Commentaar op concept wetsvoorstel Dubbele Achternaam – internetconsultatie 21 maart 2021

De VVR heeft een uitvoerig commentaar ingezonden op het concept wetsvoorstel dubbele achternaam dat tot 22 maart 2021 ter internetconsultatie voorlag.
In het VVR commentaar lag het accent op de noodzaak het naamrecht van zijn patriarchale fundament te ontdoen. Hoog tijd om de Nederlandse wetgeving in overeenstemming te brengen met de Grondwet, het VN-Vrouwenverdrag en andere internationale verdragen.

VVR Reactie internet consultatie dubbele achternaam [brief, commentaar, bijlagen]

VVR bijdrage internet consultatie wetsvoorstel dubbele achternaam

De Internetconsultatie kende vijf vragen en bood daarnaast de mogelijkheid om een uitvoeriger commentaar in PDF toe te voegen. Daar heeft de VVR ook gebruik van gemaakt.

Vraag1
Hoe kijkt u aan tegen de verruiming van de keuzemogelijkheden voor achternamen?

De Vereniging voor Vrouw en Recht Clara Wichmann (VVR) is positief over de verruiming van keuzemogelijkheden voor achternamen, mits het keuzerecht het mensenrechtelijke beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen in het naamrecht ten principale borgt. Dat doet het huidige ontwerp wetsvoorstel niet.

Vraag2
Welke voordelen ziet u aan een dubbele achternaam en welke nadelen?

Het voordeel kan zijn dat een dubbele achternaam de discriminerende vangnetbepaling (vader beslist uiteindelijk) uit de huidige wetgeving kan vervangen. Mits het voorstel op de juiste manier wordt aangepast.

Vraag3
In het voorstel worden al bestaande dubbele (of meervoudige) achternamen als één geheel behandeld. Wat vindt u daarvan?

Daar heeft de VVR geen specifieke mening over, mits het voorstel op de juiste manier wordt aangepast.

Vraag4
Is het wetsvoorstel correct en compleet?

Nee, want het probeert stilzwijgend het patriarchale fundament in de huidige wetgeving te continueren. Dat is is strijd met de Grondwet, en internationale mensenrechtenverdragen.

Vraag5
Welke problemen kan dit voorstel in de praktijk opleveren?

De discussie over het patriarchale karakter van de huidige wetgeving blijft voortduren.

Raad van State kritisch over voorgestelde Wet Regulering Sekswerk

Op 27 januari 2021 bracht de afdeling advisering van de Raad van State (RvS) haar advies over het wetsvoorstel regulering sekswerk (WRS) uit (kamerstuknummer 34 091). Dit wetsvoorstel beoogt onder meer  een landelijke registratie- en vergunningplicht voor sekswerkers in te voeren. Sekswerkers die zich niet willen of kunnen registreren of aan wie een vergunning wordt geweigerd kunnen een boete krijgen die kan oplopen tot 20.500 euro. Klanten en werkrelaties van onvergunde sekswerkers worden strafbaar (resp. max. 1 en 2 jaar gevangenisstraf). De VVR staat zeer kritisch tegenover een dergelijke registratie- en vergunningplicht, omdat zij van mening is dat deze niet zal bijdragen aan het voorkomen of verminderen van misstanden in de seksbranche, maar juist aan het verdringen van sekswerkers naar het illegale circuit (zie het uitgebreid overzicht van de bezwaren van de VVR tegen de WRS).

De VVR is daarom verheugd met het advies van de RvS waarin deze stelt dat, hoewel zij het doel om misstanden in de seksbranche tegen te gaan en te zorgen dat sekswerkers hun werk veilig kunnen doen belangrijk vindt, zij ‘ernstige twijfels’ heeft of “het vergunningensysteem voor prostituees zoals voorgesteld daaraan een positieve bijdrage zal leveren”. De RvS denkt dat het vergunningvereiste een hoge drempel zal vormen om het beroep van sekswerker legaal uit te oefenen, waardoor illegale prostitutie en daarmee de kans op misstanden zal toenemen, omdat sekswerk daarmee uit het zicht verdwijnt. Ook wijst zij erop dat registratie bijdraagt aan verdere stigmatisering van sekswerkers. De RvS snijdt ook nog een aantal andere behartenswaardige punten aan over strijdigheid van het wetsvoorstel met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De vergunningplicht en registratie zijn naar het oordeel van de Afdeling een inbreuk op het recht op respect voor het privéleven. Daarbij heeft zij ernstige twijfels of voldaan is aan de eisen van noodzakelijkheid, effectiviteit en evenredigheid. Het is volgens de RvS dan ook de vraag of de inbreuken op het recht op privéleven en het recht op bescherming van bijzondere persoonsgegevens gerechtvaardigd kunnen worden. De RvS bevestigt daarmee de visie van de VVR dat de voorgestelde verplichte registratie van sekswerkers het tegenovergestelde bereikt van wat het wetsvoorstel beoogt.

Daarnaast verwelkomt de VVR het standpunt van de RvS dat de overheid beter kan inzetten op intensivering van het algemene toezicht en de handhaving door het openbaar ministerie en gemeenten op basis van de op dit moment geldende regelgeving. Zij adviseert dan ook het vergunningenstelsel zoals voorgesteld te schrappen. De VVR deelt de visie van de RvS dat als daarbij goed in kaart wordt gebracht wat precies de aard van de misstanden is, hulpverlening, toezicht en handhaving daarop kunnen worden toegespitst.

Tenslotte heeft de RvS bezwaar tegen de mogelijkheid van gemeenten om een nulbeleid te voeren en de voorgestelde strafbaarstelling van het faciliteren van onvergunde prostitutie en van de klant. Concluderend adviseert zij het voorstel niet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen, tenzij het wordt aangepast.

Omdat de WRS als een politiek gevoelig dossier wordt gezien, is dit wetsvoorstel na de val van het kabinet-Rutte III controversieel verklaard. Dit betekent dat het niet meer voor de verkiezingen in de Tweede Kamer behandeld mag worden. Mocht het wetsontwerp na de verkiezingen alsnog in behandeling komen, dan zal de VVR de inzichten van de RvS graag aanhalen in een commentaar op het wetsontwerp.

Carien Evenhuis en Jeroen de Wildt; Brief aan Eerste Kamer met commentaar op wetsvoorstel meer evenwichtige m-v verhouding in top bedrijfsleven, februari 2021

VVR-leden Carien Evenhuis en Jeroen de Wildt schreven aan de leden van de vaste commissie OCW van de Eerste Kamer een commentaar op het wetsvoorstel meer evenwichtige m-v verhouding in top bedrijfsleven. Ze wijzen er op dat ze een vrouwenquotum, dat voorgesteld wordt in het wetsontwerp, van harte ondersteunen. Het eveneens in het wetsontwerp opgenomen mannenquotum kan echter de internationaalrechtelijke toets niet doorstaan.
Ze roepen de leden van de Eerste Kamer op te bewerkstelligen dat via een novelle dit snel gerepareerd wordt.
2021-02-21 Commentaar inzake wetsvoorstel 35628 [wet vrouwenquotum] – def3

Brief aan Eerste Kamer over initiatief wetsvoorstel strafbaarstelling misbruik prostitué(e)s die slachtoffer zijn van mensenhandel (34 091), 25 februari 2021

VVR Reactie EK – Initiatiefvoorstel 34091 – 25 februari 2021

Geachte leden van de commissie Justitie en Veiligheid,

Binnenkort behandelt u het Initiatiefwetsvoorstel Strafbaarstelling misbruik prostitué(e)s die slachtoffer zijn van mensenhandel (34 091). De Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR) heeft grote twijfels over de toegevoegde waarde, de handhaafbaarheid en de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel.[1] Bovendien ziet zij een risico op ongewenste negatieve neveneffecten. Hieronder lichten wij dit graag nogmaals toe in aanloop naar de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in uw kamer.

Handhaafbaarheid, voorzienbaarheid en uitvoerbaarheid
In het wetsvoorstel pleiten Kamerleden Segers c.s. ervoor om een prostituant strafbaar te stellen indien “hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden” dat de sekswerker slachtoffer is van mensenhandel (zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder 1°). Deze formulering op basis van het zogenaamde culpa-beginsel laat onduidelijkheid bestaan over de reikwijdte van de voorgestelde strafbaarstelling: wanneer en op basis van welke aanwijzingen is het voor een klant voorzienbaar dat hij strafrechtelijk aansprakelijk is?

De VVR merkt op dat hoewel verschillende fracties de initiatiefnemers verzocht hebben meer duidelijkheid te verschaffen m.b.t. dit punt, zij tijdens de bespreking van het wetsvoorstel nagelaten hebben te specificeren onder welke omstandigheden een klant een “ernstige reden heeft om te vermoeden dat een sekswerker het slachtoffer van mensenhandel is”. Dit is in strijd met het lex certa-beginsel, dat stelt dat het voor iedereen duidelijk moet zijn welk handelen en nalaten leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid, alsmede welke sancties daar op kunnen volgen. De VVR deelt in dit opzicht ook het standpunt van GroenLinks dat de in de Memorie van Toelichting genoemde signalen op grond waarvan voor een klant kenbaar zou moeten zijn dat een sekswerker slachtoffer van mensenhandel is, dusdanig algemeen van aard zijn, dat zij op iedere sekswerker van toepassing kunnen zijn.

In plaats van inhoudelijk te reageren op deze zorgen omtrent de voorzienbaar- en handhaafbaarheid van de bepaling, stellen de initiatiefnemers alleen overtuigd te zijn van de wenselijkheid van de strafbaarstelling op basis van geluiden uit het veld van o.m. het Openbaar Ministerie, de politie en hulpverleners. Zoals de VVR reeds aangaf in haar eerdere brief – en zoals onlangs ook bevestigd werd door de Raad van State in haar recente advies m.b.t. het wetsvoorstel voor de Wet Regulering Sekswerk – blijft het ook voor deze professionals een uitdaging om slachtoffers van mensenhandel of uitbuiting in de seksindustrie te herkennen ondanks jaren ervaring met het identificeren van deze doelgroep. Hoe kan dan van klanten verwacht worden dat zij hiertoe in staat zijn? Een interessante hypothetische vraag in dit geval is, wat er gebeurt wanneer blijkt dat een klant gefaald heeft een slachtoffer van mensenhandel tijdig te herkennen, maar dit ook geldt voor hulpverleners en politie.

Geen toegevoegde waarde
Initiatiefnemers zijn er naar mening van de VVR niet in geslaagd overtuigend bewijs te leveren voor de toegevoegde waarde van het wetsvoorstel. Er bestaan al aanknopingspunten in het Wetboek van Strafrecht voor de strafbaarstelling van klanten op grond van art. 273f lid 1 sub 6 (opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting) of – relevanter in dit geval – art. 242 Sr. resp. 246 Sr. (verkrachting cq. aanranding). Onderzoek door de Rijksuniversiteit Groningen (RuG) bevestigde dat in gevallen waarin de onvrijwilligheid van een sekswerker “duidelijk kenbaar is door een samenstel van zichtbare factoren, zoals de locatie, de aard van de mensen in de nabijheid van de prostituee, verwondingen van de prostituee en vooral het gedrag van de prostituee” een klant die toch seksuele handelingen verricht met deze prostituee, volgens de huidige rechtspraak vervolgd kan worden voor verkrachting of aanranding.[2] Volgens de initiatiefnemers lenen deze artikelen zich niet voor de strafbaarstelling van klanten, omdat “het in de prostitutiesfeer moeilijk in algemene termen te vatten [is] waar in een concreet geval het omslagpunt ligt naar de benodigde onvrijwilligheid in het kader van verkrachting en aanranding”. Dit standpunt gaat voorbij aan de observaties van de RuG-onderzoekers. Het bevestigt bovendien de eerdere opmerking over het gebrek aan duidelijkheid wanneer en op basis van welke aanwijzingen het voor een klant voorzienbaar is dat hij strafrechtelijk aansprakelijk is.

Negatieve neveneffecten
De VVR wil nogmaals benadrukken dat hoewel zij van mening is dat het wetsvoorstel zal lijden onder een gebrek aan handhaafbaarheid in de praktijk, het wel of niet aannemen van dit wetsvoorstel geen kwestie is van ‘baat het niet dan schaadt het niet’. Het tegenovergestelde is waar. Klanten kunnen een belangrijke rol spelen bij het identificeren van misstanden in de prostitutiesector. Mede dankzij overheidscampagnes die gericht zijn op het bewust maken van klanten van sekswerkers van mogelijke misstanden via onder andere ‘Meld Misdaad Anoniem’, is het aantal meldingen van dergelijke misstanden bijvoorbeeld aanzienlijk gestegen. De initiatiefnemers van het wetsvoorstel stellen dat van de voorgestelde strafbaarstelling een duidelijkere “normatieve werking” uit zal gaan die zal leiden tot meer bewustwording onder klanten en zodoende ervoor zal zorgen dat meer klanten af zullen zien van seksuele handelingen met slachtoffers van mensenhandel.

Dat miskent dat onderzoek laat zien dat het merendeel van de klanten zich al verantwoordelijk voelt voor misstanden in de prostitutiesector, maar dat de bereidheid om deze misstanden te melden wordt beperkt door factoren zoals: gebrek aan eenduidige en betrouwbare informatie over misstanden; onvoldoende vertrouwen in de eigen oordeelsvorming; stigmatisering vanuit de overheid; en wantrouwen in de aanpak van misstanden[3]. Aangezien het wetsvoorstel – mede door het reeds genoemde gebrek aan voorzienbaarbeid – geen duidelijke handvaten biedt aan klanten om misstanden (in een vroeg stadium) te herkennen, is het onwaarschijnlijk dat het bijdraagt aan het wegnemen van voornoemde obstakels. Integendeel, het werpt extra barrieres op. Met het risico op zelfincriminatie op de loer, zullen klanten wel twee keer nadenken voordat zij zich met vermoedens van mensenhandel en/of uitbuiting tot de politie zullen wenden.

Tenslotte wil de VVR nogmaals benadrukken dat hoewel dit wetsvoorstel er op gericht zegt te zijn de positie van sekswerkers te verbeteren, sekswerkers zelf zeer kritisch tegenover de strafbaarstelling van klanten staan.[4] Een van de negatieve effecten is de versterking van de beeldvorming van sekswerk als criminogene sector en, daarmee samenhangend, een verdere stigmatisering en onzichtbaarheid van sekswerkers. Stigmatisering en marginalisering hebben een negatief effect heeft op de arbeidsomstandigheden en veiligheid van sekswerkers en leiden tot een verhoogde kwetsbaarheid voor dwang, geweld en discriminatie. Deze observatie wordt onderschreven door het recente meta-onderzoek van Platt c.s. waarin de effecten van criminalisering op basis van data uit 33 landen werden onderzocht. Dit onderzoek laat zien dat criminalisering van sekswerk, inclusief partiele criminalisering van klanten, sterk negatieve effecten heeft op de veiligheid, gezondheid en (mensen)rechten van sekswerkers, inclusief de bescherming tegen geweld en uitbuiting, en hun toegang tot hulpverlening, gezondheidszorg en andere voorzieningen.[5]

Ervaringen uit Finland, waar in 2015 klanten werden gecriminaliseerd “who have been negligent by not recognising victims when they should reasonably have been able to conclude that the person selling sex was a trafficking victim”, bevestigen dat dit ook het geval is bij gedeeltelijke criminalisering van klanten –d.w.z. alleen de klanten die hadden moeten weten dat ze met slachtoffers van mensenhandel van doen hadden.[6] Ook in de Finse context was sprake van een gereduceerde veiligheid van en toegang tot voorzieningen van sekswerkers, terwijl volgens hulpverleners en politie de wet eerder de bestrijding van mensenhandel belemmert dan bevordert.[7]

Met het oog op deze bevindingen, blijft de VVR bij haar voorgaande conclusies dat:

  1. het wetsvoorstel niet handhaafbaar en uitvoerbaar is aangezien de reikwijdte van de bepaling dat een klant “niet anders kan dan zich bewust zijn van het slachtofferschap” onduidelijk is en in de praktijk signalen van misbruik zeer ingewikkeld en niet eenduidig zijn vast te stellen door de klant. Dit in tegenstelling tot wat gesuggereerd wordt.
  2. de toegevoegde waarde van dit wetsvoorstel naast artikel 273, lid 1, sub 6 Sr en artikel 242 en 246 Sr zeer sterk kan worden betwijfeld.
  3. het in hoge mate gaat om symboolwetgeving waarvan weinig positieve effecten te verwachten zijn, terwijl het risico op negatieve effecten, zoals afname van meldingsbereidheid, groot is.
  4. De praktijk in buurlanden, waaronder Finland, uitwijst dat de voorgestelde strafbaarstelling niet behulpzaam is bij het bestrijden van mensenhandel maar daarentegen wel een negatieve impact heeft op de veiligheid en toegang tot voorzieningen van sekswerkers en van positieverbetering van de sekswerkers dus geen sprake is.

In de verwachting dat u bovenstaande bij uw overwegingen zult willen betrekken,

Met vriendelijke groet,

Leontine Bijleveld
voorzitter

[1] De VVR informeerde uw commissie al eerdere over haar bezwaren: 2016 Brief d.d. 2 oktober 2016

[2] Mr. dr. Kai Lindenberg, Prostituant en strafrecht, Quickscan van de strafrechtelijke verantwoordelijkheden van de prostituant bij mensenhandel en minderjarigheid, Rijksuniversiteit Groningen, 2014, p. 77-78; zie ook p. 4.

[3] GGD Amsterdam, In gesprek met de klant; een onderzoek naar klanten van prostituees en hun rol bij de aanpak van misstanden, 2014.

[4] De Correspondent Vera Mulder: Sekswerk strafbaar stellen beschermt sekswerkers niet, normaal doen over sekswerk wél, 2018; Zie ook Reactie van PROUD, belangenvereniging van sekswerkers in Nederland, op het door GroenLinks ingediende amendement op het wetsvoorstel van de CU, PvdA en SP om klanten van prostituees die worden gedwongen (en dit redelijkerwijs hadden moeten vermoeden), strafbaar te stellen, april 2016.

[5] See e.g. Platt, L., Grenfell, P., Meiksin, R., Elmes, J., Sherman, S. G., Sanders, T., Crago, A.L., Associations between sex work laws and sex workers’ health: A systematic review and meta-analysis of quantitative and qualitative studies. PLOS Medicine, 2018. https://doi.org/10.1371/journal.pmed.1002680. https://journals.plos.org/plosmedicine/article?id=10.1371/journal.pmed.1002680.

[6]  GRETA, Report on Finland, June 2015, p. 30. https://ec.europa.eu/anti-trafficking/sites/antitrafficking/files/greta_report_on_finland.pdf.

[7] Uutiset, Police specialist slams new prostitution laws, 2016. https://yle.fi/uutiset/osasto/news/police_specialist_slams_new_prostitution_laws/8835566

Joke Swiebel; De Algemene Wet gelijke behandeling als mijlpaal in de geschiedenis van de Nederlandse homo-emancipatie

Joke Swiebel: “De Algemene Wet gelijke behandeling als mijlpaal in de geschiedenis van de Nederlandse homo-emancipatie” In Beleid en Maatschappij Jg 47 (2020) nr. 3 pp. 290-310. In PDF:BenM_1389-0069_2020_047_003_004
Een iets langere (en iets leukere) versie is op haar website te vinden.

Ook in 2020 verscheen van haar hand: “Seksuele gerichtheid in artikel 1 van de Grondwet; de geschiedenis van een symbolisch strijdpunt”, in Historica, Jg 43 (2020) nr. 3 p. 41-47. In een voetnoot komt een brief van de VVR uit 2016 aan de orde.
Op 9 februari 2021 is het initiatief wetsvoorstel dat handicap en seksuele gerichtheid als verboden grond van discriminatie toe aan artikel 1 van de Grondwet toevoegt in eerste lezing door de Eerste Kamer aanvaard.

Liesbeth Groenhuijsen; Het exen-dilemma: over onbedoelde schade na echtscheiding

Liesbeth Groenhuijsen publiceerde in Pedagogiek in de praktijk 112 (december 2019) een artikel dat interessant is voor het congresthema.
PIP 112 – Liesbeth Groenhuijsen – Het exen-dilemma

Tako Engelfriet en Iris Koops; Opinie: Emotionele en psychische mishandeling

Tako Engelfriet en Iris Koops schreven een Opinie in het Tijdschrift voor Orthopedagogiek 2021 nr. 1 p. 56-61.
Engelfriet is voorzitter van de stichting het Verdwenen Zelf en Koops oprichter daarvan.

TVO 2021-1 Opinie – Emotionele en psychische mishandeling

Hof Arnhem Leeuwarden (21-1-2021): Huiselijk geweld is factor bij beslissing omgang en gezag

Hof Arnhem Leeuwarden verwees expliciet naar het Verdrag van Istanbul in een op 8 februari 2021 gepubliceerde uitspraak. Het Hof bevestigde de beschikking van Rechtbank Noord-Nederland (locatie) Groningen van 31 maart 2020, waarin het gezamenlijk gezag beëindigd werd, de moeder het gezag kreeg over twee minderjarige kinderen en de vader omgang ontzegd was. De rechtbank betrok bij de beschikking dat de man in februari 2020 veroordeeld was tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar onder meer wegens poging tot doodslag op de moeder en mishandeling van hulpverleners. De rechtbank had ook een verbod op direct en indirect contact opgelegd. Het Hof Arnhem Leeuwarden heeft deze straf bevestigd (3 september 2020).
Hof Arnhem Leeuwarden motiveert uitvoerig waarom de beschikking van de rechtbank in stand blijft en verwijst naar de verplichtingen voortvloeiend uit het Verdrag van Istanbul (zie met name r.o. 5.3, 5.4 en 5.8).

 

Asieluitspraken : kunnen verwesterse meisjes of vrouwen veilig terug naar land van herkomst?

Een Afgaans gezin met twee tiener dochters vluchtte nadat de oudster dochter/zus was vermoord na een door haar (en haar ouders) afgewezen huwelijksverzoek. De asielaanvragen in Nederland zijn echter afgewezen, waarna bezwaar en beroep volgde, tevergeefs. De Raad van State vond uiteindelijk onder verwijzing naar een eerdere uitspraak (december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3735) dat de staatssecretaris de verwesterse levenstijl van de dochters opnieuw moest onderzoeken en beoordelen.

Verweerder (staatssecretaris) vind het relaas over de verwestersing niet geloofwaardig, het volgt niet uit een godsdienst en het is goed te verbergen. De Rechtbank in Dordrecht gaat hier in mee en vindt ook in andere punten geen aanknopingspunten om het beroep gegrond te verklaren – januari 2021 ECLI:NL:RBDHA:2021:225.
Volgens Amnesty International houdt de rechtbank ten onrechte geen rekening met vervolgfing die in het Vluchtelingenverdrag in art. 1A is omschreven als: “vanwege overtreding door de vrouw van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen;”