Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 13 september 1996

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader wil het vaderschap ontkennen van een kind dat tijdens zijn huwelijk
is geboren. Ten tijde van de conceptieperiode heeft hij geslachtsgemeenschap
gehad met de moeder. In de loop der tijd wordt de onzekerheid van de man
omtrent het vaderschap van zijn kind steeds groter. Een test heeft uitgewezen
dat de man niet de biologische vader is van het kind. Inmiddels is de termijn
waarbinnen de ontkenningsprocedure moet zijn gestart, overschreden. De vrouw
weet vermoedelijk wel wie de biologische vader is maar vindt hem niet
geschikt als vader te functioneren en acht het niet in het belang van haar
kind.
Het hof beschouwt het feit dat de man de familierechtelijke betrekkingen niet
in overeenstemming kan brengen met de biologische realiteit als een inbreuk
op het privé/gezinsleven van de man. Indien echter een afweging van de
belangen van de direct betrokkenen dient te worden gemaakt, dan komt de
nationale autoriteiten hierin een grote beoordelingsvrijheid toe. Daarbij
heeft de wetgever het primaat. Voor anticipatie op de inwerkingtreding van
het wetsvoorstel afstammingsrecht is geen goede grond aanwezig. De man kan in
casu niet ontkennen.

Volledige tekst

Het geding
Bij exploit van 28 april 1995 is de man in hoger beroep gekomen van het
vonnis van 28 februari 1995, door de rechtbank te ‘s-Gravenhage tussen de
partijen gewezen.
De man heeft bij memorie van grieven vier grieven aangevoerd. De bijzonder
curator heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. De vrouw heeft de
grieven bij memorie van antwoord bestreden.
Vervolgens hebben de man en de vrouw hun standpunten ter zitting van het hof
van 10 juli 1996 doen bepleiten door hun procureurs, beiden aan de hand van
overgelegde pleitnota’s.
Ten slotte hebben de man en de vrouw hun procesdossiers aan het hof
overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep
1. De man heeft in eerste aanleg gevorderd gegrond te verklaren zijn
vordering tot ontkenning van het vaderschap van het kind, Semira, geboren op
(…) 1991 te Voorburg uit zijn huwelijk met de vrouw.
2. De man heeft op 15 juni 1994 de benoeming van een bijzonder curator
verzocht ten einde tot ontkenning van het vaderschap van Semira te kunnen
overgaan. De kantonrechter te ‘s-Gravenhage heeft bij beschikking van 22 juni
1994 aan dit verzoek gevolg gegeven. Bij exploit van 13 juli 1994 heeft de
man een vordering als bedoeld in artikel 1:199 BW ingesteld.
3. De
rechtbank heeft de man onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van
17 september 1993, RvdW 1993, 173, niet-ontvankelijk verklaard in zijn
vordering vanwege overschrijding van de termijn gesteld in artikel 1:203,
eerste lid, BW. In genoemd arrest besliste de Hoge Raad – kort samengevat –
dat de in artikel 1:203, eerste lid, BW gestelde termijn van openbare orde is
en zich niet leent voor heroverweging door de rechter, alsmede dat de
wetgever het stellen van die termijn redelijkerwijs kon aanmerken als in een
democratische samenleving noodzakelijk ten einde de rechtszekerheid te dezen
te waarborgen en ter bescherming van de belangen van het kind en dat het
binden van de vordering tot ontkenning van het vaderschap aan genoemde
termijn geen ontoelaatbare inmenging in het familie- en gezinsleven van de
wettige vader als bedoeld in artikel 8, tweede lid, EVRM oplevert.
4. In geschil is thans de vraag of de door de Hoge Raad in voornoemd arrest
uitgezette lijn ook in de onderhavige zaak moet worden voortgezet, zoals de
rechtbank heeft gedaan, dan wel of dat er thans, hetzij in verband met nadien
gepubliceerde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,
hetzij in verband met een verandering in de opvattingen omtrent de
toentertijd door de wetgever gemaakte afweging van belangen, onder meer tot
uitdrukking komende in aanhangige wetsvoorstellen, voor de rechter op grond
van de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding bestaat om die
afweging te heroverwegen.
5. In de onderhavige zaak zijn de volgende feiten komen vast te staan.
Na de sluiting van het huwelijk op 18 augustus 1990 in Amerika is de man in
verband met een vliegeniersopleiding daar blijven wonen. De vrouw is
teruggekeerd naar Nederland. De man en de vrouw hebben in de conceptieperiode
geslachtsgemeenschap gehad. Tijdens zijn opleiding verbleef de man enkele
malen, onder meer ten tijde van de geboorte van S, gedurende een periode van
een aantal weken bij de vrouw en S. Op 1 mei 1993 heeft de vrouw een tweede
kind ter wereld gebracht. Gedurende de periode van conceptie van dat kind
verbleef de man in Amerika. De vordering tot ontkenning van het vaderschap
van het tweede kind is bij vonnis van 22 maart 1994 gegrond verklaard. In de
loop der tijd werd de onzekerheid van de man omtrent het vaderschap van S
steeds groter. Uiteindelijk is op 27 januari 1994 door de biologe drs. M.A.M.
Overbeeke een vaderschapsonderzoek verricht. Dit onderzoek heeft uitgewezen
dat het uitgesloten is dat de man de vader van S is.
Het huwelijk van de man en de vrouw is op 10 januari 1996 door inschrijving
van het vonnis van echtscheiding van 6 december 1995 ontbonden.
De vrouw weet vermoedelijk wel wie de biologische vader van S is, doch vindt
hem niet geschikt om als vader van S te fungeren en acht het in het belang
van S, nu zij hem als haar vader beschouwt, dat de man haar wettige vader
blijft.
6. Het blijven voortbestaan van door het huwelijk ontstane familierechtelijke
betrekkingen tussen de vader en het kind dient naar het oordeel van het hof,
indien blijkt dat deze familierechtelijke betrekkingen niet in
overeenstemming zijn met de biologische realiteit en de vader zich daartegen
verzet, als een inmenging in zijn privé leven als bedoeld in artikel 8,
tweede lid, EVRM te worden beschouwd. Deze inmenging is slechts toelaatbaar
indien deze redelijkerwijs kan worden aangemerkt als in een democratische
samenleving noodzakelijk met het oog op de rechten of belang genoemd in het
tweede lid van artikel 8 EVRM.
Uit recente jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens,
in het bijzonder het arrest van 27 oktober 1994, in deze zaak Kroon en
anderen tegen Nederland (NJ 1995, 248), valt af te leiden dat dergelijke
juridische fricties ten faveure van de biologische of maatschappelijke
realiteit moeten worden doorbroken, indien geen van de betrokkenen bij
handhaving van de betreffende juridische fictie enig te respecteren belang
heeft. Indien echter een afweging van de belangen van de direct betrokkenen
(het kind, de wettige vader, de moeder en de biologische vader) dient te
worden gemaakt, dan komt de nationale autoriteiten een grote
beoordelingsvrijheid toe. Daarbij heeft de wetgever het primaat en past de
rechter terughoudendheid.
7. In meergenoemd arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de termijn van zes
maanden gesteld bij art. 1:203, eerste lid, BW berust op een door de wetgever
gemaakte afweging van belangen, waaronder enerzijds het belang van het kind
dat omtrent zijn afstamming niet te lang onzekerheid bestaat, en anderzijds
het belang van de wettige vader om voldoende gelegenheid te hebben tot het
voorbereiden van de door hem in te stellen rechtsvordering tot ontkenning.
Blijkens dit arrest was het cassatiemiddel gericht tegen de te korte duur van
de termijn en was niet in discussie de vraag of de kennisneming van de
geboorte van het kind als aanvangstijdstip van de termijn ook kan worden
gehandhaafd in het geval pas later het vermoeden ontstaat dat de vader niet
de verwekker van het kind is. Het belang van de vader bij het voorbereiden
van de door hem in te stellen vordering is immers pas vanaf dat moment
actueel.
In zijn arrest van 30 oktober 1953, NJ 1953, 740 overwoog de Hoge Raad dat de
stelling dat de termijn, bedoeld in het derde lid van artikel 311 oud BW –
welk artikellid bepaalde dat de ontkenning moest plaats hebben binnen twee
maanden na het ontdekken van het bedrog, indien de geboorte van het kind voor
hem verborgen was gehouden – zou aanvangen op het ogenblik dat de wettige
vader tot de wetenschap is gekomen dat het kind, welks geboorte voor hem
verborgen was gehouden, in overspel is verwekt, noch in de woorden noch in de
strekking van de bepalingen omtrent de ontkenning van de wettigheid steun
vond. De tekst van artikel 1.11.1.8. zoals vastgesteld bij de Wet van 11
december 1958, Stb. 590, was conform de tekst van artikel 311, derde lid, oud
BW. Bij de Invoeringswet Boek 1 nieuw BW (Stb. 1969, 167) kreeg artikel 203
lid 1 BW wat het tijdstip van aanvang van de gestelde termijn betreft zijn
huidige redactie. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze
wetsbepaling blijkt niet van enige discussie over dat aanvangstijdstip, wèl
over de duur van de termijn, die van twee tot zes maanden werd verlengd.
Gelet op genoemd arrest en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel
203, eerste lid, BW moet worden aangenomen dat het niet de bedoeling van de
wetgever is geweest wijziging te brengen in het op dat moment geldende recht
en dat de wetgever derhalve ook ingeval het vermoeden van de vader dat hij
niet de verwekker van het kind is pas is ontstaan nadat hij van de geboorte
van het kind heeft kennis gekregen, het belang van het kind om omtrent zijn
afstamming niet te lang onzekerheid te laten bestaan heeft willen laten
prevaleren. Uitgangspunt voor het thans geldende recht is en blijft derhalve
dat het door het huwelijk ontstane vaderschap vanwege de in het belang van
het kind noodzakelijke duidelijkheid omtrent zijn afstamming, ook in geval na
afloop van de in artikel 1:203, eerste lid, BW gestelde termijn komt vast te
staan dat de wettige vader niet de biologische vader van het kind is,
onaangetast blijf

t.
8. In artikel 1:200, vijfde lid, laatste volzin, van het voorstel van wet
houdende herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van
adoptie (Kamerstukken II, 1995-1996, 24 649, nr. 2) is voorgesteld te bepalen
dat het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het door huwelijk
ontstane vaderschap door de vader binnen een jaar nadat hij bekend is
geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van het
kind is, moet zijn ingediend. Ingevolge het voorgestelde zesde lid van
artikel 1:200 BW krijgt ook het kind de mogelijkheid het door het huwelijk
ontstane vaderschap te ontkennen. Blijkens de toelichting op dit artikel (nr.
3, blz. 17) is voorgesteld het aanvangstijdstip voor de termijn die voor de
vader geldt, dezelfde te doen zijn als voor het kind: het moment dat de vader
bekend wordt met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is.
In de toelichting is verder opgemerkt dat er geen goede reden is om tussen
vader en kind in dit opzicht verschil te maken.
Blijkens het verslag (nr. 5) heeft de voorgestelde wijziging van het
aanvangstijdstip voor de termijn waarop het verzoek tot ontkenning van het
door huwelijk ontstane vaderschap moet worden ingediend geen aanleiding
gegeven tot kritiek of het stellen van vragen.
De grondslag van het voorstel tot wijziging van het tijdstip van aanvang van
deze termijn is dus niet zo zeer gelegen in een verandering in de opvatting
van de opsteller van het wetsvoorstel omtrent de wijze waarop de belangen van
de vader en het kind moeten worden afgewogen als wel in een gelijkstelling
van dat aanvangstijdstip met betrekking tot de verzoeken van de vader en het
kind.
Op dit moment valt nog niet te voorzien of voormeld wetsvoorstel, al dan niet
gewijzigd, tot wet zal worden verheven. Blijkens het voorstelde artikel II,
eerste lid, van het wetsvoorstel zal het vóór het tijdstip van
inwerkingtreding van deze wet met betrekking tot de ontkenning van het
vaderschap geldende recht van toepassing blijven op procedures waarin de
inleidende dagvaarding is betekend en heeft het voorgestelde artikel 200,
vijfde en zesde lid, na de inwerkingtreding van de wet geen onmiddellijke
werking. Voor anticipatie op de inwerkingtreding van deze wet is mitsdien
naar ’s hofs oordeel geen goede grond aanwezig.
9. Het hof laat voorts meewegen dat het in geval van gegrondverklaring van de
vordering tot ontkenning van het vaderschap, blijkens door de vrouw ter
terechtzitting in hoger beroep gedane mededelingen, onwaarschijnlijk is dat
tussen S en haar biologische vader familierechtelijke betrekkingen ontstaan,
zodat het gevolg van de gegrondverklaring zou zijn dat S in juridische zin
geen vader meer heeft, hetgeen bepaaldelijk niet in haar belang te achten is.
Het hof wijst er tenslotte op dat, als het hiervoor genoemde voorstel tot wet
wordt verheven S zelf krachtens artikel 1:200, zesde lid, laatste volzin, BW
nog gedurende drie jaren nadat zij meerderjarig is geworden een verzoek tot
gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van de man kan
indienen.
10. Uit het voorgaande volgt dat de door de Hoge Raad in voornoemd arrest van
17 september 1993 ontwikkelde jurisprudentie aan een gegrondverklaring van de
vorderingen van de man tot ontkenning van het door huwelijk ontstane
vaderschap van S in de weg staat, dat het ingestelde hoger beroep faalt en
dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. De aangevoerde grieven,
welke grotendeels hiervoor behandeld zijn, behoeven geen afzonderlijke
bespreking meer. De kosten van het geding in hoger beroep, zullen tussen de
partijen, nu de man en de vrouw gewezen echtelieden zijn, worden
gecompenseerd.

Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis door de rechtbank te ‘s-Gravenhage op 28 februari 1995
tussen partijen gewezen;
bepaalt dat ieder van de partijen de eigen kosten van het geding in hoger
beroep draagt.

Rechters

Mrs. Von Brucken Fock, Simonis, Wortmann

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 5 september 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Een slachtoffer van seksueel geweld vraagt zowel een toevoeging voor de
strafzaak als voor de civiele afwikkeling van de zaak. Dit verzoek is
gehonoreerd omdat eiseres een indringend en zwaarwegend persoonlijk belang
heeft bij de vervolging van de verdachte en dat daarom de afgifte van een
afzonderlijke strafrechtelijke toevoeging gerechtvaardigd is. Dit is geen
vast beleid.

Volledige tekst

1. Bestreden besluit

Het besluit van verweerder van 26 januari 1996, verzonden op 31 januari 1996,
BT 1892.

2. Zitting

Datum: 27 augustus 1996.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mw mr A.C.T. hommes.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mw mr B.C.F. Kramer.

3. Feiten

Eiseres heeft op 17 augustus 1995 bij het Bureau van de Raad voor
rechtsbijstand een aanvraag ingediend om afgifte van een toevoeging ten
behoeve van rechtsbijstand door een advocaat als bedoeld in artikel 24 van de
Wet op de rechtsbijstand (Wrb).

Het Bureau heeft deze aanvraag afgewezen.

Tegen deze beslissing heeft eiseres op grond van artikel 45, eerste lid van
de Wet op de rechtsbijstand administratief beroep ingesteld bij de Raad.

Dit beroep is behandeld door de Commissie Beroep en Bezwaar van de Raad.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het beroep ongegrond verklaard.

4. Bewijsmiddelen

De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.

5. Motivering

De rechtbank heeft vooreerst overwogen dat het bestreden besluit is genomen
door de Commissie Bezwaar en Beroep van de Raad voor Rechtsbijstand. Bij
uitspraak van 23 februari 1996 in de zaak H01.95.0341 heeft de Afdeling
Bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat de Commissie Bezwaar en
Beroep niet bevoegd is om op het administratief beroep te beslissen. Dit
betekent dat het bestreden besluit onbevoegdelijk genomen is en door de
rechtbank moet worden vernietigd.

De rechtbank acht het onwenselijk en niet in het belang van partijen om te
volstaan met vernietiging van het bestreden besluit, maar zal hierna ten
overvloede een oordeel geven over hetgeen partijen inhoudelijk verdeeld
houdt.

Om deze reden overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt.

In dit geding is tussen partijen in geschil of verweerder bij het bestreden
besluit het door eiseres ingestelde beroep op goede gronden ongegrond heeft
verklaard.

Als reden voor de onderhavige aanvraag van de – strafrechtelijke – toevoeging
is door eiseres opgegeven dat zij het slachtoffer is geworden van een ernstig
zedenmisdrijf. Eiseres heeft eerder op 7 augustus 1995 van het Bureau van de
Raad voor rechtsbijstand een civiele toevoeging gekregen voor rechtsbijstand
in verband met de vergoeding van de schade ter zake van het misdrijf,
waarvoor een aanvraag is ingediend bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Primair heeft eiseres naar voren gebracht dat zij het toevoegingsverzoek
heeft gedaan om zich door haar advocaat te laten adviseren en haar advocaat
te laten onderhandelen met het openbaar ministerie over de vervolging van de
verdachte die het strafbare feit jegens eiseres heeft begaan. Eiseres meent
dat er derhalve sprake is van een ander rechtsbelang dan het belang waarvoor
de toevoeging van 7 augustus 1995 is verleend.

Subsidiair heeft eiseres betoogd dat er bij het instellen van de civiele
vordering en de voeging als benadeelde partij in het strafproces sprake is
van diversiteit van procedures en dat daarvoor twee aparte toevoegingen
dienen te worden afgegeven.

Tenslotte is meer subsidiair door eiseres gesteld dat zij het beleid dat
verweerder op dit punt voert niet kan afleiden uit – bladzijde 109 – van het
handboek toevoegingen van verweerder.

Wat het primaire standpunt van eiseres betreft heeft verweerder niet
bestreden dat het bijstaan van eiseres als slachtoffer in het strafproces een
ander rechtsbelang betreft dan het indienen van een civielrechtelijke claim
tot schadevergoeding ter zake van het strafbare feit. Verweerder heeft echter
aangevoerd dat het vast beleid is dat niet wordt toegevoegd voor het bijstaan
van een slachtoffer in het strafproces. Verweerder heeft hiervoor als reden
opgegeven dat dit een belang is waarvan de behartiging op de voet van artikel
12, tweede lid, onder g, Wrb aan de rechtzoekende zelf kan worden
overgelaten.

Aan verweerder kan worden toegegeven dat dit beleid in het algemeen niet als
onredelijk kan worden aangemerkt. In het onderhavige geval is de rechtbank
echter van oordeel dat eiseres een indringend en zwaarwegend persoonlijk
belang heeft bij de vervolging van de verdachte. Eiseres heeft bij de
behandeling ter terechtzitting gezegd dat zij meermalen zelf heeft getracht
om over de behandeling van de strafzaak bij politie en justitie opheldering
te krijgen, doch dat zij het gevoel had van het kastje naar de muur te worden
gestuurd. Bovendien acht de rechtbank het gelet op de gedingstukken
aannemelijk dat in deze zaak de strafrechtelijke afdoening in eerste
instantie niet op de normale wijze is verlopen. In dit licht en gegeven de
aard en de ernst van de feiten waarvan eiseres het slachtoffer is geworden,
is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is dat in dit geval een
uitzondering wordt gemaakt op het beleid van verweerder. Naar het oordeel van
de rechtbank is in deze situatie het verzoek om toevoeging van een advocaat
redelijk te achten.

Gelet op het bovenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en het
bestreden besluit van verweerder te worden vernietigd. Aan de bespreking van
het door eiseres subsidiair en meer subsidiair gestelde komt de rechtbank dan
ook niet meer toe.

Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van
artikel 8:75 Awb, te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten,
zulks met inachtneming van het bepaalde in het Besluit proceskosten
bestuursrecht.

Bij de vaststelling van het aan eiseres te vergoeden bedrag heeft de
rechtbank in aanmerking genomen dat het hier gaat om een zaak van gemiddeld
belang (wegingsfactor 1), een beroepschrift (1 punt) en het verschijnen ter
zitting (1 punt), waarbij ieder punt een waarde heeft van ƒ 710.

De te vergoeden kosten bedragen derhalve 2 x ƒ 710 = ƒ 1420.

Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage.

Recht doende!

Verklaart het beroep gegrond.

Vernietigt het bestreden besluit.

Bepaalt dat de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag aan eiseres ter zake van
proceskosten betaalt een bedrag van ƒ 1420.

Bepaalt dat de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag aan eiseres het door haar
betaalde griffierecht ad ƒ 50 vergoedt.

7. Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor partijen binnen zes weken na de datum van
verzending daarvan hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van
de Raad van State.
Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het
bepaalde in artikel 6;13, jo artikel 6:24 van de Awb.

Noot

De zaak betrof een cliënte die slachtoffer was van een ernstig zedenmisdrijf
en om die heden de hulp van een advocaat had ingeroepen. De advocaat had een
civiele toevoeging verzocht en verkregen van de Raad voor Rechtsbijstand voor
het onderzoeken danwel procederen over de mogelijkheden van een
schadevergoeding.
Daarnaast had de advocaat verzocht om een straftoevoeging voor werkzaamheden
in de strafzaak, zoals o.a. opvragen en bestudering van het schaduwdossier,
contacten met de officier van justitie over de strafvervolging.
Deze laatste toevoeging werd geweigerd door de Raad op grond van art. 12 lid
2, sub g van de Wet op de Rechtsbijstand (Wrb). Dit artikel bepaalt dat
rechtsbijstand niet wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de
behartiging redelijkerwijs aan de rechtszoekende zelf kan worden overgelaten,
zonodig met bijstand van een andere persoon of instelling waarvan de
werkzaamheden
niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb. Tot op heden wordt in
zedenzaken bovengenoemd wetsartikel strikt uitgelegd. De Raad voor
Rechtsbijstand heeft wel enige beleidsvrijheid in de toepassing blijkens het
Handboek Toevoegen, maar weigert deze te benutten waar het gaat om juridische
bijstand aan slachtoffers van zedenzaken tijdens de strafzaak. De beslissing
van de Rechtbank ‘s-Gravenhage is in deze individuele zaak juist en hoopvol
maar een zwaluw maakt nog geen zomer…
Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt namelijk dat zij op zichzelf het
beleid van de Raad voor Rechtsbijstand om in deze zaken slechts een
toevoeging af te geven, billijkt.
Slechts het feit dat de betrokken cliënte onvoldoende informatie had kunnen
verkrijgen, `van het kastje naar muur werd gestuurd’ en het ernstige feiten
betrof, deed de rechtbank positief beslissen.

Uit het voorgaande blijkt wel dat tot op heden nog geen erkenning heeft
plaatsgevonden van het feit dat er inmiddels in Nederland een groep advocaten
is die gespecialiseerd is in het bijstaan van slachtoffers van
zedenmisdrijven tijdens de strafzaak. Die werkzaamheden zijn de
afgelopen jaren – al ruim voor de komst van de Wet Terwee – substantieel
geworden, juridisch van aard en veelal complex.
Dit houdt in: kennisname van het schaduwdossier, overleg met politie en
justitie, overleg met de wederpartij, het bijwonen van het verhoor van de
cliënte bij de rechter-commissaris.
Deze werkzaamheden kunnen uitmonden in de vordering benadeelde partij ter
zitting. Veelal wordt daarna de civiele procedure tot schadevergoeding
gestart (kort geding of bodemprocedure).
Ondanks deze ontwikkeling hanteren de diverse Raden voor Rechtsbijstand nog
immer de regel dat ofwel de advocaat in kwestie civiel wordt toegevoegd voor
het onderzoeken van de schadevergoedingsmogelijkheden, ofwel zich voegt als
benadeelde partij en daar een straftoevoeging voor ontvangt.
Die laatste mogelijkheid biedt echter geen oplossing en doet geen recht aan
de substantiële werkzaamheden van de gespecialiseerde advocaat in de
strafzaak. De vergoeding voor het indienen van de vordering benadeelde partij
kent een wegingsfaktor 0.25. en bedraagt derhalve een kwart van de normale
vergoeding voor rechtsbijstand.

Aan de Raad voor Rechtsbijstand te Amsterdam is onlangs nog namens de
gespecialiseerde groep advocaten verzocht om het beleid te wijzigen. Er dient
een aparte categorie in het toevoegbeleid te worden ingevoerd voor het
verlenen van rechtsbijstand aan slachtoffers van zedenzaken lopende de
strafvervolging en de strafzaak. Het voorstel is een straftoevoeging conform
de huidige straftoevoeging met de mogelijkheid van verhogingen op het
basisbedrag voor bijvoorbeeld het bijwonen van het verhoor bij de
rechter-commissaris en het uiteindelijk indienen en toelichten van de
vordering van de benadeelde partij.
Daarnaast zou de mogelijkheid gehandhaafd dienen te blijven voor het
aanvragen van een civiele toevoeging voor de schadevergoedingsactie uit
onrechtmatige daad.
Als voorbeeld is de Raad te Amsterdam gewezen op het Hofressort ‘s-Gravenhage
waar in de loop van 1997 in het arrondissement Rotterdam een piketregeling
van start zal gaan voor slachtoffers van zedenmisdrijven. In ieder geval is
men aldaar – de Raad voor Rechtsbijstand incluis – overtuigd van de noodzaak
van advocatenbijstand in een zo vroeg mogelijke fase tijdens de
strafzaak.
Bovendien zal in mei 1997 een cursus starten bij de Opleidingen Sociaal Recht
(OSR) voor advocaten die zich willen specialiseren in het bijstaan van
slachtoffers van zedenzaken, zowel in de strafzaak als in de civiele zaak. De
ontwikkeling is derhalve niet meer te stuiten. Uiteindelijk zal ook de Raad
voor Rechtsbijstand de status van het rechtsgebied in volle omvang moeten
erkennen.

Gerda van Dijk

Rechters

Mrs Lycklama a Nijeholt, Mollee, De Rijke-Maas

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 september 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit, is ongehuwd en woont samen met
zijn mannelijke partner. Verzoeker heeft zijn vaste woonplaats in Nederland.
Hij heeft met de wederpartij een arbeidsovereenkomst naar Amerikaans recht en
is gestationeerd in Londen. Aan verzoeker worden reisfaciliteiten voor zijn
partner onthouden, omdat hij met hem niet gehuwd is en evenmin een `common
law marriage’ heeft. Ingevolge het beleid van de wederpartij wordt de status
van de echtgenoot van een werknemer beoordeeld naar het recht van het land
waarvan men inwoner is.
Op grond van de overgelegde stukken staat buiten twijfel dat de
arbeidsovereenkomst wordt beheerst door Amerikaans recht. De Commissie
concludeert op grond daarvan dat zij niet bevoegd is te oordelen over de
vraag of het beleid in strijd is met de AWGB.
De bevoegdheid van de Commissie kan voorts berusten op de vaststelling, dat
de bepalingen van de AWGB in het onderhavige geval beschouwd moeten worden
als voorrangsregels dan wel als regels van bijzonder dwingend recht. Op deze
grond komt de Commissie derhalve evenmin bevoegdheid toe.
Ingevolge het beleid van de wederpartij wordt de vraag of er sprake is van
een wettelijk erkend huwelijk of een `common law marriage’ beoordeeld naar
het recht van het land waarvan de werknemer inwoner is. Aangezien verzoeker
in Nederland woont, dient die vraag te worden beantwoord naar Nederlands
recht.
De beoordeling van de vraag of de samenlevingsvorm van verzoeker gelijk
gesteld kan worden met een wettelijk huwelijk dient plaats te vinden aan de
hand van de bepalingen in Boek 1 Burgerlijk Wetboek en de jurisprudentie
dienaangaande. Van een wettelijk huwelijk, zoals door partijen ook niet is
betwist, is geen sprake. Van een `common law marriage’ is evenmin sprake.
Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de
samenlevingsvorm van verzoeker niet onder bovengenoemde begrippen valt. De
Commissie is op grond daarvan van oordeel dat de wederpartij bij die
beoordeling geen onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 24 augustus 1995 verzocht de heer (…) te Alkmaar (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of (…), Verenigde Staten van Amerika (hierna: de wederpartij)
jegens hem onderscheid maakt als bedoeld in de Algemene Wet Gelijke
Behandeling (hierna AWGB).
1.2. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit, is ongehuwd en woont samen
met zijn mannelijke partner. Verzoeker heeft zijn vaste woonplaats in
Nederland. Hij heeft met de wederpartij een arbeidsovereenkomst naar
Amerikaans recht en is gestationeerd in Londen. Aan verzoeker worden
reisfaciliteiten voor zijn partner onthouden, omdat hij met hem niet gehuwd
is en evenmin een `common law marriage’ heeft. Ingevolge het beleid van de
wederpartij wordt de status van de echtgenoot van een werknemer beoordeeld
naar het recht van het land waarvan men inwoner is. Verzoeker is van oordeel
dat de wederpartij onderscheid maakt op grond van burgerlijke staat en/of
homoseksuele gerichtheid.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.
De wederpartij heeft in haar verweerschrift van 4 december 1995 de
bevoegdheid van de Commissie betwist. Bij brief van 2 januari 1996 heeft de
Commissie zich voorlopig bevoegd verklaard om de zaak in behandeling te
nemen.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 16 juli 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– dhr. (…) (partner van verzoeker)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (Assistant General Council)
– mw. mr. K.E. Reuder (gemachtigde van de wederpartij)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit, is ongehuwd en woont samen
met zijn mannelijke partner. Zij hebben een notarieel samenlevingscontract en
hun vaste woonplaats is in Nederland gelegen.
Verzoeker is als steward werkzaam bij de wederpartij en heeft een
arbeidsovereenkomst naar Amerikaans recht, welke de algemene voorwaarden, die
zijn overeengekomen met de `Association of Flight Attendants’ (AFA), de
Amerikaanse vakbond voor cabine-personeel, toepasselijk verklaart. De
wederpartij is een
vennootschap naar Amerikaans recht en gevestigd in de Verenigde Staten van
Amerika.
Verzoeker is werkzaam aan boord van in Amerika geregistreerde vliegtuigen van
de wederpartij, die vertrekken uit en terugkeren naar verzoekers standplaats,
Londen. Hij verricht geen werkzaamheden in Nederland.
3.2. Ingevolge het beleid van de wederpartij worden de rechten op
reisfaciliteiten voor echtgenote(n)(s) van werknemers beoordeeld naar het
recht van het land waarvan men inwoner is.
Werknemers van de wederpartij kunnen voor hun partner en kinderen aanspraak
maken op `travel benefits’, dat wil zeggen het tegen gereduceerd tarief
verkrijgen van vliegtickets van de weder-partij, indien zij voldoen aan de
navolgende voorwaarden:
1. er is sprake van een wettelijk erkend huwelijk of
2. de werknemer leeft samen op grond van een `common law marriage’.
In bepaalde Amerikaanse staten kent men een `common law marriage’. Hiervan is
sprake indien de rechter bij vonnis op verzoek van een heteroseksueel paar,
dat gedurende een bepaalde minimumperiode heeft samengewoond, verklaart dat
zij op basis van de wet zijn getrouwd, hoewel geen huwelijksplechtigheid
heeft plaatsgevonden.
Het in het vonnis uitgesproken huwelijk werkt terug tot het moment waarop
partijen als man en vrouw zijn gaan samenwonen.
De vraag of aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt beantwoord
naar het recht van het land waarvan de werknemer inwoner is.
3.3. Verzoeker heeft wederpartij verzocht aan zijn partner `travel benefits’
toe te kennen. Dit verzoek is afgewezen met een beroep op het ontbreken van
een wettelijk huwelijk tussen verzoeker en zijn partner dan wel een daarmee
gelijk gesteld `common law marriage’.
De standpunten van partijen
3.4. Verzoeker stelt het volgende.
Verzoeker is van mening dat de wederpartij onderscheid jegens hem maakt op
grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid door geen `travel
benefits’ ten behoeve van zijn partner ter beschikking te stellen.
Ingevolge het door de wederpartij gevoerde beleid worden uitsluitend rechten
toegekend aan echtgenote(n)(s) (‘spousal benefits’). De wederpartij maakt
daarmee onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden. Op de uitvoering van het
beleid is de Nederlandse wetgeving van toepassing. Ingevolge de AWGB is
onderscheid op grond van burgerlijke staat niet toegestaan.
Verzoeker stelt dat het beleid aangaande `spousal benefits’ niet beheerst
wordt door de arbeidsovereenkomst of de CAO zoals overeengekomen met de
`Association of Flight Attendants’ en zodoende onderworpen is aan het
Nederlandse recht.
Voorts geeft de wederpartij hem niet dezelfde rechten als aan de werknemers
van de wederpartij die in Nederland zijn gestationeerd. De personeelsleden
van de wederpartij, die in Nederland zijn gestationeerd, konden volgens
verzoeker tot 1 februari 1996 aanspraak maken op reisfaciliteiten voor hun
ongehuwde partner.
Verzoeker zijn geen gevallen bekend van andere ongehuwd samenwonende
werknemers van de wederpartij met een Amerikaanse arbeidsovereenkomst, die in
het buitenland zijn gestationeerd en tevens recht op `travel benefits’ kunnen
doen gelden.
3.5. De wederpartij stelt het volgende.
De Commissie is niet bevoegd van de onderhavige zaak kennis te nemen,
aangezien verzoeker een arbeidsovereenkomst naar Amerikaans recht heeft en
zijn werkzaamheden buiten Nederland verricht. Het feit, dat de wederpartij in
haar beleid de wetgeving van het land waarvan de werknemer inwoner is erkent,
doet daar niet aan af. Dit ziet slechts op de vraag of de wederpartij
verzoeker bij de juiste toepassing van het arbeidscontract als gehuwd dient
te beschouwen.
Het beleid van de wederpartij is onderworpen aan het recht dat op de
arbeidsovereenkomst van toepassing is. In het onderhavige geval is derhalve
Amerikaans recht van toepassing. Op grond van de arbeidsovereenkomst moet de
vraag of het samenlevingsverband van verzoeker en zijn partner als een wettig
huwelijk of als een `common law marriage’ kan worden aangemerkt, worden
beoordeeld naar Amerikaans recht.
Er is slechts een aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer, namelijk
het feit dat verzoeker zijn woonplaats in Nederland heeft. Dat is onvoldoende
om het beleid van de wederpartij aan het Nederlandse recht te onderwerpen.
Weliswaar bestaat de mogelijkheid om voor een deel van de arbeidsovereenkomst
een rechtskeuze op te nemen, echter in de onderhavige arbeidsovereenkomst is
geen rechtskeuze ten aanzien van het beleid opgenomen.
De omstandigheid dat de wettelijke status van de samenlevingsvorm wordt
beoordeeld naar het recht van het land waarvan de werknemer inwoner is, houdt
geen rechtskeuze in. Voor zover dit echter al een rechtskeuze zou zijn, is
deze beperkt tot het beoordelen van de samenlevingsvorm en daarmee
uitgewerkt. De consequenties daarvan dienen beoordeeld te worden naar
Amerikaans recht.
Het samenlevingsverband van verzoeker en zijn partner kan naar Nederlands
recht niet als huwelijk of `common law marriage’ worden aangemerkt. Een
huwelijk is in Nederland tussen twee personen van hetzelfde geslacht niet
mogelijk en een `common law marriage’ bestaat in Nederland niet. Verzoeker
voldoet daarom niet aan de voorwaarden om voor `travel benefits’ in
aanmerking te komen.
Voor zover de AWGB al van toepassing zou zijn, is van verboden onderscheid
geen sprake. Onderscheid op grond van burgerlijke staat is naar Nederlands
recht toegestaan. Tussen de verschillende groepen van ongehuwden maakt de
wederpartij geen onderscheid. Evenmin is er sprake van indirect onderscheid
op grond van homoseksuele gerichtheid.
Verzoeker vergelijkt zich ten onrechte met het bij de wederpartij werkzame,
in Nederland gestationeerde grondpersoneel. Zij hebben een
arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht. Aan ongehuwd samenwonenden die in
Nederland zijn gestationeerd worden overigens evenmin `travel benefits’
toegekend.
4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid op
grond van burgerlijke staat of ook homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt bij
de arbeidsvoorwaarden.
In artikel 5 lid 1 onderdeel d AWGB wordt bepaald dat onderscheid onder meer
verboden is bij de arbeidsvoorwaarden.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer toeziet op onderscheid tussen
personen op grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid. Dit
artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat verwijst naar burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid.
Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid, dat direct
onderscheid tot gevolg heeft.
4.2. Alvorens de Commissie toekomt aan de beoordeling of er sprake is van
strijd met de AWGB, dient de vraag te worden beantwoord of de Commissie
daartoe in het onderhavige geval bevoegd is. Ter zitting heeft de wederpartij
wederom gesteld dat de Commissie niet bevoegd zou zijn. De Commissie
overweegt hieromtrent het volgende.
4.3. Verzoeker heeft de Commissie gevraagd een oordeel uit te spreken over de
vraag of de wederpartij door haar beleid met betrekking tot de
reisfaciliteiten en bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een
wettelijk erkend huwelijk of een `common law marriage’ in strijd met de AWGB
heeft gehandeld.
De Commissie heeft als wettelijke taak te oordelen of er in strijd met de
AWGB gehandeld wordt en dient zodoende een bijdrage te leveren aan het
handhaven van het in de AWGB neergelegde recht. De Commissie is daarom
bevoegd in alle gevallen waarin de AWGB bedoeld is van toepassing te zijn.
De AWGB is toepasselijk in alle gevallen die binnen de Nederlandse
rechtssfeer vallen, dat wil zeggen in alle gevallen waarin daarvoor voldoende
relevante aanknopingspunten bestaan. Zij merkt daarbij op dat het niet de
taak van de Commissie is vast te stellen welk recht de rechtsverhouding
beheerst. Dat neemt echter niet weg dat de Commissie dient te beoordelen of
zij bevoegd is zich uit te spreken over het voorgelegde verzoek.
4.4. De Commissie beoordeelt allereerst of zij bevoegd is een oordeel uit te
spreken over de vraag of het beleid van de wederpartij terzake van het
toekennen van reisfaciliteiten jegens verzoeker in strijd met de AWGB is.
Op grond van de overgelegde stukken staat buiten twijfel dat de
arbeidsovereenkomst wordt beheerst door Amerikaans recht. Anders dan
verzoeker is de Commissie van oordeel dat het beleid terzake van het
toekennen van reisfaciliteiten onderdeel uitmaakt van de arbeidsovereenkomst
en daardoor eveneens wordt beheerst door het Amerikaanse recht. De Commissie
concludeert op grond daarvan dat zij niet bevoegd is te oordelen over de
vraag of het beleid in strijd is met de AWGB.
De bevoegdheid van de Commissie kan voorts berusten op de vaststelling, dat
de bepalingen van de AWGB in het onderhavige geval beschouwd moeten worden
als voorrangsregels dan wel als regels van bijzonder dwingend recht. Het
enige aanknopingspunt met de Nederlandse rechtssfeer is gelegen in de
omstandigheid dat verzoeker zijn woonplaats in Nederland heeft. De Commissie
acht daarin onvoldoende grond aanwezig om de bepalingen van de AWGB als
dergelijke voorrangsregels te beschouwen. Op deze grond komt de Commissie
derhalve evenmin bevoegdheid toe.
4.5. Ingevolge het beleid van de wederpartij wordt de vraag of er sprake is
van een wettelijk erkend huwelijk of een `common law marriage’ beoordeeld
naar het recht van het land waarvan de werknemer inwoner is. Aangezien
verzoeker in Nederland woont, dient die vraag te worden beantwoord naar
Nederlands recht.
Gezien het feit dat Nederlands recht van toepassing is op de vraag naar de
huwelijkse staat van verzoeker en gezien de omstandigheid dat verzoeker heeft
gesteld dat de AWGB hierbij is geschonden, acht de Commissie op grond van het
onder 4.4. overwogene zich bevoegd hierover een oordeel uit te spreken.
De Commissie beantwoordt die vraag als volgt.
De beoordeling van de vraag of de samenlevingsvorm van verzoeker gelijk
gesteld kan worden met een wettelijk huwelijk dient plaats te vinden aan de
hand van de bepalingen in Boek 1 Burgerlijk Wetboek en de jurisprudentie
dienaangaande. Van een wettelijk huwelijk, zoals door partijen ook niet is
betwist, is geen sprake (Vergelijk ook de Hoge Raad over het verbod van een
huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht, HR 19 oktober 1990, NJ
1992, 129).
Van een `common law marriage’ is evenmin sprake. Zoals onder 3.2. is
aangegeven betreft dit een verbintenis die uitsluitend in bepaalde
Amerikaanse staten tot stand kan komen en die betrekking heeft op een relatie
tussen een man en een vrouw.
Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de
samenlevingsvorm van verzoeker niet onder bovengenoemde begrippen valt. De
Commissie is op grond daarvan van oordeel dat de wederpartij bij die
beoordeling geen onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB. Dit zou
anders kunnen zijn indien de wederpartij deze vraag voor andere ongehuwd
samenwonende werknemers dan verzoeker, die op dezelfde wijze zijn aangesteld,
op een andere wijze zou toepassen dan in het geval van verzoeker. Dit is
echter gesteld noch gebleken.
4.6. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie op dat de wederpartij ten
onrechte heeft gesteld dat direct onderscheid op grond van burgerlijke staat
naar Nederlands recht als toelaatbaar moet worden gekenmerkt. In het
voorkomende geval dat werknemers van de wederpartij zouden zijn aangesteld op
grond van een arbeidsovereenkomst naar Nederlands recht, volgt uit de
bepalingen van de AWGB dat direct onderscheid naar burgerlijke staat met
betrekking tot de reisfaciliteiten als waarvan hier sprake is, in strijd
zouden komen met de AWGB.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie acht zich niet bevoegd een oordeel uit te spreken over de vraag
of (…), Verenigde Staten van Amerika jegens de heer (…) te Alkmaar
onderscheid bij de toepassing van de arbeidsvoorwaarden heeft gemaakt.
De Commissie spreekt voorts als haar oordeel uit dat (…), Verenigde Staten
van Amerika jegens de heer (…) te Alkmaar bij de beoordeling van de vraag
of de samenlevingsvorm van verzoeker gelijk is te stellen met een wettelijk
erkend huwelijk of een `common law marriage’ geen onderscheid op grond van
burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 5 lid 1 onderdeel d van de Algemene wet gelijke behandeling en
derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer).

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Zwolle, 21 augustus 1996

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage zp Zwolle

Samenvatting


Verzoeksters vader steunt de UNITA en haar echtgenoot is actief voor FLEC.
Als hulp tijdens de verkiezingen verbrandt zij op verzoek van FLEC
stembriefjes, waarna zij gedurende een dag wordt vastgehouden, verhoord en
mishandeld. Na vrijlating en de oplegging van een meldingsplicht ontvlucht
zij met haar kinderen Angola. De president acht onvoldoende aannemelijk dat
zij nog wordt gezocht door de Angolese autoriteiten.
Verzoeksters moeder is door de MPLA gedood, haar echtgenoot is neergeschoten
tijdens een actie van de FLEC en haar vader is gedetineerd. Op grond van de
kwetsbare positie van alleenstaande vrouwen in Angola, het feit dat
aanhangers van de FLEC extra risico lopen gearresteerd te worden, de
standrechtelijke executies wegens steun aan de UNITA en op grond van het
standpunt van de UNHCR is aannemelijk dat verzoekster bij terugkeer naar
Angola zal worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling.

Volledige tekst

1. Feiten en procesverloop
1.1. Verzoekster is geboren op (…) 1970 en bezit de Angolese nationaliteit.
Zij verblijft sedert 7 februari 1995 als vreemdeling in de zin van de
Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 8 februari 1995 heeft zij verzocht om
toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf
wegens klemmende redenen van humanitaire aard. Op deze aanvragen is op 17
juli 1995 afwijzend beslist. Verzoekster heeft tegen deze afwijzing tijdig
een bezwaarschrift ingediend.
1.2. In het kader van de behandeling van het bezwaarschrift heeft verweerder
bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is,
niet achterwege zal worden gelaten. Verzoekster moet er dan ook rekening mee
houden binnenkort uit Nederland te worden verwijderd.
1.3. Op 23 november 1995 heeft verzoekster de president van de rechtbank
verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van
het besluit van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op
het bezwaarschrift is beslist.
1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en
in het verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, daarbij
wijzend op de bevoegdheid van de president tot toepassing van artikel 33b Vw.
1.5. Openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 14 augustus
1996. Verzoekster is aldaar verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. Berg.

2. Samenvatting vluchtverhaal
2.1. Ten overstaan van de contact-ambtenaar van het Ministerie van Justitie
heeft verzoekster, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakt rapport van gehoor
d.d. 17 februari 1995, onder meer, – zakelijk weergegeven – het navolgende
verklaard:
Verzoekster behoort tot de Bakongo-stam. Haar vader ondersteunde de leden van
de Unita. Haar man, met wie zij op traditionele wijze is gehuwd, was
voorvechter van de onafhankelijkheid van Cabinda. Hij nam deel aan
demonstraties van de FLEC en was chauffeur voor de leiders van deze partij.
Verzoekster had tijdens de verkiezingen, 29 en 30 september 1992, de taak om
in een stemlokaal de stembriefjes in een bus te doen. De voorzitster van de
vrouwenafdeling van de FLEC, die zij via haar man had leren kennen, had haar
verzocht om de stembriefjes te verbanden. Hieraan gaf zij gevolg.
Op 30 september 1992 werd zij gearresteerd door de politie van de MPLA en
naar een politiepost gebracht, waar zij werd ondervraagd en mishandeld. Na
een dag mocht zij naar het ziekenhuis, waar zij haar ziek zoontje moest
voeden. Hier bleef zij drie dagen.
In die tijd gingen MPLA-politiemannen naar haar huis, waar zij haar man
vroegen naar de stembriefjes.
Toen verzoekster weer thuis was, kwam de politie op 5 oktober 1992 bij haar
langs om te informeren waarom ze zich niet had gemeld bij de politiepost.
Nadat verzoekster had verklaard dat zij zich zou melden zodra haar zoon
hersteld was, vertrokken de politiemannen weer.
Haar man is op 10 oktober 1992 gedood door een verdwaalde kogel, toen de
politie het vuur opende op leden van de FLEC, die een politie-auto in brand
staken. Hij nam geen deel aan deze actie. Op 12 oktober 1992 is verzoekster
gevlucht naar een tante van haar man, waar zij tot 10 september 1993 is
gebleven.
Op 22 januari 1993 plunderden leden van de MPLA de ouderlijke woning van
verzoekster. Dezelfde avond is verzoeksters moeder aangereden door leden van
de MPLA. Twee dagen later is zij aan de verwondingen overleden. Dergelijke
incidenten overkomen volgens verzoekster Bakongo’s omdat ze minderwaardig
worden behandeld. Toen op 10 september 1993 de man van de tante, bij wie
verzoekster verbleef, vernam dat verzoekster nog steeds werd gezocht, is
verzoekster naar Luanda vertrokken, waar zij is ondergedoken tot 5 februari
1995, de dag van haar vertrek naar België.

3. Standpunt van verzoekster
3.1. Verzoekster heeft aan de inleidende aanvragen en de hoofdzaak ten
grondslag gelegd, dat zij in aanmerking komt voor toelating in Nederland op
grond van de vluchtelingenstatus dan wel wegens klemmende redenen van
humanitaire aard.
3.2. Verzoekster is naar Luanda gegaan omdat zij in de regio van de tante,
waar zij verbleef, nog steeds werd gezocht. Ze kon niet naar haar ouderlijke
woning omdat haar vader daar mishandeld was vanwege zijn Unita-sympathieën en
het behoren tot de Bakongo’s.
In Luanda hoorde verzoekster in februari 1995 van een politieman, bij wie ze
verbleef, dat zij nog steeds werd gezocht door de politie.
3.3. Hoewel zij slechts een vriendendienst had verleend aan de leidster van
de FLEC, werd zij door de autoriteiten gezien als een politiek tegenstander.
Gelet op de beweegreden van haar actie is het niet vreemd dat verzoekster
niet veel wist van de FLEC.
Gezien de slechte politieke- en mensenrechtensituatie in Angola hebben niet
alleen de belangrijke politieke tegenstanders te vrezen voor vervolging.
3.4. Verzoekster heeft een brief van de UNHCR d.d. 22 juli 1996 overgelegd,
waarin deze organisatie aangeeft dat de situatie in Angola nog zeer onstabiel
is, en een negatief advies uitbrengt over het terugsturen van afgewezen
asielzoekers naar Angola.
3.5. In elk geval dient verzoekster in aanmerking te komen voor een
voorwaardelijke vergunning tot verblijf.

4. Standpunt van verweerder
4.1. Verweerder heeft terzake gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd
als bovenvermeld.

5. Overwegingen
5.1. Aan de orde is de vraag of de uitvoering van het besluit van verweerder
om hangende de afdoening van het beroep uitzetting niet achterwege te laten,
voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding
tot het door een onmiddellijke uitvoering van dat besluit te dienen belang.
Het bestreden besluit is voor zover daarbij het verzoek om toelating als
vluchteling kennelijk ongegrond is verklaard, gebaseerd op het bepaalde in
artikel 15c, lid 1 sub a Vw. Deze bepaling houdt in dat een aanvraag om
toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd wegens de kennelijke
ongegrondheid ervan indien zij is gegrond op omstandigheden die, hetzij op
zich zelf of in verband met andere feiten in redelijkheid geen enkel
vermoeden kunnen wekken dat rechtsgrond voor toelating bestaat.
5.2. De president zal, in het kader van de belangenafweging die artikel 8:81
Awb vereist, voor zover de beslissing tot uitzetting samenhangt met de
niet-inwilliging van de aanvraag tot toelating als vluchteling, toetsen of er
in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor
vervolging als omschreven in artikel 15 Vw. Voor zover de beslissing tot
uitzetting samenhangt met de niet-inwilliging van de aanvraag tot verlening
van een vergunning tot verblijf, zal de president toetsen of het beroep een
redelijke kans van slagen heeft.
5.3. Daarnaast kan uitzetting onrechtmatig zijn indien verweerder in de
gegeven omstandigheden in redelijkheid niet tot de maatregel van uitzetting
heeft kunnen komen, waarbij mede van belang is of uitzetting in strijd is met
andere rechtsregels, waaronder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
5.4. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in Angola niet zodanig is dat
vreemdelingen afkomstig uit dat land zonder meer als vluchteling kunnen
worden aangemerkt. Verzoekster zal derhalve tot op zekere hoogte aannemelijk
moeten maken dat met betrekking tot haar persoonlijk feiten en omstandigheden
bestaan die haar vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
c.q. artikel 15 Vw rechtvaardigen.
5.5. Verzoeksters asielrelaas is consistent en geloofwaardig. Echter zij
heeft niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij wordt gezocht
door de Angolese autoriteiten. Verzoekster is op 30 september 1992 gedurende
een dag vastgehouden, waarna ze naar het ziekenhuis mocht gaan. Vervolgens is
zij in de gelegenheid geweest naar huis te gaan na oplegging van een
meldingsplicht. Het feit dat zij zich niet opnieuw heeft gemeld bij de
politiepost, had geen maatregelen tot gevolg. De politie nam genoegen met
haar belofte dat ze zich zo snel mogelijk zou melden. Deze gang van zaken
duidt er niet op dat verzoekster als een belangrijke tegenstander van de
overheid werd gezien. Ook kan men de wijze waarop zij behandeld is niet als
vervolging betitelen.
Nadat ze elders is gaan wonen, heeft ze alleen van derden vernomen dat ze nog
gezocht zou worden. Verzoekster heeft niet aannemelijk kunnen maken dat zij
thans nog, bij terugkeer in Angola, in de bijzondere belangstelling van de
autoriteiten zal staan.
5.6. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat er sprake is van
omstandigheden die in redelijkheid geen enkel vermoeden kunnen wekken dat er
een rechtsgrond voor toelating als vluchteling in Nederland bestaat.
5.7. In verband met verzoeksters beroep op artikel 3 EVRM en op klemmende
redenen van humanitaire aard wordt het volgende overwogen. Verzoekster heeft
in Angola ingrijpende ervaringen gehad. Haar moeder en haar man zijn gedood
en haar vader is gedetineerd vanwege zijn steun aan de Unita.
Verzoekster zelf is vanwege haar actie bij de verkiezingen opgepakt en
mishandeld door de politie, waarna zij met haar kinderen op de vlucht is
geslagen. Daarna heeft zij nog vele omzwervingen gemaakt voordat ze naar
Nederland is gekomen. Duidelijk is, dat verzoekster bij terugkeer naar Angola
op zichzelf is aangewezen. Amnesty International uit in haar brief van 12
december 1995 haar bezorgdheid over de kwetsbare positie van alleenstaande
vrouwen in Angola. Amnesty stelt verder dat mensen die beschouwd kunnen
worden als aanhangers van F
EC en andere oppositiegroepen uit Cabinda nog steeds extra risico lopen op
arrestaties.
Daarnaast is bekend dat mensen die behoren tot de Bakongo-stam zijn
gearresteerd en soms ook buitengerechtelijk geëxecuteerd vanwege hun
(vermeende) steun aan de Unita.
Al deze omstandigheden, tezamen met het huidige standpunt van de UNHCR,
brengen de president tot het oordeel dat aannemelijk is dat verzoekster bij
terugkeer naar Angola zal worden onderworpen aan een onmenselijke
behandeling.
5.8. Nu, gelet op het voorgaande, het bezwaar een redelijke kans van slagen
heeft, concludeert de fungerend president dat het verzoek om een voorlopige
voorziening moet worden toegewezen.
5.9. Inzake de toepassing van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 33b
Vw wordt in het onderhavige geval besloten daarvan geen gebruik te maken.
5.10. Nu het verzoek wordt toegewezen, bestaat aanleiding verweerder te
veroordelen tot vergoeding van het door verzoekster gemaakte proceskosten en
het griffierecht.

6. Beslissing
De president:
– wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
– gebiedt verweerder om zich te onthouden van iedere maatregel tot
verwijdering of uitzetting buiten het grondgebied van Nederland van
verzoekster c.q. van voorbereidingen tot zodanige maatregelen, totdat op het
bezwaarschrift is beslist;
– wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om de proceskosten van
verzoeker ad ƒ 1420 te vergoeden.
– veroordeelt de Staat der Nederlanden om aan verzoeker het griffierecht ad ƒ
50 te vergoeden.

Rechters

Mr. Houthoff

Instantie: Raad van State, 15 augustus 1996

Instantie

Raad van State

Samenvatting


De regeling met betrekking tot de Pas-65 maakt een onderscheid tussen
gehuwden en samenwonenden enerzijds en alleenstaanden anderzijds. Partners
van mensen die 65 zijn, kunnen vanaf hun zestigste gebruik maken van de pas.
Alleenstaanden zijn aan de grens van 65 jaar gebonden.
Appellante heeft deze regeling aangevochten opdat ook alleenstaanden vanaf
hun zestigste recht hebben op de Pas-65. Appellante meent dat zich onder de
alleenstaanden meer vrouwen dan mannen bevinden en dat alleenstaande vrouwen
over het algemeen tot de minst draagkrachtigen behoren.
De Afdeling stelt voorop dat alleen sprake kan zijn van discriminatie indien
in het licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling voor het
gemaakte onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.
De partnerregeling is geïntroduceerd, omdat de doelen (deelname aan het
sociale leven bevorderen en stimuleren) van de Pas-65 naar verwachting beter
zouden worden gerealiseerd indien de (jongere) partner van de 65-plusser in
de activiteiten zou kunnen participeren. Ten aanzien van de partnerregeling
is bepaald dat eenmaal verkregen rechten niet kunnen worden afgenomen.
De Afdeling acht het door verweerders ten aanzien van de Pas-65 gevoerde
beleid niet kennelijk onredelijk.

Volledige tekst

Bij besluit van 30 januari 1991 hebben verweerders het verzoek van appellante
om afgifte van een Pas-65 afgewezen.
Tegen dit besluit heeft appellante bij schrijven van 27 februari 1991 een
bezwaarschrift ingediend bij verweerders.
Bij besluit van 31 juli 1991 hebben verweerders de bezwaren van appellante
ongegrond verklaard.
Dit besluit is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij schrijven van 26 augustus 1991,
ingekomen bij de Raad van State op 27 augustus 1991, beroep ingesteld bij de
Afdeling rechtspraak van de Raad van State.

Dit schrijven is aan deze uitspraak gehecht.
Desgevraagd hebben verweerders bij schrijven van 22 mei 1992 een
verweerschrift ingediend.

Bij schrijven van 27 januari 1993 heeft appellante een andere memorie
ingediend.
Het geschil is op 13 juni 1996 behandeld in een openbare vergadering van de
Afdeling, waarin appellante, in persoon en vertegenwoordigd door mr J.M.A.M.
de Wit, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. P.
Vanderheyden, ambtenaar der gemeente, hun standpunten hebben toegelicht.

Voorts hebben de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
vertegenwoordigd door mevrouw mr. B. Verhage en mr. Drs. J.P. Dopheide,
beiden ambtenaar ten departement, en de Stichting Centrum Individu en
samenleving, vertegenwoordigd door mevrouw drs. L. de Zwaan, het woord
gevoerd.

In rechte

Op 1 januari 1994 is in werking getreden de Wet van 16 december 1993 tot
wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet
1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie), Stb. 1993, 650, zoals nadien gewijzigd. Uit de in
deel 6, artikel I, van deze wet neergelegde overgangsbepalingen volgt dat het
geschil dient te worden behandeld met toepassing van het recht dat gold vóór
1 januari 1994, behoudens ten aanzien van de regeling inzake de
proceskostenveroordeling in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet
bestuursrecht.

Het geschil heeft betrekking op de bij het besluit van 31 juli 1991
gehandhaafde afwijzing van het verzoek van appellante om afgifte van een
Pas-65. Verweerders hebben daartoe overwogen dat appellante niet behoort tot
één van de drie categorieën van personen die ingevolge de circulaire aan de
gemeenten van 24 augustus 1990 van de Minister van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur, recht hebben op een Pas-65.
Appellant was ten tijde van haar aanvraag op 9 januari 1991 60 jaar, haar op
28 oktober 1977 overleden echtgenoot zou op dat moment 71 jaar geweest zijn.

Verweerders hebben in het bestreden besluit benadrukt dat de doelstelling van
de Pas-65 is het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer
van de 65-plusser en niet van de 60-plusser.
De partnerregeling is uitsluitend opgenomen om het doel van de Pas-65 beter
te realiseren. De 60-jarige partner heeft een afgeleid recht op de Pas-65.
Indien de 60-plusser geen partner heeft van 65 jaar of ouder, die
gestimuleerd moet worden activiteiten te ondernemen, is het niet nodig om een
Pas-65 te verstrekken. Ten slotte hebben verweerders er uitdrukkelijk op
gewezen dat met de Pas-65 geen inkomensbeleid wordt beoogd.

Appellante heeft aangevoerd dat de regeling die ziet op de Pas-65 – en met
name de daarin vervatte partnerregeling – getoetst aan artikel 1 van de
Grondwet, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten en artikel 14 van het Europees Verdrag ter bescherming van
de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, jegens haar
discriminerend is zowel naar leeftijd als naar burgerlijke staat. Er bestaat
volgens appellante geen redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond voor de
omstandigheid dat sommige 60-jarige wel de (financiële) voordelen van de
Pas-65 genieten en andere 60-jarigen, zoals de 60-jarige alleenstaande
weduwe, niet in aanmerking komen voor de Pas-65. In de ogen van appellante
geldt de doelstelling van het voorkomen van sociaal isolement in gelijke mate
voor een 60-jarige alleenstaande als voor een 65-plusser. Ten slotte heeft
appellante aangevoerd dat er sprake is van willekeur, aangezien niet alle
gemeenten hetzelfde strikte beleid voeren ten aanzien van de afgifte van de
Pas-65.

De Afdeling overweegt het volgende

De Pas-65, ingevoerd op 1 december 1975, is gebaseerd op een circulaire van
de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk uit 1975.
Met de invoering van de Pas-65 is beoogd de deelname aan het sociale en
culturele leven van mensen van 65 jaar en ouder (A.O.W.-ers) te bevorderen en
te stimuleren.
In een circulaire aan de gemeentebesturen van 24 augustus 1990 heeft de
toenmalige Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur uiteengezet voor
wie de Pas-65 is bedoeld. Zij heeft er bij de gemeentebesturen op
aangedrongen de ter zake opgestelde aanbevelingen strikt in acht te nemen
omwille van de landelijke uniformiteit en ter voorkoming van ongelijke
gevallen.
Verweerders hebben in het in de circulaire aanbevolen beleid als
gemeentelijke beleidsregel aanvaard.

Ingevolge de circulaire zou de Pas-65 kunnen worden uitgereikt aan:
a. iedere 65-jarige inw(o)n(st)er van Nederland;
b. de 60-jarige huwelijks- of – minstens een jaar samenwonende –
levenspartner van de onder a. genoemde 65-plusser;
c. de 65-jarige (vroegere) Nederlander die in het buitenland woont en
tijdelijk in Nederland op bezoek is.
Onder punt b is de zogenaamde partnerregeling opgenomen.
De Pas-65 geeft recht op een korting van 50% op het openbaar vervoer (tram,
bus, metro en de veerdienst naar de Waddeneilanden). Ook wordt veelal korting
gegeven op de lesgelden van cursussen van vormingscentra, volkshogescholen,
volksuniversiteiten en creativiteitscentra, alsmede op het lidmaatschap van
de openbare bibliotheek en op de museumkaart.
Daarnaast geven vele overheids- en particuliere instellingen op het gebied
van cultuur en recreatie op basis van vrijwilligheid kortingen van
uiteenlopende aard op vertoon van de Pas-65.

Bij de beantwoording van de vraag of het in de vorenaangehaalde beleidsregels
met de daarin vervatte partnerregeling gemaakte onderscheid discriminatie
naar leeftijd en burgerlijke staat oplevert, zoals appellante meent, stelt de
Afdeling voorop dat alleen sprake kan zijn van discriminatie indien in het
licht van de doelen van de van toepassing zijnde regeling voor het gemaakte
onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.

Met de invoering van de Pas-65 is beoogd de deelname aan het sociale en
culturele leven van mensen van 65 jaar en ouder (A.O.W.-ers) te bevorderen en
te stimuleren. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat
de leeftijdsgrens van 65 jaar zeer bewust is gekozen, omdat is gebleken dat
de 65-plussers, in vergelijking met de leeftijdsgroep van 60 tot 65 jaar, een
minder actief leven leiden en in mindere mate participeren in het
maatschappelijk verkeer.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting is de in de circulaire
vervatte partnerregeling geïntroduceerd, omdat de doelen van de Pas-65 naar
verwachting beter zou worden gerealiseerd indien de (jongere) partner van de
65-plussers in de activiteiten zou kunnen participeren. Deze regeling houdt
in dat aan de partner van de Pas-65-houder, die zich in de leeftijdscategorie
van 60 tot 65 jaar bevindt, ook een Pas-65 kan worden uitgereikt. Van het
zelfstandige recht, dat de 65-jarige op grond van zijn leeftijd toekomt, is
derhalve afgeleid het recht van de partner die zich in de leeftijdscategorie
van 60 tot 65 jaar bevindt.

Ten aanzien van de partnerregeling is bepaald dat eenmaal verkregen rechten
niet meer kunnen worden afgenomen. Indien een samenwoning of huwelijk als
gevolg van scheiding of overlijden ten einde komt voordat de jongere partner
65 jaar is, mag deze de Pa-65 desondanks behouden. De Afdeling acht het door
verweerders ten aanzien van de Pas-65 gevoerde beleid niet kennelijk
onredelijk.

In het licht van de doelen van de Pas-65-regeling ziet de Afdeling geen grond
voor het oordeel dat voor het in de regeling gemaakte onderscheid, waarbij
slechts aan de partner van de 65-jarige een afgeleid recht wordt verleend,
hetgeen impliceert dat een weduwe in de leeftijdscategorie van 60 tot 65 jaar
– behoudens verworven rechten – niet voor de Pas-65 in aanmerking komt, een
objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbreekt.
Gelet op de omvang van de kosten voor de Pas-65 – op de rijksbegroting voor
het jaar 1992 is voor de financiering van de pas-65 ongeveer 70 miljoen
gulden gereserveerd – en hetgeen overigens uit de stukken is gebleken, kan
ook niet staande worden gehouden dat de Pas-65-regeling een inkomensmaatregel
betreft.

Naar het oordeel van de Afdeling is dan ook geen sprake van strijdigheid met
artikel 1 van de Grondwet en met de door appellante genoemde
verdragsbepalingen.
Reeds omdat verweerders in dit geval tevens geheel in overeenstemming met de
circulaire hebben gehandeld, kan het bezwaar van appellante dat niet alle
gemeentebesturen een zelfde beleid voeren ten aanzien van de afgifte van de
pas-65, evenmin doel treffen.
Aangezien ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit in
aanmerking komt om te worden vernietigd op één der gronden genoemd in artikel
8, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen,
dient het beroep te worden verworpen.

De Afdeling acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrecht van de Raad van State;
Rechtdoende in naam der Koningin:
verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs Eekhof-de Vries, Bakker, Konijnenbelt

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 13 augustus 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vrouw, thans 70 jaar, is in 1980 gescheiden na traditioneel huwelijk
van 34 jaar. De vrouw had de zorg voor de kinderen. In 1980 is de alimentatie
vastgesteld op
ƒ 3200,-; nadien is de alimentatie diverse malen op verzoek van de man
via rechterlijke uitspraken aangepast; de laatste maal in 1990. In 1995
heeft de man de rechtbank opnieuw gevraagd de alimentatie te wijzigen alsmede
te bepalen dat de vrouw geen recht heeft op de 25% van het pensioen volgens
de wet pensioenverevening. De rechtbank Den Haag stelt dat de vrouw inderdaad
geen recht heeft op de 25% omdat aantoonbaar (namelijk in de uitspraak
van 1990) bij het vaststellen van de alimentatie rekening is gehouden met
de omstandigheid dat de vrouw geen eigen pensioen heeft kunnen opbouwen.

Volledige tekst

DE FEITEN

1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest van 18 juni 1948 tot 18 juni
1980. De vrouw is thans 70 jaar oud en de man is 72 jaar oud.
Bij het echtscheidingsvonnis van 6 juni 1980 was de door de man te betalen
bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw bepaald op ƒ 3.173,– per
maand; nadien hadden partijen de alimentatie nader bepaald op ƒ3.200,–
per maand.
Bij beschikking van 27 september 1988 was de door de man te betalen bijdrage
ten behoeve van de vrouw bepaald op ƒ 2.750,– per maand, met uitsluiting
van de wettelijke indexering.
Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van
23 oktober 1990 is de door de man te betalen bijdrage ten behoeve van de
vrouw met ingang van 1 oktober 1990 bepaald op ƒ 2.400,– per maand, met
uitsluiting van de wettelijke indexering per 1 januari 1991, welke beslissing
is bekrachtigd bij arrest van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 21
juni 1991. Thans bedraagt deze bijdrage ƒ 2.722,62 per maand.

2. De man verzoekt thans:
A. 1. te veklaren voor recht dat de vrouw geen recht heeft op een uitkering
op grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding, en te bepalen
dat hetgeen de vrouw op grond van genoemde wet reeds heeft of zal ontvangen,
in mindering komt op hetgeen de man op grond van zijn alimentatieverplichting
verschuldigd is;
2. subsidiair, voor het geval de rechtbank tot het oordeel mocht komen,
dat de vrouw wel recht heeft op voornoemde vereveningsuitkering, de beschikking
van de arrondissementsrechtbank te s’-Hertogenbosch van 23 oktober 1990
te wijzigen in die zin dat de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw
met ingang van 1 mei 1995, verminderd wordt met hetgeen de vrouw op grond
van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding heeft ontvangen en
zal ontvangen;

B. 1. Voor het geval de vrouw wel recht heeft op genoemde vereveningsuitkering,
de alimentatieverplichting van de man te beëindigen per 1 juli 1997;
2. voor het geval de vrouw geen recht heeft op genoemde vereveningsuitkering,
de alimentatieverplichting te beëindigen per 1 juli 1997, voorzover het
bedrag op grond van deze verplichting meer is, dan het bedrag dat de vrouw
zou hebben ontvangen, indien zij wel recht heeft op genoemde vereveningsuitkering.

3. De vrouw heeft tijdig een verweerschrift ingediend en verzocht de verzoeken
van de man af te wijzen en een termijn voor het voortduren van de alimentatie-uitkeringen
na 1 juli 1997 vast te stellen, met bepaling dat verdere verlenging nog
mogelijk zal zijn.

4. Bij brief van 10 april 1996 heeft de advocaat van de man nog stukken
overgelegd; bij brief van 12 april 1996 heeft de procureur van de vrouw
nog stukken ingediend.

5. Ter terechtzitting van 23 april 1996 is de zaak behandeld en aangehouden
teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nog nadere gegevens over
te leggen.

6. De procureur van de vrouw heeft bij brieven van 14 mei en 21 juni 1996
nog stukken overgelegd; de advocaat van de man heeft zulks gedaan bij brief
van 14 mei 1996.

7. De zaak is wederom behandeld ter zitting van 25 juni 1996, waarna de
beschikking is bepaald op heden.

BEOORDELING:

1. Het eerste geschil tussen partijen betreft de vraag of de vrouw recht
heeft op een uitkering op grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij
Scheiding.

2. De man meent dat de in artikel 12 lid 2 van genoemde wet genoemde uitzondering
zich hier voor doet, nu reeds eerder aantoonbaar rekening is gehouden met
de omstandigheid dat de tot verevening gerechtigde echtgenoot geen of onvoldoende
pensioen had opgebouwd, immers bij de beschikking van 23 oktober 1990,
waarbij de alimentatie laatstelijk is vastgesteld.
De vrouw acht die uitzondering niet van toepassing, nu er bij de boedelscheiding
(in 1980) niet aantoonbaar rekening is gehouden met de omstandigheid dat
de vrouw geen pensioen had opgebouwd.

4. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw de uitzondering in artikel
12 lid 2 te eng leest. Noch in de tekst van die bepaling noch in de wetsgeschiedenis
is steun te vinden voor het oordeel dat de uitzondering alleen van toepassing
is indien er bij de boedelscheiding rekening is gehouden met de omstandigheid
dat de vrouw geen pensioen had opgebouwd.
Nu er bij de bepaling van de alimentatie in de beschikking van 23 oktober
1990 aan de zijde van de man rekening is gehouden met al zijn pensioenen
en oudedagsuitkeringen en aan haar zijde van de vrouw eveneens – namelijk
alleen met haar gekorte AOW-uitkering -, is genoemde uitzondering van toepassing.

5.Derhalve zal het verzoek van de man vermeld onder A 1 worden toegewezen,
en ook de bepaling dat het door de vrouw op grond van de Wet reeds ontvangene
kan worden verrekend met de alimentatieverplichting van de man jegens de
vrouw.

6. Over het verzoek onder A 2 behoeft, nu dit subsidiair is, niet meer
worden beslist.

7. Ook het verozek van de man vermeld onder B 1 behoeft geen bespreking
meer, nu de rechtbank van oordeel is dat de vrouw geen recht heeft op pensioenvereveningsuitkeringen.

8. Het verzoek B 2 betreft limitering van de alimentatieverplichting welke
uitgaat boven het bedrag van de pensioenverevening (thans ƒ 1424,– per
maand) per 1 juli 1997. De man voert daartoe aan dat hij die beëindiging
redelijk acht.
De vrouw voert verweer tegen dit verzoek van de man en verzoekt een termijn
voor het voortduren van de alimentatieuitkeringen na 1 juli 1997 vast te
stellen met bepaling dat verdere verlenging mogelijk zal zijn.

9. De rechtbank neemt bij de beoordeling van het verzoek van de man de
volgende omstandigheden in aanmerking:
– de vrouw is thans 70 jaar oud;
– uit het huwelijk van partijen zijn vier kinderen geboren (van wie een
is overleden), waarvoor de vrouw de zorg heeft gehad;
– het huwelijk van partijen heeft 32 jaar geduurd, na de sluiting in 1948;
– tijdens het huwelijk van partijen heeft de vrouw niet aan een eigen carière
en inkomenspositie kunnen werken, terwijl zij wel, ook onder buitengewone
omstandigheden – in het buitenland – heeft meegewerkt aan de carière van
de man;

10. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verzochte
gedeeltelijke beëindiging van de alimentatieverplichting van de man jegens
de vrouw van zo ingrijpende aard is dat deze in redelijkheid en billijkheid
niet van de vrouw kan worden gevergd.

11. De rechtbank acht het voorts redelijk om de termijn gedurende welke
de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw zal voortduren na
1 juli 1997 te stellen op de periode dat de man en de vrouw in leven zijn.
Gelet hierop heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek dat verdere
verlenging van deze termijn mogelijk is, zodat dat verzoek zal worden afgewezen.

12. De rechtbank zal de proceskosten compenseren, nu partijen ex-echtlieden
zijn.

BESLISSING:

Verklaart voor recht dat de vrouw geen recht heeft op een uitkering op
grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding.
Bepaalt dat hetgeen de vrouw op grond van genoemde wet reeds ontvangen
heeft of zal ontvangen, in mindering komt op hetgeen de man op grond van
zijn alimentatieverplichting aan de vrouw schuldig is.
Wijst het verzoek van de man tot limitering van zijn alimentatieverplichting
jegens de vrouw af en stelt de termijn gedurende welke deze verplichting
na 1 juli 1997 voortduurt op de periode dat de man en vrouw in leven zijn.
Bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr J. Dongelmans

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 2 augustus 1996

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De rechtbank heeft de kinderalimentatie vastgesteld op ƒ 300 en de
alimentatie voor de vrouw op nihil. De man en de vrouw zijn hiervan in beroep
gegaan.
Het hof meent dat de huurlasten van de man (ƒ 1220) in verhouding tot de
hoogte van zijn inkomen, dat door verandering van baan nog is verlaagd,
bovenmatig zijn en zal daarom slechts rekening houden met een huurlast van ƒ
950. Desondanks volgt dat de draagkracht van de man geen betaling van
alimentatie toelaat ten behoeve van de vrouw en ten behoeve van de kinderen ƒ
120.

Volledige tekst

Het geding

De partijen zijn in 1988 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank
te Dordrecht van 10 januari 1996 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken.
Voorts is hierbij bepaald dat de vrouw voortaan alleen het gezag toekomt over
de uit hun huwelijk geboren kinderen, te weten: F.T., geboren op 20 maart
1990 en R.M., geboren op 26 augustus 1994, en is aan de vader een alimentatie
ten behoeve van de minderjarige kinderen opgelegd van ƒ 300 per kind en per
maand.

Tevens is bij deze beschikking bepaald dat de vrouw bevoegd is de echtelijke
woning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan
behorende zaken gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking
tegen een vergoeding van ƒ 100 per maand voort te zetten. Het verzoek van de
vrouw tot vaststelling van een alimentatie ten behoeve van haarzelf is
afgewezen.

Deze beschikking is op 15 april 1996 ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand.

Zowel de vrouw als de man zijn van bovengenoemde beschikking op 4 maart 1996
respectievelijk 8 maart 1996 in hoger beroep gekomen.

De vrouw heeft verzocht de door de man verschuldigde alimentatie ten behoeve
van de minderjarige kinderen op een hoger bedrag vast te stellen dan door de
rechtbank bepaald, voorts de door de man ten behoeve van de vrouw
verschuldigde alimentatie te bepalen en tenslotte de door de vrouw aan de man
verschuldigde gebruiksvergoeding te bepalen op nihil.

De man heeft verzocht de alimentatie ten behoeve van de minderjarige kinderen
vast te stellen op nihil, althans deze vast te stellen op zodanig bedrag als
het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Zowel de vrouw als de man hebben tijdig een verweerschrift ingediend.

Op 24 mei 1996 zijn beide hogere beroepen ter terechtzitting van het hof
mondeling behandeld. De man is in de gelegenheid gesteld nadere gegevens aan
het hof te zenden. Bij brief van 6 juni 1996, ingekomen ter griffie van dit
hof op 10 juni 1996, heeft de advocaat van de man nadere stukken aan het hof
doen toekomen. Bij brief van 17 juni 1996, ingekomen ter griffie op 19 juni
1996, heeft de advocaat van de vrouw hierop nog nader gereageerd.

Beoordeling van de gevoegde zaken in hoger beroep

1. Het hof acht termen aanwezig in beide zaken in één beschikking te
beslissen.

2. Het hof gaat van de volgende gegevens uit
(bedragen op hele guldens afgerond):

3. De behoefte van de minderjarige kinderen aan alimentatie staat als niet
bestreden vast.

4. De minderjarige kinderen wonen bij de vrouw. Zij ontvangt een
bijstandsuitkering van ƒ 1.873 per maand. De hypotheeklasten van de
echtelijke woning, waarin de vrouw woont, bedragen ongeveer ƒ 800 per maand.
De behoefte van de vrouw aan alimentatie staat eveneens vast.

5. Volgens jaaropgave 1995 heeft de man in 1995 bruto DM 49.900 verdiend.
Hij werkte voor een Duitse werkgever (…) maar was in Nederland
belastingplichtig. Hij stelt vanaf 4 maart 1996 van werkgever veranderd te
zijn, alwaar hij bruto ƒ 47 520 per jaar verdient. Bij deze werkgever geldt,
evenals bij de vorige, een onkostenvergoedingsregeling, de zogenaamde
Auslösung, waarvan de vrouw stelt dat deze meer dan kostendekkend is en
verkapt inkomen oplevert. Blijkens overgelegde nota’s van in september 1995
in verband met het werk gemaakte onkosten was de in september ontvangen
onkostenvergoeding ontoereikend; de man kwam ongeveer ƒ 1200 tekort;
de in mei 1996 ontvangen onkostenvergoeding was blijkens de specificaties
meer dan kostendekkend; de man hield ongeveer ƒ 1700 over.
Voorts houdt de regeling in dat indien de man minder dan vijfenveertig uur
per week werkt hij geen onkostenvergoeding ontvangt, maar een
kilometervergoeding van ten hoogste maximaal 100 DM. en dat zodra de man op
vrijdag of maandag minder dan vijf uur gewerkt heeft, door de werkgever in
het geheel niets wordt uitgekeerd.

6. Op grond van de verklaring van de man ter terechtzitting en de inhoud van
de overgelegde stukken acht het hof aannemelijk dat, zoals de man stelt, de
gemaakte kosten gemiddeld genomen gedekt worden door de verkregen
vergoedingen, dat hij nu eens overhoudt en dan weer wat erop inschiet. Anders
dan de rechtbank zal het hof daarom niet ƒ 1000 per maand aan extra inkomsten
terzake meenemen.

7. Het door de vrouw gestelde inkomenscriterium dat door de verhuurder van de
woning van de man gehanteerd zou worden (nl. ƒ 6000 per maand) acht het hof
op zichzelf een onvoldoende argument, gesteld al dat dit juist zou zijn, om
uit te gaan van een hoger bruto jaarinkomen dan de man opgeeft. Er zijn geen
andere indicaties dat sprake is van een hoger inkomen van de man.

8. Het hof acht evenwel de huurlasten van de man – ƒ 1185 per maand tot 1
juli 1996 en ƒ 1220 per maand daarna – in verhouding tot de hoogte van zijn
inkomen (dat door verandering van baan nog verlaagd is) bovenmatig en zal
daarom slechts rekening houden met een huurlast van ƒ 950 per maand. Het is
aan de man te bepalen of hij met dit gegeven de keuze maakt om te zien naar
een goedkopere behuizing ofwel het meerdere te bekostigen uit zijn vrije
draagkrachtruimte.

9. Verder wordt rekening gehouden met de niet betwiste andere maandelijkse
lasten van de man: de premie ziektekostenverzekering ad ƒ 174, ƒ 50 premie
ongevallen verzekering en kosten omgangsregeling ƒ 100.

10. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man geen betaling van
alimentatie toelaat ten behoeve van de vrouw en ten behoeve van de kinderen
een lagere alimentatie dan door de rechtbank is opgelegd.

11. De vrouw behoeft echter geen vergoeding te verstrekken aan de man voor
het voortgezet gebruik van de echtelijke woning en de bij de woning en tot de
inboedel daarvan behorende zaken, omdat haar draagkracht daartoe geen ruimte
biedt en zij sinds 1 oktober 1995 alle lasten van de echtelijke woning voor
haar rekening neemt. Bovendien is nog in dispuut tussen partijen of de vrouw
het door de rechtbank toegewezen gebruik van de inboedel inderdaad heeft
kunnen voortzetten.

12. Het vorenstaande brengt mee dat de beschikking van de rechtbank moet
worden vernietigd en dat beslist wordt als volgt.

Beslissing in de gevoegde zaken in hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 10 januari 1996,
voor zover daartegen beroep is ingesteld, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie ten behoeve van de
minderjarige kinderen op ƒ 120 per maand per kind, voor wat betreft de na
heden te verschijnen termijnen, bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de door de vrouw aan de man te betalen vergoeding voor het voorgezet
gebruik van de echtelijke woning en de bij de woning en tot de inboedel
daarvan behorende zaken op nihil;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Rechters

Mr Simons

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 augustus 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster solliciteerde naar aanleiding van een advertentie naar de functie
van migrantenopbouwwerker van Marokkaanse afkomst bij de wederpartij. Achter
de functie stond in de advertentie de vermelding `m/v’. Verzoekster werd
afgewezen omdat de voorkeur van de sollicitatiecommissie uitging naar een
mannelijke kandidaat. Verzoekster is van mening dat de handelwijze van de
wederpartij in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.
Het is vaste jurisprudentie van de Commissie dat bij de toetsing of een
concreet geval valt binnen de uitzonderingen zoals de AMVB deze verwoordt,
zorgvuldig moet worden bezien of daarbij wordt voldaan aan alle gestelde
eisen. Uitzonderingen op het gebod van gelijke behandeling dienen in het
algemeen restrictief uitgelegd te worden, teneinde te voorkomen dat dit gebod
al te zeer wordt uitgehold.
De wederpartij stelt dat de betreffende functie vanwege de omstandigheden
binnen het betreffende werkterrein geslachtsbepaald is. Uitgangspunt hierbij
is het vooroordeel dat onder Marokkaanse mannen zou bestaan ten aanzien van
de uitoefening van beroepsactivititeiten door vrouwen.
Ook na herhaaldelijk verzoek kan de wederpartij echter geen concrete
voorbeelden uit de praktijk noemen waaruit de noodzaak voor geslachtsbepaalde
selectie blijkt.
Verzoekster en de getuige-deskundige daarentegen, bestrijden de visie van de
wederpartij met betrekking tot de betekenis die dient te worden gehecht aan
de Marokkaanse man/vrouw verhoudingen op dit punt. Zij maken voorts aan de
hand van de eigen ervaringen aannemelijk dat het onderhouden van contacten
met de Marokkaanse mannenwereld niet a priori een taak is die is voorbehouden
aan (Marokkaanse) mannen.
Dit laatste wordt ondersteund door de ervaringen van de wederpartij. Immers,
ter zitting is gebleken dat als er voor dienstverlening aan Marokkaanse
mannen geen mannelijke opbouwwerker beschikbaar is, de zaken zonder problemen
door een vrouwelijke opbouwwerker worden aangepakt.
De Commissie benadrukt hierbij het feit dat de te verrichten werkzaamheden
zich grotendeels richten op openbare aangelegenheden als onderwijs,
buurtbeheer, veiligheid, stadsvernieuwing, straatverbetering en integratieve
activiteiten en in veel mindere mate de privesfeer raken.
Derhalve kunnen de werkzaamheden van de betreffende functie niet gebracht
worden onder de door artikel 1 sub e AMVB bestreken uitzondering. Nu de
wederpartij niet met succes een beroep op de betreffende
uitzonderingsmogelijkheid kan doen, is de selectie van de wederpartij voor de
functie in kwestie in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 8 november 1995 verzocht de Stichting Haags Meld- en Registratiepunt
Discriminatiezaken te Den Haag namens mevrouw (…) (hierna verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of het (…) (hierna: de wederpartij) heeft gehandeld
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster solliciteerde naar aanleiding van een advertentie naar de
functie van migrantenopbouwwerker van Marokkaanse afkomst bij de wederpartij.
Achter de functie stond in de advertentie de vermelding `m/v’. Verzoekster
werd afgewezen omdat de voorkeur van de sollicitatiecommissie uitging naar
een mannelijke kandidaat. Verzoekster is van mening dat de handelwijze van de
wederpartij in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunt schriftelijk toegelicht.
2.2. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 18 juni 1996 teneinde hun
standpunten nader toe te lichten.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…) (medewerker van de stichting Haags Meld- en Registratiepunt
Discriminatiezaken, raadsman/gemachtigde)
– dhr. (…) (senior opbouwwerker bij de gemeente Den Haag,
getuige-deskundige)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (juridisch adviseur)
– mw. (…) (projectleidster)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster solliciteerde bij brief van 26 juni 1995 op een advertentie
van de wederpartij in de Volkskrant van 24 juni 1995. Het ging om de functie
van migrantenopbouwwerker. In de advertentie stond dat de wederpartij een
migrantenopbouwwerker van Marokkaanse afkomst zocht. Achter de
functiebenaming `migrantenopbouwwerker’ stond de vermelding `m/v’.
3.2. De wederpartij is een non-profit organisatie die in de gemeente
Rotterdam bewonersorganisaties adviseert en ondersteunt. Binnen de
deelgemeente Kralingen-Crooswijk is daartoe een aantal multidisciplinaire
teams werkzaam. De functie waar verzoekster op solliciteerde betrof de
functie van migrantenopbouwwerker binnen een van deze teams. Het betreffende
team ressorteert onder de wederpartij maar is sinds 1 maart 1994 als bureau
werkzaam vanuit een zelfstandige positie.
De taakstelling van het migrantenopbouwwerk is migranten te betrekken en
invloed te laten uitoefenen bij vraagstukken in de directe omgeving. De
onderwerpen zijn: onderwijs, buurtbeheer, veiligheid, stadsvernieuwing,
straatverbetering en integratieve activiteiten.
3.3. Het bureau bestond op het moment dat de advertentie werd geplaatst uit
een projectleidster, een mannelijke Turkse migrantenopbouwwerker, een
vrouwelijke Turkse migrantenopbouwwerker, en een vrouwelijke Marokkaanse
migrantenopbouwwerker.
3.4. Verzoekster ontving naar aanleiding van haar sollicitatie een
ontvangstbevestiging gedateerd op 3 juli 1995. In deze ontvangstbevestiging
stond dat de brievenselectie na 30 juli 1995 zou plaatsvinden. Vervolgens
ontving verzoekster een brief van de districtsmanager van de wederpartij,
gedateerd 25 september 1995.
In deze brief deelde de wederpartij mee dat de sollicitatiecommissie besloten
had verzoekster niet uit te nodigen voor een gesprek. In deze brief komt de
volgende passage voor: `De reden hiervoor is dat u een vrouw bent. Hoewel dit
niet in de advertentie vermeld stond, ging de voorkeur van de commissie in
verband met teamsamenstelling uit naar een mannelijke kandidaat’.
3.5. Verzoekster wendde zich tot de Stichting Haags Meld- en Registratiepunt
Discriminatiezaken. Deze stichting heeft namens verzoekster de zaak aan de
Commissie voorgelegd.
De standpunten van partijen
3.6. Verzoekster stelt het volgende. Zij heeft gesolliciteerd naar aanleiding
van een advertentie waaruit zij kon opmaken dat zowel mannen als vrouwen
konden reageren. Zij mocht aannemen dat zij als serieuze kandidaat meedong
naar de functie. Ook de ontvangstbevestiging van haar sollicitatiebrief geeft
geen aanleiding om dit niet te denken. Uit de brief van de wederpartij van 25
september 1995 blijkt dat verzoekster in het geheel niet heeft meegedongen
naar de functie. Vrouwen waren uitgesloten van mededinging.
3.7. Verzoekster is van mening dat de door de wederpartij opgegeven reden,
namelijk de samenstelling van het team, niet wordt erkend door de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB). De wederpartij heeft naar de mening van
verzoekster dan ook in strijd gehandeld met artikel 5 lid 1 sub a AWGB.
3.8. De wederpartij stelt het volgende.
Het betreffende bureau bestond uit een team van vijf personen, vier
migrantenopbouwwerk(st)ers en een projectleidster, allemaal op parttime
basis. Het betrof twee Turkse migrantenopbouwwerk(st)ers en twee Marokkaanse
migrantenopbouwwerk(st)ers, telkens een man en een vrouw. Deze bewuste
uitsplitsing en samenstelling van het team heeft te maken met de doelgroep.
3.9. De taakstelling van het migrantenopbouwwerk is migranten te betrekken en
invloed te laten uitoefenen bij vraagstukken in de directe omgeving.
Om in contact te komen met migranten in de wijk, buurt of straat moet
geïnvesteerd worden in de communicatie, opbouw van vertrouwen en het
onderhouden van geregelde contacten. De doelgroep voor dit project is de
Turkse en Marokkaanse bevolking. Binnen deze bevolkingsgroepen -zeker als zij
uit de niet stedelijke gebieden van hun eigen land komen- is er een duidelijk
onderscheid te maken in de taken, verantwoordelijkheden en gezagsverhoudingen
tussen mannen en vrouwen.
Om de doelgroepen te bereiken is derhalve duidelijk een keuze gemaakt -en
gefiatteerd door de plaatselijke overheid- in aandacht tussen mannen en
vrouwen vanuit de twee bevolkingsgroepen.
3.10. Contactlegging met vrouwen en hen op een of andere wijze betrekken in
een georganiseerd verband vraagt om beslotenheid en veiligheid. Daar zijn
mannen niet welkom. Vandaar dat uitdrukkelijk een vrouwelijke Turkse en
Marokkaanse migrantenopbouwwerker zijn aangetrokken.
3.11. Contactlegging met de mannenwereld -waaronder de moskee en haar
bestuur- is in dit geval ook geslachtsbepaald, aldus de wederpartij. Een
vrouwelijke medewerker zal hierbij grote problemen kunnen ondervinden om de
volgende redenen. Sommige plaatsen die bij uitstek geschikt zijn om contacten
te leggen (zoals de moskee), kennen immers een zekere segregatie naar
geslacht. Ook is de kans aanwezig dat de vrouwelijke medewerker met
minachting wordt benaderd, dat haar onzedelijk gedrag wordt verweten of dat
zij te maken krijgt met het vooroordeel dat zij niet ter zake kundig of
westers beïnvloed zou zijn. Voor dit specifieke project is dan ook gekozen
voor een geslachtsbepaalde invulling van de functies.
3.12. Ter zitting wordt de wederpartij gevraagd naar de gang van zaken in
geval er voor dienstverlening aan Marokkaanse mannen geen mannelijke
opbouwwerker beschikbaar is. De wederpartij antwoordt dat dan de
werkzaamheden door een vrouwelijke opbouwwerker worden verricht. Hierover
zijn geen problemen gerezen.
3.13. De onderhavige vacature is ontstaan doordat de Marokkaanse mannelijke
migrantenopbouwwerker wegging bij het bureau. Deze medewerker diende dus te
worden opgevolgd door een man. De projectleidster van het bureau had in de
oorspronkelijke advertentietekst expliciet vermeld dat er een vacature was
voor een mannelijke migrantenopbouwwerker van Marokkaanse afkomst. In de
advertentietekst is de zin `In verband met de samenstelling van het team gaat
bij gelijke geschiktheid de voorkeur uit naar een man’ weggevallen. Een door
de wederpartij ingehuurd bureau die voor de afwerking zorgdroeg, heeft deze
zin zonder verder overleg weggelaten. Bij het controleren van de tekst is dit
helaas niemand van de wederpartij opgevallen. Hierdoor is bij de werving een
onjuiste start met de procedure gemaakt, waardoor verzoekster voorafgaand aan
de selectieprocedure verkeerd geïnformeerd is geweest. Gelukkig solliciteerde
slechts een vrouw, namelijk verzoekster.
3.14. De op papier geschikte mannelijke sollicitanten zijn voor het eerste
gesprek opgeroepen. De sollicitatiecommissie heeft uit deze kandidaten de
nieuwe medewerker voorgedragen aan de directie van de wederpartij.
3.15. Verzoekster werd in een eerdere fase afgewezen. De formulering voor
deze afwijzing is helaas niet zo gelukkig gekozen. Zeker wanneer achteraf
duidelijk wordt dat de zin `bij gelijke geschiktheid gaat de voorkeur uit
naar een man’ niet bekend is geweest bij verzoekster.
De verklaring van de getuige-deskundige
3.16. De door verzoekster geïntroduceerde getuige-deskundige is als senior
opbouwwerker in de wijk Transvaal te Den Haag verantwoordelijk voor de
ondersteuning van de Marokkaanse doelgroep in de Haagse rivierenbuurt.
Evenals bij de functie waarnaar verzoekster solliciteerde is hierbij de
relatie-opbouw met de Marokkaanse bevolking van groot belang. Vanuit de
algemene ervaring van de getuige-deskundige op dit punt en vanuit zijn
specifieke ervaring met verzoekster bij zijn organisatie, is ter zitting een
getuigenverklaring afgelegd.
Samenvattend weergegeven wordt in deze verklaring de geslachtsbepaaldheid van
de functie in kwestie weersproken. Relatie-opbouw met de Marokkaanse
mannenwereld zou niet afhankelijk zijn van het geslacht van de medewerker,
maar van zijn of haar expertise en kwaliteiten. Verzoekster wordt in dit
opzicht in staat geacht de betreffende functie uit te oefenen.
4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.
4.2. Verzoekster heeft een beroep gedaan op de AWGB. Bij inwerkingtreding van
de AWGB is evenwel de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
onverlet gelaten. Dit betekent dat de klacht van verzoekster aan de hand van
de relevante bepalingen uit de WGB beoordeeld dient te worden.
4.3. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid tussen mannen en
vrouwen bij het aanbieden van een betrekking en bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking.
Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat van het verbod om onderscheid te maken zoals
omschreven in artikel 3 lid 1 WGB mag worden afgeweken wanneer een wettelijke
uitzondering van toepassing is. Voor zover het een openlijke aanbieding van
een betrekking betreft, dient de grond voor het onderscheid daarbij
uitdrukkelijk te worden vermeld.
Artikel 3 lid 3 WGB schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de functie. Lid 4 van genoemd artikel bepaalt dat bij een
functiebenaming of zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming
moet worden gebruikt, of uitdrukkelijk moet worden vermeld dat zowel mannen
als vrouwen in aanmerking komen.
Van het verbod op onderscheid bij de selectie voor een openstaande betrekking
mag slechts worden afgeweken als er sprake is van een van de wettelijke
uitzonderingsgronden, genoemd in artikel 5 lid 1 en 2 WGB, namelijk in geval
van een voorkeursbeleid voor vrouwen, respectievelijk een geslachtsbepaalde
functie.
Artikel 5 lid 3 sub c WGB noemt een aantal beroepsactiviteiten waarvoor het
geslacht bepalend kan zijn. Deze worden nader geregeld in het Besluit
beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (hierna de AMVB),
Stb. 1989, 207.
Wat het onderhavige geval betreft is alleen artikel 1 sub e van de AMVB
mogelijk relevant. Hierin wordt bepaald dat als beroepsactiviteiten waarvoor
in een voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de
uitoefening ervan het geslacht bepalend kan zijn, beschouwd mogen worden die
beroepsactiviteiten, welke behoren tot de volgende categorie:
`de beroepsactiviteiten die inhouden de persoonlijke verzorging, verpleging
of opvoeding van dan wel hulpverlening aan personen, indien de goede
uitoefening van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de
arbeidsorganisatie ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon
van een bepaald geslacht’.
Ten aanzien van de selectie
4.4. De vraag ligt voor of de wederpartij zich bij de vervulling van de
functie van migrantenopbouwwerker mag beroepen op de geslachtsbepaaldheid van
de functie.
4.5. In de Nota van Toelichting op de AMVB staat dat de categorie van
beroepsactiviteiten onder artikel 1 sub e van de AMVB wordt beperkt door `de
objectiveerbare eis dat de goede uitoefening van de bewuste
beroepsactiviteiten uitsluitend kan geschieden door personen van een bepaald
geslacht, terwijl dit gegeven in het geheel van de arbeidsorganisatie ook een
zodanige betekenis moet hebben, dat daaruit consequenties moeten worden
getrokken door het aanbieden van de betrekking aan een persoon van een
bepaald geslacht’. (Tweede Kamer 1986-1987, 19908, nr. 3, p. 47).
4.6. Het is vaste jurisprudentie van de Commissie dat bij de toetsing of een
concreet geval valt binnen de uitzonderingen zoals de AMVB deze verwoordt,
zorgvuldig moet worden bezien of daarbij wordt voldaan aan alle gestelde
eisen. Uitzonderingen op het gebod van gelijke behandeling dienen in het
algemeen restrictief uitgelegd te worden, teneinde te voorkomen dat dit gebod
al te zeer wordt uitgehold. (Zie onder meer Commissie gelijke behandeling, 22
december 1995, oordeelnummer 95-62).
4.7. De wederpartij stelt dat de betreffende functie vanwege de
omstandigheden binnen het betreffende werkterrein geslachtsbepaald is.
Uitgangspunt hierbij is het vooroordeel dat onder Marokkaanse mannen zou
bestaan ten aanzien van de uitoefening van beroepsactivititeiten door
vrouwen.
Ook na herhaaldelijk verzoek kan de wederpartij echter geen concrete
voorbeelden uit de praktijk noemen waaruit de noodzaak voor geslachtsbepaalde
selectie blijkt.
4.8. Verzoekster en de getuige-deskundige daarentegen, bestrijden de visie
van de wederpartij met betrekking tot de betekenis die dient te worden
gehecht aan de Marokkaanse man/vrouw verhoudingen op dit punt.
Zij maken voorts aan de hand van de eigen ervaringen aannemelijk dat het
onderhouden van contacten met de Marokkaanse mannenwereld niet a priori een
taak is die is voorbehouden aan (Marokkaanse) mannen.
4.9. Dit laatste wordt ondersteund door de ervaringen van de wederpartij.
Immers, ter zitting is gebleken dat als er voor dienstverlening aan
Marokkaanse mannen geen mannelijke opbouwwerker beschikbaar is, de zaken
zonder problemen door een vrouwelijke opbouwwerker worden aangepakt.
De Commissie benadrukt hierbij het feit dat de te verrichten werkzaamheden
zich grotendeels richten op openbare aangelegenheden als onderwijs,
buurtbeheer, veiligheid, stadsvernieuwing, straatverbetering en integratieve
activiteiten en in veel mindere mate de privesfeer raken.
Derhalve kunnen de werkzaamheden van de betreffende functie niet gebracht
worden onder de door artikel 1 sub e AMVB bestreken uitzondering. Nu de
wederpartij niet met succes een beroep op de betreffende
uitzonderingsmogelijkheid kan doen, is de selectie van de wederpartij voor de
functie in kwestie in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het (…) te Rotterdam jegens
mevrouw (…) te Den Haag onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in
strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretarisKamer).

Instantie: Kantonrechter Leiden, 31 juli 1996

Instantie

Kantonrechter Leiden

Samenvatting


Een zwangere vrouw mocht op grond van haar zwangerschap haar
kelnerwerkzaamheden in een restaurant niet meer voortzetten. Wel mocht zij
buffetwerkzaamheden uitvoeren omdat haar dikke buik dan minder zichtbaar was.
De Commissie gelijke behandeling oordeelde dat de werkgever een verboden
onderscheid maakte tussen mannen en vrouwen door een vrouw op grond van haar
zwangerschap tegen haar zin uit te sluiten van haar normale werkzaamheden
(CGB 7 oktober 1993). De kantonrechter volgt de Commissie in zijn vonnis en
kent een schadevergoeding toe van ƒ 2400, waarvan ƒ 1500 immateriële
schadevergoeding en ƒ 900 aan gemiste fooien.

Volledige tekst

Overwegingen
1. A vordert een verklaring voor recht dat De Witte Raaf de in 1991 geldende
Wet Gelijke Behandeling van Mannen en Vrouwen heeft overtreden door haar als
zwangere vrouw van haar gewone werkzaamheden uit te sluiten, alsmede,
voorzover thans nog van belang, veroordeling van De Witte Raaf tot betaling
van een bedrag van ƒ 10 000 wegens geleden immateriële schade en een bedrag
van ƒ 900 netto wegens misgelopen fooien.
2. De Witte Raaf heeft verweer gevoerd. Bij tussenvonnis van 8 mei 1996 is
een comparitie van partijen bevolen.
3. Vast staat, dat A per 1 april 1989 in dienst is getreden van De Witte Raaf
in de functie van kelner tegen een salaris van laatstelijk ƒ 2754, 57 per
maand exclusief fooien. Medio september 1990 heeft zij haar werkgever
meegedeeld dat zij zwanger was en wanneer de geboorte van haar kind werd
verwacht. Van eind september 1990 tot 6 februari 1991 was zij
arbeidsongeschikt. Bij haar herstel (voor 50%) op die datum heeft De Witte
Raaf A gevraagd om in plaats van haar gewone werk als restaurantkelner
buffetdiensten te gaan verrichten. Daarbij is als motief opgegeven dat een
zwangere kelner `geen gezicht’ zou zijn voor de gasten van het klassieke
restaurant en dat buffetwerk lichter zou zijn. Achter het buffet zou haar
dikke buik volgens De Witte Raaf minder zichtbaar zijn voor de gasten. A
heeft het voorstel om buffetwerkzaamheden te verrichten afgewezen en heeft
gevraagd haar gewone werk als restaurantkelner te mogen verrichten; De Witte
Raaf heeft zulks geweigerd. Sindsdien heeft A geen feitelijke werkzaamheden
bij de De Witte Raaf verricht. A had niet om lichter werk gevraagd en betwist
dat buffetwerk voor haar lichter zou zijn geweest.
4. De Commissie Gelijke Behandeling heeft bij uitspraak van 7 oktober 1993
(op tegenspraak) geoordeeld dat De Witte Raaf jegens A onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt, zulks in strijd met art. 7A:1637ij BW. Omdat de
Commissie geen rechterlijke instantie is verlangt A alsnog een uitspraak van
de kantonrechter hieromtrent.
5. Met de Commissie is de Kantonrechter van oordeel dat De Witte Raaf jegens
A in strijd met genoemde wetsbepaling onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
door haar, op grond van de zichtbare gevolgen van haar zwangerschap, uit te
sluiten van haar normale werk als kelner in het restaurant van De Witte Raaf.
Niet valt in te zien dat gasten van een `klassiek’ restaurant er
redelijkerwijs aanstoot aan zouden kunnen nemen dat zij door een zwangere
vrouw bediend worden of dat enig ander redelijk belang dit onderscheid
rechtvaardigde. De wettelijke uitzondering dat in het belang van de zwangere
onderscheid kan worden gemaakt is hier niet van toepassing nu A gemotiveerd
heeft aangegeven dat het buffetwerk niet lichter voor haar zou zijn geweest,
dat zij niet om lichter werk heeft gevraagd en dat zij haar gewone werk
fysiek goed aankon. Het eerste onderdeel van de vordering is op grond van het
vorenoverwogene toewijsbaar.
6. De kantonrechter acht voorts voldoende aannemelijk dat A zich door deze
behandeling gekrenkt heeft gevoeld. De tengevolge daarvan door haar geleden
immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op ƒ 1500 welk bedrag
als netto vermogensschade aan haar behoort te worden vergoed.
7. De Witte Raaf heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat A ten
gevolge van uitsluiting van haar gewone arbeid fooien is misgelopen; het
bedrag daarvan ad ƒ 900 is op zichzelf evenmin gemotiveerd betwist. Dit
verlies is een rechtstreeks en voorzienbaar gevolg van het niet toelaten tot
de gewone werkzaamheden. Nu er geen geldige reden bestond om A van haar
werkzaamheden als kelner uit te sluiten en zij derhalve de als alternatief
aangeboden buffetwerkzaamheden niet behoefde te aanvaarden, kan in het midden
blijven of zij als buffetbediende al dan niet zou hebben gedeeld in de
fooienpot.
8. Nu partijen ieder op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld is er
aanleiding om de proceskosten te compenseren.

Beslissing:
De kantonrechter:
– verklaart voor recht dat gedaagde in februari 1991 de toen geldende Wet
Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen heeft overtreden door eiseres niet
tot haar werk als kelner toe te laten;
– veroordeelt de Witte Raaf om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan A te
betalen de som van ƒ 2400 (netto) terzake van schadevergoeding, vermeerderd
met de wettelijke rente daarover vanaf 5 juli 1994 tot de dag der voldoening;
– compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten
draagt;
– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. R.Th. van Leeuwe

Instantie: Kantonrechter Leiden, 31 juli 1996

Instantie

Kantonrechter Leiden

Samenvatting


De werkgever (restaurantbedrijf) weigert de vrouw haar eigen werk als kelner
te laten doen omdat zij zichtbaar zwanger is. De werkgever stelt dat de
gasten geen prijs stellen op bediening door zwangere vrouwen. De werkgever
biedt de vrouw vervangende werkzaamheden aan. De zaak is behandeld bij de
Commissie gelijke behandeling (nr. 514-93-36) die heeft geoordeeld dat de
werkgever in strijd met artikel 7A:1637ij BW handelt. De vrouw verzoekt om
schadevergoeding bij de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever heeft gehandeld in strijd met de
wet gelijke behandeling door werkneemster uit te sluiten van haar gewone
werkzaamheden als kelner omdat zij zichtbaar zwanger was. Toekenning
immateriële schadevergoeding van ƒ 1.500 en materiële schadevergoeding van ƒ
900.

Volledige tekst

Overwegingen:
1. A vordert een verklaring voor recht dat R de in 1991 geldende Wet Gelijke
Behandeling van Mannen en Vrouwen heeft overtreden door haar als zwangere
vrouw van haar gewone werkzaamheden uit te sluiten, alsmede, voorzover thans
nog van belang, veroordeling van R tot betaling van een bedrag van ƒ 10 000
wegens geleden immateriële schade en een bedrag van ƒ 900 netto wegens
misgelopen fooien.
2. R heeft verweer gevoerd. Bij tussenvonnis van 8 mei 1996 is een comparitie
van partijen bevolen.
3. Vast staat, dat A per 1 april 1989 in dienst is getreden van R in de
functie van kelner tegen een salaris van laatstelijk ƒ 2754,57 per maand
exclusief fooien. Medio september 1990 heeft zij haar werkgever meegedeeld
dat zij zwanger was en wanneer de geboorte van haar kind werd verwacht. Van
eind september 1990 tot 6 februari 1991 was zij arbeidsongeschikt. Bij haar
herstel (voor 50%) op die datum heeft R, A gevraagd om in plaats van haar
gewone werk als restaurantkelner buffetdiensten te gaan verrichten. Daarbij
is als motief opgegeven dat een zwangere kelner `geen gezicht’ zou zijn voor
de gasten van het klassieke restaurant en buffetwerk lichter zou zijn. Achter
het buffet zou haar dikke buik volgens R minder zichtbaar zijn voor de
gasten. A heeft het voorstel om buffetwerkzaamheden te verrichten afgewezen
en heeft gevraagd haar gewone werk als restaurantkelner te mogen verrichten;
R heeft zulks geweigerd. Sindsdien heeft A geen feitelijke werkzaamheden bij
R verricht. A had niet om lichter werk gevraagd en betwist dat buffetwerk
voor haar lichter zou zijn geweest.
4. De Commissie Gelijke Behandeling heeft bij uitspraak van 7 oktober 1993
(op tegenspraak) geoordeeld dat R jegens A onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt, zulks in strijd met art. 7A:1637ij BW. Omdat de Commissie geen
rechterlijke instantie is verlangt A alsnog een uitspraak van de
kantonrechter hieromtrent.
5. Met de Commissie is de Kantonrechter van oordeel dat R jegens A in strijd
met genoemde wetsbepaling onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door haar,
op grond van de zichtbare gevolgen van haar zwangerschap, uit te sluiten van
haar normale werk als kelner in het restaurant van R. Niet valt in te zien
dat gasten van een `klassiek’ restaurant er redelijkerwijs aanstoot aan
zouden kunnen nemen dat zij door een zwangere vrouw bediend worden of dat
enig ander redelijk belang dit onderscheid rechtvaardigde. De wettelijke
uitzondering dat in het belang van de zwangere onderscheid kan worden gemaakt
is hier niet van toepassing nu A gemotiveerd heeft aangegeven dat het
buffetwerk niet lichter voor haar zou zijn geweest, dat zij niet om lichter
werk heeft gevraagd en dat zij haar gewone werk fysiek goed aankon. Het
eerste onderdeel van de vordering is op grond van het vorenoverwogene
toewijsbaar.
6. De kantonrechter acht voorts voldoende aannemelijk dat A zich door deze
behandeling gekrenkt heeft gevoeld. De tengevolge daarvan door haar geleden
immateriële schade wordt naar billijkheid vastgesteld op ƒ 1500 welk bedrag
als netto vermogensschade aan haar behoort te worden vergoed.
7. R heeft niet voldoende gemotiveerd weersproken dat A ten gevolge van
uitsluiting van haar gewone arbeid fooien is misgelopen; het bedrag daarvan
ad ƒ 900 is op zichzelf evenmin gemotiveerd betwist. Dit verlies is een
rechtstreeks en voorzienbaar gevolg van het niet toelaten tot de gewone
werkzaamheden. Nu er geen geldige reden bestond om A van haar werkzaamheden
als kelner uit te sluiten en zij derhalve de als alternatief aangeboden
buffetwerkzaamheden niet behoefde te aanvaarden, kan in het midden blijven of
zij als buffetbediende al dan niet zou hebben gedeeld in de fooienpot.
8. Nu partijen ieder op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld is er
aanleiding om de proceskosten te compenseren.
Beslissing:
De kantonrechter:
– Verklaart voor recht dat gedaagde in februari 1991 de toen geldende Wet
Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen heeft overtreden door eiseres niet
tot haar werk als kelner toe te laten;
– veroordeelt R om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan A te betalen de
som van ƒ 2400 (netto) terzake van schadevergoeding, vermeerderd met de
wettelijke rente daarover vanaf 5 juli 1994 tot de dag der voldoening;
– compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten
draagt;
– verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
– wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. R. Th. van Leeuwen