Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is de dochter van een uittredende maat van een
dierenartsenmaatschap en is door de wederpartij afgewezen als mogelijk
opvolger van haar vader. Als reden voor de afwijzing noemde de wederpartij
onder andere dat de voorkeur wordt gegeven aan een man.
De Commissie overweegt dat het niet haar taak is te oordelen of een kandidaat
geschikt is voor een functie, maar om na te gaan of bij de beoordeling van de
(mate van) geschiktheid onderscheid is gemaakt. Ook indien geslacht niet de
enige doorslaggevende reden is geweest voor de afwijzing van verzoekster is
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling gehandeld.
De Commissie stelt dat nu in casu de wederpartij bij haar argumentatie ten
opzichte van verzoekster haar geslacht en de voorkeur voor een man heeft
aangevoerd, verzoekster heeft kunnen en mogen begrijpen dat haar geslacht
mede een rol bij de afwijzing heeft gespeeld. De argumentatie van de
wederpartij dat zij het argument geslacht heeft gebruikt om verzoekster de
werkelijke reden van haar afwijzing te besparen, doet daar niet aan af. De
wederpartij heeft derhalve direct onderscheid op grond van geslacht gemaakt
bij afwijzing van de verzoekster als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 29 oktober 1996 verzocht mevrouw (….) te Schalkwijk (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door de heren J.J. van der Louw te
Tull en `t Waal, H.J.B. du Pon te Werkhoven en J.H.M. Peeters te Schalkwijk
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van geslacht is
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is van mening dat zij door de wederpartij op grond van haar
vrouw-zijn niet in de gelegenheid is gesteld toe te treden tot de maatschap.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en zijn
opgeroepen voor een zitting op 25 februari 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– dhr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij bestaat uit drie maten die samen met de vader van
verzoekster een maatschap (dierenartsenpraktijk) vormden. De moeder van
verzoekster functioneerde gedurende de ochtenden als telefoniste en zorgde
voor een deel van de administratie.

3.2. Op 19 oktober 1996 bereikte de vader van verzoekster de 65-jarige
leeftijd. Op grond van het maatschapscontract eindigde het
samenwerkingsverband met hem bij het bereiken van deze leeftijd op 1 januari
1997. In mei 1996 heeft deze maat verzoekster, zijn dochter, ter opvolging
bij de andere maten voorgedragen.

3.3. Op 10 juli 1996 heeft daarover een gesprek plaatsgevonden tussen de drie
andere maten en verzoekster. Op 11 juli 1996 werd de mogelijke opvolging door
verzoekster in een vergadering van alle maten besproken. Uit de notulen van
deze vergadering blijkt dat verzoekster werd afgewezen vanwege het volgende:
`Monique heeft tot nu toe nooit enige belangstelling in ons getoond. Zij is
pas over anderhalf jaar als dierenarts beschikbaar. Om als volledig
maatschapslid mee te kunnen draaien is iemands achterbansituatie van belang.
In verband hiermee zijn wij in eerste instantie meer geïnteresseerd in een
mannelijke collega’.
Daarna heeft over de afwijzing van verzoekster nog een gesprek tussen de
vader en één van de maten plaatsgevonden.
Uit de notulen van de maatschapsvergadering van 29 augustus 1996 blijkt dat
de vader van verzoekster bereid was om tot augustus 1997 door te werken,
omdat rond dat tijdstip zijn dochter zou afstuderen.

3.4. 46 Veehouders/klanten van de dierenartsenpraktijk hebben een brief van 1
augustus 1996 ondertekend die gericht is aan de wederpartij. Hierin wordt
onder meer verbazing uitgesproken over het feit dat verzoekster geen kans
krijgt om werkzaam te zijn in de dierenartsenpraktijk. Tevens wordt in deze
brief waardering geuit voor de familie Van P.

3.5. De afwijzing van verzoekster heeft geleid tot een conflict tussen de
vader van verzoekster en de andere maten. De secretaris van de (….) is
gevraagd in dit geschil te bemiddelen. Deze constateert in zijn verslag van 9
oktober 1996 onder meer dat van de zijde van verzoekster wordt gesteld dat
zij afgewezen is vanwege haar vrouw-zijn, terwijl de wederpartij stelt dat
– het te lang duurt voor verzoekster afstudeert;
– zij een voorkeur hebben voor een man;
– aan de orde is hoe verzoekster het probleem van de achterwacht dacht op te
lossen.
De drie maten blijven bij hun standpunt dat verzoekster haar vader niet kan
opvolgen. Wel laten zij de mogelijkheid open dat zij na haar afstuderen als
dierenarts werkzaam zal kunnen zijn bij de wederpartij in loondienst. De
bemiddelingspoging is niet gelukt.

3.6. De wederpartij heeft met ingang van 1 januari 1997 een mannelijke
dierenarts als maat aangenomen. Deze beschikt over vijf jaar
praktijkervaring.

De standpunten van partijen

Verzoekster stelt het volgende.

3.7. Zij had naar aanleiding van een vraag van haar vader te kennen gegeven
na haar afstuderen in de dierenartsenpraktijk te willen werken. Nadat haar
vader de andere maten had gevraagd of zij een kans zou krijgen hem op te
volgen, werd zij geruime tijd later door deze maten opgeroepen voor een
sollicitatiegesprek. Het gesprek van 10 juli 1996 kwam echter neer op het
meedelen van een van te voren genomen afwijzend besluit. De voornaamste reden
voor afwijzing was dat zij een vrouw is.
Eén van de maten stelde: `Punt één, we willen geen vrouw in de maatschap,
punt twee, we vinden dat een vrouw niet in onze maatschap kan functioneren en
punt drie, we hebben al iemand anders’. Een andere maat stelde aangaande het
werken van vrouwen in de praktijk: `Ze kunnen best wel intelligent zijn en
veel weten, maar om ze in de praktijk te laten werken daar zijn ze toch zeer
ongeschikt voor. Hoe moet dat dan met koken en diensten draaien, dat is
uiteindelijk onmogelijk, dat houden ze toch nooit vol’. Hij vond het niets
dat vrouwen in dierenartsen-praktijken full-time werkten, maar misschien zou
verzoekster in de loop van de tijd een part-time-functie aangeboden kunnen
worden.

In het gesprek dat de vader van verzoekster met één van de maten na
bovenomschreven afwijzing had, stelde deze dat iemand met een baarmoeder
zwanger zou kunnen worden en dat dit onoverkomelijk zou zijn voor het goed
functioneren van de hele praktijk.

3.8. Verzoekster bestrijdt de gronden die door de wederpartij naar voren zijn
gebracht in het kader van haar afwijzing. Het bezwaar van het feit dat zij
pas in 1998 zou afstuderen gaat niet op, omdat haar vader bereid was een jaar
langer te werken. Ten aanzien van haar – door de wederpartij gestelde – te
geringe interesse in de praktijk stelt verzoekster dat zij vaak heeft
geholpen in de praktijk, bijvoorbeeld door assistentie te verlenen bij
operaties. De laatste jaren had zij zich wat teruggetrokken vanwege haar
studie. Dat een vrouw zich niet voor de volle honderd procent zou kunnen
inzetten betwist verzoekster eveneens: tijdens vakanties hebben vrouwelijke
waarnemers in de praktijk gewerkt, waarover geen klachten waren.

De stelling van de wederpartij dat de afwijzing van verzoekster te maken had
met haar familie hoort verzoekster ter zitting voor het eerst. Zij heeft
voordien nooit iets daarover vernomen. De stelling van de wederpartij ter
zitting dat het functioneren van haar moeder in het telefonisch contact met
de klanten onvoldoende zou zijn, begrijpt zij evenmin.

Zij wijst op de brief van 1 augustus 1996 van de veehouders/klanten waarin
zij hun waardering voor de familie uiten en tevens op de voor de familie
gehouden afscheidsreceptie waar meer dan 600 mensen aanwezig waren. De
wederpartij gebruikt deze argumenten om te verhullen dat zij in de maatschap
geen vrouw wilde opnemen omdat deze zwanger zou kunnen worden.

3.9. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij voelde zich overvallen door het verzoek van de vader van
verzoekster om zijn dochter een plaats binnen de maatschap te geven. Vóór mei
1996 is hierover nimmer door de vader van verzoekster gesproken en
verzoekster zelf heeft tot dat moment evenmin van belangstelling in die
richting blijk gegeven.
Na het verzoek heeft de wederpartij verzoekster laten weten dat eventuele
toetreding van haar als maat tot de praktijk niet aansloot bij de plannen van
de wederpartij voor de toekomst.
Er heeft een gesprek met verzoekster plaatsgevonden dat wat de wederpartij
betreft niet formeel was maar een informatief karakter had. Er was geen
sprake van een sollicitatieprocedure. Verzoekster is gemotiveerd uitgelegd
waarom de wederpartij een toekomstige samenwerking met haar als maat niet
mogelijk en niet wenselijk achtte.

De wederpartij stelt ten aanzien van dit laatste schriftelijk het volgende:
– verzoekster zal pas in 1998 afstuderen terwijl de wederpartij reeds per 1
januari 1997 een vervanger zocht voor de maat met wie de samenwerking
beëindigd is. Met de nieuw aan te stellen maat streeft de wederpartij een
duurzame samenwerking na;
– met het vertrek van vader van verzoekster valt een allround-inzetbaar en
zeer ervaren dierenarts weg; zijn plaats dient bij voorkeur te worden
opgevuld door een dierenarts met ruime praktijkervaring;
– de praktijk is gebaat bij een impuls die een gespecialiseerd dierenarts zou
kunnen geven;
– het klikt niet met verzoekster.

De wederpartij stelt tevens, dat tijdens het gesprek met verzoekster de
combinatie van haar gezinsleven met het veeleisende takenpakket van een
dierenarts in de grote huisdierenpraktijk ter sprake is gekomen. Zulks in het
licht van het feit dat zij een partner met een eigen carrière heeft. Eén van
de maten heeft in dit gesprek zijn twijfels naar voren gebracht over de kans
van slagen van deze combinatie.
Verzoekster heeft uitlatingen die in dit gesprek gedaan zijn uit hun verband
gerukt en anders verwoord.

De vader van verzoekster heeft zelf in het verleden naar voren gebracht dat
een vrouwelijke dierenarts niet in de grote huisdierenpraktijk kan
functioneren.
Bij een vorige opvolging werd dan ook geen enkele vrouwelijke sollicitante
uitgenodigd.
De wederpartij neemt aan dat de klacht van verzoekster te maken heeft met het
onvermogen van de familie van verzoekster om afstand te nemen van `hun’
praktijk.

De wederpartij bestrijdt tevens schriftelijk de mening van verzoekster dat
zij een geschikte vrouw geen kans zou geven, vrouw-onvriendelijk is en zou
discrimineren. Zij heeft immers nadrukkelijk de mogelijkheid open gehouden
dat verzoekster eventueel na haar afstuderen als vijfde dierenarts aan het
werk zou kunnen, indien het werkaanbod voldoende zou zijn. Zij heeft destijds
verzoekster dan ook geadviseerd vooral bij de praktijk te solliciteren
wanneer zij afgestudeerd zou zijn.

3.10. Ter zitting stelt de wederpartij het volgende.
De werkelijke reden voor de afwijzing van verzoekster vond zij te pijnlijk om
aan haar mee te delen. Teneinde haar niet te kwetsen heeft de wederpartij het
argument van het geslacht van verzoekster gebruikt. Zij erkent dat deze
handelwijze oneigenlijk is en biedt hiervoor haar verontschuldigingen aan. In
werkelijkheid speelde het geslacht van verzoekster geen rol. In andere
dierenartsenpraktijken werken vrouwen die goed functioneren. De wederpartij
heeft ook wel gewerkt met vrouwelijke waarnemers. De afwijzing van
verzoekster had te maken met het feit dat de wederpartij niet wilde dat de
familie van verzoekster nog langer invloed had op de praktijk. De wederpartij
was namelijk niet tevreden over de telefonische behandeling van cliënten door
de moeder van verzoekster. Ook wilde de wederpartij invloed van de vader van
verzoekster via de laatste voorkomen, ten aanzien van de wijze waarop zij de
praktijk wilde laten draaien. De wederpartij betwist niet dat het vrouw-zijn
van verzoekster ter sprake is gekomen tijdens het gesprek met verzoekster op
10 juli 1996.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster af te wijzen
als maat voor haar maatschap onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Artikel 2 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bepaalt
dat het niet is toegestaan onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met
betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot en de mogelijkheden tot
uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije beroep.

4.3. Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden merkt de
Commissie het volgende op. Evenals de Commissie van mannen en vrouwen bij de
arbeid in eerdere zaken (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 420-92-50, 2 september 1992 en
414-92-53, 15 september 1992 en Commissie gelijke behandeling, oordeelnummer
96-91, 5 november 1996.) heeft geoordeeld, is de Commissie van oordeel dat
het niet tot haar taak behoort om te oordelen of een kandidaat geschikt is
voor de functie, in casu als maat in de betreffende maatschap. De taak van de
Commissie is na te gaan of er bij de beoordeling van de (mate van)
geschiktheid onderscheid is gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

Ook indien geslacht niet de enige of doorslaggevende reden is geweest voor
verzoeksters afwijzing maar slechts één van de redenen, is in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling gehandeld (Zie onder meer Commissie gelijke
behandeling, 23 april 1996, oordeelnummer 96-28).

4.4. De vraag die voorligt is of het geslacht van verzoekster (mede) een rol
heeft gespeeld bij de afwijzing van verzoekster als maat voor de maatschap.

De Commissie stelt vast dat in de, door de wederpartij opgestelde, notulen
van de maatschapsvergadering van 11 juli 1996 respectievelijk 29 augustus
1996 en het verslag van de bespreking met de secretaris van de KNMD, op 9
oktober 1996, melding wordt gemaakt van de voorkeur van de wederpartij voor
een man.

De wederpartij betwist niet dat zij bij haar argumentatie ten opzichte van
verzoekster haar geslacht en de voorkeur voor een man heeft aangevoerd.
Verzoekster heeft dus kunnen en mogen begrijpen dat haar geslacht mede een
rol bij de afwijzing heeft gespeeld.

De stelling van de wederpartij ter zitting dat zij deze argumenten als
voorwendsel heeft gebruikt teneinde te voorkomen dat verzoekster zich
gekwetst zou voelen door de werkelijke reden voor de afwijzing, welke
uitsluitend gelegen zou zijn in het voorkomen van nog voortdurende invloed
van de familie Van P. op de praktijk, acht de Commissie niet overtuigend.
Immers, de maatschap kent vier maten. Uit hetgeen ter zitting naar voren is
gebracht, blijkt dat de wederpartij een andere werkwijze in de dierenpraktijk
voorstaat dan de vader van verzoekster.

Indien verzoekster haar vader zou opvolgen, zou derhalve een situatie
ontstaan waarin ten aanzien van de te volgen werkwijze drie ervaren maten een
andere opvatting zouden hebben dan verzoekster, althans indien de laatste
dezelfde opvatting zou huldigen als haar vader. De Commissie acht het niet
aannemelijk dat de invloed van verzoekster dan dermate groot zou zijn dat dit
de enige reden zou zijn om haar af te wijzen.

Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat het geslacht van
verzoekster mede een rol heeft gespeeld bij haar afwijzing en de wederpartij
derhalve direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld
in de wetgeving gelijke behandeling.

Wellicht ten overvloede merkt de Commissie nog op dat de wederpartij – hoewel
zij stelt verzoekster niet te hebben willen kwetsen – zulks juist wel heeft
gedaan door haar mede af te wijzen op grond van haar geslacht.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de heer (….) te Tull en `t
Waal, de heer (….) te Werkhoven en de heer (….) te Schalkwijk jegens
mevrouw (….) te Schalkwijk direct onderscheid hebben gemaakt op grond van
geslacht als bedoeld in artikel 2 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen en derhalve in strijd hebben gehandeld met deze wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. drs. B. van Schijndel(lid Kamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 16 april 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Appellante eist aansluiting bij een pensioenregeling vanaf 1978, nadat
zij als deeltijder in het verleden uitgesloten is geweest. In eerste aanleg
is vervangende schadevergoeding (art. 3:310 BW) toegewezen. In hoger beroep
acht de rechtbank op grond van art. 2012 oud BW (art. 3:308 NBW) een vijfjarige
verjaringstermijn van toepassing op de plicht tot premiebetaling door werkgever
en werknemer, die volgt uit de vordering tot aansluiting. Aansluiting zuiver
op werkgeverskosten verzet zich tegen het gemeenschapsrecht, omdat de werknemer
niet kan verlangen gunstiger te worden behandeld dan wanneer hij regelmatig
aangesloten was geweest.

Volledige tekst

Rechtsoverwegingen:

1. De procedure in eerste aanleg

Y heeft voor de kantonrechter te Leiden na wijziging van eis gevorderd
– kort gezegd -,

primair: dat X Y zal opnemen in de ondernemingspensioenregeling onder toekenning
van opbouw van pensioen aan Y met terugwerkende kracht tot 1 september
1978 als nader in de dagvaarding omschreven; en met betaling van al de
daaraan verbonden kosten, verminderd met het werknemersdeel van de pensioenpremies
voor zover een vordering terzake van X op Y niet is verjaard;

subsidiair: dat voor recht zal worden verklaard dat X gehouden is aan Y
schadevergoeding te betalen als nader in de dagvaarding omschreven; alles
met veroordeling van Innovam in de kosten.

Tegen deze vorderingen heeft X verweer gevoerd.
Bij eindvonnis van 4 oktober 1995 heeft de kantonrechter de subsidiaire
vordering van Y toegewezen en X in de kosten veroordeeld.

2. De procedure in hoger beroep

X is tijdig tegen voormeld vonnis in hoger beroep gekomen. Bij memorie
van grieven heeft zij aan de hand van zeven tegen het vonnis gerichte grieven
geconcludeerd tot het vernietigen van dit vonnis en het alsnog afwijzen
van de vorderingen van Y, althans tot het slechts toewijzen van de vordering
tot opname in de pensioenregeling voor de periode na 15 oktober 1987, met
betaling van de pensioenpremie aan het Pensioenfonds die Innovam verschuldigd
zou zijn geweest, indien Y in die periode in de pensioenregeling zou zijn
opgenomen geweest, te verminderen met het werknemersdeel van de pensioenpremie
over de periode van opname.
Y heeft de bezwaren van X gemotiveerd bestreden en harerzijds incidenteel
hoger beroep ingesteld, waarbij zij twee grieven tegen het vonnis heeft
gericht. Voor het geval ook in hoger beroep haar primaire vordering zou
worden afgewezen, heeft zij haar vordering gewijzigd en heeft zij subsidiair
betaling van schadevergoeding door X gevorderd, op te maken bij staat en
te vereffenen volgens de wet. De rechtbank merkt op dat ook de redactie
van de primaire vordering in hoger beroep is gewijzigd. In eerste aanleg
heeft Y toekenning gevorderd van een pensioenopbouw naar evenredigheid
van een voltijd-dienstverband over de periode 1 september 1978 tot de dag
der dagvaarding (15 oktober 1992), terwijl zij in hoger beroep toekenning
van pensioenopbouw vordert naar `evenredigheid van de omvang van haar dienstverband’.
X heeft de grieven in incidenteel appel gemotiveerd bestreden.

3. De grieven in het principaal appel

Grief I

Ten onrechte heeft de kantonrechter de verjaringstermijn van art. 3:307,
lid 1 BW buiten toepassing gelaten.

Grief II

Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat art. 3:308 BW niet van
toepassing is.

Grief III

Ten onrechte heeft de kantonrechter niet beslist op de primaire vordering
van Y en met terzijde stelling van de primaire vordering beslist op de
subsidiaire vordering van Y.

Grief IV

Ten onrechte heeft de kantonrechter ten aanzien van de subsidiaire vordering
meer toegewezen dan hetgeen door Y was gevorderd en overigens ook meer
dan hetgeen met inachtneming van het primair gevorderde en art. 3:312 BW
en het gemeenschapsrecht zou kunnen worden toegewezen.

Grief V

Ten onrechte heeft de kantonrechter het jaar 1991 als uitgangspunt genomen
voor de datum waarop Y moet worden geacht bekend te zijn geworden met zowel
de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon.

Grief VI

Ten onrechte heeft de kantonrechter ten overvloede overwogen dat een verjaringstermijn
van vijf jaren op gespannen voet staat met de strekking van hetgeen het
Europese Hof in de zaak Fisscher onder r.o. 40 heeft overwogen.

Grief VII

Ten onrechte heeft de kantonrechter beslist zoals in het dictum is opgenomen
en ten onrechte heeft hij X veroordeeld in de gedingkosten.

4. De grieven in het incidenteel appel

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat art. 3:307 BW wel van
toepassing is, omdat het hier immers de nakoming van een verbintenis om
te doen betreft.

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter niet de primaire vordering van Y toegewezen.

5. De feiten

5.1. Y is van 1 september 1978 tot 1 november 1993 op arbeidsovereenkomst
voor halve dagen als administratief medewerkster in dienst bij X geweest.
Het pensioenreglement d.d. 1 januari 1978 bepaalde voor zover thans nog
van belang dat men tenminste 2 jaar in dienst van de werkgever diende te
zijn alvorens te kunnen worden opgenomen in de pensioenregeling.
Tot 1 januari 1992 kwam Y op grond van de destijds geldende pensioenreglementen
niet in aanmerking voor opbouw van pensioen.

5.2. Vanaf 1 januari 1992 heeft voor Y een pensioenvoorziening gegolden,
waarbij de pensioen-franchise is berekend naar rato van de gewerkte arbeidstijd.

6. Beoordeling van de grieven in het principale en in het incidentele
appel

6.1. De grieven in het principale appel met nummers I, II, V en VI en grief
1 in het incidentele appel zien o vragen betreffende de verjaring. Grief
III in het principale appel en grief I in het incidentele appel klagen
erover dat de kantonrechter niet heeft beslist op de primaire vordering
van Y.

Grief IV komt op tegen de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van
de subsidiaire vordering van Y.

6.2. In het Vroege-arrest van het EG-Hof van 28 september 1994 is onder
meer het volgende beslist: Het recht op aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling
valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het EEG-Verdrag en wordt
dus bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.
De beperking in de tijd van de werking van het Barber-arrest van 17 mei
1990 van het EG-Hof geldt niet voor het recht op aansluiting. Het protocol
ad artikel 119 van het EEG-Verdrag, dat als tweede protocol aan het Verdrag
betreffende de Europese Unie is gehecht (Verdrag van Maastricht) heeft
geen invloed op het recht op aansluiting (in gelijke zin het hierna te
vermelden Fisscher-arrest).

In het Fisscher-arrest van het EG-hof d.d. 28 september 1994 is onder meer
beslist dat een werknemer zich niet op grond van het feit dat hij met terugwerkende
kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een pensioenregeling, kan
onttrekken aan de betaling van de op de betrokken periode van aansluiting
betrekking hebbende premie.
Nationale regels betreffende de in het nationale recht geldende `beroepstermijnen’
kunnen worden tegengeworpen aan werknemers die hun recht op aansluiting
bij een bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits deze regels voor dit
soort vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor soortgelijke nationale
vorderingen en zij het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan
het gemeenschapsrecht ontleende recht uit te oefenen.

6.3. De rechtbank zal eerst grief 1 van het incidentele appel behandelen.
Y heeft in de toelichting op deze grief aangevoerd dat voor haar primaire
vordering onder het tot 1 januari 1992 geldende recht een verjaringstermijn
van 30 jaar gold en dat deze verjaring met de dagvaarding van 15 oktober
1992 in verband met art. 73 Ow is gestuit.

6.4. X beoogt dat art. 73 Ow in dit geval buiten toepassing dient te blijven
op grond van art. 119 EEG-Verdrag en/of op grond van art. 75, lid 2, Ow.

6.5. De rechtbank overweegt als volgt.

Van het recht op aansluiting dient volgens het gemeenschaprecht te worden
onderscheiden het recht op pensioenuitkeringen, waarop het tweede protocol
van artikel 118 van het EEG-Verdrag wel van toepassing is.

6.6. Tussen partijen staat in hoger beroep vast dat de in de pensioenreglementen
van X van vóór 1 januari 1992 vervatte uitsluiting van deeltijd-werknemers
strijdig is met art. 119 EEG-Verdrag. Deze discriminatie kan niet los gedacht
worden van de arbeidsrelatie tussen partijen. Derhalve kan – anders dan
Y kennelijk meent – haar primaire vordering niet gegrond zijn op onrechtmatig
nalaten. Aangezien de vordering strekt tot het met terugwerkende kracht
opnemen van Y in de ondernemingspensioenregeling, ligt het voor de hand
deze aan te merken als een vordering tot nakoming.

6.7. Aangenomen moet worden dat X op grond van het gemeenschapsrecht jegens
Y gehouden was een pensioentoezegging te doen als welke zij eerst met ingang
van 1 januari 1992 jegens Y heeft gedaan door middel van invoering van
het pensioenreglement van die datum. De verjaringstermijn van de rechtsvordering
tot nakoming van deze verplichting is op grond van art. 2004 BW (oud) 30
jaar. Deze termijn liep op grond van art. 73 Ow door na 1 januari 1992
en is door Y met het op 15 okt. 1992 uitbrengen van de dagvaarding in de
onderhavige zaak gestuit.

6.8. Het recht op aansluiting houdt in het recht van Y om van X aansluiting
bij een bedrijfspensioenregeling te eisen. Dit recht komt Y gelet op de
tijdige stuiting van de verjaringstermijn, thans nog toe. Daar moet echter
de volgende kanttekening bij gemaakt worden. Zoals in het Fisscher-arrest
is beslist, kan een werknemer zich niet op het grond van het feit, dat
hij met terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een
bedrijfspensioenregeling, onttrekken aan de betaling van de op de betrokken
periode van aansluiting betrekking hebbende premie (overweging nr. 37 en
onderdeel 4 van het dictum in het Fisscher arrest van het EG-Hof).

6.9 Nu in 1978 voor werknemers van X een wachttijd van twee jaar gold kan
Y in beginsel vorderen dat X gehouden is Y met terugwerkende kracht tot
1 september 1980 op te nemen in haar pensioenregeling. X voert in haar
memorie van grieven onder nr 24 terecht aan dat de verplichting van X om
Y aan te sluiten bij de pensioenregeling zich vertaalt in een verplichting
tot betaling van premies door werkgever en werknemer en dat deze verplichting
er een is bij het jaar of een kortere termijn.

Zowel onder het oude recht (art. 2012 BW) als onder het nieuwe recht (art.
3:308 BW) geldt voor de vordering tot betaling bij het jaar of korter een
verjaringstermijn van 5 jaar. Naar het oordeel van de rechtbank doet X
derhalve terecht een beroep op verjaring. Dit brengt mee dat X niet verplicht
is tot het betalen van premies ten aanzien van de periode liggend vóór
15 oktober 1987. De toepassing van deze verjaringsregels op de op het gemeenschapsrecht
gebaseerde vorderingen van Y is naar het oordeel van de rechtbank niet
ongunstiger dan voor soortgelijke vorderingen terzake achterstallig salaris
en maakt het evenmin in de praktijk onmogelijk voor Y om het aan het gemeenschapsrecht
ontleende recht uit te oefenen.

6.10. gelet op de vordering van Y, zoals die na wijziging luidt, wenst
Y haar pensioen met terugwerkende kracht op te bouwen uitsluitend op basis
van de werkgeverspremies. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank staat
het bovenvermelde Fisscher-arrest aan deze wens niet in de weg. Het EG-Hof
heeft in dat arrest tot uitdrukking gebracht dat de werknemer, die met
terugwerkende kracht aanspraak kan maken op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling,
zich niet kan onttrekken aan betaling van over de periode van aansluiting
betrekking hebbende premie, aangezien deze werknemer niet kan verlangen
dat hij `in het bijzonder op het financiële vlak, gunstiger wordt behandeld,
dan wanneer hij regelmatig bij de regeling aangesloten was geweest’. Tegemoetkoming
aan de wens van Y zal derhalve in ieder geval niet kunnen leiden tot aanspraken
op pensioen die vergelijkbaar zijn met die van andere bij de pensioenverzekeraar
aangesloten werknemers.

6.11. Het is de rechtbank echter nog niet duidelijk op deze wens van Y
daadwerkelijk zonder problemen en/of extra kosten voor X en/of haar pensioenverzekeraar
te realiseren valt. De rechtbank wenst hieromtrent door partijen, in de
eerste plaats door X geïnformeerd te worden en zij zal daartoe een comparitie
van partijen bepalen.

6.12 Iedere verder beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

De rechtbank in het principale en in het incidentele hoger beroep: Houdt
iedere verder beslissing aan.

Noot

Naar aanleiding van een vordering ex artikel 119 EEG-verdrag tot herstel
van pensioenrechten wegens deeltijddiscriminatie, komt de Rechtbank Den
Haag uiteindelijk uit op een verjaringstermijn van vijf jaar. Dat maakt
de stand tot nu toe 2-1. `Den Haag’ wordt bijgevallen in de vijf jaar door
`Alkmaar’, terwijl `Utrecht’ tot nu toe alleen staat met dertig jaar (oud
BW). Alle rechtbanken volgen verschillende redeneringen, evenals de kantonrechters
deden. `Gelukkig hebben we maar één Hoge Raad’, verzucht Breuker (noot
bij PJ 1997, 39).

De motiveringen van de Rechtbank Den Haag zijn vrij extensief en daarom,
lijkt mij, leerzaam. Het staat er niet heel duidelijk, maar ik lees de
uitspraak zo dat de rechtbank in eerste instantie de vordering tot aansluiting
karakteriseert als de plicht van de werkgever om op grond van de arbeidsovereenkomst
een pensioentoezegging te doen. Op deze nakoming van een verbintenis acht
de rechtbank onder het oud BW een dertigjarige termijn van toepassing (art.
2004 BW). Vervolgens gaat de rechtbank echter verder en constateert dat
nakoming met zich meebrengt dat premies betaald moeten worden door werkgever
en werknemer. Omdat dit periodieke vorderingen zijn, wordt hierop een vijfjarige
termijn (art. 2012 oud BW en art. 3:308 NBW) van toepassing geacht. Vervolgens
wordt deze termijn getoetst aan het gemeenschapsrecht dat stelt dat op
vorderingen die primair rusten in het gemeenschapsrecht geen naar nationaal
recht ongunstige beroepstermijnen mogen worden toegepast in vergelijking
met zuiver nationale vorderingen. De rechtbank meent dat hieraan voldaan
is, omdat op zuivere, nationale vorderingen van achterstallig salaris ook
een verjaring van vijf jaar wordt toegepast. De vraag is uiteraard of afdracht
van pensioenpremie in alle gevallen vergeleken mag worden met achterstallig
salaris. Ik kom hierop terug. De rechtbank overweegt dan nog ten overvloede
dat Y in wezen vordert om vanaf 1978 (wordt 1980 wegens een wachtstand
van twee jaar in het pensioenreglement) te worden opgenomen op kosten van
de werkgever, omdat de premieplicht van Y zelf is verjaard. Hiertegen verzet
zich het Fisscher-arrest van het HvJ EG, aldus de rechtbank,
omdat de werknemer niet kan verlangen gunstiger behandeld te worden dan
wanneer van regelmatige aansluiting sprake was geweest.

De rechtbank lijkt het met bovenstaande redenering nog ingewikkelder te
maken dan het al is. Als de vordering in wezen de nakoming van een verbintenis
tot geven of doen behelst (namelijk nakoming van de plicht een pensioentoezegging
te doen op basis van de arbeidsovereenkomst), die na dertig jaar verjaart
onder het oud BW, ligt het niet voor de hand om de onderliggende plichten
die moeten leiden tot deze pensioentoezegging vervolgens weer als een zelfstandige
vordering te behandelen die, ook weer, hun eigen verjaringstermijnen kennen.
Op deze wijze zijn de verschillende wettelijke verjaringstermijnen die
afhankelijk zijn van de aard van de rechtsvordering als het ware ad
random
te gebruiken, doordat de meeste vorderingen wel subverplichtingen
kennen, die dan ook weer naar hun aard beoordeeld mogen worden. Dat lijkt
me niet helemaal de bedoeling van het wettelijk stelsel van verjaring.
Het behandelen van de pensioenstortingsplicht als zelfstandige vordering
lijkt alleen aangewezen, wanneer de pensioentoezegging wel tot stand is
gekomen maar er ten onrechte geen premie is afgedragen. Bovendien, zelfs
al zou de pensioenstortingsplicht verjaard zijn, dat maakt niet automatisch
dat de plicht tot het doen van een pensioentoezegging verjaard is. Dit
laatste lijkt overigens alleen onder het oud BW relevant, omdat onder het
NBW een verbintenis tot geven of doen op grond van art. 3:307 BW ook na
vijf jaar verjaart (dertig jaar onder het oud BW). Met andere woorden de
plicht tot het doen van een pensioentoezegging en de plicht tot premiebetaling
verjaren onder het NBW op hetzelfde moment. De rechtbank lijkt er echter
vanuit te gaan dat zelfs al zou de vordering tot het doen van een pensioentoezegging
niet verjaard zijn, deze toch niet kan worden toegewezen omdat zonder premieplicht
(die volgens de rechtbank wel verjaard is) Y in dat geval in een gunstiger
positie terecht komt dan wanneer zij regelmatig aangesloten was geweest.

Maar afgezien van bovenstaande problematiek, lijkt het ook als we meegaan
met de rechtbank – en de plicht tot de storting van pensioenpremie als
zelfstandige nevenvordering behandelen – nog niet zeker welke verjaring
daarop staat. Volgens de rechtbank is dit vijf jaar ex art. 2012 oud BW
dan wel art. 3:308 NBW. De storting van premie is in beginsel een periodieke
verplichting en lijkt derhalve inderdaad onder deze artikelen te vallen.
De HR heeft evenwel, onder vigeur van het oud BW, artikel 2012 ten voordele
van de werknemer doorbroken in een geval waar wel een pensioentoezegging
was gedaan aan de werknemer, maar nooit daadwerkelijk premie was afgedragen
door de werkgever aan het pensioenfonds (HR 10 september 1993, NJ 1993/736,
zie ook mijn noot bij RN 1997, 714). Het lijkt mij verdedigbaar, nu de
rechtbank de plicht tot het doen van een pensioentoezegging pas na dertig
jaar laat verjaren, dat hier van een vergelijkbare situatie sprake is.

Indien in beginsel een pensioentoezegging afgedwongen kan worden omdat
deze nog niet is verjaard en er is derhalve op onrechtmatige wijze geen
premie afgedragen, lijkt ook hier te gelden dat de werkgever niet vervolgens
aan de werknemer de verjaringstermijn van art. 2012 mag tegenwerpen. Dat
laat weer wel de vraag open of de werknemer dezelfde verjaringstermijn
mag tegenwerpen als het om zijn eigen pensioenpremieplicht gaat. Op grond
van Fisscher kan men zeggen van niet, hoewel ook verdedigd kan
worden dat Fisscher uitsluitend het evenwicht tussen pensioenrechten
en premieplichten op basis van artikel 119 EEG-verdrag uitlegt en derhalve
niet doorgetrokken kan worden naar de wijze waarop deze rechten en plichten
naar nationaal recht verjaren.

Wel moet wederom aangetekend worden dat bovenstaande alinea in beginsel
alleen relevant is onder het oud BW, oftewel ingeval van vorderingen ingediend
voor 1 januari 1993. Weliswaar is art. 3:308 vergelijkbaar met art. 2012,
waardoor de genoemde jurisprudentie van de HR is door te trekken naar het
NBW. Probleem is evenwel, zoals eerder gezegd, dat onder het NBW de plicht
tot pensioentoezegging na vijf jaar al zou kunnen verjaren ex art. 3:307
BW. Indien er geen pensioentoezegging meer afgedwongen kan worden, lijkt
men ook weinig te hebben aan een langere verjaringstermijn van de plicht
tot betaling van pensioenpremie. Tenzij men weer, zoals verschillende kantonrechters
en rechtbanken, de stap van pensioentoezegging volledig overslaat en de
vordering tot aansluiting rechtstreeks vertaalt in nakoming van verschuldigde
pensioenpremies. Een andere mogelijkheid zou nog zijn, om te stellen dat
de HR in NJ 1993/736 de lange verjaringstermijn uit het BW van toepassing
acht, wanneer op onrechtmatige wijze geen pensioenpremie is afgedragen
door de werkgever. Aangezien de toepasselijke nationale beroepstermijnen
bij de handhaving van gemeenschapsrecht niet ongunstiger mogen zijn, dan
die worden toegepast op vergelijkbare, nationale vorderingen, zou de nationale
rechter bij de handhaving van artikel 119 eveneens de lange verjaringstermijn
moeten toepassen als het gaat om het op onrechtmatige wijze niet afdragen
van pensioenpremie. Het voorafgaande toont wel aan dat er vele juridische
wegen te volgen zijn, zolang de primaire vraag, namelijk wat is de aard
van de vordering, nog steeds niet eenduidig beantwoord is. De Rechtbank
Den Haag helpt ons hiermee niet verder. Integendeel misschien, omdat de
rechtbank de plicht tot aansluiting karakteriseert als een plicht tot pensioentoezegging
én als een plicht tot premiebetaling, die ieder bovendien, in ieder geval
onder het oud BW, verschillende verjaringstermijnen kennen.

Albertine Veldman

Rechters

Mrs Von Maltzahn, De Rijke Maas, Urbanus

Instantie: Kantonrechter Wageningen, 16 april 1997

Instantie

Kantonrechter Wageningen

Samenvatting


Het schoolbestuur wil de arbeidsovereenkomst met de directeur, die ziek is,
ontbinden. Er waren klachten over grof taalgebruik en seksuele intimidatie
tegenover elf-jarige meisjes binnengekomen. De klachten over schuttingtaal en
het betasten van de lichamen van meisjes op school zijn door een ad-hoc
klachtencommissie gegrond verklaard terwijl de directeur blijft ontkennen.
Tevens acht hij de gevoerde procedure onzorgvuldig en in strijd met de
voorwaarden behorend bij zijn akte van benoeming. Hij heeft zich gewend tot
de vertrouwensinspecteur van de Rijksinspectie. Hij stelt dat hij het doelwit
is geworden van een wraakactie door enkele personen. Hij wijst er in dit
verband op dat de klagende kinderen iedere avond met hun ouders aan het
oefenen zijn geweest hoe hun gedrag en hun antwoorden tijdens de hoorzitting
van de commissie moesten zijn en dat dit aan de Stichting bekend was. Indien
de kantonrechter toch tot ontbinding overgaat verzoekt hij een ontbinding
ingaande op een zodanig tijdstip dat hij tot zijn pensioengerechtigde
leeftijd een Ww-uitkering kan ontvangen.
De kantonrechter oordeelt dat in het kader van een procedure als de
onderhavige geen uitvoerig feitenonderzoek aan de orde kan komen. Ook kan het
geen hoger beroep zijn van de beslissing van de klachtencommissie, en de
kantonrechter treedt niet op als strafrechter.
De kantonrechter is van mening dat een ontbinding mogelijk is nu de directeur
niet betwist dat de ziekte enig verband houdt met zijn werk. Verder is
duidelijk dat er sprake is van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding en
daarom besluit de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden op korte
termijn. De directeur wordt een schadevergoeding toegekend van ƒ 138.211,92.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Op de gronden als omschreven in het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op
12 februari 1997, heeft verzoekster, hierna te noemen `de Stichting’, de
kantonrechter gevraagd om de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te
ontbinden.

Gerekestreerde, hierna te noemen `L’, heeft een verweerschrift ingediend.

Er heeft op 2 april 1997 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan
is door de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Ten slotte is beschikking bepaald op heden.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. De arbeidsovereenkomst

1.1. E, die 49 jaar oud is, is op 1 augustus 1985 bij de Stichting in dienst
getreden. Hij vervult thans de functie van directeur aan de onder de
Stichting ressorterende school voor katholiek basisonderwijs te X.
Zijn salaris bedraagt ƒ 6094 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

2. Het standpunt van de Stichting

2.1. Het verzoekschrift is gebaseerd op gewichtige redenen, zijnde een
verandering in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de
arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn behoort te eindigen.

Ter toelichting wordt het volgende aangevoerd:

2.2. Medio 1996 heeft de Stichting E naar aanleiding van ontvangen klachten
met klem verzocht zijn taalgebruik naar leerlingen toe bij te stellen, in
dier voege, dat dit niet langer voorzien zou zijn van grove woorden en/of
schuttingtaal. Het taalgebruik werd als te grof en bovendien intimiderend
ervaren.

2.3. In november 1996 bereikten de Stichting nieuwe klachten over E, dit maal
over seksuele intimidatie/ongewenste intimiteiten. De klachten betroffen
lichamelijke aanrakingen ten opzichte van twee meisjes, leerlingen van groep
8, d.w.z. leerlingen van 11 jaar oud.

2.4. Bij gebreke van een eigen klachtencommissie heeft de Stichting deze
klachten laten onderzoeken door de door haar bij wijze van ad-hoc
klachtencommissie aangezochte Regionale Klachtencommissie Seksuele Intimidatie
Primair Onderwijs Oss-‘s-Hertogenbosch.

2.5. Deze commissie heeft op 10 januari 1997 uitspraak gedaan en de klachten
gegrond verklaard, voorzover het betreft het betasten van de borsten van de
meisjes en het betasten van de buik, de billen en de heupen van een van de
meisjes. De klachten, inhoudende het
onaangekondigd binnentreden van de kleedruimte van de meisjes na de gymles en
het bekijken van de meisjes tijdens het omkleden, werden voor wat betreft de
feitelijke grondslag niet vaststelbaar geoordeeld.

2.6. De commissie adviseerde voorts dat de Stichting zich zou bezinnen op de
positie van E, aangezien de commissie van mening is, dat E zich duidelijk
grensoverschrijdend heeft gedragen. De commissie heeft ook haar sterke
twijfel uitgesproken over de geschiktheid van E voor zijn vak en eveneens
over de mogelijkheden om het functioneren van E in
positieve zin bij te stellen.

2.7. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de Stichting zich nader beraden
omtrent een en ander en uiteindelijk bevonden dat zij niet voor haar
verantwoording wil en kan nemen dat haar personeelsleden binnen werktijd en
met gebruik – c.q. misbruikmaking van mogelijkheden die de uitoefening van
hun functie met zich meebrengt, zich schuldig maken aan seksuele intimidatie
en/of ongewenste intimiteiten, ongeacht of dit geschiedt ten aanzien van
andere personeelsleden, leerlingen of derden.
De Stichting is dan ook van mening dat het tekortschieten van E, gelet op
zijn functie, leeftijd en ervaring, zodanig ernstig van aard is, dat zij het
niet langer kan verantwoorden, hem te handhaven. Aan de arbeidsrelatie tussen
partijen is het meest essentiële fundament
voorgoed komen te ontvallen, namelijk het vertrouwen in de werknemer.
Daarmee is een normale vruchtbare samenwerking tussen partijen voor de
toekomst compleet illusoir geworden.

2.8. Met E, die zich met ingang van 12 november 1996 (situatief) ziek heeft
gemeld, is de Stichting niet tot een regeling in der minne kunnen geraken.

3. Het standpunt van E

3.1. E heeft primair het standpunt ingenomen dat het verzoek van de Stichting
dient te worden afgewezen.

3.2. In subsidiaire zin- voor zover er geconcludeerd wordt dat er sprake is
van dusdanig gewijzigde omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst behoort te
worden ontbonden – stelt E zich ten aanzien van de ontbindingsdatum op het
standpunt dat deze dient te
worden bepaald op een datum ná 1 januari 1998 en dat ten aanzien van de
vergoeding hem een bedrag gelijk aan vijf maal zijn jaarsalaris dient toe
komen, alsmede een nog nader vast te stellen bedrag ter dekking van zijn
verlies aan pensioenopbouw. Tevens verzoekt E – zowel met betrekking tot zijn
primaire als zijn subsidiaire standpunt – de
veroordeling van de Stichting in de proceskosten.

E voert daartoe het navolgende aan:

3.3. Voor een ontbinding is geen enkele reden. Hij ontkent ten stelligste dat
hem ooit met klem is verzocht zijn taalgebruik ten opzichte van leerlingen
bij te stellen. Hij heeft eenmaal als gekscherende uitleg van het woord
`muggenzifter’ het woord `mierenneuker’ gebruikt. Hij is hierover slechts
terloops door de Stichting onderhouden. E roept wel eens `koppen dicht’ of
`is het nu afgelopen met het gesodemieter’, doch dan hield dit verband met
het handhaven van de orde en rust.

3.4. E ontkent tevens ten stelligste dat hij zich schuldig gemaakt zou hebben
aan seksuele intimidatie of ongewenste intimiteiten.

3.5. Voor wat betreft de procedure ten overstaan van de klachtencommissie is
E van mening dat deze commissie op een volstrekt laakbare wijze uitvoering
heeft gegeven aan de toepasselijke bepalingen van het door haar gehanteerde
reglement. Zo is E onder meer door de commissie ondervraagd over onderwerpen
die kennelijk door klagers gedurende de procedure als klacht naar voren zijn
gebracht, doch waarvan de aard hem tot op heden nog immer onbekend is.

3.6. E die geen mogelijkheid heeft om tegen de gewraakte uitspraak van de
commissie in beroep te gaan, heeft de hulp ingeroepen van de
vertrouwensinspecteur van het Rijks Inspectie Kantoor te Zwolle, temeer daar
het in een zaak als de onderhavige in de rede had gelegen de procedure te
volgen zoals omschreven in de voorwaarden behorend bij de
akte van benoeming. Alsdan zou E in de gelegenheid zijn geweest zijn thans
ernstig aangetaste naam en eer te zuiveren. Door hem die procedure willens en
wetens te ontnemen heeft de Stichting buitengewoon onzorgvuldig jegens hem –
E – gehandeld. E kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat de
Stichting een toetsing van haar handelwijze door de Commissie van Beroep
vreesde en om die reden elke ingang tot die
procedure heeft afgesloten.

3.7. De Stichting weet dat E zich niet schuldig heeft gemaakt aan seksuele
intimidatie of anderszins, doch dat hij het doelwit is geworden van een
wraakactie door enkele personen. Hij wijst er in dat verband onder meer op
dat de klagende kinderen iedere avond met hun ouders aan het oefenen zijn
geweest hoe hun gedrag en hun antwoorden tijdens de
hoorzitting van de commissie moesten zijn en dat dit aan de Stichting bekend
is.

3.8. Een ontbinding van de overeenkomst is op dit moment voor E dermate
desastreus dat alleen al om die reden het ontbindingsverzoek dient te worden
afgewezen. Indien het verzoek immers wordt gehonoreerd dan heeft dat voor E
tot gevolg dat hij slechts voor de duur van 9 1/2 jaar een
werkloosheidsuitkering zal ontvangen. Daardoor is hij alsdan op de leeftijd
van 58 1/2 jaar aangewezen op een uitkering van de sociale dienst. Bij een
ontbinding echter na 1 januari 1998 zal E een werkloosheidsuitkering
ontvangen tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd.

4. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst

4.1. De kantonrechter stelt voorop dat in het kader van een procedure als de
onderhavige geen uitvoerig feitenonderzoek aan de orde is. Het lot van een
verzoek tot ontbinding met als grond een duurzaam verstoorde
arbeidsrelatie hangt af van hetgeen partijen over en weer thans hebben
aangevoerd. De kantonrechter zal een verzoek aan de hand van hetgeen
door partijen is aangevoerd geheel zelfstandig toetsen aan de criteria
van art. 7A:1639w (oud) van het Burgerlijk Wetboek. Dit betekent in
concreto dat deze procedure geen behandeling in hoger beroep is dan wel
kan zijn tegen de beslissing van de Regionale Klachtencommissie Seksuele
Intimidatie Primair Onderwijs Oss-‘s-Hertogenbosch van 10 januari 1997.
Evenmin treedt de kantonrechter in de onderhavige zaak op als
strafrechter. Hij behoeft dus niet op zoek te gaan naar `de waarheid’
althans naar een bewezenverklaring van hetgeen door partijen over en
weer is gesteld.

4.2. Alvorens verder inhoudelijk op de stellingen van partijen in te
gaan, zal de kantonrechter de vraag dienen te beantwoorden of een
ontbinding van de arbeidsovereenkomst wel mogelijk is nu E wegens ziekte
arbeidsongeschikt is. De kantonrechter beantwoordt die vraag aldus. Een
zieke werknemer geniet in het algemeen een vergaande ontslagbescherming.
Weliswaar is een werkgever te allen tijde bevoegd zich tot de
kantonrechter te wenden met het verzoek een arbeidsovereenkomst te
ontbinden, maar een dergelijk verzoek kan in het geval van een zieke
werknemer alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingewilligd.
Aangezien door E niet is betwist dat de ziekte enig verband houdt met
zijn werk, doet zich een dergelijk uitzonderlijk geval voor.

4.3. Uit hetgeen door de Stichting is aangevoerd, kan naar het oordeel
van de kantonrechter – indien wordt aangenomen dat de gestelde feiten
en/of omstandigheden waar zijn – worden afgeleid dat E binnen werktijd
en met gebruik- c.q. misbruikmaking van mogelijkheden die de uitoefening
van zijn functie met zich meebracht, zich schuldig heeft gemaakt aan
seksuele intimidatie en/of ongewenste intimiteiten. Uit hetgeen door E
als verweer is aangevoerd kan naar het oordeel van de kantonrechter –
indien eveneens wordt aangenomen dat de gestelde feiten en/of
omstandigheden waar zijn – worden afgeleid dat er sprake is van een
wraakactie van enkele personen, waarbij deze niet schromen om hun jonge
kinderen mede tot inzet te maken van hun strijd tegen E. De
kantonrechter acht zich gelet op het feit dat partijen voor hun
respectievelijke standpunt gesteund worden door meerdere – veelal
schriftelijke – verklaringen van sympathisanten niet in staat om aan te
geven welk der standpunten waar is. De kantonrechter is evenmin in staat
om aan de hand van het thans voorliggende materiaal te komen tot de
bevinding dat het ene dan wel het andere standpunt in meer of in mindere
mate aannemelijk is. De kantonrechter zal ter zake dan ook geen keuze
maken.

4.4. Niettegenstaande hetgeen hiervoor is overwogen acht de
kantonrechter – gelet op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar
voren is gekomen – de verhouding tussen partijen inmiddels zodanig
ernstig verstoord dat een vruchtbare samenwerking in de toekomst niet
langer mogelijk is. Daarmee staat vast dat er voor E geen plaats meer is
als directeur van de school. Een en ander levert op een wijziging van
omstandigheden als bedoeld in art. 7A:1639w lid 2 (oud) BW. De
arbeidsovereenkomst zal dan ook worden ontbonden per na te melden datum.
Het verzoek van E om eerst de arbeidsovereenkomst te ontbinden na 1
januari 1998 wordt afgewezen. Immers een ontbinding per datum als
verzocht staat op te gespannen voet met de wet. Art. 7A:1639w (oud)
voorziet in een ontbinding van een arbeidsovereenkomst op korte termijn.

5. Vergoeding naar redelijkheid en billijkheid

Gelet op alle omstandigheden van het geval in het bijzonder het feit dat
het thans niet wel mogelijk is aan te geven dat een der partijen niet
althans niet in overwegende mate een verwijt van de ontstane situatie
valt te maken – zodat er sprake is van een neutrale ontbinding – acht de
kantonrechter het billijk dat aan E op de voet van art. 7A:1639w lid 8
(oud) BW een vergoeding wordt toegekend en wel een bedrag van ƒ 138
211,92. De hoogte van de vergoeding is in overeenstemming met de
aanbevelingen voor procedures ex art. 7A:1639w BW, zoals vastgesteld in
de plenaire vergadering van de Kring van Kantonrechters d.d. 8 november
1996 (gepubliceerd in het Nederlands Juristenblad nr. 43 d.d. 29
november 1996). Aan het voorgaande doet niet af dat de Stichting in
feite een gesubsidieerde instelling is.

6. Termijn

Gelet op het vorenstaande zal aan de Stichting een termijn worden
gegeven waarbinnen zij in de gelegenheid zal zijn om het verzoek in te
trekken.

7. Proceskosten

Met betrekking tot de proceskosten zal de kantonrechter beslissen zoals
hierna te melden.

De beslissing:

de kantonrechter:

1. Stelt partijen in kennis van het voornemen om de arbeidsovereenkomst met
ingang van 15 mei 1997 te ontbinden onder gelijktijdige toekenning aan L van
een ten laste van de Stichting te brengen vergoeding van bruto ƒ 138,211,92.

2. Stelt de Stichting in de gelegenheid tot uiterlijk 1 mei 1997 schriftelijk
aan de griffie van het kantongerecht te berichten of zij het verzoek intrekt.

Indien de Stichting van evenbedoelde bevoegdheid geen gebruik maakt:

3. Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van
15 mei 1997, onder gelijktijdige toekenning aan L van een vergoeding, als
onder 1. omschreven.

4. Compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

Indien de Stichting wél gebruik maakt van de onder 2. genoemde bevoegdheid:

5. Veroordeelt de Stichting in de kosten van deze procedure, aan de zijde van
L tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 750 aan salaris gemachtigde.

Rechters

Mr. Vrijhoeven

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is exploitant van contacttelefoonlijnen. Voor deze lijnen zijn
er TV-Dating advertenties uitgezonden. Deze advertenties bieden aan vrouwen
de mogelijkheid om gratis te bellen, terwijl mannen een gulden per minuut
moeten betalen. De wederpartij maakt bij de aanbieding van diensten een
verboden onderscheid naar geslacht. Strijd met de wet.
TEKST : 1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 januari 1996 verzocht de heer (….) te Ossendrecht (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Den Haag (hierna: de
wederpartij) handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker heeft op teletekst een TV-Dating advertentie gezien van de
wederpartij. Deze advertentie bood de mogelijkheid aan vrouwen om een gratis
telefoonnummer te bellen. Mannen konden een nummer draaien waarvoor ze een
gulden per minuut moesten betalen. Verzoeker is van mening dat de wederpartij
hiermee onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht. Naast de
wederpartij zijn nog vier andere wederpartijen aangewezen. Het betreft twee
tv-zenders, een multimedia bedrijf en de technisch beheerder van de
telefoonlijnen. In die zaken zijn oordelen uitgesproken met de oordeelnummers
97-40, 97-41 en 97-42.

2.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 18 februari 1997. Deze zaak is gevoegd behandeld met de zaken
tegen de vier andere wederpartijen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij
– mw. (….) (gemachtigde)
– mw. mr. M.C.H.I. van der Dussen (advocaat)

van de kant van de wederpartijen in de gevoegde zaken:
– de heer (….) (namens wederpartij in zaak met
oordeelnummer 97-41
– de heer (….) (Legal manager wederpartij in zaak met
oordeelnummer 97-42

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is exploitant van een aantal contacttelefoonlijnen. Deze
lijnen bieden de mogelijkheid aan mannen en vrouwen om telefonisch met elkaar
in contact te komen. Verzoeker heeft op teletekst een TV-Dating advertentie
gezien van de wederpartij. Deze advertentie bood de mogelijkheid aan vrouwen
om een gratis telefoonnummer te bellen (06-4646). Mannen konden een nummer
draaien waarvoor ze een gulden per minuut moesten betalen (06-3502xxx).
Verzoeker wilde van deze TV-Dating service gebruik maken.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker brengt het volgende naar voren.

Hij is van mening dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelt door mannen te laten betalen voor bemiddelingsdiensten,
terwijl vrouwen hier gratis gebruik van kunnen maken.

3.3. De wederpartij voert het volgende aan.

Dat haar diensten voor vrouwen gratis toegankelijk zijn, is voortgekomen uit
het feit dat gebleken is dat er een maatschappelijke behoefte is aan de
betreffende diensten, waarin uitsluitend kan worden voorzien met het gekozen
systeem. De vrouwen die bellen, hebben meestal geen eigen inkomsten en zouden
afhaken wanneer zij moesten betalen. Dat zou betekenen dat aan een groot
aantal mannen de gevraagde diensten niet meer zouden kunnen worden geleverd.

Zij sluit niemand uit van haar diensten. De diensten worden niet alleen aan
iedereen aangeboden, maar iedereen heeft ook daadwerkelijk toegang tot de
diensten. Slechts de voorwaarden waaronder dit geschiedt, zijn voor mannen en
vrouwen verschillend. De keuze om al dan niet van een voor ieder
toegankelijke dienst gebruik te maken ligt bij de potentiële afnemer. Er is
geen sprake van discriminatie van mannen. Er is hier sprake van het
bevoordelen van vrouwen. De reden hiervoor is dat mannelijke bellers zodoende
worden voorzien van een ruim aanbod van vrouwen, hetgeen er niet zou zijn
zonder het gratis telefoonnummer voor vrouwen. Zo beschouwd is het dus ook in
het voordeel van mannen dat vrouwen gebruik wensen te maken van de gratis
diensten. In dit verband wijst de wederpartij op de handelwijze van
discotheken, die vrouwelijke clientèle lokken door hen gratis naar binnen te
laten en hen gratis drankjes aan te bieden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1.In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
op grond van geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling,
door mannen die telefonisch met vrouwen in contact willen komen een gulden
per minuut te laten betalen, terwijl vrouwen gratis met mannen in contact
kunnen komen.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub a Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) jo.
artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond van geslacht
verboden is bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Uitzonderingen op dit verbod staan genoemd in artikel 2 lid 2 en artikel 7
lid 3 AWGB. De uitzonderingen hebben met name betrekking op
geslachtsbepaaldheid, bescherming van de vrouw in verband met zwangerschap en
moederschap en voorkeursbehandeling teneinde feitelijke achterstanden van
vrouwen op te heffen. Deze uitzonderingen zijn in de onderhavige zaak niet
van toepassing.

De wederpartij biedt via een advertentie op teletekst aan te bemiddelen
tussen mannen en vrouwen die telefonisch met elkaar in contact willen komen.
Er is derhalve sprake van het aanbieden van diensten in de uitoefening van
een bedrijf. Artikel 7 AWGB is derhalve van toepassing.

4.3. Vaststaat dat de wederpartij aan mannen en vrouwen een gelijksoortige
dienst aanbiedt. Voor dezelfde soort dienst moeten mannen betalen en vrouwen
niet. Daarmee maakt zij direct onderscheid op grond van geslacht hetgeen in
strijd is met de AWGB.
Er mag alleen van een verbod uit de AWGB afgeweken worden als hiervoor een in
de wet neergelegde uitzondering bestaat. De wettelijke uitzonderingsgronden
in de AWGB zijn limitatief opgesomd. Dat wil zeggen dat het niet mogelijk is
om andere argumenten aan te voeren ter rechtvaardiging van het gemaakte
onderscheid dan die terug te voeren zijn tot de in de wet neergelegde
uitzonderingen. Zoals al opgemerkt in paragraaf 4.2. zijn de in de AWGB
genoemde uitzonderingsgronden in het onderhavige geval niet van toepassing.
Hieruit volgt dat de wederpartij een verboden onderscheid op grond van
geslacht maakt in strijd met de AWGB.

4.4. Met betrekking tot het argument van de wederpartij dat discotheken op
gelijksoortige wijze vrouwen naar binnen proberen te lokken (gratis toegang,
gratis drank), wijst de Commissie op haar oordeel waarin is uitgemaakt dat
een dergelijke handelwijze een verboden onderscheid op grond van geslacht
oplevert (Commissie gelijke behandeling, 19 januari 1996, oordeel 96-4.). Het
feit dat andere organisaties een verboden onderscheid naar geslacht maken,
kan bovendien niet als rechtvaardiging dienen om zelf ook in strijd met de
AWGB te handelen. De wederpartij heeft een eigen verantwoordelijkheid om de
wetgeving gelijke behandeling na te leven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat (….) te Den Haag jegens de heer (….) te
Ossendrecht direct onderscheid op grond van geslacht maakt, zoals verboden
door artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling.

Volledige tekst

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartijen zijn tv-zenders. Zij zenden TV-Dating advertenties uit die
aan vrouwen de mogelijkheid bieden om gratis te bellen, terwijl mannen een
gulden per minuut moeten betalen. De exploitant van de contacttelefoonlijnen
maakt bij de aanbieding van diensten een verboden onderscheid naar geslacht.
Volgens de heersende rechtsopvattingen met betrekking tot het doorgeven van
mededelingen met een onrechtmatige inhoud, is er sprake van
mede-aansprakelijkheid vanaf het moment dat de betreffende bedrijven of
instanties op de hoogte waren of redelijkerwijs op de hoogte konden zijn van
de onrechtmatige gedraging. Niet is komen vast te staan dat de wederparitjen
bij het verlenen van de door haar geboden diensten op de hoogte waren van het
betreffende ongeoorloofde onderscheid. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 januari 1996 verzocht de heer (….) te Ossendrecht (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) (….) en (….) te Hilversum
(hierna: de wederpartijen) handelen in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoeker heeft op teletekst TV-Dating een advertentie gezien van een
exploitant van contacttelefoonlijnen. Deze advertentie is uitgezonden door de
wederpartijen, beiden tv-zenders. De advertentie bood de mogelijkheid aan
vrouwen om een gratis telefoonnummer te bellen. Mannen konden een nummer
draaien waarvoor ze een gulden per minuut moesten betalen. Verzoeker is van
mening dat de wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht. Naast de
wederpartijen zijn nog drie andere wederpartijen aangewezen. Het betreft de
exploitant van de contacttelefoonlijnen, een multimedia bedrijf en de
technische beheerder van de telefoonlijnen. In die zaken zijn oordelen
uitgesproken met de oordeelnummers 97-39, 97-40 en 97-41.

2.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 18 februari 1997. Deze zaak is ter zitting gevoegd behandeld met
de zaken tegen de drie andere wederpartijen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij:
– dhr. (….) (Legal manager)

van de kant van de wederpartijen in de gevoegde zaken:
– dhr. (….) (namens wederpartij in zaak met oordeel-nummer 97-41)
– mw. (….) (directeur wederpartij in zaak met oordeel-nummer 97-40, tevens
gemachtigde in zaak tegen wederpartij met oordeelnummer 97-39.
– mw. mr. M.C.H.I. van der Dussen (advocaat wederpartijen in oordeel 97-39 en
97-40)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer 1 van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartijen zijn tv-zenders. Via een teletekstpagina hebben de
wederpartijen een advertentie uitgezonden van een exploitant van
contacttelefoonlijnen. Deze lijnen bieden de mogelijkheid aan mannen en
vrouwen om telefonisch met elkaar in contact te komen.
Verzoeker heeft op de zenders van de wederpartijen de TV-Dating advertentie
gezien. Deze advertentie bood de mogelijkheid aan vrouwen om een gratis
telefoonnummer te bellen (06-4646). Mannen konden een nummer draaien waarvoor
ze een gulden per minuut moesten betalen (06-3502xxx). Verzoeker wilde van
deze TV-Dating-service gebruik maken.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker brengt het volgende naar voren.

Hij is van mening dat het in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling
om mannen te laten betalen voor bemiddelingsdiensten, terwijl vrouwen hier
gratis gebruik van kunnen maken. Door een advertentie voor deze
bemiddelingsdiensten uit te zenden, handelen de wederpartijen in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

3.3. De wederpartijen voeren het volgende aan.

Zij stellen dat niet zij, maar de exploitant van de desbetreffende
telefoonlijnen verantwoordelijk en aansprakelijk is voor de inhoud van de
gewraakte advertentieteksten. De wederpartijen hebben voor de exploitatie van
de commerciële teletekstpagina’s een contract gesloten met een
multimediabedrijf (wederpartij in oordeelnummer 97-41), dat zorgt voor de
invulling van de beschikbare pagina’s. Zelf hebben de wederpartijen daar geen
bemoeienis mee. Zij beslissen ook niet over de plaatsing van advertenties.
Zij sluiten een contract met (wederpartij in oordeelnummer 97-41), waarbij
zij onder andere voorwaarden opnemen die moeten waarborgen dat de
toepasselijke regelgeving op het terrein van mediarecht wordt nageleefd. Zo
mag bijvoorbeeld volgens die regelgeving geen mededeling openbaar gemaakt
worden, waarbij wordt opgeroepen tot moord of geweld.

In artikel 6:185 Burgerlijk Wetboek (BW) is nadrukkelijk aangegeven dat
degene die een product op de markt brengt, daarvoor zelf verantwoordelijk is.
Dit geldt niet alleen voor de werking van een product (dienst), maar ook voor
de wijze waarop hij zijn product aanbiedt. Logischerwijze volgt daaruit dat
de producent ook verantwoordelijk is voor de wijze waarop hij zijn product
aanbiedt.

Ook de omgekeerde situatie is door de wetgever nadrukkelijk geregeld. In
artikel 6:194 BW is een regeling omtrent de aansprakelijkheid voor
misleidende reclame opgenomen. Dit artikel luidt: `Hij die omtrent goederen
of diensten die door hem (…) in de uitoefening van een beroep of bedrijf
worden aangeboden, een mededeling openbaar maakt of openbaar laat maken,
handelt onrechtmatig, indien deze mededeling in een of meer opzichten
misleidend is.’

Uit deze wettekst blijkt nadrukkelijk dat niet degene die ruimte beschikbaar
stelt voor reclame-uitingen aansprakelijk is voor de inhoud van de
reclametekst, maar de aanbieder zelf.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartijen jegens verzoeker onderscheid
op grond van geslacht maken in strijd met de wetgeving gelijke behandeling,
door een advertentie uit te zenden waarin staat dat mannen die telefonisch
met vrouwen in contact willen komen een gulden per minuut moeten betalen,
terwijl vrouwen gratis met mannen in contact kunnen komen.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub a Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) jo.
artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond van geslacht
verboden is bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Uitzonderingen op dit verbod staan genoemd in artikel 2 lid 2 en artikel 7
lid 3 AWGB. De uitzonderingen hebben met name betrekking op
geslachtsbepaaldheid, bescherming van de vrouw in verband met zwangerschap en
moederschap en voorkeursbehandeling teneinde feitelijke achterstanden van
vrouwen op te heffen. Deze uitzonderingen zijn in de onderhavige zaak niet
van toepassing.

Via de wederpartijen, tv-zenders die via teletekstpagina’s advertenties
uitzenden ten behoeve van telefonische bemiddeling tussen mannen en vrouwen
die met elkaar in contact willen treden, wordt er dus een dienst aangeboden
door de exploitant van de contacttelefoonlijnen. Er is sprake van het
aanbieden van diensten in de uitoefening van een bedrijf. Artikel 7 AWGB is
derhalve van toepassing.

4.3. Vaststaat dat de exploitant van de contacttelefoonlijnen aan mannen en
vrouwen een gelijksoortige dienst aanbiedt. Voor dezelfde dienstverlening
moeten mannen betalen en vrouwen niet. In het oordeel nummer 97-39 is door de
Commissie vastgesteld dat de exploitant van de contacttelefoonlijnen bij het
aanbieden van diensten direct onderscheid op grond van geslacht maakt hetgeen
in strijd is met de AWGB. Van een dergelijk verbod mag volgens de AWGB alleen
afgeweken worden als hiervoor een in de wet neergelegde uitzondering bestaat.
Zoals al opgemerkt in paragraaf 4.2. zijn de in de AWGB genoemde
uitzonderingsgronden in het onderhavige geval niet van toepassing. De vraag
die nu voorligt is of de wederpartijen zelf ook onderscheid op grond van
geslacht maken, door de advertenties waarin met de AWGB strijdig onderscheid
tussen mannen en vrouwen wordt gemaakt, uit te zenden.

4.4. De AWGB bevat hierover geen expliciete bepalingen. Ter beantwoording van
bovenstaande vraag wordt daarom aansluiting gezocht bij relevante heersende
rechtsopvattingen.
Volgens de heersende rechtsopvattingen met betrekking tot het doorgeven van
mededelingen met een onrechtmatige inhoud is er sprake van
mede-aansprakelijkheid vanaf het moment dat de betreffende bedrijven of
instanties op de hoogte waren of redelijkerwijs konden zijn van de
onrechtmatige gedraging. Op deze wijze zijn bijvoorbeeld ook
Internetproviders aansprakelijk gesteld voor het verspreiden van informatie
met een onrechtmatige inhoud. (Zie: – H.W.K. Kaspersen, aansprakelijkheid van
Internetproviders, Computerrecht 1996, p. 9-13; – M. van Elsdingen, Racisme
op Internet moeilijk aan te pakken,
BR-bulletin 1996, nr. 3, p. 4-7.)
Op grond van deze rechtsopvatting kan een provider zodra hij op de hoogte is
van onrechtmatige informatie die via zijn computernetwerk wordt verspreid,
aansprakelijk gesteld worden als hij er niet voor zorgt dat de gebruiker die
de informatie op het netwerk heeft gebracht van het computersysteem wordt
uitgesloten en/of dat de gewraakte informatie van het net wordt verwijderd.
Deze redenering is ook van toepassing op TV-zenders die dergelijke
boodschappen uitzenden.

Een zodanige rechtsopvatting is ook te vinden in de wetsgeschiedenis van de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid. Hierin wordt met
betrekking tot advertenties het volgende opgemerkt:
`Uiteraard zal slechts in uitzonderingsgevallen de adverteerder verwijt
gemaakt kunnen worden dat de advertentie of aanbieding in strijd met de wet
is. Het schuldvereiste wordt vooral niet gesteld om een aanvullende
mogelijkheid te scheppen om ook het medium waarin de advertentie of
aanbieding verschenen is, maar dat niet onderkend heeft dat deze in strijd
met de wet was, aan te kunnen spreken tot publicatie van een rectificatie.
Een intensieve controle van ter publicatie aangeboden advertenties of
aanbiedingen is van het medium niet te vergen. Een advertentie-afdeling van
een dagblad bijvoorbeeld, waar dagelijks binnen een kort tijdsbestek een
groot aantal advertenties verwerkt moet worden, heeft geen gelegenheid om de
aangeboden advertenties anders dan vrij summier te toetsen’. (Memorie van
Toelichting, Tweede Kamer 1986-1987, 19 908, nr. 3, p. 19.)

Met de AWGB is beoogd een uitwerking te geven van het discriminatieverbod
voor zeer uiteenlopende terreinen van het maatschappelijk leven, en artikel 7
AWGB bevat geen beperkingen met betrekking tot de aard van de aan te bieden
goederen of diensten, dan wel de ter zake te sluiten overeenkomsten. (Memorie
van Toelichting, Tweede Kamer 1990-1991, 22 014, nr. 3. p. 20.) Overtreding
van deze wetgeving is onrechtmatig. De opvattingen met betrekking tot de
aansprakelijkheid voor onrechtmatige mededelingen kunnen derhalve ook gevolgd
worden bij het maken van onderscheid in strijd met de AWGB.

Op grond van deze overwegingen handelen de wederpartijen alleen dan in strijd
met de AWGB wanneer zij op de hoogte zijn van de met de wet strijdige inhoud
van de betreffende mededelingen.

4.5. In casu is niet komen vast te staan dat de wederpartijen bij het
verlenen van de door haar geboden diensten op de hoogte waren van het
betreffende ongeoorloofde onderscheid. Op haar rustte geen verplichting om
bij alle uit te zenden advertenties tevoren te controleren of er sprake was
van mededelingen die een verboden onderscheid inhielden.

De Commissie benadrukt dat de wederpartijen wel in strijd met artikel 7 lid 1
sub a AWGB handelen wanneer zij doorgaan met het aanbieden van diensten ten
behoeve van advertenties waarin een ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt,
nu vast is komen te staan en haar bekend is dat hierin sprake is van een
verboden direct onderscheid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat (….) en (….) te Hilversum jegens de heer
(….) te Ossendrecht geen onderscheid op grond van geslacht hebben gemaakt,
zoals verboden door artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke
behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is een multimedia bedrijf. Zij is betrokken bij de uitzending
van TV-Dating advertenties, die aan vrouwen de mogelijkheid bieden om gratis
te bellen, terwijl mannen een gulden per minuut moeten betalen. De exploitant
van de contacttelefoonlijnen maakt bij de aanbieding van diensten een
verboden onderscheid naar geslacht. De wederpartij maakt het mogelijk dat de
dating-service aan het publiek wordt aangeboden. Zij kan ook invloed
uitoefenen op de inhoud van de uitgezonden advertenties. Daarmee aanvaardt
zij ook aansprakelijkheid voor de onrechtmatige inhoud van de advertenties.
Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 januari 1996 verzocht de heer (….) te Ossendrecht (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Rotterdam (hierna: de
wederpartij) handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker heeft op teletekst een TV-Dating advertentie gezien van een
exploitant van contacttelefoonlijnen. De wederpartij is een multimedia
bedrijf dat betrokken is bij de uitzending van de betreffende advertentie. De
advertentie bood de mogelijkheid aan vrouwen om een gratis telefoonnummer te
bellen. Mannen konden een nummer draaien waarvoor ze een gulden per minuut
moesten betalen. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht. Naast de
wederpartij zijn nog vier andere wederpartijen aangewezen. Het betreffen twee
tv-zenders, de exploitant van de contacttelefoonlijnen en de technische
beheerder van de telefoonlijnen. In die zaken zijn oordelen uitgesproken met
de oordeelnummers 97-39, 97-40 en 42.

2.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 18 februari 1997. Deze zaak is gevoegd behandeld met de zaken
tegen de vier andere wederpartijen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij
de heer (….)

van de kant van de wederpartijen in gevoegde zaken
– de heer (….) (Legal manager wederpartij in zaak met oordeelnummer 97-42)
– mevrouw (….) (directeur wederpartij in zaak met oordeelnummer 97-40
tevens gemachtigde in zaak met oordeel- nummer 97-39)
– mevrouw mr. M.C.H.I. van der Dussen (advocaat wederpartijen in zaken met
oordeelnummers 97-40 en 97-39).

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een internationaal multimedia bedrijf. Zij biedt
interactieve diensten aan door gebruik te maken van bestaande infrastructuur
zoals televisie en telefoon. Zij koopt daartoe advertentietijd. Op basis van
contracten die de wederpartij heeft met commerciële omroepen, kunnen cliënten
van de wederpartij bepaalde audiotextdiensten (06-diensten in de breedste zin
des woords) aan het publiek aanbieden via de betreffende omroepen. De
wederpartij sluit met deze cliënten contracten af. De inhoud van die
contracten verschilt. Zo kan in sommige gevallen de vormgeving door de
wederpartij gedaan worden en in andere gevallen niet. Wanneer de vormgeving
niet door de wederpartij wordt gedaan, ziet zij de inhoud van de aangeboden
advertenties nauwelijks of niet. Met name bij contracten met grote
ondernemingen is er in de praktijk geen controle. Bij kleinere partijen wordt
wel gecontroleerd. Dat is ook van belang omdat de wederpartij zelf gebonden
is aan haar contract met de omroepen, die op grond van toepasselijke
nationale en Europese regelgeving gehouden zijn aan bepaalde grenzen. Zo mag
bijvoorbeeld niet worden opgeroepen tot oorlog of geweld.
De wederpartij heeft een overeenkomst met een technische beheerder van de
telefoonlijnen (wederpartij in oordeelnummer 97-40) inzake de samenwerking op
het gebied van `infotainment’ diensten, die via televisiestations worden
geëxploiteerd. Een van deze diensten is TV-Dating.

Via een aantal tv-zenders is zo’n TV-Dating advertentie uitgezonden. Deze
advertentie was afkomstig van een exploitant van contacttelefoonlijnen
(wederpartij in oordeelnummer 97-39). Deze lijnen bieden de mogelijkheid aan
mannen en vrouwen om telefonisch met elkaar in contact te komen. Verzoeker
heeft de advertentie op twee tv-zenders gezien. Deze advertentie bood de
mogelijkheid aan vrouwen om een gratis telefoonnummer te bellen (06-4646).
Mannen konden een nummer draaien waarvoor ze een gulden per minuut moesten
betalen (06-3502xxx). Verzoeker wilde van deze TV-Dating service gebruik
maken.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker brengt het volgende naar voren.

Hij is van mening dat het in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling
om mannen te laten betalen voor bemiddelingsdiensten, terwijl vrouwen daar
gratis gebruik van kunnen maken. Door mee te werken aan de uitzending van de
advertentie voor deze bemiddelingsdiensten, handelt de wederpartij in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

3.3. De wederpartij voert het volgende aan.
Zij is van mening dat hier geen sprake is van discriminatie van mannen, maar
van een bevoordeling van vrouwen.
Wanneer diensten worden aangeboden waarbij mannen en vrouwen telefonisch met
elkaar in contact kunnen komen, is de respons van vrouwen – in tegenstelling
tot die van mannen – minimaal. Dit is commercieel gezien niet aantrekkelijk,
hetgeen ertoe heeft geleid dat deze diensten aan vrouwen gratis aangeboden
worden. In dit verband verwijst de wederpartij naar discotheken en casino’s
die ook een dergelijk beleid hanteren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid op
grond van geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling, door
mee te werken aan de uitzending van een advertentie via teletekst waarin
staat dat mannen die telefonisch met vrouwen in contact willen komen een
gulden per minuut moeten betalen, terwijl vrouwen gratis met mannen in
contact kunnen komen.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub a Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) jo.
artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond van geslacht
verboden is bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Uitzonderingen op dit verbod staan genoemd in artikel 2 lid 2 en artikel 7
lid 3 AWGB. De uitzonderingen hebben met name betrekking op
geslachtsbepaaldheid, bescherming van de vrouw in verband met zwangerschap en
moederschap en voorkeursbehandeling teneinde feitelijke achterstanden van
vrouwen op te heffen. Deze uitzonderingen zijn in de onderhavige zaak niet
van toepassing.

De wederpartij is een multimedia bedrijf. Zij biedt interactieve diensten aan
door gebruik te maken van onder andere televisie. Op basis van contracten die
de wederpartij met commerciële omroepen heeft, kunnen cliënten van de
wederpartij 06-diensten via tv-zenders aan het publiek aanbieden. De
wederpartij sluit op haar beurt weer contracten met deze cliënten. Er is
sprake van het aanbieden van diensten in de uitoefening van een bedrijf.
Artikel 7 AWGB is derhalve van toepassing.

4.3. Vaststaat dat de exploitant van de contacttelefoonlijnen aan mannen en
vrouwen een gelijksoortige dienst aanbiedt, waarvoor vrouwen niet en mannen
wel moeten mannen betalen. Zoals al opgemerkt in paragraaf 4.2. zijn de in de
AWGB genoemde uitzonderingsgronden in het onderhavige geval niet van
toepassing. In het oordeel 97-39 is door de Commissie vastgesteld dat de
exploitant van de contacttelefoonlijnen bij het aanbieden van diensten een
direct onderscheid op grond van geslacht maakt, hetgeen in strijd is met
artikel 7 lid 1 sub a AWGB. De vraag die nu voorligt is of de wederpartij
zelf ook onderscheid op grond van geslacht maakt, door mee te werken aan de
uitzending van de advertenties waarin onderscheid tussen mannen en vrouwen
wordt gemaakt.

4.4. De wederpartij maakt het mogelijk dat de dating-service aan het publiek
wordt aangeboden. Zij werkt hierdoor mee aan het aanbieden van de betreffende
dienst. Bij het afsluiten van contracten kan zij voorwaarden stellen met
betrekking tot de uit te zenden (reclame)boodschappen en in voorkomende
gevallen werkt zij mee aan de redactie. Zij kan daarbij derhalve invloed
uitoefenen op de inhoud bij het aanbieden van de dating-service. Daarmee
aanvaardt zij naar het oordeel van de Commissie in beginsel ook
aansprakelijkheid voor de onrechtmatige inhoud van de advertentie. (Vergelijk
ook de aansprakelijkheid van de Internet-provider, H.W.K. Kaspersen,
Aansprakelijkheid van Internet-providers, Computerrecht 1996, p. 11.)
De Commissie trekt hierbij een parallel met de eigen verantwoordelijkheid
voor de naleving van de wetgeving gelijke behandeling van intermediaire
organisaties die betrokken zijn bij de werving en selectie van personeel om
de wetgeving gelijke behandeling na te leven. Deze organisaties kunnen zich
niet verschuilen achter de opdracht van een werkgever. (Commissie gelijke
behandeling, 18 juli 1995, oordeel 95-30, en 27 juni 1996, oordeel 96-48.)

4.5. Met betrekking tot het argument van de wederpartij dat discotheken en
casino’s een gelijksoortig beleid hanteren, heeft de Commissie reeds eerder
geoordeeld dat een dergelijke handelwijze een verboden onderscheid op grond
van geslacht oplevert (Commissie gelijke behandeling, 19 januari 1996,
oordeel 96-4.). Het feit dat andere organisaties een verboden onderscheid
naar geslacht maken, kan niet als rechtvaardiging dienen om zelf ook in
strijd met de AWGB te handelen. De wederpartij heeft een eigen
verantwoordelijkheid om de wetgeving gelijke behandeling na te leven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat (….) te Rotterdam jegens de heer (….) te
Ossendrecht direct onderscheid op grond van geslacht maakt, zoals verboden
door artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is een technisch beheerder van contacttelefoonlijnen. Voor
deze lijnen zijn er TV-Dating advertenties uitgezonden. Deze advertenties
bieden aan vrouwen de mogelijkheid om gratis te bellen, terwijl mannen een
gulden per minuut moeten betalen. De exploitant van de contacttelefoonlijnen
maakt bij de aanbieding van diensten een verboden onderscheid naar geslacht.
De wederpartij heeft een eigen verantwoordelijkheid voor het gemaakte
onderscheid, vanaf het moment dat zij op de hoogte is van het ongeoorloofde
onderscheid. Niet komen vast te staan dat de wederpartij bij het verlenen van
haar diensten op de hoogte was van het verboden onderscheid. Geen strijd met
de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 3 januari 1996 verzocht de heer (….) te Ossendrecht (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Comissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Oss (hierna: de
wederpartij) handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker heeft op teletekst een TV-Dating advertentie gezien van een
exploitant van contacttelefoonlijnen. De wederpartij is de technisch
beheerder van deze telefoonlijnen. De advertentie bood de mogelijkheid aan
vrouwen om een gratis telefoonnummer te bellen. Mannen konden een nummer
draaien waarvoor ze een gulden per minuut moesten betalen. Verzoeker is van
mening dat de wederpartij hiermee onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht. Naast de
wederpartij zijn nog vier andere wederpartijen aangewezen. Het betreffen twee
tv-zenders, de exploitant van de contacttelefoonlijnen en een multimedia
bedrijf. In die zaken zijn oordelen uitgesproken met de oordeelnummers 97-39,
97-41 en 97-42.

2.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 18 februari 1997. Deze zaak is gevoegd behandeld met de zaken
tegen de vier andere wederpartijen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij
– mw. (….) (directeur)
– mw. mr. M.C.H.I. van der Dussen (advocaat)

van de kant van de wederpartijen in de gevoegde zaken:
– de heer (….) (namens wederpartij in zaak met oordeelnummer 97-41)
– de heer (….) (Legal manager wederpartij in zaak met oordeelnummer 97-42)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is de technisch beheerder van een aantal
contacttelefoonlijnen. Zij beschikt over een `voice response’
computersysteem. Dit systeem maakt het mogelijk dat zeer grote groepen
bellers gelijktijdig verwerkt worden, zonder storingen of overbelaste lijnen.
Dit systeem is via vaste `ISDN-verbindingen’ gekoppeld aan de 06-centrale van
de PTT. De wederpartij heeft een overeenkomst met een multimedia bedrijf
(wederpartij in oordeel 97-41) inzake de samenwerking op het gebied van
`infotainment’ diensten, die via televisiestations worden geëxploiteerd. Een
van deze diensten is TV-Dating.

Via een aantal tv-zenders is zo’n TV-Dating advertentie uitgezonden. Deze
advertentie was afkomstig van een exploitant van contacttelefoonlijnen. Deze
lijnen bieden de mogelijkheid aan mannen en vrouwen om telefonisch met elkaar
in contact te treden. Verzoeker heeft de advertentie op twee tv-zenders
gezien. Deze advertentie bood de mogelijkheid aan vrouwen om een gratis
telefoonnummer te bellen (06-4646). Mannen konden een nummer draaien waarvoor
ze een gulden per minuut moesten betalen (06-3502xxx). Verzoeker wilde van
deze TV-Datingservice gebruik maken.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker brengt het volgende naar voren.

Hij is van mening dat het in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling
om mannen te laten betalen voor bemiddelingsdiensten, terwijl vrouwen hier
gratis gebruik van kunnen maken. Door mee te werken aan deze
bemiddelingsdiensten, handelt de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

3.3. De wederpartij voert het volgende aan.

In de eerste plaats is zij van mening dat zij niet aansprakelijk gesteld kan
worden voor de inhoud van de gewraakte advertentietekst. Zij is slechts
beheerder van het technische platform, waarop de betreffende 06-nummers en
-diensten aangesloten zijn. Dit betekent dat zij haar technische
mogelijkheden aan de exploitanten ter beschikking stelt en inhoudelijk geen
bemoeienis heeft met de aangeboden diensten.
Zij toetst slechts marginaal of zij akkoord kan gaan met de geboden diensten.
Zo zou zij niet meewerken aan verspreiding van pornografie.

In de tweede plaats brengt de wederpartij naar voren dat hier geen sprake is
van discriminatie van mannen, maar van een bevoordeling van vrouwen.
Wanneer diensten worden aangeboden waarbij mannen en vrouwen telefonisch met
elkaar in contact kunnen komen, is de respons van vrouwen – in tegenstelling
tot die van mannen – minimaal. Dit is commercieel gezien niet aantrekkelijk,
hetgeen ertoe heeft geleid dat deze diensten aan vrouwen gratis aangeboden
worden. In dit verband verwijst de wederpartij naar discotheken en casino’s
die ook een dergelijk beleid hanteren.

4.DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid op
grond van geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling, door
mee te werken aan bemiddelingsdiensten die voor vrouwen gratis zijn en
waarvoor mannen moeten betalen.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub a Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) jo.
artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond van geslacht
verboden is bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten,
uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt in
de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Uitzonderingen op dit verbod staan genoemd in artikel 2 lid 2 en artikel 7
lid 3 AWGB. De uitzonderingen hebben met name betrekking op
geslachtsbepaaldheid, bescherming van de vrouw in verband met zwangerschap en
moederschap en voorkeursbehandeling teneinde een feitelijke achterstand van
vrouwen op te heffen. Deze uitzonderingen zijn in de onderhavige zaak niet
van toepassing.

De wederpartij is de technisch beheerder van genoemde telefoonlijnen. Via
deze telefoonlijnen worden bemiddelingsdiensten aangeboden. De wederpartij
maakt het mogelijk dat deze diensten worden aangeboden door de exploitant van
de contacttelefoonlijnen.

De Commissie is van mening dat hier sprake is van het aanbieden van diensten
in de uitoefening van een bedrijf waarop artikel 7 AWGB van toepassing is.

4.3. Over de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie als volgt.
Vaststaat dat de exploitant van de contacttelefoonlijnen aan mannen en
vrouwen een gelijksoortige dienst aanbiedt, waarvoor mannen moeten betalen en
vrouwen niet. In het oordeel nummer 97-39 is door de Commissie vastgesteld
dat de exploitant van de contacttelefoonlijnen bij het aanbieden van diensten
een direct onderscheid op grond van geslacht maakt in strijd met de AWGB. De
vraag die nu voorligt is of de wederpartij zelf ook onderscheid op grond van
geslacht maakt, door aan deze bemiddelingsdiensten mee te werken.

4.4. Vaststaat dat de wederpartij ervoor zorgt dat het mogelijk is dat
belangstellenden de desbetreffende 06-nummers kunnen bellen, zonder dat dit
tot storing of overbelasting leidt. Daarbij maakt zij zelf niet rechtstreeks
onderscheid tussen mannen en vrouwen, zoals dat wordt gemaakt door de
wederpartij in oordeelnummer 97-39.
Of de wederpartij aansprakelijk gesteld kan worden voor het onderscheid dat
er wordt gemaakt bij de bemiddelingsdiensten, hangt af van de vraag of de
wederpartij op de hoogte was van dat onderscheid en of zij maatregelen kan
nemen wanneer het gemaakte onderscheid haar ter kennis is gekomen.

In dit verband is van belang dat de wederpartij heeft aangegeven akkoord te
moeten gaan met de inhoud van de aangeboden diensten waarvoor zij
faciliteiten ter beschikking stelt. Dat betekent dat zij ook in de
gelegenheid is, om, wanneer zij kennis neemt van een ongeoorloofd onderscheid
bij het aanbieden van de betreffende diensten, hier niet langer aan mee te
werken dan wel voorwaarden te stellen gericht op het beëindigen van dit
ongeoorloofde onderscheid. (In dit verband wijst de Commissie op de analogie
met de `kabelarresten’, waaruit blijkt dat een kabelexploitant
verantwoordelijk gesteld kan worden voor wat via zijn installaties is
verspreid, in het geval dat deze niets heeft gedaan ter voorkoming van
misbruik van zijn installaties (Hoge Raad 30 oktober 1981, NJ 1982, nr. 435
en Hoge Raad, 25 mei 1984, NJ 1984, nr. 697).

De Commissie is daarom van oordeel dat de wederpartij een eigen
verantwoordelijk heeft voor het gemaakte onderscheid vanaf het moment dat zij
op de hoogte is van het feit dat er sprake is van een ongeoorloofd
onderscheid en doorgaat met het beschikbaar stellen van de door haar geboden
diensten aan de exploitant van de contacttelefoonlijnen (wederpartij in
oordeelnummer 97-39).

In casu is niet komen vast te staan dat de wederpartij bij het verlenen van
de door haar geboden diensten op de hoogte was van het betreffende
ongeoorloofde onderscheid.

De Commissie benadrukt dat de wederpartij wel in strijd met artikel 7 lid 1
sub a AWGB handelt, wanneer zij na dit oordeel van de Commissie doorgaat met
het aanbieden van diensten ten behoeve van advertenties waarin een
ongeoorloofd onderscheid wordt gemaakt.

4.5. Met betrekking tot het argument van de wederpartij dat discotheken en
casino’s een gelijksoortig beleid hanteren, heeft de Commissie reeds eerder
geoordeeld dat een dergelijke handelwijze een verboden onderscheid op grond
van geslacht oplevert (Commissie gelijke behandeling, 19 januari 1996,
oordeel 96-4). In dit verband wijst de Commissie op de analogie met de
`kabelarresten’, waaruit blijkt dat een kabelexploitant verantwoordelijk
gesteld kan worden voor wat via zijn installaties is verspreid, in het geval
dat deze niets heeft gedaan ter voorkoming van misbruik van zijn installaties
(Hoge Raad 30 oktober 1981, NJ 1982, nr. 435 en Hoge Raad, 25 mei 1984, NJ
1984, nr. 697).4.). Het feit dat andere organisaties een verboden onderscheid
naar geslacht maken, kan niet als rechtvaardiging dienen om zelf ook in
strijd met de AWGB te handelen. De wederpartij heeft een eigen
verantwoordelijkheid om de wetgeving gelijke behandeling na te leven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat (….) te Oss jegens de heer (….) te
Ossendrecht geen onderscheid op grond van geslacht maakt, zoals verboden door
artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 14 april 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Voor de beoordeling of 65-plussers verplicht verzekerd zijn voor het
ziekenfonds wordt krachtens de Wet Otterloo bezien of het inkomen van één van
beide partners boven een gesteld maximum komt. Vrouwen ondervinden hiervan
nadeel nu zij op basis van eigen inkomen veelal wel verzekerd zouden zijn
maar door het hogere inkomen van de man niet verplicht verzekerd kunnen
worden.
De rechtbank acht wel aannemelijk dat het niet verzekerd zijn ingevolge de
Zfw voor personen boven de 65 jaar veel vaker een gevolg is van het hoge
inkomen van de man dan van het inkomen van de vrouw, maar meent dat er geen
sprake is van ongelijke behandeling, omdat het verschil voortvloeit uit het
verschil in arbeidsparticipatie. Het is daarmee geen ongeoorloofd
onderscheid.

Volledige tekst

I. Het procesverloop

Bij besluit van 9 december 1994 heeft verweerder eiseres uitgeschreven als
verplicht verzekerde bij het ziekenfonds.

Eiseres heeft op 29 januari 1995 een bezwaarschrift ingediend, waarna op 27
april 1995 een hoorzitting heeft plaatsgevonden, waar eiseres door haar
echtgenoot is vertegenwoordigd.

Bij besluit van 11 mei 1995 heeft verweerder medegedeeld de uitschrijving uit
het ziekenfonds niet ongedaan te zullen maken.

Eiseres heeft bij brief van 12 juni 1995, ter griffie ingekomen op 13 juni
1995, beroep ingesteld tegen voormelde beslissing op bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend, waarna eiseres heeft
gerepliceerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 maart 1997, waar eiseres in persoon
is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en waar verweerder is
verschenen bij gemachtigde.

II. Overwegingen

In het onderhavige geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit in
rechte stand kan houden.

Partijen verschillen niet van mening over de vraag of de desbetreffende
regelgeving juist is toegepast, doch over de rechtmatigheid van deze
regelgeving.

Artikel 3 lid 1 van de Ziekenfondswet (ZFW) luidde (op de datum in geding),
voor zover hier van belang:
`Verzekerd is:
(…)
(…)
c. degene die naar de omstandigheden beoordeeld hier te lande woonachtig is
en een uitkering ontvangt:
1e. ingevolge artikel 9, eerste lid, onder a of c, van de Algemene
Ouderdomswet, voor zover deze uitkering, vermeerderd met zijn inkomsten uit
of in verband met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven,
op jaarbasis niet meer bedraagt dan ƒ 30 500;
2e. ingevolge artikel 9, eerste lid, onder b, van de Algemene Ouderdomswet,
voor zover deze uitkering vermeerderd met zijn inkomsten uit of in verband
met het verrichten van arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven, op jaarbasis
niet meer bedraagt dan ƒ 30 500 mits de echtgenoot van betrokkene eveneens
voldoet aan de voorwaarde van deze bepaling;’.

Voor de inhoud van het in dit artikel vermelde inkomensbegrip verwijst de
rechtbank naar de Regeling vaststelling inkomen uit of in verband met het
verrichten van arbeid in bedrijfs- of beroepsleven (Staatscourant 1986.61).

Eiseres is van mening dat bovenaangehaalde bepaling in strijd is met meerdere
bepalingen van (inter)nationale verdragen en regelgevingen en derhalve buiten
toepassing had dienen te blijven.

Eiseres beroept zich op de volgende bepalingen:
a. artikel 1 van de Grondwet (GW);
b. artikel 7 jo. lid 1 van de Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB);
c. artikel 26 van het Internationale Verdrag inzake Burgerrechten en
Politieke Rechten (IVBPR);
d. artikel 2 lid 2 van het Internationale Verdrag inzake Economische, Sociale
en Culturele rechten;
e. artikel 13 van het Europees Sociaal Handvest (ESH)
f. artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM);
g. artikel 4 van de richtlijn 79/7 (Derde Richtlijn) van de Europese
Economische Gemeenschappen(EEG).

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

De ZFW is een wet in formele zin en op grond van het bepaalde in artikel 120
GW treedt de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten
en verdragen, zodat een beroep op artikel 1 lid 1 GW niet kan slagen.

Toetsing aan artikel 13 ESH, noch aan artikel 2 van het Internationaal
Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, is mogelijk omdat
deze bepalingen geen rechtstreekse werking hebben.

Ook ten aanzien van het beroep op artikel 14 EVRM treft de grief van eiseres
geen doel.
Het in dit artikel vervatte verbod van discriminatie is alleen van toepassing
op de in dat Verdrag opgenomen rechten. Het EVRM bevat geen bepalingen op
grond waarvan recht bestaat op uitkering ingevolge de sociale
verzekeringswetgeving.

Artikel 2 van de Richtlijn van de Raad van 19 december 1978, nummer 79/7/EEG
(de Derde Richtlijn) luidt: `Deze richtlijn is van toepassing op de
beroepsbevolking -met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en van
zelfstandigen van wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of
onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden alsmede op gepensioneerde of
invalide werknemers en zelfstandigen.’

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat eiseres
voorafgaande aan haar vijfenzestigste jaar (sinds de jaren 50) niet tot de
beroepsbevolking heeft behoord, doch de zorg voor haar gezin op zich heeft
genomen. Eiseres kan daarom geen beroep doen op de Derde Richtlijn.

Eiseres kan voorts geen beroep doen op de AWGB. Artikel 4 van de AWGB bepaalt
dat deze wet onverlet laat enig onderscheid dat gemaakt wordt bij of
krachtens enige andere wet, welke voorafgaand aan deze wet, te weten 1
september 1994 in werking is getreden.
De in geding zijnde wetsbepaling is op 1 juli 1994 in werking getreden zodat
eiseres gelet op artikel 4 geen rechten aan de AWGB kan ontlenen.

Gezien het voorgaande kan (slechts) getoetst worden aan artikel 26 IVBPR. Dit
artikel luidt als volgt: `Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder
discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband
verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder
gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook,
zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere
overtuigingen, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of
status.’
Genoemd artikel betreft een, een ieder verbindende bepaling van
internationaal recht, waarvan de werking zich mede uitstrekt tot het gebied
van de sociale zekerheid en welke door de justitiabelen in het algemeen met
ingang van 23 december 1984 rechtstreeks kan worden ingeroepen.

Op grond van voornoemd artikel kan ongelijke behandeling worden aangevochten.
Indien echter voor het gemaakt onderscheid redelijke en objectieve gronden
bestaan vormt de ongelijke behandeling geen verboden discriminatie.

Eiseres stelt dat er sprake is van ongelijke behandeling:
a. op basis van leeftijd en status door het stellen van een aparte
inkomensgrens voor AOW’ers en;
b. door een partnertoets voor personen ouder dan 65 jaar, welke leidt tot
discriminatie naar geslacht.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

ad a

Anders dan eiseres stelt, is er, naar het oordeel van de rechtbank, geen
sprake van gelijke gevallen, welke anders worden behandeld.
De ZFW is een werknemersverzekering. Werknemers zijn, afhankelijk van hun
individuele arbeidsinkomen, al dan niet verzekerd ingevolge de ZFW. Personen
van 65 jaar en ouder zijn als bijzondere categorie aan de wet toegevoegd.
Voor hen geldt niet de voorwaarde van het zijn van werknemer. De betreffende
regeling vertoont naar zijn inhoud en doelstelling trekken van een
volksverzekering en beoogt aan ouderen een bepaald bestaansminimum te
garanderen. Zelfs als gezegd zou kunnen worden dat sprake is van gelijke
gevallen (bijvoorbeeld in zoverre dat beide groepen verplicht verzekerd zijn
ingevolge de ZFW), maakt de wet, naar het oordeel van de rechtbank, geen
ongeoorloofd onderscheid tussen de beide categorieën verzekerden; het
gemaakte onderscheid wordt gerechtvaardigd door de voormelde doelstelling van
de wet.

ad b

Naar het oordeel van de rechtbank is ook hier geen sprake van verboden
discriminatie. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een
onderscheid. Immers wanneer één van beide partners een inkomen heeft boven de
hiervoor genoemde grens, komen beide partners niet in aanmerking voor
verzekering krachtens ZFW. Daarmee treft deze regeling vrouwen en mannen
gelijkelijk. De rechtbank acht het, met eiseres, wel aannemelijk dat het niet
verzekerd zijn ingevolge de ZFW voor personen boven de 65 veel vaker het
gevolg is van het hoge inkomen van de man dan van het hoge inkomen van de
vrouw, doch dit, uit het verschil in arbeidsparticipatie voortvloeiende
gegeven leidt, zoals hiervoor gezegd, niet tot een ongelijke behandeling. Er
is derhalve geen strijd met artikel 26 IVBPR.

Voor zover eiseres ook heeft beoogd te betogen dat een ongerechtvaardigd
onderscheid wordt gemaakt tussen 65 plussers onderling, treft deze stelling
geen doel. Blijkens het door de gemachtigde ter zitting gegeven
rekenvoorbeeld kan bij toepassing van de wet inderdaad sprake zijn van
verschillen in behandeling tussen ouderen wier gezinsinkomens (vrijwel)gelijk
zijn, afhankelijk van de verdeling van de aanvullende pensioeninkomsten over
beide partners.
Het geconstateerde onderscheid kan echter niet leiden tot onverbindend
verklaring van de onderhavige bepaling van de ZFW, nu geen sprake is van
discriminatie op grond van één van de in artikel IVBPR genoemde eigenschappen
of kenmerken.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de wet bepaalde onvolkomenheden kent
en dat de wetgever inmiddels tot wijziging van de wetgeving is overgegaan.
Het staat de regering immers vrij om ook waar geen sprake is van
(verboden)discriminatie te streven naar een (meer) gelijke behandeling van
justitiabelen (zo ook het Comité van de rechten van de mens in de zaak
Sprenger [Rechtspraak Sociale Verzekering 1993/41]).

De rechtbank acht geen termen tot toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

Gezien het voorgaande wordt beslist als volgt.

II. Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mrs. Hent, Penders, Zijlstra

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekers bewonen gezamenlijk een woning die verzoeker 1 van de wederpartij
huurt. Zij hebben verzocht om verzoeker 2 als medehuurder aan te merken,
hetgeen door de wederpartij is geweigerd. Volgens het beleid van de
wederpartij is dit pas mogelijk nadat gedurende twee jaar een
gemeenschappelijke huishouding is gevoerd. Verzoekers stellen dat de
wederpartij hiermee onderscheid maakt naar burgerlijke staat en homoseksuele
gerichtheid, aangezien gehuwden van rechtswege voor de status van medehuurder
in aanmerking komen.
De Commissie overweegt dat het beroep van de wederpartij op artikel 4,
onderdeel c, AWGB faalt, nu artikel 7A:1623h BW de wederpartij niet verplicht
tot het hanteren van de termijn van twee jaar. De wederpartij kan dus zelf
criteria ontwikkelen. Zij stelt dat het niet mogelijk is om het verlenen van
het medehuurderschap mede afhankelijk te stellen van criteria als een
samenlevingscontract, een testament en het opzeggen van andere woning. Los
van de vraag of dit ook daadwerkelijk is onderzocht, heeft de wederpartij
onvoldoende onderbouwd waarom zij op voorhand de termijn van twee jaar
hanteert, terwijl zij daartoe niet wettelijk verplicht is, en niet een – door
ook andere woningbouwverenigingen gehanteerde – kortere termijn. Door het
ontbreken van een onderbouwing maakt zij direct onderscheid naar burgerlijke
staat en indirect onderscheid naar homoseksuele gerichtheid. Strijd met de
wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 14 oktober 1996 verzochten de heer (….) (hierna: verzoeker 1) en de
heer (….) te Amsterdam (hierna: verzoeker 2) de Commissie gelijke
behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Amsterdam
(hierna: de wederpartij) jegens hen onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in
de Algemene wet gelijke behandeling (hierna AWGB).

1.2. Verzoekers bewonen gezamenlijk een woning die verzoeker 1 van de
wederpartij huurt. Verzoekers hebben sinds 3 juli 1996 een
samenlevingscontract. Zij hebben de wederpartij verzocht om verzoeker 2 als
medehuurder aan te merken, hetgeen door de wederpartij is geweigerd. Volgens
het beleid van de wederpartij is dit pas mogelijk nadat gedurende twee jaar
een gezamenlijke huishouding is gevoerd. Verzoekers zijn van mening dat de
wederpartij door middel van dit beleid onderscheid maakt op grond van
burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 19 februari 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekers
– dhr. (….) (verzoeker 1)
– dhr. (….) (verzoeker 2)
– mw. (….) (directeur COC)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. J.M. Tonino (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker 1 huurt sinds 1991 een woning bij de wederpartij. Sinds 1
februari 1996 woont hij hierin samen met verzoeker 2, met wie hij ruim tien
jaar een relatie heeft. Verzoeker 2 heeft met ingang van die datum zijn
huurwoning opgezegd.

Op 3 juli 1997 hebben verzoekers een samenlevingscontract gesloten, waarin
zij hun vermogensrechtelijke relatie hebben geregeld. Bij testament van 4
april respectievelijk 14 juni 1995 hebben zij elkaar tot enige erfgenaam
benoemd.

3.2. Artikel 6 lid 2 van het samenlevingscontract bepaalt dat verzoekers
jegens elkaar gehouden zijn het medehuurderschap te verwerven. Naar
aanleiding daarvan hebben zij de wederpartij bij brief van 29 augustus 1996
verzocht om verzoeker 2 als medehuurder aan te merken. Dit heeft de
wederpartij bij brief van 4 september 1996 onder verwijzing naar haar beleid
geweigerd. Volgens het beleid van de wederpartij kan een tweede huurder pas
als medehuurder worden aangemerkt, nadat gedurende twee jaar een gezamenlijke
huishouding in de woning is gevoerd.

Het standpunt van verzoekers

3.3. Gehuwden komen van rechtswege voor medehuurderschap in aanmerking,
terwijl ongehuwden daar pas na twee jaar voor in aanmerking komen. Door
ongehuwden anders te behandelen dan gehuwden maakt de wederpartij onderscheid
naar burgerlijke staat. Aangezien verzoekers niet de mogelijkheid hebben om
te trouwen, maakt de wederpartij tevens onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid.

Anders dan de wederpartij stelt, is in artikel 7A:1623h BW geen grond gelegen
om verzoeker 2 niet als medehuurder aan te merken. Op grond van dit artikel
is de wederpartij verplicht dit na twee jaar te doen. Dit betekent echter
niet dat de wederpartij hiertoe niet eerder zou kunnen overgaan. Bovendien
wordt in dit artikel niet gesproken over de situatie waarin de samenwoners
een samenlevingscontract hebben gesloten.

3.4. Het argument van de wederpartij, dat voor ongehuwden te allen tijde een
termijn van twee jaar noodzakelijk is om te voorkomen dat misbruik wordt
gemaakt van het distributiesysteem, gaat niet op. De wederpartij zou de
beoordeling van de vraag of misbruik wordt gemaakt kunnen laten afhangen van
de omstandigheden van het geval. Indien, zoals in het geval van verzoeker 2,
een huurwoning wordt opgezegd en er dus geen woning aan het
distributiesysteem wordt onttrokken, is er duidelijk geen sprake van
misbruik.

De stelling van de wederpartij, dat het niet mogelijk is om een kortere
termijn te hanteren, is onjuist. In een aantal steden, te weten Delft en
Utrecht, wordt een termijn van een half jaar gehanteerd. Niet valt in te zien
waarom de wederpartij deze termijn niet zou kunnen hanteren.

3.5. De wederpartij stelt ten onrechte dat de termijn van twee jaar is
gebaseerd op het criterium `duurzaamheid van de relatie’. Wanneer ongehuwden
na langer dan twee jaar te hebben samengewoond verhuizen naar een andere
woning, begint de termijn van twee jaar opnieuw te lopen. Hierdoor geraakt de
partner, die niet als huurder is aangemerkt, opnieuw in een onzekere
situatie. Dit beleid impliceert dat een paar van gelijk geslacht de
duurzaamheid van haar relatie slechts kan aantonen na gedurende twee jaar een
gemeenschappelijke huishouding te hebben gevoerd in een woning van de
wederpartij. De wederpartij zou andere criteria kunnen stellen om de
duurzaamheid van de relatie te toetsen, zoals het bestaan van een
samenlevingscontract en een testament en het vrijgeven van een andere woning.
De wederpartij heeft deze omstandigheden ten onrechte niet bij haar
beslissing meegewogen.

Het standpunt van de wederpartij

3.6. Het beleid van de wederpartij inzake het medehuurderschap is gebaseerd
op artikel 7A:1623h BW. Ingevolge deze wetgeving wordt de duurzaamheid van de
relatie bij gehuwden verondersteld aanwezig te zijn en is de partner van
degene die het huurcontract heeft ondertekend van rechtswege medehuurder. Ten
aanzien van ongehuwden heeft de wetgever de beoordeling van de vraag of van
duurzaamheid sprake is overgelaten aan de rechter. De wetgever heeft daarbij
als voorwaarden gesteld, dat de samenwonenden tenminste gedurende twee jaar
hun hoofdverblijf in de desbetreffende woning hebben gehad en daarin een
gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Deze termijn is weliswaar
willekeurig, maar deze is door de wetgever bepaald. Aangezien het door
verzoekers bedoelde onderscheid voortvloeit uit de huurwetgeving, die in 1979
is ingevoerd, kan dit niet door de Commissie wordt getoetst. Ingevolge
artikel 4, onderdeel c, AWGB, wordt onderscheid dat bij of krachtens enige
andere wet wordt gemaakt die voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden,
immers onverlet gelaten.

3.7. Het stellen van een termijn van twee jaar alvorens het medehuurderschap
aan ongehuwd samenwonenden toe te kennen is bovendien noodzakelijk om
misbruik te voorkomen. De wederpartij wordt regelmatig geconfronteerd met
verzoeken om toekenning van het medehuurderschap door huurders die een
gefingeerde partner opgeven om de voor woningdistributie geldende regels te
omzeilen. Zo komt het regelmatig voor dat partners gaan samenwonen wanneer
zij van plan zijn om hun relatie te beëindigen.

Wanneer één van beide partners lange tijd ingeschreven heeft gestaan en de
andere partner medehuurder wordt, komt laatstgenoemde op eenvoudige wijze aan
een woning. Misbruik door gehuwden is weliswaar eveneens mogelijk, maar dit
is niet te voorkomen doordat de wetgever deze partners van rechtswege het
medehuurderschap heeft toegekend. Wanneer de wetgeving daar niet aan in de
weg zou hebben gestaan, zou de wederpartij ook voor gehuwden een termijn van
twee jaar hebben bepaald.

Uit de omstandigheid, dat de huurder een samenlevingscontract of een
testament heeft, kan niet zonder meer worden afgeleid dat sprake is van een
duurzame relatie. Een samenlevingscontract kan gefingeerd zijn en kan
eenvoudig worden opgezegd. Ook een testament kan eenvoudig worden gewijzigd.
Dergelijke omstandigheden spelen daarom in het beleid van de wederpartij geen
rol. Dit beleid wordt door alle woningcorporaties in Amsterdam gevoerd en is
door de rechter gesanctioneerd.

3.8. Het is onmogelijk om de persoonlijke omstandigheden van de huurders en
hun partners te onderzoeken en in de beoordeling te betrekken.

Van onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid is geen sprake. De
omstandigheid dat verzoekers van gelijk geslacht zijn, heeft bij de
beslissing van de wederpartij geen rol gespeeld.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekers onderscheid
naar burgerlijke staat of ook homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt als
bedoeld in de AWGB door aan het toekennen van de status van medehuurder de
voorwaarde te verbinden dat er gedurende tenminste twee jaar sprake is van
een gemeenschappelijke huishouding.

4.2. Artikel 7, eerste lid, onderdeel c, AWGB verbiedt onder meer het maken
van onderscheid naar burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid bij het
aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten van overeenkomsten
terzake, indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam zijn op het
gebied van volkshuisvesting.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid naar burgerlijke staat en
homoseksuele gerichtheid zowel direct als indirect onderscheid begrepen
wordt. Indirect onderscheid naar burgerlijke staat of homoseksuele
gerichtheid is onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen
dan burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid, dat direct onderscheid op
grond van deze persoonskenmerken tot gevolg heeft.

Artikel 2, eerste lid, AWGB bepaalt dat het in de wet neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.

Artikel 4, onderdeel c, AWGB bepaalt dat de AWGB onderscheid onverlet laat
dat wordt gemaakt bij of krachtens enige andere wet, welke voorafgaand aan
deze wet in werking is getreden.

4.3. De Commissie beoordeelt allereerst het beroep van de wederpartij op de
uitzonderingsbepaling van artikel 4, onderdeel c, AWGB.

Het onderscheid is volgens de wederpartij gebaseerd op de huurwetgeving van
1979, te weten artikel 7A:1623h BW, en dient zodoende onverlet te worden
gelaten door de AWGB. Artikel 7A:1623h BW bepaalt voorzover van belang, dat
een gezamenlijk verzoek van de huurder en de persoon met wie deze een
gezamenlijke huishouding voert bij de kantonrechter aanhangig kan worden
gemaakt tot het verlenen van medehuurderschap. De kantonrechter wijst een
dergelijk verzoek slechts af, indien de gezamenlijke huishouding niet
tenminste twee jaren voorafgaande aan het verzoek in de woonruimte heeft
plaatsgevonden.

Blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB valt onder het begrip `onderscheid
bij of krachtens de wet’ in de zin van artikel 4, onderdeel c, AWGB
onderscheid dat in een wet in formele zin wordt gemaakt of daar rechtstreeks
uit voortvloeit (Tweede Kamer, vergaderjaar 1991-1992, 22 014, nr. 3, p. 11;
zie ook nr. 3, p. 16; nr. 5, p. 77; nr. 10 p. 30-31.). De Commissie stelt
vast dat in de huurbepalingen van het BW een onderscheid op grond van
burgerlijke staat is vervat. Gehuwden komen immers van rechtswege voor de
status van medehuurder in aanmerking, terwijl ongehuwden daar slechts voor in
aanmerking komen na daartoe een verzoek te hebben ingediend. Ingevolge
artikel 7A:1623h BW wordt een dergelijke vordering door de kantonrechter
toegewezen, indien de huurder en zijn partner gedurende twee jaar een
gemeenschappelijke huishouding in de woning hebben gevoerd. Het in artikel
7A:1623h BW bepaalde brengt echter geenszins met zich dat de verhuurder
verplicht zou zijn de termijn van twee jaar te hanteren bij het verlenen van
medehuurderschap. De stelling van de wederpartij, dat de termijn van twee
jaar voor ongehuwden terzake het medehuurderschap rechtstreeks voortvloeit
uit artikel 7A:1623h BW, gaat dan ook niet op. Het beroep op de uitzondering
van artikel 4, onderdeel c, AWGB faalt derhalve.

4.4. De wederpartij is een woningbouwvereniging en houdt zich als zodanig
bezig met volkshuisvesting. In dat kader heeft de wederpartij geweigerd
verzoeker 2 te accepteren als medehuurder.

Onder het sluiten van overeenkomsten in de zin van artikel 7 AWGB wordt
tevens verstaan het weigeren om een overeenkomst aan te gaan (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1991-1992, 22 014, nr. 5, pag. 7-8.). De weigering tot het
verlenen van medehuurderschap valt dan ook onder het bereik van artikel 7,
eerste lid, onderdeel c, AWGB.

4.5. De Commissie overweegt ten aanzien van de vraag of de wederpartij door
de weigering verzoeker 2 als medehuurder aan te merken onderscheid naar
burgerlijke staat heeft gemaakt als volgt.

Vaststaat dat aan gehuwden van rechtswege het medehuurderschap toekomt. Zoals
onder 4.3. is overwogen, is de wederpartij niet wettelijk gehouden bij
ongehuwden een termijn van twee jaar te hanteren bij verlening van
medehuurderschap. Dit houdt in dat de wederpartij terzake zelf criteria kan
ontwikkelen. Bij de vraag of hierbij sprake is van onderscheid op grond van
burgerlijke staat overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij hanteert de betwiste twee-jaarseis ter voorkoming van misbruik
van het woningdistributiesysteem. Zij stelt ter zitting dat het in de
praktijk niet mogelijk is om persoonlijke omstandigheden, zoals door
verzoekers naar voren gebracht, te weten het samenlevingscontract, het
testament en het vrijgeven van een andere woning, mee te wegen bij de vraag
of medehuurderschap kan worden verleend. Tevens verwijst zij naar de in het
BW genoemde termijn.

De Commissie overweegt dat, nog los van de vraag of de wederpartij
daadwerkelijk heeft onderzocht of een systeem met criteria als door
verzoekers bedoeld kan worden gehanteerd, de wederpartij bij voorbaat de in
het BW genoemde termijn van twee jaar hanteert. Ook ingeval gebleken zou zijn
dat criteria die de mogelijkheid bieden tot meeweging van persoonlijke
omstandigheden van de betrokkenen geen adequaat middel vormen om misbruik van
het woningdistributiesysteem te voorkomen, heeft de wederpartij niet
gemotiveerd waarom op voorhand de termijn van twee jaar en niet een – door
ook andere woningbouwverenigingen gehanteerde – kortere termijn wordt
gehanteerd.

Doordat de wederpartij onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij op voorhand de
termijn van twee jaar hanteert, terwijl zij daartoe niet wettelijk verplicht
is, is de Commissie van oordeel dat de wederpartij jegens verzoekers direct
onderscheid maakt naar burgerlijke staat.

4.6. De Commissie overweegt ten aanzien van de vraag of de wederpartij door
de weigering van het medehuurderschap ook onderscheid naar homoseksuele
gerichtheid heeft gemaakt als volgt.

De Commissie heeft eerder geoordeeld dat direct onderscheid op grond van een
wettelijke discriminatiegrond tevens indirect onderscheid op grond van een
andere wettelijke discriminatiegrond kan opleveren (Zie onder andere
Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995, oordeelnummer: 95-50.).
Van indirect onderscheid is sprake indien homoseksueel gerichte personen
relatief zwaarder getroffen worden dan heteroseksueel gerichte personen. De
Commissie stelt vast dat, door het stellen van de twee-jaarseis aan ongehuwd
samenwonenden om voor het medehuurderschap in aanmerking te komen, van de
samenwonende homoseksuelen allen worden getroffen aangezien zij niet met
elkaar gehuwd (kunnen) zijn. Van de heteroseksuele samenwonenden wordt niet
iedereen benadeeld, aangezien diegenen die gehuwd zijn van rechtswege het
medehuurderschap hebben en niet door de twee-jaarseis worden benadeeld.
Derhalve is sprake van een onevenredige benadeling van homoseksuelen en moet
worden geconcludeerd dat sprake is van indirect onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid.

Vervolgens rijst de vraag of objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig
zijn. Aangezien het vermoeden van indirect onderscheid in casu is gelegen in
de burgerlijke staat van verzoekers en degenen die door het geconstateerde
vermoeden van indirect onderscheid worden getroffen zich dientengevolge
kunnen beroepen op het hiervoor geconstateerde onderscheid op grond van
burgerlijke staat, kan een nader onderzoek naar een objectieve
rechtvaardigingsgrond achterwege blijven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Amsterdam jegens de
heer (….) en de heer (….) te Amsterdam direct onderscheid op grond van
burgerlijke staat heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel c, Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in strijd met deze
wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lid Kamer),dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekers stonden bij de wederpartij ingeschreven als woningzoekend. Tijdens
de bezichtiging van een woning werd door de verhuurfunctionaris geïnformeerd
naar de wijze van samenwoning van verzoekers. Uit het feit dat verzoekers het
gebruik van de kamers onderling wilden verdelen, leidde de
verhuurfunctionaris af dat er sprake was van een gelegenheidshuishouding.
Verzoekers hebben meegedeeld geen relatie te hebben, maar als vrienden te
willen samenwonen. Om die reden is de woning hen niet toegewezen.
De wederpartij heeft meegedeeld dat, wanneer een gehuwd paar er blijk van had
gegeven de kamers te willen verdelen, hierover tijdens het intakegesprek
nadere vragen gesteld zouden worden. Verzoekers kwamen echter niet voor een
intakegesprek in aanmerking. De Commissie is op grond daarvan van oordeel dat
de wederpartij gehuwden en ongehuwden verschillend behandelt. Bovendien heeft
de wederpartij geen duidelijk kenbaar beleid waaruit blijkt hoe ongehuwden
kunnen aantonen dat zij aan het criterium `duurzaam gemeenschappelijke
huishouding’ voldoen. Onder deze omstandigheden ondervinden verzoekers een
verschil in behandeling op grond van hun burgerlijke staat, hetgeen leidt tot
direct onderscheid. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 1 mei 1996 verzochten de heren (….) te Leiden en (….) te Warmond
(hierna: verzoekers) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of de (….) te Leiden (hierna: de wederpartij) jegens
hen onderscheid heeft gemaakt als bedoeld de Algemene wet gelijke behandeling
(hierna AWGB).

1.2. Verzoekers hebben zich bij de wederpartij ingeschreven voor een woning
en een verklaring ondertekend een gemeenschappelijke huishouding te willen
voeren. Ingevolge de Huisvestingsverordening kan toewijzing slechts
plaatsvinden aan personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding
voeren of willen gaan voeren. Volgens de wederpartij is hiervan bij
verzoekers geen sprake. Verzoekers zijn van mening dat de wederpartij door
middel van haar invulling van het begrip `duurzame gemeenschappelijke
huishouding’ onderscheid maakt op grond van burgerlijke staat.

2.DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 18 februari 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekers
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. (….) (getuige)
– dhr. T.H. Ong (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (hoofd dienst ledenservice)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekers hebben zich in juni 1995 gezamenlijk ingeschreven voor een
woning te Leiden.

In de woningkrant van 28 april 1995 werd door de wederpartij een woning te
huur aangeboden. De woning was bedoeld voor huishoudens van minimaal twee en
maximaal vier personen.

Voor een eerste bezichtiging worden meer kandidaten tegelijkertijd
uitgenodigd. Alle kandidaten krijgen een rangnummer toegekend. Het rangnummer
wordt bepaald door de leeftijd van de kandidaten, waarbij de oudste kandidaat
het hoogste nummer krijgt. In de volgorde van rangnummer hebben de kandidaten
de mogelijkheid de woning te accepteren. Wanneer de woning door één van de
kandidaten wordt geaccepteerd worden de kandidaten met een lager rangnummer
daarvan meteen mondeling in kennis gesteld.

3.2. Verzoekers zijn door de wederpartij uitgenodigd om op 19 juni 1995 deze
woning te bezichtigen met rangnummer 1. Tijdens deze bezichtiging is door de
verhuurfunctionaris van de wederpartij geïnformeerd naar de wijze van
samenwoning van verzoekers. Uit het feit dat verzoekers het gebruik van de
kamers onderling wilden verdelen leidde de verhuurfunctionaris af dat er
sprake was van een `gelegenheidshuishouden’. Verzoekers hebben meegedeeld
geen seksuele relatie te hebben en als vrienden te willen samenwonen.
Verzoekers hebben de woning om die reden niet toegewezen gekregen.

3.3. Ingevolge artikel 1.10 van de Woonruimteverordening van de gemeente
Leiden wordt onder een `huishouden’ verstaan: een alleenstaande, dan wel twee
of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of
willen gaan voeren.

Op grond van artikel 3.10 van deze verordening is het verboden woonruimte in
gebruik te nemen of te geven zonder dat door Burgemeester en Wethouders voor
het in gebruik nemen een huisvestingsvergunning is verleend.

De verordening geeft regels voor de bevordering van een rechtvaardige
woonruimteverdeling.

3.4. De woningbouwverenigingen in de gemeente Leiden hebben zich door middel
van een convenant met de gemeente verplicht tot een rechtvaardige en
doelmatige toewijzing van woningen.

Ingevolge artikel 14 lid 2 van het convenant kan de woningbouwvereniging
besluiten tot het niet aangaan van een huurovereenkomst met een
kandidaat-huurder, indien er gerede twijfel bestaat, stoelend op concrete
aanwijzingen, over het voornemen van de deelnemers aan het huishouden om in
de betreffende woning een duurzame huishouding te gaan voeren.

3.5. In het kader van een rechtvaardige woonruimteverdeling is het beleid van
de wederpartij erop gericht te voorkomen, dat woningzoekenden bij het
verschijnen van de advertentie de feitelijke situatie aanpassen aan de bij de
woning gestelde voorwaarden door bijvoorbeeld een `gelegenheidscombinatie’ te
vormen.

De wederpartij stelt daarom als voorwaarde de aanwezigheid van een
`aantoonbaar duurzame gemeenschappelijke huishouding’. Daarvan is volgens het
beleid van de wederpartij sprake indien de woningzoekenden op het moment van
publicatie van de woning:
– getrouwd zijn; of
– een samenlevingscontract gesloten hebben; of
– reeds samenwonen en controleerbaar op één adres ingeschreven staan; of
– een verklaring bij de gemeente hebben ingevuld voornemens te zijn een
gemeenschappelijke huishouding te gaan voeren.

Na indiening van laatstgenoemde verklaring kunnen de woningzoekenden nog
slechts gezamenlijk voor een woning in aanmerking komen en niet meer als
alleenstaande.

Dit beleid is niet op de een of andere manier openbaar gemaakt noch worden
kandidaat-huurders, wanneer zij zich bij de wederpartij melden, van dit
beleid op de hoogte gebracht.

Voor verzoekers was in het bijzonder de laatste – hun onbekende – voorwaarde
van belang. Zij hebben daarom op 21 juni 1995 alsnog bij de gemeente Leiden
een formulier getekend en ingeleverd, waarin zij hebben verklaard een
gemeenschappelijke huishouding te willen voeren.

3.6. Op 7 juli 1995 hebben verzoekers een klacht ingediend bij de
Klachtencommissie woonruimteverdeling van de gemeente Leiden. De
Klachtencommissie heeft de klacht van verzoekers op 27 december 1995
ongegrond verklaard.
De Klachtencommissie acht doorslaggevend dat in de gevallen waarin de
woningbouwvereniging wel een duurzame gemeenschappelijke huishouding aanwezig
acht, steeds sprake is van een affectieve of familiaire relatie binnen het
huishouden, waarbij de partners geacht mogen worden ten opzichte van elkaar
verplichtingen te zijn aangegaan die meer betreffen dan het delen van de
woonkosten.

3.7. Op 9 oktober 1995 zijn verzoekers wederom uitgenodigd om een woning te
bezichtigen. Zij zijn niet bij de bezichtiging verschenen. De woning is
geaccepteerd door de kandidaat met rangnummer 2. Verzoekers hadden rangnummer
4.

De standpunten van partijen

3.8. Verzoekers stellen het volgende.

De wederpartij maakt door middel van de door haar gestelde voorwaarden bij de
toewijzing van woonruimte en het aangaan van een huurcontract onderscheid op
grond van burgerlijke staat als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel
c, AWGB.

Hoewel het op zichzelf toelaatbaar is om in het licht van een evenwichtige
verdeling van meerpersoonswoningen het voeren van een `gemeenschappelijke
huishouding’ als voorwaarde te stellen, mag daarbij geen onderscheid worden
gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden.

De wederpartij gaat er bij gehuwden automatisch vanuit dat er sprake is van
een gemeenschappelijke huishouding. Een feitelijke toets hiervoor ontbreekt.
Van ongehuwden wordt daarentegen vereist dat zij een samenlevingscontract
overleggen dan wel dat zij reeds feitelijk samenwoonden.

Deze laatste voorwaarde brengt met zich dat het voor ongehuwden onmogelijk is
om in één van haar woningen een gemeenschappelijke huishouding te starten,
terwijl dit voor gehuwden wel mogelijk is.
Ten aanzien van de voorwaarde betreffende een samenlevings-contract stellen
verzoekers dat van samenwoners in redelijkheid niet kan worden verwacht dat
zij een verstrekkend notarieel samenlevingscontract als bewijs van het
bestaan van een gemeenschappelijke huishouding overleggen. De woningzoekenden
worden door deze voorwaarde langs een oneigenlijke weg gedwongen een
samenlevingscontract te ondertekenen.

De wederpartij toetst de ongehuwde woningzoekenden op het hebben van een
affectieve relatie, terwijl deze toets bij gehuwden ontbreekt. De vraag of er
sprake is van een affectieve relatie is in het kader van een rechtvaardige
woonruimteverdeling niet van belang. Doordat er geen sluitende definitie is
van het begrip `gemeenschappelijke huishouding’, zijn ongehuwden overgeleverd
aan de willekeur van de woningtoewijzer.

Bij ongehuwden wordt de relatie getoetst op duurzaamheid, terwijl een
dergelijke toets bij gehuwden niet plaatsvindt.

Voor dit onderscheid bestaat geen rechtvaardiging nu uit statistische
gegevens blijkt dat huwelijkse relaties lang niet altijd als duurzaam kunnen
worden aangemerkt.

De wederpartij leidt uit de wijze waarop verzoekers de woning wensen in te
delen ten onrechte af dat een gemeenschappelijke huishouding ontbreekt. De
wederpartij gaat er daarmee aan voorbij dat ook gehuwden hun individuele
zelfstandigheid binnen de woning steeds meer vormgeven.

3.9. De wederpartij stelt het volgende.

Van een `duurzame gemeenschappelijke huishouding’ is volgens de wederpartij
geen sprake, indien de kamers van de woning door de verschillende huurders
worden verdeeld.
Tijdens de bezichtiging van de woning door verzoekers bleek dat zij van plan
waren de woning kamersgewijs te gaan bewonen. De verhuurfunctionaris heeft
verzoekers naar aanleiding van uitlatingen dienaangaande nadere vragen
gesteld. Uit de antwoorden bleek dat zij niet aan de huishoudensvereisten
voldeden. Op grond hiervan is de woning niet aan hen toegekend. Normaal
gesproken vindt na bezichtiging een intake-gesprek plaats. Op grond van het
voorgaande heeft dit in dit geval niet plaatsgehad. Ter zitting stelt de
wederpartij dat als sprake zou zijn van gehuwden in het intake-gesprek nadere
vragen zouden zijn gesteld.

Nadien hebben verzoekers bij de gemeente een verklaring ingediend met
betrekking tot hun voornemen een gemeenschappelijke huishouding te voeren.
Dit was te laat om nog voor de woning in aanmerking te komen. Als zij dit
hadden gedaan voordat de woning aan hen werd aangeboden, was deze aan hen
toegewezen. Een en ander is geregeld in het convenant. De bekendheid met deze
regeling is gering. Verzoekers hadden echter bij de wederpartij of bij de
gemeente informatie kunnen inwinnen.

De wederpartij beoogt met dit beleid te voorkomen dat een woningzoekende
zowel op in de advertenties aangeboden woonruimte bestemd voor één persoon
als op aangeboden woonruimte bestemd voor meerdere personen reageert. Doordat
niet van tevoren hoeft te worden opgegeven of, en zo ja met wie men wenst te
gaan samenwonen, is dit beleid thans niet voldoende adequaat. Na 1 juli 1997
verandert dit systeem en is het alleen nog mogelijk om voor woonruimte voor
twee of meer personen in aanmerking te komen indien van tevoren is
geregistreerd wie deze personen zijn.

4. OORDEEL VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekers onderscheid
naar burgerlijke staat heeft gemaakt door het bestaan van een duurzame
gemeenschappelijke huishouding niet aanwezig te achten, wanneer de
betrokkenen voornemens zijn een woning kamersgewijs te gaan bewonen.

4.2. Artikel 7, eerste lid, onderdeel c, AWGB verbiedt onder meer het maken
van onderscheid naar burgerlijke staat bij het aanbieden van goederen of
diensten en bij het sluiten van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt
door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting.
De wederpartij is een dergelijke instelling.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid naar burgerlijke staat zowel
direct als indirect onderscheid begrepen wordt. Indirect onderscheid op grond
van burgerlijke staat is onderscheid dat op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan burgerlijke staat direct onderscheid op grond van burgerlijke
staat tot gevolg heeft.

Artikel 2, eerste lid, AWGB bepaalt dat het in de wet neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.

4.3. Verzoekers zijn door de verhuurfunctionaris van de wederpartij mondeling
afgewezen, nadat deze geconstateerd had dat verzoekers van plan waren de
kamers van de woning onderling te verdelen. Voor de verhuurfunctionaris was
dit een afdoende reden. Desgevraagd heeft de wederpartij ter zitting
meegedeeld dat, als een gehuwd paar op dezelfde manier er blijk van had
gegeven de kamers te willen verdelen, de verhuurfunctionaris dit paar
tenminste had laten toekomen aan het intakegesprek, dat gebruikelijk volgt op
een bezichtiging. De verhuurfunctionaris zou dan de normale procedure hebben
gevolgd, in die zin dat de controle op de duurzaamheid van de
gemeenschappelijke huishouding tijdens dit intakegesprek plaats gevonden zou
hebben.

4.4. Hoewel de wederpartij stelt gehuwden en ongehuwden gelijk te willen
behandelen, blijkt uit de bovenstaande praktijk van de uitvoering van het
toewijzingsbeleid dat ongehuwden met meer problemen geconfronteerd worden dan
gehuwden. Immers, op grond van dezelfde feiten en omstandigheden worden
gehuwden toegelaten tot een intake-gesprek terwijl ongehuwden worden
afgewezen. Wat dit betreft wordt bij gehuwden door de wederpartij derhalve
veel eerder aangenomen dat sprake is van een duurzaam gemeenschappelijk
huishouden.

4.5. Bovendien heeft de wederpartij geen duidelijk kenbaar beleid hoe
ongehuwden kunnen aantonen aan het criterium `duurzaam gemeenschappelijke
huishouding’ te voldoen, doordat de wederpartij de voorwaarden, zoals vermeld
onder 3.6. niet openbaar heeft gemaakt noch tijdig aan kandidaat-huurders
meedeelt.

4.6. Onder deze omstandigheden ondervinden kandidaat-huurders, zoals
verzoekers, verschil in behandeling op grond van hun burgerlijke staat. Een
dergelijk verschil in behandeling levert een door de AWGB verboden
onderscheid op.

4.7. De Commissie merkt tenslotte op dat het hebben van een affectieve of
familiaire relatie, zoals door de Klachtencommissie is aangegeven, niet
noodzakelijk een indicatie oplevert voor het (voornemen tot) het voeren van
een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Leiden jegens de
heren (….) te Leiden en (….) te Warmond direct onderscheid op grond van
burgerlijke staat heeft gemaakt, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid,
onderdeel c, AWGB en daarmee in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. Moerings(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)