden tussen mannelijke
en vrouwelijke werknemers werd verboden. Tevens wordt in dit artikel bepaald
dat onder de arbeidsvoorwaarden niet zijn begrepen aanspraken of uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen.

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB) per 1 maart 1989 is de WGBBOD ingetrokken. Artikel 1a
lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bepaalt onder meer
dat in de openbare dienst door het bevoegd gezag in de arbeidsvoorwaarden
geen onderscheid mag worden gemaakt tussen mannen en vrouwen. Tevens bepaalt
dit artikel dat onder de arbeidsvoorwaarden niet zijn begrepen aanspraken
of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen.

Op 1 september 1994 is de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) in werking
getreden. Artikel 5 lid 1 sub d AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid
op grond van geslacht verboden is bij de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 4, onderdeel a van de AWGB stelt onder meer dat de AWGB de WGB
onverlet laat.

De huidige Commissie gelijke behandeling heeft evenals haar voorgangster,
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (WGB
m/v), de bevoegdheid om klachten te behandelen die (mede) beoordeeld moeten
worden op grond van de gelijke behandelingswetgeving die gold voor 1 september
1994.

Eén en ander houdt in dat de Commissie de periode van 4 juni 1980 tot 1
maart 1989 dient te beoordelen aan de hand van de WGBBOD en de periode
daarna aan de hand van de WGB.

4.4. In de tweede plaats speelt de vraag wat de reikwijdte is van de uitzondering
die onder de arbeidsvoorwaarden is gemaakt inzake aanspraken of uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen.
Zowel in de WGBBOD als in de WGB werden pensioenregelingen nadrukkelijk
uitgezonderd van de gelijkheidsvoorschriften.
Derhalve zal worden nagegaan of de Commissie bevoegd is een oordeel uit
te spreken over de onderhavige klacht die betrekking heeft op verschillen
tussen mannen en vrouwen wat de pensioeninbouw op grond van de pensioenregeling
betreft.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de eerdere WGBBOD en
met de WGB mede een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel
119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde EG-Richtlijnen. Het HvJ is blijkens
haar overwegingen in de zaak Von Colson en Kamann van mening dat nationale
rechters en anderen, die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn
om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen
en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling
van – in dit geval – artikel 119 EG-Verdrag. (Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen,
10 april 1984, C-14/83, JUR 1984-1891.)

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen
als gemaakt in artikel 1 lid 1 WGBBOD en artikel 1a lid 1 WGB, moet interpreteren
in het licht van de jurisprudentie van het HvJ over het loonbegrip van
artikel 119 EEG-Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie, evenals haar voorgangster de
CGB m/v, de uitzondering genoemd in artikel 1 lid 1 WGBBOD en artikel 1a
lid 1 WGB zo op dat slechts die pensioenkwesties, terzake waarvan volgens
het HvJ geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking van artikel
119 EEG-Verdrag, van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.
(Commissie gelijke behandeling, 22 november 1996, oordeel 96-107; Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 22 juni 1994,
oordeel 616-94-58.)

4.5. In de derde plaats komt de vraag aan de orde of een ambtelijk pensioen
als de onderhavige pensioenvoorziening mede onder het bereik van artikel
119 EEG-verdrag valt.
In het arrest Beune is het HvJ ingegaan op de vraag of een pensioen als
waarin de ABPW voorziet, valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag.
Die vraag werd bevestigend beantwoord (HvJ, Bestuur van het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds versus Beune, 28 september 1994, C-7/93, Jur. 1994, I-4471).
Een pensioenregeling als die waarin de ABPW voorziet valt binnen het loonbegrip
van artikel 119 EEG-Verdrag en derhalve binnen de werkingssfeer van de
wetgeving gelijke behandeling.

4.6. In de vierde plaats komt de vraag aan de orde tot wie het verbod tot
het maken van onderscheid op grond van geslacht in de betreffende pensioenvoorzieningen
zich richt.
De Commissie gelijke behandeling sprak reeds eerder uit dat niet alleen
de werkgevers, maar sinds 8 april 1976 ook pensioenfondsen onder de reikwijdte
van de gelijke behandelingsvoorschriften vallen. (Commissie gelijke behandeling,
15 oktober 1996, oordeel 96-86.) Derhalve richt het genoemde verbod zich
ook tot de wederpartij als pensioenfonds.

4.7. De Commissie dient thans de onder 4.1. punt I geformuleerde vraag
te beantwoorden, te weten de vraag of de gelijke behandelingsnorm is geschonden
vanwege de voor mannen en vrouwen verschillende pensioeninbouw in de pensioenregeling
ten tijde van de opbouw door de echtgenoot van verzoekster.
Deze vraag dient – zoals onder 4.4. reeds gesteld – te worden beantwoord
in het licht van de jurisprudentie van het HvJ op dit punt.

4.8. Het HvJ heeft in het Ten Oever-arrest bepaald dat op de rechtstreekse
werking van artikel 119 EEG-Verdrag slechts een beroep kan worden gedaan,
wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na
17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid (HvJ, Ten Oever versus Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober
1993, C-109/91, Jur. 1993, I-4879.). Voorts heeft het HvJ in het hierboven
reeds aangehaalde Beune-arrest bepaald dat de verschillende AOW-inbouw
in een aanvullend pensioen voor gehuwde mannen en vrouwen in de ABPW, in
strijd is met artikel 119 EEG-Verdrag. Het HvJ heeft in dat arrest echter
tevens bepaald dat ingevolge het protocol nummer 2 ad artikel 119 EEG-Verdrag
alleen die ambtenaren een beroep kunnen doen op de rechtstreekse werking
van dat artikel, die, om gelijke behandeling te eisen met betrekking tot
de betaling van uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van een pensioenregeling
als die van de ABPW en die worden toegerekend aan tijdvakken van arbeid
tussen 8 april 1976 en 17 mei 1990, vóór 17 mei 1990 een rechtsvordering
of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering
hebben ingesteld. (Pb C-191, 29 juli 1992, p. 68.)

4.9. Verzoekster of haar echtgenoot hebben niet voor 17 mei 1990 een zodanige
vordering ingesteld, noch is sprake van verschillende behandeling bij de
pensioenopbouw in tijdvakken van arbeid gelegen na de datum van 17 mei
1990. De AWBP is immers sinds 1986 zodanig aangepast dat er op dit punt
geen sprake meer is van onderscheid op grond van geslacht.
De Commissie kan – anders dan door verzoekster met haar klacht beoogd –
de zienswijze van het HvJ in genoemde zaken niet op zijn juistheid toetsen.
De zaken zijn – prejudicieel – aan het HvJ voorgelegd ter verkrijging van
een uniforme verdragsinterpretatie. In dit geval kan de Commissie dus niet
voorbijgaan aan de duidelijke overgangsbepalingen die het HvJ met betrekking
tot de toepassingsdatum van artikel 119 EEG-Verdrag heeft gesteld ten aanzien
van pensioenuitkeringen.
Dat betekent dat – zoals gesteld in de laatste alinea onder 4.4. – verzoekster
conform de jurisprudentie van het Hof geen beroep kan doen op de rechtstreekse
werking van artikel 119 EEG-verdrag. De Commissie moet derhalve concluderen
dat de pensioenkwestie
– als onder 4.1 punt I verwoord – buiten de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling valt. Verzoekster kan zich derhalve niet met succes
beroepen op de gelijkheidsvoorschriften van de WGBBOD of de WGB.

4.10. Ten aanzien van het nabestaandenpensioen

Thans ligt voor de onder 4.1. punt II geformuleerde vraag, te weten de
vraag of er jegens verzoekster onderscheid in strijd met de gelijkheidvoorschriften
wordt gemaakt door haar een nabestaandenpensioen toe te kennen dat vijf
zevende deel van het ouderdomspensioen van haar overleden echtgenoot bedraagt.

4.11. Bovenstaande vraag dient te worden beoordeeld aan de hand van het
thans geldende recht, te weten het onder punt 4.3. aangehaalde artikel
1a lid 1 WGB.

4.12. Gezien eerder vermelde uitzondering ten aanzien van pensioenregelingen
dient allereerst ook nu de vraag worden beantwoord naar de reikwijdte van
deze uitzondering.

In het arrest Ten Oever is het HvJ ingegaan op de vraag of een nabestaandenpensioen
onder het beloningsbegrip van artikel 119 EEG-verdrag kan vallen (HvJ,
Ten Oever versus Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers-
en Schoonmaakbedrijf, 6 oktober 1993, C-109/91, JUR 1993, I-4879.). Als
dit pensioen voortvloeit uit een pensioenstelsel, dat onder het beloningsbegrip
van artikel 119 EEG-Verdrag valt, kan deze vraag bevestigend beantwoord
worden.
Zoals hiervoor reeds is weergegeven heeft het HvJ in het Beune-arrest aangegeven
dat een (ouderdoms-) pensioen als waarin de ABPW voorziet, valt binnen
de werkingssfeer van artikel 119 van het EEG-Verdrag en derhalve binnen
de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie gaat er van uit dat ook een nabestaandenpensioen waarin door
de ABPW wordt voorzien, valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag
en de wetgeving gelijke behandeling.

4.13. Ten aanzien van de vraag tot wie het verbod van onderscheid in pensioenvoorzieningen
zich richt sprak de Commissie eerder uit dat niet alleen de werkgevers,
maar sinds 8 april 1976 ook pensioenfondsen onder de reikwijdte van de
gelijke behandelingsvoorschriften vallen. (Commissie gelijke behandeling,
15 oktober 1996, oordeel 96-86.) Derhalve richt het genoemde verbod zich
ook tot de wederpartij als pensioenfonds.

4.14. De Commissie dient thans de vraag te beantwoorden of bij de toekenning
van het nabestaandenpensioen onderscheid jegens verzoekster is gemaakt
in strijd met de gelijkheidsvoorschriften.
Verzoekster klaagt erover dat indien zij zou zijn overleden haar echtgenoot
nog steeds zijn volledige ouderdomspensioen zou hebben behouden. Dit, terwijl
nu haar echtgenoot is overleden, zij slechts vijf zevende deel van zijn
pensioen krijgt als nabestaande.
De Commissie vat de klacht van verzoekster op als een klacht inzake verboden
onderscheid op grond van geslacht.

4.15. Het nabestaandenpensioen zoals door de echtgenoot van verzoekster
opgebouwd is een afgeleide van het ouderdomspensioen. De verzekerde voormalige
werknemer geniet bij leven het ouderdoms-pensioen. De nabestaande van de
werknemer krijgt bij overlijden het lagere nabestaandenpensioen. Het verschil
in hoogte van de uitkering van verzoekster en haar overleden echtgenoot
wordt bepaald door het feit dat er sprake is van twee verschillende uitkeringen
met een verschillende grondslag, namelijk een ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen.
In die zin kunnen beide pensioenuitkeringen dan ook niet met elkaar worden
vergeleken.

4.16. Eén en ander overziend komt de Commissie tot de conclusie – dat zij
gelet op artikel 1 lid 1 WGBBOD niet toekomt aan de vraag of er jegens
verzoekster onderscheid op grond van geslacht is gemaakt bij de AOW-inbouw
van haar overleden echtgenoot; en – dat er – gelet op artikel 1a lid 1
WGB – geen sprake is van onderscheid op grond van geslacht jegens verzoekster
bij de toekenning van haar nabestaandenpensioen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE CGB

De Commissie is van oordeel dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te
Den Haag jegens mevrouw (….) te Steyl geen onderscheid zoals verboden
in artikel 1 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
in de burgerlijke openbare dienst heeft gemaakt bij de AOW-inbouw in de
pensioenvoorziening van haar overleden echtgenoot.
De Commissie is van oordeel dat het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds te Den Haag jegens mevrouw (….) te Steyl geen onderscheid
zoals verboden in artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen heeft gemaakt bij de toekenning van een nabestaandenpensioen
ter hoogte van vijf zevende van het ouderdomspensioen van haar overleden
echtgenoot als voormalig werknemer.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank Breda, 3 juni 1997

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


De fabrikant van de pil heeft niet op de bijsluiter vermeld dat deze pil niet
honderd procent veilig is.
Aanvraagster wil de fabrikant aansprakelijk stellen voor de kosten van de
verzorging van het kind dat ondanks pilgebruik is geboren. Het kind is blind
geboren.
De rechter beschouwt het als een feit van algemene bekendheid dat de pil niet
honderd procent veilig is en dit hoeft dus niet in de bijsluiter vermeld te
worden. Degene die deze kans geheel wil uitsluiten dient naast of in plaats
van dit middel andere methoden van anticonceptie te benutten.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding.

Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijziging overgelegde
processtukken:

– de dagvaarding;
– de conclusie van eis met producties;
– de conclusie van antwoord met producties;
– de conclusie van repliek met producties;
– de conclusie van dupliek;
– de akte van de kant van eiseres met één productie;
– de antwoordakte met één productie.

2. Het geschil.

Eiseres, hierna te noemen `L’, vordert, dat de rechtbank bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht verklaart dat gedaagde, nader te noemen `Centrafarm’,
aansprakelijk is voor de schade die L heeft geleden omdat de pil Marvelon
niet die veiligheid heeft geboden die zij daarvan mochten verwachten mede op
grond van de informatie vermeld in de bijsluiter en Centrafarm daarmede
tevens gehandeld heeft in strijd met art. 6:162 BW;
2. Centrafarm veroordeelt tot vergoeding van de door L geleden schade op te
maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, bestaande uit zowel
materiële schade, namelijk de volledige kosten van verzorging en opvoeding
van haar zoon als immateriële schade;
3. Centrafarm veroordeelt tot de schade, begroot op ƒ 5.440,25, aan kosten
juridische bijstand;
4. Centrafarm veroordeelt in de proceskosten.

Centrafarm heeft de vorderingen van L gemotiveerd weersproken.

3. De beoordeling.

3.1. Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of
onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de overgelegde
produkties, voorzover niet of onvoldoende weersproken, het navolgende vast:

– L geboren op 24 juli 1964, gebruikt vanaf haar vijftiende jaar de
anticonceptiepil – nader te noemen `de pil’ – en vanaf haar zestiende jaar de
pil van het merk `Marvelon’.
– Na een onderbreking in verband met een voorgenomen zwangerschap, die op 25
oktober 1988 in de geboorte van een zoon is uitgemond, heeft L het gebruik
van Marvelon voortgezet.
– Eind 1991 is L nochtans zwanger geraakt, hetgeen pas na het uitblijven van
de tweede menstruatie bij haar huisarts heeft geverifieerd.
– Per brief van 20 februari 1992 heeft L Centrafarm aansprakelijk gesteld.
– Op 21 juli 1992 is L na een zwangerschap van 36 weken van een zoon
bevallen.
– Marvelon is niet 100% betrouwbaar ter voorkoming van zwangerschappen.
– De bijsluiter van Marvelon vermeldt noch ontkent dat het product 100%
veilig is, doch waarschuwt wel voor verminderde betrouwbaarheid in aldaar
genoemde specifieke situaties.

3.2. Voorzover L beoogt om Centrafarm op grond van de
productaansprakelijkheid als bedoeld in de art. 6:185 e.v. BW en/of het
gelijkluidende art. 1407a e.v. OBW aan te spreken, faalt dit, omdat een
dergelijke vordering op grond van art. 6:191 lid BW en/of het gelijkluidende
art. 1407g OBW is verjaard door het verloop van een periode van drie jaar na
de ingebrekestelling van 20 februari 1992. De hier specifiek op betrekking
hebbende stellingen van partijen laat de rechtbank derhalve onbesproken.

3.3.1. L legt voorts aan haar vordering ten grondslag dat Centrafarm, die
verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van Marvelon, heeft
nagelaten in de bijsluiter te vermelden dat Marvelon niet 100% veilig was,
waardoor L onwetend van dit risico, ondanks het gebruik van Marvelon zwanger
is geworden, hetgeen zij, indien zij het risico wel gekend had, door gebruik
van bijvoorbeeld aanvullende anticonceptiva had kunnen voorkomen. Zij stelt
in dit verband dat de bijsluiter van Marvelon vermeldt dat bij vergeten
pilgebruik, de pil binnen 36-uur alsnog kan worden geslikt en dat de
veiligheid dan is gegarandeerd. De bijsluiter van andere door
genoemde anticonceptiepillen vermelden, anders dan die van Marvelon, dat de
betrouwbaarheid bijzonder groot is en geven dus geen 100% garantie.

3.3.2. Volgens Centrafarm is het een feit van algemene bekendheid dat de
anticonceptiepil, en dus ook Marvelon niet 100% betrouwbaar is, zodat zij
hiervoor in de bijsluiter van Marvelon niet expliciet behoeft te waarschuwen.
Uit deze bijsluiter valt ook niet af te leiden dat Centrafarm een volledige
garantie van veiligheid geeft.

3.3.3. De rechtbank is met Centrafarm van oordeel dat in de bijsluiter niet
kan worden gelezen dat Centrafarm garandeert dat Marvelon volledig
betrouwbaar is. Uit de passage waar L op doelt kan slechts worden afgeleid,
dat de betrouwbaarheid die Marvelon biedt, vermindert, indien een periode van
36 uur nadat men de pil volgens de voorschriften had dienen in te nemen, is
verstreken. Daarmee is over de betrouwbaarheid van Marvelon in het algemeen
niets gesteld of gesuggereerd.

3.3.4. Voorts oordeelt de rechtbank dat het een feit van algemene bekendheid
is, dat de anticonceptiepil weliswaar een hoge mate van veiligheid biedt,
doch dat die veiligheid niet volledig is. Hieruit volgt dat wie ter
voorkoming van zwangerschap kiest voor de anticonceptiepil, ook zonder dat
hiervoor in bijsluiter wordt gewaarschuwd, rekening moet houden met de
-weliswaar [afhankelijk van het type anticonceptiepreparaat: zeer] geringe
kans -dat het middel faalt en dus dat degene die deze kans geheel wil
uitsluiten, naast of in plaats van dit middel andere methoden van
anticonceptie dient te benutten.

De inhoud van de door L overgelegde publikaties kan niet tot een ander
oordeel leiden, omdat hierin, niet anders dan hiervoor overwogen, wordt
uitgegaan van de in de praktijk gebleken zeer kleine kans op zwangerschap,
zonder dat hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van de 100%
veiligheid, die L hieruit afleidt.

3.3.5. Nu er evenmin feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken
waaruit zou moeten worden afgeleid dat Marvelon een geringe bescherming biedt
dan andere anticonceptiepillen of dat aan de door L gebruikte Marvelon
specifieke gebreken kleven, moeten de vorderingen van L worden afgewezen.

3.3.6. L zal als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten dienen te
dragen.

4. De beslissing

De rechtbank:

wijst de vorderingen van eiseres af;

veroordeelt eiseres in de proceskosten tot op heden aan de zijde van gedaagde
begroot op een bedrag ad ƒ 1.770.

Rechters

Mrs. Poerink, Vrendenbarg, Ides Peeters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 juni 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster staat als werkzoekende ingeschreven bij de wederpartij. Zij is
van mening dat uitkeringsgerechtigden worden bevoordeeld ten opzichte van
niet uitkeringsgerechtigden bij de bemiddeling voor vacatures, het aanbieden
van scholingsmogelijkheden en trajectbemiddeling, de voordracht voor een
`Melkert-baan’ en de mogelijkheid tot vestiging als zelfstandige. De
wederpartij heeft betwist dat zij op deze punten onderscheid maakt.
De Commissie heeft ten aanzien van alle aspecten van verzoeksters klacht niet
kunnen vaststellen dat uitkeringsgerechtigden door de wederpartij worden
bevoordeeld. Zij is daarom niet toegekomen aan de vraag welke bepalingen van
de gelijke behandelingswetgeving mogelijk geschonden zouden kunnen zijn. Er
is derhalve geen sprake van strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 mei 1996 verzocht mevrouw (….) te Tilburg (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening
Midden en West Brabant te Breda (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster wilde herintreden op de arbeidsmarkt en heeft zich daartoe
bij de wederpartij in laten schrijven als werkzoekende. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij haar achterstelt ten opzichte van werkzoekenden die
uitkeringsgerechtigd zijn, bij de (traject-) bemiddeling, scholing, bij de
voordracht voor een Melkert-baan en bij het verstrekken van steun om als
zelfstandige te kunnen werken.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 8 april 1997. Geen van beide
partijen heeft hiervan gebruik gemaakt.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

Van de kant van de Commissie
– mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als bedoeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft zich in 1990 bij de wederpartij ingeschreven als
werkzoekende. Verzoekster heeft in 1971 haar diploma
MHNO-Kinder-jeugdverzorging gehaald. Daarna is zij op verschillende terreinen
werkzaam geweest. In 1993 heeft verzoekster een opleiding
Zwakzinnigenzorg-assistent afgerond.

De wederpartij heeft verzoekster gewezen op vacatures voor schoonmaakwerk.
Verzoekster heeft deze vacatures afgewezen.
Zij is vervolgens tussen 1991 en 1995 geattendeerd op vacatures voor functies
als peuterleidster, gezinsverzorgster, medewerkster kinderdagverblijf,
leidster kinderdagverblijf en groepsleidster. Verzoeksters sollicitaties
hebben echter niet geleid tot een dienstverband.

Verzoekster heeft in 1993 en in 1994 aangegeven een opleiding te willen
volgen voor personeelswerk of voor management-assistent. De wederpartij heeft
haar hiertoe geen faciliteiten geboden.

Op grond van de Kaderregeling Scholing (KRS) (Besluit CBA 28 februari nr.
1991/027, Stcrt. 1991, 51 zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit CBA, 19
januari 1995, nr. 1995/203, Stcrt. 1995, 21) voert de wederpartij een beleid
dat beoogt door middel van een tegemoetkoming in de kosten van scholing een
duurzame (weder)opneming van ingeschreven werklozen, dan wel handhaving van
werknemers in het arbeidsproces te bevorderen.
Met inachtneming van de bepalingen van de KRS kan door de wederpartij een
subsidie voor scholing worden verleend aan een werkloze voor wie naar het
oordeel van de wederpartij ter verkrijging van een arbeidsplaats om-, her- of
bijscholing noodzakelijk is. Voorts bepaalt de KRS onder andere dat subsidie
slechts wordt verleend, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de
opleiding de meest doelmatige aanpak is om de werkloze na afronding duurzaam
in het arbeidsproces in te passen. De wederpartij heeft de mogelijkheid om in
afwijking hiervan in het beleidsplan bijzondere categorieën van werklozen aan
te wijzen aan wie eveneens subsidie voor scholing wordt verleend.
De wederpartij heeft in haar beleidsplan over 1994 tot uitgangspunt genomen,
dat subsidieverlening voor scholing in beginsel moet leiden tot het bereiken
van de startkwalificatie op de arbeidsmarkt (LBO-C niveau).

De wederpartij heeft in haar beleidsplan 1995 een fasen-model opgezet inzake
trajectbemiddeling voor langdurig werklozen. Hierbij wordt samengewerkt met
gemeenten, branche organisaties en onderwijsinstellingen. In dit verband zijn
de taken van de wederpartij gericht op beroepsmatige educatie, werkervaring
en bemiddeling naar werk.

De Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995 schept voor
gemeenten de mogelijkheid om met bijdrage van het Rijk langdurig werklozen
met een uitkering een arbeidsplaats te bieden. De regeling geeft
gemeentebesturen de mogelijkheid om ook aan langdurig werklozen die geen
uitkering ontvangen, een dergelijke arbeidsplaats te bieden (de zogenaamde
`Melkertbanen’.
In 1995 heeft verzoekster zich bij de wederpartij aangemeld voor
trajectbemiddeling of een `Melkertbaan’. Volgens de wederpartij kwam
verzoekster voor geen van beide in aanmerking.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.

Verzoekster heeft jarenlang gewerkt. Zij is gehuwd en heeft kinderen. Na de
geboorte van haar eerste kind is zij parttime gaan werken. In 1990 heeft zij
zich bij de wederpartij in laten schrijven als werkzoekende. Zij is van
mening dat zij als (gehuwde) vrouw benadeeld wordt ten opzichte van mensen
die een uitkering krijgen.

Bij vacatures die geen schoonmaakwerk betroffen, kregen werkzoekenden met een
uitkering voorrang, aangezien deze eerder werk nodig zouden hebben. Zij heeft
daarom om trajectbemiddeling verzocht. Daarvoor kwam zij niet in aanmerking
omdat trajectbemiddeling voor uitkeringsgerechtigde werkzoekenden bestemd zou
zijn.
Verzoekster heeft op alle vacatures die zij via de wederpartij heeft
gekregen, gesolliciteerd hoewel bij twee van de vacatures de
sollicitatietermijn al was verstreken toen zij door de wederpartij over de
vacatures werd geïnformeerd. Bij andere sollicitaties bleek verzoeksters
opleiding niet voldoende.

Toen verzoekster gevraagd heeft naar scholingsmogelijkheden, is haar
meegedeeld dat slechts cursussen met een looptijd van maximaal een jaar
gevolgd konden worden. De cursus waar verzoekster in geïnteresseerd was,
betrof echter een looptijd van 2 a 4 jaar. Bij de (….), waar verzoekster
vervolgens heeft geïnformeerd naar scholingsmogelijkheden, werd haar te
kennen gegeven dat zij haar studie zelf zou moeten bekostigen. Verzoekster
heeft bij de (….) geïnformeerd naar de opleiding voor
management-assistente. Gezegd werd dat de wederpartij haar verzoek had
afgewezen.
Verzoekster heeft bij de wederpartij opnieuw geïnformeerd naar de
mogelijkheid van trajectbemiddeling. Haar werd na een intakegesprek
meegedeeld dat er niets voor haar gedaan kon worden. Bovendien zou het geen
haast hebben, aangezien mensen met een uitkering voor zouden gaan.

Verzoekster heeft tenslotte besloten een zaak voor zichzelf te willen
beginnen. Echter ook hier stuit zij op het feit dat zij, als
niet-uitkeringsgerechtigde, geen lening of subsidie kan krijgen.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

Hoewel zij begrip heeft voor de gevoelens van teleurstelling van verzoekster,
is hetgeen zij stelt geen juiste weergave van de inspanningen van de
wederpartij voor haar. Het feit dat verzoekster geen uitkering krijgt is geen
reden geweest om bepaalde activiteiten niet te verrichten of bepaalde
maatregelen niet toe te passen.
Verzoekster is herhaalde malen op vacatures gewezen. Voor schoonmaakwerk had
verzoekster geen interesse.

De wederpartij streeft naar een – gelet op de kosten en de termijn –
effectieve arbeidsinpassing van werklozen. Zij heeft daarvoor instrumenten op
het gebied van scholings- en subsidiemaatregelen, bemiddeling en
trajectbemiddeling alsmede samenwerking met organisaties die hetzelfde doel
hebben.
De wederpartij stelt zich ten doel, alle werkzoekenden voor zover deze in
gelijke omstandigheden verkeren, gelijk te behandelen bij (traject)
bemiddeling en scholing. De wederpartij besteedt extra aandacht aan bepaalde
groepen of individuen wanneer zich bijzondere omstandigheden voordoen in die
zin dat extra moeilijkheden worden ondervonden bij arbeidsinpassing. Hiertoe
worden middelen ingezet zoals extra financiën, menskracht en scholings- en
bemiddelingsinstrumenten. Binnen dit beleid vindt ook de bemiddeling,
scholings- en trajectbemiddeling van de individuele werkzoekende plaats.

De wederpartij geeft met name speciale aandacht aan groepen met een grotere
achterstandspositie op de arbeidsmarkt. Tot deze groepen behoren
(herintredende) vrouwen en langdurig werklozen. Tot deze groepen behoren dus
niet alleen uitkeringsgerechtigden.

In 1994 is het accent bij de trajectbemiddeling gelegd op de dienstverlening
aan langdurig werkzoekenden en etnische minderheden, omdat voor deze groepen
de resultaten achterbleven. Voor de doelgroep vrouwen werd de
evenredigheidsdoelstelling gehaald. Dat wil zeggen dat een even groot
percentage werkzoekende vrouwen geplaatst is op vacatures als hun aandeel
bedraagt in het totaal aantal als werkloos ingeschreven werkzoekenden.
Met betrekking tot trajectbemiddeling is in 1995 gekozen voor de groep
bestaande uit langdurig werklozen en etnische minderheden. Binnen de
doelgroep vrouwen wordt de inzet toegespitst op vrouwen uit etnische
minderheden en alleenstaande vrouwen in een uitkeringssituatie.

Zoals onder 3.1. reeds weergegeven baseert de wederpartij zich op de KRS voor
het verstrekken van scholingssubsidie. Uit hoofde van deze regeling zijn
scholingsnoodzaak en arbeidsmarktperspectief de geldende voorwaarden.

Verzoekster kwam in verband met de opleidingen voor personeelswerk of
maatschappelijk werk tot de conclusie dat er weinig vacatures waren. Voorts
was voor de opleiding personeelswerk een baangarantie voor het tweede jaar
noodzakelijk om de opleiding te kunnen volgen. Voor toelating tot de
opleiding voor management-assistente, werd door de school die de opleiding
verzorgde, eisen gesteld waar verzoekster niet aan voldeed.
Een andere organisatie die onder meer oriëntatiecursussen aanbood (waar de
wederpartij op dat moment geen contracten meer mee had) bood de mogelijkheid
van kosteloze deelname alleen aan aan vrouwen met een uitkering.

Het feit dat verzoekster geen uitkering ontving, heeft geen rol gespeeld bij
het aangaan van trajectbemiddeling. Verzoekster
is op de wachtlijst geplaatst en de wederpartij heeft een intake-gesprek met
haar gevoerd. In dit gesprek is onder andere aan de orde geweest in hoeverre
trajectbemiddeling bij zou kunnen dragen aan haar arbeidsinpassing. Daarbij
is gesproken over de kwaliteiten en ervaring die verzoekster in het verleden
reeds had opgebouwd in de zwakzinnigenzorg. Gedacht werd aan bemiddeling door
de wederpartij bij vacatures, aan het onderzoeken van de mogelijkheid om een
werkervaringsplaats te scheppen en aan het onderzoeken van
(bij-)scholingsmogelijkheden. Doordat verzoekster alleen van 9.00 uur tot
14.30 uur wil werken, is plaatsing in de zwakzinnigenzorg vrijwel onmogelijk.
Daar wordt immers een grote flexibiliteit met betrekking tot werktijden
geëist. Aanverwante beroepen die zonder nadere opleiding zouden zijn te
vervullen door verzoekster, hebben veelal betrekking op oproepcontracten.
Voor het ondernemen van stappen om een dergelijke functie te krijgen, is
trajectbemiddeling niet nodig. Verzoekster heeft aangegeven deze zelf te
kunnen ondernemen.
Voorts is in het intake-gesprek de vraag aan de orde geweest of een nieuwe
beroepskeuze mogelijkheden biedt indien de zwakzinnigenzorg niet tot
arbeidsinpassing leidt. Trajectbemiddeling kan hierbij een toegevoegde waarde
hebben.
Met verzoekster is afgesproken dat zij eerst zelf de mogelijkheden binnen de
zwakzinnigenzorg onderzoekt. Verzoekster zou alsnog contact opnemen met de
wederpartij indien een nieuwe beroepskeuze aan de orde was.

De wederpartij heeft in 1995 tien a vijftien personen zonder uitkering
voorgedragen voor een Melkert-baan. Deze mensen zijn ook geplaatst door de
betreffende gemeente. De wederpartij voert bij de voordracht van kandidaten
voor dergelijke banen wel een terughoudend beleid zolang er nog mogelijkheden
tot arbeidsinpassing aanwezig zijn. Dit is verzoekster ook meegedeeld.

Met betrekking tot verzoeksters wens om als zelfstandige werkzaam te zijn,
merkt de wederpartij op dat verzoekster dit niet aan de wederpartij heeft
kenbaar gemaakt. Voor begeleiding op dit punt zijn andere instanties
aangewezen. De KRS heeft echter wel een subsidiemogelijkheid wat scholing
voor het zelfstandig ondernemerschap betreft.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling door uitkeringsgerechtigden te bevoordelen bij:
I. de bemiddeling voor vacatures;
II. het aanbieden van scholingsmogelijkheden;
III. het aanbieden van trajectbemiddeling;
IV. de voordracht voor een baan in het kader van de Regeling extra
werkgelegenheid voor langdurig werklozen 1995;
V. de mogelijkheid tot vestiging als zelfstandige.

4.2. Alvorens bovenvermelde rechtsvraag te kunnen beoordelen dient de
Commissie feitelijk vast te stellen of er in casu sprake is van onderscheid
jegens verzoekster dat kan leiden tot onderscheid op één van de in de wet
genoemde gronden.

4.3. De bemiddeling voor vacatures

Verzoekster stelt dat de wederpartij uitkeringsgerechtigden bij de
bemiddeling voorrang geeft. De wederpartij heeft dit gemotiveerd betwist en
aangevoerd dat verzoekster herhaalde malen een vacature is aangeboden.
Verzoekster heeft daarop aangegeven waarom deze bemiddeling niet succesvol is
verlopen. De redenen (te late toezending van de vacature door de wederpartij
en te lage opleidingsgraad van verzoekster) hebben op zich geen relatie met
het al dan niet krijgen van een uitkering.
De Commissie vindt in de door de wederpartij overgelegde beleidsstukken
overigens ook geen aanwijzingen voor een verschillende behandeling bij
vacaturebemiddeling vanwege het al dan niet hebben van een uitkering.

4.4. Het aanbieden van scholing

Verzoekster stelt dat zij niet in aanmerking kwam voor scholing. Zij voert
niet aan dat dit samenhangt met het al dan niet hebben van een uitkering.
Verzoekster voert in dit verband een aantal verschillende redenen aan. Deze
houden evenwel geen verband met het al dan niet hebben van een uitkering.

4.5. Het aanbieden van trajectbemiddeling

Verzoekster stelt dat trajectbemiddeling alleen voor mensen met een uitkering
zou zijn. De wederpartij heeft dit bestreden en voldoende beargumenteerd
waarom voor verzoekster niet gestart is met trajectbemiddeling. Hierbij
speelden andere redenen een rol dan het al dan niet hebben van een uitkering.

De criteria die bij trajectbemiddeling werden gehanteerd waren vastgelegd in
de beleidsplannen voor 1994 en 1995. De doelgroepen voor bijzondere aandacht
waren etnische minderheden en langdurig werklozen. Binnen deze groepen was
geen sprake van nadere differentiatie vanwege het al dan niet hebben van een
uitkering. In 1995 heeft de wederpartij zich binnen de aandachtsgroep vrouwen
met name gericht op vrouwen in een uitkeringssituatie.
In die zin wordt door de wederpartij het al dan niet hebben van een uitkering
onder de categorie vrouwen als nader differentiatiecriterium gehanteerd in
haar beleid. Dit levert evenwel noch direct, noch indirect onderscheid op
grond van geslacht op, nu het gaat om een onderscheid dat wordt gemaakt
binnen een groep van hetzelfde geslacht.

4.6. Het voordragen voor een `Melkertbaan’

Verzoekster stelt dat alleen mensen met een uitkering aan de gemeenten worden
voorgedragen voor een `Melkertbaan’. De wederpartij heeft echter – gelet op
de mogelijkheid van artikel 2 van de betreffende regeling – ook mensen
voorgedragen die geen uitkering krijgen. De reden dat verzoekster niet is
voorgedragen voor een Melkertbaan hing samen met haar mogelijkheden tot
arbeidsinpassing. Het al dan niet hebben van een uitkering speelde hierbij
geen rol.

Nu de gemeente de desbetreffende regeling zonder onderscheid naar het al dan
niet hebben van een uitkering heeft toegepast en de klacht van verzoekster
tegen het gemeentelijk handelen is gericht, behoeft de Commissie niet de
vraag te beantwoorden of de Regeling extra werkgelegenheid voor langdurig
werklozen 1995 zelf een door de wettelijke gelijkheidsvoorschriften verboden
onderscheid met zich brengt.

4.7. Vestiging als zelfstandige

Verzoekster stelt dat zij bij haar vestiging als zelfstandige niet in
aanmerking komt voor een lening omdat zij geen uitkering heeft. De
verstrekking van een dergelijke voorziening ligt evenwel niet op het terrein
van de wederpartij.
De Commissie komt derhalve niet toe aan een oordeel over dit onderdeel van de
klacht van verzoekster.

4.8. Conclusie

Een en ander overziend komt de Commissie tot de conclusie dat verzoekster er
niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat er jegens haar door de
wederpartij op enigerlei wijze onderscheid is gemaakt op een of meer van de
door de wettelijke gelijkheidsvoorschriften bestreken gronden.

Bovenstaande betekent dat de Commissie niet toe komt aan de vraag naar de
toepasselijkheid van de afzonderlijke wettelijke bepalingen op de
verschillende onderdelen van de onder punt 4.1. omschreven rechtsvraag.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat het Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening Midden en West Brabant te Breda geen onderscheid jegens
mevrouw (….) te Tilburg heeft gemaakt zoals verboden in de wetgeving
gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof.mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Hof van Justitie EG, 29 mei 1997

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Larsson (werkneemster) is tijdens haar zwangerschap enige tijd ziek geweest
wegens een met de zwangerschap samenhangende bekkeninstabiliteit. Na afloop
van het zwangerschapsverlof nam ze haar jaarlijks verlof op. Vervolgens ging
zij opnieuw met ziekteverlof. Een maand na afloop van het jaarlijkse verlof
heeft de werkgeefster haar wegens ziekte ontslagen.
Larsson stelt dat dit ontslag in strijd is met richtlijn 76/207/EEG, nu haar
ziekte samenhangt met haar zwangerschap en reeds voor het zwangerschapsverlof
is ontstaan.
Het Hof overweegt, onder verwijzing naar zijn arrest Hertz, dat richtlijn
76/207 zich niet verzet tegen ontslagen die het gevolg zijn van afwezigheid
wegens een ziekte die is ontstaan door zwangerschap of bevalling. Daarbij
maakt het geen verschil of deze ziekte is ontstaan tijdens het
zwangerschapsverlof of reeds in de periode daarvoor. De richtlijn verbiedt
evenmin dat periodes van ziekte tijdens de zwangerschap in aanmerking worden
genomen voor de berekening van de periode die naar nationaal recht een
ontslag wegens ziekte rechtvaardigt.
Richtlijn 92/85/EEG verbiedt ontslag tijdens zwangerschap tot aan de afloop
van het verlof omdat het risico van ontslag een nadelig effect kan hebben op
de werkneemsters tijdens zwangerschap. Hieraan gekoppeld kunnen ook
ziekteperioden tijdens de zwangerschap niet worden meegerekend ter
rechtvaardiging van ontslag. Echter, Richtlijn 92/85/EEG was nog niet van
kracht ten tijde van het ontslag van Larsson.

Volledige tekst

1.Bij beschikking van 19 december 1995, ingekomen bij het Hof op 21 december
daaraanvolgend, heeft het So-og Handelsret krachtens artikel 177 EG-Verdrag
een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 5, lid 1,
en 2, lid 1 van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976
betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden (PB 1976,
39, blz. 40, hierna: ‘richtlijn’).

2. Deze vraag is gerezen in het kader van een geding tussen Larsson en haar
vroegere werkgever, Fotex Supremarked A/S (hierna: ‘Fotex”), Larsson, die in
maart 1990 door Fotex in dienst was genomen, deelde haar werkgever in
augustus 1991 mee, dat zij zwanger was. Tijdens haar zwangerschap was Larsson
tweemaal met ziekteverlof. Het eerste ziekteverlof duurde van 7 tot 24
augustus 1991. Het tweede verlof, dat nodig was wegens bekkeninstabiliteit
samenhangend met zwangerschap, duurde van 4 november 1991 tot 15 maart 1992,
het tijdstip van ingang van haar zwangerschapsverlof.

3. Larsson beviel op 2 april 1992. Vervolgens nam zij gedurende 24 weken
zwangerschapsverlof, waar zij volgens de toepasselijke Deense wetgeving recht
op had. Haar zwangerschapsverlof verstreek op 18 september 1992, op welke
datum zij haar jaarlijks verlof opnam tot 16 oktober 1992. Vervolgens was zij
opnieuw met ziekteverlof, aangezien zij nog steeds behandeld werd voor
bekkeninstabiliteit. Pas op 4 januari 1993 werd zij opnieuw arbeidsgeschikt
verklaard.

4. Bij brief van 10 november 1992, dat wil zeggen minder dan een maand na het
einde van haar jaarlijks verlof, deelde Fotex Larsson mee, dat zij haar
arbeidsovereenkomst eind december 1992 beëindigde om de volgende reden:
‘(…) uw langdurige afwezigheid alsmede de omstandigheid dat het niet erg
waarschijnlijk is, dat u -gezien uw gezondheidstoestand- op een later
tijdstip in staat zult zijn uw werkzaamheden naar tevredenheid te verrichten
(…)’;

5. Larsson beweert, dat het tijdens haar ziekteverlof gegeven ontslag in
strijd is met de richtlijn, aangezien de ziekte, die tijdens haar
zwangerschap was opgetreden, na het zwangerschapsverlof had voortgeduurd.

6. Volgens artikel 1, lid 1, van de richtlijn, beoogt deze de
tenuitvoerlegging in de Lid Staten van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden.

7. In artikel 2, lid 1, van de richtlijn wordt het beginsel van gelijke
behandeling gedefinieerd als de uitsluiting van iedere vorm van discriminatie
op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar
met name de echtelijke staat of de gezinssituatie. Volgens artikel 2, lid 3,
doet de richtlijn evenwel geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de
bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap
betreft.

8. In artikel 5, lid 1, van de richtlijn wordt gepreciseerd, dat het aldus
gedefinieerde beginsel van gelijke behandeling betrekking heeft op de
arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden.

9. In het kader van het beroep dat het Handels- og Kontorfuntionaerernes
Forbund i Danmark (hierna: HK’), als gemachtigde van Larsson, tegen de
werkgever van laatstgenoemde ingestelde, verzochten partijen het So-og
Handelsret, het Hof een prejudiciële vraag te stellen om het vernemen, of de
richtlijn in de weg stond aan een ontslag in omstandigheden als die in het
hoofdgeding.

10. Het So-og Handelsret weigerde aan dit verzoek gevolg te geven, omdat uit
het arrest van 8 november 1990 (zaak C-179/88, Handels- og
Kontorfuntionaerernes Forbund, Jurispr. 1990, blz. I-3979, hierna: ‘arrest
Hertz’) bleek, dat de richtlijn zich niet tegen het ontslag van Larsson
verzette. De beschikking van het So-og Handelsret werd, na hoger beroep van
verzoekster, op 27 oktober 1995 door het Hojesteret vernietigd met de
overweging dat de zaak Hertz niet gelijk was aan die in het hoofdgeding.

11. In die omstandigheden heeft het So-og Handelsret het Hof de volgende
vraag gesteld:
‘Geldt artikel 5, lid 1, juncto artikel 2, lid 1, van richtlijn 76/207/EEG
van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de
toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en
ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (76/207/EEG), ook voor ontslag wegens
afwezigheid na afloop van het zwangerschapsverlof, indien deze afwezigheid
wordt veroorzaakt door een ziekte welke is opgetreden tijdens de zwangerschap
en die heeft voortgeduurd tijdens en na het zwangerschapsverlof, met dien
verstande dat het ontslag heeft plaatsgevonden na afloop van het
zwangerschapsverlof?’

12. Er zij aan herinnerd, dat het Hof in het arrest Hertz, dat betrekking had
op het ontslag van een werkneemster wegens afwezigheden na haar
zwangerschapsverlof, voor recht heeft verklaard, dat, behoudens de bepalingen
van nationaal recht, vastgesteld ter uitvoering van artikel 2, lid 3, van de
richtlijn, artikel 5, lid 1, juncto artikel 2, lid 1, van de richtlijn zich
niet verzet tegen ontslagen die het gevolg zijn van afwezigheden wegens een
ziekte die haar oorsprong vindt in zwangerschap of bevalling.

13. In loop van de procedure in het hoofdgeding verschilden partijen van
mening over de uitlegging en de draagwijdte van het arrest Hertz. In
tegenstelling tot de andere partijen is HK van mening, dat onderscheid moet
worden gemaakt tussen enerzijds ziektes die samenhangen met de zwangerschap
of de bevalling en die, zoals in de zaak Hertz, eerst na afloop van het
zwangerschapsverlof zijn opgetreden en anderzijds ziektes die, zoals in casu,
reeds tijdens de zwangerschap of het zwangerschapsverlof zijn opgetreden en
waarvan de behandeling na afloop van dat verlof voortduurt. Hoewel uit het
arrest Hertz blijkt, dat de eerste situatie onder de gewone ziekteregeling
valt, zou de richtlijn zich niettemin verzetten tegen het ontslag van een
werkneemster in de tweede situatie. Ware dit niet zo, dan zou de vraag of een
werkneemster die lijdt aan een door zwangerschap of bevalling veroorzaakte
ziekte, al dan niet een bescherming overeenkomstig de toepasselijke
communautaire beginselen geniet, uitsluitend afhangen van de door de
id-staat vastgestelde duur van het zwangerschapsverlof.

14. Dit betoog kan niet worden aanvaard.

15. Er zij aan herinnerd, dat het Hof in rechtsoverweging 15 van het arrest
Hertz heeft vastgesteld, dat de richtlijn niet geldt voor gevallen waarin de
ziekte haar oorsprong vindt in zwangerschap of bevalling. De richtlijn verzet
zich evenwel niet tegen nationale bepalingen die vrouwen specifieke rechten
op grond van zwangerschap en moederschap toekennen, zoals
zwangerschapsverlof, zodat de vrouw gedurende het zwangerschapsverlof
waarvoor zij naar nationaal recht in aanmerking komt, beschermd is tegen
ontslag wegens afwezigheid. Ten slotte heeft het Hof erop gewezen, dat het
aan iedere
id-staat staat de periodes van zwangerschapsverlof zodanig vast te stellen,
dat vrouwelijke werknemers afwezig kunnen zijn gedurende de periode waarin de
met zwangerschap en bevalling verband houdende stoornissen zich voordoen.

16. In rechtsoverweging 16 van het arrest Hertz heeft het Hof vervolgens
overwogen, dat in geval van een ziekte die optreedt na het
zwangerschapsverlof, een ziekte die haar oorsprong vindt in zwangerschap of
bevalling niet behoeft te worden onderscheiden van elke andere ziekte, maar
dat een dergelijke pathologische toestand onder de gewone ziekteregeling
valt.

17. In tegenstelling tot hetgeen HK betoogt, kan niet worden gesteld dat het
Hof aldus een onderscheid heeft gemaakt op basis van het tijdstip waarop de
ziekte optreedt of kenbaar wordt. In het feitelijk kader dat aan hem was
voorgelegd, was het Hof slechts van oordeel, dat vanuit het gezichtspunt van
het in de richtlijn neergelegde beginsel van gelijke behandeling geen
onderscheid diende te worden gemaakt tussen een ziekte die veroorzaakt wordt
door zwangerschap of bevalling en iedere andere ziekte. Deze uitlegging wordt
overigens bevestigd doordat in het dispositief van het arrest Hertz niet
wordt verwezen naar het tijdstip waarop de ziekte optreedt of kenbaar wordt.

18. Zoals het Hof in rechtsoverweging 17 van het arrest hertz immers heeft
opgemerkt, zijn vrouwelijke en mannelijke werknemers gelijkelijk aan ziekte
blootgesteld. Ook al doen sommige stoornissen zich alleen bij mannen of
alleen bij vrouwen voor, de enige vraag is, of een vrouw onder dezelfde
voorwaarden als een man wordt ontslagen op grond van afwezigheid wegens
ziekte; wanneer dat het geval is, is er geen sprake van rechtstreekse
discriminatie op grond van geslacht.

19. Het Hof oordeelde in rechtsoverweging 18 van het arrest Hertz, dat in een
dergelijk geval niet behoeft te worden ingegaan op de vraag, of vrouwen vaker
afwezig zijn wegens ziekte dan mannen, noch derhalve, of er eventueel sprake
is van indirecte discriminatie.

20. De richtlijn verzet zich dus niet tegen ontslagen die het gevolg zijn van
afwezigheden wegens een ziekte die haar oorsprong vindt in zwangerschap of
bevalling, zelfs wanneer deze ziekte is opgetreden tijdens de zwangerschap en
tijdens en na het zwangerschapsverlof heeft voortgeduurd.

21. HK, de Deense regering en de Commissie betogen, dat het hoe dan ook in
strijd zou zijn met het gemeenschapsrecht, indien de werkgever voor de
berekening van de periode die het ontslag naar nationaal recht rechtvaardigt,
rekening zou kunnen houden zowel met de afwezigheid vanaf het begin van de
zwangerschap tot het begin van het zwangerschapsverlof, als met de
afwezigheid tijdens het zwangerschapsverlof. Uit de stukken van het
hoofdgeding blijkt, dat indien deze periodes, evenals de vier weken jaarlijks
verlof, buiten beschouwing worden gelaten.
arsson vóór haar ontslag slechts gedurende minder dan vier weken afwezig was
wegens ziekte.

22. Dienaangaande zij opgemerkt, dat de vrouw gedurende het
zwangerschapsverlof waarvoor zij naar nationaal recht in aanmerking komt,
beschermd is tegen ontslag wegens afwezigheid (zie arrest Hertz,
rechtsoverweging 15). het zou in strijd zijn met de doelstelling van artikel
2, lid 3, van de richtlijn, waarbij nationale maatregelen betreffende de
bescherming van de vrouw worden toegestaan met name voor wat zwangerschap en
moederschap betreft, en deze bepaling zou haar nuttige werking verliezen,
indien afwezigheid gedurende deze periode in aanmerking kon worden genomen
ter rechtvaardiging van een later ontslag (zie aangaande nachtarbeid van
zwangere vrouwen, arrest van 5 mei 1994, zaak C-421/92, Haberman-Belterman,
Jurispr. 1994, blz I-1657, r.o. 24).

23. Buiten de periodes van zwangerschapsverlof, die door de Lid-Staten
zodanig worden vastgesteld dat vrouwelijke werknemers afwezig kunnen zijn
gedurende de periode waarin de met zwangerschap en bevalling verband houdende
stoornissen zich voordoen, en bij gebreke van nationale of, in voorkomend
geval, communautaire bepalingen die vrouwen een bijzondere bescherming
garanderen, ontleent de vrouwelijke werknemer daarentegen aan de richtlijn
geen bescherming tegen ontslag ten gevolge van afwezigheden wegens een ziekte
die haar oorsprong vindt in zwangerschap. Aangezien immers, zoals reeds
opgemerkt, vrouwelijke en mannelijke werknemers gelijkelijk aan ziekte zijn
blootgesteld, heeft de richtlijn geen betrekking op ziekte die haar oorsprong
vindt in zwangerschap of bevalling.

24. Hieruit volgt, dat het in de richtlijn neergelegde beginsel van gelijke
behandeling er niet aan in de weg staat, dat de afwezigheid van een
vrouwelijke werknemer vanaf het begin van haar zwangerschap tot het begin van
het zwangerschapsverlof, in aanmerking wordt genomen voor de berekening van
de periode die haar ontslag naar nationaal recht rechtvaardigt.

25. Evenwel zij opgemerkt, dat in verband met het risico, dat een eventueel
ontslag een nadelige uitwerking heeft op de lichamelijke en geestelijke
toestand van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en
tijdens de lactatie, daaronder begrepen het bijzonder ernstige risico dat een
zwangere werkneemster ertoe wordt gebracht vrijwillig haar zwangerschap af te
breken, de gemeenschapswetgever bij artikel 10 van richtlijn 92/85/EEG van de
Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter
bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk
van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de
lactatie (PB 1992,
348, blz. 1), aan vrouwen nog een bijzondere bescherming heeft verleend door
ontslag te verbieden gedurende de periode vanaf het begin van hun
zwangerschap tot het einde van het zwangerschapsverlof, behalve in
uitzonderingsgevallen die geen verband houden met de toestand van de
betrokkene (arrest van 14 juli 1994, zaak C-32/93, Webb, Jurispr. 1994, blz.
3567, r.o. 21 en 22). Uit de doelstelling van deze bepaling volgt, dat
afwezigheid gedurende de beschermende periode voortaan niet meer in
aanmerking kan worden genomen om een later ontslag te rechtvaardigen, behalve
om redenen die geen verband houden met de toestand van de betrokkene.
Richtlijn 92/85 was ten tijde van het ontslag van
arsson evenwel nog niet vastgesteld.

26. Bijgevolg dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat, behoudens
bepalingen van nationaal recht, vastgesteld ter uitvoering van artikel 2, lid
3, van de richtlijn, artikel 5, lid 1, juncto artikel 2, lid 1, van de
richtlijn zich niet verzet tegen ontslagen die het gevolg zijn van
afwezigheden wegens een ziekte die haar omsprong vindt in zwangerschap of
bevalling, zelfs indien deze ziekte is opgetreden tijdens de zwangerschap en
tijdens en na het zwangerschapsverlof heeft voortgeduurd.

Kosten
27. De kosten door de Deense en de Nederlandse regering, de regering van het
Verenigd Koninkrijk alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen
wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het hof van Justitie (zesde kamer),
uitspraak doende op de door het So-og Handelsret bij beschikking van 19
december 1995 gestelde vraag, verklaart voor recht:
Behoudens bepalingen van nationaal recht, vastgesteld ter uitvoering van
artikel 2, lid 3, van richtlijn 76.207/EEG van de Raad van 9 februari 1976
betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden, verzet artikel 5, lid 1, juncto artikel 2, lid 1, van
richtlijn 76/207 zich tegen ontslagen die het gevolg zijn van afwezigheden
wegens een ziekte die haar oorsprong vindt in zwangerschap of bevalling,
zelfs indien deze ziekte is opgetreden tijdens de zwangerschap en tijdens en
na het zwangerschapsverlof heeft voortgeduurd.

Rechters

Mrs Mancini, Murray, Kapteyn, Hirsch, Ragnemalm

Instantie: Rechtbank Utrecht, 29 mei 1997

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Verdachte wordt veroordeeld voor verkrachting van zijn ex-vriendin.
Slachtoffer vordert een voorschot om vergoeding van immateriële schade.
Vordering wordt tot ƒ 1000 toegewezen.

Volledige tekst

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven. Van
de dagvaarding is een kopie als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De inhoud
van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

2. De bewijsbeslissing

2.1. De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten
laste gelegde feit heeft begaan op de wijze als is vermeld in bijlage II van
dit vonnis. De inhoud van deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of
schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De
verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet
hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde
heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn
vervat.

3. Het bewijs

P.M.

4. De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde:

Verkrachting.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. Motivering van de op te leggen sancties

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening
gehouden met het volgende:
– de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder het is begaan;
– de persoon van de verdachte.

Voor wat betreft de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder dit is
begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking
genomen:

enerzijds:
– de ernstige inbreuk die is gemaakt op de lichamelijke integriteit van het
slachtoffer;
– het door verdachte gehanteerde geweld dan wel bedreiging met geweld;
– de ernstige – met name psychische – gevolgen die het feit kan hebben voor
het slachtoffer;
anderzijds:
– de omstandigheid dat het slachtoffer verdachtes ex-vriendin was, met wie
verdachte een relatie was blijven onderhouden en in welke relatie meermalen
sprake is geweest van ook vrijwillige seksuele contacten.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op:

– de mededeling van het algemeen documentatieregister betreffende verdachte,
waaruit blijkt dat verdachte niet eerder niet politie en/of justitie in
aanraking is geweest;
– een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte, van de Stichting
Reclassering Nederland, Unit Utrecht, d.d. 31 januari 1997, opgemaakt door
mevrouw A. de Boer, reclasseringswerkster.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een deels voorwaardelijke
gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

De rechtbank heeft overwogen aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen
van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De rechtbank zal verdachte –
die daarmee heeft ingestemd – echter in plaats van het onvoorwaardelijk deel
van deze straf de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte opleggen
voor de duur van 180 uren. Voor de tijd, die verdachte in verzekering en in
voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – 7 dagen – worden op grond van
artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht 14 uren in mindering gebracht.

De benadeelde partij C.L. D. heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 51b
van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de
vordering. De vordering strekt tot vergoeding van geleden immateriële schade
als voorschot.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de
benadeelde partij van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor
behandeling in deze strafzaak.
Gelet op de aard van het bewezenverklaarde strafbare feit en de
omstandigheden waaronder dit is begaan, acht de rechtbank aannemelijk dat
hieruit immateriële schade voor het slachtoffer is voortgevloeid. Een
schadevergoeding van ƒ 1000 bij wijze van voorschot komt de rechtbank
redelijk voor. De vordering tot een bedrag van ƒ 1000 kan worden toegewezen.

7. De wettelijke voorschriften

Behoudens op de reeds aangehaalde artikelen zijn de op te leggen straffen
gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b en 242 van het Wetboek van
Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank beslist als volgt:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld in
bijlage II van dit vonnis, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste
gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte
daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit het hierboven
vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot gevangenisstraf voor de tijd van vier maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij
later anders mocht worden gelast.

Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde
zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt de verdachte voorts tot het verrichten van één honderd en tachtig
uren onbetaalde arbeid van administratieve/verzorgende aard of onbetaalde
onderhoudswerkzaamheden ten algemenen nutte. Brengt voor de tijd die de
veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en
in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van deze
straf veertien uren in mindering.

De werkzaamheden zullen aanvangen binnen drie maanden nadat dit vonnis
onherroepelijk is geworden. De werkzaamheden moeten zijn verricht binnen één
jaar na de aanvang daarvan. De werkzaamheden zullen worden verricht bij een
project dat na overleg met de veroordeelde door de Stichting Reclassering
Nederland, unit Utrecht wordt aangewezen uit de projecten voorkomende op de
“lijst van projecten d.d. 1 juli 1994′ van genoemde Stichting.

Wijst de vordering van de benadeelde partij C.L.D. toe.
Veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan deze benadeelde partij, p/a Mr.
M.H. Vaandrager, advocaat en procureur, Stadhouderslaan 49, 3508 SB Utrecht,
– als voorschot – te betalen ƒ 1000 (zegge één duizend gulden).
Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij
gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken.

Heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Rechters

Mrs. Meertens-Zeeman, van Buitenen en de Ruijter

Instantie: Rechtbank Maastricht, 28 mei 1997

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar wegens
doodslag, verboden wapenbezit en het ten onrechte verslepen van het lijk.
De
vrouw schoot haar ex-vriend neer en vuurde vervolgens een tweede kogel
af
waarmee zij hem doodde. De man had haar jarenlang mishandeld. Haar raadsman
had noodweer en noodweer-exces op basis van het mishandelingssyndroom
( battered-woman-syndrome ) aangevoerd.
De rechtbank acht aannemelijk dat het eerste schot door de vrouw is gelost
ter noodzakelijke verdediging van haar eigen lijf. De rechtbank meent dat
op
het moment van het tweede schot het slachtoffer reeds weerloos op de grond
lag en daarom is er geen sprake meer van een ogenblikkelijke wederrechtelijke
aanranding en wordt het beroep op noodweer dan ook verworpen.
Het beroep op noodweer-exces wordt ook verworpen omdat tussen het eerste
en
het tweede schot de vrouw de deur heeft geopend, zij teruggelopen is naar
de
woonkamer, het slachtoffer toen zei ‘maar A. ik hou toch van je’, de vrouw
toen dacht ‘het houdt niet op’, en vervolgens het dodelijke schot heeft
afgevuurd. Er was volgens de rechtbank op dat moment geen sprake van een
hevige gemoedsbeweging die volgens artikel 41 lid 2 Sv nodig is voor
noodweer-exces. Op grond van deze argumenten wordt ook het beroep op
psychische overmacht verworpen.

Volledige tekst

De tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1. zij op of omstreeks 25 augustus 1996 te Munstergeleen, in de gemeente
Sittard, althans in het arrondissement Maastricht, opzettelijk en met
voorbedachte rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,
althans opzettelijk, B heeft doodgeschoten door die B met een pistool,
althans met een vuurwapen, een projectiel/kogel door, althans in zijn hoofd
te schieten.

2. zij in of omstreeks de periode van 17 tot en met 26 augustus 1996 te
Munstergeleen, -althans in de gemeente Sittard, een schietwapen van categorie
III onder 1e, in de vorm van een pistool, te weten een pistool, merk Ceska
Zbrojovka, althans merk Cz, model 75, voorhanden heeft gehad;

De in deze tenlastelegging onder feit 2 gebruikte termen en uitdrukkingen
worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven,
geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3. zij op of omstreeks 26 augustus 1996 in de gemeente Sittard, althans
in
het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander,
althans alleen, een lijk, te weten het lijk van B heeft weggevoerd, met
het
oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, hebbende
zij, verdachte, te zamen en in vereniging met haar mededader, althans alleen,
bedoeld lijk met voormeld oogmerk in een auto weggevoerd van haar woning
te
Munstergeleen naar elders in de gemeente Sittard;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht
of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 26 augustus 1996 in de gemeente Sittard, althans in
het
arrondissement Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte genomen
misdrijf om te zamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een
lijk, te weten het lijk van B, te verbergen en/of weg te voeren en/of weg
te
maken, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden
te
verhelen, met voormeld oogmerk te zamen en in vereniging met haar mededader,
althans alleen, doende is geweest om bedoeld lijk in een auto te vervoeren
van haar, verdachtes, woning in Munstergeleen naar de Maas of naar een
kanaal, teneinde bedoeld lijk aldaar te verbergen en/of weg te maken, terwijl
de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op 25 augustus 1996 te M opzettelijk B heeft doodgeschoten door die
B met
een pistool een kogel door zijn hoofd te schieten;

2. in de periode van 17 tot en met 26 augustus 1996 te M, schietwapen van
categorie III onder 1, in de vorm van een pistool, te weten een pistool,
merk
Ceska Zbrojovka, model 75, voorhanden heeft gehad;
(De in de bewezenverklaring gebruikte terminologie is gebruikt in de zin
die
de Wet wapens en munitie daaraan toekent.)

3. primair. op 26 augustus 1996 in de gemeente S, tezamen en in vereniging
met een ander, een lijk, te weten het lijk van B, heeft weggevoerd, met
het
oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen, hebbende
zij, verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader bedoeld lijk
met
voormeld oogmerk in een auto weggevoerd van haar woning te M naar elders
in
de gemeente S;

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en onder 3
primair meer of anders is ten laste gelegd. Bij het onder 1 tenlastegelegde
acht de rechtbank met name niet bewezen dat het feit – kort gezegd – met
voorbedachten rade is begaan.

Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van het
feit onder 1 dient te worden ontslagen van rechtsvervolging. Hij voerde
daartoe aan – zakelijk weergegeven -:

“Cliënte werd al langere tijd door B op een ernstige wijze lastiggevallen
en
B drong op de bewuste avond plotseling de woning binnen. Na enkele woorden
gesproken te hebben probeerde hij cliënte met beide handen te wurgen. Hier
is
sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding gericht tegen
eigen lijf waartegen verdediging noodzakelijk was en het gehanteerde middel
was, gegeven de omstandigheden en de voorafgaande gebeurtenissen, geboden
om
de aanval van B te stoppen.
Bij het eerste schot kan zonder meer een beroep op noodweer slagen. Cliënte
kon op het moment dat B zijn beide handen om haar keel had niet meer vluchten
of anders handelen dan zij heeft gedaan.
Tengevolge van de wurgingspoging, de aanval van B, raakte cliënte in een
hevige gemoedstoestand.

De hevige gemoedsbeweging opgewekt door de aanval van B heeft ervoor gezorgd
dat cliënte de grenzen van de gerechtvaardigde verdediging (door het tweede
schot) heeft overschreden doch die overschrijding kan haar in juridische
zin,
gezien haar hevige emotionele toestand verontschuldigd worden.”
De rechtbank overweegt dienaangaande het navolgende:
De rechtbank acht het aannemelijk dat het eerste schot door verdachte is
gelost ter noodzakelijke verdediging van haar eigen lijf tegen een
ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, namelijk de wurgingspoging
door
het latere slachtoffer.
Anders dan de raadsman is de rechtbank echter van oordeel dat het eerste
schot en het tweede schot geboren zijn uit twee verschillende wilsbesluiten
van verdachte. In de visie van de rechtbank was er op het moment dat het
tweede – en blijkens het onderzoek ter terechtzitting het dodelijke – schot
viel en het slachtoffer reeds weerloos op de grond lag, geen sprake meer
van
een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en het beroep op noodweer
wordt mitsdien verworpen.

Ten aanzien van het beroep op noodweer-exces overweegt de rechtbank als
volgt:
Het is niet onmogelijk dat iemand door een wederrechtelijke aanranding
waartegen verdediging geboden was in een hevig geëmotioneerde gemoedstoestand
komt te verkeren, welke gemoedstoestand geruime tijd voortduurt en leidt
tot
een verboden gedraging op een moment dat de eerdere aanranding reeds is
beëindigd. Zulks kan straffeloosheid op grond van noodweer-exces met zich
brengen.

Voor de beantwoording van de vraag of dit zich ook in de onderhavige zaak
heeft voorgedaan zijn de navolgende, door het onderzoek ter terechtzitting
aannemelijk geworden, feiten van belang:

Het eerste schot is gevallen als reactie op de aanranding van B. Op het
moment dat dit schot viel, stond de heer P op de oprit te praten met de
buurvrouw van verdachte. Toen de heer P het schot hoorde, besloot hij in
de
woning van verdachte te gaan kijken. Hij liep daartoe de oprit op en belde
aan de voordeur. De deur werd door verdachte geopend. De heer P verklaarde
ter zitting dat dit openen van de voordeur niet abnormaal snel gebeurde.
Vervolgens liepen beiden de gang en de woonkamer binnen. De heer P zag
het
slachtoffer op de grond liggen en hoorde hem vervolgens zeggen “Maar A,
ik
hou toch van je”. Verdachte heeft verklaard dat ze toen dacht: “Het houdt
niet op”. Op dat moment liep verdachte langs de heer P en vuurde voor de
tweede maal van dichtbij een schot af. Dit schot bleek later het dodelijke
schot te zijn geweest.

De rechtbank kan begrijpen dat verdachte, na de aanranding door B, in een
geëmotioneerde toestand verkeerde. Zij acht echter, gelet op hetgeen tussen
het eerste en tweede schot is voorgevallen en door verdachte is gedaan,
niet
aannemelijk dat ten tijde van het lossen van het tweede schot nog steeds
sprake was van een hevige gemoedsbeweging als bedoeld in artikel 41, tweede
lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het beroep op noodweer-exces wordt
mitsdien verworpen.
Subsidiair heeft de raadsman van verdachte gesteld dat verdachte niet anders
kon handelen dan zij deed, daartoe door overmacht – en meer specifiek
“psychische overmacht” – gedrongen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Op grond van dezelfde vaststaande feiten
als hiervoor bij het beroep op noodweer-exces aangehaald, is naar het oordeel
van de rechtbank niet aannemelijk geworden, dat bij verdachte – ten tijde
van
het lossen van het tweede, dodelijke schot – sprake was van een zodanige
psychische dwang, dat ze daar redelijkerwijs geen weerstand aan kon bieden.

Ten aanzien van verdachte is door Prof. Dr. A.M.H. van Leeuwen, psychiater,
een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat
onderzoek heeft genoemde psychiater een rapport, gedateerd 4 december 1996,
opgemaakt, welk rapport vermeldt – zakelijk weergegeven – als conclusie:

– dat onderzochte ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde
feiten lijdende was aan een zodanige ziekelijke stoornis van haar
geestvermogens, dat die feiten – indien bewezen – haar slechts in enigszins
verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, geheel
met
de in het rapport gegeven conclusie – welke ook door de klinisch psycholoog
Prof. Dr. Draijer wordt onderschreven – en maakt deze mitsdien tot de hare.
Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de
strafbaarheid uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst
van
hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het
bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een
en
ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere
of
lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming
voor
de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden
met
de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare
feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

Bij de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf heeft de rechtbank in
aanmerking genomen dat verdachte zich bedreigd voelde door het slachtoffer
gelet op de door hem gepleegde vernieling, de mishandeling en het feit
dat
het slachtoffer, ook toen verdachte dat niet meer wilde, zich aan haar
bleef
opdringen.

Bovendien houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte iemand
is
die vrij passief is en vrij beschermd is opgevoed en die daardoor minder
dan
anderen in staat was op een maatschappelijk verantwoorde manier een einde
te
maken aan de door haar niet meer gewenste relatie met het slachtoffer en
daarmee aan de voor haar bedreigende situatie.

De rechtbank merkt daarbij op dat, hoewel de gevoelens van angst en
machteloosheid invoelbaar zijn, het nemen van dermate extreme maatregelen
als
in casu geschied, nimmer te rechtvaardigen is.

De op te leggen straf is – behalve op voormelde artikelen – gegrond op
de
artikelen 10, 27, 57, en 91 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 56
van
de Wet wapens en munitie.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is tevens het formulier, als bedoeld in artikel 51b,
eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij B zich
ter
zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het
strafproces heeft gevoegd.
Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering van de benadeelde partij
van zodanig eenvoudige aard dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding
leent.
De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering het volgende:

De verdachte heeft door het plegen van het onder 1 bewezen verklaarde feit
geen rechtstreekse onrechtmatige daad gepleegd ten opzichte van de benadeelde
partij B voornoemd.

Er is in dit geval niet voldaan aan de voorwaarde dat de door verdachte
overtreden norm strekt tot bescherming van de benadeelde partij B voornoemd.
De in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht neergelegde bepaling ziet
immers slechts op bescherming van het slachtoffer.

Daarnaast is ook niet gebleken dat verdachte het slachtoffer heeft gedood
om
de benadeelde partij B voornoemd schade te berokkenen.

De benadeelde partij B voornoemd kan hierdoor alleen schadevergoeding van
verdachte vorderen op grond van artikel 108, boek 6, van het Burgerlijk
Wetboek. Via deze bepaling kunnen de kosten van lijkbezorging op verdachte
worden verhaald.
Het gedeelte van de vordering van B voornoemd dat hierop betrekking heeft,
te
weten ƒ 16.403,68 zal door de rechtbank worden toegewezen.

De door de benadeelde partij B voornoemd gevorderde kosten voor
rechtsbijstand ad. ƒ 2.350,- acht de rechtbank te hoog en de vordering
zal
dienaangaande slechts beperkt, te weten tot een bedrag van ƒ 750,-, worden
toegewezen.

Beslissingen

De rechtbank:

– verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1,
onder 2 en onder 3 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven,
heeft begaan;

– verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder 1 en onder 3 primair
meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en
spreekt haar daarvan vrij;

– verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten
oplevert en dat verdachte strafbaar is;

– veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een
gevangenisstraf voor de tijd van vier jaren;

– beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van
deze
uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de
uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in
mindering zal worden gebracht;

– gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen
en niet teruggegeven voorwerp, te weten een autosleutel;

– gelast de teruggave aan verdachte voornoemd van het inbeslaggenomene,
te
weten een blik wapenolie, diverse wapendoekjes, een vaatdoekje en een wit
doekje;

– veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de
benadeelde partij B te betalen een bedrag van ƒ 17.153,68
(zeventienduizendeenhonderddrieënvijftig gulden en achtenzestig cent);

– wijst de vordering van de benadeelde partij van B voornoemd voor het
overige af;

– veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij van B
voornoemd in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de
tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot
op
nihil.

Rechters

Mrs Lampe, Jansberg, Verjans