Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 3 juli 1996

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Y is sedert 1992 bij X en haar rechtsvoorganger in dienst als keuringsarts.
Over hem is een klacht binnengekomen van M, die vanwege psychische klachten
gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. M klaagde ook over een probleem met haar
knie, op grond waarvan Y haar heeft verzocht haar bovenbroek uit te trekken.
Y heeft bij die gelegenheid zijn hand op haar billen gelegd. Daarop heeft Y
een bezoek afgelegd ten huize van M, waarbij hij naar haar zeggen opnieuw
haar sexy onderbroek ter sprake heeft gebracht. Y erkent deze feiten, maar
voert aan dat het een eenmalig moment van zwakte was; het huisbezoek bij M
zou er uitsluitend voor bedoeld zijn haar zijn excuses aan te bieden. Y
betreurt de gang van zaken diep.
De kantonrechter stelt voorop dat aan Y in de vervulling van zijn functie van
keuringsarts hoge eisen van integriteit en zelfbeheersing mogen worden
gesteld. De te onderzoeken personen hebben geen vrijheid in de keuze van de
arts en zijn van zijn oordeel afhankelijk. Iedere vorm van niet strikt
medisch noodzakelijk contact dient uitgesloten te zijn, hetgeen zeker geldt
voor benaderingen op intiem vlak. De stichting verwijt Y terecht de grens van
het toelaatbare te hebben overschreden.
De stichting verwijt Y ook dat hij de adresgegevens van klaagster heeft
gebruikt om een bezoek af te leggen aan haar huisadres. In het midden kan
blijven of Y de intentie had zijn excuses aan te bieden, zoals door klaagster
wordt betwist. Voor zijn bezoek had Y geen enkele medische reden. Veeleer had
hij zich dienen te realiseren dat iedere benadering van klaagster na het
eerdere voorval voor haar belastend zou zijn, zeker nu het bezoek
onaangekondigd en buiten werktijd geschiedde.
De verweten gedragingen leveren echter geen dringende reden op, gelet op de
overige omstandigheden van het geval. Onbetwist is dat Y een onbesmet
arbeidsverleden heeft. Het betrof een incidentele misdraging, waarvan Y de
onjuistheid onder ogen heeft gezien. Bij ontbinding zou Y waarschijnlijk geen
wachtgeld of een andere uitkering ontvangen. Gezien zijn leeftijd is
aannemelijk dat Y geen ander werk zal kunnen vinden. Hij zal op grond daarvan
niet meer kunnen voldoen aan de financiële verplichtingen die hij tegenover
zijn gezin heeft. Een sanctie als ontbinding is daarom een disproportionele
maatregel. Ook is er geen reden voor ontbinding op grond van een
vertrouwensbreuk (subsidiaire vordering). Het incidentele karakter van de
misstap bij een overigens goed functioneren kan onvoldoende grond opleveren
voor het wegvallen van het vertrouwen in Y.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift strekt tot ontbinding van de hierna te noemen
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, als bedoeld in art. 7A:1639w
van het Burgerlijk Wetboek.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Ter terechtzitting van 21 juni 1996 heeft de mondelinge behandeling
plaatsgevonden. Gehoord zijn partijen en hun gemachtigden. De gemachtigde van
verzoekster heeft pleitnotities overgelegd.

Gronden van de beslissing

1. Verweerder, die thans 55 jaar oud is, is op 1 januari 1996 in dienst van
verzoekster getreden. Zijn functie is adviserend geneeskundige. De functie
heeft hij voordien sedert 1 april 1992 vervuld in dienst van de
rechtsvoorganger van verzoekster, X. Het salaris bedraagt ƒ 9.600,00 bruto
per maand.

2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert
verzoekster aan primair een dringende reden en subsidiair een verandering in
de omstandigheden van dien aard, dat de dienstbetrekking billijkheidshalve zo
spoedig mogelijk behoort te eindigen.
Verzoekster stelt daartoe dat verweerder onder meer tot taak had om
arbeidsongeschiktheidskeuringen te verrichten. In dat kader heeft hij op 22
februari 1996 een keuring uitgevoerd van mevrouw S, die wegens psychische
klachten gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Naar aanleiding van haar klacht
over incidentele pijn in een knie, heeft verweerder die onderzocht, waarbij
hij mevrouw S verzocht haar bovenbroek uit te trekken. Zij was niet bedacht
op een zodanig onderzoek en droeg een sexy, weinig bedekkende onderbroek.
Verweerder heeft in die situatie zijn hand op haar billen gelegd. Mevrouw S
vond die ervaring onaangenaam. Zij heeft op dat moment niet gereageerd.

3. Op de daaropvolgende zondag heeft verweerder mevrouw S op haar huisadres
bezocht. Volgens mevrouw S heeft hij toen opnieuw ter sprake gebracht door
haar ondergoed geprikkeld te zijn geraakt. Na een kort gesprek heeft hij haar
woning verlaten. Mevrouw S heeft haar ervaringen enige tijd overdacht, met
een meerdere van haar werk besproken en vervolgens bij verzoekster een klacht
tegen verweerder ingediend.

4. Verzoekster verwijt verweerder jegens mevrouw S ongewenste, medisch niet
noodzakelijke intimiteiten te hebben gepleegd. Voorts heeft verweerder door
het huisbezoek gebruik gemaakt van privacy-gevoelige gegevens uit het aan
verzoekster ter beschikking staande dossier. Hij heeft aldus misbruik gemaakt
van zijn positie, waarin mevrouw S afhankelijk van hem was. De integriteit
van verzoekster is zowel intern als extern geschonden.

Verzoekster stelt dat de voormelde gedragingen een dringende reden als
bedoeld in art. 7A:1639o BW opleveren en de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst rechtvaardigen. Subsidiair stelt zij het vertrouwen in
verweerders correcte functioneren te hebben verloren. Zij heeft verweerder na
gesprekken op 7 en 9 mei 1996 op non-actief gesteld. Verweerder is thans
tevens arbeidsongeschikt.

5. Verweerder erkent tijdens de voormelde keuring in een moment van zwakte
zijn hand op de billen van mevrouw S te hebben gelegd. Hij raakte in
verwarring door haar ondergoed. In het besef onjuist te hebben gehandeld
heeft hij mevrouw S de zondag nadien thuis opgezocht teneinde zijn
verontschuldigingen aan te bieden, hetgeen hem de meest correcte weg
toescheen.

6. Verweerder betreurt de intimiteit jegens mevrouw S tijdens de keuring
diep. In zijn eerdere lange loopbaan heeft hij zich nimmer aan misdragingen
schuldig gemaakt. Een ontbinding zou indringende gevolgen hebben voor zijn
inkomenspositie. Zijn kansen om elders werk te vinden zijn minimaal.
Verweerder meent dat verzoekster andere, meer proportionele sancties had
dienen te treffen.

7. Geoordeeld wordt als volgt:
Voorop dient te worden gesteld dat aan verweerder in de vervulling van zijn
functie van keuringsarts hoge eisen van integriteit en zelfbeheersing mogen
worden gesteld. De te onderzoeken personen hebben geen vrijheid in de keuze
van de arts en zijn van zijn oordeel afhankelijk. Iedere vorm van niet strikt
medisch noodzakelijk contact dient uitgesloten te zijn, hetgeen zeker geldt
voor benaderingen op intiem vlak.
Verzoekster verwijt verweerder terecht de grens van het toelaatbare te hebben
overschreden.

8. Verzoekster verwijt verweerder voorts met recht de adresgegevens van
mevrouw S te hebben gebruikt om een bezoek af te leggen op haar huisadres. In
het midden kan blijven of verweerder de intentie had om zijn
verontschuldigingen aan te bieden, zoals door mevrouw S wordt betwist. Voor
zijn bezoek had verweerder geen enkele medische reden. Veeleer had hij zich
dienen te realiseren dat iedere benadering van mevrouw S na het eerdere
voorval voor haar belastend zou zijn – zeker nu het bezoek onaangekondigd en
buiten werktijden geschiedde.

9. De verweten gedragingen leveren echter in casu geen dringende reden voor
de ontbinding van de arbeidsovereenkomst op, gelet op de overige
omstandigheden van het geval. Onbetwist is dat verweerder een onbesmet
arbeidsverleden heeft. Uit de behandeling ter zitting is voldoende
aannemelijk geworden dat het hier een incidentele misdraging betrof, waarvan
verweerder de onjuistheid onder ogen heeft gezien.

9. Voorts is voldoende komen vast te staan dat verweerder ingeval van
ontbinding van de overeenkomst geen recht op enige werkloosheidsuitkering kan
doen gelden. Verzoekster is eigen risico drager en heeft een eigen normering
voor de toekenning van wachtgelden en uitkeringen. Volgens haar stelling zal
met hoge waarschijnlijkheid aan verweerder een uitkering worden geweigerd,
gelet op de verweten gedragingen.
Aannemelijk is dat verweerder na een ontbinding op zijn leeftijd geen ander
werk zal kunnen vinden. Tegenover zijn gezin draagt hij aanzienlijke
financiële verplichtingen, waaraan hij niet meer zal kunnen voldoen.

10. Verzoekster had gronden om sancties jegens verweerder te treffen. In hun
context leveren de gedragingen echter geen dringende reden op. De ontbinding
is een disproportionele maatregel.

11. De subsidiaire grond voor de ontbinding wordt evenmin gevolgd. Het
incidentele karakter van de misstap bij een overigens goed functioneren kan
onvoldoende grond opleveren voor het wegvallen van het vertrouwen in
verweerder.

12. Op grond van het bovenstaande wordt het verzoek afgewezen.
De kosten van het geding zullen worden gecompenseerd.

Beslissing

Het verzoek wordt afgewezen.

Ieder van de partijen draagt de eigen gedingkosten.

Rechters

Mr F. van der Hoek

Instantie: Raad van State afdeling bestuursrechtspraak, 1 juli 1996

Instantie

Raad van State afdeling bestuursrechtspraak

Samenvatting


Appellant is toen hij samen met zijn vriendin op straat liep aangehouden
omdat het verboden is voor een jongen en een meisje om samen op straat te
lopen. Hij is drie dagen gedetineerd, tijdens zijn detentie mishandeld, en
binnen twee weken zou hij voor de rechter moeten verschijnen. Na zijn
vrijlating is hij bedreigd door comitéleden. Voor de terechtzitting is hij
gevlucht. Na zijn vertrek uit Iran is zijn vader uit zijn functie ontslagen
en is de ouderlijke woning in beslag genomen. De Afdeling overweegt dat
gezien de eerdere problemen met de autoriteiten en het feit dat overtreding
van de islamitische voorschriften in Iran als tegen het regime gerichte actie
kan worden beschouwd, niet uitgesloten is dat appellant een het regiem
vijandige politieke overtuiging wordt toegedicht. De Advies Commissie
Vreemdelingenzaken had gehoord dienen te worden. Volgt vernietiging van de
bestreden beschikking.

Volledige tekst

Bij beschikking van 20 november 1992, aan appellant uitgereikt op 22 december
1992, heeft verweerder de verzoeken van appellant om toelating als
vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf afgewezen.

Bij schrijven van 5 januari 1993 heeft appellant bij verweerder een verzoek
om herziening ingediend. Bij schrijven van 18 februari 1993 heeft appellant
de nadere gronden van dit verzoek ingediend. Dit schrijven is aan deze
uitspraak gehecht.

Bij beslissing van 5 april 1993, aan appellant uitgereikt op 7 april 1993,
heeft verweerder dit verzoek afgewezen.

De beslissing is aan deze uitspraak gehecht.

Tegen deze beslissing heeft appellant bij schrijven van 15 april 1993,
ingekomen bij de Raad van State op 16 april 1993, beroep ingesteld bij de
Afdeling rechtspraak van de Raad van State.
Bij schrijven van 21 oktober 1993 heeft appellant zijn beroep gemotiveerd.
Dit schrijven is aan deze uitspraak gehecht.

Desgevraagd heeft verweerder bij schrijven van 1 augustus 1994 een
verweerschrift ingediend.

Aan appellant is op 1 augustus 1994 een vergunning tot verblijf verleend.

Het geschil is op 29 maart 1996 behandeld in een openbare vergadering van een
Enkelvoudige Kamer van de Afdeling, waarin appellant in persoon en
vertegenwoordigd door mr C.M. da Cunha, advocaat te Zeist, en verweerder,
vertegenwoordigd door mevrouw mr L.C.M. Hakkaart, ambtenaar ten departemente,
hun standpunten hebben toegelicht.

Ter zitting heeft appellant zijn beroep wat betreft het vergunning tot
verblijf-gedeelte ingetrokken.

In rechte

Op 1 januari 1994 is in werking getreden de Wet van 16 december 1993 tot
wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet
bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet
1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening
rechterlijke organisatie), Stb. 1993, 650, welke nadien is gewijzigd. Uit de
in deel 6, artikel I, van deze wet neergelegde overgangsbepalingen volgt dat
het geschil dient te worden behandeld met toepassing van het recht dat gold
vóór 1 januari 1994, behoudens ten aanzien van de regeling inzake de
proceskostenveroordeling in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet
bestuursrecht.

Ingevolge artikel 1(A), onder 2, van het Verdrag betreffende de status van
vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij Protocol van
New York van 31 januari 1967, hierna te noemen: het Verdrag, geldt, voor
zover hier van belang, voor de toepassing van het Verdrag als `vluchteling’
elk persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras,
godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn
politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de
nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit
hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Vreemdelingenwet kunnen
vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden
hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke
overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald
ras of tot een bepaalde sociale groep, als vluchteling worden toegelaten.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de toelating niet kan worden
geweigerd dan om gewichtige redenen aan het algemeen belang ontleend, indien
de vreemdeling door de weigering genoopt zou worden zich onmiddellijk te
begeven naar een land als bedoeld in het eerste lid.

Appellant heeft gesteld dat hij in Iran gegronde reden heeft te vrezen voor
vervolging.
Ter ondersteuning hiervan heeft hij aangevoerd hetgeen is vermeld in de
nadere gronden van het verzoek om herziening en de motivering behorende bij
het beroepschrift. Samengevat heeft appellant het navolgende gesteld.

Eind april 1992 werd appellant, die is geboren op 13 september 1976, met zijn
vriendin, terwijl zij in het stadspark wandelden, aangehouden door leden van
het Comité, omdat het verboden is voor een jongen en een meisje samen over
straat te lopen. Er ontstond een woordenwisseling en een gevecht waarbij
appellant één van de Comitéleden verwondde. Appellant werd drie dagen
gedetineerd en tijdens zijn detentie mishandeld. Onder borgtocht kwam
appellant vrij. Hij diende evenwel na twee weken voor de rechtbank te
verschijnen. Bij zijn vrijlating kondigde het desbetreffende Comitélid aan
dat appellant veel ellende te wachten stond. Na zijn vrijlating was appellant
niet meer in staat om examen te doen. Tevens kwamen Comitéleden verscheidene
malen aan de deur om appellant te bedreigen. Vervolgens is appellant nog vóór
de terechtzitting gevlucht. Na zijn vertrek uit Iran werd de vader van
appellant, die leraar Engels is, ontslagen.
ater werd de ouderlijke woning in beslag genomen.

Verweerder staat blijkens de bestreden beslissing en de daarop ter zitting
gegeven toelichting op het standpunt dat appellant geen vluchteling is en
mitsdien niet als zodanig in Nederland kan worden toegelaten.

Naar het oordeel van de Afdeling biedt hetgeen verweerder in de besteden
beslissing heeft overwogen onvoldoende grondslag voor het oordeel dat
appellant in Iran ten tijde van die beslissing geen gegronde reden had om te
vrezen voor vervolging.

De Afdeling heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.
Dragende overweging in de bestreden beslissing vormt het standpunt van
verweerder dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan een commuun delict –
het zich niet houden aan de islamitische voorschriften – en dat het niet
aannemelijk is dat een dreigende bestraffing deswege onevenredig zwaar of
discriminatoir zal zijn, nu niet aannemelijk is dat het delict uit politieke
of ideologische motieven is gepleegd.
De Afdeling stelt voorop dat bij beoordeling van de vraag of het aannemelijk
is dat een dreigende bestraffing onevenredig zwaar of discriminatoir zal zijn
(of dat naast of in plaats van normale bestraffing sprake zal zijn van
discriminatoire vervolging) het niet enkel van belang is of de vreemdeling
daadwerkelijk een politieke of ideologische overtuiging heeft, maar dat
essentieel is of de autoriteiten de vreemdeling een zodanige overtuiging
toedichten. Gelet op de problemen die appellant en zijn familie reeds hebben
ondervonden van de zijde van de autoriteiten, welke op zichzelf niet door
verweerder zijn betwist en, naar het oordeel van de Afdeling, niet enkel zijn
aan te merken als normale strafvervolging, alsmede de omstandigheid dat
overtreding van islamitische voorschriften in Iran als een tegen het regime
gericht actie kan worden opgevat, acht de Afdeling het niet uitgesloten dat
de bestraffende autoriteit appellant een het regime in Teheran vijandige
politieke overtuiging zal toedichten. In dit verband is niet van belang
ontbloot dat appellant – volgens zijn op zichzelf consistent vluchtrelaas –
hangende een oproep door de islamitische revolutionaire rechtbank, slechts
onder borgtocht is vrijgelaten en dat blijkens het algemene ambtsbericht van
de Minister van Buitenlandse Zaken van 21 februari 1991 de procesvoering in
Iran doorgaans zeer rudimentair is. Niet is gebleken dat dit ambtsbericht op
dit punt ten tijde van de bestreden beslissing geen opgeld meer deed.

Nu het relaas van appellant onmiskenbaar aanknopingspunten bevat voor het
oordeel dat hij wel als vluchteling dient te worden aangemerkt, brengt het
vorenoverwogene met zich mee dat verweerder, alvorens de bestreden beslissing
te nemen, de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken had behoren in te
schakelen.

In zoverre moet de bestreden beslissing wegens strijd met artikel 31, eerste
lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet, worden vernietigd op de
grond genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet administratieve
rechtspraak overheidsbeschikkingen.

De Afdeling acht termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

Recht doende in naam der Koningin;

I. vernietigt de beslissing van verweerder van 5 april 1993.
II. veroordeelt verweerder in de door appellant in verband met de behandeling
van het beroep gemaakte kosten tot een bedrag van ƒ 1482,20, waarvan ƒ 1420,=
is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Het totale bedrag dient aan de Secretaris van de Raad van State (girorekening
Raad van State 507590) onder vermelding van het zaaknummer RO2.93.2129) te
worden vergoed door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie).

Rechters

mr. R. Cleton

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 juli 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft kennis genomen van een personeelsadvertentie in een
huis-aan-huis-blad. De wederpartij is een uitzendbureau en vraagt in deze
advertentie om `strijksters’ voor werk in Oud Beijerland. In de advertentie
staat vermeld: `Goede beheersing (Ned.) is vereist’. Volgens verzoekster is
deze eis in strijd met de AWGB.
De in deze zaak gestelde functie-eis goede beheersing van de Nederlandse taal
levert in de gegeven omstandigheden noch direct onderscheid naar ras, noch
direct onderscheid naar nationaliteit op. Het criterium goede beheersing van
de Nederlandse taal maakt immers niet per definitie onderscheid tussen
personen op grond van hun ras of nationaliteit.
Het is een algemeen bekend gegeven dat onder personen wier etnische of
nationale herkomst buiten Nederland ligt, alsmede bij in Nederland
woonachtige personen van niet-Nederlandse nationaliteit functie-eisen omtrent
de Nederlandse taalbeheersing eerder tot uitsluiting voor een vacature met
betrekking tot ongeschoold werk zullen leiden dan voor personen, die buiten
genoemde groepen vallen.
De Commissie stelt vast dat de vacature betrekking heeft op ongeschoold werk,
namelijk strijk- en perswerkzaamheden. Derhalve levert de onderhavige taaleis
indirect onderscheid op grond van ras en nationaliteit op omdat de taaleis in
dit geval het effect heeft dat in overwegende mate personen worden getroffen
van niet-Nederlandse etnische of nationale afstamming, of niet-Nederlandse
nationaliteit.
Het doel dat nagestreefd wordt is het aantrekken van personeel dat de functie
van strijkster naar behoren kan uitoefenen.
De wederpartij heeft aangegeven dat de werkhandelingen veilig uitgevoerd
dienen te worden en dat effectief gehandeld dient te worden in geval van een
gevaarlijke situatie.
De Commissie stelt vast dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is,
terwijl het doel beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de organisatie.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij zelf de noodzaak van de gestelde
taaleis onvoldoende heeft gemotiveerd. Bovendien heeft de wederpartij
kennelijk niet onderzocht of er andere manieren zijn om de werkzaamheden uit
te leggen, zoals het vertalen van instructies of het demonstreren van de
werkzaamheden.
Daarenboven stelt de Commissie vast dat de wederpartij de taaleis toetst aan
de criteria dat de sollicitant de inschrijvingskaart kan invullen en de route
naar de opdrachtgever kan begrijpen. De Commissie is van oordeel dat de
taaleis die de wederpartij in de praktijk hanteert, minder zwaar is dan de
eis die in de advertentietekst vermeld staat.
De Commissie concludeert op bovenstaande gronden dat het gekozen middel niet
geschikt en niet noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.
De Commissie stelt vast dat er niet voldaan is aan de hiervoor genoemde
criteria voor een objectieve rechtvaardigingsgrond. Derhalve heeft de
wederpartij een verboden indirect onderscheid op grond van ras en
nationaliteit gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 24 augustus 1995 verzocht de Stichting Rotterdamse Anti Discriminatie
Actie Raad te Rotterdam, genaamd RADAR, (hierna: verzoekster) de Commissie
gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of door (…)
te Rotterdam (hierna: de wederpartij) bij de aanbieding van een betrekking
onderscheid is gemaakt zoals bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling
(AWGB).
1.2. Verzoekster heeft kennis genomen van een personeelsadvertentie in een
huis-aan-huis-blad.
De wederpartij is een uitzendbureau en vraagt in deze advertentie om
`strijksters’ voor werk in Oud Beijerland. In de advertentie staat vermeld:
`Goede beheersing (Ned.) is vereist’.
Volgens verzoekster is deze eis in strijd met de AWGB.
2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK
Verzoekster is een stichting welke zich blijkens haar statuten ten doel
stelt: het signaleren, in openbaarheid brengen en bestrijden van
(institutionele en mentale) vormen van discriminerend handelen, spreken en
schrijven door de Nederlandse samenleving, overheid, instituties en
individuen jegens de in Nederland woonachtige etnische groepen, die ten
opzichte van de autochtone Nederlandse bevolkingsgroep op sociaal-economisch
en maatschappelijk terrein in een achterstandspositie verkeren en de personen
of verbanden die daarvan deel uitmaken, en voorts al hetgeen in de ruimste
zin met het vorenstaande verband houdt of daaraan bevorderlijk kan zijn.
Verzoekster tracht haar doel ondermeer te realiseren door middel van
onderzoek en overleg en andere acties.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in
overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de
AWGB beoogt te beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de
ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld in artikel 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou zijn
gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door de
Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek kan derhalve achterwege blijven.
3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.
3.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 5 juni 1996.
De wederpartij heeft de Commissie telefonisch meegedeeld dat zij aan deze
oproep geen gehoor wenste te geven en is niet ter zitting verschenen.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (gemachtigde)
– mw. (…) (gemachtigde)
van de kant van de Commissie
– mw.mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– dhr.mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr.drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer)
3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 3.2.
4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
4.1. Verzoekster heeft kennis genomen van een advertentie van de wederpartij
in het Rotterdamse huis-aan-huis-blad `De Havenloods’ van 8 augustus 1995.
Verzoekster is op de betreffende advertentie attent gemaakt door iemand van
Turkse afkomst die zich aan deze advertentie ergerde.
De tekst van deze advertentie luidt: (…) zkt. STRIJKSTERS voor werk in Oud
Beijerland. Goede beheersing (Ned.) is vereist.’ Met deze advertentie
bemiddelt de wederpartij voor een stomerij.
4.2. Verzoekster heeft de wederpartij bij brief van 11 augustus 1995 een
nadere toelichting gevraagd op de in de advertentie gestelde functie-eis
`goede beheersing van de Nederlandse taal’.
De wederpartij heeft bij brief van 18 augustus 1995 de gevraagde toelichting
gegeven.
Verzoekster was niet overtuigd van de rechtvaardigheid van de functie-eis en
heeft vervolgens een verzoek om een oordeel bij de Commissie ingediend.
4.3. Op de schriftelijke vraag van de Commissie aan de wederpartij naar
ervaringen waarbij een taalbarrière een probleem in verband met uitleg van de
werkzaamheden zou opleveren, heeft de wederpartij geen nadere toelichting
gegeven.
De standpunten van partijen
4.4. Verzoekster stelt het volgende.
Door de in de advertentie gestelde taaleis wordt indirect onderscheid gemaakt
tussen allochtonen en autochtonen. Immers, het effect daarvan is dat
allochtonen in mindere mate in aanmerking komen voor invulling van
betreffende vacature dan autochtonen. Verzoekster betwijfelt of deze taaleis
voor het vervullen van de werkzaamheden van strijkster geoorloofd is.
Bovendien werpt deze taaleis voor de functie van strijkster voor allochtonen
een hoge drempel op om te reageren, zeker nu dit de enige functie-eis is die
wordt genoemd.
Verzoekster wijst in dit verband op uitspraken van het Scheidsgerecht van de
Algemene bond van Uitzendondernemingen die in een aantal uitspraken heeft
bepaald dat het stellen van een taaleis niet geoorloofd was. Het ging in
genoemde gevallen om functies, waarvoor de relevantie van de taaleis niet
aangetoond kon worden en waarbij geoordeeld werd dat een dergelijke taaleis
eventuele discriminatoire effecten zou kunnen hebben.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij de relevantie van de gestelde
taaleis niet heeft aangetoond. De wederpartij heeft op de schriftelijke
vragen van de Commissie, met name over veiligheidsvoorschriften en
gebruiksaanwijzingen, geen concrete antwoorden kunnen geven.
Ook recente voorbeelden in de werkpraktijk waarbij taal een probleem zou
vormen, zijn door haar niet genoemd.
Het komt verzoekster voor dat in situaties waarin iemand gewaarschuwd moet
worden voor vallende voorwerpen, een simpele schreeuw of het roepen van
iemands naam beter functioneert dan het formuleren van een Nederlandse
volzin. Het voorbeeld van de wederpartij van iemand die een hand in de stoom
verbrandde lijkt verzoekster niet in relatie te staan met de gevraagde
taalkennis.
Verzoekster vraagt zich overigens af waarom in de advertentie de eis goede
kennis van de Nederlandse taal gesteld wordt, als de taaleis slechts getoetst
wordt aan het invullen van een kaart en het begrijpen van een
routebeschrijving. Verder vraagt verzoekster zich af waarom in de advertentie
geen rekening is gehouden met het feit dat de Turkse taal in het bedrijf geen
problemen oplevert.
Het verzoek aan de Commissie om een oordeel behelst zowel onderzoek naar
mogelijk onderscheid op grond van ras als op grond van nationaliteit.
4.5. De wederpartij stelt het volgende.
Een goede beheersing van de Nederlandse taal is voor het werk van strijkster
belangrijk in verband met de uitleg van de redelijk complexe apparatuur
waarmee men dient te werken. Op perspoppen moeten colberts en blouses worden
aangebracht. Verder is er apparatuur waarin broeken geperst worden. De
perspoppen worden manueel bediend en men werkt met stoom. Het is dus zaak dat
men exact de voorschriften en de uitleg naleeft met betrekking tot bediening
van de apparatuur.
Doordat de wederpartij veelal ongeschoolde mensen bereid vindt voor deze
werkzaamheden, heeft de ervaring geleerd dat een taalbarrière een probleem
kan opleveren in verband met de uitleg van de werkzaamheden. Het
`taalprobleem’ speelt echter meer in het algemeen. Wanneer er bijvoorbeeld
iets op het hoofd van iemand dreigt te vallen, moet die persoon gewaarschuwd
kunnen worden. Het is niet zo dat er regelmatig ongelukken gebeuren. In het
verleden heeft iemand weleens een hand verbrand aan de stoom.
De diversiteit in nationaliteiten van reeds uitgezonden strijksters is legio.
Daarbij stelt de wederpartij als enig criterium dat verondersteld wordt dat
de kennis van het Nederlands zodanig is dat men de handelingen veilig
uitvoert en dat men effectief handelt in geval van een gevaarlijke situatie.
De Turkse taal levert geen problemen op omdat er in het bedrijf een aantal
Turkse afdelingshoofden werkt.
De wederpartij toetst de taaleis aan de hand van de conversatie bij het
inschrijvingsgesprek. De wederpartij hanteert daarbij het criterium dat de
sollicitant de inschrijvingskaart kan invullen en de route naar de
opdrachtgever kan begrijpen.
5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van een
betrekking door het stellen van de eis goede beheersing van het Nederlands
onderscheid heeft gemaakt naar ras of nationaliteit, danwel beide, als
bedoeld in de AWGB.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim moet worden
uitgelegd en tevens omvat:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13).
Voorts dient het begrip nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086).
5.2. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1 AWGB,
onder meer het maken van onderscheid naar ras en nationaliteit bij de
aanbieding van een betrekking.
Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct als
indirect onderscheid. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onderscheid op grond van ras
en onderscheid op grond van nationaliteit vormen van direct onderscheid zijn.
Van indirect onderscheid is sprake indien op grond van andere hoedanigheden
of gedragingen dan ras of nationaliteit onderscheid wordt gemaakt, dat direct
onderscheid op deze gronden tot gevolg heeft.
5.3. In de AWGB is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de wet
neergelegde verbod van onderscheid. Met betrekking tot de gronden ras en
nationaliteit is in dit geval de volgende uitzondering van belang. In artikel
2 lid 1 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt, ten
aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
5.4. Ter beantwoording van de voorliggende vraag overweegt de Commissie het
volgende.
De in deze zaak gestelde functie-eis goede beheersing van de Nederlandse taal
levert in de gegeven omstandigheden noch direct onderscheid naar ras, noch
direct onderscheid naar nationaliteit op. Het criterium goede beheersing van
de Nederlandse taal maakt immers niet per definitie onderscheid tussen
personen op grond van hun ras of nationaliteit (Zie ook Oordelen Commissie
Gelijke Behandeling 18 juli 1995, nr. 95-30 en 2 mei 1996, nr. 96-29).
5.5. Vervolgens is de vraag aan de orde of de eis van een goede beheersing
van de Nederlandse taal bij de aanbieding van de betrekking door de
wederpartij indirect onderscheid naar ras of ook nationaliteit tot gevolg
heeft. Van indirect onderscheid is sprake als het nadelig effect van de
taaleis in overwegende mate personen treft van niet-Nederlandse etnische of
nationale afstamming, of niet-Nederlandse nationaliteit.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Het is een algemeen bekend gegeven dat onder personen wier etnische of
nationale herkomst buiten Nederland ligt, alsmede bij in Nederland
woonachtige personen van niet-Nederlandse nationaliteit functie-eisen omtrent
de Nederlandse taalbeheersing eerder tot uitsluiting voor een vacature met
betrekking tot ongeschoold werk zullen leiden dan voor personen, die buiten
genoemde groepen vallen (Zie ook oordelen Nationale Ombudsman 22 mei 1987,
Rechtspraak Rassendiscriminatie nr. 152 en Voorzitter scheidsgerecht Algemene
Bond Uitzendbureaus 19 februari 1988, Rechtspraak Rassendiscriminatie nr.
171).
De Commissie stelt vast dat de vacature betrekking heeft op ongeschoold werk,
namelijk strijk- en perswerkzaamheden. Derhalve levert de onderhavige taaleis
indirect onderscheid op grond van ras en nationaliteit op omdat de taaleis in
dit geval het effect heeft dat in overwegende mate personen worden getroffen
van niet-Nederlandse etnische of nationale afstamming, of niet-Nederlandse
nationaliteit. (Zie ook: oordeel Commissie gelijke behandeling, 2 mei 1996,
nr. 96-29).
5.6. Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond aan de volgende criteria (Tweede Kamer, vergaderjaar
1990-1991, 22 014, nr. 3, pag. 14 en Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kühn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co. KG 13 juli
1989, zaak 171/88):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn;
– de om het doel te bereiken gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte van de organisatie;
– en moeten geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.
Het doel dat nagestreefd wordt is het aantrekken van personeel dat de functie
van strijkster naar behoren kan uitoefenen.
De wederpartij heeft aangegeven dat de werkhandelingen veilig uitgevoerd
dienen te worden en dat effectief gehandeld dient te worden in geval van een
gevaarlijke situatie.
De Commissie stelt vast dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is,
terwijl het doel beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de organisatie.
Vervolgens moet worden beoordeeld of het middel, in dit geval de onderhavige
taaleis, geschikt en noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken.
De wederpartij heeft aangegeven dat de taaleis noodzakelijk is om de
werkhandelingen veilig uit te voeren en om effectief te kunnen handelen in
geval van een gevaarlijke situatie.
Zij voert aan dat de ervaring heeft geleerd dat een taalbarrière een probleem
kan opleveren met betrekking tot de uitleg van werkzaamheden.
De Commissie heeft de wederpartij gevraagd deze ervaring nader toe te
lichten. De wederpartij heeft deze toelichting niet gegeven. Zij heeft tevens
aangegeven dat gevaarlijke situaties zich zelden voordoen.
De Commissie stelt daarmee vast dat de wederpartij zelf de noodzaak van de
gestelde taaleis onvoldoende heeft gemotiveerd.
Bovendien heeft de wederpartij kennelijk niet onderzocht of er andere
manieren zijn om de werkzaamheden uit te leggen, zoals het vertalen van
instructies of het demonstreren van de werkzaamheden.
Daarenboven stelt de Commissie vast dat de wederpartij de taaleis toetst aan
de criteria dat de sollicitant de inschrijvingskaart kan invullen en de route
naar de opdrachtgever kan begrijpen.
De Commissie is van oordeel dat de taaleis die de wederpartij in de praktijk
hanteert, minder zwaar is dan de eis die in de advertentietekst vermeld
staat.
De Commissie concludeert op bovenstaande gronden dat het gekozen middel niet
geschikt en niet noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.
De Commissie stelt vast dat er niet voldaan is aan de hiervoor genoemde
criteria voor een objectieve rechtvaardigingsgrond. Derhalve heeft de
wederpartij een verboden indirect onderscheid op grond van ras en
nationaliteit gemaakt.
5.7. Ten overvloede merkt de Commissie ten aanzien van de aanduiding
`strijkster’ in de advertentie het volgende op.
In artikel 3 lid 4 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid (WGB) is bepaald dat indien voor de aangeboden betrekking een
functiebenaming wordt gebruikt, zowel de mannelijke als de vrouwelijke vorm
nadrukkelijk vermeld moet worden, of nadrukkelijk vermeld moet worden dat
zowel vrouwen als mannen in aanmerking komen.
De Commissie constateert dat aan bovenstaande verplichting in de onderhavige
advertentie niet is voldaan. Derhalve concludeert de Commissie ambtshalve dat
in de advertentie eveneens onderscheid op grond van geslacht is gemaakt
ingevolge art. 3 lid 4 van de WGB.
6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Rotterdam indirect
onderscheid op grond van ras en nationaliteit heeft gemaakt bij de aanbieding
van een betrekking zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a van de Algemene wet
gelijke behandeling.

Rechters

Mw.mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr.mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr.drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Haarlem, 30 juni 1996

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Het kind is binnen huwelijk geboren. Na enige jaren scheiden de wettige
ouders. De moeder overlijdt. Het kind heeft vanaf zijn geboorte altijd
bij zijn biologische (niet-wettige) vader gewoond. De rechter anticipeert
op het nieuwe wetsvoorstel afstammingsrecht waarin het vereiste is opgenomen
dat de persoon het kind tenminste drie aaneengesloten jaren moet hebben
verzorgd en opgevoed, wil iemand voor eenouderadoptie in aanmerking komen.
Nu de wettige vader heeft verklaard dat hij niet de biologische vader is
van het kind, is het in het belang van het kind dat zijn juridische afstammingsrelatie
wordt gewijzigd in een afstammingsrelatie met zijn biologische vader.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de rechtbank naar de volgende
stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd is te beschouwen:
– het op 23 februari 1996 ter griffie van deze rechtbank ontvangen verzoekschrift
met bijlagen;
– de processen-verbaal van de behandeling ter terechtzitting d.d. 28 mei
en 25 juni 1996.

2. De vaststaande feiten

In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1. De minderjarige X (hierna ook: de minderjarige) is op 3 december 1991
in de gemeente Amsterdam geboren uit het huwelijk van B en de moeder C.

2.2. Bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam d.d. 13 juli 1994 is de echtscheiding
uitgesproken tussen B en C voornoemd, en is de moeder benoemd tot voogdes
en verzoeker tot toeziend voogd; de echtscheiding is ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam op 19 augustus
1994.

2.3. C is op 17 januari 1995 te Z overleden.

2.4. Uit het overgelegde uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie
van de gemeente Z blijkt dat de minderjarige sinds 8 februari 1995 bij
verzoeker woonachtig is.

2.5. Bij beschikking van de kantonrechter te Amsterdam d.d. 28 juni 1995
is verzoeker benoemd tot voogd en Y tot toeziend voogd.

3. Het verzoek en de grondslag daarvan

3.1. Het verzoek strekt tot adoptie van X, geboren op 3 december 1991 te
Amsterdam, door verzoeker voornoemd.

4. Beoordeling

4.1. Uit de overgelegde stukken alsmede uit hetgeen ter zitting naar voren
is gekomen, is aannemelijk geworden dat de minderjarige feitelijk sinds
zijn geboorte in het gezin van verzoeker verblijft, dat verzoeker de verwekker
is van de minderjarige, dat deze door verzoeker als een vader is verzorgd
en opgevoed en dat de minderjarige geen enkel contact met zijn wettige
vader heeft gehad.

Tussen verzoeker en de minderjarige bestaat dan ook een zodanig nauwe betrekking,
dat deze aangemerkt moet worden als `family-life’ in de zin van artikel
8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM).

4.2. Onder omstandigheden behoort ook een recht op of een vrijheid ter
zake van (stiefouder)adoptie tot de rechten en vrijheden die door het EVRM
worden beschermd.

In casu is van belang dat de minderjarige reeds vanaf zijn geboorte volledig
door verzoeker wordt verzorgd en opgevoed, dat verzoeker de biologische
vader is van de minderjarige en dat deze geen enkel contact heeft met zijn
wettige vader.
Onder deze omstandigheden is de mogelijkheid om tot adoptie over te gaan
een wezenlijk element van het `family life’ van verzoeker en de minderjarige.

4.3. De adoptie van de minderjarige door verzoeker wordt in de weg gestaan
door het voorschrift van artikel 1:227 Lid 1 BW, dat bepaalt dat adoptie
(slechts) op verzoek van een echtpaar kan worden uitgesproken.
Gelet op de feiten en omstandigheden die hierboven zijn vermeld en op hetgeen
hiervoor is overwogen, maakt dit wettelijk voorschrift inbreuk op het recht
van verzoeker en X op eerbiediging van hun gezinsleven, nu ter bescherming
van dat gezinsleven van groot belang is dat X door verzoeker geadopteerd
kan worden.

4.4. De rechtbank beantwoordt de vraag of deze inbreuk binnen de grenzen
van art. 8 lid 2 EVRM blijft, ontkennend. Deze inbreuk is in een democratische
samenleving niet noodzakelijk ter bescherming van de onder die bepaling
vallende belangen.

Hoewel art. 1:227 lid 1 BW in beginsel ten doel heeft om, ter bescherming
van het belang van het kind, te waarborgen dat het opgroeit in een goed
ouderlijk milieu en in zoverre een gerechtvaardigd doel nastreeft, kan
in de huidige maatschappelijke verhoudingen niet meer worden volgehouden
dat van een goed ouderlijk milieu in zijn algemeenheid slechts sprake kan
zijn bij een echtpaar.

Ook vele ongehuwde ouders en pleegouders, al dan niet alleenstaand, bieden
een zorgzaam en stabiel opvoedingsklimaat aan de kinderen die onder hun
hoede staan. In dat opzicht gaat de eis dat adoptie slechts op verzoek
van een echtpaar kan geschieden, verder dan door het nagestreefde doel
wordt gerechtvaardigd.

De daaruit voortvloeiende inbreuk op het `family-life’ is dan ook in een
democratische samenleving niet noodzakelijk ter bescherming van het belang
van het kind.

In dit verband wijst de rechtbank op het in maart 1995 ingediende voorstel
ter herziening van het afstammings- en adoptierecht (Kamerstukken II, 24
649), waarin onder meer wordt voorgesteld bij adoptie de eis van het huwelijk
te laten vervallen en waarbij de eenpersoonsadoptie wordt ingevoerd. Een
persoon alleen moet het kind ten minste drie aaneengesloten jaren hebben
verzorgd en opgevoed.

Nu is komen vast te staan dat verzoeker, X de moeder en de minderjarige
van december 1991 tot 17 januari 1995 met elkaar hebben samengewoond, zou
– anticiperend op genoemd wetsvoorstel – aan deze nieuwe voorwaarde voor
adoptie zijn voldaan.

4.5. Nu de heer B heeft verklaard dat niet hij de vader van de minderjarige
is, moet het in het belang van X worden geacht dat zijn juridische afstammingsrelatie
wordt gewijzigd in een afstammingsrelatie met zijn biologische vader.

4.6. Op grond van de bovenstaande overwegingen zal de rechtbank het voorschrift
van art. 1:227 lid 1 BW wegens strijd met art. 8 EVRM buiten toepassing
laten.

Nu voor het overige aan alle eisen voor de adoptie van de minderjarige
door verzoeker is voldaan en de adoptie ook in het kennelijk belang is
van X, zal de rechtbank de adoptie zoals verzocht uitspreken.

5. Beslissing

De rechtbank:

5.1. Spreekt uit de adoptie van de jongen, X, geboren op (….) te Amsterdam,
door verzoeker voornoemd.

5.2. Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. Diender

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster werkt bij de wederpartij op de afdeling financiën en planning.
Zij verdient minder dan een mannelijke collega in dezelfde functie.
De Commissie stelt vast dat verzoekster een lagere beloning ontvangt dan de
maatman, terwijl beiden dezelfde functie vervullen.
Het verrichten van arbeid van gelijke waarde, zoals in casu het geval is,
brengt niet zonder meer een recht op hetzelfde salaris met zich mee. De
Commissie beoordeelt of bij verzoekster en de maatman gelijkwaardige
beloningsmaatstaven zijn toegepast.
De Commissie stelt vast dat het beloningsverschil wordt veroorzaakt door de
financiële regeling die mede op basis van het Transferstatuut met de maatman
getroffen is.
Het verschil in inschaling is blijvend.
De Commissie stelt vast dat deze beloningsmaatstaven niet op verzoekster
toegepast hoefden te worden, omdat zij niet door de reorganisatie gedwongen
was een lagere functie te aanvaarden, in tegenstelling tot de maatman.
Aangezien hier sprake is van twee verschillende situaties, kan niet zonder
meer geconcludeerd worden dat bij de toepassing van deze beloningsmaatstaven
onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt.
De Commissie stelt vast dat de inschaling van de maatman in schaal 8 per 1
november 1994 buiten de salarissystematiek van de wederpartij zelf valt. Door
middel van functiewaardering is immers vastgesteld dat de functie van
medewerker DFEB gewaardeerd moet worden volgens schaal 6. Er is in het
salarissysteem van de wederpartij voor deze functie geen uitloopschaal
mogelijk.
Tevens blijkt uit het Transferstatuut dat in het kader van de reorganisatie
een herplaatste medewerker moet worden beloond conform de bij de functie
behorende schaal en dat een overgangsregeling wordt toegepast teneinde in
twee jaar tijd te wennen aan het salarisverschil van maximaal twee schalen.
In het geval van de maatman is de wederpartij derhalve in tweeërlei opzicht
afgeweken van een aantal uitgangspunten van haar salarisbeleid.
De Commissie overweegt dat de wederpartij op overtuigende wijze heeft betoogd
dat in het geval van de maatman sprake is van een uitzonderlijke situatie,
waarbij het enige alternatief ontslag zou zijn geweest.
De Commissie oordeelt dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling heeft gehandeld, door de maatman buiten de functionele
salarisschaal in te schalen en deze inschaling structureel in stand te laten,
aangezien deze inschaling geheel buiten het salarissysteem van de wederpartij
valt. Er is hierdoor een verschil in inschaling van gelijkwaardig werk
ontstaan, dat niet wordt gerechtvaardigd door de verschillen in de situatie
van verzoekster en de maatman.
De Commissie is evenwel tevens van oordeel dat het niet in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling is om in een geval als het onderhavige, waarbij
sprake is van een buiten de uitgangspunten van het reorganisatiebeleid
vallende herplaatsing van een moeilijk herplaatsbare werknemer, een
structurele toeslag op het inkomen van de herplaatste werknemer uit te keren,
waarin de beloningsmaatstaven `verworven rechten’ alsmede `persoonlijke
omstandigheden’ tot uitdrukking worden gebracht. Ten aanzien van de
beloningsmaatstaf verworven rechten zou bij het vaststellen van een
dergelijke toeslag een aanknopingspunt kunnen worden gevonden in het behoud
van een periodiek per dienstjaar, hetgeen tot 1 januari 1996 in de
salarissystematiek van de wederpartij ook gebruikelijk was.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 24 januari 1995 verzocht mevrouw (…) te Ede (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of (…) te Amersfoort (hierna: de wederpartij)
onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. Verzoekster werkt bij de wederpartij op de afdeling financiën en
planning. Zij verdient minder dan een mannelijke collega in dezelfde functie.
Deze collega is de heer (…) (hierna: de maatman). Verzoekster stelt dat de
wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Door de
Commissie zijn aan partijen en de maatman schriftelijk vragen gesteld.
2.2. De wederpartij en de maatman weigerden in eerste instantie de benodigde
informatie met betrekking tot de beloning van de maatman te geven, zich
beroepend op het recht op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van
de maatman.
Op verzoek van de Commissie heeft de Registratiekamer te Rijswijk op 21
december 1995 een advies uitgebracht, waarin de Registratiekamer stelt dat
een werkgever, in het kader van een procedure gebaseerd op de wetgeving
gelijke behandeling, verplicht is de gevraagde inlichtingen aan de Commissie
te verstrekken en daarvoor niet afhankelijk is van de toestemming van een
maatman.
Ingevolge artikel 11, eerste lid, Wet persoonsregistraties (hierna: WPR) is
het verstrekken van persoonsgegevens aan een derde slechts toegestaan voor
zover zij voortvloeit uit het doel van de registratie, wordt vereist door een
wettelijk voorschrift of geschiedt met toestemming van de geregistreerde.
Artikel 19 Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), dat de Commissie in staat
moet stellen om alle inlichtingen te verkrijgen die zij voor de vervulling
van haar taak redelijkerwijs nodig heeft, is volgens de Registratiekamer een
wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 11, eerste lid WPR. De werkgever
die door de Commissie gevraagde informatie uit een personeelsdossier
verstrekt, handelt derhalve volgens de Registratiekamer niet in strijd met de
WPR.
Naar aanleiding van het oordeel van de Registratiekamer heeft de wederpartij
de door de Commissie gevraagde informatie gegeven.
2.3. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 10 juni 1996.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van de verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– mw. (…) (P&O functionaris)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij is een adviesbureau voor woningcorporaties en
gemeentelijke instellingen. De wederpartij bestaat sinds 1 januari 1995, toen
het bedrijf (een koepel voor woningcorporaties) gesplitst is in de Vereniging
(…) en de (…)-groep. De wederpartij maakt deel van uit van de
(…)-groep.
Verzoekster is op 1 augustus 1992 bij het (…) in dienst getreden in de
functie van medewerker decentrale financiële economische bedrijfsvoering
(medewerker DFEB). Zij werkt op de afdeling financiën en planning. Haar
werkzaamheden bestaan uit het uitvoeren van de project- en financiële
administratie. Verzoekster is voor 40 uur per week aangenomen en heeft een
dienstverband voor onbepaalde tijd. Later is zij 34,6 uur per week gaan
werken.
Verzoeksters salaris is vastgesteld volgens de salarisregeling in de van
toepassing zijnde CAO. Bij indiensttreding was zij ingeschaald in schaal 6.8
(ƒ 3570,75 bruto per maand op basis van een voltijds dienstverband van 40 uur
per week). Per 1 januari 1995 is zij op grond van de CAO van schaal 6.10 naar
schaal 6.11 bevorderd. Hierbij hoorde een salaris gelijk aan dat in schaal
6.8. Dit kwam neer op een salaris van ƒ 3705,75 bruto per maand. Er was hier
sprake van een zogenaamde immateriële periodiek. In de salarissystematiek van
de wederpartij zijn de regelnummers 9, 10, 11, 13, 14 en 15 immateriële
periodieken, dat wil zeggen dat het salaris niet verhoogd wordt. Boven
regelnummer 8 is alleen bij het bereiken van regelnummers 12 en 16 sprake van
een salarisverhoging. Per 16 maart 1995 verdiende verzoekster ƒ 3261,55 bruto
per maand op basis van 34,6 uur per week.
Per 1 januari 1996 is er een nieuw beloningssysteem ingevoerd. Dit systeem
kent geen immateriële periodieken. In plaats van met regelnummers wordt er nu
met delta’s gewerkt. Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat zowel
verzoekster als de maatman het maximum van hun schaal hebben bereikt
(respectievelijk schaal 6, delta 36 en schaal 8, delta 36). Als zij niet
doorstromen naar een hogere functie, zullen zij in deze schalen ingedeeld
blijven.
In het nieuwe salarissysteem ontvangen werknemers -in tegenstelling tot het
oude- niet langer automatisch een jaarlijkse periodieke verhoging.
Bevordering is in de nieuwe salarissystematiek van de wederpartij afhankelijk
van het functioneren.
3.2. De maatman werkt sinds 1 november 1994 in de functie van medewerker
DFEB. Hij werkte hiervoor (vanaf 1 juni 1979) op een andere afdeling van de
wederpartij in de functie van eerste assistent-accountant, maar is wegens een
reorganisatie overgeplaatst. In de functie van eerste assistent-accountant
was hij laatstelijk ingeschaald in schaal 10.16 en bedroeg zijn bruto
maandsalaris ƒ 5834,08. Aangezien voor de functie van medewerker DFEB een
lagere inschaling geldt (schaal 6) dan voor de functie van eerste
assistent-accountant (schaal 10), is een financiële regeling met de maatman
afgesproken.
Deze regeling hield in dat bij zijn aanvang in de functie van medewerker DFEB
de maatman is ingeschaald in salarisschaal 8.8. Aan deze schaal was toen een
beloning gekoppeld van ƒ 4423,50 bruto per maand. Op 16 maart 1995 bedroeg
zijn bruto maandsalaris ƒ 4500,92 op basis van een voltijds dienstverband van
40 uur per week. In de periode tussen 1 november 1994 en 1 januari 1997
ontvangt de maatman daarnaast nog een persoonlijke toeslag.
Van 1 november 1994 tot 1 januari 1996 is deze toeslag als volgt opgebouwd.
Eerst wordt 2/3 deel van het verschil tussen ƒ 5834,08 (schaal 10.16) bruto
en ƒ 4596,25 (schaal 8.12) bruto opgeteld bij ƒ 4596,25 (schaal 8.12) bruto.
Het verschil tussen dit bedrag (ƒ 5421,58 bruto) en maatmans maandsalaris per
1 november 1994 gebaseerd op schaal 8.8 (ƒ 4423,50 bruto), te weten ƒ 998,08
bruto, wordt per maand als toeslag uitbetaald.
In de periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 is de persoonlijke
toeslag als volgt opgebouwd. Eerst wordt 1/3 deel van het verschil tussen ƒ
5834,08 en ƒ 4596,25 genomen en opgeteld bij ƒ 4596,25. Het verschil tussen
dit bedrag (ƒ 5008,91 bruto) en maatmans maandsalaris per 1 november 1994
gebaseerd op schaal 8.8 (ƒ 4423,50 bruto), te weten ƒ 585,41 bruto, wordt als
toeslag op zijn maandsalaris uitbetaald.
Per 1 januari 1997 zal de maatman in schaal 8 delta 36 ingeschaald worden en
geen persoonlijke toeslag meer ontvangen.
3.3. Verzoekster heeft op 15 december 1994 schriftelijk bezwaar aangetekend
tegen het verschil in beloning tussen haar en de maatman. Hierop heeft zij op
19 december 1994 mondeling reactie gekregen van een personeelsfunctionaris.
Er is aan verzoekster uitgelegd dat de maatman op grond van salarisrechten
uit zijn vorige functie, hoger was ingeschaald dan zij.
3.4. In het kader van de reorganisatie is er tussen de (…) en een drietal
vakbonden een Transferstatuut overeengekomen. Onder de werkingssfeer van het
Transferstatuut vallen de medewerkers waarvan de formatieplaats is vervallen
tot en met 1 januari 1995.
Voor zover relevant staat er in dit statuut d.d. 15 juli 1994 het volgende
vermeld. Uitgangspunt is dat de wederpartij tot 1 april 1995 een
inspanningsverplichting aanging ten aanzien van de oplossing van de
overcapaciteit, waarbij geen gedwongen ontslagen zullen worden aangekondigd,
tenzij de werknemer passende arbeid heeft geweigerd.
Daar waar vacatures ontstaan, is het uitgangspunt dat deze vacatures als een
interne vacature gelden en de zogenaamde overtolligen bij voorrang hiervoor
in aanmerking komen.
Doel van de afspraken in het Transferstatuut is enerzijds de betreffende
medewerkers een zo goed mogelijke begeleiding en ondersteuning te bieden bij
het zoeken naar een andere functie en hen daardoor zoveel mogelijk te
vrijwaren voor de nadelige materiële en immateriële gevolgen van de
onvermijdelijke maatregelen en anderzijds de nadelige materiële gevolgen voor
zover mogelijk te compenseren en te verzachten.
Als criteria ten aanzien van de toekomstige functie noemt het Transferstatuut
onder meer: zwaarte en niveau van het werk, opleidingseisen,
loopbaanperspectief, salaris (uitgangspunt is een verschil met een maximum
van 2 schalen) en diensttijd.
Als criteria ten aanzien van de persoon noemt het Transferstatuut onder meer:
leeftijd, arbeidsverleden, vaardigheden en capaciteiten en persoonlijke
omstandigheden.
Tevens wordt in het Transferstatuut vermeld dat in geval van een aanbod voor
een interne lagere functie, salariëring zal plaatsvinden conform de
bijbehorende schaal, waarbij het netto-verschil vergoed wordt middels een
persoonlijke toelage, zonder indexering en CAO-toeslagen voor de komende
jaren.
Bij de herplaatsing wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met onder meer de
persoonlijke omstandigheden, de leeftijd en het arbeidsverleden van de
overtollige medewerker.
De standpunten van partijen
3.5. Verzoekster stelt het volgende.
Zij is van mening dat zij op grond van haar geslacht bij de beloning ongelijk
wordt behandeld ten opzichte van de maatman.
Het Transferstatuut schrijft voor dat de salariëring plaatsvindt conform de
bijbehorende schaal. De maatman wordt echter niet volgens schaal 6, maar
volgens schaal 8 beloond. De beloning van de maatman is dus in strijd met het
Transferstatuut.
Verzoekster heeft er begrip voor dat er met de maatman een tijdelijke
overgangsregeling is getroffen. Zij vindt het echter onredelijk dat er na 1
januari 1997 een verschil in beloning blijft bestaan. Het arbeidsverleden van
de maatman en dat van verzoekster is vergelijkbaar en beiden verrichten
precies dezelfde werkzaamheden. Toch zal de maatman per 1 januari 1997
blijvend ƒ 880 bruto meer per maand verdienen dan zij. Ter zitting heeft
verzoekster naar voren gebracht dat als de maatman bij de wederpartij in
dienst blijft, dit betekent dat de ongelijke beloning nog ongeveer negen jaar
(totdat de maatman Vut-gerechtigd wordt) zal blijven voortduren. Verzoekster
meent dat zij recht heeft op dezelfde beloning als de maatman en dat haar
beloning omhoog zou moeten gaan.
Verzoekster heeft het beloningsverschil bij de personeelsfunctionaris
aangekaart. Hierop kreeg zij te horen dat zij begrip moest hebben voor de
situatie van de maatman. Hij was immers door de reorganisatie gedwongen een
functie te aanvaarden die lager lag dan zijn vorige functie.
3.6. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
Zij ontkent dat zij jegens verzoekster onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt.
De per 1 januari 1995 gerealiseerde reorganisatie bij de wederpartij heeft
gevolgen gehad voor een aantal medewerkers van de wederpartij, waaronder de
maatman.
In 1994 werkten er bij de wederpartij 117 mensen, in 1995 106. De afvloeiing
vond vooral plaats bij de technici en de accountants, mederendeels mannen. De
meesten zijn via het netwerk van de wederpartij en via de, eveneens in het
Transferstatuut overeengekomen, outplacement-activiteiten van de wederpartij
aan ander werk geholpen.
De maatman werkte voor de laatste reorganisatie, waarbij de wederpartij werd
gesplitst in afzonderlijke onderdelen, in de functie van eerste
assistent-accountant. Het betrof een functie in schaal 10, bij de afdeling
administratieve dienstverlening woningcorporaties.
De marktperspectieven voor dit werk waren slecht, omdat het een product
betrof waarop structureel verlies werd geleden. In het kader van een
reorganisatie is besloten deze werksoort af te bouwen. Voor de maatman heeft
dit tot gevolg gehad dat hij vier jaar lang, ondersteund door de wederpartij,
heeft getracht een externe functie elders te vinden. Dit heeft niet tot
resultaat geleid.
Bij de verzelfstandiging van de wederpartij is de werksoort van de maatman,
en daarmee zijn functie, komen te vervallen.
Binnen het bedrijf waren er geen functies op een schaal 8 of 10 niveau, waar
de maatman voor in aanmerking kwam. De wederpartij kwam voor de keuze te
staan om de maatman te ontslaan, of hem in te zetten op de vacante functie
van medewerker DFEB. Gezien zijn leeftijd, zijn privé-omstandigheden en zijn
zestien jaar durende dienstverband bij de wederpartij, wil(de) de wederpartij
de maatman niet ontslaan.
De maatman valt onder de werkingssfeer van het Transferstatuut.
Op grond van dit statuut, dat bepaalt dat medewerkers die tot de
overcapaciteit moeten worden gerekend bij voorrang voor vacatures in
aanmerking komen, is de maatman benoemd in de functie van medewerker DFEB.
Aangezien dit voor hem een benoeming in een lager gewaardeerde functie
betekende (van schaal 10 naar schaal 6), is er met hem een financiële
regeling getroffen. Dit is in overeenstemming met het statuut, waarin als
uitgangspunt is opgenomen dat er een financiële regeling getroffen kan worden
als er een interne, lagere functie wordt aanvaard. Dat de maatman in schaal 8
is ingeschaald terwijl hij een schaal 6 functie ging vervullen, is ook op het
Transferstatuut gebaseerd. De wederpartij stelt dat het Transferstatuut zo
moet worden opgevat dat de maatman niet lager kon worden ingeschaald dan twee
schalen onder de salarisschaal die hij bereikt had in zijn vorige functie.
De wederpartij heeft binnen haar organisatie wel een aantal functies die
volgens het functiewaarderingssysteem zijn gewaardeerd op schaal 8, maar
verwacht niet dat de maatman in de toekomst ingezet zal kunnen worden op een
dergelijke functie.
De wederpartij wijst erop dat de maatman in het kader van de met hem
getroffen regeling per 1 januari 1997 in de loop van een aantal jaren ruim ƒ
1100 bruto per maand in salaris achteruit zal gaan, zijnde meer dan de helft
van het beloningsverschil tussen inschaling in schaal 10 en inschaling in
schaal 8.
De maatman is de enige met wie de wederpartij een regeling als de onderhavige
heeft getroffen waarbij een verschil van vier functieschalen overbrugd moet
worden. Voor twee werknemers wordt nog gezocht naar een andere functie. Als
voor hen geen andere functie gevonden wordt, zullen zij op termijn ontslagen
worden.
De wederpartij verwacht dat de maatman in dienst zal blijven totdat hij de
Vut-gerechtigde leeftijd zal hebben bereikt. Dat zal nog ongeveer negen jaren
duren.
4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de beloning jegens
verzoekster onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.
4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 7 tot en
met 10 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) bepalen dat een
werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen op het punt van
de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg gelijke waarde
verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is berekend op
grondslag van gelijkwaardige maatstaven.
4.3. Onbetwist is dat de functies van verzoekster en de maatman van gelijke
waarde zijn. De Commissie heeft dit bij haar verdere onderzoek als
uitgangspunt genomen en heeft de functies derhalve niet laten waarderen.
4.4. De Commissie stelt vast dat verzoekster een lagere beloning ontvangt dan
de maatman, terwijl beiden dezelfde functie vervullen. Verzoekster was bij
indiensttreding in 1992 in salarisschaal 6.8 ingedeeld. Op 16 maart 1995
verdiende zij (omgerekend naar een voltijds dienstverband) bruto ƒ 3770,57
per maand [(ƒ 3261,55 : 34,6) x 40].
Toen de maatman per 1 november 1994 in de functie van medewerker DFEB
aantrad, werd hij ingeschaald in salarisschaal 8.8. Het bijbehorende salaris
was op 16 maart 1995 bruto ƒ 4500,92 per maand. Daar bovenop ontvangt hij op
grond van het Transferstatuut van 1 november 1994 tot 1 januari 1997 nog een
persoonlijke toeslag. Deze bedroeg van 1 november 1994 tot 1 januari 1996
bruto ƒ 998,08 per maand en van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 bruto ƒ
585,41 per maand.
In vergelijking met verzoekster verdiende de maatman in de periode van 1
november 1994 tot 1 januari 1996 per maand bruto ongeveer ƒ 1728,43 meer [(ƒ
4500,92 + ƒ 998,08) – ƒ 3770,57, peildatum van deze salarisbedragen is 16
maart 1995].
In de periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997 verdient de maatman per
maand bruto ongeveer ƒ 1315,76 meer dan verzoekster [(ƒ 4500,92 + ƒ 585,41) –
ƒ 3770,57, bij deze berekening zijn de salarisbedragen van 1995 als
uitgangspunt genomen].
Vanaf 1 januari 1997 zal het beloningsverschil tussen verzoekster (ƒ 3848,06
bruto, i.e. schaal 6, delta 36 van het nieuwe salarissysteem, peildatum 19
januari 1996) en de maatman (ƒ 4732,55, i.e. schaal 8, delta 36) ruim ƒ
884,49 bruto per maand bedragen.
4.5. Het verrichten van arbeid van gelijke waarde, zoals in casu het geval
is, brengt niet zonder meer een recht op hetzelfde salaris met zich mee. De
Commissie beoordeelt of bij verzoekster en de maatman gelijkwaardige
beloningsmaatstaven zijn toegepast.
4.6. De Commissie stelt vast dat het beloningsverschil wordt veroorzaakt door
de financiële regeling die mede op basis van het Transferstatuut met de
maatman getroffen is. Doel van het Transferstatuut is gedwongen ontslagen te
voorkomen alsmede de nadelige gevolgen van de reorganisatie voor de
werknemers zoveel mogelijk te compenseren en te verzachten. In geding is
derhalve de vraag of de wijze waarop een en ander in casu vorm is gegeven
leidt tot onderscheid op grond van geslacht jegens verzoekster.
4.7. De Commissie stelt vast dat de verschillen in beloning zijn terug te
voeren op de inschaling van de maatman alsmede op het verlenen van een
toeslag op het salaris van de maatman. De toeslag vindt plaats gedurende een
beperkt aantal jaren. Het verschil in inschaling is blijvend.
Beide beloningsmaatstaven vloeien voort uit de toepassing van het
Transferstatuut op de maatman en kunnen blijkens de bewoordingen van het
Transferstatuut worden gekarakteriseerd als `verworven rechten’ alsmede
`persoonlijke omstandigheden’.
De Commissie stelt vast dat deze beloningsmaatstaven niet op verzoekster
toegepast hoefden te worden, omdat zij niet door de reorganisatie gedwongen
was een lagere functie te aanvaarden, in tegenstelling tot de maatman.
Aangezien hier sprake is van twee verschillende situaties, kan niet zonder
meer geconcludeerd worden dat bij de toepassing van deze beloningsmaatstaven
onderscheid op grond van geslacht wordt gemaakt.
Zowel de Commissie als haar voorgangster, de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid, hebben eerder uitgesproken dat
salarisrechten ten gevolge van een vorige functie onder omstandigheden enig
verschil in beloning kunnen rechtvaardigen (Zie Commissie gelijke
behandeling, 27 maart 1996, oordeelnummer: 96-31 en Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 12 februari 1991,
oordeelnummer: 333-91-11 en 24 april 1994, oordeelnummer: 533-94-28). Bij
toetsing aan de wetgeving gelijke behandeling is van belang het feitelijke
salarisbeleid van de werkgever, alsmede de vraag of het salaris dat een
werknemer op basis van verworven rechten ontvangt binnen het beloningssysteem
van de werkgever valt.
4.8. Ten aanzien van de per 1 november 1994 ingegane en ook na 1 januari 1997
te hanteren inschaling van de maatman in het maximum van schaal 8 overweegt
de Commissie als volgt.
Vast staat dat de functionele schaal voor de betreffende functie schaal 6 is.
Vast staat ook dat in het Transferstatuut als uitgangspunten zijn opgenomen
dat voor overtollig personeel een functie met een salarisverschil van twee
salarisschalen passend geacht wordt, dat salariëring plaats zal vinden
conform de bijbehorende schaal en dat zoveel mogelijk rekening gehouden wordt
met onder meer de persoonlijke omstandigheden, de leeftijd en het
arbeidsverleden van de overtollige medewerkers.
De Commissie stelt vast dat de inschaling van de maatman in schaal 8 per 1
november 1994 buiten de salarissystematiek van de wederpartij zelf valt. Door
middel van functiewaardering is immers vastgesteld dat de functie van
medewerker DFEB gewaardeerd moet worden volgens schaal 6. Er is in het
salarissysteem van de wederpartij voor deze functie geen uitloopschaal
mogelijk.
Tevens blijkt uit het Transferstatuut dat in het kader van de reorganisatie
een herplaatste medewerker moet worden beloond conform de bij de functie
behorende schaal en dat een overgangsregeling wordt toegepast teneinde in
twee jaar tijd te wennen aan het salarisverschil van maximaal twee schalen.
In het geval van de maatman is de wederpartij derhalve in tweeërlei opzicht
afgeweken van een aantal uitgangspunten van haar salarisbeleid.
In haar overwegingen betrekt de Commissie eveneens dat de wederpartij en de
maatman gedurende enkele jaren hebben getracht elders een functie voor de
maatman te vinden. Uiteindelijk is de in het geding zijnde oplossing
gevonden, waarbij de maatman in een functie die vier salarisschalen lager is
dan zijn laatstverworven functie te werk is gesteld. Het besluit omtrent de
herplaatsing en de beloning van de maatman is gebaseerd op zijn verworven
rechten, persoonlijke omstandigheden en kwaliteiten. Dit ligt in de lijn van
het beleid van de wederpartij zoals dat is neergelegd in het Transferstatuut.
Daarin worden immers de criteria leeftijd, loopbaanperspectief, salaris,
diensttijd, persoonlijke omstandigheden en vaardigheden en capaciteiten
genoemd die in het kader van de afweging een rol spelen.
De Commissie overweegt dat de wederpartij op overtuigende wijze heeft betoogd
dat in het geval van de maatman sprake is van een uitzonderlijke situatie,
waarbij het enige alternatief ontslag zou zijn geweest. De wederpartij is
vanuit het oogpunt van sociaal beleid tot haar beslissing ten aanzien van de
maatman gekomen. De Commissie constateert dat de wederpartij al de criteria
die in het Transferstatuut zijn neergelegd in haar besluit ten aanzien van de
maatman heeft afgewogen en dat inderdaad de leeftijd van de maatman, zijn
gebrek aan loopbaanperspectief, zijn salarisrechten uit eerdere functie, de
lengte van zijn diensttijd, zijn persoonlijke omstandigheden alsmede de
inschatting van zijn vaardigheden en capaciteiten hebben geleid tot de met de
maatman getroffen bijzondere regeling. Dat neemt niet weg dat de wederpartij
hierbij is afgeweken van de door haar gehanteerde beloningsmaatstaven.
4.9. Het vorenstaande brengt de Commissie tot het volgende oordeel.
De Commissie oordeelt dat de wederpartij in casu in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft gehandeld, door de maatman buiten de functionele
salarisschaal in te schalen en deze inschaling structureel in stand te laten,
aangezien deze inschaling geheel buiten het salarissysteem van de wederpartij
valt. Er is hierdoor een verschil in inschaling van gelijkwaardig werk
ontstaan, dat niet wordt gerechtvaardigd door de verschillen in de situatie
van verzoekster en de maatman.
De Commissie is evenwel tevens van oordeel dat het niet in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling is om in een geval als het onderhavige, waarbij
sprake is van een buiten de uitgangspunten van het reorganisatiebeleid
vallende herplaatsing van een moeilijk herplaatsbare werknemer, een
structurele toeslag op het inkomen van de herplaatste werknemer uit te keren,
waarin de beloningsmaatstaven `verworven rechten’ alsmede `persoonlijke
omstandigheden’ tot uitdrukking worden gebracht. Ten aanzien van de
beloningsmaatstaf verworven rechten zou bij het vaststellen van een
dergelijke toeslag een aanknopingspunt kunnen worden gevonden in het behoud
van een periodiek per dienstjaar, hetgeen tot 1 januari 1996 in de
salarissystematiek van de wederpartij ook gebruikelijk was.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Amersfoort onderscheid
in strijd naar geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw (…), door de heer
(…) hoger in te schalen, terwijl hij arbeid van gelijke waarde verrichtte.
De Commissie spreekt tevens als haar oordeel uit dat (…) te Amersfoort geen
onderscheid naar geslacht maakt jegens mevrouw (…) door op de heer (…) de
beloningsmaatstaven `verworven rechten’ en `persoonlijke omstandigheden’ in
de vorm van een persoonlijke toeslag toe te passen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster schreef zich in bij het arbeidsbureau te Emmen om mee te kunnen
doen aan de sollicitatieprocedure voor de functie van commercieel medewerker
bij een bedrijf in Coevorden. De sollicitatie werd in behandeling genomen
door het arbeidsbureau te Coevorden. Verzoekster stelt dat de wederpartij aan
verzoekster heeft meegedeeld dat de werkgever de voorkeur gaf aan iemand van
het mannelijk geslacht.
Verzoekster is van mening dat zij in de sollicitatieprocedure geen eerlijke
kans heeft gehad en dat er sprake is van onderscheid op grond van geslacht.
De vraag die voorligt is of het feit dat verzoekster vrouw is een rol heeft
gespeeld bij de werving door de wederpartij voor de functie van commercieel
medewerker. De wederpartij geeft aan dat er sprake is van een aantal eisen
van de werkgever waaraan niet kon worden voldaan, waardoor de vacature
uiteindelijk uit het bestand moest worden gehaald. Een van de genoemde eisen
is `geslacht’. De wederpartij zegt dit zo opgevat te hebben, dat niet alle
vrouwen zouden zijn uitgesloten, maar alleen bepaalde soorten vrouwen, door
de wederpartij getypeerd als `dames’.
Zoals de Commissie reeds eerder heeft vastgesteld, is naast de werkgever een
door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor de naleving van
de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken is.
Derhalve heeft de wederpartij een eigen verantwoordelijkheid en is zij
gehouden de WGB na te leven.
De wederpartij heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van het door
haar aangegeven beleid van de werkgever dat alleen kandidaten van het
mannelijk geslacht, althans geen `dames’ voor de functie in aanmerking zouden
komen. Bovendien heeft wederpartij verzoekster niet doorgestuurd naar de
werkgever. Aangezien het `dame-zijn’ onlosmakelijk verbonden is met het
geslacht, wordt hiermee onderscheid gemaakt naar geslacht. Dit leidt tot de
conclusie dat het geslacht van verzoekster -mede- een rol heeft gespeeld bij
de handelwijze van de wederpartij.
Daarmee staat vast dat de wederpartij bij de werving voor de functie van
commercieel medewerker/PR-functionaris direct onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 3 lid 1 van de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 6 oktober 1995 verzocht mevrouw (…) te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door het Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening regio Drenthe te Assen (hierna: de wederpartij)
onderscheid is gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster schreef zich in bij het arbeidsbureau te Emmen om mee te
kunnen doen aan de sollicitatieprocedure voor de functie van commercieel
medewerker bij een bedrijf in Coevorden. De sollicitatie werd in behandeling
genomen door het arbeidsbureau te Coevorden. Verzoekster stelt dat de
wederpartij aan verzoekster heeft meegedeeld dat de werkgever de voorkeur gaf
aan iemand van het mannelijk geslacht.
Verzoekster is van mening dat zij in de sollicitatieprocedure geen eerlijke
kans heeft gehad en dat er sprake is van onderscheid op grond van geslacht.
2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.
2.2. Verzoekster heeft naast bovengenoemde wederpartij, ook de werkgever
waarvoor de wederpartij bemiddelde als wederpartij aangewezen. Beide zaken
zijn gevoegd behandeld. Het oordeel in genoemde zaak is door de Commissie
vastgesteld op 27 juni 1996 en is bekend onder oordeelnummer: 96-47.
2.3. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 4 juni 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…)
– dhr. (…) (toehoorder)
van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. (…) (functionaris ontslagzaken)
van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. (…) (hoofd administratie)
– dhr. (…) (toehoorder)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Bij de wederpartij werd een vacature aangemeld voor een commercieel
medewerker/PR-functionaris die tevens in staat zou zijn de calculatie te
verzorgen inzake gas-, water- en riooltransport bij het TGV-projekt in
Frankrijk. Kandidaten dienden de Franse taal vloeiend te kunnen schrijven en
spreken. Verzoekster schreef zich bij het arbeidsbureau te Emmen in voor deze
functie.
3.2. De sollicitatie werd in behandeling genomen door het arbeidsbureau te
Coevorden. Zowel het arbeidsbureau te Emmen als het arbeidsbureau te
Coevorden ressorteren onder de wederpartij.
3.3. Het arbeidsbureau te Coevorden heeft verzoekster voorgedragen voor de
functie. De wederpartij heeft verzoekster vervolgens meegedeeld dat hij de
indruk had dat de betreffende werkgever een voorkeur had voor een mannelijke
kandidaat. De vacature is uiteindelijk uit het vacaturebestand van de
wederpartij verwijderd, omdat de wederpartij geen kandidaten kon vinden die
in de ogen van de werkgever geschikt waren voor de functie.
De standpunten van partijen
3.4. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster voldoet aan alle functie-eisen die in de vacaturemelding werden
gesteld. Toch heeft verzoekster geen uitnodiging gehad voor een
sollicitatiegesprek of op een andere manier de indruk gekregen dat zij een
eerlijke kans kreeg in de sollicitatieprocedure.
3.5. Verzoekster heeft ook via een uitzendbureau haar belangstelling getoond
voor een gelijke functie. Door dit uitzendbureau werd verzoekster meegedeeld
dat het betreffende bedrijf absoluut geen vrouw zou accepteren. Verzoekster
weet niet zeker of het om hetzelfde bedrijf gaat, maar vermoedt dat dat wel
zo is.
3.6. Toen verzoekster bij de wederpartij informeerde naar de stand van zaken,
werd haar door de wederpartij meegedeeld dat de voorkeur uitging naar een man
en dat de procedure nog steeds liep. Er was tot dan toe een officiële
afwijzing geweest door het bedrijf. Een man van 34 jaar was door de
wederpartij voor een gesprek naar het bedrijf gestuurd en hij werd afgewezen
omdat hij te oud was.
3.7. Enkele dagen later nam verzoekster opnieuw contact op met de
wederpartij. Daarbij werd verzoekster bevestigd dat zij prima aan de
functie-eisen voldeed. Verzoekster werd echter niet in contact gebracht met
het bedrijf omdat het bedrijf gezegd had dat zij absoluut geen vrouw wilden
hebben. De wederpartij meende te weten dat elke vrouw die voor een gesprek
naar het bedrijf zou worden gestuurd, zou worden afgewezen.
3.8. Uiteindelijk verzocht verzoekster de wederpartij haar de naam van het
betreffende bedrijf te noemen, zodat zij zelf contact op zou kunnen nemen met
het bedrijf. Dit werd door de wederpartij echter geweigerd in verband met de
privacy van het bedrijf.
3.9. Verzoekster is van mening dat zij in de sollicitatieprocedure geen
eerlijke kans heeft gekregen. Naar haar mening is er duidelijk sprake van
discriminatie wegens geslacht. Het bedrijf geeft volgens de wederpartij
duidelijk aan dat een vrouw niet gewenst is in het bedrijf, maar uit niets
blijkt dat een vrouw de functie niet zou kunnen vervullen. De wederpartij
stuurt alleen een man voor een gesprek naar het bedrijf en geeft vrouwen geen
kans om in contact te komen met het bedrijf.
3.10. De wederpartij stelt het volgende.
De vacature is uit het vacaturebestand verwijderd, omdat het arbeidsbureau
geen kandidaten kan vinden die in de ogen van de werkgever geschikt zijn voor
de functie. Voor zover de wederpartij bekend is er niemand aangenomen.
3.11. In de periode van 8 september 1995 t/m 13 november 1995 hebben meerdere
gesprekken plaatsgevonden met de werkgever naar aanleiding van eventuele
kandidaten. Er zijn vier kandidaten voorgedragen (twee mannen en twee
vrouwen). De werkgever leek het zogenaamde `schaap met 5 poten’ te zoeken,
iemand van ongeveer 20 jaar van het mannelijk geslacht. Daarmee werd niet
zozeer bedoeld dat geen vrouwen in aanmerking konden komen, maar dat
eventuele kandidaten bestand moesten zijn tegen de omstandigheden. De
werkgever gaf daarbij aan dat de functie vervuld moest worden in een ruwe
wereld, waar hij geen `dame’ heen wilde sturen. De wederpartij noemt hoge
hakken als voorbeeld van iets dat niet zou kunnen.
3.12. Tussen de arbeidsbureaus Emmen en Coevorden heeft overleg
plaatsgevonden over verzoekster. Verzoekster is daarna anoniem voorgedragen
aan de werkgever waarna deze heeft besloten haar op grond van haar technische
achtergrond, werkervaring en het niet bezitten van een rijbewijs als niet
acceptabel te beschouwen.
3.13. De wederpartij heeft vervolgens enkele malen getracht de werkgever te
benaderen over de stand van zaken. De betreffende arbeidsbureaus konden geen
kandidaten aangeven binnen het door de werkgever opgegeven wensenpakket.
Ondanks herhaalde verzoeken nam de werkgever verder geen contact meer op met
het arbeidsbureau. De wederpartij heeft vervolgens de vacature laten
vervallen.
3.14. De werkgever stelde een aantal eisen waaraan door de betreffende
arbeidsbureaus niet op voor de werkgever voldoende wijze aan kon worden
voldaan. Op grond daarvan heeft de wederpartij de vacature laten vervallen.
De wensen van de werkgever ten aanzien van leeftijd, opleiding, werkervaring
en geslacht waren volgens de wederpartij wel hanteerbaar. De wederpartij
heeft wel geprobeerd de wensen van de werkgever minder strikt te maken, maar
dat bleek in dit geval niet mogelijk. De argumentatie van de werkgever leek
niet geheel onredelijk. Om die reden en om de onder paragraaf 3.11. genoemde
aarzeling om een `dame’ voor te dragen voor de betreffende functie, heeft de
wederpartij verzoekster ook verder niet doorgestuurd naar de werkgever.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de bemiddeling voor de
betreffende functie in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
4.2. In dit verband is het volgende wetsartikel van belang.
Artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid (hierna: WGB) bepaalt dat het niet is toegelaten om bij de behandeling
bij de vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen.
4.3. De vraag die voorligt is of het feit dat verzoekster vrouw is een rol
heeft gespeeld bij de werving door de wederpartij voor de functie van
commercieel medewerker. De wederpartij geeft aan dat er sprake is van een
aantal eisen van de werkgever waaraan niet kon worden voldaan, waardoor de
vacature uiteindelijk uit het bestand moest worden gehaald. Een van de
genoemde eisen is `geslacht’. De wederpartij zegt dit zo opgevat te hebben,
dat niet alle vrouwen zouden zijn uitgesloten, maar alleen bepaalde soorten
vrouwen, door de wederpartij getypeerd als `dames’.
4.4. Blijkens de Memorie van Toelichting bij art. 3 WGB richt dit artikel
zich zowel tot de werkgever als tot een derde die door deze werkgever wordt
betrokken bij de werving- en selectie- procedure (Tweede Kamer, vergaderjaar
1986-1987, 19.908, nr.3, blz. 18. Zie ook Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991, oordeelnummers: 91-35 en
91-36).
Zoals de Commissie reeds eerder heeft vastgesteld, is naast de werkgever een
door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor de naleving van
de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken is (Commissie
gelijke behandeling, 3 oktober 1995, oordeelnummer: 95-37; Commissie gelijke
behandeling, 27 november 1995, oordeelnummer: 95-53).
Derhalve heeft de wederpartij een eigen verantwoordelijkheid en is zij
gehouden de WGB na te leven.
De wederpartij heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van het door
haar aangegeven beleid van de werkgever dat alleen kandidaten van het
mannelijk geslacht, althans geen `dames’ voor de functie in aanmerking zouden
komen. Bovendien heeft wederpartij verzoekster niet doorgestuurd naar de
werkgever. Aangezien het `dame-zijn’ onlosmakelijk verbonden is met het
geslacht, wordt hiermee onderscheid gemaakt naar geslacht. Dit leidt tot de
conclusie dat het geslacht van verzoekster -mede- een rol heeft gespeeld bij
de handelwijze van de wederpartij.
Daarmee staat vast dat de wederpartij bij de werving voor de functie van
commercieel medewerker/PR-functionaris direct onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 3 lid 1 van de WGB.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat het Regionaal Bestuur voor de
Arbeidsvoorziening regio Drenthe te Assen jegens mevrouw (…) te Den Haag
direct onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in artikel 3 lid 1
van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster schreef zich in bij het arbeidsbureau te Emmen naar aanleiding
van de daar gemelde functie van commercieel medewerker bij de wederpartij. De
sollicitatie werd in behandeling genomen door het arbeidsbureau te Coevorden.
Verzoekster stelt dat door het arbeidsbureau werd meegedeeld dat de
wederpartij de voorkeur gaf aan iemand van het mannelijk geslacht.
Verzoekster is van mening dat zij in de sollicitatieprocedure geen eerlijke
kans heeft gehad en dat er sprake is van onderscheid op grond van geslacht.
De eerste vraag die voorligt is of het feit dat verzoekster vrouw is een rol
heeft gespeeld bij de afwijzing voor de functie van commercieel medewerker.
De wederpartij stelt dat haar de persoon van verzoekster in het geheel niet
bekend is. Zij heeft bij de vervulling van de vacature uitsluitend gelet op
de vereiste kennis en capaciteiten, waarbij met name de technische kennis van
belang werd geacht. Daarbij is geen voorkeur geuit voor kandidaten van het
mannelijk geslacht.
Verzoekster noch de wederpartij in de gevoegde zaak hebben aan kunnen tonen,
dan wel aannemelijk kunnen maken dat dit wel het geval is.
Daarmee kan ook niet gesteld worden, dat de wederpartij in strijd met artikel
3 lid 1 WGB onderscheid heeft gemaakt naar geslacht bij de vervulling van de
vacature voor commercieel medewerker/ PR-functionaris.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 6 oktober 1995 verzocht mevrouw (…) te De Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door (…) te Coevorden (hierna: de
wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van
een openstaande betrekking in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster schreef zich in bij het arbeidsbureau te Emmen naar
aanleiding van de daar gemelde functie van commercieel medewerker bij de
wederpartij. De sollicitatie werd in behandeling genomen door het
arbeidsbureau te Coevorden. Verzoekster stelt dat door het arbeidsbureau werd
meegedeeld dat de wederpartij de voorkeur gaf aan iemand van het mannelijk
geslacht.
Verzoekster is van mening dat zij in de sollicitatieprocedure geen eerlijke
kans heeft gehad en dat er sprake is van onderscheid op grond van geslacht.
2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.
2.2. Verzoekster heeft naast bovengenoemde wederpartij, ook het arbeidsbureau
te Coevorden als wederpartij aangewezen. De Commissie heeft bij dat verzoek
het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening te Assen als wederpartij
aangewezen. Beide zaken zijn gevoegd behandeld. Het oordeel in genoemde zaak
is door de Commissie vastgesteld op 27 juni 1996 en is bekend onder
oordeelnummer: 96-48.
2.3. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 4 juni 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…)(toehoorder)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (hoofd administratie)
– dhr. (…) (toehoorder)
van de kant van de wederpartij in de gevoegde zaak
– dhr. mr. (…) (functionaris ontslagzaken)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster schreef zich in september 1995 in bij het arbeidsbureau te
Emmen voor de functie van commercieel medewerker in verband met een vacature
bij de wederpartij. De wederpartij zocht een commercieel
medewerker/PR-functionaris die tevens in staat zou zijn de calculatie te
verzorgen inzake gas-, water- en riooltransport bij het TGV-project in
Frankrijk. Kandidaten dienden de Franse taal vloeiend te kunnen schrijven en
spreken.
De vacature werd onder meer in behandeling genomen door het arbeidsbureau te
Coevorden (hierna: het arbeidsbureau).
3.2. De vacature is uiteindelijk uit het vacaturebestand van het
arbeidsbureau verwijderd, omdat het arbeidsbureau geen kandidaten kon vinden
die in de ogen van de wederpartij geschikt waren voor de functie.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster voldoet aan alle functie-eisen die door de wederpartij werden
gesteld. Toch heeft verzoekster geen officiële uitnodiging gehad voor een
sollicitatiegesprek of op een andere manier gemerkt dat zij een eerlijke kans
kreeg bij de sollicitatieprocedure.
3.4. Verzoekster heeft ook via een uitzendbureau haar belangstelling getoond
voor een gelijke functie. Door dit uitzendbureau werd verzoekster meegedeeld
dat de betreffende werkgever absoluut geen vrouw zou accepteren omdat een
vrouw die de functie eerder vervulde ontslag had genomen toen zij zwanger
was. Verzoekster weet niet zeker of het om hetzelfde bedrijf gaat, maar
vermoedt dat dat wel zo is.
3.5. Toen verzoekster bij het arbeidsbureau informeerde naar de stand van
zaken, werd haar meegedeeld dat de voorkeur uitging naar een man en dat de
procedure nog steeds liep. Er was tot dan toe een officiële afwijzing geweest
door de wederpartij. Een man van 34 jaar was door het arbeidsbureau voor een
gesprek naar de wederpartij gestuurd en hij was afgewezen omdat hij te oud
was.
3.6. Enkele dagen later nam verzoekster opnieuw contact op met het
arbeidsbureau. Daarbij werd verzoekster bevestigd dat zij aan de
functie-eisen voldeed. Verzoekster werd echter niet in contact gebracht met
de wederpartij. Het arbeidsbureau gaf hiervoor als reden dat de wederpartij
absoluut geen vrouw wilde hebben. Het arbeidsbureau gaf aan dat elke vrouw
die voor een gesprek naar de wederpartij zou worden gestuurd, zou worden
afgewezen.
3.7. Uiteindelijk verzocht verzoekster het arbeidsbureau haar de naam van de
wederpartij te noemen, zodat zij zelf contact op zou kunnen nemen met de
wederpartij. Dit werd door het arbeidsbureau echter geweigerd in verband met
de privacy van de wederpartij.
3.8. Verzoekster is van mening dat zij in de sollicitatieprocedure geen
eerlijke kans heeft gekregen. Naar haar mening is er duidelijk sprake van
onderscheid op grond van geslacht. De wederpartij geeft duidelijk aan dat een
vrouw niet gewenst is in het bedrijf, maar uit niets blijkt dat een vrouw de
functie niet zou kunnen vervullen.
3.9. De wederpartij stelt het volgende.
Niet de wederpartij, maar het uitzendbureau en het arbeidsbureau hebben
verzoekster afgewezen. De wederpartij kende verzoekster niet tot het moment
dat de Commissie contact opnam met de wederpartij. De wederpartij had reeds
in juli 1995 een mannelijke kandidaat aangenomen die via een uitzendbureau
(als enige) was voorgesteld voor de functie. Er was ook contact geweest met
het arbeidsbureau over enkele mogelijke kandidaten, maar die waren om
verschillende redenen niet geschikt.
3.10. De wederpartij is overigens op basis van de beschikbare gegevens van
mening dat verzoekster niet aan de functie-eisen voldeed. De wederpartij
zocht iemand die voldeed aan de volgende eisen:
– administratieve projectbegeleiding;
– commerciële buiten/binnendienst activiteiten gericht op de Franse markt
voor projecten in grondwerk, utiliteitsbouw en landbouw;
– kennis van het Frans in woord en geschrift;
– met technische en agrarische achtergrond.
Daarbij is het geslacht van de kandidaat niet relevant. Wel werken in de
sector vrijwel alleen mannen, maar dat was geen reden om weer een man te
zoeken. Een dergelijke voorkeur is niet geuit.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster af te wijzen
voor de functie van commercieel medewerker in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling heeft gehandeld.
4.2. In dit verband is artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid (hierna: WGB) van belang. Dit artikel bepaalt
dat het niet is toegelaten om bij de behandeling bij de vervulling van een
openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
4.3. De eerste vraag die voorligt is of het feit dat verzoekster vrouw is een
rol heeft gespeeld bij de afwijzing voor de functie van commercieel
medewerker. De wederpartij stelt dat haar de persoon van verzoekster in het
geheel niet bekend is. Zij heeft bij de vervulling van de vacature
uitsluitend gelet op de vereiste kennis en capaciteiten, waarbij met name de
technische kennis van belang werd geacht. Daarbij is geen voorkeur geuit voor
kandidaten van het mannelijk geslacht.
Verzoekster noch de wederpartij in de gevoegde zaak hebben aan kunnen tonen,
dan wel aannemelijk kunnen maken dat dit wel het geval is.
Daarmee kan ook niet gesteld worden, dat de wederpartij in strijd met artikel
3 lid 1 WGB onderscheid heeft gemaakt naar geslacht bij de vervulling van de
vacature voor commercieel medewerker/ PR-functionaris.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat (…) te Coevorden jegens
mevrouw (…) te Den Haag geen onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als
bedoeld in artikel
3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is via een uitzendbureau werkzaam geweest bij de wederpartij.
Toen verzoekster vertelde dat zij Jehovah’s Getuige was, heeft de wederpartij
te kennen gegeven dat er dan voor haar geen mogelijkheden waren om bij de
wederpartij te blijven werken.
De wederpartij heeft verklaard dat in het onderhavige geval sprake was van
een gezagsrelatie. Op grond daarvan is de Commissie van oordeel dat het in
artikel 5 eerste lid AWGB gestelde verbod geldt jegens de wederpartij.
Ten aanzien van de vraag of de arbeidsverhouding is beëindigd door
verzoekster zelf dan wel door de wederpartij, stelt de Commissie vast dat de
getuige, op grond van direct contact met de wederpartij, de verklaring van
verzoekster dienaangaande bevestigt. Op grond hiervan acht de Commissie het
aannemelijk dat de arbeidsverhouding door de wederpartij is beëindigd.
De stelling van verzoekster, dat de directeur van de wederpartij gezegd zou
hebben dat verzoekster vanwege haar geloofsovertuiging niet meer als
uitzendkracht bij de wederpartij mocht werken, is ter zitting door de getuige
bevestigd. Deze heeft immers verklaard dat de directeur dit tijdens hun
telefoongesprek ook tegen haar heeft gezegd.
De directeur van de wederpartij heeft verklaard dat hij de geloofsovertuiging
van verzoeker te sterk vindt afwijken van die van zichzelf en het overige
personeel, en te vrezen dat deze verschillen tot spanningen en conflicten
binnen het bedrijf zullen leiden.
De directeur maakt daarom bezwaar tegen het in vaste dienst nemen van
Jehovah’s Getuigen in de binnendienst. Hij heeft voorts verklaard beëindiging
van de arbeidsrelatie op die grond niet als discriminatie te beschouwen.
Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien,
acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat de wederpartij de
uitzendrelatie met verzoekster heeft beëindigd op grond van haar
geloofsovertuiging,
Nu de wederpartij bij de beëindiging rechtstreeks heeft verwezen naar
verzoeksters geloofsovertuiging heeft zij direct onderscheid gemaakt op grond
van godsdienst.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 22 november 1995 verzocht mevrouw (…) te Alphen aan den Rijn
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of(…) te Alphen aan den Rijn
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van godsdienst
heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).
1.2. Verzoekster is via een uitzendbureau werkzaam geweest bij de
wederpartij. Toen verzoekster vertelde dat zij Jehovah’s Getuige was, heeft
de wederpartij te kennen gegeven dat er dan voor haar geen mogelijkheden
waren om bij de wederpartij te blijven werken. Verzoekster is van mening dat
de wederpartij, door de arbeidsverhouding te beëindigen vanwege haar
geloofsovertuiging, onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.
2.2. De wederpartij is een beheersmaatschappij, die het management en de
administratie uitvoert van twee werkmaatschappijen.
Verzoekster heeft in haar verzoek een van de werkmaatschappijen, (…) te
Alphen aan de Rijn (hierna: de werkmaatschappij), als wederpartij aangewezen.
In de loop van de procedure heeft verzoekster bij brief van 29 maart 1996, de
beheersmaatschappij, als wederpartij aangewezen.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en zijn
vervolgens opgeroepen voor een zitting op 3 juni 1996. Tevens is voor deze
zitting mevrouw (…) (intercedente uitzendbureau) opgeroepen als getuige.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mevrouw (…) (verzoekster)
– mevrouw J.M. Silversmith (coördinator van Stichting Haags Meld- en
Registratiepunt Discriminatiezaken)
van de kant van de wederpartij
– de heer (…) (directeur)
– de heer mr. M.M. Jobse (advocaat te Alphen aan den Rijn)
als getuige
– mevrouw (…) (intercedente uitzendbureau Randstad te Alphen aan den Rijn)
van de kant van de Commissie
– mevrouw mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– de heer mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– de heer drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mevrouw mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie, waarvan de
leden als vermeld onder 2.3. deel uitmaken.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster heeft van 5 tot en met 18 oktober 1995 via een uitzendbureau
administratieve werkzaamheden bij de wederpartij verricht. Zij functioneerde
naar tevredenheid. Verzoekster is Jehovah’s Getuige.
3.2. Bij de wederpartij zijn vier werknemers in dienst: de directeur, zijn
echtgenote, een projectleider en een administratieve kracht. Laatstgenoemde
functie werd door verzoekster vervuld. De directeur van de wederpartij en
zijn echtgenote zijn Nederlands Hervormd op gereformeerde grondslag.
3.3. Op 16 oktober 1995 vertelde de directeur van de wederpartij verzoekster
dat zijn zoontje jarig was. Verzoekster heeft hem hier niet mee
gefeliciteerd. Op het moment dat haar een traktatie werd aangeboden heeft zij
deze afgeslagen. Die middag vroeg de directeur of zij Jehovah’s Getuige was.
Daar heeft verzoekster bevestigend op geantwoord.
De directeur heeft haar meegedeeld dat hij bezwaar had tegen
Jehovah’s Getuigen binnen zijn bedrijf. Verzoekster vroeg hem of
hij discrimineerde. Daarop antwoordde hij dat hij dit zelf niet als
discriminatie beschouwde, maar dat hij -als verzoekster dat wel als zodanig
kenmerkte- in haar visie inderdaad discrimineerde. De directeur gaf haar
voorts te kennen dat hij vond dat verzoekster hem meteen had moeten zeggen
dat ze Jehovah’s Getuige was, althans dat hij dat prettig had gevonden.
3.4. Verzoekster is vervolgens naar het uitzendbureau gegaan. Daar heeft zij
van bovenstaande gebeurtenissen verslag gedaan aan de intercedente. De
volgende dag is zij naar haar werk gegaan.
’s Avonds heeft telefonisch contact plaatsgevonden tussen verzoekster en de
directeur. Verzoekster heeft tijdens dat gesprek gevraagd of de directeur bij
zijn standpunt bleef.
Dat heeft de directeur bevestigd.
Verzoekster heeft hierover het uitzendbureau ingelicht.
De intercedente van het uitzendbureau heeft hierna telefonisch contact
opgenomen met de directeur. Deze herhaalde zijn bezwaar tegen werknemers die
Jehovah’s Getuigen zijn, en gaf te kennen dat dit niet voor de `buitendienst’
gold.
De standpunten van partijen
3.5. Verzoekster stelt allereerst ten aanzien van het wijzigen van de
wederpartij het volgende.
Gebleken is dat verzoekster in dienst was van de wederpartij en niet van de
werkmaatschappij. Dat de laatste aanvankelijk is aangewezen als wederpartij
is het gevolg van verwarring, die is ontstaan doordat verzoekster de telefoon
altijd moest opnemen met de naam van de werkmaatschappij.
3.6. Ten aanzien van de inhoud van haar klacht stelt verzoekster het
volgende.
Toen zij vertelde dat zij Jehovah’s Getuige was, zei de directeur dat hij een
verschrikkelijke hekel aan Jehovah’s Getuigen had en dat er daarom voor
verzoekster geen verdere toekomst binnen zijn bedrijf was weggelegd.
Tijdens het telefoongesprek dat ’s avonds plaats vond, heeft de
directeur meegedeeld dat zij niet meer hoefde te komen vanwege haar geloof.
De wederpartij handelt daarmee in strijd met de AWGB.
3.7. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij stelt zich primair op het standpunt dat
verzoekster niet ontvankelijk is in haar klacht, omdat zij de
werkmaatschappij als wederpartij heeft aangemerkt waar ze niet werkzaam is
geweest. Vervolgens heeft zij lopende de procedure de beheersmaatschappij als
wederpartij aangewezen. De wederpartij verwijst, bij gebreke aan expliciete
bepalingen daarover in de regelgeving met betrekking tot gelijke behandeling,
naar de onmogelijkheid hieromtrent in het burgerlijk procesrecht en het
bestuursprocesrecht. Bovendien acht de wederpartij bij verzoekster bekend dat
zij arbeid ten behoeve van de beheersmaatschappij verrichtte.
De wederpartij is van mening dat in deze zaak van onderscheid bij de
vervulling van een openstaande betrekking, dan wel het aangaan of beëindigen
van een arbeidsrelatie geen sprake is, aangezien verzoekster in dienst was
van een uitzendbureau.
Er was tussen partijen wel sprake van een gezagsverhouding.
Voor zover er echter al sprake zou zijn van het aangaan c.q. beëindigen van
een arbeidsrelatie tussen verzoekster en de wederpartij, kan de wederpartij
-gelet op de omvang van het personeelsbestand- de bevoegdheid niet ontzegd
worden om
personeelsleden te selecteren die passen in de levensbeschouwing die binnen
het bedrijf wordt aangehangen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 9
van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele
Vrijheden (verder: EVRM) en kan niet beperkt worden door nationale wetgeving,
behoudens ten gunste van de bescherming van de rechten en vrijheden van
anderen. De vrijheid van verzoekster is hier niet in het geding.
3.8. De directeur van de wederpartij en zijn echtgenote beogen aan hun
reformatorische geloofsovertuiging ook binnen het bedrijf gestalte te geven.
Bij de werving en selectie van personeelsleden nemen zij deze beginselen als
leidraad. Alle aan het bedrijf verbonden medewerkers hebben een christelijke
geloofsovertuiging. Levensbeschouwingen, die daar sterk van afwijken, kunnen
-met name gelet op de omvang van het personeelsbestand- tot spanningen leiden
en een vruchtbare samenwerking in de weg staan. De wederpartij betwist dat
hij gezegd zou hebben dat hij een hekel aan Jehovah’s Getuigen heeft.
De wederpartij beschouwt haar bedrijf niet als een instelling op
godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag in de zin van artikel 5 lid 2
onderdeel a van de AWGB.
De wederpartij vraagt tijdelijke arbeidskrachten, welke in de regel gedurende
twee a drie maanden in dienst zijn, niet naar hun levensovertuiging. Het zijn
van Jehovah’s Getuige zou voor verzoekster dan ook geen consequenties hebben
gehad. Dat de directeur telefonisch zou hebben meegedeeld dat verzoekster
niet meer hoefde te komen, betwist de wederpartij dan ook uitdrukkelijk. De
directeur heeft slechts meegedeeld, dat er voor verzoekster in de toekomst
geen mogelijkheden zouden zijn binnen het bedrijf. Verzoekster heeft zelf een
einde gemaakt aan de arbeidsverhouding.
3.9. De getuige is intercedente bij het uitzendbureau. Zij stelt het
volgende.
Op 16 oktober 1995 vertelde verzoekster haar wat er bij de wederpartij was
voorgevallen. De directeur had de getuige meegedeeld dat hij liever geen
Jehovah’s Getuigen in zijn bedrijf wilde. Verzoekster is de volgende dag
gewoon naar haar werk gegaan. Op 18 oktober 1995 belde verzoekster de getuige
op en vertelde dat zij niet meer bij de wederpartij terug hoefde te komen. De
getuige heeft die dag telefonisch contact opgenomen met de wederpartij. De
directeur van de wederpartij zei dat verzoekster, omdat ze Jehovah’s Getuige
is, niet meer terug hoefde te komen.
Deze geloofsovertuiging strookte niet met zijn opvattingen en binnen zijn
team paste niet iemand met zo’n geloofsovertuiging. Wanneer verzoekster in de
buitendienst zou hebben gewerkt zou haar geloofsovertuiging niet
problematisch geweest zijn.
Hij vond dat er geen sprake was van discriminatie aan zijn kant.
4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
op grond van godsdienst heeft gemaakt als bedoeld in de AWGB.
4.2. Allereerst zal worden ingegaan op het ontvankelijkheidsverweer.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij er aanvankelijk vanuit was gegaan dat
zij in dienst was van de werkmaatschappij, dit onder meer omdat zij de
telefoon met de naam van dit bedrijf moest aannemen.
Gelet op die omstandigheid acht de Commissie het aannemelijk dat de onjuiste
aanduiding van wederpartij berust op een misverstand bij verzoekster.
Geconstateerd moet worden dat dit misverstand is ontstaan door de opdracht
van de wederpartij om de telefoon op te nemen met de naam van de
werkmaatschappij. Voorts moet worden geconstateerd dat het voor de
wederpartij kennelijk duidelijk was dat de klacht op haar betrekking had en
niet op de werkmaatschappij. Dat de wederpartij door deze vergissing is
geschaad in haar mogelijkheden om verweer te voeren, is dan ook niet
aannemelijk. Nu bepalingen in de AWGB en het Besluit Werkwijze Commissie
gelijke behandeling (Stb. 606) voorts niet aan het wijzigen van wederpartij
hangende de procedure in de weg staan, verwerpt de Commissie het verweer van
de wederpartij en oordeelt dat verzoekster ontvankelijk is in haar klacht.
4.3. In geding is de vraag of de wederpartij bij de beëindiging van de
arbeidsverhouding onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt als
bedoeld in de AWGB.
Artikel 5 eerste lid onderdeel b AWGB bepaalt onder meer dat het maken van
onderscheid verboden is bij de beëindiging van een arbeidsverhouding.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet onder meer toeziet op onderscheid tussen
personen op grond van godsdienst.
Genoemd artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. Onder direct onderscheid wordt verstaan
onderscheid dat verwijst naar een van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden. Indirect onderscheid is onderscheid, dat op grond van
andere hoedanigheden of gedragingen dan godsdienst direct onderscheid op
grond van godsdienst tot gevolg heeft.
Voor wat betreft direct onderscheid geldt dat elk direct onderscheid verboden
is, tenzij in de AWGB een specifieke uitzondering is gemaakt. De
uitzonderingen voor de discriminatiegrond godsdienst in arbeidsverhoudingen,
genoemd in artikel 5 tweede lid AWGB, zijn in deze zaak niet aan de orde.
4.4. Ten aanzien van het verweer van de wederpartij dat geen sprake was van
een arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en de wederpartij omdat
verzoekster haar arbeid verrichtte door bemiddeling van een uitzendbureau,
overweegt de Commissie het volgende.
Blijkens de wetsgeschiedenis (Memorie van Antwoord, Tweede Kamer, 1991-1992,
22014, nr. 5, blz 79.) moet het begrip `arbeidsverhouding’ ruim worden
uitgelegd: de formulering van artikel 5 eerste lid betekent dat de AWGB niet
slechts van toepassing is op een arbeidsovereenkomst, maar op iedere
verhouding waarin een persoon onder gezag van een ander arbeid verricht. De
wederpartij heeft verklaard dat in het onderhavige geval sprake was van een
gezagsrelatie. Op grond daarvan is de Commissie van oordeel dat het in
artikel 5 eerste lid AWGB gestelde verbod geldt jegens de wederpartij.
4.5. Ten aanzien van de vraag of de arbeidsverhouding is beëindigd door
verzoekster zelf dan wel door de wederpartij, stelt de Commissie vast dat de
getuige, op grond van direct contact met de wederpartij, de verklaring van
verzoekster dienaangaande bevestigt. Op grond hiervan acht de Commissie het
aannemelijk dat de arbeidsverhouding door de wederpartij is beëindigd.
Met betrekking tot de vraag of bij deze beëindiging het geloof van
verzoekster een rol heeft gespeeld overweegt de Commissie het volgende.
De stelling van verzoekster, dat de directeur van de wederpartij gezegd zou
hebben dat verzoekster vanwege haar geloofsovertuiging niet meer als
uitzendkracht bij de wederpartij mocht werken, is ter zitting door de getuige
bevestigd. Deze heeft immers verklaard dat de directeur dit tijdens hun
telefoongesprek ook tegen haar heeft gezegd.
De directeur van de wederpartij heeft verklaard dat hij de geloofsovertuiging
van verzoeker te sterk vindt afwijken van die van zichzelf en het overige
personeel, en te vrezen dat deze verschillen tot spanningen en conflicten
binnen het bedrijf zullen leiden.
De directeur maakt daarom bezwaar tegen het in vaste dienst nemen van
Jehovah’s Getuigen in de binnendienst. Hij heeft voorts verklaard beëindiging
van de arbeidsrelatie op die grond niet als discriminatie te beschouwen.
Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien,
acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat de wederpartij de
uitzendrelatie met verzoekster heeft beëindigd op grond van haar
geloofsovertuiging,
Nu de wederpartij bij de beëindiging rechtstreeks heeft verwezen naar
verzoeksters geloofsovertuiging heeft zij direct onderscheid gemaakt op grond
van godsdienst.
4.6. Ten aanzien van het beroep van de wederpartij op artikel 9 van het
Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele
Vrijheden (EVRM) merkt de Commissie op dat dit Verdrag bij de afwegingen van
de wetgever ten tijde van de totstandkoming van de AWGB is betrokken.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Alphen aan den Rijn
jegens mevrouw (…) te Alphen aan den Rijn direct onderscheid op grond van
godsdienst heeft gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding zoals
bedoeld in artikel 5 lid 1 onderdeel b van de Algemene wet gelijke
behandeling en derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mevrouw mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), de heer mr. L.M.Moerings (lid Kamer), de heer drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mevrouw mr.D. Jongsma (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van receptionist(e). De
wederpartij heeft afwijzend op de sollicitatie van verzoekster gereageerd.
Deze afwijzing was gebaseerd op het feit dat de wederpartij een man wilde
aanstellen, in verband met de samenstelling van het team en de eventuele
opvang van incidentele nachtdiensten.
De wederpartij doet geen expliciet beroep op een van de wettelijke
uitzonderingsgronden. Voor zover het verweer van de wederpartij is aan te
merken als een beroep op de geslachtsbepaaldheid van de functie of de
bescherming van de vrouw het volgende.
De wederpartij stelt dat de receptionist(e) te maken krijgt met dronken
gasten en passanten. Om adequaat om te gaan met dronken gasten of andere
moeilijke personen hoeft men niet van een bepaald geslacht te zijn. Er zullen
zowel mannen als vrouwen zijn die met dergelijk personen om weten te gaan. De
Commissie acht de functie van receptionist(e) dan ook niet geslachtsbepaald.
Voor wat betreft de beoordeling van de vraag of een beroep op de bescherming
van de vrouw in deze toelaatbaar is, overweegt de Commissie als volgt.
Het beroep van de wederpartij kan niet slagen aangezien deze
uitzonderingsgrond met name gericht is op de bescherming van de vrouw bij
zwangerschap en moederschap. Een bescherming op geheel andere gronden, in
casu bescherming tegen fysiek geweld valt hier niet onder. In dit verband
wijst de Commissie op het arrest van het Hof van Justitie van de EG waarin is
uitgesproken dat het verbieden van nachtarbeid niet gerechtvaardigd kan
worden met een beroep op de noodzakelijke bescherming van vrouwen (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, 25 juli 1991, Stoeckel, zaaknummer
C-345/89, RN 1991, nr. 203).

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 februari 1996 verzocht mevrouw (…) te Eindhoven (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Best (hierna: de
wederpartij) onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster heeft gesolliciteerd naar de functie van receptionist(e). De
wederpartij heeft afwijzend op de sollicitatie van verzoekster gereageerd.
Deze afwijzing was gebaseerd op het feit dat de wederpartij een man wilde
aanstellen, in verband met de samenstelling van het team en de eventuele
opvang van incidentele nachtdiensten.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en aanvankelijk
een onderzoek ingesteld volgens de normale procedure. Na ontvangst van de
reactie van de wederpartij op het verzoekschrift, heeft de voorzitter van de
Commissie, op grond van artikel 31 van het Besluit werkwijze Commissie,
gezien het feit dat sprake was van kennelijk onderscheid, besloten de normale
procedure om te zetten in de vereenvoudigde procedure. De wederpartij is
eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van verzoekster te
reageren.
2.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij is een hotel. Verzoekster heeft gesolliciteerd bij de
wederpartij naar de functie van receptionist(e). Na het houden van een
tweetal sollicitatiegesprekken met verzoekster, heeft de wederpartij
verzoekster afgewezen voor de bovengenoemde functie. In haar brief d.d. 30
oktober 1995 deelde de wederpartij onder meer aan verzoekster mee, dat haar
ervaring en enthousiasme goed aansloten bij een functie binnen de organisatie
van de wederpartij. In verband met de samenstelling van het team en de
eventuele opvang van incidentele nachtdiensten, was de weder-partij echter op
zoek naar een mannelijke kandidaat voor de onderhavige functie.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Zij is van mening dat zij op grond van haar geslacht ongelijk is behandeld.
Verzoekster vraagt zich af of de wederpartij een voorkeur mag hebben voor een
mannelijke kandidaat. Zij is van mening dat de wederpartij, voorafgaand aan
de sollicitatie-gesprekken, beter op de hoogte had moeten zijn van de aan de
kandidaat te stellen eisen. De teleurstelling van verzoekster over de
afwijzing was groot mede doordat de wederpartij, in haar afwijzingsbrief,
stelde dat verzoekster wel over voldoende ervaring voor een functie binnen
haar organisatie beschikte.
3.3. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Zij ontkent dat zij
jegens verzoekster onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. Tevens
betreurt de wederpartij het dat verzoekster haar afwijzing voor de
onderhavige functie als ongelijke behandeling heeft opgevat, aangezien het
niet haar intentie is geweest om ongelijk te behandelen.
In verband met het feit dat verzoekster in de functie van receptionist(e) ook
tijdens nachtdiensten zou moeten werken, gaf de wederpartij er de voorkeur
aan deze functie door een mannelijke kandidaat te laten vervullen. De reden
hiervoor is het feit dat regelmatig passanten en dronken gasten in het hotel
komen, die de daar aanwezige receptionist(e) lastig kunnen vallen. Gedurende
de nachtdiensten (00.30 – 06.00 uur) is slechts een receptionist(e)
zelfstandig verantwoordelijk voor het hotel en de gasten die er overnachten.
Gedurende deze uren zijn er verder geen medewerkers in het hotel aanwezig.
Pas nadat de gesprekken met verzoekster hadden plaatsgevonden bleek dat het,
vanwege budgettaire redenen, niet mogelijk was verzoekster alleen overdag te
laten werken.
Daarnaast ging de wederpartij er bij haar beslissing verzoekster af te
wijzen, per abuis, van uit dat het wettelijk niet is toegestaan nachtdiensten
te laten verrichten door een enkel vrouwelijk personeelslid.
4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van de functie van receptionist(e) jegens verzoekster direct
onderscheid maakte naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.
De wederpartij heeft verzoekster afgewezen voor de functie van
receptionist(e) in verband met haar voorkeur voor een mannelijke kandidaat,
gezien de samenstelling van het team en de eventuele opvang van incidentele
nachtdiensten.
Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) verbiedt
onder meer het maken van onderscheid tussen mannen en vrouwen bij de
behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.
De wettelijke uitzonderingen op het gebod van gelijke behandeling zijn de
volgende.
– Voorkeursbeleid voor vrouwen.
Krachtens artikel 5 lid 1 WGB mag van het verbod om onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen worden afgeweken in geval van een voorkeursbeleid
voor vrouwen.
– Geslachtsbepaaldheid van de functie.
Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt onder meer dat voor zover het betreft de toegang
tot beroepsactiviteiten, van artikel 3 WGB mag worden afgeweken in die
gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de
betreffende beroepsactiviteit het geslacht bepalend is voor de functie.
– Bescherming van de vrouw.
In artikel 2, lid 2 sub b AWGB wordt onder meer bepaald dat het verbod van
onderscheid op grond van geslacht niet geldt in gevallen waarin het de
bescherming van de vrouw betreft, met name in verband met zwangerschap en
moederschap.
De Commissie overweegt dat bij de toetsing of een concreet geval valt binnen
de termen van de uitzonderingen op het gebod van gelijke behandeling, deze
uitzonderingen in het algemeen restrictief dienen te worden uitgelegd,
teneinde te voorkomen dat het gebod te zeer wordt uitgehold (Zie Commissie
gelijke behandeling, 4 december 1995, oordeelnummer: D34v-95-55).
4.2. De wederpartij doet geen expliciet beroep op een van de wettelijke
uitzonderingsgronden. Voor zover het verweer van de wederpartij is aan te
merken als een beroep op de geslachts-bepaaldheid van de functie of de
bescherming van de vrouw het volgende.
Voor wat betreft de vraag of hier sprake is van een geslachts- bepaalde
functie, overweegt de Commissie als volgt.
De wederpartij stelt dat de receptionist(e) te maken krijgt met dronken
gasten en passanten. Om adequaat om te gaan met dronken gasten of andere
moeilijke personen hoeft men niet van een bepaald geslacht te zijn. Er zullen
zowel mannen als vrouwen zijn die met dergelijk personen om weten te gaan. De
Commissie acht de functie van receptionist(e) dan ook niet geslachtsbepaald.
Voor wat betreft de beoordeling van de vraag of een beroep op de bescherming
van de vrouw in deze toelaatbaar is, overweegt de Commissie als volgt.
Het beroep van de wederpartij kan niet slagen aangezien deze
uitzonderingsgrond met name gericht is op de bescherming van de vrouw bij
zwangerschap en moederschap. Een bescherming op geheel andere gronden, in
casu bescherming tegen fysiek geweld valt hier niet onder (Zie Commissie
gelijke behandeling voor mannen en vrouwen bij de arbeid, 6 december 1989,
oordeelnummer: 3089-89-14). In dit verband wijst de Commissie op het arrest
van het Hof van Justitie van de EG waarin is uitgesproken dat het verbieden
van nachtarbeid niet gerechtvaardigd kan worden met een beroep op de
noodzakelijke bescherming van vrouwen (Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, 25 juli 1991, Stoeckel, zaaknummer C-345/89, RN 1991, nr.
203).
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Best onderscheid heeft
gemaakt jegens mevrouw (…) te Eindhoven en daarmee in strijd heeft
gehandeld met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij in de functie van serveerster.
Verzoekster verdiende minder dan een mannelijke collega, de heer (…)
hierna: de maatman), die dezelfde functie bekleedde. Verzoekster is van
mening dat zij ten onrechte minder beloning ontving. Verzoekster stelt dat de
wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld.
Onbetwist is dat de feitelijk uitgeoefende functies van verzoekster en de
maatman van gelijke waarde waren. De wederpartij heeft de functies ook
gelijkelijk volgens de CAO ingedeeld. De Commissie heeft dit bij haar verdere
onderzoek als uitgangspunt genomen.
De wederpartij voert aan dat het verschil in beloning tussen verzoekster en
maatman wordt veroorzaakt door:
a. het verschil in leeftijd;
b. het verschil in werkervaring;
c. het verschil in toekomstige verantwoordelijkheden.
De Commissie komt tot het oordeel dat een verschil in leeftijd hier derhalve
geen verschil in beloning rechtvaardigt. Beiden hadden derhalve ervaring, zij
het op verschillende punten. Niet aannemelijk is, dat de ervaring van de
maatman waardevoller was, zodat een hogere beloning niet gerechtvaardigd is.
De Commissie beschouwt de loutere verwachting dat iemand in de toekomst meer
verantwoordelijkheden zou kunnen krijgen niet als voldoende rechtvaardiging
voor een voortdurend verschil in beloning, waar de feitelijke werkzaamheden
gelijk zijn gebleven.
Het geheel in beschouwing nemend merkt de Commissie op, dat de wijze waarop
de wederpartij de beloning van haar werknemers vaststelt, niet op een
inzichtelijke wijze gebeurt. Het beloningssysteem is door deze omstandigheden
niet inzichtelijk en niet toetsbaar. Dit kan ook meer in het algemeen een
risico met zich meebrengen, dat er (ongewild) onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 14 juli 1995 verzocht mevrouw (…) te Den Haag (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of (…) te (…) (hierna: de wederpartij) onderscheid
maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij in de functie van
serveerster. Verzoekster verdiende minder dan een mannelijke collega, de heer
(…) (hierna: de maatman), die dezelfde functie bekleedde. Verzoekster is
van mening dat zij ten onrechte minder beloning ontving. Verzoekster stelt
dat de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
heeft gehandeld.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Aan een
bedrijfskundige van de Inspectiedienst van het Ministerie van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid (hierna: I-SZW) is door de Commissie gevraagd om de
overgelegde netto bedragen van de salarissen naar bruto bedragen om te
rekenen.
2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op
4 juni 1996.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van de verzoekster
– mw. (…)
– dhr. (…) (toehoorder)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– dhr. (…)( afdeling juridische zaken Koninklijk Verbond van Ondernemers in
het Horeca- en Aanverwante Bedrijf)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. A.C. van Doornen (secretaris Kamer)
van de kant van I-SZW
– dhr. S. Bisschop (bedrijfsdeskundige).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij exploiteert een visrestaurant. Verzoekster (geboortedatum
2 december 1968) is van 2 september 1991 tot en met 22 april 1995 bij de
wederpartij in dienst geweest in de functie van serveerster. Verzoekster
begon met een dienstverband van 40 uur per week en werkte vanaf 1 september
1993 tot aan het einde van haar dienstverband 32 uur per week. Verzoekster is
per 22 april 1995 ontslagen. Verzoekster is, in de periode voorafgaand aan
haar dienstverband bij de wederpartij, gedurende een jaar drie avonden per
week werkzaam geweest als kelner in een restaurant. Ook heeft zij als
cassière gewerkt.
3.2. Het bruto salaris (voor de sociale verzekering, omgerekend naar een 40
urige werkweek) per week van verzoekster was in de bovengenoemde periode als
volgt (de door de wederpartij overgelegde netto bedragen zijn door I-SZW
omgerekend naar bruto bedragen):

1991 ƒ 663,41 (netto: ƒ 451,75)
1992 ƒ 665,94 (netto: ƒ 456,50)
1993 ƒ 662,86 (01/01/93 – 01/09/93) (netto: ƒ 458,15)
ƒ 719,86 (01/09/93 – 01/01/94) (netto: ƒ 471,13)
1994 ƒ 722,60 (netto: ƒ 478,56)
1995 ƒ 721,35 (netto: ƒ 484,75)

Als loon in natura ontving verzoekster een (warme) lunch (ten bedrage van ƒ
33 per week).
3.3. De maatman (geboortedatum 9 september 1959) is vanaf 7 januari 1991 bij
de wederpartij in dienst in de functie van serveerder. De maatman heeft een
dienstverband van 40 uur per week.
Het bruto salaris (voor de sociale verzekering) van de maatman per week was
in de bovengenoemde periode als volgt (de door de wederpartij overgelegde
netto-bedragen zijn door I-SZW omgerekend naar bruto-bedragen):

1991 ƒ 748,71 (netto: ƒ 499,65)
1992 ƒ 752,64 (netto: ƒ 504,15)
1993 ƒ 748,70 (netto: ƒ 505,35)
1994 ƒ 751,52 (netto: ƒ 513,05)
1995 ƒ 748,39 (netto: ƒ 519,00)

Als loon in natura ontving de maatman een (warme) lunch (ten bedrage van ƒ 33
per week).
De maatman is, in de periode voorafgaand aan zijn dienstverband bij de
wederpartij, als verkoper werkzaam geweest in een detailhandelbedrijf in vis
en visproducten.
3.4. De functie van zowel verzoekster als de maatman zijn vergelijkbaar met
de functie van medewerker bediening, referentienummer 2.06 (Handboek
referentiefuncties bedrijfstak Horeca). De functie van medewerker bediening
is ingedeeld in functiegroep III van de CAO voor het Horecabedrijf (deze CAO
geldt vanaf 1 januari 1992). Onbetwist is dat het niveau van de functies van
verzoekster en de maatman van gelijke waarde waren. De Commissie heeft deze
functies derhalve niet laten waarderen. In de arbeidsovereenkomst van
verzoekster staat vermeld dat zij is aangenomen in de functie van
serveerster, `(functie volgens bijlage V van de CAO)’.
3.5. Uit het onderzoek naar de door de wederpartij gehanteerde
beloningsmaatstaven is gebleken dat de volgende belonings-maatstaven een rol
spelen:
– de functie-indeling volgens de CAO;
– leeftijd;
– opleiding;
– ervaring;
– (toekomstige) verantwoordelijkheden (doorgroei);
– bekwaamheden.
Uit het door de wederpartij ingevulde vragenformulier van de Commissie blijkt
tevens dat, van de collega’s van verzoekster die ook in de bediening werken,
de mannen meer verdienen dan de vrouwen. Niet is vastgesteld of dat ook
functies van gelijke waarde zijn.
De standpunten van partijen
3.6. Verzoekster stelt het volgende.
Zij is van mening dat zij bij de beloning ongelijk is behandeld op grond van
haar geslacht ten opzichte van de maatman.
Bij het wekelijks `publiekelijk’ uitbetalen van de salarissen ontving de
maatman ongeveer ƒ 75 netto meer dan verzoekster ontving. Een verklaring voor
het verschil in beloning zou de wederpartij niet hebben gegeven. Het verschil
in beloning wordt niet gerechtvaardigd door het feit dat de maatman ouder is
dan zij en meer dienstjaren (buiten de horeca) heeft.
Ook beschikt de maatman niet over werkervaring als kelner, terwijl
verzoekster gedurende een jaar, drie avonden per week, in deze functie in een
restaurant heeft gewerkt.
Naar aanleiding van het feit dat de wederpartij als verklaring voor het
verschil in beloning tussen verzoekster en maatman het verschil in leeftijd
noemt, merkt verzoekster op dat zij nooit een loonsverhoging heeft gehad
vanwege het feit dat zij ouder werd.
Ook stelt verzoekster dat de wederpartij de mannelijke medewerkers standaard
meer betaalt dan de vrouwelijke medewerkers, ongeacht hun leeftijd, opleiding
of werkervaring, terwijl die collega’s vergelijkbare functies vervullen.
3.7. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
Zij ontkent dat zij jegens verzoekster onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt.
Het verschil in beloning tussen verzoekster en de maatman is in eerste
instantie een gevolg van het grote verschil in leeftijd (negen jaar) tussen
beiden. Daarnaast bestaat, mede als gevolg van het leeftijdsverschil, een
groot verschil aan (relevante) werkervaring. Verzoekster heeft, voorafgaand
aan het dienstverband met de wederpartij, als cassière gewerkt. Terwijl de
maatman als verkoper in een detailhandelbedrijf in vis en visproducten heeft
gewerkt. De leeftijd is relevant met het oog op de hoeveelheid werkervaring.
De beloning is onder andere afhankelijk van de ervaring. De leeftijd speelt
hierbij dan een indirecte rol.
Daarbij stelt de wederpartij, dat het mogelijk moet zijn om aan een bepaalde
medewerker, die men graag in dienst wil nemen omdat men hem bijzonder
waardevol acht voor het bedrijf, een hoger salaris te betalen.
Er is geen schriftelijk vastgelegd leeftijdsbeleid. Werknemers krijgen ieder
jaar prijscompensatie. Verhogingen bij functiejaren, als voorzien in artikel
9 lid 2 van de CAO, worden niet toegepast.
Voorts vloeit het verschil in beloning tussen verzoekster en de maatman mede
voort uit het feit dat laatstgenoemde is aangenomen met het voornemen hem in
de toekomst meer verantwoordelijkheden te geven. Als gevolg van bepaalde
gewijzigde omstandigheden heeft deze wijziging in de functie-inhoud niet
plaats gevonden.
Het verschil in beloning is ook een gevolg van een verschil in bekwaamheden,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen verzoekster en maatman.
Overigens is de conclusie van verzoekster, dat mannelijke medewerkers
standaard meer verdienen dan vrouwelijke medewerkers, onjuist.
Naar aanleiding van de vergelijking van verzoekster van haarzelf met enkele
collega’s voert de wederpartij nog het volgende aan. De enige functie die met
de functie van verzoekster te vergelijken is, is de functie van een
vrouwelijke collega aangezien zij dezelfde werkzaamheden,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden hadden. De andere functies van de
collega’s waarmee verzoekster zich vergelijkt, zijn niet vergelijkbaar met
die van verzoekster, aangezien er andere bevoegdheden en
verantwoordelijkheden zijn en als gevolg hiervan ook de beloning anders is.
Tot slot merkt de wederpartij nog op dat zowel verzoekster als de maatman een
salaris verdienen dat ligt boven het salarisniveau dat de CAO voorschrijft.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling bij de
beloning.
4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen
7 tot en met 10 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
bepalen dat een werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen
op het punt van de beloning wanneer zij arbeid van gelijke of nagenoeg
gelijke waarde verrichten. Van gelijke beloning is sprake indien deze is
berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.
4.3. Onbetwist is dat de feitelijk uitgeoefende functies van verzoekster en
de maatman van gelijke waarde waren. De wederpartij heeft de functies ook
gelijkelijk volgens de CAO ingedeeld. De Commissie heeft dit bij haar verdere
onderzoek als uitgangspunt genomen.
Onderzocht is, of bij verzoekster en de maatman gelijkwaardige
beloningsmaatstaven zijn toegepast.
Uit de door de wederpartij opgegeven salarissen van de overige
personeelsleden blijkt dat de mannen meer verdienen dan de vrouwen. De
Commissie heeft aan dit punt in haar onderzoek geen aandacht besteed,
aangezien verzoekster slechts een maatman had aangewezen.
Het verschil in het bruto salaris (voor de sociale verzekering) per week
tussen verzoekster en maatman is bij aanvang van het dienstverband ƒ 85,30 en
per 1 januari 1995 ƒ 27,04. De eerste tweeëneenhalfjaar ligt het verschil
rond de ƒ 80 en de laatste twee jaar ligt het verschil rond de ƒ 30 per week.
De wederpartij voert aan dat het verschil in beloning tussen verzoekster en
maatman wordt veroorzaakt door:
a. het verschil in leeftijd;
b. het verschil in werkervaring;
c. het verschil in toekomstige verantwoordelijkheden.
Met betrekking tot deze beloningsmaatstaven overweegt de Commissie als volgt.
Leeftijd
Beiden zijn ingedeeld in de functie van serveerder/serveerster. Op grond van
het bestaand leeftijdsverschil van negen jaar tussen verzoekster (02/12/1968)
en de maatman (09/09/1959) heeft maatman een hoger aanvangssalaris ontvangen.
Een verschil in leeftijd kan enig verschil in salaris wel rechtvaardigen in
het geval levenservaring van belang is voor de functie. Dat punt acht de
Commissie hier niet aan de orde.
Een verschil in leeftijd rechtvaardigt hier derhalve geen verschil in
beloning.
Werkervaring
Artikel 9, Loon en prijscompensatie, CAO voor het Horecabedrijf luidt:
`2.a. De werkgever is gerechtigd de werknemer bij aanvang van de
dienstbetrekking, bijvoorbeeld op grond van elders verworven kundigheden
en/of ervaring, een hoger schaalsalaris toe te kennen dan het schaalsalaris
bij 0 functiejaren.’
Verzoekster heeft gedurende een jaar, drie avonden per week als kelner in een
restaurant gewerkt. De maatman heeft als verkoper in een detailhandelbedrijf
in vis en visproducten gewerkt.
In de functie-omschrijving van de functie medewerker bediening staat bij de
voornaamste taken/verantwoordelijkheden onder meer vermeld: het bedienen van
gasten, het serveren van gerechten en het opnemen van bestellingen van gasten
alsmede het op verzoek geven van een toelichting op de kaart (…).
Bij het geven van toelichting op de kaart aan de gasten kan de ervaring van
de maatman als verkoper van vis wellicht relevant zijn. De maatman had echter
geen ervaring met de overige in de functie-omschrijving vermelde taken.
Verzoekster daarentegen had ervaring met het werken als serveerster in een
restaurant. Hierdoor had zij meer ervaring met de taken van de functie
medewerker bediening dan de maatman.
Beiden hadden derhalve ervaring, zij het op verschillende punten. Niet
aannemelijk is, dat de ervaring van de maatman waardevoller was, zodat een
hogere beloning niet gerechtvaardigd is.
Ook wanneer de wederpartij wel aannemelijk zou kunnen maken, dat de ervaring
van de maatman voor hem belangrijker was dan die van de verzoekster, dan kan
dat verschil in ervaring bij de aanvang van de dienstbetrekking een
rechtvaardiging zijn voor een verschil in beloning, maar niet over de gehele
periode dat verzoekster in dienst was. In eerdere oordelen heeft de Commissie
(evenals de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid) al gesteld dat het op de weg van de werkgever ligt om van geval tot
geval en van tijd tot tijd na te gaan, of een verschil in ervaring bij
indiensttreding na verloop van tijd nog voldoende rechtvaardiging biedt voor
het laten voortduren van het beloningsverschil. (Zie onder andere: Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 29 oktober 1989,
oordeelnummer: 503-93-42; Commissie gelijke behandeling, 12 februari 1996,
oordeelnummer: D42v-96-8.) In het onderhavige geval is dit niet gebeurd,
terwijl de aard van de functie met zich meebrengt, dat een mogelijk verschil
in ervaring tussen verzoekster en maatman in betrekkelijk korte tijd zou zijn
ingelopen.
De voorgaande overwegingen leiden tot de conclusie dat niet is aangetoond dat
er sprake is van een relevant verschil in ervaring dat voldoende reden is
voor een (voortdurend) verschil in beloning.
Toekomstige verantwoordelijkheden
Verder heeft de wederpartij aangevoerd dat het beloningsverschil wordt
veroorzaakt door het feit dat de maatman is aangenomen met het voornemen hem
in de toekomst meer verantwoordelijkheden te geven. Als gevolg van bepaalde
omstandigheden is dit voornemen niet uitgevoerd. De Commissie beschouwt de
loutere verwachting dat iemand in de toekomst meer verantwoordelijkheden zou
kunnen krijgen niet als voldoende rechtvaardiging voor een voortdurend
verschil in beloning, waar de feitelijke werkzaamheden gelijk zijn gebleven.
4.4. Het geheel in beschouwing nemend merkt de Commissie op, dat de wijze
waarop de wederpartij de beloning van haar werknemers vaststelt, niet op een
inzichtelijke wijze gebeurt. Het beloningssysteem is door deze omstandigheden
niet inzichtelijk en niet toetsbaar. Dit kan ook meer in het algemeen een
risico met zich meebrengen, dat er (ongewild) onderscheid naar geslacht wordt
gemaakt.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Scheveningen
onderscheid naar geslacht als bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek
heeft gemaakt jegens mevrouw (…) door haar lager te belonen dan de heer V.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. Y. Telenga (lidKamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. A.C. van Doornen (secretarisKamer).