Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van 1 juni 1978 tot 1 november 1993 bij de
wederpartij in dienst geweest als administratief medewerkster. Zij is van
mening dat de arbeid die zij verrichtte van (nagenoeg) gelijke waarde was als
de arbeid die enkele mannelijke collega’s (hierna: maatman 1 en maatman 2)
verrichtten, terwijl zij daarvoor een lagere beloning ontving. Zij is van
mening dat de wederpartij haar ongelijk heeft beloond op grond van geslacht.
De wederpartij verklaart het verschil in beloning door de zwaarte van de
functie. De Commissie gaat hieraan voorbij omdat dit op geen enkele manier
wordt onderbouwd.
De wederpartij baseert dit verschil voorts op de omstandigheid dat de
arbeidsmarkt van ervaren bulldozerchauffeurs krapper is dan die van
administratief personeel. Dit betekent voor werkgevers dat het schaarse
personeel hoger wordt beloond dan wellicht past bij de zwaarte van de
functie.
De Commissie stelt vast dat `marktwaarde’ onder omstandigheden enig verschil
in beloning kan rechtvaardigen. Dit geldt met name in situaties, waarin
tijdelijk sprake is van schaarste van een bepaalde categorie personeel.
In het onderhavige geval is sprake van een langdurig verschil in beloning.
Niet aannemelijk is dat er gedurende al die jaren sprake is geweest van
schaarste op de arbeidsmarkt. De stelling dat de CAO’s voor het havenbedrijf
louter een gevolg zijn van de `marktwaarde’ gaat in zijn algemeenheid dan ook
te ver. Het verschil in beloning kan naar het oordeel van de Commissie daarom
niet volledig door `marktwaarde’ worden verklaard.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden, als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

4.7. Behalve in 1982 bedroeg het beloningsverschil tussen verzoekster en
maatman 2 gedurende de gehele onderzoeksperiode ongeveer ƒ 1.000,– in het
nadeel van verzoekster, terwijl zij arbeid van hogere waarde verrichtte.
De wederpartij verklaart het verschil in beloning met betrekking tot het
bruto maandsalaris door het verschil in zwaarte van de functies. Zoals reeds
eerder is overwogen, zal hieraan voorbij worden gegaan, nu de wederpartij die
stelling onvoldoende heeft onderbouwd.
De wederpartij baseert dit verschil voorts op de omstandigheid dat de
arbeidsmarkt van ervaren bulldozerchauffeurs krapper is dan die van
administratief personeel. Dit betekent voor werkgevers dat het schaarse
personeel hoger wordt beloond dan wellicht past bij de zwaarte van de
functie.
De Commissie stelt vast dat `marktwaarde’ onder omstandigheden enig verschil
in beloning kan rechtvaardigen (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Enderby/Frenchay Health Authority, 27 oktober 1993, zaak
C-127/92. Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 29 april 1994, oordeelnummers 534-94-27 en 534-94-29). Dit geldt met
name in situaties, waarin tijdelijk sprake is van schaarste van een bepaalde
categorie personeel. De Commissie stelt als voorwaarde aan het hanteren van
de beloningsmaatstaf `marktwaarde’ dat sprake is van een zekere
proportionaliteit tussen marktwaarde en de salariëring. Zo zal het eigen
beloningssysteem het kader moeten zijn, waarbinnen wordt beloond. Met andere
woorden: ook met toepassing van de maatstaf `marktwaarde’ zullen de maximale
salarisgrenzen in het oog moeten worden gehouden. In de onderhavige situatie
is dit het geval, in die zin dat het salaris van maatman 2 niet uitstijgt
boven de salarisgrenzen voor zijn functie, genoemd in de CAO.
Proportionaliteit tussen marktwaarde en salaris houdt naar het oordeel van de
Commissie echter eveneens in, dat marktwaarde slechts een rol kan spelen
gedurende de periode dat de schaarste daadwerkelijk bestaat en/of voortduurt.
Schaarste op de arbeidsmarkt treedt doorgaans gedurende bepaalde perioden op.
De wederpartij heeft in casu gesteld dat alle operationele functies in de
havensector hoog beloond worden, onder meer gezien de
machtspositie/marktwaarde van deze groep. Een verklaring voor het feit dat de
salarissen voor operationeel personeel al meer dan tien jaar op een veel
hoger niveau liggen, heeft de wederpartij niet gegeven.
Daar komt bij dat in het onderhavige geval sprake is van een
beloningsverschil dat vanaf 1983 reeds meer dan ƒ 1.000,– bedroeg. Op dat
moment was maatman 2 nog niet vakvolwassen, onervaren en ongeveer 20 jaar
oud. Het komt de Commissie voor dat diens marktwaarde op dat moment niet
reeds het beloningsverschil tussen hem en verzoekster kon verklaren. Dit
beloningsverschil is vervolgens steeds gehandhaafd. De verklaring van de
wederpartij kan derhalve niet, en in elk geval niet gedurende de gehele
onderzoeksperiode en voor het geheel van het beloningsverschil, aan de
beloningsmaatstaf `marktwaarde’ worden toegeschreven. Daarvoor is dit beroep,
zo blijkt uit het voorgaande, te algemeen van aard.
In het onderhavige geval is sprake van een langdurig verschil in beloning.
Niet aannemelijk is dat er gedurende al die jaren sprake is geweest van
schaarste op de arbeidsmarkt. De stelling dat de CAO’s voor het havenbedrijf
louter een gevolg zijn van de `marktwaarde’ gaat in zijn algemeenheid dan ook
te ver. Het verschil in beloning kan naar het oordeel van de Commissie daarom
niet volledig door `marktwaarde’ worden verklaard.
4.8. Naast het verschil in het basismaandsalaris bestaan er verschillen in de
andere beloningsonderdelen.
– Allereerst wordt de vakantietoeslag voor verzoekster en maatman 2 op een
verschillende wijze berekend en worden verschillende percentages gehanteerd,
zoals reeds is uiteengezet in overweging 3.11. De verschillen leiden ertoe
dat maatman 2 procentueel een hogere vakantietoeslag ontving dan verzoekster.
– Daarnaast beschikt maatman 2 -anders dan verzoekster- over een
pensioenvoorziening, hetgeen feitelijk tot een nog hogere beloning van
maatman 2 leidt.
– Maatman 2 ontving voorts tot en met 1984 een 13e maand, terwijl verzoekster
deze niet ontving. Verzoekster ontving daarentegen sinds 1985 jaarlijks een
tantième; deze was sinds 1989 gelijk aan de hoogte van haar maandsalaris.
Maatman 2 ontving deze niet. Dit leidt eveneens tot een verschil in beloning.
– Verder werd aan maatman 2 een reiskostenvergoeding toegekend, welke
vergoeding verzoekster niet kreeg.
– Ter zitting is voorts meegedeeld dat maatman 2 meer vakantiedagen heeft.
– Tenslotte heeft het operationele personeel recht op een vergoeding voor de
premie voor een ziektekostenverzekering. Het kantoorpersoneel ontving deze
vergoeding niet.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wederpartij met betrekking tot
deze beloningsonderdelen evenmin gelijke maatstaven heeft toegepast. Ook dit
leidt tot een ongelijke beloning in het nadeel van verzoekster.
De wederpartij heeft voor de verschillen in deze beloningsonderdelen als
verklaring gegeven, dat deze voor het operationele personeel voortvloeien uit
de CAO. Naar het oordeel van de Commissie vormt de omstandigheid, dat deze
wijze van beloning van het operationele personeel voortvloeit uit de
toegepaste CAO, geen rechtvaardiging voor dit verschil in beloning.
Allereerst staan de betreffende CAO-bepalingen immers niet aan een toepassing
hiervan op het kantoorpersoneel in de weg. De wederpartij was derhalve vrij
deze bepalingen ook op verzoekster toe te passen. Bovendien kan, in een geval
als het onderhavige, toepassing van CAO-bepalingen er nimmer toe leiden dat
het verbod op ongelijke behandeling opzij wordt gezet.
4.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wederpartij jegens
verzoekster onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in de
arbeidsvoorwaarden, als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (…)te
Dordrecht jegens mevrouw (…) te Zevenbergen onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 2
Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, respectievelijk artikel (7A:)1637ij
Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 tot en met 10 Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer),mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 14 juni 1996

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Na comparitie van partijen ontkent de man niet langer de vader van het kind
te zijn. De man is daardoor wettelijk onderhoudsplichtig.
De vrouw heeft nu een volledige baan, is in het verleden overspannen geweest
en wil nu vanwege de tijd die zij aan de opvoeding van het kind wil besteden
haar arbeidsuren verminderen. Om die reden heeft zij een bijdrage nodig van
de man.
De man zegt geen draagkracht te hebben. Het hof stelt dat zijn
onderhoudsplicht jegens zijn minderjarig kind voorrang heeft boven de
investeringen ten behoeve van zijn hobby in renpaarden.

Volledige tekst

Het geding
Het hof verwijst naar het in deze zaak gewezen arrest van 22 september 1995
en neemt de inhoud daarvan hier over.
De bij dit arrest gelaste comparitie van partijen heeft op 24 oktober 1995
plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
De man is daarbij in persoon, zonder procureur verschenen.
Vervolgens heeft de vrouw ter rolle een nadere akte genomen, waarbij zij
stukken in het geding heeft gebracht.
Het verleende verstek is gehandhaafd gebleven.
Vervolgens heeft de vrouw arrest gevraagd.

Beoordeling in hoger beroep
1. Het hof verwijst naar hetgeen in voormeld arrest van 22 september 1995
onder rechtsoverweging 2. als vaststaand is aangemerkt. Na gehouden
comparitie van partijen is komen vast te staan dat de man niet (langer)
ontkent de vader van X te zijn; hij heeft daarover alleen een twijfel
uitgesproken. De vrouw heeft ontkend een relatie met andere mannen te hebben
gehad in de conceptieperiode. De man heeft erkend dat hij een relatie met de
vrouw had, in de bewuste periode en heeft ter comparitie niet meer gesteld
dan het vermoeden te hebben dat de vrouw ook met andere mannen een relatie
gehad heeft; hij heeft evenwel geen naam genoemd noch aangegeven dat alsnog
te zullen doen. Hij wil niet meewerken aan een bloedonderzoek. Ter comparitie
sprak hij de intentie uit deze zaak netjes te willen afhandelen en contact te
zullen opnemen met een advocaat.
Hij heeft vervolgens per brief de vrouw laten weten dat zijn financiële
situatie, in verband met de door hem uitgeoefende handel in ren- en
fokpaarden, het niet toelaat bij te dragen in de kosten van X.
3. Onder de voormelde omstandigheden moet de man gelijk gesteld worden met
een vader die toegeeft de vader van het kind te zijn. De man is daarom
wettelijk onderhoudsplichtig voor X.
4. De vrouw heeft als journaliste vanaf 1992 blijkens de jaaropgaven een
bruto inkomen genoten (ƒ 58 981, ƒ 60 177, ƒ 61 075, ƒ 65 094), terwijl haar
vaste lasten bestaan uit de hypotheekrente (in 1992: ƒ 6667, in 1993: ƒ 7499,
in 1994: ƒ 2335, in 1995: ƒ 10 513) en de bijdrage voor het appartementsrecht
aan de vereniging van eigenaren bedraagt ƒ 720 per jaar; daarnaast heeft zij
in de jaren 92 tot en met 94 een doorlopend krediet gehad bij de Postbank
waarop zij met ƒ 420, per maand afloste en een schuld bij Wehkamp, welk
krediet en schuld zij heeft afgelost in 1994 door middel van
hypotheekverhoging en oversluiting tegen een lagere rente. Thans heeft zij
nog een doorlopend krediet met een maandtermijn van ƒ 100 Aan ziektekosten
betaalde zij in de jaren vanaf 1992 ƒ 247, ƒ 255, ƒ 261 en ƒ 264 per maand.
Daarnaast voert zij vanaf 1992 autokosten op ter zake van ƒ 337 per maand.
De schoolbijdrage en kosten van boeken voor X belopen in 1995 ƒ 950. Zij
voert aan dat zij in het verleden tot maart 1992 onderhoudsbijdragen voor X
heeft ontvangen van de man. Zij heeft een volledige baan, is in het verleden
overspannen geweest en zou vanwege de tijd die zij aan de opvoeding van X wil
besteden, haar arbeidsuren willen verminderen. Om die reden heeft zij een
bijdrage van de man nodig.
5. Ter comparitie heeft de man erkend onderhoudsbijdragen te hebben betaald
en daarmee te zijn gestopt omdat hij geld wilde steken in zijn hobby van
renpaarden. Hij betaalt nu af en toe dingen voor X, die thans ook nog
regelmatig bij hem verblijft.
6. Rekening houdend met het inkomen en de lasten van de vrouw moet zij in
staat geacht worden een belangrijk aandeel zelf in de kosten van
levensonderhoud van X te dragen, zelfs als zij ertoe overgaat een aantal uren
minder te werken. Gezien het feit dat de onderhavige procedure eerst in 1994
is aangevangen en niet gesteld of gebleken is dat er tussen maart 1992 en het
aanhangig maken van de zaak getracht is de man tot vrijwillige betaling aan
te sporen, acht het hof het redelijk de bijdrage van de man te doen ingaan op
1 juli 1994. Gelet op wat een kind in de levensfase van 11-13 jaar zou moeten
kosten, acht het hof na te noemen bijdrage van de man redelijk en billijk en
in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
7. Daarbij moet het hof er, bij gebreke van financiële gegevens aan de zijde
van de man, van uitgaan dat hij in staat is deze bijdrage te betalen. Het hof
vindt dat de onderhoudsverplichting van de man jegens zijn minderjarig kind
voorrang heeft boven de door de man aangevoerde investeringen in zijn hobby.
7. Het bovenstaande brengt mee, dat verder zal worden beslist als volgt.

Beslissing
Het hof:
verklaart de vrouw ontvankelijk in haar inleidende vordering;
veroordeelt de man om terzake van de kosten van verzorging en opvoeding van
zijn minderjarig kind X aan de vrouw te betalen een bijdrage van ƒ 250 per
maand met ingang van 1 juli 1994, wat de na heden te verschijnen termijnen
betreft bij vooruitbetaling te voldoen.
veroordeelt de man in de kosten van de procedures in hoger beroep aan de
zijde van de vrouw tot op heden begroot op ƒ 58,93 aan exploitkosten, ƒ 350
aan griffierecht en ƒ 3500 aan salaris voor de procureur en in eerste aanleg
begroot op ƒ 350 aan verschotten en ƒ 1420 aan salaris voor de procureur.

Rechters

Mrs. Von Brucken Fock, Pieters, Simonis

Instantie: Kantonrechter Enschede, 13 juni 1996

Instantie

Kantonrechter Enschede

Samenvatting


Eiseres is dirigent bij gedaagde. Gedaagde en een ander koor zullen samen
per
1 april 1995 een koor gaan vormen. Besloten is dat de mannelijke dirigent
van
laatstgenoemd koor de dirigent van het nieuwe koor zal worden. De
overeenkomst met eiseres ten aanzien van haar dirigentschap is beëindigd.
Zij
is van mening dat dit is geschied vanwege het feit dat zij vrouw is en
dat de
wederpartij hiermee heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.
In tegenstelling tot de Commissie gelijke behandeling (Oordeel 95-8, van
29
maart 1995, CD-ROM nr. 97010076) komt de kantonrechter tot de conclusie
dat
in casu geen sprake is van discriminatie.

Volledige tekst

Ten aanzien van het recht

1. In dit geding staat tussen partijen vast dat eiseres zich ten behoeve
van
gedaagde heeft verbonden om enkele diensten als koordirigent te verrichten,
in hoofdzaak bestaande uit het leiden van de wekelijkse repetities en
daarnaast het enkele malen per jaar leiding geven aan uitvoeringen en/of
ander optreden van gedaagde.
De basis van bedoelde overeenkomst is te vinden in een
‘dirigentenovereenkomst’ d.d. 25 januari 1988.

2. Eiseres voert aan dat bij schrijven d.d. 10 februari 1995 de voormelde
overeenkomst tussen partijen is opgezegd tegen 1 mei 1995 en dat door de
penningmeester van het koor op 24 januari 1995 aan haar is meegedeeld dat
het
koor geen vrouw voor haar koor als dirigente wenste, door welke mededeling
eiseres zich gediscrimineerd voelt en zij schade heeft geleden.
Naar aanleiding van een klacht over discriminatie van eiseres heeft de
Commissie gelijke behandeling op 29 maart 1995 beslist dat gedaagde direct
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht jegens eiseres in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling door de overeenkomst met haar met betrekking
tot haar dirigentschap te beëindigen.
3. Gedaagde bestrijdt dat bij de beëindiging van de relatie met eiseres
haar
vrouw-zijn een rol heeft gespeeld, terwijl zij evenzeer bestrijdt dat eiseres
schade heeft geleden.
4. De kantonrechter heeft ambtshalve kennis genomen van zijn beschikking
d.d
13 juni 1995 gegeven naar aanleiding van een verzoek ex art. 7A:1639 w
van
het Burgerlijk Wetboek van thans -gedaagde ca. thans- eiseres, strekkende
tot
voorwaardelijke ontbinding van de gestelde ‘arbeidsovereenkomst’. Tevens
heeft de kantonrechter kennisgenomen van de bij dat verzoek gevoegde
producties, waaronder genoemde ‘dirigentenovereenkomst’ van 25 januari
1988.

De dirigentenovereenkomst van 25 januari 1988 houdt onder andere in dat
de
dirigent de artistieke leiding heeft, zodanig dat zij vrij is in de
muzikaaltechnische uitvoering van haar werkzaamheden.
Eiseres heeft niet gesteld en evenmin is gebleken, dat het bestuur van
gedaagde bij het uitvoeren van haar eigenlijke taak namelijk het geven
van
leiding bij repetities en uitvoeringen opdrachten of aanwijzingen heeft
gegeven dan wel daartoe gerechtigd was.
De kantonrechter stelt op grond van die dirigentenovereenkomst en de
opstelling van eiseres in de onderhavige procedure vast dat de relatie
tussen
partijen niet overwegend de kenmerken bevat van een arbeidsovereenkomst,
doch
dat die relatie bestempeld dient te worden als een overeenkomst tot het
verrichten van enkele diensten.
5. Eiseres beroept zich kennelijk op de Wet Gelijke Behandeling van mannen
en
vrouwen (WGB).
Blijkens art. 1b van die wet gelden de bepalingen van de WGB niet alleen
voor
arbeidsovereenkomsten, maar ook voor overeenkomsten tot het verrichten
van
enkele diensten waarvan het in het onderhavige geval sprake is; art. 1637y
van het Burgerlijk Wetboek is daarbij van overeenkomstige toepassing
verklaard en ingeval van overtreding van het discriminatie-verbod kan
schadeplichtigheid ontstaan.

6. De gestelde discriminatie zou volgens eiseres hierin gelegen zijn dat
de
penningmeester van gedaagde tijdens een bespreking op 24 januari 1995 het
geslacht van eiseres ter sprake heeft gebracht als reden voor beëindiging
van
het dirigentschap.
Gedaagde heeft erkend dat de penningmeester een verkeerde uitspraak heeft
gedaan, doch daaraan toegevoegd dat de penningmeester de uitspraak op
persoonlijke titel heeft gedaan en niet namens het bestuur van gedaagde.
Gedaagde houdt staande dat de enige echte reden voor beëindiging van de
samenwerking met eiseres was dat de relatie met de andere dirigent -toevallig
een man- veel langer was, zodat alleen anciënniteit de reden is geweest
voor
de keuze van ontslag voor eiseres.

7. De kantonrechter acht, gelet op het standpunt van gedaagde voldoende
aannemelijk dat de uitspraak van de penningmeester niet het standpunt van
gedaagde weergaf en acht voorts voldoende vaststaan dat -waar vaststaat
dat
de 2 koren noodzakelijk moesten fuseren en de dirigent van het andere koor
veel langer als koordirigent diensten had verricht -de keuze voor de
mannelijke dirigent volstrekt redelijk en billijk was en niets te maken
had
met het vrouw-zijn van eiseres; het is alleszins aannemelijk dat ingeval
de
eisende partij van het mannelijk geslacht was geweest de keuze van gedaagde
voor een dirigent op grond van anciënniteit niet ander zou zijn geweest.
De op discriminatie gestoelde eis tot schadevergoeding is dan ook ongegrond
te achten en dient te worden afgewezen.

8. Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten
te
worden veroordeeld.
(Salaris gemachtigde ƒ 500,=).
(….)

Rechters

Mr J.D. Viehoff

Instantie: Rechtbank Zwolle, 12 juni 1996

Instantie

Rechtbank Zwolle

Samenvatting


Gedaagde, vader, heeft zijn dochter, eiseres, seksueel misbruikt en gedwongen
tot prostitutie. Hij is strafrechtelijk veroordeeld. Eiseres vordert thans ƒ
25.000 immateriële en ƒ 1620 materiële schadevergoeding. Het beroep van
gedaagde op verjaring slaagt voor wat betreft de immateriële schade. De
verjaringstermijn is in juni 1989 aangevangen omdat eiseres toen met behulp
van de politie haar vader en de prostitutie is ontvlucht. Pas op 30 december
1994 is de eerste daad van stuiting verricht. De verjaringstermijn was toen
reeds verstreken. De vordering met betrekking tot de materiële schade, die
pas is ontstaan na 1992, dient nader onderbouwd te worden. De rechtbank wijst
nog geen eindvonnis en stelt eiseres hiertoe in de gelegenheid.

Volledige tekst

Procesgang

Eiseres heeft het geding aanhangig gemaakt met een op 18 mei 1995
uitgebrachte dagvaarding. Partijen zijn verschenen waarna de volgende
processtukken zijn gewisseld:
– een conclusie van eis van de zijde van eiseres;
– een conclusie van antwoord van de zijde van gedaagde;
– een conclusie van repliek van de zijde van eiseres;
– een conclusie van dupliek van de zijde van gedaagde;
– een akte uitlating produkties van de zijde van eiseres.

Partijen hebben vervolgens onder overlegging van hun procesdossiers vonnis
gevraagd.

Conclusies van partijen

De vordering van eiseres strekt ertoe dat de rechtbank bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad voorzover de wet zulks toelaat, gedaagde zal
veroordelen haar de bedragen van ƒ 25.000 en van ƒ 1.620 te betalen,
vermeerderd met de wettelijke rente daarover van 30 december 1994 af, met
veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding,

Gedaagde heeft tegen die vordering verweer gevoerd met conclusie eiseres
daarin niet-ontvankelijk te verklaren danwel de vordering af te wijzen met
haar veroordeling in de kosten van het geding.

Motivering

Vaststaande feiten

Eiseres, geboren op 8 juni 1969, is de dochter van gedaagde. In mei 1989,
toen zij nog bij haar ouders thuis in Lelystad woonde en in Haarlem als
prostituée werkzaam was, heeft zij zich tot de politie gewend met de melding
dat zij zich aan de invloed van gedaagde en aan het werk in de prostitutie
wilde onttrekken. Zij heeft de ouderlijke woning verlaten en is op een geheim
adres ondergebracht.

Op 28 september 1993 heeft zij bij de politie aangifte gedaan dat gedaagde
zich jegens haar aan ontucht en verkrachting heeft schuldig gemaakt en haar
gedwongen heeft als prostituée te werken en haar verdiensten aan hem af te
dragen. De aangifte heeft geleid tot een strafvervolging wegens:
1. verkrachting in de periode van 8 juni 1985 tot en met 31 december 1989;
subsidiair:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid in de periode van 8 juni 1985 tot en
met 31 december 1989;
meer subsidiair:
ontucht plegen met zijn minderjarig kind in de periode van 1 januari 1975 tot
en met 7 juni 1987;
2. mensenhandel in de periode van 8 juni 1986 tot en met 31 december 1989.

Gedaagde is in eerste aanleg en -op 15 juli 1994- in hoger beroep
vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 telaste
gelegde en op tegenspraak veroordeeld terzake dat hij op tijdstippen in de
periode van 1 januari 1975 tot en met 7 juni 1987 ontucht heeft gepleegd met
eiseres, toen zijn minderjarig kind.

Standpunt van eiseres

Gedaagde heeft eiseres gedurende een lange reeks van jaren stelselmatig
seksueel misbruikt en heeft zich aldus jegens haar onrechtmatig gedragen. Zij
heeft daardoor grote psychische schade geleden. Zij heeft ook materiële
schade geleden doordat zij zich vanwege de klachten, voortkomende uit de
traumatische gebeurtenissen die zij heeft ondergaan, in 1992 heeft moeten
wenden tot een hypnotherapeut en een masseur.

Het is van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik zich
pas na geruime tijd inzicht verwerven, mede door de begeleiding van
therapeuten, in de hun toegebrachte schade en de omvang daarvan en op grond
van dat inzicht in staat zijn om strafrechtelijke en civielrechtelijke
initiatieven te ontplooien. Dat proces heeft zich ook bij eiseres voltrokken.
Pas onder begeleiding van de hypnotherapeut vanaf ongeveer maart 1992 is zij
met haar schade bekend geworden. Pas nadat deze begeleiding ongeveer
anderhalf jaar had geduurd is zij ertoe kunnen komen aangifte te doen. Een
eventuele verjaringstermijn neemt pas vanaf deze periode een aanvang.

Standpunt van gedaagde

Gedaagde stelt dat hij de hem verweten feiten niet gepleegd heeft, maar
erkent dat de tegen hem uitgesproken strafrechtelijke veroordeling bewijs
oplevert van wat daarbij bewezen is verklaard en dat hij tot tegenbewijs niet
in staat is.

Hij beroept zich primair op verjaring. Het hof heeft feiten bewezen
verklaard, gepleegd in een op 7 juni 1987 eindigende periode. In elk geval op
die datum was eiseres bekend zowel met de schade als met de daarvoor
aansprakelijke persoon. De verjaring is niet eerder gestuit dan met een
aangetekende brief van 30 december 1994. Toen echter was de verjaringstermijn
reeds voltooid.

Subsidiair bestrijdt gedaagde de hoogte van de gestelde schade.

Beoordeling van het geschil

Vooropgesteld moet worden dat de tegen gedaagde uitgesproken strafrechtelijke
veroordeling slechts bewijst wat daarbij bewezen is verklaard. Anders dan
eiseres onder 2 van haar conclusie van repliek lijkt te betogen kan een feit
natuurlijk niet bewezen worden door een strafrechtelijke telastelegging op
zichzelf, ongeacht de daarop gevolgde vrijspraak. Dat betekent dat in dit
geval uit de strafrechtelijke vervolging geen bewijs voortvloeit voor feiten
die na 7 juni 1987 gepleegd zouden zijn. In beginsel sluit dat niet uit dat
die feiten in het onderhavige geding wel bewezen zouden kunnen worden.

Eiseres beticht gedaagde van onrechtmatig handelen dat zich tot en met 1989
uitstrekt. Eiseres echter heeft een gedeelte overgelegd van de gedane
aangifte en daarin verklaart eiseres dat zij rond juni 1989 met hulp van de
politie haar spullen uit het ouderlijk huis heeft weggehaald. Eiseres heeft
thans niet aangevoerd dat die aangifte een onjuist beeld geeft van het
gebeurde. Dat beeld is dat eiseres zich in mei 1989 tot de politie gewend
heeft met de melding dat zij zich aan de invloed van haar vader en aan het
werk in de prostitutie wilde onttrekken en dat zij dat vervolgens met hulp
van de politie en van anderen in juni 1989 (althans voorzover het de fysieke
invloed van haar vader betrof) ook heeft gedaan. De rechtbank gaat er daarom
van uit dat eiseres met het onrechtmatig handelen “tot en met 1989′ bedoelt
een onrechtmatig handelen “tot in 1989′, namelijk tot in mei of juni 1989.
Niets wijst erop en ook wordt niet gesteld dat het onrechtmatig gedrag van
gedaagde zich daarna nog heeft voortgezet.

In mei/juni 1989 was eiseres dus op de hoogte van het onrechtmatig handelen
waar het in dit geding om gaat. Het moet ervoor worden gehouden dat eiseres
toen ook op de hoogte was van de daardoor toen reeds gevallen schade. Zij was
toen meerderjarig, 20 jaar oud en in staat zich tot de politie te wenden en
met hulp van anderen zich aan de invloed van haar vader en aan de prostitutie
te onttrekken en zij deed dat ook. Dan moet zij zich er ook van bewust zijn
geweest dat haar vader, de invloed die hij op haar uitoefende en het milieu
en de werkkring waarin zij daardoor verkeerde, tenminste in immateriële zin
schadelijk voor haar waren. Een exact inzicht in de aard en de omvang van die
schade had zij ongetwijfeld niet, maar voor de aanvang van een
verjaringstermijn is dat ook niet nodig.

De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres er destijds, in 1989, geestelijk
nog niet aan toe was om strafrechtelijke en civielrechtelijke stappen te
ondernemen. Dat is op zichzelf nog geen reden aan te nemen dat de
verjaringstermijn nog niet aanving. De verjaringstermijn stond eiseres juist
ter beschikking om zich te beraden, haar positie te overzien en vervolgens de
actie te ondernemen die haar geraden voorkwam. De termijn is daartoe
kennelijk ook niet te kort geweest want in september 1993 was zij wel in
staat aangifte te doen en niet valt in te zien waarom zij toen nog niet in
staat geweest zou zijn om civielrechtelijke initiatieven te ontplooien. Maar,
al was de termijn hiervoor te kort geweest, dan nog is het de rechter niet
gegeven de door de wet gestelde termijn te veronachtzamen.

Een en ander betekent dat uiterlijk in juni 1989 de verjaringstermijn is
aangevangen en voor de eerste gestelde daad tot stuiting van de verjaring op
30 december 1994 verstreken is. Dat geldt echter niet voorzover de schade
eerst na de aanvang van die termijn is gevallen.

Het recht op vergoeding van immateriële schade kan naar het oordeel van de
rechtbank slechts gegrond worden op artikel 6:106 lid 1 sub b Burgerlijk
Wetboek: eiseres is in haar persoon aangetast. Die aantasting viel samen met
de aan gedaagde verweten gedragingen en was dus in mei/juni 1989 voltooid. De
schadevordering is thans niet ontvankelijk meer.

De gestelde materiële schade echter is eerst in 1992 en daarna gevallen. De
vordering tot vergoeding van deze schade is daarom niet verjaard. De schade
is wel betwist en eiseres zal tot bewijs ervan worden toegelaten. Indien en
voorzover daartoe van belang is of gedaagde zich aan meer onrechtmatig gedrag
heeft schuldig gemaakt dan door de strafrechter bewezen is verklaard, zal
eiseres ook tot bewijs daarvan worden toegelaten. Omdat de rechtbank, gelet
op de inhoud van de bewijsopdracht, rekening meent te moeten houden met de
mogelijkheid dat de bewijslevering schriftelijk zal verlopen, zal een dag
voor het verhoor van getuigen slechts op verzoek van partijen of een hunner
worden vastgesteld.

Beslissing

Eiseres dient te bewijzen dat zij als gevolg van de door de strafrechter ten
laste van bewezen verklaarde of van andere door haar gestelde onrechtmatige
gedragingen de door haar gestelde materiële schade heeft geleden.

Bewijslevering door getuigen kan plaats vinden op plaats en tijd als op een
daartoe strekkend verzoek nader zal worden bepaald. De zaak zal weer worden
opgeroepen op de rolzitting van 10 juli 1996 voor beraad enquête en/of voor
overlegging van schriftelijk bewijs.

Hoger beroep tegen dit vonnis zal eerst tegelijk met het hoger beroep tegen
het eindvonnis kunnen worden ingesteld.

Verder houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

Rechters

Mr. Mannourij

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 11 juni 1996

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Het hof gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van de
gezinsnorm, omdat hij een partner heeft die nog niet in eigen levensonderhoud
kan voorzien. Het hof hanteert daarbij echter niet het percentage van 45
procent, maar dat van zestig procent. Op grond van de redelijkheid en
billijkheid wordt afgeweken van de tremanormen.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Almelo van 20
december 1995, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. De partijen worden hierna aangeduid als de vrouw respectievelijk de man.

2.2. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 februari
1996, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij
verzoekt het hof die beschikking te vernietigen voor zover het betreft de
alimentatie voor haar en opnieuw rechtdoende het oorspronkelijk verzoek tot
alimentatie van ƒ 2500 per maand toe te wijzen dan wel alimentatie vast te
stellen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, kosten
rechtens.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 8 maart 1996, heeft de man
het beroep van de vrouw bestreden. Tevens heeft hij daarbij incidenteel
beroep ingesteld. Hij concludeert, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad:
A. in het principaal appel:
de vrouw in haar beroep niet ontvankelijk te verklaren althans haar haar
vorderingen te ontzeggen met bevestiging van de beschikking waarvan beroep,
al dan niet onder verbetering van gronden;
B. in het incidenteel appel:
de bestreden beschikking te vernietigen en de vordering van de vrouw hem te
veroordelen om terzake van alimentatie enig bedrag aan haar te betalen af te
wijzen;
C. in het principaal en incidenteel appel:
de proceskosten te compenseren.

2.4. Daarop heeft de vrouw in het incidenteel beroep een verweerschrift
ingediend, hetwelk op 1 april 1996 ter griffie is ingekomen, waarin zij
concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn verzoek in het
incidenteel appel, althans tot afwijzing van dat verzoek.

2.5. Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken waaronder een
faxbericht met bijlagen van 20 mei 1996 van mr E. Loesberg, advocaat te
Hengelo (Ov).

2.6. De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 1996 plaatsgevonden.
Verschenen zijn partijen, de vrouw bijgestaan door mr J.H. Schaap, advocaat
te Enschede, en de man bijgestaan door mr E. Loesberg, voornoemd.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1. Partijen zijn op 29 augustus 1980 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van
de rechtbank te Almelo van 20 december 1995 is de echtscheiding tussen
partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 28 februari 1996 ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand.

3.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren Gijsbert Jan (verder:
Gijsbert) op 4 februari 1985 en Carline Elise (verder: Carline) op 31
augustus 1987, over wie de vrouw het ouderlijk gezag uitoefent.

3.3. Bij de bestreden beschikking is bepaald dat de man als bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van Gijsbert en Carline ƒ 500 per kind per
maand zal betalen. Voorts is de man bij deze beschikking veroordeeld tot
betaling van ƒ 250 per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de
vrouw.

Ten aanzien van de man

3.4. De man leeft samen met een partner, die geen eigen inkomsten heeft. Zij
verblijft sinds oktober 1995 in Nederland. Zij had in Finland een volledige
baan als lerares en heeft een jaar onbetaald verlof genomen, welk verlof nog
met een jaar kan worden verlengd. Zij volgt een cursus in de Nederlandse
taal. Het inkomen van de man bedraagt ƒ 7109,67 bruto per maand exclusief 8%
vakantiegeld en een december- en een winstuitkering. De december- en
winstuitkeringen bedroegen respectievelijk ƒ 1601,34 en ƒ 2230,70 in 1993, ƒ
1657,60 en ƒ 1657,60 in 1994, ƒ 1194,42 en ƒ 3071,38 in 1995.

3.5. De lasten van de man bedragen per maand:

– ƒ 865,35 aan huur;
– ƒ 127,26 aan premie ziektekostenverzekering;
– ƒ 1000 aan bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van Gijsbert
en Carline.

Ten aanzien van de vrouw

3.6. De vrouw vormt met de kinderen van partijen een éénoudergezin. Zij heeft
een deeltijdbaan als tekenlerares. Zij heeft een vaste aanstelling voor zeven
lesuren per week bij de katholieke scholengemeenschap De Grundel; over
uitbreiding van het aantal lesuren is blijkens de brief van 22 maart 1996 van
de plaatsvervangend rector geen enkele toezegging mogelijk.
Haar inkomen bedraagt ƒ 24 992 bruto per jaar volgens de jaaropgave over
1995.

3.7. De lasten van de vrouw bedragen per maand:
– ƒ 1150 aan woonlasten;
– ƒ 304 aan ziektekosten;
– ƒ 200 aan oppaskosten.

4. De motivering van de beslissing

4.1. In geschil is de door de rechtbank vastgestelde door de man te betalen
bijdrage van ƒ 250 per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.
De vrouw verzoekt deze bijdrage te bepalen op ƒ 2500 per maand.
Behoefte

4.2. Anders dan de man is het hof van oordeel dat de vrouw niet geheel in
haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gezien haar leeftijd (thans: 39
jaar), de situatie op de arbeidsmarkt, waarbij vaststaat dat uitbreiding van
lesuren op dit moment niet te verwezenlijken is en er voor leraren op dit
moment weinig veranderingsmogelijkheden aanwezig zijn. Gelet voorts op de
traditionele rolverdeling tijdens het huwelijk en de omstandigheid dat de
vrouw nog de zorg heeft over de kinderen van partijen die nu elf en acht jaar
zijn, is thans niet te verwachten dat zij binnen afzienbare tijd geheel in
haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien.

4.3. Dat de vrouw behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in
de kosten van haar levensonderhoud, is daarmee voldoende komen vast te staan.
Draagkracht

4.4. De vrouw stelt dat draagkracht van de man toereikend is om de door haar
verzochte bijdrage in de kosten van levensonderhoud te betalen.

4.5. Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van
voormeld inkomen van de man en van de lasten vermeld onder 3.5. Het hof acht
het – anders dan de rechtbank – redelijk om bij de vaststelling van het
gemiddelde bedrag van december- en winstuitkeringen uit te gaan van het
gemiddelde van die uitkeringen over de laatste drie jaar.

4.6. Tijdens de mondelinge behandeling is komen vast te staan dat partijen
nog geen overeenstemming hebben bereikt over de boedelscheiding. Het hof
neemt het door de vrouw gestelde bedrag van ƒ 75 000, dat volgens haar zal
worden toegescheiden aan de man wegens overbedeling van haar, thans dan ook
niet in aanmerking.

4.7. Het hof acht het redelijk voor de kosten van de omgangsregeling het door
de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van ƒ 45 per maand in mindering te
brengen op de draagkracht van de man, nu vast staat dat de kinderen éénmaal
per veertien dagen één dag bij de vader verblijven en op het verzoek tot
uitbreiding van de omgangsregeling door de rechtbank nog niet is beslist.

4.8. De man heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij kosten maakt die uit het
eigen risico, verbonden aan de ziektekostenverzekering, betaald moeten
worden. Deze kosten worden dan ook niet door het hof in aanmerking genomen.

4.9. De door de man opgevoerde reiskosten voor woon-werkverkeer worden door
het hof evenmin in aanmerking genomen. De man heeft niet aannemelijk gemaakt
dat het voor hem noodzakelijk is om met de auto naar het werk te gaan. Het
hof is het eens met de vrouw dat de man ook met de fiets of het openbaar
vervoer naar zijn werk zou kunnen gaan aangezien de afstand van zijn huis tot
aan zijn werk slechts 15 kilometer bedraagt. Mede gelet op hetgeen hierna in
rechtsoverweging 4.10 wordt overwogen acht het hof deze lasten ook niet
redelijk ten opzichte van de vrouw.

4.10. De uitgaven van de man worden mede bepaald door het feit dat hij een
nieuwe partner heeft die geen eigen inkomsten heeft. Bij de beoordeling van
zijn draagkracht moet in beginsel rekening worden gehouden met alle redelijke
uitgaven die tot zijn last komen, waaronder die van zijn nieuwe partner. Ook
zal rekening dienen te worden gehouden met wat redelijk is jegens zijn
ex-echtgenote. Gelet op de taalproblemen van de partner van de man kan thans
niet als onredelijk beschouwd worden dat de man haar enige tijd volledig
onderhoudt, terwijl zij probeert zich voor te bereiden op een terugkeer op de
arbeidsmarkt. Die lasten acht het hof redelijk, zij het dat hierover op
termijn anders geoordeeld zou kunnen worden. Van die partner kan op dit
moment echter nog niet worden verwacht dat zij in haar eigen levensonderhoud
kan voorzien. Het hof gaat daarom bij de berekening van de draagkracht van de
man uit van de gezinsnorm maar zal verder bij de berekening van de
draagkrachtruimte een percentage van 60% hanteren, nu zijn
onderhoudsverplichting tegenover zijn ex-echtgenote mede gelet op het feit
dat zij tevens de zorg over de nog jonge kinderen van partijen heeft, nog
hoge prioriteit heeft zodat hantering van het draagkrachtpercentage van 45%
in dit geval niet redelijk zou zijn.

4.11. Op grond van bovenvermelde feiten en omstandigheden en gelet op de
fiscale consequenties van een en ander acht het hof de man in staat een
bijdrage van ƒ 900 per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te
betalen, zulks met ingang van 28 februari 1996.

5. De slotsom

5.1. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient de bestreden
beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, te worden
vernietigd.

5.2. De navolgende beslissing wordt gegeven met compensatie van proceskosten,
nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Almelo van 20 december 1995,
voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw
beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 28 februari 1996 een bedrag van ƒ 900 aan
de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen, de toekomstige termijnen bij
vooruitbetaling te voldoen;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke
partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Pel, Fokker, Van Ginkel

Instantie: Hof van Justitie EG, 11 juni 1996

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Atkins acht zich het slachtoffer van discriminatie op grond van geslacht
omdat hij als 63-jarige geen recht heeft op tariefreducties voor het openbaar
vervoer, terwijl een vrouw van dezelfde leeftijd daarop wel recht zou hebben
gehad. Een regeling op grond waarvan aan bepaalde categorieën van personen,
in het bijzonder bepaalde bejaarden, tariefreducties voor het openbaar
vervoer worden verleend, valt volgens het Hof niet binnen de werkingssfeer
van de richtlijn.
Volgens de tekst van artikel 3 lid 1 sub a is EG-richtlijn 79/7 van
toepassing op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de
eventualiteiten van ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en
beroepsziekten, en werkloosheid. Zij is eveneens van toepassing op de sociale
bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in de plaats
komen van de in sub a bedoelde regelingen. Tariefreducties voor het openbaar
vervoer die kunnen worden verleend aan verschillende categorieën van
personen, zoals pensioengerechtigden, bepaalde jongeren of gehandicapten
alsmede iedere andere bij ministerieel besluit aan te wijzen categorie,
bieden niet rechtstreeks en daadwerkelijk bescherming tegen een van de in
artikel 3 lid 1 EG-richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten. Een dergelijke
regeling heeft immers tot doel het openbaar vervoer toegankelijker te maken
voor bepaalde categorieën personen.

Volledige tekst

Arrest
1. Bij beschikking van 23 mei 1994, ingekomen bij het Hof op 8 augustus
daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice of England and Wales, Queen’s
Bench Division, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof drie prejudiciële
vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19
december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24).
2. Deze vragen zijn gerezen in het kader van een beroep dat voor de High
Court is ingesteld door C. Atkins, die zich het slachtoffer acht van een
discriminatie op grond van geslacht, omdat hij als 63-jarige geen recht heeft
op de tariefreducties voor het openbaar vervoer, waarin is voorzien in de
door de Wrekin District Council toegepaste regeling, terwijl een vrouw van
dezelfde leeftijd wel recht daarop zou hebben gehad.
3. In het Verenigd Koninkrijk hebben de plaatselijke overheden krachtens
Section 93 van de Transport Act van 1985 (hierna: `wet van 1985′) de
bevoegdheid om een regeling inzake tariefreducties voor het vervoer in te
voeren, waarbij bepaalde categorieën van personen het recht wordt gegeven om
gratis of tegen gereduceerd tarief gebruik te maken van het openbaar vervoer.
4. Section 93, lid 7, van de wet van 1985 bepaalt:
`Krachtens een dergelijke regeling komen voor tariefreducties voor het
vervoer in aanmerking:
a. mannen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, en vrouwen die de
leeftijd van 60 jaar hebben bereikt;
b. personen jonger dan 16 jaar;
c. personen die de leeftijd van 16 jaar hebben bereikt maar jonger zijn dan
18 jaar, die volledig dagonderwijs volgen;
d. blinden, dat wil zeggen personen die zo slecht zien dat zij niet in staat
zijn werk te verrichten waarvoor het gezichtsvermogen essentieel is;
e. personen die een handicap of een verwonding hebben, die naar het oordeel
van de overheid of van de autoriteiten die met de uitvoering van de regeling
zijn belast, hun capaciteit om te lopen sterk vermindert; en
f. andere categorieën van personen die de Secretary of State bij besluit kan
aanwijzen.’
5. Bij besluit krachtens Section 93, lid 7, sub f, van de wet van 1985 zijn
andere categorieën van personen aangewezen die in aanmerking komen voor
tariefreducties voor het vervoer: geestelijk gehandicapten, personen aan wie
om medische redenen een rijbewijs is geweigerd, doven, doofstommen, personen
die hun beide armen niet kunnen gebruiken, alsmede degenen die de
rechthebbenden tijdens de reis vergezellen.
6. Het is aan de plaatselijke overheden om te bepalen, voor welke categorieën
een dergelijke regeling inzake tariefreducties voor het vervoer zal gelden.
De door de Wrekin District Council op basis van genoemde bepalingen
vastgestelde regeling geldt voor gehandicapten, alsmede voor mannen die de
leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, en vrouwen die de leeftijd van 60 jaar
hebben bereikt, welke leeftijdsgrenzen samenvallen met de in het Verenigd
Koninkrijk geldende wettelijke pensioengerechtigde leeftijd voor ouderdoms-
en rustpensioenen.
7. Van oordeel dat het voor hem aanhangige geding vragen omtrent de
uitlegging van een aantal bepalingen van richtlijn 79/7 deed rijzen, heeft de
nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende
prejudiciële vragen gesteld:
`1. Valt de door de eerste verweerder toegepaste regeling inzake
tariefreducties voor het vervoer onder de werkingssfeer van artikel 3 van
richtlijn 79/7/EEG?
2. Zo ja, is dan artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van
toepassing in de omstandigheden van dit geval?
3. Indien richtlijn 79/7/EEG is geschonden, kan dan tot staving van een
schadevordering betreffende tijdvakken, gelegen voor de datum van de
uitspraak van het arrest van het Hof, op de rechtstreekse werking van de
richtlijn beroep worden gedaan door personen die voor die datum geen
rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend?’

De eerste vraag
8. Met zijn eerste vraag wenst de High Court te vernemen, of artikel 3, lid
1, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat een regeling als
bedoeld in Section 93, lid 7, van de wet van 1985, zoals vastgesteld en
toegepast door de Wrekin District Council, op grond waarvan aan bepaalde
categorieën van personen, in het bijzonder bepaalde bejaarden,
tariefreducties voor het openbaar vervoer worden verleend, binnen de
werkingssfeer van de richtlijn valt.
9. Volgens de tekst van artikel 3, lid 1, sub 1, is richtlijn 79/7 van
toepassing op de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de
eventualiteiten van ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en
beroepsziekten, en werkloosheid. Volgens artikel 3, lid 1, sub b, is zij
eveneens van toepassing op de sociale bijstandsregelingen, voor zover deze
een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de sub a bedoelde
regelingen.
10. Zoals het Hof reeds besliste, moet een uitkering, om binnen de
werkingssfeer van richtlijn 79/7 te vallen, geheel of gedeeltelijk worden
toegekend krachtens een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen een
van de genoemde eventualiteiten, dan wel een vorm van sociale bijstand zijn
met hetzelfde doel (zie met name het arrest van 19 oktober 1995, zaak
C-137/94, Richardson, Jurispr. 1995, blz. 1-3407, r.o. 8).
11. Het Hof wees er eveneens op, dat hoewel de toekenningsvoorwaarden niet
doorslaggevend zijn om te bepalen of een uitkering binnen de werkingssfeer
van richtlijn 79/7 valt, deze uitkering, om binnen de werkingssfeer van de
richtlijn te vallen, toch rechtstreeks en daadwerkelijk verband moet houden
met de bescherming tegen een van de in artikel 3, lid 1, opgesomde
eventualiteiten (arrest Richardson, reeds aangehaald, r.o. 9).
12. Een prestatie als bedoeld in Section 93, lid 7, van de wet van 1985,
welke wordt toegekend krachtens de regeling die door de Wrekin District
Council is vastgesteld en wordt toegepast, voldoet niet aan deze voorwaarden.
13. Stellig maakt zij deel uit van een wettelijke regeling, aangezien zij bij
wet is vastgesteld, ook al wordt zij slechts toegekend krachtens bepalingen
die door plaatselijke autoriteiten zijn vastgesteld.
14. Het door het Verenigd Koninkrijk aangevoerde feit dat de plaatselijke
autoriteiten niet verplicht zijn om een dergelijke regeling in te voeren en
over een zekere beoordelingsvrijheid beschikken om te bepalen wie en onder
welke voorwaarden daarvoor in aanmerking komt, kan aan deze regeling niet het
karakter van een wettelijke regeling in de zin van artikel 3, lid 1, van
richtlijn 79/7 ontnemen.
15. Evenmin kan het door de Wrekin District Council aangevoerde feit dat de
betrokken regeling formeel geen deel uitmaakt van een nationaal stelsel van
sociale zekerheid en niet onder de bevoegdheid van het Department of Social
Security valt, de regeling buiten de werkingssfeer van richtlijn 79/7 doen
vallen (arrest Richardson, reeds aangehaald, r.o. 13).
16. Vastgesteld moet evenwel worden dat een prestatie als bedoeld in Section
93, lid 7, van de wet van 1985, die bestaat in tariefreducties voor het
openbaar vervoer die kunnen worden verleend aan verschillende categorieën van
personen, zoals pensioengerechtigden, bepaalde jongeren of gehandicapten
alsmede iedere andere bij ministerieel besluit aan te wijzen categorie, niet
rechtstreeks en daadwerkelijk bescherming biedt tegen een van de in artikel
3, lid 1, van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten.
17. Een dergelijke regeling heeft immers tot doel het openbaar vervoer
toegankelijker te maken voor bepaalde categorieën van personen die, naar
algemeen wordt erkend, om uiteenlopende redenen in grotere mate zijn
aangewezen op het openbaar vervoer en die het om die redenen financieel en
materieel minder gemakkelijk hebben.
18. Ouderdom en invaliditeit, die mede worden genoemd onder de in artikel 3,
lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 opgesomde eventualiteiten, zijn dus slechts
twee van de criteria die kunnen worden aangehouden bij de afbakening van de
categorieën van personen die voor een dergelijke regeling inzake
tariefreducties voor het openbaar vervoer in aanmerking komen.
19. De omstandigheid dat degene die voor een prestatie in aanmerking komt,
zich in feite in een van de in artikel 3, lid 1 van richtlijn 79/7 bedoelde
situaties bevindt, volstaat evenwel niet om die prestatie als zodanig binnen
de werkingssfeer van de richtlijn te doen vallen (zie het arrest van 16 juli
1992, gevoegde zaken C-63/91 en C-64/91, Jackson en Cresswell, Jurispr. 1992,
blz. 1-4737, r.o. 18 en 19).
20. Het door de Commissie aangevoerde feit dat de plaatselijke regeling, die
door de Wrekin District Council is vastgesteld op grond van de machtiging van
Section 93, lid 7, van de wet van 1985, slechts ten goede komt aan
categorieën van personen die zich daadwerkelijk in een dergelijke situatie
bevinden, kan aan deze conclusie niet afdoen. Immers, zou een dergelijke
omstandigheid van belang worden geacht, dan zouden uiteindelijk, hoewel alle
plaatselijke regelingen op dezelfde wettelijke machtiging zijn vastgesteld,
sommige daarvan wel binnen de werkingssfeer van richtlijn 79/7 vallen en
andere niet, al naargelang de kring van begunstigden van dergelijke
regelingen al dan niet uitsluitend bestaat uit categorieën van personen die
zich in een van de in artikel 3, lid 1, van de richtlijn bedoelde situaties
bevinden.
21. Daar een regeling inzake tariefreducties voor het openbaar vervoer, zoals
bedoeld in Section 93, lid 7, van de wet van 1985, die door de Wrekin
District Council is vastgesteld en wordt toegepast, derhalve niet ingevolge
artikel 3, lid 1, sub a, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, kan
zij evenmin binnen deze werkingssfeer vallen ingevolge artikel 3, lid 1, sub
b, volgens welke bepaling de richtlijn alleen van toepassing is op
sociale-bijstandsregelingen, voor zover deze een aanvulling vormen op of in
de plaats komen van de sub a bedoelde regelingen.
22. De Commissie betoogt evenwel dat de werkingssfeer van richtlijn 79/7
ruimer is dan die van de sociale zekerheid en de sociale bijstand, en zich
uitstrekt tot de sociale bescherming in haar geheel. De richtlijn zou
derhalve ook van toepassing zijn op sociale-beschermingsmaatregelen zoals
reducties voor het openbaar vervoer, wanneer deze reducties worden verleend
aan personen die door één van de in artikel 3, lid 1, sub a, genoemde
eventualiteiten zijn getroffen.
23. In dit verband stelt de Commissie onder meer, dat artikel 1 van richtlijn
79/7 naast het gebied van de sociale zekerheid ook alle in artikel 3 genoemde
andere factoren van sociale bescherming op het oog heeft, en dat artikel 3,
lid 1, sub a, betrekking heeft op wettelijke regelingen die bescherming
bieden tegen de daarin genoemde eventualiteiten, zonder te preciseren dat die
regelingen deel moeten uitmaken van de sociale zekerheid.
24. Het standpunt van de Commissie kan niet worden aanvaard.
25. Gelet immers op de eenduidige bewoordingen van de titel van richtlijn
79/7, van de verschillende overwegingen van de considerans daarvan, alsmede
van artikel 1, die alle duidelijk maken dat de richtlijn de geleidelijke
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen op het gebied van sociale zekerheid beoogt, kan de verwijzing naar de
in artikel 3 genoemde andere factoren van sociale bescherming slechts aldus
worden uitgelegd, dat zij betrekking heeft op de sociale-bijstandsregelingen,
die in het algemeen buiten het terrein van de sociale zekerheid vallen [zie
ter zake bij bijvoorbeeld artikel 4, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1408/71
van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale
zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun
gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en
bijgewerkt bij verordening (EEG) nr. 2001.83 van de Raad van 2 juni 1983 (PB
1983,
230, blz. 6)].
26. Bovendien vallen ook de sociale-bijstandsregelingen, die nochtans met
zoveel woorden onder de werkingssfeer van richtlijn 79/7 zijn gebracht, niet
onder die werkingssfeer zodra zij ten goede komen aan personen die zich in
een van de in artikel 3, lid 1, sub a, bedoelde situaties bevinden, doch
enkel voorzover zij een aanvulling vormen op of in de plaats komen van de in
die bepaling bedoelde regelingen.
27. Ten slotte wordt door de Commissie voorgestane uitlegging, anders dan zij
stelt, niet bevestigd door het voorstel voor de richtlijn dat zij op 31
december 1976 bij de Raad heeft ingediend (PB 1977, C 34, blz. 3).
28. Weliswaar had dit voorstel in de artikelen 1 en 4 enkel betrekking op de
sociale zekerheid, zonder dat met zoveel woorden de andere factoren van
sociale bescherming werden genoemd, doch in artikel 2 daarvan werd een
definitie van sociale zekerheid gegeven die de stelsels die bescherming
bieden tegen de daarin genoemde eventualiteiten, alsmede de
sociale-bijstandsregelingen omvatte.
29. Het feit dat artikel 1 van richtlijn 79/7 bepaalt dat de richtlijn de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen beoogt, niet alleen op het gebied van sociale zekerheid,
maar ook op het in artikel 3 genoemde gebied van de andere factoren van
sociale bescherming, lijkt dus te worden verklaard door de omstandigheid dat
de uiteindelijke versie van de richtlijn in artikel 3, lid 1, een duidelijk
onderscheid maakt tussen wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen
een van de sub a genoemde eventualiteiten, en de sociale bijstandsregelingen.
30. Deze uitlegging wordt bevestigd door het feit dat in de meeste
taalversies van artikel 1 van de richtlijn uitdrukkelijk het enkelvoud wordt
gebruikt om te verduidelijken dat de richtlijn de geleidelijke
tenuitvoerlegging beoogt van het beginsel van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen op het in artikel 3 genoemde gebied van de sociale zekerheid en
andere factoren van sociale bescherming.
31. Op grond van het voorgaande moet op de eerste vraag van de High Court of
Justice worden geantwoord, dat artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 aldus
moet worden uitgelegd dat een regeling als bedoeld in Section 93, lid 7, van
de wet van 1985, zoals vastgesteld en toegepast door de Wrekin Disctrict
Council, op grond waarvan aan bepaalde categorieën van personen, in het
bijzonder bepaalde bejaarden, tariefreducties voor het openbaar vervoer
worden verleend, niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.

De tweede en derde vraag
32. Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede en de derde
vraag niet te worden beantwoord.

Kosten
33. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, de Duitse en de
Zweedse regering, alsmede de commissie van de Europese Gemeenschappen wegens
indiening van hun opmerkingen bij het hof gemaakt, kunnen niet voor
vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het
hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen,
zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie
uitspraak doende op de door de High Court of Justice of England and Wales,
Queen’s Bench division, bij beschikking van 23 mei 1994 gestelde vragen,
verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid moet
aldus worden uitgelegd, dat een regeling als bedoeld in Section 93, lid 7,
van de wet van 1985, zoals vastgesteld en toegepast door de Wrekin District
Council, op grond waarvan aan bepaalde categorieën van personen, in het
bijzonder bepaalde bejaarden, tariefreducties voor het openbaar vervoer
worden verleend, niet binnen de werkingssfeer valt.

Rechters

Mrs. Rodríguez Iglesias, Kakouris, Edward, Mancini, Moitinho de Almeida,Kapteyn, Jann, Ragnemalm, Sevón

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft een personeelsadvertentie geplaatst voor een vacature in
de jeugdhulpverlening. Gevraagd wordt `Een Planner met Smoel en Strot m/v’.
De advertentie bevat een profielschets met daarin onder meer de zinsnede: `Je
bent scherp, kritisch, analytisch, invoelend en menselijk, kortom je hebt
karakter en kloten (M/V)’.
De Commissie overweegt dat uit de aandachttrekkende vormgeving van de
aanduiding m/v bij de functiebenaming blijkt, dat de vacature door zowel
mannen als vrouwen kan worden vervuld. De toevoeging `(M/V)’ achter `kloten’
alsmede de weergave van deze toevoeging in hoofdletters geven aan, dat de
wederpartij met de gewraakte aanduiding niet doelt op de vraag naar een man
voor de bewuste functie. Mede gelet op context van de gewraakte tekst, is de
Commissie van oordeel dat met de in geding zijnde tekst sprake is van de
aanduiding van een karaktertrek.
De Commissie concludeert op grond hiervan dat uit de advertentie voldoende
duidelijk blijkt dat zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking
komen. Mitsdien heeft de wederpartij niet in strijd gehandeld met de
wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 27 december 1995 verzocht de Stichting Haags Meld- en
Registratiepunt Discriminatiezaken te Den Haag (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te
spreken over de vraag of te Utrecht (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid heeft gemaakt zoals bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De wederpartij heeft een personeelsadvertentie geplaatst voor een
vacature in de jeugdhulpverlening. Gevraagd wordt `Een Planner met Smoel en
Strot m/v’. De advertentie bevat een profielschets met daarin onder meer de
zinsnede: `Je bent scherp, kritisch, analytisch, invoelend en menselijk,
kortom je hebt karakter en kloten (M/V)’. Verzoekster meent dat met de
laatste zinsnede een verboden onderscheid op grond van geslacht is gemaakt.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een stichting die zich blijkens haar statuten onder meer ten
doel stelt het bevorderen van een gericht en adequaat optreden van overheids-
en particuliere instellingen tegen discriminerende handelingen en tegen
instellingen, organisaties en personen die zich aan zodanige handelingen
schuldig maken. Verzoekster tracht haar doel onder meer te verwezenlijken
door het zelf of in samenwerking met deskundigen onderzoeken van meldingen en
klachten op mogelijkheden voor juridische actie, waaronder het voeren van
rechtsgedingen, alsmede het op verzoek van klagers of uit eigen beweging
aanspannen van juridische acties. Uit de feitelijke werkzaamheden van
verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming met haar statuten de belangen
behartigt van degenen die de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) en artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan
de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld in artikel 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou zijn
gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek door de
Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige
verzoek kan derhalve achterwege blijven.
3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
3.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. De wederpartij heeft op 25 januari 1996 verzocht om een nadere
toelichting op de klacht van verzoekster, welke toelichting op 5 februari
1996 door de Commissie is verstrekt.
Na twee schriftelijke rappellen heeft de wederpartij bij brief van 4 april
1996 verzocht om uitstel wegens vakantie. Bij brief van 2 mei 1996 stelt de
wederpartij de klacht van verzoekster niet te beschouwen als een verzoek om
een oordeel van de Commissie, maar – gelet op de formulering – als bezwarend
materiaal voor een andere door verzoekster jegens de wederpartij ingediende
klacht (Zie Commissie gelijke behandeling, oordeelnummer 41, 11 juni 1996).
Naar aanleiding van een brief d.d. 9 mei 1996 van verzoekster, inhoudende dat
de onderhavige klacht een verzoek om een oordeel is, heeft de wederpartij op
14 mei 1996 een reactie met betrekking tot de in geding zijnde
advertentietekst gegeven. Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de
gelegenheid op deze reactie van de wederpartij te reageren.
3.2. Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op
6 mei 1996. Zij hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
Ter zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie, waarvan de
leden als vermeld onder 3.2. deel uitmaken.
4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
4.1. De wederpartij is een werving- en selectiebureau. Zij heeft een
personeelsadvertentie geplaatst in de Volkskrant van 16 december 1995. De
advertentie maakt melding van een vacature in de jeugdhulpverlening. Als
beroepsinvaller wordt per direct gevraagd `Een Planner met Smoel en Strot
m/v’.
De advertentie bevat een profielschets met daarin onder meer de zinsnede: `Je
bent scherp, kritisch, analytisch, invoelend en menselijk, kortom je hebt
karakter en kloten (M/V)’.
4.2. De tekst `Een Planner met Smoel en Strot m/v’ is in grote,
contrasterende letters weergegeven. De profielschets is in kleine(re) letters
weergegeven. De toevoeging `(M/V)’ achter `kloten’ heeft hoofdletters.
De profielschets bestaat uit elf punten waarvan de gewraakte tekst het vierde
punt is. De eerste drie punten luiden: `Je bent van nature een winnaar, een
bijter en voelt de absolute noodzaak om het schijnbaar onmogelijke mogelijk
te maken. Stress en hard werken zijn voor jou voorwaarden om tot bloei te
komen. Je bent sociaal-vaardig, communicator in hart en nieren, je bent
dienstbaar, commercieel en flexibel’.
De standpunten van partijen
4.3. Verzoekster stelt het volgende.
Zij is van oordeel dat de wederpartij met een dergelijke vrouwonvriendelijke
advertentietekst onderscheid maakt naar geslacht zoals bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.
4.4. De wederpartij stelt het volgende.
De tekst `en kloten M/V’ doelt op denkbeeldige kloten, in de context van de
gehele advertentie bedoeld als eigenschap: een stevige, pittige persoon. De
toevoeging M/V geeft de onzijdigheid van voornoemde kloten aan.
5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
5.1 In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid naar geslacht zoals bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling heeft gemaakt door in de profielschets aan de tekst: `je bent
scherp, kritisch, analytisch, invoelend en menselijk, kortom je hebt
karakter’ toe te voegen `en kloten (M/V)’.
Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van geslacht
onder meer bij de aanbieding van een betrekking.
In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt. Artikel 3 lid
3 WGB schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie duidelijk
moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.
5.2. De Commissie overweegt dat uit de in 4.2. weergegeven aandachttrekkende
vormgeving van de aanduiding m/v bij de functiebenaming blijkt, dat de
vacature door zowel mannen als vrouwen kan worden vervuld. De toevoeging
`(M/V)’ achter `kloten’ alsmede de weergave van deze toevoeging in
hoofdletters geven aan, dat de wederpartij met de gewraakte aanduiding niet
doelt op de vraag naar een man voor de bewuste functie. Mede gelet op context
van de gewraakte tekst, met name de bij 4.2. genoemde voorgaande punten in de
profielschets, is de Commissie van oordeel dat met de in geding zijnde tekst
sprake is van de aanduiding van een karaktertrek. De Commissie concludeert op
grond hiervan dat uit de advertentie voldoende duidelijk blijkt dat zowel
mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen. Mitsdien heeft de
wederpartij niet in strijd gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.
6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Utrecht bij de
aanbieding van de betrekking geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 3 lid 1 en lid 3 van de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen en derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr.D. Jongsma (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in een advertentie geworven voor groepsleiders in de
residentiële jeugdhulpverlening. Daarbij is gesteld dat de voorkeur uitgaat
naar een man. Verzoekster vindt dat de wederpartij daarmee een verboden
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.
De Commissie stelt vast, dat de functie van groepsleider waarvoor is
geadverteerd, beroepsaktiviteiten betreft zoals bedoeld in artikel 1 sub e
van de AMVB. Tevens constateert de Commissie dat de instellingen waar de
wederpartij voor werft instellingen zijn zoals bedoeld in de Nota van
Toelichting op de AMVB.
De Commissie is van oordeel dat het op de weg ligt van de wederpartij om het
beroep op een uitzondering op het gebod van gelijke behandeling met
argumenten te onderbouwen. De wederpartij dient derhalve tenminste
aannemelijk te maken dat aan de in de AMVB vervatte strenge eisen wordt
voldaan. De wederpartij stelt in dit verband dat de groepsleiders binnen
teamverband zorgen voor de kinderen en dat deze teams, om de kinderen in
aanraking te brengen met een zo realistisch mogelijk opvoedingsbeeld, bij
voorkeur voor 50% uit vrouwen en voor 50 % uit mannen bestaan.
De Commissie overweegt dat de wederpartij vanwege de algemeenheid van haar
stelling onvoldoende aangeeft welke pedagogische overwegingen bij de
onderhavige vacatures nopen tot geslachtsbepaaldheid van de functies. De
Commissie concludeert mitsdien dat het beroep van de wederpartij op
geslachtsbepaaldheid van de functie niet kan slagen.
Nu het beroep op geslachtsbepaaldheid van de aangeboden functies faalt,
overweegt de Commissie ten aanzien van de advertentietekst het volgende.
In de advertentie wordt gevraagd naar `groepsleiders m/v’. Op dit punt is de
advertentie niet in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. De
advertentie bevat verder de tekst `gezien de teamsamenstelling gaat in alle
gevallen de voorkeur uit naar een man.’ Door deze toevoeging in de
advertentie blijkt niet duidelijk dat zowel mannen als vrouwen voor de
functie in aanmerking komen, zoals vereist in artikel 3 lid 3 WGB.
De wederpartij heeft daarmee in strijd met artikel 3 lid 1 en lid 3 WGB
gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 6 september 1995 heeft de Stichting Haags Meld- en Registratiepunt
Discriminatiezaken te ‘s-Gravenhage (hierna: verzoekster) de Commissie
gelijke behandeling (hierna: de Commissie) verzocht haar oordeel uit te
spreken over de vraag of te Utrecht (hierna: de wederpartij) heeft gehandeld
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De wederpartij heeft in een advertentie geworven voor groepsleiders in
de residentiële jeugdhulpverlening. Daarbij is gesteld dat de voorkeur
uitgaat naar een man. Verzoekster vindt dat de wederpartij daarmee een
verboden onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.
2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK
Verzoekster is een Stichting welke zich blijkens haar statuten onder andere
ten doel stelt het bevorderen van een gericht en adequaat optreden van
overheids- en particuliere instellingen tegen discriminerende handelingen en
tegen instellingen, organisaties en personen die zich aan zodanige
handelingen schuldig maken. Verzoekster tracht haar doel onder meer te
verwezenlijken door het zelf of in samenwerking met deskundigen onderzoeken
van meldingen en klachten op mogelijkheden voor juridische actie, waaronder
het voeren van rechtsgedingen, alsmede het op verzoek van klagers of uit
eigen beweging aanspannen van juridische acties. Uit de feitelijke
werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming met haar
statuten de belangen behartigt van degenen die de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB), de Wet gelijk behandeling van mannen en vrouwen (WGB) en
artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te beschermen. Hiermee
voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld in
artikel 12 lid 2 sub e AWGB. Verzoekster heeft geen namen genoemd van
personen ten nadele van wie zou zijn gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12
lid 3 AWGB. Een onderzoek door de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze
personen tegen het onderhavige verzoek kan derhalve achterwege blijven.
3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en op grond van
artikel 31 van het Besluit werkwijze commissie, aanvankelijk besloten om in
deze zaak de vereenvoudigde procedure toe te passen.
Omdat uit de reactie van de wederpartij bleek dat er niet langer sprake was
van kennelijk onderscheid, aangezien een beroep is gedaan op de
geslachtsbepaaldheid van de functies waarvoor werd geworven, heeft de
Commissie de vereenvoudigde procedure omgezet in een normale procedure.
Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
3.2. De wederpartij heeft in haar eerste schriftelijke reactie een beroep
gedaan op de geslachtsbepaaldheid van de functie met de motivering zoals
hierna in 4.3 verwoord. Op het verzoek van de Commissie dit nader te
onderbouwen heeft de wederpartij op 26 januari 1996 geantwoord geen meer
relevante en compacte onderbouwing te kunnen geven. De wederpartij heeft de
namen van haar opdrachtgevers niet aan de Commissie willen doorgeven.
3.3 Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 6 mei 1996. Zij hebben van
deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
Ter zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
3.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 3.3.
4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
4.1. De wederpartij is een werving- en selectiebureau. Zij heeft in (…) van
26 augustus 1995 een personeelsadvertentie geplaatst voor de vacature
`groepsleiders m/v’. De personeelsadvertentie vermeldt dat er geworven wordt
voor een aantal relaties van de wederpartij in Rotterdam, Arnhem, Nijmegen en
Venlo en dat het gaat om de residentiële jeugdhulpverlening. In Rotterdam
gaat het om leefgroepen, in Arnhem om verticale leef/behandelgroepen, in
Nijmegen om een observatiegroep basisschoolleeftijd en een leefgroep pubers
en in Venlo om een leef/behandelgroep pubers.
De wederpartij geeft in de advertentie vervolgens aan: `gezien de
teamsamenstellingen gaat in alle gevallen de voorkeur uit naar een man’.
De standpunten van partijen
4.2. Verzoekster stelt het volgende.
De wederpartij heeft bij het werven van personeel gehandeld in strijd met
artikel 1 AWGB, artikel 5 lid 1 sub a AWGB en artikel 3 WGB. Verzoekster is
van mening dat het hier niet gaat om geslachtsbepaalde functies. In geval er
sprake zou zijn van geslachtsbepaalde functies betekent dat volgens
verzoekster dat hetzij alleen een man hetzij alleen een vrouw de betreffende
functies zou kunnen vervullen en derhalve alleen een man of alleen een vrouw
geworven wordt. In het onderhavige geval echter is daarvan, aldus
verzoekster, geen sprake.
4.3. De wederpartij stelt het volgende.
Zij werft in opdracht van werkgevers. In het onderhavige geval heeft de
wederpartij van haar klanten uitdrukkelijk de opdracht gekregen voor de
vacatures van groepsleider alleen mannen te werven. Er is sprake van
geslachtsbepaalde functies gelet op de omstandigheden binnen het betreffende
werkveld. Het gaat om vacatures binnen de residentiële jeugdhulpverlening,
waar het principe van 24-uurszorg wordt gehanteerd. Per kindergroep –
merendeels kinderen die op last van de kinderrechter binnen een instelling
zijn geplaatst – zorgen groepsleiders binnen teamverband voor deze kinderen.
Om de kinderen in aanraking te brengen met een zo realistisch mogelijk
opvoedingsbeeld, bestaan deze teams bij voorkeur voor 50% uit vrouwen en voor
50% uit mannen.
De wederpartij stelt dat relatief meer vrouwen dan mannen voor een verzorgend
beroep kiezen. Hierdoor is er op de personeelsmarkt van de jeugdhulpverlening
een tekort aan mannelijke groepsleiders.
5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
5.1. In het geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt, door bij de werving van groepsleiders in de residentiële
jeugdhulpverlening de voorkeur te geven aan een man.
5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid tussen
mannen en vrouwen bij de aanbieding van een betrekking.
Artikel 3 lid 3 WGB schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de functie.
Lid 4 van genoemd artikel bepaalt dat bij een functiebenaming of zowel de
mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden, of
uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen.
Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikel, richt artikel 3 zich
zowel tot de werkgever als tot een derde die door deze werkgever wordt
betrokken bij de werving- en selectieprocedure (Tweede Kamer 19908,
1986-1987, nr. 3, blz. 18. Zie ook Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991, oordeelnummers 336A-91-35 en
336B-91-36).
Een door de werkgever ingeschakelde derde is verantwoordelijk voor de
naleving van de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken
is.
5.3. Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt onder meer dat voor zover het de toegang tot
beroepsactiviteiten betreft, van artikel 3 WGB mag worden afgeweken in die
gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening van de
betreffende beroepsactiviteit het geslacht bepalend is voor de functie.
Artikel 5 lid 3 sub c WGB stelt dat een aantal beroepsactiviteiten waarbij
sprake kan zijn van geslachtsbepaaldheid nader bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur wordt aangewezen.
Ingeval de functie geslachtsbepaald is in de zin van de wet, bepaalt artikel
3 lid 2 WGB onder meer dat de grond voor het gemaakte onderscheid
uitdrukkelijk bij het aanbieden van de betrekking moet worden vermeld.
5.4. Aan artikel 5 lid 3 sub c WGB is nadere uitwerking gegeven in de
Algemene maatregel van Bestuur inzake beroepsaktiviteiten waarvoor het
geslacht bepalend kan zijn (hierna: AMVB)(Besluit beroepsaktiviteiten
waarvoor het geslacht bepalend kan zijn, Stb. 1989, 207).
Artikel 1 sub e van de AMVB bepaalt dat als beroepsactiviteiten, waarvoor in
een voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening
ervan het geslacht bepalend kan zijn, beschouwd mogen worden die
beroepsactiviteiten, welke behoren tot de volgende categorie: `de
beroepsactiviteiten die inhouden de persoonlijke verzorging, verpleging of
opvoeding van dan wel hulpverlening aan personen, indien de goede uitoefening
van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de arbeidsorganisatie
ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon van een bepaald
geslacht’.
De Nota van Toelichting op de AMVB stelt dat de categorie van
beroepsactiviteiten onder artikel 1 sub e van de AMVB wordt beperkt door `de
objectiveerbare eis dat de goede uitoefening van de bewuste
beroepsactiviteiten uitsluitend kan geschieden door personen van een bepaald
geslacht, terwijl dit gegeven in het geheel van de arbeidsorganisatie ook een
zodanige betekenis moet hebben, dat daaruit consequenties moeten worden
getrokken door het aanbieden van de betrekking aan een persoon van een
bepaald geslacht'(Tweede Kamer 1986-1987, 19908, nr. 3, p. 47.). `In deze
afweging (…) moet derhalve tevens worden betrokken de mogelijkheid om de
werkzaamheden in de betreffende arbeidsorganisatie zodanig in te richten, dat
aan de voorwaarden voor een goede uitoefening van de aangeboden betrekking
wordt voldaan zonder dat dit tot gevolg heeft (…) dat een betrekking
slechts aan een persoon van een bepaald geslacht moet worden aangeboden’
(Tweede Kamer 1986-1987, 19908, nr. 3, p. 48.).
Genoemde Nota van Toelichting stelt tevens, dat de bepaling ruimte biedt voor
het streven, binnen jeugdinternaten en vergelijkbare instellingen, een zeker
evenwicht te bewaren tussen het aantal mannelijke en vrouwelijke
groepsleiders, mits duidelijk vaststaat dat zulks zijn grond vindt in
pedagogische overwegingen (Zie noot 4).
5.5. De Algemene Wet Gelijke Behandeling laat de specifieke regeling inzake
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid
onverlet (art. 4 sub a AWGB). Aangezien het bestreden handelen ten aanzien
van het onderscheid naar geslacht onder de werking van de WGB valt, komt de
Commissie aan een toetsing aan de AWGB niet toe.
5.6. De Commissie overweegt allereerst, dat bij de vraag of sprake is van een
uitzondering zoals genoemd in de AMVB, zorgvuldig moet worden bezien of
daarbij voldaan wordt aan alle gestelde eisen. Uitzonderingen op het verbod
van ongelijke behandeling dienen in het algemeen restrictief uitgelegd te
worden, teneinde te voorkomen dat dit gebod al te zeer wordt uitgehold (Zie
onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
30 augustus 1990, oordeelnummer 55B-90-118 en Commissie gelijke behandeling,
22 december 1995, oordeelnummer 95-62).
5.7. De Commissie stelt vast, dat de functie van groepsleider waarvoor is
geadverteerd, beroepsaktiviteiten betreft zoals bedoeld in artikel 1 sub e
van de AMVB. Tevens constateert de Commissie dat de instellingen waar de
wederpartij voor werft instellingen zijn zoals bedoeld in de Nota van
Toelichting op de AMVB.
Ten aanzien van het in de genoemde Nota van Toelichting gestelde, dat de
geslachtsbepaaldheid van groepsleiders gegrond moet zijn in pedagogische
overwegingen, overweegt de Commissie het volgende.
De Commissie is van oordeel dat het op de weg ligt van de wederpartij om het
beroep op een uitzondering op het gebod van gelijke behandeling met
argumenten te onderbouwen. De wederpartij dient derhalve tenminste
aannemelijk te maken dat aan de in de AMVB vervatte strenge eisen wordt
voldaan (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
30 augustus 1990, oordeelnummer 55B-90-118). De wederpartij stelt in dit
verband dat de groepsleiders binnen teamverband zorgen voor de kinderen en
dat deze teams, om de kinderen in aanraking te brengen met een zo realistisch
mogelijk opvoedingsbeeld, bij voorkeur voor 50% uit vrouwen en voor 50 % uit
mannen bestaan.
De Commissie overweegt dat de wederpartij vanwege de algemeenheid van haar
stelling onvoldoende aangeeft welke pedagogische overwegingen bij de
onderhavige vacatures nopen tot geslachtsbepaaldheid van de functies. De
Commissie sluit niet uit dat bedoelde pedagogische overwegingen aanwezig
kunnen zijn (Commissie gelijke behandeling, 22 december 1995, oordeelnummer
95-62), maar stelt onder verwijzing naar 3.2. vast dat een nadere
onderbouwing ontbreekt.
De Commissie concludeert mitsdien dat het beroep van de wederpartij op
geslachtsbepaaldheid van de functie niet kan slagen.
5.8. Nu het beroep op geslachtsbepaaldheid van de aangeboden functies faalt,
overweegt de Commissie ten aanzien van de advertentietekst het volgende.
In de advertentie wordt gevraagd naar `groepsleiders m/v’. Op dit punt is de
advertentie niet in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. De
advertentie bevat verder de tekst `gezien de teamsamenstelling gaat in alle
gevallen de voorkeur uit naar een man.’ Door deze toevoeging in de
advertentie blijkt niet duidelijk dat zowel mannen als vrouwen voor de
functie in aanmerking komen, zoals vereist in artikel 3 lid 3 WGB.
De wederpartij heeft daarmee in strijd met artikel
3 lid 1 en lid 3 WGB gehandeld.
5.9. Ten overvloede wijst de Commissie op het volgende. Indien sprake was
geweest van een geslachtsbepaalde functie, zou moeten zijn voldaan aan de in
artikel 3 lid 2 WGB gestelde eis dat de grond voor het onderscheid
uitdrukkelijk in de advertentie moet worden vermeld. Aangezien uit de tekst
niet kan worden afgeleid dat een beroep wordt gedaan op de
geslachtsbepaaldheid van de functie, zou de advertentietekst op dit punt in
strijd zijn met de wetgeving gelijke behandeling.
6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Utrecht door bij de
aanbieding van een betrekking de voorkeur voor een man uit te spreken
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 en
lid 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr.A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was tot 1 januari 1995 bedrijfsarts in dienst van de wederpartij.
Verzoekster stelt dat zij minder beloning ontving dan vier mannelijke collega
bedrijfsartsen. Deze collega’s waren de heer (…) (hierna: maatman 1), de
heer (…) (hierna: maatman 2), de heer (…) (hierna: maatman 3) en de heer
(…) (hierna: maatman 4). Daarnaast is verzoekster van mening dat zij bij
een aantal andere arbeidsvoorwaarden ongelijk is behandeld ten opzichte van
de betreffende mannelijke collega’s.
Bij de toepassing van de wetgeving gelijke behandeling is mede van belang de
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te
Luxemburg (hierna: HvJ EG) met betrekking tot artikel 119 EEG-Verdrag alsmede
de EG-Richtlijnen inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Volgens
vaste jurisprudentie van het HvJ EG is een verschil in behandeling van
voltijders en deeltijdwerkers verboden wanneer blijkt dat een dergelijke
regeling aanzienlijk meer vrouwen dan mannen benadeelt en hiervoor geen
objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. Tevens heeft het HvJ EG geoordeeld
dat een werkgever door het toepassen van weinig doorzichtige criteria in zijn
beloningsbeleid in strijd met het gelijkheidsbeginsel kan handelen. Ook
blijkt uit de jurisprudentie van het HvJ EG dat vergoeding in de vorm van
betaald studieverlof onder het begrip beloning van artikel 119 EEG-Verdrag en
de zogenaamde eerste EG-Richtlijn, inzake gelijke beloning van mannen en
vrouwen valt. Volgens het HvJ EG verzet het in het EG-recht neergelegde
verbod op indirecte discriminatie zich tegen een regeling die voor de
deelname aan cursussen waar noodzakelijke kennis wordt overgedragen en die
tijdens de volle werktijd van een onderneming worden georganiseerd,
voltijdwerkers volledige compensatie toekent en voor deeltijdwerkers de
compensatie beperkt tot de individuele werktijd.
De Commissie oordeelt dat
– geen onderscheid naar geslacht is gemaakt met betrekking tot de inschaling,
– onderscheid naar geslacht is gemaakt bij de bevordering naar schaal 12,
– onderscheid naar geslacht is gemaakt bij de het niet toekennen van de
bevordering naar schaal 13, toekenning van een aantal extra uren in 1989 en
bij de benoeming van een waarnemend hoofd,
– middelijk onderscheid naar geslacht alsmede indirect onderscheid naar
geslacht is gemaakt bij de toekenning van studieverlof.

Volledige tekst

4.5. Bevordering naar schaal 12
Ten aanzien van de jaarlijkse periodieke verhogingen constateert de Commissie
dat verzoekster vanaf het begin van haar dienstverband (1 februari 1986) tot
1 januari 1991 geen periodieke verhogingen ontving en in die periode als
gevolg van de aanvullende voorwaarde met betrekking tot het afronden van haar
opleiding tot sociaal geneeskundige en de registratie als bedrijfsarts, in
het maximum van salarisschaal 11 bleef ingedeeld. Vanaf het moment dat zij
naar schaal 12 bevorderd was, heeft zij wel elk jaar een periodieke verhoging
erbij gekregen.
De Commissie stelt vast dat deze aanvullende voorwaarde alleen aan
verzoekster is gesteld en aan geen van de maatmannen en overigens ook buiten
het normale beleid van de wederpartij viel. Maatman 2, 3 en 4 hebben conform
het beleid steeds hun jaarlijkse salarisverhogingen ontvangen. Wanneer het
reguliere beloningsbeleid van de wederpartij onverkort op verzoekster zou
zijn toegepast, was zij in ieder geval na vier jaar en niet na vijf jaar naar
schaal 12 bevorderd.
Vervolgens stelt de Commissie vast dat maatman 1 in 1991 is bevorderd van
schaal 11 naar schaal 12. Dit was al een jaar nadat hij naar schaal 11
bevorderd was en was dus niet conform het geldende beleid ten aanzien van
bevordering van bedrijfsartsen. Dit beleid hield immers in dat artsen na twee
jaar bevorderd werden. De reden hiervoor is dat hij ten opzichte van andere
collega’s in salaris was achtergebleven. Op 1 januari 1994 is hij om die
reden wederom van salarisschaal 13.0 naar schaal 13.5 overgegaan. Maatman 5
is in 1995 van schaal 11 naar schaal 12 bevorderd. Dit was een jaar nadat hij
van schaal 10 naar schaal 11 bevorderd was. Ook in zijn geval is niet conform
het bevorderingsbeleid gehandeld.
Uit de door de wederpartij overgelegde stukken met betrekking tot de
bevordering van verzoekster naar schaal 12 d.d. 26 augustus 1991 blijkt
tevens dat de wederpartij tot eind 1991 van mening was dat verzoekster goed
functioneerde. Gelet op de met die van de maatmannen vergelijkbare ervaring
waarover verzoekster na een aantal jaren in dienst bij de wederpartij geacht
kon worden te beschikken, overweegt de Commissie dat ook deze handelwijze van
de wederpartij onderscheid naar geslacht oplevert.
Op grond hiervan concludeert de Commissie dat door het stellen van de
aanvullende voorwaarde voor bevordering en het daardoor uitblijven van een
bevordering naar schaal 12 alsmede van (een) daarop volgende jaarlijkse
verhoging(en) tot 1991, ten aanzien van verzoekster onderscheid op grond van
geslacht is gemaakt vergeleken met de maatmannen.
Daarbij merkt de Commissie op dat de wederpartij heeft geconstateerd dat de
besluitvorming over de salarisinpassing van bedrijfsartsen begin jaren
negentig soepeler verliep dan ten tijde van de intrede van verzoekster.
Desondanks is ten aanzien van verzoekster de terughoudendheid bij het
bevorderingsbeleid gehandhaafd. De aanhoudende terughoudendheid ten opzichte
van verzoekster stond daardoor naar verloop van tijd niet meer in verhouding
tot de hoogte van het aanvangssalaris van verzoekster vergeleken met die van
collega bedrijfsartsen.
Dat een correctie binnen het salarissysteem van de wederpartij mogelijk was
geweest, blijkt onder meer uit de wijze waarop de salarisachterstand van de
maatmannen 1 en 5 is ingelopen.
4.6. Bevordering naar schaal 13, omvang van de dienstbetrekking en benoeming
waarnemend hoofd
De Commissie stelt vast dat in het salarissysteem van de wederpartij de
bevordering naar de functionele eindschaal (schaal 13) afhankelijk is van het
functieniveau en het functioneren. De wederpartij hield ten aanzien van de
indeling in functieniveaus een heldere indeling aan.
De wederpartij heeft aangegeven dat het functioneren van verzoekster van
doorslaggevende betekenis is geweest om haar niet te bevorderen naar schaal
13.
Het functioneren blijkt ook bepalend geweest te zijn bij het niet toekennen
van een aantal extra uren aan verzoekster in 1989. Ten aanzien van de
benoeming van een waarnemend hoofd heeft de wederpartij aangegeven dat
maatman 1 de beste was, welk oordeel eveneens gebaseerd was op het
functioneren.
Vast staat derhalve dat in alle drie deze gevallen ten aanzien van
verzoekster anders is gehandeld in vergelijking met maatman 1 en dat dit
verschil in behandeling berust op verzoeksters functioneren.
Vooropgesteld zij dat de Commissie niet treedt in een beoordeling van het
functioneren van verzoekster. Het is de taak van de Commissie de toepassing
van dit criterium te toetsen aan de wetgeving gelijke behandeling.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij gedurende het dienstverband met
verzoekster het functioneren nauwelijks op controleerbare en geobjectiveerde
wijze heeft getoetst. De wederpartij heeft achteraf wel een verklaring voor
de onvoldoende beoordeling van verzoekster, maar heeft deze overwegingen ten
tijde van de bewuste besluitvormingsmomenten nergens vastgelegd. Er is
gedurende het negen jaren durende dienstverband met verzoekster slechts
eenmaal een functioneringsgesprek met haar gevoerd waarin een tweetal
afspraken zijn neergelegd ter verbetering van een aspect van verzoeksters
taakuitoefening. In 1991 is in een intern stuk neergelegd dat verzoekster
goed functioneerde en pas medio 1994 is in een brief een korte toelichting
gegeven op het uitblijven van de bevordering naar de functionele eindschaal
vanwege het ontbreken van extra inzet.
Tevens stelt de Commissie vast dat de omvang van de dienst-betrekking van
verzoekster na 1992 van 32 uur is verlaagd naar 24 uur en daarna naar 20 uur.
Daarbij heeft verzoekster in deze periode een keer ouderschapsverlof
opgenomen. Aangezien bij een afname van de omvang van de dienstbetrekking de
wederpartij de eerste prioriteit in de werkzaamheden ligt bij de zorg voor de
patiënten, constateert de Commissie dat verzoekster feitelijk niet in staat
is geweest om ten aanzien van alle criteria die de wederpartij hanteerde om
het functioneren te beoordelen, te laten zien wat ze kon. Onvoldoende
duidelijk is geworden of en op welke wijze de wederpartij hiermee rekening
heeft gehouden.
De Commissie overweegt dat uit de hiervoor onder 4.3. aangehaalde
jurisprudentie van het HvJ EG, met name het Danfoss-arrest, met zich
meebrengt dat een werkgever ervoor moet zorgen dat werknemers kunnen nagaan
welke criteria zijn toegepast bij het al dan niet verhogen van het salaris.
De Commissie oordeelt dat de wederpartij in casu onvoldoende duidelijk is
geweest ten aanzien van de toepassing van een elementair criterium uit haar
systeem voor beloning en bevordering alsmede de wijze van toepassing ervan
niet vooraf kenbaar heeft gemaakt.
Een werkgever die ten aanzien van de beoordeling van het functioneren alsmede
ten aanzien van het functioneren van deeltijdwerkers in het bijzonder geen
inzichtelijke criteria hanteert, loopt het risico -zonder dat er sprake is
van een bewuste overweging- zich schuldig te maken aan onderscheid jegens
vrouwen.
De Commissie oordeelt om die reden dat bij het niet toekennen van de
bevordering naar schaal 13, het toekennen van de extra uren aan maatman 1
alsmede bij de benoeming van een waarnemend hoofd onderscheid naar geslacht
is gemaakt.
Studieverlof
4.7. De Commissie stelt vast dat de Verordening Studiefaciliteiten 1984 in
artikel 13 bepaalde dat de ambtenaar die in deeltijd werkt, recht heeft op
alle verloffaciliteiten naar evenredigheid van het aantal gewerkte uren. Voor
zover verzoekster tot
1 januari 1990 geen beroep heeft kunnen doen op deze regeling, zou er sprake
zijn van het ten onrechte niet toepassen van de regeling op verzoekster.
Uit de uitlatingen van de wederpartij ter zitting blijkt evenwel dat ook voor
1990 in de praktijk sprake was van een handelwijze die overeenstemt met
hetgeen later is vastgelegd in de Verordening Studiefaciliteiten 1990.
De Verordening Studiefaciliteiten 1990 bevat in artikel 13 een regeling die
ambtenaren met een deeltijdbetrekking tussen de 19 uur en 31 uur een
aanspraak toekent op de helft van het studieverlof dat de ambtenaren die 32
uur of meer werken toekomt. Ambtenaren die minder dan 19 uur per week werken
hebben geen recht op studieverlof.
Overigens, aangezien verzoekster in 1988 38 uur per week werkte en van 1989
tot en met 1990 32 uur per week, zou hier deels geen sprake zijn van
ongelijke behandeling maar van het ten onrechte niet toepassen van de
regeling op verzoekster.
4.8. De Commissie stelt voorts vast, dat het hier een arbeids-voorwaarde in
de zin van de wetgeving gelijke behandeling betreft.
De vraag ligt voor of de wederpartij met het feitelijk niet toedelen van
studieverlof aan deeltijdwerkers tussen 1986 en 1989 danwel de toepassing van
– onder meer – een nadeliger criterium voor deeltijdwerkers die tussen de 19
en 32 uur per week werken voor en na de inwerkingtreding van de Verordening
Studiefaciliteiten 1990 indirect onderscheid heeft gemaakt.
Teneinde vast te kunnen stellen of sprake is van een verboden indirect
onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of de onderhavige regeling een
nadelig effect heeft voor personen van een geslacht.
Ten aanzien van de in beschouwing te nemen gegevens overweegt de Commissie
als volgt. In de eerste plaats is het een feit van algemene bekendheid dat
zowel gedurende de jaren tachtig als heden ten dage meer vrouwen dan mannen
in Nederland in deeltijd werken.
Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) omtrent het
totaal aantal bedrijfsartsten in dienst van een bedrijfsgezondheidsdienst in
1986 en 1988 blijkt het volgende:(Zie Maandberichten Gezondheid CBS 1987, nr.
9, p. 18-19, 1989, nr. 8, p. 32-33 alsmede 1991, nr. 8, p. 37-38).
– totaal aantal bedrijfsartsen in dienst van bedrijfsgezondheidsdiensten in
Nederland in 1986: 566, waarvan 500 mannen en 66 vrouwen. Van de 500 mannen
werkten er 466 fulltime en 34 parttime. Van de 66 vrouwen werkten er 30
fulltime en 36 parttime.
– totaal aantal bedrijfsartsen in dienst van bedrijfsgezondheidsdiensten in
Nederland in 1988: 595, waarvan 511 mannen en 84 vrouwen. Van de 511 mannen
werkten er 471 fulltime en 40 parttime. Van de 84 vrouwen werkten er 34
fulltime en 50 parttime.
– totaal aantal bedrijfsartsen in dienst van bedrijfsgezondheidsdiensten in
Nederland in 1990: 637, waarvan 539 mannen en 98 vrouwen. Van de 539 mannen
werkten er 490 fulltime en 49 parttime. Van de 98 vrouwen werkten er 43
fulltime en 55 parttime.
Met andere woorden, in 1986 was het aandeel van mannen in het totale
personeelsbestand 88% en dat van vrouwen 12%.
Uit deze gegevens vloeit voort dat in 1986 in totaal 93 % van de mannen
fulltime werkten en 7% parttime. Bij de vrouwen werkte 45% fulltime en 55%
parttime.
In 1988 was het aandeel van mannen in het totale personeelsbestand 86% en dat
van vrouwen 14%.
In 1988 werkten 93% van de mannen fulltime en 7% parttime. Voor vrouwen
bedragen deze percentages 40% fulltime en 60% parttime.
In 1990 was het aandeel van mannen in het totale personeelsbestand 85% en dat
van vrouwen 15%.
In 1990 werkten 90% van de mannen fulltime en 10% parttime. Voor vrouwen
bedragen deze percentages 43% fulltime en 56% parttime.
Met andere woorden, in 1986, 1988 en 1990 waren er dus relatief (55:7=) 7,8
respectievelijk relatief (60:7=) 8,5 en relatief (56:10=) 5,6 keer zoveel
vrouwelijke parttimers als mannelijke.
Uit deze gegevens valt derhalve af te leiden dat mannelijke parttimers
gedurende de hierboven weergegeven jaargangen ten opzichte van hun aandeel in
het totaal sterk onder-vertegenwoordigd waren en vrouwelijke parttimers ten
opzichte van hun aandeel in het totaal sterk oververtegenwoordigd.
Op grond van deze landelijke gegevens concludeert de Commissie dat bij
benadeling van deeltijdwerkende bedrijfsartsen een vermoeden van indirect
onderscheid naar geslacht rijst.
Omtrent de omvang van de dienstbetrekking van de artsen die gedurende de
onderzoeksperiode in dienst van de wederpartij waren is geen duidelijke
cijfermatige informatie verkregen.
Vast staat wel dat verzoekster van 1986 tot 1991 de enige vrouwelijke
bedrijfsarts was en de enige die in deeltijd (19 uur) werkte. In 1987 werd
maatman 1 benoemd die in eerste instantie eveneens in deeltijd werkte (32
uur), maar snel nagenoeg
een voltijdaanstelling had. De overige mannelijke collega’s werkten voltijds.
De Commissie oordeelt dan ook dat het beeld bij de wederpartij niet afwijkt
ten opzichte van het beeld dat oprijst uit de landelijke gegevens van het CBS
(een beeld dat overigens ook begin jaren negentig nog steeds ongewijzigd
was).
Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat vooral personen
van een geslacht, in casu vrouwen, getroffen worden door de feitelijke gang
van zaken bij de toekenning van studieverlof bij de wederpartij.
Hiermee staat vast, dat bij de toekenning van studieverlof sprake is van een
vermoeden van indirect onderscheid.
4.9. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, gaat de
Commissie na of sprake is van een objectieve rechtvaardigings-grond. De
Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond conform jurisprudentie van het HvJ EG (HvJ EG, Jenkins
versus Kingsgate, 31 maart 1981, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en zie het in
voetnoot 1 aangehaalde Bilka-arrest) aan de volgende criteria:
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn,
– de ter bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan
een werkelijke behoefte (van degene die het middel hanteert) en
– moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
4.10. Het door de wederpartij nagestreefde doel is het leveren van een
bijdrage aan de studie en opleiding van haar medewerkers, onder meer aan die
opleidingen die van belang zijn voor de uitoefening van de functie.
De Commissie stelt vast, dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is.
De Commissie constateert dat het middel dat de wederpartij hanteert om het
nagestreefde doel te bereiken, bestaat uit het toekennen van aanspraken die
verschillend zijn voor ambtenaren die minder dan 19 uur per week werken
respectievelijk tussen de 19 en 31 uur per week of meer werken.
De Commissie overweegt dat de wederpartij deze regeling heeft vastgesteld met
het oog op de voortgang van de werkzaamheden. De Commissie acht het
aannemelijk dat het middel beantwoordt aan een werkelijke behoefte van de
wederpartij.
Ten aanzien van de geschiktheid van het middel overweegt de Commissie, dat de
wijze van toekennen van studieverlof op zichzelf leidt tot vergroting van
inzetbaarheid van deeltijd werknemers. De Commissie stelt derhalve vast, dat
het middel in die zin geschikt kan zijn om het doel te bereiken. De regeling
leidt er evenwel ook toe dat de ambtenaren die 32 uur en meer werken de facto
een betere compensatie ontvangen dan degenen die minder werken.
Ten aanzien van de noodzakelijkheid van het middel overweegt de Commissie het
volgende. Door de wederpartij is niet aangegeven waarom het alternatief dat
neergelegd was in de Verordening Studiefaciliteiten 19984, namelijk naar rato
gelijke behandeling van vol- en deeltijders, kennelijk niet onverkort werd
toegepast ten aanzien van deeltijdwerkers en noodzakelijkerwijs vervangen
moet worden door een regeling die onderscheid maakt. Door de wederpartij zijn
geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat de gekozen indeling ten nadele
van deeltijdwerkers die minder dan 32 uur per week werken respectievelijk
minder dan 19 uur per week werken het dienstbelang beter dient dan een
regeling die op een directere wijze is verbonden aan de omvang van de
dienst-betrekking.
De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat geen sprake
is van een objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij derhalve bij de
toekenning van studieverlof jegens verzoekster indirect onderscheid op grond
van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
4.11. Tenslotte overweegt de Commissie dat niet aannemelijk is geworden dat
het opnemen van zwangerschaps- en ouderschapsverlof door verzoekster mede een
rol heeft gespeeld bij de besluitvorming van de wederpartij.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de GGD Stadsgewest Breda te
Breda jegens mevrouw (…) te Teteringen:
– geen onderscheid naar geslacht als bedoeld in artikel 1, eerste lid, WGBBOD
heeft gemaakt met betrekking tot de inschaling,
– onderscheid naar geslacht als bedoeld in artikel 1, eerste lid WGBBOD
alsmede de artikelen 1a en 7 tot en met 10 WGB heeft gemaakt bij de
bevordering naar schaal 12,
– onderscheid naar geslacht als bedoeld in artikel 1, eerste lid WGBBOD
alsmede de artikelen 1a en 6 tot en met 10 WGB heeft gemaakt bij de het niet
toekennen van de bevordering naar schaal 13, toekenning van een aantal extra
uren in 1989 en bij de benoeming van een waarnemend hoofd,
– middelijk onderscheid naar geslacht als bedoeld in artikel 1, eerste lid
WGBBOD alsmede indirect onderscheid naar geslacht als bedoeld in de artikelen
1, 1a en 6 WGB heeft gemaakt bij de toekenning van studieverlof.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker was werkzaam bij een werkgever, die zijn pensioenregeling heeft
ondergebracht bij de wederpartij. Op 15 maart 1990 is verzoeker met pensioen
gegaan. Verzoeker ontvangt een lager aanvullend pensioen dan dat van een
vrouw in overigens dezelfde omstandigheden.
Ingevolge de tekst van de WGB is, wanneer arbeidsvoorwaarden in het geding
zijn de aan te spreken wederpartij beperkt tot de werkgever. Volgens vaste
jurisprudentie van de Commissie kan een pensioenfonds niet in het kader van
artikel 1 sub a WGB maar wel in het kader van artikel 5 AWGB als wederpartij
worden aangesproken. Het in artikel 5 AWGB gestelde verbod op het maken van
onderscheid richt zich volgens de jurisprudentie van de Commissie mede) tot
pensioenfondsen en derhalve tot de wederpartij.
De Commissie stelt vast dat de in het geding zijnde pensioenregeling, de
ABPW, een wet is die in werking is getreden voorafgaand aan de AWGB. Voorts
dat in de ABPW onderscheid wordt gemaakt op grond van geslacht bij de
berekening van het ambtelijk pensioen. Aangezien de ABPW van eerdere datum is
dan de AWGB, valt de pensioenregeling onder de uitzondering van artikel 4 sub
c AWGB.
De Commissie concludeert derhalve, dat onderscheid op grond van geslacht
krachtens de ABPW, ingevolge artikel 4 sub c AWGB onverlet wordt gelaten en
mitsdien door de wederpartij niet in strijd met de AWGB is gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 17 augustus 1995 verzocht de heer (…) te Amsterdam
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of het Bestuur van het Algemeen
Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen (hierna: de wederpartij) jegens hem in
strijd heeft gehandeld c.q. handelt met de gelijke behandelingswetgeving.
1.2. Verzoeker was werkzaam bij een werkgever, die zijn pensioen- regeling
heeft ondergebracht bij de wederpartij. Op 15 maart 1990 is verzoeker met
pensioen gegaan. Verzoeker ontvangt een lager aanvullend pensioen dan dat van
een vrouw in overigens dezelfde omstandigheden. Hij is van mening dat de
wederpartij hiermee handelt in strijd met de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB).
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Daarbij is aangegeven dat de ontvankelijkheid van de zaak mede
onderwerp van onderzoek zou zijn.
2.2. Vervolgens zijn partijen uitgenodigd voor een zitting op 16 april 1996.
Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr.drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer).
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker werkte voor zijn pensionering in 1990 voor een werkgever, die
zijn pensioenregeling had ondergebracht bij de wederpartij. Verzoeker
ontvangt sinds 15 maart 1990 een aanvullend ouderdomspensioen gebaseerd op de
Algemene Burgerlijke Pensioenwet (hierna: de ABPW).
Deze pensioenregeling kent een ouderdomspensioen van maximaal 70% van het
laatstverdiende loon (het ambtelijk pensioen). In het ambtelijk pensioen is
het wettelijk ouderdomspensioen ingebouwd. Het ambtelijk pensioen verminderd
met de inbouw is het aanvullend ouderdomspensioen.
Tot 1986 bestond er een verschillende inbouw van het wettelijk
ouderdomspensioen voor gehuwde mannen en vrouwen. Bij gehuwde mannen werd de
inbouw afhankelijk gesteld van het wettelijk ouderdomspensioen voor gehuwden,
bij vrouwen van het (lagere) wettelijk ouderdomspensioen voor ongehuwden. Dit
heeft dan tot gevolg dat het aanvullend ouderdomspensioen van gehuwde mannen
lager is dan dat van gehuwde vrouwen.
Vanaf 1986 geldt voor (gehuwde) mannen en vrouwen zonder terugwerkende kracht
dezelfde pensioen-inbouw.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoeker is van mening dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld
c.q. handelt met de wetgeving gelijke behandeling, nu zijn aanvullend
pensioen lager is dan dat van een vrouw in overigens dezelfde omstandigheden.
Ter ondersteuning van dit standpunt heeft verzoeker een brief van 24 mei 1995
van de wederpartij overgelegd waarin aan verzoeker wordt meegedeeld waarom
zijn verzoek om herziening van het aanvullend ouderdomspensioen is afgewezen.
Daarin wordt onder andere ingegaan op de jurisprudentie van het Europese Hof
van Justitie (HvJ EG) met betrekking tot deze materie. De wederpartij geeft
in deze brief aan dat een verschil in AOW-inbouw tussen gehuwde mannen en
vrouwen, naar het oordeel van het HvJ EG, op zichzelf in strijd is met het
beginsel van gelijke behandeling vervat in artikel 119 van het EEG-Verdrag,
maar dat alleen degene die al voor 17 mei 1990 een rechtsvordering heeft
ingesteld met succes het voorschrift van gelijke behandeling kan inroepen.
3.3. De wederpartij stelt in de eerste plaats dat verzoeker niet ontvankelijk
is in zijn verzoek. De wederpartij verwijst in dit verband naar oordeel 94-18
van de Commissie.
De Commissie heeft in dat oordeel uitgesproken dat er geen strijd was met de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB), aangezien
pensioenfondsen daarin niet als potentiële wederpartij aangewezen worden
omdat het verbod tot het maken van onderscheid alleen gericht is tot
werkgevers. Volgens de wederpartij is deze zaak een vergelijkbare zaak en zou
de Commissie ook in deze zaak tot niet-ontvankelijkheid van de verzoekende
partij moeten concluderen.
3.4. De wederpartij wijst voorts -voorzover de Commissie ambtshalve wil
toetsen aan de bepalingen van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)- op
artikel 4 sub c van de AWGB.
Volgens dit wetsartikel laat de AWGB onderscheid dat gemaakt wordt bij of
krachtens enige andere wet, welke voorafgaand aan de AWGB in werking is
getreden, onverlet. Hierdoor moet volgens de wederpartij het bedoelde
onderscheid in de ABPW onverlet gelaten worden, aangezien de ABPW in 1966 in
werking is getreden.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd heeft gehandeld c.q.
handelt met de wetgeving gelijke behandeling door voor verzoeker een andere
berekening van het aanvullend ouderdomspensioen te hanteren dan bij een vrouw
in overigens dezelfde omstandigheden, en verzoeker derhalve ook een lager
aanvullend ouderdomspensioen toe te kennen.
De toepasselijke wetgeving
4.2. Voor wat de toepasselijke wetgeving betreft, stelt de Commissie vast dat
het vermeende onderscheid zich heeft voorgedaan vanaf de ingangsdatum van het
aanvullend ouderdomspensioen in mei 1990. Genoemde datum ligt voor de
inwerkingtreding van de AWGB op 1 september 1994.
De Commissie stelt vast dat ook na 1 september 1994 de ongelijke behandeling
naar geslacht bij de berekening van het aanvullend ouderdomspensioen
voortduurt. Er kan in dit geval dus worden gesproken van een onderscheid van
voortdurende aard. Dit betekent dat de Commissie vanaf 1 september 1994 kan
toetsen aan de AWGB. De AWGB heeft echter de WGB, die ten opzichte van de
AWGB als lex specialis geldt, onverlet gelaten.
Dit brengt mee dat de Commissie toetst aan de AWGB als er sprake is van een
aanvullende regeling. Hierop zal onder 4.4 nader worden ingegaan.
4.3. Voor de beantwoording van de voorliggende vraag zijn de volgende
wettelijke bepalingen van belang.
Artikel 4 AWGB laat onder meer onverlet:
– de WGB;
– onderscheid dat gemaakt wordt bij of krachtens enige andere wet, welke
voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden.
Artikel 5 AWGB verbiedt onder meer onderscheid op grond van geslacht bij
arbeidsvoorwaarden.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
4.4. Ingevolge de tekst van de WGB is, wanneer arbeidsvoorwaarden in het
geding zijn de aan te spreken wederpartij beperkt tot de werkgever. Derhalve
is de vraag of een pensioenfonds, in het kader van artikel 5 AWGB als
wederpartij kan worden aangesproken.
Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie (Zie Commissie gelijke
behandeling, 23 november 1995, oordeelnummer: 95-42; 15 mei 1996,
oordeelnummer: 96-33) kan een pensioenfonds niet in het kader van artikel 1
sub a WGB (art. 1a WGB bepaalt dat in de openbare dienst het bevoegde gezag
geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen onder meer in de
arbeidsvoorwaarden. Voorts is bepaald dat onder arbeidsvoorwaarden niet
begrepen zijn aanspraken of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen), maar
wel in het kader van artikel 5 AWGB als wederpartij worden aangesproken. Het
in artikel 5 AWGB gestelde verbod op het maken van onderscheid richt zich
volgens de jurisprudentie van de Commissie (mede) tot pensioenfondsen en
derhalve tot de wederpartij.
Dit brengt mee dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek jegens de
wederpartij.
4.5. Voor wat betreft de vraag of, indien getoetst wordt aan de AWGB, het
onderscheid in de ABPW onverlet wordt gelaten ingevolge artikel 4 sub c AWGB
overweegt de Commissie het volgende.
De Commissie stelt vast dat de in het geding zijnde pensioenregeling, de
ABPW, een wet is die in werking is getreden voorafgaand aan de AWGB.
Voorts dat in de ABPW onderscheid wordt gemaakt op grond van geslacht bij de
berekening van het ambtelijk pensioen.
In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen tussen Bestuur van het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds en Beune (Arrest van 28 september 1994, C-7/93). Aangezien de
ABPW van eerdere datum is dan de AWGB, valt de pensioenregeling onder de
uitzondering van artikel 4 sub c AWGB.
De Commissie concludeert derhalve, dat onderscheid op grond van geslacht
krachtens de ABPW, ingevolge artikel 4 sub c AWGB onverlet wordt gelaten en
mitsdien door de wederpartij niet in strijd met de AWGB is gehandeld.
4.6. Voor wat het standpunt van verzoeker betreft, vermeld onder 3.2. dat er
op neerkomt dat de Commissie gevraagd wordt te oordelen dat de wederpartij
jegens hem in strijd handelt met de gelijke behandelingswetgeving met een
beroep op de hiervoor genoemde jurisprudentie van het HvJ EG overweegt de
Commissie wellicht ten overvloede het volgende.
Uit het hiervoor genoemde arrest van het HvJ EG tussen het Bestuur van het
Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds en Beune blijkt weliswaar dat het verschil
in berekening van het aanvullend pensioen tussen gehuwde mannen en vrouwen in
de onderhavige pensioenregeling in strijd is met het beginsel van gelijke
behandeling ingevolge artikel 119 EEG-Verdrag.
De taak van de Commissie is echter beperkt tot toetsing aan de nationale
wetgeving gelijke behandeling. Dit heeft tot gevolg dat verzoeker voor de
Commissie geen rechtstreeks beroep kan doen op artikel 119 van het
EEG-Verdrag.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds te Heerlen door voor de heer (…) te Amsterdam een andere
berekening van het aanvullend ouderdomspensioen te hanteren dan bij een vrouw
in overigens dezelfde omstandigheden vanwege artikel 4 sub c van de Algemene
wet gelijke behandeling niet in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling handelt.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. dr. L. Mulder (lidKamer), dhr.drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes (secretarisKamer).