Instantie: Gerechtshof Arnhem, 15 oktober 1996

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


De ouders zijn gescheiden, binnen 306 dagen wordt een kind geboren. De
moeder woont samen met de biologische vader. De moeder en de biologische
vader willen dat in de geboorteakte het kind direct de naam krijgt van
de biologische vader zonder enige vermelding van de naam van de ex-echtgenoot
of van het kort geding vonnis. Dit verzoek wordt gehonoreerd.
Uit de tussen partijen vaststaande feiten kan niet anders worden geconcludeerd
dan dat de relatie tussen de man en het kind moet worden gekwalificeerd
als family life , zodat een rechterlijke uitspraak daarvan niet
nodig was. In die gevallen doet de rechter immers niets anders dan naar
aanleiding van een – door de ambtenaar niet weersproken – verklaring van
de verzoekers dat zij samenleven, concluderen dat er sprake is van family
life , welke conclusie de ambtenaar ook zelf had kunnen en behoren
te trekken.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het door de president van de rechtbank te Zutphen
op 11 augustus 1995 tussen de partijen in kort geding gewezen vonnis, dat
in fotocopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. De appellant, hierna de ambtenaar, is bij exploit van 24 augustus
1995 in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis, met gelijktijdige dagvaarding
van de geïntimeerden, hierna X, Y voor dit Hof.

2.2. Bij memorie van grieven heeft de ambtenaar twee grieven aangevoerd
tegen het vonnis waarvan beroep, is een produktie overgelegd en is geconcludeerd
dat het hof dat vonnis zal vernietigen, voor zover het het gebod aan de
ambtenaar om geen melding te maken van het door de president gewezen vonnis
betreft en voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, en opnieuw
rechtdoende alsnog de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep
te compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

2.3. Bij memorie van antwoord hebben X, Y verweer gevoerd en geconcludeerd
dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen (lees: bekrachtigen),
met veroordeling van de ambtenaar in de kosten van het hoger beroep.

2.4. Vervolgens heeft de ambtenaar akte verzocht van een op schrift gestelde
verklaring, waarop X, Y antwoordakte hebben gereageerd.

2.5. Tenslotte hebben de partijen de stukken aan het hof overgelegd voor
het wijzen van arrest.

De grieven

3.1 Ten onrechte heeft de president de ambtenaar veroordeeld de geboorteakte
van het uit de relatie van X en Y geboren kind op te maken zonder enige
vermelding van het kort geding vonnis.

3.2 Ten onrechte heeft de president overwogen dat bij de omstandigheden
van het geval en de te geven beslissing een veroordeling van de ambtenaar
in de proceskosten als juist voorkomt. Ten onrechte ook heeft de president
de ambtenaar veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg.

4. De vaststaande feiten

De door de president in het bestreden vonnis als vaststaand aangemerkte
feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van die –
als hier ingelast te beschouwen – feiten zal uitgaan.

5. De beoordeling

5.1 Ter toelichting op de eerste grief heeft de ambtenaar bij memorie van
grieven aangevoerd dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 39 lid 2 van
het Besluit Burgerlijke Stand 1994 (BBS 1994) verplicht is melding te maken
van een rechterlijke uitspraak en de strekking ervan. Bij zijn akte heeft
hij vervolgens gesteld dat de desbetreffende verplichting is neergelegd
in artikel 41 lid 3 BBS 1994.

5.2 Het door X en Y bij hun antwoordakte tegen de hiervoor vermelde rectificatie
aangevoerde gaat niet op, reeds omdat de openbare orde betrokken is bij
de beoordeling van een kwestie als de onderhavige en het hof daarom een
zelfstandig oordeel dient te geven.

5.3 Met X en Y is het hof voorshands van oordeel dat artikel 41 lid 3 BBS
1994 in dit geval toepassing mist. Deze bepaling ziet immers op toevoeging
aan een geboorteakte van een latere vermelding welke wordt ontleend aan
een rechterlijke uitspraak – zoals genoemd in artikel 1:20 van het Burgerlijk
Wetboek (BW) -, maar daarvan is in dit geval geen sprake. Uit de tussen
de partijen vaststaande feiten, zoals door de president in zijn vonnis
weergegeven, kan immers niet anders worden geconcludeerd dan dat de relatie
tussen X en het kind van X en Y moet worden gekwalificeerd als `family
life’ in de zin van artikel 8 Europees Verdrag tot Bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) – zoals de president ook
onbestreden heeft overwogen -, zodat een rechterlijke uitspraak voor de
vaststelling daarvan niet nodig was. Met X en Y onderschrijft het hof dan
ook niet het standpunt van de ambtenaar, dat het voldoen aan een verzoek
als het onderhavige ook in gevallen, waarin de vaststaande feiten geen
andere conclusie toelaten dan dat sprake is van `family life’, slechts
mogelijk is na een voorafgaande rechterlijke toetsing. In die gevallen
doet de rechter immers niets anders dan naar aanleiding van een – door
de ambtenaar niet weersproken – verklaring van de verzoekers, dat zij samenleven,
concluderen dat sprake is van `family life’, welke conclusie de ambtenaar
ook zelf had kunnen en behoren te trekken.

5.4 Uit het voorgaande volgt dat de grieven falen. Ten overvloede wordt
overwogen dat ook in gevallen, waarin niet zonder meer duidelijk is dat
sprake is van `family life’, zodat een procedure als de onderhavige nodig
is, en het verzoek vervolgens wordt toegewezen, in beginsel geen plaats
is voor compensatie van de proceskosten omdat het niet juist is dat burgers
de aan een procedure als de onderhavige verbonden kosten dienen te dragen.

6. De slotsom

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De ambtenaar zal als
de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten
van het hoger beroep. Deze veroordeling zal uitvoerbaar bij voorraad worden
verklaard, gelet op de desbetreffende vordering van X, Y bij de inleidende
dagvaarding.

7. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de president van
de rechtbank te Zutphen van 10 augustus 1995;

veroordeelt de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hengelo
(Gld.) in de proceskosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde
van X, Y begroot op ƒ 2.520;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs Pel, Katz-Soeterbeek, Van Ginkel

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was vanaf 1973 tot 1981 werkzaam bij (…). Haar werkgever
was in die periode aangesloten bij de wederpartij, die onder meer
pensioenregelingen beheert. De bestreden pensioenregeling merkt als
verplichte deelnemer aan diegenen die een grafische functie of een functie
in de zeefdruksector verrichten. Verzoekster kon vanwege het feit dat zij
een administratieve functie vervulde niet deelnemen aan deze pensioenregeling.
Zij is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting een verboden indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt en derhalve in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie overweegt dat de wetgeving zoals thans neergelegd in onder meer artikel 7A:1637ij BW specifieke regelgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid bevat, welke in overeenstemming is met de eerste en tweede EG-richtlijn terzake. Deze bepalingen hebben wegens hun specifieke karakter voorrang boven hetgeen meer algemeen in de AWGB is geregeld. De Commissie zal daarom eerst onderzoeken of de wederpartij kan worden aangesproken op grond van deze specifieke regelgeving.
De Commissie vat de uitzondering genoemd in artikel (7A:)1637ij BW zo op dat slechts die pensioenkwesties, terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag, van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.
Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling voldoet aan de criteria.
Tevens stelt de Commissie vast dat de aansluiting bij de onderhavige pensioenregeling onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de reikwijdte van artikel (7A):1637ij BW.
Een pensioenregeling wordt gerekend tot de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel (7A):1637ij lid 1 BW neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht tot de werkgever.
De Commissie acht zich gehouden om de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag. De Commissie overweegt dat het EG-Hof -door de uitsluiting van pensioenfondsen te kwalificeren als een aanzienlijke mate van afbreuk aan het nuttig effect van genoemd verdragsartikel en als een ernstige aantasting van de rechtsbescherming- deze uitsluiting uitdrukkelijk in verband brengt met de objectieve doelstelling van artikel 119 EG-verdrag, in welk licht de Commissie de nationale wetgeving dient uit te leggen en toe te passen.
De Commissie overweegt dat de nationale wetgever met de specifieke regelgeving inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde EG-Richtlijnen.
Mitsdien is de Commissie van oordeel, dat in het licht van genoemde uitspraken van het EG-Hof een pensioenfonds zoals de wederpartij evenals de werkgever wiens verplichting men uitvoert, aangesproken kan worden op grond van de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.
De commissie oordeelt dat de wederpartij in deze zaak kan worden aangesproken op grond van respectievelijk de WGL, althans vanaf 8 april 1976 (de datum van het Defrenne II-arrest), artikel 1637ij BW en artikel 7A:1637ij BW.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 25 augustus 1995 verzocht (…) te Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel te geven over de vraag of het (…) te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster was vanaf 1973 tot 1981 werkzaam bij. Haar werkgever was in die periode aangesloten bij de wederpartij, die onder meer pensioenregelingen beheert. De bestreden pensioenregeling merkt als verplichte deelnemer aan diegenen die een grafische functie of een functie in de zeefdruksector verrichten. Verzoekster kon vanwege het feit dat zij een administratieve functie vervulde niet deelnemen aan deze pensioenregeling. Zij is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting een verboden indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt en derhalve in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat het oordeel in een gelijksoortige zaak zou worden afgewacht. Dit oordeel (96-15 d.d. 18 maart 1996) is aan partijen toegezonden. Hen is daarbij tevens meegedeeld dat de vraag welke wet in deze zaak van toepassing is voorwerp van onderzoek zou zijn. Verzoekster heeft de Commissie bij brief van 16 april 1996 bericht dat de wederpartij de door de Commissie gevraagde gegevens niet wilde verstrekken omdat verzoekster geen beroep zou kunnen doen op de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).
De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 3 september 1996. Hen is meegedeeld dat tijdens deze zitting slechts de vraag of de Commissie het verzoek kan beoordelen onderwerp van bespreking zou zijn. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. De tussenbeslissing is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster en haar echtgenoot hadden een zeefdrukbedrijf. In 1973 is dit bedrijf omgezet in een besloten vennootschap en zijn verzoekster en haar echtgenoot bij de besloten vennootschap in loondienst getreden. Verzoekster is tot 31 december 1981 bij eerdergenoemde besloten vennootschap in dienst geweest.
3.2. De besloten vennootschap, verzoeksters werkgever, was in die periode aangesloten bij de wederpartij, die onder meer pensioenregelingen beheert. De bestreden pensioenregeling merkt als verplichte deelnemer aan diegenen die een grafische functie of een functie in de zeefdruksector verrichten. Administratief personeel was van deelneming uitgesloten.
Verzoekster vervulde een administratieve functie en kon daardoor niet deelnemen aan deze pensioenregeling.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoekster heeft geen standpunt geformuleerd ten aanzien van de vraag welke wetgeving van toepassing is in de onderhavige zaak.
3.4. De wederpartij heeft op de uitnodiging van de Commissie op de vraag welke wetgeving van toepassing is niet gereageerd. Bij fax van 11 april 1996, welke verzoekster aan de Commissie heeft gezonden, heeft de wederpartij wel gesteld dat de AWGB niet van toepassing is omdat verzoekster tot 31 december 1981 in loondienst was, terwijl de AWGB pas op 1 september 1994 in werking is getreden.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder de reikwijdte van de AWGB dan wel onder de reikwijdte van de specifieke wetgeving inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen betreffende de arbeid.
4.2. Artikel 5, lid 1 onderdeel d AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond van geslacht verboden is bij arbeidsvoorwaarden.
Artikel 4, onderdeel b, stelt onder meer dat de AWBG artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onverlet laat.
Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt onder meer: `De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden’ en voorts: `Niet onder de arbeidsvoorwaarden zijn begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen’.
4.3. De Commissie overweegt dat de wetgeving zoals thans neergelegd in onder meer artikel 7A:1637ij BW specifieke regelgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid bevat, welke in overeenstemming is met de eerste en tweede EG-richtlijn terzake. Deze bepalingen hebben wegens hun specifieke karakter voorrang boven hetgeen meer algemeen in de AWGB is geregeld (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nummer 3, pagina 11). De Commissie zal daarom eerst onderzoeken of de wederpartij kan worden aangesproken op grond van deze specifieke regelgeving.
4.4. Op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (hierna: WGL) in werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te oordelen over klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB), waarbij artikel 1637ij BW werd ingevoerd. In beide wetten werd voorzien in een Commissie die bevoegd was te oordelen over geschillen over deze wetgeving. Op 1 juli 1989 trad op grond van de zogenaamde Reparatiewet zowel in artikel 1637ij BW als in de WGB een aantal wijzigingen in werking. Deze wet voorzag in een nieuwe Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (hierna: Commissie m/v). Deze had ook de bevoegdheid om te oordelen over klachten die beoordeeld moesten worden op grond van de gelijke behandelingswetgeving die gold voor 1 juli 1989. De huidige Commissie heeft deze bevoegdheid van haar voorgangsters eveneens.
De WGL bepaalde dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten aanzien van pensioenregelingen was niet opgenomen. Evenals het huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middelijk) onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Op grond van lid 1 van artikel (7A:)1637ij BW zijn onder de arbeidsvoorwaarden niet begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen. Derhalve zal nagegaan moeten worden of de Commissie bevoegd is een oordeel uit te spreken over de onderhavige klacht die betrekking heeft op uitsluiting van deelname aan een pensioenregeling.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de eerdere WGL en voorts met artikel 1637ij BW en artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde EG-Richtlijnen. Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Von Colson en Kamann (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen, C-14/83, 10 april 1984, JUR 1984-1891.) van mening dat nationale rechters en anderen, die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.
Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als gemaakt in artikel (7A:)1637ij BW, moet interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag.
Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in artikel (7A:)1637ij BW zo op dat slechts die pensioenkwesties, terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag, van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.
Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.
4.5. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, overweegt de Commissie als volgt.
In overweging 25 van het Barber-arrest (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group, C-262/88, 17 mei 1990, Nemesis 1990, nr. 116, NJ 1992-436) stelt het EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt, indien deze het resultaat is van overeenstemming tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de werkgever vormt.
Voorts moet het gaan om een regeling die geheel gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid. Deze beginselen heeft het EG-Hof ook reeds eerder in het Bilka-arrest (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, C-170/84, 13 mei 1986, JUR 1989-1607) uitgesproken.
In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst met de betrokken werkgever.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling voldoet aan de hiervoor genoemde criteria.
4.6. Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, C-57/93, 28 september 1994, Nemesis 1994 nr. 424.
Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, C-128/93, 28 september 1994, Nemesis 1994 nr. 425) bevestigd dat niet alleen het recht op uitkering uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.
De Commissie stelt op grond van het voorgaande vast dat de aansluiting bij de onderhavige pensioenregeling onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de reikwijdte van artikel (7A):1637ij BW.
4.7. Ten aanzien van de vraag of pensioenfondsen kunnen worden aangesproken op grond van artikel (7A):1637ij BW overweegt de Commissie het volgende.
Een pensioenregeling wordt gerekend tot de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel (7A):1637ij lid 1 BW neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht tot de werkgever.
Genoemd artikel kent geen bepaling die de aansprakelijkheid van andere personen of organen dan de werkgever vestigt, wanneer het betreft de (uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Wat dit betreft zou de letterlijke wetstekst leiden tot de conclusie dat het handelen van een pensioenfonds zoals de wederpartij niet valt onder de reikwijdte van de wet en dat de wederpartij derhalve ook niet aangesproken zou kunnen worden op een mogelijk verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen. De Commissie m/v verklaarde zaken tegen pensioenfondsen aanvankelijk dan ook `kennelijk niet ontvankelijk’.
Vanaf 1 januari 1993 heeft de Commissie m/v deze zaken niet meer `kennelijk niet ontvankelijk’ maar `niet ontvankelijk’ verklaard. Uiterlijk met ingang van die datum had namelijk de uitvoeringswetgeving(Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20890.) naar aanleiding van de Vierde EG-richtlijn(Richtlijn 86/378/EEG 24 juli 1986, inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen inzake sociale zekerheid, nr.
225/40.) volgens de termijn voor tenuitvoerlegging die deze richtlijn gaf, in werking moeten zijn getreden. Deze uitvoeringswetgeving, die ook thans nog niet in werking is getreden, zal leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in die zin, dat ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden.
De Commissie m/v wees bij de niet ontvankelijkheidsverklaringen op het feit dat bij het EG-Hof enkele zaken aanhangig waren waarin de aansprakelijkheid van pensioenfondsen aan de orde was en op de mogelijkheid van de justitiabele voor de rechter wel een rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag te doen. Zij achtte het echter niet zinvol met het uitspreken van een oordeel over de ontvankelijkheid van pensioenfondsen op de uitspraken van het EG-Hof te wachten, omdat zij het haar bevoegdheid te zeer te buiten vond gaan de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen uit te breiden (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeel 578B-94-45 d.d. 22 juni 1994).
De arresten van het EG-Hof in de zaken Vroege en Fisscher zijn gewezen nadat de Commissie m/v was opgeheven, zodat deze Commissie de bewoordingen waarin het EG-Hof over de aansprakelijkheid van het betreffende pensioenfonds heeft geoordeeld niet heeft kunnen meewegen.
4.8. Het EG-Hof is in eerdergenoemde zaak Fisscher onder meer de vraag voorgelegd of de uitvoerder en beheerder van de daar in geding zijnde regeling (het bedrijfspensioenfonds) gehouden is het in artikel 119 EEG-Verdrag vervatte beginsel van gelijke behandeling toe te passen en of de werknemer die benadeeld wordt door niet naleving van die norm het pensioenfonds rechtstreeks kan aanspreken alsof het de werkgever betreft.
Voor zover hier van belang overweegt het EG-Hof in rechtsoverweging 31 en 32 het volgende:
`Aangezien de beheerders van een pensioenregeling, ofschoon zij buiten de arbeidsverhouding staan, uitkeringen moeten betalen die een beloning in de zin van artikel 119 vormen, dienen zij deze bepaling na te leven door alles te doen wat binnen hun bevoegdheden valt, om ter zake de naleving van het beginsel van gelijkheid van behandeling te verzekeren, en moeten de bij de pensioenregeling aangesloten personen zich tegenover hen op deze bepaling kunnen beroepen. Aan het nuttig effect van artikel 119 zou in aanzienlijke mate afbreuk worden gedaan en de rechtsbescherming, die een daadwerkelijke gelijkheid vereist, zou ernstig worden aangetast, indien een werknemer deze bepaling enkel tegenover zijn werkgever kon inroepen en niet tegenover de beheerders van de regeling, die uitdrukkelijk zijn belast met de uitvoering van de verplichtingen van de werkgever.
Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat de beheerders van een bedrijfspensioenregeling evenals de werkgever gehouden zijn het bepaalde in artikel 119 na te leven en dat de gediscrimineerde werknemer zijn rechten rechtstreeks tegenover die beheerders kan doen gelden’.
4.9. Met verwijzing naar het onder 4.3. en 4.4 gestelde acht de Commissie zich gehouden om de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag. De Commissie overweegt dat het EG-Hof -door de uitsluiting van pensioenfondsen te kwalificeren als een aanzienlijke mate van afbreuk aan het nuttig effect van genoemd verdragsartikel en als een ernstige aantasting van de rechtsbescherming- deze uitsluiting uitdrukkelijk in verband brengt met de objectieve doelstelling van artikel 119 EG-verdrag, in welk licht de Commissie de nationale wetgeving dient uit te leggen en toe te passen.
De Commissie overweegt dat de nationale wetgever met de specifieke regelgeving inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde EG-Richtlijnen.
Mitsdien is de Commissie van oordeel, dat in het licht van genoemde uitspraken van het EG-Hof een pensioenfonds zoals de wederpartij evenals de werkgever wiens verplichting men uitvoert, aangesproken kan worden op grond van de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.
4.10. Ten aanzien van de vraag vanaf wanneer de aansluiting bij een pensioenregeling onder de norm van gelijke behandeling van de WGL en de daarop volgende wetgeving valt, overweegt de Commissie als volgt.
Aangezien deze wettelijke bepalingen voorrang hebben op hetgeen in de AWGB is neergelegd, gaat de Commissie niet nader in op de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder de reikwijdte van laatstgenoemde wet.
Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher aangegeven dat er voor het recht op aansluiting geen bijzondere beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), C-43/75, 8 april 1976, NJ 1976-510.), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend, kan worden ingeroepen, ook ten aanzien van uitvoerders en beheerders van pensioenregelingen.
Gelet op het voorgaande kan de wederpartij in deze zaak worden aangesproken op grond van respectievelijk de WGL, althans vanaf 8 april 1976 (de datum van het Defrenne II-arrest), artikel 1637ij BW en artikel 7A:1637ij BW.
5. DE TUSSENBESLISSING VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar tussenbeslissing uit dat het handelen van het (…) te Amsterdam vanaf 8 april 1976 valt onder de reikwijdte van de Wet Gelijk Loon, artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek en artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek en dat derhalve het verzoek van mevrouw (…) te Amsterdam in behandeling kan worden genomen.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was vanaf 1973 tot 1981 werkzaam bij (…). Haar werkgever
was in die periode aangesloten bij de wederpartij, die onder meer
pensioenregelingen beheert. De bestreden pensioenregeling merkt als
verplichte deelnemer aan diegenen die een grafische functie of een functie
in de zeefdruksector verrichten. Verzoekster kon vanwege het feit dat zij
een administratieve functie vervulde niet deelnemen aan deze pensioenregeling.
Zij is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting een verboden indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt en derhalve in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie overweegt dat de wetgeving zoals thans neergelegd in onder meer artikel 7A:1637ij BW specifieke regelgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid bevat, welke in overeenstemming is met de eerste en tweede EG-richtlijn terzake. Deze bepalingen hebben wegens hun specifieke karakter voorrang boven hetgeen meer algemeen in de AWGB is geregeld. De Commissie zal daarom eerst onderzoeken of de wederpartij kan worden aangesproken op grond van deze specifieke regelgeving.
De Commissie vat de uitzondering genoemd in artikel (7A:)1637ij BW zo op dat slechts die pensioenkwesties, terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag, van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.
Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling voldoet aan de criteria.
Tevens stelt de Commissie vast dat de aansluiting bij de onderhavige pensioenregeling onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de reikwijdte van artikel (7A):1637ij BW.
Een pensioenregeling wordt gerekend tot de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel (7A):1637ij lid 1 BW neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht tot de werkgever.
De Commissie acht zich gehouden om de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag. De Commissie overweegt dat het EG-Hof -door de uitsluiting van pensioenfondsen te kwalificeren als een aanzienlijke mate van afbreuk aan het nuttig effect van genoemd verdragsartikel en als een ernstige aantasting van de rechtsbescherming- deze uitsluiting uitdrukkelijk in verband brengt met de objectieve doelstelling van artikel 119 EG-verdrag, in welk licht de Commissie de nationale wetgeving dient uit te leggen en toe te passen.
De Commissie overweegt dat de nationale wetgever met de specifieke regelgeving inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde EG-Richtlijnen.
Mitsdien is de Commissie van oordeel, dat in het licht van genoemde uitspraken van het EG-Hof een pensioenfonds zoals de wederpartij evenals de werkgever wiens verplichting men uitvoert, aangesproken kan worden op grond van de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.
De commissie oordeelt dat de wederpartij in deze zaak kan worden aangesproken op grond van respectievelijk de WGL, althans vanaf 8 april 1976 (de datum van het Defrenne II-arrest), artikel 1637ij BW en artikel 7A:1637ij BW.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 25 augustus 1995 verzocht (…) te Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel te geven over de vraag of het (…) te Amsterdam (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster was vanaf 1973 tot 1981 werkzaam bij. Haar werkgever was in die periode aangesloten bij de wederpartij, die onder meer pensioenregelingen beheert. De bestreden pensioenregeling merkt als verplichte deelnemer aan diegenen die een grafische functie of een functie in de zeefdruksector verrichten. Verzoekster kon vanwege het feit dat zij een administratieve functie vervulde niet deelnemen aan deze pensioenregeling. Zij is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting een verboden indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen maakt en derhalve in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Daarbij is aangegeven dat het oordeel in een gelijksoortige zaak zou worden afgewacht. Dit oordeel (96-15 d.d. 18 maart 1996) is aan partijen toegezonden. Hen is daarbij tevens meegedeeld dat de vraag welke wet in deze zaak van toepassing is voorwerp van onderzoek zou zijn. Verzoekster heeft de Commissie bij brief van 16 april 1996 bericht dat de wederpartij de door de Commissie gevraagde gegevens niet wilde verstrekken omdat verzoekster geen beroep zou kunnen doen op de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).
De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten toe te lichten tijdens een zitting op 3 september 1996. Hen is meegedeeld dat tijdens deze zitting slechts de vraag of de Commissie het verzoek kan beoordelen onderwerp van bespreking zou zijn. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. De tussenbeslissing is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster en haar echtgenoot hadden een zeefdrukbedrijf. In 1973 is dit bedrijf omgezet in een besloten vennootschap en zijn verzoekster en haar echtgenoot bij de besloten vennootschap in loondienst getreden. Verzoekster is tot 31 december 1981 bij eerdergenoemde besloten vennootschap in dienst geweest.
3.2. De besloten vennootschap, verzoeksters werkgever, was in die periode aangesloten bij de wederpartij, die onder meer pensioenregelingen beheert. De bestreden pensioenregeling merkt als verplichte deelnemer aan diegenen die een grafische functie of een functie in de zeefdruksector verrichten. Administratief personeel was van deelneming uitgesloten.
Verzoekster vervulde een administratieve functie en kon daardoor niet deelnemen aan deze pensioenregeling.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoekster heeft geen standpunt geformuleerd ten aanzien van de vraag welke wetgeving van toepassing is in de onderhavige zaak.
3.4. De wederpartij heeft op de uitnodiging van de Commissie op de vraag welke wetgeving van toepassing is niet gereageerd. Bij fax van 11 april 1996, welke verzoekster aan de Commissie heeft gezonden, heeft de wederpartij wel gesteld dat de AWGB niet van toepassing is omdat verzoekster tot 31 december 1981 in loondienst was, terwijl de AWGB pas op 1 september 1994 in werking is getreden.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder de reikwijdte van de AWGB dan wel onder de reikwijdte van de specifieke wetgeving inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen betreffende de arbeid.
4.2. Artikel 5, lid 1 onderdeel d AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond van geslacht verboden is bij arbeidsvoorwaarden.
Artikel 4, onderdeel b, stelt onder meer dat de AWBG artikel 1637ij van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onverlet laat.
Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt onder meer: `De werkgever mag geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen in de arbeidsvoorwaarden’ en voorts: `Niet onder de arbeidsvoorwaarden zijn begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen’.
4.3. De Commissie overweegt dat de wetgeving zoals thans neergelegd in onder meer artikel 7A:1637ij BW specifieke regelgeving inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid bevat, welke in overeenstemming is met de eerste en tweede EG-richtlijn terzake. Deze bepalingen hebben wegens hun specifieke karakter voorrang boven hetgeen meer algemeen in de AWGB is geregeld (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nummer 3, pagina 11). De Commissie zal daarom eerst onderzoeken of de wederpartij kan worden aangesproken op grond van deze specifieke regelgeving.
4.4. Op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (hierna: WGL) in werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te oordelen over klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB), waarbij artikel 1637ij BW werd ingevoerd. In beide wetten werd voorzien in een Commissie die bevoegd was te oordelen over geschillen over deze wetgeving. Op 1 juli 1989 trad op grond van de zogenaamde Reparatiewet zowel in artikel 1637ij BW als in de WGB een aantal wijzigingen in werking. Deze wet voorzag in een nieuwe Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (hierna: Commissie m/v). Deze had ook de bevoegdheid om te oordelen over klachten die beoordeeld moesten worden op grond van de gelijke behandelingswetgeving die gold voor 1 juli 1989. De huidige Commissie heeft deze bevoegdheid van haar voorgangsters eveneens.
De WGL bepaalde dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten aanzien van pensioenregelingen was niet opgenomen. Evenals het huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middelijk) onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Op grond van lid 1 van artikel (7A:)1637ij BW zijn onder de arbeidsvoorwaarden niet begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen. Derhalve zal nagegaan moeten worden of de Commissie bevoegd is een oordeel uit te spreken over de onderhavige klacht die betrekking heeft op uitsluiting van deelname aan een pensioenregeling.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de eerdere WGL en voorts met artikel 1637ij BW en artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde EG-Richtlijnen. Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de zaak Von Colson en Kamann (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Von Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen, C-14/83, 10 april 1984, JUR 1984-1891.) van mening dat nationale rechters en anderen, die met overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel 119 EEG-Verdrag.
Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als gemaakt in artikel (7A:)1637ij BW, moet interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag.
Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in artikel (7A:)1637ij BW zo op dat slechts die pensioenkwesties, terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag, van de wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.
Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.
4.5. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, overweegt de Commissie als volgt.
In overweging 25 van het Barber-arrest (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group, C-262/88, 17 mei 1990, Nemesis 1990, nr. 116, NJ 1992-436) stelt het EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt, indien deze het resultaat is van overeenstemming tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de werkgever vormt.
Voorts moet het gaan om een regeling die geheel gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid. Deze beginselen heeft het EG-Hof ook reeds eerder in het Bilka-arrest (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, C-170/84, 13 mei 1986, JUR 1989-1607) uitgesproken.
In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst met de betrokken werkgever.
De Commissie stelt vast dat de onderhavige pensioenregeling voldoet aan de hiervoor genoemde criteria.
4.6. Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, C-57/93, 28 september 1994, Nemesis 1994 nr. 424.
Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, C-128/93, 28 september 1994, Nemesis 1994 nr. 425) bevestigd dat niet alleen het recht op uitkering uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod.
De Commissie stelt op grond van het voorgaande vast dat de aansluiting bij de onderhavige pensioenregeling onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de reikwijdte van artikel (7A):1637ij BW.
4.7. Ten aanzien van de vraag of pensioenfondsen kunnen worden aangesproken op grond van artikel (7A):1637ij BW overweegt de Commissie het volgende.
Een pensioenregeling wordt gerekend tot de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Het in artikel (7A):1637ij lid 1 BW neergelegde verbod om in de arbeidsvoorwaarden onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht tot de werkgever.
Genoemd artikel kent geen bepaling die de aansprakelijkheid van andere personen of organen dan de werkgever vestigt, wanneer het betreft de (uitvoering van) arbeidsvoorwaarden. Wat dit betreft zou de letterlijke wetstekst leiden tot de conclusie dat het handelen van een pensioenfonds zoals de wederpartij niet valt onder de reikwijdte van de wet en dat de wederpartij derhalve ook niet aangesproken zou kunnen worden op een mogelijk verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen. De Commissie m/v verklaarde zaken tegen pensioenfondsen aanvankelijk dan ook `kennelijk niet ontvankelijk’.
Vanaf 1 januari 1993 heeft de Commissie m/v deze zaken niet meer `kennelijk niet ontvankelijk’ maar `niet ontvankelijk’ verklaard. Uiterlijk met ingang van die datum had namelijk de uitvoeringswetgeving(Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de bovenwettelijke sociale zekerheid), Kamerstukken 20890.) naar aanleiding van de Vierde EG-richtlijn(Richtlijn 86/378/EEG 24 juli 1986, inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen inzake sociale zekerheid, nr.
225/40.) volgens de termijn voor tenuitvoerlegging die deze richtlijn gaf, in werking moeten zijn getreden. Deze uitvoeringswetgeving, die ook thans nog niet in werking is getreden, zal leiden tot wijziging van de wetgeving gelijke behandeling in die zin, dat ook anderen dan de werkgever aangesproken kunnen worden.
De Commissie m/v wees bij de niet ontvankelijkheidsverklaringen op het feit dat bij het EG-Hof enkele zaken aanhangig waren waarin de aansprakelijkheid van pensioenfondsen aan de orde was en op de mogelijkheid van de justitiabele voor de rechter wel een rechtstreeks beroep op artikel 119 EEG-Verdrag te doen. Zij achtte het echter niet zinvol met het uitspreken van een oordeel over de ontvankelijkheid van pensioenfondsen op de uitspraken van het EG-Hof te wachten, omdat zij het haar bevoegdheid te zeer te buiten vond gaan de groep van door de wetgever aangewezen wederpartijen uit te breiden (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeel 578B-94-45 d.d. 22 juni 1994).
De arresten van het EG-Hof in de zaken Vroege en Fisscher zijn gewezen nadat de Commissie m/v was opgeheven, zodat deze Commissie de bewoordingen waarin het EG-Hof over de aansprakelijkheid van het betreffende pensioenfonds heeft geoordeeld niet heeft kunnen meewegen.
4.8. Het EG-Hof is in eerdergenoemde zaak Fisscher onder meer de vraag voorgelegd of de uitvoerder en beheerder van de daar in geding zijnde regeling (het bedrijfspensioenfonds) gehouden is het in artikel 119 EEG-Verdrag vervatte beginsel van gelijke behandeling toe te passen en of de werknemer die benadeeld wordt door niet naleving van die norm het pensioenfonds rechtstreeks kan aanspreken alsof het de werkgever betreft.
Voor zover hier van belang overweegt het EG-Hof in rechtsoverweging 31 en 32 het volgende:
`Aangezien de beheerders van een pensioenregeling, ofschoon zij buiten de arbeidsverhouding staan, uitkeringen moeten betalen die een beloning in de zin van artikel 119 vormen, dienen zij deze bepaling na te leven door alles te doen wat binnen hun bevoegdheden valt, om ter zake de naleving van het beginsel van gelijkheid van behandeling te verzekeren, en moeten de bij de pensioenregeling aangesloten personen zich tegenover hen op deze bepaling kunnen beroepen. Aan het nuttig effect van artikel 119 zou in aanzienlijke mate afbreuk worden gedaan en de rechtsbescherming, die een daadwerkelijke gelijkheid vereist, zou ernstig worden aangetast, indien een werknemer deze bepaling enkel tegenover zijn werkgever kon inroepen en niet tegenover de beheerders van de regeling, die uitdrukkelijk zijn belast met de uitvoering van de verplichtingen van de werkgever.
Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat de beheerders van een bedrijfspensioenregeling evenals de werkgever gehouden zijn het bepaalde in artikel 119 na te leven en dat de gediscrimineerde werknemer zijn rechten rechtstreeks tegenover die beheerders kan doen gelden’.
4.9. Met verwijzing naar het onder 4.3. en 4.4 gestelde acht de Commissie zich gehouden om de wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de bewoordingen en objectieve doelstelling van artikel 119 EEG-Verdrag. De Commissie overweegt dat het EG-Hof -door de uitsluiting van pensioenfondsen te kwalificeren als een aanzienlijke mate van afbreuk aan het nuttig effect van genoemd verdragsartikel en als een ernstige aantasting van de rechtsbescherming- deze uitsluiting uitdrukkelijk in verband brengt met de objectieve doelstelling van artikel 119 EG-verdrag, in welk licht de Commissie de nationale wetgeving dient uit te leggen en toe te passen.
De Commissie overweegt dat de nationale wetgever met de specifieke regelgeving inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag en de daarop gebaseerde EG-Richtlijnen.
Mitsdien is de Commissie van oordeel, dat in het licht van genoemde uitspraken van het EG-Hof een pensioenfonds zoals de wederpartij evenals de werkgever wiens verplichting men uitvoert, aangesproken kan worden op grond van de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.
4.10. Ten aanzien van de vraag vanaf wanneer de aansluiting bij een pensioenregeling onder de norm van gelijke behandeling van de WGL en de daarop volgende wetgeving valt, overweegt de Commissie als volgt.
Aangezien deze wettelijke bepalingen voorrang hebben op hetgeen in de AWGB is neergelegd, gaat de Commissie niet nader in op de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder de reikwijdte van laatstgenoemde wet.
Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher aangegeven dat er voor het recht op aansluiting geen bijzondere beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), C-43/75, 8 april 1976, NJ 1976-510.), waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend, kan worden ingeroepen, ook ten aanzien van uitvoerders en beheerders van pensioenregelingen.
Gelet op het voorgaande kan de wederpartij in deze zaak worden aangesproken op grond van respectievelijk de WGL, althans vanaf 8 april 1976 (de datum van het Defrenne II-arrest), artikel 1637ij BW en artikel 7A:1637ij BW.
5. DE TUSSENBESLISSING VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar tussenbeslissing uit dat het handelen van het (…) te Amsterdam vanaf 8 april 1976 valt onder de reikwijdte van de Wet Gelijk Loon, artikel 1637ij Burgerlijk Wetboek en artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek en dat derhalve het verzoek van mevrouw (…) te Amsterdam in behandeling kan worden genomen.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd naar een functie in de invalpool van de
wederpartij. Zij heeft een gesprek gehad waarin haar een andere, tijdelijke,
functie is aangeboden. Verzoekster heeft het aanbod geaccepteerd, waarop de
wederpartij het aanbod introk in verband met verzoeksters zwangerschap.
Verzoekster is tevens te kennen gegeven dat zij in verband met haar
zwangerschap niet aangenomen kon worden voor de functie in de invalpool.
Door partijen is niet betwist dat er zowel ten aanzien van de functie in de
invalpool als ten aanzien van de in geding zijnde tijdelijke functie sprake
was van een vacature. De Commissie stelt dan ook vast dat bij beide functies
sprake was van een openstaande betrekking zoals bedoeld in artikel 3 van de
WGB.
Ten aanzien van de inhoud en de context van het gesprek overweegt de
Commissie als volgt. Vast staat dat het gesprek tussen verzoekster en het
afdelingshoofd betrekking had op een mogelijke vervulling van beide
vacatures. De stelling van verzoekster dat het afdelingshoofd haar in
voornoemd gesprek heeft meegedeeld te bezien of zij in de invalpool kon
worden opgenomen, is door de wederpartij niet betwist. Tevens is door het
afdelingshoofd de tijdelijke functie op de afdeling B6, welke met
onmiddellijke ingang zou kunnen worden vervuld, ter sprake gebracht.
Voorts moet worden vastgesteld dat naar aanleiding van het gesprek
verzoekster niet meegedeeld is dat zij formeel eerst zou moeten solliciteren,
maar dat zij voor beide functies is afgewezen.
Gelet op de inhoud en context van het gesprek tussen verzoekster en het
afdelingshoofd alsmede op de gevolgen naar aanleiding daarvan, is de
Commissie van oordeel dat bij beide functies sprake was van de behandeling
van de vervulling van een openstaande betrekking zoals bedoeld in artikel 3
WGB.
De Commissie merkt in dit verband op dat de tekst en de strekking van genoemd
wetsartikel niet nopen tot een zodanig beperkte interpretatie dat slechts die
gesprekken, die op grond van de procedureregels bij de wederpartij als
sollicitatiegesprek aangeduid kunnen worden, onder de reikwijdte vallen van
artikel 3 WGB.
Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat betreffende de tijdelijke
functie sprake was van een aanbod en dat – aangezien dit aanbod is
ingetrokken nadat verzoekster dit aanbod heeft geaccepteerd – sprake is van
een beëindiging van de dienstbetrekking, stelt de Commissie vast dat de
wederpartij zulks met klem ontkent. De verklaring van de getuige dat hij van
verzoekster heeft gehoord c.q. uit het telefonisch gesprek van verzoekster
met het afdelingshoofd heeft opgemaakt dat sprake was van een aanbod, acht de
Commissie in dit verband onvoldoende overtuigend. Omdat de Commissie niet kan
vaststellen dat in meergenoemd gesprek daadwerkelijk de tijdelijke functie is
aangeboden, is niet in geding of de wederpartij de arbeidsverhouding heeft
beëindigd en daarbij een verboden onderscheid heeft gemaakt.
Nu zowel ten aanzien van de tijdelijke functie op de afdeling B6 als ten
aanzien van de opname in de invalpool sprake is van de behandeling van de
vervulling van een openstaande betrekking zoals bedoeld in de WGB, stelt de
Commissie vast dat de wederpartij als reden voor de afwijzing van verzoekster
voor opname in de invalpool en mede als reden voor afwijzing voor de
tijdelijke functie, de inzetbaarheid van verzoekster in verband met haar
zwangerschap heeft aangegeven.
De Commissie is van oordeel dat de wederpartij jegens verzoekster een
verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 15 mei 1995 verzocht mevrouw (…) te Zwolle (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of R.K. Ziekenhuis De Weezenlanden te Zwolle (hierna:
de wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster heeft gesolliciteerd naar een functie in de invalpool van de
wederpartij. Zij heeft een gesprek gehad waarin haar een andere, tijdelijke,
functie is aangeboden. Verzoekster heeft het aanbod geaccepteerd, waarop de
wederpartij het aanbod introk in verband met verzoeksters zwangerschap.
Verzoekster is tevens te kennen gegeven dat zij in verband met haar
zwangerschap niet aangenomen kon worden voor de functie in de invalpool.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft de Commissie gevraagd om een spoedbehandeling.
Dit verzoek is door de Commissie afgewezen.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Zij zijn opgeroepen
voor een zitting op 17 september 1996. Verzoekster heeft daarbij een getuige
en een getuige-deskundige meegebracht teneinde hen door de Commissie te doen
horen.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…) (getuige)
– dhr. (…) (getuige-deskundige)
– dhr. (…) (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (hoofd afdeling B6)
– dhr. mr. A.H. Cante (gemachtigde)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij is een ziekenhuis. Verzoekster heeft in het verleden als
verpleegkundige bij de invalpool van de wederpartij gewerkt. Verzoekster
heeft de wederpartij op 16 april 1996 verzocht om opnieuw in de invalpool te
kunnen worden opgenomen. Het ging daarbij om de invalpool voor de zogenaamde
interne afdelingen. Haar is door de afdeling personeelszaken van de
wederpartij meegedeeld dat ze hierover contact zou moeten opnemen met een van
de hoofden van de interne afdelingen.
Tijdens het gesprek dat verzoekster diezelfde dag met het hoofd van afdeling
B6 (hierna: het afdelingshoofd) over opname in de invalpool heeft gehad, is
een andere vacature aan de orde gekomen. Deze vacature betrof een functie van
leerling-verpleegkundige voor tweeëneenhalve maand. Verzoekster heeft
vervolgens naar aanleiding van de vraag of zij kinderen had, verteld dat zij
zwanger was.
Verzoekster is afgewezen voor opname in de invalpool en is evenmin in
aanmerking gekomen voor de tijdelijke functie bij de wederpartij.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster heeft op de afdeling B6 bij de teamleider geïnformeerd naar de
mogelijkheid om opnieuw in de invalpool te worden opgenomen. Deze heeft haar
verwezen naar de afdeling personeelszaken. Toen verzoekster deze teamleider
vroeg wat de mogelijkheden waren, opperde deze iets over werkzaamheden voor
de duur van tweeëneenhalve maand. Voor deze tijdelijk functie moest
verzoekster zich volgens hem tot het afdelingshoofd wenden. Verzoekster heeft
telefonisch contact opgenomen met de afdeling personeelszaken. Zij werd
verwezen naar het afdelingshoofd.
Tijdens het gesprek dat verzoekster met het afdelingshoofd heeft gevoerd,
bleek dat op die afdeling per direct gedurende tweeëneenhalve maand behoefte
bestond aan een fulltime (leerling-) verpleegkundige. Verzoekster werd
aangeboden deze functie te vervullen en zou, aldus het afdelingshoofd, op die
manier ingewerkt raken op de afdeling en ervaring opdoen. Na afloop van de
termijn zou verzoekster dan kunnen doorstromen naar de invalpool. Daarna
vroeg het afdelingshoofd verzoekster of zij kinderen had. Verzoekster heeft
daarop verteld dat zij drie maanden zwanger was. Het afdelingshoofd heeft
verzoekster vervolgens geadviseerd om eerst goed over het aanbod na te
denken.
Gelet op haar zwangerschap was het maar de vraag of verzoekster het op de
afdeling vol zou kunnen houden. Het afdelingshoofd heeft haar verzocht de
volgende dag mee te delen wat haar reactie op het aanbod was.
Verzoekster heeft de volgende dag gebeld en het aanbod geaccepteerd. Het
afdelingshoofd gaf echter te kennen dat zij het vanwege verzoeksters
zwangerschap toch geen goed besluit vond om verzoekster aan te nemen. Het
werk op de afdeling zou zwaar vermoeiend zijn. Twee vrouwen die op de
afdeling gewerkt hadden, hadden een miskraam gekregen. Het afdelingshoofd
wilde daarom geen risico nemen. De afdeling zou met een probleem zitten als
verzoekster uit zou vallen. Bovendien zou verzoekster, wanneer de
zwangerschap drie maanden had geduurd, volgens de CAO geen nachtdienst meer
mogen draaien. Het afdelingshoofd gaf in dat verband de voorkeur aan iemand
die alle diensten mee kon draaien.
Verzoekster heeft aangegeven met de herroeping van het aanbod niet akkoord te
gaan. Het afdelingshoofd heeft vervolgens toegezegd zich ervoor in te spannen
dat verzoekster wel in de invalpool zou worden opgenomen. Het afdelingshoofd
zou het clusterhoofd hierover benaderen.
De daaropvolgende dag is verzoekster meegedeeld dat zij niet zou worden
aangenomen, hoewel er wel mensen nodig waren voor de invalpool. De reden
hiervoor was gelegen in de beperkte inzetbaarheid vanwege haar zwangerschap.
Na de bevalling zou zij wel in de invalpool kunnen worden opgenomen.
Bij de tijdelijke functie op de afdeling B6 is volgens verzoekster door het
accepteren van het aanbod een overeenkomst tot stand gekomen. Herroeping van
het aanbod nadien vanwege de inzetbaarheid van verzoekster door haar
zwangerschap brengt met zich mee, dat de wederpartij een tot stand gekomen
arbeidsovereenkomst in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
beëindigd.
Betreffende de opname in de invalpool is volgens verzoekster sprake van
onderscheid bij het aangaan van een overeenkomst.
Het hoofd van de afdeling personeelszaken van de wederpartij heeft
verzoekster meegedeeld dat de gang van zaken rond de vacature op de afdeling
B6 niet juist was geweest. Nadat verzoekster vertelde dat zij contact had
opgenomen met het Bureau voor Rechtshulp heeft het hoofd van de afdeling
personeelszaken aangegeven dat zij, door die kant op te willen, de kans liep
nooit bij de wederpartij in dienst te kunnen komen.
3.3. De wederpartij stelt het volgende.
Verzoeksters klacht is gebaseerd op het gesprek dat zij met het
afdelingshoofd heeft gehad. Dit gesprek had een oriënterend karakter. Er was
geen sprake van een sollicitatiegesprek. Voor een sollicitatiegesprek met
externe medewerkers zoals verzoekster gelden bij de wederpartij strikte
procedures waarbij anderen dan het afdelingshoofd betrokken zijn.
Externe medewerkers die invalkracht willen worden dienen in principe een
sollicitatiebrief te versturen of een sollicitatieformulier in te vullen.
Vervolgens vindt een sollicitatiegesprek plaats met twee afdelingshoofden van
het betreffende cluster. Kandidaten worden door de afdeling personeelszaken
uitgenodigd. Personeelszaken is in principe niet bij de gesprekken voor
invalkrachten aanwezig, wel bij alle andere sollicitatiegesprekken.
Het is een afdelingshoofd niet toegestaan zelf toezeggingen te doen.
Verzoekster zou dit moeten weten, gelet op het feit dat zij vroeger in dienst
van de wederpartij is geweest. Het afdelingshoofd kan dan ook niet de indruk
gewekt hebben dat zij de bevoegdheid had om de wederpartij tegenover
verzoekster te binden. Het afdelingshoofd heeft ook geen uitlatingen gedaan
op grond waarvan het aannemelijk zou zijn dat er sprake was van een
sollicitatie. Zij heeft verzoekster geadviseerd niet te solliciteren.
Aangezien de wederpartij niet met verzoekster in een rechtens relevante
relatie is getreden, kan de klacht van verzoekster geen doel treffen.
Ten aanzien van de verklaring van de getuige-deskundige stelt de wederpartij
dat met betrekking tot interne medewerkers (waaronder mensen die reeds in de
invalpool werkzaam zijn) andere sollicitatieprocedures gelden dan met
betrekking tot externe medewerkers. Verzoekster behoorde echter tot de
laatste categorie.
Ten aanzien van opname in de invalpool stelt de wederpartij dat in het
bewuste gesprek tussen verzoekster en het afdelingshoofd is gezegd dat er
mogelijk een plaats zou zijn. Dit is echter gedaan onder de voorwaarde dat
sprake moest zijn van een dadelijke en volledige inzetbaarheid. De
wederpartij is van mening dat zo’n voorwaarde niet discriminerend is en dat
verzoekster, voorzover er sprake was van een sollicitatiegesprek, niet
vanwege haar zwangerschap is afgewezen maar vanwege het feit dat ze niet aan
deze voorwaarden kon voldoen.
Ten aanzien van de tijdelijke functie stelt het afdelingshoofd ter zitting
dat verzoekster geen ervaring had met werkzaamheden op een afdeling als de
hare. Bij dit gebrek aan ervaring kwam dat verzoekster vanwege haar
zwangerschap geen nachtdiensten hoefde te draaien. Haar inzetbaarheid was dus
niet de hoofdreden, maar speelde wel mede een rol, onder andere vanwege de
planning van 24-uursdiensten.
Er was sprake van een toevallige ontmoeting met een voor het afdelingshoofd
onbekende, van wie zij niet eens wist of zij wel verpleegkundige was. Het was
geen sollicitatiegesprek, maar een mogelijke aanzet voor een procedure. Als
de sollicitatieprocedure met verzoekster in gang was gezet, zou het
afdelingshoofd de afdeling personeelszaken hebben gebeld om informatie over
verzoekster te verkrijgen.
3.4. Verklaring van de getuige van de kant van verzoekster.
De getuige is de echtgenoot van verzoekster. Hij bevestigt dat laatstgenoemde
na overleg met de afdeling personeelszaken van de wederpartij diezelfde dag
een gesprek had met het afdelingshoofd over een plaats in de invalpool.
Tijdens dat gesprek kwam een functie voor de duur van tweeëneenhalve maand
aan de orde. Verzoekster heeft die functie aangeboden gekregen en bevestigde
de volgende dag dat ze dit werk graag wilde doen. De getuige begreep uit de
verontwaardigde reacties van verzoekster tijdens het telefonisch onderhoud
met het afdelingshoofd, dat het aanbod werd ingetrokken.
3.5. Verklaring van de getuige-deskundige van de kant van verzoekster.
De getuige-deskundige is sinds november 1995 secretaris van de
ondernemingsraad bij de wederpartij. Hij stelt dat het voor tijdelijke
contracten van slechts een aantal maanden bij interne vacatures
ongebruikelijk is dat een vacaturestelling plaatsvindt. Met name in de
zomermaanden wordt personeel aangenomen om zoveel mogelijk vast personeel in
voor hun gunstige perioden vakantie te kunnen geven. Het komt voor dat,
indien een tijdelijke kracht nodig is, dit aan de afdeling personeelszaken
wordt voorgelegd of aan het afdelingshoofd. Als de laatste iemand kent
(meestal uit de invalpool), wordt deze benaderd. Personeelszaken weet
daarvan, nadat het afdelingshoofd heeft gezegd dat het rond is. Het is
gebruikelijk dat het hoofd van een afdeling hierin een beslissende rol heeft
en dat de taak van de afdeling personeelszaken slechts beperkt is tot het
opstellen van een contract.
De getuige-deskundige bevestigt de weergave van de wederpartij van de
procedure bij externe medewerkers. Tevens erkent hij dat verzoekster niet als
interne maar als externe medewerker dient te worden beschouwd.
Ten aanzien van de inzetbaarheid van zwangere personeelsleden bevestigt de
getuige-deskundige dat zij volgens de CAO vanaf de tijd dat zij drie maanden
zwanger zijn niet in de nachtdienst hoeven te werken. Hij verklaart echter
dat het voorkomt dat vrouwen die zes maanden zwanger zijn toch nog in de
nachtdienst werken. Indien vrouwen dit niet willen zijn zij daartoe niet
verplicht. Zolang zij er zelf echter geen probleem mee hebben, kunnen zij in
de nachtdienst werkzaam zijn.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
– door haar niet in aanmerking te laten komen voor een tijdelijke functie op
afdeling B6;
– door haar niet in aanmerking te laten komen voor opname in de invalpool.
4.2. Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
bepaalt dat het niet is toegelaten bij de aanbieding van een betrekking of
bij de behandeling van de vervulling van een openstaande betrekking
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
In artikel 1 WGB wordt bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
direct en indirect onderscheid moet worden verstaan. Onder direct onderscheid
op grond van geslacht wordt volgens dit wetsartikel mede verstaan onderscheid
op grond van zwangerschap.
Ook indien zwangerschap niet de enige of doorslaggevende reden is geweest
voor het gemaakte onderscheid maar daarbij mede een rol heeft gespeeld, is
volgens vaste jurisprudentie van de Commissie in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling van mannen en vrouwen gehandeld (Zie bijvoorbeeld
Commissie gelijke behandeling, 17 april 1996, oordeelnummer 96-26 en 5 juli
1996, oordeelnummer 96-57).
De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof als een onlosmakelijk
en onvermijdelijk gevolg van de zwangerschap beschouwd moet worden en
daardoor op een lijn gesteld moet worden met de zwangerschap zelf (Commissie
gelijke behandeling, 17 april 1996, oordeelnummer 96-26 en 13 november 1995,
oordeelnummer 95-47. In overeenkomstige zin: Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, 8 november 1990, Dekker versus Stichting Vormingscentrum voor
Jong Volwassenen VJV-centrum, zaaknummer C-177/88, Jur. 1990, 3941 en in
dezelfde zaak Hoge Raad, 13 september 1991, NJ 1992, 855). Onderscheid op
grond van beperkte inzetbaarheid vanwege zwangerschap en bevalling komt
derhalve overeen met direct onderscheid.
4.3. De Commissie zal allereerst ingaan op de vraag of de klacht onder de
reikwijdte van de WGB valt gelet op het verweer van de wederpartij,
inhoudende dat geen sprake was van een sollicitatiegesprek en dat derhalve
ook geen onderscheid in de zin van de wet gemaakt kan zijn.
Door partijen is niet betwist dat er zowel ten aanzien van de functie in de
invalpool als ten aanzien van de in geding zijnde tijdelijke functie sprake
was van een vacature. De Commissie stelt dan ook vast dat bij beide functies
sprake was van een openstaande betrekking zoals bedoeld in artikel 3 van de
WGB.
Ten aanzien van de inhoud en de context van het gesprek overweegt de
Commissie als volgt. Vast staat dat het gesprek tussen verzoekster en het
afdelingshoofd betrekking had op een mogelijke vervulling van beide
vacatures. De stelling van verzoekster dat het afdelingshoofd haar in
voornoemd gesprek heeft meegedeeld te bezien of zij in de invalpool kon
worden opgenomen, is door de wederpartij niet betwist. Tevens is door het
afdelingshoofd de tijdelijke functie op de afdeling B6, welke met
onmiddellijke ingang zou kunnen worden vervuld, ter sprake gebracht.
Voorts moet worden vastgesteld dat naar aanleiding van het gesprek
verzoekster niet meegedeeld is dat zij formeel eerst zou moeten solliciteren,
maar dat zij voor beide functies is afgewezen.
Gelet op de inhoud en context van het gesprek tussen verzoekster en het
afdelingshoofd alsmede op de gevolgen naar aanleiding daarvan, is de
Commissie van oordeel dat bij beide functies sprake was van de behandeling
van de vervulling van een openstaande betrekking zoals bedoeld in artikel 3
WGB.
De Commissie merkt in dit verband op dat de tekst en de strekking van genoemd
wetsartikel niet nopen tot een zodanig beperkte interpretatie dat slechts die
gesprekken, die op grond van de procedureregels bij de wederpartij als
sollicitatiegesprek aangeduid kunnen worden, onder de reikwijdte vallen van
artikel 3 WGB.
4.4. Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat betreffende de
tijdelijke functie sprake was van een aanbod en dat – aangezien dit aanbod is
ingetrokken nadat verzoekster dit aanbod heeft geaccepteerd – sprake is van
een beëindiging van de dienstbetrekking, stelt de Commissie vast dat de
wederpartij zulks met klem ontkent. De verklaring van de getuige dat hij van
verzoekster heeft gehoord c.q. uit het telefonisch gesprek van verzoekster
met het afdelingshoofd heeft opgemaakt dat sprake was van een aanbod, acht de
Commissie in dit verband onvoldoende overtuigend. Omdat de Commissie niet kan
vaststellen dat in meergenoemd gesprek daadwerkelijk de tijdelijke functie is
aangeboden, is niet in geding of de wederpartij de arbeidsverhouding heeft
beëindigd en daarbij een verboden onderscheid heeft gemaakt.
4.5. Nu zowel ten aanzien van de tijdelijke functie op de afdeling B6 als ten
aanzien van de opname in de invalpool sprake is van de behandeling van de
vervulling van een openstaande betrekking zoals bedoeld in de WGB, stelt de
Commissie vast dat de wederpartij als reden voor de afwijzing van verzoekster
voor opname in de invalpool en mede als reden voor afwijzing voor de
tijdelijke functie, de inzetbaarheid van verzoekster in verband met haar
zwangerschap heeft aangegeven.
Gelet op het gestelde onder 4.2. is de Commissie van oordeel dat de
wederpartij hiermee jegens verzoekster een verboden onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Zwolle jegens mevrouw
(…) te Zwolle
– door haar niet in aanmerking te laten komen voor een tijdelijke functie en
– door haar niet in aanmerking te laten komen voor opname in de invalpool
direct onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in artikel
3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en derhalve in
strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. L.M. Moerings(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster en haar voormalige vrouwelijke partner waren ieder voor de
onverdeelde helft eigenaar van een woning. Na de beëindiging van hun relatie
heeft de partner van verzoekster haar deel van de woning aan verzoekster
verkocht. Verzoekster heeft ten aanzien van deze transactie een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting door de wederpartij
opgelegd gekregen. Zij is van mening dat de wederpartij daarmee onderscheid
naar burgerlijke staat en naar homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt als
bedoeld in de AWGB.
De Commissie stelt vast dat, indien sprake is van een
huwelijksgoederengemeenschap en indien op grond van de verdeling van die
huwelijksgoederengemeenschap een onroerende zaak door een van de partners
verkregen wordt, krachtens de WBR geen overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Tevens moet worden geconstateerd dat – naast diegenen die niet in gemeenschap
van goederen zijn gehuwd – ongehuwden deze belasting wel verschuldigd zijn.
Daargelaten de vraag of in deze sprake is van direct of indirect onderscheid,
concludeert de Commissie dat sprake is van onderscheid op grond van
burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.
De Commissie stelt tevens vast dat de wederpartij belast is met het toepassen
van de WBR en dat haar handelen jegens verzoekster in dat kader heeft
plaatsgevonden. Genoemde wet is in werking getreden in 1970. Ingevolge
artikel 4 onderdeel c van de AWGB wordt onderscheid, dat gemaakt wordt bij of
krachtens een andere wet die voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden,
onverlet gelaten. Aangezien de AWGB in 1994 in werking is getreden,
concludeert de Commissie dat de wederpartij niet in strijd heeft gehandeld
met laatstgenoemde wet.
Verzoekster stelt dat het verbod op het maken van onderscheid zoals
neergelegd in artikel 7 AWGB zich tevens richt tot derden, die geen partij
zijn bij het sluiten of uitvoeren van de in dit artikel bedoelde
overeenkomst. Ook indien dit juist zou zijn, moet worden geconstateerd dat in
deze zaak niet de koopovereenkomst en de betrokkenheid van de wederpartij
daarbij centraal staat, maar het opleggen van een aanslag ingevolge de
overdrachtsbelasting en de aard van dit handelen.
Het opleggen van een naheffingsaanslag betreft een handelen van de openbare
dienst, waardoor eenzijdig rechten en plichten van burgers worden bepaald.
Zoals de Commissie eerder heeft geoordeeld, valt een dergelijk handelen niet
onder de werkingssfeer van artikel 7 AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 1 november 1995 verzocht mevrouw (…) te Utrecht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of de Inspecteur der Belastingen Registratie en Successie te
Utrecht (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).
1.2. Verzoekster en haar voormalige vrouwelijke partner waren ieder voor de
onverdeelde helft eigenaar van een woning. Na de beëindiging van hun relatie
heeft de partner van verzoekster haar deel van de woning aan verzoekster
verkocht. Verzoekster heeft ten aanzien van deze transactie een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting door de wederpartij
opgelegd gekregen. Zij is van mening dat de wederpartij daarmee onderscheid
naar burgerlijke staat en naar homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt als
bedoeld in de AWGB.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten
schriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 3 september 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (juridisch medewerker bij de wederpartij)
– mw. (…) (medewerker bij het Ministerie van Financiën)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
De feiten
3.1. Verzoekster kocht tezamen met twee anderen in 1979 een huis om dit
gezamenlijk te bewonen. Deze twee huisgenoten verkochten bij hun vertrek hun
deel in de woning aan verzoekster. Verzoekster woonde daarna in het
betreffende pand samen met haar vrouwelijke partner. Zij waren ieder voor de
helft eigenaar van het woonhuis. Na de beëindiging van de relatie heeft de
partner van verzoekster haar deel van de woning aan verzoekster verkocht. De
wederpartij heeft verzoekster ten aanzien van deze transactie een
naheffingsaanslag van ƒ 9.600,– ingevolge de overdrachtsbelasting opgelegd.
Verzoekster heeft tegen het opleggen van de naheffingsaanslag een
bezwaarschrift ingediend bij de wederpartij. Daarop is afwijzend beslist.
Tegen deze afwijzende beschikking is verzoekster in beroep gegaan bij de
Belastingkamer van het Gerechtshof te Arnhem. Op het beroepschrift is ten
tijde van de zitting van de Commissie nog niet beslist.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Gehuwde partners hoeven na een echtscheiding bij verdeling van de
gemeenschappelijke boedel geen overdrachtsbelasting te betalen. Verzoekster
krijgt na de beëindiging van de relatie met haar vrouwelijke partner echter
wel een naheffingsaanslag. Daarmee maakt de wederpartij jegens haar direct
onderscheid op grond van burgerlijke staat en indirect onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid.
3.3. Artikel 7 AWGB verbiedt het maken van onderscheid bij het sluiten en
uitvoeren van overeenkomsten terzake van goederen en diensten. Het
onderscheid jegens verzoekster wordt gemaakt bij het sluiten en/of uitvoeren
van een overeenkomst ter zake van een onroerende zaak. De aanslag is immers
opgelegd wegens de overdracht van een woning, welke overdracht is geschied
ter uitvoering van een koopovereenkomst.
Uit de bewoordingen van artikel 7 blijkt niet dat het onderscheid moet zijn
gemaakt door degenen die partij waren bij de overeenkomst. Uit de
wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1991-1992, nummer 5, pagina 87) blijkt dat
het verbod van artikel 7 AWGB niet beperkt is tot het maken van onderscheid
bij het sluiten, uitvoeren en beëindigen door degene die de goederen en
diensten aanbiedt.
Ten aanzien van de interpretatie van het begrip `bij’ in de tekst van artikel
7 AWGB wijst de wederpartij op een eerder oordeel van de Commissie (23
november 1995, oordeelnummer 95-42). Volgens de wederpartij heeft de
Commissie daarbij het begrip `bij’ in artikel 5 AWGB ruim uitgelegd, in die
zin dat het verbod om onderscheid te maken `bij de arbeidsvoorwaarden’ zich
niet alleen richt tot de werkgever maar ook tot het pensioenfonds.
Analoog hieraan kan het verbod op het maken van onderscheid `bij’ het
sluiten, uitvoeren en beëindigen van een overeenkomst ook betrekking hebben
op de wederpartij in deze zaak.
3.4. Ten aanzien van het standpunt van de wederpartij dat, voor zover sprake
zou zijn van onderscheid, dit onderscheid onverlet moet worden gelaten omdat
de wederpartij de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) uitvoert
die dateert van voor de inwerkingtreding van de AWGB, stelt verzoekster dat
eerstgenoemde wet tot stand gekomen is in een tijd waarin van het toekennen
van gelijke rechten geen sprake was. Ook wijst verzoekster er op dat mensen
van gelijk geslacht niet met elkaar kunnen trouwen en niet in gemeenschap van
goederen kunnen leven.
3.5. De wederpartij stelt ten aanzien van de reikwijdte van artikel 7 AWGB
het volgende.
Het opleggen van een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting valt niet onder
het bereik van artikel 7 AWGB. Door het opleggen van deze aanslag biedt de
belastingdienst geen goederen of diensten aan en is evenmin sprake van het
sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten. De belastingdienst is
geen partij bij de overeenkomst die verzoekster heeft gesloten en ook niet
bij de uitvoering hiervan betrokken. Bij de heffing van de
overdrachtsbelasting wordt zelfs niet aangesloten bij die overeenkomst.
Overdrachtsbelasting is verschuldigd ter zake van de verkrijging van een
onroerende zaak. Aan die verkrijging verbindt de wet fiscale consequenties,
namelijk het opleggen door de wederpartij van een naheffingsaanslag
overdrachtsbelasting.
De uitspraak van de Commissie waarop verzoekster een beroep doet, is voor de
uitleg van het begrip `bij’ in artikel 7 AWGB niet relevant, aangezien deze
uitspraak betrekking heeft op artikel 5 AWGB en derhalve een heel andere
context betreft. Ook ging het in genoemde uitspraak om een pensioenfonds dat
direct betrokken is bij de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Gelet op deze
directe betrokkenheid van het pensioenfonds kan het handelen van die
wederpartij in dit opzicht worden getoetst aan artikel 5 AWGB. De
belastingdienst is echter in het geheel niet betrokken bij de totstandkoming
van de overeenkomst.
De wederpartij wijst in dit verband ook op de wetsgeschiedenis van de AWGB.
Een van de amendementen betrof de uitbreiding van de werkingssfeer van
artikel 7 AWGB tot onderscheid door de openbare dienst bij het nemen van
besluiten en het verrichten van andere handelingen dan die waarbij de
overheid handelt als werkgever en als aanbieder van goederen en diensten. Uit
de toelichting op dit amendement blijkt, dat de reikwijdte van artikel 7 AWGB
zich niet uitstrekt tot handelingen van een bestuursorgaan die een
noodzakelijk gevolg zijn van uitvoering van wettelijke taken. De wederpartij
acht de Commissie op grond van het bovenstaande niet bevoegd.
3.6. Ten aanzien van de vraag of sprake is van onderscheid als bedoeld in de
AWGB stelt de wederpartij het volgende.
Indien men gehuwd is in gemeenschap van goederen en op grond van de verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap een onroerende zaak verkrijgt, dan is met
betrekking tot deze verkrijging geen overdrachtsbelasting verschuldigd (art.
3 WBR). Indien men niet in gemeenschap van goederen is gehuwd, en ook in de
situatie dat men niet gehuwd is, geldt artikel 3 WBR niet. In dat geval is
overdrachtsbelasting verschuldigd bij de verkrijging van een onroerende zaak
krachtens verdeling, tenzij de vrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel g
WBR van toepassing is. Voor de toepassing van laatstgenoemd artikel dient
onder meer aan de voorwaarde te zijn voldaan dat de onverdeeldheid is
ontstaan door een gezamenlijke verkrijging. Aan deze voorwaarde wordt in
geval van verzoekster niet voldaan.
De wederpartij stelt dat hieruit blijkt dat de seksuele gerichtheid niet van
belang is, maar wel de wijze van eigendomsverkrijging van onroerende zaken en
de daarop volgende verdeling daarvan.
Aangezien huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht niet mogelijk
zijn, staat voor deze vorm van `partnerschap’ de mogelijkheid van artikel 3
WBR niet open. Voor het geval hierin een element van ongelijkheid in zou
zitten, wijst de wederpartij op artikel 4 onderdeel c AWGB, dat vermeldt dat
het onderscheid dat gemaakt wordt krachtens enige wet, die voorafgaande aan
de AWGB in werking is getreden, door de AWGB onverlet wordt gelaten. De WBR
is in 1970 in werking getreden, dus ruim voor de inwerkingtreding van de AWGB
(1994).
4. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door het opleggen van een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting jegens verzoekster
onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid heeft
gemaakt en daarmee heeft gehandeld in strijd met de AWGB.
Artikel 7 lid 1 onderdeel b AWGB verbiedt onder meer het maken van
onderscheid bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten of
uitvoeren van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt door de openbare
dienst (Het begrip `openbare dienst’ heeft de (ruime) betekenis van de Staat
en de andere openbare lichamen als provincie, gemeenten en waterschappen,
alsmede de door deze beheerde instellingen en bedrijven. (Tweede Kamer,
1990-1991, 22014, nummer 3, pagina 20 en 21)).
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid naar burgerlijke staat en
homoseksuele gerichtheid zowel direct als indirect onderscheid begrepen
wordt.
In artikel 2 lid 1 AWGB is bepaald dat het in deze wet neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.
In artikel 4 onderdeel c AWGB is bepaald dat de AWGB onverlet laat
onderscheid, dat gemaakt wordt bij of krachtens enige andere wet die
voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden.
4.2. De Commissie stelt vast dat, indien sprake is van een
huwelijksgoederengemeenschap en indien op grond van de verdeling van die
huwelijksgoederengemeenschap een onroerende zaak door een van de partners
verkregen wordt, krachtens de WBR geen overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Tevens moet worden geconstateerd dat – naast diegenen die niet in gemeenschap
van goederen zijn gehuwd – ongehuwden deze belasting wel verschuldigd zijn.
Daargelaten de vraag of in deze sprake is van direct of indirect onderscheid,
concludeert de Commissie dat sprake is van onderscheid op grond van
burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.
De Commissie stelt tevens vast dat de wederpartij belast is met het toepassen
van de WBR en dat haar handelen jegens verzoekster in dat kader heeft
plaatsgevonden. Genoemde wet is in werking getreden in 1970. Ingevolge
artikel 4 onderdeel c van de AWGB wordt onderscheid, dat gemaakt wordt bij of
krachtens een andere wet die voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden,
onverlet gelaten. Aangezien de AWGB in 1994 in werking is getreden,
concludeert de Commissie dat de wederpartij niet in strijd heeft gehandeld
met laatstgenoemde wet.
4.3. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder
de reikwijdte van artikel 7 van de AWGB merkt de Commissie het volgende op.
Verzoekster stelt dat het verbod op het maken van onderscheid zoals
neergelegd in artikel 7 AWGB zich tevens richt tot derden, die geen partij
zijn bij het sluiten of uitvoeren van de in dit artikel bedoelde
overeenkomst. Ook indien dit juist zou zijn, moet worden geconstateerd dat in
deze zaak niet de koopovereenkomst en de betrokkenheid van de wederpartij
daarbij centraal staat, maar het opleggen van een aanslag ingevolge de
overdrachtsbelasting en de aard van dit handelen.
Het opleggen van een naheffingsaanslag betreft een handelen van de openbare
dienst, waardoor eenzijdig rechten en plichten van burgers worden bepaald.
Zoals de Commissie eerder heeft geoordeeld, valt een dergelijk handelen niet
onder de werkingssfeer van artikel 7 AWGB (Zie in dit verband ook- Commissie
gelijke behandeling, 15 januari 1996, oordeelnummer 96-2 en- Commissie
gelijke behandeling, 25 juni 1996, oordeelnummer 96-43. – Tweede Kamer,
1992-1993, 22014, nummer 29. Handelingen Tweede Kamer, 11 februari 1993,
pagina 48-3568 pagina 48-3593 tot en met 3595).
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Inspecteur der Belastingen
Registratie en Successie te Utrecht, door mevrouw (…) te Utrecht een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting op te leggen, op grond
van de uitzondering van artikel 4 onderdeel c Algemene wet gelijke
behandeling niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster en haar voormalige vrouwelijke partner waren ieder voor de
onverdeelde helft eigenaar van een woning. Na de beëindiging van hun relatie
heeft de partner van verzoekster haar deel van de woning aan verzoekster
verkocht. Verzoekster heeft ten aanzien van deze transactie een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting door de wederpartij
opgelegd gekregen. Zij is van mening dat de wederpartij daarmee onderscheid
naar burgerlijke staat en naar homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt als
bedoeld in de AWGB.
De Commissie stelt vast dat, indien sprake is van een
huwelijksgoederengemeenschap en indien op grond van de verdeling van die
huwelijksgoederengemeenschap een onroerende zaak door een van de partners
verkregen wordt, krachtens de WBR geen overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Tevens moet worden geconstateerd dat – naast diegenen die niet in gemeenschap
van goederen zijn gehuwd – ongehuwden deze belasting wel verschuldigd zijn.
Daargelaten de vraag of in deze sprake is van direct of indirect onderscheid,
concludeert de Commissie dat sprake is van onderscheid op grond van
burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.
De Commissie stelt tevens vast dat de wederpartij belast is met het toepassen
van de WBR en dat haar handelen jegens verzoekster in dat kader heeft
plaatsgevonden. Genoemde wet is in werking getreden in 1970. Ingevolge
artikel 4 onderdeel c van de AWGB wordt onderscheid, dat gemaakt wordt bij of
krachtens een andere wet die voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden,
onverlet gelaten. Aangezien de AWGB in 1994 in werking is getreden,
concludeert de Commissie dat de wederpartij niet in strijd heeft gehandeld
met laatstgenoemde wet.
Verzoekster stelt dat het verbod op het maken van onderscheid zoals
neergelegd in artikel 7 AWGB zich tevens richt tot derden, die geen partij
zijn bij het sluiten of uitvoeren van de in dit artikel bedoelde
overeenkomst. Ook indien dit juist zou zijn, moet worden geconstateerd dat in
deze zaak niet de koopovereenkomst en de betrokkenheid van de wederpartij
daarbij centraal staat, maar het opleggen van een aanslag ingevolge de
overdrachtsbelasting en de aard van dit handelen.
Het opleggen van een naheffingsaanslag betreft een handelen van de openbare
dienst, waardoor eenzijdig rechten en plichten van burgers worden bepaald.
Zoals de Commissie eerder heeft geoordeeld, valt een dergelijk handelen niet
onder de werkingssfeer van artikel 7 AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 1 november 1995 verzocht mevrouw (…) te Utrecht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of de Inspecteur der Belastingen Registratie en Successie te
Utrecht (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna: AWGB).
1.2. Verzoekster en haar voormalige vrouwelijke partner waren ieder voor de
onverdeelde helft eigenaar van een woning. Na de beëindiging van hun relatie
heeft de partner van verzoekster haar deel van de woning aan verzoekster
verkocht. Verzoekster heeft ten aanzien van deze transactie een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting door de wederpartij
opgelegd gekregen. Zij is van mening dat de wederpartij daarmee onderscheid
naar burgerlijke staat en naar homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt als
bedoeld in de AWGB.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten
schriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 3 september 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (juridisch medewerker bij de wederpartij)
– mw. (…) (medewerker bij het Ministerie van Financiën)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
De feiten
3.1. Verzoekster kocht tezamen met twee anderen in 1979 een huis om dit
gezamenlijk te bewonen. Deze twee huisgenoten verkochten bij hun vertrek hun
deel in de woning aan verzoekster. Verzoekster woonde daarna in het
betreffende pand samen met haar vrouwelijke partner. Zij waren ieder voor de
helft eigenaar van het woonhuis. Na de beëindiging van de relatie heeft de
partner van verzoekster haar deel van de woning aan verzoekster verkocht. De
wederpartij heeft verzoekster ten aanzien van deze transactie een
naheffingsaanslag van ƒ 9.600,– ingevolge de overdrachtsbelasting opgelegd.
Verzoekster heeft tegen het opleggen van de naheffingsaanslag een
bezwaarschrift ingediend bij de wederpartij. Daarop is afwijzend beslist.
Tegen deze afwijzende beschikking is verzoekster in beroep gegaan bij de
Belastingkamer van het Gerechtshof te Arnhem. Op het beroepschrift is ten
tijde van de zitting van de Commissie nog niet beslist.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Gehuwde partners hoeven na een echtscheiding bij verdeling van de
gemeenschappelijke boedel geen overdrachtsbelasting te betalen. Verzoekster
krijgt na de beëindiging van de relatie met haar vrouwelijke partner echter
wel een naheffingsaanslag. Daarmee maakt de wederpartij jegens haar direct
onderscheid op grond van burgerlijke staat en indirect onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid.
3.3. Artikel 7 AWGB verbiedt het maken van onderscheid bij het sluiten en
uitvoeren van overeenkomsten terzake van goederen en diensten. Het
onderscheid jegens verzoekster wordt gemaakt bij het sluiten en/of uitvoeren
van een overeenkomst ter zake van een onroerende zaak. De aanslag is immers
opgelegd wegens de overdracht van een woning, welke overdracht is geschied
ter uitvoering van een koopovereenkomst.
Uit de bewoordingen van artikel 7 blijkt niet dat het onderscheid moet zijn
gemaakt door degenen die partij waren bij de overeenkomst. Uit de
wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 1991-1992, nummer 5, pagina 87) blijkt dat
het verbod van artikel 7 AWGB niet beperkt is tot het maken van onderscheid
bij het sluiten, uitvoeren en beëindigen door degene die de goederen en
diensten aanbiedt.
Ten aanzien van de interpretatie van het begrip `bij’ in de tekst van artikel
7 AWGB wijst de wederpartij op een eerder oordeel van de Commissie (23
november 1995, oordeelnummer 95-42). Volgens de wederpartij heeft de
Commissie daarbij het begrip `bij’ in artikel 5 AWGB ruim uitgelegd, in die
zin dat het verbod om onderscheid te maken `bij de arbeidsvoorwaarden’ zich
niet alleen richt tot de werkgever maar ook tot het pensioenfonds.
Analoog hieraan kan het verbod op het maken van onderscheid `bij’ het
sluiten, uitvoeren en beëindigen van een overeenkomst ook betrekking hebben
op de wederpartij in deze zaak.
3.4. Ten aanzien van het standpunt van de wederpartij dat, voor zover sprake
zou zijn van onderscheid, dit onderscheid onverlet moet worden gelaten omdat
de wederpartij de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR) uitvoert
die dateert van voor de inwerkingtreding van de AWGB, stelt verzoekster dat
eerstgenoemde wet tot stand gekomen is in een tijd waarin van het toekennen
van gelijke rechten geen sprake was. Ook wijst verzoekster er op dat mensen
van gelijk geslacht niet met elkaar kunnen trouwen en niet in gemeenschap van
goederen kunnen leven.
3.5. De wederpartij stelt ten aanzien van de reikwijdte van artikel 7 AWGB
het volgende.
Het opleggen van een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting valt niet onder
het bereik van artikel 7 AWGB. Door het opleggen van deze aanslag biedt de
belastingdienst geen goederen of diensten aan en is evenmin sprake van het
sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten. De belastingdienst is
geen partij bij de overeenkomst die verzoekster heeft gesloten en ook niet
bij de uitvoering hiervan betrokken. Bij de heffing van de
overdrachtsbelasting wordt zelfs niet aangesloten bij die overeenkomst.
Overdrachtsbelasting is verschuldigd ter zake van de verkrijging van een
onroerende zaak. Aan die verkrijging verbindt de wet fiscale consequenties,
namelijk het opleggen door de wederpartij van een naheffingsaanslag
overdrachtsbelasting.
De uitspraak van de Commissie waarop verzoekster een beroep doet, is voor de
uitleg van het begrip `bij’ in artikel 7 AWGB niet relevant, aangezien deze
uitspraak betrekking heeft op artikel 5 AWGB en derhalve een heel andere
context betreft. Ook ging het in genoemde uitspraak om een pensioenfonds dat
direct betrokken is bij de arbeidsvoorwaarden van werknemers. Gelet op deze
directe betrokkenheid van het pensioenfonds kan het handelen van die
wederpartij in dit opzicht worden getoetst aan artikel 5 AWGB. De
belastingdienst is echter in het geheel niet betrokken bij de totstandkoming
van de overeenkomst.
De wederpartij wijst in dit verband ook op de wetsgeschiedenis van de AWGB.
Een van de amendementen betrof de uitbreiding van de werkingssfeer van
artikel 7 AWGB tot onderscheid door de openbare dienst bij het nemen van
besluiten en het verrichten van andere handelingen dan die waarbij de
overheid handelt als werkgever en als aanbieder van goederen en diensten. Uit
de toelichting op dit amendement blijkt, dat de reikwijdte van artikel 7 AWGB
zich niet uitstrekt tot handelingen van een bestuursorgaan die een
noodzakelijk gevolg zijn van uitvoering van wettelijke taken. De wederpartij
acht de Commissie op grond van het bovenstaande niet bevoegd.
3.6. Ten aanzien van de vraag of sprake is van onderscheid als bedoeld in de
AWGB stelt de wederpartij het volgende.
Indien men gehuwd is in gemeenschap van goederen en op grond van de verdeling
van de huwelijksgoederengemeenschap een onroerende zaak verkrijgt, dan is met
betrekking tot deze verkrijging geen overdrachtsbelasting verschuldigd (art.
3 WBR). Indien men niet in gemeenschap van goederen is gehuwd, en ook in de
situatie dat men niet gehuwd is, geldt artikel 3 WBR niet. In dat geval is
overdrachtsbelasting verschuldigd bij de verkrijging van een onroerende zaak
krachtens verdeling, tenzij de vrijstelling van artikel 15 lid 1 onderdeel g
WBR van toepassing is. Voor de toepassing van laatstgenoemd artikel dient
onder meer aan de voorwaarde te zijn voldaan dat de onverdeeldheid is
ontstaan door een gezamenlijke verkrijging. Aan deze voorwaarde wordt in
geval van verzoekster niet voldaan.
De wederpartij stelt dat hieruit blijkt dat de seksuele gerichtheid niet van
belang is, maar wel de wijze van eigendomsverkrijging van onroerende zaken en
de daarop volgende verdeling daarvan.
Aangezien huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht niet mogelijk
zijn, staat voor deze vorm van `partnerschap’ de mogelijkheid van artikel 3
WBR niet open. Voor het geval hierin een element van ongelijkheid in zou
zitten, wijst de wederpartij op artikel 4 onderdeel c AWGB, dat vermeldt dat
het onderscheid dat gemaakt wordt krachtens enige wet, die voorafgaande aan
de AWGB in werking is getreden, door de AWGB onverlet wordt gelaten. De WBR
is in 1970 in werking getreden, dus ruim voor de inwerkingtreding van de AWGB
(1994).
4. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door het opleggen van een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting jegens verzoekster
onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid heeft
gemaakt en daarmee heeft gehandeld in strijd met de AWGB.
Artikel 7 lid 1 onderdeel b AWGB verbiedt onder meer het maken van
onderscheid bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten of
uitvoeren van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt door de openbare
dienst (Het begrip `openbare dienst’ heeft de (ruime) betekenis van de Staat
en de andere openbare lichamen als provincie, gemeenten en waterschappen,
alsmede de door deze beheerde instellingen en bedrijven. (Tweede Kamer,
1990-1991, 22014, nummer 3, pagina 20 en 21)).
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid naar burgerlijke staat en
homoseksuele gerichtheid zowel direct als indirect onderscheid begrepen
wordt.
In artikel 2 lid 1 AWGB is bepaald dat het in deze wet neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.
In artikel 4 onderdeel c AWGB is bepaald dat de AWGB onverlet laat
onderscheid, dat gemaakt wordt bij of krachtens enige andere wet die
voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden.
4.2. De Commissie stelt vast dat, indien sprake is van een
huwelijksgoederengemeenschap en indien op grond van de verdeling van die
huwelijksgoederengemeenschap een onroerende zaak door een van de partners
verkregen wordt, krachtens de WBR geen overdrachtsbelasting verschuldigd is.
Tevens moet worden geconstateerd dat – naast diegenen die niet in gemeenschap
van goederen zijn gehuwd – ongehuwden deze belasting wel verschuldigd zijn.
Daargelaten de vraag of in deze sprake is van direct of indirect onderscheid,
concludeert de Commissie dat sprake is van onderscheid op grond van
burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.
De Commissie stelt tevens vast dat de wederpartij belast is met het toepassen
van de WBR en dat haar handelen jegens verzoekster in dat kader heeft
plaatsgevonden. Genoemde wet is in werking getreden in 1970. Ingevolge
artikel 4 onderdeel c van de AWGB wordt onderscheid, dat gemaakt wordt bij of
krachtens een andere wet die voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden,
onverlet gelaten. Aangezien de AWGB in 1994 in werking is getreden,
concludeert de Commissie dat de wederpartij niet in strijd heeft gehandeld
met laatstgenoemde wet.
4.3. Ten aanzien van de vraag of het handelen van de wederpartij valt onder
de reikwijdte van artikel 7 van de AWGB merkt de Commissie het volgende op.
Verzoekster stelt dat het verbod op het maken van onderscheid zoals
neergelegd in artikel 7 AWGB zich tevens richt tot derden, die geen partij
zijn bij het sluiten of uitvoeren van de in dit artikel bedoelde
overeenkomst. Ook indien dit juist zou zijn, moet worden geconstateerd dat in
deze zaak niet de koopovereenkomst en de betrokkenheid van de wederpartij
daarbij centraal staat, maar het opleggen van een aanslag ingevolge de
overdrachtsbelasting en de aard van dit handelen.
Het opleggen van een naheffingsaanslag betreft een handelen van de openbare
dienst, waardoor eenzijdig rechten en plichten van burgers worden bepaald.
Zoals de Commissie eerder heeft geoordeeld, valt een dergelijk handelen niet
onder de werkingssfeer van artikel 7 AWGB (Zie in dit verband ook- Commissie
gelijke behandeling, 15 januari 1996, oordeelnummer 96-2 en- Commissie
gelijke behandeling, 25 juni 1996, oordeelnummer 96-43. – Tweede Kamer,
1992-1993, 22014, nummer 29. Handelingen Tweede Kamer, 11 februari 1993,
pagina 48-3568 pagina 48-3593 tot en met 3595).
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Inspecteur der Belastingen
Registratie en Successie te Utrecht, door mevrouw (…) te Utrecht een
naheffingsaanslag ingevolge de overdrachtsbelasting op te leggen, op grond
van de uitzondering van artikel 4 onderdeel c Algemene wet gelijke
behandeling niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie ontslagvergunningen
voor een aantal medewerkers verleend. Ook voor verzoekster is een
ontslagvergunning afgegeven. Volgens verzoekster is hierbij geen rekening
gehouden met het feit dat er relatief meer vrouwen dan mannen ontslagen
zouden worden. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd
heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.
Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden, zal de Commissie
onderzoeken of het handelen van de wederpartij onder de reikwijdte van
artikel 5 AWGB valt.
Artikel 5 AWGB richt zich niet uitsluitend tot de werkgever en het bevoegd
gezag, maar kent een open normadressering. Op grond hiervan concludeert de
Commissie dat de wetgever een ruim toepassingsgebied van dit artikel heeft
beoogd.
Voor een (rechtmatige) opzegging van een arbeidsverhouding door een werkgever
is een ontslagvergunning van de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening (RDA) een noodzakelijke voorwaarde. De RDA heeft inzake
het verlenen van toestemming tot beëindiging van een arbeidsverhouding een
zelfstandige bevoegdheid. Aangezien het verlenen van een ontslagvergunning
een zodanig belangrijk en zelfstandig onderdeel uitmaakt van de procedure tot
beëindiging van een arbeidsverhouding, oordeelt de Commissie dat het verlenen
van een ontslagvergunning door de RDA aan artikel 5 AWGB getoetst kan worden.
De Commissie oordeelt dat de ontslagcriteria geen direct onderscheid naar
geslacht maken. Dat neemt echter niet weg dat toepassing van deze criteria
ertoe kunnen leiden dat met name een bepaalde groep personen nadelig
getroffen wordt, waardoor er mogelijk indirect onderscheid wordt gemaakt.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen ontslagen zijn.
De Commissie tekent hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers
hanteert bij het beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt
rekening gehouden met het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben
binnen de groep van werknemers die ontslagen wordt.
Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB niet
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is. De
wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit heeft laten meespelen bij het
verlenen van de ontslagvergunningen. Dit zijn volgens de wederpartij
objectieve ontslagcriteria.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
De Commissie merkt voorts op dat de wederpartij schriftelijk had moeten
ingaan op het verweer van verzoekster dat het verlenen van een
ontslagvergunning tot een verboden onderscheid op grond van geslacht zou
leiden. Door dit na te laten is niet inzichtelijk geworden waarom de RDA het
verweer van verzoekster heeft verworpen en is bovendien de indruk gewekt dat
dit punt niet serieus onderzocht is. Teneinde de indruk te vermijden dat een
arbeidsbureau toestemming zou (kunnen) verlenen voor een ontslag waarbij een
verboden onderscheid wordt gemaakt, behoort een arbeidsbureau een verweer
terzake beargumenteerd te beoordelen en zijn opvatting kenbaar te maken aan
de betrokkene.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 11 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Hoensbroek (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening Oostelijke Mijnstreek te Heerlen (hierna: de wederpartij)
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie
ontslagvergunningen voor een aantal medewerkers verleend. Ook voor
verzoekster is een ontslagvergunning afgegeven. Volgens verzoekster is
hierbij geen rekening gehouden met het feit dat er relatief meer vrouwen dan
mannen ontslagen zouden worden. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft ook het bedrijf waar zij werkzaam was als
wederpartij aangemerkt, omdat deze de betreffende personen heeft ontslagen.
Het oordeelnummer in die zaak is 96-81.
2.2. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.
Vervolgens heeft de Commissie hen uitgenodigd hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 17 september 1996.
De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij deze
zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…) (echtgenoot van verzoekster)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. In verband met een reorganisatie in het najaar van 1995 zag het
produktiebedrijf waar verzoekster werkzaam was zich genoodzaakt een aantal
personen te ontslaan. Om dit te bewerkstelligen heeft het bedrijf voor deze
personen ontslagvergunningen aangevraagd bij de wederpartij. De wederpartij
heeft 28 ontslagvergunningen verleend. Drie van deze vergunningen waren voor
vrouwen bestemd.
Van de ontslagen werknemers waren er 15 werkzaam bij de productie-afdeling.
Onder deze 15 werknemers bevond zich een vrouw, namelijk verzoekster. Voor de
reorganisatie werkten op de productie-afdeling ongeveer 200 werknemers, onder
wie twee vrouwen. Voor de reorganisatie bestond het totale personeelsbestand
van het bedrijf uit 247 personen, onder wie 17 vrouwen en 230 mannen. Op 19
juli 1996 liep er nog een ontslagprocedure tegen 5 werknemers.
Bij het bepalen wie voor ontslag werd voorgedragen, is de werkgever op
aanraden van de wederpartij uitgegaan van de ontslagcriteria uit het
delegatiebesluit, namelijk anciënniteit en het afspiegelingsbeginsel naar
leeftijd. Bij de jongste groep werknemers is vanwege de geringe omvang van
deze groep (twee personen) van deze criteria afgeweken.
3.2. Voor verzoekster is door haar werkgever een verzoek om een
ontslagvergunning bij de wederpartij ingediend d.d.
4 september 1995. Verzoekster heeft bij de wederpartij hiertegen een
verweerschrift ingediend d.d. 19 september 1995. In dit verweerschrift stelt
zij dat er relatief veel vrouwen ontslagen zullen worden als de gevraagde
ontslagvergunningen worden verleend en dat dit een verboden (indirect)
onderscheid op grond van geslacht oplevert. Ook wijst verzoekster erop dat er
ten behoeve van de categorie jonge werknemers wel wordt afgeweken van de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit -vanwege de geringe omvang van deze
groep- terwijl dit bij de vrouwen geen aanleiding is om hen van de
ontslagcriteria uit te zonderen.
Per brief d.d. 28 september 1995 heeft de werkgever aan verzoekster
meegedeeld dat de wederpartij een ontslagvergunning voor haar had verleend en
dat zij per
1 november 1995 ontslagen werd. In de ontslagvergunning d.d. 25 september
1995 staat, voor zover van belang, dat `betrokkene zich verzet tegen de
beslissing van werkgever om het dienstverband met haar te beëindigen’ en dat
`de door betrokkene aangevoerde argumenten, de argumenten en aspecten van de
werkgever, niet hebben kunnen weerleggen’. Er wordt niet nader ingegaan op
het verweer van verzoekster dat de werkgever door haar te ontslaan indirect
onderscheid op grond van geslacht maakt.
Uiteindelijk is verzoekster per 1 januari 1996 ontslagen.
De werkgever hanteert ten aanzien van vrouwen een positief actiebeleid.
Desondanks heeft dit niet tot een toename van vrouwelijke werknemers binnen
het bedrijf geleid.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoekster brengt het volgende naar voren.
Zij stelt dat de wederpartij onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door een
ontslagvergunning voor haar te verlenen, terwijl er door haar werkgever
relatief gezien meer vrouwen dan mannen ontslagen zouden worden. Op de
productie-afdeling werkten maar twee vrouwen. Hiervan is er een ontslagen,
namelijk verzoekster. Aangezien er al zo weinig vrouwen in het bedrijf werken
en helemaal op de productie-afdeling, is verzoekster van mening dat bij hen
-net als bij de groep jonge werknemers- afgeweken had moeten worden van de
ontslagcriteria.
Verzoekster vindt het vreemd dat, nadat zij verweer had gevoerd tegen haar
ontslagaanvraag, zij zonder enig bericht van de wederpartij een ontslagbrief
van haar werkgever heeft ontvangen. In de daarbij gevoegde ontslagvergunning
is niet nader ingegaan op de bezwaren die zij had aangevoerd tegen het
verlenen van een ontslagvergunning. Volgens verzoekster is haar verweer niet
bij de besluitvorming van de wederpartij meegenomen. Hierdoor is zij niet in
de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat er bij de ontslagaanvraag sprake
was van ongelijke behandeling op grond van geslacht.
Het bevreemdt verzoekster dat de wederpartij stelt dat niet is gebleken dat
de vrouwelijke werknemers binnen het bedrijf een bijzondere positie bekleden.
Zij is van mening dat als een bedrijf een positief actiebeleid voert om
vrouwen aan te trekken en hier een minimaal resultaat bij boekt, dit
voldoende bevestigt dat vrouwen een bijzondere positie bekleden. Ook is
verzoekster het niet eens met de bewering van de wederpartij dat de
arbeidsmarktpositie van vrouwen niet slechter is dan die van mannen.
Verzoekster heeft de indruk dat de wederpartij de uitzonderingspositie van
vrouwen bij het reorganisatie-ontslag in het geheel niet besproken heeft met
haar werkgever.
Tot slot brengt verzoekster naar voren dat het niet ter zake is of de
werkgever zich in het verleden al eens schuldig heeft gemaakt aan
discriminatoir handelen. Het gaat erom of in de onderhavige zaak onderscheid
naar geslacht is gemaakt.
3.4. De wederpartij voert het volgende aan.
Het desbetreffende arbeidsbureau heeft tijdens een vooroverleg met de
werkgever uitgelegd welke criteria bij een collectief ontslag gehanteerd
dienden te worden. Hierbij heeft het arbeidsbureau de werkgever gewezen op de
in het delegatiebesluit genoemde criteria anciënniteit en afspiegeling naar
leeftijd.
De beslissing om een ontslagvergunning voor verzoekster te verlenen, is tot
stand gekomen nadat verzoekster en haar werkgever eenmaal gehoord waren.
Gelet op de door hen ter beschikking gestelde gegevens, achtte de wederpartij
het niet nodig om hen een tweede maal te horen.
De stukken van verzoekster en haar werkgever zijn bestudeerd en besproken
door de leden van de ontslagcommissie, bestaande uit een werkgevers- en een
werknemersvertegenwoordiger. Vervolgens is door de ontslagcommissie een
advies uitgebracht. De leden van de ontslagcommissie waren unaniem van mening
dat door de werkgever correct was gehandeld bij de voordracht tot ontslag van
verzoekster en dat van discriminatie geen sprake was. Het advies van de
ontslagcommissie is door de wederpartij overgenomen en resulteerde in de
verlening van de ontslagvergunning. Bij deze beslissing heeft onder andere
meegespeeld dat de werkgever verzoekster conform de ontslagcriteria uit het
delegatiebesluit heeft voorgedragen.
De wederpartij is van mening dat de ontslagcriteria zoals verwoord in artikel
9 lid 2 en 3 van het delegatiebesluit zijn aan te merken als objectieve c.q.
niet discriminatoire selectiecriteria.
De wederpartij wist dat de werkgever voor wat betreft de groep jonge
werknemers van de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit was afgeweken. Dit
bleek namelijk uit de ontslagaanvraag van de werkgever d.d. 4 september 1995.
Wat betreft de vrouwelijke werknemers bij de werkgever, was niet gebleken dat
zij binnen het bedrijf een bijzondere positie bekleedden (art. 9 lid 4
delegatiebesluit), dan wel in een slechtere arbeidsmarktpositie dan mannen
verkeerden (art. 9 lid 5 delegatiebesluit). Daarom heeft de wederpartij geen
aanleiding gezien om de vrouwen in het bedrijf uit te zonderen van de
noodzakelijk door te voeren reorganisatiemaatregelen.
De door de werkgever ter beschikking gestelde gegevens met betrekking tot de
keuzes voor ontslag, hebben geen aanleiding gevormd om discriminatoir gedrag
van de werkgever te vermoeden. Hierbij merkt de wederpartij op dat de
werkgever zich in het verleden niet aan discriminatoir handelen schuldig
heeft gemaakt.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door voor verzoekster
een ontslagvergunning te verstrekken.
4.2. Artikel 5 lid 1 sub b Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) bepaalt
dat onderscheid onder andere verboden is bij het beëindigen van een
arbeidsverhouding.
Artikel 1 AWGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van onder andere
geslacht. Onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect onderscheid.
Blijkens dit artikel wordt onder indirect onderscheid verstaan onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van
geslacht tot gevolg heeft.
Artikel 2 lid 1 AWGB bepaalt dat het in deze wet neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.
Artikel 2 lid 3 AWGB bepaalt dat van dit verbod mag worden afgeweken indien
het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en
het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
4.3. Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden, zal de Commissie
onderzoeken of het handelen van de wederpartij onder de reikwijdte van
artikel 5 AWGB valt.
In artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek staat dat het verboden is om onderscheid naar
geslacht te maken bij de beëindiging van de arbeidsverhouding. Deze artikelen
richten zich expliciet tot het bevoegd gezag respectievelijk de werkgever.
Artikel 5 AWGB richt zich niet uitsluitend tot de werkgever en het bevoegd
gezag, maar kent een open normadressering. Op grond hiervan concludeert de
Commissie dat de wetgever een ruim toepassingsgebied van dit artikel heeft
beoogd (Zie ook Commissie gelijke behandeling, 19 december 1995,
oordeelnummer: 95-48).
Voor een (rechtmatige) opzegging van een arbeidsverhouding door een werkgever
is een ontslagvergunning van de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening (RDA) een noodzakelijke voorwaarde. De RDA heeft inzake
het verlenen van toestemming tot beëindiging van een arbeidsverhouding een
zelfstandige bevoegdheid. Aangezien het verlenen van een ontslagvergunning
een zodanig belangrijk en zelfstandig onderdeel uitmaakt van de procedure tot
beëindiging van een arbeidsverhouding, oordeelt de Commissie dat het verlenen
van een ontslagvergunning door de RDA aan artikel 5 AWGB getoetst kan worden.
4.4. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie als
volgt.
De wederpartij stelt dat de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit niet
discriminatoir zijn. De Commissie merkt hierover op dat het juist is dat deze
ontslagcriteria geen direct onderscheid naar geslacht maken. Dat neemt echter
niet weg dat toepassing van deze criteria ertoe kunnen leiden dat met name
een bepaalde groep personen nadelig getroffen wordt, waardoor er mogelijk
indirect onderscheid wordt gemaakt.
4.5. Verzoekster stelt dat het vrouwelijke personeel door de reorganisatie
onevenredig zwaar is getroffen. Uit de overgelegde cijfers (zie paragraaf
3.1.) kan het volgende worden afgeleid.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen ontslagen zijn.
De Commissie tekent hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers
hanteert bij het beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt
rekening gehouden met het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben
binnen de groep van werknemers die ontslagen wordt (Een voorbeeld: een
onderneming waarin tien vrouwen werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken
er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat deeltijdwerkers een lager
uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt naar de
aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten nadele van
deeltijdwerkers gelijk uit naar geslacht; er zijn immers negen vrouwen en
negen mannen die worden benadeeld. Toch zal duidelijk zijn dat met name
vrouwen nadelig worden getroffen: immers negen van de tien vrouwen tegenover
negen van de 1000 mannen worden nadelig getroffen).
4.6. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat:
– aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is;
– de middelen, die gekozen worden om het nagestreefde doel te bereiken,
dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de onderneming;
– deze middelen geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook
noodzakelijk zijn (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 14. en Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84 en Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88).
4.7. De wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit heeft laten meespelen bij het
verlenen van de ontslagvergunningen. Dit zijn volgens de wederpartij
objectieve ontslagcriteria.
Wat betreft het doel concludeert de Commissie dat het hanteren van
ontslagcriteria bij het verlenen van ontslagvergunningen bij een
reorganisatie, beoogt om op een objectieve wijze te bepalen wie voor een
ontslagvergunning in aanmerking komen. Aan dit doel is iedere discriminatie
vreemd, terwijl dit doel tevens beantwoordt aan een werkelijke behoefte van
de wederpartij.
Vervolgens zal onderzocht moeten worden of de middelen geschikt en
noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.
Het middel is in het onderhavige geval het hanteren van de ontslagcriteria
uit het delegatiebesluit. Op zich is dit middel geschikt om het gestelde doel
te bereiken.
In het delegatiebesluit staat onder artikel 9 lid 6 dat er bij de toepassing
van de voorgaande leden extra aandacht wordt besteed aan het voorkomen van
discriminatie. Dit artikel biedt dus de mogelijkheid om af te wijken van de
ontslagcriteria anciënniteit en afspiegeling naar leeftijd, als toepassing
hiervan ertoe leidt dat met name een bepaalde groep benadeeld wordt. Maar ook
artikel 2 lid 3 van de AWGB biedt deze mogelijkheid.
Dat ook de wederpartij van mening is dat er van deze criteria afgeweken kan
worden, blijkt uit het feit dat zij ermee akkoord is gegaan dat de werkgever
bij de jongste groep werknemers van het afspiegelingsprincipe en het
anciënniteitsbeginsel is afgeweken. De wederpartij wist dat de reden voor
afwijking van deze ontslagcriteria de geringe omvang van deze groep was (twee
personen). Ook wist de wederpartij dat het aantal vrouwen op de
productie-afdeling gering was (namelijk twee). De Commissie ziet dan ook niet
in waarom in het geval van verzoekster niet van de ontslagcriteria afgeweken
had kunnen worden.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
De Commissie merkt voorts op dat de wederpartij schriftelijk had moeten
ingaan op het verweer van verzoekster dat het verlenen van een
ontslagvergunning tot een verboden onderscheid op grond van geslacht zou
leiden. Door dit na te laten is niet inzichtelijk geworden waarom de RDA het
verweer van verzoekster heeft verworpen en is bovendien de indruk gewekt dat
dit punt niet serieus onderzocht is. Teneinde de indruk te vermijden dat een
arbeidsbureau toestemming zou (kunnen) verlenen voor een ontslag waarbij een
verboden onderscheid wordt gemaakt, behoort een arbeidsbureau een verweer
terzake beargumenteerd te beoordelen en zijn opvatting kenbaar te maken aan
de betrokkene.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening Oostelijke Mijnstreek te Heerlen indirect onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5 Algemene wet
gelijke behandeling door voor mevrouw (…) te Hoensbroek een
ontslagvergunning te verlenen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. van derHeijden (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie ontslagvergunningen
voor een aantal medewerkers verleend. Ook voor verzoekster is een
ontslagvergunning afgegeven. Volgens verzoekster is hierbij geen rekening
gehouden met het feit dat er relatief meer vrouwen dan mannen ontslagen
zouden worden. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd
heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.
Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden, zal de Commissie
onderzoeken of het handelen van de wederpartij onder de reikwijdte van
artikel 5 AWGB valt.
Artikel 5 AWGB richt zich niet uitsluitend tot de werkgever en het bevoegd
gezag, maar kent een open normadressering. Op grond hiervan concludeert de
Commissie dat de wetgever een ruim toepassingsgebied van dit artikel heeft
beoogd.
Voor een (rechtmatige) opzegging van een arbeidsverhouding door een werkgever
is een ontslagvergunning van de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening (RDA) een noodzakelijke voorwaarde. De RDA heeft inzake
het verlenen van toestemming tot beëindiging van een arbeidsverhouding een
zelfstandige bevoegdheid. Aangezien het verlenen van een ontslagvergunning
een zodanig belangrijk en zelfstandig onderdeel uitmaakt van de procedure tot
beëindiging van een arbeidsverhouding, oordeelt de Commissie dat het verlenen
van een ontslagvergunning door de RDA aan artikel 5 AWGB getoetst kan worden.
De Commissie oordeelt dat de ontslagcriteria geen direct onderscheid naar
geslacht maken. Dat neemt echter niet weg dat toepassing van deze criteria
ertoe kunnen leiden dat met name een bepaalde groep personen nadelig
getroffen wordt, waardoor er mogelijk indirect onderscheid wordt gemaakt.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen ontslagen zijn.
De Commissie tekent hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers
hanteert bij het beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt
rekening gehouden met het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben
binnen de groep van werknemers die ontslagen wordt.
Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB niet
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is. De
wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit heeft laten meespelen bij het
verlenen van de ontslagvergunningen. Dit zijn volgens de wederpartij
objectieve ontslagcriteria.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
De Commissie merkt voorts op dat de wederpartij schriftelijk had moeten
ingaan op het verweer van verzoekster dat het verlenen van een
ontslagvergunning tot een verboden onderscheid op grond van geslacht zou
leiden. Door dit na te laten is niet inzichtelijk geworden waarom de RDA het
verweer van verzoekster heeft verworpen en is bovendien de indruk gewekt dat
dit punt niet serieus onderzocht is. Teneinde de indruk te vermijden dat een
arbeidsbureau toestemming zou (kunnen) verlenen voor een ontslag waarbij een
verboden onderscheid wordt gemaakt, behoort een arbeidsbureau een verweer
terzake beargumenteerd te beoordelen en zijn opvatting kenbaar te maken aan
de betrokkene.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 11 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Hoensbroek (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening Oostelijke Mijnstreek te Heerlen (hierna: de wederpartij)
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie
ontslagvergunningen voor een aantal medewerkers verleend. Ook voor
verzoekster is een ontslagvergunning afgegeven. Volgens verzoekster is
hierbij geen rekening gehouden met het feit dat er relatief meer vrouwen dan
mannen ontslagen zouden worden. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft ook het bedrijf waar zij werkzaam was als
wederpartij aangemerkt, omdat deze de betreffende personen heeft ontslagen.
Het oordeelnummer in die zaak is 96-81.
2.2. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.
Vervolgens heeft de Commissie hen uitgenodigd hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 17 september 1996.
De wederpartij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij deze
zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…) (echtgenoot van verzoekster)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. In verband met een reorganisatie in het najaar van 1995 zag het
produktiebedrijf waar verzoekster werkzaam was zich genoodzaakt een aantal
personen te ontslaan. Om dit te bewerkstelligen heeft het bedrijf voor deze
personen ontslagvergunningen aangevraagd bij de wederpartij. De wederpartij
heeft 28 ontslagvergunningen verleend. Drie van deze vergunningen waren voor
vrouwen bestemd.
Van de ontslagen werknemers waren er 15 werkzaam bij de productie-afdeling.
Onder deze 15 werknemers bevond zich een vrouw, namelijk verzoekster. Voor de
reorganisatie werkten op de productie-afdeling ongeveer 200 werknemers, onder
wie twee vrouwen. Voor de reorganisatie bestond het totale personeelsbestand
van het bedrijf uit 247 personen, onder wie 17 vrouwen en 230 mannen. Op 19
juli 1996 liep er nog een ontslagprocedure tegen 5 werknemers.
Bij het bepalen wie voor ontslag werd voorgedragen, is de werkgever op
aanraden van de wederpartij uitgegaan van de ontslagcriteria uit het
delegatiebesluit, namelijk anciënniteit en het afspiegelingsbeginsel naar
leeftijd. Bij de jongste groep werknemers is vanwege de geringe omvang van
deze groep (twee personen) van deze criteria afgeweken.
3.2. Voor verzoekster is door haar werkgever een verzoek om een
ontslagvergunning bij de wederpartij ingediend d.d.
4 september 1995. Verzoekster heeft bij de wederpartij hiertegen een
verweerschrift ingediend d.d. 19 september 1995. In dit verweerschrift stelt
zij dat er relatief veel vrouwen ontslagen zullen worden als de gevraagde
ontslagvergunningen worden verleend en dat dit een verboden (indirect)
onderscheid op grond van geslacht oplevert. Ook wijst verzoekster erop dat er
ten behoeve van de categorie jonge werknemers wel wordt afgeweken van de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit -vanwege de geringe omvang van deze
groep- terwijl dit bij de vrouwen geen aanleiding is om hen van de
ontslagcriteria uit te zonderen.
Per brief d.d. 28 september 1995 heeft de werkgever aan verzoekster
meegedeeld dat de wederpartij een ontslagvergunning voor haar had verleend en
dat zij per
1 november 1995 ontslagen werd. In de ontslagvergunning d.d. 25 september
1995 staat, voor zover van belang, dat `betrokkene zich verzet tegen de
beslissing van werkgever om het dienstverband met haar te beëindigen’ en dat
`de door betrokkene aangevoerde argumenten, de argumenten en aspecten van de
werkgever, niet hebben kunnen weerleggen’. Er wordt niet nader ingegaan op
het verweer van verzoekster dat de werkgever door haar te ontslaan indirect
onderscheid op grond van geslacht maakt.
Uiteindelijk is verzoekster per 1 januari 1996 ontslagen.
De werkgever hanteert ten aanzien van vrouwen een positief actiebeleid.
Desondanks heeft dit niet tot een toename van vrouwelijke werknemers binnen
het bedrijf geleid.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoekster brengt het volgende naar voren.
Zij stelt dat de wederpartij onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door een
ontslagvergunning voor haar te verlenen, terwijl er door haar werkgever
relatief gezien meer vrouwen dan mannen ontslagen zouden worden. Op de
productie-afdeling werkten maar twee vrouwen. Hiervan is er een ontslagen,
namelijk verzoekster. Aangezien er al zo weinig vrouwen in het bedrijf werken
en helemaal op de productie-afdeling, is verzoekster van mening dat bij hen
-net als bij de groep jonge werknemers- afgeweken had moeten worden van de
ontslagcriteria.
Verzoekster vindt het vreemd dat, nadat zij verweer had gevoerd tegen haar
ontslagaanvraag, zij zonder enig bericht van de wederpartij een ontslagbrief
van haar werkgever heeft ontvangen. In de daarbij gevoegde ontslagvergunning
is niet nader ingegaan op de bezwaren die zij had aangevoerd tegen het
verlenen van een ontslagvergunning. Volgens verzoekster is haar verweer niet
bij de besluitvorming van de wederpartij meegenomen. Hierdoor is zij niet in
de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat er bij de ontslagaanvraag sprake
was van ongelijke behandeling op grond van geslacht.
Het bevreemdt verzoekster dat de wederpartij stelt dat niet is gebleken dat
de vrouwelijke werknemers binnen het bedrijf een bijzondere positie bekleden.
Zij is van mening dat als een bedrijf een positief actiebeleid voert om
vrouwen aan te trekken en hier een minimaal resultaat bij boekt, dit
voldoende bevestigt dat vrouwen een bijzondere positie bekleden. Ook is
verzoekster het niet eens met de bewering van de wederpartij dat de
arbeidsmarktpositie van vrouwen niet slechter is dan die van mannen.
Verzoekster heeft de indruk dat de wederpartij de uitzonderingspositie van
vrouwen bij het reorganisatie-ontslag in het geheel niet besproken heeft met
haar werkgever.
Tot slot brengt verzoekster naar voren dat het niet ter zake is of de
werkgever zich in het verleden al eens schuldig heeft gemaakt aan
discriminatoir handelen. Het gaat erom of in de onderhavige zaak onderscheid
naar geslacht is gemaakt.
3.4. De wederpartij voert het volgende aan.
Het desbetreffende arbeidsbureau heeft tijdens een vooroverleg met de
werkgever uitgelegd welke criteria bij een collectief ontslag gehanteerd
dienden te worden. Hierbij heeft het arbeidsbureau de werkgever gewezen op de
in het delegatiebesluit genoemde criteria anciënniteit en afspiegeling naar
leeftijd.
De beslissing om een ontslagvergunning voor verzoekster te verlenen, is tot
stand gekomen nadat verzoekster en haar werkgever eenmaal gehoord waren.
Gelet op de door hen ter beschikking gestelde gegevens, achtte de wederpartij
het niet nodig om hen een tweede maal te horen.
De stukken van verzoekster en haar werkgever zijn bestudeerd en besproken
door de leden van de ontslagcommissie, bestaande uit een werkgevers- en een
werknemersvertegenwoordiger. Vervolgens is door de ontslagcommissie een
advies uitgebracht. De leden van de ontslagcommissie waren unaniem van mening
dat door de werkgever correct was gehandeld bij de voordracht tot ontslag van
verzoekster en dat van discriminatie geen sprake was. Het advies van de
ontslagcommissie is door de wederpartij overgenomen en resulteerde in de
verlening van de ontslagvergunning. Bij deze beslissing heeft onder andere
meegespeeld dat de werkgever verzoekster conform de ontslagcriteria uit het
delegatiebesluit heeft voorgedragen.
De wederpartij is van mening dat de ontslagcriteria zoals verwoord in artikel
9 lid 2 en 3 van het delegatiebesluit zijn aan te merken als objectieve c.q.
niet discriminatoire selectiecriteria.
De wederpartij wist dat de werkgever voor wat betreft de groep jonge
werknemers van de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit was afgeweken. Dit
bleek namelijk uit de ontslagaanvraag van de werkgever d.d. 4 september 1995.
Wat betreft de vrouwelijke werknemers bij de werkgever, was niet gebleken dat
zij binnen het bedrijf een bijzondere positie bekleedden (art. 9 lid 4
delegatiebesluit), dan wel in een slechtere arbeidsmarktpositie dan mannen
verkeerden (art. 9 lid 5 delegatiebesluit). Daarom heeft de wederpartij geen
aanleiding gezien om de vrouwen in het bedrijf uit te zonderen van de
noodzakelijk door te voeren reorganisatiemaatregelen.
De door de werkgever ter beschikking gestelde gegevens met betrekking tot de
keuzes voor ontslag, hebben geen aanleiding gevormd om discriminatoir gedrag
van de werkgever te vermoeden. Hierbij merkt de wederpartij op dat de
werkgever zich in het verleden niet aan discriminatoir handelen schuldig
heeft gemaakt.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling door voor verzoekster
een ontslagvergunning te verstrekken.
4.2. Artikel 5 lid 1 sub b Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) bepaalt
dat onderscheid onder andere verboden is bij het beëindigen van een
arbeidsverhouding.
Artikel 1 AWGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van onder andere
geslacht. Onder onderscheid wordt verstaan direct en indirect onderscheid.
Blijkens dit artikel wordt onder indirect onderscheid verstaan onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van
geslacht tot gevolg heeft.
Artikel 2 lid 1 AWGB bepaalt dat het in deze wet neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.
Artikel 2 lid 3 AWGB bepaalt dat van dit verbod mag worden afgeweken indien
het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en
het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
4.3. Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden, zal de Commissie
onderzoeken of het handelen van de wederpartij onder de reikwijdte van
artikel 5 AWGB valt.
In artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek staat dat het verboden is om onderscheid naar
geslacht te maken bij de beëindiging van de arbeidsverhouding. Deze artikelen
richten zich expliciet tot het bevoegd gezag respectievelijk de werkgever.
Artikel 5 AWGB richt zich niet uitsluitend tot de werkgever en het bevoegd
gezag, maar kent een open normadressering. Op grond hiervan concludeert de
Commissie dat de wetgever een ruim toepassingsgebied van dit artikel heeft
beoogd (Zie ook Commissie gelijke behandeling, 19 december 1995,
oordeelnummer: 95-48).
Voor een (rechtmatige) opzegging van een arbeidsverhouding door een werkgever
is een ontslagvergunning van de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening (RDA) een noodzakelijke voorwaarde. De RDA heeft inzake
het verlenen van toestemming tot beëindiging van een arbeidsverhouding een
zelfstandige bevoegdheid. Aangezien het verlenen van een ontslagvergunning
een zodanig belangrijk en zelfstandig onderdeel uitmaakt van de procedure tot
beëindiging van een arbeidsverhouding, oordeelt de Commissie dat het verlenen
van een ontslagvergunning door de RDA aan artikel 5 AWGB getoetst kan worden.
4.4. Ten aanzien van de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie als
volgt.
De wederpartij stelt dat de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit niet
discriminatoir zijn. De Commissie merkt hierover op dat het juist is dat deze
ontslagcriteria geen direct onderscheid naar geslacht maken. Dat neemt echter
niet weg dat toepassing van deze criteria ertoe kunnen leiden dat met name
een bepaalde groep personen nadelig getroffen wordt, waardoor er mogelijk
indirect onderscheid wordt gemaakt.
4.5. Verzoekster stelt dat het vrouwelijke personeel door de reorganisatie
onevenredig zwaar is getroffen. Uit de overgelegde cijfers (zie paragraaf
3.1.) kan het volgende worden afgeleid.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen ontslagen zijn.
De Commissie tekent hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers
hanteert bij het beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt
rekening gehouden met het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben
binnen de groep van werknemers die ontslagen wordt (Een voorbeeld: een
onderneming waarin tien vrouwen werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken
er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat deeltijdwerkers een lager
uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt naar de
aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten nadele van
deeltijdwerkers gelijk uit naar geslacht; er zijn immers negen vrouwen en
negen mannen die worden benadeeld. Toch zal duidelijk zijn dat met name
vrouwen nadelig worden getroffen: immers negen van de tien vrouwen tegenover
negen van de 1000 mannen worden nadelig getroffen).
4.6. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat:
– aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is;
– de middelen, die gekozen worden om het nagestreefde doel te bereiken,
dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de onderneming;
– deze middelen geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook
noodzakelijk zijn (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 14. en Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84 en Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88).
4.7. De wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit heeft laten meespelen bij het
verlenen van de ontslagvergunningen. Dit zijn volgens de wederpartij
objectieve ontslagcriteria.
Wat betreft het doel concludeert de Commissie dat het hanteren van
ontslagcriteria bij het verlenen van ontslagvergunningen bij een
reorganisatie, beoogt om op een objectieve wijze te bepalen wie voor een
ontslagvergunning in aanmerking komen. Aan dit doel is iedere discriminatie
vreemd, terwijl dit doel tevens beantwoordt aan een werkelijke behoefte van
de wederpartij.
Vervolgens zal onderzocht moeten worden of de middelen geschikt en
noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.
Het middel is in het onderhavige geval het hanteren van de ontslagcriteria
uit het delegatiebesluit. Op zich is dit middel geschikt om het gestelde doel
te bereiken.
In het delegatiebesluit staat onder artikel 9 lid 6 dat er bij de toepassing
van de voorgaande leden extra aandacht wordt besteed aan het voorkomen van
discriminatie. Dit artikel biedt dus de mogelijkheid om af te wijken van de
ontslagcriteria anciënniteit en afspiegeling naar leeftijd, als toepassing
hiervan ertoe leidt dat met name een bepaalde groep benadeeld wordt. Maar ook
artikel 2 lid 3 van de AWGB biedt deze mogelijkheid.
Dat ook de wederpartij van mening is dat er van deze criteria afgeweken kan
worden, blijkt uit het feit dat zij ermee akkoord is gegaan dat de werkgever
bij de jongste groep werknemers van het afspiegelingsprincipe en het
anciënniteitsbeginsel is afgeweken. De wederpartij wist dat de reden voor
afwijking van deze ontslagcriteria de geringe omvang van deze groep was (twee
personen). Ook wist de wederpartij dat het aantal vrouwen op de
productie-afdeling gering was (namelijk twee). De Commissie ziet dan ook niet
in waarom in het geval van verzoekster niet van de ontslagcriteria afgeweken
had kunnen worden.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
De Commissie merkt voorts op dat de wederpartij schriftelijk had moeten
ingaan op het verweer van verzoekster dat het verlenen van een
ontslagvergunning tot een verboden onderscheid op grond van geslacht zou
leiden. Door dit na te laten is niet inzichtelijk geworden waarom de RDA het
verweer van verzoekster heeft verworpen en is bovendien de indruk gewekt dat
dit punt niet serieus onderzocht is. Teneinde de indruk te vermijden dat een
arbeidsbureau toestemming zou (kunnen) verlenen voor een ontslag waarbij een
verboden onderscheid wordt gemaakt, behoort een arbeidsbureau een verweer
terzake beargumenteerd te beoordelen en zijn opvatting kenbaar te maken aan
de betrokkene.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening Oostelijke Mijnstreek te Heerlen indirect onderscheid op
grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5 Algemene wet
gelijke behandeling door voor mevrouw (…) te Hoensbroek een
ontslagvergunning te verlenen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. van derHeijden (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie besloten een aantal
medewerkers te ontslaan. Ook verzoekster is ontslagen. Volgens verzoekster
zijn er relatief meer vrouwen dan mannen ontslagen. Verzoekster is van mening
dat de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
De wederpartij stelt dat de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit niet
discriminatoir zijn. De Commissie oordeelt dat toepassing van deze criteria
ertoe kunnen leiden dat met name een bepaalde groep personen nadelig
getroffen wordt, waardoor er mogelijk indirect onderscheid wordt gemaakt.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen nadelig zijn getroffen door de wijze waarop de
ontslagvolgorde door de wederpartij is vastgesteld. De Commissie tekent
hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers hanteert bij het
beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt rekening gehouden met
het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben binnen de groep van
werknemers die ontslagen wordt.
Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 6 WGB niet ten
aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
De wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij gebonden is
aan de ontslagcriteria die het delegatiebesluit voorschrijft. Zij kon hier
derhalve niet van afwijken, ook al was het gevolg dat er relatief meer
vrouwen dan mannen ontslagen werden.
Wat betreft het doel concludeert de Commissie dat het hanteren van
ontslagcriteria beoogt om op een objectieve wijze te bepalen wie ontslagen
zal worden. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd, terwijl dit doel
tevens beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de onderneming. Het middel
is in het onderhavige geval het hanteren van de ontslagcriteria uit het
delegatiebesluit. Op zich is dit middel geschikt om het gestelde doel te
bereiken.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 11 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Hoensbroek (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Nuth (hierna: de
wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie besloten een
aantal medewerkers te ontslaan. Ook verzoekster is ontslagen. Volgens
verzoekster zijn er relatief meer vrouwen dan mannen ontslagen. Verzoekster
is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met de
wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft ook de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening Oostelijke Mijnstreek als wederpartij aangemerkt, omdat
deze de ontslagvergunningen heeft verstrekt. Het oordeelnummer in die zaak is
96-82.
2.2. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.
Vervolgens heeft de Commissie hen uitgenodigd hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 17 september 1996. De wederpartij heeft van
deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…)(echtgenoot van verzoekster)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij is een productiebedrijf. Verzoekster heeft van 1 juli
1990 tot 1 november 1990 via een uitzendbureau bij de wederpartij bij de
afwerking van radiatoren gewerkt, in de functie van productiemedewerkster.
Daarna kreeg zij een vast dienstverband. Per 1 januari 1996 is verzoekster
wegens een reorganisatie ontslagen.
In verband met de reorganisatie in het najaar van 1995 heeft de wederpartij
28 werknemers ontslagen, onder wie drie vrouwen. Van de ontslagen werknemers
waren er 15 werkzaam bij de productie-afdeling. Onder deze 15 werknemers
bevond zich een vrouw, namelijk verzoekster. Voor de reorganisatie werkten op
de productie-afdeling ongeveer 200 werknemers, onder wie twee vrouwen. Voor
de reorganisatie bestond het totale personeelsbestand uit 247 personen, onder
wie 17 vrouwen en 230 mannen. Op 19 juli 1996 liep er nog een
ontslagprocedure tegen 5 werknemers.
Bij het bepalen wie voor ontslag voorgedragen zou worden, is de wederpartij
uitgegaan van anciënniteit en het afspiegelingsbeginsel naar leeftijd. Bij de
jongste groep werknemers is vanwege de geringe omvang van deze groep (twee
personen) van deze criteria afgeweken.
De wederpartij hanteert ten aanzien van vrouwen een positief actiebeleid.
Desondanks heeft dit niet tot een toename van vrouwelijke werknemers binnen
het bedrijf geleid.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster brengt het volgende naar voren.
Zij stelt dat de wederpartij bij de reorganisatie onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt door relatief gezien meer vrouwen dan mannen te ontslaan. Op de
productie-afdeling werkten maar twee vrouwen. Hiervan is er een ontslagen,
namelijk zijzelf. Aangezien er al zo weinig vrouwen in het bedrijf werken en
helemaal op de productie-afdeling, is verzoekster van mening dat bij hen -net
als bij de groep jonge werknemers- afgeweken had moeten worden van de
ontslagcriteria.
3.3. De wederpartij voert het volgende aan.
De gehele reorganisatie, inclusief de functies en de namen van de medewerkers
die op de ontslaglijst stonden, zijn zowel door de ondernemingsraad als door
de vakbonden gecheckt.
Alvorens de ontslagaanvragen in te dienen, heeft de wederpartij overleg
gevoerd met een arbeidsbureau. Het arbeidsbureau heeft toen ten stelligste
ontraden om enig ander criterium te hanteren dan de in het delegatiebesluit
genoemde criteria anciënniteit en afspiegeling naar leeftijd. Hier heeft de
wederpartij zich dan ook aan gehouden. De wederpartij is van mening dat de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit niet discriminatoir zijn.
Behalve vrouwen, zijn er nog meer categorieën die bij ontslag een extra
kwetsbare positie innemen. Een enkele categorie van de ontslagcriteria
uitzonderen is niet te rechtvaardigen tegenover de anderen. Indien de
wederpartij de vrijheid had gehad om andere criteria te kiezen dan het
delegatiebesluit voorschrijft, had zij dit ook beslist gedaan.
Tot slot brengt de wederpartij naar voren dat zij bij een vorige
reorganisatie, een aantal jaren geleden, een groot aantal ontslagen op de
kantoorafdelingen -waar hoofdzakelijk vrouwen werken- heeft kunnen voorkomen
door afspraken te maken over werken in deeltijd.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de reorganisatie eind 1995
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.
4.2. Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de werkgever onder
andere bij de beëindiging van het dienstverband geen onderscheid tussen
mannen en vrouwen mag maken.
Artikel 5 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) bepaalt
dat van dit verbod mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid
beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een
redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
Artikel 1 WGB geeft aan dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet
worden verstaan direct en indirect onderscheid. Blijkens dit artikel wordt
onder indirect onderscheid verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van geslacht tot
gevolg heeft.
Artikel 6 WGB bepaalt dat het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid
niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
4.3. De wederpartij stelt dat de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit
niet discriminatoir zijn. De Commissie merkt hierover op dat het juist is dat
deze ontslagcriteria geen direct onderscheid naar geslacht maken. Dat neemt
echter niet weg dat toepassing van deze criteria ertoe kunnen leiden dat met
name een bepaalde groep personen nadelig getroffen wordt, waardoor er
mogelijk indirect onderscheid wordt gemaakt.
4.4. Verzoekster stelt dat het vrouwelijke personeel door de reorganisatie
onevenredig zwaar is getroffen.
Uit de overgelegde cijfers (zie paragraaf 3.1) kan het volgende worden
afgeleid.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen nadelig zijn getroffen door de wijze waarop de
ontslagvolgorde door de wederpartij is vastgesteld. De Commissie tekent
hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers hanteert bij het
beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt rekening gehouden met
het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben binnen de groep van
werknemers die ontslagen wordt (Een voorbeeld: een onderneming waarin tien
vrouwen werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken er negen in deeltijd,
van de mannen ook. Stel dat deeltijdwerkers een lager uurloon ontvangen dan
voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute
getallen) werkt onderscheid ten nadele van deeltijdwerkers gelijk uit naar
geslacht; er zijn immers negen vrouwen en negen mannen die worden benadeeld.
Toch zal duidelijk zijn dat met name vrouwen nadelig worden getroffen: immers
negen van de tien vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen worden nadelig
getroffen).
4.5. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 6 WGB niet ten
aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is. Onder een
objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat:
– aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is;
– de middelen, die gekozen worden om het nagestreefde doel te bereiken,
dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de onderneming;
– deze middelen geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook
noodzakelijk zijn (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 14. en Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84 en Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88).
4.6. De wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij
gebonden is aan de ontslagcriteria die het delegatiebesluit voorschrijft. Zij
kon hier derhalve niet van afwijken, ook al was het gevolg dat er relatief
meer vrouwen dan mannen ontslagen werden.
Wat betreft het doel concludeert de Commissie dat het hanteren van
ontslagcriteria beoogt om op een objectieve wijze te bepalen wie ontslagen
zal worden. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd, terwijl dit doel
tevens beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de onderneming.
Vervolgens zal onderzocht moeten worden of de middelen geschikt en
noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.
Het middel is in het onderhavige geval het hanteren van de ontslagcriteria
uit het delegatiebesluit. Op zich is dit middel geschikt om het gestelde doel
te bereiken.
In het delegatiebesluit staat onder artikel 9 lid 6 dat er bij de toepassing
van de voorgaande leden extra aandacht wordt besteed aan het voorkomen van
discriminatie. Dit artikel biedt dus de mogelijkheid om af te wijken van de
ontslagcriteria anciënniteit en afspiegeling naar leeftijd, als toepassing
hiervan ertoe leidt dat met name een bepaalde groep benadeeld wordt. Maar ook
artikel 5 lid 1 van de WGB biedt deze mogelijkheid.
Dat ook de wederpartij van mening was dat er van deze criteria afgeweken kon
worden, blijkt uit het feit dat er bij de jongste groep werknemers van de
ontslagcriteria is afgeweken. Hierbij werd als argument aangevoerd dat de
omvang van deze groep zo gering was (twee personen). Maar op de
productie-afdeling waren ook slechts twee vrouwen werkzaam. De Commissie ziet
dan ook niet in waarom in het geval van verzoekster niet van de
ontslagcriteria afgeweken had kunnen worden.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Nuth indirect
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door mevrouw (…) te Hoensbroek bij de
reorganisatie eind 1995 te ontslaan.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. van derHeijden (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 oktober 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie besloten een aantal
medewerkers te ontslaan. Ook verzoekster is ontslagen. Volgens verzoekster
zijn er relatief meer vrouwen dan mannen ontslagen. Verzoekster is van mening
dat de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
De wederpartij stelt dat de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit niet
discriminatoir zijn. De Commissie oordeelt dat toepassing van deze criteria
ertoe kunnen leiden dat met name een bepaalde groep personen nadelig
getroffen wordt, waardoor er mogelijk indirect onderscheid wordt gemaakt.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen nadelig zijn getroffen door de wijze waarop de
ontslagvolgorde door de wederpartij is vastgesteld. De Commissie tekent
hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers hanteert bij het
beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt rekening gehouden met
het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben binnen de groep van
werknemers die ontslagen wordt.
Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 6 WGB niet ten
aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
De wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij gebonden is
aan de ontslagcriteria die het delegatiebesluit voorschrijft. Zij kon hier
derhalve niet van afwijken, ook al was het gevolg dat er relatief meer
vrouwen dan mannen ontslagen werden.
Wat betreft het doel concludeert de Commissie dat het hanteren van
ontslagcriteria beoogt om op een objectieve wijze te bepalen wie ontslagen
zal worden. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd, terwijl dit doel
tevens beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de onderneming. Het middel
is in het onderhavige geval het hanteren van de ontslagcriteria uit het
delegatiebesluit. Op zich is dit middel geschikt om het gestelde doel te
bereiken.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 11 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Hoensbroek (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Nuth (hierna: de
wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De wederpartij heeft in het kader van een reorganisatie besloten een
aantal medewerkers te ontslaan. Ook verzoekster is ontslagen. Volgens
verzoekster zijn er relatief meer vrouwen dan mannen ontslagen. Verzoekster
is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd heeft gehandeld met de
wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoekster heeft ook de Regionaal Directeur voor de
Arbeidsvoorziening Oostelijke Mijnstreek als wederpartij aangemerkt, omdat
deze de ontslagvergunningen heeft verstrekt. Het oordeelnummer in die zaak is
96-82.
2.2. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.
Vervolgens heeft de Commissie hen uitgenodigd hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 17 september 1996. De wederpartij heeft van
deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…)(echtgenoot van verzoekster)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij is een productiebedrijf. Verzoekster heeft van 1 juli
1990 tot 1 november 1990 via een uitzendbureau bij de wederpartij bij de
afwerking van radiatoren gewerkt, in de functie van productiemedewerkster.
Daarna kreeg zij een vast dienstverband. Per 1 januari 1996 is verzoekster
wegens een reorganisatie ontslagen.
In verband met de reorganisatie in het najaar van 1995 heeft de wederpartij
28 werknemers ontslagen, onder wie drie vrouwen. Van de ontslagen werknemers
waren er 15 werkzaam bij de productie-afdeling. Onder deze 15 werknemers
bevond zich een vrouw, namelijk verzoekster. Voor de reorganisatie werkten op
de productie-afdeling ongeveer 200 werknemers, onder wie twee vrouwen. Voor
de reorganisatie bestond het totale personeelsbestand uit 247 personen, onder
wie 17 vrouwen en 230 mannen. Op 19 juli 1996 liep er nog een
ontslagprocedure tegen 5 werknemers.
Bij het bepalen wie voor ontslag voorgedragen zou worden, is de wederpartij
uitgegaan van anciënniteit en het afspiegelingsbeginsel naar leeftijd. Bij de
jongste groep werknemers is vanwege de geringe omvang van deze groep (twee
personen) van deze criteria afgeweken.
De wederpartij hanteert ten aanzien van vrouwen een positief actiebeleid.
Desondanks heeft dit niet tot een toename van vrouwelijke werknemers binnen
het bedrijf geleid.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster brengt het volgende naar voren.
Zij stelt dat de wederpartij bij de reorganisatie onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt door relatief gezien meer vrouwen dan mannen te ontslaan. Op de
productie-afdeling werkten maar twee vrouwen. Hiervan is er een ontslagen,
namelijk zijzelf. Aangezien er al zo weinig vrouwen in het bedrijf werken en
helemaal op de productie-afdeling, is verzoekster van mening dat bij hen -net
als bij de groep jonge werknemers- afgeweken had moeten worden van de
ontslagcriteria.
3.3. De wederpartij voert het volgende aan.
De gehele reorganisatie, inclusief de functies en de namen van de medewerkers
die op de ontslaglijst stonden, zijn zowel door de ondernemingsraad als door
de vakbonden gecheckt.
Alvorens de ontslagaanvragen in te dienen, heeft de wederpartij overleg
gevoerd met een arbeidsbureau. Het arbeidsbureau heeft toen ten stelligste
ontraden om enig ander criterium te hanteren dan de in het delegatiebesluit
genoemde criteria anciënniteit en afspiegeling naar leeftijd. Hier heeft de
wederpartij zich dan ook aan gehouden. De wederpartij is van mening dat de
ontslagcriteria uit het delegatiebesluit niet discriminatoir zijn.
Behalve vrouwen, zijn er nog meer categorieën die bij ontslag een extra
kwetsbare positie innemen. Een enkele categorie van de ontslagcriteria
uitzonderen is niet te rechtvaardigen tegenover de anderen. Indien de
wederpartij de vrijheid had gehad om andere criteria te kiezen dan het
delegatiebesluit voorschrijft, had zij dit ook beslist gedaan.
Tot slot brengt de wederpartij naar voren dat zij bij een vorige
reorganisatie, een aantal jaren geleden, een groot aantal ontslagen op de
kantoorafdelingen -waar hoofdzakelijk vrouwen werken- heeft kunnen voorkomen
door afspraken te maken over werken in deeltijd.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de reorganisatie eind 1995
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.
4.2. Artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de werkgever onder
andere bij de beëindiging van het dienstverband geen onderscheid tussen
mannen en vrouwen mag maken.
Artikel 5 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) bepaalt
dat van dit verbod mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid
beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een
redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
Artikel 1 WGB geeft aan dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet
worden verstaan direct en indirect onderscheid. Blijkens dit artikel wordt
onder indirect onderscheid verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van geslacht tot
gevolg heeft.
Artikel 6 WGB bepaalt dat het in deze wet neergelegde verbod van onderscheid
niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is.
4.3. De wederpartij stelt dat de ontslagcriteria uit het delegatiebesluit
niet discriminatoir zijn. De Commissie merkt hierover op dat het juist is dat
deze ontslagcriteria geen direct onderscheid naar geslacht maken. Dat neemt
echter niet weg dat toepassing van deze criteria ertoe kunnen leiden dat met
name een bepaalde groep personen nadelig getroffen wordt, waardoor er
mogelijk indirect onderscheid wordt gemaakt.
4.4. Verzoekster stelt dat het vrouwelijke personeel door de reorganisatie
onevenredig zwaar is getroffen.
Uit de overgelegde cijfers (zie paragraaf 3.1) kan het volgende worden
afgeleid.
Op de productie-afdeling is 50% van de vrouwen ontslagen [(1:2) x 100%] en 7%
van de mannen [(14:198) x 100%]. Dit betekent dat op de productie-afdeling
7,1 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (50:7).
Binnen het hele bedrijf is 17,6% van de vrouwen ontslagen [(3:17) x 100%] en
10,9% van de mannen [(25:230) x 100%]. Dit betekent dat binnen het hele
bedrijf 1,6 keer zoveel vrouwen als mannen ontslagen zijn (17,6:10,9).
Op grond van bovengenoemde cijfers concludeert de Commissie dat er relatief
meer vrouwen dan mannen nadelig zijn getroffen door de wijze waarop de
ontslagvolgorde door de wederpartij is vastgesteld. De Commissie tekent
hierbij aan dat zij in het algemeen relatieve cijfers hanteert bij het
beoordelen van het effect naar geslacht. Daardoor wordt rekening gehouden met
het aandeel dat mannen, respectievelijk vrouwen hebben binnen de groep van
werknemers die ontslagen wordt (Een voorbeeld: een onderneming waarin tien
vrouwen werken en 1000 mannen. Van de vrouwen werken er negen in deeltijd,
van de mannen ook. Stel dat deeltijdwerkers een lager uurloon ontvangen dan
voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute
getallen) werkt onderscheid ten nadele van deeltijdwerkers gelijk uit naar
geslacht; er zijn immers negen vrouwen en negen mannen die worden benadeeld.
Toch zal duidelijk zijn dat met name vrouwen nadelig worden getroffen: immers
negen van de tien vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen worden nadelig
getroffen).
4.5. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 6 WGB niet ten
aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is. Onder een
objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat:
– aan het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is;
– de middelen, die gekozen worden om het nagestreefde doel te bereiken,
dienen te beantwoorden aan een werkelijke behoefte van de onderneming;
– deze middelen geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook
noodzakelijk zijn (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 14. en Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84 en Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88).
4.6. De wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat zij
gebonden is aan de ontslagcriteria die het delegatiebesluit voorschrijft. Zij
kon hier derhalve niet van afwijken, ook al was het gevolg dat er relatief
meer vrouwen dan mannen ontslagen werden.
Wat betreft het doel concludeert de Commissie dat het hanteren van
ontslagcriteria beoogt om op een objectieve wijze te bepalen wie ontslagen
zal worden. Aan dit doel is iedere discriminatie vreemd, terwijl dit doel
tevens beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de onderneming.
Vervolgens zal onderzocht moeten worden of de middelen geschikt en
noodzakelijk zijn om het doel te bereiken.
Het middel is in het onderhavige geval het hanteren van de ontslagcriteria
uit het delegatiebesluit. Op zich is dit middel geschikt om het gestelde doel
te bereiken.
In het delegatiebesluit staat onder artikel 9 lid 6 dat er bij de toepassing
van de voorgaande leden extra aandacht wordt besteed aan het voorkomen van
discriminatie. Dit artikel biedt dus de mogelijkheid om af te wijken van de
ontslagcriteria anciënniteit en afspiegeling naar leeftijd, als toepassing
hiervan ertoe leidt dat met name een bepaalde groep benadeeld wordt. Maar ook
artikel 5 lid 1 van de WGB biedt deze mogelijkheid.
Dat ook de wederpartij van mening was dat er van deze criteria afgeweken kon
worden, blijkt uit het feit dat er bij de jongste groep werknemers van de
ontslagcriteria is afgeweken. Hierbij werd als argument aangevoerd dat de
omvang van deze groep zo gering was (twee personen). Maar op de
productie-afdeling waren ook slechts twee vrouwen werkzaam. De Commissie ziet
dan ook niet in waarom in het geval van verzoekster niet van de
ontslagcriteria afgeweken had kunnen worden.
De Commissie concludeert dat, anders dan op grond van artikel 9 lid 6 van het
delegatiebesluit geboden is, bij de toepassing van de ontslagcriteria geen
rekening is gehouden met het voorkomen van discriminatie. Om die reden is de
Commissie van oordeel dat de wederpartij het gehanteerde middel niet juist
heeft toegepast en hiermee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Nuth indirect
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek door mevrouw (…) te Hoensbroek bij de
reorganisatie eind 1995 te ontslaan.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. van derHeijden (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer)