Brief aan Tweede Kamer voor Algemeen Overleg op 8 februari 2021 over o.a. huiselijk geweld

De brief in PDF: brief AO 8 februari 2021

Aan de leden van de vaste Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Aan de leden van de vaste Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid

Amsterdam, 3  februari 2021

Onderwerp: AO d.d. 8 februari 2021 over o.a. de reactie op het GREVIO-rapport

Geachte leden van de vaste Kamercommissie Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van de vaste Kamercommissie Justitie en Veiligheid,

De Vereniging voor Vrouw en Recht ‘Clara Wichmann’ (VVR) heeft kennisgenomen van de Nederlandse reactie op het GREVIO rapport. Deze reactie staat geagendeerd voor het Algemeen Overleg van uw commissies d.d. 8 februari a.s. De VVR brengt voor dit aanstaande overleg graag het volgende onder uw aandacht.

GREVIO heeft in aanbeveling 205 van haar rapport d.d. 20 januari 2020 er bij Nederland op aan gedrongen om ‘de noodzakelijke maatregelen te nemen, met inbegrip van benodigde wetswijzigingen om te waarborgen dat rechters verplicht zijn:

  1. bij het vaststellen van de voogdij en de omgangsregeling rekening te houden met alle aspecten van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld;
  2. erop toe te zien dat het risico van een kind om in de toekomst getuige te zijn van geweld tegen een naaste wordt erkend als dat de pleger het belang van het kind in gevaar brengt.
  3. gendersensitieve richtlijnen aan te nemen om erop toe te zien dat de gendergerelateerde aard van het geweld en de invloed van een eventueel machtsverschil in de relatie op het kunnen voeren van onderhandelingen op een eerlijke manier worden erkend en dat er in procedures met betrekking tot kinderen de nodige ondersteuningsvereisten voor vrouwelijke slachtoffers van geweld zijn en iv) de voogdij en omgangsregeling te beperken wanneer dit gerechtvaardigd is om de veiligheid en het belang van het kind te garanderen.’

Uit de bijlage bij de brief van de staatssecretaris aan de Executive Secretary Monitoring mechanism of the Council of Europe convention on preventing and combating violence against women and domestic violence en het Directorate of Human Dignity, Equality and Sport Values; Directorate General of Democracy blijkt dat Nederland zich op het standpunt stelt dat reeds ‘wettelijk [is] verankerd dat rekening wordt gehouden met de aspecten van geweld die gevolgen hebben voor de veiligheid van kinderen. Er zijn wat het ministerie van JenV betreft geen nieuwe en zwaarwegende ontwikkelingen, die een wetswijziging vereisen.’ In de brief zelf meldt de staatssecretaris dat ten aanzien van deze aanbeveling reeds ‘voldoende waarborgen zijn ingebouwd’.

De VVR is van mening dat de reactie op deze aanbeveling te kort door de bocht is. De signalen waar GREVIO in paragraaf 202 van haar rapport aan refereert bereiken de VVR ook: er wordt in de praktijk van het familierecht vaak niet op een adequate wijze rekening gehouden met huiselijk geweld, dat veelal wordt afgedaan als uitsluitend gerelateerd aan de scheiding dan wel een probleem van beide kanten (‘waar twee vechten..’). Meldingen van huiselijk geweld worden vaak a priori beschouwd als een poging om de ex-partner zwart te maken en kunnen ernstige gevolgen hebben voor de melder, die door de hulpverlening wordt aangemerkt als degene die goede samenwerking en communicatie tussen de ex-partners ondermijnt. Er wordt door de Raad van de Kinderbescherming ten aanzien van meldingen van huiselijk geweld doorgaans niet aan waarheidsvinding gedaan – de Raad beschikt ook niet over de middelen daartoe. Dit heeft tot gevolg dat het geweld in de rapportage hoogstens gesignaleerd wordt, maar veelal zonder dat er conclusies t.a.v. omgang en gezag aan worden verbonden. Voorts ontbreekt het in zaken waarin sprake is (geweest) van huiselijk geweld aan een risicotaxatie voordat wordt besloten over de zorgregeling en (voortzetting van) gezamenlijk gezag. De weerstand om meldingen van huiselijk geweld serieus te nemen, in combinatie met het ontbreken van waarheidsvinding en de afwezigheid van risicotaxatie leiden tot (ook na de scheiding) voortdurende onveiligheid voor de slachtoffers van het geweld, waaronder de kinderen in het gezin.

Dit is een probleem dat van veel verschillende kanten (professionals, instellingen, slachtoffers) al gedurende lange tijd aan de orde wordt gesteld.[1] De zorgen en aanbevelingen van GREVIO komen dan ook niet als een verrassing voor mensen die werkzaam zijn op het gebied van het familierecht en die te maken hebben met slachtoffers van huiselijk geweld. Dat de staatssecretaris deze aanbevelingen afdoet met de verzekering dat op dit punt in Nederland alles al op orde is, vindt de VVR teleurstellend.

De VVR is van mening dat de aanbevelingen van GREVIO over het familierecht om een serieuze reactie vragen, die recht doet aan de ernst van deze problematiek. De VVR verzoekt u als leden van de vaste Kamercommissies VWS en J&V om de staatssecretaris tijdens het AO op 8 februari a.s. te wijzen op de noodzaak van extra maatregelen zoals door GREVIO aanbevolen en aan te dringen op de implementatie van de aanbevelingen en verbeteracties die zijn geformuleerd in het rapport Gendersensitiviteit in de Nederlandse aanpak van huiselijk geweld: nadere concretisering van de GREVIO-aanbevelingen d.d. 27 januari 2021.

De VVR zal in het voorjaar van dit jaar een congres organiseren over het thema huiselijk geweld en familierecht. De planning van het congres is mede afhankelijk van de ontwikkelingen t.a.v. het coronavirus. Zodra de precieze datum bekend is, zal de VVR een uitnodiging zenden aan uw commissies.

Hoogachtend,
namens het bestuur van de Vereniging voor Vrouw en Recht ‘Clara Wichmann’

mr. drs. A.G. Hendriks, bestuurslid

contactadres: werkgroeppersonenenfamilierecht@oud-vvr.computersaysno.eu

[1] zie bijvoorbeeld de publicatie Familierecht en huiselijk geweld, een wereld van verschil? van het Verwey-Jonker Instituut uit 2008, https://www.verwey-jonker.nl/doc/vitaliteit/080513_paper%20expertmeeting_def_IL.pdf.

Hof Amsterdam: voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met contactverbod voor bedreiging ex-vrouw en hulpverleenster (december 2020)

Op 17 december 2020 verhoogde het Gerechtshof Amsterdam
de voorwaardelijke straf voor een man wegens belaging en bedreiging van ex en (doods)bedreiging gezinsmanager, die betrokken was bij omgangsregeling met dochter. Hof: gezinsmanager deed haar werk in het belang en ter bescherming van het kind. Contactverlies had hij grotendeels aan zichzelf te danken. Geen enkele rechtvaardiging voor het gedrag. Grote gevolgen op persoonlijke/professionele leven gezinsmanager. Het hof acht dit bijzonder kwalijk. Een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een proeftijd van drie jaar is door het hof gekoppeld aan een contactverbod met beide slachtoffers. Hof stelt dat als de vader het contact met dochter wil herstellen het contact ten behoeve van een omgangsregeling via derden kan verlopen.

Raad van State: Gemeente Utrecht heeft geen bevoegdheid om registratieplicht voor sekswerkers in te voeren

In april 2018 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de voorgenomen Registratieplicht raamprostituees van de gemeente Utrecht onrechtmatig geacht: het verzoek om ontheffing voor het mogen verwerken van bijzondere persoonsgegevens is afgewezen.
Volgens de AP biedt artikel 151a van de Gemeentewet geen toereikende grondslag, op grond waarvan het verbod van gegevensverwerking kan worden doorbroken. Ook artikel 3:16 van de Apv 2010 biedt geen wettelijke grondslag voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, omdat een Algemene plaatselijke verordening geen bijzondere wet in formele zin is. De gegevensverwerking wordt daarom onrechtmatig geacht.

In oktober 2019 heeft rechtbank Den Haag het door de Gemeente ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad van State (de RvS) heeft het oordeel van de rechtbank vlak voor kerst 2020 bevestigd. De RvS volgt hier mee haar eerdere uitspraak uit 2018 in een vergelijkbare zaak van sekswerkers en exploitanten tegen de Gemeente Amsterdam.
De RvS vindt dat de rechtbank voorts terecht bij de beoordeling heeft betrokken dat de ontheffingsbevoegdheid van de nationale toezichthouders niet terugkomt in de AVG, die sinds 25 mei 2018 de Wbp vervangt. Ook in het wetsvoorstel Uitvoeringswet AVG komt de ontheffingsbevoegdheid niet terug.

De conflictscheiding als complexe gezinsproblematiek : Waarom screening op huiselijk geweld essentieel is

Corine de Ruiter, Marlien Marzolla en Niki Ramakers publiceerden in november 2020 een artikel in het tijdschrift Pedagogiek (Volume 40, Number 2, 1 November 2020, pp. 205-231) over huiselijk geweld bij vechtscheidingen. Zij tonen, op basis van de resultaten van een pilotstudie onder 102 ouders in een conflictueuze scheiding, aan dat huiselijke geweld veel voorkomt, ook na de scheiding en dat vrouwen vaker slachtoffer hiervan zijn. De bevindingen zijn in lijn met internationaal onderzoek op dit terrein.

Nieuwsbrief december 2020

Het bestuur wenst eenieder fijne feestdagen en een geïnspireerd en gezond 2021. We hopen elkaar komend jaar weer in levende lijve te ontmoeten.

Huiselijk geweld in het Familierecht
Er is op oud-vvr.computersaysno.eu inmiddels een themapagina Huiselijk Geweld in het Familierecht aangemaakt. Dit is het onderwerp van het volgende VVR-congres, waarvan nog niet bekend is wanneer dat plaats kan vinden, omdat we streven naar een fysieke bijeenkomst – zie de vorige Nieuwsbrief. Wel wil het bestuur in de aanloop daarnaar toe vast discussie op gang brengen. Ariane Hendriks bijt het spits af. Wie wil reageren, suggesties heeft voor te benaderen auteurs of interessant onderzoek onder de aandacht wil brengen kan dat doen via het contactformulier.
Ook relevante jurisprudentie is welkom bij de webredactie. De eerste melding is al binnen. Daarvan wordt tevens op de nieuwe pagina melding gemaakt.

Schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag
Het Netwerk VN-Vrouwenverdrag heeft alvast een schrijfteam voor de schaduwrapportage VN-Vrouwenverdrag (7de rapportagecyclus) aangesteld. VVR-secretaris Luna Vollebregt maakt er deel van uit. Een datum voor een eerste bespreking door CEDAW (de List of Issues Prior to Reporting) is nog niet bekend. Ook de Office of the High Commissioner on Human Rights is getroffen door de wereldwijde COVID-19 pandemie. Inmiddels is er een lange lijst van landen, waarvan de rapportages nog ingepland moeten worden. Wanneer de schaduwrapportage ingeleverd moet worden is dus nog niet bekend, maar de voorbereidende werkzaamheden starten alvast. Er zijn al allerlei onderwerpen aangedragen, maar het Netwerk ontvangt uiteraard kwesties met een specifiek juridische invalshoek. VVR-leden worden uitgenodigd deze in te brengen via het contact formulier, bij voorkeur voor 15 januari.

Elise Ketelaars aspirant-bestuurslid
Het bestuur is verheugd te kunnen melden dat Elise Ketelaars het bestuur komt versterken als aspirant-bestuurslid. Elise Ketelaars is een mensenrechtenjurist met een PhD op het gebied van internationale samenwerking op het vlak van transitional justice van het Transitional Justice Institute in Belfast. Momenteel werkt zij als onderzoeker voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Tijdens haar master internationaal recht in Utrecht was Elise actief als assistent van het bestuur van de VVR. In die hoedanigheid heeft zij onder andere onderzoek gedaan naar de arbeidspositie van sekswerkers en met name de tenuitvoerlegging van de opting in regeling (zie haar artikel “Opting-in in de relax-branche, een legitieme oplossing?”). Elise zal zich de komende tijd namens de VVR gaan richten op de ontwikkelingen rond het wetsvoorstel voor de Wet Regulering Sekswerk.

Wetsvoorstel Seksuele Misdrijven
Goed nieuws! Als het aan Minister Grapperhaus ligt worden alle vormen van onvrijwillige seks straks strafbaar als verkrachting. In mei 2020 presenteerde Grapperhaus zijn voorontwerp voor het wetsvoorstel Seksuele Misdrijven, waarin een onderscheid werd gemaakt tussen verkrachting en ‘seks tegen de wil’. Na kritische reacties van verschillende organisaties, waaronder de VVR, past Grapperhaus het wetsvoorstel aan. Wanneer de consultatieronde precies start is nog niet bekend, het streven van de Minister, december, is niet behaald. De VVR zal in ieder geval ook tijdens de consultatieronde kritisch naar het voorstel kijken. Denk je graag mee? Meld je dan bij de Werkgroep Geweld tegen Vrouwen.

Werkloosheidsuitkering voor PGB-zorgverleenster?
De procedure over de rechtspositie van huishoudelijk personeel is vervolgd met een ingelaste schriftelijke ronde. De rechters hadden zowel aan het UWV als aan de advocaten van de zorgverleenster een hele serie vragen gesteld. Het UWV was als eerste aan de beurt: met het door de rechtbank verleende uitstel moet het UWV uiterlijk op de laatste dag van het jaar zijn reactie hebben ingeleverd. Daarna is de beurt aan de pro bono advocaten van Houthoff namens de zorgverleenster. De juridische steungroep, bestaande uit een aantal meedenkende deskundigen van de VVR, is al met de voorbereidingen begonnen. Wordt vervolgd.

Nieuwe jurisprudentie op website
Dankzij een melding aan de webredactie konden we zeer actueel de recente uitspraak van de Hoge Raad plaatsen over de nietigheid van een cao-afspraak die geen volledige compensatie biedt voor verplichte vakantie tijdens zwangerschap- en bevallingsverlof. De problematiek van zwangerschapsdiscriminatie heeft de werkgroep Sociaal en Europees Recht al sinds haar oprichting bezig gehouden.
Ook andere signaleringen van nieuwe (en wat oudere) jurisprudentie plaatst de webredactie graag.

Bureau Clara Wichmann zoekt strategisch adviseur strafrecht
Voor de Commissie Rechtszaken zoekt Bureau Clara Wichmann een strategisch juridisch adviseur met een strafrechtelijke achtergrond. De Commissie beoordeelt of een proefproces binnen de doelstellingen van Bureau Clara Wichmann past. Het betreft een onbezoldigde functie voor een aantal uren per maand. Meer informatie bij Bureau Clara Wichmann.

P.S. Volg je de VVR al op Linkedin, Twitter en Facebook?

 

 

 

 

 

 

Actuele jurisprudentie over huiselijk geweld in het familierecht

In de Jurisprudentie data base is veel te vinden over huiselijk geweld en over familierecht. U kunt via de zoekfunctie op de website de database doorzoeken op trefwoord.
Op deze pagina vindt u links naar actuele jurisprudentie

Ariane Hendriks; Huiselijk geweld in het familierecht: een ongemakkelijke waarheid

Honderden gebouwen in Nederland kleurden afgelopen 25 november oranje. Met deze actie vroegen meer dan tweehonderd gemeenten en acht provincies via een campagne van UN Women aandacht voor de jaarlijkse Internationale Dag tegen Geweld tegen Vrouwen. Thema van de campagne rond deze dag was dit jaar: Iedereen moet geweld kunnen melden, overal en altijd. Aanleiding voor dat thema is de grote onderrapportage van huiselijk geweld: slechts 10% van de slachtoffers meldt het geweld bij een instantie (politie, Veilig Thuis).[1]

Het thema van de campagne raakte bij mij als familierechtadvocaat een gevoelige snaar. Meerdere keren per jaar hoor ik mezelf cliënten adviseren om in hun omgangs- of gezagszaak vooral níet te zeggen dat ze slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld in de relatie. Soms worden vrouwen door rechters en hulpverleners namelijk keihard aangepakt, als ze met hun verhaal naar voren komen: ervan beschuldigd dat ze hun ex zwart willen maken, dat ze alleen maar zeggen dat ze mishandeld zijn om de kinderen bij de vader weg te houden. Veel vaker nog wordt hun verhaal in de rechtszaal genegeerd, weggezet als iets van vroeger, toen partijen nog bij elkaar waren. Zeker bij kwetsbare, getraumatiseerde vrouwen kan een dergelijk gebrek aan erkenning voor hun ervaring zo hard aankomen, dat ik denk dat het beter is dat ze er maar helemaal niet over beginnen. Maar door -weliswaar in het belang van mijn cliënte, maar tóch- op deze manier te adviseren, ben ik als advocaat onderdeel geworden van het grote toedekken van huiselijk geweld in het familierecht. Het tegenovergestelde van het altijd en overal melden van huiselijk geweld, waar de campagne rond 25 november 2020 toe opriep.

Het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, in Nederland beter bekend als het Verdrag van Istanbul, zegt in artikel 31 het volgende over huiselijk geweld in het familierecht:

  1. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor de kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van dit Verdrag.
  2. De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat de uitvoering van een omgangsregeling of de voogdij niet ten koste gaat van de rechten en de veiligheid van het slachtoffer of de kinderen.

Met andere woorden: huiselijk geweld zou, gelet op deze bepaling in het Verdrag, nadrukkelijk onderwerp van gesprek moeten zijn in het familierecht en een factor waarmee in de te nemen beslissingen terdege rekening wordt gehouden. We zouden het er juíst over moeten hebben, en niet, zoals ik soms noodgedwongen doe, bij het onderwerp weg moeten blijven.

Maar Nederland houdt zich, in mijn ervaring, niet aan deze bepaling in het Verdrag. Er wordt in de praktijk bij het vaststellen van zorg- en omgangsregelingen en bij beslissingen over eenhoofdig of gezamenlijk gezag regelmatig niet of nauwelijks rekening gehouden met een voorgeschiedenis van huiselijk geweld. Indien het al op zitting aan de orde komt, wordt het afgedaan met redeneringen van het kaliber ‘het is haar woord tegen het zijne, wie weet wat ervan klopt’ of (in gevallen waar er een veroordeling of medisch bewijs ligt) met uitspraken als ‘dat is voorbij, partijen moeten naar de toekomst kijken’.

Vaak wordt een relaas van huiselijk geweld vooral gezien in het kader van verstoorde communicatie tussen partijen en een gebrek aan samenwerking tussen de ex-partners als ouders van hun kinderen. Dat kan voor het slachtoffer heel naar uitpakken: als zij (het is meestal een zij) wél negatief is over haar ex, maar haar ex niet over haar, dan is de conclusie al gauw dat zíj de oorzaak van de moeizame communicatie en samenwerking is. Naar de oorzaak van haar gebrek aan vertrouwen wordt niet gekeken.

Dat mijn ervaringen op dit onderwerp niet uitzonderlijk of toevallig zijn, werd bevestigd in een belangrijk recent rapport. In het Verdrag van Istanbul is geregeld dat een onafhankelijk deskundig orgaan, de Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence (GREVIO), de implementatie van het Verdrag monitort. In het evaluatierapport van GREVIO uit januari 2020 over de situatie in Nederland wordt over de familierechtelijke praktijk het volgende opgemerkt:

  1. GREVIO is met name bezorgd dat zij heeft vernomen dat huiselijk geweld in de praktijk niet altijd een contra-indicatie is voor gezamenlijke voogdij en zelden in aanmerking wordt genomen, maar dat het gevolg hiervan is, dat wanneer een vrouwelijk slachtoffer van huiselijk geweld contact met de vader weigert, ze soms haar kind zal verliezen. Ngo’s meldden dat slechts zeer zelden een andere beslissing dan gezamenlijke voogdij wordt genomen en dat de familierechter het standpunt inneemt, dat, wanneer een stel gescheiden is, het geweld ook stopt. Het kind is daardoor niet langer getuige van geweld en ondergaat derhalve geen mishandeling. De rechter houdt derhalve geen rekening met het gedrag van de pleger in het verleden en zodoende toekomstig risico op schade als gevolg van het getuige zijn van geweld. Er werd ook geconstateerd dat familierechters vaak niet eens weten dat er ook een strafzaak wegens huiselijk geweld loopt, hoewel dit wel iets is wat ze zouden moeten checken.
  2. GREVIO constateert met grote zorg dat vertegenwoordigers van ondersteuningsdiensten voor vrouwen en deskundigen op dit gebied van mening zijn dat het systeem om kinderen te beschermen in zijn geheel vrouwen ernstig onder druk zet om “het huiselijk geweld te vergeten” en dat veel van hen worden gewaarschuwd dat, als ze “valse beschuldigingen” doen, hun kinderen bij hen zullen worden weggehaald en dat ze “in het belang van de kinderen” moeten meewerken. GREVIO maakt zich ernstige zorgen over meldingen dat vrouwen al snel worden gezien als “slechte moeders” als ze hun kinderen hun stress en schade laten zien en genderstereotypering leidt er vaak toe dat er maatregelen worden genomen om het kind te beschermen ten nadele van de moeder.[2]

Er is, met andere woorden, sprake van een breed gesignaleerd probleem met de manier waarop in het familierecht met (slachtoffers van) huiselijk geweld wordt omgegaan. Waar komt dit vandaan? Er zijn verschillende oorzaken te benoemen. Ik licht er hier een paar uit.

In de praktijk zie ik dat huiselijk geweld in familierechtelijke zaken als een ‘ongemakkelijke waarheid’ wordt ervaren – iedereen weet dat het bestaat, niemand zal in zijn algemeenheid ontkennen dat het gebeurt, maar eigenlijk wil niemand het erover hebben. Het roept complexe vragen op: hoe stellen we vast wat er in een relatie tussen twee mensen precies is gebeurd? Hoe maken we onderscheid tussen zaken waarin incidenteel tijdens een hoogopgelopen ruzie een klap is gevallen en het serviesgoed door de kamer is gegaan, en zaken waarin (in de meeste gevallen) de vrouw stelselmatig is geterroriseerd en vernederd? Wanneer is huiselijk geweld situationeel, iets wat zich beperkte tot de relatie, en wanneer kunnen we de inschatting maken dat ieder contact met de dader een risico voor het slachtoffer zal blijven vormen? Wat doen we met het wettelijke uitgangspunt van gelijkwaardige zorg na scheiding in zaken waarin er tijdens de relatie huiselijk geweld was? Hoe verhoudt het recht van een kind om contact met beide ouders te hebben met zijn recht om veilig te zijn?

Zaken liggen zelden eenvoudig. De aard en oorzaak van het geweld is vaak niet op het eerste gezicht evident, de dynamiek tussen dader en slachtoffer kan complex zijn en kinderen zijn doorgaans diep-loyaal aan beide ouders, en hebben soms een oprechte behoefte aan contact met een persoon die gevaarlijk is voor de andere ouder. Ga er maar aan staan – zeker in een rechts- en hulpverleningssysteem dat onder voortdurende druk staat door gebrekkige budgetten is de verleiding groot dit soort ingewikkelde vragen uit de weg te gaan en te kiezen voor simpele oplossingen (‘u moet naar de toekomst kijken’).

Daarbij komt dat in het Nederlandse familierechtelijke systeem vrijwel nooit grondig onderzoek wordt gedaan naar aanleiding van beschuldigingen van huiselijk geweld. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert op verzoek van de rechtbank in zaken over gezag en/of omgang, maar die komt in haar onderzoeksrapporten -ondanks hun wettelijke opdracht om aan waarheidsvinding te doen- zelden verder dan het registreren van de verhalen van beide ouders, zonder conclusies aan te verbinden over de geloofwaardigheid daarvan. Er wordt ook geen externe expertise ingewonnen om het relaas van de ouders te toetsen. Dat zorgt ervoor dat de vraag van wat er waar is van het verhaal van het slachtoffer steeds in het midden blijft – wat het gemakkelijk maakt voor de hulpverlening om de kwestie uit de weg te gaan. Er is immers ‘niks bewezen’.

Complicerende factor in dit verhaal is dat in de afgelopen tien jaar het vermijden en/of beëindigen van een ‘vechtscheiding’ het hoogste doel in het familierecht is geworden. Vechtscheiding is een containerbegrip, waarmee inmiddels ongeveer alle conflicten tussen ex-partners worden aangeduid waarbij kinderen zijn betrokken. Aanvankelijk werd ‘vechtscheiding’ nog gereserveerd voor zeer conflictueuze scheidingen waarbij over een periode van jaren meerdere rechtszaken worden gevoerd; tegenwoordig krijgen eigenlijk alle zaken tussen ex-partners met kinderen die door een rechter moeten worden beslist dat etiket. Verschillen van mening tussen ouders zijn anathema in het vechtscheidingsdiscours; samenwerking en communicatie gaan voor al het andere. Binnen dit denken wordt refereren aan huiselijk geweld gemakkelijk geduid als voortzetting van de strijd tussen de ouders en als zwartmakerij, wat het moeilijk maakt voor het slachtoffer om dit aan de orde te stellen. De focus van de hulpverlening ligt volledig op het verbeteren van de samenwerking tussen de ouders; signalen van onveiligheid worden genegeerd omdat die niet passen in het beeld dat beide ouders gelijkwaardig voor de kinderen moeten kunnen zorgen.

We zijn, alles overziend, in Nederland nog ver weg van de situatie die artikel 31 van het Verdrag van Istanbul nastreeft. En er zal meer nodig zijn dan het in oranje licht zetten van gebouwen om dat te veranderen.

[1] https://geweldtegenvrouwenmelden.nl/data-en-cijfers/
[2] Grevio’s evaluatierapport p. 47. Te downloaden via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/01/20/grevios-evaluatierapport)

Hof beëindigt uithuisplaatsing: niet ouderstrijd maar problematiek vader veroorzaakt onveilige situatie kinderen

In september 2020 vernietigde het hof Arnhem-Leeuwarden een beschikking van de kinderrechter tot uit huis plaatsing van twee kinderen, die bij hun moeder woonden. Anders dan de jeugdzorginstelling en de kinderrechter vond het hof dan niet de strijd tussen de ouders om de omgangsregeling de oorzaak van de onveilige situatie van de kinderen was, maar het destructieve gedrag van de vader, waarbij hij het belang van de kinderen volledig uit het oog verliest en de moeder bedreigt, vernedert en beledigt. De vader is daarvoor ook strafrechtelijk vervoordeeld. Zo lang de problematiek van de vader nog niet is gediagnosticeerd en er geen behandeling is kan er geen onbegeleide omgang plaatsvinden.

Dit is tot nu toe een vrij unieke uitspraak op het snijvlak van geweld tegen vrouwen en familierecht en geheel in lijn met het door Nederland geratificeerde Verdrag van Istanbul, al wordt dat helaas niet in de uitspraak vermeld. Meestal betrekken kinderrechters, jeugdzorginstellingen, kinderbescherming en dergelijke huiselijk geweld niet bij de familierechtelijke kwesties rond echtscheiding en omgangsrecht. Uitgangspunt is veelal dat beide ouders schuld hebben aan een (v) scheiding.

ECLI:NL:GHARL:2020:7745

 

Rechtszaak over rechtspositie 60.000 PGB zorgverleners en andere huishoudelijk werkers, zitting 13 november 2020

Vandaag kwam de rechtszaak van een PGB-zorgverleenster gesteund door Bureau Clara Wichmann (BCW) en de Vereniging voor Vrouw en Recht (VVR) voor bij de Rechtbank Rotterdam. De organisaties voeren met de zorgverleenster een strategische rechtszaak in het algemeen belang: een beroep tegen een weigering van het UWV om de eiseres in de zaak een werkloosheidsuitkering (WW) toe te kennen. Volgens het UWV is de zorgverleenster niet verzekerd omdat ze werkt voor een particulier huishouden voor  minder dan vier dagen per week, volgens de Regeling Dienstverlening aan Huis. Door de advocaten van de zorgverleenster was een uitvoerig aanvullend beroepsschrift ingediend (op aanvraag geanonimiseerd ter beschikking).

De meervoudige kamer vond dat de zaak te omvangrijk is om te behandelen in het half uur dat er voor de zitting volgens planning uitgetrokken was. Alleen al om de vragen die de rechtbank geformuleerd heeft op te lezen zou al een flink deel van de geplande tijd heen gaan. Daarom stelden de rechters voor de huidige zitting als een regiezitting te beschouwen. De schriftelijke vragen zullen uiterlijk 20 november 2020 aan partijen gezonden worden. Het UWV zal als eerste reageren (en meteen ook op het aanvullend beroepsschrift) en moet daar mogelijk de juridische afdeling van het hoofdkantoor bij betrekken. De reactietermijn van vier weken, kan op aanvraag met twee weken verleng worden. Vervolgens zullen Houthoff-ProBono advocaten, door Bureau Clara Wichmann aangezocht om de zorgverleenster bij te staan,  namens de zorgverleenster reageren. Daarna kan in februari of maart 2021 een inhoudelijke zitting volgen. Een juridische steungroep met (merendeels) VVR-leden denkt mee met de advocaten.

Achtergrond:
De Regeling Dienstverlening aan huis is precies waar het de organisaties om te doen is. De uitzonderingspositie van dit huishoudelijk personeel is in 2007 uitgebreid om te besparen op PGB-zorgkosten en op de Wmo door werkgeverslasten te verminderen. Het effect ervan in de praktijk is vooral een verzwakking van de rechtspositie van de huishoudelijk werkers en zorgverleners (bijna alleen maar vrouwen). De Regeling staat in verschillende wetten en maakt het mogelijk om een uitzondering te maken – bij  3 of minder dagen dienstverlening aan huis – op de normale regels van het arbeids- en sociale zekerheidsrecht.
Volgens de organisaties is de Regeling Dienstverlening aan Huis onrechtmatig en bovendien ten onrechte toegepast op ongeveer 60.000 mensen die werken voor personen die hun hulp en zorg betalen uit een persoonsgebonden budget (PGB).  Deze PGB zorgverleners zijn daardoor goedkoper dan gewone werknemers. De overheid bespaart dan op werknemersverzekeringen en loonpremies en op de mogelijke uitkeringen die in de verschillende wetten zijn geregeld, dit ten koste van de zorgverleners.

Marlies Vegter, VVR-lid en Strategisch Juridisch adviseur van Bureau Clara Wichmann:
“Veruit de meerderheid van de dienstverlening aan huis wordt gedaan door vrouwen. De Regeling Dienstverlening aan huis is onrechtmatig en discriminerend. Deze zaak kan gevolgen hebben voor 60.000 publiek gefinancierde zorgverleners.’

Hoge Raad (6 november 2020): cao-afspraak die geen volledige compensatie biedt voor verplichte vakantie tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof is nietig

Op 6 november 2020 gaf de Hoge Raad uitsluitsel over prejudiciële vragen van Rechtbank Den Haag bij tussenvonnis over de compensatie van verplichte vakantie die samenvalt met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het antwoord is klip en klaar: als geen volledige compensatie wordt geboden maakt de werkgever verboden onderscheid (art. 7:646 lid 1 BW en art. 5 lid 1, aanhef en onder e, AWGB). Dat de werkgever een cao-bepaling ter zake volgt maakt niet uit.

Het ging in deze zaak om een leerkracht van het Rijnlands Lyceum die tijdens de meivakantie nog met bevallingsverlof was en de school had verzocht de daardoor verloren vakantiedagen te compenseren. De school had dat geweigerd met een beroep op de cao-bepaling ter zake. De kantonrechter van rechtbank Den Haag was geneigd de uitspraak van een kantonrechter van rechtbank Midden-Nederland in een identieke zaak te volgen: ongeoorloofd onderscheid op grond van geslacht. Mede omdat de werkgever in de laatste zaak in hoger beroep was gegaan, zag de kantonrechter in Den Haag aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.

Met deze uitspraak is hopelijk het laatste woord gesproken over vakantiedagen in relatie tot zwangerschaps- en bevallingsverlof, waarover de eerste procedures al dateren uit de vorige eeuw. Zowel gerechtshoven, Hoge Raad als Centrale Raad van Beroep waren tot in de vakliteratuur (o.a. door VVR-leden)  bekritiseerde uitspraken gekomen, mede omdat niet zozeer getoetst werd aan de (internationale) gelijke behandelingsregelgeving als wel de (internationale) vakantieregelgeving – de Advocaat Generaal geeft in de conclusie een overzicht.
In een lezing voor de werkgroep Sociaal en Europees Recht van de VVR in februari 2006 plaatste Mac Vijn hier al kritische kanttekeningen bij.

Een samenvatting van de rechtspraak over de samenloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof met schoolvakanties binnen het onderwijs is te vinden in: Eva Cremers, Commentaar op art. 5 AWGB,  C.1.5 ‘Geen onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden’ , in: Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch (online & editie 2020). Een bewerking van deze tekst zal binnenkort verschijnen op de website van de VVR.