Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op basis van een aanstelling voor
bepaalde tijd. Verzoekster stelt dat haar tijdelijke aanstelling niet is
omgezet in een vast dienstverband vanwege haar zwangerschap.
Het besluit om een tijdelijke aanstelling niet te verlengen, is een besluit
betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst.
De verzoekster had zich in december 1995 bij de wederpartij ziekgemeld, maar
de wederpartij niet op de hoogte gesteld van het feit dat zij zwanger was. De
wederpartij heeft dit pas medio januari 1996 te horen gekregen.
Naar het oordeel van de Commissie heeft de wederpartij voldoende aannemelijk
gemaakt, dat de arbeidsverhouding voor de melding van de zwangerschap al
verstoord was geraakt.
Daarmee is voor de Commissie komen vast te staan dat de zwangerschap van
verzoekster geen reden is geweest om de arbeidsovereenkomst van verzoekster
niet te verlengen.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 28 maart 1996 verzocht mevrouw (…) te Amsterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) met
spoed of door middel van een vereenvoudigde behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of het (…) te Amsterdam (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoeksters dienstverband is niet verlengd. Volgens verzoekster is de
reden hiervoor gelegen in haar (voorziene afwezigheid in verband met)
zwangerschap.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Gelet op de aard van de zaak en het feit dat verzoekster
onvoldoende spoedeisend belang had, heeft de Commissie het verzoek om een
vereenvoudigde behandeling respectievelijk een spoedbehandeling niet
gehonoreerd.
Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht. De Commissie heeft partijen
opgeroepen voor een zitting op 8 oktober 1996.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. mr. J.I. van der Winden (advocaat)
– dhr. (…) (als tolk)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– mw. (…) (personeelszaken)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. De wederpartij exploiteert een hotel. Verzoekster was werkzaam bij de
wederpartij als medewerkster huishoudelijke dienst op basis van een
oproepcontract voor zes maanden ingaande 1 maart 1995. Dit contract is per 1
september 1995 voor zes maanden verlengd met een nieuw oproepcontract. Dit
contract liep af op 29 februari 1996. Verzoeksters contract is daarna niet
opnieuw verlengd. Verzoeksters contract kende een minimum garantie van vier
uur per week.
Verzoekster heeft zich op 9 december 1995 ziek gemeld. Op 8 januari is zij op
het spreekuur van de bedrijfsarts geweest. Half januari 1996 heeft zij de
wederpartij op de hoogte gesteld dat de reden voor haar arbeidsongeschiktheid
(mede) gelegen was in haar zwangerschap. Op 5 of 7 februari 1996 is
verzoekster mondeling meegedeeld dat haar arbeidscontract niet zou worden
verlengd. De wederpartij heeft dit bij brief gedateerd 5 februari 1996
schriftelijk vastgelegd.
Op 6 februari 1996 is verzoekster niet verschenen op een afspraak met de
bedrijfsarts.
Bij brief van 23 februari 1996 heeft de wederpartij laten weten dat
verzoekster eventueel voor het volgende seizoen zou kunnen solliciteren.
Door de wederpartij is recent het arbeidscontract met tenminste twee zwangere
werkneemsters die wegens klachten samenhangend met zwangerschap
arbeidsongeschikt waren, voor een jaar verlengd dan wel omgezet in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
De wederpartij heeft verzoeksters contract niet willen verlengen wegens haar
voorzienbare afwezigheid in de toekomst, vanwege haar zwangerschap, de
bevalling of het moederschap.
Verzoekster is op 9 december 1995 ziek naar huis gegaan. De reden hiervoor
was gelegen in haar zwangerschap. Op 22 december 1995 ontving verzoekster op
haar postadres een brief van de wederpartij. In deze brief wordt gesuggereerd
dat de wederpartij reeds herhaalde malen geprobeerd had contact met haar op
te nemen. Verzoekster heeft echter niet eerder post ontvangen op dat adres en
geen wijziging in haar postadres aan de wederpartij doorgegeven.
Medio januari 1996 heeft verzoekster haar werkgever op de hoogte gesteld van
haar zwangerschap en daarbij aangegeven dat zij nog een beslissing moest
nemen over haar situatie. Verzoekster heeft echter niet aan de wederpartij
geschreven dat zij voornemens was haar zwangerschap te onderbreken. Toen
verzoekster zich op 5 februari 1996 bij de wederpartij beter meldde en zij
dus opnieuw ingeroosterd wilde worden, werd haar te kennen gegeven dat men
haar contract niet zou verlengen. Haar is meegedeeld dat de reden hiervoor
gelegen was in haar zwangerschap. Verzoekster heeft aangegeven de daarop
volgende week te willen werken. Uit de brief van 5 februari 1996 waarin werd
bevestigd dat haar contract niet zou worden verlengd, blijkt dat de
wederpartij op de hoogte was van verzoeksters zwangerschap.
Verzoekster heeft zich in de week 5 februari 1996 tot de Arbodienst gewend om
zich beter te melden. Aangezien haar werd duidelijk gemaakt dat zij zich bij
haar werkgever beter moest melden, heeft zij hierover in de week van 12
februari contact opgenomen met de wederpartij. Door de wederpartij werd
verzoekster doorverwezen naar de Arbodienst.
De reden dat verzoekster op 6 februari 1996 niet op het spreekuur van de
bedrijfsarts is gekomen, was gelegen in het feit dat zij net geopereerd was
en geen geld had om een buskaartje te kopen. Zij is ook niet naar de nieuwe
afspraak op 19 februari 1996 gegaan omdat zij toen geen reden (meer) zag om
zich te laten onderzoeken. Verzoekster wilde wel meewerken aan het onderzoek
door een bedrijfsarts en heeft zich ook daadwerkelijk tot de bedrijfsarts
gewend.
Bij brief van 23 februari 1996 heeft de wederpartij aangegeven dat
verzoekster tot de einddatum van haar contract (1 maart 1996) zou kunnen
werken, indien zij zich beter voelde. Toen verzoekster zich vervolgens tot de
wederpartij wendde om zich in te laten roosteren, werd dit geweigerd
aangezien het rooster tot 1 maart 1996 reeds opgesteld was.
Verzoekster acht de stelling van de wederpartij dat zij haar werk niet goed
verrichtte, moeilijk in de omgang zou zijn en slecht bereikbaar zou zijn,
onaannemelijk. De medewerkster van de personeelsafdeling heeft verzoekster
gevraagd of zij na haar zwangerschap terug zou willen keren. Dit is ook
schriftelijk bevestigd. Verzoekster is van mening dat hieruit onbetwist kan
worden afgeleid dat zij haar werk naar tevredenheid heeft verricht. Bovendien
is haar werk steeds als goed beoordeeld; zij heeft een goede band met de
leidinggevenden van het hotel en mocht in de zomer nachtdiensten draaien,
hetgeen gemakkelijker werk is. Slechts gedurende haar ziekteperiode is
verzoekster niet aanwezig geweest in haar woning, voor het overige is zij
altijd goed te bereiken geweest. Daarnaast blijkt uit de correspondentie van
de wederpartij met verzoekster dat zij haar werk goed verrichtte.
Verzoekster acht de mededeling van de wederpartij met betrekking tot de
andere zwangere werkneemsters niet relevant voor haar situatie.
3.3. De wederpartij stelt het volgende.
De klacht over onderscheid is niet terecht.
Verzoeksters contract is niet verlengd omdat de samenwerking niet goed
verliep. De communicatie met haar kwam tijdens haar afwezigheid zeer moeizaam
tot stand en verzoekster hield zich niet aan de huisregels van de
wederpartij. Hoewel verzoekster haar werkzaamheden redelijk goed verrichtte,
voldeed zij niet aan de eisen die de wederpartij stelt alvorens een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden.
In operationeel en financieel opzicht waren voor de wederpartij geen nadelen
verbonden aan verzoeksters zwangerschap. Gedurende verzoeksters afwezigheid
vanwege zwangerschap zou haar salaris voor 100% worden betaald door de
bedrijfsvereniging. Aangezien verzoekster werkzaam was op basis van een
oproepcontract zou zij haar beschikbaarheid kunnen afstemmen op de opvoeding
van haar kind. Een goed ingewerkte collega vervangen daarentegen is wel
kostbaar en tijdrovend. Bovendien had verzoekster de wederpartij in januari
1996 reeds schriftelijk en mondeling laten weten dat zij het voornemen had
haar zwangerschap af te breken.
In juni 1996 heeft de wederpartij vernomen dat verzoekster dit voornemen
heeft uitgevoerd.
Verzoekster heeft op de vrije dagen van een medewerkster die hiervoor vast in
dienst is bij de wederpartij, de avonddienst gedaan. Dit is geen privilege,
maar verzoekster wilde zelf graag avonddiensten werken. Een goede band met
een leidinggevende zegt volgens de wederpartij niets over de kwaliteit, de
productiviteit en het karakter van verzoekster. Verzoekster is gedurende haar
ziekteperiode (tweeënhalve maand) niet op haar huisadres bereikbaar geweest.
Haar verblijfadres heeft verzoekster niet aan de wederpartij noch aan de
bedrijfsarts willen doorgeven.
Verzoekster was sinds december 1995 ziek. Net als alle andere zieke collega’s
zou verzoekster controle krijgen van (…). Zij was echter niet bereikbaar.
Na een kort briefje te hebben gestuurd, heeft de wederpartij op 22 december
1995 een aangetekende brief verzonden, waarin verzoekster werd berispt voor
het niet aanwezig zijn op het bij de wederpartij bekende adres. Tevens werd
verzoekster erop gewezen dat uitbetaling van het ziekengeld niet zou
plaatsvinden zolang de wederpartij haar niet kon bereiken.
Deze gebeurtenissen waren voor de wederpartij aanleiding om de geschiktheid
van verzoekster en daarmee de wenselijkheid van verlenging van haar contract
verder in twijfel te trekken.
Op 5 januari 1996 reageerde verzoekster op de brieven. Haar werd uitgelegd
dat zij conform de regelgeving van het hotel geen recht had op ziekengeld
zolang de bedrijfsarts haar niet had kunnen onderzoeken. De wederpartij heeft
daarop een afspraak voor haar gemaakt met de bedrijfsarts op 8 januari 1996.
Deze vond haar verzuim terecht. Verzoekster kwam diezelfde dag bij de
wederpartij omdat zij problemen had met het Ziekenfonds.
De wederpartij heeft getracht één en ander voor haar op te lossen.
Eerst op 13 januari 1996 vernam de wederpartij van verzoekster dat haar
ziekte samenhing met haar zwangerschap. Op 5 februari 1996 belde verzoekster
met de wederpartij omdat zij een voorschot op haar salaris wilde. Bij die
gelegenheid is haar meegedeeld dat haar contract niet zou worden verlengd.
Dit is op 7 februari 1996, toen verzoekster haar voorschot kwam ophalen,
nogmaals bevestigd.
Gelet op het feit dat verzoeksters arbeidsongeschiktheid samenhing met
zwangerschap, zou het ziekengeld volledig door de bedrijfsvereniging
uitgekeerd worden. De bedrijfsarts moest een adviesrapportage naar de
bedrijfsvereniging zenden en om die reden heeft de wederpartij voor
verzoekster een afspraak gemaakt op 6 februari.
Op 6 februari 1996 is verzoekster niet op het spreekuur verschenen. Twee
dagen later belde zij om door te geven dat zij geen busgeld had gehad. De
wederpartij heeft verzoekster op die dag een voorschot op haar later met haar
te verrekenen vakantiegeld of -dagen verstrekt. De wederpartij heeft een
nieuwe afspraak gemaakt met de bedrijfsarts voor 19 februari 1996, maar ook
op die dag verscheen verzoekster niet op het spreekuur. Zij belde een dag
later om te melden dat zij geen busgeld had. Verzoekster weigerde, na een
voorstel van de wederpartij hiertoe, een rapporteur van (…) op enig ander
adres te ontvangen.
De wederpartij heeft hierna besloten om verder geen actie te ondernemen,
verzoekster zou toch op 1 maart 1996 uit dienst gaan. Het was inmiddels niet
meer na te gaan of verzoeksters verzuim vanaf 8 januari 1996 terecht was
geweest.
Naar aanleiding van een brief van verzoeksters advocaat waarin werd
aangegeven dat verzoekster zich beschikbaar hield voor werk, heeft de
wederpartij bij brief van 23 februari 1996 meegedeeld dat indien verzoekster
zich hersteld zou melden bij haar werkgever zij haar werkzaamheden tot 1
maart zou kunnen uitvoeren. Op 28 februari 1996 om tien voor vier heeft
verzoekster zich beter gemeld en aangegeven op 29 februari 1996 te willen
werken. Aangezien de roosters voor de volgende dag al klaar waren en de
betreffende afdeling om vier uur zou sluiten, was dit niet mogelijk.
Verzoekster is gezegd dat zij eventueel voor het volgende seizoen zou kunnen
solliciteren. De wederpartij zou dan opnieuw bekijken of zij voldoende werk
hadden om haar een baan te verschaffen en verzoekster daarmee een herkansing
te bieden.
De verwijzing naar verzoeksters zwangerschap in de brief van 5 februari 1996
waarin haar werd meegedeeld dat haar contract niet zou worden verlengd, had
te maken met de uitbetaling van het ziekengeld door het GAK en niet met de
reden van het ontslag.
De wederpartij heeft in de periode dat verzoeksters contract niet verlengd
werd, twee andere contracten van zwangere medewerksters huishoudelijke dienst
wèl verlengd. Deze werkneemsters zijn ver voor het begin van hun
zwangerschapsverlofdatum uitgevallen.
Eén van de contracten is omgezet in een contract voor onbepaalde tijd; het
andere contract is met een jaar verlengd.

4. De overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt naar geslacht
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door de tijdelijke
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet te verlengen.
Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende artikelen van belang.
4.2. Ingevolge artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) lid 1 is het
verboden bij het aangaan of beëindigen van een arbeidsovereenkomst
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
De Commissie heeft in eerdere uitspraken (Commissie gelijke behandeling, 23
mei 1995, oordeelnummer: 95-15; 24 juli 1995, oordeelnummer: 95-29 en 17
april 1996, oordeelnummer: 96-26.) geoordeeld dat het besluit om een
tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te verlengen, een besluit betreffende het
aangaan van een arbeidsovereenkomst is.
4.3. Artikel 7A:1637ij BW lid 5 bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen
en vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onderscheid
op grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is blijkens deze
bepalingen een vorm van direct onderscheid.
De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en bevallings- verlof als een
onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg van de zwangerschap beschouwd moet
worden en daardoor op één lijn gesteld moet worden met de zwangerschap zèlf
(Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer: 95-15 en
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 15 maart
1994, oordeelnummer: 620-94-24.). Onderscheid op grond van beperkte
inzetbaarheid vanwege zwangerschap en bevalling levert dus direct onderscheid
op.
4.4. Reeds eerder oordeelde de Commissie gelijke behandeling dat ook indien
zwangerschap niet de doorslaggevende reden is geweest om een zwangere
kandidate niet te benoemen maar slechts één van de redenen, in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen is gehandeld (Commissie
gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer: 95-15 en Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 8 mei 1990, oordeelnummer:
172-90-31 en 23 juni 1992, oordeelnummer: 518-92-37.).
De wet biedt geen ruimte voor het rechtvaardigen van direct onderscheid. De
enige uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid zijn de in de wet
in artikel 7A:1637ij BW lid 2-4 genoemde uitzonderingen. Deze uitzonderingen
zijn hier niet van toepassing.
4.5. De vraag die voorligt is derhalve, of aannemelijk is dat de zwangerschap
van verzoekster (mede) aanleiding vormde voor de wederpartij om de
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet te verlengen.
De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Onbetwist is, dat verzoekster
zich in december 1995 ziek heeft gemeld, zonder daarbij melding te maken van
haar zwangerschap. De wederpartij was hiervan ook niet op enigerlei andere
wijze op de hoogte.
Pas medio januari 1996 heeft de wederpartij van verzoekster vernomen dat de
zwangerschap (mede) oorzaak was van haar afwezigheid.
Naar het oordeel van de Commissie heeft de wederpartij voldoende aannemelijk
gemaakt, dat de arbeidsverhouding toen al was verstoord. De wederpartij was
niet geheel tevreden over het functioneren van verzoekster. In de periode
tussen de ziekmelding en de mededeling over de zwangerschap zijn vervolgens
ernstige communicatieproblemen met verzoekster opgetreden. Deze problemen
ontstonden door onbereikbaarheid van verzoekster. Bij de vervulling van een
oproepcontract is de bereikbaarheid van de werknemer een essentiële
voorwaarde. De Commissie acht het derhalve begrijpelijk dat de wederpartij
hier een zwaar gewicht aan hechtte. Dit had ook voor verzoekster begrijpelijk
moeten zijn.
Voorts is vastgesteld dat verzoekster -zonder opgave vooraf- haar afspraken
met de wederpartij niet is nagekomen. Ook dit wekte irritatie bij de
wederpartij.
Aan de verstoring van de arbeidsverhouding doet niet af dat de wederpartij
verzoekster heeft willen bijstaan in de moeilijke situatie waarin zij zich
mede door haar zwangerschap bevond.
Het besluit omtrent de niet-verlenging van het contract was toen echter al
genomen.
Vaststaat daarmee, dat de verstoring van de arbeidsverhouding die de oorzaak
is van het niet-verlengen van het contract, zijn oorzaak heeft in twijfels
over het functioneren van verzoekster in combinatie met haar onbereikbaarheid
en het niet-nakomen van afspraken. De verstoring is ontstaan vóórdat de
wederpartij op de hoogte was van de zwangerschap van verzoekster.
Daarmee is naar het oordeel van de Commissie tevens vast komen te staan dat
de (afwezigheid wegens) zwangerschap van verzoekster geen reden is geweest om
de arbeidsovereenkomst van verzoekster niet te verlengen.
De Commissie voegt hieraan toe, dat de besluitvorming bij de wederpartij over
het niet verlengen van de tijdelijke arbeidsovereenkomst voor verzoekster
niet erg inzichtelijk was. De Commissie beveelt daarom aan in de toekomst ook
bij tijdelijke contracten duidelijke procedures te hanteren waardoor de wijze
van beoordeling en besluitvorming omtrent verlenging voor alle betrokkenen
inzichtelijk is.

5. Het oordeel van de commissie
5.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Amsterdam jegens
mevrouw (…) te Amsterdam geen onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht als bedoeld in artikel 7A:1637ij van het Burgerlijk Wetboek door
haar tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te verlengen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkte parttime als administratief medewerkster bij de
wederpartij. In tegenstelling tot haar mannelijke collega’s ontving zij geen
eindejaarsuitkering. Verzoekster stelt dat wederpartij onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt.
De Commissie stelt vast dat een eindejaarsuitkering onder het begrip
`beloning’ valt en derhalve een arbeidsvoorwaarde is en dat verzoekster een
dienstverband in de zin van artikel 7A:1637ij BW heeft.
Nu van een andere reden voor verschil in behandeling niet is gebleken, gaat
de Commissie er vanuit dat het niet ontvangen van een eindejaarsuitkering een
gevolg is van het feit dat verzoekster een vrouw is. De Commissie concludeert
dat er sprake is van direct onderscheid op grond van geslacht.

Volledige tekst

1. Het verzoek
Op 7 mei 1996 verzocht mevrouw (…) te Soest (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
(…) te Naarden (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht bij de beloning als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster is van half november 1994 tot 1 april 1996 bij de
wederpartij parttime werkzaam geweest als administratief medewerkster. In
tegenstelling tot haar mannelijke collega’s ontving zij geen
eindejaarsuitkering. Verzoekster is van mening dat de wederpartij daarmee
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun
standpuntenschriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 8 oktober 1996. De wederpartij heeft aan
deze oproep geen gehoor gegeven.
Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– (…) (verzoekster)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. De wederpartij is een groothandel in papier. Op de arbeidsvoorwaarden
bij de wederpartij is geen CAO van toepassing.
3.2. Verzoekster is van half november 1994 tot 1 april 1996 bij de
wederpartij werkzaam geweest als administratief medewerkster. In haar
arbeidsovereenkomst, d.d. 14 november 1994, staat vermeld dat zij
`administratieve oproep medewerkster’ is. Verzoekster werkte 20 uur per week:
vier uur per dag in de ochtenduren. De werkzaamheden die verzoekster
verrichtte bestonden uit boekhouden, het voeren van handelscorrespondentie en
facturering. Haar salaris bedroeg ƒ 22,50 bruto per uur. Daarnaast ontving
zij vakantiegeld en een maandelijkse reiskostenvergoeding.
3.3. Bij de wederpartij waren in totaal drie medewerkers werkzaam. Naast
verzoekster waren nog twee mannelijke werknemers in dienst. De mannelijke
werknemers hadden een vast dienstverband voor 40 uur per week. Zij ontvingen
in december 1994 en december 1995 een eindejaarsuitkering. Deze bedroeg 8%
van het jaarinkomen. Verzoekster ontving geen eindejaarsuitkering.

De standpunten van partijen
3.4. Verzoekster stelt het volgende.
De wederpartij had verzoekster mondeling te kennen gegeven iemand te zoeken
voor halve dagen gedurende 20 uur per week. Toen verzoekster solliciteerde,
is door de wederpartij met verzoekster afgesproken dat zij iedere ochtend op
het werk aanwezig zou zijn. Daaraan heeft verzoekster zich gedurende haar
dienstverband gehouden.
Verzoekster was verbaasd dat zij in de arbeidsovereenkomst als oproepkracht
werd aangeduid. Zij veronderstelde dat dit te maken had met het feit dat het
hier een klein bedrijf betrof en men daar niet gewend is om te praten over
salaris en arbeidsvoorwaarden.
Verzoekster meent dat er sprake was van een vast dienstverband, hetgeen haar
door het Arbeidsbureau is bevestigd.
Verzoekster ontving in 1994 en 1995 geen eindejaarsuitkering. Toen de
eindejaarsuitkering over 1994 werd uitgekeerd was zij nog maar kort bij de
wederpartij in dienst. Verzoekster vond het daarom begrijpelijk dat zij hier
niet voor in aanmerking kwam.
In 1995 ontving zij evenmin een eindejaarsuitkering. Dit heeft verzoekster
verbaasd, omdat de wederpartij tevreden was over haar werkzaamheden en er
nimmer problemen waren geweest. Verzoekster verwachtte vanwege haar
deeltijdfunctie bijvoorbeeld 50% van de eindejaarsuitkering, mede gezien de
`gezonde’ winsten die door de wederpartij gemaakt werden.
Verzoekster heeft haar verbazing kenbaar gemaakt aan haar collega, de vaste
vervanger van de directeur. Deze zei in reactie hierop dat hij er niets aan
kon doen en dat het nu eenmaal zo was.
De wederpartij heeft verzoekster meegedeeld dat de eindejaarsuitkering alleen
voor medewerkers met een vast dienstverband was. Verzoekster is van mening
dat geen onderscheid gemaakt mag worden tussen fulltimers en parttimers.
3.5. De wederpartij stelt het volgende.
Van ongelijke behandeling op grond van geslacht is geen sprake. Verzoekster
is bij de aanvang van haar arbeidsovereenkomst met een bruto uurloon van ƒ
22,50 akkoord gegaan. Zij heeft met ingang van 1 april 1996 zelf haar ontslag
genomen en de eindafrekening voor akkoord getekend. De wederpartij is van
mening dat zij zich op grond daarvan thans niet meer op de
eindejaarsuitkering kan beroepen.
In een telefonische reactie d.d. 2 juli 1996 op vragen van de Commissie
benadrukt de wederpartij dat verzoekster oproepkracht was. Daarom was een
eindejaarsuitkering voor verzoekster niet aan de orde.

4. Overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling door haar -in tegenstelling tot haar mannelijke collega’s- geen
eindejaarsuitkering toe te kennen.
Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een werkgever
geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de
arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning.
Artikel 7A:1637ij lid 5 BW bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen zowel direct als indirect onderscheid wordt verstaan. Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan
het geslacht dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Het in
het eerste lid neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien van
indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
4.2. Vastgesteld moet worden dat een eindejaarsuitkering onder het begrip
`beloning’ valt en derhalve een arbeidsvoorwaarde is in de zin van artikel
7A:1637ij lid 1 BW.
In haar verweer benadrukt de wederpartij dat verzoekster als oproepkracht
werd beschouwd en zij daarom niet in aanmerking kwam voor een
eindejaarsuitkering.
Aangezien verzoekster gedurende anderhalf jaar elke dag vier uur, per week 20
uur, bij de wederpartij werkzaam was, is de Commissie van oordeel dat
verzoekster, evenals haar twee mannelijke collega’s, een dienstverband had in
de zin van artikel 7A:1637ij lid 1 BW.
4.3. Vaststaat dat bij de wederpartij drie werknemers in dienst waren: twee
mannen en één vrouw (verzoekster). Van deze werknemers ontvingen de twee
mannen eind 1995 wèl en verzoekster geen eindejaarsuitkering van de
wederpartij. Zoals de Commissie reeds heeft vastgesteld bestaat tussen
verzoekster en de mannelijke werknemers geen verschil in de aard van het
dienstverband. Hierin kan dan ook geen grond voor het gemaakte onderscheid
zijn gelegen. Nu de wederpartij geen andere reden voor het verschil in
behandeling heeft aangevoerd en hiervan ook overigens niet is gebleken, gaat
de Commissie er vanuit dat het gegeven dat verzoekster in 1995 geen
eindejaarsuitkering ontving een gevolg is van het feit dat zij een vrouw is.
De Commissie is op grond hiervan van oordeel dat de wederpartij direct
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden door
verzoekster in tegenstelling tot haar mannelijke collega’s geen
eindejaarsuitkering toe te kennen.
4.4. Ten aanzien van de stelling van verzoekster, dat geen onderscheid mag
worden gemaakt tussen fulltimers en parttimers en in het onderhavige geval
sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht, overweegt de
Commissie het volgende.
Vaststaat dat verzoekster parttime werkte en haar mannelijke collega’s
fulltime. Het is een feit van algemene bekendheid dat mannen aanmerkelijk
vaker fulltime werken dan vrouwen. Het onthouden van een eindejaarsuitkering
aan parttimers zal dan ook in overwegende mate vrouwen treffen. Dit leidt tot
het vermoeden dat sprake is van indirect onderscheid op grond van geslacht.
Aangezien de Commissie echter reeds geoordeeld heeft dat de wederpartij
direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt, gaat zij niet nader
in op de vraag of tevens sprake is van verboden indirect onderscheid op grond
van geslacht.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Naarden jegens (…)
te Soest direct onderscheid tussen mannen en vrouwen heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 7A:1637ij lid 1 van het Burgerlijk Wetboek door haar geen
eindejaarsuitkering toe te kennen en derhalve in strijd met deze wet heeft
gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. drs. B. van Schijndel(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 21 november 1996

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Het verzoek om door middel van adoptie de kinderen de status van wettige
kinderen van de partner van de moeder te verschaffen, wordt afgewezen.
Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft besloten
bedoelde adoptie af te wijzen.
Ook de verwijzing in hoger beroep naar het recente wetsvoorstel inzake
adoptie door één persoon kan hieraan niet afdoen. De eenpersoonsadoptie door
een vrouw, ook al leeft zij samen met een partner van hetzelfde geslacht,
verschaft immers – anders dan in het geval van verzoekster – het
adoptief-kind slechts de status van wettig kind van die (ene) vrouw.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Verzoeksters zijn in hoger beroep gekomen van een beschikking van 1 mei
1996 van de rechtbank te Amsterdam, nummer 95.6905 F.

1.2. De zaak is tegelijk met de zaak onder rekestnummer 434/96 behandeld op 7
oktober 1996.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. In geschil is de afwijzing van het verzoek van G respectievelijk K om de
adoptie uit te spreken van K.H.K, F.G.K en J.H.K door G.

Verzoeksters verzoeken hun inleidend verzoek alsnog toe te wijzen.

2.2. Het volgende is gebleken.

Verzoeksters hebben sedert 1989 een affectieve relatie met elkaar en leven
sedert 1990 samen. In verband met de bij hen gezamenlijke bestaande
kinderwens heeft K in 1992 een donorinseminatie ondergaan met semen dat
afkomstig was van een anonieme donor, geselecteerd op de uiterlijke kenmerken
en op de culturele achtergrond van G. Na de hieruit ontstane zwangerschap
werd op 11 maart 1993 K.H. geboren die met zijn tweede voornaam is vernoemd
naar de familie van G.

In 1995 werd K met het semen van dezelfde anonieme donor geïnsemineerd. Uit
de hierdoor ontstane zwangerschap werd op 7 juni 1995 de tweeling F.G. en
J.H. geboren. Ook deze kinderen werden met hun tweede voornaam vernoemd naar
familie van G.

Tot 2 november 1995 was G toeziend voogdes over K.H.

Verzoeksters werken beiden. G heeft zowel na de geboorte van K.H. als na de
geboorte van F.G. en J.H. gedurende anderhalf jaar niet gewerkt om voor de
kinderen te zorgen. Beide partijen dragen in gelijke mate bij aan de
opvoeding en verzorging van de kinderen, met wie zij in gezinsverband leven.

Verzoeksters zijn van mening dat de verzochte adopties zowel vanuit juridisch
als emotioneel oogpunt in het belang van de kinderen is. Op die manier kunnen
de kinderen meeprofiteren van een goede rechtspositie. Zij zijn van mening
dat het onacceptabel is om de kinderen deze rechtspositie te onthouden,
alleen vanwege de seksuele geaardheid van hun biologische moeder c.q. het feit
dat de verzorgende ouders van gelijk geslacht zijn. De tussen de kinderen en
G bestaande band wordt bevestigd door hen door middel van adoptie de status
van wettig kind van G te verschaffen, aldus verzoeksters.
Volgens verzoeksters wordt hun gezin door de omgeving volledig geaccepteerd.
Verzoeksters hebben er moeite mee dat K niet de biologische ouder van de
kinderen is, met betrekking tot de kinderen weinig praktische zaken kan
regelen, bijvoorbeeld het lidmaken van een bibliotheek, het inschrijven op
een school, het mee op reis nemen van de kinderen en in acute situaties
betreffende de gezondheid van de kinderen. Zij betogen – kort gezegd – dat
het onthouden van de door hen verzochte adoptie in strijd is met het bepaalde
in de artikelen 8, 12 en 14 van het Europees Verdrag inzake de bescherming
van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (verder: EVRM)
alsmede artikel 21 van het Verdrag voor de Rechten van het Kind.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Aan de door verzoeksters verzochte adoptie van de kinderen staat in de
weg het voorschrift van artikel 1:227 lid 1 BW en 228 lid 1 sub g BW, dat
bepaalt dat de adoptie (slechts) op verzoek van een – tenminste vijf jaren
voor de dag van het verzoek met elkaar gehuwd – echtpaar kan worden
uitgesproken.

3.2. Verzoeksters stellen dat het vereiste van gehuwd zijn een inbreuk vormt
op hun recht op gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM.
Het hof is, in aansluiting op de uitspraken van de Hoge Raad als gepubliceerd
in NJ 87, 316 en NJ 90, 497, van oordeel dat de beperkingen als de
onderhavige in artikel 1:227 en 228 BW in casu niet kunnen worden gezien als
een inmenging in het gezinsleven, en in ieder geval blijven binnen de grenzen
als in artikel 8 lid 2 EVRM voorzien.

3.3. Daarbij wordt voorts het volgende overwogen. Aan de thans van kracht
zijnde nationale adoptiewetgeving van Nederland ligt ten grondslag dat
adoptie wordt beschouwd als een afstammingsrecht. Dat wil zeggen dat een kind
onder de huidige adoptiewetgeving slechts één vader en één moeder kan hebben.
Nu het in het onderhavige geval gaat om het doen ontstaan van
afstammingsbanden tussen de kinderen en de vrouwelijke partner van de moeder,
met handhaving van de van rechtswege bestaande banden tussen de kinderen en
hun respectievelijke wettige en natuurlijke moeder, zou adoptie, hoezeer deze
ook in het belang van de kinderen kan worden geacht, indruisen tegen het
stelsel van onze (huidige) wetgeving.
Ook in dit licht kan het echtpaar-vereiste bepaald in artikel 1:227 lid 1 BW
in dit geval niet worden gezien als een inmenging in het familie- en
gezinsleven van artikel 8 EVRM.

3.4. In tegenstelling tot hetgeen door verzoeksters is betoogd, staat artikel
12 EVRM aan de handhaving van artikel 1:227 lid 1 BW evenmin in de weg. Deze
verdragsbepaling heeft betrekking op het traditionele huwelijk tussen
personen van verschillend geslacht. Het recht om een gezin te stichten dat
deel uitmaakt van dit artikel en dat blijkens de uitspraak van de Europese
Commissie voor de Rechten van de Mens van 10 maart 1981, D & R 24, p. 176 ook
betrekking kan hebben op adoptief-kinderen, wordt hierdoor afgebakend.
Voorzover de voorwaarden waaronder adoptie onder het huidige recht kan
toegestaan aan artikel 12 EVRM getoetst kunnen worden, betreft dit de adoptie
door gehuwden.

3.5. Het hiervoor onder 3.1. tot en met 3.4. overwogen brengt mee dat ook
geen sprake is van schending van artikel 14 EVRM, volgens welke bepaling het
genot van de rechten en vrijheden van het EVRM moet worden verzekerd zonder
enig onderscheid op welke grond ook. Een ander oordeel zou bovendien in casu
tot het ongerijmde gevolg leiden dat een echtpaar dat (nog) niet aan de –
naar het oordeel van de Hoge Raad strikt in acht te nemen – eis van vijf jaar
gehuwd zijn voldoet, doch wel reeds meer dan vijf jaar heeft samengewoond,
zou worden achtergesteld ten opzichte van verzoeksters die – uitsluitend –
hebben samengewoond.

3.6. Het beroep van verzoeksters op artikel 21 Verdrag inzake de rechten van
het kind (New York 20 november 1989, Trb. 1990, 46 en 170) dient eveneens te
worden verworpen, nu aan dat artikel, gelet op de aard, inhoud en de
bewoording van deze bepaling, geen rechtstreekse werking kan worden toegekend
en toetsing van het echtpaar-vereiste aan deze bepaling dan ook niet mogelijk
is. Anders dan verzoekster betogen kon ook de rechtbank met deze motivering
volstaan.

3.7. Voorts hebben verzoeksters aangevoerd dat in Nederland de
maatschappelijke opvattingen over adoptie aan veranderingen onderhevig zijn
en dat door de wetgever de grondslag van het huidige adoptiestelsel thans ter
discussie worden gesteld. Verder stellen zij dat in de maatschappij het
inzicht groeit dat er andere leefvormen dan het traditionele gezin zijn en
dat aan hen die alternatieve leefvorm gestalte geven, gelijke rechten moeten
worden toebedeeld.

3.8. In het licht van het onder 3.3. vermelde afstammingsrecht heeft de
rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat in het onderhavige geval
het wettelijk vereiste dat inhoudt dat adoptie slechts kan geschieden door
een echtpaar als geldend recht dient te worden gevolgd zolang geen duidelijke
aanwijzingen bestaan dat handhaving van dit vereiste, hetzij vanwege
veranderingen in de opvattingen over adoptie in de samenleving, onder meer
tot uitdrukking komende in voorgenomen dan wel aanhangige wetsvoorstellen of
kabinetsstandpunten, hetzij vanwege ontwikkelingen in het internationale
recht op het gebied van de rechten van de man (red.: mens), heroverweging
verdient.
Voorts heeft de rechtbank terecht en op goede gronden, welke het hof
overneemt en tot de zijne maakt, overwogen, onder verwijzing naar de
Kamerstukken II 1994-1995, 22 700, nr. 5, pagina 10-11 en Verslag
nota-overleg (Kamerstukken II 1995-1996, 22 700, nr. 16, pagina 43)
betreffende de nota `Leefvormen in het familierecht’, alsmede naar de Memorie
van Toelichting van het wetsvoorstel `Herziening van het afstammingsrecht
alsmede van de regeling van adoptie’ (Kamerstukken II 1995-1996, 24 649, nrs.
1 en 2, pagina 14), dat geenszins vaststaat dat de door verzoeksters beoogde
adoptie door de wetgever binnen afzienbare termijn mogelijk zal worden
gemaakt of dat de wetgever anderszins voorwaarden zal scheppen die het
mogelijk maken dat in gevallen als de onderhavige familierechtelijk
betrekkingen kunnen bestaan tussen een kind en twee personen van dezelfde
kunne. Hieraan kan niet afdoen de verwijzing in hoger beroep door
verzoeksters naar het recente wetsvoorstel nr. 24649 (Kamerstukken II
1995-1996, 24649, nrs. 1-2) inzake adoptie door één persoon. De
eenpersoonsadoptie door een vrouw, ook al leeft zij samen met een partner van
hetzelfde geslacht, van een kind waarvan de afstammingsrelatie met de
natuurlijke moeder door de adoptie wordt verbroken, verschaft immers – anders
dan in het geval van verzoeksters – het adoptief-kind slechts de status van
wettig kind van die (ene) vrouw. Anders dan verzoeksters menen ziet het hof
hier geen tegenstrijdigheid, aangezien ook in laatstgenoemd wetsvoorstel de
wetgever is blijven uitgaan van het afstammingsrechtelijk karakter van de
adoptie als hiervoor onder 3.3. bedoeld, zodat de (vrouwelijke) partner van
bedoelde adoptief moeder – evenals in het geval van elk der verzoeksters –
het kind evenmin kan adopteren.

3.9. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het hier de rechtsvormende
taak van de rechter te buiten gaat om aan het in artikel 1:227 BW genoemde
echtpaar-vereiste voorbij te gaan.

3.10 Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het verzoek van
verzoeksters dient te worden afgewezen.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Geachte mevrouw van der Winden,

In de vorige week uitgesproken beschikkingen onder voormelde rekestnummers is
een bijzonder ongelukkige verschrijving ingeslopen waar op – telkens –
bladzijde 6, bovenaan, gesproken wordt van de rechten van de man
in plaats van de rechten van de mens.
Ik twijfel er niet aan dat u en uw cliënten dit hebben opgevat voor wat het
is, een kennelijke verschrijving.
Ik ben mij er ten zeerste van bewust dat onze beslissing een bittere
teleurstelling is voor uw cliënten, die wij in de kou hebben laten staan,
niettegenstaande onze bij de behandeling van de zaken getoonde – oprechte –
sympathie voor hun standpunt en in weerwil van ons oordeel dat toewijzing van
hun verzoek het meest in het belang van de kinderen zou zijn geweest. Juist
daarom hecht ik eraan mijn verontschuldiging aan te bieden voor deze dwaze
verschrijving, die geheel ten onrechte de indruk kan wekken dat
onuitgesproken en wellicht onbewuste motieven van seksistische aard een rol
gespeeld zouden hebben bij onze beslissing.
Ik laat het graag aan u over of u mijn verontschuldiging doorgeeft aan uw
cliënten. Ik kan niet goed beoordelen of mijn briefje door hen op prijs wordt
gesteld of hen juist zou irriteren.

Met vriendelijke groet,

mr R.A. Torrenga, vice-president Hof Amsterdam

Rechters

Mrs Torrenga, Van Zandwijk-Hillebrands, Rodenburg

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op basis van een
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week voor bepaalde tijd. Deze
arbeidsovereenkomst is verlengd voor onbepaalde tijd.
De overeengekomen arbeidstijd van de nieuwe arbeidsovereenkomst bedraagt 24
uur per week, terwijl verzoekster de wens te kennen had gegeven tot haar
zwangerschapsverlof 40 uur per week te willen werken. Volgens verzoekster is
de reden hiervoor gelegen in haar zwangerschap.
De verstoring van de arbeidsverhoudingen is naar het oordeel van de Commissie
uitsluitend te wijten aan het feit dat verzoekster zich verzette tegen (de
gevolgen van) een, voor haar voortijdig, contract voor 24 in plaats van voor
40 uur per week (tot het einde van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof).
In het ontbindingsverzoek zoals dat door wederpartij bij de Kantonrechter is
ingediend wordt het feit dat verzoekster een klacht heeft ingediend bij de
Commissie gelijke behandeling als relevante oorzaak van de verstoring van de
arbeidsverhoudingen aangevoerd. Hiermee geeft de wederpartij aan dat de
omstandigheid dat de werknemer een beroep heeft gedaan op artikel 7A:1637ij
lid 1 BW reden vormt voor het verzoek tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
In een reguliere ontslagprocedure zou zulks naar het oordeel van de Commissie
betekenen dat artikel 7A:1637ij lid 6 BW van toepassing is, zodat verzoekster
gedurende de wettelijke termijn van twee maanden na opzegging de nietigheid
van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in zou kunnen roepen.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 25 september 1996 verzocht mevrouw (…) te Utrecht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) met
spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Utrecht (hierna:
de wederpartij) onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld
in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op basis van een
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week voor bepaalde tijd. Deze
arbeidsovereenkomst is verlengd voor onbepaalde tijd.
De overeengekomen arbeidstijd van de nieuwe arbeidsovereenkomst bedraagt 24
uur per week, terwijl verzoekster de wens te kennen had gegeven tot haar
zwangerschapsverlof 40 uur per week te willen werken. Volgens verzoekster is
de reden hiervoor gelegen in haar zwangerschap.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Het verzoek om een spoedbehandeling is in eerste instantie
afgewezen. Nadat de wederpartij een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter had ingediend, heeft verzoekster
opnieuw om een spoedbehandeling verzocht. De Commissie heeft dit verzoek
ingewilligd en de spoedprocedure toegepast. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht en zijn opgeroepen voor een zitting op 11 november
1996.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…)
– mw. mr. K.J.F. Machielsen (advocaat)

van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (eigenaar)
– dhr. mr. W.T.J.G. Osse (advocaat)
– mw. (…) (medewerkster, getuige)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. Wederpartij is een modellenagentschap.
Verzoekster is op 6 maart 1995 in dienst getreden bij de wederpartij als
administratief medewerkster op basis van een arbeidsovereenkomst van een jaar
voor 40 uur per week. Deze arbeidsovereenkomst is met ingang van 6 maart 1996
omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd voor 24 uur met een
oproepmogelijkheid tot 40 uur.
Naast verzoekster (en de eigenaar) was bij de wederpartij in 1995 gedurende
enkele tijd een parttime-medewerkster uit het Leerlingenwezen werkzaam. Vanaf
1 januari 1996 werkte er een tweede administratieve kracht.
3.2. Verzoekster is gedurende de periode dat zij bij de wederpartij in dienst
was zwanger geworden. Verzoekster heeft dit aan de wederpartij medio januari
1996 meegedeeld. Verzoekster heeft te kennen gegeven dat zij na afloop van
haar zwangerschaps- en bevallingsverlof (omstreeks 1 november 1996) drie
dagen per week (24 uur) zou willen werken.
3.3. In de maanden maart en april heeft verzoekster op afroep extra dagen
gewerkt.
Op 23 april 1996 heeft verzoekster zich ziek gemeld.
Hierna is over de afrekening van de in maart en april gewerkte uren een
conflict tussen partijen ontstaan, waarbij verzoekster een advocaat heeft
ingeschakeld.
3.4. Op 1 juli 1996 is het zwangerschapsverlof van verzoekster ingegaan
(lopend tot 1 november 1996).
3.5. Verzoekster werd bij brief van 15 oktober 1996 door de griffier van het
Kantongerecht te Utrecht in kennis gesteld van de door haar werkgever
gestarte ontbindingsprocedure.

De standpunten van partijen
3.6. Verzoekster stelt het volgende. Zij heeft haar functie altijd naar
behoren vervuld, ondanks de hoge werkdruk. Als bewijs van haar goed
functioneren heeft zij in augustus 1995 een salarisverhoging van ƒ 300
ontvangen. Er hebben geen functioneringsgesprekken plaats gevonden, noch is
haar op een andere manier te kennen gegeven dat haar functioneren te wensen
overliet. Dat er een andere medewerkster was aangenomen per 1 januari 1996
was, naar haar was meegedeeld, vanwege de drukte. Deze laatste is door haar
ingewerkt, waarbij niet aan de orde is geweest, dat zij de werkzaamheden van
verzoekster zou overnemen.
3.7. Verzoekster heeft na de melding van haar zwangerschap medio januari aan
wederpartij aangegeven dat zij tot het zwangerschapsverlof volledig zou
blijven werken en dat zij na het bevallingsverlof, indien mogelijk, drie
dagen per week (24 uur) wilde werken.
3.8. Wederpartij heeft toen laten blijken dat zij verwachtte dat verzoekster
vanwege haar zwangerschap een 40-urige werkweek niet meer aan zou kunnen.
Verzoekster kreeg op 6 maart 1996 een arbeidscontract voor onbepaalde tijd
van 24 uur per week aangeboden met een oproepmogelijkheid tot 40 uur, hetgeen
zij noodgedwongen heeft geaccepteerd.
3.9. Tussen haar en wederpartij is onenigheid gerezen over de afrekening van
de maanden maart en april 1996. Dit hield verband met het feit dat
verzoekster, door het contract met minder uren dan gewenst, financiële schade
leed. Naar aanleiding hiervan heeft zij een advocaat genomen. In dat verband
is ook naar voren gebracht dat zij tot haar zwangerschapsverlof feitelijk 40
uur wilde werken. Er bleek met de wederpartij niet meer te praten. Zij heeft
toen besloten om een klacht bij de Commissie in te dienen.
3.10. De wederpartij handelt in strijd met de wet door het indienen van een
klacht bij de Commissie (mede) als reden te gebruiken voor het starten van
een ontbindingsprocedure bij de Kantonrechter.
Verzoekster verwijst hiervoor naar het ontbindingsverzoek dat door
wederpartij is ingediend bij de Kantonrechter.
Daarin stelt wederpartij dat relevant is dat door het indienen van de
onterechte klacht bij de Commissie door verzoekster, de verhoudingen dusdanig
zijn verslechterd dat het dienstverband niet langer in stand kan blijven.
3.11. De wederpartij stelt het volgende.
Wederpartij heeft diverse malen functioneringsgesprekken gevoerd met
verzoekster over de uitvoering van haar werkzaamheden.
Dit vanwege het feit dat de wederpartij niet tevreden was over haar
werkzaamheden. Deze gesprekken zijn mondeling aangekondigd en er zijn geen
schriftelijke verslagen van gemaakt.
De productiviteit van verzoekster was laag. Verzoekster was regelmatig ziek
en bleek dagelijks op kantoor langdurig privé-problemen telefonisch af te
handelen.
De wederpartij moest veelal de opgedragen werkzaamheden controleren.
Verzoekster heeft ter motivatie een salarisverhoging van ƒ 300 gekregen in
augustus 1995, niet omdat ze zo goed functioneerde.
3.12. Zij heeft per 1 januari 1996 een extra werkneemster in dienst genomen
met het oog op vervanging van verzoekster na afloop van haar jaarcontract.
Hiertoe was betrokkene al in juli 1995 benaderd. Verzoekster had hierdoor
zelf twijfels gekregen over het feit of wederpartij haar contract zou
verlengen.
3.13. De betreffende nieuwe medewerkster die voor wederpartij als getuige ter
zitting aanwezig was, verklaarde desgevraagd dat zij van wederpartij begrepen
had dat zij verzoekster zou moeten vervangen, maar dat zulks nooit met
verzoekster is besproken.
3.14. De wederpartij wilde het verzoekster, na haar mededeling dat zij
zwanger was, niet aandoen om haar ontslaan. Na overleg met derden besloot
wederpartij verzoekster een dienstverband voor drie dagen aan te bieden. Dit
stemde overeen met het feit dat verzoekster zelf had aangegeven te zijner
tijd na haar zwangerschap drie dagen per week te willen werken.
3.15. Verzoekster heeft niet laten weten dat zij dit dienstverband
noodgedwongen heeft geaccepteerd.
Verzoekster heeft aan wederpartij laten blijken dat zij opgelucht was vanwege
de verlenging van het arbeidscontract.
De oproepmogelijkheid is een verzoek van verzoekster zelf geweest, waarin
wederpartij heeft toegestemd.
3.16. Wederpartij is duidelijk geworden dat na de inschakeling van een
advocaat door verzoekster over de salarisafrekening, verzoekster geen plannen
had om weer te komen werken. Daarbij werden haar door verzoekster ook
onterechte verwijten gemaakt.
Zij verwijst naar het in juli dit jaar gevoerde telefoongesprek tussen
wederpartij en de advocaat van verzoekster. Tijdens dit gesprek stelde
advocaat van verzoekster de vraag of de wederpartij een ontbindingsprocedure
in werking wilde gaan stellen. Op dat moment was dat voor de wederpartij,
mede uit financieel oogpunt, geen optie. Zij gaf er de voorkeur aan één en
ander uit te praten. Toen verzoekster een klacht bij de Commissie had
ingediend was dit voor haar aanleiding om ontbinding van de
arbeidsovereenkomst aan te vragen.
De wederpartij benadrukt dat het haar spijt dat één en ander zo gelopen is.

4. Overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt naar
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door de tijdelijke
arbeidsovereenkomst van 40 uur om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd voor 24 uur met oproepmogelijkheid, in plaats van verzoekster
tot het einde van haar zwangerschapsverlof een contract voor 40 uur per week
te geven.
4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.
Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verbiedt het maken
van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij het aangaan of beëindigen van de
arbeidsovereenkomst. De Commissie heeft in eerdere uitspraken reeds
geoordeeld dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te
verlengen een besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst is.
(Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer: 95-15; 2 januari
1996, oordeelnummer: 96-1 en 17 april 1996, oordeelnummer: 96-26.) Tevens
heeft de Commissie al eerder geoordeeld dat het besluit om een tijdelijke
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week om te zetten in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 24 uur per week, een besluit
betreffende de arbeidsvoorwaarden is (Commissie gelijke behandeling, 9 mei
1996, oordeelnummer: 96-32.).
Artikel 7A:1637ij BW lid 5 bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onderscheid op
grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is blijkens deze bepalingen
een vorm van direct onderscheid.
De wettelijke uitzonderingsmogelijkheden op het verbod van direct onderscheid
worden genoemd in artikel 7A:1637ij lid 2-4 BW (geslachtsbepaaldheid,
bescherming van de vrouw en voorkeursbeleid). In de onderhavige zaak is niet
gesteld noch gebleken dat deze uitzonderingsgronden van toepassing zijn.

4.3. Reeds eerder oordeelde de Commissie dat ook indien zwangerschap niet de
doorslaggevende reden is geweest om een zwangere kandidate niet te benoemen
maar slechts één van de redenen, in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen is gehandeld (Commissie gelijke
behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer: 95-15 en Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 8 mei 1990, oordeelnummer:
172-90-31 en 23 juni 1992, oordeelnummer: 518-92-37.).
4.4. Artikel 7A:1637ij lid 6 BW bepaalt dat de beëindiging van de
dienstbetrekking door de werkgever wegens de omstandigheid dat de arbeider in
of buiten rechte een beroep heeft gedaan op artikel 7A:1637ij lid 1 BW,
nietig is.
4.5. De vraag die voorligt is of aannemelijk is, dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) aanleiding vormde voor de wederpartij om de tijdelijke
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week om te zetten in een contract voor
onbepaalde tijd voor 24 uur per week met ingang van 6 maart 1996.
Vaststaat dat verzoekster de wens te kennen heeft gegeven om na haar
zwangerschapsverlof 24 uur te gaan werken, maar tot dat moment een contract
voor 40 uur ambieerde.
De wederpartij stelt dat de reden van het niet aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor 40 uur is gelegen in het onvoldoende functioneren
van verzoekster, terwijl verzoekster stelt nooit anders vernomen te hebben
dan dat zij naar volle tevredenheid functioneerde. De Commissie overweegt
hierover het volgende.
In navolging van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (Zie
onder andere Handels- or Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark versus
Dansk Arbejdsgiverforening, optredend voor Danfoss, 17 oktober 1989, zaak
109/88.) hebben de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid en de Commissie meermalen uitgesproken dat gevolgde sollicitatie- en
beoordelingsprocedures voor betrokkenen voldoende inzichtelijk en
controleerbaar moeten zijn, om te voorkomen dat (ongewild) onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt. In geval van een ondoorzichtige procedure moet de
werkgever aantonen dat er geen onderscheid naar geslacht is gemaakt.
De vraag die beantwoord moet worden is derhalve, of er bij de wederpartij
sprake is van een inzichtelijke beoordelingsprocedure waarbij duidelijk
herkenbare criteria gehanteerd worden.
Als er sprake is van onvoldoende functioneren dient dit tijdig aan betrokkene
kenbaar te zijn gemaakt in functionerings- gesprekken. In het onderhavige
geval ontkent verzoekster dat dergelijke gesprekken hebben plaatsgevonden
terwijl de wederpartij niet door middel van schriftelijke stukken, zoals
verslagen, aannemelijk kan maken dat zulks wel het geval is geweest, evenmin
als de getuige.
Verzoekster heeft in augustus 1996 een aanzienlijke salarisverhoging
ontvangen, welke door haar, zonder duidelijke aanwijzingen in andere
richting, kon worden opgevat als een bewijs van goed functioneren.
De Commissie stelt vast dat er derhalve geen sprake is van een
beoordelingsprocedure die voor betrokkenen voldoende inzichtelijk en
controleerbaar is.
De wederpartij stelt, dat verzoekster niet goed functioneerde, en zij haar in
het geheel geen arbeidsovereenkomst zou hebben aangeboden als zij het niet
juist vanwege haar zwangerschap zo moeilijk had gevonden om verzoekster geen
contract meer te geven. Deze stelling is evenwel niet nader onderbouwd en ook
overigens niet erg aannemelijk gezien de aanzienlijke risico’s die de
wederpartij daarmee loopt wanneer in de zeer kleine onderneming een niet goed
functionerende kracht in vaste dienst, zelfs voor 24 uur, wordt genomen. De
geboden mogelijkheid om daarnaast als oproepkracht werkzaam te zijn, hetgeen
in de maanden maart en april ook is geëffectueerd, maakt de stelling evenmin
aannemelijk.
Ook is aan verzoekster niet te kennen gegeven dat de per 1 januari 1996 in
dienst getreden medewerkster haar zou gaan vervangen.
De Commissie concludeert uit het voorgaande dat het niet aannemelijk is
gemaakt dat verzoekster kennelijk onvoldoende functioneerde zodat een vast
dienstverband voor 40 uur tot en met het zwangerschapsverlof niet kon worden
aangegaan.
Voorzover er sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen, is deze verstoring
uitsluitend terug te voeren op de weigering van wederpartij om met
verzoekster tot het einde van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof een
contract voor 40 uur per week aan te gaan.
De Commissie acht het derhalve aannemelijk dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) een reden is geweest om haar geen contract voor 40 uur aan
te bieden. Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling bij het
aangaan van een vast dienstverband met verzoekster.
4.6. De verstoring van de arbeidsverhoudingen is naar het oordeel van de
Commissie uitsluitend te wijten aan het feit dat verzoekster zich verzette
tegen (de gevolgen van) een, voor haar voortijdig, contract voor 24 in plaats
van voor 40 uur per week (tot het einde van haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof).
In het ontbindingsverzoek zoals dat door wederpartij bij de Kantonrechter is
ingediend wordt het feit dat verzoekster een klacht heeft ingediend bij de
Commissie gelijke behandeling als relevante oorzaak van de verstoring van de
arbeidsverhoudingen aangevoerd. Hiermee geeft de wederpartij aan dat de
omstandigheid dat de werknemer een beroep heeft gedaan op artikel 7A:1637ij
lid 1 BW reden vormt voor het verzoek tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
In een reguliere ontslagprocedure zou zulks naar het oordeel van de Commissie
betekenen dat artikel 7A:1637ij lid 6 BW van toepassing is, zodat verzoekster
gedurende de wettelijke termijn van twee maanden na opzegging de nietigheid
van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in zou kunnen roepen.

5. Het oordeel van de commissie
5.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Utrecht jegens
mevrouw (…) te Utrecht onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.
5.2. De Commissie spreekt tevens als haar oordeel uit dat (…) in strijd
handelt met artikel 7A:1637ij lid 6 Burgerlijk Wetboek door als relevant voor
de verstoring van de arbeidsverhoudingen te beschouwen het feit dat mevrouw
(…) zich in rechte beroept op de ongeoorloofdheid van het onderscheid naar
geslacht.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G. Nicolai(lid Kamer), mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 21 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op basis van een
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week voor bepaalde tijd. Deze
arbeidsovereenkomst is verlengd voor onbepaalde tijd.
De overeengekomen arbeidstijd van de nieuwe arbeidsovereenkomst bedraagt 24
uur per week, terwijl verzoekster de wens te kennen had gegeven tot haar
zwangerschapsverlof 40 uur per week te willen werken. Volgens verzoekster is
de reden hiervoor gelegen in haar zwangerschap.
De verstoring van de arbeidsverhoudingen is naar het oordeel van de Commissie
uitsluitend te wijten aan het feit dat verzoekster zich verzette tegen (de
gevolgen van) een, voor haar voortijdig, contract voor 24 in plaats van voor
40 uur per week (tot het einde van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof).
In het ontbindingsverzoek zoals dat door wederpartij bij de Kantonrechter is
ingediend wordt het feit dat verzoekster een klacht heeft ingediend bij de
Commissie gelijke behandeling als relevante oorzaak van de verstoring van de
arbeidsverhoudingen aangevoerd. Hiermee geeft de wederpartij aan dat de
omstandigheid dat de werknemer een beroep heeft gedaan op artikel 7A:1637ij
lid 1 BW reden vormt voor het verzoek tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
In een reguliere ontslagprocedure zou zulks naar het oordeel van de Commissie
betekenen dat artikel 7A:1637ij lid 6 BW van toepassing is, zodat verzoekster
gedurende de wettelijke termijn van twee maanden na opzegging de nietigheid
van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in zou kunnen roepen.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 25 september 1996 verzocht mevrouw (…) te Utrecht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) met
spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Utrecht (hierna:
de wederpartij) onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld
in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op basis van een
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week voor bepaalde tijd. Deze
arbeidsovereenkomst is verlengd voor onbepaalde tijd.
De overeengekomen arbeidstijd van de nieuwe arbeidsovereenkomst bedraagt 24
uur per week, terwijl verzoekster de wens te kennen had gegeven tot haar
zwangerschapsverlof 40 uur per week te willen werken. Volgens verzoekster is
de reden hiervoor gelegen in haar zwangerschap.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Het verzoek om een spoedbehandeling is in eerste instantie
afgewezen. Nadat de wederpartij een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter had ingediend, heeft verzoekster
opnieuw om een spoedbehandeling verzocht. De Commissie heeft dit verzoek
ingewilligd en de spoedprocedure toegepast. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht en zijn opgeroepen voor een zitting op 11 november
1996.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…)
– mw. mr. K.J.F. Machielsen (advocaat)

van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (eigenaar)
– dhr. mr. W.T.J.G. Osse (advocaat)
– mw. (…) (medewerkster, getuige)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. Wederpartij is een modellenagentschap.
Verzoekster is op 6 maart 1995 in dienst getreden bij de wederpartij als
administratief medewerkster op basis van een arbeidsovereenkomst van een jaar
voor 40 uur per week. Deze arbeidsovereenkomst is met ingang van 6 maart 1996
omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd voor 24 uur met een
oproepmogelijkheid tot 40 uur.
Naast verzoekster (en de eigenaar) was bij de wederpartij in 1995 gedurende
enkele tijd een parttime-medewerkster uit het Leerlingenwezen werkzaam. Vanaf
1 januari 1996 werkte er een tweede administratieve kracht.
3.2. Verzoekster is gedurende de periode dat zij bij de wederpartij in dienst
was zwanger geworden. Verzoekster heeft dit aan de wederpartij medio januari
1996 meegedeeld. Verzoekster heeft te kennen gegeven dat zij na afloop van
haar zwangerschaps- en bevallingsverlof (omstreeks 1 november 1996) drie
dagen per week (24 uur) zou willen werken.
3.3. In de maanden maart en april heeft verzoekster op afroep extra dagen
gewerkt.
Op 23 april 1996 heeft verzoekster zich ziek gemeld.
Hierna is over de afrekening van de in maart en april gewerkte uren een
conflict tussen partijen ontstaan, waarbij verzoekster een advocaat heeft
ingeschakeld.
3.4. Op 1 juli 1996 is het zwangerschapsverlof van verzoekster ingegaan
(lopend tot 1 november 1996).
3.5. Verzoekster werd bij brief van 15 oktober 1996 door de griffier van het
Kantongerecht te Utrecht in kennis gesteld van de door haar werkgever
gestarte ontbindingsprocedure.

De standpunten van partijen
3.6. Verzoekster stelt het volgende. Zij heeft haar functie altijd naar
behoren vervuld, ondanks de hoge werkdruk. Als bewijs van haar goed
functioneren heeft zij in augustus 1995 een salarisverhoging van ƒ 300
ontvangen. Er hebben geen functioneringsgesprekken plaats gevonden, noch is
haar op een andere manier te kennen gegeven dat haar functioneren te wensen
overliet. Dat er een andere medewerkster was aangenomen per 1 januari 1996
was, naar haar was meegedeeld, vanwege de drukte. Deze laatste is door haar
ingewerkt, waarbij niet aan de orde is geweest, dat zij de werkzaamheden van
verzoekster zou overnemen.
3.7. Verzoekster heeft na de melding van haar zwangerschap medio januari aan
wederpartij aangegeven dat zij tot het zwangerschapsverlof volledig zou
blijven werken en dat zij na het bevallingsverlof, indien mogelijk, drie
dagen per week (24 uur) wilde werken.
3.8. Wederpartij heeft toen laten blijken dat zij verwachtte dat verzoekster
vanwege haar zwangerschap een 40-urige werkweek niet meer aan zou kunnen.
Verzoekster kreeg op 6 maart 1996 een arbeidscontract voor onbepaalde tijd
van 24 uur per week aangeboden met een oproepmogelijkheid tot 40 uur, hetgeen
zij noodgedwongen heeft geaccepteerd.
3.9. Tussen haar en wederpartij is onenigheid gerezen over de afrekening van
de maanden maart en april 1996. Dit hield verband met het feit dat
verzoekster, door het contract met minder uren dan gewenst, financiële schade
leed. Naar aanleiding hiervan heeft zij een advocaat genomen. In dat verband
is ook naar voren gebracht dat zij tot haar zwangerschapsverlof feitelijk 40
uur wilde werken. Er bleek met de wederpartij niet meer te praten. Zij heeft
toen besloten om een klacht bij de Commissie in te dienen.
3.10. De wederpartij handelt in strijd met de wet door het indienen van een
klacht bij de Commissie (mede) als reden te gebruiken voor het starten van
een ontbindingsprocedure bij de Kantonrechter.
Verzoekster verwijst hiervoor naar het ontbindingsverzoek dat door
wederpartij is ingediend bij de Kantonrechter.
Daarin stelt wederpartij dat relevant is dat door het indienen van de
onterechte klacht bij de Commissie door verzoekster, de verhoudingen dusdanig
zijn verslechterd dat het dienstverband niet langer in stand kan blijven.
3.11. De wederpartij stelt het volgende.
Wederpartij heeft diverse malen functioneringsgesprekken gevoerd met
verzoekster over de uitvoering van haar werkzaamheden.
Dit vanwege het feit dat de wederpartij niet tevreden was over haar
werkzaamheden. Deze gesprekken zijn mondeling aangekondigd en er zijn geen
schriftelijke verslagen van gemaakt.
De productiviteit van verzoekster was laag. Verzoekster was regelmatig ziek
en bleek dagelijks op kantoor langdurig privé-problemen telefonisch af te
handelen.
De wederpartij moest veelal de opgedragen werkzaamheden controleren.
Verzoekster heeft ter motivatie een salarisverhoging van ƒ 300 gekregen in
augustus 1995, niet omdat ze zo goed functioneerde.
3.12. Zij heeft per 1 januari 1996 een extra werkneemster in dienst genomen
met het oog op vervanging van verzoekster na afloop van haar jaarcontract.
Hiertoe was betrokkene al in juli 1995 benaderd. Verzoekster had hierdoor
zelf twijfels gekregen over het feit of wederpartij haar contract zou
verlengen.
3.13. De betreffende nieuwe medewerkster die voor wederpartij als getuige ter
zitting aanwezig was, verklaarde desgevraagd dat zij van wederpartij begrepen
had dat zij verzoekster zou moeten vervangen, maar dat zulks nooit met
verzoekster is besproken.
3.14. De wederpartij wilde het verzoekster, na haar mededeling dat zij
zwanger was, niet aandoen om haar ontslaan. Na overleg met derden besloot
wederpartij verzoekster een dienstverband voor drie dagen aan te bieden. Dit
stemde overeen met het feit dat verzoekster zelf had aangegeven te zijner
tijd na haar zwangerschap drie dagen per week te willen werken.
3.15. Verzoekster heeft niet laten weten dat zij dit dienstverband
noodgedwongen heeft geaccepteerd.
Verzoekster heeft aan wederpartij laten blijken dat zij opgelucht was vanwege
de verlenging van het arbeidscontract.
De oproepmogelijkheid is een verzoek van verzoekster zelf geweest, waarin
wederpartij heeft toegestemd.
3.16. Wederpartij is duidelijk geworden dat na de inschakeling van een
advocaat door verzoekster over de salarisafrekening, verzoekster geen plannen
had om weer te komen werken. Daarbij werden haar door verzoekster ook
onterechte verwijten gemaakt.
Zij verwijst naar het in juli dit jaar gevoerde telefoongesprek tussen
wederpartij en de advocaat van verzoekster. Tijdens dit gesprek stelde
advocaat van verzoekster de vraag of de wederpartij een ontbindingsprocedure
in werking wilde gaan stellen. Op dat moment was dat voor de wederpartij,
mede uit financieel oogpunt, geen optie. Zij gaf er de voorkeur aan één en
ander uit te praten. Toen verzoekster een klacht bij de Commissie had
ingediend was dit voor haar aanleiding om ontbinding van de
arbeidsovereenkomst aan te vragen.
De wederpartij benadrukt dat het haar spijt dat één en ander zo gelopen is.

4. Overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt naar
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door de tijdelijke
arbeidsovereenkomst van 40 uur om te zetten in een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijd voor 24 uur met oproepmogelijkheid, in plaats van verzoekster
tot het einde van haar zwangerschapsverlof een contract voor 40 uur per week
te geven.
4.2. Voor de beantwoording van deze vraag zijn de volgende wetsartikelen van
belang.
Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verbiedt het maken
van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij het aangaan of beëindigen van de
arbeidsovereenkomst. De Commissie heeft in eerdere uitspraken reeds
geoordeeld dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te
verlengen een besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst is.
(Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer: 95-15; 2 januari
1996, oordeelnummer: 96-1 en 17 april 1996, oordeelnummer: 96-26.) Tevens
heeft de Commissie al eerder geoordeeld dat het besluit om een tijdelijke
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week om te zetten in een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor 24 uur per week, een besluit
betreffende de arbeidsvoorwaarden is (Commissie gelijke behandeling, 9 mei
1996, oordeelnummer: 96-32.).
Artikel 7A:1637ij BW lid 5 bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onderscheid op
grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is blijkens deze bepalingen
een vorm van direct onderscheid.
De wettelijke uitzonderingsmogelijkheden op het verbod van direct onderscheid
worden genoemd in artikel 7A:1637ij lid 2-4 BW (geslachtsbepaaldheid,
bescherming van de vrouw en voorkeursbeleid). In de onderhavige zaak is niet
gesteld noch gebleken dat deze uitzonderingsgronden van toepassing zijn.

4.3. Reeds eerder oordeelde de Commissie dat ook indien zwangerschap niet de
doorslaggevende reden is geweest om een zwangere kandidate niet te benoemen
maar slechts één van de redenen, in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen is gehandeld (Commissie gelijke
behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer: 95-15 en Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 8 mei 1990, oordeelnummer:
172-90-31 en 23 juni 1992, oordeelnummer: 518-92-37.).
4.4. Artikel 7A:1637ij lid 6 BW bepaalt dat de beëindiging van de
dienstbetrekking door de werkgever wegens de omstandigheid dat de arbeider in
of buiten rechte een beroep heeft gedaan op artikel 7A:1637ij lid 1 BW,
nietig is.
4.5. De vraag die voorligt is of aannemelijk is, dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) aanleiding vormde voor de wederpartij om de tijdelijke
arbeidsovereenkomst voor 40 uur per week om te zetten in een contract voor
onbepaalde tijd voor 24 uur per week met ingang van 6 maart 1996.
Vaststaat dat verzoekster de wens te kennen heeft gegeven om na haar
zwangerschapsverlof 24 uur te gaan werken, maar tot dat moment een contract
voor 40 uur ambieerde.
De wederpartij stelt dat de reden van het niet aangaan van een
arbeidsovereenkomst voor 40 uur is gelegen in het onvoldoende functioneren
van verzoekster, terwijl verzoekster stelt nooit anders vernomen te hebben
dan dat zij naar volle tevredenheid functioneerde. De Commissie overweegt
hierover het volgende.
In navolging van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (Zie
onder andere Handels- or Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark versus
Dansk Arbejdsgiverforening, optredend voor Danfoss, 17 oktober 1989, zaak
109/88.) hebben de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid en de Commissie meermalen uitgesproken dat gevolgde sollicitatie- en
beoordelingsprocedures voor betrokkenen voldoende inzichtelijk en
controleerbaar moeten zijn, om te voorkomen dat (ongewild) onderscheid naar
geslacht wordt gemaakt. In geval van een ondoorzichtige procedure moet de
werkgever aantonen dat er geen onderscheid naar geslacht is gemaakt.
De vraag die beantwoord moet worden is derhalve, of er bij de wederpartij
sprake is van een inzichtelijke beoordelingsprocedure waarbij duidelijk
herkenbare criteria gehanteerd worden.
Als er sprake is van onvoldoende functioneren dient dit tijdig aan betrokkene
kenbaar te zijn gemaakt in functionerings- gesprekken. In het onderhavige
geval ontkent verzoekster dat dergelijke gesprekken hebben plaatsgevonden
terwijl de wederpartij niet door middel van schriftelijke stukken, zoals
verslagen, aannemelijk kan maken dat zulks wel het geval is geweest, evenmin
als de getuige.
Verzoekster heeft in augustus 1996 een aanzienlijke salarisverhoging
ontvangen, welke door haar, zonder duidelijke aanwijzingen in andere
richting, kon worden opgevat als een bewijs van goed functioneren.
De Commissie stelt vast dat er derhalve geen sprake is van een
beoordelingsprocedure die voor betrokkenen voldoende inzichtelijk en
controleerbaar is.
De wederpartij stelt, dat verzoekster niet goed functioneerde, en zij haar in
het geheel geen arbeidsovereenkomst zou hebben aangeboden als zij het niet
juist vanwege haar zwangerschap zo moeilijk had gevonden om verzoekster geen
contract meer te geven. Deze stelling is evenwel niet nader onderbouwd en ook
overigens niet erg aannemelijk gezien de aanzienlijke risico’s die de
wederpartij daarmee loopt wanneer in de zeer kleine onderneming een niet goed
functionerende kracht in vaste dienst, zelfs voor 24 uur, wordt genomen. De
geboden mogelijkheid om daarnaast als oproepkracht werkzaam te zijn, hetgeen
in de maanden maart en april ook is geëffectueerd, maakt de stelling evenmin
aannemelijk.
Ook is aan verzoekster niet te kennen gegeven dat de per 1 januari 1996 in
dienst getreden medewerkster haar zou gaan vervangen.
De Commissie concludeert uit het voorgaande dat het niet aannemelijk is
gemaakt dat verzoekster kennelijk onvoldoende functioneerde zodat een vast
dienstverband voor 40 uur tot en met het zwangerschapsverlof niet kon worden
aangegaan.
Voorzover er sprake is van verstoorde arbeidsverhoudingen, is deze verstoring
uitsluitend terug te voeren op de weigering van wederpartij om met
verzoekster tot het einde van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof een
contract voor 40 uur per week aan te gaan.
De Commissie acht het derhalve aannemelijk dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) een reden is geweest om haar geen contract voor 40 uur aan
te bieden. Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling bij het
aangaan van een vast dienstverband met verzoekster.
4.6. De verstoring van de arbeidsverhoudingen is naar het oordeel van de
Commissie uitsluitend te wijten aan het feit dat verzoekster zich verzette
tegen (de gevolgen van) een, voor haar voortijdig, contract voor 24 in plaats
van voor 40 uur per week (tot het einde van haar zwangerschaps- en
bevallingsverlof).
In het ontbindingsverzoek zoals dat door wederpartij bij de Kantonrechter is
ingediend wordt het feit dat verzoekster een klacht heeft ingediend bij de
Commissie gelijke behandeling als relevante oorzaak van de verstoring van de
arbeidsverhoudingen aangevoerd. Hiermee geeft de wederpartij aan dat de
omstandigheid dat de werknemer een beroep heeft gedaan op artikel 7A:1637ij
lid 1 BW reden vormt voor het verzoek tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
In een reguliere ontslagprocedure zou zulks naar het oordeel van de Commissie
betekenen dat artikel 7A:1637ij lid 6 BW van toepassing is, zodat verzoekster
gedurende de wettelijke termijn van twee maanden na opzegging de nietigheid
van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst in zou kunnen roepen.

5. Het oordeel van de commissie
5.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Utrecht jegens
mevrouw (…) te Utrecht onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek.
5.2. De Commissie spreekt tevens als haar oordeel uit dat (…) in strijd
handelt met artikel 7A:1637ij lid 6 Burgerlijk Wetboek door als relevant voor
de verstoring van de arbeidsverhoudingen te beschouwen het feit dat mevrouw
(…) zich in rechte beroept op de ongeoorloofdheid van het onderscheid naar
geslacht.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G. Nicolai(lid Kamer), mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster volgde sinds 1992 de opleiding Leidster Kindercentra (LKC).
Verzoekster moest in het kader van de opleiding in verschillende buurthuizen
stage lopen. Gedurende de periode september 1993 tot 17 januari 1995 liep
verzoekster stage bij een buurthuis van een stichting voor sociaal-cultureel
werk te Arnhem. Verzoekster zou in juni 1995 haar diploma halen. Tijdens de
stage ontstond onenigheid over de inhoud van de stage en de begeleiding van
verzoekster. De stage werd in verband daarmee voortijdig beëindigd. De
wederpartij houdt toezicht op de begeleiding tijdens de stage. Verzoekster is
van mening dat de problemen te wijten zijn aan haar Braziliaanse
nationaliteit.
De Commissie stelt vast dat de reden die de wederpartij heeft gegeven voor
het voortijdig afbreken van de stage gelegen is in het niet behalen van
gestelde leerdoelen vanwege het onvoldoende functioneren van verzoekster. De
wederpartij heeft zich aangesloten bij het standpunt van de
praktijkinstelling. De Commissie stelt vast dat er zakelijke gronden waren
voor het voortijdig beëindigen van de stage.
De wederpartij geeft toe dat de wijze van verslaglegging van de
praktijkopdrachten en de voortgangsbesprekingen ernstig te wensen heeft
overgelaten. Desondanks acht de Commissie het onvoldoende aannemelijk dat de
Braziliaanse afkomst van verzoekster mede een rol heeft gespeeld bij het
besluit van de wederpartij de stage met verzoekster voortijdig te beëindigen.
De Commissie is dan ook van oordeel dat de wederpartij jegens verzoekster
geen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 16 augustus 1995 verzocht mevrouw (…) te Velp (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of door de Stichting (…) te Arnhem (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid is gemaakt op grond van haar
Braziliaanse nationaliteit in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling
(AWGB).
1.2. Verzoekster volgde sinds 1992 de opleiding Leidster Kindercentra (LKC).
Verzoekster moest in het kader van de opleiding in verschillende buurthuizen
stage lopen. Gedurende de periode september 1993 tot 17 januari 1995 liep
verzoekster stage bij een buurthuis van een stichting voor sociaal-cultureel
werk te Arnhem. Verzoekster zou in juni 1995 haar diploma halen. Tijdens de
stage ontstond onenigheid over de inhoud van de stage en de begeleiding van
verzoekster. De stage werd in verband daarmee voortijdig beëindigd. De
wederpartij houdt toezicht op de begeleiding tijdens de stage. Verzoekster is
van mening dat de problemen mede te wijten zijn aan de handelwijze van de
wederpartij en dat de wederpartij aldus in strijd heeft gehandeld met de
AWGB.

2. De loop van het onderzoek
2.1. Verzoekster heeft een mondelinge toelichting op haar verzoekschrift
gegeven. Van deze toelichting is een verslag gemaakt dat aan partijen is
toegezonden. De Commissie heeft vervolgens een onderzoek ingesteld. Partijen
hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Verzoekster heeft ook de Stichting (…) (hierna: de praktijkinstelling),
waar verzoekster stage liep, als wederpartij aangewezen. In die zaak heeft de
Commissie een oordeel uitgebracht onder nummer 96-94.
Beide zaken zijn gevoegd behandeld.
2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 10 september 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. (…) (gemachtigde verzoekster ADB Arnhem)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directiesecretaris)
– mw. (…) (consulente)

van de kant van de praktijkinstelling
– dhr. (…) (stadsdeelmanager)
– mw. (…) (praktijkbegeleidster)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

Van de zitting is een verslag gemaakt dat tegelijk met dit oordeel aan
partijen is toegezonden.
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. Verzoekster volgde sinds 1992 de opleiding Leidster Kindercentra (LKC).
Deze opleiding valt onder de Wet Educatie Beroepsonderwijs. De opleiding
bestaat uit vorming in de praktijk en het volgen van onderwijs op school
gedurende één of anderhalve dag in de week. In het kader van deze opleiding
wordt een leerovereenkomst gesloten tussen de school, de praktijkinstelling
en de leerling (verzoekster).
3.2. De wederpartij houdt toezicht op de uitvoering van de leerovereenkomst,
destijds op grond van de Wet leerlingwezen, tegenwoordig op grond van de Wet
Educatie Beroepsonderwijs.
De wederpartij is met name verantwoordelijk voor de begeleiding bij de
praktijkopleiding. De consulente van de wederpartij komt een paar keer per
jaar langs bij de praktijkinstelling om de voortgang te bespreken.
3.3. Tot 26 mei 1993 liep verzoekster stage bij een buurthuis van de
praktijkinstelling. Verzoekster kreeg toen een negatieve beoordeling. Volgens
verzoekster had dit te maken met haar Braziliaanse nationaliteit.
Na tussenkomst van de allochtonen-begeleidster van verzoekster, werd de zaak
geschikt, in die zin dat verzoekster terug mocht naar de opleiding. Zij moest
echter het eerste praktijkjaar over doen.
3.4. Verzoekster deed het eerste praktijkjaar over bij een peuterspeelzaal
van een ander buurthuis van de praktijkinstelling. Bij dit buurthuis volgde
verzoekster ook het tweede praktijkjaar, met ingang van september 1994.
Dit praktijkjaar zou eindigen in juni 1995. De opleiding zou daarmee ook als
geheel afgerond zijn. Het verzoek om een oordeel van verzoekster heeft
betrekking op het tweede praktijkjaar.
3.5. Op 17 januari 1995 vond een gesprek plaats over het functioneren van
verzoekster met de praktijkbegeleidster van de praktijkinstelling. Het
functioneren van verzoekster werd negatief beoordeeld. Op 18 januari 1995 zou
opnieuw een gesprek plaatsvinden waarbij ook de consulente van de wederpartij
aanwezig zou zijn. Verzoekster is niet naar dit tweede gesprek toe gegaan.
3.6. Verzoekster is na deze gebeurtenissen niet meer op school verschenen en
heeft de opleiding niet afgemaakt. Verzoekster heeft sindsdien nog
verscheidene malen contact gehad met de consulente van de wederpartij, al dan
niet met tussenkomst van de allochtonen-begeleidster van de school van
verzoekster. Dit heeft echter niet tot resultaten geleid. Op 25 januari 1995
heeft verzoekster een brief geschreven aan de wederpartij waarin zij klaagt
over de gang van zaken bij de praktijkinstelling. Het Regionaal Bureau
Onderwijs Arnhem/Gelderland Oost (hierna: RBO) heeft verzoekster op 6 maart
1995 meegedeeld dat zij uitgeschreven is als cursist.
3.7. Op 21 maart 1995 heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de
Inspecteur beroepsonderwijs en volwasseneducatie.
Op 30 mei 1995 heeft verzoekster de gang van zaken ook schriftelijk onder de
aandacht gebracht van de Inspectie van het Onderwijs. De Inspecteur
beroepsonderwijs en volwasseneneducatie heeft de klacht van verzoekster niet
ontvankelijk verklaard na de wederpartij en de praktijkinstelling te hebben
gehoord. Verzoekster is door de betreffende Inspecteur alleen telefonisch
gehoord.

De standpunten van partijen
3.8. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster werd onvoldoende begeleid door haar praktijkbegeleidster van het
buurthuis. Er werden geen begeleidingsgesprekken gevoerd. Met de Nederlandse
stagiaires werden dergelijke gesprekken wel gevoerd. Verder werden
opdrachtformulieren ondertekend door de begeleidster zonder dat de opdracht
was uitgevoerd. De begeleidster heeft nooit een evaluatieformulier ingevuld.
De consulente van de wederpartij heeft zich te weinig bemoeid met de gang van
zaken rond de begeleiding door de begeleidster van de praktijkinstelling. De
frequentie van de gesprekken en het correct invullen van de formulieren werd
onvoldoende gecontroleerd.
Verzoekster heeft de wederpartij aangeschreven over de gang van zaken, maar
heeft daar nooit een reactie op ontvangen. Verzoekster heeft de opleiding
mede door deze onvoldoende begeleiding niet af kunnen maken.

3.9. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij distantieert zich van de aantijging dat zij discriminerend en
derhalve in strijd met de Wet gehandeld zou hebben.
De wederpartij heeft in deze zaak zorgvuldig gehandeld door de Inspectie van
het Onderwijs over haar handelen volledig te informeren.
De wederpartij voert juist sedert jaren een zeer actief doelgroepenbeleid,
hetgeen in lijnrechte tegenspraak is met een vermeende discriminerende
instelling van de wederpartij.
Verzoekster is zelf gestopt met de opleiding. Dit blijkt uit de brief van de
Inspectie van het Onderwijs aan verzoekster van 17 juli 1995. Bovendien
blijkt uit een brief van het (…) aan verzoekster, dat de problemen zich
bleven herhalen en de beroepshouding van verzoekster niet verbeterde. Het RBO
is daarom tot uitschrijving van verzoekster als cursist overgegaan.
3.10. De wederpartij heeft ter zitting uiteengezet, dat normaliter bij de
beëindiging van de leerovereenkomst de wederpartij zulks schriftelijk
aanzegt. In de brief wordt aangegeven dat beroep tegen deze beslissing
mogelijk is.
3.11 Het feit dat verzoekster een dergelijke brief nooit heeft ontvangen en
dat zij niet op de hoogte was van de mogelijkheid om in beroep te gaan, wijt
de wederpartij aan het feit, dat verzoekster niet op een afspraak met de
consulente is verschenen, waar haar de procedure uiteengezet zou zijn.

4. De overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt op grond van nationaliteit of ras zoals verboden in artikel 5
AWGB.
Artikel 5 AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB het maken van
onderscheid op grond van onder meer nationaliteit of ras in
arbeidsverhoudingen.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer, Vergaderjaar 1990-1991, 22014 nr. 3, pag. 13.).
Voorts dient het begrip nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086.).
4.2. Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat de klacht van
verzoekster betrekking heeft op onderscheid naar etnische afkomst. Derhalve
is het onderzoek in deze beperkt tot mogelijk onderscheid op grond van ras.
4.3. Ingevolge artikel 5 lid 1 onder e AWGB is onderscheid verboden bij het
laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan
een arbeidsverhouding.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige leerovereenkomst gericht is op het
laten volgen van onderwijs, scholing en (praktijk)vorming voorafgaand aan een
arbeidsverhouding.
De Commissie constateert dat de klacht van verzoekster betrekking heeft op
het niet verder laten volgen van de hiervoor genoemde scholing en vorming
vanwege onderscheid op grond van ras.
Zoals in de gevoegde zaak is geoordeeld, valt het niet verder laten volgen
van scholing en vorming onder de werking van artikel 5 lid 1 onder e AWGB.
Ten aanzien van de wederpartij overweegt de Commissie dat deze weliswaar geen
partij is bij de leerovereenkomst, doch vanwege de toezichthoudende taak nauw
betrokken is bij de uitvoering daarvan. Voorts heeft de wederpartij de
bevoegdheid om de leerovereenkomst te beëindigen indien de gestelde
leerdoelen niet worden behaald. Derhalve is de Commissie van oordeel dat
artikel 5 lid 1 onder e AWGB zich mede uitstrekt tot de wederpartij.
4.4. De vraag die voorligt is of de wederpartij bij het toezicht op de
uitvoering van de leerovereenkomst en bij de beëindiging van de
leerovereenkomst onderscheid op grond van ras heeft gemaakt zoals verboden in
artikel 5 lid 1 onder e AWGB.
4.5. Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de
Commissie het volgende.
De wederpartij heeft aangegeven dat verzoekster de gestelde leerdoelen niet
behaalde vanwege onvoldoende functioneren.
In de gevoegde zaak is gebleken dat de wederpartij zich verenigd heeft met
het standpunt van de praktijkinstelling omtrent het functioneren van
verzoekster.
De Commissie rekent het niet tot haar taak te beoordelen of verzoekster al
dan niet voldoende functioneerde gedurende haar stage, zoals de Commissie ook
in eerdere zaken heeft geoordeeld (zie onder meer ook Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 2 september 1992
oordeelnummer: 420-92-50 en 15 september 1992 oordeelnummer: 414-92-53). De
taak van de Commissie is om vast te stellen of bij de beoordeling van het
functioneren van verzoekster onderscheid op grond van ras is gemaakt. Daarbij
wordt de beoordeling van het functioneren slechts in zoverre betrokken dat
aannemelijk moet zijn dat verzoekster de opleiding niet verder mocht volgen
om redenen die uitsluitend met haar (dis)functioneren samenhangen.
4.6. De Commissie heeft in de gevoegde zaak vastgesteld dat de
praktijkinstelling zakelijke gronden had voor het voortijdig beëindigen van
de stage. Voorts heeft de Commissie geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is
geworden dat de Braziliaanse afkomst van verzoekster bij het besluit van de
praktijkinstelling tot beëindiging van de stage mede een rol heeft gespeeld.
Nu de wederpartij terzake van dit besluit zich verenigd heeft met het
standpunt van de praktijkinstelling kan niet anders worden geconcludeerd dan
dat het besluit van de wederpartij tot beëindiging van de leerovereenkomst
eveneens is gebaseerd op zakelijke gronden. Derhalve dient nog onderzocht te
worden of, afgezien van hetgeen in de gevoegde zaak aan de orde is gesteld,
bij het besluit van de wederpartij de etnische afkomst van verzoekster (mede)
een rol heeft gespeeld.
4.7. Verzoekster onderbouwt haar standpunt dat jegens haar verboden
onderscheid is gemaakt door te wijzen op de onvoldoende kwaliteit van de
begeleiding door de praktijkbegeleidster en het onvoldoende toezicht door de
wederpartij op de begeleiding door de praktijkinstelling.
Ten aanzien van de kwaliteit van de begeleiding stelt verzoekster dat de
verslagformulieren ondertekend waren zonder dat de beoordeling was ingevuld.
Door de praktijkinstelling is in de gevoegde zaak toegegeven, dat de wijze
van verslaglegging van de praktijkopdrachten en de voortgangsbesprekingen
ernstig te wensen heeft overgelaten. De praktijkinstelling stelt overigens,
dat begeleidingsgesprekken wel hebben plaats gevonden met het doel om het
functioneren van verzoekster te verbeteren. Deze gesprekken hebben, evenmin
als tijdens de eerder mislukte stage, geleid tot het verbeteren van het
functioneren van verzoekster.
Wat betreft het toezicht door de wederpartij op de begeleiding door de
praktijkinstelling is, zoals eerder gesteld, in de gevoegde zaak gebleken dat
de wederpartij zich kennelijk met het standpunt van de praktijkinstelling
heeft verenigd om de stage voortijdig te beëindigen. Het is de Commissie niet
gebleken dat de wederpartij zelfstandig hoor en wederhoor heeft gepleegd
alvorens tot een oordeel over verzoekster te komen.
4.8. De Commissie is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de
wederpartij niet zorgvuldig genoeg is geweest in het controleren van de gang
van zaken rond deze stage. Zorgvuldigheid was hier te meer op zijn plaats, nu
in de gevoegde zaak gebleken is dat de wijze van beoordeling van het
functioneren van verzoekster door de praktijkinstelling ernstig te wensen
overliet. Voorts was het de wederpartij bekend dat er bij een eerdere stage
problemen waren geweest.
Bovendien is de wederpartij onzorgvuldig geweest bij het beëindigen van de
leerovereenkomst. Het feit dat verzoekster niet verschenen is op een afspraak
met de consulente, ontslaat de wederpartij niet van de verplichting om de
overeenkomst, zoals gebruikelijk, schriftelijk op te zeggen en daarbij
verzoekster te informeren over haar recht op beroep.
4.9. De Commissie heeft echter onvoldoende aanwijzingen, dat de wederpartij
zich in het handelen jegens verzoekster mede heeft laten leiden door haar
Braziliaanse afkomst.
De Commissie is dan ook van oordeel dat de wederpartij jegens verzoekster
geen verboden onderscheid op grond van ras heeft gemaakt.

4.10. Aanbeveling van de Commissie
Artikel 13 lid 2 AWGB kent de Commissie de bevoegdheid toe om bij het ter
kennis brengen van haar oordeel aanbevelingen te doen.
In de onderhavige situatie kan de Commissie zich voorstellen dat verzoekster
de indruk heeft gekregen dat zij door de onzorgvuldige handelwijze van de
wederpartij ongelijk werd behandeld.
Het voorschrift zich te onthouden van het maken van het maken van onderscheid
bij de scholing en vorming brengt met zich mee dat de wederpartij het
toezicht op de uitvoering van de leerovereenkomst en de begeleiding van de
praktijkopleiding op zorgvuldige wijze moet uitoefenen teneinde te voorkomen
dat (ongewild) onderscheid naar ras wordt gemaakt. In dit kader beveelt de
Commissie de wederpartij aan de wijze van toezicht door haar organisatie
zorgvuldig te evalueren en daarbij bovenstaande kanttekening te betrekken.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting (…) te Bunnik
jegens Mevrouw (…) te Velp geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt
bij het voortijdig beëindigen van de leerovereenkomst, zoals verboden in
artikel 5 lid 1 sub e van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster volgde sinds 1992 de opleiding Leidster Kindercentra (LKC). In
dat kader moest zij in verschillende buurthuizen stage lopen. Gedurende de
periode september 1993 tot 17 januari 1995 liep verzoekster stage bij een
buurthuis van de wederpartij. Verzoekster zou in juni 1995 haar diploma
halen. Tijdens de stage ontstond onenigheid over de inhoud van de stage en de
begeleiding van verzoekster. De stage werd in verband daarmee voortijdig
beëindigd. Verzoekster is van mening dat de problemen te wijten zijn aan haar
Braziliaanse nationaliteit.
De Commissie stelt vast dat de reden die de wederpartij heeft gegeven voor
het voortijdig afbreken van de stage gelegen is in het niet behalen van
gestelde leerdoelen vanwege het onvoldoende functioneren van verzoekster. De
wederpartij heeft hierover overleg gevoerd met de consulente van het
toezichthoudend orgaan. De Commissie stelt vast dat er zakelijke gronden
waren voor het voortijdig beëindigen van de stage.
Verzoekster onderbouwt haar standpunt met een aantal voorbeelden.
Op grond van de aan de Commissie voorgelegde feiten, acht de Commissie het
onvoldoende aannemelijk dat de Braziliaanse afkomst van verzoekster mede een
rol heeft gespeeld bij het besluit van de wederpartij de stage met
verzoekster voortijdig te beëindigen. De Commissie is dan ook van oordeel dat
de wederpartij jegens verzoekster geen verboden onderscheid op grond van ras
heeft gemaakt.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 16 augustus 1995 verzocht mevrouw (…) te Velp (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of door de Stichting (…) te Arnhem (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid is gemaakt in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).
1.2. Verzoekster volgde sinds 1992 de opleiding Leidster Kindercentra (LKC).
In dat kader moest zij in verschillende buurthuizen stage lopen. Gedurende de
periode september 1993 tot 17 januari 1995 liep verzoekster stage bij een
buurthuis van de wederpartij. Verzoekster zou in juni 1995 haar diploma
halen. Tijdens de stage ontstond onenigheid over de inhoud van de stage en de
begeleiding van verzoekster. De stage werd in verband daarmee voortijdig
beëindigd. Verzoekster is van mening dat de problemen te wijten zijn aan haar
Braziliaanse nationaliteit en dat de wederpartij aldus in strijd heeft
gehandeld met de AWGB.

2. De loop van het onderzoek
2.1. Verzoekster heeft een mondelinge toelichting op haar verzoekschrift
gegeven. Van deze toelichting is een verslag gemaakt dat aan partijen is
toegezonden. De Commissie heeft vervolgens een onderzoek ingesteld. Partijen
hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Verzoekster heeft ook de Stichting (…) (hierna: het toezichthoudend orgaan)
als wederpartij aangewezen. In die zaak heeft de Commissie een oordeel
uitgebracht onder nummer 96-103.
Beide zaken zijn gevoegd behandeld.
2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 10 september 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. (…) (gemachtigde verzoekster ADB Arnhem)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (Stadsdeelmanager)
– mw. (…) (Praktijkopleider Buurthuis)

van de kant van het toezichthoudend orgaan
– dhr. (…) (Directiesecretaris)
– mw. (…) (Consulent)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).
Van de zitting is een verslag gemaakt dat tegelijk met dit oordeel aan
partijen is toegezonden.
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. Verzoekster volgde sinds 1992 de opleiding Leidster Kindercentra (LKC).
Deze opleiding valt onder de Wet Educatie Beroepsonderwijs. De opleiding
bestaat uit vorming in de praktijk en het volgen van onderwijs op school
gedurende één of anderhalve dag in de week. In het kader van deze opleiding
wordt een leerovereenkomst gesloten tussen de school, de leerling
(verzoekster) en de praktijkinstelling (de wederpartij).
3.2. De wederpartij is een stichting voor sociaal-cultureel werk, die onder
meer peuterspeelzalen exploiteert.
Tot 26 mei 1993 liep verzoekster stage in een peuterspeelzaal gevestigd in
een buurthuis van de wederpartij. Verzoekster kreeg toen een negatieve
beoordeling. Volgens verzoekster had dit te maken met haar Braziliaanse
nationaliteit.
3.3. Na tussenkomst van de allochtonen-begeleidster van verzoekster, werd de
zaak geschikt, in die zin dat verzoekster terug mocht naar de opleiding. Zij
moest echter het eerste praktijkjaar over doen.
3.4. Verzoekster deed het eerste praktijkjaar over bij een peuterspeelzaal
van een ander buurthuis van de wederpartij.
Bij dit buurthuis volgde verzoekster ook het tweede praktijkjaar, met ingang
van september 1994. Dit praktijkjaar zou eindigen in juni 1995. De opleiding
zou daarmee ook als geheel afgerond zijn.
Het verzoek om een oordeel van verzoekster heeft betrekking op het tweede
praktijkjaar.
3.5. Het toezichthoudend orgaan ziet er op toe dat de leerovereenkomst
correct wordt uitgevoerd. De uitvoering van het toezicht geschiedt door
consulenten van het toezichthoudend orgaan.
Deze onderhouden contacten met de school, de leerling en de
praktijkinstelling. Het toezichthoudend orgaan is met name verantwoordelijk
voor het toezicht op de praktijkbegeleiding. De consulente van het
toezichthoudend orgaan komt een paar keer per jaar langs op het stage-adres.
3.6. Op 17 januari 1995 vond een gesprek plaats over het functioneren van
verzoekster met de praktijkbegeleidster van de wederpartij. Het functioneren
van verzoekster werd negatief beoordeeld.
Op 18 januari 1995 zou opnieuw een gesprek plaatsvinden waarbij ook de
consulente van het toezichthoudend orgaan aanwezig zou zijn. Verzoekster is
niet naar dit tweede gesprek toe gegaan.
3.7. Verzoekster is na deze gebeurtenissen niet meer op school verschenen en
heeft de opleiding niet afgemaakt. Verzoekster heeft sindsdien nog
verscheidene malen telefonisch contact gehad met de consulente van het
toezichthoudend orgaan, deels door toedoen van de allochtonen-begeleidster
van de school van verzoekster. Dit heeft echter niet tot resultaten geleid.
Op 25 januari 1995 heeft verzoekster een brief geschreven aan het
toezichthoudend orgaan waarin zij klaagt over de gang van zaken op haar
praktijkadres. Het Regionaal Bureau Onderwijs Arnhem/Oost Gelderland heeft
verzoekster op 6 maart 1995 meegedeeld dat zij uitgeschreven is als cursist.
3.8. Op 21 maart 1995 heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de
Inspecteur beroepsonderwijs en volwasseneducatie.
Op 30 mei 1995 heeft verzoekster de gang van zaken ook schriftelijk onder de
aandacht gebracht van de Inspectie van het Onderwijs. De Inspecteur
beroepsonderwijs en volwasseneneducatie heeft de klacht van verzoekster niet
ontvankelijk verklaard na de wederpartij en het toezichthoudend orgaan te
hebben gehoord. Verzoekster is door de betreffende Inspecteur alleen
telefonisch gehoord.

De standpunten van partijen

3.9. Verzoekster stelt het volgende.
1. Er waren in totaal 4 stagiaires werkzaam op dezelfde peuterspeelzaal als
verzoekster: twee Nederlandse vrouwen, een Turkse vrouw en verzoekster.
Verzoekster en de Turkse stagiaire moesten altijd de toiletten en de keuken
schoonmaken. De Nederlandse stagiaires hoefden dit niet te doen.
2. Verzoekster werd onvoldoende begeleid door haar praktijkbegeleidster bij
het buurthuis. Er werden geen begeleidingsgesprekken gevoerd. Met de
Nederlandse stagiaires werden dergelijke gesprekken wel gevoerd.
Verder werden opdrachtformulieren ondertekend door de begeleidster zonder dat
de opdracht was uitgevoerd. De begeleidster heeft nooit een
evaluatieformulier ingevuld.
3. Door de praktijkbegeleidster werden discriminerende opmerkingen gemaakt.
De begeleidster zou onder meer gezegd hebben dat zij als werkgever
verzoekster of haar Turkse collega nooit zou aannemen. Ook zou verzoekster
onderdanig zijn. Verder zei de begeleidster dat zij moest leren omgaan met
het Nederlands van verzoekster.
4. Verzoekster heeft de opleiding door de onder punt 1, 2 en 3 beschreven
gebeurtenissen niet af kunnen maken.
3.10. De wederpartij stelt het volgende.
De vooraf gestelde leerdoelen werden door verzoekster niet gehaald. De
consulente van het toezichthoudend orgaan en de praktijkbegeleidster van de
wederpartij zijn uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat het niet
verantwoord was om de stage binnen de peuterspeelzaal van het betreffende
buurthuis voort te zetten. Deze conclusies zijn louter en alleen gebaseerd op
het functioneren, c.q. disfunctioneren van verzoekster.
3.11. Er hebben regelmatig werkbesprekingen plaatsgevonden tussen verzoekster
en de praktijkbegeleidster. Ook hebben regelmatig voortgangsbesprekingen
plaatsgevonden tussen de consulente van het toezichthoudend orgaan en de
praktijkbegeleidster van de wederpartij.
3.12. Er is door de praktijkbegeleidster zorgvuldig gehandeld met betrekking
tot de stageprocedure. Daarbij is geen onderscheid gemaakt in de werkwijze in
vergelijking met andere stagiaires en medewerkers. De beoordeling met
betrekking tot het leerproces heeft niets te maken met de nationaliteit van
verzoekster.
De praktijkbegeleidster heeft ter zitting verklaard het achteraf te
betreuren, dat zij niet in een eerdere fase duidelijker heeft te kennen
gegeven, dat verzoekster niet goed functioneerde.

4. De overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid heeft gemaakt op grond van nationaliteit of ras zoals verboden in
artikel 5 AWGB.
Artikel 5 AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB, het maken van
onderscheid op grond van onder meer nationaliteit of ras in
arbeidsverhoudingen.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014 nr. 3, pag. 13).
Voorts dient het begrip nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086).
4.2. Uit het onderzoek van de Commissie is gebleken dat de klacht van
verzoekster betrekking heeft op onderscheid naar etnische afkomst. Derhalve
is het onderzoek in deze beperkt tot mogelijk onderscheid op grond van ras.
4.3. Ingevolge artikel 5 lid 1 onder e AWGB is onderscheid verboden bij het
laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan
een arbeidsverhouding.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige leerovereenkomst gericht is op het
laten volgen van onderwijs, scholing en (praktijk)vorming voorafgaand aan een
arbeidsverhouding.
De Commissie constateert dat de klacht van verzoekster betrekking heeft op
het niet verder laten volgen van de hiervoor genoemde scholing en vorming
vanwege onderscheid op grond van ras en derhalve valt binnen het bereik van
artikel 5 lid 1 onder e AWGB.
4.4. De vraag die voorligt is of de wederpartij gehandeld heeft in strijd met
het bepaalde in artikel 5 lid 1 onder e AWGB.
Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de Commissie
het volgende.
De Commissie rekent het niet tot haar taak te beoordelen of verzoekster al
dan niet voldoende functioneerde gedurende haar stage, zoals de Commissie ook
in eerdere zaken heeft geoordeeld (Zie onder meer ook Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 2 september 1992,
oordeelnummer: 420-92-50 en 15 september 1992, oordeelnummer: 414-92-53). De
taak van de Commissie is om vast te stellen of bij de beoordeling van het
functioneren van verzoekster onderscheid op grond van ras is gemaakt. Daarbij
wordt de beoordeling van het functioneren slechts in zoverre betrokken dat
aannemelijk moet zijn dat verzoekster de opleiding niet verder mocht volgen
om redenen die uitsluitend met haar (dis)functioneren samenhangen.
4.5. De Commissie stelt vast dat de reden die de wederpartij heeft gegeven
voor het voortijdig afbreken van de stage gelegen is in het niet behalen van
gestelde leerdoelen vanwege het onvoldoende functioneren van verzoekster. De
wederpartij heeft hierover overleg gevoerd met de consulente van het
toezichthoudend orgaan.
De praktijkbegeleidster van verzoekster heeft ter zitting nader toegelicht
waarom zij niet tevreden was over het functioneren van verzoekster. Dit had
te maken met haar beroepshouding. Dit beeld werd ter zitting bevestigd door
de stadsdeelmanager, die leiding geeft aan de praktijkbegeleiders. Hij heeft
toegelicht dat de beroepshouding van verzoekster met betrekking tot het
contact met de ouders niet adequaat was. Voorts dat verzoekster onvoldoende
aanwezig was. Aangezien het op de vorige stageplaats ook niet goed was gegaan
en het nu weer niet lukte, werd besloten dat de stage beter beëindigd kon
worden.
Op grond van de hiervoor genoemde verklaringen stelt de Commissie vast dat er
zakelijke gronden waren voor het voortijdig beëindigen van de stage.
4.6. Verzoekster heeft aangevoerd dat het negatieve oordeel over haar
functioneren verband hield met haar etnische afkomst. De vraag die voorligt
is of het besluit van de wederpartij om verzoekster de opleiding niet verder
te laten volgen uitsluitend verband hield met de hiervoor genoemde zakelijke
gronden of dat de etnische afkomst van verzoekster daarbij (mede) een rol
heeft gespeeld.
Verzoekster onderbouwt haar standpunt met een aantal voorbeelden. Verzoekster
en haar Turkse collega zouden in tegenstelling tot Nederlandse collega’s de
toiletten en de keuken hebben moeten schoonmaken. De wederpartij wijst er op
dat deze werkzaamheden behoren tot de vaste taken en dat deze ook door
Nederlandse stagiaires worden verricht, als zij dienst hebben. Het laatste
jaar is er gewerkt volgens een werkrooster.
Ter zitting heeft de wederpartij toegelicht dat het schoonmaken van de
toiletten weliswaar bij toerbeurt gebeurde, maar dat verzoekster iemand was
die snel aanbood dat soort werkzaamheden te doen.
Een ander voorbeeld van verzoekster is, dat de praktijkbegeleidster gezegd
zou hebben, dat zij verzoekster en haar Turkse collega nooit zou aannemen. De
wederpartij ontkent dat dit gezegd is en stelt -door verzoekster niet
weersproken- dat de wederpartij vele allochtonen in dienst heeft.
Het derde voorbeeld heeft betrekking op de onvoldoende kwaliteit van de
begeleiding door de praktijkbegeleidster. Verzoekster stelt dat de
verslagformulieren wel ondertekend waren, zonder dat de beoordeling was
ingevuld.
Door de wederpartij is toegegeven dat de wijze van verslaglegging van de
praktijkopdrachten en de voortgangsbesprekingen ernstig te wensen heeft
overgelaten. De wederpartij stelt overigens, dat begeleidingsgesprekken wel
hebben plaatsgevonden met het doel om het functioneren van verzoekster te
verbeteren, maar dat deze gesprekken evenmin als tijdens de eerder mislukte
stage geleid hebben tot het verbeteren van het functioneren van verzoekster.
Op grond van deze aan de Commissie voorgelegde feiten, acht de Commissie het
onvoldoende aannemelijk dat de Braziliaanse afkomst van verzoekster mede een
rol heeft gespeeld bij het besluit van de wederpartij de stage met
verzoekster voortijdig te beëindigen. De Commissie is dan ook van oordeel dat
de wederpartij jegens verzoekster geen verboden onderscheid op grond van ras
heeft gemaakt.

4.7. Aanbeveling van de Commissie
Artikel 13 lid 2 AWGB kent de Commissie de bevoegdheid toe om bij het ter
kennis brengen van haar oordeel aanbevelingen te doen.
In de onderhavige situatie kan de Commissie zich voorstellen dat verzoekster
de indruk heeft gekregen dat zij door de onzorgvuldige wijze van beoordeling
door de wederpartij ongelijk werd behandeld. Het voorschrift zich te
onthouden van het maken van onderscheid bij de scholing en vorming brengt met
zich mee dat de praktijkinstelling het functioneren van de leerlingen moet
beoordelen op zorgvuldige wijze teneinde te voorkomen dat (ongewild)
onderscheid naar ras wordt gemaakt. Hoewel de wederpartij zelf haar
tekortkomingen op dit punt ter zitting heeft erkend, beveelt de Commissie de
wederpartij aan zodanige maatregelen te treffen dat binnen haar organisatie
een dergelijke onzorgvuldige beoordelingswijze wordt voorkomen.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting (…) te Arnhem
jegens mevrouw (…) te Velp geen onderscheid op grond van ras heeft gemaakt
bij het voortijdig beëindigen van de stage, zoals verboden in artikel 5 lid 1
sub e van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
parttime-verkoopster. Verzoekster is voor de functie afgewezen omdat de mate
waarin zij over kinderopvangmogelijkheden voor haar kind beschikt onvoldoende
zou zijn.
In het algemeen staan vragen naar gezinsomstandigheden op gespannen voet met
het verbod op het maken van onderscheid op grond van geslacht, omdat
aannemelijk is dat vragen als deze alleen of voornamelijk aan vrouwen wordt
gesteld. Dit geldt ook voor vragen naar het beschikken over kinderopvang.
De wederpartij heeft niet geïnformeerd naar de aanwezigheid van kinderopvang
als zodanig teneinde een algemeen beeld te krijgen van verzoeksters
bereidheid om op andere dan de normale dagen of tijden te werken. De
wederpartij betwist ook niet dat verzoekster graag de functie wilde
vervullen, dat zij bereid was in de door de wederpartij aangeduide situaties
haar werkzaamheden als verkoopster te verrichten, en dat zij beschikte over
een oppas voor haar kind.
Vast staat dat de wederpartij hiermee geen genoegen heeft genomen, maar
tijdens het sollicitatiegesprek heeft doorgevraagd naar de alternatieven voor
kinderopvang indien de oppas verhinderd zou zijn, teneinde daaraan de
geschiktheid voor de functie af te meten. Tevens moet worden geconstateerd
dat de mate waarin verzoekster beschikte over kinderopvangmogelijkheden de
reden was voor afwijzing van verzoekster voor de onderhavige functie.
Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat door verzoekster,
die over een oppas beschikte, af te wijzen vanwege de mate waarin zij naar
het oordeel van de wederpartij over andere kinderopvangmogelijkheden
beschikte, de wederpartij direct onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 4 maart 1996 verzocht mevrouw (…) te Santpoort Noord (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Haarlem (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
parttime-verkoopster. Verzoekster is voor de functie afgewezen omdat de mate
waarin zij over kinderopvang-mogelijkheden voor haar kind beschikt
onvoldoende zou zijn.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd handelt met de
wetgeving gelijke behandeling.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en zijn
vervolgens opgeroepen voor een zitting op 25 september 1996.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. (…) (getuige, moeder verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (eigenares)
– mw. (…) (getuige, manager vestiging Haarlem)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. De wederpartij is een eenmanszaak met een winkel in Haarlem en Alkmaar.
Zij is gespecialiseerd in de verkoop van verzorgende producten voor de huid
en het haar.
De wederpartij maakt onderdeel uit van een winkelketen, maar heeft autonome
bevoegdheid en verantwoordelijkheid bij het aannemen van personeel.
Verzoekster solliciteerde begin februari 1996 naar de functie van
parttime-verkoopster voor de donderdagavond en de zaterdag bij de vestiging
te Haarlem. In de sollicitatiebrief vermeldde verzoekster dat zij moeder van
een dochter is.
Verzoekster werd op 16 februari 1996 uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek
met de wederpartij. Bij dit gesprek waren de eigenares en de manager van de
vestiging-Haarlem aanwezig. Tijdens dit gesprek kwam onder meer ter sprake
dat verzoekster een dochter van vier jaar heeft. Tevens kwam aan de orde de
wijze waarop verzoekster de kinderopvang had geregeld en de daarmee
samenhangende flexibele inzetbaarheid van verzoekster.
Op 23 februari 1996 vond telefonisch contact plaats tussen verzoekster en de
wederpartij. Tijdens dit gesprek deelde de wederpartij verzoekster mee dat
zij niet in aanmerking kwam voor de vacante functie en dat een brief naar
haar onderweg was. In deze brief gedateerd d.d. 21 februari 1996, motiveerde
de wederpartij de afwijzing van verzoekster als volgt: `Wij hebben gekozen
voor een parttime-verkoopster voor 12 uur die flexibel in haar tijd zit en
eventueel ook meer dagen kan inspringen. Wat bij jou i.v.m. je dochtertje
moeilijker is’.

De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Tijdens het sollicitatiegesprek, op 16 februari 1996, kwam het feit dat zij
een dochter heeft ter sprake. De wederpartij vertelde dat zij slechte
ervaringen had met medewerksters met kleine kinderen. Naar aanleiding hiervan
heeft verzoekster gezegd, dat zij over ruime oppasmogelijkheden binnen haar
gezin en familie beschikte. Uit eigen beweging zei verzoekster dat de het
voor haar dan ook geen probleem was wanneer zij rond de feestdagen op extra
koopavonden zou moeten werken.
Op 23 februari 1996 heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de
wederpartij. Tijdens dit telefoongesprek vertelde de wederpartij dat
verzoekster aanvankelijk, na het sollicitatie-gesprek, haar eerste kandidaat
was maar dat ze toch iemand anders had aangenomen die flexibeler werktijden
kon bieden. Het feit dat verzoekster moeder is van een vierjarige kleuter,
vormde voor de wederpartij de aanleiding om haar af te wijzen voor de
functie. De wederpartij deelde verzoekster tevens mee dat een brief naar
verzoekster onderweg was.
Verzoekster is vijf jaar geleden gestopt met werken. Vervolgens heeft zij er
voor gekozen om weer te gaan werken. Verzoekster stelt dat zij deze keuze
niet gemaakt zou hebben als zij haar dochtertje aan haar lot had moeten over
laten.
Het is volgens verzoekster dus logisch dat zij de oppas goed geregeld had.
Verzoekster bestrijdt de stelling van de wederpartij dat zij over onvoldoende
kinderopvang zou beschikken. Zij heeft tijdens het sollicitatiegesprek aan de
wederpartij meegedeeld dat haar vader daartoe beschikbaar was. Toen de
wederpartij hierop doorvroeg en informeerde welke opvangmogelijkheden er
waren indien haar vader verhinderd zou zijn, antwoordde zij dat ook haar
moeder en zuster voor de kinderopvang kunnen zorgen.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met de
wetgeving gelijke behandeling, door haar af te wijzen op grond van het feit
dat zij moeder is van een kleuter.
3.3. De getuige van verzoekster stelt het volgende.
Toen bericht van de wederpartij over de afloop van de sollicitatie uit bleef,
heeft verzoekster in aanwezigheid van de getuige met de wederpartij gebeld.
Na dit gesprek heeft verzoekster aan de getuige over de reden van de
afwijzing mee gedeeld, dat de wederpartij meende dat verzoekster wat
flexibele inzet betreft gehandicapt zou zijn omdat zij een kind heeft en
daardoor onvoldoende inzetbaar was.
3.4. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij was op de hoogte van het feit dat verzoekster een kind had.
Dit vormde voor haar geen belemmering om verzoekster uit te nodigen voor een
sollicitatiegesprek.
Tijdens het sollicitatiegesprek heeft de wederpartij gevraagd naar de
oppasmogelijkheden van verzoekster. Verzoekster deelde mee dat haar vader als
oppas voor haar dochtertje zou fungeren. Op een vraag van de wederpartij wat
zij dacht als oplossing te hebben als haar vader verhinderd was, zei
verzoekster: `Dan hebben wij een probleem, maar de tijd zal het uitwijzen’.
Hieraan voegde zij toe dat dit niet mee zou vallen aangezien haar dochtertje
`een tante is met een kop erop’. Zij gaf eveneens aan dat haar dochtertje een
probleem voor haar vormde met betrekking tot haar wens weer te gaan werken.
Ook erkende verzoekster dat de voor de functie vereiste flexibiliteit een
probleem voor haar vormde.
Het bleek duidelijk dat verzoekster niet overtuigd was van haar
opvangmogelijkheden. Kinderopvang moet goed geregeld zijn als iemand aan het
arbeidsproces wil deelnemen. De kandidate voor de functie die is aangenomen
genoot de voorkeur, aangezien zij beschikte over een goede kinderopvang en
daarmee tevens over de vereiste flexibiliteit om in te vallen wanneer dat
nodig was.
De wederpartij stelt dat zij verzoekster niet heeft afgewezen omdat zij
moeder van een vierjarig kind is.
Als verzoekster de kinderopvang goed had geregeld en de nodige flexibiliteit
had gehad, had zij een even goede kans gemaakt als de kandidate die is
aangenomen. De regeling die verzoekster aangaf voor kinderopvang was te vaag.
De andere kandidate had de kinderopvang beter geregeld.
De wederpartij heeft minder goede ervaring met personeelsleden die moeder
zijn. Twee maal heeft zij iemand met een kind in dienst gehad die na de
opleiding binnen twee maanden verdwenen was. Één daarvan had een goede
kinderopvang via haar echtgenoot, maar door wijziging van zijn werktijden
verviel deze opvang-mogelijkheid. Ook bij de ander waren de
kinderopvangmogelijkheden te komen vervallen.
In elk van beide winkels werken drie medewerkers fulltime en twee medewerkers
parttime. Alle medewerkers zijn van het vrouwelijk geslacht. Drie van de
medewerkers van de wederpartij in de vestiging te Haarlem zijn moeder van één
of twee kinderen. De parttime-medewerkster die voor de onderhavige functie
van verkoopster is aangenomen, is moeder van kinderen van vier en zes jaar.
Om die reden meent de wederpartij dat geen sprake kan zijn van onderscheid op
grond van geslacht.
Op de parttime-medewerkers wordt door de wederpartij een extra beroep gedaan
tijdens piekdagen in de week van Moederdag, Sinterklaas en Kerstmis. Dit
geldt ook voor de zondagen waarop de wederpartij geopend is. Daarnaast worden
de parttimers extra ingezet bij vakantie en ziekte van de andere medewerkers
en bij bijzondere verlofdagen. Tussen de twee vestigingen onderling wordt in
noodsituaties personeel uitgewisseld.
De wederpartij heeft nog weinig extra inzet nodig gehad in geval van ziekte,
aangezien het ziektepercentage bij haar werkneemsters erg laag is. Tijdens de
vakantieperiode doet de wederpartij wel een extra beroep op de parttimers,
omdat meerdere werknemers soms tegelijkertijd op vakantie gaan.
Omdat tijdens het sollicitatiegesprek bleek dat verzoekster erg graag aan het
werk wilde, meende de wederpartij er goed aan te doen verzoekster niet met
een standaardbrief af te wijzen, maar haar telefonisch te informeren over de
reden van haar afwijzing.
3.5. De getuige van de wederpartij stelt het volgende.
De getuige is steeds bij sollicitatiegesprekken aanwezig.
Flexibele inzetbaarheid is daarbij standaard onderwerp van gesprek.
Sollicitanten brengen het altijd ter sprake als zij kinderen hebben. Van
verzoekster was dit bekend omdat zij vaste klant was.
Op de vraag naar kinderopvangmogelijkheden zei verzoekster dat haar vader zou
oppassen.
Op de vraag wat verzoekster zou doen als hij niet zou kunnen, antwoordde
verzoekster: `Dat zal de tijd uitwijzen’. Over andere gezins- of familieleden
die voor opvang van haar kind kunnen zorgen heeft zij niet gesproken.
Deze verklaring van verzoekster over haar kinderopvang-mogelijkheden was
volgens getuige niet voldoende en te vaag.
Ook aan mannen wordt de vraag naar voldoende kinderopvang gesteld.
Degene die in plaats van verzoekster is aangenomen heeft twee kinderen en had
de kinderopvang, onder meer via een opvangrooster, perfect geregeld.
Bovendien kwam zij uit een baan waarbij zij deze opvangmogelijkheden al goed
geregeld had.

4. Overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door
verzoekster af te wijzen voor onderhavige functie omdat de mate waarin
verzoekster over kinderopvangmogelijheden beschikte onvoldoende zou zijn.
4.2. In dit verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.
Artikel 7A: 1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de
werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen onder meer bij
het aangaan van de arbeidsovereenkomst.
In artikel 7A: 1637ij lid 5 BW is bepaald dat onder onderscheid tussen mannen
en vrouwen direct en indirect onderscheid wordt verstaan.
Onder indirect onderscheid moet worden verstaan onderscheid op grond van
andere hoedanigheden dan geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of
gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft,
tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.
4.3. De Commissie gelijke behandeling heeft eerder uitgesproken dat het niet
tot haar taak behoort om te beoordelen of een kandidaat geschikter dan wel
gelijk geschikt is voor een functie. Zij is, gelet op de wet, slechts bevoegd
om na te gaan of er bij de beoordeling van de (mate van) geschiktheid
onderscheid is gemaakt op grond van geslacht. (Zie onder meer Commissie
gelijke behandeling, 30 oktober 1995, oordeelnummer 95-45.).
4.4. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie het
volgende.
In het algemeen staan vragen naar gezinsomstandigheden op gespannen voet met
het verbod op het maken van onderscheid op grond van geslacht, omdat
aannemelijk is dat vragen als deze alleen of voornamelijk aan vrouwen wordt
gesteld (Zie bijvoorbeeld – Commissie gelijke behandeling voor mannen en
vrouwen bij de arbeid, 1 oktober 1990, oordeelnummer 137-90-136; Commissie
gelijke behandeling, 5 november 1996, oordeelnummer 96-90). Dit geldt ook
voor vragen naar het beschikken over kinderopvang.
Of het stellen van bedoelde vragen leidt tot strijd met de wet is afhankelijk
van de feiten en concrete omstandigheden in het betreffende geval.
Hieromtrent overweegt de Commissie het volgende.
De wederpartij heeft niet geïnformeerd naar de aanwezigheid van kinderopvang
als zodanig teneinde een algemeen beeld te krijgen van verzoeksters
bereidheid om op andere dan de normale dagen of tijden te werken. De
wederpartij betwist ook niet dat verzoekster graag de functie wilde
vervullen, dat zij bereid was in de door de wederpartij aangeduide situaties
haar werkzaamheden als verkoopster te verrichten, en dat zij beschikte over
een oppas voor haar kind.
Vast staat dat de wederpartij hiermee geen genoegen heeft genomen, maar
tijdens het sollicitatiegesprek heeft doorgevraagd naar de alternatieven voor
kinderopvang indien de oppas verhinderd zou zijn, teneinde daaraan de
geschiktheid voor de functie af te meten. Tevens moet worden geconstateerd
dat de mate waarin verzoekster beschikte over kinderopvangmogelijkheden de
reden was voor afwijzing van verzoekster voor de onderhavige functie.
Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat door verzoekster,
die over een oppas beschikte, af te wijzen vanwege de mate waarin zij naar
het oordeel van de wederpartij over andere kinderopvangmogelijkheden
beschikte, de wederpartij direct onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (…) te
Haarlem jegens mevrouw (…) te Santpoort Noord direct onderscheid op grond
van geslacht heeft gemaakt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst zoals
bedoeld in artikel 1637ij lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en derhalve in
strijd heeft gehandeld met deze wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft kennis genomen van een personeelsadvertentie in een
zondagsblad. In de advertentie vraagt de wederpartij om een
`receptioniste/administratief medewerkster’. Eén van de functie-eisen die
door de wederpartij genoemd wordt is `accentloos Nederlands spreken’. Tevens
signaleert verzoekster dat de wederpartij zich in deze advertentie specifiek
richt op werving van vrouwelijke medewerkers.
In de onderhavige advertentie worden alleen de vrouwelijke functiebenamingen
gebruikt. Verder wordt expliciet gevraagd naar een gast vrouw . Er
wordt geen gebruik gemaakt van de aanduiding `m/v’. Evenmin wordt
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in
aanmerking komen.
Derhalve is de Commissie van oordeel dat de wederpartij onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in artikel 3 lid 4 WGB.
De vraag is evenwel of één van de wettelijke uitzonderingen in het
onderhavige geval van toepassing is.
De wederpartij heeft geen expliciet beroep gedaan op een wettelijke
uitzondering op het verbod om onderscheid te maken. Wel geeft de wederpartij
aan dat mannelijke bezoekers liever door een gastvrouw dan door een gastheer
zouden worden ontvangen.
De Commissie stelt vast dat de wettelijke uitzonderingen in dit geval niet
toepasselijk zijn.
Ten tweede is in het geding de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van
een betrekking door het stellen van de eis `accentloos Nederlands spreken’
onderscheid heeft gemaakt naar ras of nationaliteit, dan wel beide.
Deze levert in de gegeven omstandigheden noch direct onderscheid naar ras,
noch direct onderscheid naar nationaliteit op. Het criterium accentloos
Nederlands spreken maakt op zich geen onderscheid tussen personen op grond
van hun ras of nationaliteit.
De gestelde functie-eis heeft indirect onderscheid naar ras of nationaliteit
tot gevolg.
Het doel dat nagestreefd wordt is het aantrekken van personeel dat de functie
van receptionist(e)/administratief medewerk(st)er naar behoren kan
uitoefenen. De Commissie stelt vast dat aan dit doel iedere discriminatie
vreemd is, terwijl het doel beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de
organisatie.
De wederpartij heeft zelf aangegeven dat de taaleis gesteld wordt omdat een
receptioniste in het gehele land goed verstaanbaar moet zijn. De bewoordingen
en daarmee de selectieve werking van de advertentie gaan dit doel echter ver
te buiten.
De Commissie concludeert op bovenstaande gronden dat het gekozen middel niet
geschikt en niet noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 25 januari 1996 verzocht de Stichting Meldpunt Rassendiscriminatie
Delft te Delft (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of (…) BV
te Delft (hierna: de wederpartij) bij de aanbieding van een betrekking in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.
1.2. Verzoekster heeft kennis genomen van een personeelsadvertentie in een
zondagsblad. In de advertentie vraagt de wederpartij om een
`receptioniste/administratief medewerkster’. Eén van de functie-eisen die
door de wederpartij genoemd wordt is `accentloos Nederlands spreken’. Tevens
signaleert verzoekster dat de wederpartij zich in deze advertentie specifiek
richt op werving van vrouwelijke medewerkers.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij daarmee onderscheid naar
geslacht en ras of ook nationaliteit heeft gemaakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

2. De ontvankelijkheid van het verzoek
Verzoekster is een stichting welke zich blijkens haar statuten onder meer ten
doel stelt het instandhouden van meldpunten voor klachten over discriminerend
handelen en de behandeling van deze klachten.
Verzoekster tracht dit doel onder meer te bereiken door middel van onderzoek,
overleg en andere (juridische) acties.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in
overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB) en art. 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te
beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten
zoals gesteld in art. 12 lid 2 sub e AWGB. Verzoekster heeft geen namen
genoemd van personen ten nadele van wie zou zijn gehandeld, zoals bedoeld in
art. 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door de Commissie naar mogelijke bezwaren
van deze personen tegen het onderhavige verzoek kan derhalve achterwege
blijven.

3. De loop van het onderzoek
3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
3.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 23 september 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
dhr. mr. (…) ( Stichting Meldpunt Rassendiscriminatie Delft)

van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (personeelsfunctionaris)
– dhr. mr. M.P.A. Bos (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).
3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 3.2.

4. De resultaten van het onderzoek

De feiten
4.1. De wederpartij is een middelgroot softwarehuis.
Per december 1995 bedroeg het totaal aantal medewerkers 59. Er waren op dat
moment 15 vrouwen, waaronder één vrouw van allochtone afkomst, en twee
allochtone mannen werkzaam.
4.2. Een persoon van Chinese afkomst heeft bij verzoekster geklaagd over een
personeelsadvertentie van de wederpartij in het blad `Delft op zondag’ van 28
mei 1995.
De tekst van de betreffende advertentie luidt als volgt:
`Omdat één van onze huidige, zeer gewaardeerde, medewerksters onze
organisatie gaat verlaten, zoeken wij per 1 augustus een enthousiaste
receptioniste/administratief medewerkster voor 40 uur per week.
Uw werkzaamheden zullen bestaan uit het op vriendelijke en correcte wijze
aannemen van de telefoon en het ontvangen van bezoekers. Bovendien treedt u
als gastvrouw op bij workshops en andere gelegenheden. Uiteraard behoren ook
faxen, kopiëren, typewerkzaamheden en het bijhouden van de kantoorvoorraad
tot uw werk.
Wanneer u beschikt over een HAVO-diploma (met Engels), ervaring in voornoemde
werkzaamheden en verantwoordelijkheidsgevoel, en bovendien stress-bestendig
bent en accentloos Nederlands spreekt, bent u de juiste kandidaat voor deze
afwisselende job.’

4.3. Verzoekster heeft op 20 juni 1995 aan de wederpartij schriftelijk een
nadere toelichting gevraagd op de in de advertentie gestelde eis `accentloos
Nederlands spreken’. De wederpartij heeft daar telefonisch op gereageerd. Na
dit telefoongesprek heeft verzoekster de wederpartij schriftelijke gevraagd
waarom in de advertentie alleen vrouwelijke medewerkers worden geworven. Toen
verzoekster geen antwoord van de wederpartij ontving, heeft verzoekster een
verzoek om een oordeel ingediend bij de Commissie.

De standpunten van partijen
4.4. Verzoekster stelt het volgende.
Het recht laat het stellen van taaleisen toe zolang deze functioneel zijn.
Verzoekster betwijfelt of dat bij deze functie het geval is. De praktijk
leert dat taaleisen vaak als negatief effect hebben dat veel allochtonen bij
voorbaat voor een functie worden uitgesloten.
Verzoekster vraagt zich af wat de wederpartij bedoelt met accentloos
Nederlands spreken en of een Limburger die bijvoorbeeld met een zachte g
spreekt of een Amsterdammer met een Jordanese tongval niet in aanmerking
kunnen komen voor de functie.
De eis is zo geformuleerd dat allochtonen zich bij voorbaat niet geroepen
zullen voelen om te reageren op de vacature. Daardoor leidt de functie-eis
tot indirecte discriminatie. De wederpartij had dan ook moeten kiezen voor
een andere formulering, bijvoorbeeld `goede beheersing van de Nederlandse
taal in woord en geschrift’.
4.5. De wederpartij stelt het volgende.
De door verzoekster ingediende klacht is gechargeerd omdat verzoekster stelt
dat de wederpartij slechts twee functie-eisen opgenomen heeft, namelijk
accentloos Nederlands spreken en vrouw zijn. In werkelijkheid zijn echter
vijf a zes functie-eisen in de advertentie opgenomen.
Zoals zoveel bedrijven en instellingen prefereert de wederpartij vrouwelijke
receptionisten. Ten eerste omdat zij in het algemeen over een betere
telefoonstem beschikken dan mannen en ten tweede omdat het merendeel van de
overwegend mannelijke bezoekers liever door een gastvrouw dan door een
gastheer wordt ontvangen.
Formeel had de wederpartij de vermelding `m/v’ achter de functie moeten
zetten. Dit kwam op de wederpartij nogal ambtelijk over. Gezien de commotie
over de advertentie zal de wederpartij in het vervolg deze toevoeging
plaatsen.
De functie-eis accentloos Nederlands spreken is tot op heden slechts aan de
functie van receptioniste gesteld. Bij telefonische reacties op advertenties
voor deze functie worden sollicitanten reeds voorgeselecteerd op het
accentloos Nederlands spreken.
Deze eis is gebaseerd op de ervaring van de wederpartij bij het werven van
receptionistes uit de Delftse en Haagse omgeving. Veel kandidaten spreken met
een Delfts of Haags accent. Voor veel functies is dit geen enkel bezwaar,
echter voor de onderhavige functie wel. Receptionisten dienen voor mensen uit
het hele land goed verstaanbaar te zijn.
Waarom in onderhavige advertentie voor `accentloos Nederlands’ is gekozen, is
de wederpartij niet bekend.
De eis `accentloos’ komt de wederpartij, bij nader inzien, `hard’ voor.
De wederpartij weet uit eigen ervaring dat er zeer veel mensen van
buitenlandse afkomst zijn die accentloos en goed Nederlands spreken.
Uiteraard komen deze mensen in aanmerking voor deze functie.
Het was zeker niet de bedoeling van de eis `accentloos Nederlands’ om
allochtonen te weerhouden om te reageren. Het is de wederpartij onbekend
hoeveel allochtonen op de betreffende advertentie gesolliciteerd hebben.

De wederpartij wijst de beschuldiging van discriminatie dan ook volstrekt af
en ervaart deze zelfs als ongepast. Dat is ook de reden dat de wederpartij
niet gereageerd heeft op de naar haar mening aanmatigende brief van
verzoekster.
Nadat de wederpartij niet op die brief reageerde, is de klacht wegens
discriminatie op grond van geslacht erbij gesleept.

5. De overwegingen van de commissie
5.1. Ten eerste is in geding de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van
een betrekking onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in
de wetgeving gelijke behandeling door in de advertentie uitsluitend de
vrouwelijke functiebenaming te hanteren, door het weglaten van `m/v’ bij de
functieaanduiding en door specifiek een vrouwelijke medewerker te werven.
5.2. Met betrekking tot mogelijk onderscheid op grond van geslacht zijn de
volgende wetsartikelen van de WGB relevant.
Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid tussen
mannen en vrouwen bij de aanbieding van een betrekking.
In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt. Dit artikel
schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een advertentie duidelijk
moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen voor de
functie. In artikel 3 lid 4 WGB wordt deze eis vervolgens verder toegespitst
op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat òf zowel de
mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden, òf
uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.
5.3. Ter beantwoording van voornoemde vraag overweegt de Commissie het
volgende.
In de onderhavige advertentie worden alleen de vrouwelijke functiebenamingen
gebruikt. Verder wordt expliciet gevraagd naar een gastvrouw. Er
wordt geen gebruik gemaakt van de aanduiding `m/v’. Evenmin wordt
uitdrukkelijk vermeld dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in
aanmerking komen.
Derhalve is de Commissie van oordeel dat de wederpartij onderscheid heeft
gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in artikel 3 lid 4 WGB.
De vraag is evenwel of één van de wettelijke uitzonderingen in het
onderhavige geval van toepassing is.
In artikel 5 WGB worden de wettelijke uitzonderingsmogelijkheden op het
verbod van direct onderscheid op grond van geslacht genoemd.
In artikel 5 lid 1 WGB is onder meer bepaald dat van het verbod van
onderscheid mag worden afgeweken ingeval van een voorkeursbeleid voor
vrouwen. Daarvan is in dit geval echter geen sprake.
Voorts is in artikel 5 lid 2 WGB onder meer bepaald dat van het verbod op
onderscheid mag worden afgeweken in gevallen waarin vanwege de aard of de
voorwaarden voor de uitoefening van de betreffende beroepsactiviteit het
geslacht bepalend is. Deze beroepsactiviteiten zijn omschreven in artikel 5
lid 3 WGB.
De wederpartij heeft geen expliciet beroep gedaan op een wettelijke
uitzondering op het verbod om onderscheid te maken. Wel geeft de wederpartij
aan dat mannelijke bezoekers liever door een gastvrouw dan door een gastheer
zouden worden ontvangen. Indien de wederpartij daarmee een beroep zou willen
doen op de eventuele geslachtsbepaaldheid van de functie, dan kan dat beroep
niet slagen. Immers het betreft hier niet één van de door de wet limitatief
voorziene gevallen van geslachtsbepaaldheid.
De Commissie stelt vast dat de wettelijke uitzonderingen in dit geval niet
toepasselijk zijn. Derhalve heeft de wederpartij direct onderscheid naar
geslacht gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 in samenhang met artikel 1
WGB.
5.4. Ten tweede is in het geding de vraag of de wederpartij bij de aanbieding
van een betrekking door het stellen van de eis `accentloos Nederlands
spreken’ onderscheid heeft gemaakt naar ras of nationaliteit, dan wel beide.
5.5. Met betrekking tot mogelijk onderscheid op grond van ras en/of
nationaliteit zijn de volgende wetsartikelen van de AWGB relevant.
Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB, onder
meer het maken van onderscheid naar ras en nationaliteit bij de aanbieding
van een betrekking.
Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid.
Van indirect onderscheid is sprake indien op grond van andere hoedanigheden
of gedragingen dan ras of nationaliteit onderscheid wordt gemaakt, dat direct
onderscheid naar ras of nationaliteit tot gevolg heeft.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming ( Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.).
Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086.).
5.6. Ter beantwoording van voornoemde vraag overweegt de Commissie het
volgende.
De in dit geval gestelde functie-eis `accentloos Nederlands spreken’ levert
in de gegeven omstandigheden noch direct onderscheid naar ras, noch direct
onderscheid naar nationaliteit op. Het criterium accentloos Nederlands
spreken maakt op zich geen onderscheid tussen personen op grond van hun ras
of nationaliteit (Zie Commissie gelijke behandeling, 4 juli 1995,
oordeelnummer: 95-30; 12 mei 1996, oordeelnummer: 96-29 en 1 juli 1996,
oordeelnummer: 96-55).
5.7. Vervolgens is de vraag aan de orde of door het hanteren van de
functie-eis `accentloos Nederlands spreken’ bij de werving voor de vacature
door de wederpartij indirect onderscheid naar ras of nationaliteit wordt
gemaakt. Dit is het geval als het nadelig effect van de taaleis in
overwegende mate personen treft van niet-Nederlandse etnische of nationale
afstamming, of niet- Nederlandse nationaliteit.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Door de wederpartij wordt naast het HAVO-diploma de functie-eis gesteld van
een accentloze beheersing van de Nederlandse taal. Niet ontkend wordt dat
daardoor ook kandidaten van autochtone afkomst vanwege hun uitspraak door de
wederpartij afgewezen kunnen worden. Een dergelijke functie-eis treft echter
merendeels diegenen die niet vanaf hun eerste kinderjaren in Nederland hebben
gewoond. Dit zijn in overwegende mate personen van niet-Nederlandse etnische
of nationale afstamming, of niet-Nederlandse nationaliteit. In zoverre heeft
de gestelde functie-eis indirect onderscheid naar ras of nationaliteit tot
gevolg.
5.8. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaüdereinigung GmbH & Co. KG, 13
juli 1989, zaak 171/88):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte van de organisatie;
– en moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.
Het doel dat nagestreefd wordt is het aantrekken van personeel dat de functie
van receptionist(e)/administratief medewerk(st)er (Omdat het hier alleen gaat
om de gronden ras/nationaliteit, is een `geslachtsneutrale’
functie-aanduiding gebruikt.) naar behoren kan uitoefenen. De Commissie stelt
vast dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is, terwijl het doel
beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de organisatie.
Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel, in dit geval de onderhavige
taaleis, geschikt en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.
De wederpartij heeft zelf aangegeven dat de taaleis gesteld wordt omdat een
receptioniste in het gehele land goed verstaanbaar moet zijn. De bewoordingen
en daarmee de selectieve werking van de advertentie gaan dit doel echter ver
te buiten.
De Commissie concludeert op bovenstaande gronden dat het gekozen middel niet
geschikt en niet noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.
De Commissie stelt vast dat er niet voldaan is aan de hiervoor genoemde
criteria voor een objectieve rechtvaardigingsgrond. Derhalve heeft de
wederpartij een verboden indirect onderscheid op grond van ras en
nationaliteit gemaakt.

6. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) BV te Delft bij de
aanbieding van een betrekking
I. direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 3 lid 1, 3 en 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld;
II. indirect onderscheid op grond van ras en nationaliteit heeft gemaakt bij
de aanbieding van een betrekking zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van
de Algemene wet gelijke behandeling en derhalve in strijd met deze wet heeft
gehandeld.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. dr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
serveerster m/v. Verzoeker is, tijdens een telefoongesprek waarin hij
solliciteerde naar de bovengenoemde functie, afgewezen voor de functie.
Volgens verzoeker is hij niet aangenomen omdat hij een man is.
Naar het oordeel van de Commissie is het, mede door de overgelegde stukken,
aannemelijk dat de vacature waar verzoeker op solliciteerde al vervuld was
toen het bewuste telefoongesprek plaats vond. Daarmee is tevens aannemelijk
dat eventuele opmerkingen (over de exacte inhoud waarvan overigens geen
duidelijkheid bestaat) met betrekking tot de betreffende functie en het
geslacht van degene die deze bekleedt niet zijn gemaakt in het kader van de
selectie voor een vacante functie.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. Op 25 maart 1996 verzocht de heer (…) (hierna: verzoeker) de Commissie
gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over
de vraag of de (…) te Middelburg jegens haar onderscheid heeft gemaakt op
grond van geslacht als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling. Uit de
correspondentie van de Commissie met de (…) bleek, dat de (…) te
Kamperland als de werkgever moet worden beschouwd. Op basis hiervan is (…)
(hierna: de wederpartij) als wederpartij aangewezen.
1.2. Verzoeker heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
serveerster m/v. Verzoeker is, tijdens een telefoongesprek waarin hij
solliciteerde naar de bovengenoemde functie, afgewezen voor de functie.
Volgens verzoeker is hij niet aangenomen omdat hij een man is.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
2.2. Verzoeker heeft naast de wederpartij ook de (…) als wederpartij
aangewezen. Beide zaken zijn gevoegd behandeld. Het oordeel in genoemde zaak
is door de Commissie vastgesteld op 19 november 1996 en is bekend onder
oordeelnummer 96-99.
2.3. De Commissie heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op 1 oktober
1996. Partijen hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. De wederpartij is de pachter van het restaurant van de (…). In haar
hoedanigheid van pachter is de wederpartij de werkgever van het personeel dat
werkzaam is in het restaurant en werft zij de nieuwe medewerkers, zulks op
grond van artikel 20 van de pachtovereenkomst. In artikel 20 staat het
volgende vermeld: `De dagelijkse leiding van de kantinewerkzaamheden is in
handen van een restaurantbeheerder/beheerster die over voldoende capaciteiten
beschikt. Teneinde de (…) volledig te ontlasten van
personeelsaangelegenheden, zorgt de restaurant-beheerder ervoor dat voldoende
personeel beschikbaar is om de restauratieve voorzieningen naar behoren uit
te voeren. Tevens is de beheerder verantwoordelijk voor alle
rechtspositieregelingen aangaande het personeel dat hij/zij in dienst neemt.’

De standpunten van partijen
3.2. Verzoeker stelt het volgende. Hij solliciteerde op 18 maart 1996, naar
aanleiding van een advertentie die was opgenomen in het bestand van het
Arbeidsbureau (…), telefonisch, naar de functie van serveerster m/v.
Volgens verzoeker heeft de wederpartij hem meegedeeld dat alleen vrouwen in
de bediening werden aangenomen.
Tijdens het telefoongesprek met de wederpartij noteerde de vrouw die
verzoeker aan de telefoon had zijn gegevens en deelde hem mee dat hij
teruggebeld zou worden door de contactpersoon. Toen deze contactpersoon
tijdens het gesprek arriveerde, overlegde de vrouw met hem en deelde
vervolgens aan verzoeker mee dat alleen dames in de bediening werden
aangenomen. Naar aanleiding van de verbaasde reactie van verzoeker, deelde de
vrouw mee dat in de advertentie alleen om een serveerster werd
gevraagd. Verzoeker wees hierop op de vermelding van m/v in de advertentie en
op het feit dat hij via het arbeidsbureau op de hoogte was van de vacature en
dat het arbeidsbureau hem niet had meegedeeld dat alleen dames werden
aangenomen. De vrouw vertelde vervolgens dat aan het arbeidsbureau was
meegedeeld dat alleen vrouwen in aanmerking kwamen voor de functie.

Volgens verzoeker is hier sprake van discriminatie. Ook constateert verzoeker
dat in de Horeca vaker jongens/mannen worden geweigerd omdat men liever met
meisjes/vrouwen werkt.
Naar aanleiding van het verweer van de wederpartij stelt verzoeker nog het
volgende.
De wederpartij verwart verzoeker met iemand anders aangezien verzoeker de
wederpartij zelf namelijk niet door de telefoon heeft gesproken. De vrouw die
hij aan de telefoon had, heeft verzoeker niet meegedeeld dat de vacature
reeds vervuld was. Verzoeker heeft niet als kok gesolliciteerd, maar op de in
de advertentie vermelde functie. Ook heeft de wederpartij verzoeker niet naar
het arbeidsbureau verwezen.
Tot slot deelt verzoeker nog mee dat het niet zijn bedoeling is geweest de
wederpartij zwart te maken.
3.3. De wederpartij stelt het volgende. Verzoeker solliciteerde naar de
functie nadat deze reeds was vervuld. Dit werd veroorzaakt door het feit dat
de vacature niet tijdig werd verwijderd uit de kaartenbak van het
arbeidsbureau. Verzoeker solliciteerde naar de functie van kok, terwijl deze
functie niet vacant was.
De wederpartij noch zijn echtgenote hebben tegen verzoeker gezegd dat
uitsluitend vrouwen voor de functie van serveerster werden aangenomen. Wèl is
gezegd dat voor werkzaamheden als het lopen van koffierondes en het
schoonmaken van het restaurant, de interesse van mannelijke kandidaten
beduidend minder is.
Van een sollicitatie door verzoeker was geen sprake aangezien door de
wederpartij reeds was meegedeeld, dat de functie vervuld was. Uit het drukke
praten van verzoeker bleek dat hij hierover teleurgesteld was. Naar
aanleiding hiervan heeft de wederpartij verzoeker naar het arbeidsbureau
verwezen voor een verklaring voor het feit, dat de vacature bij het
arbeidsbureau nog open stond.
Van discriminatie is geen sprake aangezien verzoeker niet op grond van zijn
mannelijk geslacht is afgewezen. De wederpartij en zijn echtgenote betreuren
de beschuldiging van discriminatie zeer.
Voorts deelt de wederpartij mee dat binnen haar organisatie zowel mannelijke
als vrouwelijke medewerkers werkzaam zijn.
Naar aanleiding van nadere schriftelijke vragen van de Commissie, stelt de
wederpartij nog het volgende. Het is goed mogelijk dat zij twee sollicitanten
door elkaar heeft gehaald. Deze mogelijke vergissing wordt mede veroorzaakt
door het feit dat op een vacature door veel mensen wordt gereageerd. Ook
bestaat de kans dat slechts de echtgenote van de wederpartij verzoeker te
woord heeft gestaan en dus niet de wederpartij zelf. De wederpartij blijft
echter bij haar stelling dat zij geen gegevens heeft genoteerd noch aan
verzoeker heeft meegedeeld dat alleen dames zouden worden aangenomen.
Bovendien is het niet ongebruikelijk dat er bij de wederpartij mannelijke
werknemers werken. De laatste mannelijke werknemer was werkzaam van 1 januari
1996 tot 31 juli 1996. De wederpartij heeft vermoedelijk het GAB ingelicht
over het feit dat de onderhavige functie was vervuld, in de week dat de
vrouwelijke kandidaat voor de functie is aangenomen. Deze vrouw is aangenomen
op grond van haar kwaliteit, kennis, inzet en arbeidsverleden. De keuze voor
de vrouwelijke werknemer heeft niets te maken met een voorkeur voor mannen of
vrouwen.
De wederpartij heeft een getekende verklaring, d.d. 30 augustus 1996,
overgelegd van de vrouw die is aangenomen voor de onderhavige functie. Uit
deze verklaring blijkt dat deze vrouw op maandag 11 maart 1996 een
sollicitatiegesprek met de wederpartij heeft gehad en vervolgens met ingang
van 21 maart 1996 bij de wederpartij in dienst is getreden. Daarnaast heeft
verzoeker een afschrift van een arbeidsovereenkomst tussen de wederpartij en
de vrouwelijke werknemer overgelegd, die geldt vanaf 21 maart 1996.

4. Overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoeker af te wijzen voor
de functie van serveerster m/v onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
4.2. In dit verband is het volgende wetsartikel van belang.
Artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna:
WGB) verbiedt de werkgever onder meer om bij de behandeling bij de vervulling
van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
4.3. De vraag die voorligt is of het feit dat verzoeker man is een rol heeft
gespeeld bij zijn afwijzing voor de functie van serveerster m/v.
Verzoeker stelt dat hem telefonisch is meegedeeld dat alleen vrouwen voor de
onderhavige functie in aanmerking kwamen.
De wederpartij ontkent dat tegen verzoeker is gezegd dat uitsluitend vrouwen
voor de functie van serveerster in dienst werden genomen. Wèl zou zij gezegd
hebben dat voor werkzaamheden als het lopen van koffierondes en het
schoonmaken van het restaurant, de interesse van mannelijke kandidaten
beduidend minder is.
De wederpartij stelt dat op het moment dat verzoeker solliciteerde, de
onderhavige vacature reeds was vervuld.
Uit de stukken blijkt het volgende. Verzoeker solliciteerde op 18 maart 1996.
Uit de verklaring van de vrouw die is aangenomen blijkt dat de wederpartij
met haar een sollicitatiegesprek heeft gehouden op 11 maart 1996. Voorts
blijkt uit de arbeids-overeenkomst tussen de wederpartij en bovengenoemde
vrouw, dat deze is ingegaan per 21 maart 1996. De wederpartij stelt dat de
advertentie voor de functie ten onrechte nog in het bestand van het
arbeidsbureau aanwezig was. Zij vermoedt dat zij in de week dat de
vrouwelijke kandidaat is aangenomen, het arbeidsbureau over het vervullen van
de functie heeft geïnformeerd.
4.4. Naar het oordeel van de Commissie is het, mede door de overgelegde
stukken, aannemelijk dat de vacature waar verzoeker op solliciteerde al
vervuld was toen het bewuste telefoongesprek plaats vond. Daarmee is tevens
aannemelijk dat eventuele opmerkingen (over de exacte inhoud waarvan
overigens geen duidelijkheid bestaat) met betrekking tot de betreffende
functie en het geslacht van degene die deze bekleedt niet zijn gemaakt in het
kader van de selectie voor een vacante functie.
De Commissie wijst er op, dat opmerkingen waarbij een relatie wordt gelegd
tussen een functie en het geslacht van de daarbij behorende functionaris, het
risico met zich meebrengen dat zij de verdenking van onderscheid op grond van
geslacht oproepen.
De Commissie raadt de wederpartij aan hier in het vervolg op bedacht te zijn.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Kamperland jegens de
heer (…) te Serooskerke geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 3 lid 1 WGB bij de selectie voor de functie van
serveerster m/v.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G. Nicolai(lid Kamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen(secretaris Kamer)