Instantie: Gerechtshof Arnhem, 25 juni 1996

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Op 25 oktober 1983 is de echtscheidingsbeschikking van partijen in de registers
van de burgelijke stand ingeschreven. De rechtbank is van mening dat de
termijn van 15 jaar (zoals bepaalt in de Overgangsbepaling van artikel
II lid 2 van de nieuwe limiteringswetgeving) niet eerder kan aanvangen
dan met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding. Dit
zou anders zijn indien de ontbinding vooraf zou zijn gegaan door een scheiding
van tafel en bed, hetgeen hier niet het geval is. De termijn is in casu
gaan lopen vanaf de datum van het echtscheidingsconvenant.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 12
december 1995, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 De partijen worden hierna aangeduid als de man respectievelijk de vrouw.

2.2 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 8 februari
1996, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij
verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en alsnog bij beschikking,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met
ingang van indiening van het inleidend verzoekschrift (3 augustus 1995),
althans met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie
zal vermenen te behoren, met ƒ 1.500,= per maand (bij vooruitbetaling te
voldoen) althans met een zodanig hogere bijdrage dan ƒ 791,20 per maand
als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, dient bij te dragen
in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

2.3 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 1 april 1996, heeft de
man het beroep van de vrouw bestreden. Tevens heeft hij daarbij incidenteel
beroep ingesteld. Hij concludeert in het principaal appel tot niet-ontvankelijkverklaring
van de vrouw in haar vorderingen c.q. afwijzing van het in hoger beroep
gevorderde, met bekrachtiging, zonodig onder aanvulling en/of verbetering
der gronden van de beschikking waarvan beroep en in het incidenteel appel
tot vernietiging van de bestreden beschikking en alsnog
A. de beschikking van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 30 juli
1986 (verbeterd op 20 augustus 1986) te wijzigen aldus dat de bijdrage
van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum
van indiening van het verweerschrift tevens verzoekschrift van de man,
te weten 21 augustus 1995, dan wel met ingang van 12 december 1995, dan
wel met ingang van een door het hof te bepalen datum eerder dan 13 augustus
1997, te bepalen op nihil althans op een zodanig bedrag als het hof in
goede justitie zal vermenen te behoren.
B. de verplichting van de man tot het verstrekken van de uitkering in het
levensonderhoud van de vrouw te eindigen per 13 augustus 1997.

2.4 Daarop heeft de vrouw in het incidenteel beroep een verweerschrift
ingediend, hetwelk op 22 april 1996 ter griffie is ingekomen, waarin zij
concludeert tot afwijzing van het incidenteel appel van de man, hetzij
door niet-ontvankelijkverklaring hetzij door ongegrondverklaring.

2.5 De mondelinge behandeling heeft op 4 juni 1996 plaatsgevonden. Verschenen
zijn partijen, de vrouw bijgestaan door mr (…), advocaat te (….) en
de man bijgestaan door mr (…), advocaat te (…).

2.6 Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een tweetal
brieven met bÿlagen van mr (….) voornoemd van 14 en 28 mei 1996.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van Partijen

3.1. Partijen zijn op 28 maart 1968 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van de
rechtbank te Utrecht van 1 juni 1983 is de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken. Bij dit vonnis is niet, zoals door de vrouw aanvankelijk
gevorderd, alimentatie opgelegd; de vrouw heeft haar oorspronkelijke vordering
dienaangaande ingetrokken omdat de man de woonlasten van de door haar bewoonde
woning zou blijven voldoen. Het vonnis is op 8 september 1983 ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand.

3.2. Partijen zijn in mei 1984 blijkens een door mr Van Blokland voornoemd
opgesteld echtscheidingsconvenant overeengekomen dat de vrouw in de (voormalige)
echtelijke woning zou mogen blijven wonen tegen een door haar aan de man
te betalen vergoeding van ƒ 200,= per maand. Partijen zijn er daarbij van
uit gegaan dat de bij voorlopige voorzieningen bepaalde regeling omtrent
de woonlasten zou doorlopen in die zin dat de man de aan die woning verbonden
lasten zou blijven voldoen.

3.3 Uit het huwelijk van partijen zijn geboren A., op 11 januari 1971,
en M. , op 27 november 1973, over wie de vrouw is benoemd tot voogdes en
de man tot toeziend voogd. Bij beschikking van de rechtbank te Utrecht
van 20 oktober 1983 is bepaald dat de man met ƒ 320,= per kind per maand
zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van beide dochters.
De rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 6 juni 1986 bepaald dat
de voogdij over A. in die zin diende te worden gewijzigd dat de man daarmee
werd belast, terwijl de vrouw tot toeziend voogdes werd benoemd.

3.4 De rechtbank te Utrecht heeft bij beschikking van 30 juli 1986 (verbeterd
op 20 augustus 1986) bepaald dat de man ƒ 650,= per maand diende te voldoen
als uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum
van die beschikking.
Deze bijdrage beloopt ingevolge de wettelijke indexering thans ƒ 759,=
per maand.
Van deze bijdrage hebben beide partijen wijziging gevraagd. De rechtbank
heeft deze verzoeken afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.5 De man is alleenstaande Het inkomen van de man bedraagt thans ƒ 9.132,=
bruto per maand, inclusief vakantiegeld. In 1995 bedroeg dit inkomen ƒ
9.023,= bruto per maand, inclusief vakantietoeslag.

3.6 De lasten van de man bedragen per maand:
– ƒ 900,= aan hypotheekrente;
– ƒ 150,= aan eigenaarslasten;
– ƒ 339,22 aan premie ziektekostenverzekering (in 1995
ƒ 300,30);
– ƒ 1.080,= aan bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten
behoeve van de twee dochters van partijen; met ingang van 1 juli 1996 bedraagt
die bijdrage in totaal ƒ 1.600,= per maand;
– ƒ 1.125,= aan aflossing en rente op schulden.

Ten aanzien van de vrouw

3.7 De vrouw is geboren op 9 juni 1942. Zij is alleenstaand en ontvangt
sinds 1991 een WAO-uitkering van thans ƒ 1.097,57 per maand. Aan kale huur
betaalt zij ƒ 601,25 per maand.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man heeft gesteld dat de vrouw inmiddels in staat moet worden geacht
in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De vrouw heeft dit gemotiveerd
betwist. Zij voert aan dat zij sedert de echtscheiding tussen partijen,
anders dan de man stelt, wel degelijk opleidingen heeft gevolgd en arbeid
heeft verricht, maar dat zij er niet in is geslaagd een zodanige baan te
vinden dat zij daarmee geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien,
terwijl haar ziekte daarvoor bovendien een belemmering vormt. Het hof is
van oordeel dat thans niet te verwachten is dat de vrouw binnen afzienbare
tijd geheel in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De ziekte
van de vrouw is weliswaar niet het gevolg van het huwelijk van partijen,
maar niet aannemelijk is – deze ziekte weggedacht -dat de vrouw zich een
hoger inkomen zou kunnen verwerven dan het inkomen dat zij voor haar WAO-uitkering
verdiende, namelijk ongeveer ƒ 1.300,= bruto per maand.

4.2 Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage
in de kosten van haar levensonderhoud, is daarmee voldoende komen vast
te staan. Het hof stelt die behoefte in redelijkheid op een bedrag van
(maximaal) ƒ 800,= per maand.

4.3 De man stelt dat zijn draagkracht niet langer toereikend is om een
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. De vrouw
stelt daarentegen dat de draagkracht van de man een hogere bijdrage toelaat.

4.4 Het hof gaat uit van een bruto-inkomen aan de zijde van de man van
ƒ 9.132,=, inclusief vakantietoeslag, tegen welk bedrag de vrouw ter zitting
geen verweer meer heeft gevoerd. Voorts wordt voor het jaar 1996 uitgegaan
van een premie ziektekostenverzekering, mede ten. behoeve van de dochter
A., van totaal ƒ 339,22 per maand, welke premie blijkt uit de door de man
overgelegde stukken.

4.5 De vrouw betwist voorts de noodzaak van het krediet bij de RABO-bank
ad ƒ 50.000,= nu dit mede is aangewend voor de aanschaf van een auto, waarvoor
de noodzaak niet is gebleken. De man voert hiertoe aan dat hij altijd de
beschikking heeft gehad over een auto en hij thans in verband met knieklachten
noodzakelijkerwijs is aangewezen op een auto. Voorts stelt hij dat hij
het krediet heeft aangewend om een kleine schuld af te lossen en om hiervan
de advocaatkosten en vaste lasten te betalen.
In het onderhavige geval is voldoende aannemelijk gemaakt dat de man op
medische gronden is aangewezen op een auto, zodat om die reden met het
opgevoerde krediet van ƒ 1.000,= per maand rekening wordt gehouden. Tevens
houdt het hof rekening met de aflossing op de rekening-courant bij de Rabobank,
te weten ƒ 104,= per maand.
De vrouw heeft de noodzaak van de tweede hypotheek ter zitting niet langer
betwist. Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit
van een bedrag van ƒ 900,= per maand.

4.6 De vrouw betwist voorts de hoogte van het eigen risico van de man en
de niet gedekte ziektekosten.
Het hof stelt deze bedragen in redelijkheid op ƒ 125,= per maand.

4.7 Partijen verschillen ook van mening over de noodzaak van de door de
man opgevoerde kosten ter zake van huishoudelijke hulp. De man stelt dat
hij altijd huishoudelijke hulp heeft gehad en dat deze hulp in verband
met zijn knieklachten ook noodzakelijk is.
Het hof is met de rechtbank van mening dat deze kosten in redelijkheid
dienen te worden gesteld op ƒ 150,= per maand, omdat van de man verwacht
mag worden – zeker nu hij niet meer de zorg voor hun dochter heeft – dat
hij een deel van de (lichte) huishoudelijke werkzaamheden zelf verricht.

4.8 De door de man betaalde bijdragen ten behoeve van de dochters van partijen
van ƒ 1.080,= per maand zal het hof als (normale) vaste last bij de bepaling
van het draagkrachtloos inkomen van de man in aanmerking nemen. Met ingang
van 1 juli 1996 wordt rekening gehouden met de door de man gestelde verhoging
van deze bijdrage tot ƒ 1.600,= per maand.

4.9 De man verzoekt voorts de alimentatie in duur te beperken. De vrouw
stelt in dit verband dat de man pas op 30 juli 2001 15 jaar alimentatie
betaalt. Dat de man al bijdroeg in het kader van een voorlopige voorziening
doet hieraan volgens haar niet af. Anders dat de man oordeelt het hof dat
de termijn van 15 jaar als bedoeld in de overgangsbepaling (art. II lid
2 van de Wet van 28 april 1994, Stb 325) niet eerder kan aanvangen dan
met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding. Het gaat
hier immers om de beperking in duur van de onderhoudsverplichting jegens
een gewezen echtgenoot. Die verplichting kan dus niet eerder beginnen dan
ingaande de datum van de ontbinding van het huwelijk. Dit zou anders zijn
als de ontbinding vooraf zou zijn gegaan door een scheiding van tafel en
bed, hetgeen hier niet het geval is.
Het hof is van oordeel dat de termijn van 15 jaar in dit geval is gaan
lopen vanaf de datum van het echtscheidingsconvenant, derhalve vanaf mei
1984 zoals de man subsidiair heeft gevraagd. De door de man vanaf het convenant
tot augustus 1986 verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij
voorraad;
De door de man vanaf het convenant tot augustus 1986 betaalde woonlasten
van de vrouw kunnen immers bezwaarlijk anders worden opgevat dan als alimentatiebetaling,
en partijen hebben dat blijkbaar zelf ook zo opgevat. De termijn is dus
in mei 1999 verstreken. Het hof zal de alimentatie evenwel nu nog niet
in duur beperken tot die datum aangezien de inkomenspositie van de vrouw
nog kan wijzigen, zoals de vrouw heeft aangevoerd en thans dus nog niet
beoordeeld kan worden of die beëindiging dan te ingrijpend zal zijn.

4.10 Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden en gelet op de
fiscale consequenties van een en ander acht het hof de man tot 1 juli 1996
in staat de door de rechtbank te Utrecht bij beschikking van 30 juli 1986
(verbeterd op 20 augustus 1986) opgelegde bijdrage te betalen. Met ingang
van 1 juli 1996 laat zijn draagkracht slechts een bijdrage van ƒ 185,=
per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw toe.

5 De slotsom

5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient de bestreden beschikking
te worden vernietigd voor wat betreft de periode met ingang van 1 juli
1996 en te worden bekrachtigd voor het overige.

5.2 De navolgende beslissing wordt gegeven met compensatie van proceskosten,
nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en in het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 12 december 1995
voor zover die betrekking heeft op de periode met ingang van 1 juli 1996,
en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van 30 juli 1986 (verbeterd op 20 augustus 1986)
van de rechtbank te Utrecht en bepaalt dat de man met ingang van 1 juli
1996 aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen ƒ 185,– per maand,
de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus dat elke partij
de eigen kosten draagt;

Rechters

Mrs Pel, Fokker en Katz-Soeterboek

Instantie: Hof Amsterdam, 25 juni 1996

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Moeder heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik van haar dochtertje door
een nachtwaker in een kindertehuis. Het kindertehuis heeft hierna de
plaatsing van het kind zonder toestemming van haar kinderrechter of
gezinsvoogdes beëindigd, de moeder de toegang tot de instelling ontzegd en
onjuiste gegevens aan politie en openbaar ministerie verstrekt.
Op 12 juli 1995 heeft de rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan. De vorderingen
van eiseres zijn afgewezen. Hoewel de rechter de beëindiging van de plaatsing
van het kind in Beth Palet zonder toestemming daartoe van de Kinderrechter
betiteld als in vergaande mate op eigen gezag en eigenmachtig handelen van
Beth Palet vindt hij dit toch onvoldoende om te spreken van onrechtmatig
handelen of wanprestatie. In hoger beroep wordt deze uitspraak bevestigd.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante, B, is bij exploit van 6 oktober 1995 in hoger beroep gekomen
van een vonnis dat door de arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder
rolnummer H93.3423 tussen partijen is gewezen en dat is uitgesproken op 12
juli 1995, met dagvaarding van geïntimeerde, A, voor dit hof.
1.2. Bij memorie heeft B tegen genoemd vonnis twaalf grieven aangevoerd en
geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en,
opnieuw rechtdoende, de oorspronkelijke vorderingen van B alsnog zal
toewijzen met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide
instanties.
1.3. Bij memorie van antwoord heeft A de grieven bestreden, bewijs
aangeboden, en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal
bekrachtigen met veroordeling van B in de kosten van het hoger beroep.
1.4. Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties
overgelegd aan het hof voor het wijzen van arrest. De inhoud van al deze
stukken geldt als hier ingevoegd.
2. De grieven
Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.
3. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende
weersproken staat, mede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van
de overgelegde bewijsstukken, ten processe het volgende vast:
a. B is de moeder-voogdes van D. D is geboren op 5 november 1985. D is onder
toezicht gesteld. De kinderrechter te Alkmaar heeft haar bij beschikking van
4 augustus 1988 geplaatst in het opvang- en begeleidingscentrum voor ouder en
kind, Beth Palet te Amsterdam. Daar is zij, samen met B, met ingang van 6
augustus 1988 opgenomen.
b. De plaatsing van D in Beth Palet is laatstelijk bij beschikking van 23
oktober 1989 verlengd tot 16 maart 1990.
c. Geïntimeerde is de rechtsopvolgster van de Stichting Beth Palet die
destijds de verantwoordelijkheid droeg voor Beth Palet. De gedragingen van
Beth Palet zijn aan geïntimeerde toe te rekenen.
d. B heeft op 28 november 1989 bij de politie aangifte gedaan van seksueel
misbruik van D door een medewerker van Beth Palet.
e. Bij brief van 1 december 1989 heeft de directeur van Beth Palet aan B met
onmiddellijke ingang de toegang tot Beth Palet ontzegd. Dit brengt, aldus
genoemde brief, met zich mee dat de plaatsing van D op de kindergroep
Binnendoor eveneens met onmiddellijke ingang is beëindigd.
4. Behandeling van de grieven
4.1. De grieven 1, 2 en 3 strekken ten betoge dat Beth Palet onrechtmatig
jegens B heeft gehandeld door B op 1 december 1989 met onmiddellijke ingang
de toegang tot het opvang- en begeleidingscentrum Beth Palet te ontzeggen. B
voert hiertoe aan dat zij, nadat zij van 6 augustus 1988 tot oktober 1989 in
Beth Palet had verbleven ook op 1 december 1989 nog aangewezen was op de hulp
van Beth Palet. Deze hulpverlening werd door het besluit van Beth Palet
abrupt beëindigd. B is met name geschaad doordat op 1 december 1989 de
ambulante hulp vanuit Beth Palet nog doorliep en zij voor haar sociale
contacten volledig van Beth Palet afhankelijk was. Bovendien berustte het
besluit op onterechte gronden, aldus B.
4.2. Hieromtrent geldt het volgende.
4.3. Op 6 augustus 1988 zijn B en haar dochter D samen opgenomen in Beth
Palet. Op dat moment is de hulpverlening door Beth Palet aan moeder en kind
van start gegaan.
4.4. De opname van D in Beth Palet geschiedde op grond van een beschikking
van de kinderrechter in de rechtbank Alkmaar van 4 augustus 1988. Blijkens
die beschikking stond D op 4 augustus 1988 onder toezicht en was de opname in
Beth Palet, met ingang van 6 augustus 1988, noodzakelijk in het belang van
D’s verzorging en opvoeding. Plaatsing geschiedde op grond van telefonische
informatie van de gezinsvoogdes, mevrouw S van de Stichting `Voor jeugd en
gezin’ te Alkmaar. B is over voornoemde plaatsing tevoren niet door de
kinderrechter gehoord. De plaatsing van D is vervolgens een aantal malen door
de kinderrechter verlengd. De laatste verlengingsbeschikking is van 23
oktober 1989; toen is de plaatsing verlengd tot 16 maart 1990. In november
1989 verbleef D overdag in de crèche van Beth Palet; zij sliep twee nachten
per week in Beth Palet en de overige nachten bij B, die inmiddels in het
Centrum van Jeugdhulpverlening HVO woonde.
4.5. De opname van B in Beth Palet op 6 augustus 1988 geschiedde op
vrijwillige basis. Zij heeft daar verbleven van 6 augustus 1988 tot oktober
1989. Op 1 december 1989 verbleef zij in genoemd Centrum van
Jeugdhulpverlening HVO. Begin 1990 heeft zij, met D, een eigen huis
betrokken.
4.6. Zowel de opname van B in Beth Palet als de hulpverlening van Beth Palet
aan B heeft van meet af aan plaats gevonden in het kader van de – gedwongen –
hulpverlening aan D. D was door de kinderrechter onder toezicht gesteld en
dit betekent dat zij met zedelijke of lichamelijke ondergang werd bedreigd en
dus dringend hulp nodig had. De maatregel van ondertoezichtstelling is er op
gericht dergelijke hulp te geven met instandhouding en zo nodig en mogelijk
versterking van de band tussen ouder en kind. In die zin er tevens sprake van
hulpverlening aan de ouders van het kind. Dit geldt ook wanneer het kind,
zoals bij D is gebeurd, in het kader van de ondertoezichtstelling uithuis
wordt geplaatst. In dit bijzondere geval bracht de uithuisplaatsing van D mee
dat ook B in Beth Palet werd opgenomen. Dit betekent dat Beth Palet naast de
– afgeleide – verplichting die zij had jegens B als moeder van het bij haar
geplaatste kind D, ook een afzonderlijke verplichting had jegens B op grond
van het feit dat B, gezien haar verblijf in Beth Palet, bij Beth Palet ook
voor zichzelf hulp ontving.
4.7. Die verplichting eindigde niet op het moment dat B, in oktober 1989, uit
Beth Palet vertrok. Al was de behandelingsovereenkomst tussen Beth Palet en B
in oktober beëindigd dan nog brengt de zorgvuldigheid die een hulpverlenende
instelling als Beth Palet betaamt jegens de personen aan wie zij
hulpverlening, als in nummer 4.6. aangegeven, verstrekt mee dat Beth Palet op
1 december 1989, toen zij het onderhavige besluit nam, rekening diende te
houden met de belangen van B. Dat geldt met name nu vast staat dat er,
ondanks het verblijf van B elders, vrijwel dagelijks contact tussen Beth
Palet en B was in verband met het voortgezette verblijf van D in Beth Palet.
4.8. Het belang van B was echter niet het enige belang dat telde. Bij Beth
Palet verbleven op 1 december 1989 ook andere kinderen dan D en ook andere
ouders dan B. Beth Palet had met de belangen van die anderen rekening dienen
te houden. In het onderhavige geval diende zij het belang van B bij
voortzetting van de contacten met Beth Palet, af te wegen tegen het belang
van bovengenoemde anderen dat, naar in redelijkheid viel te verwachten,
geschaad kon worden door de onrust die was ontstaan in verband met de
ernstige verdenking die B met betrekking tot een medewerker van Beth Palet
had geuit.
4.9. Gelet op het feit dat B op 1 december 1989 niet zelfstandig woonde maar
dat zij in het Centrum voor Jeugdhulpverlening HVO verbleef zodat Beth Palet
er van mocht uitgaan dat B, toen de contacten met Beth Palet werden
verbroken, niet van alle hulp verstoken was en gelet op de zwaarwegende
belangen van de andere kinderen en ouders die onder de hoede van Beth Palet
verbleven, is het hof van oordeel dat Beth Palet in de gegeven omstandigheden
in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om B, terwille van de
noodzakelijke rust binnen Beth Palet, de toegang tot Beth Palet te ontzeggen.
4.10. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat daarbij in het midden
kan blijven of Beth Palet aan B de toegang op terechte dan wel onterechte
gronden heeft ontzegd. Het gaat er bij de beoordeling van de rechtmatigheid
van dit besluit jegens B immers niet om of B zich wel of niet aan wangedrag
jegens Beth Palet heeft schuldig gemaakt, maar of er binnen Beth Palet sprake
was van een verstoring van de orde en de rust, als hierboven (onder nummer
4.8.) aangegeven. Dat laatste is ook door B niet betwist.
4.11. Dit betekent dat de grieven 1, 2, en 3 falen.
4.12. De grieven 4, 5 en 6 stellen de vraag aan de orde of Beth Palet op haar
rustende verplichtingen jegens D heeft geschonden.
4.13. Bij de beantwoording van die vraag stelt het hof voorop dat D in Beth
Palet verbleef op grond van een beschikking tot uithuisplaatsing die de
kinderrechter te Alkmaar, in het kader van de ondertoezichtstelling van D, op
4 augustus 1988 had gegeven. Die beschikking was laatstelijk verlengd op 23
oktober 1989; zij gold nog tot 16 maart 1990.
4.14. Zoals hierboven, sub 4.6. is overwogen, gaat het bij een
ondertoezichtstelling om een justitiële maatregel ter bescherming van een
kind dat in zijn bestaan wordt bedreigd. De gezinsvoogd die bij de
ondertoezichtstelling is benoemd heeft volgens het te dezen toepasselijke –
oude – recht tot taak om, onder leiding van de kinderrechter, toezicht op het
kind te houden en ouder en kind te begeleiden. Deze toezichthoudende taak van
de gezinsvoogd houdt niet op wanneer een kind door de kinderrechter in een
instelling als Beth Palet wordt geplaatst. Op de instelling waar het kind dan
verblijft rust de plicht om in overleg met de gezinsvoogd en de kinderrechter
de feitelijke zorg voor het kind uit te oefenen en daarbij die beslissingen
te nemen die in het belang van het kind noodzakelijk zijn. Voor elke
beslissing geldt dat deze het belang van het kind moet dienen.
4.15. Uit de stukken, in het bijzonder een brief van de kinderrechter te
Alkmaar van 22 januari 1993 en een brief van de gezinsvoogdes van 12 maart
1993, blijkt dat overleg met de gezinsvoogdes niet heeft plaatsgevonden en
dat door de kinderrechter niet vooraf toestemming tot beëindiging van de
plaatsing is gegeven. Het is onder die omstandigheden onaanvaardbaar dat Beth
Palet, terwijl de plaatsingsbeschikking onverkort van kracht was, het
verblijf van D in haar instelling heeft beëindigd. Het argument dat aan B in
verband met de noodzakelijke orde en rust binnen de instelling de toegang
diende te worden ontzegd, kan niet dienen ter rechtvaardiging van de
beslissing van Beth Palet om D eigenmachtig buiten de deur te zetten. Een
dergelijke handelwijze zou alleen gerechtvaardigd jegens D kunnen zijn
indien, in een acute – situatie waarin een beslissing van de kinderrechter
tot beëindiging van de plaatsing niet kon worden afgewacht, verwijdering uit
Beth Palet in het specifieke belang van D dringend geboden was. Van een
dergelijke situatie was in de gegeven omstandigheden geen sprake.
4.16. Met name kan het feit dat het contact tussen Beth Palet en B was
verbroken, de handelwijze van Beth Palet jegens D niet rechtvaardigen. Het
lag immers op de weg en binnen de mogelijkheden van Beth Palet om voor de
praktische problemen die waren ontstaan doordat B niet tot Beth Palet kon
worden toegelaten terwijl D daar nog verbleef, een oplossing te vinden.
4.17. Ook in het feit dat D op 1 december 1989 niet meer permanent in Beth
Palet verbleef en dat een overplaatsing in voorbereiding was, kan geen
rechtvaardiging van het gedrag van Beth Palet worden gezien. Uit het advies
van de gezinsvoogdes aan de kinderrechter van 24 oktober 1989 blijkt dat
beëindiging van de plaatsing in Beth Palet op dat moment nog geenszins in het
belang van D werd geacht. De gezinsvoogdes maakt melding van het feit dat de
leiding van Beth Palet meent dat D nog minstens een jaar in Beth Palet moet
blijven. Er diende nog verder onderzocht te worden wanneer B zelf weer
volledig voor D zou kunnen zorgen. Dat proces is door Beth Palet verstoord
door de plotse beëindiging van het verblijf van D in Beth Palet op 1 december
1989.
4.18. Geïntimeerde voert nog aan dat de kinderrechter bij beschikking van 17
januari 1990 de plaatsing van D in Beth Palet met terugwerkende kracht tot 1
december 1989 heeft beëindigd. Geïntimeerde ziet hierin een bevestiging van
haar stelling dat de plaatsing van D in Beth Palet op 1 december 1989 al een
aflopende zaak was en dat er geen ander onheil is geschied dan dat het
vertrek van D uit Beth Palet door de handelwijze van Beth Palet twee maanden
is vervroegd. In deze veronderstelling acht zij zich gesteund door de brief
van de gezinsvoogdes aan de kinderrechter van 9 januari 1990, waarin tot
opheffing van de ondertoezichtstelling wordt geadviseerd.
4.19. In die stellingname kan het hof geïntimeerde echter niet volgen. Dat de
kinderrechter, geconfronteerd met het fait accompli van de feitelijke
beëindiging van het verblijf van D bij Beth Palet, de plaatsing met
terugwerkende kracht heeft beëindigd betekent niet dat zij de handelwijze van
Beth Palet goedkeurt. Aan een formele beëindiging van een plaatsing die
materieel niet meer bestaat zullen naar alle waarschijnlijkheid voornamelijk
praktische overwegingen ten grondslag hebben gelegen. Ook aan de
omstandigheid dat de gezinsvoogdes zich bij de feiten heeft neergelegd in die
zin dat zij D en B na 1 december 1989 heeft begeleid bij het vinden van
oplossingen in de nieuw ontstane situatie, komt te dezen geen betekenis toe.
Dit betekent immers niet dat de gezinsvoogdes alsnog met de gang van zaken
instemt. Integendeel, in bovengenoemde brief van 9 januari 1990 noemt zij het
gebeurde bij Beth Palet `naar D toe een heel slechte zaak’. Voorts maakt zij
melding van het feit dat D van dit alles een behoorlijke terugslag heeft
gekregen.
4.20. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hof, anders dan de rechtbank, van
oordeel is dat Beth Palet wel degelijk onrechtmatig jegens D heeft gehandeld
door haar verblijf in Beth Palet op 1 december 1989 abrupt te beëindigen. De
grieven 4, 5, en 6 treffen in zoverre doel.
4.21. De grieven 7 t/m 11 strekken ten betoge dat Beth Palet inbreuk heeft
gemaakt op haar geheimhoudingsplicht jegens B en het recht op privacy van B
heeft geschonden.
4.22. De grieven 7 en 9 hebben met name betrekking op de verklaring die
directeur H op 17 januari 1990 heeft afgelegd tegenover de gemeentepolitie te
Amsterdam. H is toen als getuige gehoord naar aanleiding van de door B gedane
aangifte van seksueel misbruik van D door een medewerker van Beth Palet.
4.23. B beklaagt zich over het feit dat H bij dat verhoor de suggestie wekt
van een preoccupatie van B met seksueel misbruik en over het feit dat hij niet
relevante en onjuiste informatie verstrekt over de overige kinderen van B.
4.24. Deze klacht is niet terecht. H was, mede gezien zijn
verantwoordelijkheid jegens de medewerker van Beth Palet die van seksueel
misbruik werd verdacht, verplicht aan de politie de informatie te verstrekken
die de politie bij het onderhavige opsporingsonderzoek nodig oordeelde. Het
was in de gegeven omstandigheden onvermijdelijk dat H bij het verstrekken van
die informatie ook de relevante persoonlijke gegevens met betrekking tot de
aangeefster van het strafbare feit, B, aan de politie meedeelde. Niet juist
is de stelling dat H daarbij de grenzen van het noodzakelijk heeft
overschreden. Daarbij doet niet terzake dat de gegevens die H, naar het hof
aanneemt naar beste weten, aan de politie verstrekte op een ondergeschikt
punt wellicht niet geheel correct waren. Van een inbreuk op het recht op
bescherming van de persoonlijke levenssfeer van B of van een schending van de
geheimhoudingsplicht van Beth Palet jegens B is in de gegeven omstandigheden
dan ook geen sprake.
4.25. Dit betekent dat de grieven 7 en 9 falen.
4.26. De grieven 10 en 11 hebben betrekking op de stelling dat Beth Palet op
onrechtmatige wijze informatie over B zou hebben verstrekt aan de
psychotherapeute drs. Groen en aan een bewoonster van Beth Palet, mevrouw T.
4.27. Het hof deelt de mening van de rechtbank dat B deze stelling
onvoldoende heeft toegelicht. De enkele mededeling van drs. Groen dat zij na
het gebeurde in december 1989 in een telefoongesprek met een medewerker van
Beth Palet ongevraagd informatie over B verkreeg, is te vaag om daaruit enige
gevolgtrekking te maken met betrekking tot de juistheid van de stelling van
B. Ditzelfde geldt voor de brief van 8 juni 1993 van mevrouw T waarin melding
wordt gemaakt van de wijze waarop, drie jaar na de aangifte door B, binnen
Beth Palet over het gebeurde wordt gesproken.
4.28. Ook grieven 9 en 10 zijn derhalve ongegrond.
4.29 Grief 8 stelt de brief van 23 februari 1990 van directeur H van Beth
Palet aan de Hoofdofficier van justitie in het arrondissement Amsterdam aan
de orde.
4.30. Deze brief is zonder enige twijfel beledigend jegens B. H maakt melding
van `stoken’ door B, van een eerdere aangifte door B zonder enige feitelijke
grond en van B als een moeder die niet tot een verantwoorde opvoeding van
haar kinderen in staat is en uitsluitend een eigen statusbelang nastreeft,
kennelijk gedreven door haar eigen tekortkomingen.
4.31. Nu B heeft berust in het oordeel van de rechtbank dat de vordering op
grond van belediging (art. 1408 BW (oud)) is verjaard, gaat het in hoger
beroep alleen nog om de vraag of H met bovengenoemde brief een inbreuk heeft
gemaakt op een geheimhoudingsplicht en op het recht op bescherming van de
persoonlijke levenssfeer van B. Van schending van een geheimhoudingsplicht
zou sprake zijn als H in die brief gegevens over de persoon van B had
geopenbaard die hij uit hoofde van zijn functie, met name uit het bij Beth
Palet over B bestaande dossier, had verkregen.
4.32. Zulks is echter niet gebleken. Met betrekking tot de persoon van B
bevat de brief uitsluitend gegevens die al in het verhoor van H bij de
politie naar voren waren gekomen of waarvan het enkele memoreren geen inbreuk
op de privacy oplevert. Wat betreft de mededeling inzake het psychiatrisch
verleden van B geldt nog in het bijzonder dat uit de brief kan worden
afgeleid dat H daarvan niet uit hoofde van zijn functie kennis droeg. Zoals
gezegd dient de – kwetsende – wijze waarop de gegevens door H zijn
gepresenteerd bij dit oordeel buiten beschouwing te blijven.
4.33. Dit betekent dat grief 10 faalt.
4.34. Met grief 12 betoogt B dat Beth Palet onrechtmatig jegens haar heeft
gehandeld door, naar aanleiding van een aangifte wegens bekladding van het
pand van Beth Palet op 12 juli 1990, aan de politie te melden dat er in het
verleden problemen zijn geweest met B en dat Beth Palet vermoedt dat B iets
met de bekladding te maken heeft.
4.35. Dit betoog gaat niet op. Door bij een aangifte van een strafbaar feit
tegenover de politie melding te maken van een serieuze verdenking jegens een
mogelijke dader, handelt de aangever niet onrechtmatig. Dat is niet anders
indien later blijkt dat de verdenking ongegrond is.
4.36. Ook grief 12 faalt derhalve.
5. Verdere behandeling van het hoger beroep
5.1. De behandeling van de grieven leidt tot de uitkomst dat Beth Palet niet
onrechtmatig jegens B heeft gehandeld en dat de vordering tot
schadevergoeding van B voor zichzelf dan ook niet toewijsbaar is.
5.2. De gegrondbevinding van grieven 4, 5 en 6 leidt tot het oordeel dat het
hof van oordeel is dat Beth Palet wel onrechtmatig jegens D heeft gehandeld.
5.3. B vordert namens D een bedrag van ƒ 10 000 als immateriële
schadevergoeding. Zij wijst erop dat D schade heeft geleden doordat zij
volledig is ingestort door het plotselinge beëindigen van de hulpverlening
door Beth Palet.
5.4. Wat hier van zij, de vordering dient te worden afgewezen nu het te dezen
toepasselijke – oude – recht alleen voorziet in een vergoeding van ideële
schade voorzover deze voortvloeit uit verwonding of belediging.
6. Slotsom
6.1. De grieven 4, 5 en 6 zijn gegrond. De gegrondbevinding van deze grieven
leidt niet tot een ander oordeel omtrent de vorderingen van B, zodat er geen
aanleiding bestaat tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep.
6.2. De overige grieven falen.
6.3. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd, met verbetering
van de gronden waarop dit berust, als in het arrest nader aangegeven.
6.4. Partijen worden in hoger beroep over en weer op bepaalde punten in het
ongelijk gesteld. In dit omstandigheid vindt het hof aanleiding de
proceskosten in hoger beroep te compenseren als hierna te melden.
7. Beslissing
Het hof:
– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, met verbetering van gronden als in
dit arrest aangegeven;
– bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.

Rechters

Mrs. Rutten-Roos, De Brauw-Huydecoper, Van Lingen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is bij de wederpartij werkzaam. Hij heeft een verzoek ingediend
voor een kinderopvangplaats in het kinderdagverblijf van de wederpartij. Dit
verzoek is afgewezen, omdat plaatsing van kinderen van mannelijke ambtenaren
alleen mogelijk is indien er sprake is van een noodsituatie.
Het doel dat de wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft is om te
voorkomen dat vrouwen uitstromen en mede daardoor te bevorderen dat vrouwen
doorstromen naar hogere functies.
De Commissie gelijke behandeling heeft, evenals haar voorganger, de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, in eerdere zaken
over kinderopvangregelingen geoordeeld dat het een feit van algemene
bekendheid is dat vrouwen in verband met de verzorging van kinderen vaker
afzien van (de voortzetting van) een dienstverband dan mannen. Er is nog
steeds een tekort aan kinderopvang. De vraag naar kinderopvang is vooral
afkomstig van vrouwen die niet willen stoppen met werken na de geboorte van
hun kinderen.
Niet is gebleken, dat vrouwen die bij de wederpartij werken zich wat dat
betreft zouden onderscheiden van dit algemene beeld. In zoverre is er in dit
geval sprake van voor de toepassing van de WGB relevante feitelijke
ongelijkheden.
Hoewel vrouwen van mannelijke personeelsleden met hetzelfde knelpunt kunnen
worden geconfronteerd, is de Commissie van mening dat van een werkgever op
grond van de gelijke behandelingswetgeving niet kan worden gevergd zijn
arbeidsvoorwaarden daarop af te stemmen.
Nu bovendien is gebleken dat in de praktijk een hardheidsclausule wordt
toegepast, oordeelt de Commissie dat de kinderopvangregeling in een redelijke
verhouding staat tot het daarmee beoogde doel.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 2 januari 1996 verzocht de heer (…) te Leidschendam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij te Den Haag (hierna: de wederpartij) onderscheid
maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoeker is bij de wederpartij werkzaam. Hij heeft een verzoek
ingediend voor een kinderopvangplaats in het kinderdagverblijf van de
wederpartij. Dit verzoek is afgewezen, omdat plaatsing van kinderen van
mannelijke ambtenaren alleen mogelijk is indien er sprake is van een
noodsituatie. Verzoeker stelt dat de wederpartij hiermee in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling handelt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.
2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op
28 mei 1996. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (Coördinator Personele/Juridische Aangelegenheden)
– mw. (…) (Uitvoerend Coördinator Kinderopvang)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker is in dienst bij de wederpartij. Hij hoopt rond half juni 1996
vader te worden. Verzoeker heeft op 5 december 1995 bij de wederpartij een
verzoek ingediend voor een kinderopvangplaats in het kinderdagverblijf van de
wederpartij.
Per brief van 20 december 1995 heeft de wederpartij dit verzoek afgewezen.
Als reden wordt hierbij genoemd dat plaatsing van kinderen van mannelijke
ambtenaren alleen mogelijk is indien er sprake is van een noodsituatie.
3.2. De kinderopvangregeling van de wederpartij is neergelegd in een
circulaire van 15 november 1993. Deze regeling houdt in dat de wederpartij
zelf een eigen kinderopvang biedt (23 plaatsen) en daarnaast een vastgesteld
aantal (20) gesubsidieerde kinderopvangplaatsen bij de gemeente huurt. De
kinderopvang staat in principe uitsluitend ter beschikking aan vrouwelijke
medewerkers, tenzij er sprake is van een noodgeval, zulks ter beoordeling van
de directeur.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoeker stelt het volgende.
Hij stelt dat de wederpartij onderscheid naar geslacht maakt door de
kinderopvangregeling in principe alleen voor vrouwen open te stellen. Zowel
hij als zijn vriendin willen blijven werken. Daarom wil verzoeker graag
gebruik maken van de kinderopvang- voorziening van het Ministerie. In dit
verband wijst hij op de Aanbeveling van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende kinderopvang(Publikatieblad 8
mei 1992, L 123/16.).
Bovendien wordt er op deze wijze onderscheid gemaakt tussen ambtenaren bij
het ene en het andere ministerie. Volgens verzoeker kunnen mannelijke
ambtenaren van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat wel van de daar van
toepassing zijnde kinderopvangregeling gebruik maken.
3.4. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
Zij erkent dat er bij de kinderopvangregeling onderscheid op grond van
geslacht wordt gemaakt. Zij is echter van mening dat dit onderscheid
gerechtvaardigd is, omdat door deze regeling de bestaande ongelijkheden in de
positie van mannen en vrouwen bij het Ministerie tegen gegaan wordt. Binnen
het Ministerie is namelijk sprake van een achterstand van vrouwen, zowel wat
betreft het aantal, als wat betreft de spreiding over de functie-niveaus. Ter
ondersteuning van deze stelling heeft de wederpartij afschriften overgelegd
van een onderdeel van het sociaal jaarverslag 1994. Hieruit blijkt dat op 31
december 1994 van de 11.251 medewerkers bij het Ministerie er 2.792 vrouw
waren. Voorts blijkt hieruit dat vrouwen relatief zijn ondervertegenwoordigd
in de hogere schalen.
Het creëren van kinderopvang kan bijdragen aan het wegwerken van deze
feitelijke ongelijkheden.
Het doel van de kinderopvangregeling is om voor de vrouwelijke medewerkers
het knelpunt weg te nemen dat is gelegen in de combinatie van betaalde arbeid
en de zorg voor jonge kinderen.
De regeling staat in een redelijke verhouding tot het daarmee beoogde doel.
Weliswaar kunnen vrouwen van mannelijke personeelsleden met hetzelfde
knelpunt geconfronteerd worden, maar van een werkgever kan redelijkerwijs
niet worden gevergd zijn beleid daarop af te stemmen. Voor alleenstaande
vaders in dienst bij het Ministerie is een hardheidsclausule in de regeling
opgenomen. Er zijn geen nadere regels over de toepassing van deze
hardheidsclausule opgesteld. Tot nu toe is er slechts in een enkel geval door
vaders een beroep op gedaan. De wederpartij meent, dat de kans zeer groot is
dat een alleenstaande vader met succes een beroep doet op de
hardheidsclausule.
3.5. Op grond van de regeling is een bepaald aantal plaatsen beschikbaar. Dit
is gebaseerd op een budget dat is gerelateerd aan het aantal vrouwelijke
werknemers.
De beperkte omvang van het budget heeft ertoe geleid dat vrouwen voorrang
hebben. Er bestaan desondanks wachtlijsten met vrouwen die voor kinderopvang
in aanmerking willen komen.
Gezien het beperkte aantal beschikbare plaatsen en de algemeen bekende, en
uit de wachtlijsten blijkende, grotere behoefte bij vrouwen aan
kinderopvangvoorzieningen, is ervoor gekozen om kinderen van vrouwen zonder
meer en kinderen van mannen alleen in noodsituaties voor opvang in aanmerking
te laten komen. Wanneer mannen hun kinderen wel zouden kunnen aanmelden, zou
dat, gezien de huidige feitelijke situatie waarin wachtlijsten bestaan, toch
ook als resultaat hebben dat ze in de praktijk niet in aanmerking kunnen
komen voor kinderopvang.
De kinderopvangregeling is sinds het begin (in 1989, aanvankelijk als
experiment) nog niet geëvalueerd, omdat men het moeilijk vindt om op
betrouwbare wijze de invloed van de regeling te meten. Men gaat er daarom van
uit, dat in aansluiting bij het landelijke beeld, het ontbreken van
kinderopvang voor veel vrouwen een reden is om een baan op te geven.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door hem
niet in aanmerking te laten komen voor de kinderopvangregeling.
4.2. Aangezien de kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde is aan te
merken, moet deze regeling getoetst worden aan Artikel 1a lid 1, juncto
artikel 5 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB).
Artikel 1a lid 1 WGB bepaalt dat in de openbare dienst het bevoegd gezag
onder andere bij de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen. Artikel 5 WGB schrijft voor dat van dit verbod mag worden
afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te
verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het
beoogde doel.
4.3. Het doel dat de wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft is om
te voorkomen dat vrouwen uitstromen en mede daardoor te bevorderen dat
vrouwen doorstromen naar hogere functies.
De Commissie gelijke behandeling heeft, evenals haar voorganger, de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, in eerdere zaken
over kinderopvangregelingen geoordeeld dat het een feit van algemene
bekendheid is dat vrouwen in verband met de verzorging van kinderen vaker
afzien van (de voortzetting van) een dienstverband dan mannen. (Zie Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 22 augustus 1988,
oordeelnummer: 130-90-121; Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 7 oktober 1992, oordeelnummer: 519-92-56; Commissie
gelijke behandeling, 14 mei 1996, oordeelnummer: D334v-96-34; Commissie
gelijke behandeling, 14 mei 1996, oordeelnummer: D282v-96-35.) Er is nog
steeds een tekort aan kinderopvang. De vraag naar kinderopvang is vooral
afkomstig van vrouwen die niet willen stoppen met werken na de geboorte van
hun kinderen. (Onbetaalde zorg gelijk verdeeld. Toekomstscenario’s voor
herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den Haag 1995, pg. 43.)
Niet is gebleken, dat vrouwen die bij de wederpartij werken zich wat dat
betreft zouden onderscheiden van dit algemene beeld. In zoverre is er in dit
geval sprake van voor de toepassing van de WGB relevante feitelijke
ongelijkheden.
4.4. Vervolgens moet onderzocht worden of het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot het door de wederpartij gestelde doel.
Bij de wederpartij bestaat sinds 1989 een kinderopvangregeling, aanvankelijk
als experiment, waarbij gedeeltelijk eigen kinderopvang wordt geboden en
gedeeltelijk kindplaatsen elders gekocht worden. De wederpartij probeert op
deze wijze te bereiken dat haar vrouwelijke werknemers blijven werken. De
kinderopvangregeling is tot nu toe niet geëvalueerd. Wel kan als algemeen
bekend verondersteld worden, dat het ontbreken van kinderopvang voor vrouwen
van doorslaggevende betekenis kan zijn om betaalde arbeid (tijdelijk) op te
geven. Immers, uit onderzoek blijkt, dat het knelpunt dat voortvloeit uit de
combinatie van betaalde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen vooral is
gelegen in het tekort aan kinderopvangplaatsen. (Zie: Onbetaalde zorg gelijk
verdeeld. Toekomstscenario’s voor herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den
Haag 1995, pg. 34.) Vooralsnog heeft de wederpartij hier van uit mogen gaan.
Ook bij de wederpartij bestaat nog een wachtlijst van vrouwen die voor de
(beperkte) kinderopvang in aanmerking willen komen.
Hoewel vrouwen van mannelijke personeelsleden met hetzelfde knelpunt kunnen
worden geconfronteerd, is de Commissie van mening dat van een werkgever op
grond van de gelijke behandelings- wetgeving niet kan worden gevergd zijn
arbeidsvoorwaarden daarop af te stemmen.
Nu bovendien is gebleken dat in de praktijk een hardheidsclausule wordt
toegepast, oordeelt de Commissie dat de kinderopvang- regeling in een
redelijke verhouding staat tot het daarmee beoogde doel.
4.5. De Commissie voegt hier de volgende aanbevelingen aan toe.
In de regeling wordt gesteld dat mannen voor een kinderopvang- plaats in
aanmerking kunnen komen, als er sprake is van een noodgeval, zulks ter
beoordeling van de directeur. Het is wenselijk deze hardheidsclausule aan de
hand van duidelijke criteria te objectiveren, waarbij duidelijk gemaakt kan
worden dat met name alleenstaande mannen ook een beroep op de regeling kunnen
doen.
Vervolgens wijst de Commissie erop, dat in de huidige situatie ervan uit
gegaan mag worden, dat de regeling inderdaad bijdraagt aan het behoud van
vrouwelijke werknemers. Er mag evenwel niet zonder meer van uit gegaan
worden, dat dit altijd het geval blijft. Uit regelmatige evaluaties zal
moeten blijken of de gewenste gevolgen voor het behoud en de doorstroming van
vrouwen inderdaad ook met deze regeling worden bereikt en of het middel in
het licht van de gestelde doeleinden dan nog steeds geschikt is.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Landbouw,
Natuurbeheer en Visserij te Den Haag geen onderscheid in strijd met artikel
1a lid 1 juncto artikel 5 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens de heer (…) te Leidschendam.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is bij de wederpartij werkzaam. Hij heeft verzocht in aanmerking te
komen voor de kinderopvangregeling die bij de wederpartij geldt. Dit verzoek
is afgewezen, omdat in principe alleen vrouwelijke personeelsleden voor deze
regeling in aanmerking komen.
Aangezien de kinderopvangregeling is aan te merken als een arbeidsvoorwaarde,
moet deze regeling getoetst worden aan artikel 1a lid 1, juncto artikel 5 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB). Het doel dat de
wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft is om vrouwen te behouden.
De Commissie gelijke behandeling heeft, evenals haar voorganger, de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, in eerdere zaken
over kinderopvangregelingen geoordeeld dat het een feit van algemene
bekendheid is dat vrouwen in verband met de verzorging van kinderen vaker
afzien van (de voortzetting van) een dienstverband dan mannen. Er is nog
steeds een tekort aan kinderopvang. De vraag naar kinderopvang is vooral
afkomstig van vrouwen die niet willen stoppen met werken na de geboorte van
hun kinderen.
Niet is gebleken, dat vrouwen die bij de wederpartij werken zich wat dat
betreft zouden onderscheiden van dit algemene beeld. In zoverre is er in dit
geval sprake van voor de toepassing van de WGB relevante feitelijke
ongelijkheden.
Op grond van artikel 5 lid 1 is het voeren van een voorkeursbeleid in dit
soort gevallen in principe wel toegestaan.
De Commissie is van oordeel dat de gehanteerde voorkeursregeling waarbij
mannen nagenoeg geheel worden uitgesloten, ook wanneer er wel middelen
beschikbaar zijn, geen geschikt middel is om het daarmee beoogde doel te
bereiken.
Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met artikel 1a lid 1 juncto
artikel 5 lid 1 WGB jegens verzoeker onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in de arbeidsvoorwaarden.
De wederpartij betaalt niet een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
aan degenen die hier gebruik van maken. De wederpartij koopt een kindplaats
in en financiert deze mede door een inkomensafhankelijke ouderbijdrage.
Een dergelijke regeling kan niet beschouwd worden als een beloning. Immers,
de werknemer kan ook elders gebruik maken van gesubsidieerde kinderopvang
onder dezelfde voorwaarden. Dat bij gebrek aan voldoende gesubsidieerde
opvang hij mogelijk elders hogere kosten zal moeten maken voor een
kinderopvangplaats doet daar niet aan af.
Er is derhalve geen sprake van ongelijke beloning.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 29 januari 1996 verzocht de heer (…) te Den Haag (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag (hierna: de wederpartij)
onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. Verzoeker is bij de wederpartij werkzaam. Hij heeft verzocht in
aanmerking te komen voor de kinderopvangregeling die bij de wederpartij
geldt. Dit verzoek is afgewezen, omdat in principe alleen vrouwelijke
personeelsleden voor deze regeling in aanmerking komen. Verzoeker stelt dat
de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
handelt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. Het verzoek is in behandeling genomen en de Commissie heeft een
onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft gevraagd zijn verzoek met spoed te
behandelen. De Commissie heeft dit verzoek niet ingewilligd. Partijen zijn in
de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk toe te lichten.
2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 28 mei 1996.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (senior beleidsmedewerker afdeling Bestuurlijke en Juridische
Zaken)
– mw. (…) (Hoofd afdeling Arbeidsmarkt en Personeelsbeleid)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker is bij de wederpartij in dienst. Verzoeker heeft per brief
d.d. 6 oktober 1995 bij de wederpartij een verzoek ingediend om in aanmerking
te komen voor de kinderopvangregeling die bij de wederpartij geldt.
De wederpartij heeft per brief d.d. 13 december 1995 aan verzoeker meegedeeld
dat hij niet in aanmerking komt voor de kinderopvangregeling. Als reden
hiervoor is genoemd dat deze regeling openstaat voor kinderen van vrouwen in
vaste dienst en alleen voor kinderen van mannen in vaste dienst, voor zover
die mannen alleenstaand zijn en een verzorgingsplicht hebben. Verzoeker is op
5 april 1996 vader geworden.
3.2. Bij de wederpartij geldt sinds 1989 een kinderopvangregeling.
De thans geldende regeling staat beschreven in een brochure van januari 1995
en houdt het volgende in. De wederpartij huurt ten behoeve van haar
werknemers met een vast dienstverband kinderopvangplaatsen. Zij kent een
prioriteitsvolgorde toe bij het toekennen van kinderopvangfaciliteiten. Er
wordt voorrang gegeven aan kinderen van vrouwelijk personeel en alleenstaande
mannen met een verzorgingsplicht.
In een beleidsnota van de wederpartij d.d. 16 maart 1994 staat `Ten aanzien
van de prioriteitsvolgorde is nogmaals duidelijk vastgesteld dat alleen
kinderopvang wordt verzorgd voor kinderen van vrouwelijk personeel en
alleenstaanden met een verzorgings- plicht’. Ook staat er `In het verleden
hebben diensten -indien de budgettaire ruimte dit toeliet- en er geen
kandidaten waren die aan de criteria voldeden, ook voor kinderen van
mannelijke werknemers, die niet aan de criteria beantwoordden, kinderopvang
geregeld. … [H]et VROM-beleid in deze betekent dat er geen nieuwe
contracten voor mannelijke werknemers, die niet aan de criteria voldoen,
worden afgesloten’.
Uit een beleidsnota van 3 november 1993 blijkt dat er op grond van financiële
overwegingen voor gekozen is de kinderopvang- regeling alleen voor vrouwen en
alleenstaande mannen open te stellen (de kosten voor de wederpartij zijn in
die nota beraamd op ƒ 871 507).
Op grond van de kinderopvangregeling waren in maart 1996 111
kinderopvangplaatsen te vergeven.
In principe wordt voor kinderen van 0-12 jaar van wie de ouders aan de
criteria voldoen, een plaats bij een reguliere instelling voor kinderopvang
geregeld. De ouder die van de kinderopvang- regeling gebruik maakt dient
hiervoor een ouderbijdrage te betalen. De hoogte van dit bedrag wordt
vastgesteld aan de hand van de zogenaamde VWS-tabel. De kinderopvang wordt
gesubsidieerd door de gemeente. De wederpartij draagt de rest van de kosten
van een bedrijfsplaats.
De standpunten van partijen
3.3. Verzoeker brengt het volgende naar voren. Hij is vader van een dochter.
Hij woont niet samen met de moeder. Hij draagt een aantal dagen per week de
zorg voor zijn dochter, die dan ook bij hem woont.
Primair stelt hij dat de wederpartij onderscheid naar geslacht maakt door de
kinderopvangregeling in principe alleen voor vrouwen open te stellen.
Subsidiair brengt verzoeker naar voren dat hij voor de kinderopvangregeling
in aanmerking zou moeten komen, omdat hij is aan te merken als een
alleenstaande man met een verzorgingsplicht. Bij de behandeling van de zaak
ter zitting heeft verzoeker te kennen gegeven dat zijn tweede bezwaar niet is
te herleiden tot onderscheid op een van de in de Algemene wet gelijke
behandeling (hierna: AWGB) vervatte gronden. Hij stemt er mee in dat dit
aspect hier verder buiten beschouwing blijft.
Zowel verzoeker als zijn vriendin willen blijven werken. Zijn vriendin is een
zelfstandige ondernemer. Voor haar bestaat er geen kinderopvangregeling.
Daarom wil verzoeker graag gebruik maken van de kinderopvangvoorziening van
het Ministerie.
Verzoeker stelt dat de kinderopvangregeling van de wederpartij ertoe leidt
dat vrouwen meer faciliteiten krijgen aangeboden dan mannen en dat zij
bovendien financieel bevoordeeld worden boven hun mannelijke collega’s. De
kinderopvangvoorzieningen van de wederpartij zijn namelijk gesubsidieerd. Als
mannelijke collega’s van dezelfde faciliteiten gebruik willen maken, kunnen
zij zich, wanneer er niet voldoende gesubsidieerde kinderopvangplaatsen zijn,
gedwongen zien een ongesubsidieerde kindplaats te kopen. Verzoeker voert aan
dat dit in strijd is met artikel 5 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB). In dit artikel is namelijk niet voorzien in de mogelijkheid
van verschil in bezoldiging van vrouwen ten opzichte van mannen.
Verzoeker is zich ervan bewust dat artikel 5 WGB een voorkeurs- beleid voor
vrouwen toestaat. Hij is echter van mening dat het doel van de
kinderopvangregeling niet belemmerd wordt als deze regeling ook voor mannen
wordt opengesteld. Volgens hem staat het gemaakte onderscheid derhalve niet
in een redelijke verhouding tot het beoogde doel.
3.4. De wederpartij brengt het volgende naar voren.
Zij erkent dat er bij de kinderopvangregeling onderscheid op grond van
geslacht wordt gemaakt. Op grond van de regeling moeten alle aanvragen voor
kinderopvang van vrouwen worden gehonoreerd. Zij is echter van mening dat dit
onderscheid gerechtvaardigd is, omdat dit onderscheid wordt toegestaan door
artikel 5 van de WGB. De regeling (die sinds 1992 bestaat) is onderdeel van
het voorkeursbeleid voor vrouwen, dat weer deel uit maakt van het zogenaamde
prioritaire beleid dat tevens is gericht op allochtonen en gehandicapten. De
kinderopvang regeling is de afgelopen jaren niet op al haar aspecten
geëvalueerd. Een algemene evaluatie van het voorkeursbeleid zal in 1996
plaatsvinden.
Tot dusverre zijn alle aanvragen van vrouwen voor kinderopvang gehonoreerd.
De gestelde budgettaire limiet is nog niet bereikt. Wanneer die limiet wel
wordt bereikt zal nader bezien moeten worden of het budget moet worden
uitgebreid dan wel anders aangewend moet worden.
Binnen het Ministerie zijn vrouwen in het personeelsbestand aanzienlijk
ondervertegenwoordigd. Algemeen bekend is dat vrouwen in verband met de
verzorging van kinderen vaker afzien van (voortzetting van) een (volledig)
dienstverband dan mannen. Tegen deze achtergrond is door de wederpartij in
1989 kinderopvang ingesteld als instrument om het aandeel vrouwen in de
organisatie te behouden. Uit sociale overwegingen wordt een uitzonderings-
bepaling gehanteerd, die kinderopvang voor alleenstaande mannen met een
verzorgingsplicht openstelt. Onder het begrip `alleenstaande man met een
verzorgingsplicht’ verstaat de wederpartij hij die feitelijk geen beroep kan
doen op de verzorgingsplicht van een partner.
Over 1995 was het percentage vrouwen in de schalen 10 en hoger (de categorie
waar verzoeker toe behoort) 17,3%, terwijl het streefcijfer 18,8% is. Voor
1996 geldt voor de bedoelde bezoldigingscategorie zelfs een streefcijfer van
20%.
Aangezien het beschikbaar stellen van kinderopvang aan mannen niet bijdraagt
aan het wegwerken van de feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen,
komen mannen in principe niet voor de kinderopvangregeling in aanmerking.
De wederpartij vindt het niet reëel om van haar te eisen haar
kinderopvangregeling af te stemmen op de carrière van de partner of de
echtgenote van haar mannelijke werknemers.
De wederpartij erkent dat, indien gebruik wordt gemaakt van de regeling
kinderopvang, in zekere zin van een financieel voordeel kan worden gesproken.
Echter, wie gebruik maakt van door de gemeente gesubsidieerde kinderopvang,
betaalt eveneens een inkomensgebonden bijdrage, die in ieder geval minder
bedraagt dan de werkelijke kosten voor de georganiseerde opvang van een kind.
De wederpartij bestrijdt dat het hier een voordeel betreft dat is aan te
merken als bezoldiging dat aan mannelijke werknemers wordt onthouden. Er is
hier geen sprake van bezoldiging, omdat het niet gaat om een hogere beloning
voor verrichte arbeid, noch om enig financieel voordeel dat direct aan
werknemers wordt uitgekeerd. Wel is het zo dat de werkgever er door het
inkopen van een kindplaats voor kan zorgen dat een werknemer sneller een
kindplaats toegewezen kan krijgen.
De wederpartij wijst erop dat het mannen vrij staat gebruik te maken van door
de gemeente gesubsidieerde kinderopvang buiten het Ministerie, waarmee zij in
veel gevallen een zelfde financieel voordeel zouden kunnen behalen als
vrouwelijke werknemers bij het Ministerie. Als gevolg van de schaarste van
gesubsidieerde kinderopvang zullen zij wel aanzienlijk meer moeite moeten
getroosten. Het voordeel voor vrouwen die bij de wederpartij werken, vloeit
dan ook met name voort uit het feit dat zij doorgaans met een aanzienlijk
kortere wachttijd te maken hebben en geografisch gezien dichterbij hun
werkplek van kinderopvang gebruik kunnen maken.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door hem
niet in aanmerking te laten komen voor de kinderopvangregeling.
Ten eerste ligt de vraag voor of er onderscheid gemaakt wordt bij de
arbeidsvoorwaarden. Vervolgens komt de vraag aan de orde of er sprake is van
ongelijke beloning.
4.2. Aangezien de kinderopvangregeling is aan te merken als een
arbeidsvoorwaarde, moet deze regeling getoetst worden aan artikel 1a lid 1,
juncto artikel 5 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB).
Artikel 1a lid 1 WGB bepaalt dat in de openbare dienst het bevoegd gezag
onder andere bij de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen. Artikel 5 WGB schrijft voor dat van dit verbod mag worden
afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte
positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te
verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het
beoogde doel.
4.3. Het doel dat de wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft is om
vrouwen te behouden.
De Commissie gelijke behandeling heeft, evenals haar voorganger, de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, in eerdere zaken
over kinderopvangregelingen geoordeeld dat het een feit van algemene
bekendheid is dat vrouwen in verband met de verzorging van kinderen vaker
afzien van (de voortzetting van) een dienstverband dan mannen. (Zie Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 22 augustus 1988,
oordeelnummer: 130-90-121; Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 7 oktober 1992, oordeelnummer: 519-92-56; Commissie
gelijke behandeling, 14 mei 1996, oordeelnummer: D334v-96-34; Commissie
gelijke behandeling, 14 mei 1996, oordeelnummer: D282v-96-35.) Er is nog
steeds een tekort aan kinderopvang. De vraag naar kinderopvang is vooral
afkomstig van vrouwen die niet willen stoppen met werken na de geboorte van
hun kinderen. (Onbetaalde zorg gelijk verdeeld. Toekomstscenario’s voor
herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den Haag 1995, pg. 43.)
Niet is gebleken, dat vrouwen die bij de wederpartij werken zich wat dat
betreft zouden onderscheiden van dit algemene beeld. In zoverre is er in dit
geval sprake van voor de toepassing van de WGB relevante feitelijke
ongelijkheden.
4.4. Vervolgens moet onderzocht worden of het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot het door de wederpartij gestelde doel.
Bij de wederpartij bestaat sinds 1989 een regeling voor kinderopvang. Deze is
onderdeel van een algemeen voorkeursbeleid voor vrouwen.
De wederpartij koopt kinderopvangplaatsen in, zodat vrouwelijke werknemers
sneller een kinderopvangplaats toegewezen krijgen dan als zij hier zelf voor
zouden moeten zorgen. Bovendien kunnen zij hierdoor geografisch gezien
dichter bij hun werkplek van kinderopvang gebruik maken. Alle aanvragen van
vrouwen voor kinderopvang moeten worden gehonoreerd. Er is alleen een
budgettaire limiet. Wanneer deze is bereikt zal een nader besluit genomen
moeten worden over uitbreiding van het budget of een andere aanwending
daarvan.
De wederpartij probeert op deze wijze te bereiken dat haar vrouwelijke
werknemers blijven werken. De kinderopvangregeling is tot nu toe niet
geëvalueerd. Een evaluatie in 1996 is in voorbereiding. Wel kan als algemeen
bekend verondersteld worden, dat het ontbreken van kinderopvang voor vrouwen
van doorslaggevende betekenis kan zijn om betaalde arbeid (tijdelijk) op te
geven. Immers, uit onderzoek blijkt, dat het knelpunt dat voortvloeit uit de
combinatie van betaalde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen vooral is
gelegen in het tekort aan kinderopvangplaatsen. (Zie: Onbetaalde zorg gelijk
verdeeld. Toekomstscenario’s voor herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den
Haag 1995, pg. 34.) Vooralsnog heeft de wederpartij hier van uit mogen gaan.
Op grond van artikel 5 lid 1 is het voeren van een voorkeursbeleid in dit
soort gevallen in principe wel toegestaan.
In het onderhavige geval is sprake van een `open eind’ regeling waarbij
mannen geheel worden uitgezonderd (afgezien van de categorie alleenstaanden),
ook wanneer de limiet van het budget nog niet is bereikt. Hierdoor worden
mannen, voorzover zij niet tot de categorie `alleenstaand met
verzorgingsplicht’ behoren, geheel van de regeling uitgesloten, ook in die
gevallen waarin er wel middelen beschikbaar zouden zijn.
De Commissie is op grond hiervan van oordeel dat de gehanteerde
voorkeursregeling waarbij mannen nagenoeg geheel worden uitgesloten, ook
wanneer er wel middelen beschikbaar zijn, geen geschikt middel is om het
daarmee beoogde doel te bereiken.
Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met artikel 1a lid 1 juncto
artikel 5 lid 1 WGB jegens verzoeker onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
in de arbeidsvoorwaarden.
4.5. Vervolgens moet onderzocht worden of door alleen aan vrouwen
kinderopvangplaatsen beschikbaar te stellen tegen betaling van een eigen
bijdrage gelijk aan die in de gesubsidieerde kinderopvang onderscheid wordt
gemaakt tussen mannen en vrouwen bij de beloning. De Commissie overweegt
hieromtrent het volgende.
De wederpartij betaalt niet een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang
aan degenen die hier gebruik van maken. De wederpartij koopt een kindplaats
in en financiert deze mede door een inkomensafhankelijke ouderbijdrage.
Een dergelijke regeling kan niet beschouwd worden als een beloning. Immers,
de werknemer kan ook elders gebruik maken van gesubsidieerde kinderopvang
onder dezelfde voorwaarden. Dat bij gebrek aan voldoende gesubsidieerde
opvang hij mogelijk elders hogere kosten zal moeten maken voor een
kinderopvangplaats doet daar niet aan af.
Er is derhalve geen sprake van ongelijke beloning.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van
Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer te Den Haag in strijd
met artikel 1a lid 1 juncto artikel 5 lid 1 WGB onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt jegens de heer (…) te Den Haag.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De Sociale Dienst van wederpartij heeft een bedrag van verzoekster
teruggevorderd, omdat verzoekster een voltijdstudie volgde terwijl zij een
bijstandsuitkering ontving.
Over de klacht dat het beleid ten aanzien van het volgen van een
voltijdstudie naast het hebben van een uitkering per gemeente verschilt, kan
de Commissie geen oordeel over uitspreken. Het betreft hier namelijk
onderscheid op grond van woonplaats. Dit valt niet onder een van de gronden
die in de AWGB genoemd zijn.
De Commissie kan over de klacht dat met name vrouwen worden benadeeld doordat
het niet mogelijk is een voltijd universitaire studie te volgen met behoud
van een bijstandsuitkering, slechts een oordeel uitspreken als de handelwijze
van de
wederpartij aan een van de bepalingen van de AWGB getoetst kan worden.
Artikel 5 AWGB heeft betrekking op situaties die gekoppeld zijn aan
arbeidsverhoudingen. Dit geldt ook voor het verbod van onderscheid bij het
laten volgen van onderwijs, scholing en vorming. Er wordt in dit artikel
immers uitdrukkelijk bepaald dat het hier de periode betreft tijdens of
voorafgaand aan een arbeidsverhouding.
In het onderhavige geval is geen sprake van bemiddeling of van onderricht dat
direct gericht is op het sluiten van een arbeidsovereenkomst. Artikel 5 AWGB
is derhalve niet van toepassing.
In het onderhavige geval is in het geding de beslissing van de wederpartij om
de bijstandsuitkering die verzoekster heeft ontvangen in de periode dat zij
een voltijdstudie volgde terug te vorderen. Het terugvorderingsbesluit is
gebaseerd op regelgeving waarin wordt bepaald dat het niet is toegestaan om
een voltijdse universitaire studie te volgen met behoud van een
bijstandsuitkering. Dit besluit is aan te merken als een eenzijdige
rechtshandeling van de overheid, die buiten de reikwijdte van artikel 7 AWGB
valt. De voorwaarden die de gemeente aan de verstrekking van een uitkering
verbindt, zijn niet gelijk te stellen aan het verlenen van een dienst aan de
bijstandsgerechtigde. De wederpartij verzorgt immers zelf geen cursussen of
opleidingen, noch bemiddelt zij hiervoor in enigerlei vorm.
De Commissie is derhalve van oordeel dat er sprake is van een eenzijdig
besluit van de overheid dat niet valt onder het bereik van artikel 7 AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 12 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Hernen (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de gemeente Wijchen (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De Sociale Dienst van wederpartij heeft een bedrag van verzoekster
teruggevorderd, omdat verzoekster een voltijdstudie volgde terwijl zij een
bijstandsuitkering ontving. Verzoekster meent dat dit leidt tot onderscheid
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen teneinde te
onderzoeken of er sprake is van een ontvankelijk verzoek, dat wil zeggen een
verzoek dat gegrond kan worden op de artikelen 5 en/of 7 van de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB). Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht.
2.2. Partijen zijn uitgenodigd om de zitting van de Commissie op 28 mei 1996
bij te wonen.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…)
– dhr. (…) (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij:
– mw. (…) (jurist)
van de kant van de Commissie:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster heeft in de periode 1989-1994 een voltijdstudie gevolgd. In
die periode ontving zij een bijstandsuitkering.
De wederpartij heeft na september 1994 een bedrag van circa ƒ 92 000 van
verzoekster teruggevorderd, zich hierbij beroepend op artikel 12 lid 3 van de
Algemene Bijstandswet (hierna: ABW), en de uitwerking daarvan in het
Scholingsbesluit Bijstandsgerechtigden van 1991 (KB 26 september 1991, Stb.
1991, 491, hierna: het Scholingsbesluit). Artikel 3 lid 1 van het
Scholingsbesluit luidt als volgt:
De bijstandsuitkering wordt in alle gevallen beëindigd met ingang van het
tijdstip waarop de bijstandsgerechtigde een scholing of een opleiding in
deeltijd- of volledig hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk dagonderwijs
aanvangt, tenzij deze scholing of opleiding noodzakelijk wordt geacht voor de
inschakeling in de arbeid.
In de Beschikking noodzakelijke scholing ABW (Beschikking staatssecretaris
SZW van 1 oktober 1991, nr. 13 590, Stcrt. 1991, 193 voortgezet in de
Regeling noodzakelijke scholing van 25 september 1995) is deze bepaling nader
uitgewerkt. Daarbij wordt een aantal nadere voorwaarden gesteld met
betrekking tot de doelstelling en duur van het betreffende onderwijs. Deze
voorwaarden hebben betrekking op de maximale duur van de scholing of
opleiding (twee jaar) en de gerichtheid ervan (specifiek op werklozen dan wel
beroepsgericht).
De gemeente komt krachtens jurisprudentie geen vrijheid toe om van deze
regelingen af te wijken. (Zie: Voorzitter Afdeling geschillen van bestuur
Raad van State,
16 oktober 1992, Jurisprudentie ABW 8-1993, nr.78.)
Het standpunt van verzoekster
3.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij in tweeërlei opzicht
handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
In de eerste plaats verschilt het beleid van verschillende gemeenten ten
aanzien van het toestaan van het volgen van een voltijdstudie naast het
hebben van een uitkering. Dit leidt ertoe dat de ene gemeente wel medewerking
verleent bij het volgen van een voltijdstudie, terwijl een andere dat niet
doet.
In de tweede plaats leidt toepassing van het Scholingsbesluit ertoe dat met
name vrouwen benadeeld worden. Het zijn namelijk hoofdzakelijk vrouwen die
bijstandsgerechtigd zijn en voor jonge kinderen zorgen. Doordat zij vaak geen
recente werkervaring hebben en hen door de Sociale Dienst niet wordt
toegestaan een voltijdstudie te volgen, worden hen mogelijkheden tot scholing
en ontplooiing van hun talenten onthouden. Het feit dat het Scholingsbesluit
wel toestaat dat bijstandsgerechtigden een deeltijdstudie volgen, biedt geen
soelaas. Bij het volgen van een deeltijdstudie, waarvoor de lessen doorgaans
in de avonduren plaatsvinden, moeten er immers allerlei voorzieningen worden
getroffen, terwijl dat bij een voltijdstudie -die overdag plaatsvindt als de
kinderen naar school zijn- niet nodig is. Het is daarom voor veel vrouwen met
jonge kinderen om praktische en financiële redenen niet haalbaar om een
deeltijd opleiding te volgen.
Verzoekster is van mening dat de uitwerking van het Scholingsbesluit
discriminerend is voor vrouwen omdat het hen de mogelijkheid onthoudt om via
het volgen van een universitaire studie hun kansen om op termijn weer toe te
treden tot de arbeidsmarkt te verbeteren.
3.3. De wederpartij stelt het volgende.
De artikelen 5 en 7 AWGB zijn op het onderhavige geval niet van toepassing.
In artikel 5 lid 1 sub e van de AWGB wordt gesteld dat onderscheid verboden
is bij het laten volgen van onderwijs, scholing of vorming tijdens of
voorafgaand aan een arbeidsverhouding. In casu is op geen enkele wijze sprake
van een situatie tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding.
Ook artikel 7 AWGB is niet van toepassing, aangezien het verstrekken van een
bijstandsuitkering niet gezien kan worden als het aanbieden van goederen of
diensten, als bedoeld in de AWGB, terwijl er evenmin sprake is van een advies
over school- of beroepskeuze.
De wederpartij wijst daarbij op de functie van de ABW. Het beleid met
betrekking tot scholing is gebaseerd op de onder 3.1. genoemde regelingen. De
gemeente kan aan het toekennen van een uitkering voorwaarden verbinden met
betrekking tot scholing. De gemeente bepaalt niet welke opleiding gevolgd
wordt en biedt ook geen cursussen aan. De invloed van de gemeente op het
cursusaanbod is beperkt tot het verlenen van subsidie aan een stichting die
cursussen organiseert.
De gemeente is daarom van mening dat mevrouw Derksen niet ontvangen kan
worden in haar verzoek.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de AWGB een ingang biedt om dit verzoek te
onderzoeken.
4.2. Over de klacht dat het beleid ten aanzien van het volgen van een
voltijdstudie naast het hebben van een uitkering per gemeente verschilt, kan
de Commissie geen oordeel over uitspreken. Het betreft hier namelijk
onderscheid op grond van woonplaats. Dit valt niet onder een van de gronden
die in de AWGB genoemd zijn.
4.3. Wat betreft de klacht dat met name vrouwen benadeeld worden doordat het
niet mogelijk is om een voltijd universitaire studie te volgen met behoud van
een bijstandsuitkering, overweegt de Commissie als volgt.
De Commissie kan over deze klacht slechts een oordeel uitspreken als de
handelwijze van de wederpartij aan een van de bepalingen van de AWGB getoetst
kan worden.
De bepalingen die mogelijkerwijs van toepassing zijn, zijn de artikelen 5 en
7 AWGB.
Artikel 5 AWGB bepaalt, voor zover van belang, dat onderscheid verboden is
bij de werving, het aangaan en het beëindigen van een dienstverband, de
arbeidsvoorwaarden, de bevordering en het laten volgen van onderwijs,
scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding.
Artikel 7 AWGB bepaalt, voor zover van belang, dat onderscheid is verboden
bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten terzake, indien dit geschiedt door de openbare
dienst.
4.4. Wat betreft de toepasselijkheid van artikel 5 AWGB, overweegt de
Commissie als volgt. Artikel 5 AWGB heeft betrekking op situaties die
gekoppeld zijn aan arbeidsverhoudingen. Dit geldt ook voor het verbod van
onderscheid bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming. Er wordt
in dit artikel immers uitdrukkelijk bepaald dat het hier de periode betreft
tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding.
In het onderhavige geval is geen sprake van bemiddeling of van onderricht dat
direct gericht is op het sluiten van een arbeidsovereenkomst. Artikel 5 AWGB
is derhalve niet van toepassing.
4.5. Wat betreft de toepasselijkheid van artikel 7 AWGB overweegt de
Commissie als volgt.
In het onderhavige geval is in het geding de beslissing van de wederpartij om
de bijstandsuitkering die verzoekster heeft ontvangen in de periode dat zij
een voltijdstudie volgde terug te vorderen. Het terugvorderingsbesluit is
gebaseerd op regelgeving waarin wordt bepaald dat het niet is toegestaan om
een voltijdse universitaire studie te volgen met behoud van een
bijstandsuitkering. Dit besluit is aan te merken als een eenzijdige
rechtshandeling van de overheid, die buiten de reikwijdte van artikel 7 AWGB
valt. De voorwaarden die de gemeente aan de verstrekking van een uitkering
verbindt, zijn niet gelijk te stellen aan het verlenen van een dienst aan de
bijstandsgerechtigde. De wederpartij verzorgt immers zelf geen cursussen of
opleidingen, noch bemiddelt zij hiervoor in enigerlei vorm.
De Commissie is derhalve van oordeel dat er sprake is van een eenzijdig
besluit van de overheid dat niet valt onder het bereik van artikel 7 AWGB.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het verzoek van mevrouw (…)
te Hernen niet ontvankelijk is op grond van de Algemene wet gelijke
behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. L.M. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster stelt dat haar verzoek om toegelaten te worden tot de
pensioenvoorziening door de wederpartij is afgewezen. Door deze afwijzing
voelt verzoekster zich achtergesteld bij haar twee vrouwelijke collega’s voor
wie wel een pensioenvoorziening is getroffen.
De Commissie acht zich bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de
bestreden pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke
behandeling.
Pensioenregelingen die alleen van toepassing zijn op werknemers van bepaalde
bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling
noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst met de betrokken
werkgever, moeten worden geacht onder de werkingssfeer van artikel 119
EEG-verdrag te vallen.
De Commissie stelt daarom vast dat de deelname aan de onderhavige
pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt en
derhalve, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de
werkingssfeer van artikel (7A:)1637ij BW.
De vraag is aan de orde of werkneemster in dienst was van de BV of van de
eenmanszaak.
De Commissie constateert dat niet vastgesteld kan worden of over de periode
vanaf de aanvang van verzoekster’s dienstverband op 1 mei 1991 tot de verkoop
van de BV op 1 januari 1995, de arbeidsvoorwaarden van de BV of van de
eenmanszaak op verzoekster toepasselijk zouden moeten zijn geweest. Vaststaat
in ieder geval dat verzoekster vanaf 1 januari 1995 niet alleen feitelijk
maar ook juridisch in dienst was van de eenmanszaak.
Het ligt niet op de weg van de Commissie de rechtsvraag te beantwoorden of de
arbeidsvoorwaarden van de BV of van de eenmanszaak op verzoekster
toepasselijk zouden moeten zijn geweest. De taak van de Commissie is te
beoordelen of bij de arbeidsvoorwaarden jegens verzoekster onderscheid op
grond van geslacht is gemaakt door haar een pensioenvoorziening te onthouden.
De Commissie zal derhalve hierna de in het geding zijnde vraag ten aanzien
van beide ondernemingen afzonderlijk beantwoorden.
De Commissie meent dat de BV geen direct onderscheid maakt. Wat betreft de
vraag of de BV indirect onderscheid maakt, stelt de commissie vast dat
weliswaar alle werknemers in dienst van de BV voltijd werkzaam waren, maar
dat een vrouwelijke werknemer die in deeltijd werkzaam was bij de
eenmanszaak, eveneens ondergebracht was bij de collectieve
pensioenverzekering van de BV. Hieruit leidt de Commissie af dat
deeltijdwerkers niet in het algemeen uitgesloten waren van deelneming aan de
pensioenverzekering. Aangezien voor de vrouwelijke collega van verzoekster,
die eveneens in deeltijd werkte, wel een pensioenregeling was getroffen, is
er van indirect onderscheid op grond van geslacht jegens verzoekster geen
sprake.
In geval op verzoekster de arbeidsvoorwaarden van de eenmanszaak toepasselijk
zouden moeten zijn geweest, is er van direct of indirect onderscheid op grond
van geslacht jegens verzoekster geen sprake, aangezien aldaar uitsluitend
vrouwen werkzaam waren.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 22 augustus 1995 verzocht mevrouw (…) te Medemblik (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of door de firma (…) te Medemblik (hierna: de wederpartij)
jegens haar onderscheid is gemaakt op grond van geslacht bij de
arbeidsvoorwaarden in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster stelt dat haar verzoek om toegelaten te worden tot de
pensioenvoorziening door de wederpartij is afgewezen. Door deze afwijzing
voelt verzoekster zich achtergesteld bij haar twee vrouwelijke collega’s voor
wie wel een pensioenvoorziening is getroffen.
Verzoekster is van mening dat de handelwijze van de wederpartij in strijd is
met de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.
2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd voor een zitting op
19 maart 1996. Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van de Commissie
mw.mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
dhr.drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
dhr. P. van der Sluis (lid Kamer)
mw.mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)
2.3. De Commissie heeft aan de wederpartij nadere inlichtingen gevraagd en
deze ontvangen bij brief van 1 mei 1996.
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1 Verzoekster is blijkens de overgelegde arbeidsovereenkomst op
1 mei 1991 in dienst getreden bij (…), te Medemblik (hierna: de BV) als
administratief medewerkster voor 17,5 uur per week.
De arbeidsovereenkomst vermeldt dat verzoekster haar werkzaamheden zal
uitoefenen ten behoeve van de wederpartij, (…) (hierna ook genoemd: de
eenmanszaak). Bij haar aanstelling is verzoekster geen pensioenvoorziening
aangeboden.
3.2. Op het moment van indiensttreding van verzoekster bestonden er twee
aparte bedrijven, die op verschillende adressen waren gevestigd. Ten eerste
was er het administratiekantoor, de BV, en ten tweede was er een makelaars-
en assurantiekantoor, de eenmanszaak. De directeur-eigenaar van beide
bedrijven was dezelfde persoon, de heer (…) (hierna te noemen: de
werkgever).
Op 1 januari 1995 is de BV verkocht.
3.3. De eenmanszaak valt niet onder een CAO. Naast verzoekster zijn er nog
twee personen (beiden vrouwen) werkzaam.
Een van hen vervult de functie van secretaresse en is full-time werkzaam. De
andere collega van verzoekster vervult de functie van assurantie-adviseuse en
werkt in deeltijd (voor 20 uur per week).
3.4. Bij de BV waren destijds zes werknemers, drie mannen en drie vrouwen,
voltijd werkzaam. Voor deze werknemers was een collectieve
pensioenverzekering gesloten. Voorts was de hiervoor genoemde
assurantie-adviseuse, in dienst van de eenmanszaak, eveneens ondergebracht
bij de collectieve pensioenverzekering.
De werkgever heeft niet aan het verzoek van de Commissie kunnen voldoen om
een kopie van de pensioenverzekering over te leggen, aangezien hij vanwege de
verkoop van de BV niet over deze bescheiden beschikt.
3.5. Verzoekster heeft medio 1994 de wederpartij verzocht om te worden
toegelaten tot de pensioenvoorziening. De wederpartij heeft dit verzoek
afgewezen.
Op 31 oktober 1995 is het dienstverband van verzoekster bij de wederpartij
beëindigd nadat daarvoor een ontslagvergunning was verleend.
3.6. De standpunten van partijen
Verzoekster stelt het volgende.
Toen zij bij de wederpartij in dienst kwam, ging zij ervan uit dat haar geen
pensioenvoorziening werd aangeboden, omdat het bedrijf niet onder een CAO
valt en dat voor haar vrouwelijke collega’s ook geen voorziening was
getroffen.
In augustus 1994 kwam verzoekster door haar werkzaamheden voor de afdeling
verzekeringen tot de ontdekking dat er wel een voorziening was getroffen voor
haar collega’s. Zij heeft toen de wederpartij gevraagd om ook te worden
toegelaten tot de voorziening en om in aanmerking te komen voor een
loonsverhoging. Beide verzoeken werden door de wederpartij afgewezen. Als
reden hiervoor werd aangevoerd dat verzoekster gezien haar functie genoeg
verdiende en dat een pensioenvoorziening voor part-timers te duur was.
Bovendien viel het bedrijf van de wederpartij niet onder een CAO en kon men
hem niets maken.
In haar brief van 13 november 1995 geeft verzoekster aan dat er op het moment
van haar indiensttreding, op 1 mei 1991, reeds een collectieve
pensioenverzekering bestond voor de medewerkers van de BV. Haar is noch bij
de indiensttreding noch bij het afstoten van de activiteiten van het
administratiekantoor de keus gegeven om een pensioenvoorziening te treffen.
3.7. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij is van mening dat verzoekster vanaf de aanvang in dienst was
van de eenmanszaak. Zij ontving immers haar salaris van de eenmanszaak waar
zij ook feitelijk werkzaam was.
Het feit dat de BV, en niet de eenmanszaak, genoemd werd in haar
arbeidsovereenkomst is te wijten aan het feit dat de loonadministratie van de
eenmanszaak tot 1 januari 1993 gevoerd werd door de BV.
Bij de eenmanszaak waren drie personen (vrouwen) werkzaam:
– een secretaresse; leeftijd 59 jaar, is voltijd werkzaam. Voor de
secretaresse die sinds 1 januari 1973 bij de wederpartij in dienst is, is op
1 december 1993 een voorziening getroffen om haar in de gelegenheid te
stellen op 62 jarige leeftijd op te houden met werken. Zij ontvangt dan een
uitkering om de periode tot haar 65ste jaar te overbruggen;
– een gediplomeerde assurantie-adviseuse; werkzaam op basis van 20 uur per
week. Voor de assurantie-adviseuse was een pensioenregeling getroffen. Deze
was ondergebracht bij de collectieve pensioenverzekering afgesloten ten
behoeve van de BV. Toen de BV op 1 januari 1995 werd verkocht heeft deze
medewerkster vrijwillig afstand gedaan van deze regeling.
– verzoekster; is sinds 1 mei 1991 werkzaam op basis van 17,5 uur per week.
De arbeidsovereenkomst is per 31 oktober 1995 beëindigd.
De reden waarom er voor verzoekster nooit een pensioenregeling is getroffen,
is dat vanaf het begin van haar dienstverband duidelijk was dat haar ambities
niet in de richting van het bedrijf lagen. Volgens de wederpartij zag zij
deze baan als een tussenstation en hij is er daarom vanuit gegaan dat haar
aanwezigheid slechts van korte duur zou zijn.
De wederpartij stelt ervan uit te zijn gegaan dat gezien de HBO-opleiding die
verzoekster volgde, zij kort na haar indienst- treding in de door haar
gewenste branche een nieuwe baan zou vinden.
Het ontslag van verzoekster staat los van haar verzoek om te worden
toegelaten tot een pensioenvoorziening. Door het afstoten van de BV is er
door een andere verdeling van de werkzaamheden geen plaats meer voor
verzoekster.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
door het verzoek van verzoekster om ook voor haar een pensioenregeling te
treffen, af te wijzen.
4.2. Artikel 7A: 1637ij lid 1 BW bepaalt dat een werkgever direct noch
indirect onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de
arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Niet onder de
arbeidsvoorwaarden worden begrepen aanspraken of uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen.
Ingevolge lid 5 van dit artikel wordt onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen verstaan direct en indirect onderscheid.
Onder indirect onderscheid wordt verstaan, onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan geslacht dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg
heeft, tenzij dit objectief gerechtvaardigd is.
4.3. Voor wat betreft de vraag of de Commissie bevoegd is te oordelen over
een aanspraak op een pensioenregeling, nu zulks uitdrukkelijk is uitgezonderd
in de hiervoor genoemde wettelijke bepaling, overweegt de Commissie het
volgende.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met artikel 7A: 1637ij BW mede
een volledige uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag.
Het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen (EG-Hof) is blijkens haar
overwegingen in de zaak Van Colson versus Kamann(Hof van Justitie der
Europese gemeenschappen, Van Colson versus Kamann, Zaaknummer C-14/83, 10
april 1984) van mening dat nationale rechters en anderen die met
overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de
wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van
de bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel 119
EEG-Verdrag.
Naar het oordeel van de Commissie (Zie het oordeel van de Commissie gelijke
behandeling met nummer 95-10) betekent dit dat zij de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als
gemaakt in artikel 7A:1637ij BW moet interpreteren in het licht van de
jurisprudentie van het EG-Hof over het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag.
Naar vaste jurisprudentie van de Commissie betekent dit dat de uitzondering
genoemd in artikel 7A: 1637ij BW zo moet worden opgevat, dat slechts die
pensioenkwesties terzake waarvan volgens het EG-Hof geen beroep op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag kan worden gedaan van de
wettelijke norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.
Op grond hiervan acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd om te
onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de pensioenregeling valt binnen het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer
van de wetgeving gelijke behandeling.
4.4. Op grond van het bovenstaande dient daarom onderzocht te worden of de
pensioenregeling die de werkgever had getroffen, valt onder het loonbegrip
van artikel 119 EEG-verdrag.
Met betrekking tot de vraag of een pensioenregeling valt onder het loonbegrip
van artikel 119 EEG-verdrag, heeft de Commissie in eerdere zaken in navolging
van de jurisprudentie van het EG-Hof (Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group,
zaaknummer C-262/88,
17 mei 1990) overwogen, dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van
artikel 119 EEG-Verdrag valt, indien deze het resultaat is van
overeenstemming tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing
van de werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid. Voorts
is daarvan onder meer sprake, indien de regeling alleen van toepassing is op
werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan de
regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de dienstbetrekking met de
betrokken werkgever.
Op grond van het bovenstaande stelt de Commissie vast dat de pensioenregeling
bij de BV onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt en derhalve,
op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de werkingssfeer van
artikel 7A: 1637ij BW.
4.5. Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden, stelt de
Commissie vast dat de werkgever slechts voor de werknemers van de BV een
collectieve pensioenverzekering had getroffen. Bij de eenmanszaak waren
destijds voor twee van de drie werknemers individuele pensioenvoorzieningen
getroffen. Een van de werknemers heeft van haar voorziening vrijwillig
afstand gedaan.
4.6. Aangezien voor de beide ondernemingen verschillende arbeidsvoorwaarden
golden, is voor de beantwoording van de in het geding zijnde vraag van belang
bij welke onderneming verzoekster werkzaam was.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.
Het staat vast dat de arbeidsovereenkomst gesloten is in naam van de BV. Op
grond van de verklaring van de wederpartij gaat de Commissie ervan uit dat
tot 1993 voor beide ondernemingen een loonadministratie werd gevoerd op naam
van de BV. Uit de verklaringen blijkt echter dat verzoekster gedurende het
gehele dienstverband gewerkt heeft bij de eenmanszaak. Niet duidelijk is of
verzoekster uitsluitend werkzaamheden heeft verricht voor de eenmanszaak.
De Commissie constateert, op grond van het vorenstaande, dat niet vastgesteld
kan worden of over de periode vanaf de aanvang van verzoekster’s
dienstverband op 1 mei 1991 tot de verkoop van de BV op 1 januari 1995, de
arbeidsvoorwaarden van de BV of van de eenmanszaak op verzoekster
toepasselijk zouden moeten zijn geweest. Vaststaat in ieder geval dat
verzoekster vanaf 1 januari 1995 niet alleen feitelijk maar ook juridisch in
dienst was van de eenmanszaak.
Het ligt niet op de weg van de Commissie de rechtsvraag te beantwoorden of de
arbeidsvoorwaarden van de BV of van de eenmanszaak op verzoekster
toepasselijk zouden moeten zijn geweest. De taak van de Commissie is te
beoordelen of bij de arbeidsvoorwaarden jegens verzoekster onderscheid op
grond van geslacht is gemaakt door haar een pensioenvoorziening te onthouden.
De Commissie zal derhalve hierna de in het geding zijnde vraag ten aanzien
van beide ondernemingen afzonderlijk beantwoorden.
Terzake van de BV
4.7. In geval op verzoekster (in enige periode) de arbeidsvoorwaarden van de
BV toepasselijk zouden moeten zijn geweest, overweegt de Commissie het
volgende.
Bij de BV waren alle zes werknemers, te weten drie mannen en drie vrouwen,
aangesloten bij de pensioenverzekering. Dit betekent dat vrouwen niet
uitgesloten waren van deelneming aan de verzekering.
Op grond van vorenstaande feiten concludeert de Commissie dat de wederpartij
geen direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door het verzoek tot
aansluiting bij een pensioenverzekering van verzoekster af te wijzen.
4.8. Wat betreft de vraag of de werkgever jegens verzoekster indirect
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt, overweegt de Commissie het
volgende.
Verzoekster stelt dat zij op grond van haar deeltijd dienstverband niet tot
de pensioenregeling is toegelaten.
Naar vaste jurisprudentie van de Commissie kan uitsluiting van
deeltijdwerkers van pensioenregelingen indirect onderscheid op grond van
geslacht opleveren als in overwegende mate vrouwen door uitsluiting van de
pensioenregeling nadelig worden getroffen.
De Commissie stelt vast dat weliswaar alle werknemers in dienst van de BV
voltijd werkzaam waren, maar dat een vrouwelijke werknemer die in deeltijd
werkzaam was bij de eenmanszaak, eveneens ondergebracht was bij de
collectieve pensioenverzekering van de BV. Hieruit leidt de Commissie af dat
deeltijdwerkers niet in het algemeen uitgesloten waren van deelneming aan de
pensioenverzekering. Aangezien voor de vrouwelijke collega van verzoekster,
die eveneens in deeltijd werkte, wel een pensioenregeling was getroffen, is
er van indirect onderscheid op grond van geslacht jegens verzoekster geen
sprake.
Terzake van de eenmanszaak
4.9. In geval op verzoekster de arbeidsvoorwaarden van de eenmanszaak
toepasselijk zouden moeten zijn geweest, is er van direct of indirect
onderscheid op grond van geslacht jegens verzoekster geen sprake, aangezien
aldaar uitsluitend vrouwen werkzaam waren.
4.10. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie op dat het onderzoek en ook
haar oordeel in deze beperkt is tot de gelijke behandeling bij de
arbeidsvoorwaarden. Dit betekent dat de Commissie niet in haar oordeel heeft
betrokken of er sprake is van gelijk loon voor arbeid van gelijke waarde.
Voorts is de taak van de Commissie beperkt tot de gelijke
behandelingswetgeving. Dit betekent dat de Commissie niet kan oordelen of
verzoekster op grond van andere wettelijke bepalingen aanspraak zou kunnen
maken op toelating tot een pensioenvoorziening. Het valt immers op, dat in
geval de arbeidsvoorwaarden van de BV gedurende enige periode op verzoekster
toepasselijk zouden moeten zijn geweest, zij de enige werknemer van de BV zou
zijn die destijds van de pensioenvoorziening was uitgesloten. Terwijl
voorzover de arbeidsvoorwaarden van de eenmanszaak op haar toepasselijk
zouden moeten zijn geweest, verzoekster de enige werknemer was aan wie geen
enkele extra voorziening is aangeboden.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat indien de arbeidsvoorwaarden
van (…) te Medemblik op verzoekster toepasselijk zouden moeten zijn
geweest, genoemde onderneming geen onderscheid naar geslacht in strijd met
artikel 7A: 1637ij BW heeft gemaakt jegens mevrouw (…) te Medemblik door
haar geen pensioenvoorziening aan te bieden.

Rechters

Mw.mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr.drs. B. vanSchijndel (lid Kamer), dhr. P. van der Sluis (lid Kamer), mw.mr. S.L. Kroes(secretaris Kamer)

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 21 juni 1996

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vader wil de kinderalimentatie op nihil laten stellen. De rechtbank had in
1994 de kinderalimentatie op ƒ 250 vastgesteld.
De vader voert als gewijzigde omstandigheden aan dat hij sedert 1992 is
gehuwd met een vrouw die in Marokko woont en dat uit dit huwelijk in 1993 een
kind is geboren. De woning is door de vader verkocht en het geld is aangewend
voor het huwelijksfeest met zijn huidige echtgenote. Bovendien heeft hij nog
schulden.
Het hof is van oordeel dat de vader een deel van de opbrengst van de woning
had kunnen reserveren voor de kinderalimentatie, aangezien hij had kunnen
verwachten dat deze zou worden opgelegd, omdat hij toen feitelijk al niet
meer met de moeder en het kind samenwoonde. Het hof bekrachtigt de
beschikking.

Volledige tekst

Het geding
Tussen de ouders is echtscheiding uitgesproken, welke is ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van de rechtbank te
‘s-Gravenhage van 16 mei 1994 is de moeder benoemd tot voogdes over de
minderjarige Mohammed, geboren op 10 maart 1981.
Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 18 juli 1994 is een
kinderalimentatie opgelegd van ƒ 250 per maand, als nader in die beschikking
aangegeven.
Deze beschikking is door dit hof op 10 februari 1995 bekrachtigd.
De vader heeft de rechtbank verzocht om die uitspraak met ingang van 16 mei
1994 te wijzigen omdat de alimentatie in verband met gewijzigde
omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven.
De rechtbank heeft bij beschikking van 5 december 1995 de vader in zijn
verzoek niet ontvankelijk verklaard.
De vader is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
bestreden beschikking te vernietigen en de alimentatie voor de minderjarige
met ingang van 1 juni 1995 te stellen op nihil en voor de periode tot 1 juni
1995 op het bedrag dat feitelijk is betaald.
De moeder heeft tijdig een verweerschrift ingediend.
Op 24 mei 1996 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling behandeld.
De vader heeft aldaar het verzoek voor de periode tot aan 1 juni 1995
ingetrokken, zodat dit geen verdere behandeling behoeft.

Beoordeling van het hoger beroep
1. De vader voert als wijziging van omstandigheden aan dat hij sedert 1992 is
gehuwd met een vrouw die in Marokko woont en dat uit dit huwelijk in 1993 een
kind is geboren. Tevens heeft de vader aangevoerd dat zijn draagkracht niet
toereikend is om een bijdrage voor het kind te betalen, nu zijn inkomen ƒ
1923 netto inclusief vakantiegeld bedraagt en hij een gezin in Marokko heeft
en tenslotte dat rekening gehouden moet worden met een belastingschuld van ƒ
8555 en een andere lening ad ƒ 6000 stammend uit het huwelijk van partijen.
2. Ter zitting is door de vader gesteld dat hij zijn woning in Marokko in
oktober 1992 heeft verkocht en dat de opbrengst, na aftrek van kosten, ƒ 34
000 heeft bedragen, welk bedrag de vader, naar hij stelt, geheel heeft
aangewend in verband met het huwelijksfeest met zijn huidige echtgenote.
Gebleken is dat de voormelde schulden eind 1995 reeds waren afgelost.
Tenslotte is ter zitting naar voren gekomen dat de vader ongeveer de helft
van het jaar in Marokko verblijft en de andere helft in Nederland en dat de
kosten van levensonderhoud in Marokko lager zijn dan in Nederland.
3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het hof bij voormelde beschikking
rekening heeft gehouden met het feit dat de vader opnieuw is gehuwd in
Marokko.
4. Het hof is van oordeel dat de vader een deel van de opbrengst van de
woning had kunnen reserveren voor de kinderalimentatie, aangezien hij had
kunnen verwachten dat deze zou worden opgelegd, omdat hij toen feitelijk al
niet meer met de moeder en het kind samenwoonde.
5. Het voorgaande brengt mee dat de alimentatie ten behoeve van de
minderjarige nog steeds overeenkomstig de wettelijke maatstaven is zodat
hetgeen hij heeft aangevoerd geen grond tot wijziging van omstandigheden als
bedoeld in artikel 1:401 BW oplevert. Ook de recent aangegane geldlening van
ƒ 2000 ten behoeve van zijn dochter te Marokko dient buiten beschouwing te
blijven reeds omdat omtrent een ziekenhuisopname aldaar en van kosten van de
vader daarvoor niets is aangetoond.
6. Het voorgaande brengt tevens mee dat de bestreden beschikking dient te
worden bekrachtigd. Het verzoek van de vrouw de man te veroordelen in de voor
haar rekening blijvende griffierechten en eigen bijdrage ligt voor toewijzing
gereed.

Beslissing van de zaak in hoger beroep
Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 5
december 1995; veroordeelt de vader het voor rekening van de moeder blijvende
deel van het griffierecht ad ƒ 87,50 en de eigen bijdrage ad ƒ 110 te
voldoen.

Rechters

Mr. Pieters

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De NS sluiten – bij het verlenen van kortingen op privé-reizen buiten de
Benelux aan hun werknemers en hun partners – ongehuwde partners uit. Bij
binnenlandse reizen en reizen binnen de Benelux gelden deze kortingen zowel
voor gehuwde als ongehuwde partners van NS-werknemers.
De kortingen op deze buitenlandse reizen vallen volgens de Commissie onder de
arbeidsvoorwaarden. Het gaat feitelijk om een beloning in natura in de vorm
van een personeelskorting. Dat die personeelskorting tot stand komt door
afspraken tussen de NS en buitenlandse spoorwegmaatschappijen doet hier niets
aan af.
De Commissie oordeelt dat dit een direct onderscheid vormt op grond van
burgerlijke staat en in strijd is met de AWGB.
De Commissie oordeelt verder dat door het uitsluiten van ongehuwde partners
homoseksuele werknemers onevenredig worden getroffen. De Commissie onderzoekt
deze discriminatiegrond echter niet verder, nu het uitsluiten rechtstreeks
voortvloeit uit de burgerlijke staat van de samenwonende homoseksuelen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 25 augustus 1995 verzochten de heren (…) (werknemer bij de
wederpartij) en (…) (zijn partner) te Amsterdam (hierna: verzoekers c.q.
verzoeker 1 respectievelijk verzoeker 2) de Commissie gelijke behandeling
haar oordeel uit te spreken over de vraag of de werkgever van eerstgenoemde,
de Nederlandse Spoorwegen te Utrecht (hierna: de wederpartij) bij de
arbeidsvoorwaarden onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele
gerichtheid maakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling (hierna:
AWGB).
1.2. Verzoekers zijn ongehuwd en leven duurzaam samen. De partner van
verzoeker 1 kan – in tegenstelling tot de echtgenoten van gehuwde werknemers
– geen beroep doen op de vervoersfaciliteiten van de wederpartij voor
privé-reizen in de landen buiten de Benelux. Verzoekers menen dat de
wederpartij hiermee een ongeoorloofd onderscheid op grond van burgerlijke
staat maakt. Aangezien verzoekers van gelijk geslacht zijn menen zij dat de
wederpartij tevens ongeoorloofd onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid maakt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht en
zijn opgeroepen voor een zitting op 15 mei 1996.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekers
– dhr. (…)
– dhr. (…)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (hoofd Sociale Regelingen wederpartij)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker 1 is sedert 1987 in dienst bij de wederpartij.
Op deze arbeidsverhouding is de Collectieve Arbeidsovereenkomst Nederlandse
Spoorwegen (hierna: de CAO) van toepassing, welke liep van 1 april 1994 tot
en met 31 maart 1996 alsmede het Voorschrift Vervoersfaciliteiten januari
1994 (hierna: VVF).
3.2. In hoofdstuk 11 van de CAO wordt bepaald dat de werkgever onder bepaalde
voorwaarden vervoersbewijzen beschikbaar stelt aan door de werkgever aan te
wijzen categorieën werknemers en hun gezinsleden. Artikel 11.2 van de CAO
bepaalt dat de voorwaarden zijn neergelegd in het VVF. In artikel 11.3 wordt
bepaald dat tot het gezin onder andere de partners van de betreffende
werknemers worden gerekend.
3.3. De CAO bevat sinds 1982 een bepaling die gelijkstelling van gehuwden en
ongehuwden in de arbeidsvoorwaarden gebiedt. Deze gelijkstelling is
neergelegd in artikel 10.1, eerste lid van de CAO. Het tweede lid van het
betreffende artikel bevat een uitzondering met betrekking tot deze
gelijkstelling voor wat betreft wettelijke verplichtingen en door de
wederpartij met derden gesloten overeenkomsten. De uitzondering luidt: `Door
het erkennen worden rechten en faciliteiten die voor gehuwden gelden ook
toegekend aan hen die aan bovengenoemde voorwaarden voldoen, voor zover de
wet en de door de werkgever met derden gesloten overeenkomsten dat toelaten’.
De uitzondering is onder meer in verband met de buitenlandse
vervoersfaciliteiten in de CAO opgenomen.
Het samenlevingsverband van verzoekers is door de wederpartij erkend conform
artikel 10.1, eerste lid, van de CAO.
In totaal zijn ongeveer 2.000 samenlevingsverbanden van ongehuwd samenwonende
werknemers erkend door de wederpartij.
3.4. Het VVF bevat de voorschriften die de wederpartij hanteert ten aanzien
van de vervoersfaciliteiten voor privé-reizen in het binnenland en ten
aanzien van de vervoersfaciliteiten voor privé-reizen in het buitenland. Met
betrekking tot de vrije vervoersfaciliteiten binnenland hebben de echtgenoten
respectievelijk partners waarmee de gehuwde en de ongehuwde werknemers
duurzaam samenwonen gelijke aanspraken (deel B, par. 2.6.2. VVF).
De werknemers die in aanmerking komen voor vrije vervoersfaciliteiten
binnenland kunnen ook in aanmerking komen voor de vrije vervoersfaciliteiten
buitenland.
De voorschriften van het VVF geven recht op faciliteiten die gebaseerd zijn
op afspraken met buitenlandse maatschappijen die zijn aangesloten bij de
zogenaamde FIP (Groupement pour les Facilites de circulation Internationales
du Personnel des Chemins de Fer) alsmede met buitenlandse maatschappijen die
niet zijn aangesloten bij de FIP.
In paragraaf 2.2. van deel C van het VVF is onder meer bepaald dat partners
niet in aanmerking komen voor internationale vervoersfaciliteiten bij
buitenlandse maatschappijen die zijn aangesloten bij de FIP.
In paragraaf 2.2. van deel D van het VVF is onder meer bepaald dat partners
niet in aanmerking komen voor niet-FIP vervoersfaciliteiten.
De internationale vrije vervoersfaciliteiten bestaan onder meer uit
internationale vrije vervoersbewijzen, internationale reductiebewijzen van
50% en vrij reizen met bijvoorbeeld autoslaaptreinen en een aantal
veerdiensten.
3.5. De werknemers zijn terzake van de vervoersfaciliteiten een eigen
bijdrage verschuldigd aan de werkgever, die in overeenstemming met de fiscus
is vastgesteld en waarover geen loon- of inkomstenbelasting meer afgedragen
hoeft te worden. De hoogte van de eigen bijdrage van werknemers met recht op
vervoersfaciliteiten binnenland en Benelux-kaart enerzijds en werknemers die
de volledige beschikking over de buitenlandse faciliteiten hebben anderzijds,
is gelijk.
3.6. Bij brief van 17 april 1996 heeft de wederpartij verklaard dat bij de
totstandkoming van de nieuwe CAO per 1 april 1996 ten aanzien van deze
bepalingen noch in de CAO, noch in het VVF wijzigingen zijn opgetreden.
De standpunten van partijen
Verzoekers brengen het volgende naar voren.
3.7. Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Verzoekers betogen dat verzoeker 1 een arbeidsrechtelijke relatie heeft met
de wederpartij en niet met een van de buitenlandse vervoersmaatschappijen die
de vervoersfaciliteiten leveren aan het personeel van de wederpartij. Het is
de wederpartij die uit hoofde van die arbeidsrelatie beide verzoekers anders
behandelt dan gehuwden.
Ten aanzien van het standpunt van de wederpartij, dat deze slechts een
`doorgeefluik’ is tussen de buitenlandse contractpartners en verzoekers,
stellen verzoekers dat zij slechts een contractuele band hebben met de
wederpartij.
Het is niet relevant hoe de wederpartij de vervoersrechten verwerft. Wanneer
vaststaat dat de partner van de werknemer nadeel ondervindt, kan deze volgens
verzoekers een beroep op de AWGB doen.
3.8. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
Verzoekers stellen dat de vervoersfaciliteiten die de wederpartij aanbiedt,
onderdeel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden. Het gaat volgens verzoekers om
een arbeidsvoorwaarde die de netto bestedingsruimte van een werknemer
substantieel beïnvloedt.
De status van het VVF wordt bepaald door de CAO, waarin de rechten op vrij
vervoer in het algemeen geregeld zijn.
Het betoog van de wederpartij dat alleen de vervoersfaciliteiten binnenland
onderdeel uitmaken van de arbeidsvoorwaarden is niet steekhoudend. Het
Algemeen deel VVF bepaalt dat de wederpartij vervoersfaciliteiten in binnen-
en buitenland verleent (deel A, par. 1.5 VVF) en zowel het hoofdstuk waarin
de vervoersfaciliteiten binnenland worden toegekend als de hoofdstukken
waarin de vervoersfaciliteiten buitenland worden toegekend, maken deel uit
van een reglement.
Voorts wijzen verzoekers erop dat uit de bewoordingen van de CAO niet kan
worden afgeleid dat zij slechts van toepassing is op de vervoersfaciliteiten
binnenland. Ook in de bijlagen behorend bij de arbeidsovereenkomst van
verzoeker 1 wordt slechts in zijn algemeenheid verwezen naar de
vervoersfaciliteiten die de wederpartij verstrekt.
Ten aanzien van de door de wederpartij gestelde afzijdigheid van de vakbonden
met betrekking tot de vervoersfaciliteiten buitenland is door de vakbonden de
bij de jongste CAO-besprekingen door de wederpartij voorgestelde aanpassing
van de CAO van de hand gewezen. Deze aanpassing betrof een explicitering in
de CAO dat deze alleen van toepassing is op de binnenlandse
vervoersfaciliteiten.
3.9. Verzoekers menen tenslotte dat wanneer de wederpartij niet in staat is
om in internationaal verband afspraken te maken die vrij zijn van onderscheid
op grond van burgerlijke staat, zij op grond van het nationale recht op zijn
minst gehouden is de ongehuwd samenwonende werknemers compensatie in de vorm
van een vergelijkbare prestatie als die aan gehuwde paren aan te bieden.
De wederpartij brengt het volgende naar voren.
3.10. Ten aanzien van de ontvankelijkheid
De wederpartij stelt dat de AWGB niet van toepassing is op de onderhavige
regeling, aangezien de AWGB onderscheid binnen arbeidsverhoudingen verbiedt.
Aangezien het de partner van de werknemer is die het nadeel ondervindt van de
houding van buitenlandse spoorwegmaatschappijen, speelt het geheel zich
buiten de werkingssfeer van de AWGB af en daarmee buiten de competentie van
de Commissie gelijke behandeling.
3.11. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
De wederpartij voert vervolgens aan dat er geen sprake is van een
arbeidsvoorwaarde. In fiscale zin is in casu weliswaar sprake van loon in
natura, maar noch in arbeidsrechtelijke zin noch in de zin van de AWGB is
sprake van een arbeidsvoorwaarde.
De wederpartij kan deze faciliteiten slechts namens buitenlandse
maatschappijen aan het personeel ter beschikking stellen, op basis van
overeenkomsten, waarbij maatschappijen aan elkaars personeel faciliteiten ter
beschikking stellen.
Gelet op de wijze van totstandkoming moeten de vervoersfaciliteiten
buitenland worden gezien als een extraatje, dat toegekend wordt zolang de
buitenlandse maatschappijen het overeengekomene wensen voort te zetten. De
wederpartij sluit om deze redenen terzake van de vervoersfaciliteiten
buitenland geen individuele noch collectieve arbeidsovereenkomsten af.
De buitenlandse vervoersfaciliteiten maken geen onderdeel uit van de CAO.
Tussen de wederpartij en de vakbonden staat van oudsher vast dat de vakbonden
slechts invloed hebben op het binnenlands vrij vervoer. CAO-partijen hebben
nooit de intentie gehad de buitenlandse vervoersfaciliteiten in de CAO te
regelen.
Bij de binnenlandse vervoersfaciliteiten – die de wederpartij in eigen hand
heeft – wordt dan ook geen onderscheid op grond van burgerlijke staat
gemaakt.
De wederpartij erkent dat tijdens de laatste CAO-besprekingen een
verduidelijking van de CAO zoals door verzoekers gesteld aan de orde is
geweest. Het betreffende voorstel van de wederpartij werd ingegeven door het
onderhavige verzoek om een oordeel bij de Commissie gelijke behandeling. De
vakbonden stelden dat het wijzigen van de tekst ertoe zou leiden dat bij
werknemers de vrees zou ontstaan dat de wederpartij ernaar streeft de
zogenaamde Benelux-kaart af te schaffen. Het voorstel is weer ingetrokken.
In de bijlagen die behoren bij de individuele arbeidsovereenkomsten wordt
niet verwezen naar de vervoersfaciliteiten buitenland. De verwijzingen kunnen
naar hun aard en inhoud slechts betrekking hebben op de vervoersfaciliteiten
binnenland.
3.12. Voor zover in het VVF wordt gesproken over `rechten’ of `aanspraken’
moet dit ten aanzien van de buitenlandse vervoersfaciliteiten aldus begrepen
worden dat deze rechten niet voortkomen uit het arbeidsvoorwaardenpakket,
maar gebaseerd zijn op de huidige stand van afspraken die de wederpartij met
buitenlandse partners heeft kunnen maken.
Uit de CAO en het VVF blijkt dat werknemers geen recht hebben op
internationale vervoersfaciliteiten, aangezien er staat dat de wederpartij
vervoerbewijzen ter beschikking kan stellen.
Bovendien staat in artikel 1, deel C VVF dat het FIP-reglement maatgevend is
voor de aanspraken van het personeel.
Onderdeel C van het VVF is, in tegenstelling tot onderdeel B (vervoer
binnenland) niet gebaseerd op de CAO. Hoofdstuk 11 van de CAO heeft ondanks
een expliciete vermelding daarvan slechts betrekking op binnenlandse
vervoersfaciliteiten. Dat blijkt uit de artikelen 11.3 t/m 11.5 die naar hun
aard en inhoud slechts betrekking kunnen hebben op de vervoersfaciliteiten
binnenland.
3.13. De wederpartij streeft er in internationaal verband wel naar om
gelijkstelling van gehuwden en ongehuwden te bereiken, maar respecteert de
normen en waarden in andere landen. Nederland loopt voor wat betreft
gelijkstelling van gehuwden en ongehuwden voorop. Het gaat om
maatschappelijke ontwikkelingen die in het buitenland nog moeten rijpen.
Daarnaast bestaan bij sommige buitenlandse vervoersmaatschappijen ook
economische motieven om gelijke behandeling van de partners van gehuwde en
ongehuwde werknemers tegen te houden.
Er zijn wel onderhandelingen gaande met buitenlandse vervoersmaatschappijen
teneinde de aanspraken van de partners van ongehuwde werknemers uit te
breiden. Daarbij stuit de wederpartij overigens ook op de praktische
belemmeringen.
3.14. De door verzoekers gestelde compensatie is niet aan de orde.
De waarde van de buitenlandse vervoersfaciliteiten kan voor een individuele
werknemer variëren van nul tot honderden guldens per jaar. Aangezien de
faciliteiten met gesloten beurzen worden geleverd, levert dit voor de NS geen
meerkosten op. Als er gecompenseerd zou moeten worden, schat de wederpartij
dat dit zou kunnen oplopen tot 1,25 miljoen per jaar, hetgeen een
onoverkomelijke kostenpost zou betekenen.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoeker 2 overweegt de Commissie
dat de CAO in artikel 11.3 van de CAO bepaalt dat tot het gezin onder meer de
partners van de werknemers worden gerekend. In artikel 10.1 wordt de wijze
van erkenning van een samenlevingsverband van een werknemer van de
wederpartij geregeld, terwijl in het VVF nadere voorwaarden worden gesteld
met betrekking tot het verlenen van vervoersfaciliteiten aan
(huwelijks)partners van de werknemers van de wederpartij. Hierbij is sprake
van bedingen waarbij door de wederpartij rechten worden toegekend aan de
(huwelijks)partners van werknemers, die als gevolg daarvan rechten kunnen
ontlenen aan deze regelingen. Aangezien ingevolge artikel 12 tweede lid sub a
AWGB degene die meent dat te zijnen nadele een onderscheid wordt gemaakt als
bedoeld in de wet een beroep op de bescherming van de AWGB kan doen en een
verzoek tot een oordeel kan indienen, oordeelt de Commissie dat verzoeker 2
ontvankelijk is in zijn verzoek.
4.2. Ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden
In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt op grond van
burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid als bedoeld in de artikelen 1
en 5, eerste lid, sub d AWGB bij de toekenning van vervoersfaciliteiten
buitenland aan de (huwelijks)partners van zijn duurzaam samenwonende
werknemers.
4.3. De artikelen 1 en 5, eerste lid, sub d AWGB verbieden zowel direct als
indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat en op grond van
homoseksuele gerichtheid bij de arbeidsvoorwaarden.
Van direct onderscheid op genoemde gronden bij arbeidsvoorwaarden is sprake
wanneer rechtstreeks wordt verwezen naar burgerlijke staat of homoseksuele
gerichtheid.
Van indirect onderscheid in de zin van artikel 1 sub c AWGB is sprake wanneer
onderscheid op grond van een bepaalde hoedanigheid of gedraging een nadelig
effect heeft voor overwegend personen met een van de door de AWGB bestreken
persoonskenmerken. In artikel 2, eerste lid AWGB is bepaald dat het verbod
van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief
gerechtvaardigd is.
Niet gesteld of gebleken is dat een van de in de AWGB opgenomen
uitzonderingen op het verbod van onderscheid op grond van burgerlijke staat
en homoseksuele gerichtheid in casu van toepassing zou zijn.
4.4. De Commissie toetst vervolgens of er sprake is van arbeidsvoorwaarden in
de zin van artikel 5, eerste lid, onder d AWGB.
Uit de toelichting op de AWGB blijkt dat het begrip arbeidsvoorwaarden ruim
is en dat daar in ieder geval de beloning onder valt. (Zie de toelichting op
de AWGB, o.a. Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 3. p. 17.
Overigens is het vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: HvJ EG) dat onder het begrip
beloning van artikel 119 EEG-Verdrag (gelijke behandeling van mannen en
vrouwen) alle huidige of toekomstige voordelen in geld of natura vallen, mits
deze, zij het ook indirect, door de werkgever uit hoofde van de
dienstbetrekking worden toegekend, ongeacht of dit ingevolge een
arbeidsovereenkomst, ingevolge wettelijke bepalingen dan wel vrijwillig
gebeurt en dat deze beloning op alle onderdelen gelijk moet zijn.
(recentelijk weer bevestigd in Kuratorium für Dialyse und
Nierentransplantation e.V. versus J.
ewark, 6 februari 1996 zaak C-457/93, JAR 1996, 45). In de zaak E. Garland
versus British Rail Engineering Ltd., 9 februari 1982 heeft het HvJ EG
geoordeeld dat het verstrekken van reisfaciliteiten door een werkgever onder
het begrip beloning vallen, zolang deze voordelen uit hoofde van de
dienstbetrekking worden toegekend (zaak 12/81. Jur. 1982, P. 359 e.v.).
Bij beloning in de zin van de AWGB gaat het zowel om beloning in geld als in
natura.
In casu is sprake van loon in natura ofwel een personeelskorting die de
hoogte van het netto loon direct beïnvloedt. Onbetwist is dat de werknemers
van de wederpartij voor de vervoersfaciliteiten in aanmerking komen uit
hoofde van hun dienstbetrekking. De Commissie oordeelt dan ook dat er sprake
is van arbeidsvoorwaarden in de zin van artikel 5, eerste lid, sub d AWGB.
4.5. Vast staat – door partijen niet betwist – dat zowel in artikel 10.1
tweede lid van de CAO alsmede in de bepalingen met betrekking tot
buitenlandse vervoersfaciliteiten in deel C en D van de VVF onderscheid wordt
gemaakt tussen gehuwden en ongehuwden. Dergelijk onderscheid levert
onderscheid op grond van burgerlijke staat in de zin van de AWGB op.
4.6. De Commissie oordeelt dan ook dat de wederpartij ten opzichte van
verzoekers direct onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft gemaakt
als bedoeld in de artikelen 1 en 5, eerste lid, sub d AWGB.
Aangezien ingeval van direct onderscheid op een van de gronden van de AWGB
geen rechtvaardigingsgronden aangevoerd kunnen worden en de wettelijke
uitzonderingen in casu niet van toepassing zijn, staat daarmee vast dat de
wederpartij in strijd met de AWGB heeft gehandeld.
4.7. Ten aanzien van de door de wederpartij naar voren gebrachte overige
weren merkt de Commissie het volgende op. Dat de wijze van totstandkoming van
de vervoersfaciliteiten binnenland (verstrekken van eigen faciliteiten door
wederpartij) verschilt van de wijze waarop de vervoersfaciliteiten buitenland
totstandkomen (contracten met buitenlandse partijen) doet niet af aan het
juridische karakter ervan.
Ook is de vraag of er sprake is van arbeidsvoorwaarden in de zin van de AWGB
niet afhankelijk van de vraag of de betreffende toekenning voorwerp is van
overleg door de sociale partners. Ten aanzien van de opmerkingen van de
wederpartij over de tekstuele uitleg van de CAO en het VVF constateert de
Commissie dat de wederpartij erkent dat de CAO noch het VVF een voorbehoud
ten aanzien van het arbeidsvoorwaardelijke karakter van de
vervoersfaciliteiten buitenland bevat. De Commissie wijst erop dat uit de
jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat in een geschil tussen een
werknemer en een werkgever over de uitleg van de bepalingen van een CAO aan
de bewoordingen daarvan bijzonder hoge eisen van duidelijkheid mogen worden
gesteld.(HR 17 september 1993, NJ 1994, 173.)
4.8. Ten aanzien van het door verzoekers tevens gestelde onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid overweegt de Commissie het volgende. In de in
het geding zijnde bepalingen wordt op generlei wijze rechtstreeks verwezen
naar de homoseksuele gerichtheid van samenwonende werknemers. Van direct
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid is dan ook geen sprake.
Het onderscheid dat de wederpartij bij de toekenning van de
vervoersfaciliteiten buitenland maakt tussen gehuwd en ongehuwd samenwonende
werknemers zou evenwel tevens indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid kunnen opleveren.
De Commissie heeft eerder geoordeeld dat direct onderscheid op grond van een
wettelijke discriminatiegrond tevens indirect onderscheid op grond van een
andere wettelijke discriminatiegrond kan opleveren. (Zie onder andere
Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995, oordeelnummer: 95-50).
Van indirect onderscheid is sprake indien homoseksueel gerichte werknemers
met een samenlevingsverband in de zin van de CAO relatief zwaarder getroffen
worden dan heteroseksueel gerichte werknemers met een duurzaam
samenlevingsverband.
De Commissie stelt vast dat in dit geval van de homoseksueel gerichte
werknemers met een duurzaam samenlevingsverband een ieder wordt getroffen.
Van de heteroseksueel gerichte werknemers met een duurzaam
samenlevingsverband wordt niet een ieder getroffen. Immers, gelet op het
huwelijksbeletsel tussen personen van hetzelfde geslacht, wonen alle
homoseksueel gerichte werknemers met een samenlevingsverband in de zin van de
CAO, ongehuwd samen. Uit dien hoofde komen zij niet in aanmerking voor de
buitenlandse vervoersfaciliteiten. De heteroseksueel gerichte werknemers met
een samenlevingsverband in de zin van de CAO kunnen zowel gehuwd als ongehuwd
samenwonen en uit dien hoofde wel of respectievelijk niet in aanmerking komen
voor de vervoersfaciliteiten buitenland. Door voornoemd onderscheid worden
homoseksueel gerichte samenwonende werknemers dan ook onevenredig getroffen.
Bij de toekenning van vervoersfaciliteiten buitenland rijst derhalve een
vermoeden van indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.
Vervolgens rijst de vraag of in casu objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn. De Commissie overweegt dat zij hiervoor onder 4.6. reeds heeft
geoordeeld dat sprake is van direct onderscheid op grond van burgerlijke
staat als bedoeld in de AWGB. Aangezien het vermoeden van indirect
onderscheid in casu is gelegen in de burgerlijke staat van verzoekers en
degenen die door het geconstateerde vermoeden van indirect onderscheid worden
getroffen zich dientengevolge kunnen beroepen op het hiervoor geconstateerde
onderscheid op grond van burgerlijke staat, kan een nader onderzoek naar een
objectieve rechtvaardigingsgrond achterwege blijven.
4.9. De Commissie heeft tenslotte kennis genomen van het bedrag dat volgens
de wederpartij gemoeid zou kunnen zijn bij het op enigerlei wijze compenseren
van het geconstateerde onderscheid tussen gehuwden en ongehuwden. Een
mogelijkheid zou wellicht gelegen kunnen zijn in het spreiden van een deel
van de hiermee gemoeide kosten over al degenen die dan gebruik maken van de
vervoersfaciliteiten buitenland.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
5.1. De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Nederlandse Spoorwegen
te Utrecht jegens de heren (…) en (…) te Amsterdam onderscheid op grond
van burgerlijke staat heeft gemaakt bij de toekenning van
vervoersfaciliteiten buitenland.

Rechters

Mrs. Timmerman-Buck, Dierx, Rodrigues, Jongsma

Instantie: Rechtbank Arnhem, 20 juni 1996

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Vrouw is tijdens verblijf in jeugdpsychiatrische
kliniek seksueel misbruikt door hulpverlener. Zij wil thans van
de werkgever(s) van de hulpverlener schadevergoeding vorderen
op grond van art. 1403 lid 3 BW en art. 1401 BW. Het eigen
onrechtmatig gedrag van de werkgever bestaat uit: te weinig
toezicht uitoefenen.
De rechtbank wijst de vordering van eiseres af. Eiseres heeft volgens de
rechtbank niet tijdig de verjaring gestuit.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure
Eiseres heeft gedaagden doen dagvaarden voor de rechtbank en nadat de zaak
was aangebracht geconcludeerd voor eis. Daarbij formuleerde zij haar
vordering opnieuw. Deze conclusie ging vergezeld van 3 producties. Daarop
volgde van elk van beide gedaagden een conclusie van antwoord. Die van KJPON
ging vergezeld van 7 producties. KJPON stelde daarbij een tegenvordering in.
Eiseres heeft daarop gereageerd met een conclusie van repliek waarop zij
reageerde op het antwoord van de kant van VHS en met een (andere) conclusie
van repliek in conventie en antwoord in reconventie op dat van KJPON. Daarop
volgde, weer van haar kant, een `akte overlegging producties’, met het
karakter van een nadere conclusie omdat zij daarin op de verschillende
geschilpunten nogmaals uitvoerig inging. Deze `akte’ ging vergezeld van 10
(soms uit meer dan één stuk bestaande) producties. Beide gedaagden hebben
vervolgens, opnieuw elke gedaagde voor zich, geconcludeerd. Daarbij bracht
KJPON nog enkele stukken in het geding. Daarna is door eiseres in reconventie
nog gedupliceerd. Na afloop van dit schriftelijke debat hebben partijen onder
overlegging van de stukken vonnis gevraagd.
2. Het geschil
in conventie en reconventie
Algemeen
2.1. Eiseres is een van de slachtoffers van Finkensieper, de psychiater die
door de strafrechter onherroepelijk is veroordeeld omdat hij als behandelend
psychiater, verbonden aan jeugdpsychiatrische inrichting De Lingewal te
Zetten met pupillen, waarvan eiseres er een was, ontucht heeft gepleegd. Dat
Finkensieper zich ook aan eiseres heeft vergrepen is door de strafrechter
bewezen verklaard.
2.2. Eiseres vordert in dit geding, kort gezegd, de hoofdelijke veroordeling
van gedaagden tot het vergoeden van de schade die zij als gevolg van de
handelwijze van Finkensieper heeft geleden. Zij houdt beide gedaagden
hoofdelijk aansprakelijk, VHS, ook weer kort gezegd, omdat VHS destijds
verantwoordelijk was voor de psychiatrische zorg in De Lingewal, KJPON omdat
zij de rechtsopvolgster is van de werkgever van Finkensieper en beide omdat
zij, dan wel hun rechtsvoorganger de omstandigheden waaronder dat misbruik
van eiseres heeft kunnen gebeuren hebben laten ontstaan of voortbestaan
terwijl er aanbevelingen waren om betere controlemogelijkheden op de gang van
zaken te realiseren.
2.3. Beide gedaagden voeren (een eigen) verweer. Zij bestrijden allebei dat
zij verantwoordelijk zijn voor wat eiseres door Finkensieper is aangedaan en
ontkennen aansprakelijk te zijn. Zowel VHS als KJPON beroepen zich op
verjaring. KJPON vordert in reconventie de buitengerechtelijke kosten die zij
heeft gemaakt om te voorkomen dat het in deze zaak tot een procedure ook
tegen haar zou komen.
in conventie
3. Verjaring
3.1. Omdat van het al dan niet slagen van het beroep op verjaring afhangt of
de rechtbank aan de aanspraken van eiseres toe kan komen zal dat verweer het
eerst worden behandeld.
3.2. Voor de beoordeling van het beroep op verjaring zijn de navolgende als
vaststaand aan te nemen feiten van belang:
a. De ontucht waaruit de aanspraken van eiseres voortkomen is gepleegd in de
periode 1982 – 1984.
b. De oudste schadeposten waarvan eiseres vergoeding verlangt stammen uit
1984 en 1987.
c. Op 21 augustus 1990 heeft de advocate van eiseres VHS per brief
aansprakelijk gesteld op basis van het argument dat Finkensieper `tot 1989′
bij VHS in dienst was, stellende dat VHS op grond van art. 1403 BW de door
Finkensieper als werknemer van VHS veroorzaakte schade diende te vergoeden.
d. Daarop is van de zijde van VHS op 27 augustus 1990 per brief gereageerd
met de mededeling dat niet VHS maar het Jeugdpsychiatrisch Centrum De
Lingewal `welk centrum in een aparte stichting was ondergebracht’ destijds de
werkgever van Finkensieper was. `De heer Finkensieper was toen niet in dienst
van onze vereniging, doch uitsluitend werkzaam in dienst van `De Lingewal’.
De activiteiten van `De Lingewal’ zijn per 1 januari 1988 overgenomen door de
Gelderse Stichting Kinder- en Jeugpsychiatrie.’, aldus die brief
e. De (toenmalige) voorzitter van VHS schrijft in die brief verder dat hij de
aansprakelijkstelling door zal leiden naar B.V. Nask te Rotterdam onder
mededeling dat de stichting `De Lingewal’ daar verzekerd was.
f. Dan volgt op 24 september 1990 een reactie van Winterthur die ondermeer
het navolgende inhoudt:
`Te uwer informatie delen wij U hierbij mede dat wij in deze als
aansprakelijkheidsverzekeraar optreden van de Stichting Jeugdpsychiatrisch
Centrum de Lingewal.’
Er wordt om nadere gegevens gevraagd.
g. Op 20 maart 1991 reageert mr. Van Bon met een uitvoerige brief aan
Winterthur. Zij zet daarin uiteen op welke gronden en voor welke schade haar
cliënte aanspraak maakt op schadevergoeding. In de aanhef van die brief is te
lezen dat zij dat aan Winterthur bericht `ter afhandeling van de schadeclaim
die cliënte heeft ingediend bij het bestuur van de Vereniging Heldring
Stichtingen te Zetten’, VHS dus.
h. Op 14 mei 1991 stuurt Winterthur de zaak door naar mr. Van der Nat,
advocaat te Amsterdam die ondanks herhaalde rappellen en brieven van mr. Van
Bon en eenmaal een dreigement van haar kant met een klacht bij de Deken,
eenmaal een (voor eiseres niet aanvaardbaar) schikkingsvoorstel maar verder
geen enkele inhoudelijke reactie geeft.
3.3. De eventuele aanspraak op schadevergoeding is ontstaan vóór 1 januari
1992, voor het inwerking treden van het huidige BW en dus onder wat heet het
`oude’ recht.
Onder dat recht gold voor aanspraken als de onderhavige een verjaringstermijn
van dertig jaar. Die termijn is met de invoering van het `nieuwe’ recht
teruggebracht tot vijf jaar en ging ook gelden voor onder het oude recht
aangevangen, reeds langer dan vijf jaar lopende, verjaringen maar op grond
van art. 73 Overgangswet pas na één jaar, dus pas per 1 januari 1993. Voor
eiseres betekende dat praktisch dat, indien en voorzover van de oude
verjaringstermijn per 1 januari 1992 vier jaar of meer verstreken zouden
zijn, zij de in dat jaar aflopende verjaring had moeten stuiten. Het eerste
is in elk geval niet gebeurd. Het is nu dan ook de vraag of (a) die verjaring
in 1992 is gestuit en (als het antwoord op de laatste vraag `neen’ dus voor
gedaagden positief zou zijn) of (b) VHS en KJPON daar in redelijkheid een
beroep op kunnen doen (vgl. HR 4 november 1994, RvdW 1994/231). De rechtbank
moet namelijk constateren dat het antwoord op de vraag die aan de twee zo
juist besproken vragen nog vooraf gaat, te weten of de oude verjaringstermijn
op 1 januari 1992 vier jaar of meer verstreken was, voor eiseres ongunstig
uitvalt. Het misbruik dat Finkensieper van haar heeft gemaakt vond immers in
het midden van de tachtiger jaren plaats en de oudste schadeposten die zij
opvoert stammen uit 1984 en 1987. daarmee was de verjaring al meer dan vier
jaar vóór 1 januari 1992 begonnen te lopen. Eiseres heeft haar schade
gespecificeerd. De meest uitgebreide specificatie is te vinden in de brief
van haar raadsvrouwe aan Winterthur van 20 maart 1991. Die specificatie
nalopend komt de rechtbank geen schadeposten tegen waarvan kan worden
vastgesteld of mogelijkerwijs valt aan te nemen, dat de verjaring, voor wat
betreft een of meer van die posten later is begonnen te lopen, bijvoorbeeld
omdat zij lange tijd niet voorzienbaar waren. In wezen gaat het om een
veelheid van schadecomponenten die alle veroorzaakt zijn door het gedrag van
Finkensieper en alle min of meer direct verband houden met het trauma dat
daardoor is veroorzaakt en zich al a

ftekende in het midden van de tachtiger jaren.
3.4. Met betrekking tot VHS moet de rechtbank tegen de sub 3.2. weergegeven
feitelijke achtergrond vaststellen dat géén tijdige stuiting heeft
plaatsgevonden. De brief van augustus 1990 kan niet als zodanig gelden want
deze voldoet niet aan de onder het oude recht aan stuiting te stellen en
strikt te interpreteren eisen. De rechtbank moet verder vaststellen dat
evenmin is gebleken van een schriftelijke aan VHS gerichte (of – ook voor
haar duidelijk – voor haar bedoelde) aanmaning of mededeling die als stuiting
valt aan te merken en die stamt uit het beslissende jaar 1992. Aan de
schriftelijke contacten die er met Winterthur, de verzekeraar van de
Stichting `De
ingewal’ en met de raadsman van dezen zijn geweest kan die betekenis niet
worden toegekend. Immers, gesteld noch gebleken is dat VHS daar kennis van
droeg. De veronderstelling dat VHS daarvan op de hoogte moet zijn geweest, is
onvoldoende. Maar zelfs al zou VHS de inhoud van die briefwisseling hebben
gekend dan nog zou dat eiseres niet baten. De inhoud daarvan is niet zodanig
dat VHS daaraan geen andere conclusie zou hebben kunnen verbinden dan dat
eiseres haar aanspraken (ook) ten aanzien van VHS wenste door te zetten. De
meer algemene vraag, of de stuiting van art. 3:317 BW mogelijk is middels of
als effect van een aan een derde gerichte mededeling, kan (dus) onbesproken
blijven.
3.5. Eiseres heeft een beroep gedaan op het feit dat, na haar brief van
augustus 1990 aan VHS en nadat zij door VHS naar Winterthur was verwezen,
vervolgens door mr. Van der Nat op een te bekritiseren wijze tijd gerekt is.
Op zichzelf is denkbaar dat VHS in redelijkheid geen beroep op verjaring
behoort te doen, bijvoorbeeld als zij in de hand zou hebben gewerkt dat
tijdige stuiting achterwege bleef, zelfs als daarbij wordt betrokken dat
eiseres allereerst zelf verantwoordelijk was voor het veilig stellen van haar
rechten.
Waarom VHS nu verantwoordelijk zou zijn voor het talmen en dralen dat nadien
volgde is niet duidelijk geworden te meer waar niet is gesteld of gebleken
dat VHS daar van de kant van eiseres ooit, eerder dan in deze procedure, op
is aangesproken. Er is, kortom, te weinig aangevoerd om nader in te gaan op
de mogelijkheid dat VHS zich in redelijkheid niet meer op verjaring kan
beroepen. Er is verder niets dat aanleiding geeft tot een nader feitelijk
onderzoek op dit punt.
3.6. De conclusie uit de overwegingen 3.4. en 3.5. is dat het beroep op
verjaring wat VHS betreft slaagt.
3.7. Met betrekking tot KJPON moet uitgangspunt zijn (de kwestie ligt wat het
aanvangstijdstip van de onder het oude recht aangevangen verjaringstermijn
niet anders) dat eiseres om haar eventuele rechten te behouden die verjaring
vóór 1 januari 1993 had moeten stuiten. Niet relevant is daarbij dat KJPON
pas op 1 september 1993 is ontstaan want als eventuele aansprakelijkheden op
haar zijn overgegaan dan is dat onder algemene titel gebeurd en dat betekent
met inbegrip van eventuele reeds lopende verjaringen.
3.8. Van een tijdige stuiting van de ten gunste van de voorgangster van
KJPON, de Gelderse Stichting voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie, is ook hier
niet gebleken.
3.9. Bij conclusie van dupliek in reconventie heeft eiseres nog drie nieuwe
argumenten opgeworpen waarmee zij het beroep op verjaring van VHS en KPJON
wil pareren, het nieuwe per 1 september van kracht geworden vierde lid van
art. 3:310 BW, het gegeven dat de art. 310 lid 1 naast de termijn van vijf
jaar een tweede termijn van twintig jaar noemt (en die laatste termijn is
niet verstreken) en de stelling dat het in strijd met de redelijkheid en
billijkheid zou zijn om eiseres met de door Finkensieper aan haar
toegebrachte schade te laten zitten. De rechtbank zal VHS en KPJON niet eerst
in de gelegenheid te stellen om zich uit te laten over deze nieuwe, op een
ongebruikelijk moment, in het debat over de reconventionele vordering waarin
eigenlijk alleen KPJON partij is naar voren gebrachte stellingen want zij
snijden alle drie geen hout.
3.10. Art. 3:310 lid 4 heeft de verjaringstermijn voor aanspraken als de
onderhavige verlengd tot ten minste de verjaringstermijn die geldt voor het
recht om terzake strafvervolging in te stellen. Het is allereerst de vraag of
een slachtoffer van een zedendelict van die termijn ook kan profiteren ten
opzichte van (rechts)personen die weliswaar aansprakelijk kunnen zijn voor de
schade maar niet de plegers zijn van het zedendelict in kwestie. Maar zeker
is in elk geval dat het bij wetsvoorstel art. 3:310 met lid 4 werd uitgebreid
behorende overgangsrecht geen reden geeft om aan te nemen dat het in de
bedoeling heeft gelegen om reeds verjaarde aanspraken te laten herleven en
voor de hand ligt dat gelet op art. 4 Wet Algemene Bepalingen niet.
Ook de langere verjaringstermijn van twintig jaar van lid 1 van art. 3:310 BW
kan eiseres niet helpen. Die termijn komt pas aan de orde bij onbekendheid
met de aansprakelijk te houden persoon. Dat geval doet zich hier niet voor.
Dan de derde stelling: de redelijkheid en de billijkheid zouden het feit dat
de aanspraken van eiseres zijn verjaard, opzij moeten kunnen zetten. Ook deze
stelling vindt bij de rechtbank geen ingang. Bij verjaring staat de
rechtszekerheid van degene die aangesproken kan worden voorop. Het nieuwe
vierde lid van art. 3:310 BW en de geschiedenis van de totstandkoming daarvan
illustreren overduidelijk dat dat (nog steeds) de opvatting is van de
wetgever. De rechtbank ziet geen ruimte van een andere benadering.
in reconventie
3.11. KJPON maakt aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten ten belope
van in totaal ƒ 4688,25. Daarbij gaar het om de declaraties van haar
advocaat. KJPON verwijt eiseres dat zij haar op losse gronden in deze
procedure heeft betrokken en dat maakt eiseres in de opvatting van KJPON
aansprakelijk voor deze door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten.
De rechtbank kan dat laatste niet zien. Als KJPON eiseres al met recht zou
kunnen verwijten dat zij KJPON op losse gronden in rechte heeft betrokken –
de rechtbank komt aan een uitspraak daarover niet toe en zij interpreteert de
reconventie mede gelet op het standpunt dat KJPON in de conventie koos ook
niet zo dat KJPON eerst daarover een beslissing wil uitlokken – dan bestaat
de schade die daarvan het gevolg is uit de kosten die met die toch
geëntameerde procedure zijn gemoeid. Maar voor deze laatste schadepost geldt
het regiem van art. 57 Rv. Dat KJPON bovendien kosten heeft gemaakt in een
poging om een procedure te verijdelen en dat die poging tevergeefs is
gebleken maakt eiseres als aanlegger van die procedure niet aansprakelijk
voor die tevergeefs gemaakte kosten. Dat zou anders zijn als zij zich door de
raadsman van haar wederpartij had behoren te laten overtuigen. Het bestaan
van een dergelijke verplichting kan in het algemeen in conflictueuze
situaties als aan een procedure vooraf plegen te gaan, niet worden aangenomen
en waarom die hier zou hebben bestaan is noch gesteld noch gebleken. De
tegenvordering moet dus worden afgewezen.
met betrekking tot de proceskosten
3.12. Omdat de vorderingen van eiseres worden afgewezen moet zij gelden als
de in het ongelijk gestelde partij. Zij zal in de kosten veroordeeld worden.
in reconventie
3.13. Hier wordt KJPON in het ongelijk gesteld en daarom zal zij hier in de
proceskosten worden veroordeeld.
4. De beslissing
De rechtbank, rechtdoende,
in conventie
4.1. wijst af de vorderingen van eiseres ingesteld tegen VHS en KJPON;
4.2. veroordeelt eiseres in de proceskosten met begroting van deze kosten aan
de zijde van VHS en KJPON elk op ƒ 4400 salaris en ƒ 3980 verschotten
(griffierecht);
in reconventie
4.3. wijst de vordering van KPJON af;
4.4. veroordeelt KPJON in de proceskosten met begroting van deze kosten aan
de zijde van eiseres op ƒ 600 salaris en nihil aan verschotten.

Rechters

Mrs. B.P.J.A.M. van der Pol, M.I.A. Schlaghecke-Bouman, P.H.J.M. Brouns

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van 1 juni 1978 tot 1 november 1993 bij de wederpartij in
dienst geweest als administratief medewerkster. Zij heeft gedurende die
periode geen pensioen opgebouwd, terwijl het operationele personeel van de
wederpartij -op wie de wederpartij de CAO van een vergelijkbaar havenbedrijf
toepast- alsmede de directieleden wel een pensioenregeling hebben.
De Commissie acht zich bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de
bestreden pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke
behandeling.
Pensioenregelingen die alleen van toepassing zijn op werknemers van bepaalde
bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling
noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst met de betrokken
werkgever, moeten worden geacht onder de werkingssfeer van artikel 119
EEG-verdrag te vallen.
De Commissie stelt daarom vast dat de deelname aan de onderhavige
pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt en
derhalve, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de
werkingssfeer van artikel (7A:)1637ij BW. Onderscheid op grond van geslacht
met betrekking tot aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling is in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling/WGL vanaf 8 april 1976. Er is geen
sprake van directe discriminatie. Uit de gegevens, die de wederpartij op dit
punt ter beschikking heeft gesteld en welke betrekking hebben op 1994, blijkt
dat er in totaal 51 mannen en vier vrouwen bij de wederpartij werkzaam waren.
Van het aantal mannelijke werknemers beschikten er 50 over een
pensioenvoorziening. Van de vrouwelijke werknemers beschikte niemand over een
pensioenvoorziening. Zij waren derhalve voor 100% uitgesloten, terwijl er van
de mannelijke werknemers minder dan 2% was uitgesloten. Dit leidt tot een
vermoeden van indirect onderscheid: de vrouwen worden in overgrote
meerderheid door de regeling nadelig getroffen.
de Commissie is van mening dat het door de wederpartij aangevoerde niet als
objectieve rechtvaardigingsgrond kan gelden.
De Commissie is van mening dat het gekozen middel niet noodzakelijk is om
eerdergenoemd doel te bereiken.
Nu overigens niet is gebleken van gronden, die een objectieve
rechtvaardigingsgrond zouden kunnen opleveren, concludeert de Commissie dat
de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 1 november 1993 verzocht mevrouw (…) te Zevenbergen (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Dordrecht
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt naar geslacht
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. Verzoekster is van 1 juni 1978 tot 1 november 1993 bij de wederpartij in
dienst geweest als administratief medewerkster. Zij heeft gedurende die
periode geen pensioen opgebouwd, terwijl het operationele personeel van de
wederpartij -op wie de wederpartij de CAO van een vergelijkbaar havenbedrijf
toepast- alsmede de directieleden wel een pensioenregeling hebben.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee indirect onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Deze
Commissie heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden overgedragen aan de
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) die is ingesteld op
grond van de Algemene wet gelijke behandeling.
2.2. Verzoekster heeft eveneens om een oordeel verzocht over het feit dat zij
voor arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde een lager salaris ontving dan
enkele mannelijke collega’s. Dit verzoek is afzonderlijk behandeld (oordeel
96-49).
2.4. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad om hun standpunten toe te
lichten. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen te verschijnen
tijdens een zitting op 21 mei 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. mr. J.T.M. van Manen (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur van de wederpartij)
– dhr. (…) (juridisch medewerker bij de wederpartij)
– dhr. mr. P.J.G.M. van Gool (gemachtigde)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer)
2.5. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.4.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster, geboren in 1959, is van 19 juni 1978 tot 1 november 1993 in
dienst geweest van de wederpartij in de functie van administratief
medewerkster. Per 1 november 1993 is zij ontslagen. Haar ontslag was
voornamelijk een gevolg van het wegvallen van een aantal werkzaamheden.
De wederpartij is een havenbedrijf dat zich bezighoudt met de overslag van
goederen. Het bedrijf heeft een hoofdvestiging en twee nevenvestigingen, die
nader zullen worden aangeduid als nevenvestiging A en nevenvestiging B.
Verzoekster was werkzaam in nevenvestiging A.
3.2. De wederpartij had in 1994 ruim 53 werknemers in dienst, ongeveer tien
daarvan werkten in nevenvestiging A. Op het bedrijf van de wederpartij is
geen CAO van toepassing. Wel wordt voor het zogenaamde operationele personeel
aangesloten bij het arbeidsvoorwaardenbeleid in een CAO van een vergelijkbaar
havenbedrijf. Voor het kantoorpersoneel wordt geen CAO gevolgd, maar heeft de
wederpartij een eigen beleid, dat niet schriftelijk is vastgelegd.
Op grond van de CAO neemt het operationele personeel deel in het
Pensioenfonds voor Vervoer- en Havenbedrijven (PVH). Ingevolge de CAO alsmede
het reglement van het PVH kunnen kantoorpersoneel, bedrijfsleiders,
inspecteurs en vertegenwoordigers niet voor verzekering bij dit pensioenfonds
in aanmerking komen.
Voor de directie en de stafmedewerkers is een pensioenregeling getroffen bij
Delta Lloyd N.V. Voor de overige werknemers bestaat geen pensioenregeling.
3.3. In 1994 waren er tien mannen en een vrouw werkzaam bij nevenvestiging A.
Van hen beschikten negen mannen over een pensioenregeling; een man en een
vrouw beschikten niet over een pensioenregeling. Bij nevenvestiging B waren
in 1994 41 mannen en drie vrouwen in dienst. De mannen beschikten allemaal
over een pensioenregeling en de vrouwen geen van allen.
De standpunten van partijen
3.4. Verzoekster is van mening dat zij ongelijk behandeld wordt op grond van
geslacht, aangezien zij niet en haar mannelijke collega’s wel kunnen
deelnemen aan een pensioenregeling.
3.5. De wederpartij betwist onderscheid te maken naar geslacht. Bepalend voor
deelname aan een pensioenregeling is de soort functie die wordt vervuld en
niet de vraag of het personeelslid man of vrouw is. De wederpartij wijst in
dit verband op een directiesecretaresse, dus behorende tot het
kantoorpersoneel, die wel onder een pensioenregeling viel en sinds haar 65e
ook daadwerkelijk pensioen ontvangt. Verder wijst zij op een mannelijke
werknemer, die tijdelijk in dienst is geweest en niet onder een
pensioenregeling viel.
Reeds in het verre verleden bestond er een pensioenregeling voor directie- en
stafleden. Toen de wederpartij zich aansloot bij de CAO kwam het operationele
personeel ook voor een pensioenvoorziening in aanmerking. Voor de categorie
`overig personeel’ is geen pensioenregeling getroffen. Het betreft de
categorie personeel die voor de continuïteit van het bedrijf minder relevant
is, die gemakkelijk vervangbaar is en die zich kenmerkt door een groot
verloop. Achteraf gezien was het beter geweest om voor deze categorie ook een
pensioenregeling te treffen, temeer daar dit de totale kosten voor de
pensioenregelingen niet noemenswaardig beïnvloedt. Thans wordt er een
pensioenregeling opgesteld voor het gehele personeel. Over de vraag, of aan
deze regeling terugwerkende kracht zal worden toegekend, is nog geen
beslissing genomen.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster indirect
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling door haar geen toegang te verlenen tot een van de in het bedrijf
geldende pensioenregelingen.
4.2. Op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL) in
werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te oordelen over
klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB oud), waarbij artikel 1637ij BW (oud) werd ingevoerd. Een
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen -de rechtsvoorgangster
van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid- was
bevoegd over geschillen op grond van deze wetgeving te oordelen.
Op 1 juli 1989 werden zowel in artikel 1637ij BW als in de WGB (oud) een
aantal wijzigingen van kracht en werd de nieuwe Commissie gelijke behandeling
geïnstalleerd, die tot onderzoek en oordelen bevoegd was. Van laatstgenoemde
commissie is de huidige commissie de rechtsopvolgster.
De WGL bepaalde dat een werkgever geen onderscheid mocht maken op het punt
van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten aanzien van
pensioenregelingen was niet opgenomen. Evenals het huidige artikel 7A:1637ij
BW bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat een werkgever direct
(onmiddellijk) noch indirect (middelijk) onderscheid mag maken tussen mannen
en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de
beloning. Op grond van lid 1 van artikel (7A:)1637ij BW zijn onder de
arbeidsvoorwaarden niet begrepen uitkeringen of aanspraken ingevolge
pensioenregelingen. Derhalve zal nagegaan moeten worden of de Commissie
bevoegd is een oordeel over dit verzoek uit te spreken.
Uit het bovenstaande blijkt dat eerst bij de inwerkingtreding van de WGL in
1975 specifieke wetgeving terzake van gelijke beloning van mannen en vrouwen
bestond, alsmede een Commissie die tot onderzoek en oordelen bevoegd was.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de eerdere WGL en voorts
met artikel 1637ij BW (oud) en artikel 7A:1637ij BW mede een volledige
uitwerking heeft willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag en de daarop
gebaseerde EG-Richtlijnen. Het EG-Hof is blijkens haar overwegingen in de
zaak Von Colson en Kamann (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Von
Colson en Kamann versus Deelstaat Nordrhein-Westfalen, C-14/83, 10 april
1984, JUR 1984-1891) van mening dat nationale rechters en anderen, die met
overheidsgezag zijn bekleed, gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de
wetgeving gelijke behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van
de bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel 119
EEG-Verdrag.
Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de uitdrukkelijke
uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge pensioenregelingen als
gemaakt in artikel (7A:)1637ij BW moet interpreteren in het licht van de
jurisprudentie van het EG-Hof over het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag.
Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in artikel
(7A:)1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake waarvan
volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de rechtstreekse werking
van artikel 119 EEG-Verdrag van de wettelijke norm van gelijke behandeling
zijn uitgesloten.
Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval bevoegd
om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling
valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling.
4.3. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt binnen
het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, overweegt de Commissie als volgt.
In overweging 25 van het Barber-arrest( Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange Assurance Group,
C-262/88, 17 mei 1990, Nemesis 1990, nr. 116, NJ 1992-436) stelt het EG-Hof
dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag
valt, indien deze het resultaat is van overeenstemming tussen werknemers en
werkgevers of een eenzijdige beslissing van de werkgever vormt.
Voorts moet het gaan om een regeling die geheel gefinancierd wordt door de
werkgever of door werkgever en werknemers gezamenlijk, zonder dat sprake is
van enige bijdrage van de overheid. Deze beginselen heeft het EG-Hof ook
reeds eerder in het Bilka-arrest (Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz, C-170/84, 13 mei 1986,
JUR 1989-1607) uitgesproken.
In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de vraag in
welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht moeten worden onder
de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te vallen. Daarvan is onder meer
sprake indien de regeling alleen van toepassing is op werknemers van bepaalde
bedrijven of instellingen, zodat gebondenheid aan de regeling
noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst met de betrokken
werkgever.
De onderhavige pensioenregelingen voldoen aan de hiervoor genoemde criteria.
De Commissie stelt op grond van het bovenstaande vast dat de deelname aan de
onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag
valt en derhalve, op grond van verdragsconforme interpretatie, binnen de
werkingssfeer van artikel (7A:)1637ij BW.
4.4. Over de vraag vanaf welk moment de aansluiting bij een pensioenregeling
onder de norm van gelijke behandeling van de WGL en de daaropvolgende
wetgeving valt, overweegt de Commissie als volgt.
Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting
BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, C-57/93, 28 september 1994, Nemesis 1994
nr. 424.
Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis
Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, C-128/93,
28 september 1994, Nemesis 1994 nr. 425) bevestigd dat niet alleen het recht
op uitkering uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht
op aansluiting daartoe binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag
valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel geformuleerde
discriminatieverbod.
In genoemde uitspraken heeft het EG-Hof voorts aangegeven dat er voor het
recht op aansluiting geen bijzondere beperking in de tijd geldt, en dat dit
recht derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II arrest(Hof
van Justitie der Europese Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), C-43/75, 8 april 1976, NJ 1976-510)
waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van artikel 119
EEG-Verdrag heeft erkend, kan worden ingeroepen. Het Hof wijst er echter
uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij de pensioenregeling mede
betekent dat ook over de betrokken periode (alsnog) premies moeten worden
betaald, ook door de werknemer indien het Pensioenreglement een
werknemersbijdrage voorschrijft.
Het bovenstaande betekent dat onderscheid op grond van geslacht met
betrekking tot aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling in strijd is met
de wetgeving gelijke behandeling/WGL vanaf 8 april 1976.
4.5. Vervolgens komt de Commissie toe aan de vraag of de wederpartij in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door verzoekster
geen toegang te verlenen tot een van de in het bedrijf geldende
pensioenregelingen.
Van direct onderscheid is geen sprake. De bij de wederpartij geldende
pensioenregelingen sluiten vrouwelijke werknemers immers niet met zoveel
woorden uit. Beoordeeld moet worden of er wellicht van indirect onderscheid,
dat wil zeggen onderscheid dat op grond van andere hoedanigheden dan geslacht
dat direct onderscheid tot gevolg heeft, sprake is.
Of een personeelslid bij de wederpartij voor toetreding tot een
pensioenvoorziening in aanmerking komt, is afhankelijk van de functie die het
personeelslid vervult. Bezien zal worden of de vrouwelijke werknemers
hierdoor relatief zwaarder worden getroffen dan de mannelijke werknemers.
Derhalve zal worden bekeken hoeveel mannen en vrouwen er tijdens het
dienstverband van verzoekster bij de wederpartij in dienst waren en hoeveel
er van hen over een pensioenvoorziening beschikten. Uit de gegevens, die de
wederpartij op dit punt ter beschikking heeft gesteld en welke betrekking
hebben op 1994, blijkt dat er in totaal 51 mannen en vier vrouwen bij de
wederpartij werkzaam waren. Van het aantal mannelijke werknemers beschikten
er 50 over een pensioenvoorziening. Van de vrouwelijke werknemers beschikte
niemand over een pensioenvoorziening. Zij waren derhalve voor 100%
uitgesloten, terwijl er van de mannelijke werknemers minder dan 2% was
uitgesloten. Dit leidt tot een vermoeden van indirect onderscheid: de vrouwen
worden in overgrote meerderheid door de regeling nadelig getroffen. De
omstandigheid, dat er in het verleden ook een vrouw voor pensioen in
aanmerking is gekomen, doet aan dit vermoeden op zichzelf niet af, nu de
wederpartij -hoewel zij daartoe nadrukkelijk in de gelegenheid is gesteld-
niet heeft aangegeven dat genoemde verhoudingen in het verleden substantieel
van de onderhavige afweken.
4.6. Ingevolge artikel 6 WGB en artikel (7A:)1637ij lid 5 BW kan een
vermoeden van indirect onderscheid worden weerlegd, indien de wederpartij
hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aandraagt. De Commissie toetst
bij de vraag of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond aan de
volgende criteria (Zie voetnoot 3 en Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Jenkins versus Kingsgate, 96/80, 31 maart 1985, JUR 1981, p.
911):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn en
– de middelen die zijn gekozen om het doel te bereiken dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte en
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
Anders dan ten aanzien van het onderdeel van het verzoek met betrekking tot
gelijk loon, ligt hier geen scheidslijn tussen het operationele personeel,
waarop de CAO wordt toegepast, en het kantoorpersoneel. Immers, een deel van
het kantoorpersoneel, te weten de directie- en stafleden, beschikt eveneens
over een pensioenregeling. In het ontbreken van een CAO voor verzoekster is
dan ook geen rechtvaardigingsgrond gelegen.
De wederpartij baseert het onderscheid met name op het feit dat het
zogenaamde `overige personeel’ voor de continuïteit van het bedrijf minder
relevant en gemakkelijker vervangbaar is en een groot verloop kent. Nog
daargelaten dit laatste argument voor verzoekster niet opgaat -zij is immers
vijftien jaar bij de wederpartij in dienst geweest-, is de Commissie is van
mening dat het door de wederpartij aangevoerde niet als objectieve
rechtvaardigingsgrond kan gelden.
De Commissie is van oordeel dat aan het na te streven doel weliswaar elke
discriminatie vreemd is -het gaat immers om een beloning van het personeel
dat de werkgever van belang acht voor de continuïteit van het
personeelsbestand-, maar dat dit doel ook op andere wijze kan worden bereikt.
Te denken valt bijvoorbeeld aan beloningsmaatstaven als dienstjaren en
bindingspremies. De Commissie is op grond daarvan van mening dat het gekozen
middel niet noodzakelijk is om eerdergenoemd doel te bereiken.
Nu overigens niet is gebleken van gronden, die een objectieve
rechtvaardigingsgrond zouden kunnen opleveren, concludeert de Commissie dat
de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (…) te
Dordrecht jegens mevrouw (…) te Zevenbergen indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 2
Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, respectievelijk artikel (7A:)1637ij
Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 tot en met 10 Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer),mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer)