Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is bij de wederpartij, een rooms-katholiek ziekenhuis, werkzaam
als pastoraal medewerkster. Zij is vrijzinnig protestant. Haar collega is
katholiek priester. De verhoudingen tussen verzoekster en haar collega zijn
zodanig verstoord geraakt, dat verzoeksters collega niet meer met haar wenst
samen te werken. De wederpartij is voornemens de arbeidsovereenkomst met
verzoekster te beëindigen. Volgens verzoekster houdt de keuze van de
wederpartij om de arbeidsovereenkomst met haar te beëindigen in plaats van
die met haar rooms-katholieke collega verband met haar geloofsovertuiging. De
Commissie acht dit op grond van de feiten en omstandigheden echter niet
aannemelijk.
Verzoekster stelt voorts dat een en ander verband houdt met het feit dat zij
in deeltijd werkzaam is. De wederpartij heeft erkend dat dit bij haar
beslissing mede een rol heeft gespeeld. De Commissie concludeert op grond
daarvan dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond van verschil in
arbeidsduur, doch acht dit objectief gerechtvaardigd. Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 14 februari 1997 verzocht mevrouw (….) te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of (….) te Roosendaal (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling
(hierna AWGB).

1.2. Verzoekster was parttime werkzaam als protestantse pastor bij de
wederpartij. Nadat verzoekster heeft aangegeven voor een vrijkomende fulltime
functie als pastoraal medewerker in aanmerking te willen komen, zijn er
problemen ontstaan met haar rooms-katholieke collega. De wederpartij heeft
naar aanleiding van deze problemen een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter. Verzoekster is van mening
dat het voornemen om de arbeidsrelatie te beëindigen verband houdt met haar
godsdienstige overtuiging en het feit dat zij in deeltijd werkzaam is.

I. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

A. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling genomen.
Verzoekster heeft de Commissie verzocht de spoedprocedure toe te passen. Dit
verzoek is toegewezen. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
toegelicht.

Partijen zijn vervolgens opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 18 maart 1997.

B. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….) (verzoekster)
– dhr. mr. J. Roeloff (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– (….) (directeur patiëntenzorg)
– (….) (pastoraal medewerker)
– (….) (pastoraal medewerker)
– dhr. mr. H.W.P.B. Taminiau (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. A.K. Kruyt (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een rooms-katholiek ziekenhuis. Op grond van het
patiëntenbestand is er in 1989 voor gekozen de pastorale dienst een
oecumenisch karakter te geven. Om die reden is besloten een pastoraal
medewerker uit de rooms-katholieke kerk en een uit de reformatorische kerk
aan te stellen.

Verzoekster is sinds 1 juli 1989 gedurende 16 uur per week bij de wederpartij
werkzaam als geestelijk verzorgster bij de pastorale dienst. Zij is
vrijzinnig protestant. Op eerdergenoemde datum is tevens een rooms-katholieke
man als pastoraal medewerker benoemd. Hij werd aangesteld voor 40 uur per
week en vervulde sinds juni 1994 de functie van coördinator.

Op 15 maart 1992 is de pastorale dienst uitgebreid met een rooms-katholieke
priester. Ook hij vervulde zijn functie fulltime.

3.2. Doordat verzoeksters oudste collega vertrok, ontstond er met ingang van
1 april 1996 een vacature. Naar aanleiding daarvan heeft verzoekster de
wederpartij te kennen gegeven voor een fulltime dienstverband in aanmerking
te willen komen.

Hierover heeft zij op 10 december 1995 een gesprek gevoerd met de directeur
patiëntenzorg (hierna: de directeur). De directeur heeft tijdens dit gesprek
verklaard ten principale geen bezwaar te hebben tegen uitbreiding van
verzoeksters uren. De omstandigheid, dat het oecumenisch karakter van de
pastorale dienst hierdoor in samenstelling zou veranderen, vormde voor hem
geen probleem. Bovendien waren mogelijke problemen met zalving van zieken in
de praktijk opgelost, doordat dergelijke handelingen in crisissituaties niet
slechts door de priester maar ook door diens collega’s werden verricht. Wel
moest in ieder geval een oplossing komen voor de bereikbaarheid van de
pastorale dienst. Daarbij waren al jaren problemen gezien onder meer de
relatief lage bezetting van de pastorale dienst.

3.3. Verzoeksters collega heeft in eerste instantie niet afwijzend op haar
voorstel gereageerd. Op 20 december 1995 heeft de collega verzoekster een
brief gestuurd, waarin hij een aantal kanttekeningen bij de voorstellen van
verzoekster betreffende de bereikbaarheid van de pastorale dienst heeft
geplaatst.

Vervolgens hebben diverse gesprekken plaatsgevonden. Tijdens deze gesprekken
heeft verzoeksters collega te kennen gegeven niet fulltime met verzoekster te
willen samenwerken.

Om tot een oplossing van deze problemen te komen heeft de wederpartij een
organisatie-adviesbureau ingeschakeld, waarna gesprekken onder begeleiding
van een psycholoog hebben plaatsgevonden. Tijdens één van deze gesprekken
heeft de collega aangegeven helemaal niet meer met verzoekster te willen
samenwerken. Het organisatie-adviesbureau heeft de opdracht vervolgens
teruggegeven aan de directie.

In het eindverslag van het organisatie-adviesbureau is onder meer gesteld dat
het kernconflict een ernstig verstoorde vertrouwensrelatie is tussen
verzoekster en haar collega. Door een gebrekkige en onvolledige manier van
communiceren zijn er interpretatieverschillen ontstaan, waardoor
meningsverschillen buiten de perceptie van beide partijen geplaatst zijn.
Door verzoeksters collega zijn onenigheden of meningsverschillen onbelangrijk
gemaakt; hierbij speelde mee dat de onenigheden weinig impact hadden vanwege
de beperkte taakomvang van verzoekster. Door verzoekster is het niet verder
bespreken van deze zaken als instemming of oplossing opgevat. Het conflict is
volgens het eindverslag actueel geworden door het vertrek van de pastoraal
medewerker.

3.4. Tijdens een gesprek op 7 juli 1996 is verzoekster meegedeeld dat de
relatie tussen haar en haar collega te zeer verstoord werd geacht voor een
verdere samenwerking. Bij brief van 30 juli 1996 heeft het hoofd
personeelszaken een aantal voorstellen gedaan om tot beëindiging van de
arbeidsrelatie te komen. Eén van de voorgestelde opties betrof een
gedeeltelijke beëindiging. Verzoekster zou voor acht uur per week een andere
functie kunnen vervullen. Verzoekster wilde deze functie slechts aanvaarden
indien de geldende arbeidsvoorwaarden – een aanstelling voor 16 uur per week
– van kracht zouden blijven. Dit is door de wederpartij van de hand gewezen.

De wederpartij heeft verzoekster na een op non-aktiefstelling geschorst.
Verzoekster heeft een dagvaarding uitgebracht tot opheffing van deze
schorsing. De wederpartij heeft inmiddels een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst ingediend bij de kantonrechter, waarvan de mondelinge
behandeling is bepaald op 7 april 1997

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

De richtlijn van de Europese Commissie van november 1996 betreffende de
omkering van de bewijslast bij discriminatie op grond van geslacht moet
analoog worden toegepast: de wederpartij dient te bewijzen dat deze met haar
gebrekkige motivering voor haar handelen geen discriminatoire overwegingen
een rol heeft laten spelen.
De motivering van de wederpartij ter beëindiging van de arbeidsrelatie met
haar luidde tijdens het gesprek van 7 juli 1996 als volgt:
– `in dit ziekenhuis, in Roosendaal, is de oplossing om pastor Van Spreeuwel
te ontslaan niet haalbaar’;
– `bij ontslag of vrijwillig vertrek van pastor Van Spreeuwel komt de
continuïteit van de pastorale dienst in gevaar’.
Dat de wederpartij de arbeidsrelatie met verzoekster wil beëindigen in plaats
van die met haar rooms-katholieke collega houdt verband met verzoeksters
godsdienstige overtuiging en het feit dat zij in deeltijd werkt.

3.6. De bij 3.5. als eerst genoemde reden, namelijk dat de oplossing om
verzoeksters collega te ontslaan niet haalbaar is in het ziekenhuis in
Roosendaal, leidt tot strijd met het bepaalde in artikel 5, eerste lid,
onderdeel b, AWGB. De wederpartij kiest er immers voor om, gelet op de
rooms-katholieke grondslag van het ziekenhuis, een rooms-katholiek pastoraal
medewerker in dienst te houden ten koste van een protestantse pastoraal
medewerkster. Feitelijk zijn hiervoor geen redenen: verzoekster heeft zich
steeds positief opgesteld en zich bereid verklaard tot een oplossing van de
problemen te komen, terwijl haar collega gedurende de bemiddelingspoging van
het organisatie-adviesbureau heeft gesteld niet meer met verzoekster te
willen samenwerken.

Verzoekster bestrijdt dat bij de wederpartij sprake is van een katholieke
signatuur. Artikel 2 lid 1 van de statuten van het ziekenhuis spreekt niet
van de katholieke maar van de christelijke visie op de mens als norm. Het
verbinden van een oecumenisch karakter aan de pastorale dienst is dus in
werkelijkheid slechts het voldoen aan een voorwaarde die de statuten allang
stellen. Derhalve spreekt reeds uit het feit dat de wederpartij in haar
verweerschrift stelt dat dit is geschied `alhoewel het ziekenhuis een
katholieke signatuur kent’ reeds een vermoeden dat deze zich zonder
objectiveerbare reden heeft laten leiden door een overwegend katholieke
opvatting hetgeen in het nadeel is van verzoekster.

Aangezien de pastorale dienst reeds jarenlang een oecumenische samenstelling
heeft, kan de wederpartij geen beroep doen op de in artikel 5, tweede lid,
AWGB genoemde uitzondering.

3.7. De wederpartij maakt daarnaast onderscheid op grond van arbeidsduur.
Verzoekster dient als parttimer immers te wijken voor een fulltimer.

De wederpartij heeft als tweede argument voor de beëindiging van het
dienstverband met verzoekster aangegeven dat de continuïteit van de pastorale
dienst in gevaar zou komen, indien verzoeksters collega ontslagen zou worden.
Dit argument is onjuist.

Er zijn kandidaten beschikbaar die de vacature van rooms-katholiek pastoraal
medewerker kunnen vervullen.

Dat de communicatie tussen verzoekster en haar twee katholieke collega’s niet
optimaal was, was een gevolg van verschillen in uitgangspositie en cultuur.
Verzoekster is parttimer, protestant, een vrouw en afkomstig uit de randstad.
Haar collega’s waren man, rooms-katholiek en afkomstig uit Noord-Brabant.
Doordat zij bovendien fulltime werkten was er veelal sprake van
coalitievorming en werd verzoekster regelmatig informatie onthouden. Zij
hadden verzoekster niet nodig want ze hadden elkaar. Verzoekster voelde zich
hierdoor buitengesloten. Zij heeft dit wel eens aan de orde gesteld, maar
werd daarin niet serieus genomen.

Verzoekster is steeds bereid geweest om tot een oplossing te komen. Tijdens
het bemiddelingstraject heeft zij laten weten van haar optie op een fulltime
functie af te zien omdat dit belemmerend zou kunnen werken. Dit heeft echter
geen verandering gebracht in het standpunt van haar katholieke collega dat
geen samenwerking meer mogelijk was.

De beweerderlijke conflicten in de pastorale dienst zijn pas ontstaan toen
verzoekster solliciteerde naar de fulltime functie. Indien er reeds eerder
problemen waren geweest, had de directeur hiervan kunnen weten. De laatste
heeft vervolgens nagelaten zijn gezagsrecht aan te wenden door verzoeksters
katholieke collega op te dragen mee te werken met het
organisatie-adviesbureau, bij gebreke waarvan de portefeuillekwestie aan deze
collega gesteld had moeten worden. De directeur heeft dit ook nagelaten toen
verzoekster meedeelde desnoods bereid te zijn haar sollicitatie in te
trekken. Verzoekster meent dat de direkteur is gaan veinzen dat er problemen
waren rond de persoon van verzoekster om daardoor de katholieke collega de
hand boven het hoofd te kunnen houden, aangezien diens ontslag binnen het
ziekenhuis om welke reden dan ook niet haalbaar was.
Ten aanzien van de gestelde problemen met overdracht van patiënten verwijst
verzoekster naar het verslag van het organisatie-adviesbureau waarin staat,
dat in de praktijk de dominee patiënten overdraagt maar zij zelden of nooit
patiënten overgedragen krijgt.

3.8. De wederpartij stelt het volgende.

De reden om het dienstverband met verzoekster te willen beëindigen is gelegen
in een volstrekte onverenigbaarheid van karakters tussen verzoekster en haar
collega. De wederpartij heeft getracht het conflict op te lossen door
bemiddeling. Dit bleek echter niet mogelijk. De wederpartij wenst geen van
beiden verwijten te maken terzake de veroorzaking van de impasse.

Hoewel in dit licht in theoretische zin gekozen had kunnen worden voor
bestendiging van de parttime aanstelling van verzoekster is daarvoor
welbewust niet gekozen. Het conflict is immers niet (meer) bij wege van
bemiddeling oplosbaar, terwijl anderzijds zodanige klachten naar boven zijn
gekomen met betrekking tot het functioneren van verzoekster dat, nu zij
daarop op generlei wijze aanspreekbaar was en er ook op korte of langere
termijn geen enkele verbetering in de relationele verhoudingen binnen de
pastorale dienst te verwachten valt, er geen andere reële oplossing meer
voorhanden is. Vanwege het functioneren van verzoekster alsmede het feit dat
haar collega in het ziekenhuis zeer geliefd is en door medewerkers en
patiënten op handen wordt gedragen, is besloten dat het dienstverband met
verzoekster beëindigd zou worden. De door verzoekster aangehaalde reden dat
het ontslag van haar collega in dit ziekenhuis niet haalbaar zou zijn, heeft
te maken met voormeld uitstekende functioneren van haar collega. Het heeft
niets van doen met een onderscheid op grond van godsdienst.
De wederpartij stelt schriftelijk dat in haar organisatie geen onderscheid
tussen fulltimers en parttimers wordt gemaakt en dat de arbeidsduur van
verzoekster geen reden is om het dienstverband te verbreken. Ter zitting
onderstreept de wederpartij dat de onverenigbaarheid van karakters van
verzoekster en haar collega, het gebleken functioneren van verzoekster
alsmede het uitstekende functioneren van haar collega de grond vormden voor
de voorgenomen beëindiging van haar dienstverband. De wederpartij voegt hier
ter zitting aan toe, dat in de praktische afweging bij de keuze voor ofwel
verzoekster ofwel haar collega wel mede een rol speelt dat er bij het vertrek
van haar collega twee vacatures voor elk 100% zouden zijn en 0,4 fte zou
resteren. Het ontslag van verzoekster is echter ingezet op grond van de
andere, voorgaande redenen.

3.9. De problemen binnen de pastorale dienst kwamen begin 1995 naar buiten,
maar dateerden reeds van langer daarvoor. De samenwerking tussen partijen was
al langer ernstig verstoord. Men hield het werkbaar door zich niet met elkaar
te bemoeien, hetgeen mogelijk was door de parttime aanstelling van
verzoekster. Door dit laatste waren de overdrachtsmomenten relatief gering en
werd een en ander met de mantel der liefde bedekt. Op 30 mei en 17 oktober
1995 zijn twee bijeenkomsten ter verbetering van de samenwerking gehouden.
Tijdens deze bijeenkomsten zijn afspraken gemaakt, welke nooit zijn
uitgewerkt omdat de verhoudingen gespannen bleven en één van de pastors
besloot ontslag te nemen. Verzoekster had toen reeds de inschatting kunnen
maken dat een verzoek om een fulltime dienstverband niet het meest gelukkige
was.
Ook in die periode zocht zij al de schuld bij een ander en had zij een
verwrongen beeld van de werkelijkheid. Bij herhaling ontkende zij het bestaan
van problemen.

In verband met haar eis dat de bezwaren van collega’s hard gemaakt moesten
worden, achtte zij verwijzingen naar verslagen – waarvan een aantal aan de
Commissie zijn overgelegd – onvoldoende. Het beeld bij haar was steeds dat
het niet aan haar lag en zij zich altijd volledig had ingezet. Het feit dat
verzoekster ook thans nog de bereidheid zegt te tonen de problemen uit te
praten en een constructieve samenwerking op te bouwen, schetst haar irreële
houding.

De problemen binnen de pastorale dienst werden onder meer veroorzaakt door de
wijze waarop verzoekster haar parttime dienstverband invulde. Naast haar
functie bij de wederpartij heeft zij een parttime dienstverband in een
ziekenhuis te Schiedam terwijl zij in het verleden daarnaast nog een functie
had in een kerkelijke gemeente te Hoorn. Op zichzelf hoeft het parttime
vervullen van de functie van verzoekster geen probleem te zijn. Verzoekster
verlangde echter dat de werktijden voortdurend werden aangepast aan haar
andere dienstverband. De wederpartij heeft zich wat dit betreft steeds zeer
coulant opgesteld. Daarnaast bleek zij niet bereid werkzaamheden over te
nemen van haar collega’s. Voorts droeg zij nimmer patiënten aan haar
collega’s over, ook niet als zij voor langere tijd afwezig was. Verder
verzuimde zij de begeleiding van haar patiënten te documenteren.

Anders dan verzoekster doet voorkomen heeft de directeur patiëntenzorg nimmer
met haar verzoek om urenuitbreiding ingestemd. Hij heeft slechts verklaard
ten principale geen bezwaar te hebben, mits er een plan van aanpak zou komen
voor verbetering van de bereikbaarheid van de pastorale dienst waarover
overeenstemming met haar collega zou zijn. Deze laatste voorwaarde wordt door
verzoekster ten onrechte niet genoemd. Op het plan van aanpak van verzoekster
is door haar collega gemotiveerde kritiek geuit.

Verzoeksters collega was in eerste instantie overdonderd door de mededeling
van verzoekster dat zij fulltime zou gaan werken. Daardoor heeft hij niet
onmiddellijk bezwaar gemaakt. Na beter over de gang van zaken te hebben
nagedacht, heeft hij dit alsnog gedaan. Zijn bezwaren kwamen voort uit de
negatieve ervaringen met de wijze waarop verzoekster reeds in deeltijd
functioneerde. Naar aanleiding van het geschil dat hierover is ontstaan zijn
de communicatiestoornissen binnen de pastorale dienst aan het licht gekomen.

De wederpartij is van mening geenszins in strijd te hebben gehandeld met de
AWGB. Indien echter naar het oordeel van de Commissie wel sprake is van
strijd met deze wet, doet de wederpartij een beroep op de benodigde
beleidsvrijheid op grond van artikel 5, tweede lid, onderdeel a, AWGB.

De oud-collega van verzoekster bevestigt ter zitting de problemen met de
wijze waarop verzoekster haar parttime functie invulde en de
bemiddelingspogingen van de dienst personeelszaken. Reeds in 1990 en 1991 was
sprake van conflicten. Deze blijken uit de aan de Commissie overgelegde
verslagen. Verzoekster verweet haar collega’s gebrek aan collegialiteit bij
de afstemming van haar werktijden. Een goed functioneren binnen de pastorale
dienst en de bereikbaarheid daarvan is echter een probleem als verzoekster
een 50%-betrekking in Rotterdam en een 40%-betrekking in Roosendaal zó op
elkaar afgestemd wil zien dat dit samen in vier dagen te realiseren is,
terwijl zij in Den Haag woont hetgeen ook de nodige reistijd vraagt.
Voornoemde oud-collega was vanaf juni 1994 tevens coördinator binnen de
pastorale dienst. Ook bij deze taakvervulling ondervond hij problemen met
verzoekster. Hij bevestigt dat hij vanwege deze omstandigheden ontslag heeft
genomen. Tevens stelt hij het conflict naar buiten toe te hebben afgeschermd
vanwege de geloofwaardigheid en het beeld van de pastorale dienst.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door het voornemen om de
arbeidsovereenkomst met verzoekster te beëindigen jegens haar onderscheid
maakt op grond van godsdienst en op grond van arbeidsduur als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Ter beantwoording van de in geding zijnde vraag zijn de volgende
wetsartikelen van belang.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel b, AWGB bepaalt onder meer dat het maken van
onderscheid op grond van godsdienst verboden is bij het beëindigen van een
arbeidsverhouding.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. Onder indirect onderscheid op grond van
godsdienst wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan godsdienst, dat direct onderscheid op die grond tot gevolg
heeft.

In artikel 2 lid 1 AWGB wordt bepaald dat het in de wet neergelegde verbod
van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.

Artikel 7A:1637ij a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de werkgever
geen onderscheid mag maken tussen arbeiders op grond van een verschil in
arbeidsduur in de voorwaarden waaronder een arbeidsovereenkomst wordt
aangegaan, voortgezet dan wel beëindigd, tenzij een dergelijk onderscheid
objectief gerechtvaardigd is (Met ingang van 1 april 1997 is dit
artikelnummer gewijzigd in artikel 7:648 van het Burgerlijk Wetboek met
handhaving van de gestelde norm.).

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie is niet alleen sprake van
onderscheid als een van de in de wetgeving gelijke behandeling genoemde
gronden van onderscheid de enige of doorslaggevende reden vormt voor het
bestreden handelen, maar ook als deze (mede) een rol daarbij speelt (Zie
onder meer Commissie gelijke behandeling: 13 november 1995, oordeelnummer
95-17; 29 februari 1996, oordeelnummer 96-10; 19 maart 1996, oordeelnummer
96-16; 15 juli 1996, oordeelnummer 96-59.).

4.3. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij jegens
verzoekster onderscheid op grond van godsdienst met zich brengt, overweegt de
Commissie als volgt.

Vaststaat dat de wederpartij, na een vergeefse bemiddelingspoging met behulp
van een organisatie-adviesbureau, een onverenigbaarheid van karakters tussen
verzoekster en haar collega heeft geconstateerd. Louter het feit dat de
wederpartij gekozen heeft voor beëindiging de arbeidsverhouding met
verzoekster en niet met haar katholieke collega impliceert niet dat sprake is
van onderscheid op grond van godsdienst als bedoeld in de AWGB. Daartoe dient
aannemelijk te zijn dat de godsdienstige overtuiging van verzoekster bij die
beslissing mede een rol heeft gespeeld.

Verzoekster is van mening dat de uitspraak van de wederpartij dat het ontslag
van haar katholieke collega `in dit ziekenhuis, in Roosendaal, niet haalbaar
is’ alsmede het feit dat pas bij haar sollicitatie naar de fulltime functie
gerept werd van beweerdelijke conflicten, duiden op een onderscheid op grond
van godsdienst.
Gelet op de aan de Commissie overgelegde verslagen, de verklaring ter zitting
van de oud-collega van verzoekster alsmede de bevinding van het
organisatie-adviesbureau dat het conflict actueel werd door het vertrek van
de oud-collega, stelt de Commissie vast dat binnen de pastorale dienst reeds
problemen waren voordat verzoekster solliciteerde naar een fulltime functie.

Tevens staat vast dat – los van de vraag naar de verwijtbaarheid van de
conflicten – het functioneren van verzoekster in ieder geval onderwerp van
bespreking was, terwijl verzoeksters katholieke collega – zoals onbetwist is
gesteld – door medewerkers en patiënten op handen werd gedragen. De Commissie
acht het verweer van de wederpartij, inhoudende dat de opmerking over de
onhaalbaarheid van een ontslag van haar collega moet worden gezien in het
licht van zijn voormelde functioneren, dan ook aannemelijk.

Voorts staat vast dat de wederpartij in haar beleid heeft gekozen voor een
pastorale dienst met een oecumenische samenstelling. Bovendien moet worden
geconstateerd dat de directeur op zichzelf geen bezwaar heeft gemaakt tegen
de wijziging in deze samenstelling door verzoekster als protestant meer uren
ter beschikking te stellen ten koste van de uren die voorheen ter beschikking
stonden aan een rooms-katholiek. Tevens staat vast dat er in de praktijk een
oplossing was gevonden voor het
toedienen van sacramenten in crisissituaties wanneer geen priester
beschikbaar was.

Op grond van het voorgaande acht de Commissie de stelling van verzoekster,
dat de beslissing om de arbeidsovereenkomst met haar te beëindigen in plaats
van die met haar katholieke collega verband zou houden het haar godsdienstige
overtuiging, niet aannemelijk. Dit wordt naar het oordeel van de Commissie
niet anders door de stelling van verzoekster, dat een aanduiding voor
onderscheid op grond van godsdienst afgeleid kan worden uit de opvatting van
de wederpartij dat sprake is van een katholieke signatuur, terwijl deze
laatste volgens verzoekster niet uit de statuten blijkt.

Derhalve is de Commissie van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de
wederpartij jegens verzoekster onderscheid op grond van godsdienst heeft
gemaakt.

4.4. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij onderscheid op grond van een
verschil in arbeidsduur maakt door verzoekster als parttimer te willen
ontslaan, overweegt de Commissie als volgt.

Verzoekster heeft aangevoerd dat van bedoeld onderscheid sprake is gelet op
de uitspraak van de wederpartij dat bij ontslag van haar – fulltime – collega
de continuïteit van de pastorale dienst in gevaar zou komen. Ter zitting
heeft de wederpartij weliswaar gesteld dat de werkelijke grond voor het
voorgenomen ontslag van verzoekster niet gelegen is in het feit dat zij
parttime werkzaam is, maar eraan toegevoegd dat in de praktische afweging het
ontstaan van twee fulltime vacatures bij een eventueel ontslag van de
katholieke collega mede een rol speelde.

Dit laatste leidt – gelet op het aan het slot van het 4.2. gestelde – tot de
conclusie dat jegens verzoekster sprake is van onderscheid op grond van een
verschil in arbeidsduur.

Dit onderscheid is op grond van artikel 7A:1637ij a BW verboden tenzij het
onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond voor onderscheid op grond van verschil in arbeidsduur
aan de volgende criteria (Zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 1995-1996, 24
498, nr. 3, pag. 12-14 en pag. 22.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte van de organisatie;
– en deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel
te bereiken.

Het ligt op de weg van de wederpartij om een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan te voeren.

4.5. Gelet op hetgeen naar voren is gebracht gaat de Commissie ervan uit dat
het doel van de wederpartij is het handhaven van de continuïteit van de
pastorale dienst. Aan dit doel is elke discriminatie vreemd.

Het middel dat de wederpartij in deze zaak hanteert om dit doel te bereiken
is het voorgenomen ontslag van verzoekster als parttimer. Daarbij dient aan
de orde te komen of er sprake is van een werkelijke behoefte van de
organisatie, ter realisering waarvan het gekozen middel geschikt en
noodzakelijk is. De Commissie neemt hierna bij de beoordeling of aan deze
aspecten is voldaan deze criteria tezamen en beschouwt ze in onderling
verband.

Ten aanzien van de geschiktheid en noodzakelijkheid van het middel overweegt
de Commissie als volgt.

Vaststaat dat het personeelsbestand van de pastorale dienst beperkt is: men
heeft de beschikking over 2,4 fte’s, waarbij reeds een vacature is voor één
fte. Op grond van hetgeen door partijen naar voren is gebracht is aannemelijk
dat aan de continuïteit van de pastorale dienst, gelet op de aard van de
aldaar te verrichten werkzaamheden voor de patiënten, een zwaar gewicht wordt
toegekend. Indien de arbeidsovereenkomst met verzoeksters collega zou worden
ontbonden, zouden er twee fte’s onvervuld zijn en 0,4 fte resteren. Dit zou
de continuïteit van de pastorale dienst in gevaar brengen.

In deze zaak zijn echter nog andere feiten en omstandigheden van belang bij
de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardiging. Naast vergeefse
pogingen van de wederpartij het conflict door bemiddeling op te lossen en te
komen tot een minder vergaande oplossing dan het volledig beëindigen van het
dienstverband, moet worden geconstateerd dat het functioneren van verzoekster
niet onbesproken is, terwijl niet is betwist dat haar collega door
medewerkers en patiënten op handen werd gedragen.

In het licht van het voorgaande concludeert de Commissie, dat het onderscheid
op grond van verschil in arbeidsduur objectief gerechtvaardigd is en de
wederpartij derhalve niet in strijd met de wet heeft gehandeld.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Roosendaal jegens
mevrouw (….)
– geen onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel b van de Algemene wet gelijke behandeling en
derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld;
– onderscheid op grond van verschil in arbeidsduur heeft gemaakt als bedoeld
in artikel 7A:1637ij a van het Burgerlijk Wetboek, welk onderscheid echter
objectief gerechtvaardigd is, en derhalve niet in strijd met deze wet heeft
gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. A.K. Kruyt (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
beheerder. Hij is voor deze functie afgewezen, omdat de bewonerscommissie
zich verzette tegen de aanstelling van een allochtone beheerder. Hierna is
mondeling overeengekomen dat verzoeker een aanstelling zou krijgen voor een
andere vacature van beheerder. Deze arbeidsverhouding is echter vóór de datum
van aanstelling door de wederpartij beëindigd. De door de wederpartij
aangevoerde redenen voor beëindiging van de arbeidsverhouding acht de
Commissie niet overtuigend. Bij de beëindiging van de arbeidsverhouding heeft
de afkomst van verzoeker mede een rol gespeeld. Zowel bij de selectie als bij
de beëindiging direct onderscheid op grond van ras.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 september 1996 verzocht de heer (….) te Veenendaal (hierna:
verzoeker) de Commissie Gelijke Behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of door het bestuur van (….) te Veenendaal (hierna: de
wederpartij) jegens hem onderscheid op grond van ras is gemaakt in strijd met
de Algemene wet gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst en heeft bij twee dienstencentra
van de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van beheerder. Verzoeker is
voor beide vacatures afgewezen. Verzoeker is van mening dat de handelwijze
van de wederpartij in strijd is met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

1. De Commissie heeft het verzoekschrift in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 8 januari 1997.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker

– dhr. (….) (verzoeker)
– mw. (….) (vriendin van verzoeker)
– mw. (….) (medewerker ADB Arnhem)

van de kant van de wederpartij

– dhr. (….) (algemeen directeur)
– dhr. (….) (voorzitter bestuur)
– dhr. (….) (secretaris bestuur)

getuigen:
– mw. (….) (consulente Stichting Banenpool/Jeugdwerk- garantieplan)
– dhr. (….) (coördinator Stichting Banenpool/Jeugdwerk-garantieplan)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij beheert verscheidene dienstencentra voor ouderen in
Veenendaal. In deze dienstencentra worden activiteiten voor ouderen
georganiseerd ter bevordering van hun welzijn.

De Stichting Banenpool/Jeugdwerkgarantiewet Veenendaal, hierna te noemen de
bemiddelende organisatie, bemiddelt ingeschreven werkzoekenden voor een
tijdelijk dienstverband bij organisaties als de wederpartij. Verzoeker is
door het arbeidsbureau aangemeld als werkzoekende in het kader van de
banenpoolregeling. Op die basis tracht de bemiddelende organisatie een
passende banenpoolbaan voor hem te vinden.

Wanneer de wederpartij met de bemiddelende organisatie tot overeenstemming
komt over een aanstelling geschiedt deze op basis van een zogenaamde
inleenplaatsenovereenkomst met de bemiddelende organisatie. Dit houdt in dat
de kandidaat wordt gedetacheerd bij de wederpartij en deze zorgt voor de
feitelijke begeleiding.
De bemiddelende organisatie fungeert als formele werkgever.

3.2. Op 18 maart 1996 heeft de consulente van de bemiddelende organisatie aan
verzoeker een vacature voor beheerder van het dienstencentrum (….) (verder:
het eerste dienstencentrum) voorgelegd. Verzoeker was geïnteresseerd en er
werd een sollicitatiegesprek gehouden op 25 maart 1996 met de ouderenwerkster
van het eerste dienstencentrum.

3.3. Het eerste gesprek met de ouderenwerkster verliep positief, zodat er een
vervolggesprek afgesproken werd met de directeur van de wederpartij op 28
maart 1996 in het eerste dienstencentrum.
Op 27 maart 1996 kreeg verzoeker bericht dat het gesprek met de directeur
verzet was naar een ander dienstencentrum van de wederpartij, te weten het
dienstencentrum (….) te Veenendaal (verder: het tweede dienstencentrum).
Het tijdstip was met een half uur vervroegd.

3.4. De reden van deze wijziging was dat de bewonerscommissie van het
woonzorgcomplex (….) moeite had met een allochtone beheerder voor het
dienstencentrum, dat gehuisvest is in dit woonzorgcomplex.
Toen de bewonerscommissie begreep dat er een allochtone beheerder aangesteld
zou worden is de directeur met klem verzocht af te zien van deze aanstelling.

Terwille van de goede verstandhouding met de bewonerscommisieheeft de
directeur het besluit genomen verzoeker niet te plaatsen bij het eerste
dienstencentrum, maar verzoeker in aanmerking te laten komen voor de vacature
van beheerder bij het tweede dienstencentrum. Op het gesprek van 28 maart
1996 heeft de directeur deze situatie aan verzoeker uitgelegd. Tijdens dit
gesprek kwam de beheersing van de Nederlandse taal van verzoeker aan de orde
en werden verzoeker enkele vragen gesteld die verband hielden met zijn
Marokkaanse afkomst en zijn verblijfsstatus. Verzoeker ging akkoord met de
functie bij het tweede diensten-centrum.

3.5. Begin april 1996 kreeg de consulente van de bemiddelende organisatie
bericht dat het bestuur van de wederpartij akkoord was met de aanstelling van
verzoeker per 1 mei 1996 met een proeftijd van twee maanden. Afgesproken werd
dat verzoeker in april op een drietal middagen kennis zou komen maken met de
betrokkenen van het tweede dienstencentrum. De introductiemiddagen werden
gepland op 16, 19 en 29 april 1996. Dit is verzoeker schriftelijk
medegedeeld.

3.6. Op 16 april 1996 heeft de wederpartij een brief aan verzoeker gezonden
om de afspraak voor het kennismakingsgesprek van
16 april 1996 te verschuiven naar 18 april 1996. Het tijdstip werd met een
kwartier vervroegd. Verzoeker ontving dit bericht te laat en verscheen toch
op 16 april en vervolgens op de afspraken van 18 , 19 en 29 april 1996.
Verzoeker is een of enkele keren te laat gekomen op deze introductiemiddagen.
Partijen verschillen van mening hoe vaak dit is gebeurd en hoeveel te laat
verzoeker is verschenen.

Op 1 mei 1996, de datum waarop verzoeker in dienst zou treden bij de
wederpartij, kreeg de consulente van de bemiddelende organisatie bericht van
de wederpartij dat besloten was de aanstelling bij het tweede dienstencentrum
niet door te laten gaan vanwege het slordige omgaan met de afspraken door
verzoeker.

De standpunten van partijen

3.7. Verzoeker stelt het volgende.

Hij was zeer gemotiveerd om aan de slag te gaan.
De reden voor zijn afwijzing bij het eerste dienstencentrum en de vragen van
de directeur over zijn Marokkaanse afkomst, de beheersing van de Nederlandse
taal en zijn verblijfsstatus heeft hij als vernederend ervaren. Hij heeft
daarover niets gezegd omdat hij de baan graag wilde hebben en het werk hem
leuk leek.

Verzoeker voelt zich gediscrimineerd door de bewoners en de directeur. De
sfeer en de gang van zaken tijdens het gesprek met de directeur bevielen hem
slecht. Later heeft de directeur zijn excuses nog aangeboden voor uitspraken,
die verzoeker hebben gehinderd.

3.8. Volgens verzoeker waren de afgesproken tijdstippen van de
introductiemiddagen onduidelijk, ze wisselden per dag en werden naar believen
door de medewerkers van het dienstencentrum gewijzigd.
Verzoeker is alleen op 19 april vijf minuten te laat gekomen. Hij is daar op
aangesproken door de ouderenwerkster en heeft zijn excuses aangeboden. Op de
overige afspraken was hij op tijd.
Maandag 29 april heeft de vriendin van verzoeker uit voorzorg om circa 8.30
uur naar het dienstencentrum gebeld om te informeren hoe laat hij verwacht
werd aanwezig te zijn die dag. Het tijdstip was weer anders dan de afgelopen
dagen, namelijk 13.30 uur.
Toen hij wilde vertrekken bleek zijn auto mankementen te vertonen. Zijn
vriendin heeft het dienstencentrum om circa 11.30 uur gebeld om te melden dat
hij wat later aanwezig zou zijn dan gepland vanwege autopech. Met het
openbaar vervoer zou hij ook niet meer op tijd kunnen komen. Zijn vriendin
kreeg te horen dat verzoeker niet meer hoefde te komen.
Verzoeker besloot toch naar het dienstencentrum te gaan met zijn vriendin om
hierover een verklaring te krijgen.
Verzoeker stelt tenslotte dat de misgelopen afspraken plaatsvonden in het
kader van het voortraject. Hij is nu beoordeeld als een werknemer.
Ten gevolge van beide afwijzingen heeft verzoeker psychische en lichamelijke
klachten gekregen.

3.9. De wederpartij stelt het volgende.

Het bestuur heeft de procedure die door de betrokken medewerkers met
verzoeker is gevolgd, onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat – in de
gegeven omstandigheden – dezelfde handelwijze gevolgd zou zijn met welke
andere kandidaat dan ook.

Met verzoeker is gesproken over mogelijk voorkomende weerstanden tegen zijn
afkomst in de omgang met cliënten, uit voorzorg en om teleurstelling te
voorkomen. Bij de uitoefening van het ouderenwerk is helaas de ervaring
opgedaan dat bij veel ouderen moeilijk uit het hoofd te praten vooroordelen
leven over allochtonen. Uit een oogpunt van zorgvuldigheid is verzoeker
daarop gewezen. Verzoeker gaf aan hiervoor begrip te hebben. De directeur gaf
ter zitting aan dat wanneer hij in de schoenen van verzoeker had gestaan, hij
een dergelijke mededeling niet zo gemakkelijk zou hebben opgevat.

De directeur heeft gevraagd naar de beheersing van de Nederlandse taal van
verzoeker omdat hij niet in het bezit was van het curriculum vitae van
verzoeker; dat lag bij de bemiddelende organisatie. Verder heeft de directeur
wat vragen gesteld aan verzoeker over zijn Marokkaanse afkomst en zijn
verblijfsstatus uit belangstelling en om het ijs te breken voordat de
consulente van de bemiddelende organisatie arriveerde. Later heeft de
directeur zijn spijt betuigd voor zijn vraag naar de beheersing van de
Nederlandse taal, omdat hij merkte dat deze vraag verzoeker had gestoord.
Dat de medewerkers van de wederpartij zich aan enige vorm van discriminatie
schuldig zouden hebben gemaakt wordt zeer sterk betwijfeld. Het zijn namelijk
juist dezelfde medewerkers, die zich verleden jaar tegenover het bestuur
sterk hebben gemaakt voor het twee maal per week openstellen van één van de
activiteitencentra van de wederpartij voor oudere Marokkaanse inwoners.

De wederpartij betreurt het dat het besluit om de aanstelling niet door te
laten gaan bij verzoeker gevoelens van discriminatie teweeg heeft gebracht.
De feiten geven daartoe echter geen aanleiding, maar los daarvan heeft de
afkomst van verzoeker bij de besluitvorming geen enkele rol heeft gespeeld.

De reden dat niet is overgegaan tot aanstelling van verzoeker is de volgende.
Verzoeker is op drie afspraken te laat of niet verschenen. Bij het
dienstencentrum wordt grote waarde gehecht aan stiptheid. Er worden veel
activiteiten georganiseerd die vaste tijdstippen hebben. Van de beheerder
wordt verwacht dat hij op tijd zorgdraagt voor het klaarzetten van spullen
ten behoeve van deze activiteiten.

De ouderenwerkster heeft getracht verzoeker te bereiken om de afspraak van 16
april 1996 af te zeggen door persoonlijk een brief af te leveren en een
nieuwe afspraak te maken voor 18 april 1996. Omdat verzoeker geen telefoon
had, was hij moeilijk te bereiken. Deze brief heeft verzoeker niet op tijd
kunnen lezen. Hij verscheen dus wel op die afspraak echter om 13.50 uur in
plaats van 13.30 uur.

Het gesprek van 18 april was gepland om 13.15 uur. Verzoeker verscheen om
13.30 uur.
Op 29 april 1996 om 13.30 uur werd verzoeker weer op het dienstencentrum
verwacht. ’s Ochtends vroeg belde zijn vriendin naar het dienstencentrum met
de mededeling dat hij niet op de afspraak kon komen in verband met autopech.
Verzoeker had nog voldoende tijd om op tijd op het dienstencentrum te zijn.
Omdat dergelijk gedrag in de dagelijkse praktijk niet kan worden getolereerd
heeft de wederpartij de bemiddelende organisatie laten weten af te zien van
de aanstelling per 1 mei 1996.

3.10. Getuigenverklaring

De directeur en de consulente van de bemiddelende organisatie lichten de rol
en de werkzaamheden van hun organisatie toe. De consulente bevestigt dat de
afwijzing bij het eerste dienstencentrum het gevolg was van de houding van de
bewonerscommissie. Deze wilde geen beheerder van allochtone afkomst in het
gebouw. Dit was een heel vervelend feit waarvoor de wederpartij gelijk een
oplossing heeft aangedragen naar ieders tevredenheid door verzoeker in
aanmerking te laten komen voor de tweede vacature.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking alsmede bij het beëindigen van de
arbeidsverhouding onderscheid heeft gemaakt op grond van ras zoals verboden
in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB het
maken van onderscheid naar ras bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.
Artikel 5 lid 1 sub b AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1, onderscheid
naar ras bij het aangaan en het beëindigen van de arbeidsverhouding.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

4.3. In de AWGB is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de wet
neergelegde verbod van onderscheid op grond van ras. Niet gesteld noch
gebleken is dat deze uitzonderingen in dit geval relevant zijn.

4.4. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij aangesproken kan worden op
grond van artikel 5 AWGB overweegt de Commissie als volgt. Artikel 5 AWGB
verbiedt onderscheid op het gebied van arbeidsverhoudingen. In de Memorie van
Toelichting wordt hierover het volgende opgemerkt.

`Onder het begrip arbeidsverhouding valt in de eerste plaats de
arbeidsovereenkomst. Het begrip arbeidsverhouding is echter ruimer: hieronder
vallen al die vormen waarin onder gezag van anderen arbeid wordt verricht.’
(Memorie van Toelichting pag. 16 en 17.)

Nu de formele werkgever de uit het werkgeverschap voortvloeiende instructie-,
aanwijzings- en beoordelingsbevoegdheden heeft gedelegeerd aan de wederpartij
is er in casu sprake van het verrichten van arbeid binnen een
gezagsverhouding. Daarmee valt de relatie tussen de wederpartij en verzoeker
onder het begrip arbeidsverhouding en kan de wederpartij worden aangesproken
op grond van artikel 5 lid 1 AWGB.

4.5. De vraag die voorligt is of bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking bij het eerste dienstencentrum onderscheid naar ras is
gemaakt.

4.6. Alvorens de in geding zijnde vraag te beantwoorden merkt de Commissie op
dat het niet tot haar taak behoort om te beoordelen of iemand geschikt is
voor een functie.
Het is de taak van de Commissie om na te gaan of er bij de beoordeling van de
(mate van) geschiktheid onderscheid gemaakt is in strijd met de wet (Zie
onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
2 september 1992, oordeel 420-92-50 en 15 september 1992, oordeel 414-92-53
en Commissie gelijke behandeling, 30 september 1996, oordeel 96-78.).

4.7. Met betrekking tot de vacature bij het eerste dienstencentrum overweegt
de Commissie als volgt.
Het eerste sollicitatiegesprek was positief verlopen. Tijdens het tweede
sollicitatiegesprek deelde de directeur aan verzoeker mee dat hij niet in
aanmerking kwam voor de functie op het eerste dienstencentrum. Als reden
hiervoor gaf de directeur dat de bewonerscommissie zich verzette tegen de
aanstelling van een allochtone beheerder.
Op grond van deze feiten concludeert de Commissie dat de afkomst van
verzoeker de reden is voor zijn afwijzing voor de functie bij het eerste
dienstencentrum. Hiermee is door de wederpartij direct onderscheid gemaakt op
grond van ras jegens verzoeker als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a AWGB.

4.8. Met betrekking tot de aanstelling bij het tweede dienstencentrum
overweegt de Commissie als volgt.

De wederpartij heeft besloten verzoeker voor te dragen voor de vacature van
beheerder bij het tweede dienstencentrum. Verzoeker is hiermee akkoord
gegaan. Begin april 1996 is de consulente van de bemiddelende organisatie
gebeld door de wederpartij met de mededeling dat het bestuur akkoord was met
de aanstelling van verzoeker per 1 mei 1996, met een proeftijd van twee
maanden.
Op grond van deze feiten stelt de Commissie vast dat er sprake was van een
mondelinge overeenkomst over de aanstelling via de constructie van de
inleenplaatsenovereenkomst per 1 mei 1996. Deze arbeidsverhouding is vóór de
datum van aanstelling beëindigd door de wederpartij.

4.9. De vraag is in geding of bij de beëindiging van de arbeidsverhouding bij
het tweede dienstencentrum onderscheid naar ras is gemaakt.

Naar het oordeel van de Commissie is er niet alleen sprake van een door de
wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de uitsluitende aanleiding
voor een ongelijke behandeling vormt, maar tevens als deze grond mede
aanleiding tot een ongelijke behandeling geeft.
De Commissie zal derhalve onderzoeken of de etnische afkomst van verzoeker in
de onderhavige zaak mede een rol heeft gespeeld bij de beëindiging van de
arbeidsverhouding.

4.10. De Commissie rekent het niet tot haar taak te oordelen of de door de
wederpartij gegeven reden voor beëindiging van de arbeidsverhouding
rechtsgeldig is, zoals de Commissie reeds eerder heeft geoordeeld (Zie
ondermeer Commissie gelijke behandeling, 7 december 1995, oordeelnummer:
95-63). De taak van de Commissie is te beoordelen of door de wederpartij bij
de beëindiging onderscheid naar ras is gemaakt. De redenen voor de
beëindiging worden daarbij in zoverre betrokken dat, indien deze niet
deugdelijk of willekeurig zijn, het vermoeden ontstaat dat er sprake kan zijn
van verboden onderscheid. Daarvan kan ook sprake zijn indien een beëindiging
disproportioneel is, dus niet in verhouding staat tot een verzuim van de
werknemer.

4.11. In de onderhavige zaak staat vast dat verzoeker op één inwerkafspraak
te laat is gekomen, niet duidelijk is of dit vijf minuten of een kwartier
betreft. Ten aanzien van een tweede afspraak staat vast dat verzoeker heeft
laten weten dat hij vanwege autopech te laat zou zijn. Partijen verschillen
van mening over het tijdstip waarop dit gemeld zou zijn, daardoor is
onduidelijk of en in hoeverre dit aan verzoeker verwijtbaar is.
De wederpartij heeft aan het vorenstaande de conclusie verbonden dat
verzoeker niet accuraat genoeg zou zijn voor de functie van beheerder en
heeft het dienstverband beëindigd.

4.12. De Commissie is van oordeel dat genoemde redenen tot beëindiging niet
overtuigend zijn, althans de beëindiging op die gronden disproportioneel is.

De redenen zijn niet overtuigend, omdat slechts ten aanzien van één
inwerkafspraak vast is komen te staan dat verzoeker zonder geldige reden
(iets) te laat kwam. Er zijn op het inhoudelijk functioneren van verzoeker
door de wederpartij geen op- of aanmerkingen gemaakt.

Voorzover het te laat verschijnen op het werk verwijtbaar zou zijn is de
Commissie van oordeel dat het functioneren van verzoeker in de inwerkperiode
niet onafhankelijk kan worden bezien van hetgeen daaraan vooraf is gegaan,
namelijk dat vaststaat dat verzoeker vanwege zijn etnische afkomst door de
wederpartij niet is aangenomen als beheerder bij het eerste dienstencentrum.
Voorts staat vast dat bij het sollicitatiegesprek door de wederpartij vragen
zijn gesteld over de taalvaardigheid van verzoeker en zijn persoonlijke
omstandigheden waaronder zijn verblijfsstatus.

De Commissie acht het aannemelijk dat verzoeker door de behandeling die hem
op grond van zijn etnische afkomst ten deel viel niet op dezelfde wijze in de
gelegenheid is gesteld zijn werkzaamheden te verrichten als een autochtone
kandidaat. Derhalve is de Commissie van oordeel dat de beëindiging onder de
gegeven omstandigheden niet in verhouding staat tot het door verzoeker
gepleegde verzuim.
Op bovenstaande gronden is de Commissie van oordeel dat ook bij de
beëindiging van de arbeidsverhouding jegens verzoeker onderscheid naar ras
mede een rol heeft gespeeld.

4.13. Aanbeveling van de Commissie

De Commissie merkt op dat duidelijk is geworden dat bij de afwijzing bij het
eerste dienstencentrum het niet de intentie van de wederpartij was om de
afkomst van verzoeker te laten meespelen, maar dat zij zich gedwongen voelde
door het belang van een goede verstandhouding met de bewonerscommissie.
Echter, door de wijze waarop de wederpartij heeft gehandeld naar aanleiding
van de bezwaren van de bewonerscommissie is een discriminerende attitude
overgenomen in plaats van bestreden.
De Commissie beveelt de wederpartij aan om door middel van deugdelijke
voorlichting de vooroordelen van de bewoners van het desbetreffende
woonzorgcomplex tegen personen van allochtone afkomst te bestrijden, zodat in
de toekomst handelingen in strijd met de AWGB kunnen worden voorkomen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (….) te Veenendaal jegens
de heer (….) te Veenendaal
– bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking direct
onderscheid heeft gemaakt op grond van ras als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub
a AWGB;
– bij de beëindiging van de arbeidsverhouding direct onderscheid heeft
gemaakt op grond van ras als bedoel in artikel 5 lid 1 sub b AWGB.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. S.L.Kroes (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Zutphen, 1 april 1997

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


Een alleenstaande moeder (35 jaar) met drie kinderen biedt zich aan voor
zwangerschap tegen betaling. Dit doet ze via het maandblad Opzij, het
televisieprogramma ‘Lief en leed’ en de Telegraaf. Tegen betaling van ƒ
25.000 volbrengt zij een zwangerschap voor een kinderloos echtpaar. Zij staat
de baby niet af omdat zij bang is dat de baby in de kinderhandel terecht
komt. Het Openbaar Ministerie gaat tot vervolging over. De advocaat van de
vrouw stelt dat de vrouw uit sociale betrokkenheid kinderloze paren wilde
helpen. Zij was er zich niet van bewust dat zij door het plaatsen van
advertenties strafbare handelingen pleegde. De advocaat vindt dat Opzij als
medeplichtige aan het aan zijn cliënt ten laste gelegde feit moet worden
gezien. De politierechter is van oordeel dat de vrouw zich op de hoogte had
moeten stellen van de brede discussie in Nederland omtrent het fenomeen
draagmoederschap en de op dat moment heersende wetgeving. De politierechter
veroordeelt de vrouw tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee
maanden.

Volledige tekst

Proces-verbaal terechtzitting

De officier van justitie voert het woord overeenkomstig haar schriftelijk
requisitoir en leest – het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen
achtend – haar vordering voor, te weten een gevangenisstraf voor de duur van
twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De officier van justitie overlegt haar requisitoir.
De raadsman van verdachte voert het woord, zakelijk weergegeven:
‘Ik ben het in grote lijnen eens met het standpunt van de officier van
justitie. Mijn cliënte werd gedreven door een sociaal menselijk gevoel. Zij
wilde oprecht kinderloze echtparen helpen en was om die reden al enige tijd
actief op zoek om als draagmoeder op te treden. Zij is inderdaad eenmaal als
draagmoeder opgetreden, maar heeft haar kind uiteindelijk niet afgestaan. Ze
dacht dat haar baby in de kinderhandel terecht zou komen. Haar intenties zijn
steeds goed geweest. Er zijn door mijn cliënte meerdere advertenties
geplaatst, waarin zij zich aanbood als draagmoeder. Dit was echter in een
tijd dat het plaatsen van dergelijke advertenties (nog) niet strafbaar was.
Mijn cliënte wist niet dat zij door het plaatsen van zulke advertenties
strafbare handelingen pleegde. Er is in Nederland ook nog nooit een strafzaak
op dit gebied geweest. Het verbaast me overigens dat het blad “Opzij” de
onderhavige advertentie heeft geplaatst. Dit blad kan, naar mijn mening, dan
ook als medeplichtige aan het aan mijn cliënte tenlastegelegde feit gezien
worden. Wanneer een blad als “Opzij” medegedagvaard was in deze zaak, was er
waarschijnlijk heel wat meer publiciteit gegeven aan de zaak gegeven. Dit had
dan een hoger doel gediend, namelijk het kopschuw maken van mensen die zich
met soortgelijke zaken willen bezighouden.
Mijn cliënte heeft juist de kwalijke kanten van babyhandel aan het licht
willen brengen. Nu zit zij in het beklaagdenbankje, en daar hoort ze niet.
Ik ben content met het feit dat de officier van justitie geen geldboete heeft
geëist. Ik verzoek ook de politierechter dit niet op te leggen. Mijn cliënte
zit zeer krap bij kas. Zij leeft van ƒ 250 per week. Zij heeft diverse
schulden, waaronder een huurschuld, een schuld bij de PTT, en zij moet een
forse persoonlijke lening aflossen en heeft een schuld bij de
Bedrijfsvereniging.
Ik verzoek u primair een voorwaardelijke straf op te leggen. Een
voorwaardelijke straf van twee maanden vind ik nogal fors. Een maand lijkt me
voldoende, de kans op recidive is, naar mijn mening, niet aanwezig.’

De officier van justitie voert het woord, zakelijk weergegeven:
‘De raadsman stelt dat we het blad “Opzij” als medeplichtig aan het ten laste
gelegde hadden moeten dagvaarden. Het openbaar ministerie is zeer
terughoudend wat betreft het vervolgen van de media. De pers moet ongestoord
zijn werk kunnen doen. In dit geval heeft het openbaar ministerie zelfs veel
hulp van de media gehad.’

De raadsman verklaart, zakelijk weergegeven:
‘Ik begrijp het standpunt van de officier van justitie, maar ben het niet met
haar eens. Vrijheid van meningsuiting is natuurlijk erg belangrijk, maar mag
niet zover gaan dat er wetten overschreden worden.’

De politierechter verklaart het onderzoek gesloten en zegt terstond mondeling
vonnis te zullen geven.
De politierechter spreekt het vonnis uit.

Aantekening van het mondeling vonnis

1. Inhoud van de tenlastelegging:
Overeenkomstig de dagvaarding.

Geval van bewezenverklaring

4. Kwalificatie en artikelen van de wet welke worden toegepast:
In het openbaar diensten aanbieden, bestaande uit het teweegbrengen of
bevorderen van onderhandelingen, teneinde het voornemen uit te voeren om een
kind te baren ten behoeve van een ander, die de ouderlijke macht over dat
kind wil verwerven, dan wel anderszins duurzaam de verzorging en opvoeding
van dat kind op zich wil nemen.
Artt. 10, 14a, 14b, 14c en 151b van het Wetboek van Strafrecht.

5. Beslissing omtrent de strafbaarheid van verdachte:
Verdachte is strafbaar, zijnde niet gebleken van feiten of omstandigheden
welke zijn strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

6. Opgelegde straf of maatregel/Opgave van de bijzondere redenen die de straf
hebben bepaald.
Een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met bevel dat deze
gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later
anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de
hierbij op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft
schuldig gemaakt,
Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde
misdrijf, mede gelet op de persoon van verdachte en de omstandigheden
waaronder het feit is gepleegd.
De politierechter is van oordeel dat verdachte zich op de hoogte had moeten
stellen – toen zij zich ging interesseren voor het fenomeen draagmoederschap
– van de brede discussie hier ten lande omtrent dit onderwerp en de op dat
moment heersende wetgeving.

7. Bijkomende beslissingen:
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde dan hiervoor bewezen is
verklaard.

Noot

Om het arrest en het onderstaande begrijpelijk te maken, vermelden wij hier
de tekst van het betreffende wetsartikel en van de advertentie die in het
blad Opzij is geplaatst:

Artikel 151b Sr
1. Degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk
teweegbrengt of bevordert dat een draagmoeder of een vrouw die draagmoeder
wenst te worden, rechtstreeks of middellijk met een ander onderhandelt of een
afspraak maakt ten einde het voornemen, bedoeld in het derde lid, uit te
voeren, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een
geldboete van de vierde categorie.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft:
a. degene die in het openbaar diensten aanbiedt, bestaande uit het
teweegbrengen of bevorderen van onderhandelingen of een afspraak als bedoeld
in het eerste lid;
b. degene die openbaar maakt dat een vrouw draagmoeder wenst te worden of als
zodanig beschikbaar is, dan wel dat een vrouw die draagmoeder wenst te worden
of als zodanig beschikbaar is, wordt gezocht.
3. Als draagmoeder wordt aangemerkt de vrouw die zwanger is geworden met het
voornemen een kind te baren ten behoeve van een ander die de ouderlijke macht
over dat kind wil verwerven, dan wel anderszins duurzaam de verzorging en
opvoeding van dat kind op zich wil nemen.

De advertentie die in november 1994 in Opzij verscheen, onder het kopje ‘niet
commerciële mededelingen’, luidde: ‘Draagmoeder zoekt serieuze wensouders.
Br.o.nr 1157′.

In de eerste alinea gaan wij in op de vraag of de vrouw had moeten worden
vervolgd en meer in het algemeen op de doelmatigheid van art. 151b lid 2a Sr.
De vraag of het blad Opzij had moeten worden vervolgd, bespreken we
vervolgens in de tweede alinea. Om de in de eerste en tweede alinea’s
aangetoonde gebrekkige aspecten van de Nederlandse wetgeving te
verduidelijken, maken we in de derde alinea een vergelijking met de Engelse
wetgeving. Die is ook gebrekkig, maar op andere punten. Verschillen in
wetgeving met betrekking tot draagmoederschap in twee nabijgelegen landen
veroorzaken verschijnselen als draagmoederschapstoerisme. Daarom vermelden we
in de vierde alinea Europese initiatieven rond draagmoederschap. Tot slot
volgt onze conclusie.

De uitspraak van de Rechtbank Zutphen d.d. 1 april 1997 betreft de eerste
veroordeling op grond van art. 151b lid 2a Sr. (‘in het openbaar diensten
aanbieden, bestaande uit het teweegbrengen of bevorderen van
onderhandelingen, teneinde het voornemen uit te voeren om een kind te baren
ten behoeve van een ander, die de ouderlijke macht over dat kind wil
verwerven, dan wel anderszins duurzaam de verzorging en opvoeding van dat
kind op zich wil nemen’.) Uit de kwalificatie blijkt hoe ingewikkeld de
redactie van het wetsartikel is. Nu de adressaat van lid 2a veel ruimer is
geformuleerd (‘degene die in het openbaar haar diensten aanbiedt’) dan die
van lid 1 (‘degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijk teweegbrengt of bevordert’) vindt er een soort hink-stap-sprong
plaats tussen lid 2a, lid 1 en lid 3 van het betreffende wetsartikel tegen
het ‘commercieel draagmoederschap’. Wat daaronder verstaan dient te worden,
stichtte bij de behandeling van het wetsontwerp al verwarring (TK 1990-1991,
21968). ‘Met winstoogmerk’ vond de toenmalige minister te beperkt. Een
algemeen verbod op draagmoederschap achtte hij echter op opsporings- en
bewijstechnische gronden niet haalbaar, dus kwam ‘het in de uitoefening van
een beroep of bedrijf’ in het eerste lid te staan, hetgeen naar het geregelde
en stelselmatige karakter zou verwijzen. Maar omdat de minister en de
meerderheid van het parlement draagmoederschap in beginsel toch onwenselijk
achtten, werd via de achterdeur van lid 2a een ‘ontmoedigingsbeleid’
ingevoerd dat met name draagmoeders zelf zou kunnen treffen, hetgeen in de
Zutphense zaak dus ook gebeurd is. Onafhankelijk van motieven en
omstandigheden is de vrouw die ‘in het openbaar’ haar diensten aanbiedt
strafbaar. Een advertentie op de pagina voor ‘niet-commerciële mededelingen’
is daarvoor toereikend. Een vergelijking met het bordeelverbod en de
straffeloosheid van de prostituee dringt zich op. In hoeverre is een zo
vergaande strafrechtelijke bemoeienis met het draagmoederschap rechtvaardig?
Als het
gaat om het tegengaan van ‘commercieel draagmoederschap’ zou die bemoeienis
met name verwacht kunnen worden in de sfeer van het voorkomen van uitbuiting,
exploitatie en dwang. Als het gaat om een afweging van grondrechten van
draagmoeder en wensouder in relatie tot het belang van het (nog ongeboren)
kind, lijkt het strafrecht een inadequaat middel. Zoals blijkt uit de
ervaring met de abortusproblematiek, is het strafrecht niet altijd de beste
oplossing voor het reguleren van maatschappelijk gezien onvermijdelijke
processen.

Op de uitspraak van de advocaat dat de OvJ niet alleen mevrouw, maar ook het
blad Opzij had moeten vervolgen, beriep de OvJ zich op de persvrijheid.
Volgens de letterlijke tekst van art. 151b lid 2b (‘degene die openbaar maakt
dat een vrouw draagmoeder wenst te worden of als zodanig beschikbaar is, dan
wel dat een vrouw die draagmoeder wenst te worden of als zodanig beschikbaar
is, wordt gezocht’) had de advocaat gelijk: het blad, evenals de vrouw, had
de tekst ‘openbaar gemaakt’. Dat de OvJ zich hieraan niet wilde branden, is
echter begrijpelijk. Ook hier wreekt zich immers het verschil in reikwijdte
en strekking tussen lid 1 en 2 van art. 151b Sr. Nu in lid 1 een algemeen
verbod op draagmoederschap ontbreekt, is de kans vrij groot dat het
advertentieverbod in lid 2b een buitenproportionele inbreuk maakt op het in
art. 7 van de Grondwet en art. 10 van het EVRM beschermde grondrecht van de
‘vrijheid op meningsuiting’. (Zie ook : B. Sluyters, Draagmoederschap en de
strafwetgever, DD 22(1992), p. 692-693.) In Open Door and Dublin Well Woman
t. Ierland ging het eveneens om een verbod op verstrekking van informatie
over een activiteit die niet wettelijk verboden was (het verkrijgen van
abortussen in Engeland). Het Europese Hof zei dat ‘(l)imitations on
information concerning activities which, notwithstanding their moral
implications, have been and continue to be tolerated by national authorities,
call for careful scrutiny by the Convention institutions as to their
conformity with the tenets of a democratic society’ (29 oktober 1992, serie
A, no. 246-A, para. 72), en oordeelde dat de inbreuk niet proportioneel was
en dat artikel 10 EVRM was geschonden.
Nu ook de verdachte draagmoeder uitsluitend op grond van de openbaarmaking
werd vervolgd, had de verdediging zich eveneens op de bescherming van haar
grondrechten kunnen beroepen. Het wekt overigens bevreemding dat Opzij, naar
uit de processtukken blijkt, actief aan het opsporingsonderzoek meewerkte en
zelfs op eigen initiatief de identiteit van de adverterende vrouw prijsgaf.

3. Als de vrouw dezelfde advertentie (‘draagmoeder zoekt serieuze
wensouders’), uiteraard vertaald, in een tijdschrift, maand- of weekblad
(periodical) in het Verenigd Koninkrijk had geplaatst, dan had inderdaad de
strafbaarstelling van het blad – en niet van de vrouw – voorop gestaan.
Artikel 3 van de Surrogacy Arrangements Act 1985 heeft betrekking op
advertenties waarin een vrouw zich beschikbaar stelt om als draagmoeder te
fungeren, of waarin draagmoeders of wensouders worden gezocht of personen
worden gevraagd die bereid zijn om te bevorderen dat een
draagmoederschapsafspraak tot stand komt of bij de totstandkoming hiervan te
bemiddelen (hierna: draagmoederschapsadvertenties, omschreven in het eerste
lid van voornoemd artikel). (Zie, over de wet in het algemeen, A. Heida, NJB
1987, pp. 12-14). Volgens lid 2 van artikel 3 van de Surrogacy Arrangements
Act 1985 pleegt de eigenaar, redacteur of uitgever van een tijdschrift,
maand- of weekblad waarin een draagmoederschapsadvertentie wordt geplaatst,
een strafbaar feit. De vrouw zelf kan alleen worden vervolgd als haar ten
laste kan worden gelegd dat zij de eigenaar, uitgever of redacteur tot het
plegen van het bij lid 2 strafbaar gestelde feit heeft aangespoord.
Merkwaardig aan de Engelse wet is dat als de vrouw de advertentie niet in een
tijdschrift of maandblad plaatst, maar bijvoorbeeld op Email, Internet of op
een aanplakbiljet, zij rechtstreeks strafbaar is. Als de advertentie door
middel van telecommunicatie wordt gepubliceerd – hieronder worden door
artikel 4, lid 2, aanhef en onder a, van de Telecommunications Act 1984 ook
Email en Internet verstaan -, stelt lid 3 van artikel 3 van de Surrogacy
Arrangements Act 1985 een ieder strafbaar die de telecommunicatie heeft
veroorzaakt en die kennis heeft van de inhoud van de advertentie. Ten slotte
stelt lid 4 het publiceren of doen publiceren van een
draagmoederschapsadvertentie op andere dan de door de leden 2 en 3 voorziene
wijzen strafbaar. Een mogelijke verklaring voor het verschil in de positie
van de vrouw
al naar gelang de advertentie in een tijdschrift of maandblad wordt
geplaatst of langs telecommunicatieve weg wordt gepubliceerd is dat de
Engelse wet, evenals de Nederlandse, vooral gericht is op het tegengaan van
de commerciële aspecten van het draagmoederschap. Het tijdschrift of het
maandblad zal door de plaatsing van de advertentie doorgaans winst maken.
Maar als de vrouw een winkelier betaalt voor het aanbrengen van een
aanplakbiljet, is er eveneens sprake van winst. Onduidelijk is waarom in het
laatste geval zowel de vrouw als de winkelier met toepassing van lid 4 kunnen
worden vervolgd, terwijl in het eerste geval, waarbij lid 2 van toepassing
is, de strafbaarstelling van het tijdschrift voorop staat en de vervolging
van de vrouw van ondergeschikt belang is. Het is niet zeker of een vervolging
van de vrouw op grond van aansporing van de eigenaar, redacteur of uitgever
zal slagen; mogelijk is dat de rechter zal concluderen dat de wetgever deze
gevallen in het tweede lid bewust van strafbaarheid heeft uitgesloten. Maar
waarom is dit dan niet in de andere gevallen geschied? De les van dit
vergelijkende uitstapje is dus niet dat de Engelse wet ten voorbeeld moet
worden gehouden aan de Nederlandse wetgeving. Gelet op de geconstateerde
verschillen, die nogal willekeurig overkomen, en het gebrek aan duidelijk
beleid, is strafbaarstelling van draagmoederschapsadvertenties in het
algemeen allerminst overtuigend.

Dat een vrouw die een draagmoederschapsadvertentie in een tijdschrift of
maandblad plaatst in het ene land kan worden vervolgd en in het andere niet,
of dat een eigenaar, redacteur of uitgever in het ene land kan worden
vervolgd, en in het andere niet, is zeer onwenselijk. Dat blijkt uit het
verhaal van de familie Peeters uit Hoofddorp, die een Engelse bemiddelaar
voor draagmoederschappen benaderde omdat bemiddeling van draagmoederschappen
wel in Nederland maar niet in Engeland is verboden: wie het in Nederland niet
geregeld krijgt, regelt het dus elders. Problemen worden hierdoor niet
opgelost, maar slechts verplaatst. Een door de Raad van Europa in 1985
aangestelde bijzondere commissie, Committee of experts on progress in the
biomedical sciences (CAHBI) buigt zich over de vraag of en hoe harmonisatie
op het gebied van draagmoederschap en andere bijzondere vormen van
voortplanting kan worden bereikt (zie, Human artificial procreation,
Principle 15 (over draagmoederschap), Council of Europe, 1989).

Mede in het licht van de rechtsvergelijking staat vast dat de motivering voor
de strafbaarstelling van de plaatsing van draagmoederschapsadvertenties
allesbehalve duidelijk is. Ook is twijfelachtig of deze bepaling, zowel met
betrekking tot de vrouw als tot de uitgever, de toets van art. 7 Gw en art.
10 EVRM zal kunnen doorstaan. Door opmerkelijke verschillen in de nationale
regelingen is het voorts gemakkelijk om het Nederlandse verbod te omzeilen.
Kortom, het lijkt ons dat met art. 151b lid 2a Sr met een kanon op een mug
wordt geschoten.

Ria Wolleswinkel, Caroline Forder

Rechters

Mr van Staveren

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 april 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker 1 organiseert danswedstrijden waaraan hij slechts paren van
ongelijk geslacht wenst te laten deelnemen. Verzoekster 2 is een vereniging
die in haar wedstrijdreglement heeft bepaald dat een danspaar bestaat uit een
dame en een heer.
De Commissie stelt vast dat verzoekers uitgaan van een vaste rolverdeling
binnen het danspaar: de leidende-rol mag uitsluitend door mannen worden
vervuld en de volgende-rol uitsluitend door vrouwen. Verzoekers maken hiermee
direct onderscheid naar geslacht. Op grond van hetgeen verzoekers en de
deskundigen naar voren hebben gebracht is de Commissie van oordeel dat de
leidende- en de volgende-rol niet geslachtsbepaald is, aangezien er geen
relevant verschil bestaat tussen de gemiddelde prestaties van mannen en
vrouwen voor deze rollen. De Commissie acht het voorts aannemelijk dat
personen met een homoseksuele gerichtheid eerder met iemand van gelijk
geslacht willen (wedstrijd)dansen dan heteroseksuelen. Doordat dit bij
verzoekers niet mogelijk is worden homoseksuele personen derhalve in
overwegende mate getroffen. Dit leidt tot indirect onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid, hetgeen niet objectief gerechtvaardigd is.
Strijd met de wet.

Volledige tekst


Niet aannemelijk is echter geworden dat dit anders zou liggen dan bij paren
bij wie ook een uiterlijk verschil – dat jurering kan bemoeilijken –
waarneembaar is, zoals een groot lengteverschil. De Commissie overweegt
hierbij tevens, dat het hebben van hetzelfde geslacht van de danspartners
kennelijk in de praktijk een goede jurering niet noodzakelijkerwijs in de weg
staat.

Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd, dat bij de leidende-rol
noch bij de volgende-rol sprake is van geslachtsbepaaldheid in de zin van de
AWGB en het Besluit. Derhalve hebben verzoekers direct onderscheid op grond
van geslacht gemaakt en is hun handelen in strijd met genoemde wet.

4.7. Ten aanzien van de vraag of tevens sprake is van onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid overweegt de Commissie als volgt.

Vaststaat dat met het slechts toelaten van m/v-paren niet rechtstreeks wordt
verwezen naar de homoseksuele gerichtheid van danspartners. Homoseksuele
mannen en lesbische vrouwen kunnen immers deel uitmaken van een danspaar dat
wordt gevormd door een man en een vrouw. De Commissie is derhalve van oordeel
dat geen sprake is van direct onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid.

De Commissie acht het – ook gelet op het te dien aanzien door
getuige/deskundige 2 gestelde – aannemelijk dat personen met een homoseksuele
gerichtheid eerder met iemand van gelijk geslacht willen (wedstrijd)dansen
dan heteroseksuelen. Door de voorwaarde dat bij een danspaar sprake moet zijn
van partners van verschillend geslacht worden personen met een homoseksuele
gerichtheid derhalve in overwegende mate getroffen. Dit leidt tot indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

Indirect onderscheid is verboden tenzij sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond. Daarbij moeten dezelfde elementen worden gewogen als
die welke in het kader van de geslachtsbepaaldheid aan de orde zijn geweest.
Gelet op hetgeen de Commissie daaromtrent heeft overwogen, leidt dit tot de
conclusie dat het indirect onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is. De
Commissie is derhalve van oordeel dat tevens sprake is van een verboden
indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Groningen en (….)
te Amsterdam, door paren die gevormd zijn uit personen van gelijk geslacht
uit te sluiten van het dansen van wedstrijden, direct onderscheid op grond
van geslacht en indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid
maken als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel c, AWGB en derhalve
handelen in strijd met genoemde wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 27 maart 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Eiseres heeft ernstige twijfels over haar afstamming. Zij veronderstelt
dat
gedaagden niet haar biologische ouders zijn. Zij vordert dat haar wettige
ouders een DNA-test ondergaan en een onderzoek tot vaststelling van de
bloedgroep.
In principe heeft een kind het recht om te weten van wie het afstamt, art.
7
VN-kinderverdrag. Maar daartegenover staat het recht van gedaagden. Hun
recht
op behoud van hun lichamelijke integriteit impliceert dat zij (in beginsel)
niet gedwongen kunnen worden zich te onderwerpen aan onderzoeken aan hun
lichaam of van erfelijk materiaal. Voor toewijzing van de vordering van
eiseres bij wijze van voorlopige voorziening is slechts plaats als het
zeer
waarschijnlijk is dat het verzoek in de bodemprocedure wordt gehonoreerd
en
als er een spoedeisend belang is. Er zijn zwaarwegende belangen van beide
partijen in het geding. De belangen van eiseres gaan niet altijd en zonder
meer boven die van gedaagden. De vordering wordt afgewezen.

Volledige tekst

; 1. De procedure

1.1. Eiseres heeft in kort geding gesteld en gevorderd zoals hierna verkort
is weergegeven.

1.2. De procureur van eiseres heeft de vordering ter terechtzitting
toegelicht mede aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota.

1.3. De procureur van gedaagden heeft verweer gevoerd aan de hand van de
door
hem overgelegde pleitnotities/conclusie van antwoord met produkties.

1.4. Na gevoerd debat hebben de raadslieden van partijen de processtukken
overgelegd voor vonnis.

2. Enkele vaststaande feiten

Eiseres, thans 27 jaar oud, is de wettige dochter uit het huwelijk van
gedaagden. Gedaagden hebben nog twee kinderen, die jonger zijn dan eiseres.

3. Het geschil

3.1. Eiseres stelt dat zij ernstige twijfel heeft over haar afstamming.
Zij
veronderstelt dat gedaagden niet haar biologische ouders zijn. De onzekerheid
op dit punt belast haar zwaar. Op deze gronden vordert zij, kort gezegd:
gedaagden te gelasten om zich, op hun kosten, te onderwerpen aan:
– een DNA-onderzoek;
– een onderzoek tot vaststelling van de bloedgroep,
te verrichten door een door de president aan te wijzen deskundige, welke
onderzoeken uitsluitend dienen om aan te tonen of zij, eiseres, als
biologisch kind van gedaagden dan wel een van hen moet worden aangemerkt,
en
te bepalen dat de onderzoeksrapporten door gedaagden aan haar, eiseres,
of
een door haar aan te wijzen (vertrouwens)arts dan wel een door de president
aan te wijzen arts zullen moeten worden bekend gemaakt, met veroordeling
van
gedaagden in de proceskosten.

3.2. Eiseres beroept zich voor de bij haar ontstane twijfel op het volgende:

(1) Zij heeft vernomen dat beide gedaagden de bloedgroep 0-positief hebben.
Zelf heeft zij de bloedgroep A-positief. Hieruit volgt haars inziens dat
zij
geen biologisch kind van gedaagden is.

(2) Zij heeft een lichaamsbouw die totaal afwijkt van die van gedaagden.

(3) Zij heeft de zeer zeldzame, erfelijk bepaalde, ziekte bloedarmoede
B12.
Deze ziekte komt niet voor in de families van gedaagden.

(4) De weigering van gedaagden om aan een onderzoek mee te werken is strijdig
met hetgeen van rechtgeaarde ouders mag worden verwacht en versterkt de
twijfel van haar, eiseres, slechts.

3.3. Gedaagden hebben de vordering bestreden. Zij stellen dat eiseres met
zekerheid hun (niet alleen wettige, maar ook biologische) kind is; volgens
hen is zij op 14 jan. 1970 in het Carolus Liduina Ziekenhuis te
‘s-Hertogenbosch uit gedaagde sub 2 geboren. Gedaagden betwisten dat er
een
rechtsgrond is voor de vordering. Medewerking aan een DNA- of ander onderzoek
achten zij volstrekt overbodig, kwetsend en beangstigend. Als de oorzaak
van
de bij eiseres ontstane twijfel zien zij haar psychische verwarring. In
hun
visie worden haar psychische problemen niet adequaat aangepakt, doordat
eiseres zich niet onder behandeling van erkende artsen of therapeuten stelt.
Aan een afstammingsonderzoek zouden zij, gedaagden, hooguit willen meewerken
als eiseres toezegt een dergelijke professionele begeleiding te willen
ondergaan.

3.4. Op de verdere stellingen van partijen zal in het navolgende worden
ingegaan voorzover dat nodig is.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Uitgangspunt moet zijn dat eiseres het recht heeft om te weten van
wie
zij afstamt. In art. 7 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van
het
kind, dat bij Rijkswet van 24 nov. 1994 (Stb. 862) door Nederland is
goedgekeurd, en in werking is getreden op 8 maart 1995, is met zoveel woorden
vastgelegd dat een kind, voorzover mogelijk, het recht heeft zijn of haar
ouders te kennen. Het recht om te weten van wie men (wél) afstamt, staat
op
één lijn met het recht om te weten of men van zijn wettige ouders
niet afstamt.
Afgezien van de genoemde verdragsbepaling vloeit dit recht voort uit het
persoonlijkheidsrecht van eiseres. Zij heeft er belang bij dat de bij haar
opgekomen twijfel over haar afstamming wordt weggenomen. Het is van algemene
bekendheid dat onzekerheid over afstamming – en daarmee over de eigen
identiteit – psychische problemen kan veroorzaken of versterken, of op
zijn
minst genomen in de weg kan staan aan een oplossing daarvan.

4.2. De regel van art. 1:207 van het Burgerlijk Wetboek, die inhoudt dat
niemand zich op een staat kan beroepen die strijdig is met zijn afstamming
volgens zijn geboorte-akte, indien hij een staat overeenkomstig die akte
bezit, staat aan het recht van eiseres niet in de weg. Dit artikel belet
niet
dat de identiteit van een kind in twijfel kan worden getrokken en op die
grond onderwerp van bewijslevering kan zijn.

4.3. Tegenover de hier in het kort beschreven positie van eiseres staat
die
van gedaagden. Hun recht op behoud van hun lichamelijke integriteit
impliceert dat zij (in beginsel) niet gedwongen kunnen worden zich te
onderwerpen aan onderzoeken aan hun lichaam of van erfelijk materiaal.
Daaronder valt een DNA- of bloedonderzoek, ook als dit slechts geschiedt
met
het oog op het verkrijgen van zekerheid over de biologische verwantschap
tussen hen en eiseres. Aan hun recht wordt ook niet afgedaan door het enkele
feit dat voor een DNA-onderzoek geen lichamelijke ingreep van betekenis
nodig
is.

4.4. Voor toewijzing van de vordering van eiseres bij wijze van voorlopige
voorziening is slechts plaats (1) als met een hoge mate van
waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat een dergelijke aanspraak in
een
bodemprocedure zal worden gehonoreerd en (2) als eiseres bij die vordering
een spoedeisend belang heeft. Deze voorwaarden klemmen hier te meer, nu
de
gevraagde voorziening in wezen een definitief karakter heeft.

4.5. Uit hetgeen in de nummers 4.1 en 4.3 is vermeld, volgt dat er
zwaarwegende belangen van beide partijen (eiseres en gedaagden)
in
het geding zijn. Niet kan worden aangenomen dat de bedoelde belangen van
eiseres altijd en zonder meer voorgaan boven die van gedaagden. Met andere
woorden: er is thans geen algemene rechtsregel die inhoudt dat elk
(meerderjarig) kind er jegens zijn wettige ouders aanspraak op kan maken
dat
zij meewerken aan een onderzoek dat uitsluitsel geeft over de biologische
verwantschap tussen hen als ouders en dat kind. Er dient een nadere weging
van de over en weer in het geding zijnde belangen plaats te vinden. Daarbij
kan worden aangetekend dat de door gedaagden gestelde voorwaarde voor het
verlenen van medewerking aan een eventueel onderzoek, te weten dat eiseres
zich aan professionele begeleiding onderwerpt, niet kan worden overgenomen.
Eiseres is immers vrij in haar keuze van een therapie of behandelaar.

4.6. Met betrekking tot de onder 3.2 genoemde gronden van de vordering
van
eiseres wordt het volgende overwogen. Grond (1) is vervallen, nu gedaagden
in
dit kort geding hebben aangetoond dat zij – evenals eiseres – de bloedgroep
A-positief hebben. De informatie waarover eiseres meende te beschikken
was
dus niet juist.
Grond (2) is van zeer beperkte betekenis. In het midden kan blijven of
er
duidelijke verschillen in uiterlijk (lichaamsbouw enz.) bestaan tussen
enerzijds eiseres en anderzijds gedaagden en hun (andere) kinderen. Het
is
immers van algemene bekendheid dat biologische verwantschap dergelijke
verschillen niet uitsluit. Eiseres heeft haar stellingen op dit punt ook
niet
gestaafd met enig gegeven van een terzake deskundige.

Grond (3) is niet toegelicht aan de hand van enig medisch gegeven. Gedaagden
hebben gezegd dat zij met dit argument tot dusver onbekend waren.
Grond (4) heeft geen zelfstandige betekenis. Het is een cirkelredenering
om
het als argument voor een rechtsplicht van gedaagden te beschouwen.

4.7. Uit hetgeen in onderdeel 4.6 is overwogen volgt dat in dit kort geding
niet is gebleken van serieuze, enigszins geobjectiveerde, aanwijzingen
voor
de gerechtvaardigdheid van de veronderstelling van eiseres dat zij niet
het
biologische kind van gedaagden is. Tot dusver is er ook geen enkele
aanwijzing voor haar vermoeden dat zij niet, in het Carolus Liduina
Ziekenhuis, uit gedaagde sub 2 is geboren.

4.8. Ook over de psychische nood van eiseres zijn geen gegevens van terzake
deskundigen aanwezig. Het gaat hierbij in het bijzonder om twee aspecten:
de
betekenis die de twijfel over haar afstamming heeft voor haar psychische
toestand, en in het verlengde daarvan de betekenis die de uitkomsten van
het
door haar gewenste onderzoek in dat opzicht kunnen hebben.

4.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de onder
4.4 vermelde voorwaarden voor toewijzing van de vordering in dit kort geding.
De vordering wordt daarom afgewezen. Eiseres zal, als de in het ongelijk
gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5. De beslissing

De president:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde
gevallen en tot dusver begroot op ƒ 1.500,= voor salaris van de procureur
en
op ƒ 330,= voor verschotten.

Rechters

Mr Hofhuis

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 maart 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
internationaal chauffeur. Hij is voor deze functie afgewezen. De wederpartij
stelt dat de reden hiervoor is dat verzoeker niet het juiste diploma bezat
dat de vacature reeds vervuld was. Gebleken is dat verzoeker tijdens de
sollicitatie wel over het vereiste diploma beschikte. Bovendien acht de
Commissie aannemelijk dat de vacature wel openstond toen verzoeker
solliciteerde. Voorts is gebleken dat er bij de wederpartij een negatieve
houding bestaat ten opzichte van mensen van een andere etnische afkomst, in
verband met problemen bij de retourvracht. De Commissie acht aannemelijk dat
de wederpartij verzoeker heeft afgewezen vanwege diens etnische afkomst.
Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 januari 1996 verzocht de heer (….) te Alphen aan de Rijn
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of (….) te Vianen (hierna: de wederpartij) jegens hem
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker heeft naar aanleiding van een vacature bij het Arbeidsbureau
te Woerden naar de functie van internationaal chauffeur bij de wederpartij
gesolliciteerd. Hij werd niet aangenomen. Verzoeker is van mening dat zijn
Arubaanse afkomst de reden is voor de afwijzing en dat de wederpartij daarmee
in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE CGB

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Verzoekster heeft naast bovengenoemde wederpartij, ook het Regionaal
Bureau voor de Arbeidsvoorziening Midden-Nederland (RBA) als wederpartij
aangewezen. Ter zitting zijn beide zaken gevoegd behandeld. Het oordeel in
genoemde zaak is door de Commissie vastgesteld op 27 maart 1997 en is bekend
onder oordeelnummer 97-27.

2.3. De Commissie heeft op 23 september 1996 en 22 oktober 1996 een zitting
gehouden. Voor de eerste zitting zijn partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunt nader toegelicht.
Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. (….) (gemachtigde Steunpunt Anti-Discriminatie Utrecht)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….) (economisch adviseur)

van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. drs. (….) Ernst (gemachtigde)
– dhr. (….) (getuige/deskundige)

van de kant van de Commissie:
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

Voor de vervolgzitting op 22 oktober 1996 heeft de Commissie partijen
uitgenodigd en heeft de Commissie twee getuigen opgeroepen. Eén van deze
getuigen (dhr. (….), consulent bij het Arbeidsbureau Nieuwegein) heeft aan
deze oproep geen gehoor gegeven. De wederpartij heeft van de uitnodiging voor
de vervolgzitting geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. (….) (gemachtigde Steunpunt Anti-Discriminatie Utrecht)

als getuige:
– dhr. (….) (consulent bij het Arbeidsbureau Woerden)

van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. drs. (….) Ernst (gemachtigde)
– dhr. (….) (getuige/deskundige)

van de kant van de Commissie:
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van Arubaanse afkomst. Hij solliciteerde op een bij het
arbeidsbureau gemelde vacature. Het betrof de functie van internationaal
chauffeur bij de wederpartij. De wederpartij is een internationaal
transportbedrijf. Voor verzoeker werd bemiddeld door het Arbeidsbureau te
Woerden, voor de wederpartij door het Arbeidsbureau te Nieuwegein.

3.2. De wederpartij heeft tweemaal een vacaturemelding bij het Arbeidsbureau
te Nieuwegein gedaan voor de functie van internationaal chauffeur voor het
transporteren van goederen naar Italië, Oostenrijk en Spanje. Als functie-eis
was vermeld dat men in het bezit moest zijn van rijbewijzen B, C en E, het
ADR-diploma en het chauffeursdiploma-CCVB-B.
De eerste vacaturemelding was van 8 februari 1995 vacaturenummer 22231-95
voor twee chauffeurs.
Voor deze vacatures zijn veertien kandidaten, waaronder verzoeker verwezen
naar de wederpartij. Twee kandidaten zijn aangenomen. Verzoeker werd verwezen
op 8 juni 1995. Op dezelfde dag werd echter in het gemeenschappelijke
informatiesysteem aangegeven dat een andere, op 31 mei 1995 verwezen
kandidaat was aangenomen, door de wederpartij.

De tweede vacaturemelding is van 20 september 1995, vacaturenummer 26604-95,
eveneens voor twee chauffeurs.
Verzoeker werd op 1 maart 1996 opnieuw verwezen naar de wederpartij en werd
niet aangenomen.

3.3. Verzoeker heeft op 8 november 1995 telefonisch contact opgenomen met
zijn consulent bij het Arbeidsbureau Woerden om nader te informeren naar de
reden van zijn afwijzing. Deze heeft hierover navraag gedaan bij de consulent
van de wederpartij op het Arbeidsbureau Nieuwegein. Op grond van het
verkregen antwoord concludeerde verzoeker dat hij niet in aanmerking kwam
voor de functie vanwege zijn afkomst.

3.4. Verzoeker nam hierna contact op met het Steunpunt Anti Discriminatie te
Utrecht (hierna: STAD). STAD heeft het Arbeidsbureau Woerden om opheldering
gevraagd over de reden van afwijzing van verzoeker. De wederpartij reageerde
bij brief van 11 januari 1996 en gaf daarin aan dat verzoeker niet was
aangenomen omdat hij niet over het vereiste ADR-diploma (vervoer gevaarlijke
stoffen) beschikte. Verzoeker nam, omdat hij meende afgewezen te zijn op
grond van zijn afkomst, geen genoegen met deze verklaring van de wederpartij
en heeft via STAD een verzoek om een oordeel bij de Commissie ingediend.

3.5. Verzoeker heeft bij het wisselen van de stukken een afschrift overgelegd
van zijn ADR-diploma. Dit diploma is blijkens informatie van de (….) steeds
vijf jaar geldig en kan iedere keer verlengd worden door voor de einddatum
een test af te leggen. Het diploma van verzoeker was geldig tot 16 december
1996.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt het volgende.

Na verwijzing door het arbeidsbureau werd aan verzoeker door de wederpartij
meegedeeld dat de betreffende vacature reeds vervuld was. Enige tijd later
stond op het arbeidsbureau dezelfde vacature weer open. Verzoeker besloot
nogmaals te solliciteren. Door de wederpartij werd verzoeker echter weer
meegedeeld dat de vacature al vervuld was. In totaal werd verzoeker vier maal
`afgescheept’ met het antwoord dat de vacature reeds vervuld was of dat de
wederpartij op vakantie was en hij later terug moest bellen.

Verzoeker heeft vervolgens op 8 november 1995 contact opgenomen met zijn
consulent bij het Arbeidsbureau Woerden. Deze consulent wist niet wat de
reden voor de afwijzingen van verzoeker was, maar nam contact op met het
Arbeidsbureau Nieuwegein. Na dit telefoongesprek vertelde de consulent aan
verzoeker dat de wederpartij liever blanke chauffeurs in dienst heeft, omdat
zwarte chauffeurs langer moeten wachten bij het laden en lossen en zij over
het algemeen niet op tijd laden en lossen.

Verzoeker is wel in het bezit van het vereiste ADR-diploma. Bovendien is
tijdens de telefoongesprekken nooit ter sprake gekomen dat verzoeker in het
bezit zou moeten zijn van dit diploma.

Verzoeker is van mening dat de werkelijke reden van zijn afwijzing gelegen is
in zijn afkomst en dat de wederpartij door hem af te wijzen voor de functie,
in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.

Zoals duidelijk in de vacaturebeschrijving is vermeld, is voor de betreffende
functie het ADR-diploma vereist. In het eerste telefoongesprek heeft de
wederpartij verzoeker duidelijk gemaakt dat dit diploma een vereiste is en
dat verzoeker daarom niet op de functie kon solliciteren. Verzoeker stelde
voor om hem aan te nemen zonder het vereiste ADR-diploma. Hij zou dit diploma
dan op termijn willen halen. Hierop is de wederpartij niet ingegaan.
Verzoeker bleef de wederpartij benaderen voor de functie, waarop de
wederpartij verzoeker heeft meegedeeld dat de functie vervallen was.

De indruk die is ontstaan als zou de wederpartij verzoeker hebben afgewezen
op grond van zijn huidskleur, is volkomen onterecht. Het ligt niet aan
`discriminatie’ dat verzoeker tijdens een telefonische sollicitatie een
afwijzend antwoord heeft gekregen van één van de medewerkers van de
wederpartij. Op het moment dat verzoeker belde, had de wederpartij geen
personeel nodig. De wederpartij had dit ook aan het arbeidsbureau
doorgegeven. Ook had de wederpartij het arbeidsbureau verzocht de vacature te
verwijderen. Kennelijk heeft het arbeidsbureau verzuimd dat inderdaad te
doen. Volgens de wederpartij berust alles op een misverstand.

3.8. De wederpartij in de gevoegde zaak stelt het volgende.

Verzoeker stond vier keer verkort ingeschreven bij het Arbeidsbureau te
Woerden. Hij is in ieder geval twee keer doorverwezen, op twee verschillende
vacatures. Eén daarvan was op 8 juni 1995. Op dat moment stond bij de
wederpartij nog één vacature open. Op diezelfde dag bleek echter in het
gemeen-schappelijk informatiesysteem te zijn aangegeven dat deze vacature
inmiddels was vervuld.

De consulent van verzoeker bij het Arbeidsbureau Woerden heeft naar
aanleiding van de vraag van verzoeker naar de reden van zijn afwijzing,
gebeld met de consulent van de wederpartij bij het Arbeidsbureau Nieuwegein.
Eerstgenoemde consulent heeft aangegeven dat laatstgenoemde in dat gesprek
heeft beweerd dat de wederpartij in verband met het voorkomen van extra
wachttijden de voorkeur zou geven aan blanke Nederlandse werknemers.
Het verhaal over de wachttijden is bij de wederpartij in de gevoegde zaak
bekend. Er gaat een gerucht dat er bedrijven zijn die liever geen zwarte
werknemers laten rijden met name op Italië, omdat men daar de neiging zou
hebben niet-blanke chauffeurs langer te laten wachten. Dat verhaal is echter
niet bewezen. Binnen het Arbeidsbureau Nieuwegein is hier ook in algemene zin
over gesproken en niet in relatie tot de wederpartij. Haar is niet bekend of
de wederpartij genoemd criterium ook hanteert.
Op 17 januari 1996 heeft de consulent van het Arbeidsbureau Nieuwegein met de
werkgever een gesprek gehad naar aanleiding van de klacht dat verzoeker
vanwege zijn afkomst zou zijn afgewezen. De werkgever gaf aan dat betrokkene
was afgewezen omdat hij niet in het bezit was van een ADR-diploma. Nadat
verzoeker zich tot de politie had gewend, heeft het arbeidsbureau de
bemiddeling ten behoeve van de wederpartij gestaakt.
Op 1 maart 1996 is verzoeker wederom verwezen naar de wederpartij in verband
met een vacature.

3.9. De getuige stelt het volgende.

De getuige (consulent van verzoeker bij het Arbeidsbureau Woerden) heeft eind
1995 informatie ingewonnen bij de consulent van de wederpartij werkzaam bij
het Arbeidsbureau Nieuwegein. Deze heeft toen gezegd dat buitenlanders veel
moeilijker retourvracht krijgen en dat het diploma een probleem was.

De consulent bij het Arbeidsbureau Nieuwegein gaf aan dat de wederpartij
negatief stond tegenover mensen van een andere etnische afkomst in verband
met de problemen bij de retourvracht.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid heeft gemaakt op grond
van ras zoals verboden in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB het
maken van onderscheid naar ras bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.

4.3. De vraag die voorligt is of de etnische afkomst/huidskleur van verzoeker
(mede) een rol heeft gespeeld bij de afwijzing voor de functie van
internationaal chauffeur door de wederpartij.

De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

4.4. De wederpartij stelde in eerste instantie bij brief van 11 januari 1996
dat verzoeker was afgewezen omdat hij niet over het vereiste ADR diploma zou
beschikken. Ook in het gesprek van de consulent van het Arbeidsbureau
Nieuwegein met de wederpartij op 17 januari 1996 gaf de wederpartij aan dat
verzoeker was afgewezen omdat hij niet in het bezit was van dit diploma.
Het is de Commissie gebleken dat verzoeker ten tijde van de betreffende
sollicitatie in het bezit was van het ADR diploma.
De Commissie concludeert derhalve dat genoemde reden voor afwijzing van
verzoeker niet deugdelijk is.

4.5. Vervolgens voert de wederpartij in haar brief aan de Commissie van 24
juli 1996 aan, dat verzoeker is afgewezen omdat de vacature reeds vervuld
was.

4.6. De Commissie constateert dat de verklaringen van de wederpartij voor de
afwijzing van verzoeker onderling onverenigbaar zijn: als er geen vacature is
hoeft men ook geen navraag te doen naar het diploma van de sollicitant.

Uit de verklaringen van het arbeidsbureau blijkt weliswaar dat verzoeker door
een samenloop van omstandigheden werd verwezen kort nadat de vacatures ten
aanzien van de eerste melding waren vervuld. Aangezien de wederpartij evenwel
meerdere vacaturemeldingen heeft gedaan en vaststaat dat verzoeker meerdere
malen heeft gesolliciteerd, acht de Commissie het aannemelijk dat verzoeker
op enig tijdstip heeft gesolliciteerd dat er wel een vacature was.
Concluderend is de Commissie van oordeel dat geen van de door de wederpartij
aangevoerde redenen voor de afwijzing van verzoeker steekhoudend zijn.

4.7. Uit de verklaring van de getuige ter zitting is gebleken, dat de
consulent bij het arbeidsbureau van de wederpartij als reden voor de
afwijzing van verzoeker heeft genoemd de negatieve houding van de wederpartij
ten opzichte van mensen van een andere etnische afkomst in verband met
problemen bij de retourvracht. Uit de brief van het arbeidsbureau aan de
Commissie van 22 oktober 1996 blijkt dat de getuige de hiervoor genoemde
reden voor afwijzing ook aan het arbeidsbureau heeft bevestigd.

Voorts blijkt uit de verklaring ter zitting van de gemachtigde van de
wederpartij in de gevoegde zaak dat in haar organisatie en bij de
arbeidsbureaus bekend is dat er bedrijven zijn die liever geen zwarte
werknemers laten rijden met name op Italië, omdat men daar niet-blanken
langer zou laten wachten.

4.8. Nu de door de wederpartij aangevoerde redenen voor de afwijzing van
verzoeker door de wederpartij niet steekhoudend zijn, acht de Commissie het
op grond van de hiervoor genoemde verklaringen aannemelijk dat de wederpartij
verzoeker vanwege diens etnische afkomst heeft afgewezen. De wederpartij
heeft derhalve jegens verzoeker bij de vervulling van de vacature voor
internationaal chauffeur verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (….) te Vianen jegens de heer
(….) te Alphen aan de Rijn onderscheid naar ras heeft gemaakt bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking, zoals verboden
in artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. dr. L.Mulder (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. G.H. Felix(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 maart 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is van 1977 tot 1984 in deeltijd wethouder geweest bij de gemeente
Boarnsterhim. Op grond van de pensioenverordening van de gemeente heeft hij
een aanvullend pensioen opgebouwd. De hoogte van het aanvullend pensioen
wordt onder andere bepaald door de AOW-inbouw. Bij de AOW-inbouw berekening
werd bij verzoeker rekening gehouden met de AOW voor gehuwden, terwijl bij
gehuwde vrouwen de AOW voor ongehuwden werd verrekend. Bij de AOW-inbouw is
ook geen rekening gehouden met de deelijdfactor. De gemeentelijke verordening
stemt op deze punten overeen met Algemene Wet Politieke Ambtsdragers.
Verzoeker stelt dat onderscheid wordt gemaakt naar burgerlijke staat en
geslacht.
De Commissie stelt vast dat niet nader hoeft te worden ingegaan op de vraag
of sprake is van een verboden onderscheid naar burgerlijk staat omdat het
gaat om een onderscheid gemaakt bij of krachtens een wet welke voorafgaand
aan de AWGB in werking is getreden.
De klacht met betrekking tot onderscheid naar geslacht dient te worden
getoetst aan de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De Commissie
stelt vast dat artikel 1a en artikel 2 WGB m/v niet van toepassing zijn. De
Commissie concludeert naar aanleiding van onder andere de relevante
EG-richtlijn, de constitutionele positie van een wethouder en het ontbreken
van een hiërarchische relatie, dat geen sprake is van een gezagsverhouding
tussen de verzoeker en de wederpartij in de zin van artikel 1b WGB m/v. De
WGB m/v is derhalve niet van toepassing. Onder verwijzing naar hetgeen over
onderscheid naar burgerlijke staat is vastgesteld, kan een beroep op de AWGB
ten aanzien van onderscheid naar geslacht niet slagen.
Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 28 augustus 1996 verzocht de heer (….) te Jirnsum (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het College van Burgemeester en
Wethouders gemeente Boarnsterhim te Grou (hierna: de wederpartij) jegens hem
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker ontvangt als voormalig wethouder op basis van een
gemeentelijke verordening een pensioen. Dit pensioen is lager dan dat van
twee andere voormalig wethouders die een vergelijkbaar aantal dienstjaren
hebben. Volgens verzoeker wordt door toepassing van de regels op basis
waarvan het pensioen wordt vastgesteld, onderscheid als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. De
Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 17
februari 1997.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. (….) (zoon verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (….)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van september 1977 tot januari 1984 op deeltijdbasis
wethouder geweest bij de gemeente Rauwerderhem. Verzoeker krijgt op grond van
zijn dienstjaren als wethouder vanaf 15 mei 1987 een pensioen van ƒ 310,- per
jaar. Bij de gemeentelijke herindeling in januari 1984 is de gemeente
Rauwerderhem opgegaan in de gemeente Boarnsterhim (de wederpartij).

Het pensioen van verzoeker, opgebouwd over de jaren die hij als wethouder
werkzaam is geweest, is vastgesteld op basis van de Uitkerings- en
Pensioenverordening voor wethouders van 1 januari 1984 (hierna: de
Verordening). Deze Verordening is gebaseerd op de Algemene Pensioenwet
Politieke Ambtsdragers (APPA). Artikel 152 APPA luidt: `Bij verordening
kunnen regelen worden gesteld betreffende verval van uitzicht of recht op
pensioen en betreffende geheel of gedeeltelijk herstel van vervallen uitzicht
of recht op pensioen’. Dit artikel moet a contrario worden uitgelegd. Alleen
over dit onderdeel is het toegestaan nadere regels te stellen. Over wat niet
genoemd is mogen geen nadere regels worden vastgesteld. Het is dus niet
toegestaan in positieve zin af te wijken van de APPA.

De Verordening van de wederpartij kent een ouderdomspensioen van maximaal 70%
van het laatstverdiende loon toe. In het pensioen is het wettelijke
ouderdomspensioen ingebouwd. De pensioenuitkering bedraagt het
ouderdomspensioen verminderd met het inbouwbedrag.

Tot 1986 bestond er op grond van de APPA een verschillende inbouw van het
wettelijke ouderdomspensioen voor gehuwde mannen en vrouwen. Bij gehuwde
mannen werd de inbouw afhankelijk gesteld van het wettelijke
ouderdomspensioen voor gehuwden, bij ongehuwde mannen en gehuwde vrouwen van
het (lagere) wettelijke ouderdomspensioen voor ongehuwden. Dit heeft tot
gevolg dat de APPA-pensioenuitkering van gehuwde mannen voor de periode voor
1986 lager is dan die van ongehuwde mannen en gehuwde vrouwen.
Vanaf 1986 geldt voor (gehuwde) mannen en vrouwen zonder terugwerkende kracht
dezelfde pensioenopbouw.

In de APPA worden met betrekking tot de AOW-inbouwsystematiek regels gesteld
voor wethouders die het ambt vóór 1986 in deeltijd hebben uitgeoefend. Deze
inbouwsystematiek komt erop neer dat geen rekening wordt gehouden met de
omvang van de dienstbetrekking. Het totale jaarinkomen is bepalend voor de
pensioenuitkering waarvan een voor ieder, deeltijders en voltijders, gelijk
bedrag aan AOW wordt afgetrokken. De verhouding tussen het aanvullende
pensioenresultaat van de voltijder en de deeltijder is niet in
overeenstemming met de verhouding tussen de omvang van de dienstbetrekkingen.

De regeling voor pensioenen die voor 1986 zijn opgebouwd, kent een zogenaamde
verzachtingsmaatregel die er in bepaalde gevallen, toe leidt dat het
inbouwbedrag wordt verlaagd.

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep beroep aangetekend met
betrekking tot de vaststelling van zijn pensioen. Hij beriep zich in die
procedure op het feit dat voor de AOW-inbouw in het aanvullende pensioen dat
op basis van de Verordening aan verzoeker wordt verstrekt, geen rekening werd
gehouden met een deeltijdfactor, terwijl dat voor het aanvullende pensioen
wel werd gedaan. De Centrale Raad van Beroep heeft uitgesproken dat het
pensioen van verzoeker conform de van toepassing zijnde regels is vastgesteld
(Centrale Raad van Beroep, 16 februari 1995, APPA 1993/5.). De vraag of het
gelijkheidsbeginsel was geschonden is door verzoeker niet voorgelegd en door
de Centrale Raad van Beroep niet behandeld.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.
Twee andere voormalig wethouders die bij dezelfde gemeente respectievelijk
van 1970 tot 1977 en van 1970 tot 1978 werkzaam zijn geweest, ontvangen op
jaarbasis respectievelijk ƒ 2280,- en ƒ 1850,-. Het betrof hier een ongehuwde
man en een gehuwde vrouw, die beiden ongeveer even lang als verzoeker
wethouder zijn geweest, alsmede voor dezelfde deeltijdfactor, namelijk één
dag per week. Verzoeker ontvangt ƒ 310,- per jaar. De oorzaak voor dit grote
verschil lijkt, volgens verzoeker, gelegen in de herindeling van gemeenten
waarbij de gemeente Rauwerderhem is opgeheven en de wederpartij is ontstaan
en in de overgang naar een ander pensioenstelsel. Verzoeker is verder van
mening dat sprake is van onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke
wethouders, alsmede onderscheid naar burgerlijke staat.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.
Het pensioen van verzoeker is vastgesteld conform de Verordening. Deze
Verordening is in overeenstemming met de modelverordening zoals deze door de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten is vastgesteld. De Verordening is voorts
in overeenstemming met de APPA. Op grond van artikel 152 APPA heeft de
wederpartij niet de vrijheid om afwijkingen van de verordening in positieve
zin vast te stellen.

De reden dat verzoeker een lager pensioen ontvangt dan andere voormalig
wethouders is onder meer gelegen in het feit dat niet alleen het aantal
dienstjaren een rol speelt maar met name wanneer deze waren en hoe de
persoonlijke omstandigheden zijn geweest. Aangezien de hoogte van het
pensioen individueel bepaald is, kunnen pensioenen niet zonder meer met
elkaar vergeleken worden. Geslacht speelt hierbij geen doorslaggevende rol.
Dit blijkt ook uit het feit dat de twee voormalig wethouders waarmee
verzoeker zich vergelijkt, een man en een vrouw, die pensioen hebben
opgebouwd over dezelfde periode, ook een vergelijkbaar pensioen ontvangen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door de toepassing van de
Verordening onderscheid maakt op grond van geslacht en/of burgerlijke staat
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling. Daarbij zou het dan
allereerst gaan om, zoals hiervoor onder 3.1. is uiteengezet, de verrekening
in het APPA-pensioen van verzoeker van de AOW voor gehuwden, waar bij gehuwde
vrouwen de AOW voor ongehuwden werd verrekend; en in de tweede plaats om de
AOW-inbouw in het APPA-pensioen zonder rekening te houden met de
deeltijdfactor (zie ook daarover 3.1.).

4.2. In dat verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 5 lid 1 onderdeel d van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
bepaalt dat het maken van onderscheid verboden is bij de arbeidsvoorwaarden.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder meer moet worden verstaan
onderscheid op grond van geslacht en burgerlijke staat.

Artikel 4 AWGB stelt onder meer dat deze wet, de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB) alsmede onderscheid dat gemaakt wordt bij of
krachtens enig andere wet, welke voorafgaand aan deze wet in werking is
getreden, onverlet laat. De AWGB is op 1 september 1994 in werking getreden.

Artikel 1b WGB bepaalt dat ingeval een natuurlijk persoon, rechtspersoon of
bevoegd gezag een ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten anders dan
krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke
aanstelling, artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing
is.

Artikel 7A:1637ij BW lid 1 bepaalt onder andere dat een werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden. Op
grond van dit artikel worden onder arbeidsvoorwaarden geen aanspraken of
uitkeringen ingevolge pensioenregelingen begrepen.
Lid 5 van genoemd artikel bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen direct en indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt
verstaan. Van indirect onderscheid is sprake indien onderscheid op grond van
andere hoedanigheden dan het geslacht wordt gemaakt, dat onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

De klacht van verzoeker betreft twee gronden: burgerlijke staat en geslacht.
Hierna zal eerst worden ingegaan op de grond burgerlijke staat.

4.3. Verzoeker is allereerst van mening dat onderscheid wordt gemaakt naar
burgerlijke staat ten gevolge van de regels in de Verordening van de
wederpartij. Dit onderdeel van de klacht wordt bestreken door de AWGB. De
wederpartij heeft de Verordening vastgesteld in overeenstemming met en op
grond van de APPA. De Verordening dateert van januari 1984, de APPA dateert
van 1969.
Op grond van artikel 152 van de APPA mag de wederpartij regels stellen
betreffende verval van uitzicht of recht op pensioen en betreffende geheel of
gedeeltelijk herstel van vervallen uitzicht of recht op pensioen. Deze regel
moet zo worden geïnterpreteerd dat alleen over dit onderdeel nadere regels
gesteld mogen worden. Over wat niet genoemd is mogen geen nadere regels
worden vastgesteld, en geldt dus de wettelijke regeling van de APPA. De
klacht betreft niet een van de onderdelen waarover nadere regeling wel is
toegestaan.

Voorzover er al sprake is van onderscheid naar burgerlijke staat, wordt dit
onderscheid gemaakt, bij of krachtens een wet welke voorafgaand aan de AWGB
(dat wil zeggen, voorafgaand aan 1 september 1994) in werking is getreden. De
uitzondering van artikel 4c AWGB is derhalve van toepassing, reden waarom
niet nader kan worden ingegaan op de vraag of er sprake is van verboden
onderscheid naar burgerlijke staat.

4.4. De tweede grond van verzoekers klacht betreft onderscheid op grond van
geslacht. In dat verband zijn de AWGB en de WGB relevant. Hieromtrent kan het
volgende worden overwogen.

De bepalingen van de WGB hebben vanwege hun specifieke karakter voorrang
boven hetgeen meer algemeen in de AWGB geregeld is (Tweede Kamer, 1990-1991,
22014, nummer 3, p. 11.).

Eerst zal derhalve onderzocht moeten worden of de wederpartij kan worden
aangesproken op grond van deze specifieke regelgeving.
De WGB is slechts van toepassing op gedragingen van de werkgever danwel het
bevoegde gezag ten opzichte van hun personeel respectievelijk ambtenaren
(artikel 1a WGB); op gedragingen ten opzichte van personeel dat, niet als
werknemer of ambtenaar, onder gezag arbeid verricht (artikel 1b WGB); dan wel
op onderscheid betreffende het vrije beroep (artikel 2 WGB).

Betreffende de functie van wethouder kan niet gezegd worden dat sprake is van
een aanstelling als ambtenaar of van een arbeidsovereenkomst (artikel 1a
WGB); ook is geen sprake van een vrij beroep (artikel 2 WGB). Resteert de
vraag naar de toepasselijkheid van artikel 1b WGB: kan van een wethouder
gezegd worden dat deze onder gezag arbeid verricht?

De wetsgeschiedenis van dit artikel biedt weinig aanknopingspunten voor de
beantwoording van deze vraag. Duidelijk is slechts dat de wetgever met
artikel 1b WGB het oog had op betrekkingen die niet op basis van een
arbeidsovereenkomst tot stand zijn gekomen. Veel meer dan dat er, zoals
artikel 1b zegt, sprake moet zijn van (een vorm van) gezag is daarmee nog
niet gezegd.
De Eerste EG Richtlijn gelijk loon, waarop de WGB terzake van de gelijke
beloning is gebaseerd, wijst eveneens in de richting dat het gezagselement
cruciaal is, immers deze richtlijn spreekt van het recht van werknemers op
gelijke beloning.
Geconcludeerd moet dan ook worden dat het gezagselement van belang is om een
arbeidsrelatie als die van een wethouder te beschouwen als één die bestreken
wordt door (artikel 1b van) de WGB.

Is er ten aanzien van een wethouder sprake van gezag uitgeoefend door de
gemeente?
Voor een bevestigende beantwoording van deze vraag kan worden aangevoerd dat
de gemeenteraad het hoogste orgaan binnen de gemeente is; dat een wethouder
benoemd wordt door en uit de gemeenteraad; en dat een wethouder door de raad
kan worden ontslagen alsmede deel uitmaakt van het College van Burgemeester
en Wethouders.
Voor een ontkennend antwoord dient gewezen te worden op de constitutionele
positie van een wethouder die tevens raadslid is en als zodanig functioneert
zonder last (artikel 129 Grondwet). Daarnaast is van belang dat algemeen
wordt aangenomen dat er tussen het College van Burgemeester en Wethouders en
zijn leden geen ondergeschiktheidsverhouding bestaat: een wethouder kan niet
ondergeschikt worden geacht aan een college waarvan hij zelf deel uitmaakt.
In de derde plaats zou het te ver voeren om de WGB in dier voege uit te
leggen dat de WGB ook van toepassing zou zijn op de (politieke) samenstelling
van politieke organen als het College van Burgemeester en Wethouders.
Daarvoor zou een uitdrukkelijke wetsbepaling nodig zijn geweest (In
soortgelijke zin, Commissie gelijke behandeling,
30 december 1994, oordeel 94-16.). In de vierde plaats biedt de relevante EG
Richtlijn inzake gelijke beloning welke spreekt van werknemers, geen
aanknopingspunt om de gezagseis de facto los te laten. Tenslotte is er in de
verhouding van een wethouder tot de gemeenteraad ook niet zo zeer sprake van
een hiërarchie als wel van een politieke vertrouwensrelatie.
Het voorgaande brengt de Commissie ertoe vast te stellen dat er betreffende
een wethouder geen sprake is van een gezagsrelatie als bedoeld in artikel 1b
WGB. Mitsdien moet geconcludeerd worden dat ook artikel 1b WGB niet de
grondslag kan zijn om de functie van wethouder te doen vallen onder de
reikwijdte van de WGB. De Commissie kan dan ook niet oordelen over het beroep
van klager op de WGB (Vergelijk Centrale Raad van Beroep, 7 november 1996,
APPA 1993/3. In deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, wordt
geoordeeld dat een pensioenregeling die conform de APPA de hiervoor onder
3.1. genoemde inbouwvoorschriften voor het AOW-pensioen hanteert, directe
discriminatie op grond van geslacht inhoudt en wel in strijd is met artikel
26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten
(BuPo-Verdrag). Aan dit artikel van het BuPo-Verdrag kon volgens de Centrale
Raad van Beroep in die zaak op 23 december 1984 rechtstreekse werking niet
worden ontzegd. In de onderhavige bij de Commissie voorliggende zaak, betrof
het pensioen van verzoeker echter gewerkte tijdvakken vóór 23 december
1984.).

4.5. Nu de Commissie van mening is dat geen sprake is van een
arbeidsverhouding als bedoeld in de WGB m/v en deze wet derhalve niet van
toepassing is op de klacht met betrekking tot het onderscheid op grond van
geslacht, dient vervolgens nog te worden onderzocht of artikel 5 AWGB van
toepassing is, dat immers in algemene zin onderscheid bij de arbeid betreft.

Voorzover de AWGB wel van toepassing zou kunnen worden geacht op dit
onderdeel van de klacht, stuit dit onderdeel van de klacht echter op de
uitzondering van artikel 4c AWGB (zie hierboven paragraaf 4.3). De Commissie
kan derhalve niet nader ingaan op de vraag of er sprake is van verboden
onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat het College
van Burgemeesters en Wethouders van de Gemeente Boarnsterhim te Grou jegens
de heer (…) te Jirnsum niet in strijd heeft gehandeld met de wetgeving
gelijke behandeling bij het vaststellen van het aanvullende pensioen
aangezien artikel 1b Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen niet van
toepassing is en gelet op de uitzondering van artikel 4 onderdeel c Algemene
wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. A.W. Heringa(lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 maart 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij een transportbedrijf gesolliciteerd naar de functie van
internationaal chauffeur. De wederpartij heeft de vacature voor deze functie
bekend gemaakt en voor verzoeker bemiddeld. Verzoeker is voor deze functie
afgewezen. De Commissie acht aannemelijk dat het transportbedrijf verzoeker
heeft afgewezen vanwege diens etnische afkomst. Een arbeidsbemiddelende
instantie dient zich bij de bemiddeling te onthouden van discriminatie. Dit
brengt met zich mee dat deze er op moet toezien dat ook degen waarover zij
het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden. De consulenten van de
wederpartij hebben, nadat zij kennisgenomen hadden van de discriminatoire
reden van afwijzing van verzoeker, niet direct een deugdelijk onderzoek
ingesteld. De wederpartij heeft onvoldoende passende maatregelen getroffen en
heeft daardoor verzoeker niet de bescherming geboden waartoe zij krachtens de
wet is gehouden. Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 januari 1996 verzocht de heer (….) te Alphen aan de Rijn
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of Arbeidsvoorziening Midden Nederland te Utrecht
(hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker heeft naar aanleiding van een vacature bij het Arbeidsbureau
te Woerden naar de functie van internationaal chauffeur bij een
transportbedrijf gesolliciteerd. Hij werd niet aangenomen. Verzoeker is van
mening dat zijn Arubaanse afkomst de reden is voor de afwijzing en dat de
wederpartij bij de bemiddeling voor de functie in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB) heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Verzoeker heeft naast bovengenoemde wederpartij, ook het
transportbedrijf (….) te Vianen als wederpartij aangewezen. Ter zitting
zijn beide zaken gevoegd behandeld. Het oordeel in genoemde zaak is door de
Commissie vastgesteld op 27 maart 1997 en is bekend onder oordeelnummer
97-26.

2.3. De Commissie heeft op 23 september 1996 en 22 oktober 1996 een zitting
gehouden. Voor de eerste zitting zijn partijen opgeroepen en deze hebben hun
standpunt nader toegelicht.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. (….) (gemachtigde Steunpunt Anti-Discriminatie Utrecht)

van de kant van de wederpartij
– dhr. drs. (….) (gemachtigde)
– dhr. (….) (getuige/deskundige)

van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. (….) (economisch adviseur)

van de kant van de Commissie:
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

Voor de vervolgzitting op 22 oktober 1996 heeft de Commissie partijen
uitgenodigd en twee getuigen opgeroepen. Eén van deze getuigen (dhr. (….),
consulent bij het Arbeidsbureau Nieuwegein) heeft aan deze oproep geen gehoor
gegeven. De wederpartij in de gevoegde zaak heeft van de uitnodiging voor de
vervolgzitting geen gebruik gemaakt.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. (….) (gemachtigde Steunpunt Anti-Discriminatie Utrecht)

van de kant van de wederpartij
– dhr. drs. (….) (gemachtigde)
– dhr. (….) (getuige/deskundige)

van de kant van de Commissie:
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. G.H. Felix (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een Regionaal Bureau voor Arbeidsvoorziening. In haar
werkgebied zijn 14 Arbeidsbureaus gevestigd waaronder de Arbeidsbureaus
Woerden en Nieuwegein.
Verzoeker is van Arubaanse afkomst. Hij solliciteerde op een bij de
wederpartij gemelde vacature. Het betrof de functie van internationaal
chauffeur bij een transportbedrijf. Verzoeker is voor deze functie afgewezen.

3.2. Het transportbedrijf heeft tweemaal een vacaturemelding bij het
Arbeidsbureau Nieuwegein gedaan voor de functie van internationaal chauffeur
voor het transporteren van goederen naar Italië, Oostenrijk en Spanje. Als
functie-eis was vermeld dat men in het bezit moest zijn van rijbewijzen B, C
en E, het ADR-diploma en het chauffeursdiploma-CCVB-B.

3.3. Verzoeker heeft op 8 november 1995 telefonisch contact opgenomen met
zijn consulent bij het Arbeidsbureau Woerden om nader te informeren naar de
reden van zijn afwijzing. Deze heeft hierover navraag gedaan bij de consulent
van het transportbedrijf bij het Arbeidsbureau Nieuwegein. Op grond van het
verkregen antwoord concludeerde verzoeker dat hij niet in aanmerking kwam
voor de functie vanwege zijn afkomst.

3.4. Verzoeker nam hierna contact op met het Steunpunt Anti-Discriminatie te
Utrecht (hierna: STAD). STAD heeft het Arbeidsbureau Woerden opheldering
gevraagd over de afwijzing van verzoeker. Het transportbedrijf reageerde bij
brief van 11 januari 1996 en gaf daarin aan dat verzoeker niet was aangenomen
omdat hij niet over het vereiste ADR-diploma (vervoer gevaarlijke stoffen)
beschikte. Verzoeker nam geen genoegen met deze verklaring van het
transportbedrijf, omdat hij meende afgewezen te zijn op grond van zijn
afkomst en heeft via STAD een verzoek om een oordeel bij de Commissie
ingediend over het handelen van het transportbedrijf en de wederpartij.

3.5. Naar aanleiding van de klacht van verzoeker over discriminatie bij zijn
afwijzing door het transportbedrijf werd de dienst-verlening door de
wederpartij aan het transportbedrijf met ingang van 19 januari 1996 voorlopig
gestaakt.

3.6. Verzoeker heeft samen met STAD aangifte van discriminatie bij de politie
te IJsselstein gedaan. Deze heeft een onderzoek ingesteld. In dit kader heeft
de wederpartij op 23 januari 1996 de politie te IJsselstein meegedeeld dat in
de vacature geen discriminerende functie-eisen zijn opgenomen. De politie
heeft geen proces-verbaal opgemaakt.

3.7. Op 1 maart 1996 heeft de wederpartij verzoeker opnieuw verwezen naar
aanleiding van een gelijksoortige vacature bij het transportbedrijf.

3.8. De organisatie van de wederpartij kent de functie van Bedrijfsadviseur
Minderheden. Tot het takenpakket van deze adviseur behoort advies en
ondersteuning inzake uitvoering van de Wet bevordering evenredige
arbeidsdeelname allochtonen (hierna: WBEAA). Tevens kan een Bedrijfsadviseur
Minderheden bij signalen over directe of indirecte discriminatie door een
consulent worden ingeschakeld om eventuele problemen met de werkgever te
bespreken.

De standpunten van partijen

3.9. Verzoeker stelt het volgende.

Na verwijzing door het arbeidsbureau werd aan verzoeker door het
transportbedrijf meegedeeld dat de betreffende vacature reeds vervuld was.
Enige tijd later stond dezelfde vacature bij het arbeidsbureau weer open.
Verzoeker besloot nogmaals te solliciteren. Door het transportbedrijf werd
verzoeker echter weer meegedeeld dat de vacature al vervuld was. In totaal
werd verzoeker vier maal `afgescheept’ met het antwoord dat de vacature reeds
vervuld was of dat men op vakantie was en hij later terug moest bellen.

Verzoeker heeft vervolgens op 8 november 1995 contact opgenomen met zijn
consulent bij het Arbeidsbureau Woerden. Deze consulent wist niet wat de
reden voor de afwijzingen van verzoeker was, maar nam contact op met het
Arbeidsbureau Nieuwegein. Na dit telefoongesprek vertelde de consulent aan
verzoeker dat het transportbedrijf liever blanke chauffeurs in dienst heeft
omdat zwarte chauffeurs langer moeten wachten bij het laden en lossen en zij
over het algemeen niet op tijd laden en lossen.
Verzoeker is wel in het bezit van het vereiste ADR-diploma. Bovendien is
tijdens de telefoongesprekken nooit ter sprake gekomen dat verzoeker in het
bezit zou moeten zijn van dit diploma.

Verzoeker is van mening dat de werkelijke reden van zijn afwijzing gelegen is
in zijn afkomst en dat de wederpartij door het transportbedrijf van dienst te
zijn, in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

3.10. De wederpartij stelt het volgende.

Verzoeker stond vier keer verkort ingeschreven bij het Arbeidsbureau Woerden.
Hij is in ieder geval twee keer door de wederpartij doorverwezen, op twee
verschillende vacatures van hetzelfde transportbedrijf. Eén van de
doorverwijzingen was op 8 juni 1995. Op dat moment stond bij het
transportbedrijf nog één vacature open. Op diezelfde dag bleek echter uit het
gemeenschappelijk informatiesysteem van de wederpartij dat deze vacature
inmiddels was vervuld.

De consulent van verzoeker bij het Arbeidsbureau Woerden heeft naar
aanleiding van de vraag van verzoeker naar de reden van afwijzing gebeld met
de consulent van het transportbedrijf bij het Arbeidsbureau Nieuwegein.
Het verhaal over de wachttijden is bij de wederpartij bekend. Er gaat een
gerucht dat er bedrijven zijn die liever geen zwarte werknemers laten rijden
met name op Italië, omdat men daar de neiging zou hebben niet-blanke
chauffeurs langer te laten wachten. Dat verhaal is echter niet bewezen.
Binnen het arbeidsbureau Nieuwegein is hier ook in algemene zin over
gesproken en niet in relatie tot het transportbedrijf. Haar is niet bekend of
onderhavig transportbedrijf genoemd criterium ook hanteert.

De brief van STAD aan de wederpartij is voor behandeling door gestuurd naar
het Arbeidsbureau Nieuwegein. De consulent van het Arbeidsbureau Nieuwegein
heeft op 17 januari 1996 naar aanleiding van de brief een gesprek gehad met
het transportbedrijf. Het transportbedrijf heeft in dat gesprek aangegeven
dat verzoeker is afgewezen vanwege het ontbreken van de vereiste papieren.

Naar aanleiding van de brief van STAD en het gesprek met het transportbedrijf
is door de vestigingsmanager van het Arbeidsbureau Nieuwegein besloten om
zorgvuldig met de melding van vermeende discriminatie om te gaan en voorlopig
niet te bemiddelen voor het transportbedrijf. Beleidslijn van de wederpartij
is dat bij feitelijk constateren van discriminatie, de dienstverlening aan de
werkgever voor maximaal een jaar wordt gestaakt en dat aangifte volgt bij
justitie. In het onderhavige geval heeft de wederpartij geen gebruik gemaakt
van de diensten van de Bedrijfsadviseur Minderheden omdat de vermeende
discriminatie inmiddels was gemeld bij Justitie en bij de Commissie gelijke
behandeling. Bovendien hebben de Bedrijfsadviseurs Minderheden met het
transportbedrijf geen contact gehad, omdat het bedrijf niet onder de
werkingssfeer van de WBEAA valt. Ook bij navraag door de wederpartij is haar
niet gebleken dat er bij de Bedrijfsadviseurs Minderheden iets bekend was
over de gang van zaken bij onderhavig transportbedrijf. Wanneer het
transportbedrijf inderdaad de voorkeur zou geven aan blanke Nederlanders zou
de dienstverlening aan het bedrijf niet zijn gestart, dan wel direct zijn
gestaakt.

Uit het door de politie ingestelde onderzoek is gebleken dat in de door de
wederpartij opgenomen en bekend gemaakte vacature geen discriminerende
selectie-eisen waren opgenomen.
De wederpartij stelt dat een nader onderzoek zou hebben plaats gevonden als
de klacht was ingediend volgens de klachten-procedure. Op het moment dat er
klachten bij de organisatie van de wederpartij binnen komen, wordt volgens de
bestaande richtlijnen te werk gegaan. Wellicht had deze procedure beter
tegelijk kunnen lopen met de procedure bij de Commissie.

De wederpartij kan de klacht van verzoeker niet onderschrijven en weerlegt de
klacht zelfs. De wederpartij betreurt het dat STAD geen gebruik heeft gemaakt
van de bestaande contacten van de wederpartij, met name met de
Bedrijfsadviseurs Minderheden, om de feitelijke gang van zaken te verifiëren.
De wederpartij is met de vermeende discriminatie door het transportbedrijf
zorgvuldig omgegaan en tracht het in de hand werken van discriminatie te
vermijden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid heeft gemaakt op grond
van ras zoals verboden in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB het
maken van onderscheid naar ras bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.

4.3. Blijkens de tekst van artikel 5 lid 1 AWGB en de Memorie van Antwoord op
dit artikel (Memorie van Antwoord II, bladzijde 79.), richt artikel 5 lid 1
zich zowel tot de werkgever als tot intermediaire instanties op het terrein
van de arbeidsbemiddeling zoals uitzendbureaus en de RBA’s. In beginsel is de
werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de AWGB voor het geheel van
de wervings-, selectie-, en de aanstellingsfase. Daarnaast is naar vaste
jurisprudentie van de Commissie (Commissie gelijke behandeling, 11 oktober
1993 oordeelnummer: 93-38. Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992
oordeelnummer: 92-48. Commissie gelijke behandeling, 2 september 1992
oordeelnummer: 92-47.) een door de werkgever ingeschakelde derde eveneens
verantwoordelijk voor de naleving van de AWGB voor dat deel van de procedure
waar deze bij betrokken is.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij in de onderhavige zaak bemiddelde
bij de selectie tussen de werkgever en verzoeker. Derhalve was zij gehouden
om daarbij artikel 5 lid 1 sub a AWGB na te leven.

4.4. De Commissie heeft in de gevoegde zaak geoordeeld dat door het
transportbedrijf, waarvoor de wederpartij bemiddelde, bij de afwijzing van
verzoeker verboden onderscheid op grond van ras is gemaakt. Ter beantwoording
van de vraag of de wederpartij in de onderhavige zaak zelf in strijd met de
AWGB heeft gehandeld overweegt de Commissie het volgende.

4.5. Naar het oordeel van de Commissie brengt de verplichting van de
arbeidsbemiddelende instantie om zich bij de bemiddeling te onthouden van
discriminatie met zich mee, dat deze er op moet toezien dat ook degenen
waarover zij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden.

4.6. De Commissie stelt vast dat de consulent van het Arbeidsbureau Woerden
door de consulent van het Arbeidsbureau Nieuwegein, omstreeks eind 1995 op de
hoogte werd gesteld van mogelijk discriminerend handelen door het
transportbedrijf, waarvoor door de wederpartij bemiddeld werd.

4.7. De Commissie constateert dat door genoemde consulenten, nadat zij
kennisgenomen hadden van de discriminatoire reden van afwijzing van
verzoeker, niet direct een deugdelijk onderzoek is ingesteld bij het
transportbedrijf. Het vorenstaande klemt temeer omdat de wederpartij zelf ter
zitting heeft aangegeven dat het haar bekend was dat verhalen de ronde deden
over mogelijk discriminerend handelen van bedrijven ten aanzien van zwarte
chauffeurs die op Italië rijden.

4.8. Pas nadat verzoeker zich via STAD over discriminatie heeft beklaagd en
bij de politie aangifte heeft gedaan is door de consulent bij het
transportbedrijf navraag gedaan en werd de bemiddeling op 19 januari 1996
door de wederpartij voorlopig gestaakt. De wederpartij heeft ook toen
nagelaten een eigen onderzoek in te stellen terwijl daarna, op 1 maart 1996,
de bemiddeling ten behoeve van het transportbedrijf is hervat.

4.9. De Commissie is van oordeel dat de wederpartij, gelet op de in deze en
de gevoegde zaak vastgestelde feiten, de ernst van de klacht van verzoeker
heeft onderschat en geen, althans onvoldoende passende maatregelen heeft
getroffen. Dit klemt te meer omdat de wederpartij beschikt over
functionarissen, de Bedrijfsadviseurs Minderheden, die bij signalen over
discriminatie kunnen worden ingeschakeld. Uit het bovenstaande volgt dat de
wederpartij verzoeker niet de bescherming heeft geboden waartoe zij krachtens
artikel 5 lid 1 sub a AWGB is gehouden.

Op bovenstaande gronden is de Commissie van oordeel dat de wederpartij bij de
bemiddeling van verzoeker voor de vervulling van een opstaande betrekking in
strijd heeft gehandeld met de AWGB.

4.10. Aanbeveling van de Commissie.

De wederpartij heeft aangevoerd dat de betreffende consulent van het
Arbeidsbureau Nieuwegein zijn leidinggevende niet in kennis heeft gesteld van
zijn vermoedens van discriminatie. Zij heeft daar echter aan toe gevoegd dat
geconcludeerd moet worden dat betrokkene niet gehandeld heeft conform de voor
de organisatie geldende anti discriminatie-code. De Commissie heeft dan ook
met instemming kennisgenomen van het voornemen van de wederpartij om op korte
termijn alle medewerkers te informeren over de geldende
anti-discriminatiecode en terzake te instrueren.
De Commissie beveelt de wederpartij aan dit voornemen spoedig uit te voeren
en periodiek te blijven herhalen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Arbeidsvoorziening Midden
Nederland te Utrecht jegens de heer (….) te Alphen aan de Rijn onderscheid
naar ras heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking, zoals verboden in artikel 5 lid 1 sub a van de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. dr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. G.H. Felix(secretaris Kamer).

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 26 maart 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting

Eiseres, moeder van de twee slachtoffers, vordert tweemaal ƒ 25 000 wegens
immateriële schade en tweemaal ƒ 21 195 als vergoeding voor de geleden
materiële schade.
Gedaagde heeft haar twee zoontjes gedurende de tijd dat zij bij hem in huis
verbleven, seksueel misbruikt. Hij is hiervoor veroordeeld tot een
voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee
jaar. Dit vonnis betrof zijn handelingen ten aanzien van een van de kinderen.
De rechtbank acht bewezen dat gedaagde onrechtmatig jegens de beide kinderen
heeft gehandeld.
Ten aanzien van de schadevergoeding overweegt de rechtbank dat onvoldoende
bewijs is geleverd om aan te nemen dat er sprake is van verlies aan
verdiencapaciteit. De rechtbank wijst ƒ 90 materiële schadevergoeding toe.
De rechtbank kent respectievelijk ƒ 15 000 en ƒ 7500 aan immateriële
schadevergoeding toe. De rechtbank ziet geen enkele reden om deze bedragen te
matigen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of
proceshandelingen:
– dagvaarding,
– conclusie van eis met bewijsstukken,
– conclusie van antwoord met bewijsstukken,
– vonnis van deze rechtbank van 12 juli 1995, waarbij een comparitie van
partijen werd gelast,
– conclusie van repliek met bewijsstukken,
– conclusie van dupliek met bewijsstukken,
– akte uitlating produkties.
Beide partijen hebben de stukken overgelegd voor het verkrijgen van vonnis.

Gronden van de beslissing

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende
weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de
overgelegde bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast.

a. B heeft twee zoons: J. D., geboren op 1 januari 1980 te K. en
A. D., geboren op 1 januari 1982 te K.

b. B en haar zoons werden medio augustus 1992 uit hun woning gezet. D heeft
de kinderen vanaf die datum tot 23 september 1992 in zijn woning te laten
verblijven.

c. B heeft op 23 september 1992 aangifte gedaan van ontucht, door D met J. en A. gepleegd.

d. De Meervoudige Strafkamer van de rechtbank in Zwolle heeft bij vonnis van 18 oktober 1994 D veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank heeft bewezen verklaard:
`Dat hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 december 1991 tot 23 september 1992 te A. met A. D., die toen de leeftijd van zestien
jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft
gepleegd, bestaande uit het betasten van, aaien over en voelen aan de penis van die A. D..’

e. De rechtbank heeft in haar vonnis het beroep van D op onrechtmatig
verkregen aldus verworpen:
`De advocaat heeft betoogd dat verdachte door de verhorende politieambtenaren zodanig onder druk is gezet dat niet meer gezegd kan worden dat zijn verklaring in vrijheid is afgelegd en daarmee die verklaring niet tot bewijs mag meewerken. De rechtbank verwerpt dit verweer nu noch uit de voorhanden zijnde stukken noch uit het verhoor van beide politieambtenaren als getuige ter terechtzitting enige aanwijzing is gekomen dat die ambtenaren, welke beiden ruime ervaring bezaten met betrekking tot het horen van verdachten in
zedendelicten, zich niet zouden hebben gehouden aan hun verplichting als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zodat de rechtbank de verklaring van verdachte tot bewijs laat meewerken.’

f. De rechtbank heeft bij dit vonnis de officier van justitie
niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging tegen J. D., omdat
J. als 12-jarige niet in de gelegenheid was gesteld om zijn mening kenbaar te maken omtrent de wenselijkheid van strafvervolging.

g. Bij brief van 28 december 1994 heeft de raadsvrouw van B D gesommeerd tot betaling van tweemaal ƒ 25 000 wegens immateriële schade en tweemaal ƒ 21 195 als vergoeding voor de volgens haar door beide kinderen geleden materiële schade als nader omschreven bij brief van 27 december 1994. D heeft hieraan niet voldaan.

2. B vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat D een
onrechtmatige daad heeft begaan jegens haar minderjarige zoons J. en A .D. en dat de rechtbank D bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad zal
veroordelen tot betaling van ƒ 25 000 aan zowel J. als aan A. wegens
immateriële schade en tot betaling van ƒ 21 195 aan zowel J. als A.
wegens materiële schade, alle bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 december 1994 tot aan de dag der algehele voldoening.
Tenslotte vordert B de veroordeling van D in de kosten van het geding.

3. B legt aan haar vordering ten grondslag dat D in de periode van december 1991 tot 23 september 1992 ontucht heeft gepleegd met J. en A. D. en daarmee een ernstige inbreuk heeft gemaakt op hun lichamelijk en geestelijke integriteit. D heeft derhalve onrechtmatig gehandeld jegens J. en A. en is aansprakelijk voor de schade die als gevolg daarvan is ontstaan, zo stelt B.

4. D betwist dat hij enige inbreuk op de lichamelijke en geestelijke
integriteit van de kinderen heeft gemaakt. D betoogt dat daarnaast op geen enkele wijze is aangetoond dat J. en A. concrete schade hebben geleden, lijden, of in de nabije toekomst zullen lijden als gevolg van de contacten met hem.
Subsidiair betwist D de omvang van de gestelde schade en verzoekt hij de rechtbank een eventueel op te leggen schade vergoeding te matigen.

5. Allereerst dient te worden vastgesteld of het handelen van D als
onrechtmatig jegens J. en A. kan worden aangemerkt.
D voert aan dat de verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd onder extreme psychische druk zijn tot stand gekomen. Hij acht zich daarom niet gebonden aan enige bekentenis die hij destijds heeft gedaan. D ontkent dat hij ontuchtige handelingen met de jongens heeft verricht en meent dat dit ten opzichte van A., niettegenstaande het hiervoor onder 1.d genoemde veroordelend vonnis van de rechtbank te Zwolle, in dit geding niet bewezen kan worden geacht. Ten aanzien van J. is de rechtbank niet aan een oordeel omtrent de ten laste gelegde feiten toegekomen, zodat aan het strafvonnis wat J. betreft geen bewijs valt te ontlenen. Gelet op zijn hardnekkige ontkenning moet de vordering worden afgewezen, aldus D.

6. B huldigt terecht het standpunt dat het op tegenspraak gewezen
strafvonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan, waarbij de rechtbank in Zwolle bewezen heeft verklaard dat D de hiervoor onder 1.d weergegeven feiten heeft begaan, ingevolge artikel 188 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in dit geding tussen partijen dwingend bewijs oplevert van die feiten. De rechtbank heeft onderzocht of D zodanig onder druk is gezet dat niet meer gezegd kan worden dat zijn verklaring in vrijheid is afgelegd en zij heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het verweer dat D ook thans op dit punt voert is niet voldoende onderbouwd met voor bewijs levering vatbare feiten of omstandigheden en dient reeds om die reden te worden gepasseerd.
Nu D ook overigens geen concreet tegenbewijs heeft aangeboden, staat vast dat hij meermalen het geslachtsdeel van A. D. heeft betast, gestreeld en dat hij eraan heeft gevoeld. Deze handelingen zijn onrechtmatig jegens A. D., die destijds tien jaar oud was.
B’s stelling, dat D ook verderstrekkende seksuele handelingen met A.  heeft gepleegd, vindt onvoldoende steun in de overgelegde bewijsstukken. Nu B niet voldoende concreet heeft aangeboden nader bewijs op dit punt te leveren, wordt deze stelling gepasseerd.

7. B stelt zich op het standpunt dat de inhoud van het overgelegde dossier van de strafzaak tegen D bewijst, dat hij eveneens ontuchtige handelingen bij J. heeft verricht. De omstandigheid dat de rechtbank in de strafzaak niet aan een inhoudelijke beoordeling van deze ten laste gelegde feiten is toegekomen, doet daaraan naar haar oordeel geen afbreuk.

8. Nu de rechtbank in de strafzaak wegens niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie op dit onderdeel niet is toegekomen aan weging van het bewijsmateriaal, dient op grond van de overgelegde bewijsstukken te worden beoordeeld, of bewezen kan worden geacht dat D ontuchtige handelingen met J. D. heeft gepleegd.

a. Joël heeft op 8 september 1992 bij de politie te A. verklaard,
voorzover hier van belang:
`Ongeveer veertien dagen geleden lag ik ’s nachts in mijn bed. Ik werd toen wakker gemaakt door mijnheer D. Ik sliep in de slaapkamer van mijnheer D. (..) werd ik wakker omdat mijnheer D over mijn lichaam aaide. Ik had mijn pyjama aan. Mijn pyjama werd door mijnheer D uitgetrokken. Mijnheer D trok mijn onderbroek uit. Hij ging toen over mijn piemel aaien. Dit deed geen zeer. Mijnheer D ging ook aan mijn billen zitten. Dit deed geen zeer. Ik kon zien dat mijnheer D een pyjama aan had. (..) Hierna wilde ik nooit meer bij mijnheer D slapen omdat hij die dingen bij mij heeft gedaan. Ik vond het niet leuk wat mijnheer D bij mij deed.

b. A. D. heeft op 29 september 1992 bij de politie te Almere verklaard,
voor zover hier van belang:
`Ik moest altijd bij mijnheer D slapen. Ik wilde liever alleen slapen. Maar
dat mocht niet van mijnheer D. Mijn broertje J. en een ander jongetje die M. heet hoefden bijna nooit bij mijnheer D te slapen. Soms sliepen ze wel bij mijnheer D, maar meestal ik. Als bij mijnheer D sliep dan wilde ik graag alleen slapen, maar ik moest altijd bij hem op bed. Mijnheer D had altijd zijn korte broek aan met de trui van zijn pyjama. Dan pakte mijnheer D mij vaak op als ik sliep en dan werd ik een beetje wakker. Mijnheer D begon mij dan op mijn mond te kussen en over mijn lichaam te aaien, ook ging hij dan aan mijn billen zitten. Ik moest dan heel vaak op zijn buik zitten. Ik voelde dan wel het piemeltje van mijnheer D tegen mijn buik. Ik weet niet of mijnheer D nog zijn broek aan had. Ik had altijd mijn pyjamabroek aan als ik op de buik van mijnheer D zat. Hij ging dan altijd met zijn hand in mijn pyjamabroek en onderbroek.’
(..)
`Ik heb één keer gezien dat mijnheer D J. ook op zijn buik zette. Dit was ’s nachts. Ik was ook bij mijnheer D op de slaapkamer. Maar dit was maar één keertje.’

c. D heeft op 5 en 6 oktober 1992 bij de politie te A.  verklaard,
voorzover hier van belang:
`Ik heb er veel over nagedacht en ben tot de conclusie gekomen dat er dingen zijn voorgevallen die niet juist zijn. Ik weet dat het niet goed is als een man van 61 jaar met een kind in bed ligt. Ik heb al verteld dat A. wel eens tegen mij aan kwam liggen in bed. Dit is inderdaad het geval. Ik heb hem ook wel eens gestreeld over zijn rug en over zijn buik. Verder heb ik hem ook wel eens een tik op zijn billen gegeven of in zijn billen geknepen. Ik deed dit niet hard maar zachtjes. Ik deed dit omdat ik het fijn vond.’ (..)
`Ik heb wel met A. en J. geknuffeld.’ (..)
`Soms kroop A. heel strak tegen mij aan. Ik vond dan dat dat niet kon en draaide hem om en draaide mij zelf ook om of ging uit bed. Ik had het gevoel dat het niet goed was.’ (..)
`Ik vond het wel fijn. Het kan wel eens een keer gebeurd zijn dat ik per
ongeluk hun piemeltje heb aangeraakt, maar ik heb nooit bewust aan hun piemeltjes gezeten.’ (..)
`Ik haalde A. ’s morgens wel eens uit bed en haalde hem dan bij mij in
bed. Dit was dan omstreeks 5.00 uur of 6.00 uur. Ik weet nu dat ik dat niet deed omdat A. dat wilde, maar omdat ik het lekker en gezellig vond.’ (..)
`Ik heb wel eens bij A. een tik op zijn billen gegeven. Ik vond dit fijn
om te doen. Ik gaf hem dan een tik op zijn blote billen. Ik ging dan dus met mijn hand in zijn pyjama en onderbroek. (..)
`Ik heb dingen gedaan die niet goed zijn en heb daar spijt van. Ik heb de kinderen geen pijn willen doen. Ik weet dat het fout is, ik besef ook dat de kinderen misschien een verkeerd beeld krijgen en denken dat het normaal is wat ik deed. Ik heb dit wel geweten dat zij dat zouden gaan denken, maar ik had gewoon de behoefte om ze aan te raken. Ik zou wel willen zeggen tegen de kinderen dat het mij heel erg spijt. Ik heb de kinderen aangeraakt om mijn behoefte te bevredigen, maar niet altijd.’

9. De rechtbank acht op grond van deze verklaringen in onderling verband en samenhang bewezen dat D het geslacht en de billen van J. D. ontuchtig heeft gestreeld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verklaringen van de kinderen gedetailleerd zijn en geloofwaardig. Gezien hun leeftijden (10 en 12 jaar) is onaannemelijk dat zij onafhankelijk van elkaar tegenover de politie een leugen zouden hebben kunnen volhouden. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat voor een dergelijke leugen aanleiding zou kunnen zijn geweest. Derhalve staat vast dat D eveneens onrechtmatig jegens J. heeft
gehandeld.

10. De volgende vraag die beantwoording behoeft, is of het onrechtmatig handelen van D schade heeft veroorzaakt, hetgeen D betwist, of nog zal veroorzaken, bij A. en J. en indien dat inderdaad het geval is, op welke wijze die schade moet worden begroot.

Materiële schade

11. B stelt dat de volgende materiële schade dient te worden vergoed:
a. de kinderen hebben op school door concentratiestoornissen als gevolg van het gebeurde een achterstand opgelopen, die wellicht nog zal toenemen. In de toekomst lijden zij een verlies aan verdiencapaciteit, begroot op ƒ 1500 per maand gedurende 2 jaar ƒ 18000;
b. de kinderen zullen in de toekomst therapie moeten volgen, te begroten op ƒ20 aan eigen bijdrage per week gedurende drie jaar ƒ 3120;
c. 1/2 eigen bijdrage terzake toevoeging ƒ 30;
d. 1/2 reiskosten ƒ 45.

12. D voert daartegenover het volgende aan :
a. Hij betwist bij gebrek aan wetenschap dat J. en A. te kampen hebben met concentratiestoornissen. Indien blijkt, dat dit wel degelijk het geval is, dan staat nog niet vast dat deze zijn veroorzaakt door de `vermeende’ seksuele handelingen.
D betoogt voorts dat het onzeker is of een achterstand op school de oorzaak zal zijn van verlies aan verdiencapaciteit bij toetreding op de arbeidsmarkt.
b. De kinderen zijn momenteel niet in therapie; het staat niet vast dat de kinderen in de toekomst een therapie moeten ondergaan en evenmin wat hiervan de kosten eventueel kunnen zijn.
c. De gevorderde reiskosten tussen A. en A. komen niet voor
vergoeding in aanmerking, aangezien deze met de strafzaak niets te maken hebben. De politieverhoren werden in A. gehouden en de rechtbank in
Zwolle oordeelde in de strafzaak.

13. a. Verlies aan verdiencapaciteit
Voorop staat dat algemeen bekend mag worden geacht dat het plegen van ontuchtige handelingen als de onderhavige met kinderen in de leeftijd van A. en J., met name wanneer sprake is van misbruik van een
vertrouwenspositie, op de geestesgesteldheid van die kinderen een ongunstige uitwerking heeft. Voor een bevestigende beantwoording van de vraag of daaruit verlies van verdiencapaciteit in de toekomst voortvloeit, is evenwel noodzakelijk dat met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden aangenomen dat die ongunstige invloed zich zal uitstrekken tot het volwassen leven van de betrokken kinderen. Voor die conclusie bieden de overgelegde stukken en hetgeen B op dit punt heeft gesteld thans onvoldoende aanknopingspunten.
B stelt weliswaar dat A. te kampen heeft met concentratiestoornissen, maar zij onderbouwt dit niet met bewijsstukken waaruit dit blijkt. In hetgeen zij overigens in dit verband heeft gesteld, vindt de rechtbank onvoldoende aanleiding om over te gaan tot benoeming van een deskundige.
B stelt verder, dat J. concentratieproblemen en een leerachterstand heeft, hetgeen volgens haar blijkt uit een op 23 februari 1995 opgemaakt rapport betreffende een psychologisch onderzoek van J..
Uit deze bewijsstukken valt op te maken dat J. een periode heeft
doorgemaakt waarbij hij een `afwezige, emotieloze houding’ had en moeite had met situaties waarin lichamelijkheid een rol speelde. Voorts kan uit de inhoud van deze stukken echter worden afgeleid, dat J. daarna een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt; dat hij zich goed kan concentreren; dat zijn mondelinge taalvaardigheid duidelijk is verbeterd door intensieve logopedie en dat hij een uitgesproken belangstelling heeft voor technische beroepen.
Uit deze recente gegevens valt niet af te leiden dat J. in de toekomst
wellicht verdiencapaciteit zal derven.
Ook op dit punt wordt derhalve het verzoek tot benoeming van een deskundige afgewezen.

b. Toekomstige therapeutische behandelingen.
Ook deze post is slechts toewijsbaar ingeval buiten redelijke twijfel is dat kosten voor dergelijke behandelingen moeten worden gemaakt. Daarvoor bieden de overgelegde stukken en de stellingen van B thans onvoldoende aanknopingspunten. Na de betwisting ervan door D heeft B zich omtrent deze schadepost in het geheel niet meer uitgelaten. De rechtbank gaat dan ook ervan uit, dat zij dit onderdeel niet langer handhaaft.

c. Bijdrage toevoeging en reiskosten
De bijdrage toevoeging kan niet worden aangemerkt als schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Dit gedeelte wordt dus afgewezen. B heeft de gestelde reiskosten voldoende aannemelijk gemaakt.
Het voorgaande leidt ertoe dat slechts dit gedeelte van de gevorderde
materiële schade toewijsbaar is.

Immateriële schade.
14. D betoogt dat niet is voldaan aan de criteria die in artikel 6:106 BW
zijn gesteld voor toekenning van vergoeding van immateriële schade. D stelt dat hij niet het oogmerk had om de kinderen enige schade toe te brengen. Hij betwist dat J. en A. D. in eer of goede naam zijn geschaad of op andere wijze in hun persoon zijn aangetast.

15. Uit de verklaringen die D bij de politie heeft afgelegd blijkt dat hij
tijdens de seksuele contacten met kinderen zich er terdege van bewust was, dat deze contacten nadelige gevolgen voor hen teweeg zouden brengen. Ondanks dit besef heeft D het niet kunnen opbrengen van deze handelwijze af te zien. Hij heeft verklaard dat hij er spijt van heeft en dat hij hoopt dat de schade voor de kinderen beperkt kan blijven. D kan zich derhalve thans niet met succes erop beroepen dat het oogmerk tot het toebrengen van nadeel ontbrak.
Hoe dan ook is zonder meer sprake van aantasting in de persoon. In de periode waarin de basis moet worden gelegd voor de wijze waarop kinderen in de toekomst in staat zijn relaties aan te gaan, zijn zij op indringende wijze geconfronteerd met iemand die misbruik heeft gemaakt van hun vertrouwen. Het ligt voor de hand en blijkt ook uit de stukken dat de kinderen daarvan schade hebben ondervonden. De immateriële schade van J. en A. tengevolge van de seksuele contacten met D komt voor toewijzing in aanmerking.

16. Ter bepaling van de hoogte van de in dit verband toewijsbare bedragen speelt de positie van de kinderen enerzijds en de positie van D anderzijds een rol.
Deze schadevergoeding dient naar billijkheid te worden vastgesteld.

17. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksuele contacten met kinderen op jonge leeftijd grote psychische gevolgen kunnen hebben. Op een leeftijd waarop kinderen onbevangen zijn en vertrouwen moeten kunnen koesteren in hun verzorgers, worden zij in die onbevangenheid en hun vertrouwen ernstig aangetast indien juist iemand met die positie voor zijn eigen genoegen seksuele handelingen met hen verricht.

18. B heeft in dit verband ƒ 25 000 gevorderd ten aanzien van beide kinderen.
Bij de vaststelling van de hoogte van het toe te kennen bedrag spelen een aantal factoren een rol, naast de hiervoor genoemde algemene aspecten.
A. heeft in elk geval gedurende een maand voortdurend blootgestaan aan de seksuele wensen van D, die hij als een vader was gaan beschouwen. Terwijl A. grote behoefte had aan geborgenheid en genegenheid heeft D misbruik gemaakt van zijn aanhankelijke houding ter bevrediging van zijn eigen behoeften. A. was slechts tien jaar oud tijdens het gebeuren en, afkomstig uit een onvolledig gezin, dat uit de woning was gezet, had hij weinig geborgenheid om op terug te vallen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen komt de rechtbank een schadevergoeding van ƒ 15 000 billijk voor.
Ten aanzien van het voor J. gevraagde bedrag dient rekening te worden gehouden met de volgende specifieke factoren. Vaststaat dat J. eenmaal ongewild seksuele handelingen heeft ondergaan van D, die hem in die periode in diens woning verzorgde en opvoedde. J. zocht geenszins zelf intimiteit met D. Op grond hiervan zal de inbreuk op de ontwikkeling van J., die twaalf jaar oud was tijdens het gebeuren, waarschijnlijk geringer zijn dan de inbreuk op de ontwikkeling van A.. Toerekening van ƒ 7500 wordt derhalve billijk geacht.

19. D meent dat het bedrag aan schadevergoeding gematigd dient te worden gezien zijn geestelijke gezondheidstoestand en zijn inkomenspositie.
Nu D bewust het seksuele contact met de kinderen is aangegaan, waardoor zij in hun persoon ernstig zijn aangetast, is er geen ruimte de problematiek waarmee D zelf als gevolg van die gebeurtenissen heeft te kampen, hier mee te wegen.
De rechtbank acht slechts een gedeelte van het gevorderde bedrag toewijsbaar en ziet op grond van de inkomenspositie van D, gelet op de aard van de aansprakelijkheid, geen aanleiding tot matiging daarvan.

20. Als in het ongelijk gestelde partij zal D worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van B.

Beslissing:

De rechtbank:
– verklaart voor recht dat D een onrechtmatige daad heeft begaan jegens J.D. en A. D., de minderjarige zoons van B;

– veroordeelt D te betalen aan B een bedrag van ƒ 22 590
(tweeëntwintigduizendvijfhonderdennegentiggulden), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 december 1994 tot de voldoening;

– veroordeelt D in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van B begroot op ƒ 3638,87 en te voldoen als volgt:
ƒ 180 als vergoeding voor bij haar gevallen kosten aan vastrecht;
aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 1775 aan salaris procureur;
ƒ 103,78 aan exploitkosten;
ƒ 1580 aan overig vastrecht.

– verklaart deze betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr. W.C.M. Tilleman

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 26 maart 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Appellante komt in hoger beroep van het vonnis van de Kantonrechter Amsterdam
van 19 oktober 1995. Daarin werd de eis, om vanaf 1978 een hogere
pensioenaanspraak toe te kennen aan deeltijders vanwege het ongeoorloofd
hanteren van een ongedifferentieerde loondrempel (franchise) voor voltijders
en deeltijders, afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de pensioenregeling
deeltijders niet uitsluit van de regeling. Weliswaar benadeelt de loondrempel
de hoogte van de uitkering voor deeltijders, maar het vormt daarmee een
element dat betrekking heeft op de uitkering. Discriminaties aangaande de
uitkering worden bestreken door de tijdsbeperking uit het Barber-protocol.
Volgt afwijzing van de grieven en bekrachtiging van het vonnis van de
kantonrechter.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Voor de procesgang in eerste instantie, hetgeen daar over en weer is gesteld
en voor de overwegingen en beslissingen van de eerst rechter, wordt verwezen
naar het in deze zaak door de Kantonrechter te Amsterdam op 19 oktober 1995
onder rolnummer 92C14485 tussen partijen gewezen eindvonnis.

Gronden van de beslissing

1. Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

2. De grieven luiden:

Grief 1
Ten onrechte heeft de Kantonrechter onder punt 4.3 van het vonnis overwogen,
dat de pensioenregeling de facto nooit een aansluitingsdrempel voor G heeft
opgeworpen en dus voor de beslissing van de zaak het arrest HvjEG in de zaak
Beune richtgevend moet zijn.

Grief II
Ten onrechte heeft de Kantonrechter in punt 4.3. van het vonnis geoordeeld,
dat G alleen gelijke behandeling had kunnen afdwingen, zal zij vóór 17 mei
1990 een rechtsvordering had ingesteld.

Grief III
Ten onrechte heeft de kantonrechter de vordering van G afgewezen en haar in
de proceskosten veroordeeld.

3. In hoger beroep zijn geen bezwaren aangevoerd tegen de vaststelling van de
feiten in het vonnis van de Kantonrechter onder 3.1 en 3.2, zodat ook de
rechtbank van die feiten uitgaat.
4. In hoger beroep vordert G, zakelijk weergegeven, vernietiging van het
vonnis van de Kantonrechter van 19 oktober 1995 en alsnog toewijzing van
hetgeen zij in de procedure voor de kantonrechter heeft gevorderd.
5. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij stellen,

(…)
6. G voert aan dat door het Pensioenfonds onderscheid werd gemaakt tussen
enerzijds voltijdwerknemers en deeltijdwerkers die het normale aantal uren
per dag werkten maar minder dagen per week en anderzijds deeltijdwerkers die
minder dan het normale aantal uren per dag werkten. Die laatste groep –
waartoe G behoorde – wordt nadelig getroffen door het pensioenreglement.
Het pensioenreglement zoals dat tot 1 januari 1992 heeft gegolden kent één
drempelloon. Volgens G moet hantering van dat drempelloon worden
gekwalificeerd als een voorwaarde voor aansluiting bij het Pensioenfonds. Het
door het Pensioenfonds gemaakte onderscheid is volgens G in strijd met
artikel 119 EG-Verdrag.
7. Het Pensioenfonds verweert zich onder meer door te stellen dat het in de
onderhavige zaak niet gaat om gelijkheid bij aansluiting doch om gelijkheid
bij uitkeringen. Ook indien daarvan sprake zou zijn kan dit echter volgens
het Pensioenfonds niet leiden tot toewijzing van de vorderingen aangezien het
zogenaamde Barber-protocol (protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot
oprichting van de Europese Gemeenschap) daaraan in de weg staat voorzover die
vorderingen betreffen de periode gelegen voor de datum van 17 mei 1990, de
datum van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
(HvJEG) in de zaak C-262/88, Barber. Het protocol luidt:
‘Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit
hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid
niet als beloning beschouwd indien en voorzover zij kunnen worden toegerekend
aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval van
werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering
of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering
hebben ingediend.’
8. Indien het standpunt van G, dat in de onderhavige zaak sprake is van een
probleem van aansluiting bij het Pensioenfonds, juist is dan moet het
Pensioenfonds een beroep op het Barber-protocol worden ontzegd. Omtrent de
aan dat protocol toe te kennen betekenis heeft het HvJEG in het arrest van 28
september 1994 (zaak C-57/93), Vroege) overwogen `dat de beperking in de tijd
van de werking van het arrest Barber niet geldt voor het recht op aansluiting
bij een bedrijfspensioenregeling en dat het niet mogelijk is, met betrekking
tot dat recht een vergelijkbare beperking te voorzien’ (rechtsoverweging 32).
Voorts heeft het HvJEG in dit arrest overwogen `dat het protocol door zijn
algemene bewoordingen van toepassing is op de uitkeringen uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling’ (rechtsoverweging 39). Het HvJEG maakt nog een
kanttekening (rechtsoverweging 40) die luidt: `deze vaststelling betreft de
uitkeringen en niet het recht op aansluiting bij een ondernemings- of
sectoriële regeling inzake sociale zekerheid’. Tenslotte verklaart – voor
zover in deze zaak van belang – het HvJEG in het arrest Vroege het volgende
voor recht:
– `De beperking in de tijd van de werking van het arrest van 17 mei 1990
(zaak C-262/88, Barber) geldt niet voor het recht op aansluiting bij een
pensioenregeling en het is niet mogelijk, met betrekking tot dat recht een
vergelijkbare beperking te voorzien.’
– `Het protocol ad artikel 119 van het Verdrag tot oprichting van de Europese
Gemeenschap, dat als tweede protocol is gehecht aan het verdrag betreffende
de Europese Unie, heeft geen enkele invloed op het recht op aansluiting bij
een bedrijfspensioenregeling, dat beheerst blijft door het arrest van 13 mei
1986 zaak (170/84, Bilka).’
9. Onderzocht moet derhalve worden of het in de onderhavige zaak gaat om een
recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling als hiervoor in
overweging 8 bedoeld. Eerst indien dit het geval is komt G een beroep toe op
het arrest Bilka waarin het HvJEG heeft overwogen (rechtsoverweging 31) en
voor recht heeft verklaard:
– `Artikel 119 EEG-Verdrag wordt geschonden indien deeltijdwerknemers worden
uitgesloten van de bedrijfspensioenregeling, wanneer die maatregel een veel
groter aantal vrouwen dan mannen treft, tenzij de onderneming aantoont dat
bedoelde maatregel haar verklaring vindt in factoren die objectief
gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met discriminatie op grond van
geslacht.’
10. Uit die hiervoor aangehaalde overwegingen van het arrest Vroege volgt dat
er eerst sprake kan zijn van schending van artikel 119 EG-Verdrag indien het
onderhavige pensioenreglement deeltijdwerknemers als G van deelname aan dat
reglement uitsluit. Kent dat reglement een dergelijke uitsluiting dan komt
vervolgens, gelet op het arrest Bilka, de vraag aan de orde of sprake is van
een uitsluiting die haar verklaring vindt in objectief gerechtvaardigde
factoren en die niets van doen heeft met discriminatie op grond van geslacht.
11. Uit de vaststaande feiten blijkt dat van uitsluiting van deelneming aan
de in het geding zijnde pensioenverzekering geen sprake is. Zowel
voltijdwerknemers als deeltijdwerknemers kunnen deelnemen aan die
verzekering. Er is mitsdien geen sprake van discriminatie van G waar het gaat
om haar recht op aansluiting.
12. Door G is nog naar voren gebracht dat zij als deeltijdwerknemer die niet
het normale aantal uren per dag werkte is geconfronteerd met een
aansluitingsdrempel die haar pensioenrechten nadelig beïnvloedt ten opzichte
van de overige deeltijdwerknemers en de voltijdwerknemers. Hoe juist deze
conclusie op zich zelf genomen ook moge zijn, het is niet een omstandigheid
die verband houdt met het hierboven bedoelde recht op aansluiting. Het gaat
immers om de wijze waarop ingevolge de pensioenverzekering waarbij G zich
heeft aangesloten door het Pensioenfonds premie wordt geheven en vervolgens –
op basis van de geheven premies – uitkeringen worden gedaan. Daarmee is de
drempel die door G wordt aangevoerd een element dat betrekking heeft op
uitkeringen als bedoeld in voormeld Barber-protocol. De stelling van G dat
het hanteren van de drempel een modaliteit is waaronder recht op aansluiting
wordt verkregen, wordt derhalve verworpen. Ook echter indien zulks wel als
een aansluitingsmodaliteit moet worden opgevat kan de stelling niet slagen nu
uit de rechtspraak van het HvJEG moet worden afgeleid dat slechts sprake kan
zijn van schending van artikel 119 EG-Verdrag indien deeltijdwerknemers
worden uitgesloten van de bedrijfspensioenregeling. Zoals uit het voorgaande
blijkt is van een dergelijke uitsluiting geen sprake.
13. Nu vaststaat dat G niet behoort tot de categorie personen die haar
vordering reeds voor de datum van het Barber-protocol in rechte aanhangig
heeft gemaakt wordt geoordeeld dat de kantonrechter de vorderingen op goede
gronden heeft afgewezen. Het vonnis waarvan beroep wordt mitsdien bekrachtigd
en G zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure in
hoger beroep moeten dragen.
(…)

Noot
Inmiddels is de fase van hoger beroep aangebroken als het gaat om de nasleep
van het verkrijgen van gelijke pensioenrechten op grond van artikel 119
EEG-verdrag. De meeste zaken betreffen de kwalificatie van het recht op
aansluiting naar Nederlands recht en de daaruit voortvloeiende toepasselijke
verjaringstermijnen (vijf jaar of twintig jaar, zie ook Rb Den Haag 16 april
1997 en Rb Utrecht 19 maart 1997. Beide uitspraken worden opgenomen in het
volgende nummer van Nemesis). De bovenstaande zaak betreft een wat ander,
maar aanverwant probleem. Het gaat om de vraag welke discriminaties op grond
van artikel 119 nu onder Barber, of zo men wil het
Barber-protocol, vallen en welke onder Bilka (HvJ EG,
Jur 1989, 1607. Bevestigd in: HvJ EG Vroege, RN 1994, 424 en HvJ
EG Fisscher, RN 1994, 425). Zoals inmiddels bekend mag worden
verondersteld, leidt de toepasselijkheid van Barber ertoe dat
gelijke pensioenrechten alleen over tijdvakken van arbeid vanaf 17 mei 1990
kunnen worden opgeëist. Het onderscheidend criterium dat het HvJ EG heeft
aangelegd voor de toepasselijkheid van Barber zal ook bekend zijn:
discriminaties op het terrein van de pensioenuitkering vallen, in
tegenstelling tot het recht op aansluiting bij een pensioenreglement, onder
de beperking in de tijd van het arrest Barber/Barber-protocol.
Bovenstaande zaak betreft een veel voorkomend onderscheid in
pensioenregelingen dat ook na 1990 niet overal is weggenomen, namelijk de
toepassing van een franchise of loondrempel gebaseerd op de vooronderstelling
van een voltijdsdienstverband, op zowel voltijders als deeltijders. De
franchise is, simpel gesteld, een bepaald vrijlatingsbedrag aan loon waarover
geen pensioenrechten worden opgebouwd omdat dit deel van het loon geacht
wordt door de Aow-uitkering reeds afgedekt te zijn. De franchise betekent dan
ook dat wanneer men niet meer verdient dan de franchise, men niet in de
pensioenregeling wordt opgenomen omdat de Aow (mits niet afgeschaft of
bevroren) dan voldoende zal zijn om zeventig procent van het eindloon te
garanderen. Wanneer men een vast bedrag hanteert als drempel zal duidelijk
zijn dat deeltijders benadeeld worden ten opzichte van voltijders. Dit kan
doordat de deeltijder zo weinig uren maakt dat men niet boven de drempel
uitkomt en als gevolg geen pensioenrechten opbouwt, of doordat de deeltijder
verhoudingsgewijs minder pensioenrechten opbouwt dan de voltijder omdat het
vaststaande vrijlatingsbedrag een groter percentage van het immers lagere
loon van de deeltijder `afhaalt’ dan het geval is bij de voltijder. Met deze
twee varianten van discriminatie is het probleem direct gegeven. Het eerst
genoemde gevolg betekent dat men is uitgesloten van de pensioenregeling,
waardoor de franchise is aan te merken als een aansluitingsdrempel. Het
tweede gevolg betekent geen uitsluiting, maar een nadelige pensioenuitkering.
De appellante in deze zaak werkt voldoende uren om boven de loondrempel uit
te komen en dus opgenomen te worden in de pensioenregeling. Evenwel benadeelt
dit wel de hoogte van haar pensioenrechten ten opzichte van, in ieder geval,
voltijders (de casus is nog wat ingewikkelder omdat er ook verschillen
bestaan in de opbouw van rechten tussen enerzijds deeltijders die minder
dagen per week en, anderzijds, minder uren per dag werken, ik laat dit
terzijde). Zowel de kantonrechter als nu ook de rechtbank oordelen, kort
gezegd, dat appellante, werkzaam tussen 1978 en 1991, niet uitgesloten is
geweest van deelname aan de pensioenregeling. De franchise of drempel is
daarmee een element dat betrekking heeft op de (hoogte van de)
pensioenuitkering, waarmee de tijdsbeperking van het
Barber-protocol van toepassing is. Omdat appellante geen vordering
aanhangig heeft gemaakt voor 17 mei 1990 moet haar eis worden afgewezen.
Overigens, voorzover uit de beperkte weergave van feiten is op te maken, zou
de franchise, strikt genomen, wel in strijd zijn met artikel 119 over de
periode 17 mei 1990 tot en met de datum in 1991 waarop appellante de
dienstbetrekking verliet. Dit zou anders zijn indien het pensioenfonds dit
gerepareerd zou hebben vanaf 17 mei 1990. Hoewel blijkt dat een nieuwe
regeling is vastgesteld die terugwerkt tot 17 mei 1990, is niet duidelijk uit
de feiten op te maken of daarin ook de franchise is aangepast.
Men kan twisten over de vraag of een loondrempel nu werkt als een
aansluitingsvoorwaarde of als een element van de uitkering (ik kom daar nog
op terug), maar de rechtbank heeft de jurisprudentie van het HvJ EG mee, al
wordt daar niet naar verwezen. In Beune (HvJ EG, C-7/93 28
september 1994, Jur 1994, I-4471; RN 1995, 454) stond de franchise uit de
oude Abp-wet ter discussie, zij het niet met het oog op onderscheid tussen
voltijders en deeltijders. In de oude Abp-regeling werd een
verschillende franchise gehanteerd voor (getrouwde) mannen en
vrouwen. Het Hof zag dit als een directe discriminatie betreffende de
uitkering en achtte het Barber-protocol van toepassing. De
uitspraak van de rechtbank is hiermee in overeenstemming. Toch is wel enige
twijfel mogelijk over de kwaliteit, en daarmee de kansen in de toekomst, van
de lijn van redeneren van het HvJ EG. De redenatie kan namelijk zeer
arbitrair uitpakken als het gaat om discriminatie van deeltijders bij
pensioen. Immers, deeltijders die door de franchise geheel worden uitgesloten
kunnen met een beroep op Bilka alsnog een pro rata aanspraak op
pensioenrechten verkrijgen over tijdvakken voor 17 mei 1990, voorzover
nationale verjaringstermijnen dat toelaten. Deeltijders die wel zijn
opgenomen in de pensioenregeling, maar geen pro rata aanspraak kunnen
ontlenen aan het pensioenreglement, krijgen daarentegen voor tijdvakken van
arbeid voor 17 mei 1990 het Barber-protocol tegengeworpen. In die
zin is de deeltijdwerknemer die eerst geheel is uitgesloten, uiteindelijk
beter af, wat op zichzelf genomen weer in strijd is met het
gelijkheidsbeginsel.

Waar het feitelijk probleem zit, spreekt eigenlijk voor zichzelf. Het
hanteren van uitsluitend een voltijdsfranchise heeft een dubbel karakter. Het
werkt als aansluitingsvoorwaarde, maar daarna eveneens als element van de
berekening van de pensioenuitkering. Daarom valt deze vorm van discriminatie
niet gemakkelijk onder te brengen in het strikte onderscheid tussen
uitkeringen en aansluiting dat het HvJ EG heeft ontwikkeld in
Vroege en Fisscher. Het onderscheid tussen aansluiting
en uitkering is een duidelijke noodgreep geweest van het HvJ EG om met
inachtneming van de algemeen geformuleerde tekst van het
Barber-protocol – dat immers tot doel had alle pensioenclaims
voorzover het het verleden betreft te voorkomen – toch ook het
Bilka-arrest overeind te kunnen houden. Omdat het Hof de geit en
de kool wilde sparen, onderscheidde het Hof de aansluiting of deelname aan
een pensioenregeling, dat niet als zodanig benoemd stond in het
Barber-protocol, van de uitkering. Op voorhand was echter al
duidelijk dat dit onderscheid illusoir was. Strikt genomen betekent het
immers dat men formeel wordt toegelaten tot de pensioenregeling met
terugwerkende kracht, maar dat dit niet tot pensioenuitkering zou kunnen
leiden omdat hierop weer het Barber-protocol van toepassing is. In
Dietz (C-435/93 24 oktober 1996, RN 1997, 747) verhelpt het HvJ EG
deze onvolkomenheid door te stellen dat: `Protocol No 2 does not affect the
right to join an occupational pension scheme or the right to draw a
retirement pension
where the worker was excluded from membership of the
occupational scheme in breach of Article 119 of the Treaty, those rights
being governed by the judgment in Bilka‘ (dictum, nr. 6,
cursivering AV). Toch blijft hiermee het onderscheid gekunsteld wat tot
verdere problemen zal leiden, zoals de franchise-problematiek aantoont.
In Fisscher en Vroege trekt het HvJ EG in zijn
rechtsoverwegingen nog een ander onderscheid dat veel logischer is. Hier gaat
het om het onderscheid tussen discriminaties waarvoor de vierde richtlijn
(86/378 van 24 juli 1986 oud) voorzag in de mogelijkheid om de
doorvoering van het gelijke-behandelingsbeginsel uit te stellen en
discriminaties welke terstond opgeheven moesten worden. Alleen voor
discriminaties waarvoor een uitzonderingsgrond bestond (o.m.
pensioenleeftijden en nabestaandenpensioen) kunnen partijen een
gerechtvaardigd beroep doen op het opgewekte vertrouwen dat gelijke
behandeling hiervoor niet verplicht was. Dit onderscheid zou inhouden dat
alle ongerechtvaardigde discriminaties, zowel in aansluiting als in
uitkering, gebaseerd op het onderscheid tussen deeltijd en voltijd (immers
geen uitzonderingsgrond in de vierde richtlijn) op grond van Bilka
vanaf 8 april 1976 verboden zijn. Deze uitleg zou evenwel strijden met de
tekst van het Barber-protocol. Het lijkt er echter op dat het Hof
het protocol niet expliciet wilde `overrulen’, omdat in het dictum van
Fisscher het bovenstaande onderscheid niet wordt herhaald. Het Hof
spreekt op deze plaats nog slechts van een onderscheid tussen aansluiting en
uitkering. Bilka, dat in wezen alle ongerechtvaardigde
discriminaties op grond van deeltijd uitsloot, laat deze versmalling in
principe wel toe omdat de casus inderdaad betrekking had op een geval van
uitsluiting. Het gevolg is evenwel dat deeltijddiscriminatie in het geval van
gehele uitsluiting van vrouwen wel onder Bilka valt, maar in alle
andere gevallen niet meer. Bovendien, zoals het hier besproken vonnis van de
rechtbank duidelijk maakt, zijn er situaties denkbaar waar het onderscheid
tussen een aansluitingsvoorwaarde en een voorwaarde voor de berekening van de
pensioenuitkering, niet strikt te maken valt.
Momenteel liggen er al prejudiciële vragen bij het HvJ EG over voorwaarden
voor aansluiting die (mede) tot verschillen in de pensioenuitkeringen leiden
(C 246/96, M.T. Maggorian and I.P. Cunningham v Eastern Health and
Social Services Board and Department of Health and Social Services
, Pb.
C-269 d.d. 14 september 1996, p. 16). Het is uiteraard de vraag wat het Hof
hiermee gaat doen. Het terugbuigen van het onderscheid tussen aansluiting en
uitkering naar het onderscheid tussen de soorten van discriminaties die wel
en niet beschermd worden door opgewekt vertrouwen, zou wel eens een stap te
ver kunnen zijn. Het zou immers betekenen dat alsnog het
Barber-protocol terzijde moet worden geschoven als zijnde in
strijd met het acquis communautaire. Aangezien het hier geen
secundaire wetgeving betreft, lijkt dat een (te) revolutionaire stap. Ook de
optie om het Protocol anders te interpreteren lijkt gezien de tekst niet
eenvoudig. Zou het Hof echter alles bij het oude laten, dan zal dat in wezen
toch het teruggekomen op Bilka betekenen, met name wanneer men de
onderliggende argumentatie van dat arrest nog eens bekijkt. De redenatie dat
aansluiting bij een pensioenregeling binnen de werkingssfeer van artikel 119
valt, wordt gegrond op het feit dat in Jenkins (C-96/80 31 maart
1981, Jur 1981, 911) is overwogen dat van indirecte discriminatie in het
kader van artikel 119 sprake is wanneer een voorwaarde leidt tot de
vaststelling van een lager uurloon voor deeltijders dan voor voltijders. De
weigering om op termijn een bedrijfspensioen uit te keren aan deeltijders is
een dergelijke voorwaarde, omdat het totale loon dat de werkgever aan een
voltijder betaalt bij een gelijk aantal uren hoger is dan het totale loon dat
aan de deeltijder wordt betaald. Op grond van deze argumentatie, die het Hof
zelf heeft gegeven, is niet vol te houden dat discriminatie van deeltijders
als het gaat om pensioenuitkeringen niet onder Bilka
zou vallen. Immers, in het geval

dat aan de orde was in de bovenstaande uitspraak van de rechtbank, leidt de
gehanteerde franchise eveneens tot een loonpraktijk die over het geheel
genomen een lager uurloon voor deeltijders vaststelt dan voor voltijders.
Cassatie lijkt hierom in bovenstaande casus aanbevelenswaardig, mits men de
inconsistentie tussen Bilka, Fisscher en
Beune tot vraag van geschil maakt. Indien de zaak
Maggorian, die voorligt bij het HvJ EG, nog niet tot een sluitend
antwoord heeft geleid, zouden prejudiciële vragen onontkoombaar moeten zijn.

Albertine Veldman

Rechters

Mrs. Beukenhorst, Bonga-Sigmond en Van Zutphen