Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 2 oktober 1996

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Appellante heeft twee kinderen die door de vader worden verzorgd. Er is een
omgangsregeling, waarbij de moeder de kinderen één weekend in de veertien
dagen bij zich heeft. De moeder heeft een ABW-uitkering en extra kosten
wegens ziekte. Zij heeft de rechtbank verzocht de vader een bijdrage van ƒ 10
per kind per dag te laten betalen voor de dagen dat de kinderen bij haar
zijn. De rechtbank heeft de vrouw niet ontvankelijk verklaard in haar
verzoek. In hoger beroep wordt de vrouw wel ontvankelijk verklaard. Omdat de
vrouw voldoende heeft aangetoond dat zij niet in staat is in de aan de omgang
verbonden kosten zelf te voorzien, wordt het verzoek door het hof
gehonoreerd.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg
Het Hof verwijst naar de inhoud van het aan deze uitspraak gehechte afschrift
van die beschikking.

2. De procedure in hoger beroep
Als voormeld in hoger beroep gekomen, heeft de vrouw producties overgelegd,
één grief voorgedragen en verzocht, zakelijk weergegeven, de beschikking,
waarvan beroep, te vernietigen voorzover zij daarbij niet-ontvankelijk werd
verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een door de man te betalen
tegemoetkoming van ƒ 10 per kind en per dag voor elke dag, dat zij omgang
met de kinderen van partijen, Wilco en Nicole, zal hebben, en, opnieuw
rechtdoende, dat verzoek alsnog toe te wijzen.
Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:
1. het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg
van 23 februari 1996, toegezonden door de griffier van voormelde rechtbank
en, bij brief van 26 juni 1996, door de raadsvrouwe van de vrouw;
2. de brieven van de raadsvrouwe van de vrouw van 15 en 30 augustus 1996 met
bijlage.
Ter terechtzitting met gesloten deuren van 13 september 1996 zijn partijen en
hun raadslieden door het hof gehoord.

3. De grond van het hoger beroep
De vrouw is van mening dat de rechtbank haar ten onrechte niet-ontvankelijk
heeft verklaard in haar verzoek tot vaststelling van een door de man te
betalen tegemoetkoming van ƒ 10 per kind en per dag, voor elke dag, dat de
kinderen van partijen omgang met haar zullen hebben.

4. De beoordeling
4.1. De vrouw verlangt van de man dat hij de kosten verbonden aan de omgang
tussen de vrouw en de kinderen aan haar vergoedt, omdat zij die kosten niet
kan voldoen uit de aan haar verstrekte uitkering krachtens de algemene
bijstandswet.
4.2. Op grond van artikel 1:406 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat
bij wet van 30 september 1993, Stb. 539 (in werking getreden op 1 maart 1994)
is gewijzigd, kan een ouder de rechter verzoeken het bedrag te bepalen, dat
de andere ouder ten behoeve van het kind moet uitkeren, indien deze laatste
ouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en
opvoeding niet (behoorlijk) nakomt.
4.2.1. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.
4.3. Ten processe staat als onweersproken vast dat de vrouw een uitkering
krachtens de algemene bijstandswet ontvangt voor een zelfstandig wonende
alleenstaande; in die uitkering zijn derhalve geen kosten van verzorging en
opvoeding van kinderen begrepen.
4.3.1. De door de vrouw gestelde kosten verbonden aan de omgang tussen haar
en de beide minderjarige kinderen van partijen zijn naar het oordeel van het
hof aan te merken als kosten van verzorging en opvoeding van die kinderen, in
welke kosten in beginsel beide ouders gehouden zijn te voorzien.
4.3.2. De vrouw heeft voorts genoegzaam aannemelijk gemaakt dat die kosten
gesteld kunnen worden op het algemeen gebruikelijke normbedrag van ƒ 10 per
kind per dag dat de kinderen bij haar verblijven.
4.3.3. Nu genoegzaam is komen vast te staan, dat de vrouw uit de voormelde
aan haar verstrekte uitkering niet in staat is de aan de omgang verbonden
kosten te voldoen, is het verzoek van de vrouw om een bijdrage als door haar
verzocht voor inwilliging vatbaar.
4.3. De man heeft gesteld dat de gemeentelijke sociale dienst op hem een
gedeelte van de aan de vrouw verleende bijstand verhaalt, doch zulks doet aan
het vorenstaande niet af, omdat het verhaal van de gemeente uitsluitend
betreft de kosten van bijstand in het levensonderhoud van de vrouw en niet in
de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
4.4. Oplegging van na te melden bijdrage kan de man wellicht aanleiding geven
zich tot de gemeente te wenden teneinde de hoogte van het verhaalsbedrag
opnieuw te laten vaststellen.
4.5. De beschikking, waarvan beroep, dient te worden vernietigd met een
beslissing als na te melden.
4.6. Partijen zijn elkaars gewezen echtgenoten. Daarom worden de op het hoger
beroep gevallen proceskosten tussen hen gecompenseerd.

5. De beslissing
Het gerechtshof:
Vernietigt de beschikking, waarvan beroep.
Stelt de door de man aan de vrouw te vergoeden kosten van verzorging en
opvoeding van de beide minderjarige kinderen vast op ƒ 10 per kind per dag
dat die kinderen feitelijk omgang met de vrouw hebben.
Compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen in
die zin, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Dorn, Huijbers-Koopman, De Groot-Van Dijken

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 september 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie van de wederpartij van 13
mei 1995 gesolliciteerd naar de bewuste functie. Verzoeker is niet
uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek en is afgewezen.
Door de wederpartij wordt bij de werving en selectie onder meer op grond van
allochtone afkomst een voorkeursbeleid gevoerd. Verzoeker is van allochtone
afkomst en derhalve is het voorkeursbeleid op hem toepasselijk.
Uit de verklaring van de wederpartij blijkt dat zij na een eerste beoordeling
van de sollicitatiebrieven tot de conclusie kwam dat geen enkele kandidaat
aan alle functie-eisen voldeed. De wederpartij heeft vervolgens de
functie-eisen bijgesteld en is een tweede selectie begonnen. Verzoeker is
hiervoor niet uitgenodigd, omdat hij niet aan deze functie-eisen voldeed. Met
name voldeed hij niet aan de aangescherpte functie-eis van
opsporingsbevoegdheid.
Het staat vast dat allochtone kandidaten hebben gesolliciteerd. Daarbij valt
op dat door de aanscherping van de functie-eis terzake van de opsporingstaak
niet alleen verzoeker niet in aanmerking kwam voor de selectie, maar ook alle
overige allochtone kandidaten werden uitgesloten.
Tenslotte staat vast dat door de wederpartij al vele jaren een
voorkeursbeleid naar etnische afkomst bij de selectie wordt gevoerd.
Geconstateerd wordt dat desondanks bij de wederpartij geen enkele allochtone
medewerker werkzaam is.
Voor wat verzoeker betreft kan op grond van de verstrekte informatie worden
vastgesteld dat hij aan de functie-eisen voldeed, zulks met uitzondering van
de later gestelde eis van opsporingsbevoegdheid. Voorts dat verzoeker op
administratief niveau een hogere kwalificatie had dan de kandidaten die wel
zijn aangesteld. Het is dan ook niet duidelijk geworden op welke wijze de
weging van verzoeker heeft plaatsgevonden en waarom hij niet (reeds in de
eerste ronde) uitgenodigd is voor de selectie.
De Commissie is van oordeel dat kandidaten beoordeeld moeten worden aan de
hand van tevoren vastgestelde, nauwkeurig omschreven criteria, hetgeen als
een (rand)voorwaarde gezien moet worden voor een zo objectief mogelijke
selectieprocedure.
Dit is in het onderhavige geval niet gebeurd. De bijstelling van de
functie-eisen is niet aan de sollicitanten bekendgemaakt.
De Commissie is van oordeel dat op grond van de feiten en omstandigheden het
vermoeden rijst dat bij de selectie voor de functie van inspecteur sprake is
geweest van onderscheid op grond van ras. Voorts dat onder de gegeven
omstandigheden het op de weg van de wederpartij ligt aannemelijk te maken dat
bij de afwijzing van verzoeker geen sprake was van onderscheid op grond van
ras.
De Commissie is er niet van overtuigd dat de snelle inzetbaarheid van de
kandidaten de door de wederpartij bij de selectie gehanteerde
accentverschuiving in functie-eisen noodzakelijk maakte. Dit klemt te meer
omdat het behalen van de opsporingsbevoegdheid meer tijd vergt dan het
voltooien van de vereiste administratieve opleiding.
Nu de wederpartij het vermoeden van onderscheid op grond van ras onvoldoende
heeft weerlegd is de Commissie van oordeel dat in de onderhavige selectie
jegens verzoeker verboden onderscheid naar ras is gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 2 januari 1996 verzocht de heer (…) te Nijmegen (hierna te noemen:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of door de Inspectiedienst – SZW Regio Oost van het Ministerie van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Arnhem (hierna te noemen: de wederpartij)
onderscheid is gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling bij de
sollicitatie van verzoeker naar de functie van inspecteur.
1.2. Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie van de wederpartij
van 13 mei 1995 gesolliciteerd naar de bewuste functie. Verzoeker is niet
uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek en is afgewezen. Verzoeker is van
mening dat de wederpartij jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van
ras in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).
2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
2.1. De Commissie heeft het verzoekschrift in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld.
Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 11 juni 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– dhr. (…) (adviseur)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr. A. Kruyt (lid Kamer)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker heeft naar aanleiding van een advertentie van de wederpartij
van 13 mei 1995 in de Volkskrant gesolliciteerd naar de functie van
inspecteur bij de wederpartij.
Als functie-eisen werden in deze advertentie genoemd:
1. een HBO denk- en werkniveau;
2. een MBA-diploma of een gelijkwaardige combinatie van opleiding en
ervaring;
3. goede sociale vaardigheden;
4. kennis van wetten en regelingen op het terrein van de Inspectiedienst SZW,
en in het bijzonder op het terrein van de ex-DIA of bereidheid om deze kennis
op te doen;
5. een diploma buitengewoon opsporingsambtenaar of de bereidheid om dit
diploma zo snel mogelijk te behalen;
6. ervaring met diverse wijzen van administratievoering is een pre;
7. het rijbewijs B;
8. ervaring met PC-gebruik en tekstverwerking;
9. bereidheid tot verhuizing naar de standplaats.
3.2. In de advertentie was de volgende tekst opgenomen met betrekking tot het
voorkeursbeleid van de wederpartij:
`In het personeelsbestand van het ministerie van SZW zijn gehandicapten in de
zin van de WAGW, allochtonen en vrouwen ondervertegenwoordigd. Zij worden dan
ook nadrukkelijk uitgenodigd te solliciteren. SZW geeft uitvoering aan het
voorkeursbeleid van de overheid door zich in de eerste fase van de
selectieprocedure te beperken tot geschikte sollicitanten uit deze drie
voorkeursgroepen. Wanneer het tijdens deze selectieprocedurefase niet gelukt
is de vacature in te vullen, worden andere sollicitaties in behandeling
genomen’.
Verzoeker is van allochtone afkomst en behoort tot een van de doelgroepen van
het voorkeursbeleid van de wederpartij.
Er is geen enkele werknemer van allochtone afkomst werkzaam bij de
wederpartij.
3.3. Op deze advertentie hebben ongeveer 120 sollicitanten in de regio Oost
gereageerd. Bij het beoordelen van de sollicitaties heeft de
selectiecommissie eerst beoordeeld wie van de sollicitanten uit de
doelgroepen aan de in de advertentie gestelde functie-eisen van inspecteur
voldeden. Dit is gebeurd op basis van schriftelijke informatie. Aangezien
geen enkele sollicitant aan alle functie-eisen voldeed heeft de wederpartij
deze bijgesteld.
3.4. De functie-eis HBO werk- en denkniveau werd gehandhaafd. Aan de
functie-eis op het terrein van de opsporing werd hogere prioriteit toegekend
dan aan de functie-eis van aantoonbare kennis en ervaring op het gebied van
bedrijfsadministratie op MBA-niveau.
Eerstgenoemde functie-eis werd aangescherpt in die zin dat bezit van
opsporingsbevoegdheid als functie-eis werd gesteld.
Laatstgenoemde functie-eis werd bijgesteld in die zin dat genoegen werd
genomen met zodanige kennis en ervaring dat het MBA-niveau binnen redelijke
termijn bereikt zou kunnen worden.
Voor het verkrijgen van opsporingsbevoegdheid moet een (landelijke)
Cito-toets worden afgelegd. Daarbij wordt onder meer kennis met betrekking
tot het opmaken van een proces-verbaal, wapenbeheersing, aanhouding en het
bijbrengen van bewijs beoordeeld.
Voor het verkrijgen van het diploma Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BOA) is
er een genormeerde opleiding die aan een politie-opleidingsinstituut wordt
gegeven. Deze cursus duurt ongeveer zes maanden, waarna er een examen bij het
Cito moet worden afgelegd om het diploma te behalen. Het examen kan ook
worden afgelegd, zonder dat de cursus wordt gevolgd.
3.5. De wederpartij heeft op grond van de in tweede instantie gehanteerde
selectiecriteria eerst de sollicitanten uit de doelgroepen beoordeeld.
Aan de bijgestelde selectiecriteria voldeed slechts een sollicitant uit de
voorkeursgroepen (een vrouw). Van de overige sollicitanten bleken zes
sollicitanten te voldoen aan de bijgestelde criteria.
Er zijn zeven sollicitanten uitgenodigd voor een gesprek en daaruit zijn drie
sollicitanten benoemd in de functie van inspecteur, waaronder de hiervoor
genoemde vrouwelijke kandidaat.
3.6. De wederpartij heeft verzoeker bij brief van 30 mei 1995 afgewezen. In
deze brief stelt de wederpartij onder meer dat de functie van inspecteur in
de komende jaren vooral gericht zal zijn op de opsporing in het kader van de
WAV, TBA en AB (WAV staat voor Wet Arbeid Vreemdelingen: TBA staat voor
Tijdelijke Beschikbaarstelling Arbeidskrachten (voor het uitzendwezen
bijvoorbeeld): AB staat voor Arbeidsbemiddeling). De wederpartij geeft voorts
aan dat de keuze voor een nader gesprek is gemaakt uit sollicitanten die
naast het vereiste HBO werk- en denkniveau niet alleen kennis en ervaring
hebben opgedaan op administratief gebied, maar ook reeds actief zijn of zijn
geweest in de opsporing.
3.7. Verzoeker heeft na zijn afwijzing telefonisch contact opgenomen met de
hoofdinspecteur en met de directeur van de wederpartij.
Deze laatste heeft hem uitgenodigd voor een gesprek.
Op 8 januari 1996 heeft dit gesprek plaatsgevonden tussen verzoeker en de
directeur van de wederpartij.
3.8. Verzoeker heeft tegelijkertijd met de indiening van zijn klacht bij de
Commissie een klacht ingediend bij de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid over de wijze waarop zijn sollicitatie is behandeld. De
Commissie heeft in mei 1996 het voorlopig oordeel op de klacht alsmede de
daarbij behorende verslagen van hoorzittingen ontvangen.
De Minister komt het geheel overziende tot de conclusie dat de
selectieprocedure voldoende zorgvuldig is doorlopen. Hij heeft voor de
stelling dat verzoeker in deze sollicitatieprocedure ongelijk zou zijn
behandeld geen aanwijzingen aangetroffen en heeft de klacht van verzoeker
ongegrond verklaard.
3.9. Ondanks het feit dat de Minister geconstateerd heeft dat de
selectieprocedure voldoende zorgvuldig is doorlopen, heeft hij in het
onderzoek aanleiding gezien om de selectieprocedure in een draaiboek vast te
laten leggen teneinde een eenduidige procedure te bevorderen en sollicitanten
daarover desgewenst op uniforme wijze te kunnen informeren.
De standpunten van partijen
3.10. Verzoeker is van mening dat er jegens hem onderscheid op grond van ras
is gemaakt en licht dit als volgt toe.
Hij is voor de bewuste functie niet uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek
ondanks het feit dat hij aan bijna alle gestelde functie-eisen voldeed. Hij
voldeed niet aan het vereiste van het in het bezit zijn van een diploma BOA.
Hij was echter bereid dit diploma alsnog te behalen.
Voorts is hij niet in het bezit van een MBA-diploma, maar wel van een diploma
op SPD-niveau, hetgeen hoger is dan het MBA niveau.
Verzoeker heeft bij verschillende personen, waaronder de hoofdinspecteur,
voorafgaand aan zijn sollicitatie informatie ingewonnen over de bewuste
functie.
Nadat verzoeker schriftelijk op de hoogte is gesteld van zijn afwijzing heeft
hij in het najaar van 1995 telefonisch contact opgenomen met de
hoofdinspecteur. Deze deelde hem mee dat verzoeker geen goed beeld had van de
functie en niet voldeed aan de gestelde eisen. Voorts heeft de
hoofdinspecteur verzoeker gevraagd, hoe hij het zou vinden om een illegale
landgenoot op te sporen en het land uit te zetten.
Deze opmerkingen hebben verzoeker gestoord.
Indien bij de selectie in tweede instantie het zwaartepunt is komen te liggen
bij de snelle operationele inzetbaarheid, meent verzoeker dat hij daar eerder
aan zou kunnen voldoen dan de sollicitanten die zijn aangesteld.
Deze volgen momenteel de MBA-opleiding, die minimaal een jaar zal duren. De
opleiding voor buitengewoon opsporingsambtenaar die verzoeker zou moeten
volgen duurt echter maximaal zes maanden.
Voorts zijn de drie sollicitanten die zijn aangesteld, allen (twee mannen en
een vrouw) blank en zijn er geen allochtonen in dienst bij de wederpartij.
De wederpartij stelt het volgende.
3.11. De wederpartij is van mening dat zij tijdens de sollicitatieprocedure
voor de bewuste functie geen onderscheid in strijd met de AWGB heeft gemaakt,
noch dat zij bij deze sollicitatieprocedure onzorgvuldig heeft gehandeld.
Conform de gemaakte afspraken binnen het departement zijn eerst de kandidaten
afkomstig uit de doelgroepen van het voorkeursbeleid op hun geschiktheid
beoordeeld. Toen niemand volledig aan de gestelde functie-eisen voldeed
werden dezelfde sollicitanten nogmaals bezien tegen de aangepaste
functie-eisen.
De advertentie is breed opgesteld omdat voor alle regio’s werd geworven en
vanwege het brede takenpakket binnen de verschillende regio`s. Er is derhalve
rekening gehouden met de wensen van alle regio`s. De functie in de
onderhavige regio was op korte termijn gericht op opsporing van illegale
werknemers. Op termijn zouden de kandidaten ook de andere werkzaamheden van
inspecteur moeten kunnen vervullen.
In de telefoongesprekken naar aanleiding van de advertentie bleek dat de
informatie over de functie niet voldoende duidelijk was. Toen heeft de
hoofdinspecteur bij de informatieverstrekking over de functie meer de nadruk
gelegd op de opsporing en de samenwerking met de Vreemdelingendienst.
3.12. Verzoeker voldeed niet aan alle functie-eisen en na bijstelling van de
functie-eisen voldeed hij nog steeds niet aan de gestelde eisen. Hij miste de
– na de bijstelling meer als prioritaire functie-eis gehanteerde –
opsporingsbevoegdheid. Omdat na bijstelling van de functie-eisen wel
voldoende kandidaten naar voren kwamen is verzoeker niet uitgenodigd voor een
sollicitatiegesprek. De opgeroepen kandidaten scoorden aanzienlijk beter met
betrekking tot het aspect opsporingservaring, deze waren allen in het bezit
van opsporingsbevoegdheid.
3.13. De bijstelling van de functie-eisen moet niet beschouwd worden als het
laten vallen of aanscherpen van functie-eisen en of een `uitsluitend’
selecteren op een functie-eis.
Er is sprake van het leggen van accenten c.q. toekennen van wegingsfactoren
vanuit het criterium van een snelle operationele inzetbaarheid. Het
zwaartepunt van de functie zal in de komende jaren liggen op de
opsporingsactiviteiten op het terrein van de illegale tewerkstelling.
Geen enkele allochtone kandidaat was in het bezit van opsporingsbevoegdheid.
Als een sollicitant alleen aan laatstgenoemd criterium niet voldeed zou hij
in de selectieprocedure toch meegenomen zijn. Betrokkene zou dan eerst worden
ingezet op een afdeling waar deze bevoegdheid niet van meet af aan
noodzakelijk is. Ondertussen zou hij in de gelegenheid worden gesteld om de
desbetreffende bevoegdheid te behalen.
De wederpartij heeft voorts uiteengezet dat de opsporingsambtenaren dikwijls
in teamverband opereren. Van het team maakt de Vreemdelingendienst deel uit.
3.14. Uit het verslag van de hoorzittingen, die zijn gehouden in het kader
van de klachtenprocedure van het Ministerie, blijkt dat de hoofdinspecteur
zijn verbazing uit over de opmerkingen door verzoeker weergegeven in het
hiervoor onder 3.10. genoemde telefoongesprek. Deze opmerkingen komen hem
onbekend voor en hij kan daarover slechts speculeren.
De hoofdinspecteur stelt, aldus het verslag, dat hij in de destijds gevoerde
telefoongesprekken alleen benadrukt heeft (omdat er een verkeerd beeld bleek
te bestaan van de functie) dat een substantieel deel van de functie de
samenwerking met de Vreemdelingendienst en de gevolgen daarvan (onder andere
uitzettingen) zou inhouden. Hij stelt voorts dat de ervaring leert dat dit
voor medewerkers een ingrijpende ervaring is en spanningen op kan leveren. In
zijn algemeenheid kan hij daar een waarschuwing vanuit hebben laten gaan.
Zeer zeker niet in het kader van iemands herkomst of de verwijzing naar de
illegale praktijken van illegale `landgenoten’, maar vanuit de werkrelatie.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking jegens verzoeker onderscheid heeft
gemaakt naar ras, zoals verboden in de AWGB.
4.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB
onderscheid op grond van ras bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van ras.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13).
Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan direct en indirect
onderscheid. Direct onderscheid is onderscheid op grond van een van de
verboden gronden, in dit geval ras.
Indirect onderscheid op grond van ras is onderscheid op grond van een ander
criterium dan ras, dat direct onderscheid naar ras tot gevolg heeft.
4.3. In de AWGB is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de wet
neergelegde verbod van onderscheid. Met betrekking tot de grond ras zijn de
volgende uitzonderingen in dit geval relevant.
In artikel 2 lid 1 AWGB is bepaald dat het in de AWGB neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.
In artikel 2 lid 3 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid naar ras
niet geldt in geval van voorkeursbeleid voor etnische of culturele
minderheidsgroepen.
4.4. De vraag die voorligt is of de selectieprocedure die door de wederpartij
is gehanteerd direct dan wel indirect onderscheid teweeg brengt.
Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt.
4.5. Door de wederpartij wordt bij de werving en selectie onder meer op grond
van allochtone afkomst een voorkeursbeleid gevoerd.
Verzoeker is van allochtone afkomst en derhalve is het voorkeursbeleid op hem
toepasselijk.
Uit de verklaring van de wederpartij blijkt dat zij na een eerste beoordeling
van de sollicitatiebrieven tot de conclusie kwam dat geen enkele kandidaat
aan alle functie-eisen voldeed. De wederpartij heeft vervolgens de
functie-eisen bijgesteld en is een tweede selectie begonnen. Verzoeker is
hiervoor niet uitgenodigd, omdat hij niet aan deze functie-eisen voldeed. Met
name voldeed hij niet aan de aangescherpte functie-eis van
opsporingsbevoegdheid.
Het staat vast dat allochtone kandidaten hebben gesolliciteerd. Daarbij valt
op dat door de aanscherping van de functie-eis terzake van de opsporingstaak
niet alleen verzoeker niet in aanmerking kwam voor de selectie, maar ook alle
overige allochtone kandidaten werden uitgesloten.
Tenslotte staat vast dat door de wederpartij al vele jaren een
voorkeursbeleid naar etnische afkomst bij de selectie wordt gevoerd.
Geconstateerd wordt dat desondanks bij de wederpartij geen enkele allochtone
medewerker werkzaam is.
De wederpartij stelt weliswaar te betreuren dat zij geen allochtone
medewerkers in dienst heeft, maar heeft daar geen verklaring voor. Niet
gesteld en ook niet gebleken is dat er geen aanbod is van allochtone
kandidaten.
Voor wat verzoeker betreft kan op grond van de verstrekte informatie worden
vastgesteld dat hij aan de functie-eisen voldeed, zulks met uitzondering van
de later gestelde eis van opsporingsbevoegdheid. Voorts dat verzoeker op
administratief niveau een hogere kwalificatie had dan de kandidaten die wel
zijn aangesteld. Het is dan ook niet duidelijk geworden op welke wijze de
weging van verzoeker heeft plaatsgevonden en waarom hij niet (reeds in de
eerste ronde) uitgenodigd is voor de selectie.
4.6. In het kader van selectieprocedures heeft de Commissie reeds eerder
geoordeeld dat deze voldoende inzichtelijk, controleerbaar en systematisch
dienen te zijn, om te voorkomen dat (ongewild) onderscheid naar etnische
afkomst wordt gemaakt (Zie Commissie gelijke behandeling oordeelnummer 96-5.
In dit oordeel is wat betreft etnische afkomst overeenkomstige toepassing
gegeven aan het standpunt van het Europese Hof van Justitie inzake de
noodzaak van doorzichtigheid van procedures).
De Commissie is van oordeel dat kandidaten beoordeeld moeten worden aan de
hand van tevoren vastgestelde, nauwkeurig omschreven criteria, hetgeen als
een (rand)voorwaarde gezien moet worden voor een zo objectief mogelijke
selectieprocedure.
Dit is in het onderhavige geval niet gebeurd. De bijstelling van de
functie-eisen is niet aan de sollicitanten bekendgemaakt.
Voorts is door de wederpartij aangevoerd dat bij de tweede selectie een
weging heeft plaatsgevonden. Ondanks de gestelde prioriteit van de snelle
inzetbaarheid van de kandidaten was volgens de wederpartij het bezit van de
opsporingsbevoegdheid niet doorslaggevend, maar werden de kandidaten gewogen
aan de hand van een samenstel van functie-eisen. Daarbij is naar het oordeel
van de Commissie niet duidelijk geworden op welke wijze de weging heeft
plaatsgevonden. Door deze factoren is de selectieprocedure minder
inzichtelijk en minder controleerbaar geworden.
4.7. De Commissie is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde feiten
en omstandigheden het vermoeden rijst dat bij de selectie voor de functie van
inspecteur sprake is geweest van onderscheid op grond van ras. Voorts dat
onder de gegeven omstandigheden het op de weg van de wederpartij ligt
aannemelijk te maken dat bij de afwijzing van verzoeker geen sprake was van
onderscheid op grond van ras.
4.8. Ten aanzien van het verweer van de wederpartij dat vanwege de gewenste
snelle inzetbaarheid van de kandidaten meer belang werd gehecht aan de
opsporingsbevoegdheid en minder aan een voltooide administratieve opleiding
overweegt de Commissie het volgende.
De Commissie stelt in het licht van het takenpakket van de wederpartij vast
dat het bezit van opsporingsbevoegdheid een reële functie-eis is. De
Commissie is er echter niet van overtuigd dat aan deze eis slechts kan worden
voldaan door uitsluitend kandidaten te selecteren die reeds in het bezit zijn
van opsporingsbevoegdheid. Het is immers bekend dat de desbetreffende
Cito-toets binnen afzienbare tijd gehaald kan worden. De Commissie wordt in
deze mening gesterkt omdat in de advertentie voor deze functie de gelegenheid
werd geboden het diploma BOA te behalen. Nu de opsporingsbevoegdheid veel
sneller dan het diploma BOA gehaald kan worden, valt niet in te zien waarom
die mogelijkheid niet zou kunnen worden geboden.
Voorts heeft de wederpartij uiteengezet dat opsporingsambtenaren dikwijls in
teamverband opereren, waarbij de Vreemdelingendienst deel van het team
uitmaakt. In dergelijke gevallen wordt in de opsporingsbevoegdheid reeds
voorzien door de beambten van de Vreemdelingendienst. Het komt de Commissie
voor dat in de overige gevallen in de snelle inzetbaarheid van nieuwe
opsporingsambtenaren kan worden voorzien door combinaties van ervaren en
onervaren of minder ervaren krachten. Daarbij wordt aangetekend dat deze
situatie slechts van korte duur is, omdat de opsporingsbevoegdheid binnen
korte tijd behaald kan worden.
De Commissie is er op grond van het bovenstaande niet van overtuigd dat de
snelle inzetbaarheid van de kandidaten de door de wederpartij bij de selectie
gehanteerde accentverschuiving in functie-eisen noodzakelijk maakte. Dit
klemt te meer omdat het behalen van de opsporingsbevoegdheid meer tijd vergt
dan het voltooien van de vereiste administratieve opleiding.
4.9. Het verweer van de wederpartij dat geen enkele allochtone kandidaat in
het bezit was van opsporingsbevoegdheid en reeds daarom niet voor selectie in
aanmerking kwam, is onder verwijzing naar het hiervoor onder 4.8. gestelde,
geen deugdelijk verweer. Het stellen van deze functie-eis is immers, zoals
hiervoor reeds uiteengezet, niet noodzakelijk voor de snelle inzetbaarheid
van kandidaten.
4.10. Nu de wederpartij het vermoeden van onderscheid op grond van ras
onvoldoende heeft weerlegd is de Commissie van oordeel dat in de onderhavige
selectie jegens verzoeker verboden onderscheid naar ras is gemaakt.
4.11. Artikel 13, lid 2 AWGB kent de Commissie de bevoegdheid toe om bij het
ter kennis brengen van het oordeel aan degene die het onderscheid maakt
aanbevelingen te doen.
Aanbeveling terzake van de werving en selectie
De Commissie constateert dat een breed opgestelde advertentie als de
onderhavige bezwaren meebrengt vanuit het oogpunt van gelijke behandeling. De
kandidaten worden niet beoordeeld aan de hand van objectieve selectiecriteria
die van te voren eenduidig kenbaar zijn gemaakt, maar worden op
oncontroleerbare wijze afgewogen tegen eisen die naderhand op een bepaalde
functie zijn toegesneden. Met name wordt op die manier niet voldoende
tegemoetgekomen aan de procedurele eisen van doorzichtigheid en
controleerbaarheid.
De Commissie beveelt derhalve de wederpartij aan meer gericht te werven,
zodat de functie-eisen specifiek op de desbetreffende vacatures kunnen worden
toegesneden.
De Commissie beveelt voorts aan het besluit van de Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid, inhoudende de selectieprocedure ter bevordering van de
eenduidigheid in een draaiboek vast te leggen, spoedig ten uitvoer te
brengen.
Aanbeveling terzake van het voorkeursbeleid
De Commissie constateert dat het door de wederpartij gehanteerde
voorkeursbeleid, wat de allochtone doelgroep betreft, tot dusver geen effect
heeft gesorteerd.
De Commissie beveelt derhalve aan maatregelen te treffen teneinde de
ineffectiviteit op te heffen.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Inspectiedienst SZW van het
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te Arnhem jegens de heer
(…) te Nijmegen onderscheid naar ras heeft gemaakt zoals verboden in
artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. A. Kruyt (lidKamer), mw. dr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 september 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft de Britse nationaliteit. In juni 1995 nam zij deel aan de
Nederlandse kampioenschappen klein kaliber geweerschieten 100 meter te Ede,
onder auspiciën van de wederpartij. Verzoekster behaalde bij deze wedstrijden
een Nederlands record. Door de wederpartij werd het kampioenschap aan
verzoekster toegewezen, maar het record niet.
De wederpartij betwist de bevoegdheid van de Commissie om een oordeel uit te
spreken over het verzoek op grond van de tekst van artikel 7 lid 1 AWGB.
Naar de mening van de wederpartij valt het organiseren van sportwedstrijden
niet onder het begrip `aanbieden van goederen of diensten’ zoals neergelegd
in artikel 7 lid 1 AWGB en is een sportbond geen `openbare dienst of
instelling, werkzaam op het gebied van volkshuisvesting, welzijn,
gezondheidszorg, cultuur of onderwijs’, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub
c van de AWGB. De Commissie stelt vast, dat de wederpartij een instelling is
als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub c AWGB.
De Commissie is van oordeel dat het door de wederpartij organiseren van een
sportwedstrijd en het toekennen van een record op grond van een tijdens de
wedstrijd geleverde prestatie valt onder het begrip `aanbieden van diensten’
in de zin van artikel 7 lid 1 AWGB.
De wederpartij heeft jegens verzoekster onderscheid gemaakt op grond van
nationaliteit door haar het Nederlands record niet toe te kennen. In de AWGB
is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de wet neergelegde verbod
van onderscheid naar nationaliteit. In dit geval is de uitzondering van
artikel 2 lid 5 sub b van belang, waarin is bepaald dat het in de AWGB
neergelegde verbod van onderscheid op grond van nationaliteit niet geldt in
gevallen waarin de nationaliteit bepalend is.
De kernvraag is of de wederpartij jegens verzoekster een beroep kan doen op
de uitzonderingen van het verbod om onderscheid te maken op grond van
nationaliteit.
De wetgever heeft een restrictieve benadering voor ogen gestaan met
betrekking tot de toepasselijkheid van bedoelde uitzonderingen. Het toekennen
van een record is niet opgenomen in de in voornoemd Besluit vastgelegde
uitzonderingen, noch in de Nota van Toelichting.
De Commissie stelt vast, dat het toekennen van een nationaal record niet valt
onder de genoemde uitzonderingen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
Op 2 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Alphen aan de Rijn (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of de (…) te Amersfoort (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid maakt naar nationaliteit in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. Verzoekster heeft de Britse nationaliteit. In juni 1995 nam zij deel aan
de Nederlandse kampioenschappen klein kaliber geweerschieten 100 meter te
Ede, onder auspiciën van de wederpartij. Verzoekster behaalde bij deze
wedstrijden een Nederlands record.
Door de wederpartij werd het kampioenschap aan verzoekster toegewezen, maar
het record niet. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee
onderscheid maakt naar nationaliteit in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB).
2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting aanvankelijk voorzien op 23 april 1996. Op
verzoek van de wederpartij is deze zitting verzet naar 29 mei 1996. De
wederpartij heeft kort voor de zitting schriftelijk aangekondigd niet
aanwezig te willen zijn.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mevrouw (…) (verzoekster)
– de heer (…) (gemachtigde)
– de heer (…) (getuige)
– de heer mr. (…) (getuige-deskundige)
van de kant van de Commissie:
– mevrouw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– de heer A. Kruyt (lid Kamer)
– mevrouw mr.dr. L. Mulder (lid Kamer)
– mevrouw I.M. Hidding (secretaris Kamer)
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder paragraaf 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster heeft de Britse nationaliteit. In juni 1995 nam zij deel aan
de Nederlandse kampioenschappen klein kaliber geweerschieten 100 meter te
Ede, onder auspiciën van de wederpartij. Verzoekster behaalde bij deze
wedstrijden een Nederlands record. Het record werd in de officiële uitslagen
vermeld. De dag erna werd verzoekster gebeld door de wederpartij waarbij
vragen werden gesteld over de nationaliteit van verzoekster. Vervolgens werd
verzoekster meegedeeld dat zij geen Nederlands nationaal record kon houden en
dat het twijfelachtig was of verzoekster de kampioenstitel kon krijgen.
3.2. Door de wederpartij werd het kampioenschap aan verzoekster toegewezen,
maar het record niet. Verzoekster heeft hierop een klacht ingediend bij de
wederpartij. Dit heeft echter geen verandering gebracht in het standpunt van
de wederpartij. Verzoekster heeft vervolgens een verzoek om een oordeel
ingediend bij de Commissie.
3.3. De wederpartij is een sportbond. Het doel van deze bond is mensen in
staat te stellen de schietsport te beoefenen in de meest brede zin. Dit houdt
onder meer in het organiseren van wedstrijden en het behartigen van de
belangen van de leden.
De wederpartij organiseert onder meer nationale kampioenschappen waarbij
Nederlandse records worden toegekend.
3.4. In de statuten van de wederpartij zijn geen bepalingen opgenomen over de
nationaliteit van schutters, het deelnemen aan wedstrijden en het toekennen
van records. Wel is zo’n bepaling opgenomen in het huishoudelijk reglement
van de wederpartij. Deze bepaling luidt als volgt:
`Artikel 55 Deelname aan schietwedstrijden
1. […]
2. Niet-Nederlandse schutters kunnen geen Nederlands record vestigen of
verbeteren.’
De standpunten van partijen
3.5. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij, door haar niet het Nederlands
record klein kaliber geweerschieten 100 meter toe te kennen op grond van haar
nationaliteit, onderscheid maakt in strijd met de AWGB.
3.6. Verzoekster heeft uit de uitslagenlijst moeten begrijpen dat het nieuwe
Nederlandse record op het conto van nummer twee op de uitslagenlijst
geschreven is.
De voorzitter van de wederpartij heeft bij navraag van verzoekster bij monde
van de voorzitter van de technische commissie laten weten dat het zo in de
reglementen staat en dat hij niet van plan was er iets aan te doen.
3.7. Verzoekster is amateur en heeft geen enkel economisch voordeel bij
deelname. Er is geen geldprijs aan het kampioenschap of record verbonden.
3.8. Ter zitting is van de kant van verzoekster uiteengezet, dat het
Nederlands kampioenschap of het toekennen van een nationaal Nederlands record
geen gevolgen heeft voor het deelnemen aan internationale wedstrijden.
3.9. De wederpartij stelt het volgende.
De Commissie is niet bevoegd een oordeel over deze zaak te geven omdat in het
onderhavige geval geen sprake is van het aanbieden van goederen en diensten
zoals bedoeld in artikel 7 van de AWGB. De wederpartij is geen openbare
dienst en ook geen instelling die werkzaam is op het gebied van
volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs.
3.10. De mededeling aan verzoekster dat het huishoudelijk reglement zich
verzet tegen het toekennen van het Nederlands record is niet namens de
voorzitter van het bestuur van de wederpartij gedaan.
3.11. Het bestuur van de wederpartij betreurt de gang van zaken en zou graag
het huishoudelijk reglement wijzigen, maar een dergelijke wijziging wordt
geblokkeerd doordat vroeger het Hoofdbestuur niet met een wijziging instemde
en nadien de Algemene Ledenvergadering niet met een dergelijke wijziging
wilde instemmen. Bij het drukken van het door de wederpartij uitgegeven
Vademecum is de bepaling, dat niet-Nederlanders geen Nederlands kampioen
kunnen worden, weggevallen.
De wederpartij stelt dat de statuten en het huishoudelijk reglement
gehandhaafd moeten worden, ook al zou blijken dat hier sprake is van strijd
met wettelijke voorschriften.
De verklaringen van de getuigen
3.12. De door verzoekster meegebrachte getuige heeft verklaard dat hij als
trainer werkzaam is en uit eigen ervaring weet dat in Duitsland schutters van
niet-Duitse nationaliteit in aanmerking komen voor deelname aan nationale
kampioenschappen en toekenning van nationale records.
De door verzoekster meegebrachte getuige-deskundige heeft verklaard van
mening te zijn, dat de wederpartij heeft gehandeld in strijd met de AWGB.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar nationaliteit heeft gemaakt bij het aanbieden van goederen en diensten
als bedoeld in artikel 7 lid 1 van de AWGB door het niet-toekennen van het
Nederlands record aan verzoekster.
4.2. Artikel 7 lid 1 AWGB bepaalt dat onderscheid is verboden bij het
aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten ter zake, onder meer indien dit geschiedt:
a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf;
b. door de openbare dienst;
c. door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van de volkshuisvesting,
welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
onderscheid tussen personen op grond van nationaliteit. Onder onderscheid
wordt verstaan zowel direct als indirect onderscheid.
4.3. De wederpartij betwist de bevoegdheid van de Commissie om een oordeel
uit te spreken over het verzoek op grond van de tekst van artikel 7 lid 1
AWGB.
Naar de mening van de wederpartij valt het organiseren van sportwedstrijden
niet onder het begrip `aanbieden van goederen of diensten’ zoals neergelegd
in artikel 7 lid 1 AWGB en is een sportbond geen `openbare dienst of
instelling, werkzaam op het gebied van volkshuisvesting, welzijn,
gezondheidszorg, cultuur of onderwijs’, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 sub
c van de AWGB.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Het begrip `welzijn’ omvat volgens de Memorie van Toelichting onder meer het
terrein van de sport (Memorie van Toelichting.).
Onder instelling wordt volgens de Memorie van Toelichting `gedoeld op
organisatorische verbanden die in de samenleving als een eenheid optreden en
die niet kunnen worden geacht een beroep of bedrijf uit te oefenen
(Koninklijk Besluit van 18 augustus 1994, Stb. 657).’ De Commissie stelt op
grond hiervan vast, dat de wederpartij een instelling is als bedoeld in
artikel 7 lid 1 sub c AWGB.
Tot de activiteiten van de wederpartij behoort onder meer het organiseren van
sportwedstrijden en het toekennen van nationale records. Artikel 7 lid 1 AWGB
bevat geen beperkingen met betrekking tot de aard van de aan te bieden
goederen of diensten.
De Commissie is op bovenstaande gronden van oordeel dat het door de
wederpartij organiseren van een sportwedstrijd en het toekennen van een
record op grond van een tijdens de wedstrijd geleverde prestatie valt onder
het begrip `aanbieden van diensten’ in de zin van artikel 7 lid 1 AWGB.
Daarmee valt de klacht van verzoekster onder de reikwijdte van artikel 7 lid
1 sub c AWGB.
4.4. De wederpartij heeft jegens verzoekster onderscheid gemaakt op grond van
nationaliteit door haar het Nederlands record niet toe te kennen. In de AWGB
is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de wet neergelegde verbod
van onderscheid naar nationaliteit. In dit geval is de uitzondering van
artikel 2 lid 5 sub b van belang, waarin is bepaald dat het in de AWGB
neergelegde verbod van onderscheid op grond van nationaliteit niet geldt in
gevallen waarin de nationaliteit bepalend is.
Deze bepaling is nader uitgewerkt in artikel 3 van het Besluit gelijke
behandeling (Koninklijk Besluit van 18 augustus 1994, Stb.657):
`Als gevallen, waarin de nationaliteit bepalend is, bedoeld in artikel 2,
vijfde lid, onderdeel b, van de Algemene wet gelijke behandeling, worden
aangemerkt die gevallen die behoren tot een of meer van de volgende
categorieën:
a. de samenstelling van lokale en nationale ploegen voor spel of sport, voor
zover de opstelling van deze ploegen alleen van belang is voor de sport of
het spel en als zodanig buiten de economische activiteit staat;
b. het voorbehouden aan onderdanen van een staat van het recht om als speler
deel te nemen aan wedstrijden, voor zover dit geschiedt op grond van een
regeling of praktijk van een organisatie op het terrein van spel of sport,
waarbij buitenlandse spelers van deelname aan bepaalde wedstrijden worden
uitgesloten om niet-economische redenen die verband houden met het specifieke
karakter en kader van deze wedstrijden en waarbij het uitsluitend om de sport
of het spel als zodanig gaat.’
4.5. De kernvraag is of de wederpartij jegens verzoekster een beroep kan doen
op de bovenstaande uitzonderingen van het verbod om onderscheid te maken op
grond van nationaliteit.
Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt.
De Nota van Toelichting bij het Besluit gelijke behandeling stelt in de
artikelsgewijze toelichting bij artikel 3 van het Besluit gelijke behandeling
onder andere:
`De in artikel 2, vijfde lid, onderdeel b, van de wet bedoelde gevallen
waarin de nationaliteit bepalend is, zijn beperkt. Slechts in uitzonderlijke
gevallen zal nationaliteit bepalend zijn.’
De wetgever heeft een restrictieve benadering voor ogen gestaan met
betrekking tot de toepasselijkheid van bedoelde uitzonderingen. Het toekennen
van een record is niet opgenomen in de in voornoemd Besluit vastgelegde
uitzonderingen, noch in de Nota van Toelichting.
Dit strookt met de vaste zienswijze van de Commissie en haar voorgangers, dat
uitzonderingen op het gebied van gelijke behandeling in het algemeen
restrictief dienen te worden uitgelegd, teneinde te voorkomen dat het gebod
van gelijke behandeling te zeer wordt uitgehold.
De wetgever heeft uitzonderingen beoogd wat betreft de samenstelling van
lokale en nationale ploegen en wat betreft nationaliteitsvoorbehouden bij
wedstrijddeelname onder bepaalde specifieke omstandigheden. Gelet op de Nota
van Toelichting zijn de gevallen waarin nationaliteit bepalend is hiermee
limitatief opgesomd.
De Commissie stelt vast, dat het toekennen van een nationaal record niet valt
onder de genoemde uitzonderingen.
De bijzonderheden van het onderhavige geval geven geen aanleiding om af te
wijken van de algemene wijze van beoordeling van de wettelijke
uitzonderingen.
Een andere zienswijze zou wellicht in de rede liggen indien het toekennen van
een nationaal record automatisch met zich mee zou brengen dat verzoekster zou
moeten worden opgenomen in een nationale selectie voor internationale
wedstrijden. In het onderhavige geval heeft het toekennen van een nationaal
record aan verzoekster een dergelijk gevolg evenmin als het behalen van het
Nederlandse kampioenschap dat ongeacht verzoeksters nationaliteit volgens de
wederpartij wel op verzoeksters naam kon worden geschreven.
Met name laatstgenoemde feiten sterken de Commissie in haar oordeel dat het
onderhavige geval geen aanleiding geeft om eerdergenoemde
uitzonderingsmogelijkheden anders dan restrictief te benaderen.
Door verzoekster wel toe te laten tot deelname aan de nationale
kampioenschappen kan de wederpartij niet vervolgens een beroep doen op de
uitzonderingsgronden van het verbod op nationaliteit bij het toekennen van
een record, dat tijdens die wedstrijden wordt behaald.
4.6. Aanbeveling van de Commissie
Artikel 13 lid 2 van de AWGB kent de Commissie de bevoegdheid toe om bij het
ter kennis brengen van haar oordeel aan degene, die het onderscheid maakt,
aanbevelingen te doen. Gelet op de complexe verhouding tussen
kampioenschappen, records, Europese jurisprudentie en het aantal
vreemdelingen, dat zich in Nederland permanent gevestigd heeft, beveelt de
Commissie de wederpartij aan om in overleg met NOC/NSF zich te bezinnen op de
regels, die betrekking hebben op de nationaliteit van wedstrijddeelnemers en
op het toekennen van nationale records.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Amersfoort jegens
mevrouw (…) te Alpen aan de Rijn onderscheid heeft gemaakt op grond van
nationaliteit door haar het nationaal record niet toe te kennen en derhalve
in strijd met artikel 7 lid 1 sub c van de Algemene wet gelijke behandeling
heeft gehandeld.

Rechters

Mevrouw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), de heer A. Kruyt(lid Kamer), mevrouw mr.dr. L. Mulder (lid Kamer), mevrouw I.M. Hidding(secretaris Kamer), mevrouw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter),de heer A. Kruyt (l

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 september 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker was vanaf 1 maart 1995 gedetacheerd bij de Dienst Sociale Zaken en
Werkgelegenheidsprojecten van de Gemeente Den Haag van de wederpartij als
administratief- en receptiemedewerker in het kader van een
werkervaringsplaats. De arbeidsovereenkomst met verzoeker is op 27 april 1995
beëindigd.
De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat aan
verzoeker eisen zouden gesteld ten aanzien van beheersing van de Nederlandse
cultuur.
De Commissie is van oordeel dat de in deze zaak gestelde functie-eis van
voldoende beheersing van de Nederlandse taal in de gegeven omstandigheden
noch direct onderscheid naar ras, noch direct onderscheid naar nationaliteit
oplevert. Het criterium voldoende beheersing van de Nederlandse taal maakt
immers niet per definitie onderscheid tussen personen op grond van hun ras of
nationaliteit.
Het is een algemeen bekend gegeven dat onder personen wier etnische of
nationale herkomst buiten Nederland ligt, alsmede bij in Nederland
woonachtige personen van niet-Nederlandse nationaliteit functie-eisen omtrent
de Nederlandse taalbeheersing eerder tot uitsluiting voor een vacature met
betrekking tot laaggeschoold werk zullen leiden dan voor personen, die buiten
genoemde groepen vallen.
De Commissie stelt vast dat de vacature betrekking heeft op laaggeschoold
werk, namelijk administratieve en receptiewerkzaamheden in het kader van een
werkervaringsplaats. Derhalve levert de onderhavige taaleis indirect
onderscheid op grond van ras en nationaliteit op omdat de taaleis in dit
geval het effect heeft dat in overwegende mate personen worden getroffen van
niet-Nederlandse etnische of nationale afstamming, of niet-Nederlandse
nationaliteit.
Het doel dat nagestreefd wordt is het aantrekken van personeel dat de functie
van administratief medewerker naar behoren kan uitoefenen. De Commissie stelt
vast dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is, terwijl het doel
beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de organisatie.
De Commissie stelt vast dat er voldaan is aan de criteria voor een objectieve
rechtvaardigingsgrond omdat het niet onaannemelijk is dat voor het hoogste
niveau van de functie een niveau wordt vereist dat hoger ligt dan Cito-niveau
3, dat verzoekster beheerst. Hieruit volgt dat de wederpartij jegens
verzoeker geen verboden indirect onderscheid op grond van ras of
nationaliteit heeft gemaakt.

Volledige tekst

De Commissie constateert dat er in het onderhavige geval geen sprake is van
een geslachtsbepaalde functie. Derhalve concludeert de Commissie ambtshalve
dat in de advertentie eveneens onderscheid op grond van geslacht is gemaakt
ingevolge artikel 3 lid 1 AWGB door de voorkeur uit te spreken voor een
kandidaat van het mannelijk geslacht.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Bestuur en
Wethouders van de Gemeente Den Haag te Den Haag jegens de heer (…) te Den
Haag geen onderscheid naar ras of nationaliteit heeft gemaakt bij het
beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub
b van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw.mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr.prof.mr. A.W.Heringa (lid Kamer), dhr.mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 september 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker was vanaf 1 maart 1995 in dienst bij de wederpartij in het kader
van een werkervaringsplaats. Verzoeker is uit dien hoofde gedetacheerd bij de
inlenende organisatie als administratief- en receptiemedewerker. De
arbeidsovereenkomst met verzoeker is op 27 april 1995 beëindigd.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij een organisatie is die bemiddelt
voor werklozen. De werklozen komen officieel in dienst bij de wederpartij
indien een inlenende organisatie aangeeft de betreffende werkloze
werkzaamheden te willen laten verrichten. De organisatie van de wederpartij
vertoont grote gelijkenis met de organisatie van een uitzendbureau. Naar
vaste jurisprudentie van de Commissie kan een uitzendbureau, zoals verzoeker,
als werkgever worden beschouwd en kan zij worden aangesproken op grond van
artikel 5 lid 1 AWGB.
De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat aan
verzoeker eisen zouden zijn gesteld ten aanzien van beheersing van de
Nederlandse cultuur.
De Commissie is van oordeel dat de in deze zaak gestelde functie-eis van
voldoende beheersing van de Nederlandse taal in de gegeven omstandigheden
noch direct onderscheid naar ras, noch direct onderscheid naar nationaliteit
oplevert.
Het is een algemeen bekend gegeven dat onder personen wier etnische of
nationale herkomst buiten Nederland ligt, alsmede bij in Nederland
woonachtige personen van niet-Nederlandse nationaliteit functie-eisen omtrent
de Nederlandse taalbeheersing eerder tot uitsluiting voor een vacature met
betrekking tot laaggeschoold werk zullen leiden dan voor personen, die buiten
genoemde groepen vallen.
De Commissie stelt vast dat de vacature betrekking heeft op laaggeschoold
werk, namelijk administratieve en receptiewerkzaamheden in het kader van
werkervaringsplaatsen. Derhalve levert de onderhavige taaleis indirect
onderscheid op grond van ras en nationaliteit op omdat de taaleis in dit
geval het effect heeft dat in overwegende mate personen worden getroffen van
niet-Nederlandse etnische of nationale afstamming, of niet-Nederlandse
nationaliteit.
De Commissie stelt vast dat er voldaan is aan de criteria voor een objectieve
rechtvaardigingsgrond. Hieruit volgt dat de wederpartij jegens verzoeker geen
verboden indirect onderscheid op grond van ras of nationaliteit heeft
gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 1 april 1996 verzocht de heer (…) te Den Haag (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
het College van Burgemeester en Wethouders te Den Haag (hierna: de inlenende
organisatie) jegens hem onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB). Aangezien verzoeker formeel in dienst was van
de (…) te Den Haag heeft de Commissie (…) (hierna: de wederpartij) in het
onderzoek betrokken.
1.2. Verzoeker was vanaf 1 maart 1995 in dienst bij de wederpartij in het
kader van een werkervaringsplaats. Verzoeker is uit dien hoofde gedetacheerd
bij de inlenende organisatie als administratief- en receptiemedewerker. De
arbeidsovereenkomst met verzoeker is op 27 april 1995 beëindigd. Verzoeker is
van mening dat de wederpartij in strijd met de AWGB heeft gehandeld door hem
ongemotiveerd tegen te werpen dat hij de Nederlandse taal en de Nederlandse
cultuur onvoldoende beheerst. De wederpartij heeft daarmee eisen gesteld, die
niet gerechtvaardigd worden door de inhoud van de onderhavige functie.
2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak tegen het College van
Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Den Haag, hiervoor onder 1.1.
vermeld, vanwege het onderlinge verband en de samenhang. Het oordeel in
laatstgenoemde zaak is bekend onder nr. 96-76. Partijen hebben hun
standpunten schriftelijk toegelicht.
2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 27 augustus 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– dhr. (…) (gemachtigde)
– dhr. (…) (getuige-deskundige)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– dhr. (…) (gemachtigde)
– dhr. (…) (coördinator rechtspositie)
van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak:
– dhr. (…) (hoofd arbeidsvoorwaarden)
– dhr. (…) (jurist)
– mw. (…) (wijkkantoorchef)
van de kant van de Commissie
– mw.mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang Yo (Kamervoorzitter)
– dhr.prof.mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– dhr.mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw.mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst en heeft thans de Nederlandse
nationaliteit.
Verzoeker heeft in Marokko het Baccalaureaat-diploma gehaald. Het Ministerie
van Onderwijs en Wetenschappen heeft vastgesteld dat dit diploma naar niveau
vergeleken wordt met ongeveer 5 jaar Nederlands VWO.
Verzoeker heeft voorts de volgende opleidingen gevolgd:
– universiteit Internationaal Recht;
– universiteit Nancy – Frankrijk, Franse taal en rechten;
– Nederlandse taal, Educatief Centrum Den Haag, GDAS Den Haag, MBO-SD in
Utrecht, SOSA-opleidingen, studieduur 3 jaar;
– cursus Politieke Vorming;
– computercursus Word Perfect.
3.2. De wederpartij is een organisatie, die zorg draagt voor de uitvoering
van diverse werkgelegenheidsmaatregelen in Den Haag en omgeving. De
wederpartij fungeert hoofdzakelijk als formele werkgever.
Met een voorgedragen (werkloze) kandidaat, wordt indien een inlenende
organisatie de kandidaat werkzaamheden wil/kan laten verrichten, door de
wederpartij een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (art. 7a:1637a BW)
aangegaan. Vervolgens wordt de betrokkene bij de inlenende organisatie
gedetacheerd en deze zorg draagt voor de feitelijke begeleiding. De
wederpartij draagt alleen op afstand zorg voor de coördinerende en
ondersteunende begeleiding en de eventuele acties in het kader van het
formele werkgeverschap.
De uit het werkgeverschap voortvloeiende instructie-, aanwijzings- en
beoordelingsbevoegdheden zijn gedelegeerd aan de inlenende organisatie.
3.3. Met ingang van 1 maart 1995 is verzoeker in dienst getreden bij de
wederpartij voor de duur van een jaar. Uit hoofde van het dienstverband met
de wederpartij werd verzoeker gedetacheerd bij de inlenende organisatie en
wel op het wijkkantoor centrum-noord voor 32 uur per week.
Daar was hij vanaf 1 maart 1995 tot en met 27 april 1995 werkzaam als
administratief medewerker in het kader van een werkervaringsplaats (hierna:
WEP).
3.4. Als functie-eisen voor de betreffende functie waren gesteld:
– de bereidheid om voor het minimum loon te werken;
– MAVO-niveau;
– een leeftijd tussen 25 en 45 jaar;
– bij voorkeur van het mannelijk geslacht.
3.5. Ingevolge artikel 2 van de arbeidsovereenkomst tussen verzoeker en de
wederpartij geldt een proeftijd van twee maanden. Ingevolge artikel 5 van
deze overeenkomst, dat op detachering betrekking heeft, ontvangt een
werknemer van de werkgever een schriftelijke taakomschrijving. Een werknemer
ontvangt binnen het kader van deze overeenkomst en de af te sluiten
detacheringsovereenkomst zijn opdrachten van de begeleider op de
werkervaringsplaats.
In de taakomschrijving van de functie van verzoeker worden de volgende
werkzaamheden genoemd:
– dossiers opbergen en verzenden;
– formulieren sorteren en voorraad op orde houden;
– afhandelen van inkomstenverklaringen;
– kopieerwerkzaamheden;
– receptiewerkzaamheden.
Tijdens het dienstverband heeft verzoeker de in de functieomschrijving
genoemde werkzaamheden verricht met uitzondering van de
receptiewerkzaamheden.
3.6. In het begeleidingstrainingsplan, dat door de wederpartij en verzoeker
is ondertekend, staat het volgende:
`Om het inwerkproces zo goed mogelijk te laten verlopen wordt een vaste
begeleider aangesteld die verantwoordelijk is voor de bewaking van de
voortgang en het verloop van het inwerken van de medewerker. Dit laat de
mogelijkheid open dat onder verantwoordelijkheid van de begeleider andere
medewerkers worden ingeschakeld tijdens het inwerkproces.’
3.7. De wederpartij heeft verzoeker op 26 april 1995 in aansluiting op een
gesprek van verzoeker, de inlenende organisatie en de consulent, werkzaam bij
de wederpartij, schriftelijk bevestigd dat de arbeidsovereenkomst met ingang
van 1 mei 1995 in de proeftijd wordt beëindigd.
Als reden voor beëindiging wordt vermeld dat verzoeker ongeschikt is voor de
functie van administratief medewerker/receptionist in het kader van de
WEP-regeling. In het verslag van de wederpartij over het afrondend gesprek
met verzoeker staat vermeld dat zijn taalvaardigheid onvoldoende is, zeker
voor publiekscontacten, een belangrijk onderdeel van het takenpakket.
3.8. Verzoeker heeft een Schoolverklaring van het Gemeentelijke
Dag-Avondcollege Noctua van 15 juni 1993 overgelegd waaruit blijkt dat hij
een Nederlandse taalcursus aangeduid als NT2 heeft gevolgd. Het niveau van
verzoeker voor de verschillende onderdelen is daarop aangegeven als
Cito-niveau 3.
De inlenende organisatie heeft een brief gedateerd 10 juni 1996 van Noctua
overgelegd, waarin wordt vermeld dat Cito-niveau 3 voor administratief werk
onvoldoende is. Voor het vervullen van receptiewerkzaamheden en
telefoonbehandeling zou speciaal voor de vaardigheden spreken en luisteren
Cito 5 gevraagd moeten worden.
Verzoeker heeft een verslag van de getuige-deskundige, gedateerd 22 augustus
1996, overgelegd van de door hem afgelegde Toetsing Taalvaardigheid
Nederlands.
3.9. Nadat het dienstverband van verzoeker is beëindigd is verzoeker opnieuw
in dienst getreden bij de wederpartij in het kader van een `Melkertbaan’ als
conciërge bij een gezinszorgorganisatie met ingang van december 1995.
De standpunten van partijen
3.10. Verzoeker stelt het volgende.
Algemeen
Verzoeker bestrijdt geenszins dat voor de onderhavige functie voldoende
kennis van de Nederlandse taal een vereiste is. Hij is van mening dat hij aan
deze taaleis voldoet. Zowel de wederpartij als de inlenende organisatie
hebben verzuimd om aan te geven welke eisen zij stellen op het gebied van de
beheersing van de Nederlandse taal en cultuur. Door verzoeker ongemotiveerd
tegen te werpen dat deze de Nederlandse taal en cultuur onvoldoende beheerst,
heeft de wederpartij eisen gesteld, die niet gerechtvaardigd worden door de
inhoud van de betreffende functie. De wederpartij heeft daardoor in strijd
met de AWGB gehandeld.
3.11. Voordat verzoeker werd aangesteld in de betreffende functie heeft de
wederpartij, samen met de inlenende organisatie, een inschatting kunnen maken
van het opleidingsniveau van verzoeker.
Het staat vast dat verzoeker ruim voldoet aan de voor de functie gestelde
opleidingseis.
Ten aanzien van de begeleiding
3.12. Verzoeker is van mening dat hij door de vaste begeleider, die in het
kader van het begeleidings-/trainingsplan was aangesteld, is gediscrimineerd.
Deze heeft hem genegeerd. De afspraken vastgelegd in het begeleidingsplan
zijn in het geheel niet nagekomen. Aan verzoeker is niet kenbaar gemaakt
waarin hij eventueel tekort zou schieten, zodat hij daar aandacht aan zou
kunnen besteden. Afgesproken was dat na verloop van zes weken een
evaluatie-gesprek zou plaatsvinden. Dit is niet gebeurd.
De consulent werkzaam bij de wederpartij is wel langs gekomen, maar door
afwezigheid van de vaste begeleider van verzoeker kon het gesprek niet
plaatsvinden.
Ten aanzien van de beheersing van de Nederlandse taal
3.13. In het eerste en tevens laatste `gesprek’ dat verzoeker heeft gehad met
de leiding van de werkplek is verzoeker omstandig onderhouden over zijn
taalvaardigheid, die tekort zou schieten. In het verslag van het
evaluatiegesprek wordt als doorslaggevende reden voor het ontslag de
taalachterstand opgegeven. Hierbij wordt verwezen naar het aspect
publiekscontacten van de functie. Tijdens de werkzaamheden heeft verzoeker
niet de gelegenheid gehad om zijn kunnen op dit gebied te tonen.
Ook zou hij onvoldoende ingeburgerd zijn in de Nederlandse cultuur. Hem werd
te verstaan gegeven dat hij in de Marokkaanse cultuur in een soortgelijke
functie goed zou functioneren. Voorts werd hem het advies gegeven om meer
contacten te zoeken met Nederlanders om zijn deficiëntie op te heffen.
Verzoeker doet er alles aan om zijn beheersing van de Nederlandse taal te
verbeteren. Hij heeft een diploma NT2, gaat verder met zijn studie Nederlands
en heeft vele Nederlandse contacten (zijn partner is Nederlandse). Er is voor
de aanstelling uitvoerig met verzoeker gesproken, dus men heeft zijn
praktische taalvaardigheid ruimschoots kunnen inschatten. Deze is geen
belemmering geweest voor de aanstelling.
3.14. De verklaringen, die aan verzoeker zijn verstrekt, na het beëindigen
van de dienstbetrekking, zijn overwegend positief over zijn functioneren op
de punten waarop hij wel de gelegenheid heeft gehad om zijn kunnen te tonen.
3.15. De wederpartij stelt het volgende.
Van enige vorm van discriminatie of het anderszins niet volledig bieden van
kansen of medewerking aan verzoeker is absoluut geen sprake geweest.
Verzoeker is ontslagen omdat hij niet aan alle functie-eisen voldeed, zij het
dat dit niet vooraf, maar gedurende de uitoefening van de functie duidelijk
is geworden. De taalvaardigheid van verzoeker voor wezenlijke onderdelen van
de functie, met name publiekscontacten door middel van telefoon en
receptiewerkzaamheden, was onvoldoende.
3.16. De wederpartij is van mening dat er voldoende begeleiding werd gegeven.
Zij is van mening dat zij bij dit aspect de zorgvuldigheid in acht heeft
genomen, die van haar verwacht mocht worden.
Overigens is de wederpartij van mening dat de feiten ten aanzien van de
begeleiding en het `evaluatiegesprek’ voor de onderhavige rechtsvraag niet
relevant zijn.
3.17. Functie-eisen in de vorm van beheersing van de Nederlandse cultuur
worden door de wederpartij niet gesteld, ook niet impliciet, en door de
wederpartij zal niet worden geaccepteerd, dat een inlenende organisatie deze
eis hanteert. De (onvoldoende) beheersing van de Nederlandse cultuur heeft
dan ook geen rol gespeeld bij de beëindiging van het dienstverband.
3.18. Ten aanzien van de taalvaardigheid van verzoeker stelt de wederpartij
het volgende.
Formeel voldeed verzoeker aan de functie-vereisten, ofschoon de score van de
Nederlandse taalcursus op zich enige twijfel deed rijzen. Tijdens de
selectiegesprekken hebben de wederpartij en de inlenende organisatie getracht
de taalvaardigheid van verzoeker in te schatten. Er waren twijfels
daaromtrent, doch gelet op de overige capaciteiten van verzoeker en het feit
dat hij zelf meende dat zijn taalvaardigheid voldoende toereikend was, wilde
men hem een kans geven.
Materieel moest in de dagelijkse praktijk blijken of betrokkene aan de eisen
kon voldoen. Juist in de praktijk is gebleken dat verzoeker niet aan deze
functie-eis voldoet en dat zijn taalvaardigheid voor wezenlijke
taakonderdelen als niet toereikend moet worden beschouwd.
3.19. de verklaring van de getuige-deskundige
De getuige-deskundige is directeur van een bureau voor interculturele
evaluatie. Hij heeft bij het Cito gewerkt en heeft de Cito-toets ontwikkeld.
Het bureau is betrokken bij de staatsexamens NT2 en bij de
inburgeringstoetsen. De getuige-deskundige heeft in opdracht van verzoeker op
21 augustus 1996 van hem een toets taalvaardigheid afgenomen. Het verslag
daarvan is door verzoeker overgelegd. Hij geeft een nadere toelichting
daarop. De getuige-deskundige verklaart dat verzoeker voor wat lezen en
schrijven betreft Cito-niveau 3 beheerst.
Dit niveau lijkt zeker voldoende voor het laagste functieniveau van bedoelde
functie (de administratieve werkzaamheden). Voor wat het hoogste niveau van
de functie betreft (de receptiewerkzaamheden) lijkt het voldoende wanneer er
een adequate begeleiding en scholing wordt gegeven. Dit betekent dat
verzoeker eerst niet zelfstandig zal kunnen functioneren, hij zal intensief
begeleid moeten worden. Verzoeker zou met een cursus Nederlands op de
werkvloer in staat moeten zijn om binnen een jaar de functie te kunnen
uitoefenen.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
heeft gemaakt bij het beëindigen van arbeidsovereenkomst op grond van ras of
nationaliteit, dan wel beide, als bedoeld in de AWGB, door verzoeker tegen te
werpen dat deze de Nederlandse taal en cultuur voor de uitoefening van zijn
functie niet voldoende beheerst.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13).
Voorts dient het begrip nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086).
4.2. Artikel 5 lid 1 sub b AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1 AWGB,
onder meer het maken van onderscheid naar ras en nationaliteit bij de
beëindiging van een arbeidsverhouding.
Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onderscheid tussen personen
op grond van ras en nationaliteit vormen van direct onderscheid zijn. Van
indirect onderscheid is sprake indien op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan ras of nationaliteit onderscheid wordt gemaakt dat direct
onderscheid op deze gronden tot gevolg heeft.
In artikel 2 lid 1 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt,
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
4.3. Ter beantwoording van de voorliggende vraag overweegt de Commissie het
volgende.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij een organisatie is die bemiddelt
voor werklozen. De werklozen komen officieel in dienst bij de wederpartij
indien een inlenende organisatie aangeeft de betreffende werkloze
werkzaamheden te willen laten verrichten. De organisatie van de wederpartij
vertoont grote gelijkenis met de organisatie van een uitzendbureau. Naar
vaste jurisprudentie van de Commissie kan een uitzendbureau, zoals verzoeker,
als werkgever worden beschouwd en kan zij worden aangesproken op grond van
artikel 5 lid 1 AWGB.
4.4. In de onderhavige zaak wordt door verzoeker geenszins bestreden dat voor
de betreffende functie voldoende beheersing van de Nederlandse taal is
vereist. Verzoeker is echter van mening dat de wederpartij eisen heeft
gesteld omtrent de mate van beheersing van de Nederlandse taal die hoger
liggen dan noodzakelijk is voor de vervulling van deze functie. Voorts heeft
de wederpartij eisen gesteld ten aanzien van beheersing van de Nederlandse
cultuur. Deze eisen zijn ten onrechte gesteld. Verzoeker is van mening dat de
wederpartij zich aan direct dan wel indirect onderscheid op grond van ras of
ook nationaliteit heeft schuldig gemaakt.
4.5. De Commissie is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat aan
verzoeker eisen zouden zijn gesteld ten aanzien van beheersing van de
Nederlandse cultuur. De wijkkantoorchef van de inlener heeft ter zitting
uiteengezet dat de opmerking dat verzoeker niet voldoende ingeburgerd bleek
in de wijze waarop men met elkaar omging slechts betrekking had op de
taalvaardigheidsaspecten, met name het gemis aan begrip van het
bedrijfsjargon.
4.6. De Commissie is van oordeel dat de in deze zaak gestelde functie-eis van
voldoende beheersing van de Nederlandse taal in de gegeven omstandigheden
noch direct onderscheid naar ras, noch direct onderscheid naar nationaliteit
oplevert. Het criterium voldoende beheersing van de Nederlandse taal maakt
immers niet per definitie onderscheid tussen personen op grond van hun ras of
nationaliteit (Zie ook Oordelen Commissie Gelijke Behandeling 18 juli 1995,
nr. 95-30 en 2 mei 1996, nr. 96-29).
4.7. Vervolgens is de vraag aan de orde of de eis van een voldoende
beheersing van de Nederlandse taal bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst door de wederpartij indirect onderscheid naar ras of ook
nationaliteit tot gevolg heeft.
Van indirect onderscheid is sprake als het nadelig effect van de taaleis in
overwegende mate personen treft van niet-Nederlandse etnische of nationale
afstamming, of niet-Nederlandse nationaliteit.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Het is een algemeen bekend gegeven dat onder personen wier etnische of
nationale herkomst buiten Nederland ligt, alsmede bij in Nederland
woonachtige personen van niet-Nederlandse nationaliteit functie-eisen omtrent
de Nederlandse taalbeheersing eerder tot uitsluiting voor een vacature met
betrekking tot laaggeschoold werk zullen leiden dan voor personen, die buiten
genoemde groepen vallen (Zie voor oordelen over taaleisen Nationale Ombudsman
22 mei 1987, Rechtspraak Rassendiscriminatie nr. 152 en Voorzitter
scheidsgerecht Algemene Bond Uitzendbureaus 19 februari 1988, Rechtspraak
Rassendiscriminatie nr. 171).
De Commissie stelt vast dat de vacature betrekking heeft op laaggeschoold
werk, namelijk administratieve en receptiewerkzaamheden in het kader van
werkervaringsplaatsen. Derhalve levert de onderhavige taaleis indirect
onderscheid op grond van ras en nationaliteit op omdat de taaleis in dit
geval het effect heeft dat in overwegende mate personen worden getroffen van
niet-Nederlandse etnische of nationale afstamming, of niet-Nederlandse
nationaliteit (Zie ook: oordeel Commissie gelijke behandeling, 27 september
1996 2 mei 1996, nr. 96-29).
4.8. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co. KG 13 juli
1989, zaak 171/88):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte van de organisatie;
– en moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.
Het doel dat nagestreefd wordt is het aantrekken van personeel dat de functie
van administratief medewerker naar behoren kan uitoefenen. De Commissie stelt
vast dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is, terwijl het doel
beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de organisatie.
Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel, in dit geval de onderhavige
taaleis, geschikt en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.
Zoals eerder gesteld is in deze niet betwist dat voor de betreffende functie
voldoende kennis van de Nederlandse taal vereist is. In geding is de vraag
welke mate van beheersing van de Nederlandse taal noodzakelijk is voor de
uitoefening van deze functie. Daarbij speelt een rol dat het niveau van
taalvaardigheid niet van te voren door de wederpartij is aangegeven, hetgeen
ook van belang is bij de beoordeling van de taalvaardigheid van verzoeker.
De Commissie rekent het niet tot haar taak om te beoordelen of verzoeker
geschikt is voor de functie, zoals de Commissie in eerdere zaken (Zie onder
meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 420-92-50, 2 september 1992 en 414-92-53, 15 september 1992)
ook heeft geoordeeld. De taak van de Commissie is om na te gaan of er bij de
beoordeling van de (mate van) geschiktheid onderscheid gemaakt is in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling. Daarbij wordt de beoordeling van de
geschiktheid slechts in zoverre betrokken dat aannemelijk moet zijn dat de
wederpartij de geschiktheid heeft bepaald op een wijze die niet ondeugdelijk
of willekeurig is.
Uit de door de inlener overgelegde verklaring van Noctua van 10 juni 1996
blijkt dat deze een Cito-niveau 3 onvoldoende acht voor administratief werk,
terwijl voor receptiewerkzaamheden niveau 5 gevraagd zou moeten worden. Uit
de verklaring van de getuige-deskundige blijkt dat verzoeker voor wat lezen
en schrijven betreft Cito-niveau 3 beheerst en intensieve begeleiding behoeft
om op termijn ook het hoogste niveau van de functie uit te kunnen oefenen.
De wederpartij heeft ter zitting uiteengezet dat de inlener op grond van de
ervaringen met verzoeker gedurende de eerste weken van diens dienstverband
tot de conclusie is gekomen dat verzoeker niet aan de taaleis voldeed. De
wederpartij kan zich met dit standpunt verenigen.
Op grond van bovenstaande bevindingen acht de Commissie het niet
onaannemelijk dat voor het hoogste niveau van de functie een niveau wordt
vereist dat hoger ligt dan Cito-niveau 3.
Uit de verklaring van de wederpartij omtrent verzoekers taalbeheersing in
samenhang met de verklaring van Noctua en de getuige-deskundige kan de
Commissie niet concluderen dat de wederpartij hogere eisen aan de
taalvaardigheid heeft gesteld dan voor de uitoefening voor de functie
noodzakelijk is, noch dat de wederpartij op ondeugdelijke wijze of op
willekeurige gronden heeft geconcludeerd dat verzoeker daaraan niet voldeed.
Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het gekozen middel geschikt en
noodzakelijk is en beantwoordt aan de legitieme behoefte van de organisatie.
De Commissie stelt vast dat er voldaan is aan de hiervoor genoemde criteria
voor een objectieve rechtvaardigingsgrond. Hieruit volgt dat de wederpartij
jegens verzoeker geen verboden indirect onderscheid op grond van ras of
nationaliteit heeft gemaakt.
4.9. Ten overvloede merkt de Commissie ten aanzien van de aanduiding
`administratief medewerker ` in de advertentie het volgende op.
In artikel 3 lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid (WGB) is bepaald dat indien voor de aangeboden betrekking een
functiebenaming wordt gebruikt, zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm
nadrukkelijk vermeld moet worden, of nadrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel vrouwen als mannen in aanmerking komen.
De Commissie constateert dat aan bovenstaande verplichting in de onderhavige
advertentie niet is voldaan. Derhalve concludeert de Commissie ambtshalve dat
in de advertentie onderscheid op grond van geslacht is gemaakt ingevolge
artikel 3 lid 4 van de WGB.
Voorts wordt in bedoelde advertentie de voorkeur uitgesproken van een
kandidaat van het mannelijk geslacht.
Artikel 3 lid 1 WGB bepaalt onder meer dat het niet toegelaten is bij de
aanbieding van een betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
Van het vorenstaande mag ingevolge artikel 5 lid 2 WGB worden afgeweken in
gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de
betreffende beroepsactiviteit het geslacht bepalend is. Deze
beroepsactiviteiten worden opgesomd in artikel 5 lid 3 en in het Besluit
geslachtsbepaalde functies (KB van 19 mei 1989 Stb. 1989, 207).
De Commissie constateert dat er in het onderhavige geval geen sprake is van
een geslachtsbepaalde functie. Derhalve concludeert de Commissie ambtshalve
dat in de advertentie eveneens onderscheid op grond van geslacht is gemaakt
ingevolge artikel 3 lid 1 AWGB door de voorkeur uit te spreken voor een
kandidaat van het mannelijk geslacht.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Den Haag jegens de
heer (…) te Den Haag geen onderscheid naar ras of nationaliteit heeft
gemaakt bij het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst, zoals bedoeld in
artikel 5 lid 1 sub b van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw.mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang Yo (Kamervoorzitter), dhr.prof.mr. A.W. Heringa(lid Kamer), dhr.mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw.mr. S.L. Kroes(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 26 september 1996

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Het slachtoffer is een prostituee en zij is verkracht door verdachte, daarbij
heeft hij haar ook mishandeld. Hiervoor wordt verdachte veroordeeld tot
een
gevangenisstraf van vier jaar. Tevens wordt een schadevergoedingsmaatregel
opgelegd van ƒ 23.500,- ten behoeve van het slachtoffer.

Volledige tekst

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaardingen,
waarvan kopieën als bijlage 1 aan dit vonnis zijn gehecht.
De in die dagvaardingen vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

—-

3. Waardering van het bewijs.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Feit 1 in zaak A:

hij op 1 augustus 1995 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een
personenauto merk Citroën toebehorende aan F, waarbij hij, verdachte, en
zijn
mededader die weg te nemen auto onder hun bereik hebben gebracht door het
stuurslot van die auto kapot te trekken en bedrading los te trekken en
deze
bedrading door te verbinden.

Feit 2 in zaak A:

hij op 31 juli 1995 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een
gipsplafond en een plastic kuipstoeltje en een lamel van een gordijn en
een
bak voor een TL-Lamp, toebehorende aan de Gemeentelijke Sociale Dienst
te
Amsterdam, heeft vernield en beschadigd door met een stoel en een prullenbak
te gooien tegen genoemde goederen.

Feit 3 in zaak A:

hij op 1 augustus 1995 te Amsterdam opzettelijk en wederrechtelijk een
ruit,
toebehorende aan het wijkteam Balistraat, heeft vernield door met zijn
hoofd
een kops
toot te geven tegen voormelde ruit.

Feit 1 in zaak B:

hij op 9 augustus 1995 te Amsterdam door geweld en door bedreiging met
geweld

M heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het
seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij haar meermalen
geslagen op haar hoofd en haar schouders en haar aan haar haren getrokken
en
tegen haar lichaam geduwd en haar op een bed geduwd en haar in een arm
gestoken en een mes ter hoogte van haar hoofd gehouden, waarna hij zijn
penis
in haar vagina heeft gestopt en een vinger in haar anus en zijn penis in
haar
mond heeft gestopt.

Feit 2 in zaak B:

hij op 9 augustus 1995 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk
te bevoordelen door bedreiging met geweld M heeft gedwongen tot de afgifte
van honderd gulden, toebehorende aan die M, welk bedreiging met geweld
bestond uit het een mes ter hoogte van haar hoofd houden.

Feit 3 in zaak B:

hij op 9 augustus 1995 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke
toeëigening heeft weggenomen een paspoort en enige papieren, toebehorende
aan
M, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen die M
gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke
bedreiging met geweld bestond uit het een mes ter hoogte van haar hoofd
houden.

4. Het bewijs.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft
begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen
zijn
vervat.
De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten gebruikt,
zoals hierna is aangegeven.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van
een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van de verdachte.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van
verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van
het
bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon
van
verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende
straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten
meewegen dat verdachte door met name zijn zeer agressieve handelwijze ernstig
inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van
het
slachtoffer, ten gevolge van welk handelen te verwachten valt dat het
slachtoffer nog lange tijd de gevolgen zal dragen. Voorts heeft de rechtbank
laten meewegen dat verdachte terzake van geweldsdelicten waaronder
verkrachting reeds eerder is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf
en
dat zijn handelen in het algemeen gekenmerkt wordt door ongeremde agressie.

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een zakmes,
kleur
bruin dat aan verdachte toebehoort, dient te worden verbeurd verklaard
en is
daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dat voorwerp het in zaak B onder
1, 2 en 3 bewezen geachte is begaan.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank is van oordeel dat de hierna te noemen
schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, aangezien verdachte
jegens het slachtoffer I. naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de
schade die door het onder 1, 2 en 3 in zaak B bewezen geachte feiten is
toegebracht, welke de rechtbank naar redelijkheid en billijkheid waardeert
op
een bedrag van ƒ 23.500,-

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften.

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33,
33a,
36f, 57, 242, 311, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde in zaak A onder 1, 2
en 3
en in zaak B onder 1, 2 en 3 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is
aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd
dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 in zaak A:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het
weg te
nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Feit 2 in zaak A:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een
ander
toebehoort, vernielen en beschadigen.

Feit 3 in zaak A:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een
ander
toebehoort, vernielen.

Feit 1 in zaak B:

Verkrachting.

Feit 2 in zaak B:

Afpersing.

Feit 3 in zaak B:

Diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk
om die
diefstal gemakkelijk te maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte P daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van
deze
uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij
de
tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd:

1. zakmes, kleur bruin.

Legt aan verdachte de verplichting op, binnen één jaar na het onherroepelijk
worden van dit vonnis aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, te
betalen de som van ƒ 23.500,= (zegge: drie en twintig duizend vijf honderd
gulden) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vervangende
hechtenis voor de duur van 120 dagen, met dien verstande dat de toepassing
van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde 200,= verplichting niet
opheft.

Gelast de teruggave aan M van:

een geldbedrag van ƒ 75,= (vijfenzeventig gulden).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

1 giro envelop met bloedspatten;
1 notitievel kleur rose;
1 faxbericht met bloedsporen.

Rechters

Mrs Bentinck, Salomon, Galema

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 25 september 1996

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Verweerder is sinds 15 januari in dienst van dochterondernemingen van het
Amerikaanse bedrijf. Sinds 1 oktober is hij directeur van een Nederlandse
dochteronderneming.
Werkgeefster vraagt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de directeur
wegens seksuele intimidatie. De directeur heeft ongevraagd twee gedichten voor
zijn secretaresse gemaakt, haar een liefdesbrief geschreven met een seksuele
lading en zonder haar toestemming en wetenschap een drie uur durende
video-opname gemaakt van haar benen en een gedeelte van haar onderlichaam. De
algemene vergadering van aandeelhouders heeft de directeur op staande voet
ontslagen. De arbeidsovereenkomst met de secretaresse is beëindigd onder
toekenning aan haar van een vergoeding van ƒ 45 000
De directeur stelt dat hij op het moment dat hij werd ontslagen, ziek was en
bovendien meent hij niet verwijtbaar te hebben gehandeld. Hij had onder
andere kunstzinnige motieven voor de opnamen.
De rechtbank ontbindt de arbeidsovereenkomst en laat in het midden of dit
wegens een dringende reden is of omdat er een wijziging in de omstandigheden
heeft plaatsgevonden. Het is duidelijk dat de secretaresse niet op de
toenaderingen in wilde gaan en dat de gedragingen van de directeur het
werkklimaat negatief hebben beïnvloed. Met name de wijze waarop de
video-opname is gemaakt, is niet aanvaardbaar in een werksituatie, zeker
gezien zijn positie als directeur.
Voor een vergoeding is geen reden.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift, met produkties, strekkende tot ontbinding -voor zover
rechtens vereist- van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst wegens
gewichtige redenen, als bedoeld in artikel 7A:1639w van het Burgerlijke
Wetboek (hierna: BW).
Verweerder heeft een verweerschrift, met produkties, ingediend.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 augustus 1996, waarvan
proces-verbaal is opgemaakt.

Gronden van de beslissing

1. Tussen partijen staat het volgende vast:
– verweerder is sinds 15 januari 1984 in dienst bij dochterondernemingen van
het Amerikaanse concern X; op 1 april 1991 is hij in dienst getreden bij
verzoekster, een Nederlandse dochteronderneming van het concern; daarvan is
hij sinds 1 oktober 1991 statutair directeur;
– de plaats van verrichting der werkzaamheden is Amsterdam;
– de leeftijd van verweerder is thans 63 jaar;
– sinds 4 december 1995 is verweerder arbeidsongeschikt.
Partijen zijn verdeeld over verweerders salaris: volgens verzoekster bedraagt
dit £ 4,420 (ƒ 11.669) bruto per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en
het gebruik van een lease-auto, volgens verweerder £ 55,700 (ƒ 144 541,50)
bruto per jaar, vermeerderd met woon- en verblijfkosten ƒ 70 020 bruto, bonus
US $ 28 095 (ƒ 46 778,18) bruto en pensioenpremie ƒ 6768 bruto, alsmede het
vrij gebruik van een bedrijfsauto ter waarde van ƒ 20 000 netto per jaar en
een netto-bijdrage in de telefoonkosten van ƒ 2130 per jaar, derhalve in
totaal ƒ 268 107,68 bruto en ƒ 22 130 netto.

2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert
verzoekster primair omstandigheden aan die een dringende reden als bedoeld in
artikel 7A:1639p lid 2 sub 11 BW zouden hebben opgeleverd indien de
dienstbetrekking deswege onverwijld beëindigd was, en subsidiair
veranderingen van omstandigheden, die van dien aard zijn dat de
dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of korte tijd behoort te
eindigen.

3.1. Verzoekster stelt daartoe dat er sprake was van seksuele intimidatie van
verweerder jegens zijn secretaresse, bestaande uit het ongevraagde voor haar
maken van twee gedichten, een van 14 juni 1995 met de titel My Dream Girl en
een van 30 oktober 1995 met de titel The Celestine Beauty, het ongevraagd aan
haar schrijven van een liefdesbrief, gedateerd 24 september 1995, met een
seksuele lading, en het zonder haar toestemming en wetenschap maken van drie
uur durende video-opnamen van haar benen en een gedeelte van haar
onderlichaam, gemaakt in de directiekamer van verzoekster tijdens
kantooruren. Deze videoband is getiteld Silvia’s
egs.

3.2. De secretaresse heeft herhaalde malen aangegeven dat zij niet was
gediend van de mondelinge en schriftelijke toenaderingspogingen van
verweerder en heeft zich als gevolg van een en ander op 1 november 1995 ziek
gemeld. Na zijn ontdekking op 14 november 1995 van de videoband ten huize van
verweerder heeft de echtgenoot van de secretaresse namens haar een klacht
wegens seksuele intimidatie door verweerder ingediend bij de general manager
en vice-president van de moedermaatschappij van verzoekster. Hangende het
naar aanleiding hiervan ingestelde onderzoek is verweerder op 21 november
1995 op non-actief gesteld. Op 4 december 1995 heeft hij zich ziekgemeld.
Het onderzoek heeft erin geresulteerd dat verweerder op 8 december 1995
tijdens een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders met
onmiddellijke ingang is ontslagen.

3.3. De arbeidsovereenkomst tussen de secretaresse, die zich na de ontdekking
van de videoband onder behandeling van een psychotherapeut heeft moeten
stellen, en verzoekster is inmiddels beëindigd, onder een toekenning aan haar
van een vergoeding ten bedrage van ƒ 45 000 wegens seksuele intimidatie.

4. Verweerder is van mening dat het ontslag op staande voet nietig is, omdat
hij op dat moment ziek was en er geen sprake was van een dringende reden. Hij
heeft verzoekster daarop op 6 juni 1996 gedagvaard voor deze rechtbank
teneinde primair onder meer een verklaring voor recht te verkrijgen dat de
arbeidsovereenkomst niet is beëindigd. Hij erkent weliswaar dat zijn
handelwijze, achteraf gezien, als verwijtbaar kan worden gekwalificeerd, maar
stelt op grond van de volgende feiten en omstandigheden dat die nooit tot een
zo ingrijpende sanctie had kunnen leiden:

– er is geen sprake geweest van seksuele intimidatie: hij is een artistieke
man, die beeldhouwt, gedichten schrijft en films maakt. Op verzoek van zijn
secretaresse was hij werkzaam aan een beeld van haar, waarvoor zij voor hem
had geposeerd. Met de heimlijke videobeelden beoogde hij enerzijds materiaal
te verkrijgen voor het beeld dat hij van haar aan het maken was, anderzijds
wilde hij daarmee, omdat zij zichzelf nogal dik vond, aantonen dat het met de
dikte van haar benen wel meeviel.
– het bewijsmateriaal tegen hem is onrechtmatig verkregen:
dat geldt met name de onder psychische druk getekende verklaring van de hand
van de personeelsfunctionaris van verzoekster en de door de echtgenoot van
zijn secretaresse in handen gekregen videoband;
– de handelswijze van verzoekster jegens hem is incorrect en niet die van een
goed werkgever, gelet op het jarenlange trouwe en succesvolle dienstverband,
waarbij bovendien nimmer sprake is geweest van laakbaar gedrag van hem, en
het feit dat hij op 8 december 1995 nog maar 2 1/2 jaar te gaan had tot zijn
pensionering;
– ook al zou zijn handhaving in Amsterdam niet meer mogelijk zijn, dan was er
niets op tegen om de onderhandelingen in het kader van zijn overplaatsing
naar Engeland af te ronden. Hij is ervan overtuigd dat het voorgevallene door
verzoekster is aangegrepen om van hem af te komen, nu hij binnen het concern
overbodig was geworden. Hij is nog steeds bereid de functie in Engeland te
aanvaarden.

5. Verweerder heeft niet weersproken dat hij de twee gedichten en de
liefdesbrief aan zijn secretaresse heeft geschreven. Met name het gedicht My
Dream Girl en de liefdesbrief bevatten een seksuele lading, terwijl uit deze
geschriften tevens blijkt dat de secretaresse niet wenste in te gaan op de
toenaderingen van verweerder. Uit de brief valt voorts af te leiden dat die
ongewenste toenaderingen het werkklimaat negatief hebben beïnvloed. Nu de
brief tevens beoogde van de secretaresse een reactie op de
(liefdes)verklaringen van verweerder te verkrijgen, is voldoende aannemelijk
dat de arbeidsrelatie, mede gelet op de afhankelijke positie waarin de
secretaresse ten opzichte van verweerder verkeerde, verder onder druk is
komen te staan. Daarnaast heeft verweerder niet weersproken dat hij buiten
medeweten van zijn secretaresse in de directiekamer van verzoekster
video-opnamen van de benen en een gedeelte van het onderlichaam van de
secretaresse heeft gemaakt. Dergelijke gedragingen zijn in een werksituatie
onaanvaardbaar, wat er ook zij van de goede bedoelingen die verweerder stelt
met die opnamen te hebben gehad. Dit klemt temeer wanneer de positie die
verweerder binnen de vennootschap bekleedt, in aanmerking wordt genomen.

6. In het midden kan blijven of de ongewenste toenaderingen en gedragingen
van verweerder een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1639o lid 1 BW
opleveren, nu die in ieder geval een verstoorde arbeidsverhouding hebben
meegebracht, waarin een verandering van omstandigheden is gelegen die de
ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang
van 1 oktober 1996 rechtvaardigt. De arbeidsongeschiktheid van verweerder
staat aan die ontbinding, gelet op alle omstandigheden van het geval, niet in
de weg. De aard van die toenaderingen en gedragingen brengt overigens tevens
mee dat van het concern niet behoeft te worden gevergd dat verweerder een
andere (direkteurs)functie binnen het concern wordt aangeboden.

7. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder een verwijt valt te
maken van de verstoorde arbeidsverhouding, en dat dit verwijt, mede in
aanmerking genomen dat verzoekster een onderdeel is van een Amerikaans
concern en dat verweerder de hoogste functie binnen het concern in Nederland
bekleedt, dermate ernstig is dat er geen aanleiding is hem een vergoeding in
verband met het beëindigen van de arbeidsovereenkomst toe te kennen.
Verweerder zelf en niet zijn werkgever dient de gevolgen van zijn gedragingen
te dragen.

8. Als de in het ongelijk gestelde partij zal verweerder worden verwezen in
de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

– ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, voor het geval
die dan nog bestaat, met ingang van 1 oktober 1996;

– veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van verzoekster begroot op ƒ 1420.

Rechters

Mr Peeters

Instantie: Staatssecretaris van Justitie, 23 september 1996

Instantie

Staatssecretaris van Justitie

Samenvatting


Volgens de Richtlijnen voor geslachtsnaamwijziging dient voor inwilliging van
het verzoek tot naamswijziging de moeder het kind voor de meerderjarigheid en
na de inschrijving van het echtscheidingsvonnis gedurende drie jaar alleen
hebben opgevoed.
In casu wordt niet aan deze eis voldaan. De ouders wonen al lange tijd
gescheiden – vanaf 1975 – maar formeel wordt het huwelijk pas in 1984
ontbonden. De staatssecretaris besluit dat indien in een concreet geval
aantoonbaar sprake is van een lange periode tussen de feitelijke datum van
uit elkaar gaan en de datum waarop de beschikking is ingeschreven het
wenselijk is een dergelijk verzoek buiten de richtlijnen om in behandeling te
nemen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure
Bij brief van 14 oktober 1992 heeft mevrouw M (hierna te noemen: indienster)
gevraagd om wijziging van haar geslachtsnaam in D. Bij besluit van 29 juli
1993 heb ik dat verzoek afgewezen. Bij brief van 25 augustus 1993 heeft
indienster een bezwaarschrift ingediend tegen deze weigering. Bij besluit van
22 oktober 1993 heb ik dat bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard.
Tegen dat besluit heeft mr. N.J.M. Janssen, werkzaam bij het Bureau voor
Rechtshulp Zuid-Limburg, namens indienster bij brief van 17 november 1993
beroep ingesteld bij de Raad van State. De afdeling bestuursrechtspraak van
de Raad heeft bij beslissing van 14 maart 1996 mijn besluit vernietigd.

I. Wettelijk kader

– Het Burgerlijk Wetboek
In artikel 5 van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek is bepaald, dat de
geslachtsnaam van een wettig, gewettigd of geadopteerd kind die van zijn
vader is. In artikel 7 van Boek 1 BW is bepaald dat de geslachtsnaam van een
persoon op zijn verzoek, van zijn wettelijke vertegenwoordiger, kan worden
gewijzigd. De naamswijziging geschiedt bij koninklijk besluit.

– Richtlijnen voor geslachtsnaamswijziging 1989
Voor de beoordeling van verzoeken om naamswijziging gelden bepaalde
richtlijnen, die als Richtlijnen voor geslachtsnaamswijziging 1989 zijn
gepubliceerd in de Staatscourant van 2 januari 1989, 1. Deze richtlijnen zijn
tevens opgenomen in de brochure `Naamswijziging’, op blz. 19 e.v. Deze
richtlijnen geven aan in welke gevallen naamswijziging kan worden verleend.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel
3, eerste lid, aanhef en onder a, van d de Richtlijnen 1989 kan op verzoek
van de meerderjarige zijn geslachtsnaam worden gewijzigd in die van de
moeder, indien de moeder na de ontbinding van het huwelijk of de verbreking
van de buitenhuwelijkse samenleving met de vader gedurende ten minste drie
jaren de verzoeker tijdens diens minderjarigheid als ongehuwde ouder heeft
verzorgd en opgevoed.
Blijkens artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, wordt in het hier bedoelde
geval degene gehoord aan wie de meerderjarige de geslachtsnaam waarvan
wijziging wordt verzocht rechtstreeks ontleent.

II. Bezwaren indienster
De bezwaren van indienster worden hierna onder IV besproken.

III. Verslag van horen
Bij brieven van 16 juli 1996 heb ik indienster, mevrouw G en de heer L
uitgenodigd voor een hoorzitting op 5 september 1996. Indienster en mevrouw G
hebben schriftelijk meegedeeld niet te zullen verschijnen.

IV. Overwegingen
In de onderhavige zaak staat de vraag centraal of het verzoek van indienster
voldoet aan de zogenaamde driejaarstermijn genoemd in artikel 4 in verband
met artikel 3, eerste lid sub a, van de Richtlijnen voor de
geslachtsnaamswijziging. Een vereiste is dat mevrouw G. indienster gedurende
haar minderjarigheid ten minste drie jaren als behorende tot het gezin heeft
verzorgd en opgevoed.
Het huwelijk van de ouders van indienster is op 14 uni 1984 ontbonden, zo
blijkt uit de verklaring van 28 juni 1993 van de Gemeente Maastricht. In
dienst is op 31 mei 1986 meerderjarig geworden. Het verzoek van indienster
voldoet dan ook niet aan de zogenaamde driejaars termijn.
De vraag is vervolgens gerezen of bij het bepalen van de datum van
beëindiging van het huwelijk uitgegaan moet worden van de datum waarop de
echtscheidingbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand dan wel van de datum waarop de echtelieden feitelijk uit elkaar zijn
gegaan. Uit de brochure `Naamswijziging’, blz. 6, blijkt dat als datum voor D
ontbinding van het huwelijk de datum geldt waarop de
echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke
stand. Indien sprake is van ongehuwd samenwonen wordt uitgegaan van de datum
waarop de samenwonenden volgens de gegevens van de gemeentelijke
bevolkingsadministratie uit elkaar zijn gegaan, zo blijkt uit blz. 6 van die
brochure. Indienster acht een dergelijk onderscheid discriminatoir in de zin
van artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 van het Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten. Zij meent dat een ongelijkheid in het
leven wordt geroepen in de positie van de kinderen van ouders wier relatie
meer dan drie jaren voor de meerderjarigheid van het kind is verbroken, al
naar gelang de status van die ouders: gehuwd of niet gehuwd.
Hoewel naar mijn oordeel een dergelijk onderscheid niet discriminatoir is,
acht ik het bij nader inzien bij het beoordelen van verzoek om
geslachtsnaamswijziging niet meer wenselijk in alle gevallen vast te blijven
houden aan de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand. Indien in een concreet geval aantoonbaar
sprake is van een lange periode tussen de feitelijke datum van uit elkaar
gaan van de echtelieden en de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is
ingeschreven in de desbetreffende registers, oordeel ik dat het wenselijk is
een dergelijk verzoek buiten de richtlijnen om in behandeling te nemen. In de
onderhavige kwestie bedraagt de termijn tussen beide data negen jaar. Ik
oordeel dan ook dat het wenselijk is het verzoek buiten de richtlijnen om in
behandeling te nemen.
Vervolgens rijst de vraag of het verzoek om geslachtsnaamwijziging afgewezen
dient te worden op grond van het tweede lid van artikel 4 van de Richtlijnen
1989. In dat artikellid wordt slechts een afwijzingsgrond genoemd voor
verzoeken om naamswijziging van meerderjarigen. Het gaat om het geval dat de
stiefvader wiens geslachtsnaam wordt verzocht, of de pleegvader of
pleegmoeder weigert in te stemmen met de verzochte wijziging. De eventuele
bezwaren van de ouders van de meerderjarige worden in dit artikel niet
genoemd.
Bij verzoeken om naamswijziging van meerderjarigen staat de wens van het kind
centraal en wordt aan diens wens doorslaggevende betekenis toegekend.
Uit het verzoek om naamswijziging blijkt dat indienster een negatieve
emotionele band heeft met haar vader en dat zij een verbondenheid voelt met
haar moeder. Nu ik doorslaggevende betekenis toeken aan de wens van een
meerderjarige oordeel ik dat naamswijziging in die van haar moeder toegestaan
moet worden.
Hetgeen overigens nog door indienster is aangevoerd, kan daarom buiten
beschouwing worden gelaten.

V. beslissing
Ik verklaar, gelet op het vorenstaande, het ingediende bezwaar gegrond. Ik
herzie mijn beslissing en bepaal dat ik op grond van artikel 7, zesde lid,
van Boek I van het Burgerlijk Wetboek (Stb. 1995, 592, i.w.tr. 15 december
1995) aan indienster een voornemen kenbaar zal maken om aan Hare Majesteit de
Koninigin een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot
geslachtsnaamswijziging.

Rechters

Staatssecretaris van Justitie

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 september 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker klaagt over het feit dat bij zijn ontslag op staande voet
racistische motieven een rol hebben gespeeld. Na indiening van deze klacht
heeft verzoeker zijn klacht aangevuld. Hij is van mening dat hij
gediscrimineerd is vanaf zijn aanstelling op grond van zijn afkomst en voorts
dat ook bij de arbeidsvoorwaarden in de zin van ongelijke beloning
onderscheid is gemaakt jegens hem op grond van ras of ook naar nationaliteit.
De Commissie stelt allereerst vast dat partijen elkaar op diverse punten
tegenspreken, terwijl de wederpartij stelt niet in de gelegenheid te zijn
geweest zich ten aanzien van de aanvulling van de klacht terzake van
ongelijke beloning deugdelijk te verweren.
De Commissie wil nader geïnformeerd worden over de ongelijke loonbetalingen,
over het aangaan van de arbeidsverhouding, over discriminerende bejegening,
over de beëindiging van de arbeidsverhouding.
De Commissie is van oordeel dat de door de wederpartij aangegeven dringende
reden voor het ontslag onvoldoende steekhoudend is.
Verzoeker heeft zich beklaagd over ongelijke behandeling ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden en discriminerende bejegening door de wederpartij, terwijl
ook in de brief van de FNV het vermoeden wordt geuit van ongelijke
behandeling van buitenlandse werknemers.
Het oordeel van de Commissie of er sprake is van een beëindiging in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling zal mede afhangen van het bewijs van en
de samenhang met de desbetreffende stellingen van verzoeker dat hij ongelijk
behandeld is alsmede van de uitkomst van het verdere onderzoek van de
Commissie.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 4 juni 1996 verzocht de heer (..) te Hoogvliet (hierna: verzoeker) de
Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
door (…) te Den Hoorn (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid is
gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding in strijd met de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB).
1.2. Verzoeker klaagt over het feit dat bij zijn ontslag op staande voet
racistische motieven een rol hebben gespeeld. Na indiening van deze klacht
heeft verzoeker zijn klacht aangevuld. Hij is van mening dat hij
gediscrimineerd is vanaf zijn aanstelling op grond van zijn afkomst en voorts
dat ook bij de arbeidsvoorwaarden in de zin van ongelijke beloning
onderscheid is gemaakt jegens hem op grond van ras of ook naar nationaliteit.
2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
2.1. Verzoeker heeft om een spoedbehandeling verzocht. De Commissie heeft dit
verzoek aanvankelijk niet gehonoreerd en een onderzoek ingesteld volgens de
normale procedure. Verzoeker heeft opnieuw gevraagd om een versnelde
behandeling aangezien er vertraging was ontstaan in de tussen partijen
lopende civiele procedure, zodat het oordeel van de Commissie door hem in het
civiele geding kan worden betrokken. De Commissie heeft dit verzoek
ingewilligd.
2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 27 augustus 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– de heer (…) (verzoeker)
– de heer mr. (…) (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– de heer mr. (…) (advocaat)
van de kant van de Commissie
– mevrouw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– de heer prof.mr. A.W. Heringa (lid Kamer)
– de heer mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mevrouw mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)
Tolk
– de heer (…) (tolk)
2.3. Het tussen-oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker heeft de (…) nationaliteit. Verzoeker is op 8 november 1993
in dienst getreden als groente-inpakker op basis van een oproepcontract.
Aanvankelijk is het dienstverband aangegaan voor de duur van 12 maanden. Per
1 november 1994 is het oproepcontract omgezet in een arbeidscontract voor
onbepaalde tijd, op welke overeenkomst de CAO voor de Groothandel in
Aardappelen, Groente en Fruit van toepassing is. Sedert 1 november 1994
vervulde verzoeker de functie van vorkheftruckchauffeur.
3.2. De volgende artikelen uit de bovengenoemde CAO zijn in casu relevant:
Artikel 3 lid 2 Arbeid voor derden
Zonder schriftelijke toestemming van de werkgever is het aan de werknemer
verboden al dan niet betaalde arbeid te verrichten voor derden, dan wel voor
eigen rekening.
Artikel 4 Anti-discriminatie
De werkgever zal, met inachtneming van objectief, aan de functie verbonden
eisen, werknemers gelijke kansen op arbeid en gelijke kansen in de
arbeidsorganisatie bieden, ongeacht factoren als leeftijd, seksuele
geaardheid, burgerlijke staat, levens- of geloofsovertuiging, huidskleur, ras
of etnische afkomst, nationaliteit, politieke keuze en vakbondskeuze.
3.3. Op 6 februari 1996 is verzoeker op staande voet ontslagen door de
wederpartij. Aanleiding hiertoe was dat verzoeker op 1 februari 1996 aan een
collega van de verkoopafdeling had gevraagd een fax voor privé doeleinden via
de bedrijfsfax te verzenden naar een oom van verzoeker in Amerika. Deze fax
had betrekking op de mogelijkheden van het huren van containers.
De tekst van de betreffende fax is als volgt:
To Mr. […]
`Kindly contact Mr. […] on tel or by fax tel.nr. 010 -4363111, fax.nr. 010
– 4363576 Rotterdam Holland for informations regarding renting of containers,
thank you’.
3.4. Verzoeker heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen en een
rechtsvordering ingesteld. Hierbij vorderde hij tevens loonbetaling. Deze eis
is bij conclusie van repliek aangevuld in die zin dat zowel uitbetaling van
loon als uitbetaling van overuren conform de voor de wederpartij geldende CAO
wordt gevorderd.
3.5. De wederpartij heeft de loonbetalingen opgeschort vanaf 6 februari 1996
en heeft bij de kantonrechter te Delft een verzoek om ontbinding van de
arbeidsovereenkomst (voorzover vereist) ingediend.
Bij beschikking van 18 juli heeft de kantonrechter de tussen partijen
bestaande arbeidsovereenkomst, vanwege een verstoorde arbeidsverhouding,
(voor zover vereist) ontbonden met ingang van 1 augustus 1996. Daarbij werd
aan verzoeker een schadeloosstelling toegekend.
3.6. In deze zaak zijn twee brieven van de FNV Dienstenbond overgelegd.
In een brief van 13 oktober 1994 wordt gesteld dat van 5 werknemers,
waaronder verzoeker, het oproepcontract zal worden omgezet in een contract
voor onbepaalde tijd. Voorts wordt gevraagd om betaling van overuren
overeenkomstig de CAO.
In een brief van 16 februari 1996 wordt gesteld dat steeds meer werknemers
zich beklagen dat overuren niet overeenkomstig de CAO worden uitbetaald.
Voorts dat in een aantal gevallen het toegekende functieloon en de
functiejaren niet kloppen met de functie die in werkelijkheid wordt
uitgeoefend.
Daarnaast wordt gesteld dat er een ernstig vermoeden is, dat Nederlandse en
buitenlandse werknemers voor hetzelfde werk niet hetzelfde betaald krijgen.
De standpunten van partijen
3.7. Verzoeker stelt het volgende.
Verzoeker is van mening dat er jegens hem onderscheid is gemaakt:
– bij het aangaan van de arbeidsverhouding;
– bij de arbeidsvoorwaarden;
– bij het ontslag.
Ten aanzien van het aangaan van de arbeidsverhouding
3.8. Verzoeker is in dienst getreden op basis van een oproepcontract. De
wederpartij was in eerste instantie niet bereid om verzoeker een contract
voor onbepaalde tijd aan te bieden. Een groep van vijf buitenlandse
werknemers, waaronder verzoeker, waren allen werkzaam als `oproepkrachten’,
doch werkten reeds vanaf de aanvang van hun dienstbetrekking bij de
wederpartij veertig uur of meer in de week. De wederpartij trachtte slechts
de voor opzegging geldende bepalingen voor deze werknemers te ontduiken. Pas
nadat wederpartij daartoe van de zijde van de FNV, die de belangen van deze
buitenlandse werknemers behartigde, was gesommeerd, zijn met al deze
buitenlandse werknemers dienstverbanden voor onbepaalde tijd aangegaan.
Sommige buitenlandse werknemers, zoals de heer O en de heer (…), verrichten
reeds vijf jaar als `oproepkracht’ werkzaamheden voor wederpartij.
Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
3.9. Verzoeker is van mening dat hij niet overeenkomstig de CAO werd betaald.
Verzoeker heeft namelijk ervaren dat Nederlandse vorkheftruckchauffeurs, die
niet zoals verzoeker tevens schoonmaakwerkzaamheden moeten verrichten en niet
zoveel overuren maken als verzoeker, een hoger salaris dan verzoeker
ontvangen.
Op 6 februari 1996 heeft verzoeker daarom de wederpartij verzocht om hem een
salaris gelijk aan dat van zijn Nederlandse collega’s te betalen en zijn
overwerk conform de CAO te betalen. De directeur van de wederpartij heeft
verzoeker toegezegd dat hij er bij hem op terug zou komen. Enkele uren later
werd verzoeker echter vanwege het feit dat hij een fax voor privé-doeleinden
wilde versturen via de bedrijfsfax, op staande voet ontslagen.
3.10. Verzoeker heeft het zeer sterke vermoeden dat hij vanwege racistische
motieven is ontslagen. Verzoeker is reeds meerdere malen op een
discriminerende wijze behandeld en aangesproken.
Verzoeker is door een van zijn superieuren ervan beschuldigd drugs van
Nederland naar Ghana te smokkelen. Deze beschuldiging aan het adres van
cliënt getuigt niet van zuivere motieven en is zonder enig bewijs geuit.
Verzoeker wordt tevens geregeld voor `zwarte klootzak’ uitgescholden door een
van zijn superieuren, hetgeen eveneens tot bovenstaande conclusie aanleiding
geeft.
Ook zijn hem pijnstillers geweigerd, toen verzoeker daarom vroeg. Aan een
blanke collega die later om dezelfde medicijnen vroeg, werden deze medicijnen
zonder enige aarzeling wel verstrekt.
Ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsverhouding
3.11. Verzoeker heeft zich tot een collega gewend met het verzoek een fax
voor privé-doeleinden naar een oom in de Verenigde Staten te zenden.
Verzoeker stelt dat hij vanwege zijn arbeidstijden niet in staat was de fax
via het postkantoor te verzenden. Deze fax had betrekking op het huren van
containers door zijn oom die hiermee goederen wilde vervoeren naar Ghana.
Deze oom heeft aan verzoeker gevraagd om inlichtingen te verkrijgen omtrent
mogelijkheden en prijzen, zoals ook uit de betreffende fax blijkt. Deze fax
had niets van doen met eventuele activiteiten van verzoeker die later als
argument zijn aangewend om verzoeker ontslag op staande voet te geven. Het
stond de collega vrij dit verzoek te weigeren of vooraf te vragen om
sanctionering door een chef.
3.12. Verzoeker ontkent ten stelligste dat hij informatie wilde aanvragen ten
behoeve van handelsactiviteiten. Verzoeker drijft geen handel noch verricht
hij arbeid voor anderen dan de wederpartij. De informatie over containers was
zoals eerder vermeld bestemd voor de oom van verzoeker. Er is derhalve geen
dringende reden voor een ontslag op staande voet en het gegeven ontslag is
nietig.
3.13. Verzoeker meent dat de wederpartij zijn dienstverband dan ook
uitsluitend heeft beëindigd omdat hij aanspraak maakte op een salaris gelijk
aan dat van zijn Nederlandse collega’s en op betaling van zijn overuren
volgens de CAO. Daarnaast wist de wederpartij dat verzoeker zijn buitenlandse
collega’s hierover informeerde.
3.14. Daarnaast is in het verleden sprake geweest van illegale werknemers die
bij de wederpartij werkzaam zijn.
Aan deze illegale arbeidskrachten wordt minder betaald dan aan de legale
arbeidskrachten. Verzoeker vermoedt dan ook dat zijn ontslag gebruikt wordt
om zijn plaats te kunnen opvullen met een illegale arbeidskracht.
3.15. De wederpartij stelt het volgende.
De gemachtigde van de wederpartij stelt ter zitting dat hij de brief waarin
verzoeker aan de Commissie meedeelt zijn klacht uit te breiden tot ongelijke
beloning niet heeft ontvangen. Derhalve verzet hij zich tegen de uitbreiding
van de klacht.
Van discriminatie van verzoeker is geen sprake. Verzoeker is oorspronkelijk
bij de zusteronderneming van de wederpartij als oproepkracht in dienst
gekomen. Toen daar niet meer voldoende werk was, heeft de wederpartij
verzoeker in november 1993 een dienstverband aangeboden. Indien er bezwaren
zouden zijn geweest tegen verzoekers afkomst zou hij niet in vaste dienst
zijn aangesteld.
Dat de afkomst van verzoeker geen enkele rol heeft gespeeld bij het ontslag
op staande voet, blijkt ook uit het feit dat de wederpartij in december 1995
geld heeft geleend aan verzoeker.
3.16. Verzoeker is op staande voet ontslagen uitsluitend op grond van het
feit dat verzoeker heeft getracht via de kanalen van de wederpartij
handelsactiviteiten te ontplooien. Daardoor brengt hij de goede naam van de
wederpartij in gevaar, terwijl het verzoeker bovendien niet is toegestaan
nevenactiviteiten te verrichten. De gemachtigde van de wederpartij heeft ter
zitting verklaard dat de inhoud van de fax aanleiding was te concluderen dat
verzoeker handelsactiviteiten verricht. Er waren geen andere aanwijzingen.
3.17. Verzoeker heeft zijn collega informeel benaderd, om de fax te versturen
zonder toestemming of medeweten van zijn directe chef en/of het hoofd van de
verkoopafdeling. De fax is voor verzending onderschept. Er zijn regels in het
bedrijf voor het verzenden van faxen en verzoeker heeft deze regels niet
nageleefd.
Gezien de kwetsbare positie van de wederpartij als het gaat om internationale
handel heeft zij een uitermate groot belang bij het snel afhandelen van
douane-formaliteiten. De wederpartij kan zich dan ook niet veroorloven dat de
goede naam van het bedrijf op wat voor manier dan ook in gevaar gebracht
wordt.
3.18. De gemachtigde van de wederpartij stelt ter zitting dat er in de sector
van het bedrijf veel met oproepkrachten wordt gewerkt. Het is zeker geen
regel dat allochtone werknemers een oproepcontract krijgen en autochtone
werknemers een vast contract. Met de vakbond bestaat reeds jaren een
meningsverschil over de vraag of oproepkrachten onder de CAO vallen in
verband met de betaling van overuren.
3.19. De opmerking van verzoeker dat `een van zijn superieuren’ zou hebben
gezegd dat hij drugs naar Ghana zou smokkelen komt volledig voor rekening van
verzoeker.
3.20. Onder geen enkel beding accepteert de wederpartij de aantijging dat zij
illegaal personeel in dienst zou hebben. Integendeel, in januari 1996 heeft
de Vreemdelingenpolitie een evaluatieronde afgesloten bij de wederpartij.
Daarnaast hebben inspecties van de loonbelasting uitgewezen dat de
wederpartij geen illegale werknemers in dienst heeft.
3.21. Concluderend ziet de wederpartij geen enkele reden terug te komen op
het besluit om verzoeker met onmiddellijke ingang te ontslaan. Daarbij geeft
de wederpartij verzoeker in overweging dat indien hij besluit de wederpartij
in rechte te betrekken, zij zich gedwongen ziet het dossier in deze zaak te
overhandigen aan Justitie om de antecedenten van verzoeker en diens contacten
met de Verenigde Staten tot de bodem uit te laten zoeken.
4. HET TUSSEN-OORDEEL VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar ras of nationaliteit(), dan wel beide heeft gemaakt zoals verboden in de
AWGB:
– bij het aangaan van de arbeidsverhouding;
– bij de arbeidsvoorwaarden;
– bij het beëindigen van de arbeidsverhouding.
4.2. Artikel 5 lid 1 onder b van de AWGB verbiedt in samenhang met artikel 1
AWGB onderscheid onder meer op grond van ras en nationaliteit bij het aangaan
en bij het beëindigen van een arbeidsverhouding.
In artikel 5 lid 1 onder d van de AWGB is bepaald dat onderscheid verboden is
bij arbeidsvoorwaarden.
4.3. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder direct onderscheid onder andere
verstaan wordt onderscheid tussen personen op grond van ras en nationaliteit.
Het begrip ras in de AWGB moet ruim uitgelegd worden, overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Het begrip ras omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of
etnische afstamming (Tweede Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22.014,
nummer 3, p. 13, vergaderjaar 1990-1991).
Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats (Eerste Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22.014,
Handelingen, p. 1086, 22 februari 1994).
4.4. Naar het oordeel van de Commissie is er niet alleen sprake van een door
de wet verboden onderscheid wegens ras of nationaliteit als deze grond de
uitsluitende aanleiding vormt voor ongelijke behandeling, maar tevens als
deze grond mede aanleiding tot ongelijke behandeling geeft.
4.5. De Commissie stelt allereerst vast dat partijen elkaar op diverse punten
tegenspreken, terwijl de wederpartij stelt niet in de gelegenheid te zijn
geweest zich ten aanzien van de aanvulling van de klacht terzake van
ongelijke beloning, zoals verzocht aan de Commissie bij brief van 25 juli
1996 en omschreven in de door verzoeker overgelegde Conclusie van Repliek van
22 augustus 1996, deugdelijk te verweren. Voorts beschikt de Commissie over
onvoldoende informatie om zich een oordeel te kunnen vormen over de vraag of
er sprake is van ongelijke loonbetalingen in de zin van de AWGB.
Het is derhalve niet mogelijk thans tot een eindoordeel te komen.
De Commissie zal hierna aangeven op welke punten zij nader geïnformeerd wenst
te worden alsmede partijen de gelegenheid geven (nader) bewijs van hun
standpunten te leveren.
4.6. Ten aanzien van het aangaan van de arbeidsverhouding
De arbeidsverhouding is aangegaan op 8 november 1993, dit is een datum die
gelegen is voor de inwerkingtreding van de AWGB. Derhalve kan de Commissie
mogelijk onderscheid op grond van ras of nationaliteit bij het aangaan van de
arbeidsovereenkomst niet onderzoeken. Het onderzoek beperkt zich derhalve tot
mogelijk onderscheid terzake van de arbeidsvoorwaarden zoals hiervoor onder
3.8. omschreven, vanaf de datum van inwerkingtreding van de AWGB op 1
september 1994.
In dit verband wenst de Commissie door de wederpartij nader geïnformeerd te
worden over het volgende:
De gegevens dienen uitgesplitst te worden naar:
– het gehele bedrijf
– de afdeling waarbij verzoeker werkzaam is
– de afkomst van de werknemers overeenkomstig de WBEAA (De Wet Bevordering
Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen, Staatsblad 1994 nummer 423)
– per peildatum 1 september 1994 en 1 februari 1996.
1. Wat is de aard van uw bedrijf (korte omschrijving van de werkzaamheden).
2. Hoeveel werknemers werkten er in uw bedrijf en op de afdeling waar
verzoeker als groente-inpakker werkzaam was.
3. Hoeveel werknemers hebben een oproep contract/vast contract.
Kunt u een model van beide overeenkomsten overleggen.
4. Is het bedrijf gebonden aan een CAO voor wat betreft oproepkrachten, zo ja
vanaf welke datum. Zo neen, waarom niet.
5. Aan welke werknemers werden overuren uitbetaald overeenkomstig de CAO.
6. Kunt u de Commissie een kopie doen toekomen van het WBEAA-jaarverslag.
4.7. Ten aanzien van de ongelijke beloning
Verzoeker is van mening dat er zowel sprake is van ongelijke beloning terzake
van zijn functieloon en terzake van de overuren als terzake van de te
verrichten werkzaamheden.
Verzoeker vergelijkt zich daarbij met de Nederlandse vorkheftruckchauffeurs.
De Commissie wenst nader geïnformeerd te worden over het volgende.
De gegevens dienen uitgesplitst te worden naar:
– het gehele bedrijf
– de afdeling waarbij verzoeker werkzaam is
– de afkomst van de werknemers overeenkomstig de WBEAA
– per peildatum 1 november 1994 en 1 februari 1996.
1. Hoeveel vorkheftruckchauffeurs werkten er in uw bedrijf en op de afdeling
waar verzoeker werkzaam was.
2. Kunt U voorts over iedere vorkheftruckchauffeur inlichtingen verstrekken
volgens het model in bijgaand formulier. (Desgewenst kunt u de in het
formulier opgenomen vragen ook verwerken in een overzicht, waarin de gegevens
van alle vorkheftruckchauffeurs zijn opgenomen.)
4.8. Ten aanzien van de klacht over discriminerende bejegening
Verzoeker heeft gesteld dat hij reeds meerdere malen op discriminerende wijze
is bejegend. Nu de wederpartij zulks heeft ontkend wordt verzoeker in de
gelegenheid gesteld bewijs te leveren, desgewenst door middel van getuigen,
van hetgeen hij terzake heeft gesteld, zoals hiervoor onder 3.10.
weergegeven.
4.9. Ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsverhouding
De wederpartij heeft verzoeker op 6 februari 1996 op staande voet wegens
dringende reden ontslagen. In casu dient de Commissie te onderzoeken of
verzoekers ras of nationaliteit mede een rol heeft gespeeld bij de
beëindiging.
De Commissie rekent het niet tot haar taak te beoordelen of de door de
wederpartij opgegeven reden rechtsgeldig is.
Indien echter de door de wederpartij aangegeven reden onvoldoende
steekhoudend blijkt te zijn, kan er een aanwijzing zijn dat ras of
nationaliteit van verzoeker een rol heeft gespeeld bij het ontslag.
4.10. Ten aanzien van de dringende reden
De wederpartij heeft ter zitting bevestigd dat de inhoud van de fax voor de
wederpartij aanleiding is geweest te concluderen dat verzoeker
handelsactiviteiten verricht. Voorts heeft de wederpartij verklaard dat er
geen andere aanwijzingen daarvoor waren dan de fax. De wederpartij heeft
evenmin nader bewijs aangeboden.
Verzoeker heeft gemotiveerd ontkend dat hij handelsactiviteiten verricht. Hij
heeft verklaard dat hij inlichtingen ten behoeve van zijn oom heeft
ingewonnen. Deze heeft in een schriftelijke verklaring het standpunt van
verzoeker bevestigd.
Anders dan de wederpartij is de Commissie van oordeel dat uit de fax op zich
niet blijkt dat verzoeker handelsactiviteiten verricht. Voorts stelt de
Commissie vast dat de fax nog voor verzending is onderschept, zodat er geen
sprake van kan zijn dat verzoeker de goede naam van de wederpartij in gevaar
heeft gebracht. In dit verband acht de Commissie verder relevant dat
onweersproken is dat verzoeker ontslagen is onmiddellijk nadat hij vermeende
discriminatie in beloning aan de orde had gesteld. Op bovenstaande gronden is
de Commissie van oordeel dat de door de wederpartij aangegeven dringende
reden voor het ontslag onvoldoende steekhoudend is.
Voor wat betreft de vraag of verzoekers ras of nationaliteit een rol heeft
gespeeld bij de beëindiging overweegt de Commissie het volgende.
Verzoeker heeft zich beklaagd over ongelijke behandeling ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden en discriminerende bejegening door de wederpartij, terwijl
ook in de brief van de FNV het vermoeden wordt geuit van ongelijke
behandeling van buitenlandse werknemers.
Het oordeel van de Commissie of er sprake is van een beëindiging in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling zal mede afhangen van het bewijs van en
de samenhang met de desbetreffende stellingen van verzoeker dat hij ongelijk
behandeld is alsmede van de uitkomst van het verdere onderzoek van de
Commissie.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat zij het onderzoek zal
voortzetten op de wijze als in de hierboven gegeven overwegingen omschreven.
De wederpartij wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de
aanvulling van de klacht van verzoeker en aan de Commissie de inlichtingen te
verstrekken zoals onder 4.6. en 4.7. omschreven op uiterlijk 4 weken na dit
oordeel.
Verzoeker wordt in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van het gestelde
onder 4.8. Verzoeker dient binnen 2 weken na deze uitspraak aan de Commissie
de namen van getuigen mede te delen die hij wenst te doen horen. Daarna zal
door de Commissie een datum voor het getuigenverhoor worden vastgesteld,
waarbij de wederpartij tevens in de gelegenheid zal worden gesteld getuigen
in contra-enquête te doen horen.
De Commissie zal de gemachtigde van de FNV Dienstenbond verzoeken haar nader
(mondeling of schriftelijk) in te lichten omtrent de inhoud van de
overgelegde brieven op de datum voor het hiervoor bedoelde getuigenverhoor
bepaald.

Rechters

Mevrouw mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), de heer prof. mr.A.W. Heringa (lid Kamer), de heer mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)mevrouw mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Groningen, 13 september 1996

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


K heeft D ervan beschuldigd zijn dochter seksueel te hebben misbruikt. Hiervan
is aangifte gedaan bij de politie maar het openbaar ministerie heeft besloten
dat er van verdere vervolging geen sprake zal zijn. Hierna heeft K regelmatig
D met verwijten belaagd Dit leidde ertoe dat op 17 december 1990 de rechter
in kort geding K een contactverbod heeft opgelegd. K heeft dit contactverbod
een aantal malen overtreden.
D wenst nu alsnog de dwangsommen te executeren die K zou zijn verbeurd wegens
de overtredingen van het contactverbod eind 1995 en begin 1996.
De rechtbank is van mening dat een contactverbod een ordemaatregel is. Een
toewijzing van een contactverbod in kort geding dient aan een termijn te zijn
verbonden. Dit is in dit geval abusievelijk niet gebeurd. Daarom bepaalt de
rechtbank dat in dit geval moet worden aangenomen dat de rechtskracht van het
vonnis in ieder geval na twee jaar is geëxpireerd. Derhalve wordt de
vordering van D niet toegewezen.

Volledige tekst

Procesverloop
K heeft D doen dagvaarden in kort geding.
De vordering strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voorzover de
wet zulks toelaat, gedaagde zal worden veroordeeld tot het staken van de
voortzetting van de executiemaatregelen uit hoofde van het vonnis van de
president van de Arrondissementsrechtbank te Assen in kort geding d.d. 17
december 1990 terzake van vermeende overtredingen daarvan op 11 december
1995, 5 januari 1996 en 7/8 januari 1996, althans een zodanige voorziening te
treffen als de president noodzakelijk zal achten, met veroordeling van D in
de kosten van deze procedure.
Op de voor de behandeling bepaalde dag, dinsdag 3 september 1996, is K
verschenen, vergezeld van zijn voornoemde procureur mr. Van Ophoven.
D is eveneens verschenen, vergezeld van voormelde procureur mr. Spronk.
K heeft conform de dagvaarding voor eis geconcludeerd, waarbij hij producties
in het geding heeft gebracht.
D heeft onder overlegging van producties, in conventie verweer gevoerd en
geconcludeerd de vordering van K af te wijzen, met veroordeling van K in de
kosten van de procedure.
In reconventie heeft D voor eis geconcludeerd bij vonnis, uitvoerbaar bij
voorraad, K te veroordelen om per overtreding van de verboden, zoals vervat
in het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank Assen d.d. 17
december 1990, de dwangsom te verhogen tot een bedrag van ƒ 3000 per
overtreding, met bepaling dat, wanneer K, zich meer dan twee keer
achtereenvolgens in één kalenderjaar schuldig maakt aan een overtreding,
genoemde dwangsom kan worden vervangen door gijzeling van zes dagen per
gebeurtenis, op zijn kosten.
K heeft in reconventie verweer gevoerd en geconcludeerd D niet-ontvankelijk
te verklaren in de vordering, dan wel de vordering af te wijzen, met
veroordeling van D in de kosten van de procedure.
Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en pleitnotities overgelegd.
Partijen hebben tenslotte vonnis gevraagd.
De uitspraak is bepaald op heden.

Rechtsoverwegingen

In conventie en reconventie

Vaststaande feiten:

Tussen partijen is op grond van de overgelegde stukken en op grond van
hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds is erkend, althans niet of
onvoldoende weersproken, in dit kort geding het navolgende komen vast te
staan.
In het verleden heeft K, D beschuldigd van seksueel misbruik van zijn dochter
en heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie.
Het openbaar ministerie heeft besloten dat er van verdere vervolging geen
sprake zou zijn. K heeft vervolgens een beklag ex artikel 12 van het Wetboek
van Strafvordering ingediend, welk beklag niet is gehonoreerd.
Hierna heeft K regelmatig D met verwijten belaagd en dit heeft erin
geresulteerd, dat D tegen hem in 1990 een kort geding-procedure heeft
aangespannen ten overstaan van de president van de Arrondissementsrechtbank
te Assen.
De procedure is beëindigd met een vonnis d.d. 17 december 1990; in dat vonnis
is ondermeer de navolgende beslissing genomen:
`Verbiedt K zich zonder noodzaak in de nabijheid van D op te houden of
persoonlijk telefonisch of schriftelijk contact met D te zoeken, zich op
andere wijze hinderlijk jegens D te gedragen of zich tegenover derden in
negatieve zin over D uit te laten, zulks op straffe van verbeurte door K
jegens D van een dwangsom van ƒ 1000 voor iedere overtreding van dit verbod’.
Op verzoek van D is bij exploit van 22 februari 1991 een exploit uitgebracht,
waarin een aantal overtredingen van het in voormeld vonnis omschreven verbod
is geconstateerd, waardoor in totaal een bedrag van ƒ 3000 aan dwangsommen
werd verbeurd.
Uiteindelijk hebben partijen hieromtrent overeenstemming bereikt in die zin,
dat K ter finale kwijting een bedrag van ƒ 1500 aan D zou betalen onder de
voorwaarde dat hij zich verder aan meergenoemd vonnis zou houden. Dit bedrag
is door K betaald.
De laatste jaren hebben zich wederom regelmatig voor D beledigende
bekladdingen van muren voorgedaan, meestal in de buurt van de school waar hij
werkzaam is.
In 1991 is ook het portiek van zijn vriendin in Heerenveen beklad en in 1994
werden zijn eigen deur en muren beschilderd met teksten als `Sexmisbruik,
jonge kinderen D’.
In een schrijven van 20 december 1994 heeft mr. Spronk K, namens D in verband
met de bekladding in het weekend van 10 december 1994 aangeschreven.
Rond de jaarwisseling 1995/1996 zijn de muren tegenover de woning van D
beklad met de tekst `D misbruikt kinderen’.
In een schrijven van 23 januari 1996 heeft mr. Spronk namens D, K ervan
beschuldigd het contactverbod meermalen te hebben overtreden en wel op 27
november 1995, 11 december 1995 en 5 januari 1996 en op 7 of 8 januari 1996.

In die brief heeft D tevens aanspraak gemaakt op de door K verbeurde
dwangsommen van in totaal ƒ 4000.
Bij exploit van 4 juli 1996 is namens D het bevel gedaan om binnen twee dagen
nadien een bedrag van ƒ 3000 te betalen terzake van verbeurde dwangsommen in
verband met overtredingen van het bewuste verbod op 11 december 1995, 5
januari 1996 en 7/8 januari 1996.
K heeft aan dit exploit geen gehoor gegeven.
D heeft aangekondigd over te zullen gaan tot het laten uitvoeren van
executiemaatregelen door middel van beslag.

Standpunt van K:
Het standpunt van K komt zakelijk weergegeven, hierop neer:
K betwist de overtredingen van het in het kort geding-vonnis van 17 december
1990 opgenomen contactverbod, waarvoor D de dwangsommen wenst te executeren,
te hebben begaan.
Hij voelt zich ook bijzonder gekwetst door de beschuldigingen in de brief van
mr. Spronk van 20 december 1994 betreffende een overtreding van het verbod op
10 december van dat jaar.
Van D is vervolgens niets meer vernomen, tot het moment waarop mr. Spronk in
haar schrijven van 23 januari 1996 stelde, dat K zich vier keer niet aan
genoemd verbod had gehouden.
Tot op heden heeft D nooit enig bewijs van deze stelling geleverd.
Aan het betrokken verbod is door de president van de rechtbank in Assen geen
termijn verbonden; dit is in strijd met het karakter van het kort geding als
vastgelegd in artikel 289 van het Wetboek van Rechtsvordering.
Het gaat om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel en daarbij kan na
verloop van meer dan vijf jaar aan een contactverbod niet langer enige
werkingskracht worden toegekend.
Het bewuste kort geding-vonnis heeft zijn rechtskracht verloren en aan dat
vonnis kunnen geen executierechten meer worden ontleend.
K heeft spoedeisend belang bij het gevorderde nu D de executie van de
dwangsommen wenst door te zetten.

Standpunt van D:
De verweren van het standpunt van D komen, zakelijk weergegeven, op het
onderstaande neer:
In het bewuste kort geding-vonnis is afgezien van het stellen van een termijn
aan het contactverbod, hetgeen op zich opmerkelijk is.
De gedragingen van K welke tot het kort geding-vonnis van 17 december 1990
hebben geleid waren volstrekt onoorbaar.
Omdat te verwachten viel dat hij niet zomaar daarmee zou ophouden, (in zijn
overwegingen is door de president van de Arrondissementsrechtbank te Assen
zelfs gesproken over een `kruistocht’ van K tegen D), is afgezien van het
stellen van een termijn aan het contactverbod.
Door het gebeuren heeft D met zijn eigen dochter onder moeten duiken en moest
deskundige hulp worden gezocht bij het verwerken van de traumatische
ervaringen.
Na augustus 1991 is K overgegaan tot het met enige regelmaat bekladden van
muren met voor D zwaar beledigende teksten; zo vindt er steeds een dergelijke
bekladding plaats op of omstreeks de 10e december van ieder jaar, rond de
datum van de bewuste kort geding-uitspraak in 1990.
D is ervan overtuigd, dat K de bekladdingen heeft aangebracht, dit blijkt ook
uit het handschrift.
De huidige dwangsom maakt onvoldoende indruk op K.
Er is thans alle reden aanwezig om de dwangsom te verhogen dan wel de
gijzeling van K mogelijk te maken wanneer hij door zal gaan met overtreding
van het contactverbod.

Beoordeling van het geschil

In conventie:
K heeft het spoedeisend belang bij het door hem gevorderde voldoende
aannemelijk gemaakt.
De stelling van K, dat het kort geding-vonnis van 17 december 1990 zijn
rechtskracht zou hebben verloren zal de president als eerste behandelen,
omdat, zo die stelling zou worden aanvaard, de zaak geen inhoudelijke
beoordeling behoeft. Bij een kort geding-procedure gaat het om het treffen
van een voorlopige voorziening in een spoedeisend geval, een ordemaatregel.
Een toewijzing van een contactverbod in kort geding voor onbepaalde tijd,
gaat, gelet op de aard van het kort geding, naar het voorlopig oordeel van de
president, in principe de draagwijdte van een kort geding te boven.
Contactverboden, die naar hun aard een grote beperking inhouden van het recht
voor een ieder zich vrij te bewegen en te uiten voor degene, die zich aan dat
verbod dient te houden, vinden hun rechtvaardiging alleen in de
gerechtvaardigde belangen van de ander, om gevrijwaard te zijn van
gedragingen, die inbreuk maken op zijn recht op privacy. Contactverboden
plegen dan ook, afhankelijk van de afweging van de betrokken belangen in het
betreffende geval, voor een half jaar tot hooguit twee jaar te worden
gegeven.
Voor een langere tijd kan in feite geen afweging van de wederzijdse belangen
worden gemaakt. De president is dan ook vooralsnog van oordeel, dat in het
litigieuze vonnis van 17 december 1990 abusievelijk geen termijn is genoemd,
zodat moet worden aangenomen dat de rechtskracht van dat vonnis in ieder
geval na twee jaar is geëxpireerd.
Gelet op dit oordeel zou K – ook al zou aannemelijk zijn dat hij de gestelde
gedragingen heeft gepleegd – geen dwangsommen meer hebben kunnen verbeuren,
zodat D geen recht heeft deze te executeren.
De gevraagde voorziening is derhalve toewijsbaar en D dient als de in het
ongelijk gestelde partij de kosten te dragen.

In reconventie:
Hoewel de president van oordeel is, dat een vordering tot verhoging van de
dwangsom, bepaald in een ander vonnis, niet-ontvankelijk moet worden geacht,
omdat een dwangsom accessoir is aan een hoofdveroordeling en alleen kan
worden bepaald indien ook een hoofdveroordeling plaats vindt, hoeft in dezen
daaromtrent geen oordeel te worden gegeven nu in conventie is beslist dat het
vonnis, waarbij de dwangsom werd bepaald, geen rechtskracht meer heeft.
De vordering wordt dan ook afgewezen en D dient de kosten van deze procedure
te dragen.

Beslissing
De president:
RECHT DOENDE,
In conventie:
1. veroordeelt D tot het staken van de voortzetting van executiemaatregelen
uit hoofde van het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te
Assen in kort geding d.d. 17 december 1990 terzake van vermeende
overtredingen daarvan, gepleegd op 11 december 1995, 5 januari 1996 en 7/8
januari 1996;
2. veroordeelt D in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de
zijde van K begroot op ƒ 484,50 (inclusief BTW) aan verschotten, eventueel
vermeerderd met de niet voor verrekening vatbare omzetbelasting, en op ƒ 1500
aan salaris van de procureur;

In reconventie:
3. weigert de gevraagde voorzieningen;
4. veroordeelt D in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de
zijde van K begroot op ƒ 25 aan verschotten en op ƒ 800 aan salaris van de
procureur;

In conventie en in reconventie:
5. verklaart de uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. De Vries