Instantie: Kantonrechter Dordrecht, 30 januari 1997

Instantie

Kantonrechter Dordrecht

Samenvatting


Eiseres is ontslagen door Philips. Daarbij was doorslaggevend de lengte van
haar dienstverband. Eiseres had een relatief klein aantal dienstjaren, omdat
zij haar carrière bij Philips twee keer had onderbroken in verband met de
geboorte van haar kinderen. De rechter heeft bepaald dat ook de eerdere
dienstverbanden moeten meetellen bij het bepalen van de anciënniteit. Philips
wordt veroordeeld tot een schadevergoeding van ƒ 50 000.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

1. Bij dagvaarding van 9 april 1996 heeft eiseres gevorderd
– primair: dat gedaagde het dienstverband met eiseres zal herstellen met
ingang van 23 december 1995, althans met ingang van een door de kantonrechter
te bepalen datum, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 250 per dag, zonodig
met bepaling van het bedrag waarop eiseres recht gehad zou hebben indien het
dienstverband niet onderbroken was geweest;

– subsidiair: betaling van ƒ 58 404,92 als billijke schadevergoeding, alles
met buitengerechtelijke incassokosten van 15%, met rente en kosten.

2. Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd.

3. Bij conclusie van repliek heeft eiseres volhard bij haar vordering.

4. Gedaagde heeft daarop een conclusie van dupliek genomen.

5. Partijen hebben produkties overgelegd.

Het geschil en de beoordeling daarvan

De feiten

1.1. Eiseres is op 14 augustus 1967 op zeventienjarige leeftijd bij gedaagde
in dienst getreden. In verband met zwangerschap en de geboorte van haar twee
kinderen heeft zij het dienstverband in 1970 en 1974 opgezegd(voor de duur
van respectievelijk ca 3 en 2 jaar) om steeds daarna weer bij eiseres in
dienst te treden.

1.2. Op 23 december 1995 is eiseres ontslagen, met toestemming van de RDA, in
het kader van een reorganisatie waarbij 21 werknemers moesten afvloeien. Al
met al is eiseres gedurende in totaal 24 jaar en 4 maanden bij gedaagde in
dienst geweest,
verdeeld over drie dienstverbanden. Het derde en laatste dienstverband duurde
18,5 jaar.

1.3. Ingevolge art. 9 lid 2 en 3 van het delegatiebesluit 1993 dient gedaagde
bij collectief ontslag het anciënniteitsbeginsel te hanteren. Gedaagde heeft
dit gedaan, en zij heeft daarbij ten aanzien van eiseres uitsluitend het
laatste dienstverband van 18,5 jaar meegeteld. Dit leidde ertoe dat eiseres
op de 15e plaats terecht kwam (gerekend vanaf de laatst in dienst gekomene),
en zo behoorde tot de 21 ontslagen werknemers.

de vordering

2.1. Eiseres stelt dat gedaagde het anciënniteitsbeginsel ten aanzien van
haar onjuist heeft toegepast, dat de R.D.A. ten onrechte de ontslagvergunning
heeft verleend, en dat het ontslag daardoor kennelijk onredelijk is. Zij
vordert – kort gezegd – herstel van het dienstverband subsidiair
schadevergoeding naar billijkheid van ƒ 58 404,95.

2.2. Eiseres legt daaraan ten grondslag dat gedaagde in redelijkheid rekening
had moeten houden met de totale periode dat eiseres bij gedaagde in dienst is
geweest, i.c. van 24 jaar en 4 maanden. In dat geval was zij op de 22e plaats
gekomen, en had zij haar werk kunnen behouden. Doordat gedaagde slechts het
laatste dienstverband, ingaande 27 september 1976, heeft meegeteld valt zij
ten onrechte in de groep `wijkers’.
Zij stelt dat zij als vrouw door de wijze waarop gedaagde het
anciënniteitsbeginsel hanteert (indirect) gediscrimineerd is, en beroept zich
op art. 7A: 1637ij BW dat een dergelijke discriminatie verbiedt.

2.3. Subsidiair voert eiseres aan dat gedaagde – in tegenstelling tot eiseres
– geen enkel te respecteren belang heeft bij haar uitleg van het
anciënniteitsbeginsel, en meer subsidiair dat de gevolgen van het ontslag,
mede in aanmerking genomen de voor haar getroffen voorzieningen en de voor
haar bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn
vergeleken met het belang van Philips bij die beëindiging.

het verweer

3.1. Gedaagde bestrijdt de stellingen van eiseres gemotiveerd.

3.2. Gedaagde meent dat zij terecht uitsluitend de duur van het derde,
laatste, dienstverband heeft meegeteld, i.c. 18 jaar en zes maanden.

Zij betwist niet dat gedaagde, had zij ruim 24 jaar anciënniteit gehad, niet
was ontslagen. Gedaagde voert aan dat de keuze van eiseres om bij het krijgen
van kinderen gedurende enige tijd het werk te onderbreken geheel in de
privésfeer ligt, en zij daartoe niet door Philips is genoodzaakt, terwijl ook
objectief geen enkele noodzaak daartoe bestond.

3.3. Indien eiseres was ingedeeld op de 21e plaats zou het gevolg daarvan
geweest zijn dat in haar plaats een ander zou worden ontslagen. Het betreft
mevrouw G, eveneens een ca. 47-jarige gehuwde vrouw met kinderen, die
bovendien van buitenlandse afkomst is, wat haar kansen op de arbeidsmarkt
beïnvloedt.

Er kan aldus gedaagde, dus geen sprake zijn van ongeoorloofde discriminatie
op grond van geslacht, omdat het gaat om de (anciënniteits)positie van de ene
vrouw tegenover de andere vrouw.

3.4. Voorts voert gedaagde aan dat een belangenafweging niet leidt tot de
uitkomst dat het ontslag onredelijk zou zijn, gelet de op de op eiseres van
toepassing zijnde Regeling Aanpassing Personeelsbezetting.

de beoordeling

4.1. De kantonrechter dient zelfstandig zich een oordeel te vormen, los van
de visie van de RDA.

4.2. Het Delegatiebesluit 1993 (art. 9), waarin de anciënniteit is
neergelegd, geeft geen waterdichte definitie van het begrip anciënniteit.
Zowel de uitleg van gedaagde als die van eiseres is verdedigbaar.
In de meeste gevallen zal de toets die gedaagde aanlegt, i.e. de duur van het
(laatste) dienstverband toereikend zijn. Is er sprake van meerdere,
achtereenvolgende, dienstverbanden, dan valt niet in te zien waarom daar
bijvoorbaat geen rekening mee gehouden zou kunnen worden.

4.3. Het is een feit van algemene bekendheid dat, zeker omstreeks 1970,
vrouwen meer dan mannen hun loopbaan tijdelijk onderbraken, en wel in verband
met het krijgen en verzorgen van hun nog jonge kinderen.
Gelet op de – ten aanzien van het werk neutrale – reden van werkonderbreking
is aannemelijk dat vrouwen na afloop (ook) bij de oude werkgever hebben
gesolliciteerd.

4.4. Gelet op het voorgaande kan als vaststaand worden aangenomen dat het
patroon van werkonderbreking met terugkeer bij dezelfde werkgever onder
vrouwen significant meer voorkomt dan onder mannen, althans in die jaren.
Dit gegeven, en niet de vraag of die onderbreking beslist noodzakelijk was,
is bepalend voor de vraag of van (indirecte) discriminatie sprake is.

4.5. Nu daaruit volgt dat meer vrouwen dan mannen getroffen worden door
berekening van de anciënniteit zonder rekening te houden met eerdere
dienstverbanden, terwijl de berekening die daar wèl rekening mee houdt
evenzeer verdedigbaar is, moet de wijze waarop gedaagde de anciënniteit van
eiseres bepaalt als discriminatoir worden verworpen.

5.1. De kantonrechter overweegt – ten overvloede, en ter illustratie – dat
ook binnen de rechterlijke macht in de jaren 70 nog als aanvaardbaar gold
(althans voor velen) dat part-time werken geen anciënniteit kon opleveren.
Nadien zijn ook daar de regels veranderd.

6.1. Het inmiddels doorgebroken inzicht dat niet alleen het krijgen van
kinderen maar ook een goede verzorging en opvoeding een maatschappelijk
belang opleveren, rechtvaardigt dat niet uitsluitend de groep vrouwen die als
vanzelfsprekend hun persoonlijke carrière daarvoor (enige tijd) opzij heeft
gezet daarvoor de rekening gepresenteerd krijgt, maar dat de lasten, zo breed
als redelijkerwijs mogelijk is, gespreid worden.

6.2. Tegen die achtergrond is het niet meer dan rechtvaardig dat de vrouw,
die door tijdelijk ontslag te nemen risico’s (van ziekte en werkloosheid)
neemt, niet ook nog met het risico van annciënniteitsverlies opgescheept
wordt.

7.1. Gedaagde voert als verweer aan dat, indien eiseres vanwege een andere
berekening van haar anciënniteit in dienst zou blijven, een ander in haar
plaats ontslagen zou worden. Het gaat in casu om een even oude gehuwde vrouw
met kinderen met een dienstverband van ruim 21 jaar. Nu het gaat om de
anciënniteitspositie van de ene vrouw tegenover de andere, zou er geen sprake
zijn van discriminatie op grond van geslacht.

7.2. Deze redenering van gedaagde gaat niet op. Het is immers grotendeels
toeval of degene die in plaats van eiseres ontslagen zou worden een man of
een vrouw is. Slechts het gedeelte van de werknemers dat in die peer-group
vrouw is, is daarvoor bepalend.
Anderzijds is de kans op anciënniteitsverlies door breuken in de carrière in
verband met het krijgen van kinderen en hun verzorging en opvoeding voor
vrouwen zonder meer vele malen groter dan voor mannen. Een bepaling van de
anciënniteit door samenvoeging van dienstverbanden zal over het geheel
genomen grotendeels vrouwen begunstigen, terwijl daartegenover een groep
vrouwen èn mannen benadeeld wordt, en niet waarschijnlijk is dat vrouwen
daarin vele malen oververtegenwoordigd zijn.

8.1. Op grond van het voorgaande moet het ontslag, al is toestemming door de
RDA verleend, toch aangemerkt worden als kennelijk onredelijk.

9.1. Ten overvloede:
Met betrekking tot de subsidiaire stelling van eiseres dat gedaagde geen
enkel te respecteren belang heeft bij het hanteren van de anciënniteitsregel
conform de beslissing van de RAD wordt opgemerkt dat het niet optellen van de
consecutieve dienstverbanden voor gedaagde het voordeel van de eenvoud heeft.
Bij het hanteren van het totaal van dienstverbanden als criterium rijzen
immers nieuwe vragen, zoals de vraag of werknemers die tussendoor elders
werkzaam geweest zijn op dezelfde manier behandeld moeten worden als eiseres.
De kantonrechter dunkt van wel, nu regels zo simpel mogelijk moeten zijn,
behoudens voldoende zwaarwegende redenen om daarvan af te wijken.

10.1. Eiseres heeft primair herstel van de dienstbetrekking gevorderd. Nu
aannemelijk is dat gedaagde na de reorganisatie haar niet in haar oude of een
vergelijkbare functie kan plaatsen, wordt de vordering tot herstel afgewezen,
met bepaling van een billijke schadevergoeding.

11.1. De kantonrechter bepaalt de schadevergoeding op ƒ 50 000 bruto, gelet
op leeftijd, duur van het dienstverband, en verdere omstandigheden, waaronder
de toepasselijkheid van de Regeling Aanpassing Personeelsbezetting van
gedaagde, op welke schadevergoeding gedaagde hetgeen ingevolge de R.A.P.
reeds aan eiseres is betaald in mindering kan brengen. Voorts geldt dat de
R.A.P. op eiseres van toepassing zal blijven met uitzondering van die
bepalingen die een betaling van gedaagde aan eiseres met zich zouden brengen.

12.1. De door eiseres gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden
afgewezen, nu, zoals gedaagde terecht aanvoert, het vonnis constitutief is
ten aanzien van de verplichting tot schadevergoeding, en gedaagde daarom tot
op heden niet in verzuim geweest kan zijn.

Gedaagde zal, als in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van eiseres
worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een schadevergoeding wegens
kennelijk onredelijk ontslag van het netto equivalent van ƒ 50 000
(vijftigduizend gulden), met dien verstande dat gedaagde op genoemd bruto
bedrag in mindering brenge hetgeen door haar op grond van de R.A.P. aan
eiseres bruto is voldaan.

veroordeelt gedaagde in de proceskosten aan de zijde van eiseres, tot op
heden begroot op ƒ 1570,60 aan verschotten, waaronder ƒ 1200 aan salaris van
de gemachtigde van eiseres.

Rechters

Mrs Van Schaijck-Hijmans Stoop

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 29 januari 1997

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Man en vrouw zijn gehuwd geweest uit welk huwelijk drie kinderen zijn geboren.
Het huwelijk is door inschrijving van het echtscheidingsvonnis beëindigd.
De vrouw krijgt de ouderlijke macht over twee dochters, de man over een
zoon. De vrouw heeft verzocht om een bijdrage van ƒ 300,= in de kosten
van de verzorging en opvoeding van de dochters en een bijdrage van ƒ 1000,=
voor haarzelf. De rechtbank heeft de bijdrage voor de dochters bepaald
op ƒ 300,= en voor de vrouw op ƒ 75,=. De man gaat in appel. Hij verzoekt
de bijdrage voor de vrouw op nihil te stellen en voor zijn dochters op
ƒ 175,= per kind per maand. De vrouw verzoekt bekrachtiging van de beschikking
van de rechtbank.
Het hof overweegt over de draagkracht van de man het volgende. Hoewel de
minderjarige zoon bij de man woont, zal het hof voor de noodzakelijke kosten
van levensonderhoud van de man uitgaan van het op de ABW-gebaseerde normbedrag
voor een zelfstandig wonende alleenstaand, exclusief woonkostencomponent.
Uitgangspunt hierbij is dat alle kinderen in gelijke mate recht hebben
op onderhoud van hun ouders. Niet gesteld of op andere wijze aannemelijk
is geworden dat de vrouw, naast de zorg voor de dochters, uit haar inkomen
kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van deze dochters
zodat, voor zover deze financiële situatie van de man daarvoor ruimte biedt,
de man de zoon en dochters in gelijke mate moet onderhouden. Daarom moet
de man als een zelfstandige wonende alleenstaande worden aangemerkt en
dienen de kosten van de zoon bij de bepaling van zijn draagkracht buiten
beschouwing te blijven. Voor zijn draagkrachtpercentage zal worden uitgegaan
van zeventig procent. De man heeft een draagkrachtruimte van ongeveer ƒ
900,= per maand, zodat hij ƒ 300,= per maand per kind kan bijdragen voor
de dochters. Daarmee is de grens van zijn draagkracht bereikt, er is geen
ruimte voor een financiële bijdrage voor de vrouw.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg

Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte fotocopie van die
beschikkingen, waarvan beroep.

2. Het geding in hoger beroep

Van die beschikkingen bij eerdergemeld verzoekschrift in hoger beroep gekomen
heeft de man een grief aangevoerd, produkties overgelegd en verzocht de
bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen
dat:

– het bedrag dat de man als bijdrage dient te voldoen terzake van verzorging
van de uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen geboren
minderjarige R., met ingang van 30 januari 1996 op nihil wordt vastgesteld,
althans op een lager bedrag dan het thans geldende bedrag;
– de hoogte van de tot 30 januari 1996 verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld
op het bedrag dat in feite is betaald.

Bij op 12 november 1996 ter griffie van dit hof ingekomen verweerschrift
heeft de vrouw de grief van de man bestreden, en verzocht het verzoek van
de man af te wijzen en de beschikkingen van de arrondissementsrechtbank
te Breda van 18 april 1996 en 12 augustus 1996 te bevestigen, desnodig
onder verbetering van de gronden waarop zij berusten, kosten rechtens.

Ter terechtzitting met gesloten deuren van dit hof van 3 januari 1997 zijn
gehoord: partijen, bijgestaan door hun raadslieden.

3. De gronden van het hoger beroep

De eerste grief van de man luidt dat de rechtbank ten onrechte in haar
beschikking van 18 april 1996 onder 3.3. overweegt dat:

” de omstandigheid dat de man – naar tussen partijen vaststaat – niet de
biologische vader van de minderjarige is, niet afdoet aan de onderhoudsplicht
die op hem rust krachtens de familierechtelijke betrekking tussen hem als
ouder en de minderjarige als wettig kind. Evenmin doet daaraan af – zoals
de man stelt – het hem feitelijk onmogelijk wordt gemaakt omgang met de
minderjarige te hebben.”

De tweede grief van de man richt zich tegen de beschikking van 12 augustus
1996, waarbij aan hem een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van zijn minderjarige kind is opgelegd ad ƒ 250,= per maand.

4. De beoordeling

4.1. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard geen prijs
meer te stellen op een door te man te betalen bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen, welke bijdrage
na indexering thans ƒ 252,72 bedraagt.

4.1.1. Voorts heeft de vrouw ter zitting ingestemd met nihilstelling van
voormelde alimentatiebijdrage met ingang van 1 februari 1997.
In hoger beroep heeft de man weliswaar verzocht de alimentatiebijdrage
met ingang van 1 januari 1996 vast te stellen op nihil, maar ter zitting
heeft de man eveneens ingestemd met nihilstelling van de aan hem opgelegde
bijdrage per 1 februari 1997.

4.2. Aldus is de rechtstrijd tussen partijen beëindigd, waardoor geen taak
meer is weggelegd door het hof zich uit te laten over de verschuldigdheid
van deze kinderalimentatie.

4.3. Het vorenstaande brengt met zich mee dat de door de man in appel opgeworpen
grief geen bespreking meer behoeft, en dat dient te worden beslist op de
in het dictum aangegeven wijze.

4.4. In de omstandigheid dat partijen elkaars gewezen echtgenoten zijn,
vindt het hof aanleiding de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen
partijen te compenseren als na te melden.

5. De beslissing

Het gerechtshof:

Vernietigt de beschikking van 12 augustus 1996
Stelt – met wijziging van de beschikking van de arrondissementsrechtbank
te Breda van 29 september 1994 – de door de man te betalen bijdrage in
de kosten van verzorging en opvoeding van het minderjarige kind van partijen
met ingang van 1 februari 1997 alsnog nader vast te stellen op nihil.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen
in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Dorn, Van Teefelen en Meulenkamp

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 januari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie bij de wederpartij
gesolliciteerd. De wederpartij hanteert een voorkeursbeleid voor onder
meer etnische of culturele minderheden. Bij gelijke geschiktheid wordt
aan een kandidaat uit een doelgroep de voorkeur gegeven. Verzoeker behoort
tot één van de doelgroepen en heeft een sollicitatiegesprek gevoerd met
de wederpartij. De wederpartij heeft een kandidaat aangenomen die niet
van allochtone afkomst was, maar die de betreffende werkzaamheden reeds
eerder voor de wederpartij had uitgevoerd.
Ondanks een jarenlang voorkeursbeleid zijn bij de wederpartij geen allochtone
medewerkers in dienst. Vacatures worden meestal intern vervuld. De Commissie
is van oordeel dat in dergelijke situaties bij een externe werving van
een werkgever een (extra) inspanning mag worden verwacht om invulling te
geven aan het voorkeursbeleid. De Commissie overweegt dat een voorkeursbeleid
met zich brengt dat zorgvuldig moet worden getoetst of een kandidaat geschikt
is, aan de hand van voor de functie relevante vereisten. De omstandigheid
dat de andere kandidaat reeds eerder dezelfde werkzaamheden bij de wederpartij
heeft verricht, betekent niet noodzakelijkerwijs dat deze daardoor meer
geschikt is voor de functie. De afwijking van het voorkeursbeleid wordt
hierdoor derhalve niet gerechtvaardigd.
De wederpartij heeft in het sollicitatiegesprek met verzoeker vragen gesteld
over discriminatie. De Commissie oordeelt dat dergelijke vragen niet relevant
zijn voor het beoordelen van de geschiktheid van verzoeker voor de functie.
Strijd met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1. Op 30 juli 1996 verzocht de heer (…) te Lemmer (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag
of door het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lemsterland
(hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid is gemaakt in strijd met
de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker solliciteerde bij de wederpartij naar de functie van `medewerker
Groen/Algemene dienst’ bij de sector Openbare Werken. Het betrof een tijdelijke
functie voor de duur van een half jaar. Verzoeker werd opgeroepen voor
een gesprek. Vervolgens werd verzoeker afgewezen voor de functie. Verzoeker
is van Surinaamse afkomst en is van mening dat de wederpartij door hem
af te wijzen voor de functie, in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoekschrift in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 18 november 1996.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (gemeentesecretaris)
– dhr. (…) (sectorhoofd Openbare Werken)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie in een plaatselijke
krant van 5 juni 1996, schriftelijk gesolliciteerd bij de wederpartij naar
de functie van `medewerker Groen/Algemene dienst’ bij de sector Openbare
Werken. De functie hield volgens de advertentie onder meer in het verrichten
van alle voorkomende werkzaamheden bij de plantsoenendienst en de reinigingsdienst
en het uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden in het kader van onderhoud
aan wegen, straten en riolen. Het betrof een tijdelijke aanstelling voor
de duur van een half jaar. De advertentie vermeldt onder functie-eisen:
`Enige ervaring met bovengenoemde werkzaamheden.’

3.2. In de nota Werving en Selectie van de wederpartij, staat
dat in beginsel altijd eerst intern geworven wordt. In de aanpassing nota
Werving en Selektie van 19 maart 1996 worden nadere regels gesteld. Uit
genoemde nota blijkt dat de wederpartij een voorkeursbeleid voert. Dit
beleid houdt in dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur wordt gegeven
aan vrouwen, minderheden of gehandicapten, teneinde een bijdrage te leveren
aan het verminderen van hun achterstand op de arbeidsmarkt. Het voorkeursbeleid
is niet in de advertentie vermeld. De wederpartij heeft verklaard dat dit
op een vergissing berust. Verzoeker is van Surinaamse afkomst.

3.3. Op de advertentie hebben circa vijftien personen gereageerd. Er zijn
na de selectie vijf sollicitanten opgeroepen, onder wie verzoeker. Verzoeker
was de enige kandidaat van allochtone afkomst. Bij het sollicitatie gesprek
met verzoeker waren van de kant van de wederpartij twee personen aanwezig,
onder wie het hoofd Openbare Werken. De dag na het gesprek werd telefonisch
aan verzoeker meegedeeld dat de keuze niet op hem was gevallen.

3.4. Verzoeker heeft vervolgens het hoofd Openbare Werken gevraagd hem
schriftelijk de argumenten voor de afwijzing mee te delen. In reactie daarop
werd hem door de wederpartij schriftelijk bericht dat de wederpartij had
gekozen voor iemand die reeds eerder dezelfde werkzaamheden voor de gemeente
had verricht.

3.5. Verzoeker heeft naar aanleiding van zijn sollicitatie contact opgenomen
met een raadslid van de gemeente van de wederpartij. Deze heeft de wederpartij
daarop geschreven dat de voorkeur van de gemeente voor iemand die eerder
bij de gemeente deze werkzaamheden heeft verricht in combinatie met het
tijdelijke karakter van de functie bevreemding kan wekken. Verder maakt
het raadslid de wederpartij erop attent dat er, voor zover hem bekend,
niet of nauwelijks mensen van allochtone afkomst bij de wederpartij werken.

De wederpartij heeft het raadslid vervolgens schriftelijk meegedeeld dat
er bij het aannemen van personeel geen onderscheid wordt gemaakt tussen
allochtonen en niet-allochtonen.

De standpunten van partijen

Verzoeker stelt het volgende.

3.6. De wederpartij vervult haar vacatures al 20 jaar door middel van interne
werving. Het gaat daarbij om alle vacatures, van welk niveau dan ook. Verzoeker
stelt dat dit ertoe leidt, dan wel heeft geleid, dat geen allochtonen bij
de gemeente werkzaam zijn. Verzoeker heeft de wederpartij diverse malen
gevraagd of het niet mogelijk was allochtonen aan te nemen.
Op die vraag heeft verzoeker nooit antwoord gekregen.

3.7. Uiteindelijk heeft verzoeker één keer een advertentie gezien waaruit
bleek dat de wederpartij ook externe kandidaten wilde werven, namelijk
de advertentie voor de onderhavige vacature. Verzoeker heeft toen direct
gesolliciteerd.

3.8. Tijdens het sollicitatiegesprek werden aan verzoeker twee vragen gesteld.
De eerste vraag was `Wat vindt u van discriminatie?’ en de tweede vraag
was `Wat vindt u ervan om buiten de normale uren te moeten werken?’. Met
betrekking tot de eerste vraag antwoordde
verzoeker dat deze niet relevant was. Verzoeker is van mening dat aan hem
niet meer of andere vragen gesteld dienen te worden dan aan sollicitanten
van autochtone afkomst.
Ten aanzien van de tweede vraag antwoordde verzoeker, kort gezegd, dat
dit voor hem geen probleem was.

3.9. De wederpartij heeft gekozen voor iemand die reeds eerder deze werkzaamheden
voor de gemeente heeft verricht. Deze voorkeur staat niet in de advertentie
vermeld. De wederpartij heeft weliswaar aangegeven bij gelijke geschiktheid
bereid te zijn iemand van allochtone afkomst een baan te bieden. In zijn
geval is echter niet gelet op gelijke geschiktheid, omdat voorkeur werd
gegeven aan iemand die al eerder bij de wederpartij had gewerkt.

De wederpartij stelt het volgende.

3.10. De vastgestelde nota Werving en Selectie bepaalt dat voor elke functie
een advertentie dient te worden geplaatst na het doorlopen van een interne
procedure. De interne procedure is in dit geval achterwege gebleven, omdat
daaruit geen kandidaten waren te verwachten.

3.11. De geselecteerde kandidaten hebben allen eenzelfde gesprek gehad
met dezelfde personen. Aan hen zijn steeds dezelfde vragen gesteld.

3.12. In het gesprek met verzoeker is niet gevraagd `Wat vindt u van discriminatie?’
maar `Heeft u last van discriminatie?’. De bedoeling hiervan was na te
gaan of verzoeker met dit probleem kon omgaan. Verzoeker gaf in zijn antwoord
aan daarvan geen last te hebben. De vraag was relevant omdat verzoeker
in een omgeving zou komen te werken waarin men niet gewend is een blad
voor de mond te nemen.

3.13. Meer in het algemeen acht de wederpartij het relevant om door een
brede vraagstelling inzicht te krijgen in de persoon van de kandidaat,
omdat naast kennis en ervaring de mogelijkheden tot samenwerking in een
kleine organisatie van wezenlijk belang zijn.

3.14. Uit de geselecteerden is een keuze gemaakt. De wederpartij heeft
ter zitting aangegeven dat er zoveel geschikte kandidaten waren, dat zij
daaruit de meest geschikte heeft gekozen. De keuze is gevallen op iemand
die reeds eerder dezelfde werkzaamheden voor de wederpartij had verricht.
Een aanvullende reden was de zekerheid dat aan de benoeming van deze kandidaat
geen verdere (morele) verplichtingen voor volgende jaren waren verbonden.
De benoemde persoon zou na december 1996 in dienst treden bij een andere
werkgever. Gezien het feit dat de wederpartij in 1997 geconfronteerd wordt
met arbeidsduurverkorting en op dit moment niet kan voorzien wat voor gevolgen
dat voor losse krachten zal hebben, is gekozen voor deze minst risicovolle
oplossing.

3.15. De selectie van kandidaten heeft op zakelijke gronden plaatsgevonden
en verzoeker is volstrekt gelijk behandeld aan de andere kandidaten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid heeft gemaakt op
grond van ras zoals verboden in de AWGB.

4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel
1 AWGB, het maken van onderscheid naar ras onder meer bij de behandeling
bij de vervulling van een openstaande betrekking.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag
inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie
van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens: huidskleur, afkomst,
of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991,
nr. 3, pag. 13.).

4.3. In de AWGB is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de
wet neergelegde verbod van onderscheid. Met betrekking tot de grond ras
is de volgende uitzonderingen in dit geval relevant.
In artikel 2 lid 3 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid naar
ras niet geldt in geval van voorkeursbeleid voor etnische of culturele
minderheidsgroepen.

4.4. In geding is de vraag of de selectieprocedure die door de wederpartij
is gehanteerd direct dan wel indirect onderscheid op grond van ras teweeg
brengt.

De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

4.5. Door de wederpartij wordt bij de werving en selectie al jaren een
voorkeursbeleid gevoerd voor onder meer etnische of culturele minderheden.
Het voorkeursbeleid houdt in dat bij gelijke geschiktheid aan een kandidaat
uit één van de doelgroepen de voorkeur wordt gegeven. Verzoeker behoort
tot één van de doelgroepen en derhalve is het voorkeursbeleid op hem van
toepassing.

4.6. In de onderhavige selectieprocedure hebben vijftien kandidaten gesolliciteerd.
Er zijn vijf kandidaten uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Onder
hen bevond zich verzoeker, de enige kandidaat van allochtone afkomst. De
selectie van de kandidaten voor de uitnodiging is geschied in het licht
van een te voren bekendgemaakte functie-eis, te weten het beschikken over
enige relevante werkervaring. Verzoeker is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek
omdat hij aan deze functie-eis voldeed. Hij werd afgewezen omdat door de
wederpartij de voorkeur werd gegeven aan een kandidaat die reeds eerder
genoemde werkzaamheden voor de wederpartij had verricht. De wederpartij
heeft ter zitting nader toegelicht dat er zoveel geschikte kandidaten waren
dat zij daaruit de meest geschikte heeft gekozen.

4.7. De Commissie constateert dat bij de wederpartij geen allochtone medewerkers
in dienst zijn, hoewel de wederpartij al jaren een voorkeursbeleid voor
etnische en culturele minderheden bij de werving en selectie voert. Bij
de wederpartij worden bijna alle vacatures door middel van interne selectieprocedures
vervuld.
De mogelijkheden om de gewenste etnische samenstelling van de organisatie
van de wederpartij te bereiken, zijn derhalve beperkt tot het voeren van
voorkeursbeleid bij de externe invulling van de (schaarse) vacatures. Dit
brengt met zich dat als zich een situatie voordoet waarin het mogelijk
is om het voorkeursbeleid toe te passen, van de wederpartij verwacht mag
worden dat zij zich (extra) inspant om daaraan invulling te geven.

4.8. De Commissie heeft in het kader van selectieprocedures reeds eerder
uitgesproken dat een voorkeursbeleid met zich brengt dat de selectiecommissie
zorgvuldig moet nagaan of sprake is van gelijke dan wel ongelijke geschiktheid
(Zie Commissie gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid, 27
mei 1991, oordeelnummer 345-91-32, Commissie gelijke behandeling, 23 december
1996, oordeelnummer 96-119.). In gevallen als de onderhavige berust er
bij gelijke geschiktheid immers een aanstellingsverplichting op de werkgever
van een kandidaat uit één van de groepen waar het voorkeursbeleid op is
gericht.

4.9. De door de werkgever te betrachten zorgvuldigheid brengt met zich
dat de geschiktheid van de kandidaat getoetst moet worden aan de hand van
vereisten die relevant zijn voor de uitoefening van de werkzaamheden. De
vraag die zodoende voorligt, is of de wijze waarop door de wederpartij
werd geselecteerd in strijd is met de zorgvuldigheidseisen die gelet op
het toepasselijke voorkeursbeleid uit de AWGB voortvloeien.

De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

De keuze voor de autochtone kandidaat werd gerechtvaardigd door de wederpartij
vanwege het feit dat hij eerder dezelfde werkzaamheden bij de gemeente
had verricht. Dit houdt naar het standpunt van de wederpartij in dat zij
heeft gekozen voor de beste kandidaat en er dus geen sprake was van gelijke
geschiktheid.

De Commissie is van oordeel dat door de werkgever niet lichtvaardig geconcludeerd
mag worden dat een kandidaat beter geschikt is, teneinde te voorkomen dat
het voorkeursbeleid illusoir wordt gemaakt. Deze zorgvuldigheidsnorm dient,
met name in organisaties waarin een jarenlang gevoerd voorkeursbeleid geen
enkel effect heeft gesorteerd, strikt te worden nageleefd.

Het stond de wederpartij in beginsel vrij om de vijf kandidaten met elkaar
te vergelijken. De omstandigheid dat de geselecteerde kandidaat reeds eerder
dezelfde werkzaamheden bij de wederpartij had verricht, betekent echter
niet noodzakelijkerwijs dat hij daardoor meer of beter geschikt zou zijn
voor het uitoefenen van bedoelde werkzaamheden dan de andere kandidaten.
Nu de wederpartij geen andere relevante argumenten heeft aangevoerd, is
de Commissie niet overtuigd dat de geselecteerde kandidaat zodanig meer
geschikt was dat zulks een afwijking van het voorkeursbeleid rechtvaardigde.

Daar komt nog bij dat de wederpartij tijdens het sollicitatiegesprek discriminatie
aan de orde heeft gesteld. Partijen verschillen van mening over de wijze
waarop dat is geschied.

Zelfs indien het standpunt van de wederpartij juist zou zijn, dat zij slechts
gevraagd heeft of verzoeker last heeft van discriminatie, is de Commissie
met verzoeker van mening dat dergelijke vragen niet relevant zijn voor
het beoordelen van de geschiktheid van betrokkene voor de functie. Bovendien
rijst de vraag op welke wijze de wederpartij gehandeld zou hebben, indien
verzoeker geantwoord zou hebben dat hij wel last heeft van discriminatie.

4.10. Op bovenstaande gronden is de Commissie van oordeel dat de beoordeling
van de sollicitatie van verzoeker in strijd is met de uit het voorkeursbeleid
voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichting. De wederpartij heeft hierdoor
jegens verzoeker in de selectieprocedure verboden onderscheid op grond
van ras gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester
en Wethouders te Lemmer, gezien de wijze waarop zij van het voorkeursbeleid
is afgeweken, in strijd heeft gehandeld met artikel 2 lid 3 juncto artikel
1 van de Algemene wet gelijke behandeling en daarmee jegens de heer (…)
te Lemmer verboden onderscheid naar ras heeft gemaakt in de selectieprocedure.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R Rodrigues(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 januari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam in de functie van
conciërge/beheerder van een gymnastieklokaal. Zij is van mening dat zij
arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verrichtte als haar
collega, de heer (…) (hierna: maatman), terwijl zij een lagere beloning
ontving.
Onbetwist is dat het niveau van de functies van verzoekster en de maatman
gedurende de onderzoeksperiode van gelijke waarde waren. De Commissie heeft
de functies derhalve niet laten waarderen.
Vaststaat dat vanaf het begin van de onderzoeksperiode tot 1 januari 1988 op
de maatman de beloningsmaatstaven salarisschaal en anciënniteit zijn
toegepast, terwijl deze beloningsmaatstaven op verzoekster niet van
toepassing waren.
Hierdoor is er een verschil in beloning ontstaan tussen verzoekster en de
maatman, terwijl hun functies van gelijke waarde waren. Om de maatman te
kunnen benoemen in zijn functie van beheerder van een nieuwe sportzaal was
het noodzakelijk om hem in een functieschaal in te delen. Dit gold niet voor
de functie van verzoekster. Maar verzoekster had desondanks (met
terugwerkende kracht) gelijktijdig met de maatman ingeschaald kunnen worden.
De wederpartij heeft dit nagelaten.
Hieruit vloeit voort dat de wederpartij in strijd met de wet heeft gehandeld
door verzoekster op 1 januari 1988 niet hoger in te schalen.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 18 oktober 1995 verzocht mevrouw (…) te Kortenhoef (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het College van Burgemeester en
Wethouders van de gemeente ’s Graveland te ’s Graveland (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam in de functie van
conciërge/beheerder van een gymnastieklokaal. Zij is van mening dat zij
arbeid van gelijke dan wel nagenoeg gelijke waarde verrichtte als haar
collega, de heer (…) (hierna: maatman), terwijl zij een lagere beloning
ontving. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
toe te lichten.
De Commissie heeft een onderzoek ter plaatse ingesteld. Zij is hierbij
ondersteund door de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid (hierna: Arbeidsinspectie). In het kader van dit onderzoek
zijn gesprekken gevoerd met verzoekster en de wederpartij.
Van het onderzoek ter plaatse is een rapport opgemaakt welke is uitgebracht
in augustus 1996.
2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 17 december 1996.
Ter zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. mr. J.M. Legeland (advocaat)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (personeelsfunctionaris)
– dhr. mr. (…) (gemachtigde)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer)

van de kant van de Arbeidsinspectie
– dhr. M. van ’t Laar (bedrijfskundige).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. Verzoekster is 1970 tot 1991 bij de wederpartij in dienst geweest. De
maatman is in 1969 bij de wederpartij in dienst getreden en werkte er tijdens
het onderzoek van de Commissie nog steeds.
Verzoekster werkte in de functie van conciërge/beheerder van een
gymnastieklokaal. De maatman heeft achtereenvolgens als functie gehad
beheerder van een verenigingslokaal, schoonmaker/conciërge van een lagere
school, beheerder van een sportzaal en beheerder van een sporthal.
Eind 1991 zijn de functies van verzoekster en de maatman beschreven en
vervolgens begin 1992 gewaardeerd met het Gemeentelijk
Functiewaarderingssysteem. Dit leidde tot de conclusie dat deze functies
thuishoorden in hoofdgroep II met 7 punten. Dit resultaat kwam overeen met
inschaling in salarisschaal 3.
3.2. Tot 1 mei 1978 waren verzoekster en de maatman niet in een salarisschaal
ingedeeld. Vanaf 1 mei 1978 werd de maatman – in tegenstelling tot
verzoekster – in een salarisschaal ingedeeld. Hierdoor ontstond een verschil
in de maatstaven van beloning en verdiende hij vanaf die datum (omgerekend
naar een voltijddienstverband) meer dan verzoekster. De onderzoeksperiode is
derhalve afgebakend van 1 mei 1978 tot 1 december 1991, dus vanaf
de datum waarop de maatman, anders dan verzoekster, werd ingedeeld in een
salarisschaal tot de datum waarop verzoekster uit dienst getreden is.
3.3. Gedurende de onderzoeksperiode hanteerde de wederpartij de volgende
beloningsmaatstaven.
Tot 1 januari 1988 was de beloningshoogte van de schoonmakers en beheerders
afhankelijk van:
– het toegepaste uurloon
– het geschatte aantal werkuren
– de algemene salarisronden.
Voor de overige werknemers, dat wil zeggen de ambtenaren in dienst van de
wederpartij, werden de volgende beloningsmaatstaven gehanteerd:
– de toegepaste salarisschaal
– anciënniteit
– algemene salarisronden
– de deeltijd factor.
3.4. Per 1 januari 1978 was bij de wederpartij de schaalindeling in schaal 3
als volgt. Men ontving een periodieke verhoging bij een anciënniteit van 1
tot en met 5 en bij een anciënniteit van 11, 13 en 15.
Vanaf 1984 werden de salarisschalen van het Buitengewoon Besluit Rijks
Ambtenaren gehanteerd (BBRA 1984). Volgens de BBRA 1984 was de indeling in
schaal 3 als volgt. Men ontving een periodieke verhoging bij een anciënniteit
van 1 tot en met 6 en bij een anciënniteit van 11, 13 en 15.
3.5. Verzoekster (geboortedatum 8 mei 1935) is op 16 september 1970 bij de
wederpartij in dienst getreden. Haar salaris was afgestemd op een geschatte
werkdruk van 25 uur per week. Op 25 september 1989 is verzoekster
arbeidsongeschikt geworden en is dit gebleven tot de datum van ontslag.
Gedurende de gehele diensttijd is haar functie in grote lijnen gelijk
gebleven.
De salarishistorie van verzoekster ziet er als volgt uit.
Verzoekster is aangesteld met een salaris van ƒ 400 bruto per maand. Het is
niet bekend op basis van hoeveel uren en welk uurloon dit salaris destijds is
vastgesteld. Herberekening door wederpartij in 1991 leidde tot een bruto
uurloon van ƒ 3,92 bij een geschatte werktijd van 25 uren per week per medio
1970. Verzoeksters salaris is bij de algemene salarisronden periodiek
verhoogd.
De functiewaardering eind 1991 heeft er in eerste instantie niet toe geleid
dat verzoekster in salarisschaal 3 werd ingeschaald. De reden hiervoor was
dat verzoekster per 1 december 1991 uit dienst was getreden.
Verzoekster heeft per toeval ontdekt dat de maatman een hoger salaris dan zij
verdiende. Zij heeft deze kwestie op 9 april 1992 bij de wederpartij
aangekaart. Dit heeft ertoe geleid dat de wederpartij op 16 maart 1993
besloot om verzoekster alsnog met terugwerkende kracht tot 1 januari 1988 in
te schalen in salarisschaal 3 met 0 periodieken. Hier bovenop kreeg zij de
jaarlijkse periodieke verhogingen tot de datum van haar ontslag. Het verschil
tussen het feitelijk betaalde salaris tijdens haar dienstverband en het
opnieuw berekende salaris na verzoeksters ontslag is in 1993 cumulatief aan
verzoekster uitgekeerd. De volledige salarishistorie van verzoekster ziet er
als volgt uit.

SALARISHISTORIE VAN VERZOEKSTER

DATUM SALARIS BIJ 25 UUR/WEEK SALARIS BIJ VOLTIJD OPMERKINGEN
16-09-1970 ƒ 400 ƒ 660 datum aanstelling; deeltijdfactor 25/41,25
01-01-1971 – 422 – 696,30 collectieve verhoging 5,5%
01-04-1971 – 427,84 – 705,94 + 1,38%
01-07-1971 – 447,09 – 737,70 + 4,5%
01-01-1972 – 459,61 – 758,36 + 2,8%
01-04-1972 – 478 – 788,70 + 4%
01-01-1973 – 522,12 – 861,50 + 9,23%
01-08-1973 – 556,06 – 917,50 + 6,1%
01-09-1973 – 600 – 990 + 7,9%
01-01-1974 – 618 – 1.019,70 + 3%
01-04-1974 – 636,54 – 1.050,29
01-07-1974 – 672,19 – 1.109,11
01-01-1975 – 702,44 – 1.159,03
01-04-1975 – 1.123,90 deeltijdfactor wordt 25/40
01-08-1975 – 772,68 – 1.236,29
01-01-1976 – 807,45 – 1.291,92
01-04-1977 – 842,17 – 1.347,47
01-08-1977 – 874,34 – 1.398,94
01-01-1978 – 885,79 – 1.417,26
01-05-1978 – 885,79 – 1.417,26 begin onderzoeksperiode
01-06-1978 – 903,51 – 1.445,62
01-08-1978 – 916,16 – 1.465,86
01-05-1979 – 932,01 – 1.491,22
01-07-1979 – 944,13 – 1.510,61
01-01-1980 – 964,62 – 1.543,39
01-07-1980 – 959,80 – 1.535,68
01-01-1981 – 972,28 – 1.555,65
01-07-1981 – 1.003,68 – 1.605,89
01-01-1982 – 1.037,30 – 1.659,68
01-07-1982 – 1.051,82 – 1.682.91
01-01-1984 – 1.020,27 – 1.632,43
01-06-1985 – 1.116,18 – 1.785,89
01-08-1985 – 1.696,59 deeltijdfactor wordt 25/38
01-09-1987 – 1.121,76 – 1.705,08 collectieve verhoging
01-01-1988 – 1.342,76 – 2.041 indeling in salarisschaal 3
01-01-1989 – 1.381,58 – 2.100 periodieke verhoging (anc. 1)
01-01-1990 – 1.440,80 – 2.190 periodieke verhoging (anc. 2)
01-04-1990 – 1.478,29 – 2.247 collectieve verhoging
01-01-1991 – 1.544,74 – 2.348 periodieke verhoging (anc. 30
01-04-1991 – 1.597,37 – 2.428 collectieve verhoging
01-12-1991 – 1.597,37 – 2.428 datum ontslag;
einde onderzoeksperiode

3.6. De maatman (geboortedatum 3 december 1931) is op 1 maart 1969 bij de
wederpartij in dienst getreden.
Zijn salarishistorie ziet er als volgt uit.
De maatman werd aangesteld met een salaris van ƒ 416,67 bruto per maand. Het
is niet bekend op basis van hoeveel uren en welk uurloon dit salaris destijds
is vastgesteld. Herberekening door de wederpartij leidde tot een bruto
uurloon van ƒ 3,92 per medio 1970 bij een geschatte werktijd van 26,5 uren
per week. Dit salaris is bij de algemene salarisronden periodiek verhoogd.
Op 1 januari 1971 ging de maatman 30 uur per week werken, waarbij zijn
salaris werd verhoogd van ƒ 447 naar ƒ 503 bruto per maand. Bij omrekening
naar een voltijd salaris blijkt zijn salaris verlaagd te zijn, terwijl dit
per 1 januari 1971 ten gevolge van een loonronde met 5,5% verhoogd had dienen
te worden. De reden van deze (relatieve) verlaging is niet bekend.
Op 1 mei 1978 werd de maatman beheerder van een sportzaal. Hij bleef 30 uur
per week werken. Voor aanstelling in deze functie was indertijd een
raadsbesluit nodig, omdat er sprake was van een nieuwe accommodatie, waarvoor
het budget moest worden goedgekeurd. Dit was de reden waarom de maatman,
anders dan verzoekster, in een salarisschaal werd ingedeeld. Hij werd
aangesteld in salarisschaal 3 met 3 periodieken. Deze indeling ging gepaard
met een salarisverhoging van ƒ 431,57 bruto per maand (ƒ 575,43 op basis van
een voltijd dienstverband). Deze salarisverhoging is voor circa de helft toe
te schrijven aan de indeling in salarisschaal 3 en voor de helft aan het
toekennen van 3 periodieke verhogingen. De wederpartij weet niet wat de reden
is dat de maatman 3 periodieken heeft gekregen bij de plaatsing in schaal 3.
Per 1 januari 1984 werd het dienstverband van de maatman omgezet in een
voltijd dienstverband van 40 uur per week. De reden hiervoor was dat de
wederpartij vond dat de taakomvang van de maatman zodanig was, dat 30 uur per
week niet toereikend was. Het resultaat van de functiewaardering eind 1991
kwam overeen met de salarisschaal waarin de maatman reeds was ingedeeld. De
functiewaardering had derhalve geen invloed op zijn salaris. De volledige
salarishistorie van de maatman ziet er als volgt uit.

SALARISHISTORIE VAN MAATMAN

DATUM SALARIS BIJ SALARIS BIJ OPMERKINGEN
DEELTIJDFACTOR VOLTIJD
01-03-1969 ƒ 416,67 ƒ 648,59 datum aanstelling; deeltijdfactor 26,5/41,25
01-07-1969 – 425 – 661,56
01-01-1970 – 447 – 695,80
01-01-1971 – 503 – 691,62 deeltijdfactor 30/41,25
01-04-1971 – 508 – 698,50
01-07-1971 – 530,86 – 729,93
01-01-1972 – 545,72 – 750,36
01-04-1972 – 567,55 – 780,38
01-01-1973 – 619,93 – 852,40
01-08-1973 – 660,23 – 907,82
01-01-1974 – 680,03 – 935,04
01-04-1974 – 700,43 – 963,09
01-07-1974 – 739,65 – 1.017
01-01-1975 – 772,93 – 1.062,78
01-04-1975 – 772,93 – 1.030,57 deeltijdfactor 30/40
01-08-1975 – 850,22 – 1.133,63
01-01-1976 – 888,48 – 1.184,64
01-04-1977 – 926,68 – 1.235,57
01-08-1977 – 962,08 – 1.282,77
01-01-1978 – 974,68 – 1.299,57
01-05-1978 – 1.406,25 – 1.875 gem. ambtenaar 3, anc. 3; begin onderzoeksperiode
01-06-1978 – 1.434 – 1.912
01-08-1978 – 1.454,25 – 1.939
01-05-1979 – 1.536 – 2.048 periodieke verhoging (anc. 4)
01-07-1979 – 1.559,25 – 2.079
01-01-1980 – 1.596 – 2.128
01-05-1980 – 1.649,25 – 2.199 periodieke verhoging (anc. 5)
01-07-1980 – 1.640,25 – 2.187
01-01-1981 – 1.665 – 2.220
01-07-1981 – 1.718,25 – 2.291
01-01-1982 – 1.778,25 – 2.371
01-07-1982 – 1.804,50 – 2.406
01-01-1984 – 2.334 – 2.334 voltijd dienstverband (40 uur)
01-06-1985 – 2.567 – 2.567
01-08-1985 – 2.567 – 2.567 normale werktijd 38 uur/week
01-01-1986 – 2.567 – 2.567
01-05-1986 – 2.643 – 2.643 periodieke verhoging (anc. 6)
01-09-1987 – 2.654 – 2.654
01-05-1988 – 2.736 – 2.736 periodieke verhoging (anc. 7)
01-01-1989 – 2.755 – 2.755
01-05-1989 – 2.836 – 2.836 periodieke verhoging (anc. 8)
01-04-1990 – 2.909 – 2.909
01-04-1991 – 3.008 – 3.008
01-12-1991 – 3.008 – 3.008 einde onderzoeksperiode

3.7. Verzoekster heeft deze zaak ook aan de rechter voorgelegd. De rechtbank
heeft de zaak op formele gronden niet-ontvankelijk verklaard. Daarna is de
zaak aan de Centrale Raad van Beroep voorgelegd, die de uitspraak van de
rechter heeft bevestigd.

Standpunten van partijen
3.8. Verzoekster brengt het volgende naar voren.
Zij stelt dat haar functie en die van de maatman gedurende haar hele
dienstverband van gelijke zwaarte zijn geweest. Toch is verzoekster pas tien
jaar later dan de maatman in de salarisschaal ingedeeld die bij haar functie
hoorde. Bovendien werd zij toen in salarisschaal 3 met 0 periodieken
ingedeeld. Verzoekster is van mening dat zij op het moment van inschaling
(per 1 januari 1988) in het maximum van schaal 3 ingedeeld had moeten worden.
De maatman (die al sinds 1 maart 1969 in schaal 3 ingedeeld was) was op dat
moment immers al geruime tijd in het maximum van schaal 3 ingedeeld. Volgens
verzoekster heeft de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling gehandeld.
3.9. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
Zij erkent dat er tussen verzoekster en de maatman een ongelijkheid bestaat
in de functie-indeling. Op basis van het toen (1 januari 1971) geschatte te
verwachten gebruik van de sportzaal waar de maatman ging werken, werd hij
voor 30 uur per week aangesteld.
Gelet op het criterium van een volledige werktaak was er in ieder geval alle
reden om de beloning van de maatman in schaal 3 in te delen toen hij per 1
januari 1984 40 uur per week ging werken. Immers, de betreffende
werkzaamheden werden veelal gezien als nevenfuncties die men naast een andere
betaalde functie verrichtte. Het feit dat de maatman een volledige
aanstelling kreeg, betekende dat er niet langer sprake kon zijn van
nevenwerkzaamheden en dat had consequenties voor de beloning.
De reden waarom de maatman bij zijn inschaling per 1 mei 1978 drie
periodieken kreeg, was dat hij per die datum niet alleen beheerder van een
sportzaal werd, maar tevens werd belast met de exploitatie van de kantine van
de sportzaal. Deze combinatie rechtvaardigde – mede gelet op het feit dat het
aantal uren aanwezigheid niet exact was te bepalen – deze inpassing c.q.
verhoging.
Uitgangspunt bij de schaalindeling van nieuwe ambtenaren is het niveau van de
functie op basis van functiewaardering en de mate van geschiktheid. Daarbij
speelt ook het arbeidsverleden en het daarin behaalde salaris een rol. Een
verbetering met één of twee periodieken ten opzichte van de oude functie acht
de wederpartij niet onredelijk.
De standaardregeling bij inschaling met terugwerkende kracht is dat de
terugwerking niet langer is dan twee jaar. Deze regeling is mede gebaseerd op
jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Dit is de reden dat
verzoekster niet eerder dan per 1 januari 1988 is ingeschaald. Hierbij
speelde mee dat ten tijde van de besprekingen tussen verzoekster en de
wederpartij over haar inschaling, verzoekster bezig was met een procedure in
verband met haar arbeidsongeschiktheid. Het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds
accepteert niet dat iemand vlak voor een afkeuring nog met terugwerkende
kracht een grote salarisverhoging ontvangt, omdat de uitkering gebaseerd
wordt op het laatst genoten salaris en de uitkering aldus zou worden
opgedreven.
De wederpartij wijst erop, dat ook mannelijke schoonmakers bij de gemeente
niet vanaf het begin van hun aanstelling zijn ingeschaald in schaal 3. Er is
derhalve geen sprake van ongelijke behandeling naar geslacht.

4. De overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt, door
verzoekster lager te belonen dan de maatman.
4.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt door haar niet gelijktijdig met de maatman in schaal 3 in te
schalen. Voorts is zij van mening dat zij op het moment dat zij in schaal 3
werd ingeschaald, in het maximum van schaal 3 ingeschaald had moeten worden
en niet in schaal 3.0.
4.3 Het onderzoek van de Commissie strekt zich uit over de periode 1 mei 1978
tot 1 december 1991.
De beloning in de periode tot 1 juli 1989 dient te worden getoetst aan de Wet
gelijk loon voor mannen en vrouwen (WGL, Stb. 1975, 129). Wat betreft de
periode daarna moet worden getoetst aan de artikelen 1a, 7, 8 en 9 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB).
Artikel 2 WGL respectievelijk artikelen 7, 8 en 9 WGB bepalen dat een
werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het punt van
de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde
verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is berekend op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven. Artikel 1a WGB bepaalt dat onder
meer bij de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid naar geslacht mag worden
gemaakt. Onder de arbeidsvoorwaarden valt de beloning.
4.4. Onbetwist is dat het niveau van de functies van verzoekster en de
maatman gedurende de onderzoeksperiode van gelijke waarde waren. De Commissie
heeft de functies derhalve niet laten waarderen.
Nagegaan moet worden of de wederpartij bij de vaststelling van het loon van
verzoekster en de maatman gelijkwaardige maatstaven heeft gehanteerd.
Vaststaat dat vanaf het begin van de onderzoeksperiode tot 1 januari 1988 op
de maatman de beloningsmaatstaven salarisschaal en anciënniteit zijn
toegepast, terwijl deze beloningsmaatstaven op verzoekster niet van
toepassing waren.
Hierdoor is er een verschil in beloning ontstaan tussen verzoekster en de
maatman, terwijl hun functies van gelijke waarde waren. Het verschil in
beloning bedroeg per maand (omgerekend naar een voltijd dienstverband) aan
het begin van de onderzoeksperiode ƒ 457,74 (ƒ 1875 minus ƒ 1417,26) en aan
het eind van de onderzoeksperiode ƒ 580 (ƒ 3008 minus ƒ 2428). Om de maatman
te kunnen benoemen in zijn functie van beheerder van een nieuwe sportzaal was
het noodzakelijk om hem in een functieschaal in te delen. Dit gold niet voor
de functie van verzoekster. Maar verzoekster had desondanks (met
terugwerkende kracht) gelijktijdig met de maatman ingeschaald kunnen worden.
De wederpartij heeft dit nagelaten.
Hiermee staat vast dat de wederpartij onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in de periode van 1 mei 1978 tot 1 januari 1988 door de maatman wèl en
verzoekster niet in een functieschaal in te delen. Aangezien de functies van
verzoekster en de maatman van gelijke waarde waren had verzoekster – net als
de maatman – op 1 mei 1978 in functieschaal 3 ingeschaald moeten worden.
Dit betekent dat verzoekster per 1 januari 1988 hoger ingeschaald had moeten
worden dan in schaal 3.0.
Het is overigens ook onduidelijk waarom de maatman er bij de inschaling in
schaal 3 er tevens 3 periodieken bij kreeg.
Het lijkt erop dat de omvang van het dienstverband van de maatman op enig
moment een rol heeft gespeeld, maar dat is geen reden om verzoekster niet
(naar rato van de omvang van haar dienstverband) gelijk te belonen.
Vaststaat, dat de maatman per 1 januari 1978 in schaal 3 met 3 periodieken is
ingeschaald.
Als verzoekster – net als de maatman – per 1 mei 1978 in schaal 3.3 was
ingeschaald, zou zij normaal gesproken in 1988 in schaal 3.13 ingeschaald
moeten zijn (er vanuit gaande dat er elk jaar een periodiek bijkomt).
Hieruit vloeit voort dat de wederpartij in strijd met de wet heeft gehandeld
door verzoekster op 1 januari 1988 niet hoger in te schalen.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester en
Wethouders van de Gemeente ’s Graveland jegens mevrouw (…) te Kortenhoef
onderscheid naar geslacht bij de arbeidsvoorwaarden heeft gemaakt als bedoeld
in artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 28 januari 1997

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Verdachte heeft als Nederlander op de Filippijnen meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met een Filippijns meisje van negen jaar. Daarnaast heeft hij meermalen op de Filippijnen gemeenschap gehad met een veertienjarig meisje.
De rechtbank oordeelt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in deze zaak en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan acht maanden voorwaardelijk.

Volledige tekst

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 14 januari 1997.

De verdachte, bijgestaan door mr. J. Knap, advocaat te Amsterdam, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie, mr. Den Os, heeft gevorderd dat verdachte terzake van de bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht door het Leger des Heils

De telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen is vermeld in de hierna weergegeven fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

De bewijsmiddelen

P.M.

Dagvaarding van verdachte

Hierbij dagvaard ik u om als verdachte te verschijnen op dinsdag 14 januari 1997, te 14.00 uur, ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage, Juliana van Stolberglaan 2, teneinde terecht te staan terzake van hetgeen hieronder is omschreven. Ik verwijs naar de mededelingen onder 1, 3, 5, 6, 8 en 9 op de achterzijde van dit blad.
(..)
Aan bovengedagvaard persoon wordt tenlastegelegd dat

1. hij als Nederlander in/op de Filipijnen in of omstreeks de periode van 4 januari 1996 tot 12 januari 1996 meerdere keren, althans een keer, met een meisje, genaamd P, geboren op 12 april 1986 in de provincie Pampaya, Filipijnen, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtelijke handeling(en) hierin dat hij, verdachte alstoen aldaar genoemd meisje op het ontblote lichaam heeft gekust en/of haar vagina althans haar lichaam heeft gestreeld althans aangeraakt en/of genoemd meisje ontuchtig zijn, verdachtes penis heeft laten vasthouden en/of zich (vervolgens) door haar heeft laten masturberen en/of zijn ontblote penis tegen, althans op haar ontblote vagina heeft gehouden;
art. 244 Wetboek van Strafrecht

2. hij als Nederlander in/op de Filipijnen in of omstreeks de periode van 4 januari 1996 tot 12 januari 1996 meerdere keren, althans een keer, met een meisje, genaamd M, geboren op 28 januari 1981, die toen de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het sexueel binnendringen van het lichaam van die M hebbende hij, verdachte, immers alstoen meerdere keren, althans één keer, zijn penis in de vagina en/of mond van die M gebracht;
art. 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft namens verdachte het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard.
De raadsman heeft daartoe – zakelijk weergegeven – de volgende argumenten aangevoerd:

1. Er is mogelijk sprake van dubbel vervolging nu geen formele overdracht van de strafzaak door de Filippijnse autoriteiten aan Nederland heeft plaatsgevonden want:
– niet duidelijk is op de vervolging op de Filippijnen is gestaakt, en;
– Nederland heeft nadat zij het formele verzoek van de Filippijnen tot overname van de zaak kreeg, het politieel en gerechtelijk vooronderzoek opnieuw en geheel overgedaan;

2. Het is niet duidelijk of de vervolging van verdachte op de Filippijnen voldeed aan de algemene beginselen van een behoorlijke strafvordering en/of de beginselen van artikel 5 en 6 van het Verdrag van Rome, terwijl dit na de overname ook van invloed is op de ontvankelijkheid van de Nederlandse officier van justitie. De raadsman noemt ter illustratie dat hij nergens heeft kunnen terugvinden: dat verdachte in de Filippijnen is gehoord op de daar tegen hem gerezen verdenking, dat hij voldoende snel voor een rechter is geleid, dat er een tolk bij dat verhoor aanwezig is geweest enz.
Ad 1: Niet beslissend is of op de Filippijnen de vervolging definitief is gestaakt en evenmin of sprake is van een overname van strafvervolging in eigenlijke zin door de Nederlandse autoriteiten dan wel een zelfstandig door het openbaar ministerie alhier aangevangen vervolging.
Artikel 68 lid 2 Sr. bepaalt dat geen vervolging wegens hetzelfde feit tegen dezelfde persoon plaatsvindt, wanneer er sprake is van (zakelijk weergegeven) een buitenlands vonnis, dat kracht van gewijsde heeft, in geval van:
1e vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging;
2e veroordeling, indien een straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring.
Artikel 68 lid 3 Sr. bepaalt dat niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde staat onherroepelijk is afgedaan door de voldoening aan een voorwaarde, door de bevoegde autoriteit gesteld ter voorkoming van strafvervolging. Geen van genoemde situaties doet zich voor in de onderhavige zaak, in welke het verdachte zelf is geweest die ervoor gekozen heeft om zich aan de op de Filippijnen in gang gezette strafvervolging feitelijk te onttrekken.

Ad 2: Verdachte zelf heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij de wijze waarop het onderzoek en de vervolging zowel op de Filippijnen als in Nederland heeft plaatsgevonden, als correct heeft ervaren.
Daartegenover is niet aannemelijk geworden dat zich in het kader van de op de Filippijnen in gang gezette strafvervolging enige schending van internationale verdragsbepalingen dan wel beginselen van een behoorlijk procesrecht heeft voorgedaan met een rechtstreekse betekenis voor het onderhavige strafproces zodanig, dat zulks behoort te leiden tot niet ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging.
De rechtbank verwerpt dan ook het ten deze gevoerde verweer.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen
– elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft -staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij de dagvaarding onder 1 en 2 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventuele in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in zijn verdediging is geschaad- de inhoud van de telastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Dagvaarding van verdachte

Hierbij dagvaard ik u om als verdachte te verschijnen op dinsdag 14 januari 1997, te 14.00 uur, ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer in de arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage, Juliana van Stolberglaan 2, teneinde terecht te staan terzake van hetgeen hieronder is omschreven. Ik verwijs naar de mededelingen onder 1, 3, 5, 6, 8 en 9 op de achterzijde van dit blad.
(..)
Aan bovengedagvaard persoon wordt tenlastegelegd dat

1. hij als Nederlander op de Filipijnen in de periode van 4 januari 1996 tot 12 januari 1996 meerdere keren, met een meisje, genaamd P, geboren op 12 april 1986 in de provincie Pampaya, Filipijnen, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande die ontuchtige handeling(en) hierin dat hij, verdachte alstoen aldaar genoemd meisje op het ontblote lichaam heeft gekust en haar lichaam heeft gestreeld althans aangeraakt en genoemd meisje ontuchtig zijn, verdachtes penis heeft laten vasthouden en zich (vervolgens) door haar heeft laten masturberen gehouden;
art. 247 Wetboek van Strafrecht

2. hij als Nederlander op de Filipijnen in de periode van 4 januari 1996 tot 12 januari 1996 meerdere keren, met een meisje, genaamd M, geboren op 28 januari 1981, die toen de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit het sexueel binnendringen van het lichaam van die M hebbende hij, verdachte, immers alstoen meerdere keren, zijn penis in de vagina en/of mond van die M gebracht;
art. 245 lid 1 Wetboek van Strafrecht.

De toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet.

De raadsman heeft namens verdachte gewezen op de verschillen tussen de Filippijnen en Nederland als het gaat om de strafbaarheid van de onderhavige feiten. Hij wijst erop dat er tussen de Filippijnse en Nederlandse strafwet verschillen zijn in de grondnorm en andere opvattingen bestaan met betrekking tot de strafwaardigheid van de onderhavige feiten en de beschermde belangen.
Voorzover daarmee bedoeld is aan te voeren dat de Nederlandse strafwet in casu niet van toepassing zou zijn op de onderhavige feiten verwerpt de rechtbank dit verweer.

Artikel 5, eerste lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht eist niet dat de gedraging in het land waar zij werd begaan ook strafbaar is op gelijke wijze als in Nederland. Op de onder 1 en 2 telastgelegde feiten, die op de Filippijnen zijn begaan, is door de Filippijnse wet straf gesteld, terwijl die feiten in Nederland als misdrijven worden beschouwd. Ten aanzien van genoemde feiten is derhalve de Nederlandse strafwet van toepassing.

De eveneens door de raadsman geopperde mogelijkheid dat de straftoemeting op de Filippijnen zou verschillen van die in Nederland doet hieraan niets af.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu te zijnen aanzien geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen.

Verdachte heeft als Nederlander op de Filippijnen meermalen ontuchtige handelingen gepleegd met en Filippijns meisje van 9 jaar. Daarnaast heeft verdachte meermalen op de Filippijnen gemeenschap gehad met een 14-jarig Filippijns meisje, door wie hij zich voorts enkele malen met de mond heeft laten bevredigen.

Verdachte heeft zich, door deze ontuchtige handelingen te plegen op de Filippijnen – alwaar veelvuldig meisjes op jonge leeftijd geronseld worden ten behoeve van de prostitutie – schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven. In het bijzonder wordt verdachte verweten dat hij met het plegen van deze feiten in het geheel geen rekening heeft gehouden met de ernstige psychische schade die kinderen kan worden toegebracht door sexueel misbruik. En voorts dat het meisjes betreft, die als gevolg van de ellendige sociale/economische situatie, waarin zij verkeerden, in de prostitutie terecht waren gekomen.

De rechtbank houdt rekening met het rapport d.d. 9 januari 1997 van A.L. Elsman, psychiater te Den Haag, waarin wordt geconcludeerd dat de telastgelegde feiten verdachte in enigszins verminderde tot verminderde mate kunnen worden toegerekend. De rechtbank maakt deze conclusie tot de hare. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan het andersluidende oordeel van de deskundige A.X. van Naersen, psycholoog te Utrecht. Deze concludeert in zijn rapport d.d. 17 december 1996 dat de telastgelegde feiten ten volle aan verdachte zijn toe te rekenen. Deze conclusie komt de rechtbank in het licht van de door de psycholoog gerapporteerde bevindingen, bezien in samenhang met het rapport van de psychiater onbegrijpelijk en onjuist voor.
De rechtbank acht het, gezien de rapportages van psycholoog Van Naersen en psychiater Elsman, niet noodzakelijk om verdachte een aanvullend psychologisch onderzoek in het Pieter Baan Centrum te Utrecht te laten ondergaan, zoals door de Afdeling Reclassering van het Leger des Heils wenselijk wordt genoemd.

De rechtbank gaat eveneens voorbij aan het oordeel van de afdeling Reclassering van het Leger des Heils, waarin geconcludeerd wordt dat verdachte, gezien zijn persoonlijkheid detentie-ongeschikt zou zijn. Dit omdat in het rapport van de reclassering niet verder uitgelegd wordt waarom zij tot deze conclusie komt en deze conclusie ook niet gesteund wordt door de bevindingen van de psycholoog Van Naersen en de psychiater Elsman.
De rechtbank laat meewegen dat binnen de Nederlandse penitentiaire inrichtingen mogelijkheden bestaan van opvang en begeleiding in het geval zich ten aanzien van verdachte problemen zouden voordoen.

In alle eerdergenoemde rapportages wordt geconcludeerd dat een intensieve vorm van therapie noodzakelijk is. Daarbij raadt psycholoog Van Naersen groepstherapie ten sterkste af en adviseert psychiater Elsman een structurerende vorm van individuele psychotherapie naast medicamenteuze therapie, waarvoor de ambulant poliklinische behandeling in de Van der Hoevenkliniek in aanmerking zou komen. Tot slot adviseert de reclassering om behandeling in het kader van een ondertoezichtstelling van die instelling te laten plaatsvinden.

Gelet op de diverse rapporten over verdachte is de rechtbank ervan overtuigd dat een intensieve individuele behandeling van verdachte noodzakelijk is en dat bij het uitblijven daarvan de kans op herhaling aanwezig is. Om deze redenen zal de rechtbank aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf na te melden bijzondere voorwaarden, waaronder reclasseringstoezicht verbinden.

De rechtbank acht het, nu ten aanzien van de behandeling nog geen intake-procedure heeft plaatsgevonden, dienstig ten behoeve van de reclassering het navolgende te overwegen.

De rechtbank is van oordeel dat bij voorkeur individuele psychotherapeutische behandeling (al dan niet met medicamenteuze ondersteuning) dient plaats te vinden in de Van der Hoevenkliniek te Utrecht (ambulant poliklinische behandeling). Voor het geval zulks tijdens de intake-procedure op onoverkomelijke problemen blijkt te stuiten, noemt de rechtbank in volgorde van voorkeur de navolgende alternatieven:
– een daderbehandeling bij het ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg, Centraal Bureau Leiden;
– een behandeling bij het Riagg te Den Haag;
– een behandeling bij een in overleg met en op aanwijzing van de reclassering (Leger des Heils) te kiezen therapeut.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur heeft de rechtbank ten gunste van verdachte laten meewegen dat hij niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank wijst het door verdachte gedane aanbod tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte af, aangezien het onvoorwaardelijk deel van de door haar op leggen vrijheidsstraf de zes-maandenlimiet van artikel 22b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht te boven gaat.

De toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 245, en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen uitmaakt:

feit 1:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

feit 2:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 8 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden:

dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de afdeling reclassering van de Stichting het Leger des Heils in het Arrondissement ‘s-Gravenhage, zolang die instelling zulks nodig acht;

dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal stellen onder individuele psychotherapeutische behandeling op de wijze als in de rechtsoverwegingen vermeld en zolang onder behandeling zal blijven als de betreffende therapeut, in overleg met de afdeling reclassering van de Stichting het Leger des Heils in het Arrondissement ‘s-Gravenhage, noodzakelijk zal achten.

Geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht op de Filippijnen bij de uitvoering van de hem onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard;
spreekt hem daarvan vrij.

Rechters

Mrs Verheij, Quadekker, Sleeswijk Visser-De Boer

Instantie: Kantonrechter Hilversum, 24 januari 1997

Instantie

Kantonrechter Hilversum

Samenvatting


(De uitspraak van de kantonrechter is zeer summier; nadere gegevens zijn
ontleend aan de pleitnota van verweerders advocaat.) T is 47 jaar en
herintreedster zonder veel relevante arbeidservaring. Kort na indiensttreding
van mevrouw T begonnen van de zijde van E (directeur/eigenaar van Remotall)
de ongewenste intimiteiten. Mevrouw T heeft vanaf het begin een afwerende
houding aangenomen. T heeft advies gevraagd aan het Banencentrum, via wie ze
de baan bij Remotall had gekregen. Haar werd meegedeeld dat ze niets voor
haar konden doen en dat ze haar kansen op een andere baan gering achtten. Ook
van de centrale vertrouwenspersoon bij de Raad voor Arbeidsverhoudingen
Schoonmaak- en Glazenmakersbranche kreeg T te horen dat ze maar beter de
situatie kon accepteren; haar werd het advies gegeven zich zo afzijdig
mogelijk op te stellen. Toen T op aandrang van E (die vroeg waarom ze zo koel
tegen hem deed) uiteindelijk uitdrukkelijk heeft gezegd niet gediend te zijn
van ongewenste intimiteiten is door E onmiddellijk het ontbindingsverzoek
ingediend.
De kantonrechter overweegt als volgt: Onder de door partijen geschetste
omstandigheden is de kantonrechter, ondanks het gemotiveerde verweer, tot het
oordeel gekomen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden
ontbonden wegens verandering in de omstandigheden. Er zijn gronden aanwezig
aan verweerster wegens diens onvrijwillige werkloosheid een vergoeding toe te
kennen.

Volledige tekst

De kantonrechter heeft ter openbare zitting van 22 januari 1997 gehoord:
a. verzoekster, vertegenwoordigd door W. van E. bijgestaan door mr W.G. van
der Kolk, advocaat te Hilversum, die verklaarde te persisteren bij de inhoud
van het ingediende verzoekschrift.
b. verweerster, bijgestaan door mr E. Proost, advocaat te Utrecht, die
verklaarde overeenkomstig het ingediende verweerschrift – met producties -,
waarvan de inhoud als hier ingelast en overgenomen dient te worden beschouwd.

Partijen hebben daarna nog over en weer een toelichting en verduidelijking
van hun standpunten gegeven, verweerster onder overlegging van haar
pleitnota.

Verzoekster heeft vervolgens afgezien van haar bevoegdheid om haar
verzoekschrift in te trekken, voor het geval de kantonrechter voornemens
mocht zijn aan verweerster ten laste van verzoekster een vergoeding toe te
kennen.

Vervolgens heeft de kantonrechter de beschikking bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

Onder de door partijen geschetste omstandigheden is de kantonrechter, ondanks
het gemotiveerde verweer, tot het oordeel gekomen, dat de arbeidsovereenkomst
tussen partijen dient te worden ontbonden wegens verandering in de
omstandigheden.

De kantonrechter acht gronden aanwezig aan verweerster wegens diens
onvrijwillige werkloosheid de navolgende vergoeding naar billijkheid toe te
kennen.

Het is reëel de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 februari
1997 en aan verweerster – gelet onder andere op haar huidige leeftijd, de
tijd, die de dienstbetrekking heeft geduurd en de kans, die verweerster heeft
op het verkrijgen van werk – een vergoeding toe te kennen ten laste van
verzoekster van ƒ 15.000 (vijftienduizend gulden) bruto als gekapitaliseerde
waarde van aanvulling op alle (mogelijke) uitkeringen of lager salaris in een
eventuele nieuwe dienstbetrekking, alsmede een bedrag van ƒ 10.000
(tienduizend gulden) ten titel van immateriële schadevergoeding, te betalen
binnen vier weken na heden.

Er zijn termen aanwezig de kosten van deze procedure te compenseren als na te
melden.

BESLISSING

De kantonrechter
– ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1
februari 1997 wegens verandering in de omstandigheden;

– kent aan verweerster ten laste van verzoekster een vergoeding toe van ƒ
15.000 (vijftienduizend gulden) bruto als gekapitaliseerde waarde van
aanvulling op alle (mogelijke) uitkeringen of lager salaris in een nieuwe
dienstbetrekking, alsmede een bedrag van ƒ 10.000 (tienduizend gulden) ten
titel van immateriële schadevergoeding, te betalen binnen vier weken na
heden;
– bepaalt dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr F.F. Bienfait

Instantie: Raad van State, 24 januari 1997

Instantie

Raad van State

Samenvatting


De gemeente Uithoorn heeft bij besluit van 27 januari 1994 een
bestemmingsplan vastgesteld dat voorziet in een sportcomplex annex discotheek
buiten de bebouwde kom, waar het openbaar vervoer niet komt. Dit is zeer
onveilig voor meisjes en vrouwen, nu deze locatie ook nog zeer slecht
verlicht is en de provincie hieraan niets wil doen. Er zijn alternatieven
binnen de bebouwde kom, met minder kans op onveiligheid. Het
Vrouwentrefcentrum wil de discotheek niet op deze onveilige locatie.
Rechtenvrouw geeft haar steun geven aan deze zaak. Met name ziet Rechtenvrouw
mogelijkheden om hier een link te leggen met het Vrouwenverdrag.
Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben de bezwaren van het
Vrouwentrefcentrum niet gehonoreerd en het bestemmingsplan is goedgekeurd.
Het Vrouwentrefcentrum stelt beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State acht het niet
aangetoond dat de locatie van de discotheek, gelegen temidden van een
sportcomplex buiten de bebouwde kom en aan een niet danwel nauwelijks
verlichte provinciale weg zal leiden tot discriminatie van vrouwen vanwege
de
ligging en de aard en omgeving van het (sport)complex.

Volledige tekst

De raad van de gemeente Uithoorn heeft in zijn openbare vergadering van
27
januari 1994 vastgesteld het bestemmingsplan “De Kwakel Sportcomplex 1993”.
Het besluit van de raad van de gemeente is aangehecht.

Verweerders hebben bij besluit van 30 augustus 1994, nummer 94-710644,
beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Het besluit van verweerders is aangehecht.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 26 september 1994,
aangevuld bij schrijven van 16 november 1994, appellant sub 2 bij schrijven
van 4 november 1994 en appellanten sub 3 bij schrijven van 24 november
1994
beroep ingesteld.
De beroepschriften en de aanvulling op het beroepschrift van appellant
sub 1
zijn aangehecht.

Desgevraagd hebben verweerders een verweerschrift, gedateerd 5 december
1995,
ingediend.

Door de Adviseur ten behoeve van de Raad van State is een onderzoek ingesteld
en een verslag daarvan uitgebracht, gedateerd 29 mei 1996.

De gemeente Uithoorn en de Vereniging het Vrouwentrefcentrum Uithoorn hebben
een nadere memorie ingezonden, gedateerd 9 juli 1996, respectievelijk 5
augustus 1996.
Nader is ingekomen een brief van Fons Hof Beheer B.V., gedateerd 29 oktober
1996.

Het geding is op 2 december 1996 behandeld in een openbare zitting van
de
Afdeling waarin appellante sub 1 vertegenwoordigd door mr L. Leeters,
appellant sub 2, in persoon, en appellanten sub 3 bij monde van R hun
standpunten nader hebben toegelicht.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door ing. W. Corsten. Voorts
heeft Th. P.E. Voost namens de raad van de gemeente Uithoorn en mr B.K.M
Fritz voor Fons Hof Beheer B.V. het woord gevoerd

In rechte

In artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is, voor zover
hier van belang, bepaald dat hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht
van overeenkomstige toepassing is indien bij de Afdeling beroep wordt
ingesteld.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders goedkeuring verleend aan het
bestemmingsplan “De Kwakel Sportcomplex 1993”.

Het plangebied ligt tussen de kernen Uithoorn en De Kwakel en omvat een
terrein van circa 9 ha.
Het plangebied wordt begrensd door de provinciale weg Hoofddorp-Hilversum
aan
de noordoostkant, het dijklichaam waarop het tracé van de Vuurlijn loopt
aan
de oostkant, een bestaand sportcomplex aan de zuidkant en de Noorddammerweg
aan de westkant.

Met het plan wordt beoogd het bestaande sportcomplex met daarin 10
tennisbanen, 7 squasbanen en een biljart-/snookerrruimte, met daarnaast
11
(buiten)tennisbanen en een golfterrein.
In het sportcomplex wordt ook een horecagedeelte, bestaande uit bar en
terras, opgenomen.
Verder voorziet het plan in een discotheek in een gedeelte van de sporthal
en
biedt het de mogelijkheid de begraafplaats uit te breiden en een nieuw
uitvaartcentrum te bouwen.

Appellanten kunnen zich niet met de inhoud van het plan verenigen.

De Vereniging Het Vrouwentrefcentrum Uithoorn (hierna te noemen: het
Vrouwentrefcentrum) heeft bezwaren aangevoerd met betrekking tot de locatie
van de discotheek, gelegen temidden van een sportcomplex buiten de bebouwde
kom en aan een niet dan wel nauwelijks verlichte provinciale weg.
Volgens het Vrouwentrefcentrum moeten de twee wegen tussen het plangebied
en
Uithoorn als sociaal onveilig worden beschouwd.

De locatie is -aldus het Vrouwentrefcentrum- discriminerend ten opzichte
van
vrouwen omdat zij vrouwen geen gelijke toegang verschaft tot vormen van
vrijheidsbesteding, hetgeen strijd oplevert met het Internationale Verdrag
tot uitbanning van alle vormen van Discriminatie van Vrouwen (DVDV) en
diverse internationale verdragen inzake de rechten van de mens.

L maakt bezwaar tegen de vestiging van een discotheek op de gekozen locatie,
nabij een begraafplaats.
Hij geeft aan dat niet alleen hij, maar ook vele andere inwoners van
Uithoorn, er voor beducht zijn dat het met de rust op de begraafplaats
zal
zijn gedaan, mede gelet op de vrijstellingsmogelijkheid voor grootschalige
activiteiten.
Daarnaast heeft L bezwaren aangevoerd tegen de gevolgde procedure, met
name
wat betreft de informatievoorziening en de weerlegging van zijn bezwaren.

De bezwaren van de heer R en mevrouw R-G betreffen voornamelijk de
uitbreiding van horecafaciliteiten op de locatie.
Zij vrezen voor overlast en verstoring van de openbare orde met als gevolg
de
aantasting van hun woongenot.
Appellanten verwachten dat van de activiteiten een grote verkeersaantrekkende
werking zal uitgaan, hetgeen de verkeerssituatie op de Noorddammerweg
negatief zal beïnvloeden.

Met betrekking tot het bezwaar van L dat de informatievoorziening, met
name
wat betreft de plannen voor de discotheek, gebrekkig was en de bezwaren
hiertegen niet op zorgvuldige wijze zijn behandeld overweegt de Afdeling
het
volgende.
Blijkens het verslag van de inspraak-bijeenkomst inzake het voorontwerp
van
het bestemmingsplan op 22 juli 1993, is anders dan appellant verondersteld,
het voornemen om een discotheek te realiseren in het sportcomplex aan de
orde
geweest.
De procedures die in het kader van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening zijn, dan wel worden gevolgd in verband met de bouw van het
sportcomplex, het uitvaartcentrum en het crematorium staan in deze procedure
niet ter beoordeling en kunnen in zoverre dan ook geen rol spelen.
De Afdeling is niet gebleken dat verweerders en de gemeenteraad het bestreden
besluit niet in voldoende mate met redenen hebben omkleed, zodat de artikelen
28, vierde lid, en artikel 25, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke
Ordening niet zijn miskend.
Ook in hetgeen appellant verder heeft aangevoerd met betrekking tot de
behandeling van zijn bezwaren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het
oordeel dat de bezwaren van appellant niet op zorgvuldige wijze zijn
behandeld.
In zoverre treft het beroep van L geen doel.

Met betrekking tot de plaats van de discotheek hebben verweerders overwogen
dat niet is bestreden dat de behoefte bestaat binnen de gemeentegrenzen
van
Uithoorn een discotheek te realiseren.
Blijkens de stukken is de lokatie gekozen na een onderzoek waarin naast
financieel economische aspecten, de mogelijke hinder voor de omgeving en
de
ontsluiting een rol hebben gespeeld.
De afstand van het plangebied tot de bebouwde kom van Uithoorn bedraagt
ongeveer 1 km.
Het sportcomplex waarin de discotheek is voorzien is bereikbaar voor zowel
het openbaar vervoer, het autoverkeer als ook voor fietsers en voetgangers.
De ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer bevindt zich aan de westzijde
met
een aansluiting op de Noorddammerweg.
Aan de oostzijde van het complex zal een fiets/voetpad op de Vuurlijn worden
aangesloten.
Teneinde de sociale veiligheid te vergroten is door het gemeentebestuur
besloten extra aandacht te besteden aan de openbare verlichting in de
omgeving van het complex; zo zal een verlicht voetpad langs de Noorddammerweg
richting bushalte worden aangelegd en heeft op de Vuurlijn al een uitbreiding
van openbare verlichting plaatsgevonden.
Daarnaast wordt in het plan aandacht besteed aan de verlichting van (het
voet-/fietspad op) het complex zelf.
Hoewel verweerders de stelling dat uit een oogpunt van sociale veiligheid
en
bereikbaarheid een discotheek beter in de bebouwde kom kan worden gesitueerd
kunnen onderschrijven, achten zij de gekozen locatie, gelet op de
inspanningen van het gemeentebestuur om de bezwaren tegen een ligging buiten
de bebouwde kom weg te nemen, niet onaanvaardbaar.
Dit standpunt komt de Afdeling niet onredelijk voor.
De Afdeling acht voorts niet aangetoond dat het plan zal leiden tot van
discriminatie van vrouwen vanwege de ligging en de aard en omgeving van
het
(sport)complex.

Met betrekking tot het bezwaar betreffende de locatiekeuze nabij de
begraafplaats en uitvaartcentrum overweegt de Afdeling als volgt.
Blijkens de plankaart is het sportcomplex met de discotheek gelegen op
een
afstand van ruim 150 meter van de huidige begraafplaats en ruim 50 meter
van
de voorziene nieuwe begraafplaats.
De afstand van de discotheek tot het uitvaartcentrum bedraagt circa 130
meter.
In deze buffer liggen een gedeelte van de golfbaan, het voet-/fietspad
en een
sloot alsmede beplanting.
Ten aanzien van de mogelijke verstoring van de rust op de begraafplaats
door
de aanwezigheid van een discotheek heeft het gemeentebestuur zich op het
standpunt gesteld dat gelet op de ruimtelijke scheiding tussen de discotheek
en de huidige begraafplaats en het uitvaartcentrum alsmede de openingstijden
van de discotheek, het niet aannemelijk is dat de rust aldaar zal worden
verstoord.
Verder worden aan de bouw en exploitatie van de discotheek in het kader
van
de bouw- en milieuvergunning zodanige eisen gesteld dat naar buiten toe
geen
geluiden hoorbaar zullen zijn.
De Afdeling is niet gebleken dat verweerders het standpunt van de gemeente
op
dit punt niet als aanvaardbaar hebben kunnen aanmerken.

De Afdeling overweegt voorts dat ook het standpunt van de gemeente dat
de
vrees voor vandalisme van jeugdige discobezoekers ongegrond is en is
gebaseerd op veronderstellingen, de instemming heeft van verweerders.
Door extra toezicht op de handhaving van de openbare orde en een beperking
van de toegankelijkheid tot de begraafplaats zal een verdere bijdrage worden
geleverd aan het voorkomen van vandalisme.
Ter zitting is meegedeeld dat mocht in de praktijk blijken dat de getroffen
maatregelen onvoldoende zijn, verdergaande maatregelen zullen worden
getroffen teneinde meer bescherming tegen vandalisme te bieden.
Het vorenstaande leidt de Afdeling tot de conclusie dat onvoldoende grond
bestaat voor het oordeel dat verweerders de oprichting van een discotheek
op
deze lokatie in redelijkheid niet aanvaardbaar hebben kunnen achten.

Ten aanzien van de bezwaren betreffende de verstoring van de rust op de
begraafplaats door de overige activiteiten, overweegt de Afdeling dat ook
het
geldende bestemmingsplan “De Kwakel 1987” het beoefenen van sport en
aanverwante activiteiten in de omgeving van de begraafplaats mogelijk maakt.
Niet gebleken is dat dit tot problemen in bovenstaande zin heeft geleid.
De voorziene begraafplaats en het uitvaartcentrum liggen weliswaar op kortere
afstand van het sportcomplex, doch hierin behoefden verweerders naar het
oordeel van de Afdeling, gelet op de tijden van gebruik van deze
voorzieningen, geen aanleiding te zien deze ligging bij regulier gebruik
van
de sportfaciliteiten onaanvaardbaar te achten.
Wat betreft het niet reguliere gebruik van het sportcomplex overweegt de
Afdeling dat ingevolge artikel 3, vierde lid, van de planvoorschriften
het
gebruik van de gronden en bouwwerken met de bestemming recreatieve
doeleinden, ten behoeve van evenementen die niet in overeenstemming zijn
met
het in het eerste lid bepaalde moeten worden gerekend tot een verboden
gebruik.
In het vijfde lid is vervolgens bepaald dat burgemeester en wethouders
van
het bepaalde in het vierde lid vrijstelling kunnen verlenen voor het houden
van niet meer dan 12 niet aaneengesloten evenementen per jaar, die niet
langer dan 1 week per evenement mogen duren.
Blijkens de plantoelichting zal het sportcomplex een multi-functioneel
karakter krijgen in die zin dat het incidenteel kan worden gebruikt voor
sporten in het kader van groepsontmoetingen, zoals bedrijvencontactdagen,
sportdagen, toernooien, verenigingsontmoetingen, familie- en andere besloten
ontmoetingen, start en finish voor voet- en fietstochten en dergelijke.
De Afdeling stelt vast dat de vrijstellingsbepaling in het vijfde lid van
artikel 3 het mogelijk maakt dat gedurende twaalf weken per jaar evenementen
plaatsvinden op de voor recreatieve doeleinden bestemde gronden.
De Afdeling sluit niet uit dat deze evenementen hinder kunnen veroorzaken
voor de omgeving van het sportcomplex, in het bijzonder voor het
uitvaartcentrum en de begraafplaats.
In de vrijstellingsbepaling is niet bepaald welke evenementen kunnen worden
toegestaan en onder welke voorwaarden burgemeester en wethouders vrijstelling
mogen verlenen.
De Afdeling acht de vrijstellingsbepaling dan ook onvoldoende bepaald.
In verband hiermee is de Afdeling van oordeel dat verweerders in redelijkheid
geen goedkeuring aan deze bepaling hebben kunnen verlenen, zodat artikel
3,
vijfde lid, van de planvoorschriften voor vernietiging in aanmerking komt
wegens strijd met het in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel
van
behoorlijk bestuur van de rechtszekerheid.
De beroepen van L en de heer en mevrouw R zijn in zoverre gegrond.
De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72 van de
Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien door alsnog
goedkeuring aan dit planvoorschrift te onthouden.

Ten aanzien van de bezwaren van de heer en mevrouw R dat door de
horecavoorzieningen en de discotheek moet worden gevreesd voor overlast
en
verstoring van de openbare orde in de omgeving hebben verweerders het
standpunt ingenomen dat gelet op de reeds getroffen maatregelen en mede
gelet
op de afstand tussen het complex en de woning van appellanten de mogelijk
merkbare nadelige invloed van het complex niet zodanig is dat gesproken
kan
worden over een onevenredige aantasting van het woongenot.
De Afdeling ziet, de stukken en het verhandelde ter zitting in aanmerking
nemend, geen grond voor het oordeel dat verweerders zich in redelijkheid
niet
op dit standpunt hebben kunnen stellen.

Met betrekking tot de vrees voor een toenemende verkeersonveiligheid op
de
Noorddammerweg overweegt de Afdeling dat deze weg de ontsluitingsroute
van
het plangebied vormt voor gemotoriseerd verkeer.

Aan de weg zijn twee inritten gesitueerd: één naar de parkeerplaats van
het
uitvaartcentrum en één voor het parkeerterrein van het sportcomplex.
Uit het verslag van de Adviseur ten behoeve van de Raad van State is de
Afdeling gebleken dat van de Noorddammerweg gedurende de gehele dag vrij
intensief gebruik wordt gemaakt door zowel gemotoriseerd als langzaam
verkeer.
In de avondperiode is er aanzienlijk minder verkeer op de Noorddammerweg.
De Afdeling komt, het vorenstaande in aanmerking nemend, het standpunt
van
het gemeentebestuur dat de toename van de verkeersdrukte op de Noorddammerweg
ten gevolge van de discotheek binnen aanvaardbare proporties zal blijven,
aangezien de te realiseren discotheek van beperkte omvang is en is gericht
op
de plaatselijke bevolking waardoor naar verwachting in geringe mate gebruik
kan worden gemaakt van de auto, niet onaanvaardbaar voor.
Gelet op het gebruik en de omvang van het sportcomplex met inbegrip van
de
discotheek, snooker en overige horeca-activiteiten, acht de Afdeling het
niet
aannemelijk dat de verkeerssituatie op de Noorddammerweg zal verslechteren
dat verweerders de ontsluiting op deze weg in redelijkheid niet aanvaardbaar
hebben kunnen achten.
Blijkens de zitting is bij de reconstructie van de Noorddammerweg extra
aandacht besteed aan maatregelen ter verhoging van de verkeersveiligheid.
In zoverre ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat verweerders
op
dit punt niet in redelijkheid tot goedkeuring van het plan hebben kunnen
overgaan.

Afgezien van het aangevoerde met betrekking tot de vrijstellingsbepaling,
ziet de Afdeling in hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen grond voor
het
oordeel dat het besluit in strijd is met een geschreven ongeschreven
rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel.

De Afdeling is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende
proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van Vereniging het Vrouwentrefcentrum Uithoorn
ongegrond en de beroepen van L en R en R-G deels gegrond en deels ongegrond;

II. vernietigt het besluit van verweerders van 30 augustus 1994, nummer
94-710644, inzake het door de raad van de gemeente Uithoorn op 27 januari
1994 vastgestelde bestemmingsplan “De Kwakel-Sportcomplex 1993”, voor zover
daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 3, vijfde lid, van de
planvoorschriften;
III. onthoudt goedkeuring aan artikel 3, vijfde lid, van de
planvoorschriften;
IV. gelast dat de provincie Noord-Holland aan L en R en R-G het door hen
gestorte recht (beide ƒ 200,=) wordt vergoed.

Rechters

Dr. D. Dolman, voorzitter, drs. G.A. Postumus en mr. J.J. Vis

Instantie: Hoge Raad, 24 januari 1997

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Het hof heeft een omgangsregeling voor de kinderen vastgesteld. De moeder
wenst hieraan niet te voldoen. De vader vordert nakoming van de
omgangsregeling op straffe van een dwangsom, en deze dwangsom te verrekenen
met de kinderalimentatie. De dwangsom van ƒ 500 voor elk weekend zonder
maximum wordt toegekend, de verrekening wordt geweigerd door het hof.
Hiertegen komt de man in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat de vrouw in persoon tot nakoming van de
omgangsregeling is veroordeeld en dat zij derhalve, ingeval zij in gebreke
blijft aan die veroordeling te voldoen, ook in persoon de dwangsom verbeurt.
Het karakter van een dwangsom als middel om druk uit te oefenen op de persoon
van de moeder, gezien in verband met de bestemming van die alimentatie voor
de verzorging en opvoeding van het kind, brengt teweeg dat een beroep door de
man op de verrekening van die alimentatie met die dwangsom naar maatstaven
van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiser tot cassatie – verder te noemen: de man – heeft bij exploit van 24 mei
1995 verweerster in cassatie – verder te noemen: de vrouw – in kort geding
gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Breda en gevorderd de vrouw
te veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling, zoals vastgelegd bij de
beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 23 februari 1995, op
straffe van een dwangsom van ƒ 500 per dag of een gedeelte daarvan, dat de
vrouw in gebreke blijft de door het Hof vastgelegde omgangsregeling met de
twee minderjarige kinderen van partijen na te komen, en hem te machtigen de
dwangsommen die de vrouw mocht verbeuren bij niet-nakoming van het in deze te
wijzen vonnis, te verrekenen met zijn verplichtingen tot betaling van de
bijdrage in de kosten van levensonderhoud en opvoeding van de kinderen.
Tegen de niet-verschenen vrouw heeft de President verstek verleend.
Bij vonnis van 16 juni 1995 heeft de President de vrouw veroordeeld tot
nakoming van de omgangsregeling, zoals vastgelegd bij beschikking van
voormeld Hof van 23 februari 1995, met ingang van 30 juni 1995, zulks op
straffe van een dwangsom van ƒ 150 voor elk weekend of gedeelte daarvan, dat
de vrouw in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, met een maximum van ƒ
6000 aan te verbeuren dwangsommen, en het meer of anders gevorderde
geweigerd.
Tegen dit vonnis heeft de man hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof
te’s-Hertogenbosch.
Bij arrest van 2 november 1995 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd,
doch uitsluitend voor zover de door de vrouw te verbeuren dwangsommen werden
vastgesteld op ƒ 150 voor elk weekend of gedeelte daarvan, dat de vrouw in
gebreke blijft te voldoen aan het vonnis, met een maximum van ƒ 6000. In
zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof die dwangsommen vastgesteld op ƒ
500 voor elk weekend of gedeelte daarvan, dat zij in gebreke blijft te
voldoen aan het bestreden vonnis van de President, zonder maximum, en het
meer of anders gevorderde ontzegd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de vrouw is verstek verleend.
De man heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt tot vernietiging van het
arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 2 november 1995 en tot
verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een
aangrenzend hof.

3. Beoordeling van het middel

3.1. De man dient alimentatie te betalen ten behoeve van de twee uit het door
echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen geboren kinderen, die bij de
vrouw verblijven. Bij beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van
23 februari 1995 is op verzoek van de man een omgangsregeling met de kinderen
getroffen.

3.2 In het onderhavige kort geding heeft de man, stellende dat de vrouw geen
uitvoering aan de omgangsregeling heeft gegeven, gevorderd de vrouw te
veroordelen tot nakoming van de omgangsregeling op straffe van een dwangsom,
met machtiging om de dwangsommen die de vrouw in geval van niet-nakoming zou
verbeuren, te verrekenen met de door hem ten behoeve van de kinderen te
betalen alimentatie. Het Hof heeft bij het bestreden arrest de door de
President uitgesproken veroordeling van de vrouw om de omgangsregeling na te
komen bekrachtigd en, met vernietiging van het vonnis in zoverre, de aan die
veroordeling verbonden dwangsom opnieuw vastgesteld. Het heeft de verzochte
machtiging evenwel geweigerd; hiertegen richt zich het middel.

3.3. Het Hof heeft zijn oordeel dat de door de vrouw te verbeuren dwangsommen
niet voor verrekening met de door de man voor de kinderen te betalen
onderhoudsbijdragen in aanmerking komen, hierop doen steunen dat niet is
voldaan aan het vereiste van art. 6:127 BW dat partijen wederkerig elkaars
schuldenaar zijn, nu de vrouw de kinderalimentatie ontvangt als verzorgster
en opvoedster van de kinderen, maar de dwangsommen in privé, dus op
persoonlijke titel verbeurt.

Het middel bestrijdt deze gedachtengang uitsluitend op grond van de in het
middel naar voren gebrachte opvatting dat de vrouw ook bij het belemmeren van
de uitoefening door de man van diens recht op omgang en bij het weigeren de
omgangsregeling na te komen handelt in haar kwaliteit van verzorgster en
opvoedster van de kinderen en dat zij in ieder geval daarbij een dubbele
hoedanigheid heeft, namelijk `zowel privé als qq’. Daargelaten of deze
opvatting juist is, faalt het middel reeds omdat het miskent dat de vrouw in
persoon tot nakoming van de omgangsregeling is veroordeeld en dat zij
derhalve, ingeval zij in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen, ook
in persoon de dwangsom verbeurt.

Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of in gevallen dat moet
worden aangenomen dat de vrouw zelf rechthebbende op de door de man
verschuldigde kinderalimentatie is, het karakter van de dwangsom als middel
om druk uit te oefenen op de persoon van de moeder, gezien in verband met de
bestemming van die alimentatie voor de verzorging en opvoeding van het kind,
teweegbrengt dat een beroep door de man op verrekening van die alimentatie
met die dwangsom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaar moet worden geacht.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep; compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus
dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Snijders, Mijnssen, Korthals Altes, Neleman, De Savornin Lohman.

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 januari 1997

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft telefonisch gereageerd op een advertentie van de
wederpartij voor promotors m/v. Deze advertentie is in een blad voor
militairen, (…), verschenen. Verzoekster is bij het telefoongesprek te
kennen gegeven dat de wederpartij alleen mannen wilde aannemen voor de
functie.
De Commissie is van oordeel dat de wederpartij door het voeren van een
dergelijk aanstellingsbeleid onderscheid bij de selectie maakt op grond van
geslacht, zoals verboden door artikel 3 WGB.
Aan bovenstaand oordeel doet niet af dat de wederpartij verzoekster formeel
niet het recht heeft ontzegd om te solliciteren naar de functie van promotor.
Een dergelijke sollicitatie dient immers geen enkel belang als al vaststaat
dat kandidaten van het vrouwelijk geslacht bij de selectie niet in aanmerking
komen.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1. Op 1 maart 1996 verzocht mevrouw (…) te Rotterdam (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of (…) te Huizen (hierna: de wederpartij) onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. Verzoekster heeft telefonisch gereageerd op een advertentie van de
wederpartij voor promotors m/v. Deze advertentie is in een blad voor
militairen, (…), verschenen. Verzoekster is bij het telefoongesprek te
kennen gegeven dat de wederpartij alleen mannen wilde aannemen voor de
functie.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. De Commissie heeft bij
de (…) informatie ingewonnen over het blad (…) waarin de advertentie is
verschenen.
Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 19 november 1996. De
wederpartij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. De wederpartij is gespecialiseerd in promotionele verkoopdemonstraties
met verse en kort houdbare producten.
De demonstraties worden op locatie in super- en hypermarkten uitgevoerd.
De wederpartij heeft in februari 1996 door middel van een advertentie in het
blad (…) geworven voor promotors m/v.
Als functie-eisen werden onder meer genoemd zelfstandig kunnen werken,
leeftijd vanaf 45 jaar, motivatie en inzet, enthousiast en vriendelijk en
representatieve omgangsvormen. Sollicitatiebrieven dienden te worden gericht
aan een uitzendbureau. Voor inlichtingen omtrent de vacature kon men
telefonisch contact opnemen met de wederpartij zelf. Verzoekster heeft naar
aanleiding van de advertentie gebeld met de wederpartij. Haar werd toen te
kennen gegeven dat de wederpartij alleen mannen wilde aannemen voor de
functie.
Nadat verzoekster een klacht had ingediend bij de Commissie heeft de
wederpartij haar een brief gezonden waarin zij zich verontschuldigt voor de
reactie in het telefoongesprek met verzoekster naar aanleiding van de
advertentie. De wederpartij heeft erkend dat de wijze waarop verzoekster
telefonisch te woord werd gestaan niet correct is.
De wederpartij heeft overwogen om verzoekster alsnog uit te nodigen voor een
sollicitatiegesprek, doch heeft daar gelet op de leeftijdseis van 45 jaar of
ouder vanaf gezien, omdat verzoekster 25 jaar was.

De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
De partner van verzoekster is lid van de (…) en ontvangt het
verenigingsorgaan. Verzoekster heeft naar aanleiding van de advertentie in
het blad van februari 1996 de wederpartij gebeld voor meer informatie. Haar
werd meegedeeld dat men alleen mannen wilde hebben voor de functie. Op dat
moment werkte men met een team van ongeveer 45 mannen en dat beviel goed. Er
was dus geen reden om ook vrouwen aan te nemen. Er werd gezegd dat het geen
nut had om te solliciteren. Over het feit dat verzoekster toch een brief zou
kunnen schrijven is niets gezegd.
Hoewel verzoekster zich realiseerde dat ze niet aan de leeftijdseis voldeed,
was zij van mening dat zij vanwege haar opleiding overtuigend zou overkomen
als promotor.
3.3. De wederpartij erkent dat de wijze waarop verzoekster te woord is
gestaan onjuist is. De wederpartij heeft echter vrouwen niet het recht
ontzegd om te solliciteren. Bovendien is volgens de wederpartij tegen
verzoekster gezegd dat zij een sollicitatiebrief kon sturen.
De wederpartij werkt veel met oud-militairen voor promotiewerkzaamheden.
Oud-militairen gaan in hun vijftigste levensjaar met functioneel
leeftijdsontslag en zijn nog zeer actief. Vaak willen zij graag nog een paar
dagen per maand iets betekenen. Voor de wederpartij is van belang dat de
oud-militairen over een groot doorzettingsvermogen beschikken en zeer
gedisciplineerd kunnen werken.
De wederpartij heeft voor deze vacature niet in andere bladen geadverteerd.
Zij is een net gestarte firma en tracht veel `free publicity’ te krijgen.
Daarom heeft zij alleen in het bewuste blad geadverteerd. De promotors zijn
niet bij de wederpartij in dienst maar worden via het uitzendbureau ingezet.
Bij speciale acties worden ook dames ingezet.

4. De overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt naar
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster bij
de behandeling van de vervulling van de vacature voor promotor af te wijzen
op grond van geslacht.
Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.
4.2. Op grond van artikel 3 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB) is het niet toegelaten om bij de aanbieding van een betrekking
of bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen.
Op grond van artikel 5 lid 2 en lid 3 WGB mag van dit verbod worden afgeweken
ingeval van voorkeursbeleid voor vrouwen of ingeval er van een
geslachtsbepaalde functie sprake is. Niet gesteld, noch gebleken is dat één
van deze uitzonderingen van toepassing is.
4.3. Verzoekster heeft naar aanleiding van de advertentie voor de onderhavige
functie telefonisch contact met de wederpartij opgenomen. Haar is toen te
verstaan gegeven dat de wederpartij – ondanks de vermelding `m/v’ in de
advertentie – in de betreffende functie uitsluitend mannen wilde aanstellen.
De Commissie is van oordeel dat de wederpartij door het voeren van een
dergelijk aanstellingsbeleid onderscheid bij de selectie maakt op grond van
geslacht, zoals verboden door artikel 3 WGB.
4.4. Aan bovenstaand oordeel doet niet af dat de wederpartij verzoekster
formeel niet het recht heeft ontzegd om te solliciteren naar de functie van
promotor. Een dergelijke sollicitatie dient immers geen enkel belang als al
vaststaat dat kandidaten van het vrouwelijk geslacht bij de selectie niet in
aanmerking komen.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Huizen jegens mevrouw
(…) te Rotterdam onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met
artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L.M. Mulder (lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 17 januari 1997

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Eiseressen hebben een procedure aangespannen tegen de Staat op grond van
onrechtmatige daad. Zij stellen zich op het standpunt dat vrouwen die door
jarenlange zorg voor het gezin geen eigen inkomen hebben kunnen verwerven na
echtscheiding recht houden op alimentatie. De Wet Limitering Alimentatie gaat
er ten onrechte vanuit dat vrouwen binnen twaalf jaar economisch zelfstandig
kunnen zijn. De wet betekent in de praktijk dat veel van de betrokken vrouwen
afhankelijk worden van een bijstandsuitkering.
Eiseressen wilden de wetgeving laten toetsen aan het internationale recht en
met name art. 2 VN-vrouwenverdrag. Zij stelden dat de wetgeving in strijd was
met de mensenrechten omdat de limitering van alimentatie een vernederende
behandeling zou zijn op grond van het Europees verdrag van de rechten van de
mens. De rechtbank heeft alle eisen afgewezen (RN 1995, nr. 527, m.nt. Jet
Tigchelaar).
De Hoge Raad acht de limitering geen vernederende behandeling noch
discriminerend en verwerpt het beroep. De Hoge Raad hecht groot belang aan de
hardheidsclausule in de Wet Limitering Alimentatie. Die hardheidsclausule
houdt in dat de vrouw zich kan verzetten tegen de beëindiging van de
alimentatie door drie maanden voor de fatale datum een verzoek tot de rechter
te doen omdat de beëindiging onredelijk en onbillijk zou zijn. De Hoge Raad
acht het verschil tussen de situatie voor de wet en na de wet zodanig klein
dat er geen sprake van een discriminerende werking in de zin van het
internationale recht zou zijn. Het gaat volgens de Hoge Raad `slechts’ om het
verleggen van het initiatief en het bewijsrisico.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instantie

Eiseressen tot cassatie – verder te noemen: Rechtenvrouw c.s. – hebben bij
exploit van 23 september 1994 verweerder in cassatie – verder te noemen: de
Staat – gedagvaard voor de Rechtbank te ‘s-Gravenhage en gevorderd a. voor
recht te verklaren dat de Staat onrechtmatig jegens hen, alsmede jegens de
vrouwen voor wie Rechtenvrouw c.s. in rechte optreden, handelt door invoering
van de wetten van 28 april 1994 (Stb. 324 en 325) tot wijziging van de
bepalingen in het Burgerlijk Wetboek ter zake van limitering van de
alimentatieduur na echtscheiding, alsmede door te weigeren deze wetgeving in
te trekken, b. de Staat te gelasten passende maatregelen te nemen teneinde te
bewerkstelligen dat de Staten-Generaal de onderhavige wetgeving zullen
intrekken en c. één en ander onder verbeurte van een dwangsom van a ƒ 250 000
per dag.
De Staat heeft de vorderingen bestreden.
Bij vonnis van 19 juli 1995 heeft de Rechtbank de vorderingen afgewezen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen dit vonnis van de Rechtbank hebben Rechtenvrouw c.s. op de voet van
art. 389, aanhef en onder 2 RV. beroep in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Rechtenvrouw
c.s. mede door mrs M. Oostendorp en G. van Driem, advocaten te Amsterdam.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Koopmans strekt tot verwerping van het
beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Eiseressen tot cassatie zijn de Stichting Rechtenvrouw, feministisch
proefprocessenfonds, en de Vereniging Bond van gescheiden vrouwen Divortium.
De Stichting heeft ten doel het bevorderen van de emancipatie van vrouwen en
het bestrijden van alle vormen van vrouwendiscriminatie, voor zover dit door
het recht en de toepassing daarvan verwezenlijkt kan worden. In het bijzonder
stelt de Stichting zich ten behoeve daarvan ten doel het bevorderen van
grensverleggende jurisprudentie ten gunste van vrouwen. De Vereniging stelt
zich ten doel de belangen van gescheiden vrouwen te behartigen, een en ander
in de ruimste zin en met alle haar ter beschikking staande middelen.
Rechtenvrouw c.s. hebben voordat de hierna vermelde wetgeving op 1 juli 1994
van kracht werd, herhaaldelijk bij de leden van de Eerste en Tweede Kamer
protest aangetekend tegen deze wetgeving en geattendeerd op de gevolgen van
alimentatielimitering voor vrouwen.
De door Rechtenvrouw c.s. in dit geding ingestelde vorderingen hebben
betrekking op de wet van 28 april 1994, Stb. 324, inzake limitering van
alimentatie na scheiding, en op de hierna als `de Novelle’ aan te duiden wet
van 28 april 1994, Stb. 325, tot wijziging van enige bepalingen van
eerstgenoemde wet. De beide wetten zullen tezamen verder `de WLA’ worden
genoemd.

3.2. Rechtenvrouw c.s. hebben aan hun onder 1 vermelde vorderingen in de
eerste plaats ten grondslag gelegd dat de Staat in strijd met art. 3 EVRM
handelt. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat sommige vrouwen na jarenlang een
bijdrage aan de opbouw van de samenleving te hebben geleverd, na afloop van
de alimentatietermijn op een bijstandsuitkering zullen zijn aangewezen, dat
dit voor hen vernederend en onmenselijk is en dat een vrouw die jarenlang een
stand heeft kunnen ophouden door de gang naar de sociale dienst psychisch
gekleineerd zal worden. Voorts hebben Rechtenvrouw c.s. onder meer aan hun
vorderingen ten grondslag gelegd dat de W
A discriminatie van vrouwen teweegbrengt, die strijdig is met de artikelen 23
en 26 IVBPR, art. 2 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van
discriminatie van vrouwen en de artikelen 8 en 14 EVRM en artikel 5 van het
zevende Protocol bij het EVRM.
De Rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Daartegen keert zich het middel.

3.3. Het EHRM heeft geoordeeld dat `ill-treatment’ must attain a minimum
level of severity if it is to fall within the scope of Article 3 (zie onder
meer EHRM 18 januari 1978, Serie A nr. 25). Van het zijn aangewezen op een
bijstandsuitkering en de gang naar de sociale dienst kan echter niet, ook
niet onder de hiervoor in 3.2 weergegeven omstandigheden, gezegd worden dat
daarmee de door het EHRM aangeduide grens is overschreden. Het van een andere
opvatting uitgaande onderdeel a faalt derhalve.

3.4. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de WLA geen discriminatie van vrouwen
heeft teweeggebracht. Daartegen keert zich onderdeel b.
De Rechtbank is tot dit oordeel gekomen op grond van – kort samengevat – de
volgende overwegingen. Wat de WLA in feite heeft veranderd, is het
automatisch doorlopen van alimentatie totdat de alimentatieplichtige met
succes een verzoek tot opheffing heeft gedaan. Het initiatief is verlegd en
ook het `bewijsrisico’; dit laatste in die zin dat degene die, ondanks het
verloop van de tijd waartoe de alimentatie was gelimiteerd, daarvan
voortzetting wenst, aannemelijk dient te maken dat de beëindiging van de
uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet van de uitkeringsgerechtigde kan worden
gevergd. Voor de (`oude’) gevallen, bedoeld in art. II van de Novelle, blijft
de situatie ten opzichte van het initiatief ongewijzigd. Wordt in een zodanig
geval opheffing gevraagd, dan beëindigt de rechter de
alimentatieverplichting, tenzij hij van oordeel is dat sprake is van de
zojuist omschreven situatie waarin beëindiging van de uitkering niet van de
uitkeringsgerechtigde kan worden gevergd.
De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de hiervoor omschreven
verlegging van het initiatief en van het `bewijsrisico’ niet de slotsom
wettigt dat de WLA discriminerend ten opzichte van vrouwen zou zijn in de zin
van genoemde, hiervoor in 3.2 genoemde, verdragsbepalingen. In dat oordeel
ligt besloten dat met betrekking tot het vóór de inwerkingtreding van de WLA
geldende recht inzake limitering van alimentatie na scheiding geen sprake was
van een zodanige discriminerende werking en dat de veranderingen – de
voorziening voor `oude gevallen’ daaronder begrepen – ten opzichte van het
voor die inwerkingtreding geldende recht te gering zijn om de slotsom te
wettigen dat met betrekking tot de W
A van een zodanige discriminerende werking wel sprake is. Deze oordelen zijn
juist. Reeds hierom faalt het onderdeel.

4. Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Rechtenvrouw c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op
deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op a ƒ 577,20 aan
verschotten en a ƒ 3000 voor salaris.

Rechters

Mrs Roelvink, Korthals Altes, Neleman, Heemskerk, Herrmann