Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 februari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was in dienst bij de wederpartij als staffunctionaris voor
migrantenvrouwen. Verzoekster ondervond problemen in haar functioneren
bij de organisatie. Zij voelde zich door de wederpartij vernederd en gekwetst.
De arbeidsovereenkomst werd door de Kantonrechter ontbonden. Verzoekster
stelt dat de wederpartij vanwege haar monoculturele visie op de integratie
van vrouwenhulpverlening in de reguliere zorg jegens haar in de arbeidsverhouding
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.
De Commissie is – met een getuige – van mening dat het feit dat de multiculterele
organisatie niet van de grond komt, nog niet wil zeggen dat er wordt gediscrimineerd.
Het ligt dan ook op de weg van verzoekster om aannemelijk te maken dat
er sprake was van onderscheid naar ras. Verzoekster is daarin naar het
oordeel van de Commissie niet in geslaagd. De Commissie concludeert dat
niet aannemelijk is geworden dat de wederpartij jegens verzoekster in de
arbeidsverhouding onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. Verzoekster
heeft geen nadere feiten aangevoerd ter ondersteuning van haar standpunt
dat bij de destijds voorgenomen beëindiging van de arbeidsverhouding in
strijd is gehandeld met de wet. Derhalve komt de Commissie aan de beoordeling
daarvan niet toe.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1. Op 25 april 1996 verzocht mevrouw (…) te Rotterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of (…) (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt
bij de arbeidsvoorwaarden en bij een dreigende beëindiging van de arbeidsverhouding
in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was sinds 1 december 1995 in dienst bij de wederpartij
als staffunctionaris voor migrantenvrouwen.
Verzoekster ondervond problemen in haar functioneren bij de organisatie.
Zij voelde zich door de wederpartij vernederd en gekwetst. De arbeidsovereenkomst
is inmiddels op 1 augustus 1996 door de Kantonrechter ontbonden.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK CGB

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en vanwege het
dreigende ontslag besloten de versnelde behandeling toe te passen. Vervolgens
heeft de Commissie een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

2.2 De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 17 juni 1996.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…)

van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (directeur)
– mw. (…) (voorzitter van het bestuur)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer).

2.3 Naar aanleiding van hetgeen op de zitting van 17 juni 1996 door partijen
naar voren is gebracht, heeft de Commissie besloten de normale procedure
te volgen en de zaak aan te houden om partijen in de gelegenheid te stellen
in der minne een schikking te bereiken. Het is partijen niet gelukt en
op 19 november 1996 is de zitting voortgezet. Partijen hebben hun standpunten
nader toegelicht en er zijn getuigen gehoord.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. (…) (getuige)
– mw. (…) (getuige)

van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (directeur)
– mw. (…) (voorzitter van het bestuur)
– mw. (…) (getuige)
– mw. (…) (getuige)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. Nasseri Raveshti (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer).

2.3 Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 De organisatie van de wederpartij is in 1990 opgericht en heeft als
doelstelling de integratie van de vrouwenhulpverlening bij instellingen
in de reguliere gezondheidszorg en hulpverlening en het vergroten van de
mondigheid en het zelfbewustzijn van vrouwelijke consumenten in gezondheidszorg
en hulpverlening.

3.2. Verzoekster is op 1 december 1995 in dienst getreden bij de wederpartij
voor de duur van één jaar en voor 20 uur per week als staffunctionaris
ten behoeve van migrantenvrouwen. De functie hield in het ontwikkelen en
uitvoeren van beleid ten behoeve van deze doelgroep. In de advertentie
stond vermeld dat gelet op de aard van de functie gezocht werd naar een
allochtone vrouw. Verzoekster is van allochtone afkomst.

3.3. Tussen verzoekster en de wederpartij zijn reeds kort na de aanvang
van het dienstverband conflicten gerezen.
Op 5 februari 1996 woonde verzoekster voor het eerst een teamvergadering
bij. Tijdens deze vergadering zijn verzoekster vragen gesteld over haar
werkzaamheden en de wijze waarop zij inhoud wilde geven aan de functie.
Verzoekster heeft de wijze waarop zij in deze vergadering werd bejegend
en haar ideeën aan de orde zijn gesteld als vernederend ervaren.

3.4. Verzoekster werd, zoals gebruikelijk bij de wederpartij, begeleid
door de directeur. Toen bleek dat de communicatie tussen beide personen
niet naar wens verliep, is op 20 februari 1996 besloten de werkbegeleiding
van verzoekster aan de staffunctionaris Vrouwen Hulp Verlening over te
laten. Besloten werd verzoekster te laten meelopen met deze stafmedewerkster
en verzoekster een aantal cursussen te laten geven, nadat zij gezien had
hoe de staffunctionaris deze cursussen verzorgt.

3.5. Na genoemde datum zijn de spanningen tussen verzoekster en de directeur
hoger opgelopen. Ook de samenwerking met de staffunctionaris verliep stroef.
Ten slotte is het conflict tussen verzoekster en de directeur op 4 maart
1996 geëscaleerd, daarbij zou verzoekster de directeur hebben vergeleken
met een man, die zijn vrouw slaat.

3.6. Er hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden tussen verzoekster
en het bestuur over haar functioneren onder meer op 8 en 14 maart 1996.
Verzoekster heeft zich op 18 maart 1996 ziek gemeld en is na genoemde datum
niet meer feitelijk werkzaam geweest bij de wederpartij.

3.7. Op 2 april 1996 vond opnieuw een bespreking plaats om uit de impasse
te geraken. Dit is niet gelukt en het bestuur van de wederpartij heeft
verzoekster in kennis gesteld van haar voornemen de arbeidsovereenkomst
met haar te beëindigen. Vervolgens is toch nog een Arbo-adviseur ingeschakeld
met als doel het vinden van een bevredigende oplossing voor beide partijen.
De adviseur heeft op 6 juni 1996 geadviseerd tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
aangezien er naar haar mening geen sprake meer zou kunnen zijn van een
duurzame werkrelatie op grond van een verschil van visie en de verstoorde
relatie.

3.8. Naar aanleiding van de zitting bij de Commissie op 14 juni 1996 heeft
een gesprek plaatsgevonden tussen partijen op 4 juli 1996. Partijen hebben
geen overeenstemming kunnen bereiken over de voortzetting van het dienstverband
en de arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 augustus 1996 door de Kantonrechter
ontbonden.

De standpunten van partijen

3.9. Verzoekster stelt het volgende.

Er is bij haar indiensttreding onvoldoende rekening gehouden met haar allochtone
achtergrond. De wederpartij heeft inbreuk gemaakt op haar zelfstandigheid,
er is geen sprake geweest van een samenwerking op basis van gelijkwaardigheid.
Er heerste een meester-leerling verhouding tussen de directeur en verzoekster.

Verzoekster voelt zich gekwetst en vernederd door de negatieve bejegening
tijdens de eerste teamvergadering.
De inhoud van haar functie was onduidelijk. Al haar initiatieven om inhoud
te geven aan de functie werden door de directeur ter discussie gesteld.
Zodoende is het werkplan dat verzoekster eind december volgens afspraak
af moest hebben in concept gebleven. De directeur gaf niet aan hoe zij
de functie ingevuld wilde zien.

Naast de onduidelijkheid over haar functie-invulling werd verzoekster verweten
dat zij onvoldoende zou functioneren en werd haar ontslag aangezegd. De
kritiek van de wederpartij was inconsistent en onduidelijk. Eerst werd
verzoekster verweten dat zij zich niet aan gemaakte afspraken hield, vervolgens
dat zij beneden HBO-niveau zou functioneren en tenslotte dat zij zich niet
wilde conformeren aan het beleid van de wederpartij.

Het beleidsconcept van de wederpartij werkt onderdrukkend en uiteindelijk
discriminerend. Het is een monocultureel concept, dat is gebaseerd op de
visie en ervaringen van een groep voornamelijk `witte vrouwen’. De wederpartij
heeft zelf aangegeven dat de visie van verzoekster niet strookt met de
hare en geeft hiermee geen ruimte voor nieuwe visies binnen de organisatie,
om zodoende te komen tot een beleid dat het belang van zowel autochtone-
als migrantenvrouwen dient. De wederpartij eist van verzoekster als migrantendeskundige
dat zij zich aanpast aan de monoculturele visie van de wederpartij.

Het komt in de praktijk veel voor dat migranten eerst gediskwalificeerd
en vervolgens uitgesloten (ontslag) worden op grond van samenwerkingsproblemen.
Aangezien verzoekster zich niet heeft laten diskwalificeren en weerstand
heeft geboden, is de samenwerking ontaard in een conflict.

3.10. De wederpartij stelt het volgende.

Er was sprake van een regulier arbeidsconflict, waarbij discriminatie geen
rol speelt. Zowel binnen de samenstelling van het team van medewerkers,
als het bestuur van de wederpartij bestaat grote diversiteit naar autochtone
of allochtone afkomst, godsdienst, hetero- of homosexuele gerichtheid,
burgerlijke staat en leeftijd.

Sinds het ontstaan in 1990 heeft de organisatie een koerswijziging ondergaan
van een eerstelijnsfunctie naar een tweedelijnsfunctie gericht op de integratie
van de door haar ontwikkelde principes van Vrouwen Hulp Verlening in de
bestaande reguliere hulpverlening en gezondheidsinstellingen.

Voor wat het migrantenwerk betreft bracht deze koerswijziging met zich
dat er een nieuwe functie werd gecreëerd, op een hoger niveau (HBO), waarbij
de benodigde extra middelen uit de eigen middelen van de wederpartij moesten
worden gefinancierd, omdat daarvoor geen subsidie werd verkregen. De wederpartij
is daarmee akkoord gegaan vanwege de meerwaarde die deze nieuwe functie
zou kunnen hebben voor de positie van allochtone vrouwen en meisjes.

Verzoekster heeft sinds haar indiensttreding op 1 december 1995 24 dagen
gewerkt. Met ingang van 18 maart 1996 heeft zij zich ziek gemeld en heeft
sedertdien het werk niet hervat.
Sinds de indiensttreding van verzoekster zijn er twijfels geweest over
het niveau van functioneren van verzoekster.
Verzoekster is niet in staat gebleken haar visie op haar wijze van werken
duidelijk te maken. Zij had daar steeds wisselende ideeën over. Tevens
bleek verzoekster zich niet te willen of te kunnen houden aan de werkwijze
en structuur van de organisatie en had zij moeite met het vertalen van
de werkzaamheden naar de intermediairfunctie. Omdat verzoekster haar visie
niet gaf, terwijl het juist tot haar taak behoorde een visie voor het werken
met allochtone vrouwen te ontwikkelen, is er geen onenigheid geweest over
een inhoudelijk verschil van visie.

Verzoekster gaf voor het eerst uiting aan haar onvrede na het bijwonen
van een les van de andere stafkracht, door zich ziek te melden, de directeur
uit te schelden en zich vervolgens weer ziek te melden. Voorts maakte zij
aan belangrijke personen, zoals de subsidiegever, kenbaar dat de wederpartij
discrimineerde, zonder dat zij dit ooit aan de wederpartij kenbaar had
gemaakt.

Het bestuur heeft diverse gesprekken gevoerd met verzoekster en de arbeidsconsulente.
De verschillen van inzicht, het conflict en wantrouwen zijn echter niet
afgenomen en derhalve is in overleg met verzoekster besloten tot ontbinding
van de arbeidsovereenkomst door de Kantonrechter.

De wederpartij stelt zich er terdege bewust van te zijn dat het werken
in een multiculturele stad een groeiproces is. Zij heeft getracht daar
een goede invulling aan te geven. Indien van de zijde van een medewerkster
echter geen vertrouwen bestaat in die intentie kan men niet samenwerken
aan het goed invullen van een multiculturele instelling met een duidelijke
visie en producten voor allochtone vrouwen en hulpverlening.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
maakt op grond van ras bij de arbeidsvoorwaarden of ook bij de voorgenomen
beëindiging van de arbeidsverhouding zoals verboden in respectievelijk
artikel 5 lid 1 sub d en b van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct onderscheid tussen personen op grond van ras. Het begrip ras in
de AWGB moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de definitie in het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie
en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Ras omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer
der Staten-Generaal, kamerstukken 22.014, nummer 3, pagina 13, vergaderjaar
1990-1991.).

Naar het oordeel van de Commissie is er niet alleen sprake van een door
de wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige aanleiding
voor een ongelijke behandeling vormt, maar tevens als deze grond mede aanleiding
is tot een ongelijke behandeling.

4.2. In artikel 2 lid 3 tot en met lid 5 AWGB is een aantal uitzonderingen
geformuleerd op het in de wet neergelegde verbod van onderscheid. Deze
wettelijke uitzonderingen zijn in dit geval niet van toepassing.

4.3. Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de
Commissie het volgende.

Verzoekster heeft ter zitting aangegeven dat zij haar klacht toespitst
op het kernprobleem inhoudende dat de wederpartij vanwege haar monoculturele
visie op de integratie van vrouwenhulpverlening in de reguliere zorg jegens
haar in de arbeidsverhouding onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

Verzoekster heeft ter zitting uiteengezet dat het naar haar mening niet
mogelijk is om met een dergelijke monoculturele visie een organisatie gericht
op multiculturele zorg tot stand te brengen. Dit komt er op neer dat verzoekster
door het verschil in visie tussen haar en de wederpartij haar taak, het
ontwikkelen van beleid voor allochtone vrouwen en meisjes, niet kon uitoefenen.
Zij voelt zich daardoor gediskwalificeerd, uitgesloten en gediscrimineerd.

4.4. De wederpartij betwist dat er aan de conflicten tussen partijen een
inhoudelijk verschil in visie op het werk ten grondslag lag. De wederpartij
verwijt verzoekster juist dat deze haar visie niet gaf en derhalve kan
er van een verschil van visie geen sprake zijn.

4.5. De vraag die voorligt is derhalve of aannemelijk is dat er sprake
is bij de wederpartij van een monoculturele visie, en zo ja, of de wederpartij
jegens verzoekster onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door van
haar te verlangen dat zij zich aan deze visie conformeert.

4.6. Verzoekster heeft ter ondersteuning van haar standpunt getuigen laten
horen.
Uit de verklaring van de getuige blijkt dat zij enige jaren geleden als
organisatiedeskundige informeel werd geconsulteerd door een (thans gewezen)
bestuurslid van de wederpartij. Dit was naar aanleiding van de aanstelling
van twee migrantenvoorlichters. De getuige verklaart dat zij de indruk
kreeg dat de wederpartij veronderstelde dat de aanstelling van deze medewerkers
voldoende zou zijn om van de wederpartij een multiculturele organisatie
te maken. De getuige heeft ook van andere organisaties in het veld vernomen
dat bij de wederpartij de multiculturele organisatie nog steeds niet van
de grond komt. De persoonlijke ervaringen van de getuige, zo verklaart
zij zelf, zijn echter van enkele jaren geleden.
Desgevraagd verklaart de getuige dat het feit dat de multiculturele organisatie
niet van de grond komt, nog niet wil zeggen dat er gediscrimineerd wordt.

4.7. De Commissie kan zich met dit standpunt van de getuige verenigen.
Het ligt derhalve op de weg van verzoekster om aannemelijk te maken dat
er sprake was van onderscheid naar ras.

Verzoekster is daarin naar het oordeel van de Commissie niet geslaagd.
Onbetwist is dat er reeds korte tijd na de aanstelling van verzoekster
conflicten zijn gerezen tussen haar en de directeur. Dit is overigens ook
door partijen erkend. Zowel verzoekster als de directeur geven aan dat
zij zich door de ander beledigd voelen.
De getuige die aanwezig was bij een bespreking naar aanleiding van een
conflict bevestigt dat daarin het ontslag van verzoekster werd aangekondigd.
De getuige geeft aan dat daarin het beleid ter sprake kwam in die zin dat
dit door de wederpartij wordt vastgesteld en verzoekster zich dient te
conformeren. De getuige heeft echter niets verklaart ten aanzien van een
mogelijk discriminerende bejegening door de wederpartij.

Het monoculturele beeld dat van de zijde van verzoekster over de organisatie
wordt geschetst, wordt door de getuigen van de zijde van de wederpartij
weersproken. Voorts is een schriftelijke verklaring van een gezondheidsvoorlichtster
van Marokkaanse afkomst overgelegd, die zich zeer positief uitlaat over
de werksfeer bij de wederpartij.

De Commissie concludeert op bovenstaande gronden dat niet aannemelijk is
geworden dat de wederpartij jegens verzoekster in de arbeidsverhouding
onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.
Verzoekster heeft geen andere feiten heeft aangevoerd ter ondersteuning
van haar standpunt dat terzake van de (destijds) voorgenomen beëindiging
van de arbeidsverhouding in strijd is gehandeld met de wet. Derhalve komt
dat de Commissie aan de beoordeling daarvan niet toe.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het bestuur van het (…)
jegens mevrouw (…) te Rotterdam geen onderscheid op grond van ras heeft
gemaakt in de arbeidsverhouding zoals verboden in artikel 5 lid 1 sub b
en d van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. drs. B. NasseriRaveshti, lid Kamer), dhr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. S.L. Kroes (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 februari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was als uitzendkracht werkzaam bij de wederpartij. Verzoekster
is moslim en uit deze geloofsovertuiging door het dragen van een hoofddoek.
Verzoekster werd tijdens de werkzaamheden door haar collega’s vanwege haar
hoofddoek uitgelachen. Omdat het productieproces hierdoor verstoord raakte,
is verzoekster weggestuurd.
De Commissie overweegt dat de wederpartij bij verstoring van het produktieproces
maatregelen kan nemen jegens degenen die dit veroorzaken. In plaats daarvan
is echter de arbeidsverhouding met verzoekster beëindigd.
De Commissie is van oordeel dat de wederpartij, nu zij de negatieve houding
van haar personeelsleden als gegeven heeft beschouwd en tot uitgangspunt
van haar eigen handelen heeft gemaakt, hun discriminerende houding heeft
overgenomen in plaats van bestreden. De Commissie concludeert op grond
hiervan dat de wederpartij direct onderscheid op grond van godsdienst heeft
gemaakt als bedoeld in artikel 5 lid 1 onderdeel b AWGB.
Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Enschede (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of (…) te Enschede (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit en is van Marokkaanse
afkomst. Zij is moslim en draagt om religieuze redenen een hoofddoek. Verzoekster
is via een uitzendbureau bij de wederpartij werkzaam geweest. Het dragen
van een hoofddoek door verzoekster zou bij de medewerksters onderling te
veel problemen met zich brengen. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
door haar om deze reden weg te sturen onderscheid heeft gemaakt als bedoeld
in de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 11 juni 1996. Wegens
familie-omstandigheden van verzoekster is de zitting verplaatst naar 4
september 1996. De Commissie heeft in raadkamer van 4 september 1996 besloten
naar aanleiding van hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, het onderzoek
te heropenen, ten einde nadere inlichtingen te verkrijgen van het uitzendbureau
waarbij verzoekster was ingeschreven. Na ontvangst van een brief van 2
december 1996 van het uitzendbureau kon het onderzoek worden afgesloten.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– mw. mr. E.F Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie, waarvan
de leden als vermeld onder 2.2. deel uitmaken.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft de Nederlandse nationaliteit, is van Marokkaanse
afkomst en moslim. Verzoekster uit deze geloofsovertuiging onder meer door
het dragen van een hoofddoek.

3.2. Verzoekster is in oktober 1995 via een uitzendbureau als inpakhulp
werkzaam geweest bij de wederpartij, een inpakbedrijf. Zij heeft gedurende
vier uur bij de wederpartij gewerkt. Tijdens haar werk werd zij door de
productieleidster gevraagd om diezelfde dag tot 21.00 uur door te werken.
Daarmee stemde zij in. Ruim een uur later werd verzoekster meegedeeld dat
dat niet meer nodig was.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.

Het uitzendbureau deelde verzoekster mee dat er nog diezelfde middag voor
vier uur werk en mogelijk meer bij de wederpartij was. Tijdens haar werk
voor de wederpartij werd verzoekster gevraagd diezelfde dag tot 21.00 uur
door te werken. Ruim een uur nadat dit gevraagd was, deelde de productieleidster
echter mee dat het niet meer nodig was. Bij terugkomst van verzoekster
op het uitzendbureau heeft een medewerkster gebeld naar de wederpartij
om te vragen wat er aan de hand was. Aan de medewerkster van het uitzendbureau
is toen meegedeeld dat de collega’s van verzoekster lachten om de hoofddoek
van verzoekster en dat men verzoekster niet meer wilde hebben om problemen
in het bedrijf te vermijden.

3.4. De wederpartij stelt het volgende.

Bij de wederpartij werken mensen van allerlei nationaliteiten samen, waaronder
ook moslimvrouwen met een hoofddoek. Er werkt een zestal mensen in vaste
dienst, aangevuld met uitzendkrachten, afhankelijk van het aanbod variërend
van 8 tot 20 medewerkers. Hoewel de samenwerking over het algemeen prima
verloopt, komt het wel eens voor dat er problemen tussen de werknemers
optreden. Uit ervaring is het de wederpartij bekend dat meisjes met hoofddoeken
wel eens worden geplaagd. Indien dit door de wederpartij wordt opgemerkt,
probeert deze de problemen in een gesprek aan de orde te stellen en op
te lossen. De productieleidster ziet toe op de naleving van de productienormen
en op eventuele verstoringen van het werkproces. Zij is degene die direct
beoordeelt of een medewerker al dan niet goed functioneert. Dat kan soms
kortaf worden meegedeeld. Het voorval dat door verzoekster is genoemd,
is de wederpartij niet bekend.

Ook de productieleidster kon zich niets herinneren toen haar daarnaar gevraagd
werd.

3.5. Bij brief van 2 december 1996 heeft het betrokken uitzendbureau onder
meer het navolgende medegedeeld.

De wederpartij heeft aan het uitzendbureau aangegeven dat verzoekster door
andere uitzendkrachten werd uitgelachen, vermoedelijk vanwege haar hoofddoek.
Omdat men dit erg vervelend en sneu voor haar vond, is haar verteld dat
zij haar werkzaamheden beter kon beëindigen. De hoofddoek was niet de reden
dat het werk is beëindigd. De wederpartij leent regelmatig uitzendkrachten
in, zonder daarbij onderscheid te maken tussen autochtonen en allochtonen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
op grond van godsdienst door de arbeidsrelatie met verzoekster te beëindigen
wegens de reacties van haar collega’s op het dragen van een hoofddoek.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel b AWGB bepaalt onder meer dat het maken
van onderscheid verboden is bij het beëindigen van een arbeidsverhouding.

Ook als het gemaakte onderscheid niet de enige of doorslaggevende grond
voor beëindiging van de arbeidsverhouding is geweest, maar daarbij mede
een rol speelde is van een door de AWGB verboden onderscheid sprake.
Het eerder wegsturen van verzoekster dan haar was medegedeeld dient onder
beëindiging als hierbedoeld te worden begrepen.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer ziet op onderscheid tussen
personen op grond van godsdienst. Onder onderscheid wordt zowel direct
als indirect onderscheid begrepen. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde discriminatiegronden.
Indirect onderscheid op grond van godsdienst is onderscheid, dat op grond
van andere hoedanigheden of gedragingen dan godsdienst direct onderscheid
op grond van godsdienst tot gevolg heeft.

In artikel 2, eerste lid, AWGB wordt bepaald dat het in de wet neergelegde
verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid
dat objectief gerechtvaardigd is.

4.2. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij de discriminatiegrond
godsdienst betreft, overweegt de Commissie als volgt.

Het begrip godsdienst dat in de AWGB als non-discriminatiegrond is opgenomen,
omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het
zich daarnaar gedragen (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nummer 5, pag.
39/40. Vergelijk ook Tweede Kamer, 1975-1976, 13872, nummer 3, pag.29).
Gedragingen die, mede gelet op hun karakter en op de betekenis van godsdienstige
voorschriften en regels, een rechtstreekse uitdrukking geven aan de godsdienstige
overtuiging, worden tevens beschermd door het verbod van onderscheid op
grond van godsdienst. Het dragen van een hoofddoek kan één van die uitdrukkingen
zijn van de geloofsovertuiging van een moslimvrouw. De Commissie stelt
op grond van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast, dat voor
verzoekster het dragen van een hoofddoek verbonden is aan haar geloofsovertuiging.

De Commissie concludeert dan ook, dat in deze zaak godsdienst de grond
voor mogelijk onderscheid is en dat het handelen van de wederpartij dient
te worden getoetst aan het wettelijk verbod op het maken van dit onderscheid.

4.3. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder
de reikwijdte van artikel 5, eerste lid, AWGB nu het uitzendbureau en niet
de wederpartij de werkgever van verzoekster is, overweegt de Commissie
als volgt.

Artikel 5 AWGB heeft betrekking op arbeidsverhoudingen. Onder het begrip
arbeidsverhouding valt in de eerste plaats de arbeidsovereenkomst. Het
begrip arbeidsverhouding is echter ruimer: hieronder vallen alle vormen
van arbeid waarin onder gezag van anderen arbeid wordt verricht (Tweede
Kamer, 1990-1991, 22014, nummer 3, pag. 16/17).
De Commissie stelt op grond van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht
vast, dat de wederpartij zeggenschap heeft over de uitvoering van de in
het kader van de overeenkomst met het uitzendbureau door werknemer te verrichten
arbeid en over in verband daarmee te geven opdrachten en aanwijzingen.
Mitsdien concludeert de Commissie dat verzoekster onder gezag van de wederpartij
arbeid verrichtte en derhalve sprake was van een arbeidsverhouding als
bedoeld in artikel 5, eerste lid, AWGB.

De klacht van verzoekster betreft feitelijk niet het handelen van de directeur
maar dat van de productieleidster. Gedragingen van personeel, in dienst
van de wederpartij, worden echter aan de laatste toegerekend.

4.4. Met betrekking tot hetgeen feitelijk is voorgevallen overweegt de
Commissie als volgt.

Vaststaat dat verzoekster werd uitgelachen door de collega’s. Volgens verzoekster
heeft de wederpartij aan het uitzendbureau telefonisch laten weten dat
dit vanwege de hoofddoek was. Het uitzendbureau stelt schriftelijk dat
het vermoedelijk vanwege de hoofddoek was. Nu de wederpartij heeft gesteld
uit ervaring bekend te zijn met het plagen door collega’s van meisjes met
hoofddoeken en niet heeft betwist dat dit ook bij verzoekster het geval
was, gaat de Commissie ervan uit dat verzoekster vanwege het dragen van
de hoofddoek werd uitgelachen.

De wederpartij heeft voorts ter zitting aangevoerd zich het voorval niet
te kunnen herinneren, maar ermee bekend te zijn dat de productieleidster
werknemers die storend werken uit het productieproces verwijdert. Nu verzoekster
heeft gesteld van het uitzendbureau vernomen te hebben dat de wederpartij
de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd om problemen in het bedrijf te vermijden,
hetgeen aansluit bij het algemene beeld dat de wederpartij heeft geschetst,
acht de Commissie het aannemelijk dat de beëindiging van de arbeidsverhouding
een gevolg was van de reactie van collega’s op het dragen van een hoofddoek
door verzoekster.

4.5. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van direct
onderscheid of indirect onderscheid. Daarover overweegt de Commissie het
volgende.

In 4.2 is met betrekking tot het dragen van een hoofddoek door verzoekster
vastgesteld dat het handelen van de wederpartij getoetst dient te worden
aan het verbod op het maken van onderscheid op grond van godsdienst. Het
antwoord op de vraag of sprake is van direct of indirect onderscheid, is
afhankelijk van het geheel van de feitelijke omstandigheden van het geval.
Indien het dragen van de hoofddoek als zodanig een grond is voor het maken
van onderscheid, wordt rechtstreeks verwezen naar de desbetreffende discriminatiegrond
en is derhalve sprake van direct onderscheid zoals verboden in de AWGB.

Indien het dragen van de hoofddoek evenwel níet als zodanig een grond is
voor het maken van onderscheid, kan sprake zijn van indirect onderscheid.

In dit laatste geval is er sprake van een handelen van de wederpartij dat
op het eerste gezicht neutraal genoemd wordt omdat niet direct wordt verwezen
naar een discriminatiegrond, maar dat wél tot gevolg heeft dat direct onderscheid
op grond van godsdienst wordt gemaakt (Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke
behandeling, oordeelnummer 96-85 d.d. 17 oktober 1996. In deze zaak was
sprake van kledingvoorschriften die werden gesteld uit veiligheidsoverwegingen).

De wederpartij stelt dat, indien verstoringen van het productieproces optreden,
maatregelen worden genomen. De Commissie overweegt dat het optimaal laten
verlopen van een productieproces en het treffen van maatregelen in het
kader daarvan in het algemeen als een neutraal handelen kunnen worden beschouwd
waarbij niet direct wordt verwezen naar een discriminatiegrond. Bij de
wederpartij is echter geen sprake van een neutraal handelen vanwege het
volgende.

In deze zaak betreft de verstoring van het productieproces het uitlachen
door personeelsleden van verzoekster vanwege haar hoofddoek en de veronderstelde
gevolgen daarvan voor het productieproces. De werkgever staan daartoe verschillende
middelen ter beschikking, zoals het voeren van gesprekken met of, indien
nodig, disciplinaire maatregelen jegens degenen die een dergelijk gedrag
vertonen. Geconstateerd moet worden dat de wederpartij de negatieve houding
van de desbetreffende personeelsleden als gegeven heeft beschouwd en tot
uitgangspunt van het eigen handelen heeft gemaakt. Immers, de wederpartij
heeft geen maatregelen getroffen jegens de collega’s die het productieproces
verstoorden door hun gedrag, maar in plaats daarvan de arbeidsverhouding
met verzoekster beëindigd. Door bedoelde gedragingen ten grondslag te leggen
aan haar beslissing heeft de wederpartij een discriminerende houding overgenomen
in plaats van bestreden.

Dit betekent dat het dragen van de hoofddoek mede de grond vormde voor
de wederpartij om de arbeidsverhouding te beëindigen. De Commissie concludeert
mitsdien dat de wederpartij direct onderscheid heeft gemaakt op grond van
godsdienst en derhalve heeft gehandeld in strijd met de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Enschede door het
voortijdig beëindigen van de arbeidsverhouding met mevrouw (…) te Enschede,
direct onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Algemene wet gelijke behandeling
en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), mw. mr. E.F Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Arnhem, 7 februari 1997

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres vordert een voorschot van ƒ 25 000 op de schadevergoeding van ƒ 131
427,26 voor door haar geleden immateriële en materiële schade, veroorzaakt
door onrechtmatig handelen van gedaagde. Hij is haar (stief)grootvader en
heeft haar van haar zesde tot haar zeventiende seksueel misbruikt. Eiseres
heeft hiervoor voldoende bewijs aangedragen. De rechtbank acht een bedrag van
ƒ 15 000 toewijsbaar waarvan ƒ 10 000 direct dient te worden voldaan.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden en
bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de dagvaarding.
Gedaagde heeft geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De raadslieden van partijen hebben de zaak bepleit, overeenkomstig de door
hen overgelegde pleitnotities en de daarbij behorende producties.
Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

De vaststaande feiten

Eiseres – thans 22 jaar oud – is een (stief)kleindochter van gedaagde. Op 21
mei 1996 heeft zij aangifte gedaan van seksueel misbruik door gedaagde vanaf
haar zesde tot haar zeventiende jaar. Dit misbruik bestond, kort gezegd, uit
het betasten van eiseres’ borsten en vagina en het tongzoenen door gedaagde.
Vanaf omstreeks haar zeventiende jaar is eiseres onder psychiatrische
behandeling; zij is sindsdien regelmatig opgenomen geweest in psychiatrische
inrichtingen.
Thans verblijft zij in de psychiatrische kliniek `Groot Graffel’ te
Warnsveld.
Gedaagde heeft eind juli 1996 de door eiseres geuite beschuldigingen
tegenover de politie bekend.
Het desbetreffende proces-verbaal van politie bevindt zich bij de
processtukken.
Tevens bevinden zich bij de processtukken een tweetal rapporten,
respectievelijk gedateerd 19 juli 1996 en 27 januari 1997, van mevr. drs.
M.J.W. Hendriks, psycholoog verbonden aan het RIAGG Oost Gelderland.
Een datum voor de behandeling van de strafzaak tegen gedaagde is nog niet
bekend.
Het geschil

1. Eiseres stelt dat vorenbedoelde gedragingen van gedaagde als onrechtmatige
daden jegens eiseres moet worden gekwalificeerd en dat deze aan eiseres grote
schade hebben berokkend. Zij begroot deze – zowel materiële als immateriële –
schade op in totaal ƒ 131 427,26 onderverdeeld als volgt:
ƒ 25 000 wegens smartegeld; ƒ 5718,26 wegens eigen bijdragen voor de opnamen
in diverse psychiatrische inrichtingen; ƒ 1137 wegens reiskosten die zij
heeft moeten maken voor haar wekelijkse huisbezoeken; ƒ 2500 wegens huur van
de door haar aangehouden kamer in de periode mei tot november 1996; ƒ 72
wegens eigen bijdragen medicijnen; ƒ 1000 wegens geschatte kosten vanwege het
niet behalen van haar VWO-diploma; ƒ 96 000 wegens verlies aan
verdiencapaciteit (4 jaar a ƒ 24 000).

2. Eiseres vordert thans gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van
een bedrag ad ƒ 25 000 (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 december
1996) als voorschot op voormelde door haar geleden schade. Eiseres stelt
daarbij een spoedeisend belang te hebben, omdat toekenning van dit voorschot
op korte termijn een vorm van genoegdoening en erkenning is waardoor de
verwerking van de gevolgen van het haar aangedane leed zal worden bespoedigd.

3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer op de gronden die hierna zullen worden
besproken.

De beoordeling van het geschil

4. Eiseres heeft het spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening (als
onder 2 omschreven) tegenover de betwisting daarvan door gedaagde voldoende
aangetoond.

5. Voorop gesteld wordt dat volgens vaste jurisprudentie een vordering wegens
voorschot op schadevergoeding wegens materiële en immateriële schade in kort
geding kan worden behandeld, ook in incestzaken als waarvan hier sprake is.
De omstandigheid dat de strafrechter (nog) niet over de vermeende strafbare
feiten heeft geoordeeld doet daar in beginsel niet aan af.

6. Ter beoordeling staat thans of eiseres voldoende feiten heeft aangedragen
danwel aannemelijk gemaakt waaruit voorshands de conclusie kan worden
getrokken dat gedaagde onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld en dat zij
daardoor schade heeft geleden.
In dit verband is het volgende van belang.

7. Eiseres heeft in het strafrechtelijk onderzoek terzake zeer expliciete
verklaringen afgelegd die woordelijk zijn opgenomen.
Tijdens de diverse politieverhoren heeft gedaagde (uiterst gedetailleerd)
bekend zich aan de hem verweten gedragingen jegens eiseres te hebben schuldig
gemaakt. De door eiseres en gedaagde op dat punt afgelegde verklaringen
vinden ook steun in de – eveneens in het proces-verbaal van politie opgenomen
(in de dagvaarding geciteerde) – gelijkluidende verklaringen van de ouders
van eiseres, haar grootmoeder (met wie gedaagde destijds was gehuwd),
biologieleraar, mentrix, haar RIAGG-therapeute en van de vader van haar
vriendin. Tevens verdient aandacht dat gedaagde eveneens tegenover de politie
heeft verklaard dezelfde ontuchtige handelingen te hebben gepleegd met nog
twee andere meisjes (van ongeveer dezelfde leeftijd als eisers toen).

8. Eiseres beroept zich voorts op de (hiervoor onder de feiten vermelde)
rapportage van de psycholoog mevr. drs. M.J.W. Hendriks. In haar rapport van
19 juli 1996 schrijft deze onder meer: `…. De hier beschreven problematiek,
de ermee gepaard gaande klachten en symptomen passen m.i. in het beeld van
slachtoffers van seksueel geweld, zoals dat inmiddels bekend is (…) wijzen
de signalen op langdurig en ernstig misbruik, met ernstige en blijvende
gevolgen voor de ontwikkeling van de persoonlijkheid.’

9. Voorlopig geoordeeld leveren de onder r.o. 7 bedoelde verklaringen in
samenhang met de onder 8 vermelde rapportage van drs. Hendriks voldoende
bewijs op om te concluderen dat het zeer aannemelijk is dat eiseres gedurende
een groot aantal jaren herhaaldelijk door gedaagde seksueel is misbruikt.
Derhalve heeft gedaagde jegens eisers onrechtmatig gehandeld.

10. Ter zitting heeft gedaagde weliswaar verklaard `slechts’ eenmaal (toen
zij 12 jaar was) een hand op de borst van eiseres te hebben gelegd om haar te
troosten en voor het overige ontkend de bewuste feiten te hebben gepleegd
(omdat hij door de politie onder druk zou zijn gezet een bekennende
verklaring af te leggen zodat hij snel naar huis kon in verband met de
gezondheidstoestand van zijn echtgenote), maar deze ontkenning komt – in het
licht van het onder r.o. 7 en 8 overwogene – volstrekt ongeloofwaardig voor.
Daarbij komt dat gedaagde ter zitting desgevraagd volmondig heeft toegegeven
dat hij op een bepaald moment in aanwezigheid van de ouders van eiseres en
haar grootmoeder (met wie hij toen was gehuwd), eiseres op zijn knieën om
vergiffenis heeft gevraagd. Dat hij dit zou hebben gedaan alleen vanwege het
door hem hiervoor geschetste voorval, komt weinig aannemelijk voor.

11. Dat eiseres door genoemd onrechtmatig handelen schade heeft geleden is
zonder meer aannemelijk. In de rapportage van drs. Hendriks worden de huidige
(psychische en psycho-somatische) klachten van eiseres in direct verband
gebracht met het gepleegde seksueel misbruik. Weliswaar is niet komen vast te
staan dat dit misbruik de enige oorzaak is van bedoelde klachten van eiseres,
maar voorshands moet worden aangenomen dat deze klachten in belangrijke mate
zijn toe te schrijven aan het seksueel misbruik door gedaagde. Het is immers
algemeen bekend dat seksueel misbruik tot ernstige lichamelijke en psychische
schade kan leiden.

12. Wat betreft de omvang van de schade is het volgende van belang.
Gedaagde heeft de door eiseres gestelde omvang van de schade (zoals onder 1
weergegeven) betwist en subsidiair aangevoerd niet tot betaling van het thans
gevorderde voorschotbedrag in staat te zijn.
In het kader van dit kort geding valt de exacte hoogte van de door eiseres
geleden schade niet vast te stellen, maar dat eisers inmiddels ten gevolge
van het seksueel misbruik van gedaagde aanmerkelijke kosten heeft moeten maken
is zonder meer aannemelijk.
Wat er zij van de door eiseres opgevoerde post `verlies van
verdiencapaciteit’ (welke post door gedaagde gemotiveerd is betwist),
voorshands is, mede gelet op de omvang/duur van het seksueel misbruik, zeer
waarschijnlijk dat de bodemrechter minimaal het thans gevorderde bedrag ad ƒ
25 000 wegens materiële en immateriële schade zal toewijzen, zodat de
vordering in beginsel toewijsbaar is. Gelet op de (hierna weergegeven)
financiële positie van gedaagde op dit moment is echter aanleiding het toe te
kennen bedrag te matigen alsmede een deel daarvan door gedaagde in termijnen
te laten voldoen, een en ander zoals hierna te melden.

13. Wat betreft de financiële positie van gedaagde is ter zitting het
volgende gebleken. Gedaagde – thans 69 jaar oud – is gehuwd en ontvangt een
netto pensioen van ƒ 1278,45 per maand. Daarnaast heeft hij
nevenwerkzaamheden waarmee hij ƒ 650 netto per maand verdient; zijn
echtgenote ontvangt een AOW-uitkering van ƒ 1017 netto per maand en daarnaast
ƒ 600 netto per maand uit bijverdiensten.
Weliswaar behoort het inkomen van de echtgenote van gedaagde bij de
berekening van gedaagdes draagkracht hier buiten beschouwing te blijven, maar
anderzijds is het redelijk dat de echtgenote door haar inkomen in de helft
van de gezamenlijke lasten bijdraagt.

Aan huur betaalt gedaagde ƒ 792 per maand. Hij betaalt ƒ 200 per maand af op
een comfort card lening.
Ter aflossing van een lening voor de aanschaf van een houten chalet op een
camping dient hij maandelijks een bedrag ad ƒ 631 te voldoen. De staanplaats
daarvan kost ƒ 2600 per jaar.
Ter zitting is gebleken dat gedaagde en zijn echtgenote geen gebruik meer
maken van deze chaletwoning. Niet valt in te zien waarom gedaagde deze dan
niet zou verkopen, ook al resteert daarna nog een schuld (volgens gedaagde
ten bedrage van ongeveer ƒ 10 000).

14. Op grond van het voorgaande komt een voorschotbetaling van in totaal ƒ 15
000 passend voor, waarvan ƒ 10 000 te betalen ineens (eventueel via het
afsluiten van een extra lening, waarvoor de draagkracht van gedaagde
toereikend moet worden geacht), ƒ 5000 in maandelijkse termijnen zoals in het
dictum opgenomen.

15. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van dit
kort geding worden verwezen.

De beslissing

De president

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag ad ƒ 15 000
(vijftienduizend gulden) wegens voorschot op de door eiseres geleden schade
materiële en immateriële schade, waarvan een bedrag ad ƒ 10 000 (tienduizend
gulden) direct te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf
18 december 1996, en het restant ad ƒ 5000 te voldoen vanaf 1 maart 1997 met
een bedrag van ƒ 150 per maand, met bepaling dat de wettelijke rente over de
(restant) hoofdsom verschuldigd is vanaf het moment dat gedaagde zich niet
houdt aan genoemde termijnbetaling,

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van eiseres
bepaald op ƒ 2020,23, waarvan te betalen aan de griffier van deze rechtbank
(op postbankrekening no. 935462 ten name van Gerecht 533 arrondissement
Arnhem):
a. ƒ 1500 voor salaris,
b. ƒ 100,23 voor in debet gestelde exploitkosten,
c. ƒ 315 voor in debet gesteld griffierecht en het restant ad ƒ 105 aan de
(procureur van) eiseres wegens haar eigen aandeel in het griffierecht,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
weigert het ander of meer gevorderde.

Rechters

Mr Hooft Graafland

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 6 februari 1997

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Verzoeker is ontslagen omdat hij een collega seksueel heeft geïntimideerd. De
werkgever heeft hierover een onderzoek ingesteld. Verzoeker verzet zich tegen
het ontslag. Hij heeft de seksuele intimidatie bestreden.
De rechtbank oordeelt dat aan de gemeentelijke nota van ongewenste
intimiteiten naar (on)besproken gedrag binnen het stadsdeel ruime bekendheid
is gegeven. In deze nota worden ook de mogelijke sancties helder vermeld.
Daarom, meent de rechtbank, dat de werkgever, na constatering en
bewezenverklaring van de seksuele intimidatie, naar voorlopig oordeel dan ook
tot het verwijt van plichtsverzuim kan komen en op grond van het ARA tot het
opleggen van een disciplinaire straf of maatregel kan besluiten. Hieraan doet
niet af dat er geen officiële klacht is ingediend.
Klachten als door de collega geuit kunnen naar voorlopig oordeel tot geen
andere kwalificatie leiden dan die van seksuele intimidatie. Met het oog
hierop is zorgvuldig onderzoek ter vaststelling van de verweten gedragingen
en naar de vraag of de betrokken persoon hiervan terecht is beschuldigd,
noodzakelijk. Het onderzoek door een interne commissie en de daarbij gevolgde
werkwijze beziend, moet voorshands worden geoordeeld dat van zodanig
zorgvuldig onderzoek in casu sprake is geweest.
De rechtbank constateert dat er op de afdeling `losse’ omgangsvormen waren
waaraan ook verzoeker heeft deelgenomen. Ondanks dat de collega gedurende
enige tijd en tot op zekere hoogte in deze omgangsvormen heeft bewilligd, kan
dit er niet toe leiden dat verzoeker zich deze omgangsvormen kon permitteren.
De rechtbank stelt verder dat juist waar de collega voortdurend in
onzekerheid verkeerde omtrent haar aanstelling bij het stadsdeel, het
overigens – gezien de machtspositie van verzoeker als directe leidinggevende
jegens haar – niet voor geheel onbegrijpelijk moet worden gehouden dat bij
haar ook een zekere aarzeling bestond om op het gedrag van verzoeker ten
opzichte van haar op een adequate wijze te reageren.
Van verzoeker had daarentegen mogen worden verwacht dat hij niet aan het
ontstaan van deze omgangsvormen had bijgedragen dan wel daarvan afstand had
genomen en daartegen had opgetreden.
De rechtbank oordeelt dat het gedrag van verzoeker zeer ernstig
plichtsverzuim oplevert en dat niet kan worden gezegd dat het ontslag niet in
verhouding staat tot het verweten plichtsverzuim.

Volledige tekst


Uit het vorenstaande volgt het voorlopig oordeel dat verweerders standpunt
zoals in het bestreden besluit neergelegd en ter zitting is toegelicht, de
vorenomschreven rechterlijke toetsing kan doorstaan. Voorts is niet gebleken
dat verweerder daarbij anderszins in strijd heeft gehandeld met een
geschreven of ongeschreven rechtsregel, dan wel in strijd is gekomen met enig
algemeen rechtsbeginsel of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Voor wat betreft het door verzoeker gestelde spoedeisende belang bij
toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening in verband met zijn
benarde financiële situatie, moet in ieder geval worden vastgesteld dat die
situatie niet in overwegende mate als gevolg van het onderhavige
ontslagbesluit is ontstaan, doch met name is veroorzaakt door vóór het
ontslagbesluit door verzoeker afgesloten kredieten. Verder zij verzoeker er
op gewezen dat hij ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan
een aanvraag om bijstand kan indienen bij het college van burgemeester en
wethouders van zijn woongemeente (…); in afwachting van de beslissing op
een dergelijke aanvraag en ter lening van eventuele acute financiële nood,
kan hij voorts om een voorschot verzoeken.

Ten slotte zij nog opgemerkt dat, gelet op de omstandigheid dat van de zijde
van verweerder is medegedeeld dat (vooralsnog) geen invulling zal worden
gegeven aan de door verzoekers afwezigheid ontstane vacature, ook het treffen
van een voorlopige voorziening met betrekking tot de vordering van verzoeker
dat verweerder geen derde in de functie van afdelingshoofd mag benoemen, niet
geboden is. Anders dan verzoeker kennelijk van opvatting is, moet voorts
worden gezegd dat verweerder blijk heeft gegeven van een zorgvuldige
benadering in deze door bij de opstelling van het sociaal plan in verband met
de voorgenomen reorganisatie, zelfs nog met de eventuele positie van
verzoeker rekening te willen houden.

Gelet op het voorgaande en hetgeen overigens zowel uit de stukken en het
verhandelde ter zitting is gebleken, bestaat dan ook geen aanleiding een
voorlopige voorziening te treffen.

Voorts wordt geen aanleiding gevonden om gebruik te maken van de bevoegdheid
tot veroordeling in de proceskosten. Evenmin is een grond aanwezig om te
bepalen dat het griffierecht moet worden vergoed.

Beslist wordt als volgt.

4. Beslissing

De president,

– wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Rechters

Mr I.A. van Berkel

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 5 februari 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


A stelt in het voorjaar van 1990 of 1991 tijdens een lunchpauze door een
groepsleider te zijn verkracht en ook nadien geregeld handtastelijkheden van
hem te hebben ondervonden. Als gevolg daarvan meldt zij zich geregeld ziek.
In 1995 dient zij formeel een klacht in bij de klachtencommissie van het
waterschap. Deze besteedt het onderzoek uit aan een extern onderzoeks- en
adviesbureau, dat partijen en getuigen hoort en een rapport opstelt. De
klachtencommissie begint daarop toch zelf ook een onderzoek. Uit de
verklaringen van de groepsleider leidt de klachtencommissie af dat er sprake
is geweest van een vrijwillige seksuele relatie. A wenst niet opnieuw te
worden gehoord en reageert slechts schriftelijk op de verklaringen van de
groepsleider. De klachtencommissie adviseert het dagelijks bestuur van het
waterschap om tegen beiden de disciplinaire maatregel te nemen van
(schriftelijke) berisping wegens seksueel getint gedrag binnen de
kantoorruimten van het waterschap.
De Rechtbank overweegt als volgt: Op zich is de klachtencommissie bevoegd om
een (hernieuwd) onderzoek te starten. Dat neemt echter niet weg dat de
klachtencommissie en het waterschap zich uitsluitend van de bevindingen van
de door het waterschap aangezochte deskundigen kunnen distantiëren indien zou
moeten worden gezegd dat de deskundigen zich niet correct van hun taak hebben
gekweten, dan wel anderszins zou moeten worden geoordeeld dat het rapport
ondeugdelijk is. Dat het deskundigenrapport tendentieus en ontoereikend is,
is een standpunt waartoe de klachtencommissie en het waterschap naar het
voorlopig oordeel van de president op grond van de voorhanden zijnde
informatie niet hebben kunnen komen. De president stelt vast dat het
onderzoek volledig was en procedureel correct is uitgevoerd (hoor en
wederhoor). De nadere verklaringen van de groepsleider tegenover de
klachtencommissie komen de president ongeloofwaardig over, nu hij eerder
tweemaal tegenover de deskundigencommissie andere verklaringen had afgelegd.
Dat verzoekster zich niet exact kan herinneren wanneer een en ander zich
heeft afgespeeld en dat zij op haar werk eerst in augustus 1995 is gaan
praten, betekent naar het oordeel van de president niet dat haar mededelingen
niet geloofwaardig zijn. De president wijst in dit verband op de door de
deskundige ter zitting dienaangaande gedane mededelingen. Voorts betrekt de
president in het oordeel de door A ingebrachte verklaring van haar huisarts,
die bevestigt dat zij tijdens een consult in de periode april – augustus 1990
mededeling heft gedaan van verkrachting. Op grond van dit alles is er gerede
twijfel of het besluit tot berisping van A op grond van strafwaardig
plichtsverzuim in rechte stand kan houden en schorst de president het besluit
bij wijze van voorlopige voorziening.

Volledige tekst

Procesverloop

Verzoekster is sedert 17 jaar werkzaam in dienst van verweerder, aanvankelijk
op de afdeling Huishoudelijke zaken en vanaf maart 1990 als medewerkster
interne dienstverlening bij de sectie Interne Dienstverlening van de afdeling
Facilitaire Zaken.

Op 8 februari 1996 heeft verzoekster, op grond van de Regeling
klachtenprocedure inzake seksuele intimidatie van het waterschap Den Dommel
(hierna: de klachtenregeling), een klacht ingediend wegens sexuele
intimidatie door de groepsleider Interne Dienstverlening.
Naar aanleiding van deze klacht heeft een onderzoek plaatsgevonden.

Bij schrijven van 17 oktober 1996 heeft verweerder aan verzoekster kennis
gegeven aan zijn besluit de adviezen d.d. 30 september 1996 van de
klachtencommissie integraal over te nemen, de groepsleider disciplinair te
straffen met een schriftelijke berisping en hem geplaatst te houden in een
functie waarbij direct functioneel of hiërarchisch contact met verzoekster is
uit te sluiten. Tevens is in dit schrijven aan verzoekster kennis gegeven van
het voornemen haar disciplinair te straffen met een schriftelijke berisping
voor seksueel getint gedrag binnen de kantoorruimten van het waterschap.

De mondelinge verantwoording door verzoekster heeft plaatsgevonden op 31
oktober 1996.

Bij besluit van 25 november 1996 heeft verweerder verzoekster op grond van
artikel G1 juncto artikel G2 lid 1a van het Algemeen Ambtenarenreglement
disciplinair bestraft met een (schriftelijke) berisping.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij schrijven van 3 december 1996
bezwaard doen maken bij verweerder.

Bij verzoekschrift van 16 december 1996 heeft verzoekster de president
verzocht ene onverwijlde voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81
van de Ab, houdende de schorsing van het besluit van 25 november 1996. Tevens
heeft verzoekster de president uitdrukkelijk verzocht toepassing te geven aan
artikel 8:86 van de Ab en de hoofdzaak af te doen met een veroordeling van
verweerder tot vergoeding van materiele en immateriële schade.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 januari 1997. Verzoekster is daar
verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft
zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was namens
verweerder aanwezig de heer V.W.H.M. Ditters, hoofd Algemene Zaken bij
waterschap De Dommel. Als deskundige is ter zitting gehoord mr. L.A.M. ten
Brink, zelfstandig juridisch adviseur te Almere als extern adviseur verbonden
aan het bureau Bezemer & Kuiper.

Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Ab kan, indien tegen een besluit bij de
rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep
bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld,
de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak,
op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet
op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Ab kan de president, indien het verzoek wordt
gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de president van
oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader
onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak,
onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Van toepassing van artikel 8:86 van de Ab, zoals door verzoekster
uitdrukkelijk is verzocht, kan in het onderhavige geval reeds hierom geen
sprake zijn, nu op het bezwaarschrift van verzoekster nog niet is beslist en
er geen beroep bij de rechtbank is ingesteld.

Voor het treffen van een onverwijlde voorziening als bedoeld in artikel 8:81
van de Ab moet worden beoordeeld of het nadeel dat verzoekster zal
ondervinden als gevolg van de onmiddellijke uitvoering van het bestreden
besluit onevenredig is in verhouding tot het met dit besluit te dienen
belang. Veelal zal er eerst aanleiding zijn de gevraagde voorziening te
treffen indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld
dat er gerede twijfel bestaat of het in de hoofdzaak bestreden besluit in
stand zal blijven.
Voor zover toetsing aan het in artikel 8:81 van de Ab neergelegde criterium
met zich brengt dat een beoordeling van het geschil in de bodemprocedure
wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en
is dat niet bindend voor het geschil in de bodemprocedure.

In het onderhavige geval dient de president te beoordelen of er aanleiding
bestaat het bestreden besluit van 25 november 1996, inhoudende een
schriftelijke berisping van verzoekster, te schorsen totdat op het
bezwaarschrift zal zijn beslist.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het
volgende gebleken.

Verzoekster is naar eigen zeggen in het voorjaar van 1990 en 1991 tijdens de
lunchpauze op kantoor door de groepsleider verkracht. Na dit voorval heeft de
groepsleider haar tweemaal aangerand. Over deze voorvallen heeft verzoekster
op haar werk lange tijd niet gesproken.

op 4 augustus 1995 heeft het hoofd van de afdeling Facilitaire Zaken met
verzoekster een functioneringsgesprek gevoerd om haar hoge ziekteverzuim te
bespreken. Tijdens dit gesprek heeft verzoekster verklaard dat dit verzuim
verband hield met haar werksituatie, doordat zij last ondervond van
toenaderingspogingen door de groepsleider. Na een gesprek tussen het hoofd
van de afdeling Facilitaire zaken en de groepsleider is de laatste
(tijdelijk) overgeplaatst.

Na een incident tussen verzoekster en de nieuwe groepsleidster heeft
verzoekster zich op 8 februari 1996 gewend tot de personeelsconsulente van
het waterschap en haar verteld over de verkrachting en aanrandingen door de
groepsleider. Als vertrouwenspersoon heeft de personeelsconsulente in maart
1996 de klacht van verzoekster opgetekend.

Gelet op de ingewikkeldheid van de materie en de omstandigheid dat het
waterschap voor het eerst met een klacht inzake seksuele intimidatie werd
geconfronteerd heeft het waterschap met het oog op een beschutte behandeling
het bureau Bezem & Kuiper verzocht een onderzoek in te stellen. Dit bureau,
dat zich bezighoudt met advies en training bij beleid tegen seksuele
intimidatie en andere ongewenste omgangsvormen op het werk, heeft een ad
hoc-klachtencommissie ingesteld, bestaande uit ter zitting als deskundige
gehoorde mr. Ten brink en mevrouw Van der Vliet, gespecialiseerd in
achtergronden van slachtoffers van zedendelicten, en een secretaris werkzaam
bij het waterschap. Deze deskundigen hebben gesprekken gevoerd met de direct
betrokkenen en met een aantal collega’s en anderen.
De groepsleider heeft erkend dat er eenmaal sprake is geweest van
geslachtsgemeenschap met verzoekster en ook van aanrakingen, maar dit contact
zou door verzoekster gewenst zijn en zou sprake zijn geweest van een soort
relatie tussen hen.

In hun onderzoeksrapport van 8 augustus 1996 komen de deskundigen van het
bureau Bezemer & Kuiper kort gezegd tot de conclusie dat vast staat dat
eenmaal op kantoor geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden tussen
betrokkenen en dat de groepsleider verzoekster wel eens heeft gekust en haar
fysiek (o.a. bij de borsten) heeft aangeraakt. De deskundigen achten het
verder niet aannemelijk dat een en ander heeft plaatsgevonden terwijl dit
wederzijds gewenst was. Zij zijn voorts van oordeel dat de groepsleider hoe
dan ook niet de juiste afstand heeft genomen van verzoekster, aan wie hij
leiding gaf.

Na ontvangst van dit onderzoeksrapport heeft de klachtencommissie van het
waterschap verzoekster, de groepsleider en diens vertrouwenspersoon alsmede
de (nieuw aangestelde) vertrouwenspersoon in de zin van de klachtenregeling
uitgenodigd om te worden gehoord op 20 augustus 1996. De groepsleider heeft
bij die gelegenheid de onderzoeksresultaten bekritiseerd en een nadere
verklaring afgelegd omtrent de jarenlange intieme en gewenste relatie die hij
naar zijn zeggen met verzoekster op de werkplek onderhield. In deze
verklaring heeft de groepsleider aangegeven dat verzoekster regelmatig
seksuele handelingen met hem heeft verricht.

Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid gehoord te worden
door de klachtencommissie. Wel heeft zij in een schriftelijk verklaring van
30 augustus 1996 de juistheid van de nadere verklaring van de groepsleider
betwist.

In het verslag van de zitting van de klachtencommissie van 2 september 1996
is aangegeven dat ten aanzien van de vraag of het gaat om gewenste dan wel
ongewenste seksuele intimiteiten de verklaring van de anonieme getuige en de
verklaring van de huisarts, die haar kort na de verkrachting heeft
onderzocht, voor vaststelling daarvan de meest oorspronkelijke bronnen zijn.
Besloten wordt dat contact zal worden opgenomen met de huisarts, zo staat in
het verslag te lezen.

In het rapport van 30 september 1996 heeft de klachtencommissie aangegeven
kennis genomen te hebben van de rapportage van de deskundigen, het
verhandelde tijdens de hoorzitting van 20 augustus en de schriftelijke
verklaring d.d. 30 augustus 1996 van verzoekster. De klachtencommissie heeft
in zijn rapport voorts aangegeven de rapportage van de deskundigen
tendentieus en ontoereikend te oordelen. Anders dan de deskundigen – die niet
de beschikking hadden over een nadere verklaring van de groepsleider van 20
augustus 1996 – is de klachtencommissie niet tot de overtuiging kunnen komen,
dat er sprake is geweest van een ongewenst – in de betekenis van niet gewild
– seksueel contact in april 1991 dan wel het voorjaar van 1990. Niet geheel
duidelijk maar wel aannemelijk acht de klachtencommissie dat verzoekster –
ten minste bij tijd en wijle – gecharmeerd was van de aandacht van de
ploegleider en dat daarmee verklaarbaar is het onnodig aanraken van elkaar
tijdens de werksituatie. De klachtencommissie heeft geadviseerd beide
betrokkenen te berispen wegens hun seksueel getint gedrag binnen de
kantoorruimten van het waterschap.

Na de mondelinge verantwoording van verzoekster op 31 oktober 1996 heeft
verweerder het advies van de klachtencommissie gevolgd en verzoekster bij
schrijven van 25 november 1996 schriftelijk berispt.

Verzoekster is van oordeel dat verweerder in alle redelijkheid niet de
overtuiging heeft kunnen krijgen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan
seksueel getint gedrag op de werkplek waarvoor een disciplinaire maatregel
gerechtvaardigd zou zijn.
Verzoeksters bezwaren tegen het besluit van 25 november 1996 zien met name op
de omstandigheid dat verweerder de bevindingen, althans de conclusies, van de
deskundigen van het bureau Bezemer & Kuiper naast zich neer heeft gelegd en
zich zonder meer heeft geconformeerd aan de conclusies van de
klachtencommissie, waarbij een zwaar gewicht is toegekend aan hetgeen eerst
in een zeer laat stadium door de groepsleider naar voren is gebracht, terwijl
aan de geloofwaardigheid van deze nadere verklaring ernstig moet worden
getwijfeld.

De president overweegt het volgende.

Ingevolge de klachtenregeling kan een klacht over seksuele intimidatie worden
ingediend bij een door de werkgever aangewezen vertrouwenspersoon, die de
klacht kan verwijzen naar de klachtencommissie. Deze commissie stelt de
direct betrokkenen, de vertrouwenspersoon en eventuele getuigen in de
gelegenheid te worden gehoord, brengt schriftelijk rapport uit van haar
bevindingen, geeft een gemotiveerd oordeel over de klacht en brengt tevens
advies uit omtrent de zonodig te treffen maatregelen. Het dagelijks bestuur
neemt vervolgens een gemotiveerd besluit ter zake.

Vast staat dat verweerder in verband met de behandeling van verzoeksters
klacht de hulp heeft ingeroepen van het bureau Bezemer & Kuiper op grond van
de bij dat bureau aanwezige ervaring en deskundigheid inzake beoordeling van
situaties als de onderhavige, met dien verstande dat niet duidelijk is kunnen
worden welke opdracht is verstrekt. Dat de klachtencommissie van verweerders
waterschap niet de bevoegdheid zou hebben behouden om (eveneens) van verslag
en advies te dienen aan verweerder als het tot beslissen bevoegde gezag met
betrekking tot de afhandeling van verzoeksters klacht is een oordeel waartoe
de president vooralsnog niet heeft kunnen komen.

Het vorenstaande neemt niet weg dat de klachtencommissie en verweerder zich
uitsluitend van de bevindingen van de door verweerder aangezochte deskundigen
kunnen distantiëren indien zou moeten worden gezegd dat de deskundigen zich
niet correct van hun taak hebben gekweten, dan wel anderszins zou moeten
worden geoordeeld dat het rapport ondeugdelijk is. Dat het deskundigenrapport
tendentieus en ontoereikend is, is een standpunt waartoe klachtencommissie en
verweerder naar het voorlopig oordeel van de president op grond van de
voorhanden zijnde informatie niet hebben kunnen komen. Vastgesteld moet
worden dat de deskundigen gesproken hebben met degenen die op enig moment
kennis van de onderhavige kwestie hebben gekregen. Ook is de groepsleider
tweemaal gehoord, waarbij hij er na het eerste gesprek op is gewezen dat hij
de deskundigen ervan diende te overtuigen dat zijn lezing de juiste is,
terwijl het tweede gehoor plaatsvond nadat hij afschriften had ontvangen van
de verslagen van de gesprekken die met alle tot dan toe gehoorden waren
gemaakt. De president vermag niet in te zien dat uit de verkregen informatie,
die naar enerzijds oordeel niet als onvolledig kan worden aangemerkt, niet op
de daartoe aangevoerde gronden de conclusies kunnen worden getrokken als door
de deskundigen verwoord in hun rapport.

De president is voorts van oordeel dat de nadere verklaring van de
groepsleider tegenover de klachtencommissie minder geloofwaardig is te achten
dan de tegenover de deskundigen – deze hebben hem gewezen op het belang van
zijn verklaring, terwijl de groepsleider bij zijn tweede verklaring op de
hoogte was van de door anderen gedane mededelingen – afgelegde verklaringen.
Zonder te miskennen dat verzoekster altijd al een behoorlijk ziekteverzuim
heeft gehad – verzoekster ontvangt een uitkering in verband met gedeeltelijke
arbeidsongeschiktheid – moet voorts worden vastgesteld dat de bedrijfsarts
heeft verklaard dat de verlammingsverschijnselen waarmee verzoekster in het
ziekenhuis is opgenomen veroorzaakt kunnen zijn door de gebeurtenissen op het
werk. Dat verzoekster zich niet exact kan herinneren wanneer een en ander
zich heeft voorgedaan en dat zij op haar werk eerst in augustus 1995 is gaan
praten, betekent naar dezerzijds oordeel niet dat haar mededelingen niet
geloofwaardig zijn. De president wijst in dit verband op de door de
deskundige ter zitting dienaangaande gedane mededelingen.

Al het hiervoor overwogene, bezien is samenhang met de door verzoekster
ingebrachte verklaring van de voormalige huisarts van verzoekster – deze is
om onbekende redenen niet meer door de klachtencommissie benaderd – waarin is
aangegeven dat verzoekster tijdens een consult in de periode van april tot
augustus 1990 heeft medegedeeld op het werk te zijn verkracht, heeft de
president tot het oordeel gebracht dat er gerede twijfel bestaat of
verweerders besluit tot bestraffing van verzoekster wegens het plegen van
strafwaardig plichtsverzuim in rechte kan vasthouden. Gelet hierop dient de
ingevolge artikel 8:81 van de Ab vereiste belangenafweging in het voordeel
van verzoekster uit te vallen. Het besluit van 25 november 1996 wordt
geschorst tot en met zes weken nadat verweerder zijn beslissing op bezwaar
aan verzoekster heeft bekendgemaakt.

De president acht termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel
8:75 van de Ab te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten.
Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten. Deze kosten
zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de
daarbij behorende bijlage begroot op in totaal ƒ 1.420 voor kosten van door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
* 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift voorlopige voorziening;
* 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
* waarde per punt ƒ 710;
* wegingsfactor 1.

De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82,
vierde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht te bepalen dat aan verzoekster
het betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 200 zal worden vergoed.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De president:

I. schorst het besluit van 25 november 1996 tot en met zes eken nadat
verweerder zijn beslissing op bezwaar aan verzoekster heeft bekendgemaakt;
II. gelast dat het betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 200 door het
waterschap De Dommel aan verzoekster wordt vergoed;
III. veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten,
vastgesteld op ƒ 1.420, te vergoeden door het waterschap De Dommel.

Rechters

Mr J.W. Brunt

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 februari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker draagt een hanenkam. Hij is bij de wederpartij werkzaam als elektromonteur.
De wederpartij heeft hem een leidinggevende functie in het vooruitzicht
gesteld op voorwaarde dat hij zijn uiterlijk aan zou passen. Dit heeft
verzoeker geweigerd. Verzoeker stelt dat de wederpartij hiermee onderscheid
heeft gemaakt naar levensovertuiging en/of politieke overtuiging. Verzoeker
stelt autonoom en anti-materialistisch te zijn.
De Commissie is van oordeel dat op grond van hetgeen verzoeker omtrent
zijn anti-materialistische en autonome levensvisie naar voren heeft gebracht,
niet gesproken kan worden van levensovertuiging in de zin van de AWGB.
Van een politieke overtuiging is wel sprake. Aangezien het gestelde onderscheid
echter betrekking heeft op verzoekers kleding en haardracht, kan slechts
een beroep op de AWGB worden gedaan indien vast komt te staan dat de kleding
en haardracht als uiting van verzoekers politieke gezindheid moet worden
beschouwd. Hiervan is niet gebleken.
Geen strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 juni 1996 verzocht de heer (…) te Alkmaar (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of (…) te Benningbroek (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna:
AWGB).

1.2. Verzoeker draagt een hanenkam. Hij als monteur bij de wederpartij
werkzaam. Verzoeker is vanwege zijn uiterlijk niet in aanmerking gekomen
voor promotie. Zijn uiterlijk hangt volgens hem samen met zijn autonome
en anti-materialistische levensovertuiging en politieke gezindheid. Verzoeker
is daarom van oordeel dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond
van levensovertuiging of ook politieke gezindheid.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft de Commissie verzocht
de spoedprocedure toe te passen. Dit verzoek is niet ingewilligd wegens
het ontbreken van spoedeisend belang. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
toegelicht.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op 18 december 1996.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– mw. A. Rasche (gemachtigde)
– mw. J. Driesen (coördinator ADB)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (vestigingsdirecteur)
– dhr. (…) (hoofd personeelszaken)
– mw. mr. (…) (juridisch medewerkster)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft een kaalgeschoren hoofd met daarop in het midden een
zogenoemde (gekleurde) hanenkam. Hij kleedt zich vaak in een gescheurde
spijkerbroek, waarop teksten zijn aangebracht en draagt veelal een klein
T-shirt zonder mouwen. Aan zijn voeten draagt hij legerschoenen, zogenoemde
kistjes.

3.2. Verzoeker is sinds december 1989 als eerste monteur werkzaam bij de
wederpartij als elektromonteur. Verzoeker is ingedeeld in functiegroep
6. Zijn werkzaamheden verricht hij, in opdracht van de wederpartij, voornamelijk
in een ziekenhuis waar hij zich met name bezighoudt met het electronisch
netwerk en telematica.

Verzoeker is werkzaam in een team van zes medewerkers, bestaande uit een
leidinggevend monteur, twee eerste monteurs, twee monteurs en een hulpmonteur.
De dagelijkse leiding van het team berust bij de leidinggevend monteur.
Dit vaste team wordt voor zover nodig aangevuld met andere monteurs.

3.3. De taak van de leidinggevend monteur bestaat onder meer uit het formeel
vertegenwoordigen van de wederpartij. De leidinggevend monteur neemt in
dat verband deel aan de werkvergaderingen en onderhoudt de formele dagelijkse
contacten met onder andere de opdrachtgever, collega-aannemers, architecten
en adviseurs. De leidinggevende is ingedeeld in functiegroep 7. Bij de
functie van eerste monteur behoort het onderhouden van deze contacten niet
tot het takenpakket.

3.4. Toen de leidinggevend monteur met ingang van 1 juni 1996 ontslag nam,
heeft de wederpartij verzoeker gevraagd of hij voor deze functie in aanmerking
wilde komen. De wederpartij gaf daarbij aan dat de voorwaarde om deze functie
te kunnen vervullen was dat hij zijn uiterlijk zou aanpassen. Daarmee werd
een `gewone’ haardracht bedoeld, een niet bekladde spijkerbroek zonder
scheuren en een sweater, trui of overhemd.

Verzoeker heeft geweigerd zijn uiterlijk aan te passen. De wederpartij
heeft vervolgens iemand anders in de functie van leidinggevend monteur
benoemd.

3.5. Bij de wederpartij gelden geen kledingvoorschriften. Er is bedrijfskleding
aanwezig, maar deze is niet verplicht.

Het standpunt van verzoeker

3.6. De hanenkam is voor verzoeker een symbool van zijn levensovertuiging
en politieke gezindheid, die hij als anti-materialistisch en autonoom omschrijft.
`Anti-materialistisch’ betekent dat hij zich distantieert van de maatschappij,
waarin mensen steeds meer willen bezitten, steeds meer macht willen hebben
ten koste van anderen en willen bepalen hoe andere personen moeten leven
en denken. `Autonoom’ houdt in dat verzoeker een tegenstander is van het
indelen van mensen in groepen en het opplakken van etiketten. Verzoeker
vindt dat mensen hun eigen weg in het leven dienen te gaan zonder zich
daarbij te laten beïnvloeden door dwingende factoren.

Verzoeker vraagt zich daarnaast voortdurend af waarom bepaalde zaken in
de maatschappij geregeld zijn zoals ze zijn. Hij voelt zich ten opzichte
van zichzelf verplicht om zowel op zijn werk als in zijn privéleven alert
te zijn en te blijven op allerlei terreinen. Hij draagt zijn (politieke)
denkbeelden uit door zijn dagelijkse manier van leven. Zo is hij tegen
het leger en corruptie en woont hij in een kraakpand. Verzoeker voert in
dat laatste verband overleg met de gemeente over de huisvestingproblematiek.
Zijn denkbeelden deelt hij soms met anderen zonder daarbij te pretenderen
tot een politieke groepering te behoren.

3.7. Het uiterlijk van verzoeker is een uiting van zijn levensovertuiging
en politieke gezindheid. Het is tevens een protest tegen de ongeschreven
regel van het bedrijfsleven en gezagsdragers dat men zich volgens een bepaalde
code moet gedragen. De vrijheid zijn levensovertuiging en politieke gezindheid
te uiten lijkt tijdens werktijd niet te bestaan. Verzoeker wenst ook tijdens
werktijd zijn eigen manier van leven te behouden. Daarbij hoort ook de
wijze waarop hij zich kleedt en hij zijn haar draagt.

Verzoeker draagt onder meer een armband die hij zelf gemaakt heeft van
afgedankte electronische onderdelen. Deze onderdelen heeft hij uit een
gesloopt computernetwerk van het ziekenhuis gehaald. Verzoeker vindt deze
materialen mooi, ze zijn eenvoudig, recycled, origineel en niet duur. Daarnaast
draagt hij vaak een `Indiaanse Choker’, een soort halsketting, waarmee
hij zijn waardering uitspreekt voor andere niet-Westerse kunstvormen en
culturen. Verzoeker is van mening dat het belangrijk is om open te staan
voor andere, niet-Westerse- en Westerse sub-culturen. Hij is van mening
dat alles wat anders is niet persé negatief hoeft te zijn. Het dragen van
deze kleding en sieraden is nimmer van invloed geweest op de veiligheid
van zijn werk of op zijn inhoudelijk functioneren.

3.8. Verzoeker heeft van eind april 1994 tot eind augustus 1994 de werkzaamheden
behorende tot de functie van leidinggevend monteur uitgevoerd. Daarbij
werd hij vanaf eind mei 1994 door een collega ondersteund. Ook daarnaast
heeft hij in het verleden regelmatig leidinggevende taken op zich genomen,
hetzij in opdracht, hetzij uit eigen beweging. Verzoeker was toen net zo
gekleed als nu. De wederpartij maakte toen kennelijk geen bezwaar tegen
zijn uiterlijk. Verzoeker heeft tijdens het uitvoeren van die werkzaamheden
nimmer commentaar gehad op zijn uiterlijk noch van de zijde van de wederpartij,
noch van de zijde van derden. In tegendeel, er is zelfs positief op zijn
uiterlijk en levensvisie gereageerd.

Het feit dat de wederpartij door zakenrelaties wordt aangesproken op het
uiterlijk van verzoeker met opmerkingen als: `wat heb jij voor een vreemde
vogel in dienst’, betekent nog niet dat zakenrelaties negatief over het
uiterlijk van verzoeker denken. Dit betekent slechts dat zij het uiterlijk
van verzoeker opmerkelijk vinden. `Vreemde vogel’ zegt niets over de capaciteiten
van verzoeker of over de wijze waarop verzoeker met relaties omgaat. Evenmin
kan hieruit worden afgeleid dat zakenrelaties geen contacten met verzoeker
zouden willen onderhouden. Niet gebleken is dat deze contacten de wederpartij
ooit hebben geschaad.

3.9. De directeur van de wederpartij heeft tegen verzoeker gezegd dat hij
niet hogerop zou komen als hij zijn uiterlijk zou handhaven. Deze uitlating
had zowel betrekking op een eventuele promotie tot leidinggevend monteur
als op promotie naar functiegroep zeven in de functie van eerste monteur.

De wederpartij heeft verzoeker nooit gevraagd waarom hij zich op deze wijze
presenteert. Verzoeker begrijpt dan ook niet hoe de wederpartij thans kan
stellen dat zijn uiterlijk niet met een levensvisie samenhangt.

3.10. Verzoeker is van mening dat de wederpartij, door hem vanwege zijn
uiterlijk niet voor de functie van leidinggevend monteur in aanmerking
te laten komen, onderscheid heeft gemaakt op grond van levensovertuiging
dan wel politieke gezindheid en aldus in strijd heeft gehandeld met de
AWGB.

3.11. Het standpunt van de wederpartij

Verzoeker verzorgde als eerste monteur geen formele contacten met zakenrelaties.
De stelling van verzoeker, dat hij van eind april 1994 tot eind 1994 als
waarnemend leidinggevende zou hebben gefungeerd, is niet juist.

In de periode dat er geen leidinggevend monteur was, hebben de collega’s
op het werk over en weer hand- en spandiensten verricht om deze werkzaamheden
op te vangen. In dat kader heeft ook verzoeker bepaalde taken waargenomen.

Op grond van zijn technische kwaliteiten zou verzoeker voor de functie
van leidinggevend monteur in aanmerking komen. Op grond van zijn uiterlijk
komt verzoeker echter niet voor die functie in aanmerking. De wederpartij
heeft dit met verzoeker besproken en hem meegedeeld hem niet voldoende
representatief voor de functie van leidinggevend monteur te achten. De
wederpartij heeft hem verzocht zijn uiterlijk aan te passen, maar daar
bleek verzoeker niet toe bereid.

3.12. De wederpartij verwacht van een leidinggevend monteur dat hij zich
netjes kleedt. Een leidinggevend monteur hoeft geen kostuum te dragen,
maar wel een spijkerbroek zonder scheuren en een sweater, een T-shirt met
mouwen of iets dergelijks en een `gewone’ haardracht.

De wijze waarop verzoeker zich kleedt en zijn haar draagt acht de wederpartij
niet passend bij de uitoefening van de functie van leidinggevend monteur.
Hoewel de wederpartij het uiterlijk van verzoeker niet toejuicht, accepteert
zij dit voor de functie van eerste monteur, omdat er in die functie geen
contacten bestaan met opdrachtgevers. Om de functie van leidinggevend monteur
te vervullen, dient verzoeker rekening te houden met de algemene normen
en waarden die in het bedrijfsleven gelden ten aanzien van representativiteit
voor dergelijke functionarissen en zich volgens de in het bedrijfsleven
geldende code te gedragen. De wederpartij heeft een commercieel belang
bij het volgen van deze code en voelt er niets voor om met verzoekers kruistocht
tegen deze code vereenzelvigd te worden.

3.13. Verzoeker wordt – mede vanwege zijn opvallende uiterlijk – vrijwel
alleen op het project in het ziekenhuis ingezet. De wederpartij wordt regelmatig
door relaties aangesproken met uitlatingen als `wat heb jij voor een vreemde
vogel in dienst’. Binnen het ziekenhuis is men inmiddels gewend aan de
verschijningsvorm van verzoeker. De wederpartij wenst zich echter niet
door verzoeker te laten vertegenwoordigen zoals hij er nu uitziet.

3.14. Het is niet juist dat verzoekers uiterlijk ook aan een promotie naar
functiegroep zeven in de weg zou staan. Doorgroei naar functiegroep zeven
is mogelijk voor monteurs die zich puur richten op de techniek. Deze functie
kent geen leidinggevende aspecten of externe contacten. Gelet op de kwaliteiten
van verzoeker ligt deze doorgroei in de lijn der verwachting.

3.15. De wederpartij vraagt zich af wat verzoeker bedoelt met een levensovertuiging
en politieke gezindheid, die anti-materialistisch en autonoom is en ziet
niet welk verband er tussen deze levensvisie en gezindheid en verzoekers
uiterlijk bestaat. Verzoeker heeft aangegeven op grond waarvan hij zijn
armband en Indiaanse Choker draagt. De diepere bedoeling achter het dragen
hiervan blijkt gebaseerd te zijn op verzoekers subjectieve beleving met
betrekking tot de uiting van zijn levensvisie en politieke overtuiging.
Niet gebleken is dat deze sieraden in het algemeen een uitdrukking zijn
van de autonome levensvisie. Er zijn ook andere groepen personen, die een
soortgelijk uiterlijk hebben als verzoeker, zonder dat daar een levensovertuiging
aan ten grondslag ligt, zoals bijvoorbeeld de punkers.

Van onderscheid op grond van levensovertuiging of politieke gezindheid
in de zin van de AWGB is naar het oordeel van de wederpartij geen sprake.
Bovengenoemde gang van zaken staat los van verzoekers levensovertuiging
of politieke gezindheid. Subsidiair voert de wederpartij aan dat een eventueel
indirect onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
op grond van levensovertuiging of ook politieke gezindheid als bedoeld
in de AWGB heeft gemaakt door verzoeker geen hogere beloning te geven en
niet te bevorderen naar de functie van leidinggevend monteur wegens zijn
kleding en haardracht.

4.2. Artikel 5, eerste lid, onderdeel d, AWGB verbiedt werkgevers onder
meer het maken van onderscheid op grond van levensovertuiging en politieke
gezindheid bij de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel f, AWGB verbiedt werkgevers onder meer
het maken van onderscheid op grond van levensovertuiging of politieke gezindheid
bij bevordering.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. Onder indirect onderscheid op grond van levensovertuiging
of politieke gezindheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden of gedragingen dan levensovertuiging of politieke gezindheid,
dat direct onderscheid op een van beide gronden tot gevolg heeft.

In artikel 2, tweede lid, AWGB wordt bepaald dat het in de wet neergelegde
verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid
dat objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Ten aanzien van de hogere beloning overweegt de Commissie het volgende.

De Commissie stelt vast dat door de wederpartij in deze procedure schriftelijk
en ter zitting is medegedeeld, dat het uiterlijk van verzoeker geen beletsel
is om in aanmerking te kunnen komen voor doorstroming naar een hogere loonschaal.
De wederpartij heeft daaraan toegevoegd dat deze doorstroming gezien verzoekers
kwaliteiten in het verschiet ligt. Op grond van deze niet weersproken stellingname
is de Commissie van oordeel dat de wederpartij geen onderscheid bij de
arbeidsvoorwaarden jegens verzoeker heeft gemaakt of maakt.

Ten aanzien van de bevordering onderzoekt de Commissie eerst of er sprake
is van onderscheid op grond van levensovertuiging en daarna of er sprake
is van onderscheid op grond van politieke gezindheid.

4.4. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
op grond van levensovertuiging heeft gemaakt, overweegt de Commissie als
volgt.

Uit artikel 6 van de Grondwet betreffende de vrijheid van godsdienst en
levensovertuiging blijkt dat deze beide begrippen nevengeschikt zijn. De
wetgever heeft hiermee mede beoogd een richtsnoer voor de interpretatie
van het begrip levensovertuiging te geven (Bijlagen Handelingen II, 1975-1976,
13 872, nr. 3, p. 28-29). Bij godsdienst is sprake van een overtuiging
omtrent het leven waarbij een opperwezen centraal staat, terwijl bij een
levensovertuiging dit opperwezen ontbreekt, maar er eveneens een dergelijke
exententiële gemeenschappelijke overtuiging bestaat (Zie ook: B.J.Th. Buiting,
commentaar op artikel 137d Sr, p. 442 en op artikel 146 Sr, p. 476 in:
Strafrecht, Tekst & Commentaar onder redactie van C.P.M. Cleiren en J.F.
Nijboer, Deventer, Kluwer, 1994.).

De Commissie overweegt dat het bij het begrip levensbeschouwing in de zin
van de AWGB dient te gaan om een samenhangende beschouwing over het leven,
zoals bijvoorbeeld het geval is bij het humanisme (Bijlagen Handelingen
II, 1983-1984, 16 635, nr. 4.) of de antroposofie (Afdeling Rechtspraak
van de Raad van State 7 april 1983, AB 1983, 430.). Een samenhangende beschouwing
over het leven is niet hetzelfde als het huldigen van maatschappelijke
opvattingen (Zie ook P.W.C. Akkermans en A.K. Koekoek, De Grondwet, Een
artikelsgewijs commentaar, Tjeenk Willink, Zwolle, 1992, p. 110.).
De Commissie overweegt dat van een levensovertuiging gesproken kan worden
als deze overtuiging een min of meer coherent stelsel van ideeën vormt
waarbij het gaat om fundamentele opvattingen over het menselijk bestaan.

De Commissie acht het noodzakelijk dat deze opvatting niet individueel
beleefd wordt, maar dat er sprake is van een gemeenschappelijke opvatting.

Op grond van hetgeen door verzoeker omtrent zijn anti-materialistische
en autonome levensovertuiging naar voren is gebracht, komt de Commissie
tot het oordeel dat niet gesproken kan worden van een min of meer coherent
stelsel van ideeën over het menselijk bestaan, maar eerder van een persoonlijke
levenswijze die samenhangt met verzoekers opvattingen over de maatschappij.
Op grond hiervan concludeert de Commissie dat deze opvattingen van verzoeker
niet kunnen worden aangemerkt als een levensovertuiging in de zin van de
AWGB.

4.5. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
op grond van politieke gezindheid heeft gemaakt, overweegt de Commissie
als volgt.

Onder een politieke gezindheid moet worden verstaan een politieke overtuiging.
Deze overtuiging kan, zoals ook blijkt uit de parlementaire behandeling
van de AWGB en de Grondwet, worden afgeleid uit uitingen, lidmaatschappen
en andere gegevens (Tweede Kamer 1991-1992, 22 014, nr. 5, p. 71 en Tweede
Kamer 1976-1997, 13 872. nr. 7, p. 19). Het begrip politieke overtuiging
duidt op een gemeenschappelijke opvatting omtrent de bestuurlijke en sociale
inrichting van de samenleving. Deze opvatting dient te kunnen worden afgeleid
uit een bepaald handelen of nalaten van een persoon.

De Commissie stelt vast dat verzoeker in dit verband heeft opgemerkt dat
zijn overtuiging anti-materialistisch en autonoom is. Deze overtuiging
is ook terug te vinden bij bewegingen die onder de benaming autonomen naar
buiten treden. Voorts heeft verzoeker opgemerkt zich vanuit zijn woongemeenschap
in het door hem bewoonde kraakpand actief in te zetten voor de woonruimteverdeling
in zijn woonplaats. Hoewel verzoeker geen lid is van een bepaalde politieke
partij – hetgeen ook in de autonomenbeweging gebruikelijk is – is er op
grond van het voorgaande naar het oordeel van de Commissie in verzoekers
geval sprake van een gemeenschappelijk gedeelde overtuiging omtrent bestuurlijke
en maatschappelijke inrichting van de samenleving. Op grond hiervan is
de Commissie van oordeel dat verzoekers overtuiging aangemerkt kan worden
als een politieke overtuiging en dus als politieke gezindheid in de zin
van de AWGB.

De Commissie stelt vast dat het onderhavige onderscheid betrekking heeft
op de kleding en haardracht van verzoeker.

Uitingen als deze kunnen beschermd worden door het verbod op onderscheid
naar politieke gezindheid als deze uitingen algemeen beschouwd kunnen worden
als een uitdrukking van de politieke overtuiging van verzoeker. Onvoldoende
is echter gebleken dat de relatie tussen het uiterlijk van verzoeker en
zijn politieke gezindheid zodanig is dat gesproken kan worden van een uitdrukking
van zijn politieke gezindheid. Aangezien verzoekers kleding en haardracht
de grond zijn voor het onderscheid moet worden geconcludeerd dat er geen
sprake is van een door de AWGB verboden onderscheid.

De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij door het stellen van
eisen met betrekking tot het uiterlijk van verzoeker geen onderscheid jegens
hem heeft gemaakt op grond van zijn politieke gezindheid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Benningbroek jegens
de heer (…) te Alkmaar geen onderscheid op grond van levensovertuiging
of politieke gezindheid heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5, eerste
lid, onderdeel d en f, van de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve
niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 februari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is CAO-partij namens werknemerszijde bij de CAO voor de Handelsvaart
tot 9000 Gross Tonnage. In deze CAO worden werknemers woonachtig in de
Filippijnen en Indonesië van voor alle andere werknemers geldende loon-
en arbeidsvoorwaarden uitgezonderd. Deze bepaling is opgenomen om zeelieden
woonachtig in deze landen tegen de in hun woonland gebruikelijke lonen
te werk te kunnen stellen op schepen die onder Nederlandse vlag varen.
Verzoeker wil weten of dit beleid strookt met de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie stelt vast dat de betreffende CAO-bepaling is opgenomen in
een in Nederland algemeen verbindend verklaarde CAO waarop Nederlands recht
toepasselijk is en acht zich daarom bevoegd het voorgelegde beleid van
verzoeker te beoordelen. De Commissie stelt ook vast dat verzoeker ontvankelijk
is omdat niet noodzakelijk is dat CAO-partijen gezamenlijk een verzoek
om een oordeel over het eigen handelen indienen.
Het onderscheid wordt gemaakt krachtens CAO en niet bij of krachtens de
Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag. De wettelijke uitzondering waarbij
onderscheid dat bij of krachtens een oudere wet dan de AWGB onverlet wordt
gelaten, is daarom niet van toepassing.
De Commissie stelt vast dat geen sprake is van direct onderscheid naar
nationaliteit. De personen die woonachtig zijn in één van de genoemde landen
behoeven immers niet noodzakelijkerwijs de nationaliteit van één van deze
landen te bezitten. Wel is sprake van indirect onderscheid naar nationaliteit
omdat het betreffende CAO-artikel tot gevolg heeft dat in overwegende mate
personen met de nationaliteit van deze landen nadelig worden getroffen.
De Commissie oordeelt op grond van een meerderheids-opvatting in de doctrine
dat in dit geval sprake is van ongeschreven regels van internationaal recht
en dat op grond van de wettelijke uitzondering met betrekking tot dergelijke
regels geen verboden indirect onderscheid op grond van nationaliteit wordt
gemaakt. Voor zover op grond van de minderheidsopvatting tot de conclusie
kan worden gekomen dat er geen sprake is van ongeschreven regels van internationaal
recht, toetst de Commissie ook of het gemaakte indirect onderscheid op
grond van nationaliteit objectief gerechtvaardigd is. De Commissie concludeert
dat dat inderdaad het geval is, onder meer op grond van het feit dat het
aanstellen van scheepsgezellen uit lage lonen landen onderdeel uitmaakt
van een samenhangend pakket van overheidsmaatregelen ter bescherming en
behoud van de maritieme sector.

Volledige tekst


Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
het volgende

4.5. De Commissie stelt vast dat artikel 3 CAO onderscheid in beloning
mogelijk maakt tussen scheepslieden die niet en scheepslieden die wel op
de Filippijnen of Indonesië woonachtig zijn. Voor deze laatste groep is
kortweg gezegd honorering naar nationale maatstaven toegestaan. De Commissie
is van oordeel dat dit onderscheid geen direct onderscheid naar nationaliteit
oplevert. De personen, die woonachtig zijn in één van de twee voornoemde
landen behoeven immers niet noodzakelijkerwijs de nationaliteit van één
van deze landen te bezitten.

4.6. Vervolgens is de vraag aan de orde of door het bepaalde in artikel
3 van de betreffende CAO indirect onderscheid wordt gemaakt tussen scheepsgezellen
woonachtig in de Filippijnen of Indonesië en overige onder de CAO vallen
scheepsgezellen.

De Commissie stelt vast dat verzoeker en de belanghebbenden hebben erkend,
dan wel onvoldoende weersproken, dat de woonplaats van betrokkenen doorgaans
ligt in het land van hun nationale herkomst. Hierdoor valt het onderscheid
naar woonland als regel samen met het onderscheid naar nationaliteit. De
Commissie concludeert dat het onderscheid naar woonland van artikel 3 CAO
tot gevolg heeft dat in overwegende mate personen met de Filippijnse of
Indonesische nationaliteit nadelig worden getroffen. Derhalve levert de
bestreden bepaling indirect onderscheid op naar nationaliteit.

4.7. Belanghebbenden I en II hebben vervolgens opgeworpen dat het indirecte
onderscheid geen strijd met de AWGB oplevert op grond van successievelijk
de volgende bepalingen:

a. artikel 4 onder c AWGB;
b. artikel 2 lid 5 onder a AWGB;
c. artikel 2 lid 1 AWGB.

De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

4.8. Ten aanzien van artikel 4 onder c

Allereerst is gesteld dat het indirecte onderscheid niet onder de AWGB
valt op grond van artikel 4 onder c AWGB. Daartoe wordt aangevoerd dat
het onderscheid onverlet dient te worden gelaten op grond van artikel 341a
Wetboek van Koophandel (WvK), artikel 4 Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag
(WMM) en artikel 5 Wet van 2 december 1982, houdende bepalingen ter uitvoering
van het Europese Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers.

De Commissie overweegt hieromtrent dat artikel 341a WvK geen betrekking
heeft op onderscheid door middel van verschil in honorering dat afhankelijk
is gesteld van de woonplaats van de werknemer en zodoende niet ter zake
doende is.

Voor wat betreft het beroep op artikel 4 WMM is de Commissie van oordeel
dat het onderhavige onderscheid niet bij of krachtens de WMM wordt gemaakt,
zoals artikel 4 onder c AWGB vereist.
De ratio van de WMM is dat de werknemer een minimumloon en minimumvakantiebijslag
wordt verzekerd, die gezien de algemene welvaartssituatie als een sociaal
aanvaardbare tegenprestatie voor de in dienstbetrekking verrichte arbeid
kunnen worden beschouwd. De reikwijdte van de WMM is daarbij beperkt tot
de Nederlandse rechtssfeer.

De aanspraken van werknemers uit hoofde van de WMM gelden indien deze werknemers
binnen de Nederlandse rechtssfeer vallen. De WMM geeft evenwel geen dwingende
voorschriften ten aanzien van de vraag of werknemers, die buiten de Nederlandse
rechtssfeer vallen, ook minder gehonoreerd mogen worden.
Op grond hiervan concludeert de Commissie dat het onderhavige onderscheid
gebaseerd is op artikel 3 van de CAO en niet bij of krachtens de WMM.
Het beroep op artikel 5 Wet van 2 december 1982, houdende bepalingen ter
uitvoering van het Europese Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende
werknemers, alsmede met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van buitenlandse
werknemers, faalt, omdat artikel 1 lid 2 onder c van genoemd Europees Verdrag
bepaalt dat het niet van toepassing is op zeelieden (Tractatenblad 1978,
nr. 70).

4.9. Ten aanzien van artikel 2 lid 5 onder a AWGB

Allereerst beoordeelt de Commissie het beroep op de algemeen verbindende
voorschriften zoals bedoeld in artikel 2 lid 5 onder a AWGB. De wederpartij
heeft gesteld dat op basis van artikel 4 lid 2 WMM het indirecte onderscheid
naar nationaliteit valt onder de uitzondering van artikel 2 lid 5 onder
a (eerste gedeelte) AWGB. Het onderscheid zou gebaseerd zijn op een algemeen
verbindend voorschrift, te weten de WMM. De Commissie is op dezelfde gronden
als hiervoor ten aanzien van het beroep op artikel 4 onder c AWGB van oordeel
dat het onderhavige onderscheid niet is gebaseerd op een uit de WMM afkomstig
algemeen verbindend voorschrift, noch op enig ander algemeen verbindend
voorschrift.

4.10. Voor wat betreft de vraag of het onderhavige onderscheid gebaseerd
is op ongeschreven regels van internationaal recht in verband met het bepaalde
in artikel 2 lid 5 onder a (tweede gedeelte) AWGB overweegt de Commissie
het volgende.

De doctrine is vrijwel eensgezind in de opvatting dat voor de ontstaansvoorwaarden
van internationaal gewoonterecht aan twee voorwaarden moet worden voldaan
(K. Ipsen, Völkenrecht, 1990, p. 191.). Ten eerste moet er sprake zijn
van een statenpraktijk en ten tweede moet voldaan zijn aan de omzetting
van een gewoonte tot een gewoonterechtsregel: de zogenoemde `opinio juris’.

Ten aanzien van de statenpraktijk stelt de doctrine de eis dat het hierbij
om actief handelen van de staat moet gaan (I. Brownlie, Principles of International
Law, 1990, p. 5.). Dit handelen kan ook een nalaten betreffen. De gewoonte
moet worden gevormd door herhaling van handelen. Deze praktijk moet gelijksoortig,
voldoende duidelijk en consistent zijn. Ook handelingen van particulieren
kunnen bijdragen aan de vorming van de gewoonteregel, evenwel alleen voorzover
die handelingen worden gestimuleerd of op zijn minst getolereerd door de
Staat (R. Bernhardt, Customary International
aw in Encyclopedia of Public International Law Volume 2, 1995 p. 900.).

De Commissie stelt vast dat de Nederlandse Staat het varen met scheepsgezellen
afkomstig uit lage lonen landen in haar zeescheepvaartbeleid heeft geïncorporeerd
en het handelen van CAO-partijen op dit punt tolereert. Voorts heeft deze
gewoonte zich in de tijd herhaald en is de praktijk op dit punt van de
verschillende ons omringende staten gelijksoortig, voldoende duidelijk
en consistent. De Commissie merkt hierbij op dat uniformiteit of absolute
consistentie op dit punt geen vereiste zijn. De Commissie stelt op bovenstaande
gronden vast dat ten aanzien van de gewoonte om met scheepsgezellen afkomstig
uit goedkope lonen landen te varen van een statenpraktijk gesproken kan
worden.

Ten aanzien van de `opinio juris’ is in de doctrine minder overeenstemming.
De meerderheidsopvatting is dat de overtuiging moet zijn gevormd dat aldus
gehandeld behoort te worden (P.H, Kooijmans, Internationaal publiekrecht
in vogelvlucht, 1996, p. 20-21.).

Een minderheidsopvatting is dat er sprake moet zijn van een wil, die moet
zijn gevormd om tot omzetting van de gewoonteregel in een gewoonterechtsregel
te komen en dat die wil kenbaar moet zijn gemaakt (H. Meijers, Mededelingen
NIVR, No. 91, 1985, p. 62.).

De Commissie volgt de meerderheidsopvatting in de doctrine en overweegt
dat ten aanzien van een gewoonte, die een bepaald handelen toestaat, een
zogenoemde `permissive rule’, het bewijs van een statenpraktijk en de afwezigheid
van protest van andere staten, voldoende is om tot een gewoonterechtsregel
te concluderen. Ten aanzien van de praktijk, dat zeelieden afkomstig uit
lage lonen landen tegen een lagere gage op schepen werken, is niet gebleken
dat andere landen of de landen van herkomst van deze zeelieden, hiertegen
geprotesteerd hebben.

De Commissie is op grond van bovenstaande van oordeel dat deze gewoonte
als een ongeschreven regel van internationaal recht kan worden beschouwd.
Dit betekent dat in artikel 3 CAO geen verboden indirect onderscheid naar
nationaliteit wordt gemaakt.

4.11. Wellicht ten overvloede overweegt de Commissie dat op grond van de
minderheidsopvatting getwijfeld zou kunnen worden of de Nederlandse Staat
terzake in voldoende mate haar wil heeft geuit en kenbaar gemaakt dat zij
tot een omzetting van de gewoonte in een rechtsregel wil komen.
In dat geval zou niet noodzakelijkerwijs sprake zijn van een ongeschreven
regel van internationaal recht. Daarom zal de Commissie nagaan of het gemaakte
indirect onderscheid op grond van nationaliteit objectief gerechtvaardigd
is.

4.12. Ten aanzien van artikel 2 lid 1 AWGB

Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
De Commissie toetst bij de vraag of er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond
aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014,
nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus
versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak 170/84):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
een werkelijke behoefte van de organisatie;
– en moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.

Het nagestreefde doel bestaat uit het handhaven van de continuïteit en
rentabiliteit van de Nederlandse zeescheepvaart-ondernemingen alsmede het
in stand houden van de internationale concurrentiepositie van de Nederlandse
zeescheepvaart. De Commissie is van oordeel dat aan dit doel iedere discriminatie
vreemd is.

Het gekozen middel ter bereiking van het doel betreft het monsteren van
gezellen, die woonachtig zijn in de Filippijnen of Indonesië, tegen lokale
lonen en in niet-gekwalificeerde functies.

4.13. Ten aanzien van de vraag of het middel aan een werkelijke behoefte
van de organisatie beantwoordt en geschikt en noodzakelijk is om het gewenste
doel te bereiken overweegt de Commissie het volgende.

In de parlementaire toelichting op artikel 2 lid 1 AWGB wordt opgemerkt
dat de vraag of er sprake is van een objectieve rechtvaardiging beoordeeld
moet worden naar algemene maatstaven en op grond van algemene gezichtspunten
(Tweede Kamer 1991-1992, 22 014, nr. 5, p. 72).
In dit verband acht de Commissie het volgende van belang.

Het staat vast dat de betrokken scheepsgezellen hun vaste woon- of verblijfplaats
buiten Nederland hebben. De gezellen zijn woonachtig in landen waar de
levensstandaard aanmerkelijk lager ligt dan in Nederland. Zij zijn praktisch
niet onderworpen aan de Nederlandse rechtssfeer. Voorts staat vast dat
de arbeidsvoorwaarden waaronder de scheepsgezellen werken, voldoen aan
de minimumvereisten, die ter zake door de ILO worden gesteld. Het loon
van betrokkenen is aanzienlijk hoger dan de lonen voor vergelijkbare functies
in hun woonland, terwijl de betaling van lonen naar Nederlandse maatstaven
door de lokale autoriteiten onwenselijk wordt geacht vanwege de onaanvaardbare
maatschappelijke consequenties.

Daarnaast staat vast dat deze praktijk van beloning historisch is gegroeid
en ook thans nog door alle betrokken partijen wordt gesanctioneerd in het
kader van het behoud van de Nederlandse scheepvaartondernemingen. Daarbij
is van belang dat het aanstellen van scheepsgezellen uit lage lonen landen
onderdeel uitmaakt van een samenhangend pakket van overheidsmaatregelen
ter bescherming en behoud van de maritieme sector. De thans voorliggende
maatregel is niet alleen in Nederland, maar ook internationaal gebruikelijk
om de concurrentie het hoofd te kunnen bieden.

Het geheel overziend acht de Commissie het onder de huidige omstandigheden
aannemelijk dat het middel aan een werkelijke behoefte van de organisatie
beantwoordt en dat het middel in combinatie met de andere overheidsmaatregelen
in deze zaak geschikt en noodzakelijk is om het gewenste doel te bereiken.

Indien derhalve toetsing van de vraag of in artikel 3 van de betreffende
CAO verboden indirect onderscheid wordt gemaakt aan de orde zou zijn, is
de Commissie op bovenstaande gronden van oordeel dat dit objectief gerechtvaardigd
zou zijn en dat de bestreden bepaling mitsdien niet in strijd zou zijn
met de AWGB.

4.14. Ten aanzien van het standpunt van verzoeker dat er geen sprake is
van een objectieve rechtvaardiging, omdat financieel-economische overwegingen
op zich niet voldoende zijn voor een objectieve rechtvaardiging
overweegt de Commissie het volgende.
Ingevolge de jurisprudentie van de Commissie en de Hoge Raad zijn financieel-economische
overwegingen op zich zelf niet voldoende voor een objectieve rechtvaardigingsgrond
(Zie Commissie gelijke behandeling 12 januari 1994, 94-04 Commissie gelijke
behandeling 19 mei 1994 94-35, HR 24 april 1992, NJ 1992, 689 en HR 30
september 1992, NJ 1994, 495.). De Commissie is van oordeel dat in het
onderhavige geval er weliswaar sprake is van argumenten van financieel-economische
aard, maar dat deze beoordeeld dienen te worden in samenhang met het algemeen
belang bij behoud van de maritieme sector en de verstrekkende gevolgen
voor de nationale economie. Uit de hiervoor onder 4.13 genoemde feiten
en omstandigheden blijkt dat niet uitsluitend financieel-economische omstandigheden
aan het onderscheid ten grondslag liggen.

4.15. Aanbeveling aan belanghebbende II

De Commissie is van oordeel dat de uitzonderingen in de AWGB op het verbod
van onderscheid restrictief dienen te worden uitgelegd, teneinde te voorkomen
dat het voorschrift van gelijke behandeling te zeer wordt uitgehold (Zie
onder andere Commissie Gelijke Behandeling 30 september 1996, oordeel 96-77).

Bij de toetsing van de vraag of één van de uitzonderingen op het verbod
van onderscheid naar nationaliteit toepasselijk is, blijkt dat in de onderhavige
zaak sprake is van een complex vraagstuk. Dit betreft zowel het vraagstuk
van ongeschreven regels van internationaal recht als de kwestie van de
objectieve rechtvaardiging van indirect onderscheid. Dit brengt mee dat
de uitkomst van de toetsing bij verandering van relevante omstandigheden
eveneens kan wijzigen.

Ter bevordering van de rechtszekerheid beveelt de Commissie belanghebbende
II aan om voor wat betreft de zeescheepvaart een wettelijke voorziening
te treffen, waarin het onderhavige onderscheid wordt toegestaan.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de Federatie
Werknemers in de Zeevaart te Rotterdam vanwege de toepasselijkheid van
de uitzondering op het verbod van onderscheid naar nationaliteit van artikel
2 lid 5 onder a Algemene wet gelijke behandeling niet in strijd heeft gehandeld
met deze wet.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes (secretarisKamer)

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 4 februari 1997

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


De vrouw is door de man meerdere malen seksueel misbruikt, toen zij nog
minderjarig was. De man is een voorwaardelijke straf opgelegd door de
politierechter. De vrouw wil een schadevergoeding. De rechtbank oordeelt dat
gezien de ingrijpende gevolgen voor de vrouw, de man haar een voorschot op de
schadevergoeding van ƒ 15 000 moet betalen. De man gaat hiervan in beroep.
Dit wordt verworpen, omdat het toegekende voorschot niet te hoog voorkomt
gelet op de aan te nemen omvang van de materiële en immateriële schade.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg

Het Hof verwijst daarvoor naar het vonnis waarvan beroep, waarvan een kopie
aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft appellant tegen het vonnis waarvan beroep 5
grieven aangevoerd en onder overlegging van een produktie geconcludeerd tot
vernietiging van het vonnis waarvan beroep, afwijzing alsnog van G’s
vorderingen en haar veroordeling in de kosten van beide instanties.
G heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd tot
bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor arrest.

3. De gronden van het hoger beroep:

De grieven luiden:

Grief 1

Ten onrechte heeft de president van de rechtbank bepaald dat geïntimeerde
voldoende spoedeisend belang heeft bij het door haar gevorderde voorschot.

Grief 2

Ten onrechte heeft de president van de rechtbank bepaald dat gedaagde niet
gesteld laat staan aannemelijk heeft gemaakt dat de klachten gesteld door
eiseres een andere oorzaak hebben dan de door hem jegens haar gepleegde
onrechtmatige daad.

Grief 3

Ten onrechte heeft de president van de rechtbank overwogen en bepaald dat het
gevorderde voorschot op schadevergoeding niet onredelijk hoog voor komt.

Grief 4

Ten onrechte heeft de president van de rechtbank bepaald dat het
restitutie-risico, bij afweging van de betrokken belangen en gelet op de
hoogte van het bedrag, aanvaardbaar is.

Grief 5

Ten onrechte heeft de president de vordering van geïntimeerde toegewezen en
appellant veroordeeld in de proceskosten.

4. De beoordeling

4.1. In de toelichting op de eerste grief spreekt appellant steeds over
straf. In de aangevochten overweging wordt niet gesproken over straf maar
over erkenning. Schadevergoeding is steeds mede een vorm van erkenning. Ter
heling van het door G ondergaan psychisch leed is een -zij het ook gedwongen-
erkenning ook van de kant van appellant van groot belang. Het
leedveroorzakend handelen van appellant heeft zolang geleden plaatsgevonden
dat, nu de gevolgen daarvan nog steeds niet zijn verwerkt, vergoeding van de
schade niet anders dan spoedeisend kan zijn. De grief is ongegrond.

4.2. Het causaal verband tussen G’s klachten en haar bejegening in het
verleden door appellant kan voorshands worden aangenomen. Het hof acht
geslagen op het zich bij de stukken bevindend proces-verbaal van politie en
op de aanmerkelijke hoogte van de aan appellant opgelegde gevangenisstraf en
concludeert daaruit voorshands, dat die bejegening zeer onbehoorlijk is
geweest en zeer beschadigend moet zijn geweest. Dat laatste vindt bevestiging
in het attest van mevrouw Nottet. Enige andere mogelijke oorzaak van G’s
lijden wordt niet genoemd. Uit de brief van appellants moeder komt slechts
een gewoon en gezond kind naar voren.
Daarom faalt grief 2 en ook grief 3, omdat in vergelijking tot de aan te
nemen omvang van de materiële en immateriële schade het toegekende voorschot
niet te hoog voorkomt.

4.3. Grief 4 faalt omdat er onvoldoende reden is om rekening te houden met
enige toekomstige noodzaak of verplichting van G tot restitutie.

4.4. Uit al het vorenstaande volgt dat appellant terecht werd veroordeeld
zodat ook grief 5 geen doel treft. Het vonnis waarvan beroep dient te worden
bekrachtigd met veroordeling van appellant als de in het ongelijk te stellen
partij in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt appellant in de kosten
van het hoger beroep, aan de zijde van geïntimeerde begroot op ƒ 420 ter zake
van verschotten en op ƒ 1500 wegens salaris procureur, een en ander op de
voet van artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te
betalen aan de griffier van dit hof.

Rechters

Mrs Jurgens, De Wilde, Rothuizen-Van Dijk

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 februari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is belijdend moslim. Zij draagt op grond van haar geloofsovertuiging
een hoofddoek. Uit vrees voor een vooringenomen houding bij een medewerker
met wie verzoekster zou werken, heeft de wederpartij verzoekster bij het
sollicitatiegesprek verzocht tijdens haar werkzaamheden geen hoofddoek
te dragen. Na een week heeft verzoekster haar werkzaamheden beëindigd omdat
zij het niet in overeenstemming kon brengen met haar geloof om zonder hoofddoek
te werken.
De Commissie constateert dat het dragen van de hoofddoek voor de medewerker
bedreigend of problematisch zou zijn. De wederpartij heeft deze vooringenomen
houding overgenomen in plaats van bestreden. Omdat de hoofddoek, die een
uiting is van verzoeksters geloofsovertuiging, als zodanig de grond was
voor het stellen van de arbeidsvoorwaarde, is rechtstreeks verwezen naar
de discriminatiegrond godsdienst en is derhalve sprake van direct onderscheid.
Strijd met de AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 25 juli 1996 verzocht mevrouw (…) te Weesp (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of het College van Burgemeester en Wethouders
van de gemeente Weesp (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft de Turkse nationaliteit. Zij is belijdend moslim
en draagt om die reden een hoofddoek. Verzoekster heeft bij de wederpartij
gewerkt als assistent interne dienst. Zij stelt dat het niet dragen van
de hoofddoek als voorwaarde voor indiensttreding gold. Na een week heeft
verzoekster wegens psychische problemen op eigen initiatief de werkzaamheden
beëindigd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door het stellen
van die voorwaarde in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 10 december 1996. Voor deze
zitting is ook mevrouw (…), personeelsconsulent van de Stichting Banenpool/JWG
(…), als getuige opgeroepen.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. mr. M.M.A. van Hoof (advocaat)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (coördinator Interne Zaken)
– dhr. (…) (chef Interne Zaken)

als getuige
– mw. (…) (personeelsconsulent van de Stichting Banenpool/JWG)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster kreeg via de Jeugd Werk Garantiewet (JWG) een baan aangeboden
bij de wederpartij. Het betrof werkzaamheden als assistent interne dienst
voor 32 uur per week voor de duur van een half jaar. De Stichting Banenpool/JWG
(…) (verzoeksters formele werkgever) heeft hiertoe een inleenovereenkomst
gesloten met de wederpartij.
Verzoekster heeft de Turkse nationaliteit en is belijdend moslim.
Op grond van artikel 7 van de inleenovereenkomst heeft de wederpartij zeggenschap
over de uitvoering van de in het kader van de overeenkomst te verrichten
arbeid en in verband daarmee te geven opdrachten en aanwijzingen.

3.2. Voorafgaand aan de plaatsing van verzoekster heeft de wederpartij
een gesprek (hierna: het sollicitatiegesprek) gevoerd met verzoekster.
Hierbij waren naast verzoekster aanwezig de chef Interne Zaken (hierna:
de chef), de coördinator Interne Zaken (hierna: de coördinator) die als
begeleider van verzoekster was aangewezen en een personeelsconsulent van
de Stichting Banenpool/JWG (hierna: de personeelsconsulent). In het sollicitatiegesprek
dat verzoekster had met de wederpartij is het dragen van de hoofddoek aan
de orde gesteld. Verzoekster is op 26 oktober 1994 met haar werkzaamheden
begonnen zonder haar hoofddoek te dragen. Op 4 november 1994 heeft zij
op eigen initiatief haar werkzaamheden beëindigd.

De wederpartij stelt in haar schriftelijk verweer d.d. 10 september 1996
een eindgesprek te hebben voorgesteld `met een directe tegemoetkoming tot
het dragen van een hoofddoek’. Dit heeft verzoekster afgewezen.

3.3. In een rapport van de zijde van de dienst Sociale Zaken van de wederpartij
d.d. 10 oktober 1995 staat onder meer vermeld dat de werkgever met de wederpartij
was `overeengekomen dat betr. zonder hoofddoek op de postkamer zou komen
werken. De reden dat betr. niet met een hoofddoek mocht lopen was: betr.
had een aanspreekfunctie, het dragen van een hoofddoek was niet gepast.
(Vlgs. afd. IZ)’.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Zij is belijdend moslim en draagt vanwege haar godsdienstige overtuiging
een hoofddoek.

De wederpartij stelde tijdens het sollicitatiegesprek de voorwaarde dat
verzoekster geen hoofddoek mocht dragen. Als reden daartoe werd aangegeven
dat het een aanspreekfunctie betrof en dat het dragen van een hoofddoek
niet gepast was. Verzoekster heeft gezegd erover te willen nadenken.

In het telefonisch onderhoud de daarop volgende dag liet de wederpartij
aan verzoekster weten dat het dragen van de hoofddoek geen probleem zou
zijn als zij naar buiten zou gaan. De ter zitting geponeerde stelling van
de wederpartij, dat zij slechts in het begin de hoofddoek af moest doen,
is haar nooit duidelijk gemaakt. Zij had geen keuze: het was de baan of
niets.
Verzoekster heeft haar werkzaamheden bij de wederpartij een week kunnen
volhouden. Zij ondervond daarbij psychische problemen en kon het emotioneel
niet aan zonder een hoofddoek te werken. Daardoor kreeg zij ook hoofdpijn.
Zij heeft na een week op eigen initiatief haar werkzaamheden beëindigd.
Aan het einde van de week zou verzoekster met de coördinator een gesprek
hebben over de functie, het rooster van de werkzaamheden en de begeleiding.
Tegen de coördinator heeft zij gezegd dat zij het werk leuk vond, maar
dat het niet dragen van de hoofddoek een probleem was. Verzoekster heeft
tegen de chef niets gezegd over haar probleem met het niet dragen van de
hoofddoek. Zij wilde daarmee wachten tot zij aan het eind van de week de
coördinator zou spreken.

Verzoekster is van mening dat de door de wederpartij gestelde voorwaarde
dat de werkzaamheden slechts zouden kunnen worden verricht zonder het dragen
van een hoofddoek, in strijd is met de AWGB. Verzoeksters geloofsovertuiging
had gerespecteerd dienen te worden.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

In het sollicitatiegesprek heeft de chef verzoekster gevraagd of zij bezwaren
zou hebben om haar werkzaamheden zonder hoofddoek uit te voeren. Daarbij
is expliciet aangegeven dat, indien zij bezwaren zou hebben, dit geen gevolgen
zou hebben voor plaatsing. De achtergrond van deze vraag was dat de wederpartij
de voorwaarden waaronder de invoeging van verzoekster in het arbeidsproces
zou plaatsvinden, optimaal wilde laten zijn. De wederpartij wilde voorkomen
dat er een vooringenomen houding ten opzichte van verzoekster zou ontstaan
en was van mening dat de integratie in de groep sneller zou plaatsvinden
als verzoekster geen hoofddoek droeg. Verzoekster heeft geantwoord dat
het niet dragen van de hoofddoek geen probleem was.

De wederpartij heeft in het gesprek ook gesproken over kleding in verband
met de representatieve aspecten van de functie. Verzoekster is een JWG-plaats
voor zes maanden aangeboden.

Haar is geadviseerd thuis over het niet dragen van de hoofddoek na te denken
en de wederpartij daarover telefonisch te informeren. Telefonisch heeft
verzoekster nogmaals kenbaar gemaakt dat zij er geen problemen mee had,
maar dat zij de hoofddoek wel moest dragen indien zij naar buiten zou moeten.
Dit is afgesproken tussen partijen. Daarbij heeft de wederpartij er opnieuw
op gewezen dat het dragen van de hoofddoek niet verboden was.
Op verzoeksters eerste werkdag heeft de chef wederom meegedeeld, dat indien
het niet dragen van een hoofddoek ook maar enigszins problemen zou opleveren,
zij hem daarover direct moest informeren.

Ten aanzien van het bij 3.3 weergegeven rapport van de dienst Sociale Zaken
stelt de coördinator dat de schrijver van het rapport met hem telefonisch
contact heeft gehad. Het rapport heeft hij niet eerder gezien. De weergave
in het rapport klopt niet en komt voor rekening van de schrijver.

3.6. Verzoekster is vervolgens begonnen aan haar inwerkperiode. Zij heeft
enkele dagen met een collega in het stadhuis meegelopen.
Deze collega kon in verband met fysieke klachten bepaalde werkzaamheden
niet langer verrichten. De chef was van mening dat verzoekster het beste
kon beginnen door die werkzaamheden over te nemen. Het was daarom van belang
dat verzoekster met deze collega (hierna: de medewerker) op pad zou gaan.

De coördinator heeft aan het einde van de werkweek van verzoekster een
gesprek met haar gehad over de functie. Verzoekster heeft niet gesproken
over haar hoofddoek. Wel gaf zij te kennen last van hoofdpijn te hebben.
De coördinator heeft dit voor kennisgeving aangenomen.

Vervolgens is verzoekster naar de personeelsconsulent gegaan. Daarna is
zij niet meer op haar werk verschenen. De wederpartij heeft hierover contact
gehad met de personeelsconsulent. Deze deelde mee, dat verzoekster haar
te kennen had gegeven psychische problemen te hebben met het niet dragen
van de hoofddoek.

De chef stelt ter zitting dat de werkelijke reden voor de vraag aan verzoekster
om haar hoofddoek af te doen niet de representatieve aspecten van haar
functie betrof of de kledingvoorschriften. Deze vraag had wèl te maken
met de medewerker met wie verzoekster zou meelopen. Deze medewerker werkte
eerst in de bestrating. Daarvoor werd hij afgekeurd. De chef heeft toen
bovenformatief een baan voor deze medewerker gecreëerd. De chef vermoedde
een vooringenomen houding bij deze medewerker ten opzichte van verzoekster.
De medewerker zou haar, evenals elke andere nieuwe medewerker, beschouwen
als een bedreiging voor zijn baan.

Ook zou het feit dat verzoekster afkomstig is uit een andere cultuur een
probleem voor hem kunnen zijn. Dat had de chef al eens eerder over de medewerker
gehoord. Vandaar dat hij aan verzoekster heeft gevraagd om in het begin
zonder hoofddoek te komen. Indien zij zou zeggen dat dit geen probleem
voor haar was, hoefde de chef aan de medewerker geen extra uitleg te geven.
Als verzoekster na verloop van tijd wel een hoofddoek zou gaan dragen,
had de medewerker haar al leren kennen en zou de acceptatie van haar volgens
de chef gemakkelijker zijn. Indien verzoekster niet met de medewerker maar
met iemand anders had moeten samenwerken, had de chef haar niet gevraagd
de hoofddoek af te doen.

De wederpartij betreurt het dat zij de problemen die kennelijk toch zijn
opgetreden bij verzoekster doordat zij haar hoofddoek niet droeg, niet
heeft kunnen herstellen.

3.7. De getuige stelt het volgende.

Zij is personeelsconsulent van de werkgever van verzoekster en heeft laatstgenoemde
vanaf haar inschrijving begeleid.

In het sollicitatiegesprek bij de wederpartij heeft de chef gevraagd of
verzoekster er bezwaar tegen had om bij de werkzaamheden in het stadhuis
de hoofddoek af te doen. Omdat verzoekster toen nog niet zo goed Nederlands
sprak, heeft de getuige deze vraag aan verzoekster uitgelegd. Verzoekster
heeft ontkennend geantwoord. Zij had er heel duidelijk geen bezwaar tegen
de hoofddoek niet te dragen.
De vraag van de chef was ingegeven door diens indruk over de acceptatie
van verzoekster door de groep. Deze acceptatie zou groter zijn indien zij
de hoofddoek niet zou dragen. Ook zou het niet dragen van de hoofddoek
wenselijk zijn in verband met de representativiteit van de taken in het
stadhuis. Over beide aspecten is in het sollicitatiegesprek slechts in
algemene termen gesproken. De chef zei verzoekster in het gesprek nog eens
na te denken. De dag daarop zou er telefonisch contact zijn en zou verzoekster
haar beslissing meedelen.

De getuige stelt niet zeker te weten of de vraag aan verzoekster om nog
eens na te denken ook bedoeld was om na te denken over het niet dragen
van de hoofddoek. Zij denkt van niet vanwege het feit dat deze vraag door
de wederpartij altijd wordt gesteld om na te kunnen gaan of een sollicitant
daadwerkelijk de baan wil hebben. Ook wordt steeds gevraagd om terug te
bellen.

Verzoekster kwam aan het einde van de werkweek bij de getuige langs. Zij
maakte geen florissante indruk. Verzoekster zei niet meer bij de wederpartij
te willen werken, onder meer vanwege de hoofdpijn die zij had door het
niet dragen van de hoofddoek.

Hierbij is in het gesprek lang stilgestaan. Verzoekster wilde geen afrondend
gesprek meer met de wederpartij.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB bij de arbeidsvoorwaarden door haar
te vragen haar hoofddoek af te doen tijdens de (binnen)werkzaamheden.

4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen
van belang.

Artikel 5, eerste lid, onderdeel d, AWGB bepaalt dat het maken van onderscheid
verboden is bij de arbeidsvoorwaarden.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer toeziet op onderscheid tussen
personen op grond van godsdienst.

Artikel 1 AWGB stelt tevens, dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid
dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde discriminatiegronden zoals
godsdienst. Indirect onderscheid is onderscheid, dat op grond van andere
hoedanigheden of gedragingen dan godsdienst direct onderscheid op grond
van godsdienst tot gevolg heeft.

4.3. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij de discriminatiegrond
godsdienst betreft, overweegt de Commissie als volgt.

Het begrip godsdienst dat in de AWGB als non-discriminatiegrond is opgenomen,
omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het
zich daarnaar gedragen (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nummer 5, pag.
39/40. Vergelijk ook Tweede Kamer, 1975-1976, 13872, nummer 3, pag. 29).
Gedragingen die, mede gelet op hun karakter en op de betekenis van godsdienstige
voorschriften en regels, een rechtstreekse uitdrukking geven aan de godsdienstige
overtuiging, worden tevens beschermd door het verbod van onderscheid op
grond van godsdienst. Het dragen van een hoofddoek kan één van die uitdrukkingen
zijn van de geloofsovertuiging van een moslimvrouw. De Commissie stelt
op grond van hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast, dat voor
verzoekster het dragen van een hoofddoek verbonden is aan haar geloofsovertuiging.

De Commissie concludeert dan ook, dat in deze zaak godsdienst de grond
voor mogelijk onderscheid is en dat het handelen van de wederpartij dient
te worden getoetst aan het wettelijk verbod op het maken van dit onderscheid.

4.4. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder
de reikwijdte van artikel 5 lid 1 AWGB nu de wederpartij niet de werkgever
van verzoekster is, overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 5 AWGB heeft betrekking op arbeidsverhoudingen. Onder het begrip
arbeidsverhouding valt in de eerste plaats de arbeidsovereenkomst. Het
begrip arbeidsverhouding is echter ruimer: hieronder vallen alle vormen
van arbeid waarin onder gezag van anderen arbeid wordt verricht (Tweede
Kamer, 1990-1991, 22014, nummer 3, pag. 16/17). Derhalve dient te worden
nagegaan of van dit laatste in deze zaak sprake was. Blijkens artikel 7
van de inleenovereenkomst, op grond van welke overeenkomst verzoekster
bij de wederpartij te werk gesteld was, heeft uitsluitend de inlener (de
wederpartij) zeggenschap over de uitvoering van de in het kader van deze
overeenkomst door werknemer te verrichten arbeid en in verband daarmee
te geven opdrachten en aanwijzingen. Mitsdien concludeert de Commissie
dat verzoekster onder gezag van de wederpartij arbeid verrichtte en derhalve
sprake was van een arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 5 lid 1 AWGB.

4.5. Ten aanzien van de – door de wederpartij betwiste – stelling van verzoekster
dat het afdoen van de hoofddoek als voorwaarde voor het verrichten van
de werkzaamheden is gesteld, overweegt de Commissie als volgt.

Vaststaat dat de wederpartij in het sollicitatiegesprek verzoekster gevraagd
heeft haar hoofddoek af te doen tijdens de werkzaamheden in het stadhuis.De
getuige verklaart dat de wederpartij in het sollicitatiegesprek heeft gezegd,
het niet dragen van de hoofddoek onder meer wenselijk te vinden in verband
met de representativiteit van de taken in het stadhuis. De stelling van
de wederpartij, dat in het gesprek uitdrukkelijk aan verzoekster is gevraagd
na te denken over het afdoen van de hoofddoek, wordt door de getuige weersproken.
In het rapport van de dienst Sociale Zaken van de wederpartij d.d. 10 oktober
1995 is – in lijn met de verklaring van de getuige – gesteld, dat verzoekster
geen hoofddoek mocht dragen en dat de reden daarvoor was gelegen in de
aanspreekfunctie die zij zou vervullen.

Het verweer van de wederpartij dat dit een interpretatie van de dienst
Sociale Zaken is acht de Commissie niet overtuigend, nu expliciet in het
betreffende rapport is aangegeven dat dit de reden was `vlgs. afd. IZ’.

Op grond van de verklaring van de getuige alsmede het gestelde in het rapport
van de dienst Sociale Zaken van de wederpartij acht de Commissie het aannemelijk
dat het niet dragen van de hoofddoek in het sollicitatiegesprek als voorwaarde
voor het verrichten van de werkzaamheden is gesteld. Immers, doordat de
wederpartij in het sollicitatiegesprek een relatie heeft gelegd tussen
het dragen van de hoofddoek en de representatieve aspecten van de te verrichten
werkzaamheden kan worden aangenomen dat verzoekster terzake geen keuzevrijheid
had. Vanwege het blijvende representatieve karakter van de werkzaamheden
is het evenmin aannemelijk dat de wederpartij heeft gesteld het niet dragen
van haar hoofddoek slechts wenselijk te achten gedurende de beginperiode
van haar werk. Nu de wederpartij in haar schriftelijke verweer d.d. 10
september 1996 bovendien spreekt over een `tegemoetkoming’ waar zij stelt
dat zij een verzoek voor een eindgesprek `met een directe tegemoetkoming
tot het dragen van de hoofddoek’ heeft gedaan, concludeert de Commissie
dat de wederpartij het niet dragen van de hoofddoek in het sollicitatiegesprek
als voorwaarde voor de verrichten werkzaamheden heeft gesteld.

Indien, zoals de wederpartij stelt, na het sollicitatiegesprek expliciet
nogmaals in het telefonisch onderhoud alsook op de eerste werkdag gezegd
zou zijn dat er geen verbod was op het dragen van de hoofddoek, had het
voor de hand gelegen dat verzoekster op zulke momenten haar probleem kenbaar
had gemaakt. Mitsdien concludeert de Commissie dat ook na het gesprek sprake
bleef van de voorwaarde betreffende het dragen van de hoofddoek.

4.6. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van direct
onderscheid of indirect onderscheid. Daarover overweegt de Commissie het
volgende.

Conform het gestelde onder 4.3. heeft de klacht van verzoekster betrekking
op het niet mogen dragen van de hoofddoek en derhalve op de discriminatiegrond
godsdienst. De vraag of vervolgens sprake is van direct of indirect onderscheid,
is afhankelijk van het geheel van de feiten. Indien het dragen van de hoofddoek,
die een uiting is van verzoeksters geloofsovertuiging, als zodanig
een grond is voor het maken van onderscheid, wordt rechtstreeks verwezen
naar de betreffende discriminatiegrond en is derhalve sprake van direct
onderscheid. Indien het dragen van de hoofddoek evenwel níet als zodanig
een grond is voor het maken van onderscheid, kan sprake zijn van indirect
onderscheid.

In dit laatste geval is er sprake van een handelen van de wederpartij dat
neutraal genoemd kan worden omdat niet direct wordt verwezen naar een discriminatiegrond;
als een dergelijk handelen tot gevolg heeft dat direct onderscheid op grond
van godsdienst wordt gemaakt, kan sprake zijn van een verboden indirect
onderscheid.

4.7. De Commissie constateert dat de wederpartij in het sollicitatiegesprek
heeft gewezen op representatieve aspecten van de functie en op kledingvoorschriften.
Indien en voorzover dit de grond zou zijn voor het handelen van de wederpartij,
zou moeten worden nagegaan of de wederpartij een verboden indirect onderscheid
heeft gemaakt. In beginsel duiden kledingsvoorschriften immers op een neutraal
handelen aangezien het daarbij niet om een hoofddoek, zijnde een uiting
van een geloofsovertuiging, als zodanig gaat maar om overwegingen van geheel
andere aard (Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling, 3 februari
1997 oordeelnummer 96-85 d.d. 17 oktober 1996. In deze zaak was sprake
van kledingvoorschriften die werden gesteld uit veiligheidsoverwegingen).

In genoemd gesprek heeft de wederpartij echter tevens gewezen op de vrees
voor een vooringenomen houding te opzichte van verzoekster en de daardoor
geringere acceptatie en minder snelle integratie van haar in de groep.
Ter zitting heeft de wederpartij gesteld dat niet de kledingvoorschriften,
maar de vooringenomen houding van de medewerker met wie verzoekster moest
samenwerken de werkelijke reden was om verzoekster te vragen haar hoofddoek
af te doen bij haar (binnen)werkzaamheden.
De Commissie concludeert op grond hiervan dat niet onderzocht hoeft te
worden of de wederpartij door het stellen van kledingvoorschriften indirect
onderscheid jegens verzoekster heeft gemaakt, nu deze voorschriften bij
het handelen van de wederpartij geen rol hebben gespeeld (Vergelijk Commissie
gelijke behandeling, oordeelnummer 95-31 d.d. 7 augustus 1995. In deze
zaak gold een mondeling verbod op het dragen van een hoofddoek, echter
eveneens los van de geldende schriftelijke kledingvoorschriften en de daaraan
ten grondslag liggende motieven.).

4.8. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
jegens verzoekster door het afdoen van de hoofddoek als voorwaarde voor
het vervullen van de functie te stellen, vanwege de houding van de medewerker,
overweegt de Commissie als volgt.

De Commissie sluit niet uit dat de wederpartij in deze zaak inderdaad het
voornemen had om de medewerker te laten wennen aan verzoekster en daarom
wilde dat verzoekster slechts in de beginperiode van haar werkzaamheden
de hoofddoek zou afdoen. Evenmin acht de Commissie uitgesloten dat de wederpartij
daarmee tevens in het belang van verzoekster wilde handelen. Echter, nog
daargelaten de vraag of dit voornemen zou resulteren in het gewenste resultaat
en verzoekster bij gebrek aan dit laatste haar hoofddoek blijvend niet
mocht dragen, moet worden geconstateerd dat de wederpartij de vooringenomenheid
van de medewerker als gegeven heeft beschouwd en tot uitgangspunt van het
eigen handelen heeft gemaakt.
Het dragen van de hoofddoek door verzoekster zou voor samenwerking met
de medewerker bedreigend of problematisch zijn. De wederpartij heeft dit
overgenomen en daarmee het dragen van de hoofddoek als zodanig als grond
voor het stellen van de arbeidsvoorwaarde gehanteerd.

De Commissie concludeert op grond hiervan dat de wederpartij direct onderscheid
heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de arbeidsvoorwaarden en mitsdien
heeft gehandeld in strijd met de AWGB.

4.9. De Commissie merkt wellicht ten overvloede nog het volgende op.
Door de wijze waarop de wederpartij mogelijk op zichzelf goede bedoelingen,
zoals onder 4.8. aangeduid, wilde realiseren is een discriminerende houding
overgenomen in plaats van bestreden. Het is daarom raadzaam om in het personeelsbeleid
de ook door de wederpartij geconstateerde vooringenomenheid tot onderwerp
van bespreking te maken.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester
en Wethouders van de gemeente Weesp jegens mevrouw (…) te Weesp direct
onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de arbeidsvoorwaarden
als bedoeld in artikel 5, lid 1, onderdeel d, van de Algemene wet gelijke
behandeling en mitsdien in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid kamer), dhr. mr. P.R.Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Hof van Justitie EG, 30 januari 1997

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Het Hof verklaart voor recht: `Wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid
1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende
de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling
van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, een naar
geslacht verschillende pensioenleeftijd heeft vastgesteld, geeft die bepaling
hem ook het recht te bepalen, dat de werknemers van een in staat van crisis
verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende
pensioenbijdragen met een maximum van vijf jaar, vanaf het tijdstip waarop
zij met vervroegd pensioen gaan tot zij de leeftijd bereiken waarop hun recht
op rustpensioen ingaat, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen,
omdat het verschil in behandeling naar geslacht in de berekeningswijze van de
uitkeringen bij vervroegd pensioen een objectieve en noodzakelijke band heeft
met de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor
mannen en vrouwen.’

Volledige tekst

Arrest:

1. Bij beschikking van 19 april 1995, ingekomen bij het Hof op 2 mei
daaraanvolgend, heeft de Pretura circondariale di Genova het Hof krachtens
artikel 177 EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging
van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding
en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976,
39, blz. 40), en van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB
1979, L 6, blz. 24).

2. Die vragen zijn gesteld in een geding tussen L. Balestra, voormalig
werkneemster van een in staat van crisis verklaarde onderneming, en het
Istituto nazionale della previdenza sociale (hierna: `INPS’) over de
berekening van het krediet van aanvullende pensioenbijdragen, dat het INPS
Balestra krachtens het wettelijk stelsel van vervroegd pensioen had
toegekend.

3. In Italië was ten tijde van de feiten in het hoofdgeding de navolgende
regeling van toepassing. De bepalingen betreffende de pensioengerechtigde
leeftijd zijn neergelegd in artikel 9 van wet nr. 218 van 4 april 1952
(gewone bijlage bij het GURI nr. 89 van 15.4.1952). Krachtens deze bepaling
hebben mannelijke werknemers recht op pensioen op de leeftijd van 60 jaar en
vrouwelijke werknemers op de leeftijd van 55 jaar, in beide gevallen op
voorwaarde dat zij gedurende ten minste 15 jaar bijdragen hebben betaald en
aan hen ten minste 180 maandelijkse of 780 wekelijkse bijdragen zijn
gecrediteerd.

4. Bijzondere bepalingen gelden voor werknemers van ondernemingen die,
overeenkomstig wet nr. 675 van 12 augustus 1977 (GURI nr. 243), door het
interministerieel comité voor de coördinatie van het industriebeleid (hierna:
`CIPI’) in staat van crisis zijn verklaard.

5. Ingevolge wet nr. 155 van 23 april 1981 (gewone bijlage bij het GURI nr.
114; hierna: `wet nr. 155/1981′) kunnen die werknemers met vervroegd pensioen
gaan op de leeftijd van 55 jaar voor mannen en 50 jaar voor vrouwen. Artikel
16 van deze wet preciseert, dat voor werknemers van door het CIPI in staat
van crisis verklaarde ondernemingen `die de leeftijd van 55 jaar voor mannen
en 50 jaar voor vrouwen hebben bereikt en ten minste 180 maandelijkse
bijdragen voor de verplichte algemene invaliditeits-, ouderdoms- en
overlevingsverzekering kunnen doen gelden’, het toepasselijke pensioen wordt
berekend op grond van de werkelijke duur van de bijdragebetaling, vermeerderd
met een periode, gelijk aan die tussen de datum van ontbinding van hun
arbeidsovereenkomst en de datum waarop zij de leeftijd van 60 jaar voor
mannen of 55 jaar voor vrouwen bereiken (hierna: `krediet van aanvullende
pensioenbijdragen’).

6. Er zij op gewezen, dat naast wet nr. 155/1981 en haar latere wijzigingen,
op het gebied van het vervroegd pensioen bijzondere, aan werknemers van
bepaalde sectoren voorbehouden regelingen bestaan. Uit de stukken blijkt, dat
in het hoofdgeding een beroep is gedaan op de regeling voor de werknemers van
de ijzer- en staalsector. Balestra vordert namelijk dat op haar regels worden
toegepast die vergelijkbaar zijn met die welke in deze sector gelden.

7. Voor de werknemers van de ijzer- en staalsector gold aanvankelijk als
regel, dat de in artikel 16 van wet nr. 155/1981 bedoelde leeftijd voor het
vervroegd pensioen van werknemers van een in staat van crisis verklaarde
onderneming (55 jaar voor mannen en 50 jaar voor vrouwen) voor alle
werknemers, mannen en vrouwen, werd vastgesteld op 50 jaar (artikel 1 van wet
nr. 193 van 31 mei 1984, GURI nr. 153 van 5.6.1984).

8. In arrest nr. 371 van 6 juli 1989 (GURI, 1e bijzondere serie nr. 28 van
12.7.1989) stelde de Corte costituzionale vast, dat de bepalingen van artikel
16 van wet nr. 155/1981, juncto artikel 1 van wet nr. 193/1984, ongrondwettig
waren, voor zover zij in de ijzer- en staalsector tewerkgestelde vrouwen niet
de mogelijkheid boden om bij vervroegd pensioen op de leeftijd van 50 jaar
door het krediet van aanvullende pensioenbijdragen dezelfde periode van
bijdragebetaling te bereiken als een mannelijke werknemer, voor wie de
pensioengerechtigde leeftijd is vastgesteld op 60 jaar, terwijl hij voor
vrouwen 55 jaar bedraagt. In dat arrest herinnerde de Corte costituzionale
aan het beginsel, dat in Italië de leeftijdsgrens voor de uitoefening van
beroepswerkzaamheden voor mannen en vrouwen gelijk is.

9. Later werd een nieuwe bijzondere regel ingevoerd, volgens welke in de
ijzer- en staalsector tewerkgestelde vrouwen vanaf de leeftijd van 47 jaar
met vervroegd pensioen konden gaan, voor zover zij 300 maandelijkse bijdragen
kunnen doen gelden (artikel 5, vijfde alinea, van decreet-wet nr. 536 van 30
december 1987, GURI nr. 304 van 31.12.1987, omgezet in wet nr. 48 van 29
februari 1988, GURI nr. 50 van 1.3.1988), maar voor mannen bleef de leeftijd
van 50 jaar gehandhaafd.

10. In arrest nr. 503 van 30 december 1991 (GURI, 1e bijzondere serie nr. 2
van 8.1.1992) was de Corte costituzionale van oordeel, dat deze mogelijkheid
voor vrouwelijke werknemers in de ijzer- en staalsector om vanaf de leeftijd
van 47 jaar met vervroegd pensioen te gaan, gepaard moest gaan met het recht
voor deze vrouwelijke werknemers op een krediet van aanvullende
pensioenbijdragen vanaf de ontbinding van hun arbeidsovereenkomst tot het
bereiken van de leeftijd van 60 jaar (tot welke leeftijd zowel mannen als
vrouwen hun beroepswerkzaamheden mogen voortzetten), maar met hetzelfde
maximum van tien jaar als voor mannen geldt. Opgemerkt zij, dat indien op de
ijzer- en staalsector de regel van artikel 16 van wet nr. 155/1981 was
toegepast, het krediet van bijdragen voor vrouwen vanaf de ontbinding van hun
arbeidsovereenkomst (mogelijk vanaf de leeftijd van 47 jaar) tot het bereiken
van de pensioengerechtigde leeftijd (55 jaar voor vrouwen) ten hoogste acht
jaar zou hebben bedragen, terwijl het voor mannen vanaf de ontbinding van hun
arbeidsovereenkomst (mogelijk vanaf de leeftijd van 50 jaar) tot het bereiken
van de pensioengerechtigde leeftijd (60 jaar voor mannen) ten hoogste tien
jaar bedraagt, welk verschil van twee jaar het gevolg is van het feit, dat
vrouwen slechts drie jaar eerder dan mannen met vervroegd pensioen konden
gaan.

11. Balestra is een voormalig werkneemster van een onderneming die door het
CIPI in staat van crisis is verklaard. In dit verband nam zij ontslag en
verkreeg zij recht op pensioen dankzij de regeling inzake vervroegd pensioen
voor vrouwen tussen 50 en 55 jaar.

12. Omdat zij op de leeftijd van 54 jaar en 7 maanden ontslag had genomen,
ontving zij van het INPS krachtens artikel 16 van wet nr. 155/1981 een
krediet gelijk aan 5 maanden bijdragen, hetgeen overeenkwam met de periode
tot het bereiken van de leeftijd van 55 jaar, waarop een vrouwelijk werknemer
in Italië pensioengerechtigd wordt.

13. Op 13 april 1993 verzocht Balestra de verwijzende rechter, het INPS te
gelasten, haar te crediteren met aanvullende bijdragen ten belope van het in
wet nr. 155/1981 vastgestelde maximum, namelijk 5 jaar. Zij baseerde zich op
voornoemde rechtspraak van de Corte costituzionale betreffende de werknemers
in de ijzer- en staalindustrie.

14. Het INPS verzette zich tegen het verzoek van Balestra, op grond dat zij
door haar vrijwillig ontslag de arbeidsovereenkomst had ontbonden en dat
artikel 16 van wet nr. 155/1981 voorzag in gelijke bijdragekredieten voor
mannen en vrouwen, met als enig onderscheid de verschillende leeftijd waarop
zij aanspraak konden maken op pensioen. Volgens het INPS hadden op basis van
voornoemde rechtspraak van de Corte costituzionale aan Balestra slechts
aanvullende verzekeringstijdvakken kunnen worden toegekend, indien zij was
tewerkgesteld door een onderneming in de ijzer- en staalsector, waarvoor een
bijzondere regeling geldt.

15. Daarop betoogde Balestra, dat artikel 16 van wet nr. 155/1981 in strijd
was met het in de richtlijnen 76/207 en 79/7 neergelegde beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

16. Artikel 1, lid 1, van richtlijn 76/207 bepaalt:
`Deze richtlijn beoogt de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot
het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, en tot de
beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de
voorwaarden bedoeld in lid 2, de sociale zekerheid. Dit beginsel wordt hierna
“beginsel van gelijke behandeling” genoemd.’

17. Artikel 5, lid 1, van genoemde richtlijn luidt als volgt: `De toepassing
van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot de
arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van de ontslagvoorwaarden, houdt in dat voor
mannen en vrouwen dezelfde voorwaarden gelden, zonder discriminatie op grond
van geslacht.’

18. Artikel 1, lid 2, van de richtlijn bepaalt:
`Ten einde de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling op het gebied van de sociale zekerheid te waarborgen, stelt de
Raad op voorstel van de Commissie bepalingen vast waarbij met name de inhoud,
de draagwijdte en de wijze van toepassing van dat beginsel nader worden
omschreven.’

19. Naar aanleiding van deze laatste bepaling heeft de Raad richtlijn 79/7
vastgesteld. Die beoogt volgens artikel 1 de geleidelijke tenuitvoerlegging,
voor wat betreft de sociale zekerheid en andere factoren van sociale
bescherming, van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen
op het gebied van de sociale zekerheid.

20. Volgens artikel 3, lid 1, sub a, is richtlijn 79/7 van toepassing op: `de
wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de volgende
eventualiteiten:
– ziekte, – invaliditeit, – ouderdom, – arbeidsongevallen en beroepsziekten,
– werkloosheid’.

21. Aan het in artikel 1 van richtlijn 79/7 neergelegde doel wordt uitvoering
gegeven door artikel 4, lid 1, dat bepaalt:

`1. Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten
in het bijzonder met betrekking tot:
– de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake toelating
tot de regelingen,
– de verplichting tot premiebetaling en de premieberekening,
– de berekening van de prestaties, waaronder begrepen verhogingen
verschuldigd uit hoofde van de echtgenoot en voor ten laste komende personen,
alsmede de voorwaarden inzake duur en behoud van het recht op de prestaties.’

22. Volgens artikel 7, lid 1, doet richtlijn 79/7:
`(…) geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Lid-Staten om van haar
werkingssfeer uit te sluiten:

a) de vaststelling van de pensioengerechtigde leeftijd met het oog op de
toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen en de gevolgen die hieruit kunnen
voortvloeien voor andere prestaties (…)’.

23. Van oordeel dat de oplossing van het voor hem aanhangig geschil een
uitlegging van die bepalingen vereiste, heeft de verwijzende rechter de
behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële
vragen gesteld:

`1) Is de vaststelling van uiteenlopende leeftijdsgrenzen voor mannelijke en
vrouwelijke werknemers voor de toegang tot vervroegd pensioen uit hoofde van
artikel 16 van wet nr. 155/81, de ontbinding van de arbeidsverhouding en de
berekening van de uitkeringen bij vervroegd pensioen in strijd met de
genoemde richtlijnen (artikelen 1, 2, 3, 4 en 5 van richtlijn 79/7/EEG en de
artikelen 1, 2 en 5 van richtlijn 76/207/EEG)?

2) Is het verschil in behandeling (op het vlak van de individuele
arbeidsverhouding en de sociale zekerheid) dat het gevolg is van de
vaststelling van uiteenlopende leeftijdsgrenzen, in strijd met de aangehaalde
bepalingen van voornoemde richtlijnen, in een regeling als de Italiaanse,
waarin de leeftijdsgrens voor het verrichten van beroepswerkzaamheden (de
enige grens die voor vervroegde pensionering relevant is) zowel voor mannen
als voor vrouwen is vastgesteld op 60 jaar?’

24. Vooraf moet worden opgemerkt, dat verzoekster in het hoofdgeding volgens
de stukken aanspraak maakt op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen
van 5 jaar vanaf het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen is gegaan,
dat dus wordt berekend zonder rekening te houden met de in artikel 16 van wet
nr. 155/1981 als limiet gestelde pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen
(55 jaar), en betoogt, dat in Italië vrouwen evenals mannen het recht hebben
om tot de leeftijd van 60 jaar te blijven werken.

25. De verwijzende rechter lijkt dus in wezen te willen vernemen, of het in
overeenstemming is met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen om bij de berekening van de uitkeringen bij vervroegd pensioen naar
geslacht verschillende leeftijdsgrenzen voor de toegang tot het pensioen aan
te houden, en meer bepaald of, wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid
1, sub a, van richtlijn 79/7 een naar geslacht verschillende
pensioengerechtigde leeftijd heeft vastgesteld, die bepaling hem ook toestaat
te bepalen, dat de werknemers van een in staat van crisis verklaarde
onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende pensioenbijdragen met
een maximum van 5 jaar, vanaf het tijdstip waarop zij met vervroegd pensioen
zijn gegaan tot zij de leeftijd bereiken waarop hun rustpensioen ingaat,
namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen.

26. In de eerste plaats zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak
van het Hof uitkeringen van sociale zekerheid, die bij wet worden vastgesteld
en verplicht van toepassing zijn op algemene categorieën van werknemers, niet
onder het begrip beloning in de zin van artikel 119, tweede alinea, van het
Verdrag vallen (arresten van 25 mei 1971, zaak 80/70, Defrenne, Jurispr.
1971, blz. 445, r.o. 7 en 8; 17 mei 1990, zaak C-262/88, Barber, Jurispr.
1990, blz. I-1889, r.o. 22 en 23, en 17 februari 1993, zaak C-173/91,
Commissie/België, Jurispr. 1993, blz. I-673, r.o. 14). Daarentegen vallen de
wettelijke uitkeringen van sociale zekerheid binnen de werkingssfeer van
richtlijn 79/7.

27. In casu vraagt de verwijzende rechter zich evenwel af of, aangezien
artikel 16 van wet nr. 155/1981 van toepassing is op arbeidsverhoudingen
binnen in staat van crisis verklaarde ondernemingen, het vervroegd pensioen
voor de werknemer niet eerder een verplichting dan een keuze is, omdat hij
anders zowel zijn recht op pensioen als zijn werk verliest.

28. In dat geval zou het vervroegd pensioen kunnen worden gelijkgesteld met
ontslag, waarbij deze term in ruime zin aldus wordt opgevat dat hij mede de
beëindiging van de arbeidsverhouding omvat, ook wanneer deze plaatsvindt in
het kader van een stelsel van vervroegd pensioen. De toepasselijke richtlijn
ware dan richtlijn 76/207, die in artikel 5, lid 1, discriminatie op grond
van geslacht met betrekking tot de ontslagvoorwaarden verbiedt.

29. Deze analyse kan niet worden aanvaard. Zelfs wanneer de vervroegde
pensionering het rechtstreekse gevolg is van het feit dat de onderneming
waarbij de betrokken werknemer laatstelijk was tewerkgesteld, in staat van
crisis verkeert, worden de uitkeringen bij vervroegd pensioen immers
rechtstreeks bij wet geregeld en zijn zij verplicht van toepassing op
bepaalde algemene categorieën van werknemers. Deze uitkeringen houden ook
rechtstreeks en daadwerkelijk verband met de in artikel 3, lid 1, van
richtlijn 79/7 bedoelde eventualiteit ouderdom, aangezien de toekenning ervan
uit een vervroegde pensionering voortvloeit (zie in die zin arrest van 16
februari 1982, zaak 19/81, Burton, Jurispr. 1982, blz. 555, r.o. 12-15).

30. In ieder geval blijkt uit de stukken (en is door de betrokkene zelf ook
niet betwist), dat de beëindiging van de werkzaamheden van Balestra in casu
niet het gevolg is van een gedwongen ontslag, maar van een vrijwillig
ontslag, slechts 5 maanden vóór de leeftijd waarop zij hoe dan ook recht had
op pensioen.

31. Uit het voorgaande volgt, dat richtlijn 79/7 van toepassing is. 32 Gelet
op deze richtlijn, kan voor een discriminatie tussen de geslachten in het
kader van de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen, slechts tijdelijk en in artikel 7, lid 1,
sub a, een rechtvaardiging worden gevonden (arrest van 1 juli 1993, zaak
C-154/92, Van Cant, Jurispr. 1993, blz. I-3811, r.o. 12). In alle andere
gevallen zou een discriminatie in strijd zijn met artikel 4, lid 1, van die
richtlijn, dat volgens de rechtspraak van het Hof voldoende nauwkeurig en
onvoorwaardelijk is om door particulieren voor de nationale rechter te kunnen
worden ingeroepen teneinde de toepassing van iedere met dat artikel strijdige
bepaling te beletten (arresten van 4 december 1986, zaak 71/85, Federatie
Nederlandse Vakbeweging, Jurispr. 1986, blz. 3855, r.o. 21, en 24 maart 1987,
zaak 286/85, McDermott en Cotter, Jurispr. 1987, blz. 1453, r.o. 14).

33. Wanneer een Lid-Staat met toepassing van artikel 7, lid 1, sub a, van
richtlijn 79/7 voorziet in een voor mannen en vrouwen verschillende leeftijd
voor de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen, is volgens vaste
rechtspraak de werkingssfeer van de in artikel 7, lid 1, sub a, toegestane
afwijking, die is geformuleerd als `en de gevolgen die hieruit kunnen
voortvloeien voor andere prestaties’, beperkt tot de discriminaties in andere
uitkeringsregelingen, die een objectieve en noodzakelijke band hebben met dat
verschil in pensioengerechtigde leeftijd (zie onder meer arresten van 30
maart 1993, zaak C-328/91, Thomas e.a., Jurispr. 1993, blz. I-1247, r.o. 20,
en 11 augustus 1995, zaak C-92/94, Graham e.a., Jurispr. 1995, blz. I-2521,
r.o. 11).

34. Wanneer een Lid-Staat krachtens bedoelde bepaling de pensioengerechtigde
leeftijd voor vrouwen op 55 jaar en voor mannen op 60 jaar heeft vastgesteld,
moet dus worden nagegaan of de discriminatie van mannen of vrouwen in een
andere uitkeringsregeling dan die van de pensioenen, een objectieve en
noodzakelijke band heeft met dat verschil in leeftijd voor het recht op
pensioen.

35. Dit is het geval indien deze discriminaties objectief noodzakelijk zijn
om te vermijden, dat het financiële evenwicht van het
sociale-zekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het
stelsel van de rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren
(zie voornoemde arresten Thomas, r.o. 12, en Graham, r.o. 12).

36. Vastgesteld moet worden, dat een wettelijk stelsel van vervroegd pensioen
als dat in het hoofdgeding, vrouwen discrimineert op het punt van de wijze
van berekening van hun uitkeringen bij vervroegd pensioen en, bijgevolg, van
het bedrag van hun rustpensioen.

37. De discriminatie bestaat erin, dat wegens de inaanmerkingneming, bij de
berekening van de aanvullende pensioenbijdrage, van naar geslacht
verschillende leeftijdsvoorwaarden voor het recht op pensioen, het
rustpensioen van een vrouwelijke werknemer bij gelijke, werkelijk betaalde
bijdragen in bepaalde gevallen lager kan zijn dan dat van een mannelijke
werknemer.

38. Een vrouw die op de leeftijd van 55 jaar met pensioen gaat, heeft immers
geen recht op een bijdragekrediet. Bij gelijke loopbaan, wat de werkelijk
betaalde bijdragen betreft, zal van een man en een vrouw die beiden 55 jaar
oud zijn, de man die met vervroegd pensioen gaat, dus een hogere uitkering
ontvangen dan de vrouw die met pensioen gaat. Met andere woorden, bij
gelijke, werkelijk betaalde bijdragen zal de vrouw ongeveer 5 jaar langer
(tot 60 jaar) moeten werken om een zelfde pensioenbedrag te ontvangen als de
man die op de leeftijd van 55 jaar met vervroegd pensioen gaat.

39. De vraag, of deze discriminatie een objectieve en noodzakelijke band
heeft met de vaststelling van een naar geslacht verschillende
pensioengerechtigde leeftijd, is de nationale rechter bevoegd te
beantwoorden. Uit het arrest Thomas (reeds aangehaald, r.o. 13) blijkt
echter, dat het Hof, om de verwijzende rechter een nuttig antwoord op zijn
vraag te kunnen geven, bevoegd is om aanwijzingen te geven die de rechter in
staat stellen uitspraak te doen.

40. Met betrekking tot de discriminatie die in het hoofdgeding aan de orde
is, moet worden geconstateerd, dat zij een objectieve band heeft met de
vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor mannen
en vrouwen, voor zover zij rechtstreeks voortvloeit uit het feit, dat die
leeftijd voor vrouwen op 55 en voor mannen op 60 jaar is vastgesteld. Zowel
voor mannen als voor vrouwen geldt immers de regel, dat zij ten vroegste 5
jaar voor het bereiken van de leeftijd die recht geeft op rustpensioen, hun
recht op vervroegd pensioen kunnen doen gelden, en dat zij voor de periode
tussen het moment waarop zij met vervroegd pensioen gaan en de datum waarop
zij die leeftijd bereiken, een krediet van pensioenbijdragen ontvangen.

41. Met betrekking tot de vraag, of die discriminatie ook een noodzakelijke
band heeft met dat verschil in pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en
vrouwen, moet allereerst worden vastgesteld, dat kenmerkend voor het bij
artikel 16 van wet nr. 155/1981 ingevoerde stelsel van vervroegd pensioen is,
dat aan de werknemer voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd
een uitkering wordt toegekend, die wordt berekend op basis van de werkelijk
betaalde bijdragen en van de fictieve verlenging van het tijdvak van
bijdragebetaling voor de periode tot de werknemer de
pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De uitkering bij vervroegd pensioen is
dus bedoeld om een inkomen te verzekeren aan degene die de arbeidsmarkt
verlaat alvorens de leeftijd voor rustpensioen te hebben bereikt. Daarom
bestaat er een samenhang tussen het stelsel van rustpensioenen en het
betrokken stelsel van vervroegd pensioen.

42. Vervolgens dient te worden onderzocht, of de weigering om aan vrouwen,
die inderdaad mogen blijven werken tot zij de leeftijd van 60 jaar bereiken,
een bijdragekrediet toe te kennen voor de periode na hun 55ste verjaardag,
vanaf welke zij op een rustpensioen aanspraak kunnen maken, noodzakelijk is
om die samenhang te bewaren.

43. Dienaangaande kan in de eerste plaats worden opgemerkt, dat indien aan
vrouwen die op een leeftijd tussen 50 en 55 jaar met vervroegd pensioen gaan,
een bijdragekrediet van 5 jaar wordt toegekend, zonder rekening te houden met
de leeftijdsgrens die wordt gevormd door de pensioengerechtigde leeftijd, die
vrouwelijke werknemers, naarmate het tijdstip waarop zij met vervroegd
pensioen gaan dichter bij de pensioengerechtigde leeftijd ligt, uiteindelijk
een hoger pensioen blijken te ontvangen dan vrouwelijke werknemers die tot de
leeftijd van 55 jaar bijdragen hebben betaald en met pensioen gaan, zonder
voor een bijdragekrediet in aanmerking te komen.

44. In de tweede plaats zij erop gewezen, dat een dergelijk stelsel ook tot
discriminatie van mannelijke werknemers kan leiden. Terwijl de mannelijke
werknemer die op een leeftijd tussen 55 en 60 jaar met vervroegd pensioen
gaat, slechts recht heeft op een bijdragekrediet voor de periode tussen het
tijdstip waarop het vervroegd pensioen ingaat en het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd, zou de vrouwelijke werknemer, die eveneens in
de 5 jaar vóór haar recht op rustpensioen ingaat met vervroegd pensioen gaat,
systematisch recht hebben op een bijdragekrediet van 5 jaar.

45. Bijgevolg moet worden opgemerkt, dat ook al mogen vrouwen inderdaad
blijven werken tot zij de leeftijd van 60 jaar bereiken, de weigering om hun
een bijdragekrediet toe te kennen voor de periode na hun 55ste verjaardag,
vanaf welke zij op een rustpensioen aanspraak kunnen maken, noodzakelijk is
om de samenhang tussen het stelsel van rustpensioenen en het betrokken
stelsel van vervroegd pensioen te bewaren.

46. Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat wanneer
een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 een naar
geslacht verschillende pensioengerechtigde leeftijd heeft vastgesteld, die
bepaling hem ook het recht geeft te bepalen, dat de werknemers van een in
staat van crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van
aanvullende pensioenbijdragen met een maximum van 5 jaar, vanaf het tijdstip
waarop zij met vervroegd pensioen gaan tot zij de leeftijd bereiken waarop
hun recht op rustpensioen ingaat, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar
voor mannen, omdat het verschil in behandeling naar geslacht in de
berekeningswijze van de uitkeringen bij vervroegd pensioen een objectieve en
noodzakelijk band heeft met de vaststelling van een verschillende
pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen.

Kosten

47. De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens
indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),

uitspraak doende op de door de Pretura circondariale di Genova bij
beschikking van 19 april 1995 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn
79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, een naar geslacht
verschillende pensioengerechtigde leeftijd heeft vastgesteld, geeft die
bepaling hem ook het recht te bepalen, dat de werknemers van een in staat van
crisis verklaarde onderneming recht hebben op een krediet van aanvullende
pensioenbijdragen met een maximum van 5 jaar, vanaf het tijdstip waarop zij
met vervroegd pensioen gaan tot zij de leeftijd bereiken waarop hun recht op
rustpensioen ingaat, namelijk 55 jaar voor vrouwen en 60 jaar voor mannen,
omdat het verschil in behandeling naar geslacht in de berekeningswijze van de
uitkeringen bij vervroegd pensioen een objectieve en noodzakelijke band heeft
met de vaststelling van een verschillende pensioengerechtigde leeftijd voor
mannen en vrouwen.

Rechters

Sevon, Edward, Puissochet, Jann en Wathelet, rechters, advocaat-generaal: M.B. Elmer