Instantie: Rechtbank Amsterdam, 14 mei 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Gedaagde heeft aangifte gedaan van verkrachting door J en van bedreiging
met verkrachting door eiser (vriend van J). De zaak tegen eiser is geseponeerd
omdat gedaagde een gedeelte van haar verklaring heeft ingetrokken.
Eiser vordert een schadevergoeding (ƒ 10.000,- immaterieel en ƒ 4.095,19)
omdat gedaagde een valse aangifte heeft gedaan.
Gedaagde blijft erbij dat eiser haar wel degelijk tweemaal heeft bedreigd
met verkrachting en dat haar verklaring daarover correct was. Zij overlegt
een brief van de officier van justitie.
Omdat eiser een onvoldoende aanbod doet om te bewijzen dat er sprake is
van een valse aangifte wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld
in de kosten van het geding.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
– dagvaarding
– conclusie van eis,
– conclusie van antwoord,
– ambtshalve gewezen tussenvonnis van 1 november 1995, waarbij een comparitie
van partijen is bepaald,
– proces-verbaal van comparitie van partijen van 20 maart 1996,
– conclusie van repliek met bewijsstukken,
– conclusie van dupliek met bewijsstukken,
– akte van T van 22 januari 1997.
Beide partijen hebben stukken overgelegd ter verkrijging van vonnis.

Gronden van de beslissing

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van overgelegde
bewijsstukken staat het volgende vast.

a. Op 27 juli 1994 heeft E tegenover Brigadier van politie (Holland midden,
Rijn en Braassem) Henriette van Maastrigt aangifte gedaan van verkrachting
door K op 19 juni 1994. Zij heeft daarbij tevens een verklaring afgelegd
over gedragingen en uitlatingen van T (Jeroen) tegenover haar in de periode
van 21 juli tot en met 24 juli 1994. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal
luidt, voor zover te dezen van belang, als volgt:

Op donderdag 21 juli 1994 ben ik door Jeroen bedreigd. Ik kwam hem op de
Kaag tegen op straat. Ik hoorde dat hij zei:
‘Ik weet het ook. Je moet je mond dicht houden. Anders gebeurt het weer.
Desnoods doe ik zelf mee’. `Ik voelde dat hij me met zijn rechterhand hardhandig
bij mijn linkerbovenarm pakte.
Ik hoorde dat hij zei: `Ik zal je even laten voelen hoe sterk ik ben’.
Ik zei dat ik echt niets zou zeggen. Ik was op dat moment ontzettend bang.
Ik begreep direct dat hij bedoelde dat ik opnieuw verkracht zou worden
als ik het zou vertellen. Ik wilde absoluut niet dat het opnieuw zou gebeuren.
Het was zo erg geweest.

In de nacht van vrijdag op zaterdag 23 juli 1994 was ik alleen in de tent.
Marije was weg met Bart. Het was omstreeks 04:00 uur toen ik iemand hoorde
roepen: `Eva, Eva, ik ben Jeroen van de zeilschool. Kom naar buiten. Het
is belangrijk om je te zien’. Ik ging naar buiten. Direct voelde ik dat
Jeroen een arm om me heensloeg en dat hij mij tegen zich aantrok. Ik was
bang. Ik dacht dat ik opnieuw zou worden verkracht. Hij dreigde dat het
opnieuw zou gebeuren. Ik hoorde dat dreigend hij zei: `Doe het nu even
met mij. Anders doet Vincent het weer. Die is er weer aan toe’.
Ik wilde gillen. Jeroen hield een hand voor mijn mond. Opeens liet hij
me los en was hij weg.

Op zondag 24 juli 1994 was ik aan het werk bij Tante Kee. ‘s-Middags kwamen
Jeroen en Guido op het terras zitten. Ze wenkten mij. Ze zeiden grove dingen.
Ik hoorde dat ze zeiden: `Hoer, bitch’. Tevens hoorde ik ze vieze geluiden
maken. Ik hoorde dat Guido zei: `Je weet het, je mag het niet zeggen’.

b. Naar aanleiding van voornoemde aangifte is T op 2 augustus 1994 aangehouden
en op 3 augustus 1994 in verzekering gesteld. Op 5 augustus 1994 is hij
in vrijheid gesteld.

c. Op 3 augustus 1994 heeft E tegenover Van Mastrigt een aanvullende verklaring
afgelegd, onder meer inhoudende dat zij in haar aangifte van 27 juli 1994
had gelogen over het bezoek van `Jeroen en Guido’ op zondag 24 juli 1994.
Zij verklaart daarover dat een dergelijk bezoek nooit heeft plaatsgevonden.

d. T is gedagvaard om te verschijnen voor de politierechter op 12 september
1994 terzake van de verdenking dat hij E één of meerdere malen in de periode
van 21 tot en met 24 juli 1994 heeft bedreigd met verkrachting.

e. De officier van justitie heeft de tegen T uitgebrachte dagvaarding voor
de aanvang van de zitting ingetrokken.

f. Bij brief van 21 oktober 1994 heeft de officier van justitie, mr. J.
van Ek, een brief van mr. M.G. Evers, advocaat van T als volgt beantwoord:

‘Het slachtoffer’ in de zaak tegen uw cliënt heeft kort voor de zitting
van 12 september jongstleden tegenover de politie verklaard, gelogen te
hebben voor wat betreft de verbale bedreiging door uw cliënt.
Er bleef dus niets anders over de dagvaarding in te trekken en de zaak
te seponeren vanwege onvoldoende wettig bewijs’

g. Op 8 maart 1995 heeft voornoemd officier van justitie, in antwoord op
een brief van mr. Evers, geschreven dat hij de sepotgronden ten aanzien
van T heeft doen wijzigen van 02 naar 01 en dat hij de politie opdracht
zal geven de gegevens van T zoals foto’s en signalement, te laten vernietigen.

2. T vordert dat E wordt veroordeeld tot betaling van ƒ 14.095,19 vermeerderd
met de wettelijke rente vanaf 8 juni 1995 tot de dag van voldoening, alsmede
tot betaling van de kosten van het geding.
Hij stelt daartoe dat E voor wat betreft de hem verweten gedragingen een
valse aangifte heeft gedaan en leugenachtige verklaringen tegenover de
politie heeft afgelegd. T baseert zich daarbij op de inhoud van de brief
van de officier van justitie van 21 oktober 1994 (hiervoor onder 1.f weergegeven)
en stelt voorts dat hij op 21 juli 1994 een dagtocht heeft gemaakt met
de zeilschool zodat hij op die dag E niet bedreigd kan hebben.
Ten gevolge van voornoemde valse aangifte en leugenachtige verklaringen
van E heeft T materiële (ƒ 4.095,19) en immateriële (ƒ 10.000) schade geleden,
waarvoor hij E aansprakelijk houdt.

3. E voert hiertegen aan dat T op 21 en 23 juli 1994 wel degelijk heeft
gedreigd haar te zullen verkrachten en dat haar verklaring daarover in
de aangifte van 27 juli 1994 juist is. Zij heeft ter ondersteuning van
haar verweer een brief overgelegd van Van Mastrigt, gedateerd 12 december
1994.

4. Met betrekking tot het in het geding brengen van deze brief bij conclusie
van dupliek heeft T gesteld dat hij daardoor in zijn verdediging is geschaad.
Voor zover hij daarmee heeft willen betogen dat de rechtbank van de inhoud
van die brief geen kennis mag nemen, wordt dit betoog verworpen. Hij is
immers bij akte inhoudelijk op die brief ingegaan, zodat niet valt in te
zien op welke wijze hij door het moment waarop die brief is overgelegd
in zijn verdediging is geschaad.

5. Uit de overgelegde brief van Van Mastrigt volgt dat E haar verklaring
over de gebeurtenissen op 21 en 23 juli 1994 betreffende T tegenover Mastrigt
niet heeft gewijzigd of ingetrokken.

6.1. De brief van de officier van justitie, waarop T zich beroept, strookt
dus niet met de lezing van Van Mastrigt. Voorts houdt E vol dat haar aangifte
van 27 juli 1994 ten aanzien van haar verklaring over de gedragingen en
uitlatingen van T op 21 en 23 juli 1994 juist is, welke aangifte op dit
punt steun vindt in de verklaringen van de door de politie gehoorde getuigen
C en J. Tegen deze achtergrond is het aan T om te bewijzen dat de aangifte
van E ten aanzien van meergenoemde verklaring vals is en derhalve met name
dat hij E op 21 en 23 juli 1994 niet met verkrachting heeft bedreigd. Hij
heeft dit echter niet te bewijzen aangeboden.

6.2. Het wel door hem te bewijzen aangeboden feit dat hij op 21 juli 1994
een dagtocht met de zeilschool heeft gemaakt, leidt zelfs indien bewezen
niet tot de door T getrokken conclusie. Blijkens het proces-verbaal van
politie van zijn verhoor op 4 augustus 1994 heeft hij toen immers verklaard
dat hij om 19.00 uur terug was van de zeiltocht en dat het mogelijk is
dat hij E die dag heeft gesproken.

6.3. Verder heeft T in deze procedure aangegeven dat hij bewijs wil leveren
door de officier van justitie Van Ek te doen horen over zijn motieven om
de dagvaarding in te trekken en de zaak te seponeren. Dit betreft dus niet
de feiten waarvan het bewijs door T moet worden geleverd, zoals hiervoor
onder 6.1 is aangegeven.

7. Op grond van hetgeen onder 6. is overwogen wordt het door T aangeboden
bewijs als niet terzake dienend gepasseerd en de vordering afgewezen.

8. T wordt als de in het ongelijk gestelde partij belast met de kosten
van het geding.

Beslissing

De rechtbank

– wijst de vordering af;

– veroordeelt T in de kosten van het geding, tot heden aan de zijde van
E begroot op ƒ 2.220 waarvan te betalen:

aan E
ƒ 105 voor de bij haar gevallen kosten van vastrecht;
en aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 1800 aan salaris procureur,
ƒ 315 aan overig vast recht;

– verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. C. Uriot

Instantie: Kantonrechter Haarlem, 14 mei 1997

Instantie

Kantonrechter Haarlem

Samenvatting


Eiseres wil na haar ouderschapsverlof blijvend minder werken, van dertig uur
naar zestien uur. De werkgever heeft dit zonder enige motivering geweigerd.
De kantonrechter heeft geadviseerd het eerst onderling te regelen. Partijen
zijn het eens geworden over een dienstverband van 24 uur. De werkgever stelde
daarbij echter twee voorwaarden. Eiseres die op een andere afdeling zou gaan
werken, zou zelf de kosten van de interne opleiding moeten betalen en zij zou
nooit meer een voorstel mogen doen tot wijziging van de arbeidsduur. Deze
voorwaarden wijst eiseres af en vraagt opnieuw een vonnis van de
kantonrechter. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet handelt als
een goed werkgever door de genoemde voorwaarden te stellen. De werkgever
dient een dienstverband aan te gaan met eiseres van 24 uur per week.

Volledige tekst

1. De loop van het geding

V heeft AVD op 25 april 1997 voor dit kantongerecht doen dagvaarden. De
mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 mei 1997 waarbij de
gemachtigden zich hebben bediend van pleitnotities. De griffier heeft
aantekening gehouden van de mondelinge behandeling. De zaak is aangehouden om
partijen in de gelegenheid te stellen een regeling te treffen. Zij zijn niet
tot een vergelijk gekomen en hebben vonnis gevraagd. Het vonnis is bepaald op
heden.

2. De vaststaande feiten

(i) AVD houdt zich bedrijfsmatig ondermeer bezig met het vervaardigen van
`Website-pagina’s (HTML) en met `Desk Top Publishing’ (DTP) voor derden.
(ii) V is op 3 juni 1985 in dienst getreden van Pressofoon Vidotext B.V., een
zusteronderneming van AVD.
Nadat bij dit bedrijf de werkzaamheden waren teruggelopen is V met ingang van
1 maart 1996 voor 30 uur per week in dienst getreden van AVD als medewerkster
HTML-productie.
(iii) V is op 7 juni 1996 bevallen van een dochter.
Met ingang van 28 oktober 1996 heeft zij zes maanden ouderschapsverlof
opgenomen door 16 uur per week te werken, op maandagen en woensdagen. Haar
ouderschapsverlof is geëindigd op 28 april 1997.
(iv) Op 9 februari 1997 heeft V aan AVD een voorstel gedaan tot vermindering
van haar arbeidstijd. Dat voorstel is afgewezen.

3. De vordering

3.1. V vordert (samengevat) bij wijze van voorlopige voorziening primair AVD
te veroordelen haar in staat te stellen de overeengekomen werkzaamheden te
verrichten gedurende 16 uur per week op twee dagen en subsidiair haar daartoe
in staat te stellen zolang de kantonrechter daaromtrent niet in een
bodemprocedure heeft beslist; een en ander met bepaling van een dwangsom.

3.2. V wenst vermindering van haar arbeidsduur om zelf het grootste deel van
de zorg voor haar jonge dochter te kunnen verrichten. Naast haar zullen haar
echtgenoot en haar moeder nog zorgtaken verrichten. V wenst geen anderen in
te schakelen bij de zorg.
Volgens V laten de werkzaamheden bij AVD vermindering van de arbeidsduur toe,
zoals gedurende haar ouderschapsverlof is gebleken.

4. Het verweer

AVD heeft gemotiveerd verweer gevoerd waarop, voor zover van belang, bij de
beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Voorop gesteld zij dat aan een werknemer geen op de wet gebaseerd recht
tot vermindering van de arbeidsduur toekomt.
Een nader gewijzigd voorstel van wet waarin dat recht is opgenomen is nog in
behandeling bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal (23 216). Dit
initiatief-voorstel Rosenmöller strekt tot invoering van art. 7:685a BW dat
de werknemer het recht geeft de oorspronkelijk overeengekomen arbeidsduur per
week met ten hoogste een vijfde deel te verminderen.
Of dit ontwerp wet zal worden is uiteraard onzeker, ook al omdat de minister
van Sociale zaken en werkgelegenheid in een brief aan de Voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal (23 538) heeft meegedeeld dat het kabinet
tot de conclusie is gekomen dat het voortouw bij de sociale partners ligt.

5.2. Dat neemt niet weg dat ook naar huidig recht moet worden aangenomen dat
een goed werkgever een verzoek van een werknemer tot vermindering van de
arbeidsduur in behandeling dient te nemen, en slechts dan zal afwijzen
wanneer zwaarwegende bedrijfsbelangen een belemmering vormen voor een
redelijke vermindering van de arbeidsduur.

5.3. Partijen hebben overleg gevoerd over vermindering van de arbeidsduur van
V en hebben – na aanhouding van de zaak – in beginsel overeenstemming bereikt
over het door V verrichten van DTP-werkzaamheden gedurende 24 uur per week op
maandag, dinsdag en woensdag. Daartoe dient V nog een (interne) opleiding te
volgen. AVD begroot de opleidingskosten op ƒ 5000.

5.4. AVD heeft aan de overeenstemming die partijen op hoofdlijnen hebben
bereikt de volgende twee voorwaarden verbonden:
(i) V dient voor ieder jaar dat zij korter in dienst is bij AVD dan tot 31
mei 2002 ƒ 500aan AVD te betalen als vergoeding voor studiekosten;
(ii) V dient zich te verbinden in de komende jaren niet opnieuw vermindering
van de arbeidsduur te verzoeken.
V heeft deze twee voorwaarden afgewezen omdat deze volgens haar in strijd
zijn met art. 1637s BW (de kantonrechter leest: art. 7:631 BW) en met de
redelijkheid en billijkheid.
Derhalve kan niet worden gezegd dat partijen thans een vermindering van de
arbeidsduur zijn overeengekomen.

5.5 Uit de overeenstemming op hoofdlijnen die partijen hebben bereikt leidt
de kantonrechter af, dat het bedrijfsbelang van AVD zich niet verzet tegen
een vermindering van de arbeidsduur van V tot 24 uur.
Dat V belast zal worden met DTP-taken in plaats van met de tot dan vervulde
HTML-werkzaamheden, houdt naar ter zitting is gebleken geen direct verband
met de vermindering van de arbeidsduur van V, maar met de terugloop van
HTML-werkzaamheden bij AVD. Het inwerken in een nieuwe taak is dan in
beginsel voor rekening van de werkgever. Nu niet gebleken is dat AVD
eenzelfde voorwaarde stelt aan haar fulltime personeel, dient er vooralsnog
van uit te worden gegaan dat deze voorwaarde in strijd is met art. 7:648 BW.
Of een verzoek van V tot verdere vermindering van haar arbeidstijd
toewijsbaar is, hangt af van de omstandigheden waaronder zij dit verzoek
doet. Daarbij is wel van belang dat voormeld wetsontwerp in beginsel geen
verdere vermindering kent dan partijen thans in beginsel hebben afgesproken.
Van V mag naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet worden
verwacht dat zij op voorhand afstand doet van het recht om vermindering te
vragen.
De voorlopige conclusie is dan dat AVD niet handelt als een goed werkgever
door vorenbedoelde voorwaarden te stellen.

5.6. Hetgeen partijen na de mondelinge behandeling in beginsel hebben
afgesproken, wijkt af van V’s petitum. Nu de besproken vermindering minder is
dan V heeft gevorderd, is de vordering tot dat deel toewijsbaar op de hierna
te bepalen wijze.
De proceskosten zullen op de hierna te bepalen wijzen worden gecompenseerd.

6. Beslissing

De kantonrechter:

6.1. Veroordeelt AVD bij wijze van voorlopige voorziening om V met ingang van
20 mei 1997 toe te laten tot DTP-werkzaamheden gedurende 24 uur per week op
maandag, dinsdag en woensdag.

6.2. Bepaalt dat AVD een dwangsom verbeurt van ƒ 500 voor iedere hiervoor
bedoelde werkdag dat zij niet aan de veroordeling onder 6.1. voldoet, tot een
maximum van ƒ 100 000.

6.3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

6.4. Bepaalt dat ieder de eigen kosten draagt.

6.5. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Rechters

Mr. Huijzer

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 mei 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is een belangenbehartigende organisatie in de zin van artikel 12
lid 2 sub e AWGB, die heeft kennisgenomen van een personeelsadvertentie van
de wederpartij. In de advertentie wordt geen melding gemaakt van het feit dat
zowel mannen als vrouwen kunnen solliciteren. De advertentie vermeldt dat de
voorkeur uitgaat naar medewerkers met een christelijke levensovertuiging.
De Commissie oordeelt dat hiermee bij de werving voor de vacature direct
onderscheid is gemaakt op grond van geslacht en godsdienst. De wederpartij
heeft in strijd met de wet gehandeld. Het feit dat het een administratieve
fout betrof of het feit dat het beleid inmiddels gewijzigd is, doet hieraan
niet af.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 september 1996 verzocht Stichting Meldpunt Discriminatie Amsterdam
te Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna:
de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Ermelo
(hierna: de wederpartij) onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. De wederpartij heeft in een advertentie geworven voor een
arts-assistent. In de advertentie wordt geen melding gemaakt van het feit dat
zowel mannen als vrouwen kunnen solliciteren. De advertentie vermeldt dat de
voorkeur uitgaat naar medewerkers met een christelijke levensovertuiging.
Volgens verzoekster heeft de wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht en
godsdienst gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een Stichting welke zich blijkens haar statuten onder andere
ten doel stelt het bestrijden van vormen van discriminatie en/of racistisch
handelen, spreken of schrijven door onder andere de overheid, instituties en
individuele groepen, jegens in Nederland woonachtige bevolkingsgroepen op
grond van etnische afkomst en voorts al hetgeen in de ruimste zin verband
houdt met het verdraagzaam samenleven van de verschillende bevolkingsgroepen.
Verzoekster tracht dit doel ondermeer te verwezenlijken door middel van
onderzoek, overleg en (andere) acties. Uit de feitelijke werkzaamheden van
verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming met haar statuten de belangen
behartigt van degenen die de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) en artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW), met ingang van 1 april 1997 artikel 7:646 BW, beogen
te beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten
zoals gesteld in artikel 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou zijn
gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door de
Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek kan derhalve achterwege blijven.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

3.2. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd om te verschijnen
tijdens een zitting op 19 maart 1997. Partijen hebben van deze uitnodiging
geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:

– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij exploiteert instituten voor psychiatrische behandeling,
verzorging en begeleiding. Deze instituten zijn een ziekenhuis,
dagbehandelingscentra en poliklinieken.

4.2. Verzoekster heeft kennis genomen van een personeelsadvertentie van de
wederpartij in `Het Parool’ van 31 augustus 1996. In de advertentie wordt ten
behoeve van één van de poliklinieken van de wederpartij geworven voor een
arts-assistent.
In de advertentie staat naast de functie-eisen met betrekking tot opleiding
en ervaring vermeld: `Om de identiteit van ons ziekenhuis te kunnen
realiseren gaat de voorkeur uit naar medewerkers met een christelijke
levensovertuiging’. De aanduiding `m/v’ of een zinsnede waaruit blijkt dat
zowel mannen als vrouwen kunnen solliciteren, ontbreekt.

De standpunten van partijen

4.3. Verzoekster stelt het volgende.
Zij heeft de Commissie verzocht een oordeel te geven over het handelen van de
wederpartij naar aanleiding van een klacht die bij haar is ingediend over
voornoemde personeelsadvertentie van 31 augustus 1996.

De door de wederpartij gebruikte advertentietekst maakt geen melding van het
feit dat zowel mannen als vrouwen kunnen solliciteren op de vacature en is
daarom in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

De voorkeur voor een medewerker met een christelijke identiteit is in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling. De AWGB staat in bepaalde gevallen een
uitzondering op het verbod van onderscheid naar godsdienst toe.
Bijvoorbeeld ingeval het een instelling betreft, gebaseerd op godsdienstige
of levensbeschouwelijke grondslag, die eisen stelt die gelet op het doel van
de instelling nodig zijn voor de vervulling van de functie. In het
onderhavige geval lijkt de voorkeur echter niet nodig voor een juiste
vervulling van de functie.

Op 7 september 1996 heeft verzoekster opnieuw kennisgenomen van een
personeelsadvertentie van de wederpartij. Het betreft dezelfde vacature. In
deze advertentie wordt, in plaats van de eis dat medewerkers een christelijke
levensovertuiging hebben, gevraagd dat medewerkers de christelijke identiteit
respecteren.
Verzoekster is van mening dat deze tweede advertentie niet strijdig is met
het verbod op onderscheid naar godsdienst. De klacht strekt zich derhalve
niet uit tot deze advertentie.

4.4. De wederpartij stelt het volgende.
Het standpunt van verzoekster is juist.

Het ontbreken van de aanduiding `m/v’ in de advertentie berust op een
administratieve fout. Het is niet haar beleid, noch is het voor de
betreffende functie noodzakelijk, dat er voor een mannelijke medewerker wordt
geworven.
De wederpartij heeft twee advertenties voor andere vacatures overgelegd die
in dezelfde periode als de onderhavige advertentie zijn geplaatst. In deze
advertenties, waarin geworven wordt voor een arts-assistent en een
logopedist, is de aanduiding `m/v’ wel opgenomen.

Ten aanzien van de klacht betreffende onderscheid op grond van godsdienst,
merkt de wederpartij op, dat in het verleden onderscheid werd gemaakt tussen
functies die in belangrijke mate de sfeer op een patiëntenafdeling bepalen
(zoals verplegenden en verzorgenden) en functies waarbij dat in mindere mate
een rol speelde. Ten aanzien van de eerste soort functies werd een
christelijke levensovertuiging van de medewerker noodzakelijk geacht, ten
aanzien van de tweede soort functies werd volstaan met de eis van
respectering van de identiteit van de wederpartij.
Dit onderscheid wordt door de wederpartij tegenwoordig niet meer relevant
geacht. Echter hierover heeft enige tijd verwarring bestaan bij de
medewerkers van personeelszaken van de wederpartij, waardoor de onderhavige
advertentie in eerste instantie conform het oude beleid is gepubliceerd.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of

I. de wederpartij bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
door in de advertentie niet aan te duiden dat zowel mannen als vrouwen kunnen
solliciteren;

II. de wederpartij bij de aanbieding van een betrekking onderscheid heeft
gemaakt op grond van godsdienst als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling door in de advertentie van 31 augustus 1996 een voorkeur uit te
spreken voor medewerkers met een christelijke levensovertuiging.

Aangezien verzoekster uitdrukkelijk heeft gesteld dat haar klacht zich niet
uitstrekt tot de tweede advertentie, is deze advertentie geen voorwerp van
onderzoek geweest.

5.2. Met betrekking tot de eerste vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Artikel 3, eerste lid, WGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid
tussen mannen en vrouwen bij het aanbieden van een betrekking.

Artikel 3, derde lid, WGB schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van
een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen voor de functie.
Het vierde lid van genoemd artikel bepaalt dat bij een functiebenaming òf
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming moet worden gebruikt,
òf uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

De wettelijke uitzonderingsmogelijkheden op het verbod van direct onderscheid
naar geslacht worden genoemd in artikel 5, eerste en tweede lid, van de WGB
(voorkeursbeleid en geslachtsbepaaldheid). In de onderhavige zaak is gesteld
noch gebleken dat deze uitzonderingen van toepassing zijn.

5.3. Met betrekking tot de tweede klacht zijn de volgende wetsartikelen van
belang.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel a AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid
verboden is bij de aanbieding van een betrekking. Artikel 1 AWGB bepaalt dat
de wet onder meer toeziet op onderscheid tussen personen op grond van
godsdienst.

Laatstgenoemd artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als
indirect onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat verwijst naar één van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden. Indirect onderscheid is onderscheid, dat op grond van
andere hoedanigheden of gedragingen dan godsdienst direct onderscheid op
grond van godsdienst tot gevolg heeft.

In de AWGB is een aantal uitzonderingen op het in de wet neergelegde verbod
op onderscheid geformuleerd. Gesteld noch gebleken is dat één van deze
uitzonderingen in deze zaak van toepassing is.

5.4. Ten aanzien van mogelijk onderscheid op grond van geslacht bij de
aanbieding van een betrekking overweegt de Commissie het volgende.

In de advertentie wordt een arts-assistent geworven. Voorzover een
vrouwelijke functieaanduiding bestaat, is deze in de advertentie niet
gebruikt. Tevens wordt geen gebruik gemaakt van de aanduiding `m/v’ en wordt
niet vermeld dat ook vrouwen kunnen solliciteren.

De advertentietekst is in strijd met artikel 3, vierde lid, WGB nu bij de
functiebenaming niet zowel een vrouwelijke als mannelijke variant is
gebruikt, noch uitdrukkelijk is vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen voor de functie. De wederpartij heeft daarmee ook gehandeld
in strijd met het bepaalde in het eerste en derde lid van artikel 3 WGB.

Het feit dat het hier om een administratieve fout gaat, doet aan het
onderscheid niet af. De wet staat geen andere uitzonderingen toe dan die
hiervoor onder 5.2. reeds zijn genoemd. Hoewel de wederpartij mogelijk
geenszins de bedoeling heeft gehad onderscheid te maken, kan de Commissie
niet tot een ander oordeel komen.

5.5. Ten aanzien van mogelijk onderscheid op grond van godsdienst bij de
aanbieding van een betrekking overweegt de Commissie het volgende.

In de eerste advertentie is aangegeven dat de voorkeur van de wederpartij
uitgaat naar medewerkers die een christelijke levensovertuiging hebben.
Vastgesteld kan worden dat hiermee onderscheid wordt gemaakt ten opzichte van
mensen die geen christelijke levensovertuiging hebben.

De wederpartij heeft verklaard waarom de formulering met betrekking tot de
christelijke levensovertuiging in de advertentie is opgenomen. Haar beleid is
inmiddels gewijzigd.

Dit doet echter niet af aan het feit dat de advertentietekst zoals deze is
gepubliceerd op 31 augustus 1996 onderscheid maakt naar godsdienst. Nu niet
gesteld of gebleken is dat de uitzonderingen op het verbod van onderscheid op
grond van godsdienst zoals die in de AWGB worden genoemd, van toepassing
zijn, is sprake van een verboden onderscheid op grond van godsdienst. De
wederpartij heeft daarmee in strijd met de AWGB gehandeld.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Ermelo bij de
aanbieding van een betrekking

I. onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3
eerste, derde en vierde lid van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld,

II. onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt als bedoeld in artikel
5, eerste lid, onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling en
derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw.mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Utrecht, 7 mei 1997

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


N. heeft ten processe gesteld dat zij van de kant van haar werkgever, J.,
tijdens de vervulling van haar dienstbetrekking een aantal ongewenste
intimiteiten (waaronder kussen en omhelzen) heeft moeten ondergaan. J. heeft
dit onvoldoende gemotiveerd betwist. In hoger beroep bepaalt de rechtbank de
door N. geleden immateriële schade op ƒ 2.000.

Volledige tekst

1. VERLOOP VAN HET GEDING IN HOGER BEROEP

1.1 Appellant J. is bij exploot van 16 april 1996 in hoger beroep gekomen van
het vonnis dat de kantonrechter onder rolnummer 33180-CV-94-8432 tussen
partijen heeft gewezen en op 13 maart 1996 heeft uitgesproken.

1.2 Bij een memorie heeft J. zes grieven tegen dit vonnis opgeworpen en
geconcludeerd – verkort weergegeven – dat de rechtbank dit vonnis zal
vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de vordering van geïntimeerde N.
zal afwijzen.

1.3 N. heeft bij een memorie van antwoord de grieven bestreden met conclusie
tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.

1.4 Tenslotte hebben partijen de processtukken overgelegd aan de rechtbank
voor het wijzen van vonnis.

2. GRIEVEN

Voor de inhoud hiervan wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. FEITEN

In zijn vonnis van 13 maart 1996 onder 2 tot en met 5 heeft de kantonrechter
een aantal ten processe vaststaande feiten opgesomd. Tegen deze opsomming is
geen grief gericht, zodat ook de rechtbank van die feiten uitgaat.

4. BEOORDELING

4.1 N. heeft voor de kantonrechter de grondslag van haar vordering gewijzigd.
De kantonrechter heeft op de gewijzigde vordering recht gedaan.

4.2 Daargelaten dat J. niet op de bij artikel 134 van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering voorgeschreven wijze verzet heeft gedaan tegen de
wijziging van de grondslag van haar vordering door N., staat geen hogere
voorziening open tegen de beslissing van de kantonrechter om recht te doen op
die gewijzigde grondslag.

4.3 De grieven, bezien in samenhang met de conclusie van de memorie van
grieven, strekken ertoe het geschil in volle omvang aan het oordeel van de
rechtbank te onderwerpen

4.4 N. heeft ten processe gesteld, naar de rechtbank samenvat, dat zij van de
kant van J. een aantal ongewenste intimiteiten heeft moeten ondergaan.

4.5 J. heeft blijkens het daarvan door hem overgelegde proces-verbaal van
politie (productie 8 bij memorie van grieven) tegenover de politie verklaard
dat hij N. heeft gekust en omhelsd. J. heeft onvoldoende gemotiveerd betwist
dat een en ander onverhoeds is geschied, nadat hij zich met N. had
afgezonderd in een aparte ruimte (kantoortje), en dat een en ander door N.
ongewenst was. Van belang is ook dat dit kussen en omhelzen tijdens de
vervulling van haar dienstbetrekking door haar werkgever aan N. is aangedaan.
Aannemelijk is dat dit voor N. een gevoel van bedreiging en onveiligheid
heeft opgeroepen.

4.6 Daarmee staat de kern van de verwijten van N. vast. Voor zover de
verwijten van N. verder gaan, wordt daaraan voorbij gegaan, nu N. geen bewijs
heeft aangeboden, nog daargelaten dat deze verwijten voor het overige een
weinig feitelijk en voornamelijk kwalitatief karakter dragen.

4.7 Ook aan het algemene bewijsaanbod van J. gaat de rechtbank als in het
licht van zijn gedeeltelijke erkenning onvoldoende gespecificeerd en
gemotiveerd voorbij.

4.8 N. heeft het door haar als gevolg van het optreden van J. ondervonden
leed en de schadelijke gevolgen daarvan slechts summier omschreven. Ook J. is
daarop weinig ingegaan

4.9 Gelet op het onder 4.5 overwogene bepaalt de rechtbank de door N. geleden
immateriële schade ex aequo et bono op ƒ 2.000.

5. SLOTSOM

De grieven zijn gedeeltelijk gegrond. Het vonnis waarvan beroep dient te
worden vernietigd met toewijzing van de vordering van N. voor ƒ 2.000 en
afwijzing van het overige. De proceskosten worden gecompenseerd nu partijen
ieder gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld.

6. BESLISSING

De rechtbank:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt J. tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan N. te betalen een
bedrag van ƒ 2.000 (tweeduizend gulden) vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der voldoening;

wijst de vordering van N. voor het overige af;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij
de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Cremers, Goes, Van der Reep

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 2 mei 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Verzoekster heeft aangifte gedaan (als slachtoffer) van vrouwenhandel, op
grond daarvan zou zij gedurende de procedure recht hebben op verblijf in
Nederland. De officier van justitie vervolgt de dader uiteindelijk voor een
ander feit, namelijk mishandeling. De staatssecretaris acht dan ook het
beleid zoals dat is geformuleerd in Vc B 17 niet van toepassing. In casu was
er geen sprake van vrouwenhandel doch wel zware mishandeling en gedwongen
prostitutie. De rechter ziet vooralsnog niet in waarom verzoekster als
slachtoffer hiervan niet valt onder de doelgroep ten behoeve waarvan genoemde
beleid is geformuleerd. Vervolging wegens vrouwenhandel was in casu
bewijstechnisch niet mogelijk Uitgaande hiervan is tevens van belang dat niet
uit te sluiten valt dat verzoeksters verblijfsrechtelijke positie wellicht
een andere was geweest indien zij gedurende de periode van strafrechtelijk
onderzoek en vervolging van de mishandeling, mede gelet op de duur hiervan,
in het bezit was gesteld van de gevraagde vergunning.

Volledige tekst

I. Procesverloop
Verzoekster, geboren op 1 september 1968, bezit de Turkse nationaliteit en is
vreemdeling in de zin van artikel 1 van de Vw.

Verzoekster is op 2 februari 1992 Nederland binnengekomen en heeft op 11 mei
1992 bij de korpschef te ‘s-Gravenhage een aanvraag om verlening van een
vergunning tot verblijf (vtv) ingediend met als doel ‘verblijf bij echtgenoot
en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat
verblijf’.

Bij beschikking van 26 augustus 1992 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft verzoekster bij brief van 24 september 1992 bij
verweerder verzocht om herziening. Bij brief van 19 oktober 1992 heeft
verweerder aan verzoekster meegedeeld, dat aan het verzoek om herziening geen
schorsende werking is verbonden en dat zij Nederland dient te verlaten. Het
door verzoekster op 12 november 1992 aangespannen kort geding is op 4 januari
1993 ingetrokken.

Nadat gebleken is dat verzoekster op 21 juni 1993 met onbekende bestemming
was vertrokken heeft verweerder het verzoek om herziening administratief
buiten behandeling gesteld.

Op 17 november 1994 heeft verzoekster bij de politie te ‘s-Gravenhage,
afdeling zedenzaken, aangifte gedaan (als slachtoffer) van vrouwenhandel.

Op 29 november 1994 heeft verzoekster, als slachtoffer van vrouwenhandel, bij
de korpschef te ‘s-Hertogenbosch een aanvraag om een vergunning tot verblijf
ingediend als bedoeld in de Vreemdelingencirculaire 1994, hoofdstuk B17
(Slachtoffers van vrouwenhandel), onder 3, welk doel van verblijf zij op 21
augustus 1995 heeft aangevuld met klemmende redenen van humanitaire aard.

Bij beschikking van 13 december 1995, aan verzoekster uitgereikt op 15
januari 1996, heeft verweerder het verzoek om herziening van 24 september
1992 afgewezen en de aanvraag om een vergunning tot verblijf van 29 november
1994 niet ingewilligd. Op 6 februari 1996 heeft verzoekster beroep bij de
rechtbank ingesteld van deze beschikking voor zover dit betreft de afwijzing
van het verzoek om herziening. Op diezelfde datum heeft zij bij verweerder
bezwaar gemaakt tegen de niet inwilliging van de aanvraag om toelating.

Bij brief van 12 juni 1996 heeft verweerder aan verzoekster meegedeeld dat
zij de beslissing op het bezwaarschrift van 6 februari 1996 niet in Nederland
mag afwachten en dat zij Nederland binnen twee weken dient te verlaten.

Op 24 juni 1996 heeft verzoekster de president verzocht om een onverwijlde
voorziening te treffen, inhoudende – kort gezegd – dat verweerder vooralsnog
wordt verboden verzoekster uit Nederland te verwijderen.

Bij beschikking van 2 december 1996, aan verzoekster uitgereikt 12 december
1996, heeft verweerder het bezwaarschrift van verzoekster van 6 februari 1996
ongegrond verklaard. Aan verzoekster is meegedeeld dat zij de behandeling van
een in te dienen beroepschrift niet in Nederland mag afwachten en dat zij
Nederland dient te verlaten.

Bij brief van 5 december 1996, aangevuld d.d. 7 januari 1997, heeft
verzoekster beroep ingesteld tegen de beschikking van 2 december 1996.

Het verzoek van 24 juni 1996 is behandeld ter zitting van 21 maart 1997
alwaar verzoekster en haar gemachtigde zijn verschenen. Tevens is als
gemachtigde van verzoekster verschenen Y.
Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn
gemachtigde.

II. Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81 van de Abw kan indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep
bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep ingesteld, de
president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op
verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op
de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb kan de president, indien het verzoek wordt
gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van
oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb
nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de
zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De president is van oordeel dat zich hier een situatie voordoet als bedoeld
in artikel 8:86 van de Awb en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de
hoofdzaken.

In dit geding is derhalve aan de orde of het bestreden besluit van 13
december 1995, strekkende tot afwijzing van het verzoek om herziening en het
bestreden besluit van 2 december 1996, strekkende tot ongegrondverklaring van
het bewaarschrift, in rechte kunnen worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 11, vijfde lid, van de Vw kan een vtv worden geweigerd op
gronden aan het algemeen belang ontleend. Met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande wordt bij de toepassing van dit
artikellid door verweerder een terughoudend beleid gevoerd waarbij
vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen voortvloeiende uit
internationale overeenkomsten – slechts voor verlening vn een vtv in
aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid hier te lande een wezenlijk
Nederlands belang is gediend of indien er sprake is van klemmende redenen van
humanitaire aard.

1. Ten aanzien van het bestreden besluit van 13 december 1995.

Met het verzoek van 11 mei 1992 beoogde verzoekster verblijf bij haar
echtgenoot, die in het bezit was van een vergunning tot vestiging. Het
verzoek is door verweerder afgewezen op grond van de omstandigheid dat de
echtgenoot verwijtbaar niet beschikte over voldoende middelen van bestaan.
Inmiddels staat vast dat verzoekster in ieder geval sinds 21 juni 1993 niet
meer samenwoont met haar echtgenoot. De president is van oordeel dat nu niet
is gebleken dat verzoekster tot dat tijdstip ten onrechte niet in het bezit
is gesteld van een vergunning tot verblijf bij haar echtgenoot dan wel dat
zij op enig tijdstip voldeed aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf na
(feitelijke) verbreking van het huwelijk zoals omschreven in hoofdstuk B1 van
de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc), verweerder terecht aan verzoekster een
vergunning tot verblijf voor dit doel heeft geweigerd. Voor dit oordeel
bestaat temeer aanleiding, nu inmiddels is gebleken dat verzoekster sinds 7
september 1990, dus voor haar komst naar Nederland, reeds van haar echtgenoot
is gescheiden. Dat verzoekster stelt onbekend te zijn met deze echtscheiding
en meent nog immer met haar echtgenoot gehuwd te zijn, kan, gelet op het doel
van verblijf in deze procedure, aan het vorenstaande niet afdoen.

Evenmin kan de stelling van verzoekster dat zij niet naar Turkije kan
terugkeren in verband met mogelijke bloedwraak door haar vader omdat zij
tegen zijn zin met haar echtgenoot is gehuwd, tot het oordeel leiden dat
verzoekster op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit
dient te worden gesteld van een vtv. Hoewel mogelijke bloedwraak in de
rapportage van Y van april 1996 in Turkije in zijn algemeenheid niet wordt
uitgesloten geacht, is de president van oordeel dat verzoekster niet
aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval een dergelijke dreiging
daadwerkelijk bestaat. De omstandigheden waaronder het huwelijk is gesloten
-tegen de zin van de ouders dan wel juist op instigatie van de ouders- zijn,
gezien de inhoud van het van de zijde van verweerder overgelegde
echtscheidingsvonnis, met onduidelijkheid omgeven gebleven. Bovendien wekt
het bevreemding dat de vader van verzoekster eerst in april 1994, zonder
enige aanleiding, een brief, waarin een dreiging met bloedwraak zou kunnen
worden gelezen, schrijft. Daarnaast kan de brief niet als afkomstig van een
van verzoekster onafhankelijke bron worden beschouwd. Derhalve kan aan
genoemde brief niet de door verzoekster gewenste betekenis worden gehecht.
Hierbij wordt tevens belang gehecht aan het feit dat verzoekster in 1995 bij
haar zuster in Istanbul op bezoek is geweest, hetgeen evenmin op een
daadwerkelijk bestaande dreiging duidt.

De president is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de
bestreden beschikking van 13 december 1995, voor zover dit betreft de
afwijzing van het verzoek om herziening van de beschikking van 26 augustus
1992, heeft kunnen komen weshalve het beroep, geregistreerd onder nummer Awb
96/982, voor ongegrond moet worden gehouden.

2. Ten aanzien van het bestreden besluit van 2 december 1996.

Verzoekster heeft op 17 november 1994 bij de politie te ‘s-Gravenhage
aangifte gedaan (als slachtoffer) van vrouwenhandel. Voorts heeft verzoekster
op 29 november 1994 een aanvraag om een vergunning tot verblijf ingediend als
bedoeld in de Vc, hoofdstuk B17, onder 3 en dit doel van verblijf op 21
augustus 1995 aangevuld met klemmende redenen van humanitaire aard gelegen in
de ondergane traumatische ervaringen en haar daarmee in verband staande
psychische situatie.

Blijkens de bestreden beschikking is verweerder van oordeel dat verzoekster
niet in het bezit kon worden gesteld van een vtv op basis van voornoemd
beleid omdat het volgens informatie van de Officier van Justitie niet
handelde om een zaak als bedoeld in hoofdstuk B17 van de Vc.

De president merkt allereerst op er niet van overtuigd te zijn dat
verweerder, gelet op de achtergrond en strekking van het bepaalde in
hoofdstuk B17 van de Vc en het daarin genoemde tweeledig doel van dit beleid,
voldoende heeft gemotiveerd dat dit beleid in het onderhavige geval niet van
toepassing was. In het voorstel van de politie Brabant Noord d.d. 21 augustus
1995 alsmede de telefoonnotitie d.d. 30 oktober 1995 tussen een medewerker
van de Immigratie- en Naturalisatiedienst en een medewerker van de
vreemdelingendienst te ‘s-Hertogenbosch is te lezen dat de Officier van
Justitie heeft meegedeeld dat er in casu geen sprake was van vrouwenhandel
doch wel van zware mishandeling en gedwongen prostitutie. De president ziet
vooralsnog niet in waarom verzoekster als slachtoffer hiervan niet valt onder
de doelgroep ten behoeve waarvan genoemd beleid is geformuleerd. Uitgaande
hiervan is tevens van belang dat, niettegenstaande het feit dat de
ex-echtgenoot van verzoekster inmiddels onherroepelijk is veroordeeld terzake
mishandeling omdat vervolging wegens vrouwenhandel bewijstechnisch niet
mogelijk zou zijn, niet uit te sluiten valt dat verzoeksters huidige
verblijfsrechtelijke positie wellicht een andere zou zijn geweest indien zij
wel gedurende de periode van strafrechtelijk onderzoek en vervolging, mede
gelet op de duur hiervan, in het bezit was gesteld van de gevraagde
vergunning. De president gaat hier echter aan voorbij nu er sprake is van een
andere grond die reeds tot vernietiging van de bestreden beschikking dient te
leiden.

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet gedurende bezwaarfase
is gehoord. Blijkens het omstreden besluit is verweerder van mening dat
hiertoe, gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vw, geen
verplichting bestond en dat een plicht om te horen evenmin door de
zorgvuldigheid werd gevorderd. Deze motivering is in het verweerschrift
aangevuld met de opmerking ‘dat aan de bezwaarprocedure al een eerdere
procedure is voorafgegaan waarbij in herziening afdoende is gemotiveerd dat
verzoekster niet in aanmerking komt voor verblijf in Nederland. Hetgeen
vervolgens in bezwaar is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel’. De
president gaat er van uit dat met deze overweging is bedoeld weer te geven
dat het bezwaar door verweerder als kennelijk ongegrond is beschouwd, in welk
geval op grond van het gestelde in artikel 7.3 van de Awb van het horen kan
worden afgezien.

De president overweegt hiertoe als volgt.

Ingevolge artikel 7.2, eerste lid van de Awb stelt het bestuursorgaan
belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord, voordat op het bezwaar
wordt beslist.

Artikel 7.3 van de Awb somt limitatief de uitzonderingen op deze algemene
regel, waaronder onder b. het geval dat het bezwaarschrift kennelijk
ongegrond is, op. Uit de Memorie van Toelichting en de parlementaire
behandeling bij de totstandkoming van de Awb blijkt dat deze uitzonderingen
restrictief dienen te worden toegepast. Het is dan ook inmiddels staande
jurisprudentie dat er eerst sprake is van een kennelijk ongegrond
bezwaarschrift wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat
de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel
mogelijk is over die conclusie.

In artikel 32, tweede lid van de Vw, is een uitzondering op de hoorplicht
gemaakt. Uit de Memorie van Toelichting bij dit artikel blijkt dat deze
bepaling er toe strekt de hoorplicht op te heffen in de gevallen waarin de
vreemdeling ten gevolge van het onthouden van schorsende werking is gedwongen
Nederland te verlaten. Dit brengt met zich dat deze uitzondering niet van
toepassing is in de gevallen waarin, nadat schorsende werking is onthouden,
de vreemdeling alsnog verblijf in Nederland wordt toegestaan dan wel de
uitzetting op andere gronden verband houdende met het beoogde verblijfsdoel
achterwege wordt gelaten. Er kan dan slechts op grond van artikel 7.3 van de
Awb van het horen worden afgezien.

Gebleken is dat verweerder op 12 juni 1996 heeft bepaald dat verzoekster de
beslissing op haar bezwaarschrift niet in Nederland mocht afwachten. Evenwel
is verzoekster gedurende de behandeling van haar bezwaarschrift niet
uitgezet. Deze opschorting is echter gelegen in de appointeringstermijn van
het door verzoekster op 24 juni 1996 gedane verzoek om voorlopige voorziening
en hield geen verband met het door haar beoogde verblijfsdoel. Derhalve staat
ter beoordeling of verweerder terecht heeft overwogen dat er in dit geval
sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift in de zin van artikel
7.3 van de Awb.

Hierbij is van belang dat, zoals hierboven reeds is aangegeven, eerst indien
uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener
ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die
conclusie, het bezwaar als kennelijk ongegrond kan worden aangemerkt. Gelet
op het uitvoerige bezwaarschrift alsmede de daarbij overgelegde uitgebreide
rapportage van mevrouw X is de president van oordeel dat in dit geval geen
sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift. Verweerder heeft
derhalve gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 7.2 van de Awb.
Hierbij is tevens van belang dat ter zitting is gebleken dat er vele
onduidelijkheden zijn blijven bestaan die middels een gehoor opgehelderd
kunnen worden. Mitsdien is de president van oordeel dat in dit geval niet aan
de schending van de hoorplicht kan worden voorbijgegaan.

De overige grieven van verzoekster kunnen onbesproken blijven nu het
bestreden besluit reeds om voornoemde reden niet in stand kan blijven. Het
beroep van verzoekster, geregistreerd onder Awb 96/11998, dient gegrond te
worden verklaard, en de bestreden beschikking te worden vernietigd.

Gelet op deze beslissing in de hoofdzaak bestaat er aanleiding, teneinde
verzoekster in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, de uitzetting van
verzoekster uit Nederland te verbieden tot en met vier weken nadat verweerder
opnieuw op het bezwaarschrift heeft beslist.

Tenslotte merkt de president op dat in casu sprake is van een ingewikkeld
complex van feiten en (principiële) vragen zodat, gelet ook op de
onduidelijkheden die tot op heden ten aanzien van de feiten zijn blijven
bestaan, het aangewezen is om, gelet op het bepaalde in artikel 31, derde
lid, van de Vw, in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift een
advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken te betrekken en
derhalve verzoekster door deze commissie te doen horen.

De president ziet in dit geval aanleiding verweerder, als de in het ongelijk
gestelde partij, met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te
veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op
voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld
op ƒ 1.420 (1 punt voor het verzoekschrift/beroepschrift en 1 punt voor het
verschijnen ter zitting; waarde per punt ƒ 710 en wegingsfactor 1).

De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder de door verzoekster betaalde
griffierechten zal vergoeden.

Beslist wordt mitsdien als volgt.

III. Beslissing

De president:

verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 13 december 1995
ongegrond;

verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 2 december 1996 gegrond;

vernietigt de bestreden beschikking van 2 december 1996;

draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van hetgeen
in deze uitspraak is overwogen;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verweerder
wordt verboden tot verwijdering van verzoekster uit Nederland over te gaan
tot en met vier weken nadat op het bezwaarschrift van 6 februari 1996 is
beslist;

veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten,
vastgesteld op ƒ 1.420, te vergoeden door de Staat der Nederlanden, te
voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

gelast dat het betaalde griffierecht door de Staat der Nederlanden, namens
verweerder aan verzoekster wordt vergoed.

Rechters

Mr van Dooijeweert

Instantie: Rechtbank Arnhem, 2 mei 1997

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Het slachtoffer (dertien jaar) is seksueel misbruikt door de paardentrainer
van de naast haar huis gelegen renbaan. Het meisje is gek op paarden en
is altijd in de stallen van de renbaan te vinden, totdat haar ouders achter
het misbruik komen. Er wordt aangifte gedaan en de man bekent het misbruik
en wordt hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.
De vader van het meisje vraagt in kort geding een straat/contactverbod
en toewijzing daarvan betekent – gezien de ligging van de woning van aanvraagster
en de direct daarnaast gelegen renbaan – dat de paardentrainer feitelijk
niet meer op de renbaan zal kunnen komen. Ook de werkgever is aansprakelijk
te houden op grond van 6:170 BW. De vader vordert daarom ontslag als vorm
van passende schadevergoeding na seksueel misbruik.
In een tussenvonnis wijst de president van de rechtbank het ontslaggebod
af. In het eindvonnis wordt ook het contact/straatverbod afgewezen. De
president stelt zich op het standpunt dat er sinds de aanrandingen in 1995
geen overlast meer is geweest. Een straatverbod zou inhouden dat gedaagde
niet meer naar zijn werk kan en dus zijn baan zou verliezen.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van de procedure

Ingevolge opgemeld tussenvonnis heeft de raadsman van F de president schriftelijk
bericht met betrekking tot het strafvonnis ten aanzien van F.

2. De motivering van de beslissing

2.1. In de eerste plaats wordt verwezen naar hetgeen in het tussenvonnis
van 20 maart 1997 is overwogen en beslist.

2.2. Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Arnhem d.d. 10 april
1997 is F veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf
met een proeftijd van twee jaar en 140 uur onbetaalde arbeid ten algemene
nutte, ter vervanginging van drie maanden gevangenisstraf, met aftrek van
twee uur ter compensatie van de door F in voorlopige hechtenis doorgebrachte
tijd.

2.3. Vooropgesteld wordt dat F door de strafrechter voor het plegen van
ontuchtige handelingen met S is veroordeeld en gestraft. De thans voorliggende
civiele vorderingen zullen elk afzonderlijk op hun eigen gronden worden
beoordeeld.

Ten aanzien van het gevorderde contact- en straatverbod jegens F:

2.4. Zoals in het tussenvonnis is overwogen werkt F op de renbaan van O
die grenst aan de woning van eiser en zijn gezin. Sinds de aangifte van
eiser ter zake van de door F gepleegde ontuchtige handelingen met S op
4 juli 1995 heeft F rond de woning van eiser geen contact gezocht met S.
Op 23 oktober 1995 heeft S aangifte gedaan van bedreiging door F en zijn
vriendin C tijdens de op 21 oktober 1995 gehouden paardenkoersen in D.
Deze zaak is geseponeerd daar de politie van mening was dat er geen sprake
was van een strafbaar feit, omdat de juridische kwalificatie bedreiging
in het onderhavige geval niet van toepassing was. Er is niet gesteld noch
gebleken dat F na de gebeurtenissen in mei/juni 1995 en met uitzondering
van voornoemd incident nog op enigerlei wijze contact met S heeft gezocht
of gehad, noch rond de woning van eiser, noch op paardenkoersen die zowel
F als S ook nu nog regelmatig bezoeken. Op grond van het voorgaande bestaat
er voorshands geoordeeld geen aanleiding om aan F thans een contactverbod
op te leggen.

2.5. Hetzelfde geldt ten aanzien van het gevorderde straatverbod. Een straatverbod
voor het gebied dat het bedrijf van O, en derhalve het werkterrein van
F, bestrijkt heeft tot gevolg dat F zijn werkzaamheden daar niet meer kan
uitvoeren, hetgeen zeer waarschijnlijk het verlies van zijn baan tot gevolg
zal hebben. Voorts heeft F terecht aangevoerd dat er ruim anderhalf jaar
is verstreken sinds de gebeurtenissen in mei/juni 1995. Het had voor de
hand gelegen dat eiser, met het oog op de aanwezigheid van F op het terrein
van O en de gevolgen van zijn aanwezigheid voor de psychische gesteldheid
van S, reeds kort na de gebeurtenissen in mei/juni 1995 en de aangifte
bij de politie een dergelijk verbod zou hebben gevorderd. Ook voor een
straatverbod in de overige door eiser aangegeven gebieden bestaat thans
geen aanleiding.

2.6. Op grond van het vooroverwogene zal de vordering tot het opleggen
van een contact- en straatverbod aan F worden afgewezen.

Ten aanzien van het gevorderde voorschot aan schadevergoeding jegens F:

2.7 Nu de strafrechter S in haar civiele vordering tot schadevergoeding
wegens geleden materiële en immateriële schade niet ontvankelijk heeft
verklaard, ligt deze vordering in dit kort geding ter volle toetsing voor.

2.8 Voorlopig geoordeeld is het, mede op grond van het door de rechtbank
op tegenspraak gewezen strafvonnis en de overgelegde verklaringen van (onder
andere) S en F, die de ontuchtige handelingen met S (deels) heeft erkend,
voldoende aannemelijk dat er in het onderhavige geval sprake is van het
plegen van ontuchtige handelingen met S, een minderjarige (destijds 13
jaar). Derhalve heeft F onrechtmatig jegens S gehandeld. Dat S door dit
onrechtmatig handelen schade heeft geleden is zonder meer aannemelijk.
Het is immers algemeen bekend dat seksueel misbruik tot ernstige lichamelijke
en psychische schade kan leiden. Zelfs indien de stelling van F dat het
initiatief van S is uitgegaan juist is, dan blijft zijn handelen onrechtmatig.
Het had op zijn weg gelegen niet op de avances van S in te gaan.

2.9 Voor de omvang van de schade is het volgende van belang. De exacte
hoogte van de door eiser opgevoerde schade valt in het kader van dit kort
geding niet vast te stellen, maar dat S inmiddels ten gevolge van het seksueel
misbruik immateriële schade heeft geleden is zonder meer aannemelijk.

2.10 Wat de materiële schade betreft is het aannemelijk dat er reiskosten
zijn gemaakt, met dien verstande dat het niet onredelijk wordt geacht dat
de kosten voor het bezoeken van de raadsvrouwe, de politie en de rechtbank
door F worden vergoed.

Ten aanzien van de reiskosten voor het herhaaldelijk halen en brengen van
S naar school en naar de manege waar zij thans rijdt, wordt overwogen dat
nu is komen vast te staan dat F na de gebeurtenissen in mei/juni 1995 geen
enkel contact heeft gezocht met S, het niet redelijk voorkomt dat deze
kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

2.11 Met betrekking tot de gevorderde kosten van loonderving wordt overwogen
dat het op zich aannemelijk is dat eiser regelmatig een vrije dag heeft
moeten nemen voor bezoeken aan zijn advocaat, de politie, de rechtbank
e.d.. Eiser is echter werkzaam in loondienst en hoewel voornoemde vrije
dagen ten koste gaan van de hem beschikbare vakantiedagen, is er geen sprake
van loonderving, zodat deze kosten evenmin voor vergoeding in aanmerking
komen.

2.12 De kosten van rechtsbijstand zijn aannemelijk, met dien verstande
dat wel een onderscheid dient te worden gemaakt in de kosten van rechtsbijstand
voor de strafzaak en de civiele zaak, waarbij onder andere de kostenveroordeling
in deze zaak in acht moet worden genomen.

2.13 Het vorengaande neemt niet weg dat het, alle feiten en omstandigheden
in aanmerking genomen, waarschijnlijk is dat de bodemrechter tenminste
een bedrag van ƒ 5.000,- wegens materiële en immateriële schade zal toewijzen.
Voor een restitutierisico behoeft dan niet te worden gevreesd. Het voorgaande
betekent tevens dat een verder bespreking van de – door gedaagde betwiste
– materiële schadeposten in dit geding achterwege kan blijven.

Ten aanzien van de proceskosten:

2.14 Eiser zal als de jegens C en O in het ongelijk gestelde partij in
de kosten van de procedure jegens C en O worden verwezen.

2.15 F zal als de grotendeels jegens eiser in het ongelijk gestelde partij
in de kosten van de procedure jegens eiser worden verwezen.

3. De beslissing

In aansluiting op het (tussen)vonnis van 20 maart 1997:

De president

3.1 veroordeelt F tot betaling aan eiser van een bedrag ad ƒ 5.000 (vijfduizend
gulden) wegens een voorschot op geleden materiële en immateriële schade,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan
de dag der algehele voldoening;

3.2 veroordeelt F in de kosten van deze procedure jegens eiser, tot aan
deze uitspraak aan de zijde van eiser bepaald op ƒ 1.000 voor salaris en
ƒ 349,50 voor verschotten (ƒ 125 wegens griffierecht en ƒ 224,50 wegens
het exploit van dagvaarding);

3.3 veroordeelt eiser in de kosten van deze procedure jegens C en O, tot
aan deze uitspraak aan de zijde van C en O bepaald op ƒ 500 voor salaris
en ƒ 230 voor verschotten;

3.4 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.5. weigert het anders of meer gevorderde.

Rechters

Mr. Hooft Graafland

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in
dienst bij de wederpartij. Deze arbeidsovereenkomst is niet verlengd. Uit het
verslag van het functioneringsgesprek en de toelichting van partijen blijkt
dat het functioneren van verzoekster verbetering behoefte. Verzoekster heeft
aangevoerd dat het negatieve oordeel over haar functioneren verband hield met
haar etnische afkomst. De wederpartij zou volgens verzoekster niet om kunnen
gaan met zelfstandig opererende medewerksters van Turkse afkomst.
Uit de feiten en omstandigheden van de zaak is niet aannemelijk geworden dat
de wederpartij jegens verzoekster verboden onderscheid op grond van ras heeft
gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 februari 1997 verzocht mevrouw (….) te Deventer (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de (….) te Deventer (hierna: de
wederpartij) onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals bedoeld in de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster was op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd
in dienst bij de wederpartij. Deze arbeids-overeenkomst is niet verlengd.
Verzoekster is van mening dat het niet verlengen van haar arbeidsovereenkomst
gelegen is in het feit dat zij van Turkse afkomst is. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. Verzoekster heeft
de Commissie verzocht de spoed-procedure toe te passen. Dit verzoek is
toegewezen. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Partijen zijn vervolgens opgeroepen en hebben hun standpunten mondeling
toegelicht op een zitting van 26 maart 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (adjunct-directeur/locatiemanager)
– mw. (….) (coördinator laboratorium/receptie)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. drs. V. Everhardt (secretaris Kamer).

2.3. Naar aanleiding van het onderzoek op de zitting heeft de Commissie
partijen in de gelegenheid gesteld de mogelijkheid te onderzoeken tot
voortzetting van de arbeidsverhouding. De wederpartij heeft de Commissie bij
brief van 10 april 1997 bericht dat het niet gelukt is een schikking te
bereiken. De Commissie heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 4 maart 1996 op basis van een arbeids-overeenkomst
voor één jaar als doktersassistente voor anderhalve dag per week in dienst
getreden bij de wederpartij. Verzoekster is van Turkse afkomst.
Het arbeidscontract is na afloop van dit jaar niet verlengd.

3.2. Bij de organisatie van de wederpartij zijn circa 100 medewerkers
werkzaam. De vestiging te Deventer telt ongeveer 45 medewerkers waaronder één
van allochtone afkomst.

3.3. De coördinatrice van de afdeling waar verzoekster werkzaam was, heeft
tijdens de proeftijd en in september 1996 met verzoekster gesprekken gevoerd
over haar functioneren.
Eind oktober 1996 volgde er een functioneringsgesprek met de locatie-manager.
Van dit gesprek is een verslag overgelegd, dat mede door verzoekster is
ondertekend.
In de verslaglegging is met betrekking tot de functie-uitoefening van
verzoekster het volgende genoteerd:
`Pakt zelfstandig allerlei zaken op. Aandacht voor aansluiting bij de groep.
Feed-back vragen. Eventuele negatieve beelden toetsen. Soms minder snel
praten. Samenwerking verbetert’.
Voorts vermeldt het verslag als voorwaarde om de groeimogelijk-heden voor
verzoekster te realiseren: een uitbreiding van twee tot tweeëneenhalve dag
per week om routine te krijgen en meer betrokken te raken. Onder concrete
afspraken wordt vermeld dat zo mogelijk extra losse uren in de periode tot en
met januari 1997 aan verzoekster toegekend zullen worden.

3.4. Op 28 januari 1997 volgde er, in verband met het aflopende contract, een
gesprek tussen verzoekster en de locatie-manager. Deze gaf in dit gesprek aan
dat het contract met verzoekster niet zou worden verlengd.
Op 7 februari 1997 vond er een vervolggesprek plaats tussen verzoekster en de
locatie-manager waarin het besluit om het contract niet te verlengen nogmaals
werd toegelicht.
Het dienstverband is geëindigd per 4 maart 1997.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

De arbeidsovereenkomst werd aangegaan voor een jaar met uitzicht op een vaste
aanstelling.
De coördinatrice van de afdeling heeft tijdens de eerste twee gesprekken
aangegeven dat zij zeer tevreden was over de verrichtingen van verzoekster.
Naar mate verzoekster in de loop der tijd zelfstandiger begon te werken werd
haar echter steeds meer werk uit handen genomen. Dit gebeurde ook in het
bijzijn van cliënten. Hierdoor voelde zij zich vernederd. Na een gesprek
hierover met de coördinatrice waren volgens verzoekster de misverstanden
hieromtrent uit de wereld geholpen.

3.6. Voor wat het functioneringsgesprek betreft verklaart verzoekster ter
zitting, dat zij verrast was door de observatie van de locatie-manager dat
het werk en de afstemming met de collega’s niet goed zou gaan. Zij had daar
van niemand iets over gehoord.

3.7. Verzoekster heeft in het gesprek op 28 januari 1997 van de
locatie-manager te horen gekregen dat haar contract op grond van onderstaande
redenen niet zou worden verlengd:
– verzoekster paste niet in het team;
– het klikte niet;
– verzoekster behandelde de cliënten als een nummertje zodat zij snel naar
huis kon.

3.8. Naar aanleiding van het gesprek van 28 januari 1997 heeft verzoekster
zelf om een tweede gesprek gevraagd.
Volgens verzoekster gaf de wederpartij hierin aan dat de wederpartij op grond
van juridische argumenten geen verlenging van het tijdelijk contract kon
verlenen. De vaste aanstelling zou niet door kunnen gaan gezien de situatie
die was ontstaan op de betreffende afdeling.

3.9. Verzoekster heeft het idee dat lang voordat het gesprek van 28 januari
1997 werd gevoerd, de wederpartij al had besloten dat haar contract niet meer
zou worden verlengd. Niet haar functioneren of omgang met cliënten is de
oorzaak van het niet verlengen van het arbeidscontract. Verzoekster is van
mening dat het hier gaat om een vorm van discriminatie die terug te voeren is
op haar Turkse afkomst. De wederpartij zou niet om kunnen gaan met
zelfstandig(er) opererende medewerkers van Turkse afkomst.

3.10. Ter ondersteuning van haar standpunt wijst verzoekster erop dat er al
eerder problemen bij de wederpartij waren geweest met betrekking tot het
functioneren van een medewerkster van Turkse afkomst. De verzoekster legt
nadruk op het feit dat slechts één andere allochtone medewerkster bij de
wederpartij in dienst is.

De wederpartij stelt het volgende.

3.11. Er wordt bij de wederpartij niet gediscrimineerd naar ras of sekse. Er
is niet op voorhand aan verzoekster toegezegd dat haar tijdelijke aanstelling
zou worden omgezet in een vast dienst-verband. Bij de beslissing om het
tijdelijke dienstverband van verzoekster niet te verlengen, hebben ras of
sekse geen rol gespeeld.

3.12. Tijdens een gesprek in april 1996 met de coördinatrice heeft deze
verzoekster gewezen op de volgende aandachtspunten:
– teveel initiatief/solisme;
– zaken niet altijd goed afgewerkt;
– afstemming met collega’s.

3.13. Voor de inhoud van het functioneringsgesprek in september 1996 wordt
door de wederpartij verwezen naar het verslag. De inhoud daarvan is hiervoor
onder 3.3 vermeld.
Vanaf november 1996 is verzoekster, conform de intenties van het
functioneringsgesprek, meer uren gaan werken. Het betrof in totaal ongeveer
50 uur.

3.14. In het vervolggesprek op 7 februari 1997 gaf de locatie-manager aan dat
er voor de wederpartij twee redenen waren om het contract met verzoekster
niet te verlengen:
– de geconstateerde tekortkomingen in het functioneren;
– de verwachting dat dit onvoldoende zou verbeteren.
Ter zitting wordt het functioneren van verzoekster door de locatie-manager
nader toegelicht. Verzoekster pakte de dingen wel op, maar de afstemming met
collega’s verliep niet goed. Daarin is ondanks de urenuitbreiding geen
verbetering opgetreden.

3.15. De wederpartij ontkent dat er voordien een medewerkster van Turkse
afkomst op het laboratorium heeft gewerkt. Verzoekster was de eerste
medewerkster van Turkse afkomst op de betreffende afdeling. De andere Turkse
medewerkster is werkzaam op het secretariaat. Deze collega werkt hier met
plezier en naar genoegen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het niet-verlengen
van het arbeidscontract voor bepaalde tijd onderscheid heeft gemaakt zoals
verboden in de AWGB.

4.2. In artikel 5, lid 1 onder b AWGB is bepaald dat onderscheid is verboden
bij het aangaan van een arbeidsverhouding. De Commissie beschouwt het niet
verlengen van een arbeidsovereenkomst als het niet aangaan van een
dienstverband.(Zie uit de parlementaire geschiedenis van de AWGB, Tweede
Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 014, nr. 5, pag. 80. Zie ook Commissie
gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeel 95-15; 24 juli 1995, oordeel 95-29;
26 maart 1996, oordeel 96-17).

4.3 Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid tussen personen onder meer
wordt verstaan direct onderscheid op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassen-discriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Ras omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming. (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13).

4.4. Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de
Commissie het volgende.

Zoals de Commissie ook in eerdere zaken heeft geoordeeld, rekent zij het niet
tot haar taak te oordelen of een verzoeker al dan niet voldoende
functioneert. (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 2 september 1992, oordeel 420-92-50; 15 september
1992, oordeel 414-92-53.) De taak van de Commissie is om vast te stellen of
de wederpartij bij de beoordeling van het functioneren van verzoekster
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij heeft aangegeven dat de
arbeidsverhouding niet is verlengd vanwege tekortkomingen in het functioneren
van verzoekster en de verwachting dat dit onvoldoende zou verbeteren.

Uit de verklaringen van de coördinatrice en de locatie-manager blijkt dat
verzoekster aanvankelijk zelfstandig, maar ook solistisch optrad. Voorts is
gebleken dat zaken niet op de gebruikelijke wijze werden afgewerkt. Er was
onvoldoende afstemming door verzoekster met de collega`s. Dit was met name
bij de overname van verzoeksters taak door collega’s problematisch.

Uit het verslag van het functioneringsgesprek en de toelichting van partijen
blijkt dat het functioneren van verzoekster verbetering behoefde. De
wederpartij heeft afgesproken het aantal arbeidsuren van verzoekster uit te
breiden, zodat zij meer routine kon opdoen en de communicatie zou kunnen
verbeteren.
De Commissie constateert dat verzoekster vanaf november 1996 ongeveer 50 uur
extra heeft gewerkt en de wederpartij de gemaakte afspraak is nagekomen. De
wederpartij is evenwel van mening dat het functioneren van verzoekster
onvoldoende is verbeterd.
Op grond van de hiervoor genoemde verklaringen stelt de Commissie vast dat er
zakelijke gronden waren voor het niet verlengen van de arbeidsverhouding met
verzoekster.

4.5. Verzoekster heeft aangevoerd dat het negatieve oordeel over haar
functioneren verband hield met haar etnische afkomst.
Naar het oordeel van de Commissie is er niet alleen sprake van een door de
wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de uitsluitende aanleiding
voor een ongelijke behandeling vormt, maar tevens als deze grond mede
aanleiding tot een ongelijke behandeling geeft. (Zie Commissie gelijke
behandeling, 29 februari 1996, oordeel 96-10 en oordeel 96-11).

4.6. De vraag is of het besluit van de wederpartij de arbeids-verhouding niet
te verlengen uitsluitend op zakelijke gronden was gebaseerd of dat de
etnische afkomst van verzoekster daarbij mede een rol heeft gespeeld.

4.7. Verzoekster onderbouwt haar standpunt door te wijzen op het geringe
aantal werknemers van Turkse afkomst bij de wederpartij. De wederpartij zou
niet kunnen omgaan met zelfstandig opererende medewerkers van Turkse afkomst.
Voorts geeft verzoekster aan dat in het verleden eveneens een medewerkster
van Turkse afkomst in dezelfde functie was aangesteld en dat de samenwerking
ook is mislukt.

De Commissie constateert dat de wederpartij erkent dat er slechts één persoon
van allochtone afkomst in Deventer werkzaam is, doch stelt dat voor het
overige de situatie onjuist wordt weergegeven. Er zou voordien nooit een
Turkse medewerkster op het laboratorium hebben gewerkt. De Turkse collega op
het secretariaat werkt er met plezier en naar genoegen, aldus het standpunt
van de wederpartij.

De Commissie is van oordeel dat op grond van bovenstaande – deels betwiste –
feiten niet geconcludeerd kan geworden dat de Turkse afkomst van verzoekster
mede een rol heeft gespeeld bij het besluit van de wederpartij de
arbeidsverhouding niet te verlengen.

De Commissie zijn ook geen andere feiten voorgelegd of bekend geworden,
waaruit blijkt dat de wederpartij zich bij het besluit de arbeidsverhouding
niet te verlengen heeft laten leiden door de Turkse afkomst van verzoekster.
Derhalve is niet aannemelijk geworden dat de wederpartij jegens verzoekster
verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit de ARBO- en
Bedrijfs-gezondheidsdienst Midden IJssel te Deventer jegens mevrouw (….) te
Deventer geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt bij het niet
verlengen van de arbeidsverhouding, en derhalve niet in strijd heeft
gehandeld met artikel 5 lid 1 sub b van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), dhr. mr. drs. V. Everhardt(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 28 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is op latere leeftijd in het onderwijs ingetreden. Zij is van
mening dat zij te laag wordt beloond op grond van het door de wederpartij in
het RPBO neergelegde salarissysteem. Verzoekster wijt dit onder meer aan het
feit dat bij haar inschaling geen rekening is gehouden met de door haar
opgedane levenservaring en haar opleiding. Dit komt bij vrouwen meer voor dan
bij mannen. In het salarissysteem ontbreekt een maatstaf aan de hand waarvan
eerder opgedane onbetaalde relevante ervaring gewaardeerd kan worden.
Bovendien ontbreekt in het salarissysteem een mogelijkheid tot tussentijdse
of periodieke herziening van de beloning. De Commissie oordeelt dat dit een
indirect onderscheid naar geslacht oplevert.

Volledige tekst


4.13. Met betrekking tot de aangevoerde rechtvaardigingen voor het gemaakte
indirecte onderscheid stelt de Commissie het volgende vast. Niet is komen
vast te staan dat de beheersbaarheid van het bekostigingssysteem in het
onderwijs niet ook gerealiseerd zou kunnen worden met zodanige middelen die
rekening houden met de in de loop der jaren opgebouwde ervaring, dan wel dat
de financiële kaders geen ruimte laten voor andere afwegingen dan de
gemaakte. De Commissie komt derhalve tot de conclusie dat geen sprake is van
een middel dat geschikt en noodzakelijk is om het nagestreefde doel te
bereiken.

4.14. De Commissie constateert dat het RPBO het bevoegd gezag bij de
toepassing van bijvoorbeeld artikel I-P11 bij het toepassen van het criterium
laatstgenoten salaris binnen de marges van de functiebeloning wel enige
ruimte laat voor een individuele beoordeling van de opgedane ervaring in een
functie buiten het onderwijs. Ook blijkt uit maatregelen die in het verleden
getroffen zijn dat ook binnen de salarissystematiek van het RPBO ruimte
gevonden kan worden voor specifieke maatregelen, gericht op het wegwerken van
in het verleden ontstane achterstanden.(Zie onder andere de ministeriële
circulaires in het kader van de verbetering van de positie van
onderwijspersoneel de `Regeling Toeslag begininkomens’, 9 december 1993,
AB/IE-93085750 en de `Regeling Beloningsknelpunten’, 10 mei 1994,
AB/IE-94020586.) Deze ruimte is echter, ondanks de toevoeging van een
aanzienlijk bedrag aan extra middelen, voor de afzonderlijke instellingen in
de praktijk zeer beperkt.

Voorts heeft de Commissie met waardering kennis genomen van de reeds in gang
gezette en voorgenomen veranderingen in de beloningssystematiek, waardoor de
situatie in de toekomst mogelijk zal veranderen in die zin, dat het mogelijk
zal worden om door middel van meer individuele beloning van prestaties en de
introductie van een aantal loopbaanfasen, de bij indiensttreding bestaande
salarisverschillen in te lopen. Daarbij heeft de Commissie begrip voor het
feit dat dergelijke maatregelen vèrgaande consequenties hebben en dat de
opstelling en invoering enige tijd vergt. Dat neemt niet weg, dat intussen
sprake is van ongelijke behandeling van verzoekster.

Op grond van het bovenstaande, komt de Commissie tot de conclusie dat de
wederpartij onderscheid heeft gemaakt in de zin van artikel 5 AWGB.

4.15. De Commissie wil hieraan toevoegen dat in gevallen als het onderhavige
sprake is van ongelijke beloning die al sinds de Wet gelijk loon van 1975
ongeoorloofd is. Daarom beveelt de Commissie aan om naast de genomen en
voorgenomen maatregelen ter bestrijding van dit onderscheid aandacht te
besteden aan de reparatie van de ongelijke beloning van herintreedsters zoals
die jarenlang onder vigeur van het RPBO heeft kunnen voortbestaan,
bijvoorbeeld door de instelling van een hiertoe bestemd fonds voor die
gevallen die niet (voldoende) zullen kunnen profiteren van recente en
toekomstige maatregelen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen te Zoetermeer jegens mevrouw (….) te Veldhoven
sinds 1 september 1994 in strijd met artikel 5 lid 1 sub d AWGB indirect
onderscheid naar geslacht maakt bij de beloning.

Rechters

Mrs Goldschmidt, Dierx, Mulder

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 28 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkt als lerares bij de wederpartij. Zij is op latere leeftijd
in het onderwijs ingetreden. De wederpartij past bij de inschaling het
salarissysteem toe dat is neergelegd in de RPBO. Dit systeem is door de
Minister van OCW in het leven geroepen. Verzoekster is van mening dat zij te
laag wordt beloond. Zij wijt dit onder meer aan het feit dat bij haar
inschaling geen rekening is gehouden met door haar opgedane levenservaring en
haar opleiding. Dit komt volgens haar bij vrouwen meer voor dan bij mannen.
In het RPBO ontbreekt de mogelijkheid om onbetaalde ervaring te waarderen.
Ook ontbreekt in deze regeling een mogelijkheid tot tussentijdse of
periodieke herziening van de beloning. Toepassing van het RPBO leidt tot een
verboden indirect onderscheid op grond van geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 mei 1996 verzocht mevrouw (….) te Veldhoven (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) een
oordeel uit te spreken over de vraag of het (….) te Eindhoven (hierna: de
wederpartij), of haar rechtsvoorganger, de Stichting Voortgezet Onderwijs
Eindhoven te Eindhoven jegens haar onderscheid maakt/heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is als lerares werkzaam bij de wederpartij. Zij is van
mening dat zij te laag wordt beloond. Verzoekster wijt dit onder meer aan het
feit dat bij haar inschaling geen rekening is gehouden met de door haar
opgedane levenservaring en met haar opleiding en met het feit dat zij later
is ingetreden in het onderwijs. Dit komt volgens haar bij vrouwen meer voor
dan bij mannen. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten
schriftelijk weer te geven. Verzoekster heeft ook de Minister van Onderwijs
Cultuur en Wetenschappen als wederpartij aangewezen. In die zaak is een
oordeel uitgesproken met het oordeelnummer 97-54.

2.2. Partijen zijn uitgenodigd om hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 4 maart 1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoekster
– mw. mr. (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– mw. mr. (….) (gemachtigde)
– mw. mr. (….) (secretaris College van Bestuur)
– mw. mr. L. (….) (stafmedewerker P&O)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Het salaris van verzoekster wordt door het bevoegd gezag, in casu de
wederpartij, vastgesteld met inachtneming van de door het Rijk vastgestelde
salarisvoorschriften.

Op de inschaling is het Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (hierna: het
RPBO) van toepassing. Vanaf 1 april 1985 geldt als uitgangspunt bij de
inschaling de functie die een medewerker vervult.

Verzoekster is ingeschaald volgens de regels van het RPBO.
De volgende bepalingen uit hoofdstuk I-P van het RPBO zijn hier van belang.
Het salaris van een nieuwe medewerker wordt in beginsel vastgesteld op het
laagste bedrag in de laagste schaal behorend bij de desbetreffende functie
(I-P7). Is voorheen relevante ervaring opgedaan, dan kan een hogere
inschaling worden bereikt, omdat dan wordt aangesloten bij het laatstgenoten
salaris. Voor de medewerker die al eerder in het onderwijs werkte (I-P8) of
die een onderwijsfunctie aanhoudt (I-P9), wordt automatisch aangesloten bij
het laatstgenoten salaris. Dit betekent dat in dat geval geen individuele
beoordeling van de relevantie van de opgedane ervaring plaatsvindt. Ook voor
degene die in aansluiting op een dienstbetrekking buiten het onderwijs in een
onderwijsfunctie wordt aangesteld, geldt dat het laatstgenoten salaris
uitgangspunt is bij de inschaling in de bij de functie behorende
salarisschalen, voor zover het gaat om voor de functie relevante ervaring
(I-P10).
Voor werknemers met een onderbroken carrièrepatroon die voorheen (minimaal
vier jaar geleden) een onderwijsfunctie vervulden, dan wel een
onderwijsbevoegdheid behaalden, bepaalt artikel I-P11 dat, afhankelijk van de
situatie voor elke vier dan wel drie jaar onderbreking één extra periodiek
wordt toegekend (Zie de Ministeriële regelingen, `Nadere richtlijnen voor de
inschaling in het onderwijs of na een onderbroken carrière’ (toepassing
artikelen I-P9 en I-P10), 8 augustus 1985, C 850184, DI/AB 85-106/85-205;
`Toepassing artikelen I-P9 en I-P10 RPBO; Nadere richtlijnen voor de
inschaling in het onderwijs in aansluiting op een betrekking buiten het
onderwijs of na een onderbroken carrière’, 1 november 1989, DI/AB 89-21).
Artikel I-P13 voorziet in een jaarlijkse periodieke verhoging waarop iedere
onderwijsgevende met een ononderbroken dienstverband recht heeft. Het
arbeidsverleden van verzoekster ziet er als volgt uit.

3.2. Verzoekster (geboren op 26 oktober 1939) is sedert augustus 1985
werkzaam als docente Recht in het Middelbaar Beroepsonderwijs en sinds 1992
ook als docente Persoonlijke en Maatschappelijke Beroepsvorming.

Zij begon haar onderwijscarrière op 26 augustus 1985, toen zij in dienst trad
bij de Katholieke Stichting ter bevordering van Economisch en Administratief
Onderwijs Helmond. Deze aanstelling liep tot en met 31 juli 1986. Sinds 25
augustus 1986 werkt verzoekster bij de Stichting Voortgezet Onderwijs
Eindhoven (SVOE). Vanaf die datum tot en met 31 juli 1987 was zij in
tijdelijke dienst. Vanaf 1 augustus 1987 is zij in vaste dienst aangenomen.
Verzoekster heeft van 25 augustus 1985 tot
1 september 1988 ook nog als docente gewerkt aan het Economisch Lyceum
Eindhoven, sectorschool voor de Economie. Deze school stond onder bestuur van
de wederpartij.

De maximum schaal voor de functie van leraar Recht is schaal 11. Verzoekster
is gedurende haar dienstverband als volgt ingeschaald geweest:

– augustus 1985 schaal 8 regelnummer 0
– september 1986 schaal 8 regelnummer 1
– augustus 1987 schaal 8 regelnummer 2
– november 1987 schaal 8 regelnummer 3
– augustus 1988 schaal 8 regelnummer 4
– augustus 1990 schaal 9 regelnummer 2
– augustus 1991 schaal 9 regelnummer 3
– maart 1996 schaal 9 regelnummer 7.

3.3. Sinds verzoekster in het onderwijs werkzaam is, heeft zij de volgende
cursussen gedaan:
– 1988 computertoepassing in het vak Recht
– in 1991 leergang Milieukennis Overdracht
– in 1992 bijscholing Nieuw Burgerlijk Wetboek
– in 1992-1993 bijscholing module Persoonlijke Maatschappelijke
Beroepsvorming
– 1995 docentenleergang Arbozorg in het midden- en klein bedrijf.

3.4. Voordat verzoekster in het onderwijs ging werken heeft zij de volgende
werkzaamheden verricht.
Zij is na de middelbare school begonnen met administratief en secretarieel
werk. In verband met de geboorte van haar kinderen, is zij met werken
gestopt. In de periode 1968-1985 heeft verzoekster naast de opvoeding van
haar kinderen vrijwilligerswerk gedaan en Nederlands Recht gestudeerd. In
maart 1985 behaalde zij haar meestertitel. Het vrijwilligerswerk bestond uit:

– deelname in commissies van sport- en muziekverenigingen;
– werkzaamheden als onbezoldigd ambtenaar van de burgerlijke stand;
– werkzaamheden als bestuurslid/secretaris van de Centrale Ondersteuning voor
vrijwilligerswerk en samenlevingsopbouw.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster brengt het volgende naar voren.

Zij is van mening dat de wederpartij bij haar inschaling en beloning jegens
haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.
Door het systeem van beloning in het onderwijs worden vrouwen financieel
achtergesteld. Het zijn namelijk vooral vrouwen die, vanwege de zorg voor
kinderen, op latere leeftijd aan het arbeidsproces deelnemen.

Tot april 1985 was het salarissysteem in het onderwijs gebaseerd op opleiding
en leeftijd. Vanaf die datum laat de salarisregeling geen ruimte meer voor
waardering van onbetaalde levenservaring.
Aangezien verzoekster pas in augustus 1985 in het onderwijs begon te werken,
is bij haar inschaling geen rekening gehouden met haar opleiding en de door
haar opgedane levenservaring zoals opvoeding van kinderen, vrijwilligerswerk
en kantoorwerkzaamheden.

Nu de salarissystematiek het niet mogelijk maakt om de salarisschalen
versneld te doorlopen, blijft de ongelijkheid die is ontstaan bij de
inschaling van verzoekster in de beloning doorwerken. Verzoekster verzet zich
tegen het voortduren van deze situatie, die ertoe leidt dat zij nog steeds
lager wordt beloond dan collega’s. Na tien jaar in het onderwijs werkzaam te
zijn geweest, is verzoeksters beloning nog steeds lager dan van collega’s die
tien a vijftien jaar jonger zijn en slechts een tweede graads bevoegdheid
bezitten. Dit beloningsverschil komt alleen doordat die collega’s vóór april
1985 in dienst zijn getreden.

Als verzoekster na 20 jaar onderwijservaring de pensioen-gerechtigde leeftijd
bereikt, zal zij nog steeds niet het maximum salaris in haar salarisschaal
hebben bereikt. Dit heeft ook weer uitwerking op haar pensioenaanspraken. In
dit verband verwijst verzoekster naar de inschaling van een mannelijke
collega. Hij was sinds januari 1975 in het onderwijs werkzaam en was in april
1996 in schaal 12 regelnummer 10 ingeschaald.

3.6. De wederpartij voert het volgende aan.

Zij is van mening dat zij bij de inschaling van verzoekster geen onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt. Verzoekster heeft voordat zij de functie docente
Recht ging uitoefenen niet eerder een betrekking in het onderwijs vervuld. De
werkzaamheden die zij eerder heeft verricht waren van
administratieve/secretariële aard en daarom niet relevant voor de
vaststelling van haar salaris volgens het RPBO. In dit verband verwijst de
wederpartij naar een uitspraak van de kantonrechter te Emmen (14 februari
1996, nr. 499/1994). Hieruit kan afgeleid worden dat alleen relevante
betaalde werkervaring bij de inschaling meegenomen moet worden. Gelet hierop
is de inschaling van verzoekster correct geweest. Die ervaring is overigens
wel relevant geweest bij de selectie van verzoekster: mede daardoor heeft zij
een aanstelling gekregen. Het is echter niet mogelijk om die ervaring verder
te honoreren.

Wederpartij is gebonden aan de normen zoals neergelegd in het RPBO. Hierop is
ook de toekenning van de financiële middelen aan de instelling gebaseerd. Dit
betekent dat er in feite nauwelijks of geen ruimte is om bijvoorbeeld de in
werktijd opgebouwde expertise extra te belonen door hogere inschaling of
toekenning van periodieken en zo het verschil in beloning tussen verzoekster
en sommige collega’s te verminderen. De instelling loopt daarbij het risico
dat zij zelf de lasten moet dragen van de eventuele wachtgelden en
pensioenkosten die een gevolg zijn van die hogere beloning, hetgeen des te
zwaarder weegt gezien de leeftijdsopbouw van het personeelsbestand van de
wederpartij.

Verzoekster heeft toen zij kinderen kreeg er bewust voor gekozen om met
werken te stoppen. Zij had ook een andere keuze kunnen maken, door
bijvoorbeeld in deeltijd haar werk voort te zetten. Zij had er ook voor
kunnen kiezen haar opleiding eerder aan te vangen en te voltooien, waardoor
zij eerder op de arbeidsmarkt had kunnen intreden als docente Recht.
Ook bij mannen komt het voor dat zij een beroep verlaten om zich te laten
omscholen. Daarbij lopen zij evenzeer als verzoekster het risico dat bij
herintreding de eerdere ervaring niet meeweegt bij de vaststelling van het
salaris. Van onderscheid op grond van geslacht is er daarom geen sprake.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster op het punt
van beloning, een arbeidsvoorwaarde, heeft gehandeld in strijd met de gelijke
behandelingswetgeving, door een salarissysteem toe te passen dat:
– bij het vaststellen van het aanvangssalaris uitgaat van het criterium
laatstgenoten salaris en geen rekening houdt met onbetaalde ervaring;
– de bij de aanvang van het dienstverband op grond van verschil in ervaring
ontstane beloningsverschillen gedurende het gehele verdere loopbaantraject
(in ieder geval gedeeltelijk) laat voortbestaan.

4.2. In de eerste plaats zal vastgesteld moeten worden aan welke wettelijke
bepalingen de onderhavige zaak getoetst moet worden.
In 1985, toen verzoekster werd ingeschaald, gold de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen in de burgerlijke en openbare dienst van 1 juli 1980
(hierna: WGBBOD). Hierna gold de herziene Wet gelijke behandeling mannen en
vrouwen van 1 juli 1989 (hierna: de WGB).

Zowel artikel 1 WGBBOD als artikel 1a lid 1 WGB verbieden het bevoegd gezag
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij onder meer de
arbeidsvoorwaarden. De betreffende bepalingen verbieden zowel direct als
indirect onderscheid naar geslacht.
Van direct onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden is sprake wanneer
rechtstreeks wordt verwezen naar geslacht. Van indirect onderscheid is sprake
wanneer onderscheid op grond van een bepaald criterium of voorschrift met
name een nadelig effect heeft voor personen van één geslacht, zonder dat
daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat.

De Commissie toetst niet of het RPBO juist is toegepast, zij beoordeelt wel
of er bij de inschaling en de beloning op basis van het RPBO onderscheid naar
geslacht is gemaakt.

4.3. De Commissie alsook haar voorgangster, de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, hebben reeds eerder uitgesproken dat een
regeling die alleen die ervaring financieel waardeert die tot uiting komt in
het laatstgenoten salaris, en overige relevante ervaring geheel of overwegend
buiten beschouwing laat, onderscheid oplevert dat in overwegende mate nadelig
uitwerkt voor vrouwen (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 29 oktober 1993, oordeel 503-93-42; 2 december 1992, 348 t/m
351-92-61 t/m 64; 2 december 1992, oordeel 367-92-66; 29 december 1992,
oordeel 373-92-72 en Commissie gelijke behandeling oordeel 95-17). De
Commissie ziet zich in dit oordeel gesteund door de overwegingen van de Hoge
Raad alsmede van de Kantonrechter in de zaak Pot/SCOSZ (Pot/Stichting Centrum
voor Onderwijs-begeleiding voor de Zaanstreek, Hoge Raad, 25 november 1988,
NJ 1989, 730 en in dezelfde zaak Kantonrechter Zaandam, 15 februari 1990, zie
onder meer Nemesis 1990, nr 5, blz. 254-258). Ook de Kantonrechter Emmen
achtte de hierboven beschreven systematiek van het RPBO in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling. (Kantongerecht Emmen, 4 januari 1994,
Rechtspraak Nemesis 1995, 485.)

Tevens is de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: HvJEG) van belang. In de zaak Danfoss
oordeelde het HvJEG dat anciënniteit weliswaar herintredende vrouwen kan
benadelen vergeleken met mannen, maar dat de werkgever anciënniteit mag
belonen zonder dat hij behoeft aan te tonen wat het belang ervan is voor de
uitvoering van de aan de werknemer opgedragen specifieke werkzaamheden.
(Danfoss, HvJEG 17 oktober 1989, nr. 109/88, Jur. 1989, p. 3199). Van dit
standpunt is het HvJEG later teruggekomen in de zaak Nimz/Freie und
Hansestadt Hamburg. Daarin heeft het HvJEG uitgesproken dat het verband
tussen de aard en verwerving van vaardigheden en het aantal dienstjaren in
het specifieke geval moet worden vastgesteld. (Nimz/Freie und Hansestadt
Hamburg, HvJEG, 7 februari 1991, nr. 184/89, Rechtspraak Nemesis 1991, 164).
Het Hof overwoog dat anciënniteit niet per definitie een betere vervulling
van de taak oplevert en niet voor algemene categorieën van werknemers kan
gelden. Een automatische koppeling in de arbeidsvoorwaarden tussen
dienstjaren en werkervaring kan in strijd met artikel 119 EEG-Verdrag komen.

4.4. Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden, constateert de
Commissie dat de wederpartij de criteria bij inschaling gelijkelijk bij
mannen en vrouwen toepast. Van een direct onderscheid tussen mannen en
vrouwen is dan ook geen sprake.

De vraag rijst vervolgens of er bij de toepassing van het RPBO bij de
inschaling sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht. Dit is
het geval wanneer het RPBO op dit punt onderscheid oplevert dat direct
onderscheid op grond van geslacht ten gevolge heeft.

4.5. Verzoekster is toen zij in 1985 in het onderwijs ging werken in schaal 8
regelnummer 0 ingeschaald. Bij haar inschaling is geen rekening gehouden met
de eerdere ervaring die zij betaald en onbetaald heeft verricht. Deze eerdere
ervaring betreft evenwel geen onderwijservaring.

Het is niet aan de Commissie om een oordeel te geven over de relevantie van
bepaalde ervaring bij het uitoefenen van – zoals in casu – een functie in het
voortgezet onderwijs.
De Commissie constateert wel dat het uitgangspunt van de salarisregeling,
aansluiting bij laatstgenoten salaris, onvoldoende ruimte biedt voor
waardering van relevante onbetaalde ervaring en andere dan de in het RPBO
erkende ervaring. De enige ervaring die door het RPBO wordt erkend, is
werkervaring en anciënniteit op basis van betaalde werkervaring.

4.6. In de maatschappelijke situatie zoals die bestond toen verzoekster bij
de wederpartij in dienst trad, gold het als een feit van algemene bekendheid
dat meer vrouwen dan mannen hun beroepsloopbaan onderbraken in verband met de
verzorging van kinderen. Bij herintreding hadden zij dan ook minder betaalde
ervaring en anciënniteit. Dit veroorzaakt onder de inschalingssystematiek van
het RPBO een ongelijke inschaling. Na de indiensttreding veroorzaakt de
inschaling tevens een ongelijk salarisverloop dat niet meer gecorrigeerd kan
worden.

In het oordeel in de onder 2.1. genoemde zaak tegen de Minister (nummer
97-54) heeft de Commissie geoordeeld dat het RPBO leidt tot een verboden
indirect onderscheid op grond van geslacht, door het ontbreken van de
mogelijkheid om onbetaalde ervaring te waarderen alsmede om een bij de
aanvang van de dienstbetrekking bestaand verschil in beloning op grond van
ervaring in de loop van de tijd in te lopen.

4.7. Door toepassing te geven aan het RPBO maakt de wederpartij derhalve
indirect onderscheid naar geslacht als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling. Immers, de wederpartij heeft een eigen verantwoordelijkheid voor
de naleving van de gelijke behandelingswetgeving. In het oordeel in de zaak
tegen de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (oordeel 97-54)
heeft de Commissie reeds aangegeven dat voor het gemaakte indirect
onderscheid geen objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn. Ook het
enkele feit, dat de werkelijke (financiële) marges voor de wederpartij om een
eigen beleid in deze te voeren zeer beperkt zijn, kan niet als voldoende
rechtvaardiging gelden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het (….) te Eindhoven jegens
mevrouw (….) te Veldhoven bij de beloning indirect onderscheid naar
geslacht maakt, en daarmee handelt in strijd met artikel 1a lid 1 alsmede de
artikelen 7 t/m 10 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 28 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is belast met de organisatie van het landelijk
bevolkingsonderzoek borstkanker. Verzoekster is voornemens aan een mannelijke
kandidaat voor de functie van laborant een arbeids-overeenkomst (met
verlengde) proeftijd aan te bieden, in verband met de mogelijke
geslachtsbepaaldheid van de functie. Voorts heeft verzoekster een voorkeur
voor een mannelijke kandidaat omdat bij verzoekster thans alleen vrouwen in
dienst zijn.
De Commissie overweegt dat de functie van laborant als een geslachtsbepaalde
beroepsactiviteit kan worden beschouwd. Ten aanzien van de tijdelijke
arbeidsovereenkomst met verlengde proeftijd overweegt de Commissie, dat deze
mogelijkheid in strijd zou komen met het absolute verbod (BW) om een
proeftijd over een te komen van langer dan twee maanden. Wél is het
toegestaan om de mannelijke laborant eerst een contract voor bepaalde tijd
aan te bieden. Een voorkeursbeleid voor mannen is op grond van de gelijke
behandelingswetgeving niet toegestaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 14 februari 1997 verzocht de (….) te (….) (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of (….) onderscheid zou maken als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling door een tijdelijke arbeidsovereenkomst met een
(verlengde) proefperiode aan te gaan met een mannelijke kandidaat voor de
functie van laborant.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft de Commissie aanvankelijk verzocht om de zaak
met spoed te behandelen. Naar aanleiding van latere informatie, waaruit bleek
dat de zaak niet (meer) spoedeisend was, heeft de Commissie de zaak met
voorrang behandeld.

Verzoekster heeft haar standpunt schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens is verzoekster opgeroepen om te verschijnen op een zitting
van de Commissie op 24 maart 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– dhr. (….) (directeur)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Het bevolkingsonderzoek borstkanker is een landelijk
bevolkingsonderzoek, dat regionaal wordt georganiseerd.
Doel van het onderzoek is om in een zo vroeg mogelijk stadium borstkanker te
diagnosticeren.

Verzoekster is belast met de organisatie van het bevolkings – onderzoek
(hierna: het onderzoek) voor de regio (….). Zij is een samenwerkingsverband
tussen (….).

Het onderzoek beperkt zich tot vrouwen van 50 tot en met 69 jaar. Vrouwen
worden eenmaal per twee jaar voor het onderzoek uitgenodigd. Zij zijn niet
verplicht aan deze uitnodiging gehoor te geven.
Het onderzoek wordt uitgevoerd door drie radiodiagnostisch laboranten in een
hiervoor speciaal uitgerust mobiel onderzoekscentrum. Het onderzoekscentrum
is verdeeld in drie ruimtes: de receptie, de kleedruimte en de
onderzoeksruimte. De laborant ontvangt de vrouw in de receptieruimte, waar
een intakegesprek wordt gehouden. Daarna wordt de vrouw naar de kleedruimte
verwezen om haar bovenlichaam te ontkleden. Vervolgens wordt de vrouw naar de
onderzoeksruimte geleid waar de foto’s worden genomen. Bij vrouwen die voor
de eerste keer aan het onderzoek deelnemen, worden van elke borst twee foto’s
gemaakt. Bij een vervolgonderzoek wordt volstaan met één opname van elke
borst. Voor het maken van deze foto’s legt de laborant de borst op een
steunplaat. De borst moet vervolgens stevig worden samengedrukt tussen een
compressor en een film. Dit duurt kort, maar is soms pijnlijk. Direct na het
onderzoek ontwikkelen de laboranten de foto’s en bekijken ze op technische
kwaliteit. Daarna worden de foto’s door twee radiodiagnosten
medisch/inhoudelijk beoordeeld. De vrouw krijgt binnen twee weken na het
onderzoek de schriftelijke uitslag thuisgestuurd. Het is gebruikelijk dat een
vrouw wordt begeleid door één laborant.
Bij drukte worden de taken soms verdeeld over de laboranten.

3.2. Bij de uitvoering van het onderzoek maakt verzoekster thans uitsluitend
gebruik van vrouwelijke röntgen-laboranten. Ook binnen de andere regio’s
wordt bij het uitvoeren van het onderzoek uitsluitend met vrouwelijke
laboranten gewerkt.

3.3. In verband met het feit dat er bij verzoekster een aantal vacatures is,
loopt er momenteel een sollicitatieprocedure.
Eén van de kandidaten is een man. Verzoekster overweegt deze kandidaat aan te
nemen. Tijdens het sollicitatiegesprek zijn de voor- en nadelen van een
mannelijke laborant besproken. Verzoekster heeft met de kandidaat de
mogelijkheid besproken dat partijen een tijdelijke arbeidsovereenkomst
aangaan met een (verlengde) proefperiode, om te kunnen beoordelen in hoeverre
de vrijwillige deelname van vrouwen aan het onderzoek door een mannelijke
laborant negatief wordt beïnvloed.

3.4. Met nieuwe medewerkers wordt in het algemeen een arbeidsovereenkomst
voor bepaalde tijd van één jaar afgesproken, gevolgd door een overeenkomst
voor onbepaalde tijd bij verlenging.

De standpunten van verzoekster

3.5. De doelstelling van verzoekster is om bij zoveel mogelijk vrouwen in een
zo vroeg mogelijk stadium borstkanker op te sporen.
Verzoekster acht het mogelijk dat de uitgenodigde vrouwen zich geremd zullen
voelen om aan het onderzoek deel te nemen, wanneer zij door een mannelijke
laborant onderzocht zullen worden.
Dit geremd voelen houdt verband met de aard van het onderzoek. Het gaat om
een intiem onderzoek waarbij sprake is van fysiek contact. Een vergelijkbaar
onderzoek wordt ook wel in het ziekenhuis gedaan. Daar blijkt het geen
probleem te zijn dat het onderzoek door mannelijke laboranten wordt
uitgevoerd. Dit heeft mogelijk te maken met het feit dat in dat geval de
vrouwen al ziek zijn. Bij het bevolkingsonderzoek gaat het echter om een
preventief onderzoek waaraan op vrijwillige basis wordt deelgenomen.

3.6. De reden dat verzoekster een man wil aannemen heeft te maken met het
volgende. In het licht van de samenstelling van haar personeelsbestand
(uitsluitend vrouwelijke, merendeels in deeltijd werkzame laboranten) geeft
verzoekster er de voorkeur aan om een man met een voltijds dienstverband aan
te nemen. De mannelijke kandidaat heeft veel ervaring opgedaan met het werken
als laborant in een ziekenhuis. Uit een enquête onder het personeel van
verzoekster blijkt dat de meeste laboranten geen bezwaar hebben tegen het
aannemen van een man.

3.7. Verzoekster is van plan in haar voorlichtingsmateriaal en
correspondentie aan te geven dat bij haar ook mannen als laborant werkzaam
zijn, wanneer zij inderdaad een of meer mannen zal hebben aangenomen.
De wederpartij is van plan op elk onderzoekscentrum in ieder geval een
vrouwelijke laborant aanwezig te laten zijn. Ook zal zij waarschijnlijk bij
allochtone vrouwen alle handelingen door een vrouwelijke laborant laten
verrichten.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of verzoekster door aan de te sluiten
arbeidsovereenkomst met een man bijzondere voorwaarden te verbinden bij de
vervulling van een openstaande betrekking verboden onderscheid op grond van
geslacht zal maken.

4.2. Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
verbiedt het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de aanbieding
van een betrekking en bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.
Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat van het in lid 1 bepaalde mag worden
afgeweken in die gevallen waarin ingevolge deze of enige andere wet bij het
aanbieden van een betrekking onderscheid tussen mannen en vrouwen mag worden
gemaakt en, voor zover het betreft een openlijke aanbieding van een
betrekking, de grond voor dat onderscheid daarbij uitdrukkelijk wordt
vermeld.

Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) (Per 1 april 1997 is deze
bepaling vervallen. De bepalingen in artikel 7:646/647/648 BW bevatten normen
van gelijke strekking) bepaalt (onder meer) dat een werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij het aangaan van een
arbeidsovereenkomst.

In artikel 5 lid 1 WGB, respectievelijk artikel 7A:1637ij lid 4, is bepaald
dat van het in artikel 3 WGB, respectievelijk artikel 7A:1637ij lid 1 BW,
bepaalde mag worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen
in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen of te verminderen en indien het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot het beoogde doel.

Artikel 5 lid 2 WGB schrijft voor dat voor zover het betreft de toegang tot
beroepsactiviteiten, uitzonderingen zijn toegelaten in die gevallen waarin
vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de betreffende
beroepsactiviteit het geslacht bepalend is voor de functie. Artikel 5 lid 3
sub c. WGB stelt dat een aantal beroepsactiviteiten waarbij sprake kan zijn
van geslachtsbepaaldheid nader bij of krachtens algemene maatregel van
bestuur wordt aangewezen.

Artikel 7A:1637ij lid 2 BW bepaalt dat van het eerste lid in dit artikel mag
worden afgeweken in die gevallen waarin het geslacht bepalend is. Daarbij is
artikel 5 lid 3 WGB van overeenkomstige toepassing.

Aan artikel 5 lid 3 sub c. WGB is nadere uitwerking gegeven in het Koninklijk
Besluit inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn
(hierna: Besluit) (Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend
kan zijn, Stb. 1989, 207).

Artikel 1 aanhef Besluit bepaalt dat als beroepsactiviteiten waarvoor in een
voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening ervan
het geslacht bepalend kan zijn, slechts beschouwd mogen worden die welke
behoren tot één of meer van de volgende categorieën:
e.) de beroepsactiviteiten die inhouden de persoonlijke verzorging,
verpleging of opvoeding van dan wel hulpverlening aan personen, indien de
goede uitoefening van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de
arbeidsorganisatie ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon
van een bepaald geslacht;
f.) de beroepsactiviteiten die inhouden de behandeling of bejegening van
personen, indien wegens ernstige schaamtegevoelens bij deze personen de goede
uitoefening van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de
arbeidsorganisatie ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon
van een bepaald geslacht.

In de Nota van Toelichting op het Besluit staat vermeld dat de categorie van
beroepsactiviteiten, zoals genoemd in artikel 1 sub e. en f. van het Besluit,
wordt beperkt door `de objectiveerbare eis dat de goede uitoefening van de
bewuste beroepsactiviteiten uitsluitend kan geschieden door personen van een
bepaald geslacht, terwijl dit gegeven in het geheel van de arbeidsorganisatie
ook een zodanige betekenis moet hebben, dat daaruit consequenties getrokken
moeten worden door het aanbieden van de betrekking aan een persoon van een
bepaald geslacht.’ en `In deze afweging (..) moet derhalve tevens worden
betrokken de mogelijkheid om de werkzaamheden in de betreffende
arbeidsorganisatie zodanig in te richten, dat aan de voorwaarden voor een
goede uitoefening van de aangeboden betrekking wordt voldaan zonder dat dit
tot gevolg heeft (..) dat een betrekking slechts aan een persoon van een
bepaald geslacht moet worden aangeboden (Tweede Kamer 1986-1987, 19908, nr.
3, p. 47 en 48).
Uit bovenstaande blijkt dat geslachtsbepaaldheid van een functie niet al te
snel aangenomen moet worden.

Een voorbeeld van de beroepsactiviteiten genoemd bij onderdeel f, is de
beroepsactiviteit van visiteurs en visiteuses (Zie `Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen’, Prof. mr. I.P. Asscher-Vonk en mr. K. Wentholt,
Kluwer-Deventer 1994, p. 52 en 53). Voorwaarde is, dat het onderscheid
noodzakelijk is om de werkzaamheden in de betreffende arbeidsorganisatie
zodanig in te kunnen richten dat aan de voorwaarden voor de goede uitoefening
van de betrekking wordt voldaan. De Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid (GCB m/v) heeft geoordeeld dat de dringende
wenselijkheid van de aanstelling van iemand van een bepaald geslacht,
voortspruitend uit de omstandigheid dat zodanige schaamtegevoelens leven dat
een reële optie voor een arts met het geslacht van hun voorkeur moet worden
geboden, niet betekent dat alle functies van arts bij die werkgever
geslachtsbepaald zijn. Wanneer slechts uit de motivering van de werkgever de
dringende wenselijkheid afgeleid kan worden, zonder dat het ook noodzakelijk
is dat de betrokken functie door een persoon van een bepaald geslacht wordt
vervuld, komt de werkgever geen beroep toe op de in art. 5 lid 3 genoemde
uitzondering. (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 24 april 1990, oordeel 7-90-13.)

Reeds diverse malen hebben de CGB m/v en de huidige Commissie overwogen dat
bij de toetsing of een concreet geval valt binnen de termen van de
uitzonderingen zoals het Besluit die uitwerkt, zorgvuldig moet worden bezien
of daarbij voldaan wordt aan alle daarin gestelde eisen. Uitzonderingen op
het gebod van gelijke behandeling dienen in het algemeen restrictief
uitgelegd te worden, teneinde te voorkomen dat dit gebod al te zeer wordt
uitgehold (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
30 augustus 1990, oordeel 55B-90-118 en Commissie gelijke behandeling, 11
juni 1996, oordeel 96-41.).

4.3. Het door verzoekster aan de orde gestelde probleem roept de volgende
vragen op:
1) Handelt verzoekster in strijd met de wet door (haar voornemen) de
mannelijke kandidaat een tijdelijke arbeidsovereenkomst (met verlengde)
proeftijd aan te bieden?
2) Is het toegestaan dat verzoekster een voorkeur heeft voor de mannelijke
kandidaat, omdat bij verzoekster thans alleen vrouwen in dienst zijn?
3) Is de functie van laborant, zoals die bij verzoekster wordt uitgeoefend,
geslachtsbepaald?

4.4. De Commissie zal de laatstvermelde vraag het eerst behandelen.

Het onderzoek betreft onderzoek aan de borsten van de onderzochte vrouw,
waarbij fysiek contact met de behandelend laborant plaatsvindt. Het onderzoek
kan derhalve als intiem aangeduid worden. Bij een dergelijk onderzoek kunnen
schaamtegevoelens van de te onderzoeken vrouwen een rol spelen.

Uit een onderzoek van A. van den Brink-Muinen (Zie `Gender, health and health
care in general practice: A comparison between women’s health care and
regular health care/ A. van den Brink-Muinen. NIVEL-Utrecht. Proefschrift
Universiteit Utrecht, 1996) onder patiënten van huisartsen blijkt het
volgende. Vrouwelijke patiënten geven, indien mogelijk, de voorkeur aan een
vrouwelijke huisarts. Deze voorkeur wordt nog groter bij grondig (intiem)
fysiek onderzoek of onderzoek waarbij sprake is van complete ontkleding.
Vrouwen voelen zich meer op hun gemak bij een vrouwelijke huisarts en vinden
het gemakkelijker en minder verwarrend om met een vrouwelijke huisarts te
praten, in verband met gevoelens van schaamte en angst. De vrouwelijke
huisartsen zouden een prettiger fysieke behandeling geven. De vrouwelijke
huisartsen werden ook meer geconsulteerd. Jonge vrouwelijke patiënten maken
overigens hun voorkeur voor een vrouwelijke huisarts eerder kenbaar dan
oudere patiënten.

Hoewel dit onderzoek niet direct betrekking heeft op de doelgroep van
verzoekster, overweegt de Commissie dat de resultaten van dit onderzoek van
waarde zijn voor de beoordeling van het onderhavige geval. Het onderzoek
heeft immers betrekking op die vragen waarvoor de Commissie zich gesteld
ziet, namelijk de ervaring van vrouwen bij hulpverlening en het voorkomen van
schaamtegevoelens die een goede hulpverlening kunnen belemmeren.

De Commissie overweegt dat uit de voorkeur van vrouwelijke patiënten voor
vrouwelijke huisartsen, in het bijzonder bij grondig fysiek onderzoek gepaard
gaand met complete ontkleding, waaronder borstonderzoek, kan worden afgeleid
dat een mannelijke laborant een negatief effect zou kunnen hebben op de
bereidheid van vrouwen om mee te werken aan het vrijwillige onderzoek naar
borstkanker.

Zoals uit het bovenstaande blijkt, is verzoekster onzeker over de gevolgen
van het in dienst nemen van een mannelijke laborant. Verzoekster heeft
aangegeven dat in ieder geval voor die vrouwen, waarvan uit onderzoek of
anderszins algemeen bekend is, dat zij bij dit soort onderzoek alleen door
vrouwen geholpen willen worden, een vrouwelijke laborante beschikbaar zal
zijn. Verzoekster heeft ook te kennen gegeven dat het op zich
technisch-organisatorisch mogelijk is om binnen de werkzaamheden van de
laborant de taken te differentiëren in die zin dat het positioneren van de
vrouwen voor het maken van de foto’s als afzonderlijke taak toegedeeld kan
worden aan een vrouwelijke laborante. Een dergelijke taakopsplitsing is
echter niet gebruikelijk en brengt tevens extra kosten met zich.
Verzoekster heeft tenslotte aangegeven de gevolgen van het aanstellen van een
mannelijke laborant zo nauwkeurig mogelijk te zullen bijhouden, wanneer zij
een man in dienst zou nemen.

De Commissie overweegt dat onder deze omstandigheden de functie van laborant
als een geslachtsbepaalde beroepsactiviteit in de zin van artikel 1 sub e en
f van het Besluit gekwalificeerd kan worden.
Het bevolkingsonderzoek borstkanker is voor vrouwen van groot belang. De
bereidheid van de betreffende vrouwen om aan het preventieve onderzoek mee te
doen is daarom van doorslaggevend belang. Uit het feit dat de
collega-instellingen van verzoekster uitsluitend vrouwelijke laboranten in
dienst hebben, in samenhang met het bovenvermelde wetenschappelijk onderzoek
komt het de Commissie zeer aannemelijk voor dat op de bereidheid van de
doelgroep om aan het onderzoek mee te werken een mannelijke laborant
tenminste een negatief effect zal hebben. Zoals verzoekster zelf ook reeds
aangaf, zal dit effect zich zeker bij bepaalde groepen allochtone en
orthodox-kerkelijke vrouwen voordoen. Onder deze omstandigheden leggen de
mogelijke technisch-organisatorische oplossingen te weinig gewicht in de
schaal.

De Commissie overweegt tevens dat uitzonderingen op (de) gelijke behandeling
(van mannen en vrouwen), zoals het aanmerken van beroepsactiviteiten als
geslachtsbepaald, zo beperkt mogelijk toegepast moeten worden. Dergelijke
beperkingen dienen voortdurend op hun al dan niet strijdigheid met het
beginsel van gelijke behandeling in de loop der (veranderende) tijden
getoetst te worden. In dat licht beoordeelt de Commissie het eventuele in
dienst nemen van een mannelijke laborant door verzoekster als een positief te
waarderen experiment, waaraan echter niet reeds nu de consequentie behoeft te
worden verbonden, dat de functie van laborant als niet (meer)
geslachtsbepaald beschouwd moet worden.

4.5. Ten aanzien van de overige vragen overweegt de Commissie het volgende.

Hoewel de Commissie niet tot taak heeft arbeidsrechtelijke vragen te
beoordelen, overweegt de Commissie ten aanzien van de door verzoekster als
mogelijkheid aangegeven arbeids-overeenkomst met verlengde proeftijd, dat
deze mogelijkheid in strijd zou komen met het absolute verbod (BW) om een
proeftijd overeen te komen van langer dan twee maanden. Wel is het toegestaan
om de mannelijke laborant eerst een contract voor bepaalde tijd aan te
bieden, zoals overigens bij verzoekster gebruikelijk is. De Commissie heeft
daarom de vraag van verzoekster in die zin opgevat. Bij het al dan niet
omzetten van dit contract in een contract voor onbepaalde tijd heeft
verzoekster dan de mogelijkheid om te beoordelen of er nog steeds sprake is
van een geslachtsbepaalde functie. Op deze wijze wordt er geen onderscheid
gemaakt tussen mannen en vrouwen bij de arbeidsvoorwaarden.

Een voorkeursbeleid voor mannen is op grond van de gelijke
behandelingswetgeving niet toegestaan. Ook in het geval dat bij een
werkgever, zoals in dit geval verzoekster, alleen vrouwen werkzaam zijn en de
werkgever uitsluitend vanwege dat feit aan een man in een concrete
vacature-situatie de voorkeur wil geven op grond van zijn geslacht, staat de
wet geen uitzondering op het beginsel van gelijke behandeling toe. Krachtens
artikel 5 lid 1 WGB mag van het verbod om onderscheid te maken tussen mannen
en vrouwen slechts worden afgeweken in geval van een voorkeursbeleid voor
vrouwen. Uit de parlementaire behandeling van de herziening van de WGB blijkt
dat de in artikel 5 lid 1 WGB vermelde beperking een bewuste keuze van de
wetgever is geweest. De visie
van de betrokken ministers, welke door de Tweede Kamer wordt ondersteund,
wordt in de Memorie van Toelichting als volgt verwoord:
`(….)..Gelet op de huidige positie van vrouwen, zowel wat betreft de
deelname aan de arbeid als wat betreft de spreiding over de functies en
beroepen en de niveaus daarbinnen, verkeren vrouwen nog steeds in een
achterstandssituatie. Dit is een belangrijke overweging geweest voor de
beperking van de voorkeursbehandeling tot vrouwen. De huidige algemene
arbeidssituatie van mannen is anderzijds zodanig dat er geen grond zal zijn
om een beroep te doen op deze uitzondering om feitelijke ongelijkheden op te
heffen. Het achterwege laten van een toepassingsmogelijkheid voor mannen in
individuele gevallen achten wij met het oog op de algemene
achterstandssituatie van vrouwen alleszins verantwoord. Hierbij zij tevens
opgemerkt dat het percentage mannen dat in vrouwenberoepen werkzaam is
sneller gestegen is dan dat van vrouwen in mannenberoepen(….)’

Het bovenstaande leidt tot het volgende oordeel.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (….) te (….) de functie
van radiodiagnostisch laborant als een geslachtsbepaalde beroepsactiviteit,
als bedoeld in het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend
kan zijn, mag beschouwen. Zij handelt niet in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling wanneer zij aan een mannelijke kandidaat, mede op grond hiervan,
een functie voor bepaalde tijd aanbiedt.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. P.M. van der Sluis(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)