Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft op 19 juni 1995 bij de wederpartij gesolliciteerd naar de
functie van docent aardrijkskunde/geschiedenis. Naar aanleiding daarvan heeft
een sollicitatiegesprek plaatsgevonden, waarbij verzoeker een formulier is
voorgelegd dat hij in geval van benoeming zou moeten ondertekenen. Het
formulier bevatte een aantal maatschappelijke stellingnames, die verzoeker
niet wil ondertekenen. Bij brief van 5 juli 1995 werd aan verzoeker
meegedeeld dat hij niet voor benoeming in aanmerking kwam.
De Commissie stelt vast dat het niet onderschrijven van de benoemingscriteria
mede een rol heeft gespeeld bij de afwijzing van verzoeker voor de vacature.
De Commissie constateert dat het uitdragen van de reformatorische visie tot
de pedagogische doelstelling van de wederpartij hoort en dat zij zich jegens
het bestuur en de ouders hiertoe verplicht heeft.
De Commissie concludeert dat de wederpartij door de gevraagde ondertekening
van het formulier een eis stelt, die gelet op haar doel noodzakelijk is voor
de verwezenlijking van haar grondslag.
Verzoekers bezwaren richten zich met name op de eis die in de
benoemingscriteria gesteld wordt met betrekking tot de buitenhuwelijkse
samenlevingsvorm.
De Commissie stelt vast dat in het sollicitatiegesprek de leefwijze van
verzoeker niet aan de orde is geweest. Verzoeker heeft ter zitting om hem
moverende redenen evenmin nader aangegeven op welke van de in artikel 5 lid 2
sub c AWGB genoemde gronden jegens hem onderscheid zou zijn gemaakt. Derhalve
komt de Commissie niet toe aan een oordeel over de klacht van verzoeker dat
de wederpartij in strijd met de wet heeft gehandeld doordat het formulier
personen uitsluit op grond van het enkele feit van een in de wet genoemd
persoonskenmerk.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 8 september 1995 verzocht de heer (…) te Ridderkerk (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of (…) te Rotterdam (hierna: de wederpartij) jegens hem
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling
(AWGB).
1.2. Verzoeker heeft op 19 juni 1995 bij de wederpartij gesolliciteerd naar
de functie van docent aardrijkskunde/geschiedenis. Naar aanleiding daarvan
heeft een sollicitatiegesprek plaatsgevonden, waarbij verzoeker een formulier
is voorgelegd dat hij in geval van benoeming zou moeten ondertekenen. Het
formulier bevatte een aantal maatschappelijke stellingnames, die verzoeker
niet wil ondertekenen. Bij brief van 5 juli 1995 werd aan verzoeker
meegedeeld dat hij niet voor benoeming in aanmerking kwam. Verzoeker is van
mening dat de wederpartij hiermee onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de
AWGB.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 15 april 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig
van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– dhr. mr. (…) (gemachtigde van verzoeker)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (rector van het Wartburg College)
– dhr. drs. (…) (locatiedirecteur van de locatie De Swaef)
– dhr. (…) (adjunct-algemeen-secretaris van de Vereniging voor Gereformeerd
Schoolonderwijs te Ridderkerk)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker heeft op 19 juni 1995 naar aanleiding van een advertentie van
de wederpartij in het Reformatorisch Dagblad van 17 juni 1995 gesolliciteerd
naar de functie van docent aardrijkskunde/geschiedenis voor het voortgezet
onderwijs.
De wederpartij is een reformatorische scholengemeenschap, die na een
bestuurlijke fusie per 1 april 1995, sinds 1 augustus 1995 bestaat uit drie
verschillende scholen, waaronder de school waarvoor in de advertentie
geworven is. Verzoeker is lid van de Gereformeerde Gemeenten.
3.2. Naar aanleiding van de sollicitatie van verzoeker heeft op 26 juni 1995
heeft een sollicitatiegesprek plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig
verzoeker, de directeur van de betrokken school, (…), en de
adjunct-directeur, mevrouw (…). Tijdens dit gesprek is verzoeker gevraagd
zijn motivatie voor het voorbereidend beroepsonderwijs, alsmede voor het
reformatorisch onderwijs toe te lichten. Vervolgens is hem een formulier
voorgelegd met de navolgende inhoud:
‘1. Het te benoemen personeelslid betuigt instemming met de grondslag en het
doel van de stichting, waarvan de school uitgaat, zoals deze zijn neergelegd
in de statuten en daarvan afgeleide documenten en verklaart zijn/haar functie
in overeenstemming daarmee te vervullen.
2. Het te benoemen personeelslid verplicht zich niets voor te staan of te
leren in strijd met het onfeilbaar Woord van God en de daarop gegronde
onverkorte en onveranderde Drie Formulieren van Enigheid, vastgesteld in de
Nationale Synode, gehouden te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619; hij/zij
verwerpt alle daarmee in strijd zijnde beschouwingen. Het te benoemen
personeelslid stelt zich derhalve op het standpunt dat de mens dood is door
de misdaden en zonden, tenzij hij door de Geest Gods wedergeboren wordt.
Hij/zij belijdt tevens dat er onder de hemel geen andere Naam onder de mensen
gegeven is, door Welke wij moeten zalig worden dan de Naam van Jezus
Christus.
3. Het te benoemen personeelslid verplicht zijn/haar leven in te richten
overeenkomstig de hierboven onder de punten 1 en 2 vermelde grondslag van de
stichting waarvan de school uitgaat, en in zijn/haar levenswandel een goed
voorbeeld voor de leerlingen te zijn.
4. Regel is dat het te benoemen personeelslid (belijdend) lid is van een van
de volgende kerkgenootschappen:
– de Christelijke Gereformeerde Kerken;
– de Gereformeerde Gemeenten;
– de Gereformeerde Gemeenten in Nederland;
– de Nederlandse Hervormde Kerk (Herv. Ger. richting);
– de Oud Gereformeerde Gemeenten (in Nederland).
Van het te benoemen personeelslid wordt verwacht dat hij trouw de
kerkdiensten bezoekt.
5. Het te benoemen personeelslid dient de schooldag met zijn/haar klas of
groep te beginnen met Bijbellezing en gebed en bij voorkeur met het zingen
van een psalmvers. De schooldag wordt besloten met dankgebed.
Op de school wordt uitsluitend gebruik gemaakt van de Bijbel in de
Statenvertaling en van de Psalmberijming van 1773.
6. De Bijbel laat geen ruimte voor het moderne emancipatiedenken, dat ook het
gerechtvaardigde onderscheid tussen man en vrouw ontkent. Terwijl in Gods
Woord aan de ene kant duidelijk sprake is van gelijkwaardigheid van man en
vrouw, is er vanuit de schepping ook duidelijk onderscheid tussen de man en
de vrouw – onder meer in kleding – duidelijk tot uitdrukking gekomen.
7. Op grond van de Bijbel wordt het huwelijk beschouwd als de enige
samenlevingsvorm waarbinnen de seksualiteit als een gave van God haar plaats
heeft. Ongehuwd samenwonen en een homoseksuele levenswijze dienen door het
personeelslid als in strijd met Gods Woord te worden afgewezen.
8. Het te benoemen personeelslid belijdt dat Gods Woord ook gezag heeft ten
aanzien van de verhoudingen tussen ouders en kinderen en tussen werkgevers en
werknemers en derhalve ook in de verhoudingen tussen bestuur, personeel,
ouders en leerlingen in en rondom de school. Over deze verhoudingen wordt
duidelijk gesproken in Efeze 6: 1-9, Kolossen 3: 18-25 en Romeinen 13: 1-3′.
Verzoeker is gevraagd of hij de benoemingscriteria kon onderschrijven. Daarop
heeft hij ontkennend geantwoord. Vervolgens werd verzoeker meegedeeld dat hij
dit formulier in geval van benoeming zou moeten ondertekenen.
Op de vraag waarom hij het formulier niet zou willen ondertekenen heeft
verzoeker niet inhoudelijk gereageerd.
Bij brief van 5 juli 1995 is aan verzoeker meegedeeld dat hij niet voor
benoeming in aanmerking kwam.
3.3. De wederpartij heeft haar statuten aan de Commissie overgelegd. De
grondslag van de wederpartij is omschreven in artikel 2 van de statuten. Dit
artikel luidt:
`De stichting belijdt en aanvaardt de Heilige Schrift, zijnde het onfeilbaar
Woord van God, als enige grondslag voor leer en leven. Zij onderschrijft
daarbij de Drie Formulieren van Enigheid, zoals deze zijn vastgesteld door de
Nationale Synode, gehouden te Dordrecht in de jaren zestienhonderd achttien
en zestienhonderd negentien, als op de Heilige Schrift gegrond. Alle
handelingen en uitspraken van de stichting alsmede het beoogde onderwijs
zullen hiermede in overeenstemming moeten zijn.’
Het doel van de wederpartij is omschreven in artikel 4 van de statuten. Dit
artikel luidt:
`De stichting stelt zich ten doel het doen verstrekken van voortgezet
onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs, overeenkomstig
de in artikel 2 genoemde grondslag, zonder daarbij het maken van winst te
beogen.
De stichting tracht dit doel te bereiken door het stichten en in stand houden
van een of meer scholengemeenschappen, en voorts door alle andere wettige
middelen welke tot het gestelde doel dienstig zijn.’
De standpunten van partijen
3.4. Verzoeker stelt het volgende.
Verzoeker wenst de door de wederpartij overgelegde verklaring niet te
ondertekenen, omdat hij niet gediscrimineerd wenst te worden en zelf evenmin
wenst te discrimineren. Verzoekers bezwaren gaan met name uit naar de
stellingname over buitenhuwelijkse samenlevingsvormen.
Verzoekers levenswijze is tijdens het sollicitatiegesprek niet met zoveel
woorden aan de orde geweest. Doordat verzoeker werd meegedeeld dat hij het
formulier in geval van benoeming zou moeten ondertekenen, kwam zijn
levenswijze in feite wel aan de orde. Ter zitting heeft verzoeker medegedeeld
niet nader te willen aangeven op welke specifieke grond hij meent dat jegens
hem onderscheid is gemaakt.
Verzoeker stelt tot slot dat, indien een sollicitant een van de
benoemingscriteria niet onderschrijft, hij niet voor de functie in aanmerking
kan komen. De bij de sollicitatie gestelde eisen leiden aldus of kunnen aldus
leiden tot een onderscheid op grond van het enkele feit van politieke
gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid
of burgerlijke staat, als bedoeld in artikel 5 lid 2 AWGB.
3.5 De wederpartij stelt het volgende.
De afwijzing van verzoeker als kandidaat voor de functie van leraar
aardrijkskunde/geschiedenis was in de eerste plaats gelegen in zijn gebrek
aan motivatie. Verzoeker gaf als reden voor zijn sollicitatie naar een
functie in het onderwijs dat dit een logische consequentie was van het volgen
van een lerarenopleiding. Verder gaf hij te kennen geen bijzondere affiniteit
met het voorbereidend beroepsonderwijs te hebben. Op de vraag, waarom hij
solliciteerde naar een functie in het reformatorisch onderwijs, gaf hij
evenmin een bevredigend antwoord. De vraag of hij de benoemingscriteria kon
onderschrijven beantwoordde hij ontkennend. Op de vraag waarom hij deze
criteria niet kon onderschrijven, weigerde verzoeker antwoord te geven.
Verzoeker heeft het gesprek abrupt beëindigd met de woorden: `Nu heeft het
geen zin meer om verder te praten.’
Naar aanleiding van dit gesprek is besloten verzoeker niet voor een
vervolggesprek uit te nodigen. De doorslaggevende reden voor die beslissing
was dat verzoekers motivatie voor het reformatorisch onderwijs onvoldoende
was bevonden. Daarnaast heeft het feit dat verzoeker te kennen heeft gegeven
de benoemingscriteria niet te kunnen onderschrijven een duidelijke rol
gespeeld.
De wederpartij vraagt van haar personeelsleden om de identiteit van de school
zoveel mogelijk uit te dragen en gestalte te geven. Sollicitanten, die met de
reformatorische achtergrond van de wederpartij geen bijzondere affiniteit
hebben, komen daarom niet voor benoeming in aanmerking.
De levenswijze van verzoeker heeft bij de selectie geen rol gespeeld. Deze is
in het gesprek zelfs niet aan de orde geweest.
De door de wederpartij gehanteerde benoemingscriteria vloeien rechtstreeks
uit haar grondslag voort. Deze zijn dan ook aan te merken als eisen die,
gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van
haar grondslag, zoals omschreven in artikel 5 lid 2 sub c AWGB. Tijdens de
parlementaire behandeling van de AWGB is de onderhavige kwestie aan de orde
geweest.
Blijkens de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer is de regering van
mening dat `de leerkracht die aan de ene kant stelt dat hij de grondslag van
de school onderschrijft, maar aan de andere kant deze grondslag tijdens de
lessen niet uitdraagt of zelfs blijkt te verwerpen, niet voldoet aan de eisen
die door het schoolbestuur aan hem kunnen worden gesteld’. Aangezien in het
onderhavige geval sprake is van een sollicitant die aangeeft uit de grondslag
van de school vloeiende eisen niet te willen onderschrijven, is de
wederpartij van mening terecht een beroep te kunnen doen op de uitzondering
van artikel 5 lid 2 AWGB.
De wederpartij is van opvatting dat gezin, kerk en school een eenheid dienen
te vormen. Van personeelsleden wordt verlangd dat zij deze opvatting volledig
onderschrijven en zowel in de schoolpraktijk uitdragen als in hun
levenswandel.
Voorts stelt de wederpartij dat het uitdragen van de reformatorische visie
behoort tot haar pedagogische doelstellingen en dat zij zich jegens het
bestuur en de ouders hiertoe verplicht heeft. Voor de verwezenlijking van
haar grondslag moet de waarden-overdracht door een docent
aardrijkskunde/geschiedenis plaatsvinden met inachtneming van die grondslag.
Deze grondslag komt tot uitdrukking in alle punten die in het formulier
worden genoemd en derhalve ook in het gestelde ten aanzien van het huwelijk,
ongehuwd samenleven en een homoseksuele leefwijze. De wederpartij beschouwt
het huwelijk als enige samenlevingsvorm waarbinnen de seksualiteit haar
plaats heeft. Ongehuwd samenwonen en een homoseksuele leefwijze dienen als in
strijd met Gods Woord te worden afgewezen.
Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat in functioneringsgesprekken
met docenten het onderschrijven van de grondslag en het daaraan uiting geven
onderwerp van gesprek is. Voorts heeft de wederpartij aangegeven dat mede
vanwege de relatief kleine kring waarbinnen de reformatorische
geloofsovertuiging beleefd wordt, de schoolpraktijk en persoonlijke
levenswandel van docenten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker bij de
vervulling van een vacature in strijd heeft gehandeld met de AWGB door van
verzoeker te eisen om met de ondertekening van een formulier een
gedachtengoed te onderschrijven dat volgens de wederpartij verbonden is met
haar godsdienstige grondslag.
4.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat de wet toeziet op onderscheid tussen personen
op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras,
geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat. Dit artikel stelt tevens dat onder onderscheid zowel direct als
indirect onderscheid begrepen wordt.
Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid dat verwijst naar een van
de hiervoor genoemde persoonskenmerken.
In artikel 5 lid 1 sub a AWGB wordt bepaald dat onderscheid verboden is onder
meer bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking.
In artikel 5 lid 2 sub c AWGB wordt bepaald dat het in lid 1 neergelegde
verbod van onderscheid onverlet laat de vrijheid van een instelling van
bijzonder onderwijs om eisen te stellen over de vervulling van een functie,
die gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking
van haar grondslag, waarbij deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op
grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
Vooropgesteld moet worden dat het niet tot de taak van de Commissie behoort
om te beoordelen in hoeverre een sollicitant geschikt is voor de aangeboden
functie. De Commissie beoordeelt slechts of bij de selectie of door middel
van de gekozen selectiemethodes onderscheid is gemaakt in de zin van de AWGB.
4.3. Blijkens haar statuten is de wederpartij een instelling van Christelijk
Voortgezet Onderwijs op reformatorische grondslag. De Commissie constateert
dat de wederpartij op grond daarvan ingevolge artikel 5 lid 2 sub c AWGB
eisen kan stellen met betrekking tot de vervulling van de onderhavige
functie, die gelet op het doel van de wederpartij, nodig zijn voor de
verwezenlijking van haar grondslag.
De Commissie stelt vast dat het niet onderschrijven van de benoemingscriteria
mede een rol heeft gespeeld bij de afwijzing van verzoeker voor de vacature.
Hieruit volgt dat de Commissie allereerst dient te onderzoeken of de
wederpartij door middel van de ondertekening van het formulier een eis stelt,
die gelet op het doel van de wederpartij, nodig is voor de verwezenlijking
van haar grondslag. Daarbij is het overigens niet aan de Commissie om zich
uit te spreken over rechtvaardigheid van deze grondslag (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1991-1992, 22 014, nr. 10, blz. 20.). De wederpartij dient aan
te geven welke betekenis in deze concrete situatie toekomt aan de grondslag
en doelstelling van de instelling.
4.4. Ten aanzien van de vraag of de wederpartij van verzoeker mag eisen met
de ondertekening van het formulier een gedachtengoed te onderschrijven dat
volgens de wederpartij verbonden is met haar godsdienstige grondslag
overweegt de Commissie als volgt.
Gelet op de statuten en toelichting daarop van de wederpartij, stelt zij zich
ten doel het doen verstrekken van voortgezet onderwijs, als bedoeld in de Wet
op het voortgezet onderwijs, overeenkomstig haar reformatorische grondslag.
De grondslag van de wederpartij is blijkens de statuten de Heilige Schrift,
zijnde het onfeilbaar Woord van God en de daarop gegronde onverkorte en
onveranderde Drie Formulieren van Enigheid, vastgesteld in de Nationale
Synode, gehouden te Dordrecht in de jaren 1618 en 1619.
Vaststaat dat verzoeker om voor benoeming in aanmerking te komen instemming
met de grondslag en het doel van de wederpartij moet betuigen, zoals deze
zijn neergelegd in de statuten en de daarvan afgeleide documenten. Voorts
dient hij zijn functie in overeenstemming daarmee te vervullen. Onder de
afgeleide documenten valt mede het formulier met het daarin verwoorde
gedachtengoed dat verzoeker heeft gesteld niet te kunnen onderschrijven.
De Commissie constateert dat het uitdragen van de reformatorische visie tot
de pedagogische doelstelling van de wederpartij hoort en dat zij zich jegens
het bestuur en de ouders hiertoe verplicht heeft. De wederpartij acht het in
het formulier weergegeven gedachtengoed inherent aan haar grondslag. Dit
geldt volgens haar voor alle punten die in het formulier zijn genoemd en
derhalve ook voor het gestelde ten aanzien van het huwelijk, ongehuwd
samenleven en een homoseksuele leefwijze. Zij acht het voor de
verwezenlijking van haar grondslag nodig dat de waarden-overdracht door een
docent aardrijkskunde/geschiedenis plaatsvindt met inachtneming van die
grondslag. Ter zitting heeft de wederpartij aangegeven dat tijdens
functioneringsgesprekken met docenten het onderschrijven van de grondslag en
het daaraan uiting geven onderwerp van gesprek is.
De Commissie concludeert op grond hiervan dat de wederpartij door de
gevraagde ondertekening van het formulier een eis stelt, die gelet op haar
doel noodzakelijk is voor de verwezenlijking van haar grondslag.
4.5. De Commissie stelt vervolgens vast dat blijkens punt 3 van het formulier
tevens van verzoeker wordt gevraagd zijn leven overeenkomstig het in het
formulier neergelegde gedachtengoed in te richten. Verzoeker is van mening
dat dit leidt tot onderscheid op grond van het enkele feit van de in artikel
5 lid 2 sub c AWGB genoemde persoonskenmerken.
Verzoekers bezwaren richten zich met name op de eis die in de
benoemingscriteria gesteld wordt met betrekking tot de buitenhuwelijkse
samenlevingsvorm.
De Commissie constateert dat de wederpartij op grond van artikel 5 lid 2 sub
c AWGB de vrijheid heeft eisen te stellen die nodig zijn voor de
verwezenlijking van haar grondslag.
Deze eisen mogen ingevolge artikel 5 lid 2 sub c AWGB niet leiden tot
onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras,
geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat. De Commissie dient aan de hand van de concrete omstandigheden van het
geval te beoordelen of door de wederpartij in strijd met de hier genoemde
regel van het enkele feit onderscheid jegens verzoeker is gemaakt.
De Commissie stelt vast dat in het sollicitatiegesprek de leefwijze van
verzoeker niet aan de orde is geweest. Verzoeker heeft ter zitting om hem
moverende redenen evenmin nader aangegeven op welke van de in artikel 5 lid 2
sub c AWGB genoemde gronden jegens hem onderscheid zou zijn gemaakt. Derhalve
komt de Commissie niet toe aan een oordeel over de klacht van verzoeker dat
de wederpartij in strijd met de wet heeft gehandeld doordat het formulier
personen uitsluit op grond van het enkele feit van een in de wet genoemd
persoonskenmerk.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Rotterdam jegens de
heer (…) te Ridderkerk geen onderscheid heeft gemaakt bij de vervulling van
een openstaande betrekking als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub a AWGB en
derhalve niet in strijd met de wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr.D. Jongsma (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 8 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in NRC Handelsblad van 23 november 1995 een advertentie
geplaatst voor de functie van Hoofd Personele Zaken. Zij maakt in de
advertentie melding van een voorkeursbeleid voor vrouwen en van het feit dat
zij wordt geadviseerd door een bureau dat gespecialiseerd is in de werving en
selectie van vrouwen.
De Commissie is van mening dat:
a) geen onderscheid op grond van geslacht is gemaakt bij de behandeling bij
de vervulling van een openstaande betrekking door de inschakeling van een
bureau dat gespecialiseerd is in de werving en selectie van vrouwen en
derhalve niet in strijd met genoemde wet heeft gehandeld;
b) onderscheid op grond van geslacht is gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking door bij de functiebenaming niet uitdrukkelijk te vermelden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen en derhalve in strijd met
genoemde wet heeft gehandeld;
c) geen onderscheid op grond van geslacht is gemaakt bij de vermelding van de
grond voor het voorkeursbeleid en derhalve niet in strijd met genoemde wet
heeft gehandeld.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 28 november 1995 verzocht de heer (…) te Wijnandsrade (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of de Rijksuniversiteit Limburg te Maastricht (hierna: de
wederpartij) jegens hem
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De wederpartij heeft in NRC Handelsblad van 23 november 1995 een
advertentie geplaatst voor de functie van Hoofd Personele Zaken. Zij maakt in
de advertentie melding van een voorkeursbeleid voor vrouwen en van het feit
dat zij wordt geadviseerd door een bureau dat gespecialiseerd is in de
werving en selectie van vrouwen.
Verzoeker is van oordeel dat de wederpartij door de inschakeling van dit
bureau onderscheid heeft gemaakt naar geslacht als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling. Hij vindt tevens dat de wederpartij een verboden
onderscheid maakt door in de advertentie niet duidelijk te maken dat zowel
mannen als vrouwen kunnen solliciteren. Ook wordt volgens verzoeker in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling in de advertentie het voorkeursbeleid
voor vrouwen niet duidelijk gemotiveerd.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht. Daarnaast heeft de Commissie informatie ingewonnen
bij het werving- en selectiebureau.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 14 mei 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. mr. (…) (verzoeker)
van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. (…) (hoofd afdeling Rechtspositie)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij vraagt in een advertentie in NRC Handelsblad van 25
november 1995 een `Hoofd Personele Zaken die initiërende capaciteiten koppelt
aan een coachende managementstijl’. De wederpartij geeft in de advertentie
als volgt aan een voorkeursbeleid te voeren: `Gelet op de samenstelling van
de topfuncties binnen de Rijksuniversiteit Limburg gaat bij gelijke kwaliteit
de voorkeur uit naar een vrouw’. In de advertentie stelt de wederpartij
voorts: `De Rijksuniversiteit Limburg laat zich in deze procedure adviseren
door het Werving en Selectieburo voor Vrouwen: […]’.
De aanduiding van genoemd bureau wordt onder aan de advertentie op een aparte
plaats herhaald. Daarbij staat na de woorden `Werving & Selectieburo’ de
aanduiding `voor vrouwen’: in een opvallend lettertype vermeld. Voorts komt
in de advertentietekst het woord `vrouwen’ vier keer voor.
Volgens de advertentie dienen de sollicitatiebrieven te worden gezonden aan
genoemd werving- en selectiebureau (hierna: het bureau). Tevens kunnen daar
telefonisch inlichtingen worden ingewonnen. Daarnaast is het mogelijk om
inlichtingen in te winnen bij de wederpartij zelf. De persoon die benaderd
kan worden is blijkens de advertentie gedurende een deel van de termijn,
waarin kan worden geïnformeerd, afwezig.
3.2. De selectie uit de brieven van de vrouwelijke kandidaten is verricht
door het bureau en de selectie uit de brieven van de mannelijke kandidaten is
verricht door een commissie van de wederpartij, bestaande uit drie personen
waaronder een medewerkster van het bureau. Deze commissie heeft tevens een
oordeel gegeven over de door het bureau voorgedragen kandidaten.
Bij de eerste gesprekken met de sollicitanten bestond de selectiecommissie
uit een lid van het College van Bestuur, de directeur Algemene Diensten en de
decaan faculteit Geneeskunde. Bij de tweede gesprekken bestond de
selectiecommissie uit de waarnemend directeur Algemene Diensten, het hoofd
Dienst Studentenzaken, het hoofd Personele Zaken en iemand van het bureau.
Het bureau heeft tevens gedurende de hele sollicitatieprocedure de
postbusfunctie vervuld.
3.3. De werkwijze van het bureau komt overeen met de werkwijze van andere
werving- en selectiebureau’s, met dien verstande dat zij haar activiteiten in
het bijzonder richt op de werving en selectie van gekwalificeerde vrouwelijke
functionarissen, waarvoor extra inspanningen worden verricht.
3.4. Verzoeker had belangstelling voor de functie, maar heeft vanwege de
tussenkomst van het bureau van sollicitatie afgezien.
Op de advertentie hebben 54 sollicitanten gereageerd, waarvan
34 mannen en 20 vrouwen. Er zijn vier mannen en vier vrouwen voor een eerste
gesprek uitgenodigd en twee mannen en twee vrouwen voor een vervolggesprek.
Er is uiteindelijk een vrouw benoemd.
De standpunten van partijen
3.5. Verzoeker stelt het volgende.
Hij maakt bezwaar tegen het feit dat de sollicitatiebrief gestuurd diende te
worden naar een werving- en selectiebureau dat gespecialiseerd is in de
werving en selectie van vrouwen.
Verzoeker is van oordeel dat de in de advertentie gestelde gelijke
geschiktheid van de kandidaten door een sekse-neutrale instantie moet worden
getoetst. Het voorkeursbeleid van de wederpartij treedt immers pas in werking
bij gebleken gelijke kwaliteit.
Verzoeker acht in zijn verzoekschrift de stelling van de wederpartij dat het
bureau slechts een adviserende rol had, onjuist. Verzoeker sluit niet uit dat
dit pas na het indienen van zijn klacht is bedacht. Het feit dat, zoals hem
tijdens de procedure bij de Commissie bleek, er een selectiecommissie was
ingesteld waarin naast het bureau ook functionarissen van de universiteit
zitting hadden, had volgens verzoeker in de advertentie moeten staan. Dit
geeft immers aan dat het primaat van de werving bij de wederpartij bleef.
Wanneer de sollicitatiebrief naar de wederpartij gestuurd had kunnen worden,
zou verzoeker hebben gesolliciteerd.
Verzoeker heeft als zodanig geen bezwaar tegen een voorkeursbeleid voor
vrouwen. Uit de advertentietekst blijkt echter niet waarom een
voorkeursbeleid voor vrouwen wordt gevoerd. Gewezen wordt slechts op de
samenstelling van de topfuncties bij de wederpartij. Of deze samenstelling
duidt op de numerieke verhouding tussen het aantal mannen en vrouwen of op
leeftijd, nationaliteit en dergelijke, kan daaruit niet worden opgemaakt. De
wederpartij handelt daarmee volgens verzoeker in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB).
De klacht van verzoeker richt zich tevens tegen de tekst van de advertentie
met betrekking tot de functiebenaming. Hieruit blijkt onvoldoende duidelijk
dat ook mannen voor de functie in aanmerking kunnen komen. Het staat evenmin
expliciet in de rest van de advertentie vermeld, terwijl het woord `vrouwen’
vier maal voorkomt. De advertentie wekt de indruk dat de wederpartij
nadrukkelijk op zoek was naar een vrouw.
Indien achter de functiebenaming de aanduiding `M/V’ had gestaan, had
verzoeker gesolliciteerd.
3.6. De wederpartij stelt het volgende.
Teneinde het voorkeursbeleid ten aanzien van vrouwen te concretiseren is het
bureau verzocht een aantal vrouwelijke kandidaten voor te dragen. Om
kandidaten voor te kunnen dragen, die zich voor wat betreft opleiding en
ervaring konden meten met de mannelijke kandidaten, heeft het bureau inzage
gekregen in de kwalificaties van alle sollicitanten. Daarom is bepaald dat de
sollicitaties gericht moesten worden aan het bureau. De stelling van
verzoeker, dat mannelijke kandidaten bij voorbaat kansloos waren, is onjuist.
Indien verzoeker naar aanleiding van de advertentie nadere informatie had
ingewonnen, was hij van deze gang van zaken op de hoogte geweest.
De wederpartij heeft het bureau ingeschakeld vanwege het voorkeursbeleid. Het
bureau vervulde in de sollicitatieprocedure slechts een adviserende rol. Het
was wel bij de (voor)selectie aanwezig, omdat selectiecommissies meestal uit
mannen bestaan, hetgeen kan leiden tot vooroordelen. Het bureau zou de
commissie daarop attent kunnen maken.
Het was de bedoeling dat er zo mogelijk evenveel mannen als vrouwen voor een
eerste gesprek zouden worden uitgenodigd. Het bureau heeft naast een selectie
uit de brieven van vrouwelijke sollicitanten gekeken naar kandidaten uit haar
eigen bestand. De voordracht voor een gesprek door het bureau van de vrouwen
is door de commissie overgenomen.
Bij de tweede ronde gesprekken heeft het bureau zich op de achtergrond
gehouden, er meer `bewakend’ bijgezeten teneinde erop te letten dat de
commissie aandacht heeft voor de vrouwelijke aspecten. Bij de nabespreking
heeft het bureau in adviserende zin haar oordeel over de kandidaten gegeven.
De selectiecommissie was het hiermee niet op alle punten eens. De adviezen
van het bureau zijn dan ook niet in alle gevallen overgenomen.
Voor de omstandigheid dat het bureau als postadres fungeerde was een
pragmatische reden, te weten onderbezetting bij Personeels-
zaken.
De advertentietekst is niet in strijd met artikel 3 lid 4 WGB. Weliswaar
ontbreekt de vermelding (M/V) achter de functiebenaming, de aanduiding
`hoofd’ is echter neutraal zodat een aparte vermelding van M/V niet nodig is.
Uit de zin `Gelet op de samenstelling van de topfuncties gaat bij gelijke
kwaliteit de voorkeur uit naar een vrouw’ blijkt -mede gelet op de context-
voldoende duidelijk dat vrouwen in topfuncties bij de wederpartij
ondervertegenwoordigd zijn.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. De klacht van verzoeker richt zich op een personeelsadvertentie
van de wederpartij en derhalve op onderscheid bij de aanbieding van een
betrekking. Aangezien de klacht zich tevens richt op de in de advertentie
gemelde rol van het door de wederpartij ingeschakelde bureau, is tevens in
geding het handelen van de wederpartij bij de vacaturevervulling door de
inschakeling van eerderaangeduid bureau.
In geding is derhalve de vraag of de wederpartij, die een voorkeursbeleid
voor vrouwen voert, jegens verzoeker onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
a) bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking door
een bureau in te schakelen dat gespecialiseerd is in de werving en selectie
van vrouwen
b) bij de aanbieding van een betrekking door in de advertentie niet duidelijk
tot uitdrukking te brengen dat ook mannen in aanmerking komen
c) bij de aanbieding van een betrekking door niet uitdrukkelijk de grond voor
het voorkeursbeleid te noemen.
4.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking en bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking.
Artikel 3 lid 2 WGB bepaalt dat van het in artikel 3 lid 1 WGB bepaalde mag
worden afgeweken in die gevallen, waarin ingevolge deze of enige andere wet
bij het aanbieden van een betrekking onderscheid tussen mannen en vrouwen mag
worden gemaakt en, voor zover het betreft een openlijke aanbieding van een
betrekking, de grond voor dat onderscheid daarbij uitdrukkelijk wordt
vermeld.
In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken naar
geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt. Artikel 3 lid
3 WGB schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie duidelijk
moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.
In het vierde lid van artikel 3 WGB wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.
In artikel 5 lid 1 WGB is bepaald dat van het in artikel 3 WGB bepaalde mag
worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een
bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te
heffen of te verminderen en indien het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot het beoogde doel.
4.3. Ten aanzien van het bij 4.1. sub a gestelde (de inschakeling van het
bureau) overweegt de Commissie het volgende.
Volgens de advertentietekst wordt een voorkeursbeleid gevoerd waarin pas bij
gelijke kwaliteit de voorkeur uit gaat naar een vrouw. Het inschakelen van
een bureau, dat gespecialiseerd is in de werving en selectie van vrouwen,
brengt als zodanig in deze zaak nog niet mee, dat daardoor onderscheid
gemaakt wordt op grond van geslacht als in de WGB bedoeld. In de praktijk van
de selectieprocedure kan evenwel blijken dat door de rol die het bureau in de
onderhavige procedure heeft gespeeld een verboden onderscheid is gemaakt.
Betreffende de feitelijke rol van het bureau in de voorselectie is door de
wederpartij gesteld dat de afspraak was dat zo mogelijk evenveel mannen als
vrouwen voor een gesprek zouden worden voorgedragen, hetgeen met de
voordracht van vier mannen en vier vrouwen is geschied. Tevens is door de
wederpartij gesteld dat de beslissingsbevoegdheid ten aanzien van zowel de
mannelijke als de vrouwelijke kandidaten toekwam aan een commissie in
aanwezigheid van het bureau als adviseur. Gelet op het voorgaande kan niet
worden gesteld dat door de wijze waarop het bureau in deze fase is
ingeschakeld sprake is van een verboden onderscheid.
Ten aanzien van de selectie van de twee mannelijke en de twee vrouwelijke
kandidaten na de eerste gespreksronde heeft de wederpartij gesteld, dat het
bureau zich in de sollicitatiegesprekken zelf op de achtergrond heeft
gehouden en in de nabespreking in adviserende zin haar oordeel over de
kandidaten heeft gegeven. Het feit dat de commissie het advies van het bureau
niet in alle gevallen heeft overgenomen, onderstreept de stelling van
verzoeker dat het primaat bij de wederpartij dient te liggen. Daarmee is de
feitelijke rol van het bureau ook in overeenstemming met hetgeen daarover in
de tekst van de advertentie wordt gemeld. Aangezien daarin gewag wordt
gemaakt van de adviserende rol van het bureau, kan verzoeker niet worden
gevolgd in zijn stelling, dat in de advertentie de samenstelling van de
selectiecommissie had moeten staan opdat duidelijk zou zijn dat het primaat
bij de wederpartij lag.
Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie dat de wederpartij
jegens verzoeker niet in strijd met de WGB heeft gehandeld door de
inschakeling van een bureau dat gespecialiseerd is in de werving en selectie
van vrouwen.
4.4. Met betrekking tot het bij 4.1. sub b gestelde (de advertentietekst)
overweegt de Commissie als volgt.
Artikel 3 lid 3 en lid 4 WGB bepalen dat uit de tekst en vormgeving van de
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de betreffende functie alsmede dat bij de functiebenaming
uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen. Indien hiervan wordt afgeweken, wordt een verboden onderscheid op
grond van geslacht gemaakt, behoudens de in de wet vermelde uitzonderingen.
Artikel 5 lid 1 WGB bevat een dergelijke uitzondering: van het in artikel 3
WGB gestelde mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt
vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke
ongelijkheden op te heffen of te verminderen en indien het onderscheid in een
redelijke verhouding staat tot het doel.
Teneinde te bezien of afwijking van de in artikel 3 WGB gestelde norm in deze
zaak geoorloofd is, stelt de Commissie allereerst vast dat de wederpartij een
voorkeursbeleid wil voeren om een einde te maken aan de onevenwichtige
samenstelling van de topfuncties, en dat bij dit beleid de voorkeur voor een
vrouw pas geldt bij gelijke kwaliteit.
Dit laatste houdt, zoals uit het in de advertentie aangeduide voorkeursbeleid
blijkt en door de wederpartij is onderstreept, in dat de wederpartij mannen
niet wilde uitsluiten of belemmeren om te solliciteren.
In de advertentie ontbreekt achter de functiebenaming de aanduiding `M/V’,
komt het woord `vrouwen’ in de tekst vier keer voor terwijl nergens wordt
vermeld dat ook mannen in aanmerking komen en staat onder aan de advertentie
op een aparte plaats na de woorden `werving & selektieburo’ in een opvallend
lettertype vermeld `voor vrouwen: Rieken & Oomen’. De Commissie is van
oordeel dat het geheel van de advertentie onvoldoende de indruk wekt dat
mannen van meet af aan gelijkelijk kunnen meedingen naar de functie als
vrouwen. Daaromtrent is de advertentie onduidelijk. De met het
voorkeursbeleid beoogde doelstelling, inhoudende dat pas bij gelijke
kwaliteit de voorkeur uitgaat naar een vrouw, wordt daardoor niet gediend.
Aangezien aanstonds bij kennisneming van de personeelsadvertentie duidelijk
moet zijn dat de betrekking uitdrukkelijk zowel aan mannen als aan vrouwen
wordt aangeboden (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid, 149-91-18 d.d. 8 april 1991)) had de aanduiding `M/V’ achter de
functiebenaming moeten worden geplaatst. Daaraan doet niet af dat elders in
de advertentie, vanwege het voorkeursbeleid van de wederpartij, in de tekst
en vormgeving tot uitdrukking mag worden gebracht dat juist ook vrouwen
worden gevraagd te solliciteren.
De Commissie concludeert hieruit dat de wederpartij door de weglating van de
aanduiding `M/V’ achter de functiebenaming in strijd heeft gehandeld met
artikel 3 lid 4 juncto artikel 5 lid 1 WGB.
4.5. Ten aanzien van het bij 4.1. sub c gestelde (de grond voor het
voorkeursbeleid) overweegt de Commissie als volgt.
Verzoeker is van mening dat de wederpartij handelt in strijd met de WGB,
omdat uit de zin `Gelet op de samenstelling van de topfuncties binnen de
Rijksuniversiteit Limburg gaat bij gelijke kwaliteit de voorkeur uit naar een
vrouw’ niet duidelijk blijkt op grond waarvan een voorkeursbeleid voor
vrouwen wordt gevoerd. De Commissie kan verzoeker hierin niet volgen.
Nu het voorkeursbeleid voor vrouwen door de wederpartij met de bewoordingen
`Gelet op’ in verband wordt gebracht met de samenstelling van de topfuncties
bij de wederpartij, mag ervan worden uitgegaan dat de grond voor het
voorkeursbeleid gelegen is in de omstandigheid dat bedoelde topfuncties naar
het oordeel van de wederpartij te weinig door vrouwen worden vervuld. Aan het
vereiste in artikel 3 lid 2 WGB, inhoudende dat de grond voor het onderscheid
uitdrukkelijk moet worden vermeld, wordt daarmee naar het oordeel van de
Commissie voldaan.
De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij bij de aanduiding van de
grond voor het voorkeursbeleid in de advertentie niet in strijd heeft
gehandeld met voornoemde wet.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Rijksuniversiteit Limburg te
Maastricht jegens de heer (…) te Wijnandsrade
a) geen onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in artikel 3 lid 1 WGB
heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking door de inschakeling van een bureau dat gespecialiseerd is in de
werving en selectie van vrouwen en derhalve niet in strijd met genoemde wet
heeft gehandeld;
b) onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in artikel 3
lid 4 juncto artikel 5 lid 1 WGB heeft gemaakt bij de aanbieding van een
betrekking door bij de functiebenaming niet uitdrukkelijk te vermelden dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen en derhalve in strijd met
genoemde wet heeft gehandeld;
c) geen onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in artikel 3 lid 2 WGB
heeft gemaakt bij de vermelding van de grond voor het voorkeursbeleid en
derhalve niet in strijd met genoemde wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer).

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 6 juni 1996

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Man en vrouw zijn twintig jaar getrouwd geweest. Uit dit huwelijk zijn twee
kinderen geboren. Een kind woont bij de vader en het andere kind bij de
moeder. De vraag die hier aan de orde is of ene bedrag van ƒ 800 alimentatie
van de man aan de vrouw redelijk is. De man voert aan dat de vrouw gezegd
heeft zelfstandig te willen zijn en dat hij daarom geen alimentatie hoeft te
betalen. De rechtbank verwerpt dit betoog omdat het hier niet gaat om een
rechtens afdwingbare overeenkomst.
Voorts meent de man dat de vrouw haar werkzaamheden kan uitbreiden, maar de
rechtbank volgt de vrouw die gemotiveerd betwist dat dit een optie is.
De Hof bekrachtigt de beschikking en de man dient de vrouw ƒ 800 per maand
alimentatie te betalen.

Volledige tekst

;1. Het geding in hoger beroep

1.1. De man is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een beschikking
van 22 november 1995 van de rechtbank te Amsterdam, nummer 95.1071 F.

1.2. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is behandeld op 24 april 1996 door de daartoe aangewezen
raadsheer-commissaris.

1.4. Zoals afgesproken bij de behandeling heeft de vrouw nog stukken aan het
hof toegezonden. De man heeft daarvan afschriften ontvangen, maar heeft,
hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, daarop niet gereageerd.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn in 1974 gehuwd.
Uit hun huwelijk zijn geboren Sharon op 16 juni 1979 en Esther op 15 februari
1985. Bij de beschikking waarvan beroep is onder meer de echtscheiding tussen
partijen uitgesproken en is de man bekleed met het ouderlijk gezag over
Sharon en zijn partijen gezamenlijk belast met het uitoefenen van het
ouderlijk gezag over Esther.

2.2. In geschil is de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 800
per maand met ingang van de dag van inschrijving van de
echtscheidingsbeschikking, zoals bepaald bij de beschikking waarvan beroep.
Deze beslissing is gegeven op het verzoek van de vrouw deze uitkering te
bepalen op ƒ 1500 per maand.

De man verzoekt het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen.

De vrouw verzoekt de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren op 28 juni 1946. Hij vormt met Sharon een éénoudergezin.
Hij is werkzaam in het onderwijs. Zijn belastbaar loon bedroeg volgens de
jaarloonopgave over 1995 ƒ 82 651.

Voorts is hij werkzaam bij Stichting Contractsonderwijs GLA. Zijn belastbaar
loon bedroeg volgens de jaarloonopgave over 1995 ƒ 5691.

In verband met de twee hypotheken gevestigd op de door hem bewoonde
(voormalige) echtelijke woning betaalt hij in totaal rond ƒ 3145 per jaar aan
rente. Op één hypotheek wordt niet afgelost. Op de andere hypotheek betaalt
hij rond ƒ 833 per half jaar aan aflossing. Hij heeft de gebruikelijke andere
eigenaars- en woonlasten.

Hij betaalt rond ƒ 856 per kwartaal aan premie voor een
ziektekostenverzekering ten behoeve van zichzelf en de kinderen. Het eigen
risico dat aan deze verzekering is verbonden bedraagt ƒ 1250 per jaar. Van
zijn werkgever ontvangt hij een tegemoetkoming in de premie voor een
ziektekostenverzekering van rond ƒ 3588 per jaar, die reeds in de
jaarloonopgave 1995 is verwerkt.

Een bedrag van rond ƒ 2630 per jaar aan tandartskosten voor zichzelf en de
kinderen blijft gemiddeld voor zijn rekening.

Zijn kosten van verwerving bedragen gemiddeld rond ƒ 4743 per jaar.

De reiskosten voor Esther bedragen rond ƒ 170 per maand.

Hij betaalt de gedurende de weken dat Esther bij de vrouw verblijft een
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van Esther van ƒ 125 per
week.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren op 20 december 1952. Zij vormt met Esther een één oudergezin.

Zij is op contractbasis voor 50% tot 80% werkzaam als wijkverpleegster. Zij
heeft een basiscontract voor 50% en is voor de resterende 30% oproepbaar.
Haar belastbaar loon bedroeg volgens de jaarloonopgave over 1995 ƒ 34 649.
Haar salaris bedroeg in januari 1996 rond ƒ 1642 netto per maand.
Daarnaast ontving zij vakantiegeld.

Na aftrek van huursubsidie betaalt zij rond ƒ 561 per maand aan huur en enige
servicekosten. De huursubsidie bedraagt rond ƒ 287 per maand.

Esther staat bij haar ingeschreven, zodat zij in tariefgroep 5 valt.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. De man heeft betoogd dat de vrouw voor de toekomst afstand heeft gedaan
van haar recht op een uitkering tot haar levensonderhoud. Hij heeft daartoe
onder meer aangevoerd dat de vrouw hem in het verleden kenbaar heeft gemaakt,
`dat zij zelfstandig en onafhankelijk wilde zijn’.
Dit betoog van de man dient te worden verworpen. Voorzover er al sprake is
geweest van enige bewoordingen van de vrouw van een dergelijke strekking,
impliceert dit nog geen rechtens afdwingbare afspraak tussen partijen.
Daarnaast heeft de man, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw,
onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden
afgeleid dat de vrouw definitief afstand heeft gedaan van haar recht op een
door de man te betalen alimentatie-uitkering.

3.2. De man heeft aangevoerd dat de vrouw haar werkzaamheden zou kunnen
uitbreiden, zodat zij in eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. De vrouw
heeft dit gemotiveerd betwist en gesteld dat een uitbreiding thans feitelijk
onmogelijk is en dat zij bovendien lichamelijk niet in staat is meer te
werken. Gezien de leeftijd en het opleidingsniveau van de vrouw, haar beroep,
de situatie op de arbeidsmarkt en de omstandigheid dat de vrouw nog (zij het
gedeeltelijk) de zorg heeft over een van de kinderen van partijen, is
voldoende aannemelijk geworden dat zij niet in staat is meer inkomsten uit
arbeid te verwerven.

3.3. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en
van hetgeen hiervoor is overwogen, gaat de door de rechtbank bij de
beschikking waarvan beroep bepaalde door de man met ingang van de dag van
inschrijving van de echtscheidingsbeschikking te betalen uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw van ƒ 800 per maand, niet uit boven hetgeen van
de man met inachtneming van de wettelijke maatstaven mag worden gevergd.

3.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het
hof onderworpen;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus, dat iedere partij de kosten
draagt.

Rechters

Mrs. De Vreeze-Oostvogel, Van Zandwijk-Hillebrands en Koopmann

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van mening dat de wederpartij de arbeidsovereenkomst met haar
heeft beëindigd in verband met haar zwangerschap. Zij stelt dat de
wederpartij daarmee een verboden onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt.
De wederpartij erkent dat verzoekster is toegezegd dat zij de maandag na het
sollicitatiegesprek haar werkzaamheden kon beginnen bij de wederpartij.
Aangezien voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst geen
schriftelijke vastlegging is vereist, staat met de constatering van de
mondelinge overeenstemming tussen partijen vast dat sprake is van een
arbeidsovereenkomst.
De Commissie is op grond hiervan en op grond van het feit dat de wederpartij
verzoekster kenbaar heeft gemaakt, dat zij geen werkzaamheden meer ten
behoeve van haar hoefde te verrichten, van oordeel dat sprake is van de
beëindiging van een arbeidsovereenkomst zoals in artikel 7A:1637ij BW lid 1
bedoeld.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij zowel tijdens het -volgens de
wederpartij door de manager gevoerde- telefonisch contact met het
Arbeidsbureau als ter zitting heeft verklaard het vreemd te vinden, dat
zwangere vrouwen voor een fysiek zware functie als de onderhavige in
aanmerking komen. Op grond van het voorgaande moet derhalve worden
geconcludeerd dat de wederpartij voor de vervulling van de onderhavige
functie een zwangerschap van een werkneemster, zoals verzoekster,
problematisch zou vinden.
Het door de wederpartij als problematisch gekenschetste van een zwangerschap
voor de vervulling van de functie, de aard van de reactie naar het
Arbeidsbureau toe, alsmede het feit dat het contact met het Arbeidsbureau
plaatsvond aansluitend aan en op grond van de mededeling van verzoekster aan
de wederpartij dat zij in verwachting was, maken het aannemelijk dat de
zwangerschap van verzoekster een rol heeft gespeeld bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
De Commissie is van oordeel dat de wederpartij direct onderscheid op grond
van geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 7A:1637ij lid 1 en lid 5
BW.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 21 december 1995 verzocht mevrouw (…) te Zwolle (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of(…) te Hattemerbroek (hierna: de
wederpartij) jegens haar in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij de arbeidsovereenkomst met
haar heeft beëindigd in verband met haar zwangerschap. Zij stelt dat de
wederpartij daarmee een verboden onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk nader toe te lichten.
Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 14 mei 1996. Voor deze zitting
zijn ook twee getuigen, werkzaam bij het Arbeidsbureau te Zwolle ten tijde
van het bestreden handelen, opgeroepen.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. mr. (…) (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (manager)
– dhr. (…) (directeur)
als getuigen
– dhr. (…) (consulent Arbeidsbureau, hierna: getuige 1)
– dhr. mr. (…) (afdeling juridische zaken Arbeidsbureau, hierna: getuige 2)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster is door het Arbeidsbureau te Zwolle gewezen op een vacature
bij de wederpartij. De functie betrof werkzaamheden in het atelier waar
bulkgoederen binnenkomen. Er moeten balen worden gesneden, hetgeen fysiek
zwaar werk is.
Op vrijdag 17 februari 1995 heeft verzoekster een sollicitatiegesprek gevoerd
op het kantoor van de wederpartij met de manager en een medewerkster van de
wederpartij, mevrouw (…) (hierna: de medewerkster). Tijdens dit gesprek is
onder andere gesproken over de fysieke zwaarte van de werkzaamheden. De
zwangerschap van verzoekster was toen bij de wederpartij niet bekend.
De manager heeft verzoekster na afloop van dit gesprek meegedeeld dat zij de
daaropvolgende maandag bij de wederpartij haar werkzaamheden kon starten.
Tevens heeft hij het Arbeidsbureau die dag op de hoogte gesteld van de
vervulling van de vacature door verzoekster.
Op haar eerste werkdag is verzoekster om 8.30 uur naar de wederpartij gegaan.
Zij heeft het pand na ongeveer een uur weer verlaten. In die tijd heeft
verzoekster de wederpartij op de hoogte gesteld van haar zwangerschap. Haar
is in dat uur ook door de wederpartij meegedeeld dat deze haar niet in dienst
wilde houden.
De standpunten van partijen
3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Het sollicitatiegesprek is gevoerd met de manager en de medewerkster. Zij is
zonder enig voorbehoud aangenomen op basis van een arbeidsovereenkomst voor
zes maanden met een proeftijd van twee maanden. Verzoekster was op dat moment
bijna vier maanden zwanger.
Maandag 20 februari 1995 is verzoekster op het werk verschenen. De
medewerkster heeft verzoekster aangesproken over een contract dat zij nog zou
moeten tekenen. Verzoekster heeft haar en de manager toen haar zwangerschap
gemeld, omdat het haar niet zinde dat de wederpartij dit niet wist. Beiden
werden heel boos, met name de manager. Zij wisten niet zo goed wat ze moesten
doen. Gesteld werd dat verzoekster hen in de problemen bracht.
De manager heeft verzoekster gezegd even te wachten teneinde zich over haar
mededeling te beraden. Toen is het Arbeidsbureau gebeld. Verzoekster is
daarna meegedeeld dat het contract niet doorging en dat zij naar het
Arbeidsbureau moest gaan omdat zij een berisping zou krijgen wegens het
verzwijgen van haar zwangerschap tijdens de sollicitatie.
Verzoekster acht de bedrijfseconomische reden voor het ontslag, die de
wederpartij bij de Commissie opgeeft, ongeloofwaardig. Als op de (zater)dag
na het sollicitatiegesprek besloten was iemand aan te nemen die jonger was en
daarmee ook goedkoper dan verzoekster, ligt het in de rede dat verzoekster
hierover voor maandag, haar eerste werkdag, telefonisch was ingelicht. Zo had
haar een vergeefse reis naar haar werk bespaard kunnen blijven.
3.3. De wederpartij stelt het volgende.
Verzoekster is tijdens het sollicitatiegesprek spontaan de toezegging gedaan
dat zij de daaropvolgende maandag kon komen werken bij de wederpartij. De
voorkeur voor verzoekster was gebaseerd op haar persoonlijkheid die goed in
het personeels-
bestand van de wederpartij zou passen. De manager heeft het Arbeidsbureau
hiervan op de hoogte gesteld door enthousiast te melden dat de wederpartij de
juiste persoon gevonden had.
Zaterdags heeft de directeur aan de manager (zijn zoon) op basis van hem
gefaxte sollicitatiebrieven het bindend advies gegeven om vanwege
bedrijfseconomische redenen een andere kandidate aan te nemen. Deze kandidate
was slechts 17 jaar oud zodat een lager minimumloon betaald zou kunnen
worden. Ter zitting stelt de directeur dat hij ook hogere verwachtingen had
van de andere kandidate, omdat deze fysiek zwaarder werk had gedaan.
Aan verzoekster is op maandagochtend meegedeeld dat haar geen arbeidscontract
kon worden aangeboden op basis van genoemde bedrijfseconomische reden. Na
deze mededeling zei verzoekster in een paniekreactie dat zij zwanger was en
dat zij het de
wederpartij lastig zou maken door een proces aan te spannen.
De wederpartij was daarover zeer verontwaardigd. Het gesprek verliep van
beide kanten emotioneel.
De manager heeft telefonisch met het Arbeidsbureau contact opgenomen en
advies gevraagd over de ontstane situatie. Daarbij heeft hij aangegeven het
vreemd te vinden dat een zwangere vrouw wordt geplaatst voor een fysiek zware
functie. Deze opvatting wordt ter zitting gedeeld door de directeur. De
verklaring van getuige 1 betreffende telefonisch contact tussen de
wederpartij en het Arbeidsbureau is volgens de wederpartij twijfelachtig,
omdat deze getuige spreekt over telefonisch contact met een vrouw, terwijl
die ochtend niemand anders dan de mannelijke manager heeft gebeld naar het
Arbeidsbureau.
Ten aanzien van het standpunt van verzoekster dat, indien reeds zaterdags
bekend was dat zij zou worden ontslagen, contact met haar had kunnen worden
opgenomen opdat zij ’s maandags niet vergeefs naar haar werk zou komen, stelt
de wederpartij niet in de gelegenheid te zijn geweest haar in het weekend te
informeren.
De wederpartij heeft weliswaar de intentie gehad verzoekster een schriftelijk
arbeidscontract aan te bieden, maar heeft dit uiteindelijk niet gedaan.
Verzoekster kan volgens de wederpartij dan ook geen schriftelijke
overeenkomst overleggen. Verzoeksters zwangerschap heeft bij de beslissing om
haar geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden geen enkele rol
gespeeld.
3.4. Getuige 1 verklaart het volgende.
Op maandagochtend 20 februari 1995 heeft hij telefonisch contact gehad met
een dame die werkzaam was bij de wederpartij. Met dezelfde dame heeft hij
steeds contact gehad over de vacature. Zij was verontwaardigd dat iemand was
geplaatst die zwanger was. De getuige heeft toen gezegd dat het niet aan hem
is om een werkgever te informeren over de zwangerschap van een kandidaat. De
reactie van de dame was niet zoals het hoort. Het gesprek duurde nog geen
minuut.
3.5. Getuige 2 verklaart het volgende.
Hij kan zich het onderhavige voorval niet herinneren. Nadat de consulent hem
een paar weken voor de zitting van de Commissie heeft aangesproken over de
onderhavige zaak begon hem wel iets te dagen. Hij kan zich de concrete
vraagstelling die hem in februari 1995 is voorgelegd echter niet herinneren.
Hij neemt aan dat het een vraag over zwangerschap en proeftijd is geweest
aangezien daar vaker naar wordt gevraagd. Hij veronderstelt dat hij als
gewoonlijk verteld heeft dat ontslag tijdens een proeftijd mogelijk is, maar
dat de reden voor het ontslag niet gelegen mag zijn in de zwangerschap van
een werkneemster. Hij weet niet zeker of hij hierover direct contact heeft
gehad met de wederpartij.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.
4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt onder andere dat
de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Onder onderscheid wordt zowel direct
als indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen verstaan. Op grond van het
vijfde lid van artikel 7A:1637ij BW moet onder direct onderscheid op grond
van geslacht mede onderscheid op grond zwangerschap worden verstaan.
Artikel 7A:1637ij lid 3 BW bepaalt dat van het in lid 1 van genoemd artikel
bepaalde mag worden afgeweken, indien het bedingen betreft die op de
bescherming van de vrouw, met name in verband met zwangerschap of
moederschap, betrekking hebben.
Ook indien zwangerschap niet de enige of doorslaggevende reden is geweest
voor de beëindiging van een arbeidsverhouding maar daarbij wel (mede) een rol
heeft gespeeld, is er sprake van strijd met de wetgeving gelijke behandeling
(Zie bijvoorbeeld Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer
95-15;Commissie gelijke behandeling, 13 november 1995, oordeelnummer 95-47).
4.3. De Commissie overweegt allereerst ten aanzien van het verweer van de
wederpartij, dat zij met verzoekster geen arbeidsovereenkomst heeft gesloten,
het volgende.
De wederpartij erkent dat verzoekster is toegezegd dat zij de maandag na het
sollicitatiegesprek haar werkzaamheden kon beginnen bij de wederpartij.
Aangezien voor de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst geen
schriftelijke vastlegging is vereist, staat met de constatering van de
mondelinge overeenstemming tussen partijen vast dat sprake is van een
arbeidsovereenkomst.
De Commissie is op grond hiervan en op grond van het feit dat de wederpartij
verzoekster kenbaar heeft gemaakt, dat zij geen werkzaamheden meer ten
behoeve van haar hoefde te verrichten, van oordeel dat sprake is van de
beëindiging van een arbeidsovereenkomst zoals in artikel 7A:1637ij BW lid 1
bedoeld.
4.4. Het standpunt van de wederpartij dat aan de verklaring van getuige 1
moet worden getwijfeld, nu deze stelt met een vrouw te hebben gesproken
terwijl de mannelijke manager het telefonisch onderhoud heeft gevoerd, is
niet overtuigend. De Commissie heeft immers niet kunnen vaststellen dat het
uitgesloten is dat twee personen met het Arbeidsbureau en mogelijk met
verschillende personen aldaar contact hebben gehad. Dat dit niet is
uitgesloten kan worden afgeleid uit de verklaring van getuige 1 die de vrouw,
met wie hij zegt te hebben gesproken, nader heeft aangeduid als degene met
wie hij vaker contact had met betrekking tot de onderhavige functie. De
Commissie ziet derhalve onvoldoende reden om de betrouwbaarheid van de
verklaring van deze getuige in twijfel te trekken.
4.5. Ten aanzien van de vraag of de zwangerschap van verzoekster (mede) een
rol heeft gespeeld bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst overweegt de
Commissie het volgende.
Tijdens het sollicitatiegesprek is de fysieke belasting van de door
verzoekster te verrichten werkzaamheden onderwerp van bespreking geweest.
Daarnaast heeft de wederpartij ter zitting gesteld dat de andere
sollicitante, die in de plaats van verzoekster zou worden gevraagd, fysiek
zwaardere werkzaamheden had verricht en ook om die reden de uiteindelijke
voorkeur had boven verzoekster. Op grond hiervan moet worden geconstateerd
dat de fysieke capaciteiten van de werkneemster voor de onderhavige functie
van belang waren voor de wederpartij.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij zowel tijdens het
-volgens de wederpartij door de manager gevoerde- telefonisch contact met het
Arbeidsbureau als ter zitting heeft verklaard het vreemd te vinden, dat
zwangere vrouwen voor een fysiek zware functie als de onderhavige in
aanmerking komen. Op grond van het voorgaande moet derhalve worden
geconcludeerd dat de wederpartij voor de vervulling van de onderhavige
functie een zwangerschap van een werkneemster, zoals verzoekster,
problematisch zou vinden.
Volgens verzoekster is door de wederpartij boos gereageerd op haar mededeling
betreffende haar zwangerschap. In dezelfde tijdsspanne is door de wederpartij
een telefonisch gesprek gevoerd met het Arbeidsbureau. Volgens getuige 1
duurde dit gesprek nog geen minuut en werd daarin verontwaardiging geuit over
de omstandigheid dat iemand bij de wederpartij was geplaatst die zwanger was.
Indien de stelling van de wederpartij, dat zij een advies wilde van het
Arbeidsbureau over het omgaan met een situatie als de ontstane, betrekking
heeft op dit onderhoud, acht de Commissie het gelet op de zeer korte duur en
de aard van het telefonisch contact niet aannemelijk dat sprake was van een
vraag om advies zoals aangeduid.
Het door de wederpartij als problematisch gekenschetste van een zwangerschap
voor de vervulling van de functie, de aard van de reactie naar het
Arbeidsbureau toe, alsmede het feit dat het contact met het Arbeidsbureau
plaatsvond aansluitend aan en op grond van de mededeling van verzoekster aan
de wederpartij dat zij in verwachting was, maken het aannemelijk dat de
zwangerschap van verzoekster een rol heeft gespeeld bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.
4.6. De Commissie overweegt ten aanzien van de overige weren van de
wederpartij nog het volgende.
Het verweer van de wederpartij dat verzoekster vanwege bedrijfseconomische
redenen voor de andere sollicitante plaats moest maken acht de Commissie
onvoldoende overtuigend. Indien dit selectiecriterium inderdaad van een
dergelijk zwaar gewicht was geweest, had het voor de hand gelegen van meet af
aan de keuze op de andere sollicitante te laten vallen.
Het eerst ter zitting gevoerde verweer dat de andere kandidate op grond van
de sollicitatiegegevens, ongeacht verzoeksters zwangerschap, ook fysiek beter
zou voldoen dan verzoekster, moet eveneens als onvoldoende overtuigend worden
verworpen. De fysieke zwaarte van de werkzaamheden is immers expliciet met
verzoekster tijdens het sollicitatiegesprek besproken en de wederpartij was
na dit gesprek naar eigen zeggen enthousiast. Bovendien heeft de wederpartij
dit enthousiasme kenbaar gemaakt aan het Arbeidsbureau. Indien dit
selectiecriterium in de vergelijking met de andere sollicitante een punt van
overweging zou zijn geweest, was dit kennelijk niet van doorslaggevend
belang. Daarbij had het voor de hand gelegen dat de wederpartij dit reeds
eerder in de procedure, naast de bedrijfseconomische reden, naar voren had
gebracht.
4.7. De Commissie is op grond van het voorgaande van oordeel dat de
wederpartij direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt zoals
bedoeld in artikel 7A:1637ij lid 1 en lid 5 BW.
Ingevolge lid 3 van genoemd wetsartikel mag van bedoeld verbod op onderscheid
op grond van geslacht worden afgeweken indien het bedingen betreft die op de
bescherming van de vrouw, met name in verband met onder meer zwangerschap,
betrekking hebben. De wederpartij heeft blijk gegeven van het belang van de
met de onderhavige functievervulling verbonden fysieke belasting, maar niet
met het oog op beschermende maatregelen in verband met zwangerschap. De
Commissie komt derhalve niet toe aan bespreking van de in lid 3 genoemde
uitzondering.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Hattemerbroek jegens
mevrouw (…) te Zwolle direct onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in artikel 7A:1637ij lid 1 van het Burgerlijk Wetboek en
derhalve in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer).

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 4 juni 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiseres verzoekt een zelfstandige verblijfsvergunning. Zij is in 1990 naar
Nederland gekomen. Zij heeft op 22 november 1991 een vergunning tot verblijf
tot 12 april 1992 bij haar Nederlandse partner gekregen. Begin 1992 wordt
deze relatie verbroken. Haar oudste zoon is inmiddels Nederlander geworden.
Haar dochtertje heeft ook de Nederlandse nationaliteit omdat zij is erkend
door de Nederlander A. die in Arnhem woont. Eiseres woont in Amsterdam.
De rechtbank oordeelt dat een beroep op het driejarenbeleid faalt vanwege
aanvragen wisselende verblijfstitels. Eiseres komt ook niet in aanmerking
voor een vergunning tot verblijf op grond van het partnerbeleid omdat zij
niet samenwoont.
De rechtbank is van mening dat de beslissing onvoldoende gemotiveerd op punt
van humanitaire redenen bij alleenstaande vrouwen met zorg voor kinderen en
gezinsleven art. 8 EVRM. Gezinsleven met kinderen met Nederlandse
nationaliteit.
Rechtbank acht het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en
bepaalt dat Justitie een nieuw besluit neemt.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Eisers, geboren op 1957, bezit de Surinaamse nationaliteit. Bij besluit
van 22 oktober 1992 heeft verweerder op de aanvraag van eisers van 23 maart
1992 om verlenging van de geldigheidsduur van de haar verstrekte vergunning
tot verblijf en de wijziging van de daaraan verbonden beperking afwijzend
beslist. Deze beschikking is op 4 januari 1993 aan eiseres uitreikt. Op 30
januari 1993 heeft eiseres herziening van de beschikking gevraagd. Verweerder
heeft naar aanleiding van de nadere gronden van het herzieningsverzoek
eiseres in de gelegenheid gesteld haar belangen te bepleiten bij de
Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV). Eiseres is op 28 oktober 1993
gehoord door de ACV. Op genoemde datum heeft de ACV verweerder geadviseerd
het verzoek om herziening af te wijzen. Bij besluit in herziening van 24 juni
1994 heeft verweerder het verzoek om herziening afgewezen. Het besluit in
herziening van 27 september 1994 is aan eiseres uitgereikt. Tegen deze
afwijzende beschikking heeft eiseres op 12 oktober 1994 beroep ingesteld bij
de rechtbank. Verweerder is toen niet bereid geweest uitzetting van eiseres
hangende het beroep bij de rechtbank achterwege te laten. Bij beslissing van
31 mei 1995 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden
besluit van 24 juni 1994 vernietigd. Hierop heeft verweerder bij schrijven
van 4 juli 1995, verzonden op 6 juli 1995, aan de korpschef van de
regiopolitie Amsterdam-Amstelland doen weten dat uitzetting van eiseres
achterwege moest blijven totdat een beslissing is genomen. Bij besluit in
herziening van 3 oktober 1995, aan eiseres uitgereikt op 14 december 1995,
heeft verweerder opnieuw het verzoek om herziening afgewezen. Tegen dit
afwijkende besluit heeft eiseres bij beroepschrift van 4 januari 1996,
aangevuld op 26 januari 1996 en 18 april 1996, beroep ingesteld bij de
rechtbank. Op 14 maart 1996 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken
van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 16 april 1996
heeft verweerder geconcludeerd tot ongegron

dverklaring van het beroep.

2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 1996. Eiseres
is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr F.H. Bruggink, advocaat
te Amsterdam. Verweerder heeft zich doen verdedigen door gemachtigde mr C.J.
Niccolson, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, Immigratie- en
Naturalisatiedienst. Tevens was ter zitting aanwezig R.A.A.

II. Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.

2. Bij de beantwoording van die vraag gaat de rechtbank uit van de volgende
feiten. Eiseres is in november 1990 Nederland ingereisd met haar zoon B.M.A.
geboren op – 1973. Eiseres is op 22 november 1991 in het bezit gesteld van
een vergunning tot verblijf bij Nederlandse partner P.B. geldig tot 12 april
1992. In het voorjaar van 1992 is de relatie van eiseres en B. verbroken. In
verband hiermee heeft eisers op 23 maart 1992 verzocht om verlenging van de
geldigheidsduur van de haar verstrekte vergunning tot verblijf en wijziging
van de beperking in `het verrichten van arbeid in loondienst’. Deze verzoeken
zijn door verweerder afgewezen bij het primaire besluit van 22 oktober 1992.
In de gronden van het herzieningsverzoek heeft eiseres aangevoerd dat zij
thans verblijf beoogt bij G.D.S. In het herzieningsbesluit van 24 juni 1994
heeft verweerder – onder verwijzing naar het advies van de ACV van 28 oktober
1993 – zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet voor verblijf in
Nederland in aanmerking komt – mede – omdat met betrekking tot de relatie van
eiseres en S. niet is gebleken dat sprake is van een relatie als bedoeld in
het ter zake geldende beleid. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit
besluit. Zij heeft zich in het beroepschrift mede beroepen op de (hernieuwde)
relatie met B. Het beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 31 mei 1995
gegrond verklaard omdat verweerder het besluit in herziening uitsluitend had
gebaseerd op het advies van de ACV en geen acht had geslagen op nieuwe
omstandigheden die zijn ontstaan in de periode tussen het gehoor van eiseres
bij de ACV op 28 oktober 1993 en de uitreiking van het besluit in herziening
op 27 september 1994, zoals de geboorte van het dochtertje R. op – 1994 en de
verstrekking in augustus 1994 van een zelfstandige vergunning tot verblijf
aan haar zoon B. B. is inmiddels op 31 maart 1995 Nederlander geworden. R.
heeft de Nederlandse nationaliteit gekregen door erkenning door de
Nederlander R.A. A. Eiseres is met haar kinderen woonachtig in Amsterdam. A.
woont
in Arnhem.

3. Eiseres meent dat het bestreden besluit in herziening van 3 oktober 1995
niet in stand kan blijven. Zij heeft daartoe onder meer het volgende
aangevoerd. Allereerst heeft eiseres erop gewezen dat meer dan drie jaren
zijn verstreken sedert het verzoek om verlenging van de geldigheidsduur van
de haar verstrekte vergunning tot verblijf en wijziging van de daaraan
verbonden beperking. Zij heeft in dit verband een beroep gedaan op het
zogenaamde drie-jarenbeleid, mede onder verwijzing naar de uitspraak van de
fungerend president in het verzoek om een voorlopige voorziening,
geregistreerd onder nummer AWB 95/4686 VRWET. Eiseres heeft zich verder erop
beroepen dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van het in
hoofdstuk B1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (vc 1994) opgenomen
beleid dat ertoe strekt dat klemmende redenen van humanitaire aard kunnen
leiden tot voortgezet verblijf. Voorts heeft eiseres zich beroepen op het
bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij heeft aangevoerd dat het
bestreden besluit niet alleen een inmenging is in het gezinsleven tussen haar
en de kinderen B. en R., maar ook inmenging in het gezinsleven tussen de
kinderen en A. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder op
onvoldoende wijze de betrokken belangen heeft afgewogen. Eiseres heeft in dit
verband gewezen op het bepaalde in hoofdstuk B1/11.2 Vc 1994.
Ook heeft eiseres, zich beroepend op het gelijkheidsbeginsel, zich op het
standpunt gesteld dat haar een vergunning tot verblijf moet worden verleend
omdat haar zoon B. in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf.
Tenslotte heeft eiseres aangevoerd dat verweerder verwachtingen heeft gewekt
dat een positief besluit zou worden genomen. Ook op grond van het
vertrouwensbeginsel zou derhalve in haar verblijf hier te lande moeten worden
berust.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in
herziening van 3 oktober 1995 op goede gronden is genomen. Verweerder heeft
ter ondersteuning van het ingenomen standpunt aangevoerd dat sedert de
aanvraag van eiseres om een vergunning tot verblijf geen drie jaren in de zin
van het drie-jarenbeleid zijn verstreken. Voorts heeft verweerder naar voren
gebracht dat toetsing an het drie-jarenbeleid niet kan leiden tot het door
eisers gewenste resultaat omdat het door haar beoogde verblijfsdoel aan vele
wijzigingen onderhevig is geweest. Verweerder heeft verder aangevoerd dat
geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht of gekomen op grond
waarvan aan eiseres om klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning
tot verblijf zou moeten worden verleend. Volgens verweerder is er geen sprake
van een gemeenschappelijke huishouding met B. Evenmin is volgens verweerder
geen sprake van feiten of omstandigheden op grond waarvan aan eiseres om
klemmende redenen van humanitaire aard een vergunning tot verblijf zou moeten
verleend. In redelijkheid kan van eiseres – mede gelet op haar leeftijd –
worden gevergd dat zij terugkeert naar Suriname, terwijl van R. kan worden
gevergd dat zij eiseres volgt nu zij gezien haar leeftijd niet geacht kan
worden in de Nederlandse samenleving te zijn geworteld. Van B. kan worden
gevergd dat hij zich hier te lande zelfstandig weet te handhaven. De
weigering om aan eiseres voortgezet verblijf hier te lande toe te staan is
volgens verweerder – mede gelet het voorgaande – evenmin in strijd met
artikel 8 EVRM. Ten aanzien van de aan B. verstrekte vergunning tot verblijf
heeft verweerder opgemerkt dat deze op een kennelijke misslag berust, waaraan
eiseres derhalve geen rechten kan ontlenen. Verweerder heeft aangevoerd dat
geen sprake kan zijn van bij eiseres gewekte verwachtingen die tot haar
toelating nopen.

De rechtbank overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 11 lid 5 VW kan het verlenen van een vergunning tot
verblijf aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen
belang ontleend.

6. Verweerder voert bij de toepassing van dit artikellid het beleid dat
vreemdelingen niet voor toelating in aanmerking komen, tenzij met hun
aanwezigheid hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan
wel klemmende redenen van humanitaire aard of verplichtingen voortvloeiende
uit internationale overeenkomsten tot toelating nopen. Dit beleid is onder
meer neergelegd in de Vreemdelingencirculaires 1982 en 1994.

7. Ingevolge het door verweerder gevoerde beleid heeft een vreemdeling onder
bepaalde voorwaarden aanspraak op een vergunning tot verblijf indien de
procedure rond de door hem ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning
drie jaar of langer heeft geduurd. De Registratiekamer Vreemdelingenzaken
(hierna: REK) heeft bij uitspraken van 1 juni 1995 (geregistreerd onder
nummers AWB 95/1866 VRWET en AWB 94/12186 VRWET) vastgesteld dat er voor een
geslaagd beroep op het drie-jarenbeleid onder meer aan de voorwaarde moet
zijn voldaan dat er sinds de aanvraag om toelating tenminste drie jaar zijn
verstreken, waarbij de termijn dat de procedure in beroep bij de rechtbank
aanhangig is dient te worden meegerekend en het verblijf op enigerlei wijze
verband dient te houden met het door de vreemdeling beoogde verblijfsdoel.

8. Nog afgezien van de vraag of in het onderhavige geval wordt voldaan aan de
overige door de REK geformuleerde voorwaarden voor toepassing van het
drie-jaren reeds om het navolgende verworpen. Het door eiseres beoogde doel
van haar verblijf hier te lande is verschillende keren gewijzigd. Vastgesteld
is immers dat eiseres na de beëindiging van haar relatie met B. verblijf
heeft beoogd voor het verrichten van arbeid, daarna voor verblijf bij S. en
vervolgens opnieuw voor verblijf bij B. na het herstel van hun relatie. Het
verblijfsdoel van eiseres is thans – kort gezegd – de uitoefening van
gezinsleven met R. en B. De omstandigheid dat eiseres meer dan drie jaar in
onzekerheid is geweest omtrent de afloop van haar verzoeken om verlenging van
de geldigheidsduur en wijziging van het verblijfsdoel van de haar verstrekte
vergunning tot verblijf is dan ook een omstandigheid die is veroorzaakt door
haar eigen handelen en is niet aan verweerder toe te schrijven. Het beroep
van eiseres op een naar haar stelling gelijk geval, waarin de fungerend
president het beroep op het drie-jarenbeleid heeft gehonoreerd, wordt
eveneens verworpen omdat dat geval niet op één lijn te stellen is met het
onderhavige geval. Anders dan in het ter vergelijking naar voren gebrachte
geval heeft verweerder immers naar aanleiding van het keer op keer door
eiseres gewijzigde verblijfsdoel telkens binnen redelijke termijn besluiten
genomen.

9. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres geen gemeenschappelijke
huishouding voert met B. dan wel met A. Eiseres komt derhalve niet in
aanmerking voor een vergunning tot verblijf op grond van het partnerbeleid.

10. Zowel in de Vreemdelingencirculaire 1982 als in de
Vreemdelingencirculaire 1994 heeft verweerder beleidsregels geformuleerd met
betrekking tot de positie van vrouwen die als vreemdeling in Nederland
verblijven en die de zorg hebben over kinderen. Aan hen moet als aan bepaalde
voorwaarden wordt voldaan (voortgezet) verblijf worden verleend op grond van
klemmende redenen van humanitaire aard dan wel om in staat te kunnen zijn hun
familieleven in de zin van artikel 8 EVRM gestalte te geven. In hoofdstuk
B19/4.4.1 Vc 1982 en in hoofdstuk B1/4.4 Vc 1994 is de beleidsregel opgenomen
dat het verblijf van de vreemdeling wegens klemmende redenen van humanitaire
aard dient te worden voortgezet als de vreemdelinge nauwe banden heeft met
Nederlandse of in Nederland wonende personen of als terugkeer naar het land
van herkomst redelijkerwijs niet verlangd kan worden. In geval het gaat om
alleenstaande vrouwen wordt dit aspect onder andere getoetst aan de zorg die
de betrokkenen heeft voor kinderen die hier te lande zijn geboren en/of een
opleiding volgen.

11. In het bestreden besluit heeft verweerder de weigering tot verlening van
de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf en de wijziging van de
daaraan verbonden beperking onder meer gemotiveerd met de overweging dat
eiseres niet op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in het bezit
hoeft te worden gesteld van een vergunning tot verblijf omdat niet
aannemelijk is geworden dat eiseres zodanig in de Nederlandse samenleving is
geïntegreerd dat haar terugkeer naar het land van herkomst niet kan worden
verlangd. Daarbij is in aanmerking genomen dat van dochter R. kan worden
verlangd dat zij, nu zij gezien haar leeftijd niet geacht kan worden in de
Nederlandse samenleving te zijn geworteld, eiseres volgt naar het land van
herkomst. In het verweerschrift noch ter zitting heeft verweerder een nadere
motivering gegeven van het ingenomen standpunt. Geconstateerd moet derhalve
worden dat verweerder niet heeft getoetst aan de hiervoor in rechtsoverweging
10 weergegeven toetsingscriteria. Geoordeeld moet worden dat verweerder met
deze motivering onvolledig toepassing heeft gegeven aan zijn eigen specifieke
beleid ten aanzien van alleenstaande vrouwen. De omstandigheid dat verweerder
in het verweerschrift in het kader van de belangenafweging in de zin van
artikel 8 EVRM heeft overwogen dat de dochter van eiseres nog geen onderwijs
hier te lande volgt, zodat niet gezegd kan worden dat zij in de Nederlandse
samenleving is geïntegreerd, leidt niet tot een ander oordeel. Hiermee heeft
verweerder immers nog geen uitleg gegeven van het – gelet op de woorden
`en/of’ alternatieve-toetsingscriterium dat het betrokken kind in Nederland
is geboren.

12. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit
onvoldoende juist is gemotiveerd omdat verweerder de ter zake gestelde
beleidscriteria onjuist, althans onvolledig, heeft getoetst.

13. Op grond van het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard
en dient het bestreden besluit te worden vernietigd, met opdracht aan
verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw
besluit te nemen.

14. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het
ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband
met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft
moeten maken. Deze kosten zijn begroot op ƒ 1420 als kosten van verleende
rechtsbijstand.

15. Ingevolge artikel 8:74 lid 1 Awb, dient het griffierecht te worden
vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

De rechtbank beslist daarom als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigd het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder binnen de in r.o. 13 genoemde termijn een nieuw
besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak,

4. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van
het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ 200;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op ƒ 1420 (zegge
veertienhonderd en twintig gulden), te betalen door de Staat der Nederlanden
aan eiseres.

Rechters

Mr. R.H. de Vries

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 juni 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters zijn werkzaam bij de wederpartij op de afdeling
Schoonmaakdienst. De wederpartij is voornemens deze afdeling op te heffen en
de werknemers van de Schoonmaakdienst per 1 januari 1994 over te dragen aan
een schoonmaakbedrijf dat slechtere arbeidsvoorwaarden heeft. Verzoeksters
zijn van mening dat de beëindiging van hun dienstverband in strijd is met het
voorkeursbeleid van de wederpartij nu mede daardoor van de in dat beleid
gestelde handhaving van de getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen
geen sprake meer is.
De Commissie stelt vast dat partijen niet betwisten dat bij de berekening van
de getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen het personeelsbestand van
de wederpartij als referentiekader dient te worden gehanteerd.
Volgens het voorkeursbeleid van de wederpartij zal deze de getalsmatige
verhouding tussen mannen en vrouwen tenminste handhaven en zo mogelijk ten
gunste van vrouwen verbeteren. De Commissie overweegt dat het percentage
vrouwen weliswaar is verminderd en in die zin niet letterlijk kan worden
gesproken van het `tenminste handhaven’ van de getalsmatige verhouding tussen
mannen en vrouwen, maar dat een vermindering van 0,201 procentpunten, gelet
op de omvang van de reorganisatie, dermate gering is dat niet geconcludeerd
kan worden dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met het eigen
voorkeursbeleid.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij niet in strijd heeft gehandeld met
het eigen voorkeursbeleid. De Commissie concludeert dat de klacht van
verzoeksters ongegrond is en derhalve de wederpartij niet heeft gehandeld in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 21 oktober 1993 verzochten: mw. (…) te Heemskerk, mw. (…) te
Velsen-Noord, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te Velsen-Noord, mw. (…) te
Heemskerk, mw. (…) te Velsen-Noord, mw. (…) te Heemskerk, mw. (…) te
Velsen-Noord, mw. (…) te Velsen-Noord, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te
Heemskerk, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te Velsen-Noord, mw. (…) te
Beverwijk, mw. (…) te Heemskerk, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te
Beverwijk, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te Velsen-Noord, mw. (…) te
Beverwijk, mw. (…) te Velsen-Noord mw. (…) te Heemskerk, mw. (…) te
Beverwijk, mw. (…) te Beverwijk, (hierna: verzoeksters) de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (hierna: Commissie
m/v) om met spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te
Ijmuiden (hierna: de wederpartij) jegens hen onderscheid maakt naar geslacht
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
1.2. Verzoeksters zijn werkzaam bij de wederpartij op de afdeling
Schoonmaakdienst. De wederpartij is voornemens deze afdeling op te heffen en
de werknemers van de Schoonmaakdienst per 1 januari 1994 over te dragen aan
een schoonmaakbedrijf dat slechtere arbeidsvoorwaarden heeft. Verzoeksters
zijn van mening dat de beëindiging van hun dienstverband in strijd is met het
voorkeursbeleid van de wederpartij nu mede daardoor van de in dat beleid
gestelde handhaving van de getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen
geen sprake meer is.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie m/v heeft het verzoek in behandeling genomen. Gezien de
complexiteit van de zaak heeft de Commissie m/v het verzoek om de zaak
versneld te behandelen niet ingewilligd en heeft zij de normale procedure
toegepast.
2.2. Op 1 september 1994 is de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) in
werking getreden. De Commissie m/v is op die datum opgeheven en vervangen
door de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie). Deze Commissie
heeft het onderzoek voortgezet.
2.3. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 14 maart 1995. De zaak is
vervolgens aangehouden teneinde de wederpartij in de gelegenheid te stellen
aanvullende cijfers met betrekking tot de man/vrouw-verhouding per
functiesoort en -niveau bij de wederpartij te overleggen ten aanzien van de
peildata 1 april 1991 (de datum waarop het CAO-protocol waarin het
voorkeursbeleid van de wederpartij werd opgenomen in werking trad) en 1
januari 1994 (de datum van uitdiensttreding van verzoeksters).
Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op
28 november 1995.
Tijdens deze zitting werden door de wederpartij naast de gevraagde cijfers
betreffende de man/vrouw-verhouding bij de wederpartij tevens de meest
recente cijfers met betrekking tot de man/vrouw-verhouding bij de wederpartij
overgelegd met als peildatum 31 oktober 1995, de datum waarop het
dienstverband met de laatste boventalligen beëindigd is. De wederpartij bleek
niet in staat de man/vrouw-verhouding per funktiesoort en -niveau over te
leggen.
Na deze zitting heeft de Commissie de wederpartij op 8 februari 1996 ten
aanzien van de overgelegde cijfers verzocht om informatie betreffende een
gebleken hiaat in de gegevens. De wederpartij heeft op 27 februari 1996
gecorrigeerde cijfers verstrekt.
Verzoeksters hebben op 11 maart 1996 van de hen geboden gelegenheid gebruik
gemaakt om hierop te reageren. Op 18 april 1996 heeft de wederpartij
hernieuwd gecorrigeerde cijfers verstrekt. Deze zijn ter kennisname van
verzoeksters gebracht.
2.4. Bij beide zittingen waren aanwezig:
van de kant van verzoeksters
– dhr. mr. P. Fisscher (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– mw. mr. (…) (medewerkster arbeidsvoorwaarden)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (lid Kamer)
– mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer).
Van de kant van de Commissie was tevens bij de eerste zitting aanwezig mw.
mr. M.M. Hübner (secretaris Kamer) en bij de tweede zitting in plaats van
laatstgenoemde mw. mr. S.L. Kroes.
2.5. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.4.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij is een bedrijf dat is gespecialiseerd in de productie en
verwerking van onder andere staal. Verzoeksters waren tot 1 januari 1994
werkzaam op de afdeling Schoonmaakdienst.
De wederpartij ressorteert onder hetgeen wordt aangeduid als de Sociale
Eenheid. De Sociale Eenheid bestaat uit drie bedrijven: (…) (de
wederpartij), (…) en (…). (…) (het bedrijf waar verzoeksters werkzaam
waren) ressorteert onder de wederpartij.
3.2. Begin 1992 bevond het bedrijf zich in slechte bedrijfseconomische
omstandigheden. De wederpartij voerde een grootschalige reorganisatie door
waarbij tot een drastische personeelsreductie werd gekomen door middel van
gedwongen ontslagen.
In dat kader is in overleg met de vakverenigingen op 13 november 1992 het
Extra Maatregelen Pakket (hierna: EMP) vastgesteld. Het EMP zou worden
doorgevoerd bij (…) (het onder de wederpartij ressorterende bedrijf waar
verzoeksters werkzaam waren). Uitvoering van het EMP zou in 1993 leiden tot
een personeelsreductie van ca. 2300 werknemers per eind 1993 ten opzichte van
eind 1992. Het personeel van de Schoonmaakdienst behoorde hiertoe.
3.3. Deze ontslagronde en de afstoting van de Schoonmaakdienst waren
onderwerp van drie eerder gevoerde procedures bij de Commissie m/v (Zie
oordelen Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
nummer 551-93-16 en 557-93-17, 20 april 1993 en nummer 613-93-55, 29 december
1993).
Tijdens een zitting op 27 juli 1993 in het kader van deze procedures is het
verzoek om een oordeel met betrekking tot indirect onderscheid op grond van
geslacht aangevuld met het verzoek aan de Commissie m/v te oordelen over de
vraag of de wederpartij met de eerder aangeduide ontslagronde handelt in
strijd met het door haar gevoerde voorkeursbeleid. In de betreffende
tussenbeslissing nr. 93-613 d.d. 21 september 1993 oordeelde de Commissie m/v
in overweging 4.5. dat, gelet op de late aanvulling van het verzoekschrift en
de onmogelijkheid van de wederpartij hierop te reageren, dit niet in het
kader van die procedure kon worden behandeld.
Zij overwoog daarbij dat daartoe een nieuw verzoek zou moeten worden
ingediend. Dit is met het verzoek in de onderhavige zaak geschied.
3.4. De Sociale Eenheid heeft een CAO welke van werkgeverszijde ondertekend
is door de drie onder de Sociale Eenheid ressorterende bedrijven en derhalve
ook door de wederpartij. In een protocol bij de CAO die van kracht is vanaf 1
april 1991 en geldt (na verlenging op 13 november 1992) tot 1 april 1995, is
onder andere de volgende passage opgenomen: `Bij de werving van nieuw
personeel zal prioriteit worden gegeven aan vrouwen; bij gelijke geschiktheid
krijgen vrouwen voorrang. […] zal bij toekomstige wijzigingen in het
personeelsbestand de huidige getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen
tenminste handhaven en zo mogelijk ten gunste van vrouwen verbeteren, onder
aanname dat voldoende geschikt vrouwelijk arbeidsaanbod voorhanden is.’
3.5. De wederpartij heeft op 18 april 1996 de volgende gegevens over haar
personeelsbestand overgelegd.

absolute aantallen 1 april 1991 31 oktober 1995

vrouwen 1007 710
mannen 15042 10980

naar geslacht(in % van het totaal) 1 april 1991 31 oktober 1995

vrouwen 6, 274 6, 073
mannen 93, 719 93, 926

De standpunten van partijen
3.6. Verzoeksters stellen het volgende.
Op het moment dat de afspraak, verwoord in het CAO-protocol, werd gemaakt
bedroeg het percentage vrouwen 6,12%, uitgaande van 1039 vrouwen op een
personeelsbestand van 16976 mensen op 31 december 1990. Na doorvoering van
het EMP bedroeg het totaal aantal mannen ultimo 1993 12144 en het aantal
vrouwen 767. Het percentage vrouwen bedraagt dan dus 5,9% van het totale
personeel. Aangezien het percentage volgens de in het protocol neergelegde
formulering is verslechterd en in ieder geval niet verbeterd, heeft de
wederpartij gehandeld in strijd met het eigen voorkeursbeleid en daarmee in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
Verzoeksters stellen in het verzoekschrift tevens dat de wederpartij de
cijfermatige gegevens met betrekking tot de verhouding mannen en vrouwen in
de loop van de verschillende procedures bij de Commissie m/v heeft
bijgesteld. De in de onderhavige procedure overgelegde cijfers achten zij
niet controleerbaar omdat er geen absolute cijfers beschikbaar zijn gesteld.
Tijdens de laatste zitting van de Commissie hebben verzoeksters ingestemd met
het ook door de wederpartij gehuldigde standpunt dat bij de berekening van de
getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen het personeelsbestand van de
wederpartij als referentiekader dient te worden gehanteerd.
De passage uit het protocol heeft volgens verzoeksters de strekking om
vrouwen niet extra de dupe te laten worden van reorganisaties. Er is
afgesproken dat de wederpartij een extra inspanning moet leveren bij
reorganisaties die gepaard gaan met ontslagen. Er is geen ruimte opengelaten
om onder bepaalde te rechtvaardigen omstandigheden onder deze afspraak uit te
kunnen. De bedoeling was het percentage vrouwen in overeenstemming te brengen
met het landelijk gemiddelde in industriële bedrijven.
Bij schrijven van 11 maart 1996 stellen verzoeksters dat er gelet op de
cijfermatige gegevens die op de datum van de brief bekend zijn, reden is de
oordelen 551-93-16 en 557-93-17 van de Commissie m/v te herzien. Beide zaken
betreffen indirect onderscheid op grond van geslacht bij ontslag door
toepassing van het anciënniteitsbeginsel. De Commissie m/v oordeelde dat niet
in strijd was gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling omdat noch op
het niveau van de servicegroep technologische services (waar verzoeksters in
deze zaken werkzaam waren) noch op het niveau van de organisatie sprake was
van een vermoeden van indirect onderscheid.
Tevens stellen verzoeksters dat oordeel 613-93-55 van de Commissie m/v moet
worden herzien. De Commissie oordeelde in die zaak betreffende opheffing van
de schoonmaakdienst dat wel sprake was van een vermoeden van indirect
onderscheid, maar dat dit onderscheid objectief gerechtvaardigd was.
Verzoeksters stellen thans over informatie te beschikken die uitwijst dat het
– bij de beoordeling van de rechtvaardigingsgronden van belang zijnde –
nadelig effect betreffende de arbeidsvoorwaarden thans veel groter is
gebleken dan destijds werd verondersteld.
Verzoeksters zijn van mening dat de onderhavige zaak in samenhang met
eerdergenoemde zaken moet worden bezien.
3.7. De wederpartij stelt het volgende.
Zij erkent in haar reactie van 22 december 1993 op het verzoekschrift het
door verzoeksters genoemde percentage vrouwen van 6,12 per ultimo 1990. Zij
bestrijdt echter het percentage vrouwen ultimo 1993. Van het totale personeel
van 12882 mensen is 12097 man (93,91%) en 785 vrouw (6,09%). Ten opzichte van
ultimo 1990 is het percentage vrouwen ultimo 1993 derhalve afgenomen met
0,03%. Dit is een te verwaarlozen verschil waardoor geenszins in strijd wordt
gehandeld met het protocol.
De wederpartij is van mening dat bij de berekening van de getalsmatige
verhouding tussen mannen en vrouwen haar personeelbestand als referentiekader
dient te worden genomen en niet het personeelsbestand van de Sociale Eenheid
of van het onder de wederpartij ressorterende bedrijf waar verzoeksters
werkzaam waren. Tijdens de laatste zitting van de Commissie stelt zij niet
zeker te weten of bij de overgelegde cijfers van 1 januari 1994 de ontslagen
van verzoeksters zijn inbegrepen.
Ingeval de Commissie wel zou komen tot het oordeel dat strijd met de wet
aanwezig is, wijst de wederpartij op het volgende.
Met de vakverenigingen is overeengekomen dat de aanwijzing van boventalligen
in het kader van de reorganisatie op grond van objectieve criteria
(afspiegeling en anciënniteit) diende plaats te vinden. Een voorkeursbeleid
ten aanzien van vrouwen zou in een sanering als deze willekeur betekenen en
noch intern, noch extern, verantwoord kunnen worden. Overigens zijn wel
degelijk maatregelen genomen die de positie van vrouwen juist gunstig
beïnvloeden, zoals het feit dat meisjes uit de `schakelklas’ alsnog een
dienstverband voor anderhalf jaar kregen en het feit dat alle gewerkte
dienstjaren meetellen voor de anciënniteit, ook indien iemand enkele jaren is
weggeweest in verband met de verzorging van de kinderen (zie de oordelen
551-93-16 en 557-93-17).
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of:
a) de wederpartij door beëindiging van het dienstverband met verzoeksters in
strijd heeft gehandeld met haar voorkeursbeleid en of
b) de wederpartij alsdan heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.
4.2. De Commissie stelt vast dat partijen het eens zijn over het voeren van
het voorkeursbeleid als zodanig, zoals verwoord in het CAO-protocol. In
geding is derhalve niet de vraag of het door de wederpartij gevoerde
voorkeursbeleid in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.
Daarom beperkt de Commissie zich tot de vraag betreffende het afwijken van
het eigen voorkeursbeleid zoals onder 4.1. geformuleerd.
4.3. De Commissie gaat allereerst in op de bij 4.1. sub a gestelde vraag,
namelijk of de wederpartij zich door de beëindiging van het dienstverband met
verzoeksters aan haar voorkeursbeleid zoals neergelegd in het bewuste
CAO-protocol heeft gehouden. Daarbij gaat de Commissie uit van twee peildata,
te weten 1 april 1991 en 31 oktober 1995. De eerste datum geldt als
uitgangspunt omdat toen het CAO-protocol in werking is getreden. De tweede
genoemde peildatum wordt gehanteerd omdat dit de datum is waarop het
dienstverband met de laatste boventalligen beëindigd is en derhalve het
effect van het EMP als beëindigd kan worden beschouwd. Ten aanzien van de
datum van 31 oktober 1995 bestaat, in tegenstelling tot de tijdens de
procedure overgelegde cijfers betreffende ultimo 1993 en 1 januari 1994,
tevens de zekerheid dat de ontslagen van verzoeksters bij de cijfers zijn
inbegrepen.
De Commissie stelt vast dat partijen niet betwisten dat bij de berekening van
de getalsmatige verhouding tussen mannen en vrouwen het personeelsbestand van
de wederpartij als referentiekader dient te worden gehanteerd.
4.4. De Commissie gaat uit van de op 18 april 1996 door de wederpartij
overgelegde absolute aantallen ten aanzien van het bij haar onder de werking
van de CAO vallende personeel en komt op basis daarvan tot de volgende
percentages. Daarbij wordt het door de wederpartij aangevoerde percentage
mannen per 1 april 1991 gecorrigeerd, omdat dit percentage gelet op de
absolute aantallen per 1 april 1991 rekenkundig niet juist is.

Peildatum 1 april 1991 Peildatum 31 oktober 1995

Absolute aantallen Absolute aantallen
vrouwen 1007 vrouwen 710
mannen 15042 mannen 10980
—– ——
totaal 16049 totaal 11690

Percentages Percentages
vrouwen 6,274 vrouwen 6,073
mannen 93,725 mannen 93,926
—— ——
totaal 99,999 totaal 99,999

Op grond van het voorgaande is het percentage vrouwen in de periode vanaf 1
april 1991 tot 31 oktober 1995 verminderd met (6,274-6,073=) 0,201
procentpunten. Dit komt overigens ook overeen met het percentage mannen dat
in diezelfde periode moet zijn toegenomen: (93,725-93,926=) 0,201
procentpunten.
4.5. Volgens het voorkeursbeleid van de wederpartij zal deze de getalsmatige
verhouding tussen mannen en vrouwen tenminste handhaven en zo mogelijk ten
gunste van vrouwen verbeteren. De Commissie overweegt dat het percentage
vrouwen weliswaar is verminderd en in die zin niet letterlijk kan worden
gesproken van het `tenminste handhaven’ van de getalsmatige verhouding tussen
mannen en vrouwen, maar dat een vermindering van 0,201 procentpunten, gelet
op de omvang van de reorganisatie, dermate gering is dat niet geconcludeerd
kan worden dat de wederpartij in strijd heeft gehandeld met het eigen
voorkeursbeleid.
Ten aanzien van de bij 4.1. sub a gestelde vraag stelt de Commissie op grond
van het voorgaande vast, dat de wederpartij niet in strijd heeft gehandeld
met het eigen voorkeursbeleid. De Commissie concludeert dat de klacht van
verzoeksters ongegrond is en derhalve de wederpartij niet heeft gehandeld in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
Dit brengt mee dat de Commissie niet meer toekomt aan de bij 4.1. sub b
gestelde vraag.
4.6. Ten aanzien van het bij 3.6. verwoorde standpunt van verzoeksters inzake
herziening van de oordelen van de Commissie m/v merkt de Commissie allereerst
op dat de onderhavige zaak en de eerdergenoemde oordelen van de Commissie m/v
inderdaad zoveel mogelijk in samenhang moeten worden bezien. Dit neemt
evenwel niet weg dat de juridische toets betreffende indirect onderscheid,
zoals in geding bij de eerder genoemde oordelen van de Commissie m/v, een
andere is dan die in de onderhavige zaak betreffende het in strijd handelen
met het eigen voorkeursbeleid. Daarnaast was er bij de oordelen 551-93-16 en
557-93-17 enerzijds en 613-93-55 anderzijds sprake van verschillende
klachten.
Betreffende het standpunt inzake herziening van laatstgenoemde oordelen is de
Commissie van oordeel dat, aangezien dit standpunt wordt ingenomen nu het
onderzoek door de Commissie in de onderhavige zaak betreffende het
voorkeursbeleid is afgerond en de wederpartij hierop niet heeft kunnen
reageren, dit niet in het kader van deze procedure kan worden behandeld,
daargelaten de vraag of de Commissie de bevoegdheid heeft om eerdere oordelen
van de Commissie m/v te herzien.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat […] te IJmuiden jegens: mw.
(…) te Heemskerk, mw. (…) te Velsen-Noord, mw. (…) te Beverwijk, mw.
(…) te Velsen-Noord, mw. (…) te Heemskerk, mw. (…) te Velsen-Noord, mw.
(…) te Heemskerk, mw. (…) te Velsen-Noord, mw. (…) te Velsen-Noord, mw.
(…) te Beverwijk, mw. (…) te Heemskerk, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…)
te Velsen-Noord, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te Heemskerk, mw. (…) te
Beverwijk, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te
Velsen-Noord, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te Velsen-Noord mw. (…) te
Heemskerk, mw. (…) te Beverwijk, mw. (…) te Beverwijk, niet heeft
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. L.Y. Gonçalves-HoKang You (lid Kamer), mw. mr. Y. Telenga (lid Kamer).Van de kant van de Commissie was tevens bij de eerste zitting aanwezig mw.mr. M.M. Hübner (secretaris Kamer) en

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 31 mei 1996

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Er is sprake van een ernstig vermoeden dat de man de vader is, doch met
het bestaan van dit ernstig vermoeden, bezien in samenhang met de weigering
van de man om aan bloedonderzoek mee te werken, kan niet gelijk worden
gesteld de situatie dat door de man het biologisch vaderschap daadwerkelijk
is erkend (HR 5 januari 1996, RN 1996, 572, m.nt. Ineke de Hondt). Artikel
1:405 lid 2 BW kan daarom niet buiten toepassing blijven.

Volledige tekst

De feiten en het verloop van het geding

Partijen hebben in de periode van mei 1987 tot juli 1987 een relatie met
elkaar gehad. Op 25 februari 1988 is te Schiedam de minderjarige Bastiaan
geboren.
Hij is niet door de man erkend.

De vrouw heeft bij inleidend verzoekschrift, ingediend op 3 mei 1995, verzocht
de man te belasten met een bedrag van ƒ 400 per maand in de kosten van
levensonderhoud van de hierboven genoemde minderjarige, telkens bij vooruitbetaling
te voldoen tot de dag waarop de minderjarige zijn meerderjarigheid zal
hebben bereikt.

Zij heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd:
a. de voormelde genoemde relatie;
b. dat de man de vader van Bastiaan is, aangezien zij tussen de 307e en
de 179e dag voorafgaande aan de dag waarop Bastiaan is geboren met de man
geslachtsgemeenschap heeft gehad;
c. dat de man Bastiaan niet heeft erkend;
d. dat de man voldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage in de
kosten van verzorging en opvoeding van Bastiaan te betalen;
e. dat de verjaringstermijn van artikel 1:405 lid 2 BW buiten toepassing
moet blijven wegens strijd met artikel 8 EVRM en artikel 26 IVBP.

De man heeft bij inleidend verweerschrift primair verzocht de vrouw niet-ontvankelijk
te verklaren in haar verzoek, nu dit op grond van artikel 1:405 lid 2 BW
is verjaard.
Bovendien acht de man, conform de uitspraak van de Hoge Raad van 20 januari
1995, NJ 1995, 326, laatstgenoemde artikel niet in strijd met artikel 8
EVRM en artikel 26 IVBP. Hij acht het onjuist dat hij, mede gelet op het
feit dat hij het kind niet heeft erkend en er geen sprake is van family
life, eerst ruim zeven jaar na de geboorte van Bastiaan wordt geconfronteerd
met het verzoek van de vrouw.
Subsidiair heeft de man gesteld niet de verwekker van Bastiaan te zijn
en op die grond niet gehouden te zijn bij te dragen in de kosten van verzorging
en opvoeding van de minderjarige.
De man heeft erkend weliswaar in het conceptietijdvak sexuele contacten
te hebben gehad met de vrouw, maar heeft gesteld dat de vrouw in dat tijdvak
niet uitsluitend met hem geslachtsgemeenschap heeft gehad.
Uiterst subsidiair heeft de man de rechtbank verzocht een lagere dan de
verzochte bijdrage op te leggen en deze in duur te beperken.

De rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 23 oktober 1995 de
vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

De vrouw is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
bestreden beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 23 oktober 1995
te vernietigen en opnieuw rechtdoende de vrouw alsnog ontvankelijk te verklaren
in haar vordering tot veroordeling van de man om als bijdrage in de kosten
van verzorging en opvoeding van de minderjarige Bastiaan een bedrag van
ƒ 400 per maand te voldoen, althans op een zodanig bedrag te bepalen als
het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

De man heeft tijdig een verweerschrift ingediend en verzocht de vrouw in
haar verzoeken primair niet-ontvankelijk te verklaren, althans en in elk
geval haar deze te ontzeggen, en subsidiair de hoogte en duur van de verzochte
bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te bepalen op een zodanige
(lagere) bijdrage als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Op 28 februari 1996 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling
behandeld.
De man is niet in persoon ter zitting verschenen.

Beoordeling van de zaak in hoger beroep

1. De man heeft niet ontkend dat hij de vader van B kan zijn. maar volgens
hem kan ook een ander dan hij de vader zijn. Ter terechtzitting in hoger
beroep heeft zijn raadsman verklaard dat de man daaromtrent geen zekerheid
wenst en dus niet bereid is mee te werken aan een bloedonderzoek. Mocht
het hof tot inwilliging van het verzoek van de vrouw komen, dan betaalt
de man liever voor een kind dat mogelijk van een ander is dan zekerheid
te hebben omtrent het vaderschap van het kind.

2. De man heeft in hoger beroep gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad
van 20 januari 1995, NJ 1995, 326 en op die grond de juistheid van de niet-ontvankelijkverklaring
van de vrouw door de rechtbank verdedigd.

3. Het hof overweegt als volgt.

3.1. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (laatstelijk HR 5 januari 1996,
nr. 15.849) blijkt dat artikel 1:405 lid 2 BW niet van toepassing is indien
tussen partijen zou vaststaan dat de man de biologische vader is van B.

3.2. De vrouw heeft ook ter terechtzitting in hoger beroep volhard bij
haar standpunt dat de man de vader van B is.
Zij heeft daarbij een schriftelijk verklaring d.d. 14 februari 1996 overgelegd
van mevrouw H., die in 1987 apothekersassistente was in apotheek Holy-Noord
te V. Uit deze verklaring blijkt dat de man in het voorjaar van 1987 een
zwangerschapstest heeft gekocht bij de betreffende apotheek. Ter toelichting
heeft de vrouw ter zitting verklaard dat zij zelf al eerder gebruik had
gemaakt van een zwangerschapstest en dat de uitslag van deze test positief
was, zodat zij wist dat zij in verwachting was. Nadat deze test was herhaald
met het door de man aangeschafte exemplaar en de uitslag wederom positief
was, heeft volgens de lezing van de vrouw de man aan haar voorgesteld om
tot abortus over te gaan, waartoe de vrouw niet bereid was.

3.3. Deze gang van zaken is ter zitting in hoger beroep van de zijde van
de man niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.

3.4. De man heeft evenwel ook doen aanvoeren dat de vrouw in het in artikel
1:394 lid 3 BW bedoelde tijdvak ook met een ander gemeenschap heeft gehad.
De vrouw op haar beurt heeft ontkend in het conceptietijdvak gemeenschap
te hebben gehad met een andere man. Zij heeft wel toegegeven dat zij in
een relatief vroeg stadium (voor de kennismaking met de man) al vakantieplannen
had gemaakt met een andere vriend en dat zij aan die vakantie ook een begin
van uitvoering heeft gegeven, maar zij heeft daaraan toegevoegd dat zij
deze vakantie kort na het begin daarvan heeft gestaakt gelet op haar relatie
met de man.

3.5. Ook deze gang van zaken is ter zitting in hoger beroep van de zijde
van de man niet, althans onvoldoende gemotiveerd weersproken.

4. Uit het vorenoverwogene blijkt weliswaar dat er sprake is van een ernstig
vermoeden dat de man de vader van B is doch het bestaan van dit ernstig
vermoeden, bezien in samenhang met de weigering van de man om aan het bloedonderzoek
mee te werken, kan niet gelijk gesteld worden met de situatie dat door
de man het vaderschap van B daadwerkelijk is erkend, zoals de Hoge Raad
blijkens zijn arrest van 5 januari 1996, nr. 15.849 vereist, wil artikel
1:405, tweede lid, BW buiten toepassing blijven.

5. Nu het inleidend verzoekschrift niet binnen de door de wet voorgeschreven
termijn van vijf jaren na de geboorte van het kind is ingediend, heeft
de rechtbank de vrouw derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar
verzoek en dient die beschikking te worden bekrachtigd.

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 23 oktober
1995.

Rechters

Mrs Pieters, Van Oldenborgh, Van Teeffelen

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 31 mei 1996

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Verweerster heeft in haar bedrijf actie gevoerd voor verbetering van de
positie van de sociaal zwakkere groepen. Zij heeft aandacht gevraagd voor het
probleem van de ongelijke behandeling en het gebrek aan positieve actie. Zij
heeft de Commissie gelijke behandeling gevraagd een onderzoek in te stellen.
Als gevolg van haar actieve houding wordt zij niet benoemd als leidinggevende
na de reorganisatie per 1 januari 1996. Voorts deelt de werkgever haar mede
dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden nagestreefd. In kort
geding heeft zij de rechter onder meer gevraagd om een verbod tot het in gang
zetten van de ontslagprocedure en gebod tot benoeming in de leidinggevende
functie.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst wegens verstoorde
arbeidsrelatie en kent haar een schadevergoeding van ƒ 40 000 toe. De
Commissie gelijke behandeling had haar zaak ook onderzocht en gesteld dat –
gezien de ongelijke behandeling/discriminatie – beëindiging van de
arbeidsovereenkomst onder die omstandigheden nietig is (zie GGB 12 maart
1996, RN 1996, 639).

Volledige tekst

Verloop van de procedure
Bij een op 22 februari 1996 ter griffie van dit Gerecht ingediend
verzoekschrift heeft verzoekster verzocht om de dienstbetrekking met
verweerster te ontbinden wegens gewichtige redenen in verband met gewijzigde
omstandigheden.
Verweerster heeft op 20 maart 1996 een verweerschrift ingediend. De
mondelinge behandeling vond plaats op 15 mei 1996. Vervolgens is bepaald dat
een beschikking zal worden gegeven.
Overwegende
1. In deze zaak kan van de volgende feiten worden uitgegaan. Verweerster (P)
– thans 49 jaar – is sedert 1 mei 1992 in dienst van verzoekster
(Arbeidsvoorziening). Haar huidige functie is Hoofd Afdeling Voorlichting.
Zij verdiende laatstelijk een salaris van ƒ 7012 bruto per maand.
2. Arbeidsvoorziening heeft een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst met P in gediend. Zij stelt daartoe – kort samengevat –
dat P van mening is dat zij op grond van haar `vrouw-zijn’ wordt
gediscrimineerd. Zij heeft aan de Commissie Gelijke Behandeling verzocht een
onderzoek te starten naar aanleiding van discriminatie. Ook heeft zij een
klacht ingediend bij de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening
West-Utrecht.
3. Arbeidsvoorziening voert verder aan dat klachten van P neerkomen op het
volgende:
– Ongelijke behandeling ten opzichte van mannelijke collega’s doordat P als
enige niet is bevorderd naar schaal 11;
– Ongelijke behandeling van P en haar medewerkers vanwege het feit dat een
vrouw hoofd van de afdeling voorlichting is;
– Ongelijke behandeling door het zonder overleg overdragen van taken en
verantwoordelijkheden die aan P zijn opgedragen;
4. Arbeidsvoorziening meent dat die klachten niet terecht zijn. P is op
zuiver zakelijke gronden niet naar schaal 11 bevorderd. De Regionaal
Directeur voor de Arbeidsvoorziening West-Utrecht en het Bestuur van
Arbeidsvoorziening zijn ook tot de conclusie gekomen dat er van discriminatie
geen sprake is geweest. Inmiddels is P, zo stelt Arbeidsvoorziening nader,
wel met terugwerkende kracht bevorderd naar schaal 11.
5. Arbeidsvoorziening verwijt p een eigenzinnig handelwijze onder meer
vanwege het feit dat zij zonder overleg met de beoogde coördinatoren bij hen
de verwachting heeft gewekt dat zij direct in eindschaal 8 zouden worden
geplaatst terwijl het bij Arbeidsvoorziening gebruik is dat zij een rang
onder de eindschaal (schaal 7) zouden worden ingeschaald en dat na twee jaar
pas bevordering in de eindschaal kan plaats vinden.
Doordat P verwachtingen heeft gewekt moesten die coördinatoren uiteindelijk
in schaal 8 geplaatst worden. Ook hier was er sprake van een zakelijk
conflict.
6. Arbeidsvoorziening benadrukt dat P niet bereid is tot compromissen. Zij
geeft niet goed leiding aan haar medewerkers. Zij trekt alles in de man/vrouw
verhouding. Als men het niet met haar eens is gooit zij het over de boeg van
discriminatie en verwijt zij de ander `traditioneel denkend’ of `onderdeel
van een mannencultuur’ te zijn.
7. P verweert zich tegen het verzoek aanvoerende dat zij onlangs een
kortgedingprocedure voor de president van de Arrondissementsrechtbank te
Utrecht aanhangig heeft gemaakt omdat zij van mening was dat zij ten onrechte
niet tot een haar passende en rechtens toekomende functie als vestigingshoofd
werd toegelaten, terwijl haar mannelijke collega’s wel voor die functie in
aanmerking kwamen en ook daadwerkelijk benoemd zijn. Zij handhaaft haar
stellingen in deze zaak onverkort.
8. P voert aan dat er geen redelijke gronden zijn om de arbeidsovereenkomst
met haar te beëindigen omdat zij haar werkzaamheden steeds naar volle
tevredenheid heeft uitgevoerd.
9. P verwijst naar de uitspraak van de Commissie Gelijke Behandeling dd 12
maart 1996 waarbij zij volledig in het gelijk wordt gesteld met name dat
Arbeidsvoorziening in strijd heeft gehandeld met artikel 7A:1637ij BW.
10. P wijst er voorts op dat de Commissie Gelijke Behandeling tevens heeft
geoordeeld dat, voorzover er van een verstoorde arbeidsverhouding sprake zou
zijn, deze mede wordt veroorzaakt doordat de Arbeidsvoorziening jegens de
vrouw een verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.
11. Voorts is de Commissie Gelijke Behandeling van mening, zo vervolgt P, dat
er een zodanige samenhang tussen de voorgenomen beëindiging van de
arbeidsovereenkomst en de klachten wegens discriminatie bestaat dat
aannemelijk is dat de omstandigheid dat P zich bij de Arbeidsvoorziening en
bij de Commissie Gelijke Behandeling heeft beklaagd over discriminatie mede
aanleiding was voor de voorgenomen beëindiging. De Commissie Gelijke
Behandeling acht onder die omstandigheden een beëindiging van de
arbeidsovereenkomst nietig.
12. P meent dat dan ook dat een ontslag in strijd is met de wet. De enige
reden waarom men de arbeidsovereenkomst met haar wenst te beëindigen is dat
zij destijds heeft geklaagd over discriminatie. Een dergelijk ontslag is op
grond van het bepaalde in artikel 7A:1637ij lid 6 BW nietig.
13. P verzoekt afwijzing van het ontbindingsverzoek en subsidiair, mocht de
arbeidsovereenkomst wel ontbonden worden, een vergoeding gelijk aan 20
maanden bruto salaris, een immateriële schadevergoeding van ƒ 25 000 en een
bijdrage in haar advocaatskosten van ƒ 9000.

Beoordeling
14. P heeft primair een beroep gedaan op het feit dat een ontbinding van de
arbeidsovereenkomst niet mogelijk is nu dat in strijd is met het
ontslagverbod zoals bepaald in artikel 7A:1637ij BW.
15. De kantonrechter verwerpt die stelling. De kantonrechter is te allen
tijde – conform vaste rechtspraak – bevoegd een arbeidsovereenkomst te
ontbinden. Wel kan een geconstateerde discriminatie een rol spelen bij de
beoordeling van de gewichtige redenen. Zo is ook – ter vergelijking – in de
wet (artikel 7A:1639h lid 3 BW) bij ziekte een ontslagverbod opgenomen. Ook
dan kan de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden.
16. P heeft een beroep gedaan op de uitspraak van de Commissie Gelijke
Behandeling. Deze heeft geconcludeerd dat er in het geval van P sprake is
geweest van discriminatie. De Commissie Gelijke Behandeling is verder gegaan.
Zij heeft zelfs geconcludeerd dat aannemelijk is dat de omstandigheid dat P
zich bij Arbeidsvoorziening en bij de Commissie Gelijke Behandeling heeft
beklaagd over discriminatie mede aanleiding is geweest voor de voorgenomen
beëindiging.
17. Zonder in te gaan op de inhoudelijke argumenten van de Commissie Gelijke
Behandeling – de kantonrechter is immers geen beroepsinstantie voor de
Commissie Gelijke Behandeling – is de kantonrechter – anders dan de
Commissie Gelijke Behandeling – geenszins van oordeel dat uit de overgelegde
stukken de conclusie getrokken kan worden dat het indienen van de klachten
van P mede aanleiding is geweest voor het onderhavige ontbindingsverzoek.
18. Immers gebleken is dat de klachten van P van april 1995 dateren terwijl
uit de memo van 6 juli 1995 blijkt dat de andere sectorhoofden reeds geruime
tijd daarvoor problemen hadden met P.
19. De kantonrechter beoordeelt in dit verband niet uitsluitend of P
gediscrimineerd is maar of er sprake is van verandering van omstandigheden
die kunnen leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
20. Uit de door beide partijen overgelegde bescheiden kan naar het oordeel
van de kantonrechter afgeleid worden dat op grond van de houding (met name de
inschaling van de coördinatoren in schaal 8) door P de samenwerking met
anderen soms moeizaam verloopt. De kantonrechter verwijst naar de bij het
verzoekschrift gevoegde verklaringen.
21. Hoewel niet getwijfeld wordt aan de goede bedoelingen van P is het niet
reëel dat zij kennelijk verwachtte dat zij in haar eentje de door haar
gewenste `cultuuromslag’ kon bewerkstelligen zonder medewerking van de
leiding van Arbeidsvoorziening.
22. De toonzetting van P die zij in verschillende stukken laat doorklinken
laat geen dan wel onvoldoende ruimte voor een ander oordeel en wekt nogal
eens weerstanden op als zij benadrukt dat zij gelijk heeft. P heeft ook ter
mondelinge behandeling toegegeven dat zij zich koppig kan opstellen omdat zij
niet serieus genomen werd en zij zich ook nogal eens (te) strijdbaar opstelt.
23. Gebleken is dat een salariskwestie ten grondslag lag aan het
uiteindelijke conflict tussen partijen. Niet heeft P naar het oordeel van de
kantonrechter aannemelijk gemaakt dat er – ondanks de uitspraak van de
Commissie Gelijke Behandeling – geen sprake is van een zakelijk conflict. P
heeft in dat conflict gelijk gekregen doordat zij naderhand is bevorderd naar
schaal 11.
24. Haar klachten met betrekking tot discriminatie – waarbij opgemerkt wordt
dat zij enige werknemer van Arbeidsvoorziening is die een klacht wegens
discriminatie heeft ingediend – hebben naar het oordeel van de kantonrechter
niet tot gevolg gehad dat de Arbeidsvoorziening uitsluitend op grond daarvan
een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend.
25. Uit het voorgaande kan de conclusie worden dat er sprake is van een
vertrouwensbreuk die niet meer valt te herstellen. Aan P is nog een andere
functie aangeboden maar die heeft zij geweigerd.
26. De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op de verstoorde
arbeidsrelatie, een verdere samenwerking met P niet tot de mogelijkheden
behoort. Niet gebleken is dat dit uitsluitend aan P te wijten is, maar deze
situatie brengt toch mede een wijziging van omstandigheden die moeten leiden
tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
27. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van P – haar leeftijd (49 jaar),
haar mogelijkheden om ander werk te vinden welke op termijn in geringe mate
aanwezig zijn en duur van het dienstverband – bestaat er aanleiding P – boven
de eventueel haar toekomende Wachtgeldregeling of op een te verwachten
uitkering dan wel elders lager te verdienen salaris en ter compensatie van
verdere schade – een vergoeding toe te kennen van ƒ 40 000 bruto.
28. De kantonrechter acht geen aanleiding om aan P voor geleden immateriële
schade een vergoeding toe te kennen.
29. Alvorens echter de ontbinding uit te spreken zal aan Arbeidsvoorziening
de gelegenheid geboden worden om – in verband met het voornemen van de
kantonrechter aan de ontbinding een vergoeding te verbinden het verzoek in te
trekken.

Beslissing
De kantonrechter stelt Arbeidsvoorziening in de gelegenheid om het verzoek in
te trekken tot uiterlijk 14 juni 1996 en wel door het indienen van een
schriftelijke verklaring ter griffie van dit Gerecht;
indien bedoelde verklaring niet dan wel niet tijdig wordt ontvangen, ontbindt
de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 16
juni 1996;
veroordeelt Arbeidsvoorziening om aan P een vergoeding te betalen – boven de
eventueel haar toekomende Wachtgeldregeling – ter hoogte van ƒ 40 000 bruto
ter aanvulling op een te verwachten uitkering dan wel elders later te
verdienen salaris en ter compensatie van verdere schade;
veroordeelt Arbeidsvoorziening – ook in geval het verzoek wordt ingetrokken –
ter zake van proceskosten aan P een bedrag van ƒ 2500 te betalen als salaris
gemachtigde;

Rechters

Mr. De Jong

Instantie: Kantonrechter Tilburg, 30 mei 1996

Instantie

Kantonrechter Tilburg

Samenvatting


De werkgeefster verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met haar
maatschappelijk werker te ontbinden. Werkneemster is een affectieve relatie
aangegaan met een ex-cliënt, die al tijdens de behandeling verliefd werd op
werkneemster. Zij heeft dit in het teamoverleg gebracht en daarvan adequaat
melding gemaakt in het cliëntendossier. Later werd werkneemster verliefd op
de cliënt. Zij had verzuimd dit op professionele wijze te vermelden in het
dossier, het te melden aan haar chef en te vragen om overneming van de
behandeling door een ander. Zij heeft dit laatste niet gedaan omdat zij van
mening was dat de behandeling zo goed als beëindigd kon worden beschouwd.
Nadat de behandeling was beëindigd, eind 1995, heeft werkneemster gemeld dat
zij een affectieve relatie wilde aangaan met cliënt. Begin 1996 is dit langs
interne weg en langs externe weg middels een klacht van de voormalige partner
van cliënt ter kennis gekomen van de directie in aansluiting waarop zij eerst
is geschorst en vervolgens op non-actief is gesteld.
De kantonrechter is van mening dat werkneemster in meerdere opzichten in de
uitoefening van haar beroep ernstig is tekortgeschoten. Als professioneel
hulpverleenster had van haar kunnen worden gevergd, dat zij de problematiek
waarin zij verzeild was geraakt in het behandelteam expliciet aan de orde had
gesteld. Ook heeft zij niet in het dossier vermeld dat zij ook verliefd werd
op cliënt. Zij had tevens dienen te beseffen dat het aangaan van een relatie
direct na het beëindigen van de behandeling de belangen van zowel het Riagg
als die van de cliënt zouden kunnen raken.
Het Riagg valt te verwijten dat de richtlijnen voor dergelijke situaties niet
helder zijn en dat een adequater optreden had mogen worden verwacht voor
bescherming van werkneemster. Het falen van werkneemster levert geen
dringende reden op, doch aantasting van vertrouwen in haar functioneren acht
de kantonrechter wel voldoende aannemelijk. Het aanbod van het Riagg om een
functie van sociaal verpleegkundige te aanvaarden heeft werkneemster tot op
heden afgewezen. De kantonrechter acht het redelijk bij ontbinding van de
arbeidsovereenkomst een vergoeding van ƒ 15 000 bruto toe te kennen.

Volledige tekst

Kantongerecht Tilburg, 15 april 1996
Het verloop van het geding
Dit blijkt uit de volgende stukken:
a. het op 15 maart 1996 ter griffie ingekomen verzoekschrift ex artikel 7A:
1639w van het Burgerlijk Wetboek.
b. het daarop ontvangen verweerschrift.
c. de door de griffier gemaakte aantekeningen van de gehouden mondelinge
behandeling.
De inhoud van deze stukken wordt als hier ingevoegd beschouwd.

Het geschil en de beoordeling daarvan
Partijen zullen hierna worden aangeduid als Riagg respectievelijk P.
Tussen hen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of
onvoldoende weersproken het navolgende vast:
– P, thans 50 jaar oud, is op 1 oktober 1987 krachtens schriftelijke
arbeidsovereenkomst in dienst getreden van Riagg, zulks in de functie van
sociaal-psychiatrisch verpleegkundige;
– Ingevolge die arbeidsovereenkomst diende P zich voor wat betreft de
uitvoering van haar werkzaamheden te houden aan de beroepscode voor
functionarissen van haar discipline;
– De in die beroepscode neergelegde gedragsregels zijn vervat in de
`Regelingen Riagg, Midden-Brabant’;
– In februari 1992 heeft P binnen het Riagg gesolliciteerd naar de functie
van maatschappelijk werkende, in aansluiting waarop zij met ingang van 1
september van dat jaar in die functie is aangesteld en deze tot op heden is
blijven vervullen; het laatstelijk door P genoten salaris bedraagt ƒ 5210,07
bruto per maand, exclusief vakantietoeslag.
– Partijen zijn het erover eens dat P, die functie dient uit te oefenen met
inachtneming van de door de Landelijke Vereniging van Maatschappelijk Werkers
ontwikkelde beroepscode;
– P is sedert laatstgenoemde datum als maatschappelijk werkende werkzaam op
de afdeling volwassenen; genoemde afdeling is onderverdeeld in een team
psychosociale hulpverlening en een team sociale psychiatrie; P maakt tezamen
met twee collega-maatschappelijk werkers, twee psychologen alsmede een
psychiater deel uit van het behandelteam psychosociale hulpverlening; ieder
teamlid heeft eigen cliënten en onderhoudt in beginsel zelfstandig de
behandelrelaties.
– Ingevolge de van de arbeidsovereenkomst deel uitmakende taak- en
functieomschrijving is P gehouden op adequate wijze een cliëntendossier bij
te houden waarin tevens dient te worden vermeld wanneer de hulpverlening in
het team is getoetst en wat de inhoud is van die toetsing;
– Verwijzing van nieuwe cliënten geschiedt via het centrale intake-team;
eerdergenoemde psychiater is eveneens aan dat team verbonden; hij draagt de
eindverantwoordelijkheid voor de behandeling van cliënten en bepaalt als
medicus de medicatie;
– Sedert 11 april 1995 bestaat er een therapeutische relatie tussen X als
hulpvrager en P als maatschappelijk werkende; in die hulpverleningsrelatie
zijn aanvankelijk ook de partner van X en diens beide kinderen betrokken;
– Omstreeks augustus 1995 is in de hulpverleningsrelatie van P met cliënt X
de problematiek van de `overdracht’ gaan spelen; het Riagg duidt die
problematiek als verliefdheid die ontstaat bij de cliënt ten opzichte van de
hulpverlener; P omschrijft `overdracht’ als de projectie van gevoelens en
verlangens van de cliënt op de hulpverlener die vaak een eerste teken zijn
van de aanvang van een veranderingsproces bij de cliënt en die, mits juist
gehanteerd, een keerpunt kunnen vormen in de therapie;
– P heeft de problematiek van die `overdracht’ in het reguliere team-overleg
gebracht en daarvan adequaat melding gemaakt in het cliëntendossier; niet is
gebleken dat daarin van de zijde van het team met inbegrip van de psychiater
aanleiding werd gevonden de behandeling over te dragen aan een andere
hulpverlener;
– Eind november 1995 bemerkte P, dat zij andere gevoelens ten opzichte van
cliënt X is gaan ontwikkelen, welke gevoelens door het Riagg als verliefdheid
en door P als `tegenoverdracht’ worden geduid;
– P heeft daarvan geen althans onvolledig verslag gedaan in het
cliëntendossier, wel heeft zij daarvan melding gemaakt aan de psychiater en
zulks met hem besproken doch de omvang van die melding is in dit geding
onduidelijk gebleven;
– P heeft de behandelrelatie niet overgedragen, naar zij stelt om reden dat
deze zo goed als beëindigd kon worden beschouwd;
– Op 11 december 1995 heeft cliënte X aan P kenbaar gemaakt de behandeling
als geslaagd en de therapeutische relatie als geëindigd te beschouwen;
van een en ander heeft P de psychiater alsmede de coördinator van de afdeling
Volwassenen in kennis gesteld en hen tevens mededeling gedaan van het
voornemen van X en haarzelf om een affectieve relatie met elkaar aan te gaan,
welke relatie vervolgens een aanvang heeft genomen;
– In de loop van januari 1996 is het vorenstaande zowel langs interne weg als
extern middels een klacht van de voormalige partner van X ter kennis gekomen
van de directie van Riagg in aansluiting waarop P eerst is geschorst en
vervolgens op non-actief is gesteld,; de op non-actiefstelling duurt thans
nog voort.
Riagg verzoekt thans de ontbinding van voormelde tussen partijen geldende
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen, primair bestaande in een
dringende reden, subsidiair in een verandering in de omstandigheden van dien
aard dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of op korte termijn behoort te
eindigen.
Aan haar verzoek legt Riagg ten grondslag het verwijt dat P onprofessioneel
heeft gehandeld.
Volgens Riagg bestond er reeds tijdens de zogenaamde overdrachtfase
aanleiding voor P om de therapeutische relatie met cliënt X over te dragen.
In ieder geval was P daartoe gehouden vanaf het moment dat zij bemerkte dat
zij andere gevoelens ten opzichte van de cliënt X ging ontwikkelen, aldus
Riagg.
Riagg verwijt P voorts dat zij die gevoelens tijdens de behandelrelatie aan
cliënt X kenbaar heeft gemaakt, dat de behandelrelatie zonder toetsing binnen
het team is afgebroken c.q. beëindigd, dat P in strijd met de richtlijnen
daarop aanstonds een affectieve relatie met cliënt X is aangegaan en dat P
van het bij haar plaatsgevonden hebbend wegingsproces onvoldoende verslag
heeft gedaan middels het cliëntendossier. Voormelde gedragingen van P leveren
een dringende reden op althans zij leiden ertoe dat het vertrouwen in P als
maatschappelijk werkende geheel is weggevallen zodat de arbeidsovereenkomst
met haar behoort te worden ontbonden, zo betoogt Riagg, Riagg is wel bereid
bij ontbinding op de subsidiaire grond aan P als vergoeding naar billijkheid
als bedoeld in art. 7A:1639w lid 8 BW de functie van sociaal psychiatrisch
verpleegkundige aan te bieden.
P bestrijdt onprofessioneel te hebben gehandeld. Zij stelt daartoe dat zij de
bij cliënte X ontstane gevoelens van overdracht kenbaar heeft gemaakt binnen
het team, dat het team daaraan niet de gevolgtrekking heeft verbonden dat de
behandelrelatie moest worden overgedragen, dat zij de nadien bij haar jegens
cliënt X ontstane gevoelens niet verborgen heeft gehouden doch deze
integendeel heeft besproken met de behandelend psychiater, dat mede nu de
behandeling zo goed als voltooid was er geen aanleiding bestond deze over te
dragen, dat zij de bij haar ontstane gevoelens uitdrukkelijk buiten de
behandelrelatie heeft gelaten, dat zij eerst na afloop van de behandelrelatie
een affectieve relatie met X is aangegaan, dat er geen regel bestaat die
zulks verbiedt en tenslotte dat zij het aangaan van die affectieve relatie in
het geheel niet heeft verzwegen.
P meent dan ook dat geen aanleiding bestaat de ontbinding van de tussen
partijen bestaande arbeidsovereenkomst uit te spreken. Subsidiair maakt zij
aanspraak op een geldelijke vergoeding.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Tussen partijen bestaat er geen misverstand over dat P overeenkomstig de voor
de maatschappelijk werkende geldende beroepscode dient na te laten om
misbruik te maken van het uit haar deskundigheid en/of positie voortvloeiende
overwicht in de professionele relatie tot de cliënt en dat zij er daarnaast
voor dient te waken dat gedurende de behandelrelatie geen andere relatie met
de cliënt wordt aangegaan c.q. bestaat.
Dreigt dit laatste zich voor te doen dan mag van een professioneel handelend
maatschappelijk werker worden verwacht dat de behandelrelatie wordt
overgedragen.
Met Riagg is de kantonrechter van oordeel dat P in de uitoefening van haar
werk in meerdere opzichten ernstig tekort is geschoten. Hoewel onvoldoende is
komen vast te staan dat er voor P eerder dan eind november 1995 aanleiding
bestond haar positie in de behandelngrelatie met cliënt X in het team ter
discussie te stellen had zulks minstgenomen vanaf dat tijdstip van haar mogen
worden verwacht. Uitgaande van het, naar binnen de sfeer van de hulpverlening
algemeen bekend mag worden verondersteld, onwenselijk zijn van een
verstrengeling van het behandelbelang met privébelangen had in ieder geval
van P als professioneel hulpverlener kunnen worden gevergd dat zij met het
oog op het al dan niet voortzetten van de behandelrelatie de problematiek
waarin zij zelf op enig moment verzeild was geraakt expliciet althans
nadrukkelijk binnen het team aan de orde had gesteld. Dat is niet gebeurd.
Weliswaar is juist dat zij de bij haarzelf ontstane gevoelens ten opzichte
van cliënt X heeft kenbaar gemaakt aan de behandeld psychiater doch nu het
kader waarin alsmede de omstandigheden waaronder zulks is geschied ook bij
navraag ter zitting onvoldoende duidelijk is geworden komt daaraan in voor P
ontlastende zin geen genoegzaam gewicht toe. In dit verband weegt zwaar dat
in het cliëntendossier, zoals P ter zitting heeft erkend, omtrent haar
worstelen met deze problematiek in het geheel niet is terug te vinden.
De kantonrechter wil wel aannemen dat P eerderbedoelde verslaglegging niet
met opzet achterwege heeft gelaten. Niettemin is het gevolg ervan geweest dat
een externe toetsing in het team zowel van de noodzaak tot continuering van
de behandelrelatie door P als van de inhoud van die therapie mede daardoor
niet heeft kunnen plaatsvinden. Evenmin is getoetst kunnen worden of er
voldoende aanknopingspunten waren voor het afsluiten van de behandelrelatie
met cliënt X enkele weken nadien. De omstandigheid dat cliënt X die
behandelrelatie zelf niet meer wenste te continueren doet daaraan niet af.
Uit de behandeling ter zitting is de kantonrechter niet gebleken van een op P
betrekking hebbende binnen Riagg geldende regel die haar verbiedt aanstonds
na de beëindiging van een behandelrelatie een affectieve relatie met de
betrokken ex-cliënt aan te gaan. Dat neemt niet weg dat omzichtigheid op zijn
plaats is, ook al zal dat niet altijd eenvoudig zijn.
Ook daarin is P, naar het oordeel van de kantonrechter tekortgeschoten.
Immers, redelijkerwijs had zij kunnen en moeten begrijpen dat het aanstonds
na afloop van de behandelrelatie aangaan van een affectieve relatie niet
alleen in de weg zou staan aan een deugdelijke evaluatie van de beëindigde
behandeling zelf maar bovenal had zij moeten beseffen dat het aangaan van die
relatie op dat moment de belangen van Riagg als hulpverlenende instelling en
vooral die van derdenbelanghebbenden, zoals in casu is gebleken, zou kunnen
raken.
Daarvan heeft P zich voldoende rekenschap gegeven en dat valt haar als
professioneel werkende in de geestelijke gezondheidszorg kwalijk te nemen.
Dat het falen van P een dringende reden oplevert daarvan is de kantonrechter
in dit geval echter onvoldoende overtuigd geraakt. Eerstens kan niet worden
gezegd dat P, ook al is zij onvolledig geweest, heeft gezwegen. In de tweede
plaats treft ook Riagg een verwijt. Ter zitting is immers niet allen gebleken
in tegenspraak met de `Regelingen Riagg Midden-Brabant’ de lijnen vanuit de
binnen en buiten het team verantwoordelijken naar de directie ten aanzien van
problematieken als de onderhavige onvoldoende helder zijn en dat een goede
bewaking van die lijnen ontbreekt maar ook los hiervan had van die door Riagg
aangestelde eveneens professioneel verantwoordelijk na het uitzenden van
signalen door P, als was het maar om haar in bescherming te nemen, adequater
optreden mogen worden verwacht dan in casu ten toon is gespreid.
Dat het vertrouwen van Riagg in het functioneren van P, als maatschappelijk
werkende ernstig is aangetast acht de kantonrechter gelet op het hiervoor
overwogene wel voldoende aannemelijk geworden. Daarvan uitgaande en in
aanmerking genomen dat P het jegens haar terecht gerezen wantrouwen ten
aanzien van het blijven functioneren als maatschappelijk werkende ter zitting
bepaald niet heeft kunnen wegnemen moet worden geoordeeld dat sprake is van
een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst op
korte termijn behoort te worden ontbonden.
Dit brengt mee dat het verzoek van Riagg op de subsidiaire grond behoort te
worden toegewezen.
Voor vaststelling van een vergoeding zoals door Riagg verzocht ziet de
kantonrechter geen aanleiding. Daargelaten of een vergoeding als bedoeld in
art. 7A:1639w lid 8 BW, zoals Riagg betoogt, kan bestaan in een aanbod om aan
P, een andere functie aan te bieden staat vast dat P van dat reeds eerder
gedane aanbod tot op heden geen gebruik heeft gemaakt. Gelet hierop is een
veroordeling van Riagg tot het doen van dat aanbod zinledig en is het mede
gelet op het hiernavolgende aan P. Riagg te doen weten of zij dat aanbod
alsnog wenst te aanvaarden.
Bovengenoemd aanbod, in feite een terugkeer van P naar de functie die zij tot
september 1992 heeft bekleed, oordeelt de kantonrechter nu de bestaande
arbeidsvoorwaarden voor het overige geheel intact blijven op zichzelf niet
onredelijk.
Niettemin is denkbaar dat bedoeld aanbod door P wordt gevoeld als een
degradatie en dat haar weigering om op dat aanbod in te gaan afgezien van de
andere inhoud van de aangeboden functie daardoor wordt ingegeven.
Dit alles leidt ertoe dat aan het voorgaande voor het antwoord op de vraag of
al dan niet aanleiding bestaat tot toekenning van een vergoeding naar
billijkheid als door P verzocht geen doorslaggevende betekenis toekomt.
Dat geldt wel voor de leeftijd van P alsmede de duur van haar dienstverband.
Daarvan uitgaande en mede in aanmerking genomen de verwijten die P kunnen
worden gemaakt afgezet tegen het tekortschieten van Riagg zelf zal de
kantonrechter billijkheidshalve de aan P toe te kennen vergoeding die strekt
tot een suppletie van door P te ontvangen sociale uitkeringen dan wel elders
te verwerven lager inkomen voor zover het door Riagg gedane aanbod niet
aanvaardt stellen op een bedrag ad ƒ 15 000 bruto.
De kantonrechter stelt partijen bij deze in kennis van zijn voornemen aan de
ontbinding van de arbeidsovereenkomst voormelde vergoeding te verbinden.
Riagg zal die vergoeding evenwel slechts verschuldigd zijn indien P haar niet
binnen twee weken na de ontbinding heeft doen weten dat zij het ten processe
bedoeld aanbod alsnog aanvaardt.
Riagg heeft in verband met het vorenstaande de gelegenheid haar verzoek
binnen uiterlijk twee weken na heden in te trekken.

De beslissing:
De Kantonrechter
Stelt een termijn van twee weken na heden binnen welke Riagg zich
schriftelijk dient uit te laten over intrekking van haar verzoekschrift.
Houdt iedere verdere beslissing aan.

Beschikking Kantongerecht Tilburg, 30 mei 1996

Het verdere verloop van het geding:
Dit blijkt uit:
– de tussenbeschikking d.d. 15 april 1996 waarbij Riagg een termijn wordt
gesteld waarbinnen zij haar verzoek desgewenst kan intrekken;
– de brieven van de gemachtigde van Riagg d.d. 25 april 1996 en 21 mei 1996
inhoudende dat het verzoek niet wordt ingetrokken en om een beslissing wordt
verzocht;
– de brief van de gemachtigde van P d.d. 24 april 1996.
De inhoud van deze stukken wordt als hier ingevoegd beschouwd.

De verdere beoordeling van het geschil:
Nu Riagg haar verzoek niet heeft ingetrokken kan in aansluiting op voormelde
beschikking worden beslist in voege als hieronder te vermelden.
De proceskosten behoren te worden gecompenseerd.

De beslissing:
De kantonrechter:
Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van
heden, 30 mei 1996.
Kent aan P ten laste van Riagg als vergoeding toe een bedrag van ƒ 15 000
bruto, strekkende tot suppletie van door P te ontvangen sociale uitkeringen
dan wel elders te verwerven lager inkomen doch slechts voor het geval P de
door Riagg aangeboden functie als ten processe bedoeld niet aanvaardt en
zulks binnen uiterlijk twee weken na 30 mei 1996 aan Riagg heeft doen weten.
Veroordeelt Riagg in dat geval tot betaling van deze vergoeding.
Compenseert de proceskosten zo, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Poeth

Instantie: Regionale commissie voor het opzicht voor de kerkprovincies Utrecht enNoord-Holland van de Nederlandse Hervormde Kerk, 30 mei 1996

Instantie

Regionale commissie voor het opzicht voor de kerkprovincies Utrecht enNoord-Holland van de Nederlandse Hervormde Kerk

Samenvatting


Vrouw zoekt geestelijke begeleiding bij een dominee in verband met
privé-problemen. Zij wordt verliefd op hem, wat leidt tot seksuele contacten
tussen haar en de dominee. De commissie oordeelt dat de dominee zich schuldig
heeft gemaakt aan seksueel misbruik in een pastorale relatie, ongeacht van
wie het initiatief tot de seksuele relatie is uitgegaan. De klacht is
gegrond. De commissie legt de dominee schorsing voor de duur van 3 maanden
op, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, onder de voorwaarde dat hij zich onder
psychiatrische behandeling laat stellen.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van de procedure:

– Bij schrijven van 18 mei 1995 heeft klaagster zich gewend tot de commissie
met een klacht wegens seksueel misbruik door beklaagde, haar vroegere
wijkpredikant.

– Bij deze klachtbrief was een ondersteunend schrijven gevoegd, gedateerd 15
mei 1995 van mevrouw Chr. van Kranenburg te Woudenberg, vertrouwenspersoon
van het Netwerk Vertouwenspersonen van de Interkerkelijke lnitiatiefgroep
tegen Seksueel Misbruik in Pastorale relaties.

– Bij verweerschrift van 25 juli 1995, met bijlagen, heeft beklaagde zijn
reactie gegeven op de klacht, gevolgd door een aanvullende reactie d.d. 29
juli 1995, met bijlage.

– Bij schrijven van 26 augustus 1995 heeft klaagster gereageerd op het
verweerschrift.

– Bij schrijven van 28 augustus 1995 heeft mevrouw Van Kranenburg, voornoemd,
enige algemene opmerkingen over seksueel misbruik in hulpverleningssituaties
gemaakt en enige kanttekeningen bij het verweerschrift geplaatst.

– De commissie heeft in haar vergadering van 21 september 1995
achtereenvolgens beklaagde en klaagster gehoord. Op uitdrukkelijk verzoek van
klaagster zijn klaagster en beklaagde buiten elkaars tegenwoordigheid
gehoord. Beklaagde heeft zich hiertegen niet verzet. Klaagster werd terzijde
gestaan door mevrouw Van Kranenburg, voornoemd.

– Het concept-verslag van deze hoorzitting is aan klaagster en beklaagde
toegezonden. Beiden hebben gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid
schriftelijk op de inhoud van dit verslag en de daarin opgenomen verklaringen
van de andere partij te reageren; beklaagde bij brieven van 10 oktober 1995,
klaagster bij brieven van 13 oktober 1995, waarna de commissie het verslag in
haar vergadering van 19 oktober 1995 heeft vastgesteld.

– De commissie heeft het vervolgens noodzakelijk geacht beklaagde met
toepassing van Ord. 11-13-4 te onderwerpen aan een onderzoek door een door
het moderamen van de generale synode daartoe aangewezen geneeskundige, prof.
dr. G. Glas, psychiater te Utrecht.

– Prof. dr. Glas heeft beklaagde op 13 maart 1996, 21 maart 1996 en 1 april
1996 onderzocht en op 6 mei 1996 gerapporteerd door tussenkomst van de
medisch adviseur van de generale synode, R.M.H. Chorus, arts te Utrecht.

– Mede naar aanleiding van de uitgebrachte psychiatrische rapportage heeft de
commissie beklaagde in haar vergadering van 30 mei 1996 nogmaals gehoord.

2. De klacht

Klaagster beschuldigt beklaagde van seksueel misbruik in een pastorale
relatie. Klaagster geeft aan dat zij een zeer goed contact met beklaagde,
haar toenmalige wijkpredikant, had. Hij was een fijne goede dominee voor haar
en haar gezin. Zij werd verliefd op hem. De goede contacten liepen uit op
seksuele contacten gedurende een periode van ongeveer twee jaar. Tot een
coïtus is het (net) niet gekomen. Omstreeks maart 1994 heeft klaagster, na
lezing van het boek van Gideon van Dam en Marjo Eitjes, deze contacten
beëindigd.

De omvang van de bij haar aangerichte schade werd haar pas duidelijk rond het
tijdstip van haar verhuizing naar Alkmaar in december 1994. Daarna heeft zij
hulp gezocht en de onderhavige klacht ingediend. Zij verlangt dat beklaagde
uit zijn ambt wordt gezet, zulks om te voorkomen dat beklaagde in de toekomst
nieuwe slachtoffers van seksueel misbruik in een pastorale relatie zou maken.

3. Het verweer

Beklaagde bestrijdt de gestelde feiten niet. Hij erkent dat hij fout heeft
gehandeld. Hij heeft grenzen overschreden die niet overschreden mogen worden.
Hij heeft van het gebeurde geleerd en zich inmiddels onder psychiatrische
behandeling gesteld.

4. De feiten

Klaagster is verliefd geworden op beklaagde. Klaagster, beklaagde en de
echtgenoot van klaagster hebben hierover met elkaar gesproken. Niettemin
heeft de relatie tussen klaagster en beklaagde een seksuele lading gekregen,
waarbij zich gedurende een periode van ongeveer twee-jaar bij een tiental
gelegenheden seksuele handelingen hebben voorgedaan.

5. Het deskundigenrapport

– De commissie heeft het, klaagster en beklaagde gehoord hebbende,
noodzakelijk geoordeeld beklaagde aan een psychiatrisch onderzoek te
onderwerpen ten einde inzicht te verkrijgen In mogelijk bij beklaagde
aanwezige psychische stoornissen en de eventuele behandelbaarheid daarvan.

– De geraadpleegde psychiater, prof. dr. Glas, is in zijn rapport tot de
volgende conclusie gekomen:

“Samenvattend kan worden gesteld dat betrokkene in de periode 1991-1992 een
depressieve stoornis heeft doorgemaakt die zijn voedingsbodem vond in een
tijdelijke versterking van zijn gevoel van existentiële eenzaamheid. Dit
thema van de existentiële eenzaamheid wordt in sterke mate door neurotische
problematiek gekleurd, namelijk door een persoonlijkheidsstructuur die wordt
gekenmerkt door een kwetsbaar gevoel van zelfwaardering, enige moeite in het
zich afgrenzen van de ander (lichte identiteitsdiffusie), afhankelijkheid van
anderen, idealisatie, devaluatie en een neiging tot zelfbestraffing.”

– De hem voorgelegde vragen heeft de deskundige als volgt beantwoord:

Vraag 1: Kunt u in het kort aangeven aan welke voorwaarden een predikant
dient te voldoen, c.q. welke (minimale) eisen aan betrokkene gesteld kunnen
worden indien het onderhouden van pastorale relaties, waarbij persoonlijk
getinte zaken aan de orde worden gesteld, onderdeel uitmaakt van de
uitoefening van het ambt?

Antwoord: “Minimale voorwaarden om als pastor te kunnen fungeren zijn a) het
zich realiseren dat de verhouding tussen pastor en gemeentelid asymmetrisch
is en b) het vermogen om naar deze asymmetrie te handelen. Onder asymmetrie
wordt verstaan dat er in een pastorale relatie sprake is van een verschil in
positie, waarbij de pastor niet alleen meer deskundigheid en (kerkelijke)
autoriteit bezit, maar ook als herder van mensen in nood een zekere
machtspositie. Een en ander betekent dat de pastor zorgvuldig moet kunnen
omgaan met grenzen, hetgeen wil zeggen dat hij uit elkaar moet kunnen houden
of bepaalde zaken ter sprake komen omdat hij dat zo graag wil, of dat dit
noodzakelijk is voor het heil en welbevinden van de pastorant. Het houdt ook
in dat wanneer een gemeentelid emotionele thema’s ter tafel brengt, thema’s
die de pastor raken, deze laatste goed in staat moet zijn om uit elkaar te
houden wat in zijn emoties ten aanzien van het betreffende gemeentelid met
hemzelf te maken heeft en wat met de ander te maken heeft.

Vraag 2: Acht u, alle van belang zijnde feiten en omstandigheden In
aanmerking nemende, beklaagde, gezien de hieraan te stellen eisen en
voorwaarden. uit psychisch of psychiatrisch oogpunt geschikt en in staat het
ambt van predikant uit te oefenen en in het bijzonder het onderhouden van
pastorale relaties – o.a. gelet op overdracht – en zo neen, wilt u dan in het
kort aangeven in welke zin op beklaagde aanmerkingen zijn te maken, uitgaande
van uw professie.”

Antwoord: “Zoals betrokkene nu functioneert acht ik hem – op zich en op dit
moment – geschikt en in staat om het ambt van predikant uit te oefenen en
pastorale relaties te onderhouden. Betrokkene heeft van het gebeurde zeker
geleerd en zelf maatregelen genomen, zowel in de relatie met zijn vrouw als
in therapeutische zin. In principe zijn deze maatregelen toereikend.

Dit betekent niet dat er geen enkel risico voor herhaling meer is. Bedacht
dient echter te worden dat de relatie met klaagster zich heeft kunnen
ontwikkelen dankzij de gecombineerde aanwezigheid van
persoonlijkheidsproblematiek èn depressiviteit Met andere woorden, betrokkene
loopt vooral risico als hij ook depressief wordt. De
persoonlijkheidsproblematiek zal in zijn psychotherapie bewerkt worden.
Aanbevolen wordt om betrokkene ten tijde en ook na afloop van zijn
psychotherapie een soort vinger-aan-de-pols contact te laten houden, bij
voorkeur verplicht, met een onafhankelijke psychiater/psychotherapeut,
bijvoorbeeld voor een periode van vijf jaar.

Samengevat: betrokkene is op zich geschikt en in staat om het ambt van
predikant in al zijn facetten te bekleden; wel zal er ook in de toekomst een
zeker risico blijven bestaan in situaties dat betrokkene (onverhoopt) opnieuw
depressieve klachten krijgt en bovendien tegelijk in zijn pastorale praktijk
mensen ontmoet die in hun persoonlijkheidsprofiel precies aansluiten bij,
c.q. een beroep doen op de zwakkere kanten van betrokkenes persoonlijkheid.
Om dit gevaar tijdig te signaleren wordt begeleiding (in de vorm van een
vinger-aan-de-pols contact) met een psychiater/psychotherapeut voor langere
tijd aanbevolen.”

Vraag 3: Indien u op grond van uw onderzoek mocht concluderen dat beklaagde
niet geschikt en/of niet in staat is het ambt van predikant uit te oefenen,
in het bijzonder met het oog op het onderhouden van pastorale relaties,
bestaat er dan toekomstperspectief gezien de therapeutische mogelijkheden?

Antwoord: “Ik acht betrokkene in algemene zin niet ongeschikt en evenmin niet
in staat tot het uitoefenen van het ambt van predikant, zoals in het
bovenstaande uiteen gezet. Voor het onderhouden van pastorale relaties is wel
zijn vatbaarheid voor dit type van relaties blijvend een aandachtspunt.”

6. Beoordeling van de klacht

Uit de bovenvermelde feiten kan de commissie slechts één conclusie trekken,
en wel deze dat beklaagde door een sterk seksueel gekleurde relatie met
klaagster aan te gaan en te onderhouden zich heeft schuldig gemaakt aan
seksueel misbruik in een pastorale relatie, ongeacht van wie het initiatief
tot de seksuele contacten is uitgegaan. Ook indien klaagster, zoals zij in
een van haar brieven schrijft, “seksueel wervend zou zijn opgetreden”, dan
nog had beklaagde uit hoofde van zijn positie als pastor de verleiding
behoren te weerstaan.

De commissie oordeelt dan ook dat beklaagde zich heeft schuldig gemaakt aan
een niet behoorlijke vervulling van zijn ambt en mede daardoor de orde in het
leven en werken der Kerk heeft verstoord.

De klacht is mitsdien gegrond.

7. De maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het gebeurde is er aanleiding een bijzonder
middel ter handhaving van de kerkelijke tucht toe te passen. De te treffen
maatregel dient – zo veel als mogelijk is – zowel recht te doen aan
klaagster, aan wie, als lid van de kerk, veel leed is berokkend, als aan
beklaagde, die het onjuiste van zijn handelwijze inmiddels inziet, tegenover
de commissie berouw heeft getoond over zijn daden en zich, om herhaling te
voorkomen, voor langere duur onder psychiatrische/psychotherapeutische
behandeling heeft gesteld.

De op te leggen maatregel dient niet alleen buiten twijfel te stellen dat de
commissie beklaagdes tekortschieten in hoge mate afkeurt, maar dient tevens
en vooral zo goed mogelijk te waarborgen dat beklaagde zich niet opnieuw aan
seksueel misbruik in een pastorale relatie bezondigt.

Daarom kiest de commissie voor een gedeeltelijk voorwaardelijke maatregel, te
weten een schorsing voor de duur van drie maanden, waarvan twee maanden
voorwaardelijk. Het opleggen van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke maatregel
strekt ertoe om het belang van het voltooien van de ingezette
psychiatrische/psychotherapeutische behandeling te onderstrepen en om een
juridische grondslag te bieden aan de door de deskundige aanbevolen
vinger-aan-de-pols controles voor langere duur.

8. Beslissing

De Regionale Commissie voor het Opzicht voor de Kerkprovincies Utrecht en
Noord-Holland:

– schorst beklaagde in zijn ambt voor de duur van drie maanden;

– bepaalt dat tweederde deel van deze schorsing niet ten uitvoer wordt gelegd
onder de voorwaarde dat beklaagde zich onder psychiatrische of
psychotherapeutische behandeling blijft stellen zolang en zo dikwijls dit
door de behandelend psychiater/psychotherapeut noodzakelijk wordt geoordeeld,
zulks voor de duur van vijf jaar en dat hij, gedurende dit tijdvak, alle
medewerking verleent aan door de commissie te entameren controles door de
geneeskundig adviseur van de generale synode en/of een onafhankelijk
psychiater/psychotherapeut.

Rechters

Mrs. J.J.W. Remme, J. Janssen, ds. D.N. Verhey, ds. J. Geursen, J.C.Verveer-van Breugel en H. van den Broek