Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 10 april 1997

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn in februari 1987 in Trinidad getrouwd zonder enige huwelijkse
voorwaarden. De vrouw heeft de nationaliteit van Trinidad en Tobago en de man
heeft de Nederlandse nationaliteit. In augustus 1987 wordt een dochter
geboren. Uit een eerder huwelijk heeft de man een zoon. Op verzoek van de
vrouw is een echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt. In de
echtscheidingsbeschikking van april 1996 is bepaald dat de vrouw in het
echtelijke huis blijft wonen en dat de kinderen bij haar verblijven. Er wordt
een omgangsregeling getroffen. De vrouw vordert in juni 1996 in kort geding
een straat- en contactverbod. Daarnaast vordert zij op straffe van een
dwangsom in het kader van de boedelscheiding het bevel haar financieel in te
lichten. De president wijst de vorderingen toe. Hij veroordeelt de man om een
bedrag van ƒ 78.000 op een geblokkeerde rekening ten name van de raadslieden
te storten alsmede de opbrengst van de auto. Hij veroordeelt de man om met
bewijsstukken de vrouw inzicht te verschaffen in de saldi op straffe van een
dwangsom van ƒ 1.000 tot een maximum van ƒ 250.000. Hij legt de man een
straat- en contactverbod op voor onbepaalde tijd, en veroordeelt de man om
aan de vrouw alimentatie te betalen van ƒ 700 en m.i.v. 1 juni van ƒ 350 per
maand. De man gaat in beroep tegen het vonnis van de president.
Het hof vindt dat de vrouw een te respecteren belang heeft om de gelden van
de gemeenschappelijke boedel veilig te stellen. De man vindt dat de
beslissingen die de president heeft genomen thuis horen in een
boedelscheidingsprocedure en niet in een kort geding. Het hof oordeelt dat de
stellingen van de man berusten op een foutieve lezing van het vonnis waarvan
beroep. De president heeft voorzieningen bevolen die in het geheel niet –
noch juridisch noch feitelijk – vooruit lopen op de in een
boedelscheidingsprocedure te nemen beslissingen noch op enige beoordeling van
het in het geval van partijen geldende huwelijksgoederenregime. Het hof acht
termen aanwezig – mede omdat de vrouw geen verweer voert op de betreffende
grief – het door de president opgelegde straat- en contactverbod aan een
termijn van een jaar te binden.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant-de man- is bij exploot van 26 juni 1996 in hoger beroep
gekomen van het vonnis dat de president van de arrondissementsrechtbank te
Alkmaar op 13 juni 1996 onder KG nummer 215/96 heeft gewezen tussen
geïntimeerde -de vrouw- als eiseres en de man als gedaagde.

1.2. Bij memorie heeft de man zeven grieven tegen het beroepen vonnis
aangevoerd, een productie in het geding gebracht en geconcludeerd-zakelijk
weergegeven- dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, voormeld
vonnis zal vernietigen en de gevraagde voorzieningen alsnog zal weigeren, met
de veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure in eerste
instantie en in hoger beroep.

1.3. Bij memorie van antwoord met producties heeft de vrouw de grieven
weersproken en geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep,
zo nodig onder verbetering van gronden, met de veroordeling van de man in de
kosten van het hoger beroep.

1.4. Tenslotte hebben partijen de stukken van beide instanties aan het hof
overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van de stukken geldt als
hier ingevoegd.

2. De grieven
Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

3. De vaststaande feiten
In rechtsoverweging 1 van zijn vonnis heeft de president onder de letters a
tot en met h een aantal feiten ( uitgangspunten) als ten processe vaststaand
opgesomd. Tegen deze opsomming zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof
van die feiten uitgaat.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 14 februari 1987 te Trinidad gehuwd zonder het maken
van huwelijkse voorwaarden.

4.2. Ten tijde van het voltrekken van het huwelijk had de man de Nederlandse
Nationaliteit en de vrouw die van Trinidad en Tobago.

4.3. Zowel als voor als na de huwelijksvoltrekking woonden partijen in
Nederland, laatstelijk te Broek op Langedijk.

4.4. Uit een eerder huwelijk van de man is een thans nog minderjarige zoon,
S, geboren. Uit het huwelijk van partijen is op 4 augustus 1987 een dochter
geboren, K.

4.5. Op verzoek van de vrouw is bij de arrondissementsbank te Alkmaar een
echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt.

4.6. Bij beschikking van voornoemde rechtbank van 4 april 1996 is bij wege
van voorlopige voorziening onder meer beslist zakelijk weergegeven;
– de vrouw is bij uitsluiting gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke
woning te Broek op Langeveld,
– K S wordt aan de vrouw toevertrouwd,
– de omgang tussen de minderjarige en de ouder aan wie het kind is
toevertrouwd, wordt door partijen in onderling overleg geregeld.

4.7. In voormelde beschikking is voorts het volgende overwogen:
“De rechtbank verstaat dat partijen overeenkomen dat de minderjarige S.
geboren uit een eerder huwelijk van de man, welk huwelijk is ontbonden door
overlijden van de vrouw, (ook) bij de vrouw zal verblijven en dat de man ten
behoeve van deze minderjarige een bijdrage zal betalen van ƒ 350 per maand.

4.8. Het dictum van het vonnis waarvan beroep luidt- voorzover relevant- als
volgt;
“De president:
1. Veroordeelt de man om op een geblokkeerde rekening ten name van de
raadslieden van partijen te voldoen een bedrag van ƒ 78.000 (…), alsmede de
opbrengst van de auto;
2. Veroordeelt de man om de vrouw deugdelijk met bewijsstukken gestaafd
inzicht te verschaffen in de saldi en het verloop van de tegoeden bij de NV
Kredietbank en de Rabobank, beide te Antwerpen;
3. Bepaalt dat de man een dwangsom van ƒ 1.000 zal verbeuren per dag of
dagdeel dat hij na veertien dagen na betekening van dit vonnis in gebreke
blijft aan het sub 1. En sub 2. Gevorderde te voldoen, zulks echter tot een
maximum van ƒ 250,000;
4. Verbiedt de man zich te bevinden in het gebied rond de voormalige
echtelijke woning te Broek op Langedijk, begrensd als volgt (na te noemen
grenzen begrepen in het verbod)
– in het noorden door de Oostelijke randweg , de Reiger en De Kwikstaart;
– in het zuiden door de Reiger en de Aalschover;
– in het oosten door het kanaal Alkmaar Omval, een en ander conform
aangehechte plattegrond, met machtiging op eiseres tot tenuitvoerlegging met
behulp van de sterke arm;
5. Verbiedt de man om de vrouw te volgen, te bezoeken, te bedreigen of
anderszins contact met haar op te nemen, op straffe van een dwangsom van ƒ
1.000 per overtreding;
6. Veroordeelt de man om aan de vrouw te voldoen een bedrag van ƒ 700 (…)
en voorts ingaande 1 juni 1996 telkens bij vooruitbetaling een bedrag van ƒ
350 (…) per maand;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad”.

4.9. Met grief 1 keert de man zich tegen de dictum onder 1., met grief 2
tegen het dictum onder 2. , met grief 3. Tegen het dictum onder 3., met grief
4. Tegen het dictum onder 4., met grief 5. Tegen het dictum onder 5., met
grief 6. Tegen het dictum onder 6. En met grief 7. Tenslotte tegen de
uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

4.10. Aan de dicta onder 1,2 en 3 ligt – naar de kern genomen- de overweging
ten grondslag dat de man er op uit is de echtscheiding financieel naar eigen
hand te zetten en dat de vrouw er derhalve een in rechte te respecteren
belang bij heeft de gelden van een mogelijk gemeenschappelijke boedel veilig
te stellen. De president overweegt dat een redelijke manier hiertoe is het
storten van die gelden op een geblokkeerde rekening ten name van de
raadslieden. Tenslotte overweegt de president dat er alle aanleiding bestaat
de vrouw een dwangmiddel te verschaffen en wel door de vordering tot het
bepalen van dwangsommen -in enigszins gematigde omvang- toe te wijzen.

4.11. In de toelichting op de grieven1,2 en 3 stelt de man dat de president
met de door deze grieven aangevochten onderdelen van het dictum beslissingen
heeft genomen die thuis horen in een boedelscheidingsprocedure en niet in een
kort geding. Tevens stelt de man dat de president, aldus beslissende, het
verweer dat er geen sprake is van enig gemeenschappelijk vermogen, ten
onrechte woordeloos heeft gepasseerd en “hierover indirect al een definitieve
uitspraak” heeft gedaan “door over diverse onderwerpen behorende bij de
boedelscheiding een uitspraak te doen”.

4.12. Deze stellingen berusten op een foutieve lezing van het vonnis waarvan
beroep. De president heeft voorzieningen bevolen die in het geheel niet- noch
juridisch noch feitelijk- vooruit lopen op de in een
boedelscheidingsprocedure te nemen beslissingen noch op enige beoordeling van
het in het geval van partijen geldende huwelijksgoederenregime.

4.13. Voorzover de man in de toelichting op grief 1. Nog bedoelt te stellen
dat hij in voldoende mate heeft voldaan aan zij gehoudenheid de vrouw
informatie te verschaffen omtrent de besteding van gelden van de (eventueel
gemeenschappelijke) boedel en wel door het herhalen van de bewering dat hij
het litigieuze bedrag van ƒ 78.000 heeft besteed aan de betaling van
schuldeisers en wel thans onder overlegging van een schuldbekentenis voor een
bedrag, groot ƒ 45,000, met daarop de aantekening “dd 17-4-1996 Voldaan ƒ
53.362,80 inclusief rente”, is dit ongenoegzaam. De schuldbekentenis en –
naar het hof begrijpt- de betaling worden gedaan door de vrouw betwist. Voor
het overige geldt dat in dit hoger beroep het door de president in het vonnis
waarvan beroep geconstateerde gebrek aan (concrete) informatie niet wordt
geheven door het overleggen van deze enkele – zoals reeds overwogen: betwiste
produktie. De overweging van de president, zoals hiervoor verkort weergeven
onder 4.10, eerste volzin, is hierdoor niet aangetast en geldt derhalve nog
verkort.

4.14. In de toelichting op grief 2. Verwijt -naar het hof begrijpt_ de man de
president dat deze in het vonnis waarvan beroep geen acht heeft geslagen op
de brieven, afkomstig van de in dictum onder 2. Vermelde banken. Ook dit
berust op een foutieve lezing van het vonnis waarvan beroep. De president
heeft kennis genomen van die brieven en heeft daaraan de conclusie verbonden
dat het standpunt van de man dat hij geen bankrekeningen in België
onderhoudt, volstrekt ongeloofwaardig overkomt.

4.15. Voorzover de man tenslotte nog in de toelichting op grief 3. Stelt dat
hij de kans loopt “dwangsommen te verbeuren waardoor hij onder onredelijke
druk gezet wordt in de echtscheiding c.q. boedelscheidingsprocedure”, vermag
het hof de man niet te volgen in deze redenering. Het bepalen van een
dwangsom is uit zijn aard bedoeld om iemand onder de druk te zetten en wel om
het aldus van een sanctie voorziene (gedeelte van het ) dictum na te komen.
Dat kan in concreto op geen enkele wijze een onredelijk druk opleveren in de
echtscheiding-of de boedelscheidingsprocedure.

4.16 uit het voorgaande volgt dat de grieven 1,2 en 3 geen doel treffen.

4.17. In de toelichting op de grieven 4 en 5 wordt in de eerste plaats
gesteld dat de man niet persoonlijk aanwezig was bij de behandeling van het
kort geding en dat het derhalve niet zo kan zijn geweest dat hij desgevraagd
heeft gezegd geen bezwaar te hebben tegen een straatverbod. De man miskent
hier echter dat zijn advocaat wel bij de mondelinge behandeling aanwezig is
geweest en aldaar namens zijn cliënt kennelijk heeft gezegd bedoeld bezwaar
niet te hebben.

4.18. De stelling van de man dat het verbinden van een dwangsom aan het
contact te voorbarig was, is zonder nadere toelichting niet begrijpelijk en
dient te worden gepasseerd.

4.19. In het vonnis waarvan beroep heeft de president overwogen dat het door
de vrouw gevorderde straat-en contactverbod door de man onvoldoende
gemotiveerd is weersproken en dat derhalve de desbetreffende vorderingen
zullen worden toegewezen. In dit hoger beroep heeft de man onvoldoende
gemotiveerd gesteld waarom deze overweging onjuist zou zijn. Het hof begrijpt
uit de toelichting op de grieven 4 en 5. Echter dat de man van mening is dat
voor deze verboden, in de vorm waarin zij zijn gegeven, thans geen aanleiding
meer is. Mede gelet op de omstandigheid dat de reactie van de vrouw op deze
grieven niets meer behelst dan in de eerste aanleg reeds door de vrouw was
gesteld -hetgeen op zich zelf een straat- en contactverbod van onbeperkte
duur niet zou hebben gerechtvaardigd, ware het niet dat er in de eerste
aanleg in wezen hiertegen geen verweer is gevoerd- acht het hof termen
aanwezig het door de president opgelegde straat-en contactverbod aan een
termijn van een jaar te binden.

4.20. De grieven hebben derhalve succes voorzover zij leiden tot voormelde
begrenzing in tijd. Voor het overige hebben zij geen succes.

4.21. In de toelichting op grief 4 herhaalt de man zijn reeds in de eerste
instantie gedane stelling dat de vrouw een bedrag van ƒ 8.440 van de
gemeenschappelijke rekening heeft afgehaald en dat er derhalve geen
aanleiding bestaat haar (op zichzelf door hem niet betwiste) vordering tot
het betalen van ƒ 700 ineens en van – vervolgens- ƒ 350 per maand op de in
het vonnis waarvan beroep bepaalde wijze toe te wijzen. De man adstrueert
deze stelling echter niet, gelijk hij dat ook niet deed in de eerste
instantie. Het hof acht het dienaangaande door de president in het vonnis
waarvan beroep overwogene juist en maakt deze overwegingen tot de zijne. De
grief snijdt geen hout.

4.22. In de toelichting op grief 7. Stelt de man dat de president door de
uitvoerbaarheid bij voorraad uit te spreken met onevenredige hardheid heeft
beslist en hem daardoor ten opzichte van de vrouw “in een zeer ongelijke
positie ten aanzien van de lopende echtscheidingsprocedure” heeft geplaatst.

4.23. Deze stelling is onbegrijpelijk. Het treffen van voorzieningen, zoals
in dit kort geding door de vrouw gevraagd, heeft zonder de gewraakte
uitvoerbaar bij voorraad verklaring weinig tot geen zin. De man wordt door
deze voorzieningen in het geheel niet in de door hem bedoelde ongelijke
positie geplaatst. De grief snijdt geen hout.

5. Slotsom
5.1. De grieven 4 en 5 hebben gedeeltelijk succes en falen voor het overige.
De grieven 1,2,3,6 en 7 treffen geen doel.

5.2. Het vonnis waarvan beroep dient op de onderdelen 4 en 5 van dictum als
na te melden te worden aangevuld en voor het overige te worden bekrachtigd.

5.3. Gelet op de onderlinge verhouding van partijen zullen de proceskosten
van het hoger beroep worden gecompenseerd als na te melden.

6. De beslissing
Het hof:

6.1. Vult als volgt aan het dictum van het vonnis waarvan beroep, voorzover
onder punt 4 gewezen:
verbiedt de man zich voor de duur van een jaar te bevinden in het gebied rond
de voormalige echtelijke woning te Broek op Langedijk, begrensd als volgt (na
te noemen grenzen begrepen in het verbod)
– in het noorden door de Oostelijke randweg , de Reiger en De Kwikstaart;
– in het westen door de Lepelaar;
– in het zuiden door de Reiger en de Aalschover;
– in het oosten door het kanaal Alkmaar Omval, een en ander conform
aangehechte plattegrond, met machtiging op eiseres tot tenuitvoerlegging met
behulp van de sterke arm;

6.2. Vult als volgt aan het dictum van het vonnis waarvan beroep, voorzover
onder punt 5. Gewezen:
verbiedt de man voor de duur van een jaar om de vrouw te volgen, te bezoeken,
te bedreigen of anderszins contact met haar op te nemen, op straffe van een
dwangsom van ƒ 1.000 per overtreding;

6.3. Bekrachtigt het vonnis voor het overige;

6.4. Compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Kop, Doeleman, Goslings

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 8 april 1997

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De vrouw is in het psychiatrisch ziekenhuis verkracht door twee
mede-patiënten. De aangifte is geseponeerd. De civiele procedure tegen het
ziekenhuis is in eerste instantie verloren omdat niet voldoende is aangetoond
dat er sprake was van enig tekortschieten terzake van toezicht of preventie
door het ziekenhuis. Aan het ziekenhuis komt een zekere beoordelingsvrijheid
toe ten aanzien van de bewegingsvrijheid van hun patiënten.
Het Hof oordeelt in het tussenvonnis dat van een ziekenhuis verwacht mag
worden dat het zodanige maatregelen treft dat ongewenste seksuele contacten
tussen patiënten zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarom moet het ziekenhuis
bewijzen dat er voldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van seksuele
intimidatie tussen de opgenomen patiënten en het ziekenhuis moet aangeven
welk beleid er werd gevoerd ten aanzien van de seksuele contacten tussen
patiënten.
Het ziekenhuis is niet in haar bewijsopdracht geslaagd. Het feit dat er geen
geld zou zijn voor meer verplegend personeel mag geen excuus zijn voor het
feit dat er geen enkele maatregel is getroffen ter voorkoming van het
gebeurde. Het ziekenhuis is te kort geschoten en is daarom aansprakelijk voor
het gebeurde. Het Hof kent de vrouw een schadevergoeding van ƒ 7500 toe. Het
Hof wijst de schade door arbeidsongeschiktheid tengevolge van hetgeen in het
ziekenhuis is voorgevallen af, nu dit niet met concrete feiten en
omstandigheden is gestaafd.
Zie verder het artikel van Trudy Veerman, Seksueel geweld en psychiatrie
in dit nummer.&

Volledige tekst

Tussenvonnis Hof Arnhem 9 juli 1996

(…)

Beoordeling van het geschil in hoger beroep:
3. B vordert veroordeling van het ziekenhuis tot betaling van
schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Zij houdt het ziekenhuis
daartoe aansprakelijk omdat het ziekenhuis onvoldoende toezicht heeft
gehouden of heeft nagelaten veiligheidsmaatregelen te treffen waardoor had
kunnen worden voorkomen dat zij op de eerste dag van haar opname seksueel is
misbruikt door twee medepatiënten en door voorts na te laten nazorg te
plegen, tengevolge waarvan zij levensvreugde heeft gederfd en smart heeft
ondergaan en materiële schade heeft geleden.
4. Door de grieven, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, wordt het
geschil tussen partijen in volle omvang aan het oordeel van het hof
onderworpen.
5. In eerste aanleg baseerde B baar vordering op onrechtmatige daad terwijl
in hoger beroep de vordering kennelijk op een tekortkoming in de nakoming van
de overeenkomst tussen het ziekenhuis en B wordt gebaseerd. Dit verschil in
rechtsgrond heeft geen gevolg voor de beoordeling van het geschil. In beide
gevallen is het recht van vóór 1 januari 1992 toepasselijk voor de
beoordeling of sprake is van een onrechtmatige daad c.q. tekortkoming,
terwijl de maatstaf voor die beoordeling dezelfde is.
6. Die maatstaf is dat degene die in het kader van de behandeling het
toezicht heeft aanvaard, gehouden is zoveel als redelijkerwijs mogelijk is
erop toe te zien dat een patiënt derden (of zichzelf) geen schade toebrengt.
Hoever dat toezicht behoort te gaan en welke maatregelen ter voorkoming van
het toebrengen van schade aan derden (of aan de patiënt zelf) de
toezichthouder behoort te nemen, hangt af van de bijzonderheden van het
gegeven geval, waarbij van belang zijn enerzijds de grondrechten van de
patiënt en de medepatiënten en de aan hun behandeling uit medisch oogpunt te
stellen eisen en anderzijds de kans dat de patiënt derden of zichzelf schade
kan toebrengen.
7.Of het ziekenhuis aan de maatstaf heeft voldaan is echter pas relevant
indien zou vaststaan dat B – zoals zij stelt – op de eerste of tweede dag van
haar opname door R en E tegen haar wil is bejegend als door haar gesteld.
Haar stellingen komen er op neer dat zij in aanwezigheid van E door R is
verkracht, terwijl zij vervolgens is betast door E. De rechtbank heeft dit
onbesproken gelaten. Anders dan B in hoger beroep betoogt kan dat
feitencomplex op grond van de door haar overgelegde produkties, waaronder met
name het proces-verbaal van de politie (zie de relevante passages in r.o.
2.5, 2.6 en 2.7), niet geheel als vaststaand worden aangenomen. Met name de
verkrachting door R is niet bewezen. R ontkent, terwijl E te kennen geeft
nimmer gezien te hebben dat R met een vrouw naar bed ging. Andere
bewijsmiddelen voor de gestelde gedragingen van R zijn er niet en er is
evenmin nader bewijs aangeboden. Het enkele feit dat R bij personeelsleden
van het ziekenhuis bekend zou staan als iemand die niet van vrouwen kon
afblijven rechtvaardigt niet de conclusie dat hij dus datgene heeft gedaan
waarvan B hem beschuldigt.
Op grond van de verklaringen van E en B acht het hof echter wel bewezen dat E
B heeft betast als door haar gesteld. Gelet op de in r.o. 2.3 geciteerde en
onweersproken brief van de districtspsychiater had B geen geheugenstoornissen
en moet ze geacht worden adequaat aangifte te hebben kunnen doen. De
verklaringen van B en E zijn geheel congruent met elkaar, ook wat betreft
details, zoals de kleding en de wijze van betasten. Op grond daarvan acht het
hof die gebeurtenis bewezen.
8. De volgende vraag die beantwoord moet worden is of een en ander tegen de
wil van B is geschied. B heeft niet gesteld dat zij zich aktief heeft verzet
tegen hetgeen haar overkwam. Daarmee staat – anders dan De Stichting
kennelijk wil betogen – nog niet vast dat zij daarmee instemde. Zij heeft
onweersproken gesteld dat zij destijds door het gebruik van Haldol zodanig
versuft was dat zij niet goed in staat was zich tegen de haar opgedrongen
seksuele handelingen te verzetten, terwijl haar psychotische toestand in het
algemeen haar daarin ook al bemoeilijkte. Het hof acht het dan ook
aannemelijk dat zij ongewild althans willoos in de situatie met E is
betrokken.
9. Het hof zal thans bespreken of het ziekenhuis heeft voldaan aan de in r.o.
6 genoemde maatstaf. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat B in eerste
aanleg niet erg feitelijk en concreet heeft aangegeven welke maatregelen de
personeelsleden (al dan niet conform organisatieregels van het ziekenhuis)
hadden behoren te treffen om te voorkomen dat zij in een situatie als de
hiervoor geschetste verzeild zou raken. Dit heeft zij thans echter wel
gedaan.
10. Het hof is van oordeel dat – zoals B terecht aanvoert – van een
ziekenhuis verwacht mag worden dat zodanige maatregelen worden getroffen dat
ongewenste seksuele contacten tussen patiënten zoveel mogelijk worden
voorkomen, zeker wanneer zoals in het onderhavige geval psychotische en/of
ontremde patiënten gezamenlijk in een gesloten afdeling verblijven. Zij
moeten er dan op kunnen rekenen dat seksueel misbruik niet gemakkelijk kan
plaatsvinden. B noemt in hoger beroep als mogelijke concrete maatregelen:
– het afzonderlijk verplegen van mannen en vrouwen;
– het afzonderlijk verplegen van seksueel ontremde personen;
– het verbieden van het betreden van elkaars slaapkamers;
– het organiseren van een voller dagprogramma waardoor patiënten minder tijd
hebben om rond te hangen of elkaar lastig te vallen.
11. Zoals B zelf al stelt is het volledig afzonderlijk verplegen van mannen
en vrouwen niet passend in de huidige opvattingen omtrent omgang tussen
mannen en vrouwen. De overige door B genoemde maatregelen acht het hof echter
op zichzelf niet onmogelijk en/of onwerkbaar. Het hof acht het – alvorens te
beslissen of die maatregelen in casu genomen hadden moeten worden –
noodzakelijk dat het ziekenhuis inlichtingen verstrekt omtrent de wijze
waarop het destijds toezicht hield op de veiligheid en lichamelijke
integriteit van de opgenomen patiënten en welk beleid er werd gevoerd ten
aanzien van de seksuele relaties tussen patiënten. Tevens zal het hof
ingelicht moeten worden over de mate van bezwaarlijkheid van de genoemde
maatregelen, waardoor die maatregelen mogelijk naar redelijkheid niet van het
ziekenhuis konden worden gevergd.
12. Voor zover het hof tot het oordeel zou komen dat het ziekenhuis is tekort
geschoten in het nemen van adekwate maatregelen blijft nog de vraag in
hoeverre B tengevolge daarvan schade heeft geleden. In eerste aanleg werd
uitsluitend vergoeding van immateriële schade gevorderd, terwijl thans ook
vergoeding van materiële schade wordt gevorderd, nader op te maken bij staat.
13. Voor toewijzing van de schadevergoeding is noodzakelijk dat komt vast te
staan dat er schade is geleden tengevolge van het tekortschieten van het
ziekenhuis. Dat er in dat geval sprake is van immateriële schade is zonder
meer aannemelijk. Deze zou dan door het hof begroot kunnen worden. Dat B
thans arbeidsongeschikt is tengevolge van hetgeen in het ziekenhuis is
voorgevallen is door haar niet met concrete feiten en omstandigheden
gestaafd. Dit onderdeel van de vordering zal daarom in elk geval moeten
worden afgewezen.
14. Ten slotte stelt B het ziekenhuis ook aansprakelijk wegens het ontbreken
van adekwate nazorg. Niet gesteld of gebleken is dat de melding van het
voorgevallene aan de behandelend psychiater zodanig duidelijk is geweest dat
deze daaruit kon afleiden wat er volgens B was gebeurd en te minder dat B
wenste dat er zou worden opgetreden tegen de medepatiënten R en E, of dat zij
daarvan aangifte wenste te doen. Uit de overgelegde verklaringen van haar
zuster en uit haar eigen aangifte bij de politie komt slechts naar voren dat
hierover in vage termen tegenover de psychiater is gesproken.
15. Wel wenst het hof nadere inlichtingen te ontvangen van De Stichting op
welke wijze de arbeidstherapeut heeft gereageerd toen B met hem over haar
seksuele ervaringen in het ziekenhuis heeft gesproken. voorshands acht het hof
het ook was dat betreft echter niet aannemelijk dat B tengevolge van zijn
optreden op zichzelf schade heeft geleden.
16 Het hof zal een comparitie van partijen bepalen voor het inwinnen van
inlichtingen. Het hof verzoekt het ziekenhuis om uiterlijk twee weken voor de
te bepalen comparitiedatum de hiervoor gevraagde inlichtingen reeds
schriftelijk aan het hof en de wederpartij toe te zenden. De comparitie kan
tevens worden benut om te onderzoeken of partijen het alsnog op een of meer
punten eens kunnen worden. Tevens kan daar tussen partijen nog eens over de
gebeurtenissen worden gesproken die tot deze procedure hebben geleid. Zoals
de directeur van het ziekenhuis bij brief van 12 november 1992 al aan de
advocaat van B heeft geschreven zijn deze van dien aard dat een gesprek
daarover tussen partijen wellicht beter is dan een schriftelijke afhandeling.
17. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
(…)

Eindvonnis Hof Arnhem 8 april 1997

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1. Het hof heeft een arrest gewezen op 9 juli 1996 naar de inhoud waarvan
wordt verwezen.

1.2. De in dat arrest bepaalde comparitie van partijen is gehouden op 5
februari 1997. De partijen, verder ook: B en De Stichting, zijn daar niet tot
overeenstemming gekomen.

1.3. Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen
van arrest.

2. De verdere beoordeling van het geschil in hoger beroep

2.1 Het hof neemt hier over en blijft bij hetgeen in voormeld tussenarrest is
overwogen en beslist.

2.2 In het tussenarrest heeft het hof bewezen geacht dat B op de eerste of
tweede dag van haar verblijf in het ziekenhuis van de kant van een
medepatiënt, E, tegen haar wil lichamelijk intimiteiten heeft ondergaan.

2.3 De vraag is thans of het ziekenhuis voldoende maatregelen heeft genomen
ter voorkoming van dit gebeuren en ook of het ziekenhuis voldoende nazorg aan
B heeft besteed toen zij daarvan melding maakte. Voor de maatstaf die bij de
beantwoording van de eerste vraag wordt gehanteerd verwijst het hof naar
rechtsoverweging 6 van het tussenarrest.

2.4 Uit de namens De Stichting op de comparitie van partijen gegeven
inlichtingen valt het volgende te concluderen aangaande de in 1989 door het
ziekenhuis getroffen maatregelen ter voorkoming van seksuele intimidatie
tussen patiënten onderling en de opvattingen omtrent seksuele omgang in het
ziekenhuis:
– op de afdeling opname verblijven ernstig zieke menen; seksueel contact
behoort daar normaal gesproken niet plaats te vinden;
– in de huisregels van 1989, die aan B zijn uitgereikt bij de opname, stond
niet dat patiënten elkaars kamer niet mochten betreden, dit hield verband met
het feit dat men toen veelal nog op tweepersoonskamers verbleef; dit komt
thans wel in de huisregels voor;
– wel gold als norm dat patiënten werden geïnformeerd over wenselijk gedrag,
daartoe hoorde zeker niet: elkaars kamer binnengaan;
– organiseren van een voller dagprogramma kan niet, in verband met het feit
dat psychotische patiënten niet te veel prikkels moeten krijgen;
– het ziekenhuis behoort te garanderen dat patiënten veilig zijn,
100%-bescherming is onmogelijk;
– op de afdeling opname verbleven in 1989 zestien patiënten, overdag waren
drie verpleegkundigen in dienst, onder wie een leerling, en ’s nachts twee.

2.5 Uit het voorgaande, leidt het hof af dat er in 1989 geen speciale
aandacht werd besteed aan het voorkomen van ongewenste lichamelijke
intimiteiten tussen patiënten. Dat het afzonderlijk verplegen van mannen en
vrouwen niet meer passend is in de huidige opvattingen over de omgang tussen
mannen en vrouwen heeft het hof al eerder overwogen. Eveneens acht het hof
het op grond van de gegeven inlichtingen aannemelijk dat het in verband met
de psychotische toestand van de patiënten niet mogelijk is een voller
dagprogramma te organiseren.

2.6 Juist in verband daarmee echter oordeelt het hof dat het ziekenhuis onder
die omstandigheden tekort is geschoten in het toezicht op de patiënten
waardoor het mogelijk is gebleken dat seksuele intimiteiten op de afdeling
opname voorkwamen – volgens de eigen opvatting van het ziekenhuis ongewenst –
en dat dit ongemerkt kon gebeuren. Uit de verklaringen van E en R (zie
rechtsoverweging 2.5 e.v. in het tussenarrest) blijkt ook dat dit vaker
voorkwam en eveneens ongemerkt is gepasseerd. Het feit dat een slaapkamer
door 2 patiënten werd gebruikt is geen beletsel om het binnengaan van een
andere dan de eigen slaapkamer te verbieden. Overigens is evenmin komen vast
te staan dat de norm dat het betreden van andermans slaapkamer ongewenst was
is medegedeeld aan E of B en evenmin dat daarop enig toezicht werd
uitgeoefend.

2.7 Hoewel het hof wel wil aannemen dat het ziekenhuis een gulden middenweg
moet zoeken tussen het garanderen van de volledige veiligheid van de
patiënten enerzijds en hun recht op bewegingsvrijheid anderzijds, terwijl
bovendien kennelijk geen financiële ruimte is voor meer verplegend personeel,
kan dit niet tot het oordeel leiden dat de dientengevolge door B ondergane
ongewenste seksuele intimiteiten dan maar voor haar risico moeten komen.
Immers, niet is gebleken dat er ook maar enige adequate maatregel is
getroffen om dat te voorkomen.

2.8 B heeft in dit verband terecht benadrukt dat zij zich, op aanraden van
haar huisarts, voor haar eigen veiligheid in het ziekenhuis heeft laten
opnemen en dat zij daar toen vervolgens, onder invloed van medicijnen en in
psychotische toestand, niet bij machte was zich te verzetten tegen ongewenste
intimiteiten. Het ziekenhuis behoorde haar veiligheid – meer dan het deed –
te bewaken en is in de gegeven omstandigheden dan ook aansprakelijk voor de
gevolgen van het feit dat er kennelijk een gebrek aan toezicht was, de
patiënten binnenshuis volledige bewegingsvrijheid hadden en een groot deel
van de dag geen bezigheden hadden. Met dit alles is zij tekortgeschoten in
het treffen van adequate maatregelen om ongewenste lichamelijke intimiteiten
tegen te gaan.

2.9 Ook oordeelt het hof dat het ziekenhuis ten onrechte in 1989 geen
adequate aandacht heeft besteed aan de klacht van de zuster van B en later B
zelf over het gebeurde. De directeur behandelzaken van de Stichting heeft
dienaangaande op de comparitie verklaard: `In 1989 heeft de verpleegkundige
aan wie de zuster van mevrouw B de voorvallen had gemeld kennelijk niet het
signaal opgevangen. Doorvragen kon dan dus ook niet’. Niet betwist is dat het
signaal in 1989 tot twee maal toe is gegeven. Ook hierin is het ziekenhuis
tekortgeschoten, en wel in de nazorg, door de melding van een patiënt te
negeren, terwijl er overigens geen adequaat toezicht was, zodat de mededeling
dat zoiets niet gebeurd kon zijn niet op een reële controle berustte. Dat B
het vervolgens pas in 1992 kon opbrengen om opnieuw melding te maken van het
gebeurde kan haar, gelet op haar psychische toestand niet worden verweten en
evenmin dat zij toen niet meer bereid was met vertegenwoordigers van het
ziekenhuis te praten over het gebeurde. Het ziekenhuis had ook zonder dat in
1992 aan de hand van het proces-verbaal zelf verder onderzoek kunnen doen
naar het gebeurde en kan van B niet verwijten dat zij dat onmogelijk heeft
gemaakt.

2.10 Het hof komt thans toe aan het begroten van de dientengevolge door B
geleden schade. Zoals reeds is overwogen en beslist in de rechtsoverweging 13
van het tussenarrest moet de vordering tot het vergoeden van materiële schade
worden afgewezen. Dat er immateriële schade is geleden is, zoals ook reeds
overwogen in dezelfde rechtsoverweging, zonder meer aannemelijk. B heeft in
dat verband onbetwist, en gestaafd door een verklaring van haar huisarts,
aangevoerd dat haar vertrouwen in de psychiatrische hulpverlening door de
gebeurtenissen in het ziekenhuis en het gebrek aan adequate opvang ernstig is
geschaad en dat zij zelfs een diep geworteld wantrouwen heeft ontwikkeld,
terwijl zij door haar psychische stoornis juist wel op die hulp is
aangewezen. Dat dit alles ingrijpende invloed heeft gehad achtte het hof dan
ook aannemelijk. Het hof acht zich in staat om op grond van deze gegevens de
schade zelf te begroten en ziet dan ook geen reden om een veroordeling tot
schadevergoeding op te maken bij staat uit te spreken.

2.11 Het hof begroot de schade, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, op
een bedrag van ƒ 7500.

3. De slotsom

3.1. De grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en De
Stichting zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van ƒ 7500 ter
vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 juli 1993 tot
aan de dag van voldoening.

3.2. De stichting zal als de in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties.

4. De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Zutphen op 29 december 1994 tussen
partijen gewezen en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt De Stichting tot betaling aan B van een bedrag van ƒ 7500 te
vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 21 juli 1993 tot
aan de dag van voldoening;

veroordeelt De Stichting in de kosten van de procedure in beide instanties:
– in eerste aanleg tot op heden aan de zijde van B begroot op ƒ 1603,05,
waarvan ƒ 1.515,55 op de voet van artikel 57b Rv, te betalen aan de griffier
van de arrondissementsrechtbank te Zutphen door overmaking op
Postbankrekeningnummer 862493 t.n.v. de gerechten in het arrondissement
Zutphen, zijnde ƒ 1.200,= aan salaris, ƒ 262,30 aan debetgesteld griffierecht
en ƒ 53,05 aan exploitkosten en ƒ 87,50 aan B wegens het door deze betaalde
griffierecht;
– in hoger beroep tot op heden aan de zijde van B begroot op ƒ 2660,15,
waarvan ƒ 2520,15 op de voet van artikel 57b Rv te betalen aan de griffier
van het hof door overmaking op Postbankrekeningnummer 935462 t.n.v. de
gerechten in het arrondissement Arnhem, zijnde ƒ 2050 aan salaris, ƒ 420 aan
debetgesteld griffierecht en ƒ 50,15 aan exploitkosten en ƒ 140 aan B wegens
het door deze betaalde griffierecht;

verklaart het arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs Pel, Fokker en Katz-Soeterboek

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is een rijksoverheidinstantie. Zij verzoekt om een oordeel eigen
handelen over haar kinderopvangregeling. Deze regeling houdt in dat vrouwen
voorrang krijgen bij het gebruik van kinderopvangfaciliteiten. Kalanke-arrest
staat niet in de weg aan een voorkeursbeleid bij kinderopvang, maar stelt
eisen aan de zorgvuldigheid en proportionaliteit van de betreffende
maatregelen. Voorrangsregeling houdt onder andere in dat als een vrouw zich
aanmeldt en er zijn geen kinderopvangplaatsen meer, een man zijn
kinderopvangplaats moet afstaan. Hierdoor wordt inbreuk gemaakt op de
rechtszekerheid. Regeling staat niet in redelijke verhouding tot het
nagestreefde doel, namelijk het behouden van vrouwen en het bevorderen van
hun doorstroom. Kinderopvangregeling voldoet niet aan
proportionaliteitsvereiste. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 18 oktober 1996 verzocht de Algemene Rekenkamer te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of haar kinderopvangregeling zoals die
wordt gewijzigd in overeenstemming is met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is een Rijksoverheidsinstantie. Verzoekster heeft een
kinderopvangregeling die in gewijzigde vorm zal worden verlengd. Volgens de
gewijzigde regeling komen kinderen van de mannelijke medewerkers van
verzoekster slechts in een aantal specifiek omschreven gevallen voor de
kinderopvang in aanmerking. De verzoekster wil weten of zij hiermee
onderscheid maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld op basis van de door verzoekster overgelegde gegevens.

2.2. Vervolgens is verzoekster uitgenodigd voor een zitting van de Commissie
op 11 februari 1997.
Verzoekster heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft vanaf 20 juli 1990 een kinderopvangregeling ingesteld.
Per 1 januari 1997 is deze regeling in gewijzigde vorm voortgezet.
De achterliggende doelstelling van zowel de oude als gewijzigde regeling is
om meer vrouwen in dienst bij verzoekster te krijgen en te houden.

3.2. De kinderopvangregeling van 1990 is in 1993/1994 geëvalueerd, maar de
betreffende nota is nooit vastgesteld vanwege het feit dat ook aanbevelingen
werden gedaan die de eigenlijke evaluatie te buiten gingen.

In de oude regeling gold de volgende rangorde voor plaatsing.
1. Bij het vrijkomen van een plaats heeft het langst-ingeschreven kind als
eerste recht op een plaats. Wordt van dit recht geen gebruik genaakt, dan
wordt de plaats aangeboden aan het kind dat op één na het langst is
ingeschreven.
2. In afwijking van het hiervoor gestelde wordt bij plaatsing voorrang
verleend in de volgende drie gevallen (waarbij geen sprake is van een
rangorde):
a. tweede (en volgende) kinderen, indien reeds een kind geplaatst is;
b. kinderen van vrouwelijke werknemers boven kinderen van mannelijke
werknemers;
c. kinderen van werknemers in een één-oudersituatie boven kinderen van
medewerkers in een twee-oudersituatie.
Daarnaast is het in voorkomende gevallen mogelijk voorrang te verlenen aan
kinderen (van ouders) met een sociale of medische indicatie, te bepalen door
de bedrijfsmaatschappelijk werker, respectievelijk de bedrijfsarts.

De evaluatie leidde, onder andere, tot de volgende conclusies:
– de vraag of de doelstelling die ten grondslag lag aan de
kinderopvangregeling, namelijk `meer vrouwen in dienst van de Rekenkamer te
krijgen en te houden’ nog steeds actueel is, dient bevestigend beantwoord te
worden;
– hoewel tot dusverre binnen de Rekenkamer nog geen feitelijke uitstroom
heeft plaatsgevonden als gevolg van het ontbreken van geschikte opvang, is er
sprake van factoren die het aannemelijk maken dat dit in de toekomst wel het
geval zal zijn indien geen bedrijfsopvangplaats kan worden aangeboden. Deze
verwachting wordt mede gebaseerd op de toename van het aantal vrouwen in de
organisatie, waarvan een deel in dienst is getreden in de wetenschap dat zij
zo nodig kunnen terugvallen op een kinderopvangregeling;
– kinderopvangplaatsen dienen wel in voldoende mate beschikbaar te zijn voor
kinderen tot en met twaalf jaar, en de prijs dient geen belemmering te zijn.
Op dit punt geeft de bestaande regeling knelpunten;
– vooralsnog is een voorrangsbeleid voor vrouwen te rechtvaardigen;
– de vraag naar kinderopvang zal naar verwachting stijgen;
– de berekening van het bijbehorend budget kinderopvang in de toekomst vergt
een afzonderlijke vertaalslag en brengt een groot aantal onzekerheden met
zich mee bijvoorbeeld met betrekking tot kostenstijgingen en de inkomsten.

Dat de oorspronkelijke doelstelling nog steeds actueel is, heeft verzoekster
uit de navolgende cijfers geconcludeerd:
Verzoekster had eind 1992 35% vrouwelijke medewerkers in dienst (medio
september 1993 37%). Gezien het aanbod op de arbeidsmarkt voor wat betreft de
verhouding mannen/vrouwen zou 45% van alle medewerkers van verzoekster uit
vrouwen dienen te bestaan.
Voor de hogere salarisschalen zou gezien het aanbod op de arbeidsmarkt het
aandeel vrouwelijke werknemers 44% dienen te bedragen. In werkelijkheid is
het percentage vrouwen dat werkzaam is in de hogere salarisschalen bij
verzoekster slechts 23%.

3.3. Op basis van deze evaluatie werd in 1996 voorgesteld de regeling te
wijzigen.
De voorgestelde wijzigingen betroffen de volgende punten:
– aanscherping kinderopvangdefinitie;
– verzoekster koopt plaatsen en laat ouders naar draagkracht meebetalen;
– het bedrag voor de kinderopvang wordt bepaald door (het sinds 1993
ongewijzigde) budget voor kinderopvang en niet zoals in de circulaire nog
staat door een maximum aantal dagdelen.
– verzoekster sluit (volgens de wens van de ouders) contracten met zo
goedkoop mogelijke (en erkende) kinderopvanginstellingen.
– buitenschoolse opvang wordt uitgebreid tot kinderen in de leeftijd tot en
met twaalf jaar.
– aanscherpen voorwaarden:
* maximum aantal dagen. Niet meer dan er bij verzoekster gewerkt wordt;
* opvang geldt alleen voor die dagen waarop de werknemer ook daadwerkelijk
bij verzoekster werkt;
* werktijdenwijzigingen voor een periode langer dan een half jaar zijn van
invloed op het maximum aantal af te nemen dagen of dagdelen kinderopvang;
* geen minimum, behalve als het onevenredig hoge kosten met zich meebrengt.
– wijziging van de rangorde bij de plaatsing.

3.4. De bepalingen van de gewijzigde kinderopvangregeling luiden, voor zover
relevant, als volgt:
Er zijn twee vormen van kinderopvang:
1) opvang in een kindercentrum: hele of halve dagopvang voor kinderen in de
leeftijd zes weken tot vier jaar of buitenschoolse opvang voor kinderen in de
leeftijd van vier tot en met twaalf jaar;
2) gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie die tot stand komt
door middel van een gastouderbureau en die betrekking heeft op gelijktijdig
ten hoogste vier kinderen in de leeftijd van zes weken tot en met twaalf
jaar.

Het aantal plaatsen wordt bepaald door het budgetbedrag voor kinderopvang en
de ouderbijdrage voor kinderopvang.
De kosten komen voor rekening van verzoekster. De medewerker betaalt een
maandelijkse bijdrage die bepaald is door de landelijk vastgestelde tabel
ouderbijdrage. Deze bijdrage is afhankelijk van de vorm en omvang van de
kinderopvang en het inkomen van de ouders.
Kinderopvang is mogelijk in de plaats waar de ouders dat wensen, met als
voorwaarde dat de kinderopvanginstelling zo goedkoop mogelijk is.

Verzoekster is contractpartij van de kinderopvanginstellingen.

Er geldt geen minimum voor het aantal af te nemen dagen of dagdelen tenzij
dit extra kosten met zich meebrengt of de kinderopvanginstelling zelf een
minimum hanteert. Het maximum wordt bepaald door het aantal dagen dat de
ouder werkt bij verzoekster.

Volgorde plaatsing:
1) de langst-ingeschreven medewerker heeft als eerste recht op een plaats
voor zijn/haar kind. Wordt van dit recht geen gebruik gemaakt, dan wordt de
plaats aangeboden aan de medewerker die op één na het langst is ingeschreven;
2) in afwijking hiervan wordt bij plaatsing voorrang verleend in de volgende
gevallen tevens rangorde:
a. kinderen van vrouwelijke medewerkers boven kinderen van mannelijke
medewerkers; mannelijke medewerkers komen alleen dan in aanmerking voor
kinderopvang als de werkgever van hun vrouwelijke partner geen
kinderopvangfaciliteiten biedt. Zodra een vrouwelijke medewerker zich echter
meldt voor een kinderopvangplaats wordt de kindplaats van de mannelijke
medewerkers beëindigd (op volgorde van aanmelding) met inachtneming van
minimaal 3 maanden opzegtermijn;
b. tweede (en volgende) kinderen, indien reeds een kind via verzoekster
geplaatst is;
c. kinderen van alleenstaande ouders met een zorgverplichting boven kinderen
van medewerkers in een twee-oudersituatie.

Daarnaast is het in voorkomende gevallen mogelijk voorrang te verlenen aan
kinderen van ouders met een sociale of medische indicatie, te beslissen door
het hoofd afdeling Personeelsmanagement na eventueel advies door het Sociaal
Medisch Team.

Verzoekster heeft aangegeven dat uit bovenstaande volgt dat navolgende
rangorde zal worden gehanteerd:
1. vrouwen;
2. vrouwen met een tweede kind;
3. mannen met een tweede kind;
4. alleenstaande mannen;
5. mannen van wie de werkgever van de vrouwelijke partner geen kinderopvang
faciliteiten biedt.

Hierbij heeft verzoekster opgemerkt:
A: binnen de vijf aangegeven categorieën wordt de volgende volgorde
aangehouden: De langst-ingeschreven medewerk(st)er heeft als eerste recht op
een kinderopvangplaats voor zijn of haar kind;
B: mannen van wie de werkgever van de vrouwelijke partner wel kinderopvang
faciliteiten biedt, kunnen geen gebruik maken van de kinderopvangregeling van
verzoekster;
C: mannen met een tweede kind komen alleen dan in aanmerking als zij reeds
voor hun kind via de kinderopvangregeling van de Rekenkamer een
kinderopvangplaats hebben. Bovendien geldt de regel dat zodra een vrouwelijke
medewerker zich meldt voor een kinderopvangplaats, de kinderopvangplaats van
de mannelijke medewerker wordt beëindigd met een minimale opzegtermijn van 3
maanden.

3.5. In 1990 maakten vier kinderen van drie ouders gebruik van de
kinderopvangregeling. Per 1 oktober 1996 maakten 45 kinderen van 26 ouders
gebruik van kinderopvang voor gemiddeld drie dagen per week. Van de ouders
werkzaam bij verzoekster, zijn er tien mannen (39%) en zestien vrouwen (61%).

Voor de 10 mannen die op grond van de oude regeling gebruik maken van de
opvangregeling is een overgangsmaatregel getroffen: Handhaving van de
kinderopvangplaats, tenzij de werkgever van de vrouwelijke partner wel de
nodige kinderopvangmogelijkheden biedt. En handhaving alleen als er geen
goedkopere alternatieven voor kinderopvang zijn.

3.6. Op 1 oktober 1996 stonden vijf vrouwen en vier mannen werkzaam bij de
Rekenkamer op de wachtlijst.
Stijging van de vraag naar kinderopvangplaatsen is te verwachten. Verzoekster
komt uit op een stijging van tien kindplaatsen als gemiddelde per jaar.

3.7. Het budget voor kinderopvang is niet gewijzigd. De aanbeveling uit het
evaluatierapport met betrekking tot het bieden van een open-einde regeling
voor het budget kinderopvang is niet als wenselijk gezien.

De standpunten van verzoekster

3.8. De regeling kinderopvang biedt volgens verzoekster geen voldoende maar
wel een noodzakelijke voorwaarde voor ouders om werk- en zorgtaken te kunnen
combineren.

3.9. Verzoekster stelt dat zij vooralsnog een voorrangsbeleid voor vrouwen
kan rechtvaardigen.

Verzoekster heeft vastgesteld dat als zij het aantal vrouwen en mannen dat
uitstroomt relateert aan het totaal aantal vrouwen en mannen dat werkzaam is
bij verzoekster, het uitstroom percentage in de jaren 1989 tot en met 1992
hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen.

3.10. Kinderopvang is te zien als een voorwaardenscheppende sfeer waarin het
mogelijk is iets aan deze achterstand te doen.
Van effectief beleid is sprake als er geen vrouwen of mannen onvrijwillig
uitstromen bij gebrek aan opvang van kinderen.

3.11. Gegeven de praktijk waarbij vrouwen in gekwalificeerde beroepsgroepen
nog zijn ondervertegenwoordigd, stelt verzoekster vast dat de zorgtaak nog
vaak in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van vrouwen is. Vrouwen
stoppen met betaald werk bij het ontbreken van kinderopvangmogelijkheden en
hierdoor stelt verzoekster vast dat een voorkeursbeleid voor vrouwen in
tijden van een beperkt budget vooralsnog goed verdedigbaar is.

3.12. Juist vanwege het feit dat verzoekster een beleid hanteert dat
streefcijfers kent (die nog niet zijn bereikt) voor het aantal vrouwelijke
medewerkers en er de afgelopen jaren veel jonge vrouwen zijn aangenomen, is
het belang van verzoekster erop gericht de vrouwen ook in dienst te houden.

Het bieden van kinderopvang aan mannen slechts wanneer er geen vrouwen zijn
die gebruik willen maken van kinderopvang (met uitzondering van alleenstaande
man met zorgverplichting) is volgens verzoekster een goede mogelijkheid om
uitvoering te geven aan het beleid om meer vrouwen in dienst van verzoekster
te krijgen en te houden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of verzoekster handelt in strijd met de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) door de wijze waarop zij
vrouwen voorrang geeft bij het gebruik van de kinderopvangfaciliteiten.

4.2. Aangezien de kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde is aan te
merken, moet deze regeling worden getoetst aan artikel
1a van de WGB.
Dit artikel bepaalt onder andere dat in de openbare dienst het bevoegd gezag
in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken.
Artikel 5 lid 1 WGB schrijft voor dat van het in artikel 1a WGB genoemde
verbod mag worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen
in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding
staat tot het beoogde doel.
Deze bepaling is gebaseerd op artikel 2 lid 4 van de Tweede Richtlijn van de
Europese Gemeenschappen betreffende de gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (EG-Richtlijn 76/207, 9 februari 1976, PB EG 1976, L39.).

4.3. In het kader van een bredere emancipatiedoelstelling met betrekking tot
de herverdeling van betaalde en onbetaalde arbeid is een toename van het
aandeel van vrouwen in de betaalde arbeid en van het aandeel van mannen in de
verzorging en opvoeding van kinderen wenselijk.
Het toetsingskader van de Commissie wordt gevormd door de gelijke
behandelingswetgeving op het terrein van de betaalde arbeid, zoals aangegeven
onder 4.2.. Het bieden van faciliteiten ten behoeve van kinderopvang is een
arbeidsvoorwaarde.
Zoals gesteld, is het maken van onderscheid ten gunste van vrouwen bij
arbeidsvoorwaarden toegestaan om feitelijke ongelijkheden op te heffen.
Daarbij staat derhalve het opheffen van feitelijke belemmeringen voor vrouwen
om te (blijven) deelnemen aan het arbeidsproces centraal. Gelet op het
bovenstaande valt de bredere emancipatiedoelstelling voor zover die
betrekking heeft op de herverdeling van onbetaalde arbeid door een toename
van het aandeel van mannen in de verzorging en opvoeding van kinderen buiten
het toetsingskader van de Commissie.

4.4. In het onderhavige geval is er sprake van een voorkeursbeleid voor
vrouwen bij de kinderopvang, teneinde vrouwen aan te trekken en met name te
behouden en te laten doorstromen naar hogere functies.

Bij het toetsen van een voorkeursbeleid is van belang dat het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Kalanke (Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschappen, 17 oktober 1995, E. Kalanke versus Freie
Hansestadt Bremen, zaak C-450/93.) heeft bepaald dat de voorkeursbepaling in
de Tweede Richtlijn nationale maatregelen toestaat op het gebied van de
toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van de promotiekansen, die in het
bijzonder vrouwen bevoordelen met het doel hen beter in staat te stellen op
de arbeidsmarkt te concurreren en op voet van gelijkheid met mannen een
loopbaan op te bouwen.

In hetzelfde arrest worden evenwel vraagtekens gezet bij absolute en
onvoorwaardelijke voorrang voor vrouwen. Het arrest van het Hof had
betrekking op werving en selectie.

In eerdere oordelen met betrekking tot werving en selectie heeft de Commissie
voorkeursbeleid getoetst aan bepaalde criteria, die betrekking hebben op het
vereiste van een aantoonbare relatieve achterstand, gerelateerd aan het
beschikbare arbeidsaanbod, en op de geschiktheid en kenbaarheid van de
toegepaste voorkeursbehandeling. (Zie met name Commissie gelijke behandeling,
18 november 1996, oordeel 96-97. In dit oordeel heeft de Commissie aangegeven
dat de gehanteerde toets in overeenstemming is met het Kalanke-arrest.)
De Commissie is van mening dat het Kalanke-arrest niet in de weg staat aan
een voorkeursbeleid bij kinderopvang maar eisen stelt aan de zorgvuldigheid
en proportionaliteit van de betreffende maatregelen.
Voor wat betreft voorkeursbeleid bij kinderopvang is de Commissie van mening
dat aan de volgende criteria moet worden voldaan:
1) de achterstand moet in het concrete geval aannemelijk worden gemaakt;
2) vervolgens moet worden vastgesteld of voorkeursbehandeling bij
kinderopvang een geschikt middel is om die achterstand op te heffen en
voldoet aan eisen van proportionaliteit. Hierbij betrekt de Commissie tevens
de wijze waarop de financiële kaders worden gemotiveerd;
3) de voorkeursbehandeling dient duidelijk kenbaar gemaakt te worden.

4.5. De Commissie heeft in eerdere zaken over kinderopvangregelingen
opgemerkt, dat het een feit van algemene bekendheid is, dat vrouwen in
verband met de verzorging van (jonge) kinderen vaker afzien van (voortzetting
van) een (volledig) dienstverband dan mannen (Commissie gelijke behandeling:
oordelen: 14 mei 1976, 96-34; 14 mei 1976, 96-35 en 25 juni 1976, 96-45. Zie
ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordelen: 22 augustus 1988, 130-90-121 en 7 oktober 1992, 519-92-56.).
Uitgaande van dit feit van algemene bekendheid toetst de Commissie per geval
of er (nog) sprake is van feitelijke ongelijkheden die een voorkeursbeleid
bij kinderopvang, rechtvaardigen.

Met betrekking tot de feitelijke achterstand van vrouwen bij verzoekster,
stelt de Commissie vast dat met name in functies waarvoor een hogere of
academische opleiding noodzakelijk is, geen sprake is van een afspiegeling
van het aanbod op de arbeidsmarkt voor wat betreft de verhouding
mannen/vrouwen (augustus 1993). Tevens is sprake van een relatief hoog
aandeel van vrouwen in de uitstroom. In de schalen 10 en hoger bestaat
dientengevolge nog een achterstand van vrouwen. Derhalve is aannemelijk dat
er in dit opzicht sprake is van voor de toepassing van de WGB relevante
feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen, die verzoekster onder
andere in wil lopen door maatregelen gericht op het voorkomen van uitstroom
van vrouwen.

4.6. Vervolgens moet onderzocht worden of de wijze waarop onderscheid wordt
gemaakt door vrouwen bij de kinderopvangregeling voorrang te geven, een
geschikt middel is om een bijdrage te leveren aan het door de verzoekster
gestelde doel, het voorkomen van uitstroom en bevorderen van doorstroom van
vrouwen.
Daartoe gaat de Commissie eerst in op de geschiktheid van het middel als
zodanig en vervolgens meer specifiek op de wijze waarop de wederpartij dit in
de onderhavige regeling heeft ingevuld. Daarbij is tevens van belang dat
uitzonderingen op de gelijke behandelingsnorm in het algemeen strikt getoetst
moeten worden. (Zie ook Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 25
oktober 1988, Commissie tegen Frankrijk, zaak 312/86,
Jur. 1988, p.6315.) De betreffende regeling moet derhalve proportioneel zijn,
dat wil zeggen in een redelijke verhouding staan tot het gestelde doel. (Deze
proportionaliteitseis is terug te vinden in de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, zie zaak Bilka-Kaufhaus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84, Jur. 1986, p. 1607.)

Het is een feit van algemene bekendheid, dat er nog steeds een tekort is aan
kinderopvang. De vraag naar kinderopvang is vooral afkomstig van vrouwen die
niet willen stoppen met werken na de geboorte van hun kinderen (Onbetaalde
zorg gelijk verdeeld. Toekomstscenario’s voor herverdeling van onbetaalde
zorgarbeid, Den Haag 1995, pg. 34.).

Uit de onderzoeken die verzoekster naar de uitstroom van haar medewerksters
heeft gedaan is niet gebleken dat de medewerksters stopten met werken omdat
zij het ouderschap op de een of andere wijze niet langer konden combineren
met een betaalde baan. Verzoekster stelt wel vast dat er aanwijsbare
ontwikkelingen zijn die tot gevolg kunnen hebben dat de noodzaak van
kinderopvang via een bedrijfsplaats groeit teneinde in de toekomst een zekere
gedwongen uitstroom te voorkomen. Deze verwachting is onder andere gebaseerd
op de toename van het aantal (jonge) vrouwen dat bij verzoekster in dienst
is waarvan een deel in dienst is getreden in de wetenschap dat zij zo nodig
kunnen terugvallen op een kinderopvangregeling. Daar deze veronderstelling
aansluit bij het hierboven geschetste algemene beeld acht de Commissie deze
veronderstelling gerechtvaardigd.
De Commissie is derhalve van mening dat het geven van voorrang aan
vrouwelijke medewerkers bij het bieden van kinderopvang als zodanig een
geschikt middel is om een bijdrage te leveren aan het door verzoekster
gestelde doel, te weten het opheffen van de achterstand van vrouwen, door het
voorkomen van uitstroom en bevorderen van doorstroom.

Daarbij wijst de Commissie er op, zoals zij ook in eerdere oordelen heeft
aangegeven, dat in dit verband een gevoerd voorkeursbeleid bij de
kinderopvang regelmatig geëvalueerd dient te worden (Commissie gelijke
behandeling: oordelen: 14 mei 1996, 96-34; 14 mei 1996, 96-35; 25 juni 1996,
96-44 en 25 juni 1996, 96-45.). Er kan namelijk een moment komen dat
voorkeursbeleid niet meer nodig zal zijn, omdat de huidige achterstand van
vrouwen in verband met zorgtaken in de toekomst opgeheven zal zijn. Daarbij
zal met name getoetst moeten worden of de verwachting, dat het bieden van
kinderopvang bijdraagt aan het verminderen van de uitstroom van vrouwen en
het bevorderen van de doorstroom, inderdaad gerechtvaardigd is.

4.7. Vervolgens beoordeelt de Commissie of de wijze waarop de verzoekster het
middel van voorkeursbeleid bij de kinderopvang in dit geval hanteert voldoet
aan de gestelde eis van proportionaliteit.

Verzoekster kent al sinds 1989 een kinderopvangregeling. Deze is in 1994
geëvalueerd. Uit deze evaluatie is gebleken, zoals hierboven (onder 4.5.)
gesteld, dat de kinderopvangregeling een geschikt middel is om de uitstroom
van vrouwen te beperken.
In de voorgestelde wijziging wordt de kinderopvang aan vrouwen ter
beschikking gesteld. Mannen kunnen slechts onder voorwaarden een beroep doen
op de kinderopvangregeling. De aan mannen opgelegde beperkingen zijn ruimer
dan voorheen.

De Commissie stelt vast dat verzoekster op zich op een redelijk
consciëntieuze manier te werk is gegaan bij het opstellen van haar
kinderopvangregeling. Ten tijde dat er onvoldoende middelen voorhanden zijn
om aan alle belangstellenden tegelijkertijd kinderopvangfaciliteiten aan te
bieden, hanteert verzoekster een prioriteitsvolgorde. Deze volgorde brengt
met zich mee dat de vrouwelijke werknemers te allen tijde voorrang zullen
krijgen bij het verlenen van een kinderopvangplaats. Voor mannen is voorts
alleen een kinderopvangplaats mogelijk als de werkgever van hun vrouwelijke
partner geen kinderopvangregeling kent.

De voorrang die wordt toegekend aan een vrouwelijke medewerker betekent wel
dat als een vrouw zich aanmeldt en er zijn geen kinderopvangplaatsen meer,
een man zijn kinderopvangplaats moet afstaan, zulks met een opzegtermijn van
drie maanden. Voor alleenstaande mannen met een zorgverplichting wordt een
hardheidsclausule toegepast.

De Commissie is van mening dat de wijze waarop het voorkeurs- beleid voor
vrouwen in de regeling van verzoekster is uitgewerkt, disproportioneel is.
Immers, ook mannen die eerder wel in aanmerking zijn gekomen voor een
kinderopvangplaats kunnen deze weer verliezen als een vrouw zich aanmeldt. De
Commissie acht een zeer grote inbreuk op de rechtszekerheid niet in redelijke
verhouding staan tot het nagestreefde doel.
Daarnaast is het, gelet op de wachtlijst, gerechtvaardigd te veronderstellen,
dat er steeds één of meer vrouwen op die lijst zullen staan. Dit betekent dat
mannen in de praktijk niet of nauwelijks in aanmerking zullen komen voor
kinderopvangplaatsen.

4.8. Voorts constateert de Commissie dat, ondanks de betreffende
aanbevelingen bij de evaluatie, zonder nadere motivering niet is besloten tot
invoering van een open-einde regeling voor het budget kinderopvang. Gekozen
is voor een kinderopvangregeling waarbij verzoekster zorgt voor een vast
aantal kinderopvang- plaatsen per jaar, waarbij het beschikbare budget is
bevroren.

Hierdoor kan niet zonder meer gesteld worden dat de gewijzigde regeling in
redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.

4.9. Op grond van het voorgaande komt de Commissie tot de conclusie dat de
kinderopvangregeling, zoals die door verzoekster wordt gehanteerd, niet
voldoet aan het proportionaliteitsvereiste.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Algemene Rekenkamer in de
gewijzigde kinderopvangregeling direct onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1a juncto 5 lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G. Nicolai(lid Kamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters waren lid van de wederpartij, een voetbalvereniging.
Verzoeksters speelden handbal. Op grond van de statuten van de wederpartij
waren leden die handbalden van stemrecht uitgesloten. De uitoefening van het
stemrecht kan met zich meebrengen dat wordt gestemd over zaken die betrekking
hebben op dienstverlening aan de leden. Het stemrecht zélf is echter niet als
een goed of een dienst aan te merken. De wijze waarop het statutaire
stemrecht binnen een vereniging is geregeld binnen de vereniging van de
wederpartij valt derhalve buiten de reikwijdte van artikel 7 AWGB. Commissie
onbevoegd om oordeel uit te spreken.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 mei 1996 verzochten mevrouw (….), mevrouw (….), mevrouw (….),
mevrouw (….), mevrouw (….), mevrouw (….), mevrouw (….) en mevrouw
(….) (hierna: verzoeksters), allen te Amsterdam, de Commissie gelijke
behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Voetbalvereniging
(….) te Amsterdam (hierna: de wederpartij), jegens hen heeft gehandeld in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeksters waren lid van de voetbalvereniging van de wederpartij.
Verzoeksters speelden handbal. Op 16 mei 1994 werd aan verzoeksters
meegedeeld dat zij geen stemrecht hadden binnen de vereniging, hetgeen in de
statuten van de wederpartij is vastgelegd. Verzoeksters hebben vervolgens hun
lidmaatschap van de vereniging opgezegd. De wederpartij heeft verzoeksters
gehouden aan hun contributieverplichting voor het jaar 1994/1995.
Verzoeksters zijn van mening dat de bepaling met betrekking tot het stemrecht
in de statuten van de wederpartij, in strijd is met de wetgeving gelijke
behandeling en dat zij om die reden niet aan hun contributieverplichting
gehouden kunnen worden.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunt schriftelijk toegelicht.

Partijen zijn vervolgens opgeroepen en hebben hun standpunt nader toegelicht
tijdens een zitting op 3 december 1996.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeksters
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. (….) (verzoekster)
– mw. (….) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (secretaris)
– mw. (….) (oudvoorzitter handbalcommissie)
– dhr. (….) (oudvoorzitter (….))

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeksters waren lid van de voetbalvereniging van de wederpartij.
Verzoeksters speelden handbal.

3.2. De statuten van de wederpartij werden in 1980 gewijzigd.
In artikel 4 lid 1 sub c van deze statuten is vastgelegd dat de leden die
handballen worden aangemerkt als `buitengewoon lid’.
Artikel 5 van de statuten van de wederpartij luidt als volgt: `Stemgerechtigd
zijn: Ereleden, leden van verdienste en de gewone werkende leden’.

3.3. Op een ledenvergadering op 16 mei 1994 werd aan verzoeksters meegedeeld
dat zij op grond van genoemde bepalingen geen stemrecht hadden binnen de
vereniging.

3.4. Eerstgenoemde verzoekster heeft vervolgens bij brief van 29 oktober 1994
haar lidmaatschap van de vereniging van de wederpartij met onmiddellijke
ingang opgezegd. Ook de andere verzoeksters hebben nadien hun lidmaatschap
opgezegd.

3.5. Verzoeksters hebben de Nederlandse Handbal Vereniging (NHV) afdeling
Midden Holland (MH) verzocht hen over te schrijven van de vereniging van de
wederpartij naar een andere vereniging. Bij brief van 18 november 1994 is de
NHV met deze overschrijving akkoord gegaan.

3.6. De wederpartij heeft de opzegging van verzoeksters bij brief van 9
november 1994 bevestigd, maar heeft verzoeksters gehouden aan hun
contributieverplichting voor het jaar 1994/1995. Opzegging van het
lidmaatschap voor dat seizoen had namelijk vóór 31 mei 1994 moeten
plaatsvinden. Verzoeksters hebben geweigerd de betreffende contributie te
betalen.

3.7. Bij brief van 29 november 1994 hebben verzoeksters aangegeven bereid te
zijn een vierde deel van de contributie over dat jaar te betalen.

3.8. De wederpartij heeft over de betaling van de contributie een interne
procedure aanhangig gemaakt bij de Straf- en Protestcommissie (VSPC).
Verzoeksters konden zich met de uitspraak niet verenigen en zijn daarom in
beroep gegaan bij de Commissie van Beroep.

3.9. Verzoeksters zijn na een zitting van de Commissie van Beroep op 6
februari 1995, waarvoor zij niet werden uitgenodigd, bij uitspraak van 9
februari 1995 in het ongelijk gesteld en veroordeeld alsnog de totale
contributie te voldoen en tevens een bijdrage in de proceskosten te betalen
van ƒ 100.

3.10. Medio 1995 heeft de wederpartij tijdens een speciale ledenvergadering
aan haar leden een voorstel gedaan tot aanpassing van de statuten ten aanzien
van het stemrecht. Alle aanwezigen gingen hiermee akkoord met als gevolg dat
de statuten met ingang van 22 september 1995 zodanig gewijzigd zijn dat aan
alle leden stemrecht is verleend, ongeacht de sport die men bedrijft.

De standpunten van partijen

3.11. Verzoeksters stellen het volgende.

Artikel 5 van de statuten van de wederpartij, zoals het luidde in 1994, had
tot gevolg dat de leden die handbalden van stemrecht waren uitgesloten. Er is
sprake van door de wetgeving gelijke behandeling verboden indirecte
discriminatie, omdat binnen de wederpartij met name of uitsluitend vrouwen de
handbalsport beoefenen. Verzoeksters zijn van mening dat zij om die reden
niet gehouden zijn de betreffende contributie te betalen.

3.12. De statuten van de wederpartij zijn in 1980 al eens gewijzigd. De reden
daarvoor was dat het voetbalbestuur bijna was weggestemd door de
handballeden. De statuten werden toen zodanig gewijzigd dat de handballeden
geen stemrecht meer hadden.

3.13. Verzoeksters hebben geen uitnodiging gekregen voor de zaak bij de VSPC,
noch voor de zitting bij de Commissie van Beroep, zodat zij zich niet hebben
kunnen verdedigen. Door geen van beide instanties is een uitspraak gedaan
over de discriminatoire bepaling in de statuten van de wederpartij.

3.14. De wederpartij stelt het volgende.

Men beschouwde de in 1909 opgerichte vereniging indertijd in eerste instantie
als voetbalclub. De sporten die er later bijkwamen werden als onderafdeling
beschouwd. In de jaren vijftig werd door vrouwen de handbalafdeling
opgericht, en door mannen de honkbalafdeling. De honkbalafdeling bestaat niet
meer.

De invloed die de onderafdeling – in dit geval de handbalafdeling – had, werd
altijd uitgeoefend via een commissie, die werd voorgedragen door de
handballeden en welke uitsluitend bestond uit handballeden. Deze commissie
bepaalde autonoom het beleid binnen de handbalafdeling. Daarnaast had de
commissievoorzitster toegang tot de maandelijkse bestuursvergaderingen om
eventuele wensen naar voren te brengen.

3.15. Dat er geen sprake is van het bewust of onbewust discrimineren van
vrouwen blijkt uit het feit dat de wederpartij binnen de voetbalafdeling ook
vrouwelijke voetballers heeft. Deze hebben hetzelfde stemrecht als mannelijke
voetballers. Indien zich ooit een team mannelijke handballers bij de
wederpartij als lid zou hebben aangemeld, dan zouden deze mannen ook geen
stemrecht hebben. Feit is echter dat de handbalafdeling alleen vrouwelijke
teams kent.

3.16. Vóór aanvraag van het lidmaatschap heeft een ieder het recht de
statuten in te zien. Staan in die statuten passages waar men zich niet in kan
vinden, dan kan men op dat moment besluiten niet als lid toe te treden.
Wanneer de uitleg over het stemrecht op 16 mei 1994 onacceptabel was geweest,
had men nog voor 31 mei 1994 het lidmaatschap binnen de gestelde termijn op
kunnen zeggen. Men grijpt het onderwerp van de statuten en het stemrecht aan
om zonder betaling van contributie de wederpartij te kunnen verlaten, om
direct bij een andere vereniging te gaan spelen. De feitelijke reden voor het
vertrek van verzoeksters komt voort uit onvrede over een herindeling van de
teams door de handbal-commissie.

3.17. Over de inhoud van de statuten kan men natuurlijk van mening
verschillen, maar deze geven geen aanleiding om de wederpartij van
discriminerend gedrag te betichten. Discriminatie is een term die nogal
gevoelig ligt en die door het bestuur van de wederpartij en de vele
vrijwillig(st)ers binnen de wederpartij als uitermate beledigend wordt
ervaren. De wederpartij is een kleine vereniging waarvan circa een kwart van
de leden van allochtone afkomst is. Van ballotage zoals gebruikelijk bij
chique verenigingen, is bij de wederpartij geen sprake. In principe is
iedereen welkom: man en vrouw, ongeacht geloof, huidskleur of afkomst.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeksters onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt bij het aanbieden van goederen of diensten dan
wel bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake
zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c in samenhang met artikel 1 van de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

4.2. Artikel 7 lid 1 sub c AWGB verbiedt het maken van onderscheid bij het
aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door
instellingen die werkzaam zijn op het gebied van onder meer welzijn. Het
begrip welzijn omvat volgens de Memorie van Toelichting mede het terrein van
de sport. (Tweede Kamer, 1991-1992, 22 014, nr. 3, blz. 26.) Het terrein
waarop de activiteiten van de wederpartij zich afspelen valt daarmee als
zodanig onder de door de wet bestreken terreinen.

4.3. Dit wil evenwel niet zeggen dat de handelingen van de wederpartij als
sportvereniging zonder meer onder het bereik van de AWGB vallen. Dit is
immers afhankelijk van de vraag of een sportvereniging goederen of diensten
als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c AWGB aan zijn leden aanbiedt.
De Commissie dient na te gaan of daar in dit geval sprake van is.

4.4. Verzoeksters zijn van mening dat de wederpartij in de statutaire
uitwerking van het stemrecht van de verschillende soorten leden onderscheid
maakt op grond van geslacht en dat zij om die reden niet aan hun
contributieverplichting kunnen worden gehouden.

4.5. Allereerst dient dienaangaande te worden vastgesteld dat de wettelijke
bevoegdheid van de Commissie niet zo ver strekt dat zij zich kan uitlaten
over de gehoudenheid van verzoeksters aan contributiebetaling.

4.6. Ter beoordeling blijft zodoende over de vraag of de wederpartij vanwege
de statutaire stemrechtregeling in strijd handelt met de AWGB, en daaraan
voorafgaand de vraag in hoeverre het betreffende handelen onder het bereik
van de AWGB valt.

4.7. De Commissie stelt vast dat de uitoefening van het stemrecht met zich
kan brengen dat wordt gestemd over zaken die betrekking hebben op
dienstverlening aan de leden. Het stemrecht zelf is echter niet aan te merken
als een goed of dienst, dan wel een overeenkomst terzake. Het voorafgaande
betekent dat de wijze van regeling van het statutaire stemrecht binnen een
vereniging in een geval als het onderhavige buiten de reikwijdte van artikel
7 AWGB valt.

4.8. Gezien het voorafgaande komt de Commissie niet toe aan een onderzoek
naar de vraag of de regeling al dan niet in strijd is met de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie acht zich niet bevoegd te oordelen of Voetbalvereniging
(….) te Amsterdam jegens mevrouw (….), mevrouw (….), mevrouw (….),
mevrouw (….), mevrouw (….), mevrouw (….), mevrouw (….) en mevrouw
(….) heeft gehandeld in strijd met artikel 7 juncto artikel 1 van de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. A.W.Heringa (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is lid van een schutterij, de wederpartij. De schietteams zijn
verdeeld in een A-, B-, C-, en D-klasse. De indeling in de verschillende
klassen vindt plaats op basis van ervaring en prestaties. Op grond van het
reglement van de wederpartij kunnen vrouwelijke schutters bij
federatiefeesten niet worden ingedeeld in de A- en de B-teams. Zij kunnen
alleen in de C- en D-klasse deelnemen. Het organiseren van schietwedstrijden
door de wederpartij valt onder het begrip “aanbieden van diensten” in de zin
van artikel 7 lid 1 sub c AWGB. Het reglement van de wederpartij maakt direct
onderscheid naar geslacht, terwijl er geen wettelijke uitzondering van
toepassing is. Strijd met de wet.
TEKST: 1. HET VERZOEK

Op 20 juni 1996 heeft (….) te Nieuwstadt hierna: verzoekster) de Commissie
gelijke behandeling verzocht haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
(….)te Obbicht (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Op grond van het bondsreglement van de wederpartij, kunnen vrouwelijke
schutters niet worden ingedeeld in de A- en de B-zestallen. Vrouwen kunnen
alleen aan de zestallen in de C-klasse en aan de drietallen in de D-klasse
deelnemen. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee jegens
haaronderscheid naar geslacht maakt zoals verboden in de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

Partijen zijn vervolgens opgeroepen en hebben hun standpunt nader toegelicht
tijdens een zitting op 11 februari 1997.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– dhr. mr. W.M.J. Wetzels (advocaat)
– dhr. (….) (voorzitter)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (voorzitter)
– dhr. (….) (secretaris)
– mw. (….) (penningmeester)

van de kant van de Commissie
mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is sinds 1976 lid van een zogenoemde schutterij, een
traditionele schietvereniging genaamd (….). De wederpartij is de
overkoepelende bond waarbij deze schutterij is aangesloten. De wederpartij is
een vereniging werkzaam op het terrein van sport en cultuur die verschillende
evenementen organiseert, waaronder schietwedstrijden.

3.2. Bij schietwedstrijden schiet men in een team van zes en soms drie
personen. De schutterijvereniging waar verzoekster lid van is, hanteert bij
de schietwedstrijden geen onderverdeling in verschillende klassen. Bij de
bondswedstrijden onder verantwoordelijkheid van de wederpartij zijn de teams
verdeeld in een A-, B- , C- en D-klasse: De indeling in de verschillende
klassen vindt plaats op basis van ervaring en prestaties. Vrouwelijke
schutters kunnen niet worden ingedeeld in de A- en de B-zestallen. Zij kunnen
alleen aan de zestallen in de C-klasse en drietallen in de D-klasse
deelnemen.

Op de door de wederpartij georganiseerde `bondsfeesten’ mogen alle klassen
schieten. Bij het zogenoemde federatiefeest, een evenement in groter verband,
mag alleen de A-klasse schieten. Dit laatste geldt ook voor het Oud Limburgs
Schuttersfeest (OLS), een feest waaraan negen bonden deelnemen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij door haar niet voor de A- en de
B-klasse in aanmerking te laten komen omdat zij vrouw is, onderscheid maakt
in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Hierdoor kan zij
ook niet als schutter aan het federatiefeest en aan het OLS deelnemen.

Er zijn andere bonden die wel vrouwen laten deelnemen aan de
schietwedstrijden op bondsfeesten. Het staat de wederpartij dus vrij haar
reglementen op dit punt aan te passen. Ter zitting heeft verzoekster
verklaard dat voor het lidmaatschap bij haar schutterijvereniging geen andere
eisen worden gesteld dan het betalen van de contributie en correct gedrag.
Voorts stelt zij dat vrouwelijke leden van haar schutterijvereniging aan alle
schietwedstrijden van de vereniging mogen deelnemen.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

Verzoekster verwijst in haar verzoekschrift naar een brief die zij al eerder
– vóór de inwerkingtreding van de AWGB – aan de Commissie gestuurd heeft. Het
verzoek heeft derhalve betrekking op een periode die voorafging aan de
inwerkingtreding van de AWGB en is daardoor niet-ontvankelijk.

Verzoekster is weliswaar lid van een schutterij die bij de wederpartij is
aangesloten, maar zij is zelf géén lid of orgaan van de wederpartij. De
schutterij van verzoekster had dan ook een verzoek om een oordeel bij de
Commissie in moeten dienen en niet verzoekster zelf.

De door verzoekster beoogde toelating tot A- en B-schietzestallen op het
niveau van bondschuttersfeesten betreft niet het aanbieden van goederen of
diensten, maar een autonome kwestie binnen het verenigingsgebeuren, gebaseerd
op eeuwenoude tradities en cultuurhistorische gronden.
In de C-zestallen en in de D-drietallen worden al vanaf 1972 ook dames
ingedeeld, terwijl er diverse specifieke dameswedstrijden zijn, zoals bij
voorbeeld het Damesschuttersfeest vanaf 1992 en de persoonlijke
schietkampioenschappen op bondsniveau en op OLS-niveau. Verzoekster doet zelf
in het geheel niet mee aan al deze schietwedstrijden, maar wil kennelijk per
se bij de mannen- zestallen worden ingedeeld. Voor de wederpartij is genoemd
onderscheid een traditioneel gehandhaafde afspraak, die op democratische
wijze tot stand is gekomen. Aan deze afspraak heeft niet een verschil in
gemiddelde prestaties ten grondslag gelegen.

3.5. Zowel in de najaarsvergadering van 16 oktober 1993 als in de vergadering
van 26 februari 1994 is de kwestie van het damesschieten aan de orde geweest.
In beide vergaderingen is door de leden bij meerderheidsbesluit beslist dat
de A- en B-zestallen als herenzestallen zouden worden gehandhaafd. Hiermee
staat dus verenigingsrechtelijk vast dat het damesschieten in de A- en
B-zestallen is afgewezen.
Ter zitting verklaart de wederpartij dat deze regels geen verband houden met
een verschil in gemiddelde prestatie tussen mannen en vrouwen.

In verschillende soorten voetbalteams zijn eveneens geen vrouwen toegelaten:
wel is er ruimte voor damesvoetbal, maar deze sport wordt niet gemengd
uitgeoefend. Ook andere sportdisciplines hebben als eerste teams herenteams,
waarin geen dames kunnen deelnemen.

De wederpartij beschikt niet over een bondsreglement waarin uitdrukkelijk
staat vermeld dat vrouwen geen deel uit mogen maken van de A- en B-zestallen.
De wederpartij heeft zich geconformeerd aan het betreffende reglement van de
OLS-federatie, in het bijzonder ook op het onderdeel van de indeling van de
zestallen.
Ter zitting heeft de wederpartij bevestigd dat andere bonds-verenigingen
vrouwen wel in de gelegenheid stellen om aan schietwedstrijden deel te nemen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt door bij schiet- wedstrijden op bondsfeesten
vrouwen uit te sluiten van deelname in de hoogste twee schietklassen, de A-
en B-klasse.

4.2. Artikel 7 lid 1 sub c AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB het
maken van onderscheid naar geslacht bij het aanbieden van goederen en
diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter
zake, indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam zijn op het gebied
van onder meer welzijn, waaronder begrepen sport, en cultuur (Zie Tweede
Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, blz. 21.).

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct onderscheid tussen personen op grond van geslacht.

Artikel 2 lid 2 sub a AWGB bepaalt dat het in de WGB neergelegde verbod van
onderscheid op grond van geslacht niet geldt in gevallen waarin het geslacht
bepalend is.

Artikel 2 lid 6 AWGB stelt dat onder meer deze gevallen bij Algemene
maatregel van bestuur nader worden omschreven.
Aan artikel 2 lid 6 AWGB is nadere uitwerking gegeven in het Besluit gelijke
behandeling (KB van 18 augustus 1994, Stb. 657, houdende nadere omschrijving
van gevallen waarin het geslacht bepalend is, van gevallen waarin het de
bescherming van de vrouw betreft, van gevallen waarin uiterlijke kenmerken
die samenhangen met het ras van een persoon bepalend zijn en van gevallen
waarin de nationaliteit bepalend is.) (hierna: het Besluit).

Artikel 1 sub g van het Besluit bepaalt dat als gevallen waarin het geslacht
bepalend kan zijn, beschouwd mogen worden die gevallen waarbij de deelname
aan activiteiten op het terrein van spel of sport, voor zover een relevant
verschil bestaat tussen de gemiddelde prestaties van mannen en vrouwen, dan
wel voor zover het de toelating tot voor mannen en vrouwen gescheiden
activiteiten in internationaal verband betreft en in internationaal verband
afspraken zijn gemaakt of regels gelden die meebrengen dat eisen worden
gesteld aan het geslacht van de deelnemers.

4.3. De Commissie dient allereerst de vraag te beantwoorden of het verzoek
ontvankelijk is. Vervolgens zal ter beantwoording van de in het geding zijn
vraag worden onderzocht of de wederpartij een instelling is die goederen of
diensten aanbiedt zoals bedoeld in art. 7 lid 1 sub c AWGB. In het
bevestigende geval zal worden nagegaan of de wederpartij daarbij in strijd
met de AWGB heeft gehandeld.

4.4. Voor wat betreft de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de
Commissie het volgende.

De wederpartij betoogt dat verzoekster niet ontvankelijk zou zijn, omdat het
verzoekschrift vóór de inwerkingtreding van de AWGB (op 1 september 1994) zou
zijn ingediend.
Het verzoekschrift is weliswaar gedateerd op 1 maart 1994, maar pas op 2 mei
1996 door de Commissie ontvangen. In verband met dit tijdsverloop heeft de
Commissie aan verzoekster gevraagd haar verzoek nogmaals te bevestigen.
Verzoekster heeft deze bevestiging bij brief verstrekt die de Commissie op 20
juni 1996 heeft ontvangen.

De wederpartij heeft voorts aangevoerd dat verzoeker niet- ontvankelijk is
omdat zij zelf geen lid of orgaan van de wederpartij is.
Naar het oordeel van de Commissie is het niet noodzakelijk dat verzoekster
lid of orgaan van de wederpartij zou moeten zijn om zich bij de Commissie te
kunnen beklagen over ongelijke behandeling. Ingevolge art. 12 lid 2 sub a
AWGB is degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid wordt gemaakt
als bedoeld in de gelijke behandelingswetgeving gerechtigd een verzoek om een
oordeel bij de Commissie in te dienen. Een beperking als door de wederpartij
aangevoerd kent de AWGB niet.

Op bovenstaande gronden wordt het beroep van de wederpartij op de
niet-ontvankelijkheid van verzoekster door de Commissie verworpen.

4.5. Voor wat betreft de vraag of de wederpartij valt onder het bereik van
artikel 7 lid 1 sub c AWGB overweegt de Commissie het volgende.

De wederpartij is blijkens haar statuten en op grond van de ter zitting
verstrekte toelichting een vereniging die werkzaam is op het terrein van
sport en cultuur. Met instellingen wordt volgens de Memorie van Toelichting
gedoeld op organisatorische verbanden die in de samenleving als een eenheid
optreden en die niet kunnen orden geacht een beroep of bedrijf uit te oefenen
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, blz. 21.). De Commissie
stelt op grond hiervan vast, dat de wederpartij een instelling is zoals
bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c AWGB.

De wederpartij is een schuttersbond die zich statutair ten doel stelt het
houden of doen houden van onder andere schiet-wedstrijden (art. 2 statuten).
Commissie stelt vast dat de wederpartij door het houden of doen houden van
schietwedstrijden op bondsniveau verantwoordelijk is voor de voorwaarden
waaronder de individuele leden van (onder haar ressorterende)
schietverenigingen aan deze wedstrijden kunnen deelnemen.
Artikel 7 lid 1 AWGB bevat geen beperkingen met betrekking tot de aard van de
aan te bieden goederen of diensten. De Commissie is op bovenstaande gronden
van oordeel dat het organiseren van schietwedstrijden door de wederpartij
valt onder het begrip “aanbieden van diensten” in de zin van artikel 7 lid 1
sub c AWGB (Zie ook Commissie gelijke behandeling 30 september 1996;
oordeelnummer 96-77.).

4.6. Ten aanzien van het verweer van de wederpartij dat de onderhavige
kwestie beheerst wordt door het verenigingsrecht en derhalve niet onder het
bereik van de AWGB valt overweegt de Commissie het volgende. Dit standpunt
kan slechts worden gevolgd voorzover het betrekking heeft op het interne
verenigingsrecht. Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 7 AWGB immers op
verenigingen van toepassing indien zij deelnemen aan het maatschappelijk
verkeer op de terreinen die door de wet worden bestreken en ook indien zij
diensten aanbieden als bedoeld in artikel 7 AWGB (Tweede Kamer, vergaderjaar
1991-1992, 22 014, nr. 5. blz. 19.). Aangezien de wederpartij aan deze beide
voorwaarden voldoet, valt het handelen van de wederpartij onder het bereik
van art. 7 lid 1 sub c AWGB valt. Dit verweer wordt derhalve door de
Commissie verworpen.

4.7. Voor wat betreft de vraag of de wederpartij bij het aanbieden van
diensten jegens verzoekster in strijd met de AWGB heeft gehandeld overweegt
de Commissie het volgende.
De wederpartij heeft aangevoerd dat zij ten aanzien van de voorwaarden voor
deelname aan de schietwedstrijden, de reglementen van het federatiebestuur op
dit punt volgt. De Commissie is van oordeel dat de wederpartij een
zelfstandige verplichting heeft de AWGB na te leven. Dit brengt met zich dat
de wederpartij geen reglementen mag volgen die strijdig zijn met de AWGB. Ter
zitting is gesteld en erkend dat andere bonds-verenigingen vrouwen wel in de
gelegenheid stellen om aan schietwedstrijden deel te nemen. Voor zover van
belang concludeert de Commissie dat de reglementen van het federatie-bestuur
daaraan blijkbaar niet in de weg staan.

4.8. De Commissie constateert dat in de reglementen van het federatiebestuur
direct onderscheid naar geslacht wordt gemaakt aangezien vrouwelijke
schutters van deelname aan de A- en de B-zestallen worden uitgesloten.

Van het verbod van direct onderscheid naar geslacht mag slechts worden
afgeweken indien er sprake is van één van de wettelijke uitzonderingen
genoemd in artikel 2 AWGB.
De kernvraag is of de wederpartij jegens verzoekster een beroep kan doen op
één van deze uitzonderingen.

In de onderhavige zaak heeft de wederpartij zich impliciet beroepen op de
uitzondering op het verbod van onderscheid naar geslacht in gevallen waarin
het geslacht bepalend is, door aan te geven dat het bij bepaalde sporten heel
gebruikelijk is om aparte heren- en damesteams samen te stellen. Daarnaast
stelt de weder- partij dat het hier culturele en folkloristische gewoontes
betreft.
De uitzondering met betrekking tot geslachtsbepaaldheid van artikel 2 lid 6
AWGB is nader uitgewerkt in art. 1 sub g van het Besluit. De Nota van
Toelichting op dit Besluit stelt dat de uitzondering in de eerste plaats
onderscheid op grond van geslacht bij sport en spel betreft dat wordt
gerechtvaardigd door bijvoorbeeld een verschil in fysieke kracht,
uithoudingsvermogen of lichaamsbouw. Hierbij zal het volgens de Nota van
Toelichting gaan om `vanzelfsprekende gevallen’. Verder moet duidelijk zijn
dat de gemiddelde prestaties van de personen van verschillend geslacht een
significant verschil moeten vertonen vooraleer het bepalend zijn van het
geslacht kan worden aangenomen.
De Commissie stelt vast dat partijen ter zitting hebben erkend dat een
verschil in gemiddelde prestaties niet ten grondslag ligt aan het onderhavige
onderscheid.

In de Nota van Toelichting bij het Besluit staat voorts dat bij wedstrijden
in internationaal verband waar de gemiddelde prestaties van mannen en vrouwen
niet verschillen, bijvoorbeeld op historische of cultureel bepaalde gronden,
door de organisatie van die wedstrijden verschillende competities kunnen
worden opgezet voor mannen en vrouwen. Het geslacht is in die gevallen
bepalend, omdat het onderscheid zijn oorsprong vindt buiten de Nederlandse
rechtsorde.

De Commissie stelt vast dat ten aanzien van de wedstrijden zoals
georganiseerd door de wederpartij geen sprake is van een internationaal
verband, zodat deze uitzondering evenmin van toepassing is.

Nu geen van de wettelijke uitzonderingen op het verbod van onderscheid naar
geslacht van toepassing is, concludeert de Commissie dat de wederpartij, door
bij schietwedstrijden op bondsfeesten vrouwen uit te sluiten van deelname aan
de schiet-klasse A en B, jegens verzoekster verboden onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Obbicht jegens
mevrouw (….) te Nieuwstadt direct onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in artikel 7 lid 1 onderdeel c van de Algemene wet
gelijke behandeling en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Volledige tekst

Rechters

Mw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was op tijdelijke basis werkzaam bij de wederpartij. De
wederpartij was voornemens de arbeidsovereenkomst bij de rechter te laten
ontbinden, vanwege reorganisatie. Volgens verzoekster lag haar (afwezigheid
in verband met) zwangerschap ten grondslag aan het aangekondigde
onbindingsverzoek, evenals de vrouwonvriendelijke bejegening door haar
leidinggevende. De Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat er sprake is
geweest van een vrouwonvriendelijke bejegening danwel ongewenste intimiteiten
door de leidinggevende van verzoekster. De Commissie stelt vast dat in casu
bij de wederpartij sprake is van een ondoorzichtig beoordelings- en
verlengingsbeleid waardoor het vermoeden is gerezen dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld. De wederpartij heeft onvoldoende
aannemelijk gemaakt dat de arbeidsovereenkomst vanwege de reorganisatie is
ontbonden. De Commissie komt tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat
de (afwezigheid in verband met) zwangerschap van verzoekster (mede) een rol
heeft gespeeld bij de voorgenomen ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 december 1996 verzocht mevrouw (….) te Schiedam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Ede (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is op tijdelijke basis in dienst bij de wederpartij en
gedetacheerd als administratief medewerker. De wederpartij is voornemens deze
arbeidsovereenkomst bij de rechter te laten ontbinden, vanwege reorganisatie.
Volgens verzoekster ligt haar (afwezigheid in verband met) zwangerschap ten
grondslag aan het aangekondigde ontbindingsverzoek evenals
vrouwonvriendelijke bejegening door haar leidinggevende.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft om een spoedbehandeling verzocht. De Commissie
heeft dit verzoek aanvankelijk niet gehonoreerd. Nadat de wederpartij zijn
voornemen kenbaar maakte de arbeidsovereenkomst met verzoekster alsnog te
willen ontbinden, heeft de Commissie de zaak met voorrang behandeld. Partijen
hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Partijen hebben hun
standpunten mondeling nader toegelicht op een zitting op 4 maart 1996.

De Commissie heeft aan het Regionaal Arbeidsbureau (RBA) schriftelijke
toelichting gevraagd omtrent de toedracht van het gesprek dat op 10 juli 1996
ten kantore van het RBA heeft plaatsgevonden met verzoekster en de
wederpartij naar aanleiding van de ontslagaanvraag voor verzoekster.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw. (….),
– dhr. (….) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (directeur)
– dhr. mr. (….) (directiesecrtaris/Hoofd Personeelszaken)
– dhr. (….) (medewerker Personeelszaken)
– dhr. (….) (regiomanager/leidinggevende van verzoekster)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De (….) is een dochtermaatschappij van de (….) die zich bezighoudt
met beroepsgericht onderwijs, met name in de detail- en groothandel. Tot 1
april 1997 participeert de holding in een werkorganisatie met de (….). In
totaal zijn ongeveer 250 mensen bij de werkmaatschappij in dienst.
Eind 1996 is besloten tot een ontvlechting van voornoemde stichting en de
holding. Per 1 april 1997 gaan beide organisaties zelfstandig verder. Tot
deze datum is sprake van een overgangssituatie.
De stichting wordt gefinancierd door de overheid (Ministerie van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschappen). Uit de CAO vloeit voort dat er in het eerste jaar
na de verzelfstandiging geen gedwongen ontslagen mogen vallen. De holding is
een commerciële onderneming met eigen arbeidsvoorwaarden. In het kader van de
reorganisatie wordt bij de holding 10% van de ongeveer 100 werknemers
ontslagen.

Bij de wederpartij werden tot nu toe regelmatig werknemers van de holding
ingezet voor de taken van de stichting en vice versa door middel van
detachering. Als gevolg van de verzelfstandiging eindigt deze praktijk.
Onderdeel van het personeelsbeleid van de wederpartij is dat na een tijdelijk
dienstverband van een jaar, bij gebleken geschiktheid, in beginsel een
dienstverband voor onbepaalde tijd wordt aangeboden.

3.2. Verzoekster is als fulltime administratief medewerker in tijdelijke
dienst bij het onderdeel (….) van de holding. Verzoekster werd gedetacheerd
bij een regiokantoor van de stichting. De eerste arbeidsovereenkomst liep van
27 maart 1995 tot 27 maart 1996.
In aansluiting hierop kreeg verzoekster een tijdelijke aanstelling die duurde
tot 27 september 1996.

3.3. Verzoekster heeft op 22 april 1996 de wederpartij op de hoogte gesteld
van haar zwangerschap. De vermoedelijke bevallingsdatum van verzoekster was
25 oktober 1996.

3.4. Op 3 juni 1996 diende de wederpartij een ontslagaanvraag in bij de
regionaal directeur arbeidsvoorziening. Op 10 juli 1996 vond ten kantore van
het RBA een gesprek plaats.
Op verzoek van de Commissie heeft de directeur van het RBA bij brief van 25
februari 1997 ten aanzien van zijn/haar afwijzing van de ontslagaanvraag
verklaard dat het ontbreken van materiaal waaruit bleek dat verzoekster niet
voldoende zou functioneren in de onderhavige ontslagaanvraag de voornaamste
reden zou zijn geweest om afwijzend te beslissen op de aanvraag en daarnaast
het te laat voeren van het functioneringsgesprek. Ten aanzien van de
zwangerschap vermeldt de brief slechts dat deze `niet de (doorslaggevende)
factor was om partijen op te roepen voor een gesprek’.

Op 18 juli 1996 heeft de wederpartij de ontslagaanvraag ingetrokken en de
arbeidsovereenkomst van verzoekster verlengd tot 1 juli 1997.

3.5. De wederpartij wenst thans het dienstverband met verzoekster per
1 april 1997 te beëindigen in verband met de reorganisatie.
Een voorstel van de wederpartij d.d. 6 februari 1997 om te komen tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden heeft
verzoekster in beraad.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt het volgende.

Haar zwangerschap heeft direct geleid tot de ontslagaanvraag van
3 juni 1996 en de daarop volgende gebeurtenissen.
Nadat verzoekster melding had gemaakt van haar zwangerschap vond op
initiatief van de wederpartij op 9 mei 1996 een gesprek plaats tussen
verzoekster, haar leidinggevende en een personeels- functionaris van de
wederpartij. Verzoekster ontkent dat in dat gesprek ter sprake is gebracht
dat toen al beoordeeld zou gaan worden of haar arbeidsovereenkomst eind
september 1996 verlengd zou worden of niet.

3.7. Als ontslaggronden in de brief van 3 juni 1996 aan het RBA vermeldde de
wederpartij een te laag werktempo, moeite met het stellen van prioriteiten en
een werkdruk die te groot is voor verzoekster. Tijdens het gesprek met het
arbeidsbureau op 10 juli 1996 bleek dat de wederpartij al deze punten niet
kon onderbouwen.

Op 12 januari 1996 is een functioneringsgesprek met verzoekster gevoerd. Het
verslag van dit gesprek vermeldt dat de inzet en motivatie van verzoekster
goed zijn. Verzoekster moest alleen aan de prioriteitsstelling van haar
werkzaamheden nadere aandacht besteden. Hierover werden afspraken met de
leidinggevende gemaakt. Er was een wekelijks werkoverleg waarbij de
leidinggevende zelf aangaf waar de prioriteiten lagen. Dit was ook op de
andere regiokantoren een gebruikelijke gang van zaken en dus niets
bijzonders. Verzoekster stelt tevens dat haar leidinggevende zelf behoorlijk
chaotisch is en dat zij voor hem meer administratieve werkzaamheden
verrichtte dan op de andere regiokantoren gebruikelijk was.

Op 14 februari 1996 is wederom een functioneringsgesprek met verzoekster
gevoerd met het oog op een beslissing over het omzetten van de
arbeidsovereenkomst in één voor onbepaalde tijd dan wel verlenging. Het
verslag vermeldt slechts dat de arbeidsovereenkomst verlengd wordt met een
half jaar `gezien onvoldoende ontwikkeling in de functie, mede veroorzaakt
door afwezigheid door ziekte’. Dit heeft de wederpartij bevestigd in een
brief van 7 maart 1997.
In het verslag van 14 februari 1996 werd een vervolg afspraak vastgelegd voor
een functioneringsgesprek op 14 augustus 1996.

Pas in het functioneringsgesprek op 21 augustus 1996 – na de aanvraag van de
ontslagvergunning en de afwijzing ervan – ging de wederpartij het vermeende
disfunctioneren van verzoekster onderbouwen, toegespitst op het stellen van
prioriteiten. De in het verslag geuite kritiek is niet terecht, want deze is
gebaseerd op slechts een enkel incident.

In het door een medewerkster van het RBA handgeschreven verslag van het
gesprek van 10 juli 1996 staat dat de wederpartij opgemerkt heeft dat
zwangerschap toch wel een rol speelt bij de ontslagaanvraag, in verband met
het inschakelen van uitzendkrachten bij tijdelijke uitval.

Op 23 december 1997 heeft de wederpartij een brief aan verzoekster gestuurd
waarin excuses worden gemaakt voor door medewerker(s) van de wederpartij
gemaakte discriminerende, of door verzoekster als zodanig te interpreteren,
opmerkingen refererend aan de zwangerschap van verzoekster.

3.8. Verzoekster stelt eveneens dat zij gedurende haar dienstverband
regelmatig te maken heeft gehad met vrouwonvriendelijk en bot gedrag van haar
leidinggevende, die deels als ongewenste intimiteiten zijn te omschrijven.
Ongewenste intimiteiten en discriminatie van zwangere vrouwen komen vaker bij
de wederpartij voor. Als voorbeelden van wat haarzelf is overkomen noemt
verzoekster het aanspreken met `vrouwtje’, het verzoekster een aantal malen
mee uit eten vragen, totdat verzoekster informeerde of haar echtgenoot ook
mee mocht, het bij rokkendragende vrouwen opmerken `even naar de benen
kijken’ en tegen verzoekster `wanneer trek jij eens een rok aan, kunnen we je
benen zien’, de opmerkingen: `laat je buik eens zien’ toen verzoekster
duidelijk waarneembaar zwanger was en `ik heb haar zwanger gemaakt’ over een
zwangere collega tegen een zakenrelatie alsmede over verzoekster: `ze houdt
van lange zwarte negers’.

Verzoekster heeft het gedrag van haar leidinggevende een aantal malen
rechtstreeks bij hem aan de orde gesteld. Dat blijkt uit de passages in de
verslagen van de functioneringsgesprekken van 12 januari 1996 en 14 februari
1996. Het verslag van het functioneringsgesprek op 12 januari 1996 vermeldt
dat de stijl van leidinggeven wordt ervaren als `direct/soms te direct’. Het
verslag van 14 februari vermeldt dat de leidinggevende meer op zijn attitude
zal letten in de omgang met verzoekster. Nadat verzoekster hierover met de
leidinggevende heeft gesproken was er volgens verzoekster sprake van een
goede zakelijke verstandhouding. Kennelijk is deze openlijke kritiek haar
toch niet in dank afgenomen.

3.9. Volgens verzoekster is sprake van een samenhang tussen de voorgenomen
ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 april 1997 en haar zwangerschap
alsmede het conflict van haar met de leidinggevende bij de wederpartij.
Mondeling heeft zij de toezegging gekregen dat zij een contract zou krijgen
bij de stichting. Dat is niet gebeurd. Nu ze in dienst is bij de holding kan
verzoekster worden meegenomen in het reorganisatieontslag. Uit een memo van
de wederpartij aan de werknemers d.d. 2 december 1996 omtrent de
reorganisatie, blijkt dat voor degenen die als gevolg van de reorganisatie
ontslagen zullen worden een sociaal plan wordt opgesteld. Uit ter zitting
overgelegde memo’s van de werkgever aan het personeel over de reorganisatie
blijkt volgens verzoekster dat nog geen beslissing is gevallen over het
handhaven of sluiten van het regiokantoor waar zij werkzaam is en dat de
werkgever haar functie thans reeds als vacature aanduidt. Verzoeksters werk
zal niet verdwijnen maar haar functie zal op een andere wijze worden
ingevuld. Verzoekster is niet uitgenodigd voor een bespreking om in
aanmerking te komen bij de invulling daarvan of voor andere
plaatsingsmogelijkheden. Verzoekster is dan ook van mening dat de
reorganisatie is aangegrepen om haar alsnog te kunnen ontslaan.

3.10. De wederpartij stelt het volgende.

Men wilde verzoekster geen vaste aanstelling geven op grond van twijfels over
haar functioneren ten aanzien van de vaardigheid om prioriteiten te stellen.
Het is beleid van de wederpartij dat bij gerede twijfel een tijdelijk
dienstverband wordt beëindigd. Aan verzoekster is echter toch een tijdelijk
contract aangeboden in verband met de goede gemotiveerdheid en inzet van
verzoekster en tevens het feit dat er in verband met haar ziekte onvoldoende
mogelijkheden voor verzoekster waren om zich te ontwikkelen. Het
ziekteverzuim van verzoekster betrof met name afwezigheid gedurende ongeveer
zes weken na een ziekenhuisopname en meer dan gemiddeld kort verzuim
gedurende de periode van een jaar. Indien haar functioneren zich had
verbeterd, was een vast dienstverband aan de orde geweest.

3.11. Het moment waarop verzoekster haar zwangerschap meldde, viel samen met
het moment waarop een beslissing genomen moest worden over de vaste
aanstelling van verzoekster, in verband met het tijdig aanvragen van een
ontslagvergunning en inachtneming van de opzegtermijn, teneinde desgewenst
rechtsgeldig te kunnen opzeggen.

In het gesprek met het arbeidsbureau is door de wederpartij wel opgemerkt dat
haar zwangerschap een rol speelde, maar niet bij de ontslagaanvraag. Deze
opmerking is geplaatst in de context van de planning van het werk,
werkoverleg en inschakeling van een uitzendkracht. Niet is gezegd dat
zwangerschap meespeelde in de beslissing inzake beëindiging of verlenging van
het dienstverband. Ook zonder de zwangerschap zou de wederpartij ontslag
hebben aangevraagd.

Mede op advies van het arbeidsbureau heeft de wederpartij verzoekster een
tijdelijke aanstelling aangeboden. In het kader van een meer gestructureerde
beoordeling van het functioneren werd aan de personeelsfunctionaris een, naar
verzoekster en leidinggevende, ondersteunende en procesbegeleidende rol
toebedeeld.

3.12. De leidinggevende van verzoekster ontkent dat hij uitlatingen zou
hebben gedaan als door verzoekster aan hem toegeschreven. De leidinggevende
erkent dat door verzoekster wel opmerkingen zijn gemaakt over zijn gedrag.
Bijvoorbeeld dat hij niet vanuit zijn kantoor zou roepen, maar naar haar toe
zou lopen.

Verzoekster is geen slachtoffer van een vrouwonvriendelijke opstelling van
haar leidinggevende. De kritiek van de wederpartij richt zich op het
functioneren van verzoekster. Beoordeling van functioneren in een periode dat
de werknemer (deels) afwezig is, is moeilijk en kan niet volledig genoeg
zijn. Daarom is verzoekster een tweede kans geboden in de vorm van een
tijdelijke verlenging van de arbeidsovereenkomst.

De wederpartij heeft naar aanleiding van de klacht bij de Commissie gelijke
behandeling navraag gedaan bij collega’s van verzoekster en heeft op grond
daarvan in haar verweerschrift van 20 januari 1997 de conclusie getrokken dat
er geen sprake is geweest van ongewenste intimiteiten. De positie van de
leidinggevende staat niet ter discussie. Wel ontvangt hij bijscholing op het
gebied van communicatie.

Voor zover bepaalde uitspraken of gedragingen als discriminerend door
verzoekster zijn geïnterpreteerd, zijn deze niet zo bedoeld. Omdat de
perceptie van de werknemer serieus wordt genomen is er op 23 december 1996
een excuus-brief verzonden.

3.13. Ten aanzien van de reorganisatie merkt de wederpartij op dat deze snel
verlopen is. Pas in december 1996 is het besluit omtrent volledige
verzelfstandiging genomen. In een laat stadium is derhalve gebleken dat na 1
april 1997 de detacheringsovereenkomst niet voortgezet wordt.
De werkzaamheden van verzoekster zullen anders worden ingevuld.
In verband met financiële tekorten is er nog slechts geld voor drie van de
vijf regiokantoren. De positie van de regiokantoren staat momenteel ter
discussie. Twee plaatsen, waaronder die van verzoekster, worden nu met
tijdelijke krachten via het uitzendbureau vervuld.
Of het functioneren van verzoekster op het moment van reorganiseren nog ter
discussie stond is niet meer relevant, nu de stichting de detachering van
verzoekster beëindigt.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster in strijd met
artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW), met ingang van 1 april 1997
artikel 7:10 646 BW, handelt bij de voorgenomen beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.

4.2. Ingevolge artikel 7A:1637ij BW, eerste lid en artikel 7:10 646 BW,
eerste lid is het verboden bij het aangaan of beëindigen van een
arbeidsovereenkomst alsmede bij de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen.

Artikel 7A:1637ij, vijfde lid BW en artikel 7:10 646, vijfde lid BW bepalen
dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en
indirect onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap is blijkens deze bepalingen een vorm van direct onderscheid.

De wet biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid. De
enige uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid zijn de in de wet
in artikel 7A:1637ij BW, tweede tot en met vierde lid artikel 7:10 646 BW,
tweede tot en met vierde lid genoemde uitzonderingen. Deze uitzonderingen
zijn hier niet van toepassing.

4.3. De vraag die voorligt is of aannemelijk is dat de zwangerschap van
verzoekster alsmede het conflict van verzoekster met haar leidinggevende
inzake de vrouwonvriendelijke bejegening van de leidinggevende en de
vrouwonvriendelijke opstelling van de wederpartij in het algemeen een rol
speelt bij de voorgenomen beëindiging van de verlengde tijdelijke
arbeidsovereenkomst.

De Commissie gelijke behandeling heeft reeds eerder geoordeeld dat
afwezigheid of verminderde inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en
bevallingsverlof als een onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg van de
zwangerschap beschouwd moet worden en daardoor op één lijn gesteld moet
worden met de zwangerschap zèlf (Commissie gelijk behandeling, 23 mei 1995,
oordeel 95-15 en Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 15 maart 1994, oordeel 620-94-24.). Onderscheid op grond van beperkte
inzetbaarheid vanwege zwangerschap en bevalling levert dus direct onderscheid
op.

Reeds eerder oordeelde de Commissie dat ook indien zwangerschap niet de enige
reden is geweest om een zwangere kandidate niet te benoemen maar mede een rol
heeft gespeeld, in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen is gehandeld (Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeel
95-15 en Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 8
mei 1990, oordeel 172-90-31 en 23 juni 1992, oordeel 518-92-37.).

4.4. De verlengde tijdelijke arbeidsovereenkomst van verzoekster loopt af per
1 juli 1997. Thans stelt de wederpartij de overeenkomst bij de rechter te
willen laten ontbinden per 1 april 1997. Ten tijde van de zitting op 4 maart
1997 had de wederpartij daartoe nog geen nadere stappen ondernomen. Wel heeft
de wederpartij verzoekster op 6 februari 1997 een schikkingsvoorstel gedaan
om te komen tot ontbinding met wederzijds goedvinden.

De wederpartij heeft als verweer aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst moet
worden beëindigd als gevolg van de reorganisatie, welke reden geen verband
houdt met het functioneren, het vrouwzijn of de zwangerschap van verzoekster
noch haar klacht over vrouwonvriendelijke bejegening door haar leidinggevende
dan wel vrouwonvriendelijke opstelling van de wederpartij.
De wederpartij heeft de omstandigheden toegelicht die zijn ontstaan als
gevolg van de reorganisatie en die ertoe nopen het dienstverband met
verzoekster te beëindigen. De vraag die voorligt is derhalve of de
reorganisatie de (enige) reden is geweest bij de voorgenomen beëindiging van
de arbeidsovereenkomst met verzoekster. De Commissie zal in dit verband eerst
ingaan op hetgeen zich tussen partijen heeft voorgedaan.

4.5. Verzoekster heeft op 22 april 1996 meegedeeld dat zij zwanger was. De
wederpartij heeft binnen ongeveer een maand daarna besloten over te zullen
gaan tot het aanvragen van een ontslagvergunning. Na intrekking van deze
aanvraag is de tijdelijke arbeidsovereenkomst van verzoekster per 27
september 1996 niet omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd,
ondanks het vaste beleid van de wederpartij dienaangaande.

De wederpartij voert aan dat de ontslagaanvraag van 3 juni 1996 vanwege
disfunctioneren werd gedaan en dat het tijdstip waarop een besluit genomen
moest worden over al dan niet verlengen van de tijdelijke arbeidsovereenkomst
van verzoekster ongelukkiger wijze samenviel met de melding van verzoeksters
zwangerschap. Als reden voor het ten tweede male tijdelijk verlengen van de
arbeidsovereenkomst voert de wederpartij daarnaast aan dat dit op advies van
het RBA is gebeurd.

De wederpartij heeft de Regionaal Directeur Arbeidsvoorziening niet kunnen
overtuigen van het disfunctioneren van verzoekster en deze wees dan ook de
ontslagaanvraag af vanwege onvoldoende onderbouwing. Aan deze afwijzing ligt
een onduidelijke procedure ten grondslag, zowel ten aanzien van de wijze
waarop de wederpartij deze beoordeling verricht als met betrekking tot de
maatstaven die zij hanteert.
De hoofdregel van het beleid van de wederpartij is helder: bij gebleken
geschiktheid volgt na een jaar een vast dienstverband. Onduidelijk is wanneer
de wederpartij van deze regel afwijkt en welke procedure in dat geval geldt.
Wanneer de keuze voor een vaste aanstelling dan wel een tijdelijke verlenging
zoals in casu afhankelijk is van het functioneren van betrokkene, dient de
werkgever van te voren aan te geven op welk(e) moment/momenten en aan de hand
van welke criteria het functioneren zal worden getoetst. Daarbij ligt het ook
op de weg van de werkgever om tijdig aan te geven op welke functieonderdelen
de werknemer tekort schiet en tevens hoe zwaar de werkgever daaraan tilt.

De wederpartij is op al deze punten onduidelijk geweest. De wederpartij heeft
immers ten aanzien van het functioneren van verzoekster op 12 januari 1996
één enkele opmerking gemaakt, terwijl als reden voor de eerste tijdelijke
verlenging per 27 maart 1995 verzoeksters afwezigheid in verband met ziekte
is benadrukt.
Ook heeft de wederpartij nagelaten vooraf kenbaar te maken dat het
functioneren van verzoekster, anders dan eerder afgesproken, ruimschoots vóór
14 augustus 1996 beoordeeld zou moeten worden. Integendeel, de wederpartij
heeft bij verzoekster de indruk laten bestaan dat op 14 augustus 1996 een
regulier functioneringsgesprek zou plaatsvinden.
Vervolgens heeft de wederpartij het functioneren van verzoekster in het
geheel niet met verzoekster besproken, maar is zonder meer overgegaan tot het
aanvragen van een ontslagvergunning. Dat laatste op een moment dat krap twee
maanden verstreken waren van de in totaal zes maanden die de
arbeidsovereenkomst zou duren.
Pas toen de ontslagaanvraag was ingetrokken is de wederpartij het
disfunctioneren van verzoekster gaan vastleggen. Ten aanzien van dat laatste
stelt de Commissie eveneens vast dat verzoekster bestrijdt dat zij gefaald
zou hebben op het gebied van prioriteiten stellen. Verzoekster heeft daarbij
gesteld dat het de taak van de leidinggevende was om in het wekelijks
werkoverleg de prioriteiten te stellen die zij uitvoerde en dat dit
overeenkwam met de praktijk op andere regiokantoren. De wederpartij heeft
erkend dat verzoeksters uitvoerende werkzaamheden voldoende waren.

Tevens betrekt de Commissie in haar overwegingen dat de wederpartij in een
brief van 18 december 1996 aan de gemachtigde van de wederpartij heeft erkend
dat `voor een zorgvuldige beoordeling inzake het al dan niet verlengen van
een (verlengd) tijdelijke arbeidsovereenkomst verslaglegging hierover
frequenter en tijdiger had dienen plaats te vinden’.

Een en ander overziend concludeert de Commissie dat in casu bij de
wederpartij sprake is van een ondoorzichtig beoordelings- en
verlengingsbeleid. Dit maakt het mogelijk dat factoren als zangerschap (mede)
een rol hebben gespeeld bij het handelen van de wederpartij. Op grond van
deze omstandigheden rijst derhalve het vermoeden dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld.

6. Ten aanzien van de vraag of bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
tevens de vrouwonvriendelijke bejegening van de leidinggevende van
verzoekster een rol speelt, overweegt de Commissie als volgt.

De Commissie stelt vast dat partijen elkaar op het punt van de
vrouwonvriendelijke bejegening tegenspreken. Verzoekster noch de wederpartij
hebben hun stellingen nader onderbouwd met bijvoorbeeld getuigenverklaringen.
Geconstateerd kan worden dat er sprake is van problemen tussen verzoekster en
haar leidinggevende. Een aantal feitelijke omstandigheden, zoals de in vage
bewoordingen gestelde passages omtrent het gedrag van de leidinggevende van
verzoekster in de functioneringsverslagen, alsmede de door de wederpartij
verzonden excuusbrief voor al dan niet vermeende discriminerende uitlatingen
van verzoeksters leidinggevende, wijzen in de richting dat er iets is
voorgevallen in de relatie tussen verzoekster en haar leidinggevende.
De Commissie is er eveneens van overtuigd dat er na de ontslagprocedure medio
1996 een conflictsituatie is gegroeid waarbij de verschillende visies van
betrokkenen op het gebeurde een rol hebben gespeeld. De
functioneringsverslagen en de brief van de wederpartij van 23 december 1993
bevatten evenwel onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen dat er
sprake is geweest van een vrouwonvriendelijke bejegening danwel ongewenste
intimiteiten.

4.7. Vervolgens is de vraag aan de orde of de wederpartij het onder 4.5.
vastgestelde vermoeden dat de zwangerschap in het handelen van de wederpartij
een rol heeft gespeeld, voldoende heeft weerlegd door haar beroep op de uit
de reorganisatie voortvloeiende noodzaak voor ontbinding van de
arbeidsovereenkomst.

De Commissie neemt als vaststaand aan dat de stichting waarbij verzoekster
gedetacheerd was deze overeenkomst per 1 april 1997 wenst te beëndigen.
Duidelijk is dat de activiteiten van de stichting en de holding volledig
gesplitst worden.
De Commissie stelt evenwel vast dat ten tijde van de zitting op 4 maart 1997
nog steeds geen beslissing was genomen ten aanzien van de sluiting van twee
van de vijf de regiokantoren van de stichting en de werkzaamheden van
verzoekster. Deze werkzaamheden worden vervuld door een uitzendkracht. In
ieder geval een deel van de werkzaamheden van verzoekster zullen vooralsnog
blijven.

Verzoekster heeft een memo overgelegd over de gevolgen van de reorganisatie
voor de werknemers van de wederpartij d.d. 9 december 1996. Ingeval de
werkzaamheden van een functionaris in dienst van de holding feitelijk blijken
te liggen bij de stichting, treedt de holding in overleg met de stichting
teneinde te bezien of plaatsing van de betreffende functionarissen bij de
stichting mogelijk is. Voor die gevallen waar verlies van werkgelegenheid
niet zal kunnen worden voorkomen, geldt een sociaal plan. De Commissie
constateert dat deze uitgangspunten ten aanzien van verzoekster niet in acht
zijn genomen. Een en ander betekent dat verzoekster door de wederpartij niet
is behandeld als binnen de reorganisatie verwacht had mogen worden.
Daar komt nog bij dat de wederpartij begin maart nog geen concrete stappen
had ondernomen ten behoeve van een ontbinding per
1 april 1997. Dit wijst niet in de richting van een spoedig noodzakelijk
geachte ontbinding. Het feit dat verzoekster een schikkingsvoorstel in beraad
heeft doet daaraan niet af. Wanneer de ontbinding van de arbeidsovereenkomst
werkelijk zo urgent en noodzakelijk zou zijn als de wederpartij stelt, ligt
het niet voor de hand verzoeksters reactie op het schikkingsvoorstel af te
wachten noch toe te staan dat dit voorstel ruim een maand of langer in beraad
wordt gehouden.
De Commissie acht het dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de
arbeidsovereenkomst van verzoekster vanwege de reorganisatie ontbonden moet
worden.

Nu het hiervoor onder 4.5. vastgestelde vermoeden dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld in het handelen van de wederpartij,
onvoldoende is weerlegd, komt de Commissie tot de conclusie dat niet
aannemelijk is geworden dat de (afwezigheid in verband met) zwangerschap van
verzoekster niet (mede) een rol heeft gespeeld bij de beslissing om de
arbeidsovereenkomst te laten ontbinden door de rechter.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Ede jegens mevrouw
(….) te Rotterdam onderscheid naar geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld in
artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek en, met ingang van 1 april 1997, artikel
7:10 646 Burgerlijk Wetboek bij de voorgenomen tussentijdse beëindiging van
de tijdelijke arbeidsovereenkomst en daarmee heeft gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is een uitzendbureau dat verantwoordelijk was voor de selectie
van personeel. Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie in de
krant gebeld naar de wederpartij om te reageren naar de functie van
telefoniste/receptioniste m/v. De wederpartij heeft aan verzoeker gemeld dat
de opdrachtgever de voorkeur geeft aan een vrouwelijke kandidaat. De
wederpartij maakt daarmee onderscheid op grond van geslacht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 17 december 1996 verzocht de heer (….) te Breskens (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (….) te Breskens (hierna: de
wederpartij) onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie in de krant gebeld
naar de wederpartij om te reageren naar de functie van
telefoniste/receptioniste m/v. Volgens verzoeker werd hem te kennen gegeven
dat de opdrachtgever een vrouw zoekt voor de functie. Verzoeker stelt dat de
wederpartij hiermee onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en aanvankelijk
een onderzoek ingesteld volgens de normale procedure. Na ontvangst van de
reactie van de wederpartij op het verzoekschrift, heeft de voorzitter van de
Commissie, op grond van artikel 31 van het Besluit werkwijze Commissie,
gezien het feit dat sprake was van kennelijk onderscheid, besloten de normale
procedure om te zetten in de vereenvoudigde procedure.
De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoeker te reageren.

2.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een uitzendburo.
Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie in de krant van 12
december 1996 gebeld naar de wederpartij om te reageren op de vacature van
telefoniste/receptioniste m/v. De wederpartij vroeg in deze advertentie om
een fulltime telefoniste/receptioniste m/v voor een internationaal
georiënteerde onderneming. Bij gebleken geschiktheid zou er kans zijn op een
vast dienstverband.
De wederpartij gaf verzoeker tijdens het telefoongesprek te kennen dat hij
niet in aanmerking kon komen voor de betreffende functie.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.

Hij is van mening dat hij op grond van geslacht ongelijk is behandeld.
Na een reorganisatie werd verzoeker ongeveer twee jaar geleden werkloos. Het
vinden van een nieuwe baan is voor verzoeker niet eenvoudig. Hij staat daarom
ingeschreven bij de wederpartij als werkzoekende.
Toen verzoeker belde voor de vacature van telefoniste/receptioniste m/v werd
hem meegedeeld dat de opdrachtgever een vrouw zoekt voor de functie. Op zijn
vraag waarom er dan m/v in de advertentie stond, antwoordde de wederpartij
dat zij verplicht is dat in de advertentie te zetten. Gezien zijn
werkervaring en taalkennis en het feit dat hij fulltime wil werken, is
verzoeker van mening dat hij geschikt is voor de functie.

3.3. De wederpartij brengt het volgende naar voren.

Op 9 december 1996 heeft de vestigingsmanager van de wederpartij opdracht
gegeven om de vacatureMvertentie in de krant te plaatsen. Tussen 9 december,
de dag waarop de advertentie werd geplaatst, heeft de wederpart, een
vrouwelijke kandidaat voor een sollicitatiegesprek bij de, drachtgever
voorgedragen.
Op 13 december 1996 is een sollicitatiegesprek met deze kandidaat gevoerd. De
kandidaat beantwoordde aan de functie-eisen en is aangenomen. Op maandag 16
december 1996 is deze kandidaat uitgeleend aan de opdrachtgever.
Toen verzoeker belde voor de vacature, wist de vestigingsmanager dat de
opdrachtgever de voorkeur zou geven aan een vrouwelijke kandidaat. De
wederpartij heeft derhalve aan verzoeker meegedeeld dat hij niet voor de
functie in aanmerking kon komen, omdat de opdrachtgever de voorkeur geeft aan
een vrouwelijke kandidaat. De wederpartij ontkent dat aan verzoeker is
meegedeeld dat alleen een vrouw in aanmerking zou komen voor de betreffende
functie.
De wederpartij merkt nog op dat verzoeker toch niet in aanmerking zou zijn
gekomen voor de betreffende vacature omdat hij buiten de gewenste
leeftijdscategorie viel.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van de functie van telefoniste/receptioniste m/v jegens verzoeker
direct onderscheid maakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) verbiedt
onder meer het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.

De wettelijke uitzonderingen op het gebod van gelijke behandeling zijn de
volgende.
– Voorkeursbeleid voor vrouwen.
Krachtens artikel 5 lid 1 WGB mag van het verbod om onderscheid te maken
tussen mannen vrouwen worden afgeweken in geval van een voorkeursbeleid voor
vrouwen.
– Geslachtsbepaaldheid van de functie.
Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt onder meer dat voor zover het betreft de toegang
tot beroepsactiviteiten, van artikel 3 WGB mag worden afgeweken in die
gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de
betreffende beroepsactiviteit het geslacht bepalend is voor de functie.
– Bescherming van de vrouw.
In artikel 2, lid 2 sub b AWGB wordt onder meer bepaald dat het verbod van
onderscheid op grond van geslacht niet geldt in gevallen waarin het de
bescherming van de vrouw betreft, met name in verband met zwangerschap en
moederschap.

In casu is geen beroep gedaan op een van de genoemde wettelijke
uitzonderingsgronden, noch is gebleken dat deze van toepassing zijn.

4.2. Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op dit
artikel richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een derde die
door deze werkgever wordt betrokken in de wervings- en selectieprocedure
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr.3, blz. 18. Zie ook
Commissie gelijke behandeling van mannen vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991,
oordelen 91-35 en 91-36).

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de WGB voor
het geheel van de wervings-, selectie en aanstellingsfase. Daarnaast is een
door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor de naleving van
de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken is (Commissie
gelijke behandeling, 3 oktober 1995, oordeel 95-37 en 27 november 1995,
oordeel 95-53).

De Commissie stelt vast dat de wederpartij in opdracht van de werkgever voor
de selectie heeft gezorgd. De wederpartij heeft een eigen
verantwoordelijkheid bij dit deel van de procedure artikel 3 WGB na te leven.

4.3. Vervolgens rijst de vraag of in casu de wederpartij heeft gehandeld in
strijd met artikel 3 WGB.

Naar het oordeel van de Commissie staat vast dat de vacature nog niet was
vervuld toen het telefoongesprek tussen verzoeker en wederpartij plaatsvond.
De wederpartij had weliswaar een kandidate voorgedragen, maar het
sollicitatiegesprek werd pas een dag na het telefoongesprek met verzoeker
gevoerd.
De opmerkingen met betrekking tot de betreffende functie zijn derhalve
gemaakt in het kader van de selectie voor de vacante functie.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij verzoeker heeft gemeld dat de
opdrachtgever de voorkeur geeft aan een vrouwelijke kandidaat.

De Commissie concludeert dat de wederpartij mitsdien jegens verzoeker
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt en daarmee in strijd heeft gehandeld
met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat (…) te Breskens jegens de
heer (….) te Breskens direct onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als
bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke mannen en vrouwen bij de
arbeid.

Rechters

Prof. mr. J.E. Goldschmidt

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 4 april 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Gedaagde is eerder op 2 augustus 1996 door de rechtbank veroordeeld voor
verkrachting van eiseres. Het onderhavige vonnis behandelt uitsluitend nog de
inkomensschade. De rechtbank is van mening dat de studievertraging het gevolg
is van de terugval van de psychische toestand van eiseres na de verkrachting
en stelt de duur van de vertraging vast op twee jaar. In de periode augustus
1998 tot en met juli 2000 is er sprake van schade omdat eiseres slechts het
part-time MBO-salaris zal ontvangen, te weten ƒ 1.100, in plaats van het
full-time HBO-salaris, ƒ 2.500. De schade wordt hierdoor vastgesteld op het
bedrag van ƒ 33.600, maar gelet op gedaagdes onomstreden mindere draagkracht
en eerder opgelegde bedragen, gematigd tot ƒ 25.000. Omdat vergoeding voor
dergelijke schade een korting op eiseres’ RWW-uitkering tot gevolg kan
hebben, gaat de verplichting van gedaagde tot vergoeding pas in op 1 augustus
1998, de datum waarop eiseres ook pas voor het eerst inkomensschade lijdt.

Volledige tekst

Voorafgegaan zijn vonnissen van deze rechtbank in deze zaak d.d. 8 april
1994, 3 februari 1995 en 2 augustus 1996. Deze vonnissen bevinden zich in
authentiek afschrift onder de stukken en de inhoud ervan geldt als hier
overgenomen. Bij laatstgenoemd vonnis werd de zaak wat betreft een aantal
posten (verder) afgedaan en werd eiseres in verband met de resterende posten
in de gelegenheid gesteld inlichtingen te verschaffen en stukken in het
geding te brengen.

1. De voortzetting van de procedure.
1.1. Nadat de zaak weer op de rol was gebracht heeft eiseres een akte na
tussenvonnis na deskundigenbericht genomen, waarna gedaagde een antwoordakte
na tussenvonnis na deskundigenbericht heeft genomen.

1.2. Partijen hebben tenslotte hun procesdossiers, waarin tevens de in de
stukken genoemde producties, andermaal voor vonnis gefourneerd.

2. De verdere beoordeling.
2.1 De rechtbank volhardt bij hetgeen zij in haar voormelde tussenvonnissen
heeft overwogen en beslist.
2.2 Uit de door eiseres verschafte inlichtingen blijkt dat de eerdere
veronderstelling van eiseres, dat zij in september 1995 haar HBO-studie
pedagogiek zou hebben hervat, geen werkelijkheid is geworden. In plaats
daarvan heeft eiseres besloten om te zwaaien naar de HBO-studie
maatschappelijk werk. Op advies van de behandelend therapeut is zij niet
direct na de dagbehandeling met die studie gestart, maar heeft zij eerst een
jaar vrijwilligerswerk gedaan (volgens eiseres om weer aan de gewone
maatschappij te wennen en te werken aan volledig herstel, maar volgens
gedaagde om voldoende werkervaring op te doen om tot een gefundeerde
studiekeuze te kunnen komen). Omdat eiseres de HBO-studie maatschappelijk
werk niet met behoud van haar RWW-uitkering bleek te kunnen volgen, is zij in
september 1995 met de MBO-studie maatschappelijk werk begonnen, waarbij dit
wel mogelijk was. Eiseres hoopt deze studie versneld te kunnen afronden in
mei 1997. Daarna hoopt ze in de zomer van 1997 een baan voor 20 uur per week
te vinden, hetgeen een netto-inkomen van ƒ 1.105,26 zal opleveren, iets
minder dan de bijstandsnorm. Eiseres is dan niet langer afhankelijk van haar
RWW-uitkering, zodat ze in september 1997 alsnog wil beginnen met de
driejarige HBO-studie maatschappelijk werk, die ze in juli 2000 denkt af te
ronden. Aansluitend verwacht eiseres een full-time baan te vinden met het
gemiddelde netto-loon van een HBO-er ad ƒ 2.500 per maand. Eiseres heeft
stukken overgelegd, waaruit blijkt dat haar kansen op de arbeidsmarkt daarbij
uitstekend zijn.

2.3 Wat betreft de situatie, die als zij niet verkracht was zou zijn
ontstaan, maakt eiseres nog steeds melding van de mogelijkheid, dat zij in
september 1993 haar HBO-studie pedagogiek zou hebben hervat en per juli 1995
aan het werk zou zijn gegaan. Eiseres waakt echter tevens melding van de
mogelijkheid, dat zij zonder verkrachting ook naar de studies maatschappelijk
werk zou zijn omgezwaaid. Omdat eiseres feitelijk van studierichting is
veranderd, gaat de rechtbank er van uit dat zij dat ook zonder verkrachting
zou hebben gedaan, hetgeen gedaagde steeds heeft gesteld in verband met de
ook door de deskundige gemelde problemen van eiseres met het vak statistiek.

2.4 Eiseres gaat er van uit dat als zij niet verkracht was maar juist wel
omgezwaaid, zij in september 1993 met de MBO-studie zou zijn begonnen, dat
zij die studie in mei 1995 zou hebben afgerond, dat zij vervolgens in de
zomer van 1995 (hetgeen de rechtbank op 1 augustus stelt) de part-time baan
zou hebben gevonden en in september 1995 met de HBO-studie zou zijn begonnen,
en dat zij die HBO-studie in juli 1998 zou hebben afgerond, waarna zij
full-time zou zijn gaan werken. Vergelijking van de situatie zonder
verkrachting met de situatie na de verkrachting levert dan een vertraging van
twee jaar op.

2.5. Gedaagde is van mening, dat deze vertraging niet aan de verkrachting te
wijten valt, omdat de diverse uitstellen niet het gevolg waren van die
verkrachting, maar alleen van eigen keuzes van eiseres: het besluit om het
eerst een jaar kalm aan te doen, het besluit om van studierichting te
wisselen, het besluit om vrijwilligerswerk te verrichten en het besluit om te
verhuizen naar een gemeente, waar (anders dan de gemeente van de vroegere
woonplaats van eiseres) eiseres niet met behoud van RWW een HBO-studie kon
volgen. Gedaagde meent dat eiseres zonder deze niet aan hem toe te rekenen
beslissingen na de verkrachting al in september 1993 met de HBO-studie
maatschappelijk werk had kunnen beginnen.

2.6. De bezwaren van gedaagde worden verworpen. De niet aan de verkrachting
toe te rekenen eigen keuzes van eiseres zijn ook in de situatie zonder
verkrachting aangenomen, zodat die eigen keuzes geen invloed op de schade
hebben. De vertraging van twee jaar, die geconstateerd wordt bij vergelijking
van de beide situaties, is niet het gevolg van die eigen keuzes maar van de
terugval in de psychische toestand van eiseres, waaromtrent in het vonnis
d.d. 2 augustus 1996 al is beslist dat deze aan de verkrachting door gedaagde
moet worden toegerekend. Die terugval leidde tot een tweede opname in
Overwaal, gevolgd door dagbehandelingen die tot juni 1994 hebben geduurd,
hetgeen heeft verhinderd dat eiseres in september 1993 met haar nieuwe studie
kon beginnen. Vervolgens hebben de nabehandeling en het vrijwilligerswerk een
extra jaar vertraging tot september 1995 opgeleverd. Het was redelijk, dat
eiseres niet direct na de dagbehandeling haar studie heeft hervat, doch in de
periode van de nabehandeling het advies van haar behandelend therapeut heeft
gevolgd eerst een jaar vrijwilligerswerk te doen; dit “verloren” jaar blijft
dus gevolg van de verkrachting, waarmee deze alles bij elkaar twee jaar
vertraging heeft veroorzaakt.

2.7. De financiële gevolgen van de vertraging van twee jaar blijken uit de
volgende vergelijking.
Zonder verkr. Na verkr.
a) sept. 1993 t/m juli 1995 RWW RWW
b) aug. 1995 t/m juli 1997 ½ MBO-salaris RWW
c) aug. 1997 t/m juli 1998 ½ MBO-salaris ½ MBO-salaris
d) aug. 1998 t/m juli 2000 HBO-salaris ½ MBO-salaris
e) aug. 2000 etc. HBO-salaris HBO-salaris

Duidelijk is, dat eiseres over de periodes a, c en e geen schade heeft
geleden of nog zal lijden, omdat het inkomen over die periodes in de beide
situaties gelijk is. Ook in de periode b is er feitelijk geen sprake van
schade, omdat het netto-inkomen uit de part-time MBO-baan met ƒ 1.105,26
zelfs nog iets lager was dan de RWW-uitkering. Alleen in de twee jaar durende
periode d is er sprake van schade, omdat eiseres na de verkrachting in deze
periode slechts het part-time MBO-salaris zal ontvangen in plaats van het
full-time HBO-salaris. De schade per maand bedraagt ƒ 2.500 minus ƒ 1.100
geeft ƒ 1400, zodat de schade over de gehele periode van 24 maanden ƒ 33.600
bedraagt.

2.8 Gedaagde heeft een beroep op matiging gedaan conform artikel 109 lid 1
van Boek VI van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op gedaagdes onomstreden
mindere draagkracht, en de andere bedragen, waartoe hij in de vonnissen d.d.
3 februari 1995 en 2 augustus 1996 reeds is veroordeeld, vindt de rechtbank
termen gedaagdes verplichting tot schadevergoeding voor de inkomstenschade te
matigen tot ƒ 25.000, doch een verdere matiging acht de rechtbank gelet op de
ernst van het schadeveroorzakende feit niet aanvaardbaar.

2.9. Eiseres heeft in haar laatste akte nog een nieuw element aan de
inkomstenschade toegevoegd: omdat iedere vergoeding voor dergelijke schade
tot gevolg kan hebben dat haar RWW-uitkering wordt gekort of dat eerder
gedane RWW-uitkeringen worden teruggevorderd, meent eiseres dat die
RWW-uitkeringen niet als inkomen in de schadeberekeningen mogen worden
betrokken. Het risico van terugvordering van eerder gedane RWW-uitkeringen
loopt eiseres echter niet. Terugvordering ex art. 82 aanhef en sub a Abw is
alleen mogelijk, indien de later verkregen middelen betrekking hebben op een
periode waarover bijstand is verleend. Dat is in casu niet het geval: de
inkomstenschade-vergoeding heeft niet betrekking op enige periode, waarin
eiseres RWW heeft ontvangen of nog zal ontvangen, maar op de periode waarin
zij het MBO-salaris zal ontvangen. De door gedaagde te betalen
schadevergoeding zou daarom hooguit kunnen betekenen, dat eiseres teveel
vermogen krijgt om na de betaling aanspraak te kunnen maken op een
RWW-uitkering. Om een probleem in dit verband te voorkomen, zal de rechtbank
de verplichting van gedaagde tot vergoeding van de schade pas laten ingaan op
1 augustus 1998, de datum waarop eiseres ook pas voor het eerst
inkomstenschade lijdt. Op die manier wordt ook het probleem voorkomen, dat de
inkomstenschade, als zij vroeger vergoed zou worden, contant moeten worden
gemaakt.

2.10. Met de toewijzing van het bedrag van ƒ 25.000 per 1 augustus 1998 en de
eerdere toewijzing van het bedrag van ƒ 55 in het vonnis d.d. 2 augustus 1996
is de vordering van eiseres sub a (zie de opsomming in r.o. 2.1. van het
vonnis d.d. 8 april 1994) volledig afgedaan. De vorderingen sub b, c en e
zijn al eerder afgedaan. Van de sub d gevorderde rente resteert alleen de
rente over het bedrag van ƒ 25.000, die zal worden toegewezen.

2.11. Dan resteert nog de eisvermeerdering met het bedrag van ƒ 2.500 ter
zake van de therapie bij de Rutgerstichting. De kosten van deze therapie zijn
in het tussenvonnis d.d.2 augustus 1996 in beginsel toewijsbaar geacht, maar
eiseres moest onder meer nog stukken in het geding brengen waaruit blijkt dat
deze kosten niet vergoed worden. Dergelijke stukken heeft eiseres niet
overgelegd, zodat haar stelling van het niet vergoed worden van deze kosten
als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen en deze schadepost zal
worden afgewezen.

2.12 Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de
proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt gedaagde om op 1 augustus 1998 aan eiseres te betalen een bedrag
van ƒ 25.000 (vijfentwintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke
rente over dat bedrag vanaf 1 augustus tot de dag der voldoening;
veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, aan de zijde van eiseres
tot op heden begroot op ƒ 5.985,27, waarvan:

– ƒ 1.430 wegens in debet gesteld recht
– ƒ 150 wegens betaald vast recht
– ƒ 310,27 wegens deurwaarderskosten (kantoor Haesen te Helmond)
– ƒ 4.095 wegens salaris en verschotten procureur te voldoen aan de griffier
van deze rechtbank, bij voorkeur door gebruik te maken van de vanwege de
griffier toe te zenden acceptgirokaart;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr Pinckaers

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 2 april 1997

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Advocate wenst ontbinding van haar arbeidsovereenkomst omdat de verhouding
tussen haar en de directeur zodanig is verstoord dat een verdere samenwerking
niet meer mogelijk is. De arbeidsomstandigheden bij verweerster zijn zo
slecht dat zij daardoor definitief situatief arbeidsongeschikt is geworden.
In de loop van één jaar zijn twintig werknemers afgehaakt. De directeur
vertoont onberekenbaar en tiranniek gedrag, hij eist een uitputtende
arbeidsinzet, zet medewerkers voor schut ten opzichte van derden, scheldt en
tiert en intimideert en maakt sexistische dubbelzinnige woordspelingen. De
directeur oefent psychologische terreur uit.
De kantonrechter stelt voorop dat een advocaat-stagiaire ten opzichte van
haar patroon in een afhankelijke positie verkeert. Zij is werknemer en moet
dus het gezag van de werkgever aanvaarden en dit vergt van de werkgever tact,
geduld en respect. Volgens de kantonrechter is duidelijk geworden dat de
directeur zich niet als een goed werkgever heeft gedragen. Hij heeft de
stagiaire op blote voeten de parkeerplaats opgestuurd om een cliënte te
overreden weer terug te komen, zij moest 50 tot 60 uren werken zonder dat
overuren werden betaald, en in ruim één jaar heeft zij slechts drie vrije
dagen genoten. Ook werd een cursus van de stagiaire afgebroken. Zij is
onvoldoende in staat gesteld cursussen te volgen, zij moest te frequent
zittingen bijwonen. Bovendien is zij telefonisch geïntimideerd door de
directeur en heeft hij sexistische taal gebruikt. Dit alles leidt tot een
ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een schadevergoeding van ƒ 20 000
(factor C wordt op vijf gesteld).

Volledige tekst

Beoordeling van het geschil

1. A.H.J.R. is op 17 juli 1995 in dienst getreden als advocaat en
procureur op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te
weten voor de duur van de stage, voor 40 uren per week. Sinds 5
september 1996 is A.H.J.R. wegens ziekte niet geschikt tot het
verrichten van de bedongen arbeid. Haar salaris bedraagt thans ƒ 3750
bruto per maand. A.H.J.R. is thans 26 jaar oud.

2. Verzoeker wenst ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen
partijen. Zij stelt daartoe, kort samengevat, dat de verhoudingen tussen
partijen en met name die tussen haar en de directeur van de
vennootschap, verder R.M. of de directeur, zodanig zijn verstoord dat de
aanwezigheid van veranderingen in de omstandigheden buiten kijf is. Zij
vraagt een vergoeding van ƒ 50 000 bruto terzake van materiële en ƒ 25
000 terzake van immateriële schade.
Aan dit verzoek wordt ten grondslag gelegd dat de arbeidsomstandigheden
bij verweerster zo slecht zijn dat A.H.J.R. daardoor definitief
situatief arbeidsongeschikt is geworden. In de loop van één jaar zijn 20
werknemers afgehaakt. De directeur veroorzaakt deze slechts
arbeidsomstandigheden door onberekenbaar en tiranniek gedrag. Hij eist
een uitputtende arbeidsinzet, zet medewerkers voor schut ten opzichte
van derden, scheldt en tiert en intimideert en maakt seksistische
dubbelzinnige woordspelingen. R.M. misbruikt de afhankelijkheidspositie
waarin werknemers verkeren en oefent psychologische terreur uit en neemt
meer zaken aan dan hij kan verwerken. Tijdens haar arbeidsongeschiktheid
is A.H.J.R. nog telefonisch geïntimideerd.
De BV voert verweer. De arbeidstijden liggen tussen 9.00 uur tot 19.00
uur. Het bedrijf heeft in 1995 een stormachtige groei doorgemaakt.
Daardoor was het nodig dat langer moest worden doorgewerkt. Piekperiodes
zijn er zeker geweest. Verweerster heeft niet meer zaken aangenomen dan
zij aankon. Aannamebeleid, tarievenbeleid en debiteurenbeleid zijn zaken
die verweerster en niet A.H.J.R. aangaan.
In een jaar tijd zijn geen 20 werknemers opgestapt. Van een
ondergeschikte relatie tussen A.H.J.R. en R.M. was geen sprake. Van
intimidatie is geen sprake. Bij de verklaring van mevr. Ris, die door
verzoekster is overgelegd, wordt de kanttekening geplaatst dat zij
slechts zes weken bij verweerster heeft gewerkt. Een vergoeding van
maximaal ƒ 3375 lijkt aangewezen. Verweerster doet een zelfstandig
verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

3. De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.
De kantonrechter stelt voorop dat een advocaat-stagiaire ten opzichte
van haar patroon in een afhankelijke positie verkeert. De stagiaire is
werknemer en moet dus het gezag van de werkgever aanvaarden maar moet
ook, zeker in de beginfase, veel leren en pleegt daarin kritisch te
worden gevolgd. Partijen hebben afgesproken dat de stagiaire slechts
gehouden zal zijn de aanwijzingen van de werkgever op te volgen voor
zover deze verenigbaar zijn met haar onafhankelijkheid als advocaat en
procureur. De werkgever van een advocaat-stagiaire dient zich als een
goed werkgever te gedragen tegenover de stagiaire als werknemer. Dit
vergt onder de bovengenoemde omstandigheden tact, geduld en respect.
Voldoende is aannemelijk geworden dat R.M. zich niet jegens A.H.J.R. als
goed werkgever heeft gedragen.
Voldoende is aannemelijk geworden dat A.H.J.R. met blote voeten op de
parkeerplaats (waar een cliënt kennelijk de auto had geparkeerd) in
opdracht van R.M. pogingen in het werk heeft moeten stellen de cliënt
weer te bewegen naar het kantoor te gaan alwaar even tevoren een gesprek
over een declaratie tussen de directeur van verweerster en de cliënt
niet in goede harmonie was geëindigd.
Voorts is aannemelijk geworden dat A.H.J.R. per week 50 tot 60 uren
diende te arbeiden zonder dat overuren betaald werden en dat in de
periode 19 juli 1995 tot en met 5 september 1996 slechts 3 snipperdagen
zijn genoten.
Voorts is genoegzaam aannemelijk geworden dat de directe aanleiding tot
de arbeidsongeschiktheid is geweest de wijze waarop R.M. A.H.J.R.
telefonisch heeft bejegend. Ook is aannemelijk geworden dat verweerster
soms A.H.J.R. in de gelegenheid stelde cursussen te volgen en die voor
te bereiden maar ook is door A.H.J.R. aannemelijk gemaakt dat het is
voorgekomen dat A.H.J.R. dwingend verzocht is een door haar op dat
moment gevolgde cursus jaarrekeninglezen te onderbreken. Ook is
aannemelijk geworden dat A.H.J.R. door het toedoen van de directeur van
verweerster onvoldoende in de gelegenheid is gesteld bepaalde cursussen
zoals keuzevak arbeidsrecht en praktijkblok III wel te volgen.
Ook zonder dat voldoende duidelijk is geworden dat A.H.J.R. met grote
regelmaat en zonder veel voorbereidingstijd op zaken van mr. R.M. werd
gezet, is aannemelijk geworden dat A.H.J.R. in de periode van 1 januari
1996 tot 5 september 1996 zeer veel zittingen heeft moeten bijwonen en
bezoeken aan cliënten heeft moeten brengen, zonder dat voor een
eerstejaars stagiaire als verzoekster voldoende rust voor voorbereiding
en studie is geboden.
Tenslotte is door A.H.J.R. genoegzaam aannemelijk gemaakt dat zij in de
dagelijkse omgang met mr. R.M. onaangenaam getroffen is door het
kennelijk telkens herhaald gebruik van het woord copuleren (voor
copiëren), maar ook de ongepaste beziging, in het bijzijn van twee
cliënten, van het woord klaarkomen (voor de omstandigheid dat een
gesprek is geëindigd) en opmerkingen over het aantrekkelijkheidsgehalte
van A.H.J.R.’s stem alsmede door R.M.’s plotselinge en zonder enige
aanleiding plaatsvindende stemmingsveranderingen die zich uitten in
woede-uitbarstingen.
De kantonrechter is van oordeel dat zich veranderingen in de
omstandigheden hebben voorgedaan die er billijkheidshalve toe dienen te
leiden dat de arbeidsovereenkomst spoedig eindigt.
De kantonrechter acht het voorts billijk dat aan A.H.J.R. een vergoeding
wordt toegekend. Een immateriële schadevergoeding is naar het oordeel
van de kantonrechter in zoverre niet op haar plaats dat voor nadeel dat
niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te
stellen schadevergoeding aanwezig is en terzake van een ontbinding van
de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen geen schadevergoeding
maar een vergoeding naar billijkheid kan worden toegekend. Wel bepaalt
de kantonrechter de factor C in de kantonrechtersformule A x B x C in
casu op 5, omdat naar het oordeel van de kantonrechter ernstige
verwijten aan R.M. BV kunnen worden gemaakt terzake van de eindiging van
de arbeidsovereenkomst. De vergoeding wordt afgerond op ƒ 20 000.
(…)

Rechters

Mr. De Laat

Instantie: Rechtbank Arnhem, 2 april 1997

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres vordert van gedaagde schadevergoeding van ƒ 15 000, een straatverbod
en het ondergaan van een HIV-test omdat hij haar heeft verkracht. De
president van de rechtbank veroordeelt gedaagde om aan eiseres een voorschot
op de schadevergoeding van ƒ 15 000 te betalen, hij verbiedt gedaagde om zich
gedurende één jaar op het terrein van het psychiatrisch ziekenhuis, waar
eiseres verblijft, te bevinden op verbeurte van een dwangsom. Bovendien moet
gedaagde binnen vijf dagen na betekening van het vonnis op eigen kosten een
HIV-test ondergaan, onder verbeurte van een dwangsom.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en
bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
Gedaagde is noch in persoon, noch vertegenwoordigd door een procureur ter
terechtzitting verschenen.
De advocaat van eiseres heeft de vorderingen toegelicht.
Daarbij heeft zij producties in het geding gebracht.
Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

De verstekverlening

De voor de dagvaarding voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen.
Overeenkomstig het verzoek van eiseres wordt daarom verstek verleend tegen
gedaagde.

De vaststaande feiten

Als onweersproken staat tussen partijen vast hetgeen door eiseres in de
dagvaarding is gesteld.

De vordering

Eiseres vordert, kort gezegd:
a. gedaagde te vorderen tot betaling van ƒ 15 000,
b. gedaagde te verbieden zich op het terrein van het Psychiatrisch Ziekenhuis
Wolfheze te bevinden en binnen een straal van een kilometer rond genoemd
terrein, op straffe van verbeurte van een dwangsom,
c. gedaagde te gebieden op eigen kosten een HIV-test te ondergaan, op straffe
van verbeurte van een dwangsom.

De beoordeling van de vordering

Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van
eiseres.
Het gevorderde komt voorshands noch onrechtmatig noch ongegrond voort. Het
zal daarom worden toegewezen. Wel is er aanleiding het totaal van de
gevorderde dwangsommen aan maxima te binden.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van dit kort
geding worden verwezen.

De beslissing

De president

1. veroordeelt gedaagde om aan eiseres bij wijze van voorschot op de
schadevergoeding te betalen een bedrag van ƒ 15 000 (vijftienduizend gulden),

2. verbiedt gedaagde om zich gedurende één jaar na betekening van dit vonnis
te bevinden op het terrein van het Psychiatrisch Ziekenhuis Wolfheze en
binnen een straal van één kilometer rond het terrein van genoemd ziekenhuis,

3. veroordeelt gedaagde om ingeval hij (na betekening van dit vonnis) het
onder 2 vermelde verbod overtreedt, aan eiseres een dwangsom te betalen van ƒ
500 per overtreding, echter tot een maximum van ƒ 5000,

4. veroordeelt gedaagde om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis op
eigen kosten een HIV-test te ondergaan met bepaling dat, ter keuze van
gedaagde, de uitslag van de test binnen 2 dagen na het bekend worden daarvan
schriftelijk wordt medegedeeld aan de advocaat van eiseres door de arts van
gedaagde, dan wel dat een machtiging wordt verleend aan de arts of de dienst
die het onderzoek doet verrichten om de uitslag hiervan schriftelijk aan de
advocaat van eiseres mee te delen,

5. veroordeelt gedaagde om ingeval hij (na betekening van dit vonnis) in
gebreke mocht blijven aan de onder 4 vermelde veroordeling te voldoen, aan
eiseres een dwangsom te betalen van ƒ 500 per dag, echter tot een maximum van
ƒ 5000,

6. veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseres bepaald op ƒ 800 voor salaris en op ƒ
530,45 voor verschotten,

7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8. weigert het anders of meer gevorderde.

Rechters

Mr Van Rossem