Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 7 november 1996

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Artikel 2 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het geen betrekking heeft op een persoon die een onbezoldigde activiteit verricht bestaande in de verzorging van zijn of haar gehandicapte echtgenoot, ongeacht de omvang van deze activiteit en de voor de uitoefening vereiste bekwaamheid, voor zover deze persoon daarvoor geen beroepsactiviteit heeft opgegeven of het zoeken naar werk heeft onderbroken.

Volledige tekst

Arrest

1. Bij beschikking van 14 februari 1995 ingekomen bij het Hof op 15 maart daaraanvolgend, heeft het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen krachtens artikel 177 EG-Verdrag vijf prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24; hierna: `richtlijn’), en de beginselen van het gemeenschapsrecht betreffende de overheidsaansprakelijkheid.

2. Deze vragen zijn gerezen in het kader van een verzoek van Züchner om gefinancierde rechtsbijstand voor een procedure tegen de ziekenkas van haar echtgenoot wegens de weigering van deze ziekenkas, om zijn verpleging, die Züchner verzorgt, te vergoeden.

3. Blijkens de stukken van het hoofdgeding is Züchners echtgenoot, die voordien beroepsarbeid verrichtte, na een ongeval getroffen door een dwarslaesie. Zijn toestand vereist de hulp van een derde, zowel voor zijn verpleging als voor de basiszorg en huishoudelijke zorg in de zin van Sozialgesetzbuch V. Deze vormen van zorg heeft zijn echtgenote op zich genomen.

4. De ziekenkas van Züchners echtgenoot vergoedt de kosten van basiszorg en huishoudelijke zorg. De kosten van verpleging vergoedt zij echter niet, met een beroep op 37, lid 3, Sozialgesetzbuch V, dat luidt: `Recht op thuisverpleging bestaat slechts indien een persoon die niet deel uitmaakt van het huishouden de zieke niet in de vereiste mate kan verplegen en verzorgen.’

5. Volgens Züchner is deze bepaling in strijd met de richtlijn. Wegens haar ontoereikende draagkracht verzocht zij het Landgericht Bremen om gefinancierde rechtsbijstand om een vordering tot schadevergoeding tegen de ziekenkas te kunnen instellen. Dit verzoek werd afgewezen bij beschikking van 20 januari 1994, waartegen Züchner hoger beroep instelde bij het Oberlandesgericht in Bremen. Bij een eerste beschikking van 30 juni 1994 verklaarde het Oberlandesgericht, zonder zich uit te spreken over de vraag of verzoekster in het hoofdgeding behoort tot de `beroepsbevolking’ in de zin van de richtlijn, dat de wettelijke bepaling niet discriminerend was. Aangezien de vordering onvoldoende kans van slagen bood, was een van de voorwaarden voor gefinancierde rechtsbijstand niet vervuld, zodat het Oberlandesgericht het hoger beroep verwierp.

6. Na een verzoek om herziening heeft het Oberlandesgericht zijn beschikking van 30 juni 1994 vernietigd, en bij een nieuwe beschikking van 14 februari 1995 het Hof van Justitie de navolgende vragen gesteld, welke het in staat moeten stellen te oordelen of de vordering die Züchner wenst in te stellen voldoende kans van slagen biedt:

`1. Behoort verzoekster, in haar hoedanigheid van echtgenote van een hulpbehoevende verzekerde, tot de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn?

2. Wordt verzoekster door 37, lid 3, Sozialgesetzbuch V, ondanks de sekseneutrale bewoordingen van deze bepaling, als vrouw gediscrimineerd in de zin van de richtlijn?

3. Kan verzoekster, die niet bij verweerster verzekerd is, rechtstreeks rechten doen gelden, of beschikt alleen haar echtgenoot over deze rechten in zijn hoedanigheid van verzekerde?

4. Is verweerster als overheidsorgaan (Ersatzkasse) zelf aansprakelijk, of wie is er in haar plaats aansprakelijk?

5. Voorziet het recht van de Europese Gemeenschappen in een niet op schuld gebaseerde vordering uit onrechtmatige overheidsdaad of kan een vordering uit onrechtmatige overheidsdaad enkel op grond van 839 Bundesgesetzbuch 34 Grundgesetz, worden ingesteld?’

7. Met zijn eerste vraag wenst het Oberlandesgericht te vernemen, of het begrip beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat daaronder een persoon als verzoekster in het hoofdgeding valt, in haar hoedanigheid van echtgenote van een hulpbehoevende verzekerde. Ter verduidelijking van de context van zijn vraag verklaart de verwijzende rechter, dat Züchner zijn inziens geen deel uitmaakt van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn, maar dat een ruimere uitleg denkbaar is, aangezien de verzorging van haar gehandicapte echtgenoot door verzoekster in het hoofdgeding veel ruimer is dan gebruikelijk in het kader van een huwelijk.

8. Volgens artikel 2 is de richtlijn van toepassing `op de beroepsbevolking -met inbegrip van zelfstandigen, van werknemers en zelfstandigen wier arbeid is onderbroken door ziekte, ongeval of onvrijwillige werkloosheid en van werkzoekenden -alsmede op gepensioneerde of invalide werknemers’.

9. Noch in haar schriftelijke opmerkingen, noch ter terechtzitting heeft verzoekster in het hoofdgeding bestreden, dat zij op het tijdstip dat haar echtgenoot door een ongeval werd getroffen, geen beroepsarbeid verrichtte. Zij stelt evenwel, dat zij deel uitmaakt van de beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn, voor zover zij een verpleging verzorgt, waarvoor zij een opleiding heeft moeten volgen, en die door haar aard en omvang op één lijn is te stellen met beroepsarbeid en die, zo zij deze niet op zich nam, zou moeten worden verleend door een bezoldigd verzorger of in een verpleeginrichting. De Commissie steunt deze argumentatie.

10. Verweerster in het hoofdgeding, alsook de Duitse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk zijn daarentegen van mening, dat Züchner geen deel uitmaakt van de beroepsbevolking in de zin van de richtlijn, omdat zij vóór de aanvang van de verzorging geen beroepsarbeid verrichtte. Volgens de regering van het Verenigd Koninkrijk kan men een verzorger bovendien niet tot de beroepsbevolking rekenen op de enkele grond dat de verleende zorg omvangrijk is.

11. In dit verband zij eraan herinnerd, dat het begrip beroepsbevolking in de zin van artikel 2 van de richtlijn zeer ruim is en de personen omvat die werken, die werk zoeken, of waarvan het werken of het zoeken van werk onderbroken is door een van de in artikel 3 van de richtlijn bedoelde eventualiteiten. Het Hof heeft overigens verklaard, dat een persoon deel blijft uitmaken van de beroepsbevolking, ook wanneer een van de eventualiteiten van artikel 3 een van zijn of haar ouders heeft getroffen waardoor de betrokken persoon zijn of haar beroepsarbeid heeft moeten onderbreken (arrest van 24 juni 1986, zaak 150/85, Drake, Jurispr. 1986, blz. 1995), wanneer de eventualiteit zich voordoet in een periode dat de betrokkene werkzoekende was onmiddellijk na een periode dat geen beroepsarbeid werd verricht (arrest van 11 juli 1991, zaak C-31/90, zaak C-31/90, Johnson, Jurispr. 1991, blz. I-3723), alsook wanneer het een beperkt dienstverband betreft omdat minder dan vijftien uur per week wordt gewerkt en het salaris lager is dan één zevende van het referentiemaandloon (arresten van 14 december 1995, zaak C-317/93, Nolte, Jurispr. 1995, blz. I-4625, en zaak C-444/93, Megner en Scheffel, Jurispr. 1995, blz. I-4741).

12. Daarentegen is de richtlijn niet van toepassing op personen die geen arbeid verrichten, die geen werkzoekende zijn, en evenmin op personen waarvan de arbeid of het zoeken van werk niet is onderbroken door een van de in artikel 3 van de richtlijn bedoelde eventualiteiten (arrest van 27 juni 1989, gevoegde zaken 48/88, 106/88 en 107/88, Achterberg-Te Riele e.a., Jurispr. 1989, blz. 1963, r.o. 13, en arrest Johnson, reeds aangehaald, r.o. 20). Zo heeft het Hof geoordeeld, dat degeen die zijn of haar beroepsarbeid heeft gestaakt om zich te wijden aan de opvoeding van zijn of haar kinderen, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt (arrest Johnson, reeds aangehaald, r.o. 19).

13. Uit deze overweging volgt, dat het begrip `beroepsactiviteit’ dat besloten ligt in het begrip `beroepsbevolking’ in artikel 2 van de richtlijn, niet anders kan worden verstaan dan dat het tenminste om een economische activiteit moet gaan, dat wil zeggen een activiteit die wordt verricht tegen een beloning in ruime zin.

14. Erkend moet immers worden, dat iemand verplicht kan zijn, een beroep te doen op de prestaties van een derde wanneer hij of zij niet langer, zelf in staat is tot een bepaalde activiteit, of het nu gaat om de opvoeding van kinderen, huishoudelijke arbeid, het beheer van zijn persoonlijke goederen of de gewone dagelijkse bezigheden. De meeste van dergelijke activiteiten vergen een zekere bekwaamheid, hebben een bepaalde omvang en moeten door een derde tegen beloning worden verricht, indien een ander, al dan niet tot het gezin behorend persoon, deze niet vrijwillig op zich neemt.

15. Bijgevolg zou een uitlegging volgens welke onder het begrip beroepsbevolking mede zou moeten worden begrepen het gezinslid dat om niet een activiteit verricht voor een ander lid van het gezin, op grond dat die activiteit een zekere bekwaamheid vergt, een bepaalde omvang heeft, dan wel tegen beloning zou moeten worden verricht door een derde indien dit gezinslid haar niet zou verrichten, de werkingssfeer van de richtlijn onbeperkt uitbreiden, terwijl artikel 2 juist beoogt, deze te begrenzen.

16. Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 2 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat hetgeen betrekking heeft op een persoon die een onbezoldigde activiteit verricht bestaande in de verzorging van zijn of haar gehandicapte echtgenoot, ongeacht de omvang van deze activiteit en de voor de uitoefening vereiste bekwaamheid, voor zover deze persoon daarvoor geen beroepsactiviteit heeft opgegeven of het zoeken naar werk heeft onderbroken.

17. Gelet op het antwoord op de eerste vraag, behoeven de overige door de verwijzende rechter gestelde vragen niet te worden beantwoord.

Kosten

18. De kosten door de Duitse regering, de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

HET HOF VAN JUSTITIE

(Vijfde kamer),
uitspraak doende op de eerste vraag die het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen bij beschikking van 14 februari 1995 heeft gesteld, verklaart voor recht:

Artikel 2 van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat het geen betrekking heeft op een persoon die een onbezoldigde activiteit verricht bestaande in de verzorging van zijn of haar gehandicapte echtgenoot, ongeacht de omvang van deze activiteit en de voor de uitoefening vereiste bekwaamheid, voor zover deze persoon daarvoor geen beroepsactiviteit heeft opgegeven of het zoeken naar werk heeft onderbroken.

Rechters

Mrs Sevón, Gulmann, Edward, Puissochet, Jann, Moitinho de Almeida

Instantie: Centrale Raad van beroep, 7 november 1996

Instantie

Centrale Raad van beroep

Samenvatting


Bij de vaststelling van het inbouwbedrag van klagers pensioen op grond van de
gemeentelijke verordening is rekening gehouden met het pensioen ingevolge de
AOW van klagers echtgenote. Klager beroept zich op ongelijke behandeling.
De Raad oordeelt dat de klager geen beroep kan doen op artikel 119
EEG-verdrag omdat klager in zijn hoedanigheid van wethouder niet in een
gezagsverhouding staat met de gemeente.
De Raad is van oordeel dat onderhavige pensioenregeling directe discriminatie
op grond van geslacht inhoudt en in strijd is met artikel 26 BuPo-verdrag.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

De rechtsvoorganger van verweerder heeft bij beslissing d.d. 6 december 1990
als zijn standpunt ter kennis van klager gebracht, dat ten aanzien van diens
pensioen op grond van de Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de
gemeente Nuland aan in het bijzonder de artikelen 35 en 40 van de
verordening, betreffende inbouw, een juiste toepassing is gegeven.

Tegen die beslissing heeft mr L.M.H. Kersten, werkzaam bij de Stichting
Rechtsbijstand te Tilburg, als gemachtigde van klager bij de Raad beroep
ingesteld. In een aanvullend klaagschrift is uiteengezet waarom klager zich
met de bestreden beslissing niet kan verenigen.

Bij brieven d.d. 7 april 1995 heeft ’s Raads fungerend voorzitter aan
verweerder respectievelijk aan de Minister van Binnenlandse Zaken een aantal
vragen voorgelegd.
De Minister van Binnenlandse Zaken heeft bij brief d.d. 13 juni 1995 op de
hem gestelde vragen antwoord gegeven; verweerder heeft in reactie op de hem
gezonden brief d.d. 7 april 1995 enige stukken aan de Raad ingezonden.

Mr Kersten voornoemd heeft bij brief d.d. 2 april 1996 op de inzending van de
Minister van Binnenlandse Zaken gereageerd.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 september 1996. Daar is klager
verschenen bij zijn gemachtigde mr Kersten en heeft verweerder zich doen
vertegenwoordigen door A.M.M.M. Vrijsen, werkzaam bij de gemeente Maasdonk,
en C.F. Eijsberg, werkzaam bij de VB-Groep te ‘s-Gravenhage.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven
wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht
zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid
van vergoeding proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.

De Raad stelt ten behoeve van zijn oordeelsvorming op grond van de
gedingstukken en het verhandelde ter zitting eerst de volgende feiten en
omstandigheden vast.

Klager, die is geboren op 24 januari 1921, was van 7 september 1982 tot 29
april 1986 wethouder van de gemeente Nuland. Aansluitend werd hem een
pensioen op grond van (artikel 14, eerste lid, van) de toen vigerende
Uitkerings- en pensioenverordening wethouders van de gemeente Nuland (verder:
de Verordening) verleend. Sedert 1 januari 1986 is klager in het genot van
een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Klager is gehuwd met W. van W. die is geboren op 10 juli 1923. Haar werd
ingaande 1 juli 1988 een pensioen ingevolge de AOW toegekend.
In de loop van 1989 is bij de VB-Groep, waaraan de gemeente Nuland intussen
de administratie van de uitkeringen en pensioenen volgens de Verordening had
overgedragen, klagers pensioen op grond van de Verordening herberekend.
Hierbij is gebleken dat de gemeente van meet af aan had verzuimd met
betrekking tot klagers pensioen de inbouwvoorschriften toe te passen. Dit
werd ab initio gecorrigeerd met inachtneming van de inbouwvoorschriften zoals
zij vóór 1 januari 1986 hebben gegolden. De rechtsvoorganger van verweerder
heeft besloten niet tot terugvordering van dientengevolge te veel betaald
pensioen over te gaan. De desbetreffende besluitvorming, die in oktober 1989
haar beslag heeft gekregen, heeft geleid tot een briefwisseling tussen mr
Kersten en de gemeente Nuland, waarin de eerstgenoemde aan de orde stelde dat
bij de vaststelling van het inbouwbedrag van klagers pensioen op grond van de
Verordening met het pensioen ingevolge de AOW van klagers echtgenote rekening
werd gehouden, zulks ten onrechte.
Deze briefwisseling is afgerond met de thans bestreden beslissing.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad neemt tot uitgangspunt dat de bestreden beslissing inhoudt het
standpunt van de rechtsvoorganger van verweerder, dat hij geen aanleiding
ziet van de besluitvorming van oktober 1989 terug te komen. Derhalve heeft
ook de bestreden beslissing betrekking op de tekst van de Verordening zoals
zij (met betrekking tot tijd) tot 1 januari 1986 heeft gevigeerd.

Ingevolge artikel 37, eerste lid, oud, van de Verordening wordt voor een
belanghebbende die tevens recht heeft op een pensioen (voor zover hier van
belang ) als bedoeld in de AOW, het deel daarvan dat geacht kan worden
betrekking te hebben op een tijd, overeenkomende met de diensttijd waarnaar
het pensioen is berekend, vermenigvuldigd met 2, tot een maximum van 40
jaren, gerekend deel uit te maken van het bedrag van het pensioen; bedoeld
deel wordt inbouwbedrag genoemd.

Blijkens de besluitvorming van oktober 1989 is het inbouwbedrag volgens
artikel 37, oud, van de Verordening vastgesteld op het AOW-pensioen van een
gehuwde. Hierbij is, overeenkomstig de redactie van de Verordening, geen acht
geslagen op de gevolgen van de Wet van 28 maart 1985, Stb. 180, strekkende
tot invoering van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, onder andere in
de AOW, zoals deze wet bij Wet van 12 december 1985, Stb. 734, tot wijziging
van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (APPA) had geleid. In dit
licht is er geen sprake van dat bij de inbouw met een zelfstandig pensioen
ingevolge de AOW van klagers echtgenote rekening werd gehouden. De Raad is
niet kunnen blijken dat het bepaalde in artikel 37, oud, van de Verordening,
op zichzelf bezien, met regels van inter- of supranationaal recht in strijd
is.

Aan de kant van klager is er voorts op gewezen dat artikel 40, eerste en
tweede lid, oud, van de Verordening impliceert dat, zou klager een gehuwde
vrouw met recht op pensioen volgens de Verordening zijn, het inbouwbedrag
wordt bepaald op het nominaal lagere AOW-pensioen voor een ongehuwde. Daarom
meent hij dat de regeling, vervat in artikel 40, tweede lid, oud, van de
Verordening, strijdt met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de
Europese gemeenschappen d.d. 28 september 1994 (zaak C-7/93), onder andere
gepubliceerd in TAR 1994, 232, betreffende artikel J 13 van de vroegere
Algemene burgerlijke pensioenwet, beoogt klager aanspraak te maken op een
regeling van de inbouw als voorzien in artikel 40, tweede lid, oud, van de
Verordening.

Met betrekking tot het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen
heeft klager appèl gedaan op:
– artikel 119 van het EEG-Verdrag;
– de richtlijn 79/7/EEG;
– artikel 1 van de Grondwet en
– artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten (IVBPR).

Aangaande deze appèllen overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 119 van het EEG-Verdrag verzekert en handhaaft iedere
Lid-Staat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke
en vrouwelijke werknemers voor gelijke arbeid. Onder beloning, zo vervolgt
het artikel, dient te worden verstaan het gewonnen basis – of minimumloon of
– salaris, en alle overige voordelen in geld of in natura die de werkgever
direct of indirect aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking
betaalt.
Blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof is het hoofdkenmerk van de
begrippen werknemer en dienstbetrekking, dat de betrokkene gedurende een
bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties levert waarvoor
hij beloning ontvangt.

Het lijdt voor de Raad geen twijfel dat, gezien hetgeen bij en krachtens de
Gemeentewet inzake de wethouder en zijn relatie tot de gemeente is geregeld,
klager in zijn hoedanigheid van wethouder niet in een gezagsverhouding in de
zojuist bedoelde zin heeft gestaan.
Daarom kan klager op artikel 119 van het EEG-Verdrag niet met vrucht een
beroep doen.

Voorts is de Raad van oordeel dat klager tevergeefs appelleert op de
richtlijn 79/7 EEG. Dit is reeds het geval, omdat het pensioen van klager op
grond van de Verordening, gegeven de specifieke, louter op (gewezen)
politieke ambtsdragers gerichte, werkingssfeer, niet tot een wettelijke
sociale zekerheid behoort.

Met zijn beroep op artikel 1 van de Grondwet (tekst 1983) bedoelt klager te
bereiken dat de Raad artikel 40, tweede lid, oud, van de Verordening aan
bedoeld artikel 1 toetst.
De Raad is evenwel van oordeel dat dit in de huidige Nederlandse rechtsorde
niet toelaatbaar is. Met betrekking tot de inbouwbepalingen, vervat in de
Verordening, zijn de voorschriften terzake in de APPA beslissend. Bij het
redigeren van de Verordening terzake van de inbouwregeling heeft de
gemeentelijke wetgever geen enkele vrijheid hoe dan ook van de APPA af te
wijken. Dit brengt mee dat de Raad in casu (artikel 100, oud, van) de APPA
zelve aan (artikel 1 van) de Grondwet zou hebben te toetsen. Daartoe is de
rechter niet bevoegd.

In artikel 26 van het IVBPR (gesloten te New York op 19 december 1966, voor
Nederland goedgekeurd bij de wet van 24 november 1978, Stb. 624, en van
kracht geworden op 11 maart 1979), is bepaald:
`Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op
gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie
van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming
tegen discriminatie op welke grond dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht,
taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of
maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.’

De Raad is van opvatting dat de regeling van artikel 40, tweede lid, oud, van
de Verordening wijst op een directe discriminatie tussen mannen en vrouwen,
derhalve op grond van geslacht.

In het voetspoor van zijn jurisprudentie inzake de toepassing van artikel 26
van het IVBPR – gewezen zij hier op de uitspraak d.d. 9 januari 1992, TAR
1992, 58 – is de Raad van oordeel dat, mede gelet op artikel 2 van het IVBPR,
artikel 26 daarvan ook ten aanzien van de Verordening als direct gebaseerd op
de APPA betekenis heeft.

De Raad moet dan ook constateren dat de in artikel 40, tweede lid, oud, van
de Verordening op basis van artikel 100, oud, APPA neergelegde inbouwregeling
strijd oplevert met het bepaalde in artikel 26 van het IVBPR.

Voorts acht de Raad grondslag aanwezig om te oordelen dat in dezen op 23
december 1984 rechtstreekse werking aan artikel 26 van het IVBPR niet kan
worden ontzegd.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerder voor het regelen
van de inbouw in klagers pensioen op grond van de Verordening van 1 mei 1986
af, alsnog overeenkomstig de regeling van artikel 40, tweede lid, oud, van de
Verordening dient te beslissing, en wel voorzover klagers pensioen is toe te
rekenen aan zijn pensioengevende diensttijd van 23 december 1984 tot 1
januari 1986 – dit laatste in verband met de invoering ook in de APPA van het
zogenoemde franchisesysteem.

Deswege kan de bestreden beslissing niet in stand gelaten worden.

De Raad acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Awb en verweerder te veroordelen in de proceskosten van klager, te begroten
op ƒ 1420 ter zake van rechtsbijstand. Van andere kosten die in de
veroordeling kunnen worden betrokken, is de Raad niet gebleken.

Mede gelet op artikel 80a, vijfde lid, van de Beroepswet beslist de Raad als
volgt.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond;
Vernietigt de bestreden beslissing;
Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze
uitspraak;
Bepaalt dat verweerder op grond van artikel 80a, vijfde lid, oud, van de
Beroepswet aan klager het gestorte griffierecht ad ƒ 50 vergoedt;
Veroordeelt verweerder in de proceskosten van klager, groot ƒ 1420, te
betalen door de gemeente Maasdonk.

Rechters

Mrs Treffers, Schoemaker, Stevens

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 7 november 1996

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde is in januari 1996 veroordeeld wegens ontucht met eiser in de
periode tussen 31 augustus 1982 en 29 augustus 1984. Gedaagde is van dit
vonnis in hoger beroep gegaan. Eiser vordert veroordeling van gedaagde tot
betaling van een bedrag van ƒ 15 000 wegens immateriële schade alsmede een
bedrag van ƒ 5000 terzake van materiële schade.
De immateriële schadevergoeding wordt gehonoreerd en de materiële
schadevergoeding tot een bedrag van ƒ 2750.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
Ter terechtzitting van 28 oktober 1996 heeft eiser gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
Gedaagde heeft de vordering bestreden.
Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van eiser
een pleitnotitie, overgelegd en vonnis gevraagd.
De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.
De behandeling van de zaak
1. De uitgangspunten
Gedaagde is in januari 1996 veroordeeld wegens ontucht met eiser in de
periode tussen 31 augustus 1982 en 29 augustus 1984. Ten aanzien van het
gedaagde te laste gelegde soortgelijke feit gedurende de periode tussen 1
januari 1981 en 29 augustus 1982 is de Officier van Justitie
niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring. Gedaagde is van bovenvermelde
veroordeling in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Eiser
is, samen met zijn broer en twee zussen, in december 1992 in therapie gegaan
bij de heer Van Rhijn in verband met de, naar aanleiding van gebeurtenissen
in het gezin in het verleden, verslechterde relatie tussen hen en hun ouders.
Na ongeveer één jaar therapie kwam naar voren dat eiser seksueel misbruikt
was. Vanaf dat moment heeft de therapie zich toegespitst op die problematiek
hetgeen heeft geresulteerd in de aangifte van eiser in 1995.
2. De vordering
2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde tot
betaling aan eiser van een bedrag van ƒ 15 000 wegens immateriële schade
alsmede een bedrag van ƒ 5000 terzake van materiële schade, een en ander
vermeerderd met wettelijke renten en met veroordeling van gedaagde in de
kosten van de procedure.
2.2. Eiser heeft daartoe het volgende aangevoerd. Gedaagde is weliswaar van
het veroordelend vonnis in hoger beroep gegaan, maar heeft de hem te laste
gelegde feiten wel bekend. Gedaagde heeft door het plegen van seksueel
misbruik onrechtmatig jegens eiser gehandeld waardoor de laatste materiële en
immateriële schade heeft geleden en nog steeds lijdt. De handelingen van
gedaagde hebben tot grote geestelijke schade bij eiser geleid. Eiser schaamt
zich nog steeds, kan moeilijk over het gebeurde praten en is jaren verward
geweest omtrent zijn seksuele geaardheid, heeft slaapproblemen en lijdt aan
depressies. Het gezin van eiser lijdt hier ook onder. Voor eiser weegt extra
zwaar dat gedaagde tot op de dag van vandaag van mening is dat er sprake was
van een gelijkwaardige, liefdevolle relatie tussen hem en eiser. Dit is voor
eiser onverteerbaar en vertraagt zijn genezingsproces.
2.3. De materiële schade bestaat uit kosten voor therapie, rechtsbijstand,
reiskosten en kosten terzake van het verlies van toeslagen tijdens eiser’s
arbeidsongeschiktheid.
2.4. Eiser heeft er groot belang bij dat hij dit hoofdstuk zo spoedig
mogelijk kan afronden. Daarom heeft hij gekozen voor een kort-geding
aangezien eiser een langdurige procedure niet aan kan. Toekenning van de door
hem gevraagde voorzieningen betekent erkenning van zijn door eiser
veroorzaakte problemen maar ook genoegdoening. Dat gedaagde niet in staat zou
zijn om de gevorderde bedragen te betalen betwist eiser bij gebrek aan
wetenschap wegens het ontbreken van inkomensgegevens. Eiser merkt bovendien
op dat onder omstandigheden de inkomenspositie van de dader geen rol hoeft te
spelen bij toekenning van schadevergoeding.
3. Het verweer
3.1. Gedaagde heeft als verweer het volgende aangevoerd. Het ontbreekt eiser
aan een spoedeisend belang. De door gedaagde gepleegde feiten dateren immers
uit 1981. Bovendien zal de behandeling van het hoger beroep niet lang meer op
zich laten wachten.
3.2. Naar de mening van gedaagde leent onderhavige vordering zich niet voor
een behandeling in kort-geding wegens de complexiteit van het geheel. Immers
is gedaagde slechts civielrechtelijk aansprakelijk voor de feiten waarvoor de
Officier van Justitie ontvankelijk is verklaard en niet voor de verjaarde
feiten. Voorts dient bij de berekening van de schade tevens rekening te
worden gehouden met het feit dat de psychische schade bij eiser niet
uitsluitend door de handelingen van gedaagde is ontstaan doch eveneens door
de familie-omstandigheden waarvoor eiser reeds in therapie was. In dat licht
wordt de door eiser gevorderde schadevergoeding onvoldoende onderbouwd nu
deze niet is uitgesplitst naar de verschillende componenten en concludeert
gedaagde tot afwijzing van de vordering van eiser.
3.3. Voorzover de president een andere mening is toegedaan stelt gedaagde dat
de vordering zich in elk geval leent voor matiging. Toekenning van een
immateriële schadevergoeding heeft een symbolisch karakter aangezien het leed
door betaling van een schadevergoeding niet goed gemaakt kan worden. De
hoogte van zo’n bedrag is derhalve minder belangrijk. Ten aanzien van de
gevorderde materiële schade merkt gedaagde op dat deze ondeugdelijk is gelet
op de declaraties van de therapeut die tevens aan de familie van eiser zijn
gericht en geen onderscheid maken in het onderwerp van de therapie. Eiser was
immers ook voor een ander doel in therapie bij Van Rhijn. Voorts is het
gevorderde bedrag voor gedaagde niet op te brengen aangezien hij een inkomen
geniet op het niveau van het minimumloon.
4. De gronden van de beslissing
4.1. Uit de stukken is komen vast te staan dat gedaagde gedurende een
langdurige periode ontucht heeft gepleegd met eiser en daarvoor
strafrechtelijk is veroordeeld. De onrechtmatige daad jegens eiser staat,
ondanks het door gedaagde ingestelde hoger beroep, vast nu gedaagde heeft
bekend seksuele handelingen met eiser te hebben verricht. Gedaagde betwist de
spoedeisendheid van onderhavig kort-geding. De president gaat voorbij aan dit
verweer aangezien een schadevergoeding ertoe kan bijdragen dat eiser met de
verwerking van hetgeen hem is overkomen kan beginnen danwel dat proces kan
bespoedigen. Hiermee is het spoedeisend belang dat eiser heeft bij toewijzing
van de vordering gegeven.
4.2. Naar de mening van gedaagde is de door eiser gevorderde immateriële
schadevergoeding onvoldoende onderbouwd en leent de vordering zich niet voor
behandeling in kort geding aangezien een uitsplitsing naar componenten
noodzakelijk zou zijn welke thans ontbreekt. Ook aan deze stelling gaat de
president voorbij. Gedaagde is, zoals blijkt uit het verslag van 6 januari
1996 van de therapeut van eiser, in elk geval voor een belangrijk deel
verantwoordelijk en aansprakelijk voor de bij eiser ontstane psychische
schade. Dat gedaagde slechts voor de te laste gelegde feiten is veroordeeld
doet niet ter zake. Gedaagde heeft immers toegegeven eiser over een langere
periode dan waarvoor hij is veroordeeld te hebben misbruikt.
4.3. De president acht de omvang van het door eiser gevorderde voorschot op
de immateriële schadevergoeding alleszins redelijk en billijk. Hij houdt
hierbij rekening met de omstandigheden zoals het door gedaagde geschonden
vertrouwen van eiser die vanwege de moeizame gezinssituatie bij gedaagde
steun zocht, het leeftijdsverschil, de duur van het misbruik, de mogelijk nog
langdurige therapie en, met name ondanks de door hem niet, althans niet
genoegzaam weersproken geestelijke ontreddering van eiser, de ongewijzigde
opvatting van gedaagde ten aanzien van de aard van de relatie tussen hem en
eiser. Onder bovenvermelde omstandigheden acht de president het voldoende
aannemelijk dat de rechter in een bodemprocedure de vordering tot tenminste
het thans gevorderde bedrag zal toewijzen. Naar het voorlopig oordeel van de
president staan de aard en de ernst van de door gedaagde gepleegde feiten
matiging van het gevorderde bedrag op grond van het minimale inkomen van
gedaagde in de weg.
4.4. De door eiser gevorderde materiële schade ad ƒ 5000 zal worden gematigd
nu een deel van de overgelegde declaraties van de therapeut mede aan de
familie van eiser zijn geadresseerd zodat voorshands niet uitgesloten kan
worden dat deze sessies niet uitsluitend betrekking hadden op de problematiek
van eiser. Voorts ontbreekt een specificatie van de gestelde inkomstenderving
van eiser tijdens zijn arbeidsongeschiktheid. De president zal derhalve het
voorschot op de materiële schadevergoeding matigen tot het bedrag van ƒ 2750.
4.5. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld
in de kosten van de procedure.
De beslissing
De president:
– veroordeelt gedaagde om bij wijze van voorschot aan eiser te betalen een
bedrag van ƒ 15 000 terzake van de door eiser geleden en nog te lijden
immateriële schade alsmede een bedrag van ƒ 2750 terzake van de door eiser
geleden materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag
der dagvaarding, zijnde 10 oktober 1996, tot aan de dag der algehele
voldoening;
– veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde
van eiser begroot op ƒ 547,49 aan verschotten en op ƒ 1500 aan salaris van de
procureur;
– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. A.L. Croes

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 6 november 1996

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Art. IV Reparatiewet is niet in strijd met art. 26 BuPo-verdrag noch met de
derde EG-richtlijn of de communautaire rechtsbeginselen.
Art. IV is niet in strijd met art. 14 EVRM, het recht op een Aaw-uitkering
kan niet worden beschouwd als een `possession’ in de zin van art. 1 lid 1
Eerste Protocol.
Art. IV is niet in strijd met art. 11 VN-vrouwenverdrag doordat dit verdrag
pas op 22 augustus 1991 in werking is getreden. Daarnaast heeft de
inkomensvoorwaarde (in art IV) een toereikende rechtvaardiging ten aanzien
van het vermoeden van indirecte discriminatie naar geslacht. Niet aannemelijk
is dat art. 11 VN-vrouwenverdrag een verdergaande bescherming biedt dan de
EG-richtlijn 79/7.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij beslissing van 28 maart 1991 heeft gedaagde de eerder aan eiseres
toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna:
AAW) ingaande 1 juli 1991 ingetrokken.
De toenmalige Raad van Beroep te Rotterdam heeft bij uitspraak van 14 januari
1992 het tegen deze beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens eiseres heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, tegen deze
uitspraak hoger beroep ingesteld. Op de bij aanvullend beroepschrift van 17
augustus 1992 aangevoerde gronden heeft hij de Raad verzocht de bestreden
beslissing alsnog te vernietigen.
Gedaagde heeft bij schrijven ban 13 juli 1993 van contra-memorie gediend.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad, gehouden op 25
september 1996, waar van partijen alleen eiseres is verschenen,
vertegenwoordigd door mr. Desloover, voornoemd.

II Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in
werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven
wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het
procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de
mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van
de Awb.

Gedaagde heeft bij beslissing van 28 februari 1990 aan eiseres met ingang van
2 mei 1988 een uitkering ingevolge de AAW toegekend naar een
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, van welke ongeschiktheid de
aanvangsdatum is gesteld op 1 januari 1974.
Bij de bestreden beslissing van 28 maart 1991 heeft gedaagde vervolgens de
AAW-uitkering met ingang van 1 juli 1991 ingetrokken, op de grond dat eiseres
in het jaar voorafgaande aan het intreden van haar arbeidsongeschiktheid geen
inkomen uit of in verband met arbeid heeft verworven. Deze beslissing berust
op artikel IV van de Wet van 3 mei 1989, Stb 126, zoals gewijzigd bij Wet van
4 juli 1990, Stb. 386, op grond van welke bepaling ten aanzien van degene
wiens arbeidsongeschiktheid is ingetreden vóór 1 januari 1979 met betrekking
tot het behoud van de aanspraak op uitkering vanaf 1 juli 1991 de voorwaarden
gelden als bepaald in artikel 6 van de AAW, zoals dat artikel luidde door
inwerkingtreding van de Wet van 20 december 1979, Stb. 708.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad neemt aan, dat de
arbeidsongeschiktheid van eiseres is ingetreden op of omstreeks 1 januari
1974 en dat zij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6 van de AAW als
zojuist vermeld.

In geding is de vraag of de beslissing van gedaagde om de uitkering van
eiseres met toepassing van artikel IV van de Wet van 3 mei 1989 in te trekken
anderszins aantastbaar is. De Raad beantwoordt die vraag ontkennend.

In zijn uitspraak van 15 mei 1996 in de zaak AAW 1992/825, gepubliceerd in
Rechtspraak Sociale Verzekering 1996/170, waarin eveneens de toepassing van
artikel IV, voormeld, aan de orde was, heeft de Raad, mede in aanmerking
genomen het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
van 1 februari 1996 in de zaak C-280/94 (gepubliceerd in RSV 1996/169),
geoordeeld dat dit artikel IV niet in strijd is met bepalingen van supra- of
internationaal recht, met name niet met artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, artikel 4, lid 1, van de
EG-richtlijn 79/7 en met communautaire rechtsbeginselen. Tevens heeft de Raad
in die uitspraak als zijn oordeel uitgesproken dat de toepassing van artikel
IV van de Wet van 3 mei 1989 niet met een beroep op enige geschreven of
ongeschreven bepaling van nationaal recht aantastbaar is.

De Raad legt de overwegingen van die – aan partijen bekende – uitspraak ten
grondslag aan zijn oordeel in het onderhavige geding.
Met betrekking tot de overige van de zijde van eiseres opgeworpen stelling
overweegt de Raad nog het volgende.

Aangevoerd is, dat de intrekking van de AAW-uitkering op grond van artikel IV
van de Wet van 3 mei 1989 in strijd is met artikel 14 van het Europees
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM), in verbinding met artikel 1, lid 1, van het eerste Protocol
bij dat verdrag, omdat het recht op die uitkering moet worden beschouwd als
een `possession’ in de zin van laatstgenoemde bepaling.
De Raad kan eiseres in dit betoog niet volgen. In navolging van de Europese
Commissie voor de rechten van de mens (zie RSV 1990/171) neemt de Raad, onder
verwijzing naar (o.m.) zijn uitspraak, gepubliceerd in RSV 1992/138, aan dat
het recht op AAW-uitkering niet kan worden beschouwd als een `possession’ als
zojuist aangegeven. Een beroep op artikel 14 EVRM is derhalve niet mogelijk,
nu de AAW-uitkering ook overigens niet kan worden aangemerkt als één van de
rechten en vrijheden van het Verdrag.

Ook het beroep op artikel 11 van het VN-Vrouwenverdrag (Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen door de
Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 18 december 1979) dient naar
het oordeel van de Raad te worden verworpen. Allereerst moet worden
vastgesteld, dat dit verdrag voor Nederland in werking is getreden op 22
augustus 1991 (Stb. 1991, 355), zodat het op de datum hier in geding nog geen
effect kon sorteren. Voorts heeft de Raad in zijn hierboven vermelde
uitspraak van 15 mei 1996, in navolging van het EG-hof, aangenomen dat de
inkomensvoorwaarde zoals deze voortvloeit uit artikel IV van de Wet van 3 mei
1989 een toereikende rechtvaardiging heeft ten aanzien van een op grond van
de toepassing van die bepaling rijzend vermoeden van (indirecte)
discriminatie naar geslacht. Niet aannemelijk is, dat artikel 11 van het
VN-Vrouwenverdrag op dit punt een verdergaande bescherming biedt dan de
EG-richtlijn 79/7, die aan de orde was in de zojuist vermelde uitspraak van
de Raad en het arrest van het EG-hof, mede gelet op artikel 23 van het
Verdrag en de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot
goedkeuring van het Verdrag.
Het beroep, tenslotte, op de zogenoemde EG-voltooiingsrichtlijn, welk beroep
kennelijk doelt op een voorstel voor een richtlijn tot voltooiing van de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen in de wettelijke en beroepsregelingen inzake sociale zekerheid, kan
niet slagen aangezien een dergelijke richtlijn tot heden niet is vastgesteld.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt. Er zijn geen termen om toepassing te geven
aan artikel 8:75 van de Awb.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,
Rechtdoende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs Grendel, Zwart, Pos

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van mening dat de wederpartij haar heeft afgewezen voor de
functie van toneelassistent vanwege het feit dat zij een vrouw is.
De wederpartij stelt verzoekster te hebben afgewezen voor de functie van
toneelassistent vanwege haar niet voldoende functioneren ten tijde van het
vervullen van de tijdelijke functie. Ter zitting stelt de wederpartij dat
naast het adequaat tillen en sjouwen het ook gaat om de specialismen van de
toneelassistenten. Verzoekster beschikte niet over een specialisme.
De Commissie is niet gebleken dat het beschikken over een bepaald specialisme
voor de betreffende functie aan verzoekster als functie-eis is voorgehouden
dan wel dat deze eis haar anderszins kenbaar was.
Indien de stelling van de wederpartij juist is, dat het beschikken over een
bepaald specialisme voor de vervulling van de in geding zijnde vacature een
voorwaarde was, moet worden vastgesteld dat het niet kenbaar zijn hiervan
voor verzoekster, als sollicitante, getuigt van onzorgvuldigheid tijdens de
selectieprocedure.
De Commissie heeft vastgesteld dat de wederpartij eerst ter zitting melding
heeft gemaakt van eerdergenoemde functie-eis, en daarmee is niet aan de
noodzakelijke doorzichtigheid van procedures om ongelijke behandeling tussen
mannen en vrouwen te voorkomen voldaan. Mitsdien heeft de wederpartij het
risico genomen onderscheid naar geslacht te maken en dient de Commissie
dientengevolge te beoordelen, of het verweer van de wederpartij het
aannemelijk maakt dat van onderscheid op grond van geslacht jegens
verzoekster geen sprake is.
De Commissie concludeert, dat de redengeving van de wederpartij voor de
afwijzing van verzoekster, te weten haar functioneren gedurende de tijd dat
zij bij de wederpartij voor onbepaalde tijd in dienst was, onvoldoende
overtuigend is. De Commissie is van oordeel dat aangenomen moet worden dat
het geslacht van verzoekster mede een rol heeft gespeeld bij haar afwijzing.

Volledige tekst

Het verzoek
1.1. Op 30 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Zaandam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de (…) te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in
de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij haar heeft afgewezen voor
de functie van toneelassistent vanwege het feit dat zij een vrouw is.
Daardoor heeft de wederpartij gehandeld in strijd met genoemde wetgeving.

2. De loop van het onderzoek
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk nader
toegelicht. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 11 september 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. mr. (…) (Bureau voor Rechtshulp te Zaandam)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (Personeel en Organisatie)
– dhr. (…) (Adjunct-hoofd Toneeldienst)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1 Verzoekster was voor bepaalde tijd, van 1 januari 1995 tot en met 30
april 1995, in dienst bij de wederpartij in de functie van toneelassistent
bij de Toneeldienst. Zij verrichtte haar werkzaamheden in het kader van een
vervanging.
Bij de Toneeldienst werken zestig mannen en – naast verzoekster – één vrouw.
3.2. Verzoekster heeft desgevraagd van de wederpartij een getuigschrift
gekregen. Dit getuigschrift vermeldt onder meer dat de werkzaamheden
bestonden uit het laden en lossen van decors, het op- en afbouwen van decors
voor Opera, Ballet en Gastprogrammering en het uitvoeren in groepsverband van
decorchangementen tijdens voorstellingen en repetities. In het getuigschrift
staat tevens vermeld, dat verzoekster naar tevredenheid bij de toneeldienst
heeft gewerkt en dat de wederpartij haar heeft leren kennen als een
werkwillige collega.
3.3. Op 17 mei 1995 solliciteerde verzoekster naar de functie van
toneelassistent die op 1 september 1995 vacant zou worden.
Bij brief van 7 juni 1995 is verzoekster medegedeeld dat de wederpartij niet
verder in zal gaan op haar sollicitatie en dat de reden mondeling is
medegedeeld.
Op 11 januari 1996 heeft verzoekster een `open’ sollicitatiebrief gestuurd
aan de wederpartij, waarin zij meedeelt dat zij nog steeds in aanmerking wil
komen voor een functie als toneel-assistent.

De standpunten van partijen
3.4. Verzoekster stelt het volgende.
Naar aanleiding van de afwijzingsbrief van de wederpartij van 7 juni 1995
heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de wederpartij over de
reden van de afwijzing.
Tijdens dit gesprek heeft het adjunct-hoofd van de Toneeldienst gezegd: `Het
was geen unaniem besluit, maar de meeste toneelmeesters willen liever een
jongen aannemen’. Ook heeft het adjunct-hoofd gezegd weliswaar `achter
verzoekster te staan’, maar ruzie met zijn collega’s te krijgen als hij haar
zou aannemen.
Verzoekster heeft in de periode dat zij bij de wederpartij werkzaam was over
haar functioneren geen klachten gehad, ook niet als zij om commentaar op haar
werkzaamheden vroeg.
Haar is gezegd dat zij even goed functioneerde als haar mannelijke collega’s.
Zij ontkent met klem de stelling van de wederpartij dat haar bij het
eindgesprek is gezegd niet voor een volgende functie in aanmerking te komen.
Ten aanzien van de stelling van de wederpartij dat zij niet over een bepaald
specialisme beschikte en ook daarom is afgewezen voor de functie, stelt
verzoekster dat er bij de wederpartij mensen werken die, nadat ze waren
aangenomen, een opleiding mochten volgen.
Verzoekster zegt ooit te hebben gevraagd die opleiding te mogen doen.
Voorwaarde daarvoor was echter een vast dienstverband. Bovendien zijn er
mensen die het geleerde bij de wederpartij niet in praktijk mogen brengen.
3.5. De wederpartij stelt het volgende.
Ter zitting ontkent de wederpartij dat in het telefoongesprek van juni 1995
gezegd zou zijn dat het merendeel van de toneelmeesters liever een jongen zou
aannemen. Zij wil juist meer vrouwen aannemen omdat de toneeldienst een
mannencultuur is.
Uit reacties op voorgaande wervingsadvertenties is gebleken, dat de
belangstelling bij vrouwen voor de functie van toneelassistent echter beperkt
is.
De wederpartij stelt dat de reden voor de afwijzing van verzoekster voor de
functie van toneelassistent ligt in het feit dat zij tijdens haar
werkzaamheden niet altijd naar behoren functioneerde. Er waren over haar
klachten van de toneelmeesters. Zij werkte onvoldoende mee met het geheel. Er
werd meer betrokkenheid verwacht. Op het moment dat er grote stukken getild
moesten worden, tilde verzoekster niet adequaat mee.
Bij changementen is het een kwestie van hollen of stilstaan. Iedereen moet er
volledig voor gaan.
De wederpartij zegt niet te stellen dat verzoekster hiertoe fysiek niet in
staat zou zijn. Met bewoordingen als `Kom op, werk eens mee’ werden mensen op
de werkvloer wel aangespoord het werk goed uit te voeren. Verzoekster heeft
de klachten niet opgepakt.
In het eindgesprek is verzoekster gezegd dat zij niet voor een volgende
functie in aanmerking zou komen.
Verzoekster kwam ook niet in aanmerking voor de functie van toneelassistent
in verband met de kwalificaties van de andere kandidaten voor deze functie.
Ter zitting stelt de wederpartij dat de functie van toneelassistent een
variatie aan specialismen en technische vaardigheden vereist, waarover
verzoekster niet beschikt. Die vaardigheden variëren van lassen tot timmeren.
Verzoekster had ervaring met textiel en decor.
Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat mensen hun specialisme niet
in de praktijk mochten brengen stelt de wederpartij dat men kennis over het
lassen moet hebben, ook al last men niet dagelijks.
De wederpartij onderschrijft de inhoud van het getuigschrift van 4 september
1995 in zijn algemeenheid. Zij is echter van mening dat het getuigschrift
niet het juiste document is voor het vermelden van opmerkingen over één
aspect van het functioneren van verzoekster.
De wederpartij acht het niet noodzakelijk om een beroep te doen op de
geslachtsbepaaldheid van de functie, aangezien deze functie zowel door mannen
als vrouwen kan worden uitgeoefend. De fysieke kracht staat immers los van
het man of vrouw zijn.

4. De overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster af te wijzen
voor de functie van toneelassistent onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
4.2. Artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(hierna: WGB) bepaalt dat het niet is toegestaan om bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen
en vrouwen.
Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt onder meer dat van het gestelde in artikel 3 WGB
mag worden afgeweken in gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden
voor de uitoefening van de beroepsactiviteit het geslacht bepalend is.
Deze beroepsactiviteiten worden nader geregeld in het Besluit
beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (Staatsblad,
1989, 207). Artikel 1, onderdeel a, van genoemd Besluit noemt in dat kader de
beroepsactiviteiten die om lichamelijke redenen uitsluitend door personen van
een bepaald geslacht kunnen worden vervuld.
Gesteld noch gebleken is dat deze uitzondering in casu van toepassing is.
4.3. Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden merkt de
Commissie het volgende op. Evenals de Commissie van mannen en vrouwen bij de
arbeid in eerdere zaken (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 420-92-50, 2 september 1992 en
414-92-53, 15 september 1992) heeft geoordeeld, is de Commissie van oordeel
dat het niet tot haar taak behoort om te beoordelen of een kandidaat geschikt
is voor een functie. De taak van de Commissie is om na te gaan of er bij de
beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid is gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie is tevens van oordeel dat ook indien geslacht niet de enige of
doorslaggevende reden is geweest voor verzoeksters afwijzing maar slechts één
van de redenen, in strijd met de wetgeving gelijke behandeling is gehandeld
(In dezelfde zin: Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer:
95-15; 13 november 1995, oordeelnummer: 95-47; 29 februari 1996,
oordeelnummer: 96-10; 29 februari 1996, oordeelnummer: 96-11).
4.4. De vraag die voorligt is of het geslacht van verzoekster een rol heeft
gespeeld bij de afwijzing voor de functie van toneel-assistent. De Commissie
overweegt dienaangaande het volgende.
De wederpartij stelt verzoekster te hebben afgewezen voor de functie van
toneelassistent vanwege haar niet voldoende functioneren ten tijde van het
vervullen van de tijdelijke functie. Ter zitting stelt de wederpartij dat
naast het adequaat tillen en sjouwen het ook gaat om de specialismen van de
toneelassistenten. Verzoekster beschikte niet over een specialisme.
De Commissie is niet gebleken dat het beschikken over een bepaald specialisme
voor de betreffende functie aan verzoekster als functie-eis is voorgehouden
dan wel dat deze eis haar anderszins kenbaar was. Blijkens de schriftelijke
afwijzing van verzoekster van 7 juni 1995 wordt daarover ook niet gerept,
terwijl op grond van het terzake door partijen gestelde moet worden
geconstateerd dat deze functie-eis evenmin is genoemd tijdens de telefonische
toelichting over de afwijzing. Indien de stelling van de wederpartij juist
is, dat het beschikken over een bepaald specialisme voor de vervulling van de
in geding zijnde vacature een voorwaarde was, moet worden vastgesteld dat het
niet kenbaar zijn hiervan voor verzoekster, als sollicitante, getuigt van
onzorgvuldigheid tijdens de selectieprocedure.
Ten aanzien van selectieprocedures hebben de Commissie gelijke behandeling en
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid steeds
benadrukt dat deze voldoende inzichtelijk, controleerbaar en systematisch
dienen te zijn, om te voorkomen dat (ongewild) onderscheid naar geslacht
wordt gemaakt (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 11 juli 1994, oordeelnummer 572-94-59; Commissie gelijke behandeling,
30 januari 1996, oordeelnummer 96-05).
Ook het Hof van Justitie heeft meermalen gewezen op de noodzaak van
doorzichtigheid van procedures teneinde ongelijke behandeling tussen mannen
en vrouwen te voorkomen (Commissie van de Europese Gemeenschap versus
Frankrijk, 30 juni 1988, zaak 318/86, Jur. 1988, 3559; Handels-og
Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark versus Dansk Arbejdsgiverforening,
optredend voor Danfoss, 17 oktober 1989, zaak 109/88, Jur. 1989, 3199).
Volgens de Commissie betekent dit in concreto dat kandidaten beoordeeld
moeten worden aan de hand van tevoren vastgestelde, nauwkeurig omschreven
criteria, hetgeen als een (rand)voorwaarde gezien moet worden voor een zo
objectief mogelijke selectieprocedure. Op deze wijze kan recht worden gedaan
aan de kwaliteiten van kandidaten, ongeacht hun geslacht. Neemt men deze
maatregelen niet, dan neemt men het risico op zich om onderscheid naar
geslacht te maken.
Nu de Commissie heeft vastgesteld dat de wederpartij eerst ter zitting
melding heeft gemaakt van eerdergenoemde functie-eis, is niet aan de
noodzakelijke doorzichtigheid van procedures om ongelijke behandeling tussen
mannen en vrouwen te voorkomen voldaan. Mitsdien heeft de wederpartij het
risico genomen onderscheid naar geslacht te maken en dient de Commissie
dientengevolge te beoordelen, of het verweer van de wederpartij het
aannemelijk maakt dat van onderscheid op grond van geslacht jegens
verzoekster geen sprake is.
4.5. De Commissie overweegt ten aanzien van de redengeving van de wederpartij
voor het afwijzen van verzoekster het volgende.
De wederpartij heeft gesteld dat er gedurende de tijd dat verzoekster bij de
wederpartij in dienst was, klachten waren over verzoeksters werkzaamheden
omdat zij niet adequaat tilde en sjouwde. Dit onvoldoende functioneren was
volgens de wederpartij reden haar af te wijzen voor de vacature voor de
functie van toneelassistent. De Commissie overweegt dat, indien deze
stellingen van de wederpartij juist zouden zijn, het voor de hand had gelegen
dat verzoekster op haar onvoldoende functioneren tijdens de vier maanden dat
zij werkzaam was, zou zijn aangesproken door de wederpartij.
Ten aanzien van de vraag of dit laatste is geschied, dan wel aannemelijk is
dat dit is geschied, overweegt de Commissie als volgt.
Verzoekster stelt tot het moment van de zitting van de Commissie nooit iets
over klachten te hebben vernomen. Zij zegt wel dat zij commentaar op haar
werkzaamheden heeft gevraagd en te horen heeft gekregen dat zij goed
functioneerde. De wederpartij stelt in algemene bewoordingen mensen op de
werkvloer te hebben aangespoord tot adequaat werken.
De Commissie stelt op grond van het door partijen gestelde vast, dat
verzoekster gedurende de tijd dat zij bij de wederpartij in dienst was nooit
persoonlijk is aangesproken op eventuele klachten over haar functioneren.
De stelling van de wederpartij dat in het eindgesprek tegen verzoekster is
gezegd niet voor een volgende functie in aanmerking te komen, is door
verzoekster met klem betwist.
De Commissie stelt vast dat verzoekster reeds na ongeveer twee weken na
afloop van haar tijdelijke contract solliciteerde bij de wederpartij, en
later nog ten tweede male heeft gesolliciteerd.
De Commissie overweegt ten aanzien hiervan dat niet aannemelijk is dat zulks
zonder meer zou hebben plaatsgevonden, indien verzoekster onverkort duidelijk
zou zijn gemaakt dat zij bij de wederpartij de functie van toneelassistent
niet meer zou kunnen vervullen.
4.6. Ten aanzien van het aan verzoekster verstrekte getuigschrift stelt de
wederpartij dat daarin terecht staat dat verzoekster haar werkzaamheden naar
tevredenheid heeft verricht.
Het getuigschrift is in zijn algemeenheid juist. De wederpartij acht het
getuigschrift echter niet het document voor opmerkingen over één aspect over
het functioneren van verzoekster.
De Commissie overweegt ten aanzien hiervan, dat het getuigschrift expliciet
melding maakt van díe aspecten van het functioneren van verzoekster welke
volgens de wederpartij aanleiding waren voor klachten, te weten het tillen en
sjouwen alsmede de werkwilligheid van verzoekster. Nu blijkens het
getuigschrift de wederpartij tevreden was over verzoeksters functioneren,
dient het verweer van de wederpartij als niet overtuigend te worden
verworpen.
Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie, dat de redengeving van
de wederpartij voor de afwijzing van verzoekster, te weten haar functioneren
gedurende de tijd dat zij bij de wederpartij voor onbepaalde tijd in dienst
was, onvoldoende overtuigend is. Gelet op het bij 4.4. gestelde is de
Commissie mitsdien van oordeel dat aangenomen moet worden dat het geslacht
van verzoekster mede een rol heeft gespeeld bij haar afwijzing.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Amsterdam jegens
mevrouw (…) te Zaandam onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als
bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen
en derhalve in strijd heeft gehandeld met deze wet.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw.A.C. van Doornen (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is na een ongeval geopereerd. Bij deze operatie is door de
chirurg een fout gemaakt, waardoor verzoekster arbeidsongeschikt werd. De
chirurg heeft aansprakelijkheid erkend. De verzekeringsmaatschappij van de
chirurg, de wederpartij, heeft de inkomensschade van verzoekster berekend.
Hierbij is ervan uitgegaan dat verzoekster kinderen gekregen zou hebben en
een aantal jaren het arbeidsproces zou hebben verlaten. Bovendien zou zij
vervolgens tot haar vijftigste in deeltijd hebben gewerkt. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij door deze wijze van berekening van haar
schade-uitkering onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.
Artikel 7 AWGB behelst het ruim geformuleerde verbod om onderscheid te maken
bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten terzake. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het
aanbieden van goederen en diensten niet noodzakelijkerwijs in het kader van
een overeenkomst dient te geschieden.
Nu er in de uitoefening van het verzekeringsbedrijf sprake is van het
aanbieden van goederen in het kader van de uitvoering van de overeenkomst
tussen wederpartij en haar cliënt, de arts van de verzoekster, staat vast dat
het handelen van de wederpartij in de onderhavige zaak aan artikel 7 AWGB
getoetst kan worden. Dat verzoekster daarbij geen contractpartner is, kan
daar niet aan afdoen.
Verzoekster stelt dat de wederpartij onderscheid op grond van geslacht maakt
door bij de berekening van haar inkomensschade er vanuit te gaan dat zij (het
ongeval weggedacht) kinderen zou hebben gekregen, daarom het arbeidsproces
zes jaar lang verlaten zou hebben, daarna in deeltijd zou zijn gaan werken en
tot haar vijftigste had gewerkt. Zij denkt dat het feit dat zij vrouw is van
invloed is geweest op de wijze van berekening en daarmee samenhangend de
hoogte van haar inkomensschade door arbeidsongeschiktheid.
De wederpartij ontkent dat zij bij de berekening onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt. Zij stelt bij de berekening van inkomensschade uit te moeten
gaan van abstracties en hypothesen mede aan de hand van statistische
gegevens, die aansluiten bij de individuele omstandigheden en
toekomstverwachtingen van de betrokkene. Daarbij baseert de wederpartij zich,
naar eigen zeggen, op gegevens die door partijen aangedragen worden, in
eerste instantie aan de hand van een standaard-vragenlijst aangevuld met
mondelinge informatie.
De wederpartij stelt dat de kinderwens standaard bij alle schadeberekeningen
aan de orde komt. Op het door de wederpartij overlegde
standaard-inlichtingenformulier komt de vraag naar een eventuele kinderwens
echter niet voor. Daarmee is naar het oordeel van de Commissie niet gebleken
dat deze vraag behoort tot de standaardvragen. In het gesprek met verzoekster
is dit onderwerp desalniettemin wel aan de orde gekomen. Volgens vaste
jurisprudentie van de Commissie staat het vragen naar de kinderwens op
gespannen voet met de wetgeving gelijke behandeling, omdat aannemelijk is dat
een dergelijke vraag alleen of voornamelijk aan vrouwen wordt gesteld. Nu de
wederpartij in de onderhavige zaak deze vraag heeft gesteld met oog op de
berekening van de inkomensschade met een voor verzoekster ongunstig gevolg
voor de omvang van die schade, is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
direct onderscheid naar geslacht als bedoeld in artikel 7 lid 1 AWGB heeft
gemaakt.
Vervolgens komt de vraag aan de orde of de wederpartij bij het berekenen van
de inkomensschade (indirect) onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door
rekening te houden met algemene sekse-specifieke, statistische gegevens. De
Commissie overweegt hieromtrent als volgt.
Het is gebruikelijk dat bij schaderegelingen, hoewel zoveel mogelijk wordt
aangesloten bij de concrete individuele omstandigheden van het slachtoffer,
rekening wordt gehouden met algemene statistische gegevens. Deze gegevens
worden toegepast bij de toekomstverwachtingen, c.q. de verdiencapaciteit van
het slachtoffer bij een leven zonder de schadeoorzaak. De vraag rijst, of
algemene statistische gegevens waaruit blijkt dat vrouwen een geringere
arbeidsparticipatie kennen dan mannen, (in het onderhavige geval) mogen
worden gehanteerd.
Het rekening houden met statistische gegevens bij schadeberekening is op
zichzelf een neutraal middel. Nu het echter een algemeen bekend feit is, dat
de arbeidsparticipatie van vrouwen lager is dan van mannen, zullen vooral
vrouwen benadeeld worden door het betrekken van statistische informatie bij
de schadeberekening. De Commissie is daarom van oordeel dat het hanteren van
statistieken bij de berekening van inkomensschade een verboden indirect
onderscheid naar geslacht oplevert.
Het doel van het gebruik van statistische gegevens is gelegen in de noodzaak
om voorspellingen te doen omtrent de vermoedelijke inkomensontwikkeling die
zou hebben plaatsgevonden als het feit dat de schade heeft veroorzaakt er
niet was geweest. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd.
De Commissie is van oordeel dat het middel niet zonder meer geschikt geacht
kan worden, daar algemene statistische gegevens niet per definitie van
toepassing geacht kunnen worden op ieder individueel geval. Concrete
schadeberekening impliceert reeds, dat niet bij voorbaat algemene -op het
verleden gebaseerde- statistische gegevens doorslaggevend kunnen zijn, zeker
niet bij de huidige veranderingen in de arbeidsparticipatie van vrouwen. De
betekenis van algemene statistische voor het concrete geval is afhankelijk
van de vraag of deze gegevens een juiste afspiegeling zijn van de groep waar
de betrokkene toe behoort en of aannemelijk is gemaakt dat de situatie van de
betrokkene niet afwijkt van die welke aan het landelijk gemiddelde ten
grondslag ligt.
In het onderhavige geval is niet vast komen te staan dat dit laatste het
geval is en acht de Commissie derhalve het middel niet geschikt. De Commissie
merkt daarbij op, dat statistische gegevens over de arbeidsparticipatie die
bij de schadeberekening worden betrokken niet die betekenis mogen hebben, dat
zij telkens als uitgangspunt worden gehanteerd, waarbij van een vrouwelijk
slachtoffer wordt verlangd dat zij het bewijs levert van (verwachte) andere
concrete omstandigheden.
Nu het middel in het onderhavige geval niet geschikt geacht kan worden, is er
geen sprake van een objectieve rechtvaardigingsgrond. De Commissie
concludeert derhalve dat de wederpartij indirect onderscheid heeft gemaakt
naar geslacht als bedoeld in artikel 1 jo. artikel 7 lid 1 AWGB door de
berekening van de inkomensschade van verzoekster mede te baseren op
statistische gegevens omtrent de arbeidsparticipatie van vrouwen in het
algemeen, zonder dat voldoende is komen vast te staan dat deze gegevens
redelijkerwijs kunnen corresponderen met de verwachtingen van verzoekster.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 21 augustus 1995 verzocht mevrouw (…) te Etten-Leur (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster is na een ongeval geopereerd. Bij deze operatie is door de
chirurg een fout gemaakt, waardoor verzoekster arbeidsongeschikt werd. De
chirurg heeft aansprakelijkheid erkend. De verzekeringsmaatschappij van de
chirurg, de wederpartij, heeft de inkomensschade van verzoekster berekend.
Hierbij is ervan uitgegaan dat verzoekster kinderen gekregen zou hebben en
een aantal jaren het arbeidsproces zou hebben verlaten. Bovendien zou zij
vervolgens tot haar vijftigste in deeltijd hebben gewerkt. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij door deze wijze van berekening van haar
schade-uitkering onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht.
2.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 10 september 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van de verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. mr. Verpaal (advocaat)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…)
– mw. mr. J.P. Smits (advocaat)
getuigen
– dhr. (…) (voormalig schaderegelaar verzoekster),
– dhr. (…) (schaderegelaar van de wederpartij),
– dhr. mr. (…) (adjunct directeur)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten
3.1. Verzoekster (geboortedatum 25 december 1961) is in november 1985
slachtoffer geweest van een verkeersongeval. Hierbij is onder andere haar
bovenarm gebroken. Deze breuk moest operatief gezet worden. Tijdens de
operatie heeft de chirurg een zenuw geraakt c.q. doorgesneden, waardoor
verzoeksters linkeronderarm verlamd is geraakt. Gevolg hiervan was dat
verzoekster arbeidsongeschikt werd en haar studie voor kandidaat-deurwaarder
niet heeft kunnen afmaken.
De chirurg heeft de aansprakelijkheid voor de arbeidsongeschiktheid erkend.
Verzoekster heeft haar zaak in handen gegeven van een schadebureau. Op 15
februari 1995 zijn de uitgangspunten voor een schaderegeling door een door de
wederpartij ingeschakelde schaderegelaar besproken met verzoekster. Bij dit
gesprek was ook een schaderegelaar aanwezig van het schadebureau dat
verzoekster had ingeschakeld. De verzekeringsmaatschappij van de chirurg
heeft het inkomensverlies van verzoekster berekend en een rapport uitgebracht
d.d. 19 mei 1995. Hierbij is de wederpartij ervan uitgegaan dat verzoekster
(indien het ongeval niet had plaats gevonden) toegevoegd
kandidaat-deurwaarder zou zijn geworden. Voorts is als uitgangspunt genomen
dat verzoekster kinderen zou hebben gekregen en daardoor gedurende zes jaar
tijd het arbeidsproces zou hebben verlaten en dat zij vervolgens tot haar
vijftigste in deeltijd zou hebben gewerkt.
3.2. Verzoekster heeft deze kwestie ook aan de Ombudsman schadeverzekering
voorgelegd. Per brief d.d. 24 augustus 1995 heeft deze laten weten dat het
verzekeringstechnisch correct is om bij de schatting van inkomensverlies bij
arbeidsongeschiktheid rekening te houden met het objectieve gegeven dat veel
vrouwen hun carrière onderbreken in verband met gezinsvorming, in deeltijd
werken en eerder dan de pensioengerechtigde leeftijd ophouden met werken. De
ombudsman heeft zich er echter niet over uitgelaten of de schade in het geval
van verzoekster juist is berekend.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoekster brengt het volgende naar voren.
Zij bestrijdt de stelling van de wederpartij dat zij in haar verzoek niet
ontvankelijk is. Het gaat hier om de berekening van de schade die zij heeft
ondervonden doordat de chirurg fouten heeft gemaakt bij de
behandelingsovereenkomst die tussen de chirurg en haar bestond. Dit valt
onder de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).
De uitgangspunten bij de berekening van haar schade zijn discriminatoir. Als
een man met hetzelfde letsel en dezelfde opleiding een claim had ingediend,
was de berekende inkomensschade hoger geweest.
Verzoekster heeft nooit een concrete uitspraak gedaan over de wens om zelf
kinderen te krijgen. Tegen de schaderegelaar van de wederpartij heeft zij
slechts gezegd dat zij dol is op kinderen. Dit impliceert echter niet dat zij
ook daadwerkelijk kinderen zou, kon of wilde krijgen.
Los daarvan acht verzoekster het in deze tijd onjuist om ervan uit te gaan
dat een vrouw automatisch een aantal jaren met werken zal stoppen, zodra zij
kinderen krijgt. Vrouwen worden tegenwoordig juist gestimuleerd om na de
geboorte van een kind te blijven werken. Het is niet voor niets dat veel
bedrijven een plaats in een kinderdagverblijf subsidiëren. Volgens
verzoekster zijn het met name hoger geschoolde vrouwen, zoals zij, die na de
geboorte van kinderen blijven werken. Zij stelt dat zij niet met werken
gestopt zou zijn als zij kinderen had gekregen. In haar omgeving is zulks ook
niet gebruikelijk: haar zusters zijn ook blijven doorwerken.
Verzoekster vindt het ook onwaarschijnlijk dat zij, nadat de eventuele
kinderen groter zouden zijn, in deeltijd zou zijn gaan werken. Het is goed
mogelijk dat er een andere oplossing gevonden zou zijn voor de opvang van de
kinderen, bijvoorbeeld dat een partner of vriendin dit op zich had genomen.
Bovendien is verzoekster van mening dat het niet reëel is ervan uit te gaan
dat zij slechts tot haar vijftigste zou zijn blijven werken. Zij stelt dat
het in deze maatschappij, ook in de toekomst, normaal is dat mannen en
vrouwen tot hun zestigste of vijfenzestigste blijven doorwerken, c.q. moeten
doorwerken.
3.4. De wederpartij voert het volgende aan.
In de eerste plaats is zij van mening dat het verzoek van verzoekster
niet-ontvankelijk is. Zij stelt dat de kwestie die verzoekster aan de
Commissie voorlegt niet valt onder artikel 7 of enig ander artikel in de
AWGB.
Het onderhavige geval betreft een schadeberekening die is opgemaakt in het
kader van een aansprakelijkheid die haar grondslag vindt in de
behandelingsovereenkomst tussen verzoekster en het ziekenhuis/de chirurg. Het
gaat hier om de uitvoering van een wettelijke verplichting (de verplichting
tot schadevergoeding als wettelijk gevolg van de wanprestatie) en derhalve
niet om de uitvoering van de overeenkomst zelf. Volgens de wederpartij valt
dit niet onder `het uitvoeren van een overeenkomst terzake van diensten’ en
kan deze kwestie derhalve niet aan artikel 7 AWGB worden getoetst. In dit
verband wijst de wederpartij ook op voorbeelden uit de wetsgeschiedenis van
gevallen die onder artikel 7 AWGB vallen. Het is niet de bedoeling van de
wetgever geweest dat een geval als de onderhavige onder de reikwijdte van
artikel 7 AWGB valt. Een dergelijk oprekken van dit artikel is niet te
rechtvaardigen.
Voor het geval de Commissie mocht oordelen dat de AWGB wel op dit geval van
toepassing is, stelt de wederpartij dat er geen sprake is van een verboden
onderscheid naar geslacht.
Het voornaamste en algemeen geaccepteerde uitgangspunt bij de begroting van
letselschade (waaronder de toekomstige inkomensschade), is dat de schade van
de gekwetste zoveel mogelijk wordt gewaardeerd naar de concrete
omstandigheden van het geval. Abstracties en hypothesen zijn daarbij niet te
vermijden, maar er wordt ook geprobeerd zoveel mogelijk aanknopingspunten te
zoeken in de specifieke/individuele omstandigheden van de betreffende
persoon. Een eerste beeld van de situatie wordt gevormd aan de hand van een
standaardinlichtingenformulier waarop vragen staan die aan alle slachtoffers
worden gesteld.
In het gesprek van 15 februari 1995 is door verzoekster zelf aangegeven dat
zij verwachtte (het ongeval weggedacht) rond haar vijfentwintigste kinderen
te zullen krijgen en in verband daarmee mogelijk minder te zullen werken.
Deze uitlatingen zijn, in overleg met verzoeksters schaderegelaar, door de
wederpartij als uitgangspunt gehanteerd bij de berekening van de
schadeberekening. Als een man dezelfde verwachting had uitgesproken over zijn
carrièreperspectief, had de wederpartij hiermee eveneens en in gelijke mate
rekening gehouden.
De bovengenoemde door verzoekster gedane mededelingen zijn bevestigd in een
schriftelijke verklaring van de schaderegelaar van de wederpartij d.d. 1
november 1995. In deze verklaring staat, voor zover van belang, het volgende
vermeld.
Verzoekster `dacht dat haar leven, het ongeval weggedacht, er ongeveer
hetzelfde zou hebben uitgezien als dat van haar zusters en schoonzusters’ en
`De twee oudere zusters zijn op de gebruikelijke leeftijd (midden 20)
getrouwd en kregen kinderen. Na het krijgen van kinderen zijn beide zusters
tijdelijk gestopt met werken en hebben na een aantal jaren de loonvormende
arbeid, parttime, weer opgepakt’.
De wederpartij vindt het niet consequent dat verzoekster aan de ene kant deze
uitgangspunten niet accepteert, terwijl zij aan de andere kant wel accepteert
dat ervan uit wordt gegaan dat zij haar opleiding tot kandidaat-deurwaarder
afgerond zou hebben en dit beroep zou hebben uitgeoefend. De uiteindelijke
schadeberekening is immers het resultaat van een proces waarbij verschillende
onzekere factoren worden ingeschat.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van geslacht maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
bij de vaststelling van de hoogte van haar inkomensschade door
arbeidsongeschiktheid.
4.2. Artikel 7 lid 1 sub a AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid verboden
is bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren
of beëindigen van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf.
4.3. De wederpartij stelt dat het onderhavige geval niet onder artikel 7 AWGB
valt en dat verzoekster daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek dient te
worden.
Hierover overweegt de Commissie als volgt.
Artikel 7 AWGB behelst het ruim geformuleerde verbod om onderscheid te maken
bij het aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten terzake. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het
aanbieden van goederen en diensten niet noodzakelijkerwijs in het kader van
een overeenkomst dient te geschieden.(Zie de Memorie van Toelichting bij de
AWGB, Tweede Kamer 1990-1991, 22 014, nr. 3, p. 20:
`Artikel 7 bevat geen beperkingen met betrekking tot de aard van de aan te
bieden goederen of diensten, dan wel de ter zake te sluiten overeenkomsten.
Het onderhavige verbod van onderscheid beslaat uiteenlopende terreinen van
het maatschappelijk leven en kan derhalve op zeer verschillende situaties van
toepassing zijn. Onderdeel a heeft betrekking op het maken van onderscheid,
zoals omschreven in artikel 1 van het wetsvoorstel, in het zakelijk
verkeer’.)
Nu er in de uitoefening van het verzekeringsbedrijf sprake is van het
aanbieden van goederen in het kader van de uitvoering van de overeenkomst
tussen wederpartij en haar cliënt, de arts van de verzoekster, staat vast dat
het handelen van de wederpartij in de onderhavige zaak aan artikel 7 AWGB
getoetst kan worden. Dat verzoekster daarbij geen contractpartner is, kan
daar niet aan afdoen.
4.4. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag, overweegt de Commissie als
volgt.
Verzoekster stelt dat de wederpartij onderscheid op grond van geslacht maakt
door bij de berekening van haar inkomensschade er vanuit te gaan dat zij (het
ongeval weggedacht) kinderen zou hebben gekregen, daarom het arbeidsproces
zes jaar lang verlaten zou hebben, daarna in deeltijd zou zijn gaan werken en
tot haar vijftigste had gewerkt. Zij denkt dat het feit dat zij vrouw is van
invloed is geweest op de wijze van berekening en daarmee samenhangend de
hoogte van haar inkomensschade door arbeidsongeschiktheid.
De wederpartij ontkent dat zij bij de berekening onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt. Zij stelt bij de berekening van inkomensschade uit te moeten
gaan van abstracties en hypothesen mede aan de hand van statistische
gegevens, die aansluiten bij de individuele omstandigheden en
toekomstverwachtingen van de betrokkene. Daarbij baseert de wederpartij zich,
naar eigen zeggen, op gegevens die door partijen aangedragen worden, in
eerste instantie aan de hand van een standaard-vragenlijst aangevuld met
mondelinge informatie.
4.5. Onduidelijk is welke uitlatingen verzoekster precies heeft gedaan over
haar toekomstverwachtingen. Vaststaat dat in een gesprek op 15 februari 1995
gesproken is over kinderen.
De wederpartij stelt dat de kinderwens standaard bij alle schadeberekeningen
aan de orde komt. Op het door de wederpartij overlegde
standaardinlichtingenformulier komt de vraag naar een eventuele kinderwens
echter niet voor. Daarmee is naar het oordeel van de Commissie niet gebleken
dat deze vraag behoort tot de standaardvragen. In het gesprek met verzoekster
is dit onderwerp desalniettemin wel aan de orde gekomen. Volgens vaste
jurisprudentie van de Commissie (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 14 augustus 1990, oordeelnummer: 314-90-38 en 1
oktober 1990, oordeelnummer: 137-90-136.) staat het vragen naar de kinderwens
op gespannen voet met de wetgeving gelijke behandeling, omdat aannemelijk is
dat een dergelijke vraag alleen of voornamelijk aan vrouwen wordt gesteld. Nu
de wederpartij in de onderhavige zaak deze vraag heeft gesteld met oog op de
berekening van de inkomensschade met een voor verzoekster ongunstig gevolg
voor de omvang van die schade, is de Commissie van oordeel dat de wederpartij
direct onderscheid naar geslacht als bedoeld in artikel 7 lid 1 AWGB heeft
gemaakt.
4.6. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de wederpartij bij het berekenen
van de inkomensschade (indirect) onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door
rekening te houden met algemene sekse-specifieke, statistische gegevens. De
Commissie overweegt hieromtrent als volgt.
Het is gebruikelijk dat bij schaderegelingen, hoewel zoveel mogelijk wordt
aangesloten bij de concrete individuele omstandigheden van het slachtoffer,
rekening wordt gehouden met algemene statistische gegevens. Deze gegevens
worden toegepast bij de toekomstverwachtingen, c.q. de verdiencapaciteit van
het slachtoffer bij een leven zonder de schadeoorzaak. De vraag rijst, of
algemene statistische gegevens waaruit blijkt dat vrouwen een geringere
arbeidsparticipatie kennen dan mannen, (in het onderhavige geval) mogen
worden gehanteerd.
Het rekening houden met statistische gegevens bij schadeberekening is op
zichzelf een neutraal middel. Nu het echter een algemeen bekend feit is, dat
de arbeidsparticipatie van vrouwen lager is dan van mannen (Uit `Emancipatie
in cijfers 1995′, (Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mei 1995)
blijkt dat:
– 47% van de vrouwen na de geboorte van het eerste kind blijft werken;
– de (netto) arbeidsparticipatie van vrouwen in de leeftijdscategorie van
45-54 jaar 39% is;
– de (netto) arbeidsparticipatie van vrouwen in de leeftijdscategorie van
55-65 jaar 13% is.
Uit de Sociale Atlas van de Vrouw (SCP 1992) blijkt dat de participatiegraad
van vrouwen met het opleidingsniveau toeneemt:
– havo/vwo/mbo 66%
– hbo 78%
– wo 86%.), zullen vooral vrouwen benadeeld worden door het betrekken van
statistische informatie bij de schadeberekening. De Commissie is daarom van
oordeel dat het hanteren van statistieken bij de berekening van
inkomensschade een verboden indirect onderscheid naar geslacht oplevert.
Ingevolge artikel 2 lid 1 AWGB geldt het verbod van indirect onderscheid
niet, indien dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De Commissie
toetst bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond, analoog aan de jurisprudentie van het Hof van Justitie
van de Europese Gemeenschap met betrekking tot arbeid, aan de volgende
criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz 13 mei 1986, zaak 170/84: Jur. 1986, pg. 1620; Rinner-Kühn versus FWW
Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co. KG 13 juli 1989, zaak 171/88: Jur. 1989,
pg. 2757.):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn
– de middelen die zijn gekozen om het doel te bereiken dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte en
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
Het doel van het gebruik van statistische gegevens is gelegen in de noodzaak
om voorspellingen te doen omtrent de vermoedelijke inkomensontwikkeling die
zou hebben plaatsgevonden als het feit dat de schade heeft veroorzaakt er
niet was geweest. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd.
De vraag is dan of het gekozen middel geschikt en noodzakelijk is, om dat
doel te bereiken.
De Commissie is van oordeel dat het middel niet zonder meer geschikt geacht
kan worden, daar algemene statistische gegevens niet per definitie van
toepassing geacht kunnen worden op ieder individueel geval. Concrete
schadeberekening impliceert reeds, dat niet bij voorbaat algemene -op het
verleden gebaseerde- statistische gegevens doorslaggevend kunnen zijn, zeker
niet bij de huidige veranderingen in de arbeidsparticipatie van vrouwen. De
betekenis van algemene statistische voor het concrete geval is afhankelijk
van de vraag of deze gegevens een juiste afspiegeling zijn van de groep waar
de betrokkene toe behoort en of aannemelijk is gemaakt dat de situatie van de
betrokkene niet afwijkt van die welke aan het landelijk gemiddelde ten
grondslag ligt.(Zie ook: Rechtbank Utrecht, 21 maart 1990, VR 1991, 147.)
In het onderhavige geval is niet vast komen te staan dat dit laatste het
geval is en acht de Commissie derhalve het middel niet geschikt. De Commissie
merkt daarbij op, dat statistische gegevens over de arbeidsparticipatie die
bij de schadeberekening worden betrokken niet die betekenis mogen hebben, dat
zij telkens als uitgangspunt worden gehanteerd, waarbij van een vrouwelijk
slachtoffer wordt verlangd dat zij het bewijs levert van (verwachte) andere
concrete omstandigheden.
Nu het middel in het onderhavige geval niet geschikt geacht kan worden, is er
geen sprake van een objectieve rechtvaardigingsgrond. De Commissie
concludeert derhalve dat de wederpartij indirect onderscheid heeft gemaakt
naar geslacht als bedoeld in artikel 1 jo. artikel 7 lid 1 AWGB door de
berekening van de inkomensschade van verzoekster mede te baseren op
statistische gegevens omtrent de arbeidsparticipatie van vrouwen in het
algemeen, zonder dat voldoende is komen vast te staan dat deze gegevens
redelijkerwijs kunnen corresponderen met de verwachtingen van verzoekster.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie is van oordeel dat (…) te Amsterdam jegens mevrouw (…) te
Etten-Leur direct onderscheid op grond van geslacht maakt zoals verboden door
artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling door aan
verzoekster vragen omtrent de kinderwens te stellen.
De Commissie is tevens van oordeel dat (…) indirect onderscheid op grond
van geslacht maakt zoals verboden door artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene
wet gelijke behandeling door bij de berekening van de te verwachten
inkomensschade in het onderhavige geval mede rekening te houden met
statistische gegevens, zoals dit is geschied.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 4 november 1996

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De moeder heeft schadevergoeding gevraagd bij het schadefonds
Geweldsmisdrijven omdat jegens haar zoon door zijn vader een zedenmisdrijf is
gepleegd. Zij heeft geen aangifte bij de politie gedaan omdat zij dat niet in
het belang van het kind vond. De civielrechtelijke procedure met betrekking
tot de omgangsregeling tussen de zoon en de vader heeft geen bevestiging van
een zedenmisdrijf opgeleverd. Het onderzoek van de medisch adviseur van het
schadefonds heeft evenmin voldoende bewijzen opgeleverd. Daarom wordt het
verzoek door het schadefonds afgewezen.
De moeder gaat hiervan in beroep en dient een verzoekschrift in bij het hof.
Het hof is met het schadefonds van oordeel dat niet is komen vast te staan,
noch aannemelijk is geworden dat jegens de zoon door zijn vader ontucht is
gepleegd. Daarom wordt het verzoekschrift ongegrond verklaard.

Volledige tekst

A. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 3 april 1995 is de commissie verzocht om toekenning van een uitkering uit
het schadefonds geweldsmisdrijven ter zake van letselschade veroorzaakt door
een in de periode van 1989 t/m 1993 jegens J.Z. opzettelijk gepleegd
geweldsmisdrijf.

De commissie heeft in haar bestreden beslissing het verzoek afgewezen op
grond van haar oordeel dat niet is komen vast te staan, noch aannemelijk is
geworden dat jegens J.Z. opzettelijk een geweldsmisdrijf is gepleegd, met
ernstig letsel als gevolg, op grond waarvan een uitkering uit het Schadefonds
zou kunnen worden toegekend.

Een afschrift van deze beslissing is bij brief van 25 maart 1996 toegezonden
aan de gemachtigde van verzoekster die daartegen namens verzoekster bezwaar
heeft gemaakt in een verzoekschrift dat op 3 mei 1996 ter griffie van dit hof
is binnengekomen.

B. HET BEZWAAR VAN VERZOEKSTER

Het bezwaar dat is aangevoerd komt -kort gezegd- hierop neer dat naar het
oordeel van verzoekster het verzoek ten onrechte is afgewezen aangezien wel
degelijk jegens J.Z. opzettelijk een geweldsmisdrijf is gepleegd.

C. BEOORDELING VAN HET VERZOEKSCHRIFT

Als wettelijk vertegenwoordigster van haar zoon J. heeft verzoekster om een
uitkering ten behoeve van haar zoon verzocht op de grond dat door zijn vader
in de periode 1989 t/m 1993 meermalen ontucht met hem zou zijn gepleegd, als
gevolg waarvan ernstig geestelijk letsel is ontstaan.

Van deze feiten is geen aangifte bij de politie gedaan.
De beschuldiging van ontucht is tegen de vader ingebracht toen deze voor de
arrondissementsrechtbank te Haarlem verzocht een omgangsregeling met J. vast
te stellen nadat verzoekster een in onderling overleg bepaalde
omgangsregeling had stopgezet. De ouders van J. zijn in 1984 getrouwd, maar
na vier jaar huwelijk gescheiden. De vader heeft steeds ontkend zich aan
enigerlei vorm van ontucht met zijn zoon te hebben schuldig gemaakt.

De commissie heeft, zo blijkt uit haar beschikking, het verzoek om een
uitkering afgewezen omdat niet is komen vast te staan, noch aannemelijk is
geworden dat door de vader jegens J. een zedenmisdrijf is gepleegd. Zij heeft
daartoe overwogen dat geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden dat
de feiten had kunnen bevestigen; dat ook de civielrechtelijke procedure rond
de omgangsregeling geen bevestiging van die feiten heeft gegeven; en dat ten
slotte ook het onderzoek van de medisch adviseur van de Commissie onvoldoende
aanwijzingen heeft opgeleverd.

Het verzoekschrift komt hiertegen op met de stelling (onder 10) dat er
behalve verzoeksters verklaring omtrent hetgeen J. haar zou hebben verteld
ook nog de conclusie van deskundigen is ‘dat op basis van het consistente
verhaal van J. aannemelijk is dat sprake is van seksueel misbruik’. Dit zou
gelden zowel voor het onderzoek van het ABJ (Ambulant Bureau
Jeugdwelzijnszorg). Beide onderzoeken hebben een rol gespeeld in de procedure
rond de omgangsregeling.

Naar het oordeel van het hof mist hetgeen hieromtrent in het verzoekschrift
wordt opgemerkt feitelijke grondslag. In het rapport van de kinderpsychiater
H. Kluin (blz. 3) staat te lezen: ‘De conclusie was dat de vraag of seksueel
misbruik heeft plaatsgevonden door vader niet met zekerheid is te
beantwoorden door de sterk suggestieve werking van de therapie bij een jongen
in deze omstandigheden en op deze leeftijd.’

(Ter verduidelijking: J. had zijn verhaal voor het eerst gedaan tijdens een
zogenaamde ‘healing-sessie’, deel uitmakend van een therapie die zijn moeder
onderging).

In het rapport van het Ambulant Bureau Jeugdwelzijnszorg wordt weliswaar
gezegd dat J. zijn verhaal ‘op doorleefde wijze vertelt’ en dat zijn verhaal
‘consistent overkomt’, maar daaraan wordt toegevoegd dat tijdens het
onderzoek geen signalen zijn waargenomen die erop wijzen dat hij op dit
gebied in hoge mate getraumatiseerd zou zijn.

Noch de bevindingen van de psychiater K., noch die van het ABJ houden de
conclusie in ‘dat op basis van het consistente verhaal van J. zeer
aannemelijk is dat sprake is van seksueel misbruik’, zoals het verzoekschrift
suggereert. Beide onderzoeken onthouden zich juist van een zo vergaande
uitspraak.

Alles overziende is het hof met de Commissie van oordeel dat niet is komen
vast te staan, noch aannemelijk is geworden dat jegens verzoeksters zoon door
zijn vader ontucht is gepleegd. Al hetgeen in het verzoekschrift wordt
aangevoerd kan in dit oordeel geen verandering brengen.

Slotsom is dat het verzoekschrift ongegrond moet worden verklaard.

BESLISSING

Het hof verklaart het verzoekschrift ongegrond.

Rechters

Mrs Van Schellen, Mulder en Van Nievelt

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 november 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij de wederpartij voor zijn bedrijf een lening aangevraagd
in het kader van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (BZ). Deze
aanvraag is afgewezen, omdat het betreffende bedrijf door de wederpartij niet
levensvatbaar werd geacht.
De Commissie stelt vast dat het bestreden besluit is genomen in het kader van
de publiekrechtelijke taak van de wederpartij om de Bijstandswet en de
bijbehorende regelingen uit te voeren door middel van publiekrechtelijke
besluiten, zo blijkt ook uit de door verzoeker gevoerde procedure in het
kader van de verzochte voorlopige voorziening bij de President van de
rechtbank.
De lening wordt verstrekt in de vorm van een beschikking, de daarin aan
belanghebbenden opgelegde voorwaarden en de naleving daarvan worden beheerst
door de wettelijke voorschriften van de Algemene Bijstandswet en de daarbij
behorende besluiten. Het feit dat van betrokkenen rentebetaling wordt
gevorderd en de lening wordt voorafgegaan door een schuldbekentenis ontneemt
naar het oordeel van de Commissie de bestreden besluitvorming niet zijn
publiekrechtelijke karakter.
Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het bestreden besluit valt onder het
complex van de eenzijdige overheidsbesluiten waarop artikel 7 AWGB niet van
toepassing is.
De Commissie komt derhalve niet toe aan een onderzoek naar de vraag of de
wederpartij al dan niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

Volledige tekst

1. Het verzoek
1.1. 14 september 1995 verzocht de heer (…) te ‘s-Gravenhage (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
‘s-Gravenhage (hierna: de wederpartij) jegens hem een door de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB) verboden onderscheid heeft gemaakt.
1.2. Verzoeker heeft bij de wederpartij voor zijn bedrijf een lening
aangevraagd in het kader van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen
(BZ). Deze aanvraag is afgewezen, omdat het betreffende bedrijf door de
wederpartij niet levensvatbaar werd geacht. Verzoeker is van mening dat de
wederpartij hiermee in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

2. De loop van de procedure
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.
2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om op de zitting op 24 september
1996 te verschijnen en hebben hun standpunten toegelicht. Bij deze zitting
waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– de heer (…) (verzoeker)

van de kant van de wederpartij
– de heer (…) (medewerker Afdeling Zelfstandigen van de Dienst Sociale
Zaken en Werkgelegenheidsprojecten)
– de heer (…) (Afdeling Juridische Zaken van de Bestuursdienst)
– de heer mr. (…) (Hoofd Afdeling Bezwaar en Beroep van de dienst Sociale
Zaken en Werkgelegenheidsprojecten)
– de heer (…) (medewerker afdeling Bezwaar en Beroep van de dienst Sociale
Zaken en Werkgelegenheidsprojecten)

van de kant van de Commissie
– mevrouw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– de heer prof.mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– mevrouw dr. L. Mulder (lid Kamer)
– mevrouw mr. I. Hidding (secretaris Kamer)
2.3. Het oordeel is vastgesteld door de leden van Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. De resultaten van het onderzoek

De feiten
3.1. Verzoeker heeft een handelsonderneming opgericht onder de naam (…).
Het moment van bedrijfsaanvang is volgens de Kamer van Koophandel 19 oktober
1994. Het bedrijf van verzoeker richt zich op internationale containerhandel
en handelsbemiddeling in onder meer textiel, levensmiddelen, medische
hulpartikelen en (grondstoffen voor) medicijnen.
3.2. Verzoeker ontvangt een uitkering uit hoofde van de Algemene
Bijstandswet. In het kader van deze wet is het mogelijk dat beginnende
ondernemers een bedrijfskrediet wordt verstrekt van maximaal ƒ 40 000.
3.3. Verzoeker heeft op 11 oktober 1994 bij de wederpartij een aanvraag
ingediend voor een krediet van ƒ 40 000 en een ondersteuning in de kosten van
het levensonderhoud.
Ingevolge artikel 4 aanhef en sub b Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ) wordt
een dergelijk bedrijfskrediet niet verleend aan de zelfstandige die geen
levensvatbaar bedrijf of beroep uitoefent.
Ingevolge artikel 1 lid 1 sub c BZ wordt onder een levensvatbaar bedrijf of
beroep verstaan: het bedrijf of beroep waaruit de zelfstandige naar
verwachting na bijstandsverlening een inkomen zal verwerven, dat toereikend
is voor de voortzetting van het bedrijf of beroep en voor de voorziening in
het bestaan.
3.4. Zoals gebruikelijk is het Instituut voor Midden en Kleinbedrijf (IMK)
door de wederpartij verzocht te adviseren over de exploitatievooruitzichten
en de financieringsmogelijkheden van het bedrijf van verzoeker.
Het IMK heeft op 3 maart 1995 advies uitgebracht. In het advies wordt een
aantal kritische kanttekeningen geplaatst en specifieke aanbevelingen gedaan.
Het IMK beveelt echter aan om het gevraagde krediet onder nader aangegeven
voorwaarden te verstrekken.
3.5. Bij beschikking van 29 maart 1995 wordt door de wederpartij aan
verzoeker meegedeeld dat op zijn aanvraag afwijzend is beslist. Als reden
wordt gegeven dat het bedrijf niet levensvatbaar is en dat het bedrijf niet
kan voldoen aan de door het IMK gestelde voorwaarden. Een en ander is conform
het standpunt van de plaatselijke Commissie Zelfstandigen zoals vastgesteld
in de vergadering van 28 maart 1995.
3.6. Op 27 april 1995 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend tegen de
beschikking van de wederpartij gedateerd 29 maart 1995. Op 7 augustus 1995
verklaarde de Commissie Sociale Zekerheid van de wederpartij de bezwaren
ongegrond.
Verzoeker heeft zich voor een voorlopige voorziening tot de President van de
Arrondissementsrechtbank te ’s Gravenhage gewend. Op 7 november 1995 heeft
deze het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.

De standpunten van partijen
Verzoeker stelt het volgende.
3.7. Verzoeker is van mening dat hij gediscrimineerd is op grond van ras en
nationaliteit. Hij is van mening dat hij het slachtoffer is van het beleid
van de wederpartij om hem af te sluiten van de voorzieningen, omdat de
wederpartij hem als een querulant beschouwt.
Indien de contracten, die door zijn bedrijf zijn gesloten met bedrijven uit
India en China, waren nagekomen kon een omzet zijn gemaakt ter waarde van
miljoenen guldens. Om tot definitieve orders te komen heeft verzoeker evenwel
bedrijfskrediet nodig. Het bedrijf is naar de mening van verzoeker met
genoemde financiering wel degelijk levensvatbaar.
De wederpartij stelt het volgende.
3.8. De wederpartij betwist allereerst de bevoegdheid van de Commissie om in
de onderhavige zaak tot een oordeel te komen. Het gaat in casu om een
handeling, die is verricht op grond van een regeling op het terrein van de
wettelijke sociale zekerheid.
3.9. In de tweede plaats is de aanvraag van verzoeker beoordeeld door de
Commissie Sociale Zekerheid in het kader van het BZ op basis van de door
verzoeker zelf aangeleverde gegevens. Van discriminatie door de betreffende
dienst of door de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid is geen sprake.
De wederpartij heeft de aanvraag afgewezen, omdat zij twijfelt aan de
levensvatbaarheid van het bedrijf. Verzoeker heeft in een gesprek verklaard
het bedrijf al vanaf april 1994 uit te oefenen en ƒ 20 000 te hebben
geïnvesteerd naast de ontvangst van zijn uitkering. Daarmee is geen concreet
resultaat bereikt. Tot nu toe heeft de onderneming alleen nog maar verlies
opgeleverd.
Verzoeker was niet in staat zijn telefoonrekening te betalen. Door PTT
Telecom is gedreigd met het afsluiten van de telefoonaansluiting en mocht dit
gebeuren dan kan verzoeker ook geen zaken meer doen omdat vrijwel alle
contacten worden gelegd per telefoon of fax.
Verzoeker is gevraagd of hij kon voldoen aan de voorwaarde van het IMK dat
hij binnen een periode van drie maanden na de toekenning van het gevraagde
krediet een bedrijfsomzet (netto commissie) van ƒ 40 000 door middel van
definitieve orders zou kunnen garanderen. Verzoeker heeft daarop aangegeven
dat zonder voorfinanciering geen opdrachten kunnen worden verkregen.
Het is volgens de wederpartij niet te verwachten dat de onderneming op korte
termijn levensvatbaar zal zijn.

4. De overwegingen van de commissie
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door de weigering van het
bedrijfskrediet jegens verzoeker onderscheid maakt op grond van ras of
nationaliteit als bedoeld in artikel 1 in samenhang met artikel 7 AWGB.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
Vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13.)
Voorts dient het begrip nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086).
Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB onder
meer direct onderscheid tussen personen op grond van ras of nationaliteit bij
het aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door de openbare
dienst.
Tot de openbare dienst behoren alle diensten en bedrijven door de Staat en de
openbare lichamen beheerd (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014, nr. 5, p. 88.).
4.2. Gelet op het verweer van de wederpartij dient de Commissie allereerst de
vraag te beantwoorden of zij op grond van artikel 7 AWGB tot oordelen in de
onderhavige zaak bevoegd is.
Artikel 7 AWGB bestrijkt handelingen op tal van maatschappelijke terreinen.
In casu is van belang het aanbieden van goederen of diensten, respectievelijk
het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten terzake van goederen
of diensten.
In zoverre ziet het wetsartikel primair op handelingen van privaatrechtelijke
aard. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de AWGB vallen eenzijdige
rechtshandelingen van de overheid als het nemen van beschikkingen in het
kader van de sociale zekerheid buiten het bereik van Handelingen Tweede
Kamer, 11 februari 1993, blz. 48-3593 e.v. artikel 7 AWGB (Handelingen Tweede
Kamer, 11 februari 1993, blz. 48-3593 e.v.). De wetgever heeft aldus deze
eenzijdige publiekrechtelijke rechtshandelingen expliciet aan het oordeel van
de Commissie onttrokken.
4.3. De Commissie stelt vast dat het bestreden besluit is genomen in het
kader van de publiekrechtelijke taak van de wederpartij om de Bijstandswet en
de bijbehorende regelingen uit te voeren door middel van publiekrechtelijke
besluiten, zo blijkt ook uit de door verzoeker gevoerde procedure in het
kader van de verzochte voorlopige voorziening bij de President van de
rechtbank.
De lening wordt verstrekt in de vorm van een beschikking, de daarin aan
belanghebbenden opgelegde voorwaarden en de naleving daarvan worden beheerst
door de wettelijke voorschriften van de Algemene Bijstandswet en de daarbij
behorende besluiten. Het feit dat van betrokkenen rentebetaling wordt
gevorderd en de lening wordt voorafgegaan door een schuldbekentenis ontneemt
naar het oordeel van de Commissie de bestreden besluitvorming niet zijn
publiekrechtelijke karakter.
4.4. Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het bestreden besluit valt onder
het complex van de eenzijdige overheidsbesluiten waarop artikel 7 AWGB niet
van toepassing is.
4.5. De Commissie komt derhalve niet toe aan een onderzoek naar de vraag of
de wederpartij al dan niet in strijd met de AWGB heeft gehandeld.

5. Het oordeel van de commissie
De Commissie acht zich niet bevoegd te beoordelen of het College van
Burgemeester en Wethouders van de gemeente ‘s-Gravenhage jegens de heer (…)
te ‘s-Gravenhage heeft gehandeld in strijd met artikel 7 juncto artikel 1 van
de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mevrouw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), de heer prof. mr.A.W. Heringa (lid Kamer), mevrouw dr. L. Mulder (lid Kamer), mevrouw mr. I.Hidding (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 30 oktober 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseres is door haar stiefvader seksueel misbruikt. Hij is hiervoor in 1988
veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. In 1992 is de stiefvader
aansprakelijk gesteld door eiseres. In 1993 is de stiefvader veroordeeld tot
betaling van ƒ 5000 als voorschot op de schadevergoeding. De stiefvader heeft
de betaling vrijwillig voortgezet en inmiddels heeft hij ƒ 20 000 betaald.
Eiseres vordert een schadevergoeding van ƒ 925 351,62. Deze bestaat uit
therapiekosten, kosten naamswijziging, kosten rapportage, verlies aan
arbeidsvermogen en immateriële schadevergoeding.
De rechtbank komt tot de uitvoerig gemotiveerde conclusie dat de stiefvader ƒ
25 000 immateriële schadevergoeding, ƒ 6000 inkomstenderving en ƒ 3700
materiële schadevergoeding moet betalen.

Volledige tekst

1. De feiten

Tussen partijen staat als gesteld en niet (voldoende gemotiveerd)
weersproken, deels ook blijkend uit de stukken, het volgende vast.

1.1. B is stiefvader van R, die geboren is in november 1969. 1.2. B is
terzake van overtreding van de artikelen 245 en 249 van het Wetboek van
Strafrecht ten aanzien van R en een zuster van haar op 30 juni 1988 door de
meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf
voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een
proeftijd van 2 jaar, onder de bijzondere voorwaarde van
reclasseringstoezicht. Het vonnis is op 15 juli 1988 onherroepelijk geworden.
1.3. B heeft erkend tussen 1979 en 1988 R regelmatig seksueel te hebben
misbruikt.
1.4. Bij brief van 20 november 1992 heeft R, B aansprakelijk gesteld voor de
schade die zij ten gevolge van het misbruik heeft geleden en nog zal lijden.
1.5. Bij vonnis in kort geding van 24 maart 1993 heeft de president van deze
rechtbank B veroordeeld tot betaling van ƒ 5000 als voorschot op een nader
vast te stellen schadevergoeding.
1.6. B heeft dit bedrag in maandelijkse termijnen afbetaald, en heeft zijn
maandelijkse betalingen aan R vervolgens (op vrijwillige basis) voortgezet,
zodat thans in totaal ƒ 20 000 is betaald ten titel van materiële en
immateriële schadevergoeding.
1.7. De laatste betaling vond plaats in augustus 1995.
1.8. R is van oktober 1989 tot en met december 1990 onder behandeling geweest
bij de Riagg. Vanaf december heeft zij een behandeling ondergaan bij een
psycholoog-psychotherapeut met een praktijk voor rationeel emotieve therapie.
Vervolgens is zij onder behandeling geweest bij een `rebalancer’.
1.9. R werd in december 1991 volledig arbeidsongeschikt verklaard op grond
van psychische beperkingen. Blijkens het rapport van de GMD d.d. 1 oktober
1992 werd zij ook op die datum nog arbeidsongeschikt geacht op grond van
psychische beperkingen, ander omschreven als een psychoreactief syndroom ten
gevolge van met name onverwerkte jeugdtrauma’s. Bij rapport van 2 maart 1993
heeft de verzekeringsgeneeskundige van de GMD R geschikt geacht voor passende
arbeid, waarbij rekening dient te worden gehouden met de voor haar geldende
beperkingen op het gebied van tijdsdruk, hoog werktempo en conflicthantering.

2. Vordering, grondslag en verweer

2.1. R vordert B te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van ƒ
925 351,62 vermeerderd met rente en kosten en te verminderen met hetgeen
reeds bij wijze van voorschotten op deze schadevergoedingen door B aan haar
is betaald.

2.2. Zij voert hiertoe aan dat zij door het onrechtmatig handelen van B voor
genoemd bedrag schade heeft geleden terzake van: a. ƒ 3712,75 aan kosten van:
therapie; naamswijziging; rapportage buro Rasenberg.

b. ƒ 871 638,87 terzake van verlies aan arbeidsvermogen.
c. ƒ 50 000 terzake van immateriële schade (psychisch letsel, emotionele
klachten en gederfde levensvreugde).

2.3. B voert ten verwere aan dat het reeds door hem betaalde bedrag van ƒ 20
000 geacht moet worden de schade, die R heeft geleden c.q. nog mocht lijden,
te compenseren althans redelijk en billijk te zijn.
Daarnaast voert hij met betrekking tot de gevorderde immateriële
schadevergoeding aan dat matiging op zijn plaats is op grond van artikel 1407
lid 2 BW (oud).

3. Beoordeling

3.1. De rechtbank stelt voorop dat de onderhavige zaak ingevolge artikel 173
lid 2 van de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek dient te worden behandeld
naar het vóór 1 januari 1992 geldende burgerlijk recht.
3.2. Vaststaat dat B onrechtmatig heeft gehandeld jegens R en dat R hierdoor
schade heeft geleden. Partijen verschillen van mening over de omvang hiervan.

gemaakte kosten

3.3. Als erkend staat vast dat R als gevolg van de onrechtmatige handelwijze
van B materiële schade heeft geleden terzake van de kosten van therapie en
naamswijziging.
De kosten van de rapportage van buro Rasenberg acht B nodeloos gemaakt. Dat
standpunt deelt de rechtbank niet.
R heeft deze kosten moeten maken ter begroting van een ingewikkelde
schadevordering, waarbij zij deskundige bijstand behoefde. De kosten van het
rapport (f 1.327,75) zijn bovendien niet uitzonderlijk hoog en komen daarom
als redelijke kosten ter vaststelling van de schade voor vergoeding in
aanmerking. Aan het voorgaande doet niet af dat, zoals hierna wordt
overwogen, de rechtbank de uitgangspunten uit dit rapport niet onderschrijft.

3.4. Het onder 2.1. sub a weergegeven deel van de vordering van R zal dan ook
worden toegewezen.

verlies aan arbeidsvermogen

3.5. R heeft hieromtrent het volgende aangevoerd: nadat zij op haar
achttiende jaar aangifte tegen B had gedaan, kon zij niet meer thuis blijven
wonen en is zij op kamers gaan wonen. Met veel moeite heeft zij toch nog haar
VWO-diploma kunnen behalen. Vanwege de traumatische ervaringen heeft zij
echter niet meer de kracht en energie kunnen opbrengen om vervolgens een HBO-
of universitaire opleiding te volgen, terwijl zij altijd in haar hoofd had
gehad dat zij wilde gaan studeren. Zij stelt zich op het standpunt dat het
als een normale ontwikkeling te beschouwen is dat een leerling na het behalen
van het VWO-diploma doorstudeert.

3.6. De schadeberekening is gebaseerd op het verschil in haar `inkomen met
voorval’ (vanaf 1994 uitgaande van een bruto salaris van ƒ 2585,50) per
maand) en het `inkomen zonder voorval’ vanaf 1 januari 1993, waarbij als
uitgangspunt geldt dat zij een studie aan de Sociale Academie zou hebben
afgerond en als maatschappelijk werkster werkzaam zou zijn. Hierbij wordt er
kennelijk van uitgegaan dat zij tot haar 65e levensjaar full time zou werken
en wordt vervolgens uitgegaan van een ouderdomspensioen gebaseerd op het
laatstverdiende loon tot aan haar 100e levensjaar, waarbij rekening is
gehouden met sterftekansen.

3.7. B voert ten verwere aan dat causaal verband tussen het niet volgen van
een HBO- of universitaire studie en het seksueel misbruik niet aannemelijk of
waarschijnlijk is en betwist dat in de lijn der verwachting lag dat R na de
middelbare school zou gaan studeren. Voorts betwist hij dat R met een
voltooide vervolgopleiding haar hele leven full time als maatschappelijk
werkster/psychologe had kunnen werken.

3.8. R zelf gaat ervan uit dat zij vanaf 1 januari 1994 weer enigerlei in
staat was te werken. Dit wordt bevestigd door genoemd GMD rapport van 2 maart
1993.
Zij is vanaf 1989 onder therapeutische behandeling geweest. Uit de rapporten
van de behandelaars (waarvan twee gedateerd 13 januari 1993 en één
ongedateerd) blijkt, dat sprake was van een zekere progressie, doch dat R op
laatstgenoemde datum nog voortzetting en intensivering van de therapie
behoefde. Uit hoofde van genoemd kort-gedingvonnis werd R hiertoe door de
maandelijkse betalingen van B financieel in staat gesteld. Er zijn geen
nieuwe rapporten waaruit blijkt dat R na 1994 nog in therapie was of dat de
therapie is gestaakt wegens onvoldoende progressie. De rechtbank gaat er dan
ook van uit dat R in zodanige mate is hersteld, dat zij geen therapie meer
behoeft.
Het voorgaande in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat R in
ieder geval vanaf 1 januari 1995 in staat zou zijn geweest om
alsnog aan een vervolgopleiding te beginnen Zij zou dan nog in aanmerking
zijn gekomen voor studiefinanciering.

3.9. Dat R in 1995 niet alsnog is gaan studeren, komt naar het oordeel van de
rechtbank voor haar risico. De inkomstenderving die zij hierdoor ondervindt
is een gevolg van omstandigheden die aan haar zijn toe te rekenen. De periode
waarover de materiële schadevergoeding wegens inkomstenderving aan B dient te
worden toegerekend acht de rechtbank dan ook beperkt tot de periode vóór 1
januari 1995.

3.10. In de hypothetische situatie `zonder voorval’ gaat R ervan uit dat zij
in 1989 was gaan studeren en vanaf 1 januari 1993 als afgestudeerd
maatschappelijk werkster een inkomen zou hebben gehad, te beginnen met een
inkomen van ƒ 28603,40 netto per jaar in het eerste arbeidsjaar (kolom 16
rapport Rasenberg).
Van algemene bekendheid is echter dat men heden ten dage gemiddeld niet in
vier jaar na de aanvang van de studie (als dit al januari 1989 in plaats van
– gebruikelijker – september 1989 was) het diploma behaalt én een baan vindt
die aansluit op de studie. De rechtbank gaat ervan uit dat R in de periode
van 1 januari 1993 tot 1 januari 1994 veeleer nog zou hebben
gestudeerd of gesolliciteerd. Zij zou dan nog studiefinanciering hebben
ontvangen ofwel geen inkomsten hebben gehad ofwel (indien zij daarop gezien
haar financiële omstandigheden aangewezen was geweest, hetgeen niet is
gesteld). een RWW-uitkering hebben ontvangen. Mede gelet op de capaciteiten
van een gemiddelde VWO-leerling om een studie als maatschappelijk werkster of
een soortgelijke studie te voltooien, acht de rechtbank het reëel om ervan
uit te gaan dat R vanaf 1 januari 1994 in staat zou zijn geweest
genoemd inkomen te verdienen (als maatschappelijk werkster of in een
soortgelijke betrekking).
In de situatie `met voorval’ heeft R in 1993 een AAW/WAO-uitkering ontvangen
van ƒ 16 659,30 bruto. Voor 1994 gaat R ervan uit dat zij in de situatie `met
voorval’ op jaarbasis ƒ 22 580,63 netto zou kunnen verdienen (kolom 28
rapport Rasenberg). B heeft niet aangevoerd dat R dat jaar méér zou hebben
kunnen verdienen, zodat de rechtbank dit uitgangspunt overneemt.

3.11. Bij vergelijking van de inkomenssituatie `met voorval’ en de situatie
`zonder voorval’ van 1 januari 1993 tot 1 januari 1995, zoals hiervoor
vastgesteld, kan worden geconcludeerd dat R in 1993 geen inkomensschade heeft
geleden, aangezien haar AAW/WAO-uitkering in dat jaar hoger was dan de
inkomsten die zij zou hebben gehad indien zij nog had
gestudeerd/gesolliciteerd.
In 1994 heeft zij een schade geleden van ƒ 28 603,40 -/- ƒ 22 580,63. Deze
schade (ƒ 6022,77) komt voor vergoeding in aanmerking.

Immateriële schade

3.12. Aan haar vordering tot immateriële schadevergoeding heeft R ten
grondslag gelegd dat zij de volgende gevolgen ondervindt van het misbruik
door B: de pijn van het misbruik, het ontbreken van een onbezorgde jeugd, het
niet op een normale manier kunnen ontwikkelen van de eigen seksualiteit,
schuldgevoelens, loyaliteitsconflicten ten aanzien van haar moeder,
minderwaardigheidsgevoelens, depressiviteit, suïcidale gedachten,
agressiviteit, onzekerheid, onvermogen gevoelens te tonen, zich niet
kwetsbaar op durven stellen, problemen met het stellen van grenzen,
slaapstoornissen, problemen met het aangaan en behouden van intieme relaties,
problemen met het functioneren binnen werksituaties en een negatieve
lichaamsbeleving.
R wijst er voorts op dat bij haar de diagnose Post-traumatisch stresssyndroom
is gesteld, hetgeen betekent dat van een ernstige traumatisering sprake is,
waarvan de verwerking – zo deze al kan plaatsvinden – zeer langdurig is.

Zij heeft het voorgaande onderbouwd met verklaringen van de onder 1.8
genoemde behandelaars en met rapporten van de GMD.

3.13. met R gaat de rechtbank er op grond van al hetgeen in deze procedure
naar voren is gebracht van uit dat zij tengevolge van het misbruik door B
gedurende en aantal jaren in belangrijke mate psychische problemen heeft
ondervonden, hetgeen ook door hem wordt erkend. Gelet hierop en op de ernst
en de lange duur van dit misbruik, alsmede de jonge leeftijd van R bij de
aanvang hiervan en tenslotte het feit dat slechts de aanhouding van B aan het
misbruik een einde heeft gemaakt, acht de rechtbank een immateriële
schadevergoeding van ƒ 25 000 op zijn plaats. Zij acht dit bedrag in
overeenstemming met de dienaangaande in Nederland geldende normen. In de
gegeven omstandigheden ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om de
schadevergoeding op een lager bedrag vast te stellen.

3.14. Het reeds door B betaalde bedrag van ƒ 20 000 zal op de hiervoor
genoemde bedragen – ƒ 3712,75 aan gemaakte kosten, ƒ 6022,77 aan gederfd
inkomen en ƒ 25 000 aan immateriële schadevergoeding – in mindering worden
gebracht.

3.15. De rechtbank ziet in het feit dat partijen over en weer op onderdelen
in het ongelijk worden gesteld aanleiding de proceskosten op na te melden
wijze te compenseren.

Beslissing

De rechtbank:

Veroordeelt B tot betaling aan R van ƒ 14 735,52 te vermeerderen met de
wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 oktober 1995 tot de dag der
voldoening.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Bepaalt dat ieder der partijen de eigen proceskosten zal betalen.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs Willink, Bellaart, Boon

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 25 oktober 1996

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De rechtbank heeft op verzoek van de moeder de kinderalimentatie vastgesteld
op ƒ 300. De vader is hiertegen in beroep gegaan. De vader heeft zijn baan
verloren maar zijn woonlasten zijn hoog en daarom wil hij graag dat een
lagere alimentatie wordt vastgesteld. De moeder meent dat de vader zijn
woonlasten moet verminderen en het hof deelt dit standpunt. Desondanks is de
draagkracht van de vader sinds de bestreden beschikking gedaald en wordt de
kinderalimentatie vastgesteld op ƒ 150.

Volledige tekst

Het geding

Tussen de ouders is in 1986 scheiding van tafel en bed uitgesproken. Bij
vonnis van 9 mei 1988 is de ontbinding van het huwelijk uitgesproken, welke
is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van
de rechtbank te Rotterdam van 6 februari 1989 is de moeder benoemd tot
voogdes over de minderjarige kinderen van partijen, te weten
1. M. C., geboren op 20 juli 1978, en
2. M. D., geboren op 29 oktober 1981.

Bij die beschikking is de vader een kinderalimentatie opgelegd van ƒ 150 per
maand per kind.

Bij beschikking van die rechtbank van 22 januari 1991 is die alimentatie met
ingang van 1 oktober 1990 bepaald op nihil.

De moeder heeft op 29 december 1995 een verzoekschrift ingediend waarin ze de
rechtbank te ‘s-Gravenhage heeft verzocht om die uitspraak te wijzigen en de
alimentatie te bepalen op ƒ 300 per maand en per kind.

De rechtbank heeft bij beschikking van 12 maart 1996 de alimentatie met
ingang van 1 april 1996 bepaald op ƒ 300 per maand per kind.

De vader is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
bestreden beschikking te vernietigen en het ver zoek van de vrouw alsnog af
te wijzen, althans de alimentatie vast te stellen op een lager bedrag.

De moeder heeft tijdig een verweerschrift ingediend en heeft verzocht de
bestreden beschikking te bekrachtigen.

Op 12 juli 1996 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling
behandeld. Toen is de zaak pro forma aangehouden tot 31 augustus 1996.

Van mr. J.H. Beek, advocaat van de vader, zijn brieven ingekomen, gedateerd
11 juli 1996, 26 juli 1996 en 5 augustus 1996.
Van mr. F.A. Janse, advocaat van de moeder, is een brief ingekomen, gedateerd
1 augustus 1996. Op 3 december 1996 heeft het hof aan beide advocaten een
brief gestuurd waarin aan mr. Beek is verzocht om extra stukken over te
leggen en mr. Janse in de gelegenheid is gesteld op die stukken te reageren.
Mr. Beek heeft bij brief d.d. 18 september 1996 enige stukken overgelegd.
Daarop is gereageerd door mr. Janse. Het Hof zal thans een beschikking geven.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

1. De behoefte van de kinderen aan alimentatie staat als niet bestreden vast.
De oudste dochter is op 20 juli 1996 18 jaar geworden en heeft sindsdien
recht op studiefinanciering.

2. De moeder heeft aan het verzoek tot wijziging ten grondslag gelegd dat de
financiële omstandigheden van de vader zijn gewijzigd doordat hij is gaan
werken voor (…) te Amsterdam voor een salaris van ƒ 4500 netto per maand,
hetgeen door de vader in eerste aanleg niet is bestreden.

3. De vader is in hoger beroep gekomen, omdat zijn contract bij (…), een
contract van bepaalde duur, na de bestreden beschikking is geëindigd op 2
april 1996 en tegen zijn verwachting in niet is verlengd. Sollicitaties
sindsdien hebben geen resultaat opgeleverd. Op grond daarvan dient de rechter
de alimentatie opnieuw vast te stellen. Het hof rondt bedragen af op hele
guldens.

4. De vader, 40 jaar oud, heeft met ingang van 3 april 1996 een WW-uitkering
van ƒ 188 bruto per dag, d.w.z. ƒ 3753 bruto per vier weken of ƒ 4065 per
maand. Hij heeft met ingang van 3 april 1988 twee jaar lang recht op een
vervolguitkering van ƒ 76 bruto per dag.

5. De vader bewoonde een huurflat voor ƒ 1.300 per maand.
Uitgaande van zijn vorige baan heeft hij in november 1995 een huis gekocht in
Capelle aan den Ijssel voor ƒ 330 000. Hij heeft twee hypothecaire leningen
genomen, van ƒ 300 000 en van ƒ 81 250 en is per maand over de eerste lening
ƒ 1500 rente en ƒ 539 premie levensverzekering verschuldigd en over de tweede
lening ƒ 393 rente. Hij woont (nog) niet samen.
Zijn partner leeft nog van een bijstandsuitkering.

6. De moeder voert aan dat de vader zijn woonlasten moet verminderen, nu hij
zijn baan is kwijtgeraakt. Het hof deelt dat standpunt en gaat er derhalve
van uit dat de woonlasten van de vader binnenkort het bedrag dat hij voorheen
aan huur betaalde, ƒ 1300 per maand, niet meer zullen overstijgen.

7. De vader betaalt per maand ƒ 525 waarvan ƒ 200 rente, ter afbetaling van
een doorlopend krediet. De moeder stelt dat geen rekening mag worden gehouden
met de afbetaling van dit krediet, nu het geen huwelijkse schuld betreft. De
vader heeft aangevoerd dat hij reeds op 31 maart 1988 is toegetreden tot een
vennootschap onder firma, genaamd Texline International, en dat hij toen dit
krediet van aanvankelijk ƒ 50 000 is aangegaan bij de Direktbank, welk bedrag
hij heeft geïnvesteerd in Texline. Met ingang van 4 september 1990 is de
vader weer uitgetreden, maar de schuld bleef bestaan. In 1991 is Texline in
staat van faillissement verklaard. In 1993 is de vordering overgenomen door
ABN-Amro. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de
afbetaling van dat krediet een zakelijke schuld van de vader is, waarmee
rekening dient te worden gehouden.

8. Van de hypothecaire leningen heeft de vader een bedrag van ƒ 20 000
aangewend ter gedeeltelijke aflossing van het onder 7 genoemde krediet
waarvan nadien per 14 december 1995 nog ƒ 26 585 open stond. Na betaling van
dat bedrag bedroeg het positieve saldo op de privérekening van de vader ƒ 20
383. Het hof gaat ervan uit dat hij na verkoop van het huis met een nadelig
saldo blijft zitten, omdat het bedrag van hypothecaire leningen na aftrek van
het bedrag van ƒ 20 383 de geschatte waarde van het huis overtreft.

9. Geen rekening wordt gehouden met de gestelde kosten wegens omgang, die
niet aannemelijk zijn, of met de gestelde ziektekosten. Het hof gaat uit van
een redelijke premie ziektekostenverzekering van ƒ 180 per maand.

10. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader sinds de bestreden
beschikking is gedaald. Het hof zal de bijdrage voor de kinderen vaststellen
op ƒ 150 per maand per kind.
Niet uitgesloten is dat deze bijdrage over de maanden waarin de vader nog
duur woont hem meer belast dan gebruikelijk, maar omdat dit slechts tijdelijk
zal zijn en de vader anderszijds heeft verzuimd bijdragen te betalen, toen
hij zich dat gemakkelijk kon veroorloven, dunkt het billijk deze bijdrage te
laten ingaan op 1 april 1996. De bestreden beschikking kan dus niet in stand
blijven.

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 12 maart
1996, en opnieuw beschikkende:
bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van de
rechtbank te Rotterdam van 22 januari 1991 – de door de vader te betalen
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding dan wel van levensonderhoud
en studie van de kinderen met ingang van 1 april 1996 en op ƒ 150 per maand
per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij
vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mr Koning