Instantie: Centrale Raad van Beroep, 15 mei 1996

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Vervolg op de beslissing van het HvJ EG 1 februari 1996 (Posthuma-van Damme),
RN 1996, 596, m.nt. Joke Bol.
Voor het recht op een AAW-uitkering dient in het jaar voorafgaande aan de
arbeidsongeschiktheid enig inkomen te zijn verworven, ook voor degenen die
voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden, artikel IV van de Wet
van 3 mei 1989. Deze regel is niet in strijd met de derde EG-richtlijn, noch
met artikel 26 BuPo-verdrag.
Wel merkt de Raad op dat bij de bovenstaande wet een juridische constructie
is gevolgd welke op bedenkingen kan stuiten. Bij de regeling wordt immers,
anders dan gebruikelijk, niet aangeknoopt bij een of meer elementen in de
actuele positie van de betrokkenen maar bij een voor het intreden van het
verzekerd risico gelegen positie, waarvan de juridische status en de
betekenis daarvan voor de actuele positie achteraf worden gewijzigd.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding
Bij beslissing van 26 maart 1991 heeft gedaagde de eerder aan eiseres
toegekende uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna:
AAW) met ingang van 1 juli 1991 ingetrokken.
De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft het tegen deze beslissing
ingestelde beroep bij uitspraak van 12 november 1992 ongegrond verklaard.
Eiseres is bij gemachtigde mr. E. Bonnist, werkzaam bij Das Rechtsbijstand,
van deze uitspraak in hoger beroep gekomen, strekkende tot vernietiging van
de aangevallen uitspraak.
Bij Bevel van 7 oktober 1994 heeft de Raad in het onderhavige geding, alsmede
in het bij de Raad onder nr. AAW/WAO 1993/1264 aanhangig geding, met
toepassing van artikel 177 van het EG-verdrag het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen (hierna: het EG-hof) om een prejudiciële beslissing
verzocht terzake van de – voorzover in dit geding van belang navolgende
vraag:
`Moet het geldende gemeenschapsrecht zo worden uitgelegd, dat dit zich verzet
tegen de beëindiging van een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de
AAW, verkregen uit hoofde van een vóór 1 januari 1979 ingetreden
arbeidsongeschiktheid, als gevolg van de toepassing van artikel IV van de Wet
van 3 mei 1989, op grond van welke bepaling met betrekking tot het behoud van
de aanspraak op uitkering vanaf 1 juli 1991 de voorwaarde wordt gesteld, dat
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid inkomen uit of in
verband met arbeid is verworven?’
Naar aanleiding daarvan heeft het EG-hof op 1 februari 1996 het arrest
gewezen in de zaak C-280/94, waarvan het dictum luidt:
`Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid,
verzet zich niet tegen de toepassing van een nationale wettelijke regeling
die de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering afhankelijk stelt
van de voorwaarde, dat de betrokkene in het jaar voordat de
arbeidsongeschiktheid is ingetreden, enig inkomen uit of in verband met een
beroepswerkzaamheid heeft verworven, zelfs indien vaststaat dat die
voorwaarde meer vrouwen dan mannen treft.’
Een kopie van het arrest is aan deze uitspraak gehecht.
Het geding is vervolgens behandeld ter terechtzitting van de Raad op 3 april
1996. Eiseres is daar, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen. Gedaagde
is verschenen bij gemachtigde mr. J. van Doorn, werkzaam bij de
uitvoeringsinstelling BVG/Detam B.V.

II. Motivering
Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene Wet bestuursrecht (Awb) in
werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven
wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het
procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de
mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van
de Awb.
In het in rubriek I vermelde bevel van de Raad d.d. 7 oktober 1994 zijn de
van belang zijnde feiten als volgt omschreven:
`Eiseres in hoger beroep (…) nader te noemen: P, is laatstelijk als
zelfstandige tezamen met haar echtgenoot werkzaam geweest in een
garagebedrijf annex bezinetankstation. Omstreeks einde 1974 heeft zij die
arbeid gestaakt in verband met toenemende klachten van een aandoening, welke
later als multiple sclerose is gediagnostiseerd. Opmerking verdient P
destijds als gehuwde vrouw uit hoofde van die arbeidsongeschiktheid bij de
inwerkingtreding van de AAW op 1 oktober 1976 geen aanspraak kon maken op
uitkering ingevolge die wet. Kort na het staken van de arbeid door zijn
echtgenote heeft de echtgenoot het bedrijf beëindigd en is hij in loondienst
getreden.
Gedaagde in hoger beroep, het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor
Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (nader te noemen: de Detam) heeft het
aanvangstijdstip van de arbeidsongeschiktheid van P aanvankelijk gesteld op 1
oktober 1978, en later, in de loop van het geding, op 1 oktober 1976. De Raad
neemt in dit verband aan, dat P op laatstgenoemde datum was aan te merken als
een persoon, die haar werkzaamheden hetzij als gevolg van
arbeidsongeschiktheid, hetzij in verband met werkloosheid heeft gestaakt.
Op de aanvraag om AAW-uitkering van P d.d. 26 oktober 1999 heeft de Detam,
met inachtneming van de – nader te bespreken – uitspraken van de Centrale
Raad van Beroep d.d. 5 januari 1988, bij beslissing van 25 juli 1989 haar met
ingang van 26 oktober 1987 zodanige uitkering toegekend, naar een
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een grondslag van ƒ 91,74 per dag.
Bij een latere beslissing, d.d. 18 december 1989, is de ingangsdatum van de
uitkering vastgesteld op 14 april 1985.
Bij beslissing van 26 maart 1991, de thans bestreden beslissing, is die
uitkering met ingang van 1 juli 1991 ingetrokken, onder toepassing van
artikel IV van de Wet van 3 mei 1989 (Stb. 126) als gewijzigd bij Wet van 4
juli 1990 (Stb. 386), onder de overweging dat P in het jaar vóór het intreden
van haar arbeidsongeschiktheid niet heeft voldaan aan de inkomenseis bij de
Wet van 3 mei 1989.’
De Raad gaat ook thans van deze feiten uit.
Uit hetgeen van de zijde van eiseres in eerste aanleg en in hoger beroep is
aangevoerd, blijkt dat het geschil zich beperkt tot de verbindendheid, c.q.
de rechtmatigheid van de toepassing op eiseres, van artikel IV van de Wet van
3 mei 1989; met name zijn niet bestreden de feiten welke ten grondslag liggen
aan gedaagdes (nadere) standpunt dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres is
aangevangen op 1 januari 1976 en is evenmin bestreden dat zij in het jaar
voorafgaande aan het intreden van die arbeidsongeschiktheid geen inkomen uit
of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a, van de AAW
heeft verworven.
In verband hiermee zal de Raad zich tot het punt van geschil beperken.
De wet van 3 mei 1989, Stb, 126, waarvan het hier toegepaste artikel IV deel
uitmaakt, strekt ertoe de voorwaarde van verwerving van inkomsten uit arbeid
voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid, zoals deze –
behoudens enkele hier niet terzake doende uitzonderingen – bij de wijziging
van de AAW bij Wet van 20 december 1979, Stb, 708, was geïntroduceerd, ten
grondslag te leggen ook aan de aanspraken van diegenen die voor 1 januari
1979 arbeidsongeschikt zijn geworden.
Voorafgaand aan de datum waarop artikel IV van de Wet van 3 mei 1989 blijkens
het derde lid van die bepaling beoogt effect te sorteren, te weten 1 juli
1991, en met inachtneming van ’s Raads uitspraken d.d. 5 januari 1988,
gepubliceerd in Rechtspraak Sociale Verzekering (RSV) 1988/104 en 198-200,
alsmede het arrest van het EG-hof d.d. 24 februari 1994, gepubliceerd in RSV
1994/214 (arrest Roks) en de uitspraak van de Raad d.d. 11 oktober 1995,
gepubliceerd in RSV 1996/32, welke artikel III van genoemde wet betrof, gold
in het algemeen gesproken de inkomensvoorwaarde in de AAW wel voor degenen
die sedert 1 januari 1979 arbeidsongeschikt waren geworden, maar niet voor
hen bij wie die toestand reeds voor die datum was ingetreden.
Genoemd artikel IV nu, stelt de aanspraak op AAW-uitkering vanaf 1 juli 1991
van diegenen die voor 1 januari 1979 arbeidsongeschikt zijn geworden,
afhankelijk van het voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid
voldaan hebben aan die inkomensvoorwaarde.
Aangezien het hier betreft de toepassing van een bepaling van een wet in
formele zin, zal de Raad zich ten aanzien van de toetsing van die bepaling
zelf terughoudend dienen op te stellen en slechts kunnen bezien of hier
sprake is van onverenigbaarheid met rechtsnormen van supra- of internationale
aard.
Buiten dat kader ziet de Raad geen ruimte om zich, zoals in een aantal
gevallen bij de behandeling van gelijksoortige beroepen in eerste aanleg is
geschied, te begeven in een beoordeling van de motieven van de wetgever bij
de totstandkoming van de wet, of in een weging van de belangen van de
betrokkene vanuit een oogpunt van rechtszekerheid, overigens onder de
erkenning van het gewicht van de bezwaren van diegenen die zich
geconfronteerd zien met de ontneming van een – in een aantal gevallen – reeds
vele jaren geleden toegekende aanspraak, zonder dat zich in hun persoonlijke
omstandigheden een wijziging heeft voorgedaan.
Evenmin vermag de Raad te treden in de vraag, of in casu strikte
wetstoepassing zozeer in strijd komt met algemene rechtbeginselen dat zij op
die grond achterwege moet blijven. Er zijn hier immers geen buiten de wet
zelf en haar totstandkoming gelegen factoren of omstandigheden aanwijsbaar
welke, zonder overigens de verbindende kracht van die wet aan te tasten, de
rechtvaardiging van een dergelijk proces van afweging zouden kunnen bieden.
De Raad verwijst in verband met het zojuist overwogene en de daaraan
voorafgaande overweging nog naar het arrest van de Hoge Raad d.d. 14 april
1989 (Harmonisatiewetarrest), gepubliceerd o.m. in JN 1989, 469.
Wat betreft de toetsing van de onderhavige bepaling aan het EG-recht,
concludeert de Raad uit het in rubriek I vermelde arrest van het EG-hof, met
name de overwegingen 26 tot en met 29 daarvan, dat dat Hof bij de
beantwoording van de hem voorgelegde vraag alle relevante
communautairrechtelijke aspecten van de zaak in zijn beoordeling heeft
betrokken, in het bijzonder de verenigbaarheid van de nationale bepaling met
het discriminatieverbod van artikel 4, lid 1, van de EG-richtlijn 79/7, maar
ook, mede in samenhang met de mogelijk discriminatoire effecten van
eerstbedoelde bepaling, de verenigbaarheid met communautaire
rechtsbeginselen.
In het arrest kan dan ook, in de visie van de Raad, een – in zoverre bindend
– rechtsoordeel worden gelezen dat het communautaire recht zich op generlei
wijze verzet tegen de inhoud of de toepassing van artikel IV van de wet van 3
mei 1989.
Een toetsing aan artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten (IVBPR, Trb. 1978, 177) kan naar het
oordeel van de Raad geen ander resultaat opleveren, in deze zin dat hetgeen
het EG-hof blijkens zijn overwegingen doorslaggevend heeft geacht voor zijn
oordeel omtrent de verenigbaarheid van artikel IV van de Wet van 3 mei 1989
met het communautaire recht, tevens toereikend is voor de verenigbaarheid van
die nationale bepaling met genoemde verdragsartikel.
Tenslotte is van strijdigheid van artikel IV met enige andere rechtsnorm van
supra- of internationale aard niet gebleken.
Uit het voorgaande vloeit voort, ’s Raads oordeel dat de aangevallen
beslissing niet in rechte aantastbaar is.
Wel merkt de Raad nog op dat bij de Wet van 3 mei 1989 een juridische
constructie is gevolgd welke op bedenkingen kan stuiten, Hier wordt immers,
anders dan gebruikelijk, bijeen ingreep in bestaande rechtsverhoudingen niet
aangeknoopt bij een of meer elementen van de actuele positie die de
betrokkenen – in casu als gerechtigden tot een uitkering -, innemen, maar
wordt teruggegrepen op een niet meer door de betrokkenen ingenomen, want voor
het intreden van het verzekerd risico gelegen, positie, waarvan de juridische
status en de betekenis daarvan voor de actuele positie achteraf worden
gewijzigd.
Dit strookt niet met de juridische notie dat voor een bepaalde rechtspositie
geldende (zuivere) ontstaansvoorwaarden in het algemeen hun juridische
relevantie, en daarmee hun aantastbaarheid, verliezen vanaf het tijdstip
waarop de rechtstoestand intreedt tot het ontstaan waarvan zij de voorwaarden
vormden.
Gegeven echter het eerder overwogene dient de aangevallen uitspraak te worden
bevestigd. Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Awb.

III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak

Rechters

Mrs. Haverkamp, Grendel, Zwart

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 mei 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is ongehuwd en woont samen met zijn eveneens ongehuwde zuster. Tot
1 juli 1994 kwamen van de bij de wederpartij aangesloten werknemers alleen
gehuwden in aanmerking voor een nabestaandenpensioen. Sinds genoemde datum
kunnen nog in actieve dienst zijnde werknemers, die ongehuwd samenwonen, voor
een nabestaandenpensioen in aanmerking komen door zich te laten registreren.
Verzoeker was op voornoemde datum reeds gepensioneerd en komt om die reden
niet voor een nabestaandenpensioen in aanmerking.
De Commissie overweegt dat de klacht van verzoeker zich richt tegen een
verschil in behandeling met gehuwde verzekerden. Ongehuwden die op het moment
dat zij met pensioen gingen reeds samenwoonden en tot hun 65e jaar de normale
pensioenpremie, evenals gehuwden, hebben betaald, worden immers uitgesloten
van aanspraak op partnerpensioen. De vraag is in geding of de wederpartij
hiermee direct onderscheid maakt op grond van burgerlijke staat.
De klacht van verzoeker heeft tevens betrekking op de registratiemogelijkheid
voor de pensioenregeling voor ongehuwden, waarbij als voorwaarde geldt dat de
65-jarige leeftijd op 1 juli 1994 nog niet mag zijn bereikt. Deze
(beperkende) voorwaarde om in aanmerking te komen voor een
nabestaandenpensioen geldt niet voor gehuwden. Hiermee is de vraag in geding
of de wederpartij, door het stellen van deze voorwaarde, indirect onderscheid
maakt op grond van burgerlijke staat zoals bedoeld in de AWGB.
Aangezien de in artikel 5 lid 6 AWGB vervatte uitzondering op het in lid 1
van genoemd artikel gestelde verbod op het maken van onderscheid van
toepassing is zowel in geval van direct als van indirect onderscheid op grond
van burgerlijke staat, concludeert de Commissie dat de wederpartij vanwege
genoemde uitzondering niet in strijd handelt met de wetgeving gelijke
behandeling. Aan een bespreking van de vraag, of in deze zaak alleen het
Pensioenreglement of ook de daaraan voorafgaande en overigens inhoudelijk
gelijkluidende pensioenregeling in de Algemene burgerlijke pensioenwet in
strijd zijn met de AWGB, komt de Commissie derhalve niet toe.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 16 januari 1996 verzocht de heer (…) te Rotterdam (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over
de vraag of het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen (hierna: de
wederpartij) jegens hem onderscheid maakt in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling (hierna: AWGB).
1.2. Verzoeker is ongehuwd en woont samen met zijn eveneens ongehuwde zuster.
Tot 1 juli 1994 kwamen van de bij de wederpartij aangesloten werknemers
alleen gehuwden in aanmerking voor een nabestaandenpensioen. Sinds genoemde
datum kunnen nog in actieve dienst zijnde werknemers, die ongehuwd
samenwonen, voor een nabestaandenpensioen in aanmerking komen door zich te
laten registreren. Verzoeker was op voornoemde datum reeds gepensioneerd en
komt om die reden niet voor een nabestaandenpensioen in aanmerking. Verzoeker
is van oordeel dat de wederpartij hiermee in strijd handelt met het bepaalde
in de AWGB.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben hun standpunt ieder eenmaal schriftelijk toegelicht.
Partijen zijn uitgenodigd hun standpunten nader toe te lichten tijdens een
zitting op 17 april 1996. Zij hebben van deze uitnodiging geen gebruik
gemaakt.
2.2. Ter zitting waren van de kant van de Commissie aanwezig:
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker is ongehuwd en woont 34 jaar samen met zijn eveneens ongehuwde
zuster. De zuster van verzoeker heeft gedurende al die jaren zorggedragen
voor de huishouding.
Zij hebben steeds gezamenlijk geleefd van het inkomen van verzoeker.
3.2. Verzoeker valt onder de pensioenregeling die wordt uitgevoerd door de
wederpartij en ontvangt pensioen. Op grond van artikel G1 van de
pensioenregeling -zoals deze tot 1 januari 1996 gold- had de nabestaande van
een ambtenaar, gewezen ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar recht op
nabestaandenpensioen. Onder nabestaande moest ingevolge artikel A1, letter k,
worden verstaan de man of vrouw met wie de overleden ambtenaar gehuwd was op
de dag van overlijden. Geen recht op nabestaandenpensioen bestond bij een
huwelijk dat was gesloten na de datum van ontslag van de ambtenaar. Wel waren
enkele uitzonderingen van toepassing, maar steeds gold als voorwaarde dat het
huwelijk was gesloten voordat de echtgenoot de leeftijd van 65 jaar had
bereikt.
3.3. Ongehuwd samenwonenden konden op grond van deze regeling geen aanspraak
maken op een nabestaandenpensioen. In het arbeidsvoorwaardenoverleg binnen de
overheidssector is evenwel in mei 1994 overeengekomen de
nabestaandenvoorzieningen uit te breiden tot niet-huwelijkse relaties.
Daartoe is een regeling vastgelegd in de Algemene burgerlijke pensioenwet,
welke met ingang van 28 december 1995 in werking is getreden en terugwerkt
tot 1 juli 1994. De Algemene burgerlijke pensioenwet is vervolgens met ingang
van 1 januari 1996 ingetrokken. Op die datum is het Pensioen-reglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP in werking getreden. Voorwaarde voor uitkering
van een nabestaandenpensioen op grond van deze nieuwe regeling is, dat de
partner bij de wederpartij is geregistreerd. Deze registratie is mogelijk
vanaf 1 juli 1994. Aanmelding is niet mogelijk, indien de ambtenaar op 1 juli
1994 ouder is dan 65 jaar.
Verzoeker was op 1 juli 1994 ouder dan 65 jaar.
De standpunten van partijen
3.4. Verzoeker stelt het volgende.
Hij vindt het onredelijk dat hij niet voor een nabestaandenpensioen in
aanmerking komt, omdat hij ouder is dan 65 jaar.
Dit klemt naar het oordeel van verzoeker temeer nu een aantal politieke
partijen reeds in 1966 van mening waren dat een zusters- of
verzorgsterspensioen ingevoerd diende te worden.
Verzoeker wijst op een aan de Commissie toegezonden artikel uit
1966 terzake. In het verleden kwam het vaak voor dat broers en/of zusters met
elkaar gingen samenwonen en dat een van beide de kost verdiende, terwijl de
ander het huishouden deed. In veel gevallen was er maar een inkomen.
Dit in tegenstelling tot de huidige vormen van samenwonen, waarin de beide
partners financieel vaak niet volledig van elkaar afhankelijk zijn.
Juist omdat de eerdergenoemde vorm van samenleven met name voorkomt bij
personen ouder dan 65 jaar, is het onredelijk om hen van de
nabestaandenpensioenregeling uit te sluiten.
Verzoeker is van mening dat hij, doordat hij tijdens zijn actieve periode
dezelfde rechten heeft opgebouwd als gehuwde verzekerden, door deze regeling
wordt gediscrimineerd ten opzichte van gehuwden en de jongere generatie
samenwonenden.
3.5. De wederpartij stelt het volgende.
De onderhavige zaak komt inhoudelijk overeen met een andere zaak waarin de
Commissie haar oordeel heeft gegeven over een klacht jegens de wederpartij
(oordeel nr. 95-41). De wederpartij verwijst naar de inhoud van hetgeen zij
daarbij heeft aangevoerd. Daarbij wijst zij op het feit dat, in tegenstelling
tot de zaak die eerder tot genoemd oordeel van de Commissie heeft geleid, de
pensioenregeling van de wederpartij thans in het Pensioenreglement van de
Stichting Pensioenfonds ABP is neergelegd. Volgens de wederpartij is de vraag
in geding of dit reglement op het punt van partnerpensioen voor ongehuwd
samenwonenden in strijd is met de wetgeving gelijke behandeling, nu het
verzoek om een oordeel bij de Commissie is ingediend ten tijde van het van
kracht zijn van genoemd reglement.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar burgerlijke staat maakt in strijd met de AWGB door verzoeker niet toe te
laten tot de pensioenregeling voor ongehuwden.
4.2. In artikel 1 AWGB wordt gesteld dat onder onderscheid direct en indirect
onderscheid moet worden verstaan.
Artikel 5 lid 1 onderdeel d AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid verboden
is bij arbeidsvoorwaarden. Lid 6 van genoemd artikel 5 stelt: `Het eerste lid
onderdeel d, is niet van toepassing op onderscheid op grond van burgerlijke
staat, voor zover het betreft pensioenvoorzieningen’.
Het in artikel 5 AWGB gestelde verbod op het maken van onderscheid richt zich
volgens jurisprudentie van de Commissie (mede) tot pensioenfondsen en
derhalve tot de wederpartij. (Zie Commissie gelijke behandeling,
oordeelnummer 95-41, 23 november 1995; oordeelnummer 95-42, 23 november 1995;
oordeelnummer 95-50, 23 november 1995).
4.3. De Commissie overweegt dat de klacht van verzoeker zich richt tegen een
verschil in behandeling met gehuwde verzekerden. Ongehuwden die op het moment
dat zij met pensioen gingen reeds samenwoonden en tot hun 65e jaar de normale
pensioenpremie, evenals gehuwden, hebben betaald, worden immers uitgesloten
van aanspraak op partnerpensioen. De vraag is in geding of de wederpartij
hiermee direct onderscheid maakt op grond van burgerlijke staat.
De klacht van verzoeker heeft tevens betrekking op de registratiemogelijkheid
voor de pensioenregeling voor ongehuwden, waarbij als voorwaarde geldt dat de
65-jarige leeftijd op 1 juli 1994 nog niet mag zijn bereikt. Deze
(beperkende) voorwaarde om in aanmerking te komen voor een
nabestaandenpensioen geldt niet voor gehuwden. Hiermee is de vraag in geding
of de wederpartij, door het stellen van deze voorwaarde, indirect onderscheid
maakt op grond van burgerlijke staat zoals bedoeld in de AWGB.
4.4. Aangezien de in artikel 5 lid 6 AWGB vervatte uitzondering op het in lid
1 van genoemd artikel gestelde verbod op het maken van onderscheid van
toepassing is zowel in geval van direct als van indirect onderscheid op grond
van burgerlijke staat, concludeert de Commissie dat de wederpartij vanwege
genoemde uitzondering niet in strijd handelt met de wetgeving gelijke
behandeling. Aan een bespreking van de vraag, of in deze zaak alleen het
Pensioenreglement of ook de daaraan voorafgaande en overigens inhoudelijk
gelijkluidende pensioenregeling in de Algemene burgerlijke pensioenwet in
strijd zijn met de AWGB, komt de Commissie derhalve niet toe.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het Algemeen Burgerlijk
Pensioenfonds te Heerlen, door de heer (…) te Rotterdam niet toe te laten
tot de pensioenregeling voor ongehuwden, vanwege artikel 5 lid 6 Algemene wet
gelijke behandeling, niet in strijd handelt met artikel 5 lid 1 Algemene wet
gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 mei 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft een kinderopvangregeling. Per 1 januari 1995 houdt
deze regeling in dat alleen vrouwen en alleenstaande mannen een vergoeding
voor de kosten van kinderopvang ontvangen.
De kinderopvangregeling die tot 1 januari 1995 gold is geëvalueerd. Uit deze
evaluatie is gebleken dat de kinderopvangregeling voor een groot deel van de
ondervraagde vrouwen van doorslaggevende betekenis was om te kunnen blijven
werken. Hieruit kan afgeleid worden dat aannemelijk is dat de
kinderopvangregeling een bijdrage heeft geleverd aan het in dienst houden van
vrouwelijke medewerkers.
Het bieden van een gedeeltelijke vergoeding in de kosten van de kinderopvang
aan vrouwen met een netto-gezinsinkomen beneden een bepaalde grens kan in het
onderhavige geval een geschikt middel zijn om te bevorderen dat er voor de
vrouwelijke werknemers van de wederpartij zoveel mogelijk betaalbare
kinderopvang beschikbaar blijft.
Weliswaar zullen ook vrouwen van mannelijke personeelsleden met hetzelfde
knelpunt kunnen worden geconfronteerd als vrouwelijke personeelsleden, de
Commissie is evenwel van mening dat van een werkgever redelijkerwijs niet kan
worden gevergd zijn arbeidsvoorwaarden daarop af te stemmen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 14 september 1995 verzocht de FNV dienstenbond te Woerden (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Zaandam (hierna: de
wederpartij) handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De wederpartij heeft een kinderopvangregeling. Per 1 januari 1995
houdt deze regeling in dat alleen vrouwen en alleenstaan de mannen een
vergoeding voor de kosten van kinderopvang ontvangen. Verzoeker is van mening
dat de wederpartij door een groot deel van de mannelijke werknemers van de
regeling uit te sluiten onderscheid op grond van geslacht maakt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten toegelicht.
Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift twee belanghebbenden genoemd, de
heer (…) en de heer (…) (hierna: belanghebbenden).
Aan belanghebbenden heeft de Commissie, conform artikel 12 lid 3 Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB), gevraagd of zij er be
zwaar tegen hadden in het onderzoek betrokken te worden. Dit bleek niet
het geval te zijn.
2.2. Partijen zijn uitgenodigd om de zitting van de Commissie op 25 maart
1996 bij te wonen, maar hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Van de kant van de Commissie waren aanwezig:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij heeft sinds 1 februari 1991 een kinder- opvangregeling
waar haar werknemers gebruik van kunnen maken. Aanvankelijk was deze regeling,
onder voorwaarden, voor alle medewerkers toegankelijk. Deze regeling
bood zowel een financiële tegemoetkoming als gastouderopvang via bemiddeling
van een landelijk opererende stichting. Per 1 januari 1995 is de
kinderopvangregeling gewijzigd. Vanaf deze datum houdt de regeling in dat alleen
vrouwen en alleenstaande mannen een vergoeding voor de kosten van
kinderopvang ontvangen. De bemiddelingsactiviteiten zijn daarbij
vervallen, omdat daar steeds minder gebruik van werd gemaakt.
De eerste kinderopvangregeling is in september en oktober van 1993 geëvalueerd. Hierbij is gekeken naar de interne effecten van
de regeling, alsmede naar de wijze waarop de regeling zich verhield met kinderopvangregelingen van andere grote bedrijven en d
e overheid. Uit deze evaluatie bleek dat de kosten op basis van de regeling explosief stegen. Om deze reden heeft de wederparti
j besloten de werkingssfeer van de regeling in te perken. Ook bleek dat de kinderopvangregeling voor een groot deel van de onde
rvraagde vrouwen van doorslaggevende betekenis was om te kunnen blijven werken.
Dit laatste bleek ook uit een drietal onderzoeken waarin de effecten van kinderopvangregelingen zijn beschreven. Een onderzoek
had betrekking op de kinderopvangregeling bij Heineken, bestaande uit het beschikbaar stellen van gefinancierde kinderopvangpla
atsen. Bij vrouwen in de lagere salarisgroepen (de overgrote meerderheid van de gebruikers) bleek de regeling kinderopvang van
doorslaggevende betekenis om te blijven werken.
Ook uit een onderzoek naar een kinderopvangregeling bij de
ING Bank bleek dat vrouwen die gebruik maken van de kinderopvang- mogelijkheden vaker doorwerken zonder onderbreking van hun lo
opbaan. Het is de Commissie niet bekend wat voor een kinderopvangregeling hier gold.
Uit de resultaten van `Stimuleringsbeleid kinderopvang 1990/1991′ van het Ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur bli
jkt eveneens dat kinderopvang een belangrijke of zelfs doorslag- gevende rol speelt bij de vraag wel of niet (te blijven) werke
n. Ook bij dit onderzoek is de Commissie niet bekend om wat voor een kinderopvangregeling het gaat
3.2. De wederpartij heeft met een aantal vakbonden meerdere gesprekken gevoerd over wat de inhoud van de nieuwe regeling moest
zijn.
De vakbonden hebben voorgesteld om de regeling voor alle mannen en vrouwen toegankelijk te houden. Om de kosten te beperken ste
lden de bonden voor de hoogte van de vergoeding van het inkomen afhankelijk te stellen. Bovendien stelden zij voor om als maxim
um aan kinderopvangkosten 0,1% van de loonsom te stellen. Dit alles zou leiden tot een besparing van 20%.
De wederpartij is niet akkoord gegaan met deze voorstellen van de vakbonden, omdat de besparingen niet voldoende zouden zijn. D
e wederpartij wilde de kosten met 45% terugbrengen, zodat deze niet boven het bedrag van ƒ 500 000 zouden uitkomen.
Omdat de wederpartij en de vakbonden niet tot overeenstemming konden komen, heeft de wederpartij de nieuwe kinderopvangregeling
eenzijdig vastgesteld.
3.3. De bepalingen van de kinderopvangregeling die sinds 1 januari 1995 geldt, luiden voor zover relevant, als volgt.
1. ALGEMEEN
De wederpartij geeft aan vrouwelijke en alleenstaande mannelijke medewerkers die kosten maken in verband met kinderopvang van k
inderen tot vier jaar, onder hierna te noemen voorwaarden, een financiële tegemoetkoming.
2. VOORWAARDEN
Een medwerk(s)ter komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang indien aan de volgende voorwaarden w
ordt voldaan:
a. Het kind kan niet opgevangen worden door een van de ouders/verzorgers omdat deze deelnemen aan het arbeidsproces, danwel doe
lgericht een opleiding volgen ter voorbereiding op de betreding van de betaalde arbeidsmarkt;
b. In geval van mannelijke medewerkers: deze heeft geen partner met wie hij duurzaam samenwoont;
c. Het bruto periode-salaris bedraagt minder dan ƒ 7000
d. Er is sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd met een duur van minimaal 6 maanden;
e. Het aantal contracturen is groter dan 48 uur per periode;
De feiten
3.1. De wederpartij heeft sinds 1 februari 1991 een kinder- opvangregeling
waar haar werknemers gebruik van kunnen maken. Aanvankelijk was deze regeling,
onder voorwaarden, voor alle medewerkers toegankelijk. Deze regeling
bood zowel een financiële tegemoetkoming als gastouderopvang via bemiddeling
van een landelijk opererende stichting. Per 1 januari 1995 is de
kinderopvangregeling gewijzigd. Vanaf deze datum houdt de regeling in dat alleen
vrouwen en alleenstaande mannen een vergoeding voor de kosten van
kinderopvang ontvangen. De bemiddelingsactiviteiten zijn daarbij
vervallen, omdat daar steeds minder gebruik van werd gemaakt.
De eerste kinderopvangregeling is in september en oktober van 1993 geëvalueerd. Hierbij is gekeken naar de interne effecten van
de regeling, alsmede naar de wijze waarop de regeling zich verhield met kinderopvangregelingen van andere grote bedrijven en d
e overheid. Uit deze evaluatie bleek dat de kosten op basis van de regeling explosief stegen. Om deze reden heeft de wederparti
j besloten de werkingssfeer van de regeling in te perken. Ook bleek dat de kinderopvangregeling voor een groot deel van de onde
rvraagde vrouwen van doorslaggevende betekenis was om te kunnen blijven werken.
Dit laatste bleek ook uit een drietal onderzoeken waarin de effecten van kinderopvangregelingen zijn beschreven. Een onderzoek
had betrekking op de kinderopvangregeling bij Heineken, bestaande uit het beschikbaar stellen van gefinancierde kinderopvangpla
atsen. Bij vrouwen in de lagere salarisgroepen (de overgrote meerderheid van de gebruikers) bleek de regeling kinderopvang van
doorslaggevende betekenis om te blijven werken.
Ook uit een onderzoek naar een kinderopvangregeling bij de
ING Bank bleek dat vrouwen die gebruik maken van de kinderopvang- mogelijkheden vaker doorwerken zonder onderbreking van hun lo
opbaan. Het is de Commissie niet bekend wat voor een kinderopvangregeling hier gold.
Uit de resultaten van `Stimuleringsbeleid kinderopvang 1990/1991′ van het Ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur bli
jkt eveneens dat kinderopvang een belangrijke of zelfs doorslag- gevende rol speelt bij de vraag wel of niet (te blijven) werke
n. Ook bij dit onderzoek is de Commissie niet bekend om wat voor een kinderopvangregeling het gaat
3.2. De wederpartij heeft met een aantal vakbonden meerdere gesprekken gevoerd over wat de inhoud van de nieuwe regeling moest
zijn.
De vakbonden hebben voorgesteld om de regeling voor alle mannen en vrouwen toegankelijk te houden. Om de kosten te beperken ste
lden de bonden voor de hoogte van de vergoeding van het inkomen afhankelijk te stellen. Bovendien stelden zij voor om als maxim
um aan kinderopvangkosten 0,1% van de loonsom te stellen. Dit alles zou leiden tot een besparing van 20%.
De wederpartij is niet akkoord gegaan met deze voorstellen van de vakbonden, omdat de besparingen niet voldoende zouden zijn. D
e wederpartij wilde de kosten met 45% terugbrengen, zodat deze niet boven het bedrag van ƒ 500 000 zouden uitkomen.
Omdat de wederpartij en de vakbonden niet tot overeenstemming konden komen, heeft de wederpartij de nieuwe kinderopvangregeling
eenzijdig vastgesteld.
3.3. De bepalingen van de kinderopvangregeling die sinds 1 januari 1995 geldt, luiden voor zover relevant, als volgt.
1. ALGEMEEN
De wederpartij geeft aan vrouwelijke en alleenstaande mannelijke medewerkers die kosten maken in verband met kinderopvang van k
inderen tot vier jaar, onder hierna te noemen voorwaarden, een financiële tegemoetkoming.
2. VOORWAARDEN
Een medwerk(s)ter komt in aanmerking voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang indien aan de volgende voorwaarden w
ordt voldaan:
a. Het kind kan niet opgevangen worden door een van de ouders/verzorgers omdat deze deelnemen aan het arbeidsproces, danwel doe
lgericht een opleiding volgen ter voorbereiding op de betreding van de betaalde arbeidsmarkt;
b. In geval van mannelijke medewerkers: deze heeft geen partner met wie hij duurzaam samenwoont;
c. Het bruto periode-salaris bedraagt minder dan ƒ 7000
d. Er is sprake van een dienstverband voor onbepaalde tijd of bepaalde tijd met een duur van minimaal 6 maanden;
e. Het aantal contracturen is groter dan 48 uur per periode;
f. Het kind moet jonger zijn dan 4 jaar;
g. Het kind is/wordt ondergebracht bij een professionele vorm van kinderopvang (…)
h. Het binnen de wederpartij beschikbare maximum bedrag voor kinderopvang is niet overschreden.
4. HOOGTE FINANCIELE VERGOEDING
a. De hoogte van de financiële vergoeding is 50% van de door de medewerk(s)ter feitelijk gemaakte kosten, waarbij de volgende m
axima gelden:

bruto periodesalaris maximum vergoeding per uur

1e kind 2e en volgende kinderen
tot ƒ 5000 ƒ 2,70 ƒ 1,50
ƒ 5000 tot ƒ 6000 ƒ 2 ƒ 1,10
ƒ 6000 tot ƒ 7000 ƒ 1,35 ƒ 0,75
vanaf ƒ 7000 geen geen

b. Per dag mogen maximaal 10 uren gedeclareerd worden, namelijk maximaal 8 werkuren en maximaal 2 uren voor opvang tijdens woon
/werk reistijd.
3.4. Belanghebbenden hebben in 1995 aan de wederpartij verzocht in aanmerking te komen voor de kinderopvangregeling. Op beider
verzoek is negatief beslist, met als motivering dat per 1 januari 1995 alleen vrouwen en alleenstaande mannen voor de vergoedin
g in aanmerking komen.
De standpunten van partijen
3.5. Verzoeker brengt het volgende naar voren.
Belanghebbenden en andere samenwonende mannen worden ongelijk behandeld, omdat zij (samen met hun partners) volledig voor de ko
sten van kinderopvang moeten opdraaien, terwijl vrouwelijke en alleenstaande mannelijke werknemers een deel van de kosten vergo
ed krijgen.
De uitsluiting van samenwonende mannen van de kinderopvangregeling is niet bedoeld om de achterstandspositie van vrouwen op de
arbeidsmarkt weg te werken, maar berust louter op financiële overwegingen en is derhalve in strijd met de wetgeving gelijke beh
andeling.
3.6. De wederpartij voert het volgende aan.
Het doel van de kinderopvangregeling is om vrouwen te behouden en te laten doorstromen naar hogere functies, gelet ook op de on
dervertegenwoordiging van vrouwen op kaderfuncties binnen de organisatie. Deze doelstelling geldt zowel voor de regeling van vo
or 1 januari 1995 als voor die erna.
Met de kinderopvangregeling die vanaf 1995 geldt, heeft de wederpartij getracht enerzijds de explosieve kostenstijging van kind
eropvang te bedwingen en anderzijds de doelstelling van de regeling niet wezenlijk aan te tasten.
Aangezien hier sprake is van een voorkeursbeleid voor vrouwen, is de wederpartij van mening dat zij niet in strijd met de wetge
ving gelijke behandeling handelt.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door samenwonende mannen van de kinderopvangregeling uit te sluiten onderscheid ma
akt op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
4.2. Aangezien de kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde is aan te merken, moet deze regeling worden getoetst aan artik
el 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW).
Lid 1 van dit artikel bepaalt onder andere dat een werkgever in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen mannen en vrouwen
mag maken. Lid 4 van dit artikel schrijft voor dat van het in lid 1 genoemde verbod mag worden afgeweken, indien het bedingen
betreft die vrouwelijke werknemers in een bevoorrechte positie beogen te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffe
n of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
4.3. Het doel dat de wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft is onder andere om vrouwen te behouden en te laten doors
tromen naar hogere functies.
De voorganger van de Commissie, de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid heeft in alle eerdere zake
n over kinderopvangregelingen geoordeeld dat het een feit van algemene bekendheid is dat vrouwen in verband met de verzorging v
an kinderen vaker afzien van (de voortzetting van) een dienstverband dan mannen. (Zie Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 22 augustus 1988, oordeelnummer: 130-90-121; Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid, 7 oktober 1992, oordeelnummer: 519-92-56). Er is nog steeds een tekort aan kinderopvang. De vraag naar kinderopvang
is vooral afkomstig van vrouwen die niet willen stoppen met werken na de geboorte van hun kinderen. (Onbetaalde zorg gelijk ver
deeld. Toekomstscenario’s voor herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den Haag 1995, pg. 43).
Niet is gebleken, dat vrouwen die bij de wederpartij werken zich wat dat betreft zouden onderscheiden van vrouwen in het algeme
en. In zoverre is er in dit geval sprake van voor de toepassing van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) rele
vante feitelijke ongelijkheden.
4.4. Vervolgens moet onderzocht worden of het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het door de wederpartij gesteld
e doel.
De kinderopvangregeling die tot 1 januari 1995 gold is geëvalueerd. Uit deze evaluatie is gebleken dat de kinderopvangregeling
voor een groot deel van de ondervraagde vrouwen van doorslaggevende betekenis was om te kunnen blijven werken. Hieruit kan afge
leid worden dat aannemelijk is dat de kinderopvangregeling een bijdrage heeft geleverd aan het in dienst houden van vrouwelijke
medewerkers.
4.5. Uit de onder 3.1. genoemde onderzoeken blijkt, dat in het algemeen het knelpunt dat voortvloeit uit de combinatie van beta
alde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen vooral is gelegen in het tekort aan kinderopvangplaatsen. (Zie: Onbetaalde zorg ge
lijk verdeeld. Toekomstscenario’s voor herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den Haag 1995, p. 34). Daar kan evenwel aan toeg
evoegd worden, dat er sprake moet zijn van betaalbare kinderopvang, wil deze effectief beschikbaar zijn voor betrokkenen. Ook d
e Raad van de Europese Gemeenschappen spreekt in haar aanbeveling derhalve over betaalbare kinderopvang. (Zie Artikel 3 lid 1 v
an de Aanbeveling van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende kinderopvang, Publikatieblad van de
Europese Gemeenschappen nr.
L 123/16, 8.5.1992).
Vraag is derhalve, of het verschil in de financiële tegemoetkoming op zich (dus naast het aanbieden van kinderopvangplaatsen of
het bieden van bemiddeling daarbij) een geschikt middel is om het door de verzoeker gestelde doel te bereiken. De Commissie ov
erweegt hieromtrent het volgende.
De geldende kinderopvangregeling loopt van 1 januari 1995 tot 1 januari 1998.
Er is sprake van een herziening van een daarvoor geldende kinderopvangregeling. Op grond van de evaluatie acht de Commissie het
aannemelijk dat deze eerdere kinderopvangregeling een bijdrage heeft geleverd aan het in dienst houden van vrouwelijke medewer
kers. De herziene regeling houdt een verslechtering voor alle potentiële rechthebbenden in. Niet langer hebben alle ouders een
recht op deelname aan de regeling. Tevens wordt de bemiddeling voor gastouderplaatsen geheel afgeschaft, omdat daar steeds mind
er gebruik van werd gemaakt, ten gunste van bemiddeling door lokale instanties of kinderdagverblijven.
In de nieuwe regeling wordt een voorkeursbeleid gevoerd voor vrouwelijke werknemers met een inkomen onder een bepaalde grens, t
eneinde de gevolgen van de ingevoerde beperking voor vrouwen te verminderen, met oog op het gewenste behoud en de doorstroom va
n vrouwen in de arbeidsorganisatie. Mannen zijn niet geheel uitgesloten van de regeling: alleenstaande mannen kunnen onder deze
lfde voorwaarden een beroep doen op de tegemoetkoming.
4.6. Het bieden van een gedeeltelijke vergoeding in de kosten van de kinderopvang aan vrouwen met een netto-gezinsinkomen bened
en een bepaalde grens kan in het onderhavige geval een geschikt middel zijn om te bevorderen dat er voor de vrouwelijke werknem
ers van de wederpartij zoveel mogelijk betaalbare kinderopvang beschikbaar blijft.
Weliswaar zullen ook vrouwen van mannelijke personeelsleden met hetzelfde knelpunt kunnen worden geconfronteerd als vrouwelijke
personeelsleden, de Commissie is evenwel van mening dat van een werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd zijn arbeidsv
oorwaarden daarop af te stemmen.
4.7. De Commissie tekent hierbij wel aan, dat de geschiktheid van de ingevoerde regeling is beoordeeld in het kader van de wijz
iging van die regeling. Daarbij speelt een rol, dat uit de evaluatie van de regeling van 1991 is gebleken, dat die kinderopvang
– regeling een bijdrage leverde aan het behoud en de doorstroming van vrouwen in de arbeidsorganisatie. Wanneer deze regeling,
met oog op de beheersbaarheid van de kosten geheel zou worden ingetrokken, valt te verwachten dat dat negatieve effecten zal he
bben op het behoud en de doorstroming van vrouwen. De geschiktheid van de ingevoerde herziene regeling moet gezien worden in he
t kader van de beperking van die negatieve gevolgen. De regeling is voor een periode van drie jaar ingevoerd. Daarna zal uit ee
n evaluatie moeten blijken of de gewenste gevolgen voor het behoud en de doorstroming van vrouwen inderdaad ook met deze regeli
ng worden bereikt en of in het licht van de situatie met betrekking tot kinderopvang het middel dan nog steeds geschikt is.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie is van oordeel dat (…) te Zaandam jegens de FNV Dienstenbond te Woerden geen onderscheid op grond van geslacht h
eeft gemaakt als bedoeld in artikel 7A:1637ij lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. van derHeijden (lid Kamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 14 mei 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is een gemeente. Deze heeft een kinderopvangregeling. Deze houdt in
dat voor iedere ambtenaar die hierom vraagt, een kinderopvangplaats wordt
gehuurd. De eigen bijdrage voor de kosten van kinderopvang is voor
vrouwelijke medewerkers lager dan voor mannelijke medewerkers. De verzoeker
wil weten of dit voorkeursbeleid voor vrouwen is toegestaan.
Het bieden van een gedeeltelijke vergoeding in de kosten van de kinderopvang
aan vrouwen met een netto-gezinsinkomen beneden een bepaalde grens, is
gebaseerd op de overweging dat er anders voor deze groep vrouwen geen sprake
zou zijn van een reëel aanbod van kinderopvang. Daar de werkgever bij het
inkopen van kinderopvangplaatsen de maximale bijdrage moet betalen, zou bij
doorberekening van de volledige kosten aan vrouwen met een gezinsinkomen
lager dan de vastgestelde grens de geboden kinderopvang onevenredig duur
worden, terwijl het aannemelijk is dat er onvoldoende particuliere
kinderopvang beschikbaar is. Er is derhalve een rechtstreeks verband tussen
de voorgestelde bijdrage voor vrouwen en het bieden van de feitelijke
mogelijkheid voor kinderopvang voor deze vrouwen.
Tevens wordt in het reglement een hardheidsclausule voorgesteld, waardoor ook
mannen, met name alleenstaande vaders, die in vergelijkbare omstandigheden
verkeren een vergoeding kunnen krijgen.
De Commissie is van mening dat het bieden van tegemoetkoming in de kosten van
de kinderopvang aan vrouwelijke werknemers afhankelijk van het
netto-gezinsinkomen op zich een geschikt middel is om het doel dat verzoeker
zich stelt te realiseren, althans daar een bijdrage aan te leveren.
Weliswaar zullen ook vrouwen van mannelijke personeelsleden met hetzelfde
knelpunt kunnen worden geconfronteerd als vrouwelijke personeelsleden, de
Commissie is evenwel van mening dat van een werkgever redelijkerwijs niet kan
worden gevergd zijn arbeidsvoorwaarden daarop af te stemmen.
Wel benadrukt de Commissie de noodzaak van een regelmatige evaluatie van de
voorgestelde regeling, teneinde te kunnen vaststellen in hoeverre deze nog
geschikt en noodzakelijk is.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 30 november 1995 verzocht het College van Burgemeester en Wethouders
Gemeente Diemen te Diemen (hierna: verzoeker) de Commissie gelijke
behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag
of haar kinderopvangregeling in overeenstemming is met de wetgeving gelijke
behandeling.
1.2. Verzoeker is een gemeente. Deze heeft een kinderopvangregeling. Deze
houdt in dat voor iedere ambtenaar die hierom vraagt, een kinderopvangplaats
wordt gehuurd. De eigen bijdrage voor de kosten van kinderopvang is voor
vrouwelijke medewerkers lager dan voor mannelijke medewerkers. De verzoeker
wil weten of dit voorkeursbeleid voor vrouwen is toegestaan.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Verzoeker heeft de Commissie verzocht om een spoedprocedure toe te
passen. Dit verzoek is niet gehonoreerd.
Verzoeker heeft zijn standpunten schriftelijk toegelicht.
2.2. Vervolgens is verzoeker uitgenodigd voor een zitting van de Commissie op
25 maart 1996.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van de verzoeker
– mw. (…) (medewerker personeel en organisatie)
– dhr. (…) (burgemeester)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. prof. mr. P.F. van der Heijden (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker heeft een kinderopvangregeling. Deze regeling houdt in dat
verzoeker ten behoeve van iedere medewerker die daar om verzoekt een
kinderopvangplaats huurt. De eigen bijdrage voor de kosten van de
kinderopvang verschilt voor de mannelijke en de vrouwelijke medewerkers. De
mannelijke medewerkers dienen de kosten voor kinderopvang geheel zelf te
financieren. Voor de vrouwelijke medewerkers geldt dat de hoogte van hun
bijdrage van het netto-gezinsinkomen afhankelijk is.
3.2. De bepalingen van de kinderopvangregeling luiden, voor zover relevant,
als volgt.
Artikel 2
Op verzoek van de ambtenaar kan een bedrijfsplaats worden gehuurd bij een
kindercentrum in Nederland.
Artikel 3
Bij een bedrijfsplaats voor het kind van een vrouwelijke ambtenaar wordt de
volledige kostprijs die het kindercentrum in rekening brengt, in rekening
gebracht bij de gemeente. De gemeente stelt aan de hand van de in de
gesubsidieerde kinderopvang in Diemen geldende tabel, de ouderbijdrage vast
en verhaalt deze op de vrouwelijke ambtenaar.
Deze bijdrage wordt maandelijks ingehouden op haar salaris.
Artikel 4
Bij een bedrijfsplaats voor het kind van een mannelijke ambtenaar wordt de
volledige kostprijs die het kindercentrum in rekening brengt, in rekening
gebracht bij de gemeente. De gemeente verhaalt de volledige kostprijs op de
mannelijke ambtenaar.
Deze bijdrage wordt maandelijks ingehouden op zijn salaris.
Artikel 5
De maximum kostprijs waarvoor een bedrijfsplaats wordt gehuurd voor de
vrouwelijke ambtenaar is gelijk aan die welke in de gesubsidieerde
kindercentra in de gemeente Diemen wordt gerekend. De eventuele meerkosten
boven deze maximum kostprijs wordt volledig in rekening gebracht bij de
vrouwelijke ambtenaar.
Artikel 7
Voor de vaststelling van de ouderbijdrage voor de vrouwelijke ambtenaren is
het netto-gezinsinkomen bepalend.
Artikel 10 lid 1
Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd om in gevallen waarin de toepassing
van deze regeling naar hun oordeel kan leiden tot ongunstige effecten voor
werkgever of de ambtenaar, af te wijken van het bepaalde in deze regeling.
De standpunten van verzoeker
3.3. Verzoeker brengt het volgende naar voren.
Voor deze regeling is gekozen, omdat er in haar gemeente nog steeds minder
vrouwen werkzaam zijn dan mannen en de vrouwen met name ondervertegenwoordigd
zijn in de hoge functies.
Bij de gemeente waren per 1 december 1995 147 mannen werkzaam en 63 vrouwen.
In schaal 10 waren vijf vrouwen (allen in deeltijd) werkzaam en twaalf mannen
(allen voltijd); in schaal 11, 12 en 13 waren in het geheel geen vrouwen
werkzaam, en respectievelijk negen, acht en een mannen (allen voltijd).
De voorgestelde maatregel is een van de maatregelen die de gemeente inzet om
meer vrouwen in dienst te houden. Andere (niet schriftelijk neergelegde
maatregelen) zijn het meewerken aan verzoeken om in deeltijd te kunnen werken
en dat zij studieverzoeken van vrouwen eerder toekent dan van mannen.
Er zijn aanwijzingen dat vooral vrouwen stoppen met werken om hun kinderen te
verzorgen. Steeds meer kindplaatsen in de gemeente worden opgekocht door
bedrijven, waardoor het voor particulieren moeilijker wordt om een kindplaats
te vinden. Door kinderopvang beschikbaar te stellen, wil verzoeker zorgen dat
vrouwen in dienst blijven. Doel is om daarmee ook de potentieel doorstromende
vrouwen in dienst te houden.
Een werkgever die een kindplaats inkoopt, moet de volledige prijs betalen,
ongeacht het inkomen van degene ten behoeve van wie een dergelijke plaats
wordt opgekocht. Wanneer de gemeente de volledige prijs zou doorberekenen aan
de betrokkenen, bestaat het risico dat juist vrouwen in de lagere functies
die gezien worden als potentiële doorstromers, om financiële redenen toch
geen gebruik zouden kunnen maken van de kinderopvangplaatsen en zich
gedwongen zouden zien om met werken te stoppen.
In zekere mate hebben financiële aspecten een rol gespeeld bij de
totstandkoming van deze regeling. Als de bijdrage voor kinderopvangkosten van
de mannelijke medewerkers net als bij de vrouwen op het netto-gezinsinkomen
gebaseerd zou worden, zou de regeling voor kinderopvang niet meer betaalbaar
zijn. In dat geval zou besloten moeten worden om helemaal geen kinderopvang
voor het personeel te regelen, dan wel het aantal deelnemers aan de regeling
te beperken.
Als er in individuele gevallen sprake zou zijn van onaanvaardbare gevolgen,
zal de gemeente de in artikel 10 lid 1 vervatte hardheidsclausule toepassen.
Weduwnaars komen bij voorbeeld op grond van dit artikel voor een vergoeding
van kinderopvangkosten in aanmerking.
De kinderopvangregeling zal over twee jaar worden geëvalueerd, om te meten
wat de effecten zijn. Daarbij zal ook bezien worden of de regeling uitgebreid
kan worden.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of verzoeker door aan vrouwelijke medewerkers een
lagere bijdrage in de kosten van kinderopvang te berekenen dan aan mannelijke
medewerkers, onderscheid maakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.
4.2. Aangezien de kinderopvangregeling als een arbeidsvoorwaarde is aan te
merken, moet deze regeling worden getoetst aan artikel 1a van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB).
Dit artikel bepaalt onder andere dat in de openbare dienst het bevoegd gezag
in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken.
Artikel 5 lid 1 WGB schrijft voor dat van het in artikel 1a WGB genoemde
verbod mag worden afgeweken, indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen
in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op
te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding
staat tot het beoogde doel.
4.3. Het doel dat de wederpartij met de onderhavige regeling nastreeft is
onder andere om vrouwen aan te trekken, te behouden en te laten doorstromen
naar hogere functies, door het wegnemen van het knelpunt dat is gelegen in de
combinatie van betaalde arbeid en de zorg voor (jonge) kinderen.
4.4. De voorgangster van de Commissie, de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, heeft in eerdere zaken over
kinderopvangregelingen in verband met dit doel opgemerkt, dat het een feit
van algemene bekendheid is, dat vrouwen in verband met de verzorging van
(jonge) kinderen vaker afzien van (voortzetting van) een (volledig)
dienstverband dan mannen.(Zie Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, 22 augustus 1988, oordeelnummer: 130-90-121; Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 7 oktober 1992,
oordeelnummer: 519-92-56). Er is nog steeds een tekort aan kinderopvang. De
vraag naar kinderopvang is vooral afkomstig van vrouwen die niet willen
stoppen met werken na de geboorte van hun kinderen. (Onbetaalde zorg gelijk
verdeeld. Toekomstscenario’s voor herverdeling van onbetaalde zorgarbeid, Den
Haag 1995, pg. 34).
Niet is gebleken, dat vrouwen die bij verzoeker werken zich wat dat betreft
zouden onderscheiden van vrouwen in het algemeen. In zoverre is er in dit
geval sprake van voor de toepassing van de WGB relevante feitelijke
ongelijkheden.
4.5. Vervolgens moet onderzocht worden of het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot het door de wederpartij gestelde doel.
Evenals de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
acht de Commissie het aannemelijk dat het beschikbaar stellen van
kinderopvangplaatsen een bijdrage levert aan het behoud van het aandeel
vrouwelijke werknemers. In de voorgestelde regeling wordt de kinderopvang
zowel aan mannen als aan vrouwen ter beschikking gesteld. De Commissie is van
mening dat het beschikbaar stellen van kinderopvang een geschikt middel is om
de feitelijke ongelijkheden tussen mannen en vrouwen weg te werken.
In de door verzoeker voorgestelde regeling wordt alleen voor vrouwen de
bijdrage in de kinderopvangkosten afhankelijk gesteld van het netto
gezinsinkomen, terwijl mannen de kosten geheel zelf dienen te financieren.
Vraag is derhalve, of dit verschil in de financiële tegemoetkoming eveneens
een geschikt middel is om het door de verzoeker gestelde doel te bereiken. De
Commissie over weegt hieromtrent het volgende.
4.6. Het bieden van een gedeeltelijke vergoeding in de kosten van de
kinderopvang aan vrouwen met een netto-gezinsinkomen beneden een bepaalde
grens, is gebaseerd op de overweging dat er anders voor deze groep vrouwen
geen sprake zou zijn van een reëel aanbod van kinderopvang. Daar de werkgever
bij het inkopen van kinderopvangplaatsen de maximale bijdrage moet betalen,
zou bij doorberekening van de volledige kosten aan vrouwen met een
gezinsinkomen lager dan de vastgestelde grens de geboden kinderopvang
onevenredig duur worden, terwijl het aannemelijk is dat er onvoldoende
particuliere kinderopvang beschikbaar is. Er is derhalve een rechtstreeks
verband tussen de voorgestelde bijdrage voor vrouwen en het bieden van de
feitelijke mogelijkheid voor kinderopvang voor deze vrouwen.
Tevens wordt in het reglement een hardheidsclausule voorgesteld, waardoor ook
mannen, met name alleenstaande vaders, die in vergelijkbare omstandigheden
verkeren een vergoeding kunnen krijgen.
De Commissie is van mening dat het bieden van tegemoetkoming in de kosten van
de kinderopvang aan vrouwelijke werknemers afhankelijk van het
netto-gezinsinkomen op zich een geschikt middel is om het doel dat verzoeker
zich stelt te realiseren, althans daar een bijdrage aan te leveren.
Weliswaar zullen ook vrouwen van mannelijke personeelsleden met hetzelfde
knelpunt kunnen worden geconfronteerd als vrouwelijke personeelsleden, de
Commissie is evenwel van mening dat van een werkgever redelijkerwijs niet kan
worden gevergd zijn arbeidsvoorwaarden daarop af te stemmen.
Wel benadrukt de Commissie de noodzaak van een regelmatige evaluatie van de
voorgestelde regeling, teneinde te kunnen vaststellen in hoeverre deze nog
geschikt en noodzakelijk is.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester en
Wethouders Gemeente Diemen geen onderscheid maakt in strijd met de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen door vrouwelijke werknemers onder
bepaalde voorwaarden een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang te
bieden.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt, (Kamervoorzitter), dhr. prof. mr. P.F. vander Heijden (lid Kamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. deJongh (secretaris Kamer).

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 10 mei 1996

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Na bijna 28 jaar huwelijk is de scheiding van tafel en bed in maart 1979
in het huwelijksgoederenregister van de rechtbank ingeschreven. In juli
1995 vraagt de man aan de rechtbank de alimentatieverplichting op nihil
te stellen, subsidiair de alimentatieverplichting per 1 juli 1997 te beëindigen.
Rekening houdend met de leeftijd van de vrouw (74 jaar) de duur van het
huwelijk, de omstandigheid dat de vrouw tijdens het huwelijk de zorgtaken
heeft verricht en in het bijzonder dat de vrouw pas sinds kort kan leven
overeenkomstig haar werkelijke behoefte is het niet redelijk en billijk
om de alimentatie per 1 juli 1997 te beëindigen of te verminderen. Het
feit dat thans de vrouw een kwart van het ouderdomspensioen van de man
ontvangt doet hier niets aan af. Het hof acht voldoende aannemelijk dat
de man in hoofdzaak verantwoordelijk is voor de schuldenlast. Dit is dus
geen reden om de alimentatie te verminderen. Gezien de leeftijd van partijen
(74 en 82) valt niet te verwachten dat in de toekomst hun financiële situatie
veel zal veranderen. Het hof ziet er dan ook vanaf om een bepaalde termijn
vast te stellen waarop de alimentatie moet eindigen.

Volledige tekst

HET GEDING

De partijen zijn in 1951 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van de rechtbank
te Groningen van 13 februari 1979 is tussen hen de scheiding van tafel
en bed uitgesproken en is een door de man te betalen alimentatie voor de
vrouw bepaald van ƒ 3.000,– per maand. Het vonnis is op 14 maart 1979
ingeshcreven in ht huwelijksgoederenregister van de rechtbank te Breda.

Bij beschikking van het hof te Leeuwarden van 20 januair 1982 is de door
de man voor de vrouw te betalen alimentatie gewijzigd in ƒ 414,– per maand.

Bij beschikking van de rechtbank te Groningen van 28 maart 1989 is de door
de man voor de vrouw te betalen alimentatie gewijzigd in ƒ 690,– per maand.

In afwachting van voornoemde beschikking zijn de partijen in onderling
overleg overeengekomen dat de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie
wordt vastgesteld op ƒ 750,– per maand, voor het eerst te betalen op 16
april 1989.

Op 28 juli 1995 heeft de man de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht om
de overeenkomst tot betaling van een alimentatie aan de vrouw van ƒ 750,–
per maand, primair, met ingang van 1 mei 1995 althans 1 augustus 1995 te
stellen op nihil, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede
justitie zal vermenen te behoren, subsidiair om de alimentatieverplichting
jegens de vrouw met ingang van 1 juli 1997 te beëindigen.

Bij beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 21 november 1995
is zowel het primaire als het subsidiaire verzoek van de man afgewezen.

Dc man is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht, voorzover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw
beschikkenden het inleidende primaire verzoek tot nihilstelling van de
alimentatie ten behoeve van de vrouw per 1 mei 1995, althans 1 augustus
1995, althans wijziging op een zodanig tijdstip als het hof in goede justitie
zal vermenen te behoren, dan wel het susidiare verzoek tot beëindiging
van de onderhoudsplicht ingaande 1 juli 1997 alsnog te honoreren.

De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en verzocht de bestreden beschikking,
zonodig onder verbetering en/of aanvulling der gronden, te bekrachtigen,
met veroordeling van de man in de kosten van het geding zowel in eerste
aanleg als in hoger beroep.

Op 10 april 1996 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling behandeld.
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon ter terechtzitting
verschenen.

BEOORDELING VAN DE ZAAK IN HOGER BEROEP

1. De man heeft gesteld dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden
in de zin van artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, sinds
de vrouw naast de door de man te betalen alimentatie van ƒ 750,– per maand,
maandleijks een kwart van zijn pensioen krijgt uitgekeerd. Volgens de man
hebben de partijen gedurende het huwelijk niet in een zodanige welstand
geleefd dat de vrouw aan beide bedragen behoefte heeft. De man heeft aangevoerd
dat alleen gedurende de laatste drie jaren voordat de partijen zijn gescheiden
van tafel en bed de welstand hoger was. De vrouw heeft een AOW-uitkering
en volgens de man heeft zij ook nog rente-inkomsten uit de door haar ontvangen
schadevergoeding van ƒ 160.000,–, waardoor haar levensstandaard ruim boven
het bijstandsniveau ligt. Ter terechtzitting heeft de vrouw medegedeeld
dat haar vermogen nog ongeveer ƒ 60.000,– bedraagt.
De draagkracht van de man staat niet ter discussie.

2. Het hof acht het redelijk dat bij de bepaling van de behoefte van de
vrouw uitgegaan wordt van de welstand waarin de partijen leefden ten tijde
van de scheiding van tafel en bed. De partijen hebben de laatste drie jaren
voor de scheiding van tafel en bed een bepaalde mate van welstand genoten,
die behoorde bij het ambt dat de man bekleedde, en kort na scheiding van
tafel en bed is de man met pensioen gegaan. De winst bedroeg in de jaren
1976, 1977 en 1978 respectievelijk ƒ 170.610,-, ƒ 258.640,- en ƒ 164.667,-.
Het hof acht aannemelijk dat de vrouw sinds de scheiding van tafel en bed,
waarna zij van 1982 tot 1987 aangewezen is geweest op een (aanvullende)
bijstandsuitkering, beneden dit welstandsniveau heeft geleefd en dat zij
thans de bijdrage ontvangt waaraan zij werkelijk behoefte heeft. Voor zover
de man stelt dat ook rekening moet worden gehouden met de toenmalige schuldenlast
van de man, gaat het hof aan deze stelling voorbij, aangezien voldoende
aannemelijk is geworden dat in hoofdzaak de man verantwoordelijk kan worden
gesteld voor het ontstaan van die schulden.

3. Naar aanleiding van het door de man aangevoerde met betrekking tot de
rente-inkomsten van de vrouw, zie zij verkrijgt uit haar vermogen, is het
hof van oordeel dat bij het bepalen van haar behoefte met de door haar
genoten rente-inkomsten geen rekening dient te worden gehouden. De vrouw
heeft namelijk veel schade geleden door toedoen van de omzetting van de
huwelijkse voorwaarden in een algehele gemeenschap van goederen, waardoor
het mogelijk werd voor door de man gemaakte zakelijke schulden het vermogen
van de vrouw aan te spreken, hetgeen ook daadwerkelijk is geschied, terwijl
die schade pas na jaren procederen aan de vrouw is vergoed. Voldoende aannemelijk
is geworden dat een groot deel van die schadevergoeding is besteed aan
de aflossing van leningen aan familie en vrienden en voorts uitgaven zijn
gedaan ten behoeve van de dochter van de partijen. Het restant van de schadevergoeding
en de daaruit te verkrijgen rente-inkomsten doen haar behoefte aan het
alimentatiebedrag dat de man thans betaalt niet verminderen.

4. Het hof is met de rechtbank (rechtsoverweging 4.4) van oordeel dat aan
de alimentatieovereenkomst van april 1989 niet ten grondslag lag dat de
vrouw afstand heeft gedaan van iedere aanspraak op pensioen, zodat het
recht van de vrouw op alimentatie niet is komen te vervallen, nu zij een
kwart van het pensioen krijgt uitgekeerd. Hetgeen door de man in zijn beroepschrift
(punten 6 en 7) is gesteld maakt dit niet anders.

5. Rekening houdend met het feit dat de vrouw tijdens het huwelijk van
de partijen ook huizen van behoorlijke omvang heeft gewoond, welke zij
destijds uit eigen vermogen heeft betaald, kan naar het oordeel van hof,
in aanmerking nemende haar leeftijd van 74 jaar, in redelijkheid niet van
de vrouw worden verlangd dat zij gaat verhuizen naar een goedkopere woning.
De behoefte van de vrouw wordt bepaald door haar huidige woonlast die zij
alleen draagt, nu de bijdaragen van de kinderen, die tot voor kort bij
haar woonden en die meedeelden in de lasten, zijn weggevallen.

6. Gelet op de huidige inkomsten van de vrouw en de welstand van de partijen
gedurende het huwelijk is het hof van oordeel dat de vrouw behoefte heeft
aan de in de overeenkomst tussen de partijen vastgestelde alimentatie van
ƒ 750,– per maand, zodat hetgeen de man heeft aangevoerd geen grond tot
wijziging van omstandigheden oplevert als bedoeld in artikel 1:401, eerste
lid, van het Burgerlijk Wetboek.

7. Naar aanleiding van het verzoek van de man om met ingang van 1 juli
1997 de alimentatieverplichting te beëindigen is het hof van oordeel dat,
rekening houdend met d ehuidige leeftijd van de vrouw (74 jaar), de duur
van het huwelijk tot de scheiding van tafel en bed (bijna 28 jaar), de
omstandigheden dat de vrouw tijdens de huwelijkse samenleving niet heeft
gewerkt en voor de man en de drie kinderen van de partijen heeft gezorgd,
alsmede en in het bijzonder de omstandigheid dat de vrouw pas sinds kort
kan leven overeenkomstig haar werkelijke behoefte, beëindiging van de alimentatie
per 1 juli 1997, zelfs indien in aanmerking wordt genomen dat de vrouw
thans een kwart van het ouderdomspensioen van de man ontvangt, van zo ingrijpende
aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van
de vrouw kan worden gevergd. Het hof wijst derhalve het verzoek van de
man tot beëindiging van de alimentatieverplichting met ingang van 1 juli
1997 af. Nu de partijen dit niet hebben verzocht en, gelet op hun leeftijd
van 82 respectievelijk 74 jaar, niet te verwachten valt dat in de toekomst
in hun financiële situatie anders dan op grond van een wijziging van de
draagkracht van de man of de behoefte van de vrouw nog veel zal veranderen,
ziet het hof er vanaf om een bepaalde termijn vast te stellen waarop de
alimentatie moet eindigen.

8. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om het verzoek van de vrouw tot
veroordeling van de man in de kosten van de procedure in beide instanties
toe te wijzen, aangezien het hof het verdedigbaar acht dat de man in het
licht van de ontvangst door de vrouw van een kwart van zijn ouderdomspensioen
en de inwerkingtreding van de Wet Limitering Alimentatie de omvang van
zijn onderhoudsplicht achtereenvolgens aan de rechtbank en het hof ter
beoordeling heeft voorgelegd, zodat de kosten tussen de partijen zullen
worden gecompenseerd.

9. Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking dient te worden
bekrachtigd.

BESLISSING
Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van
21 november 1995;
bepaalt dat de man en de vrouw ieder de eigen kosten dragen van het geding
in hoger beroep.

Rechters

Mrs Von Brucken Fock, Van den Wildenberg en Wortmann

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 mei 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft een verzoek van verzoekster om taakvermindering na
afloop van haar ouderschapsverlof afgewezen. De Commissie stelt vast dat de
wederpartij geen direct onderscheid naar geslacht maakt. In de onderhavige
zaak staat naar het oordeel van de Commissie vast, dat de reden voor de
weigering van een parttime dienstverband is gelegen in het feit dat
verzoekster niet aan de uren-eis van de wederpartij kan of wil voldoen. Deze
eis van de wederpartij heeft op zichzelf niets met geslacht van doen. De
uitwerking van een dergelijke eis, kan in de praktijk echter wel zodanig zijn
dat daardoor in overwegende mate personen van een geslacht nadelig getroffen
worden.
Met betrekking tot het streven van de wederpartij om vrijkomende uren eerst
aan te bieden aan degenen die noodgedwongen een deeltijdaanstelling hebben
aanvaard, ziet de Commissie niet in, waarom dit streven per definitie zou
moeten prevaleren boven het realiseren van deeltijdwensen van anderen.
Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen indirect onderscheid naar geslacht maakt
door van verzoekster te eisen dat zij de functie van groepsleerkracht voor
minimaal 23 uren per week vervult.
De Commissie beveelt daarom aan om daadwerkelijk te trachten in het
onderhavige geval een aanstelling voor 50% (met een wisselend rooster op de
woensdag) dan wel een aanstelling voor 17 uur per week te realiseren met
inachtneming van de door de wederpartij gehanteerde doelstellingen. Een
vermoeden van indirect onderscheid zal pas dan gerechtvaardigd kunnen worden,
als gebleken is van een daadwerkelijke feitelijke onmogelijkheid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 16 januari 1996 verzocht mevrouw (…) te Leidschendam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) met
spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting (…) te
Rijswijk (hierna: de wederpartij) onderscheid maakt op grond van geslacht in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
1.2. De wederpartij heeft een verzoek van verzoekster om taakvermindering na
afloop van haar ouderschapsverlof afgewezen. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelt.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en conform het
verzoek van verzoekster de spoedprocedure toegepast. Partijen zijn opgeroepen
voor een zitting op 27 februari 1996. Voorafgaand aan de zitting is de
wederpartij in de gelegenheid gesteld om haar standpunt schriftelijk uiteen
te zetten, waarvan verzoekster een afschrift heeft ontvangen.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…) (gemachtigde, voorzitter medezeggenschapsraad)
– dhr. (…)
van de kant van de wederpartij:
– mw. (…) (bestuurslid)
– mw. (…) (bestuurslid)
– mw. (…) (directeur Petrusschool, toehoorder)
van de kant van de Commissie:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.3. Tijdens deze zitting bleken partijen bereid nader met elkaar in overleg
te treden teneinde te trachten tot een schikking te komen. De Commissie heeft
vervolgens de procedure aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te
stellen in onderling overleg tot een oplossing te komen.
Beide partijen is verzocht om de resultaten van het overleg binnen vier weken
aan de Commissie te laten weten. Na afloop van deze termijn hebben partijen
bericht gestuurd, waaruit bleek, dat het gevoerde overleg niet tot
overeenstemming heeft geleid. Op basis van deze berichten heeft de Commissie
aan beide partijen nadere informatie gevraagd over de verschillende
standpunten.
2.4. Het oordeel is vervolgens vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. De wederpartij is een stichting waaronder vier basisscholen te Rijswijk
ressorteren, zij is derhalve werkgever voor de bij deze scholen werkzame
personeelsleden.
Verzoekster is sinds 15 augustus 1980 werkzaam als leerkracht op een van deze
scholen, te weten de (…) school.
Verzoekster heeft een voltijd-dienstverband voor onbepaalde tijd.
3.2. Op 13 oktober 1994 is verzoekster moeder geworden. Zij was van 3
september 1994 tot aan 22 december 1995 (gedeeltelijk) afwezig vanwege
zwangerschaps-, bevallings- en ouderschapsverlof.
3.3. Tijdens het ouderschapsverlof van 22 december 1994 tot
21 december 1995 werkte verzoekster gedurende twee dagen, 17 uur per week.
Dat heeft voor die periode geen problemen opgeleverd.
3.4. In verband met de verzorging van haar kind, heeft verzoekster in
september 1995 aan de wederpartij verzocht om haar na afloop van het
ouderschapsverlof 17 uur per week te laten werken. De wederpartij ging hier
bij brief van 13 oktober 1995 niet mee akkoord, omdat zij van mening was dat
de parttime aanstelling, zoals verzoekster die wenste, een (te) grote druk
geeft op de totale organisatie van de school. Het beleid van de wederpartij
is erop gericht om alleen onder bepaalde voorwaarden deeltijdarbeid toe te
staan, waarbij het beleid gericht is op aanstellingen voor vier dagen per
week (31,5 uur). Ook op een herhaald verzoek van verzoekster in november 1995
wordt door de wederpartij in december 1995 afwijzend gereageerd.
Als gevolg van deze afwijzingen is verzoekster sinds 22 december 1995 weer
voltijds werkzaam.
Op 21 maart 1996 heeft de wederpartij een aanbod gedaan aan verzoekster om
haar gedurende een periode van maximaal 6 maanden, of zoveel eerder als door
de Commissie een oordeel is gegeven, buitengewoon onbetaald verlof voor twee
dagen per week te verlenen.
De standpunten van partijen
3.5. Verzoekster stelt het volgende.
De wederpartij maakt onderscheid naar geslacht, als bedoeld in artikel 1
onder c juncto 5 onder d van de Algemene wet gelijke behandeling (hierna:
AWGB) indien zij weigert om haar in de door haar gewenste deeltijd te laten
werken. Dit verzoek heeft namelijk alles te maken met haar zwangerschap en
moederschap. Wegens de verzorging van haar kind kan zij niet vijf dagen per
week blijven werken.
Tijdens haar ouderschapsverlof heeft zij ook 17 uur per week gewerkt en dat
heeft geen problemen gegeven. Verzoekster wijst er daarbij op, dat het beleid
van de wederpartij het heel moeilijk maakt om in deeltijd te gaan werken.
Vier dagen per week is wel mogelijk, maar alleen op medische gronden kan een
dienstverband van drie dagen mogelijk zijn en minder dan drie dagen is
helemaal niet mogelijk.
In het overleg met de wederpartij dat is gevoerd na de zitting van de
Commissie heeft verzoekster zich bereid getoond een dienstverband van 50% te
aanvaarden, waarbij zij iedere week twee gehele dagen werkt en eenmaal per
twee weken de woensdag. Verzoekster is van mening dat een dergelijke
constructie niet tot praktische problemen hoeft te leiden. Zij wijst er
daarbij op, dat op veel basisscholen in het land leerkrachten werken met een
betrekkingsomvang van 50%.
Het op 21 maart 1996 gedane aanbod voor een tijdelijk onbetaald verlof van
twee dagen per week acht zij onvoldoende duidelijk, mede omdat hiermee geen
structurele oplossing wordt bereikt.
3.6. De wederpartij stelt het volgende.
Bij de wederpartij is een beleidsplan deeltijdwerk in voorbereiding.
Vooruitlopend daarop wordt elk verzoek om in deeltijd te gaan werken in
behandeling genomen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar geslacht.
Wel worden enkele voorwaarden gesteld aan het werken in deeltijd. Werken in
deeltijd mag niet in strijd komen met de uitgangspunten die de wederpartij
hanteert. Een van de belangrijkste uitgangspunten is, dat het werken in
deeltijd er nimmer toe mag leiden dat een klas wordt geleid door meer dan
twee leerkrachten. Gevolg hiervan is, aldus de wederpartij, dat werken in
deeltijd voor vier dagen per week altijd mogelijk is en dat voor werken in
deeltijd voor drie dagen per week een gemotiveerd verzoek aan de
schoolcommissie moet worden gedaan. Indien de schoolorganisatie zich hier
niet tegen verzet en het verzoek goed is gemotiveerd zal ook een dergelijk
verzoek worden gehonoreerd. Het beleid van verweerder gaat er tevens van uit,
dat zoveel mogelijk dezelfde voorwaarden moeten worden gesteld aan
personeelsleden die in deeltijd willen werken.
Verzoekster heeft echter alleen een verzoek gedaan om twee dagen per week te
mogen werken en dat is in strijd met de genoemde uitgangspunten van de
wederpartij. De deeltijdgrens ligt bij 23 uur (drie dagen) per week omdat een
dienstverband van 20 uur per week zou betekenen, dat er midden op de morgen
of middag van leerkracht gewisseld zou moeten worden, daar in het
basis-onderwijs niet alle lesdagen even lang zijn.
De wederpartij stelt voorts, dat het ook daarom verschil uitmaakt of iemand
17 of 23 uur per week werkt, dat de resterende uren moeten worden aangevuld,
waarbij in veel gevallen wachtgelders ingezet worden. Deze zijn niet voor
precies 17 of 23 uur per week beschikbaar. Dit betekent dat de aanvulling van
de uren van verzoekster door verschillende mensen bij elkaar gesprokkeld zou
moeten worden. Dit heeft ook gevolgen voor de andere scholen van de
wederpartij. Bovendien heeft het schoolbestuur zich verbonden om vrijgekomen
uren waarvoor geen wachtgelders zijn, aan te bieden aan personeelsleden die
noodgedwongen met een deeltijdbaan zijn gestart.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster bij het
bepalen van de arbeidsvoorwaarden onderscheid maakt op grond van geslacht in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
4.2. Voor wat de toepasselijke wetgeving betreft zijn de volgende
wetsartikelen van belang.
Op 1 september 1994 trad de AWGB in werking. Deze wet heeft de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB) en artikel 7A:1637ij
Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), op een aantal aanpassingen na, evenwel
onverlet gelaten.
Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt dat de werkgever onder andere in de
arbeidsvoorwaarden geen direct of indirect onderscheid tussen mannen en
vrouwen mag maken.
Onder direct onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van
zwangerschap, bevalling of moederschap.
Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond van geslacht tot
gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is (art. 1
juncto art. 6 WGB).
Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig effect van een maatregel in
overwegende mate personen van een geslacht treft, terwijl daarvoor geen of
niet voldoende objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn (Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, 13 mei 1986, Bilka- Kaufhaus versus
Weber von Hartz, zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung
GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88.
4.3. De Commissie stelt vast dat de wederpartij geen direct onderscheid naar
geslacht maakt. Daarvan zou immers slechts sprake zijn, indien aannemelijk is
dat de reden voor weigering van het gevraagde parttime dienstverband gelegen
is in het geslacht van verzoekster, dan wel haar zwangerschap of moederschap.
In de onderhavige zaak staat naar het oordeel van de Commissie vast, dat de
reden voor de weigering van een parttime dienstverband is gelegen in het feit
dat verzoekster niet aan de uren-eis van de wederpartij kan of wil voldoen.
Deze eis van de wederpartij heeft op zichzelf niets met geslacht van doen. De
uitwerking van een dergelijke eis, kan in de praktijk echter wel zodanig zijn
dat daardoor in overwegende mate personen van een geslacht nadelig getroffen
worden.
4.4. De Commissie is van oordeel dat dit in de onderhavige zaak het geval is.
Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het in deze maatschappij
vooral vrouwen zijn die in kleinere deeltijdbanen (willen) werken aangezien
zij het betaald werk veelal combineren met zorgtaken.
De eis dat een bepaalde functie gedurende 23 uur per week uitgeoefend wordt,
heeft dus tot effect dat met name vrouwen worden benadeeld. Dit leidt tot de
conclusie dat de wederpartij, door een dergelijke eis te stellen aan
verzoekster, vermoedelijk indirect onderscheid maakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
Ingevolge artikel 7A:1637ij lid 5 BW kan een vermoeden van indirect
onderscheid worden weerlegd, indien de wederpartij hiervoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond aandraagt. De Commissie toetst bij de vraag of sprake
is van een objectieve rechtvaardigingsgrond aan de volgende criteria (O.a. en
Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, 31 maart 1985, Jenkins versus
Kingsgate, 96/80, JUR 1981, p. 911):
– aan het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn en;
– de middelen die zijn gekozen om het doel te bereiken dienen te beantwoorden
aan een werkelijke behoefte en;
– deze middelen moeten geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.
De voorgangster van de Commissie, de Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, heeft reeds meermalen geoordeeld (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 26 januari 1994,
oordeelnummer: 667-94-05; Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 31 december 1993, oordeelnummer: 513-94-58; Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 31 december 1993,
oordeelnummer: 614-93-57; Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 24 juni 1991, oordeelnummer: 331-91-40) dat een
deeltijdbeleid, dat ten doel heeft om de goede uitoefening van een functie en
de continuïteit van de werkzaamheden in een organisatie te waarborgen, als
objectief gerechtvaardigd aangemerkt kan worden. De Commissie begrijpt, dat
de wederpartij als uitgangspunten voor een deeltijdbeleid hanteert, dat er
niet meer dan twee leerkrachten een klas mogen leiden en dat het rooster
zodanig moet zijn, dat er geen wisselingen gedurende de ochtend of middag
plaatsvinden. Ten aanzien van deze doelstellingen overweegt de Commissie dat
deze op zich als objectief gerechtvaardigd aangemerkt kunnen worden.
De vraag is echter of dit doel alleen bereikt kan worden door de eis te
stellen dat een leerkracht de bewuste functie gedurende minimaal 23 uur per
week uitoefent. Met andere woorden: is deze eis geschikt en noodzakelijk om
dit doel te bereiken en is dit doel niet op een andere wijze te bereiken,
waarbij geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.
4.5. De Commissie overweegt hieromtrent het volgende. Om te voorkomen dat de
norm van gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt uitgehold, dient
niet al te gemakkelijk te worden aangenomen dat bepaalde oplossingen die
gelijke behandeling ondersteunen niet mogelijk zijn. In de onderhavige zaak
zal daarom goed onderbouwd moeten worden, waarom deeltijdarbeid in dit geval
alleen mogelijk is onder de door de wederpartij aangegeven condities,
namelijk dat een leerkracht vier dagen per week of, indien zulks goed
gemotiveerd is drie dagen (23 uur) per week mag werken. De argumenten van de
wederpartij dat alleen met deze opties recht gedaan kan worden aan de door
haar gestelde doelstellingen, acht de Commissie niet overtuigend. De
voorwaarden zoals die door de wederpartij worden gehanteerd lijken
uitsluitend gebaseerd te zijn op theoretische verwachtingen omtrent de
problemen die kunnen optreden bij een flexibeler deeltijdbeleid. De
wederpartij heeft niet aangegeven dat de mogelijk te verwachten knelpunten
zich ook in de praktijk voordoen. Zo is niet aangetoond, dat een aanstelling
voor 50%, waarbij wekelijks twee dagen en om de week tevens een halve dag op
de woensdag gewerkt wordt, in de praktijk niet mogelijk is. Evenmin is het de
Commissie duidelijk waarom het wel mogelijk is om bij een aanstelling van 23
uur een aanvullende aanstelling van 17 uur te realiseren, maar het
omgekeerde, aanvulling van 23 uur op een aanstelling van 17 uur niet. Daarmee
wil de Commissie niet zeggen dat elke deeltijdwens op elk moment gehonoreerd
moet worden. In dit concrete geval is echter niet gebleken, dat inderdaad het
instemmen met de door verzoekster voorgestelde constructies tot
onaanvaardbare consequenties zou leiden.
Het argument dat er geen wachtgelders zijn die precies het aantal uren kunnen
opvullen dat door deeltijdwerk beschikbaar komt, geldt naar het oordeel van
de Commissie voor alle denkbare situaties waarbij in deeltijd wordt gewerkt.
Daarbij heeft de wederpartij niet aannemelijk kunnen maken dat in dit geval
het inschakelen van wachtgelders niet mogelijk zou zijn in aanvulling tot het
aantal uren dat men nodig heeft. Tenslotte is ook tijdens het
ouderschapsverlof van verzoekster het mogelijk gebleken om een aanvullende
aanstelling te realiseren.
Daarbij tekent de Commissie aan, dat blijkens de gegevens van het Centraal
Bureau voor de Statistiek met betrekking tot de taakomvang van het
onderwijzend personeel in het basisonderwijs in 1993 blijkt, dat in dat jaar
31.2% van de groepsleerkrachten een taakomvang van minder dan 60% had. (Tabel
CBS taakomvang onderwijzend personeel in het basisonderwijs 1993

fte aantal groepsleraren
< 0,1 701
0,1 – < 0,2 1703
0,2 – < 0,3 2864
0,3 – < 0,4 2128
0,4 – < 0,5 5207
0,5 – < 0,6 8833
0,6 – < 0,7 2305
0,7 – < 0,8 2035
0,8 – < 0,9 4808
0,9 – < 1,0 1948
> = 1,0 36221
totaal 68753

Hieruit meent de Commissie te kunnen afleiden dat een taakomvang van minder
dan de door de wederpartij gewenste 23 uur per week in principe wel te
realiseren moet zijn, ook met inachtneming van de doelstelling dat er niet
meer dan twee leerkrachten een klas kunnen leiden.
In de onderhavige zaak betekent dit dat de wederpartij, naar het oordeel van
de Commissie, onvoldoende heeft aangetoond dat zij andere mogelijke
oplossingen, zoals bijvoorbeeld een aanstelling voor 50%, genoegzaam heeft
onderzocht. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zulks feitelijk
onmogelijk is gebleken, en dat er onoverkomelijke problemen zouden ontstaan
indien twee personen de bewuste functie zouden uitoefenen met 17
respectievelijk 23 uur.
Met betrekking tot het streven van de wederpartij om vrijkomende uren eerst
aan te bieden aan degenen die noodgedwongen een deeltijdaanstelling hebben
aanvaard, ziet de Commissie niet in, waarom dit streven per definitie zou
moeten prevaleren boven het realiseren van deeltijdwensen van anderen.
Hiermee staat vast dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen indirect onderscheid naar geslacht maakt
door van verzoekster te eisen dat zij de functie van groepsleerkracht voor
minimaal 23 uren per week vervult.
De Commissie beveelt daarom aan om daadwerkelijk te trachten in het
onderhavige geval een aanstelling voor 50% (met een wisselend rooster op de
woensdag) dan wel een aanstelling voor 17 uur per week te realiseren met
inachtneming van de door de wederpartij gehanteerde doelstellingen. Een
vermoeden van indirect onderscheid zal pas dan gerechtvaardigd kunnen worden,
als gebleken is van een daadwerkelijke feitelijke onmogelijkheid.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting (…) te Rijswijk
in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek indirect onderscheid
naar geslacht maakt jegens mevrouw (…) te Leidschendam door te eisen dat
zij de functie van groepsleerkracht in het basisonderwijs minimaal 23 uren
per week vervult.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt(Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 mei 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is sedert 1 oktober 1985 bij de wederpartij in dienst als
medewerkster thesaurus. Zij is van mening dat de arbeid die zij verricht van
(nagenoeg) gelijke waarde is als de arbeid die twee mannelijke collega’s
(hierna: maatman 1 en maatman 2) verrichten, terwijl zij voor haar arbeid een
lagere beloning ontvangt. Na vergelijking van diverse functies concludeert de
Commissie dat verzoekster in haar tweede functie arbeid van hogere waarde
verricht dan maatman 2 in zijn tweede functie. Dit brengt in beginsel met
zich dat verzoekster recht heeft op loon dat tenminste gelijk is aan het loon
van maatman 2 in die functie.
Het verrichten van arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde als de maatmannen,
brengt echter niet zonder meer een recht op gelijke beloning met zich. Bij de
vaststelling van de hoogte van het salaris kunnen immers ook andere factoren
dan de waarde van de arbeid een rol spelen, zoals opleiding, kennis,
ervaring, marktwaarde en laatstgenoten salaris.
Op grond van artikel 9 WGB dienen voor de verschillende werknemers dezelfde
beloningsmaatstaven te worden gehanteerd. Derhalve zal beoordeeld moeten
worden of beloning op grond van gelijkwaardige maatstaven heeft
plaatsgevonden.
De tweede functie van verzoekster (B2) kan worden vergeleken met de eerste
functie van maatman 1 (B3). Het bruto maandsalaris van maatman 1 bedroeg aan
het begin van de onderzoeksperiode ƒ 5000. Hij verdiende derhalve ongeveer ƒ
800 meer dan verzoekster. Gelet op het feit dat verzoekster voor haar tweede
functie over voldoende ervaring beschikte, is het verschil in beloning niet
te verklaren.
Het verweer van de wederpartij dat na 1990 een ander salarisbeleid is gevoerd
en dat het salaris van maatman 3 daardoor aanmerkelijk lager is, doet aan het
voorgaande niet af. Dit feit neemt immers niet weg dat de wederpartij vóór de
reorganisatie in 1990 ongelijke beloningsmaatstaven heeft toegepast. De
ongelijkheid tussen het salaris van verzoekster en maatman 1 en 2 is na de
reorganisatie weliswaar kleiner geworden, maar desondanks blijven
voortbestaan.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden, als
bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

– Het aanvangssalaris van verzoekster werd vastgesteld op ƒ 3800 bruto per
maand, omdat verzoekster geen ervaring had met thesauri en niet over
productkennis beschikte. Zij werd daarom aangesteld in de functie van
assistent-medewerkster thesaurus. Met haar laatstgenoten salaris als
directie-secretaresse van ƒ 4950 bruto per maand werd geen rekening gehouden.
Bij aanvang van haar tweede functie bedroeg haar salaris ƒ 4174 en op de
datum van sluiting van de onderzoeksperiode ƒ 5090.
– Bij het vaststellen van het aanvangssalaris van maatman 1 is onder meer
rekening gehouden met het feit dat hij gedurende vijftien jaar werkzaam was
geweest als `technisch documentalist’ en ervaring had met thesaurus-opbouw.
Het aanvangssalaris van maatman 1 is -conform zijn salariseis- vastgesteld op
ƒ 5000. Zijn salaris bedroeg aan het einde van de periode waarin hij zijn
eerste functie vervulde ƒ 5301.
– Bij de vaststelling van het salaris van maatman 2 heeft onder meer zijn
productkennis en zijn kennis van de metaalbranche een rol gespeeld. De door
maatman 2 gestelde salariseis van ƒ 4527 bruto per maand, die beneden zijn
laatstverdiende salaris lag, is door de wederpartij geaccepteerd. Toen
maatman 2 werd benoemd in de functie van chef van de afdeling thesauri -aan
het einde van de eerste onderzoeksperiode- is zijn salaris verhoogd naar ƒ
5123. Na een jaar werd zijn functie gewijzigd -het begin van de tweede
onderzoeksperiode- en werd zijn salaris vastgesteld op ƒ 5297.
Aan de hand hiervan zal worden beoordeeld in hoeverre er bij de te
vergelijken functies gelijkwaardige maatstaven zijn gehanteerd.
De eerste functie van verzoekster (B1) kan worden vergeleken met de tweede
functie van maatman 2 (B6). Verzoekster genoot bij de aanvang van die functie
een bruto maandsalaris van ƒ 3800 en maatman 2 ƒ 5297. Beoordeeld moet worden
of, en zo ja, hoe dit verschil in beloning kan worden verklaard. In de eerste
plaats beschikte maatman 2 bij de aanvang van zijn dienstverband over een
aantal jaren relevante ervaring, die hij zowel in zijn vorige werkkring als
bij de wederpartij had opgedaan. Verzoekster beschikte daarentegen niet over
ervaring die voor de functie direct relevant was. Tijdens de zitting heeft
verzoekster onbetwist gesteld dat er voor iemand zonder relevante kennis of
ervaring ongeveer een periode van twee a drie jaar mee gemoeid was om
volledig in de functie van medewerker thesaurus ingewerkt te geraken. Op
grond daarvan zou het verschil in ervaring tot een beloningsverschil van
ongeveer twee a drie periodieken leiden. Op basis van de salarisschalen wordt
uitgegaan van een gemiddelde hoogte van een periodiek van ƒ 200. Op grond
hiervan kan een beloningsverschil van ƒ 400 tot ƒ 600 worden verklaard.
Voorts kan een deel van het verschil worden verklaard uit het feit dat
maatman 2 gedurende een jaar chef van de afdeling thesauri is geweest en hij
de daarmee gepaard gaande salarisverhoging van ƒ 336 (een periodiek) heeft
mogen behouden (De Commissie heeft eerder geoordeeld dat `verworven rechten’
als gelijkwaardige beloningsmaatstaf gehanteerd kan worden, Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 333-91-11).
In dat geval zou er nog een verschil in beloning resteren van ƒ 561 of ƒ 763.
Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de functies betrekking hebben op
verschillende tijdvakken. Immers, de eerste functie van verzoekster (B1) is
aangevangen op 1 januari 1985 en de tweede functie van maatman 2 (B6) op 1
januari 1991. Om te kunnen beoordelen of het beloningsverschil hierdoor
verklaard kan worden, zal worden gekeken naar de indeling in de
salarisschaal. Daarbij is het overzicht van de salarisschalen per 1 april
1994 -dat als bijlage C-2 bij het onderzoeksrapport is gevoegd- als
uitgangspunt genomen. De daarin genoemde bedragen verschillen weliswaar van
de salarissen van B1 en B6, maar de onderlinge verschillen zijn steeds gelijk
gebleven, evenals de structuur van de schaalindeling, zodat dit overzicht
voor de vergelijking van B1 en B6 gehanteerd kan worden.
Verzoekster werd na haar indiensttreding bij de wederpartij ingedeeld in
schaal 7.7. Maatman 2 werd bij de aanvang van zijn tweede functie ingeschaald
in 9.4. Op grond van het voorgaande kan een verschil van twee a drie
periodieken worden gerechtvaardigd op grond van de ervaring van maatman 2 en
een periodiek op grond van `verworven rechten’. Om een vergelijking te kunnen
maken moet het salaris van verzoekster met twee a drie periodieken voor
ervaring worden gecorrigeerd. Verzoekster zou dan van schaal 7.7 in schaal
8.3 respectievelijk 8.4 terecht komen. Het salaris van maatman 2 moet worden
gecorrigeerd met de periodiek, die was toegekend op grond van het feit dat
hij chef werd, hetgeen betekent dat zijn salarisschaal verschuift van 9.4
naar 9.3. Het verschil tussen de beide salarissen bedraagt dan nog drie
respectievelijk vier periodieken. Voor dit verschil is geen verklaring
gevonden.
De tweede functie van verzoekster (B2) kan worden vergeleken met de eerste
functie van maatman 2 (B5). Het bruto maandsalaris van verzoekster bedroeg
toen ƒ 4174 en dat van maatman 2 ƒ 4527. Het hogere salaris van maatman 2
baseert de wederpartij op zijn productkennis. Op grond van het feit dat er
-zoals in de vergelijking B1-B6 is overwogen- van moet worden uitgegaan dat
verzoekster na twee a drie jaar volledig in de functie van medewerkster
thesaurus was ingewerkt, moet tot de conclusie worden gekomen dat het
argument van de wederpartij om verzoekster een lager salaris toe te kennen
dan maatman 2 niet meer opging toen zij haar tweede functie ging vervullen.
Op dat moment beschikte zij immers over de benodigde ervaring. Voor het
verschil in beloning is dan ook geen verklaring te vinden.
De tweede functie van verzoekster (B2) is zwaarder dan de tweede functie van
maatman 2 (B6). Zoals onder 4.3. is overwogen betekent dit in beginsel dat
zij recht heeft op een salaris dat tenminste gelijk is aan dat van maatman 2.
Hoewel het verschil in de loop van de onderzoeksperiode verkleind is tot ƒ
210, blijft het feit dat maatman 2 startte met een bruto maandsalaris van ƒ
5297, hetgeen een verschil oplevert van ƒ 1123. Een deel van dit verschil kan
wellicht worden verklaard door het feit dat maatman 2 gedurende een jaar de
functie van chef afdeling thesauri heeft vervuld en hij het daarmee gepaard
gaande hogere salaris heeft mogen behouden. Echter, het verschil in beloning
is naar het oordeel van de Commissie dermate groot dat dit niet enkel en
alleen verklaard kan worden door `verworven rechten’.
De tweede functie van verzoekster (B2) kan tenslotte worden vergeleken met de
eerste functie van maatman 1 (B3). Het bruto maandsalaris van maatman 1
bedroeg aan het begin van de onderzoeksperiode ƒ 5000. Hij verdiende derhalve
ongeveer ƒ 800 meer dan verzoekster. Gelet op het feit dat verzoekster -zoals
ook in de vergelijking B2-B5 is overwogen- voor haar tweede functie over
voldoende ervaring beschikte, is het verschil in beloning niet te verklaren.
4.5. Het verweer van de wederpartij dat na 1990 een ander salarisbeleid is
gevoerd en dat het salaris van maatman 3 daardoor aanmerkelijk lager is, doet
aan het voorgaande niet af. Dit feit neemt immers niet weg dat de wederpartij
voor de reorganisatie in 1990 ongelijke beloningsmaatstaven heeft toegepast.
De ongelijkheid tussen het salaris van verzoekster en maatman 1 en 2 is na de
reorganisatie weliswaar kleiner geworden, maar desondanks blijven
voortbestaan.
4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de wederpartij jegens
verzoekster onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in de
arbeidsvoorwaarden, als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie gelijke behandeling spreekt als haar oordeel uit dat (…) te
Woerden jegens mevrouw (…) te Woerdense Verlaat onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt in de arbeidsvoorwaarden, zoals bedoeld in de artikel
2 Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen, respectievelijk artikel 7(A):1637ij
Burgerlijk Wetboek en de artikelen 7 tot en met 10 Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. W.A. van Veen(lid Kamer), mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma (secretarisKamer).

Instantie: Rechtbank Haarlem, 7 mei 1996

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Het slachtoffer is door zijn stiefvader seksueel misbruikt. Hiervoor is
gedaagde door de meervoudige strafkamer veroordeeld. Eiseres, de moeder van
het slachtoffer wil graag schadevergoeding.
De rechtbank kent een voorschot op de immateriële schadevergoeding toe van ƒ
1500 en ƒ 720 materiële schadevergoeding. De eis was ƒ 10 000 immateriële
schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure
1.1. Nadat de zaak enige malen pro forma is aangehouden, heeft eiseres ter
terechtzitting van 22 april 1996 overeenkomstig de dagvaarding gesteld en
gevorderd als hierna sub 2.2. weergegeven.
1.2. Na toelichting op de vordering van de zijde van eiseres, verweer van de
zijde van gedaagde en verder debat in tweede termijn hebben partijen onder
overlegging van de stukken vonnis gevraagd. De uitspraak daarvan is bepaald
op heden.
2. Het geschil van partijen.
2.1. De vaststaande feiten
In dit geding kan van het volgende worden uitgegaan:
a. I, geboren op 25 oktober 1983 te (…), is de oudste zoon van M en (…),
die hem als zijn zoon heeft erkend.
b. M is op 12 februari 1988 gehuwd met gedaagde, welk huwelijk door
echtscheiding is ontbonden in oktober 1991.
c. Op 15 november 1993 heeft M in haar hoedanigheid van wettelijk
vertegenwoordigster van I aangifte gedaan bij de politie Kennemerland terzake
van het plegen van ontuchtige handelingen door gedaagde jegens I in de
periode 1989/1990.
d. Bij proces-verbaal d.d. 1 december 1993 heeft I verklaard dat gedaagde in
1989 tenminste een keer ontuchtige handelingen met hem heeft verricht.
e. Blijkens proces-verbaal van verhoor van de politie Kennemerland d.d. 30
augustus 1994 heeft gedaagde voornoemde beschuldigingen ten stelligste
ontkend en verklaard onschuldig te zijn aan de hem ten laste gelegde
beschuldigingen.
f. Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank d.d. 9 oktober
1995 is gedaagde veroordeeld tot het verrichten van twee honderd en veertig
uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, bestaande uit schoonmaak-,
onderhouds-, verzorgende of administratieve werkzaamheden wegens het plegen
van ontucht met I in de periode van het jaar 1989 tot en met het jaar 1991.
g. Bij brief d.d. 15 november 1993 schrijven de assistent psychiatrie J.A.
van der Linden de kinder- en jeugdpsychiater E.A.F. van Weel aan de huisarts
H. Possel onder meer:
`(…)
I wordt via de polikliniek Kindergeneeskunde behandeld wegens soiling van
ontlasting bij een wisselend moeizaam defaecatiepatroon. Tijdens de intake
voor deelname aan het biofeedbackprogramma kwam naar voren dat zijn
stiefvader vroeger met zijn piemeltje heeft gespeeld. Dit zou een keer zijn
gebeurd maar I was wel bang dat het vaker zou gebeuren. De moeder bemerkte
dat I ging stotteren wanneer zij hier met hem over probeerde te spreken. I en
zijn moeder waren het eens met verwijzing naar de polikliniek
kinderpsychiatrie.
Op 5 november j.l. heeft I zonder te stotteren het relaas aan zijn moeder
gedaan. Zijn moeder was er begrijpelijk erg door aangegrepen.
Wij maakten een nieuwe afspraak om te bezien of I baat zou kunnen hebben met
verdere begeleiding op onze polikliniek. Dit zal ook afhangen van de wijze
waarop zijn moeder het gebeurde verwerkt.
Over het effect op zijn defaecatiepatroon en soiling valt niets te
voorspellen. Het ligt voor de hand te menen dat de biofeedback training
middels anale manometrie voor I een te zware belasting betekent.’
h. Bij brief d.d. 15 maart 1995 schrijven de docenten R. de Weers en R.
Mulder van de basisschool `De Pleiaden’ aan de raadsvrouw van eiseres dat de
prestaties van I in de schooljaren 1991 t/m 1993 redelijk waren, ondanks het
feit dat hij veel verzuimde wegens allerlei lichamelijke klachten, dat zijn
concentratie normaal was en dat hij in die twee schooljaren ontzettend veel
lichamelijke klachten heeft gekend, zoals hoofdpijn, misselijkheid, problemen
met ontlasting.
2.2. De vordering en de grondslag daarvan
Eiseres vordert, zakelijk weergegeven, gedaagde te veroordelen tegen finale
kwijting te voldoen een bedrag van ƒ 720 in verband met de geleden materiële
schade, vermeerderd met de rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag
der algehele voldoening en een bedrag van ƒ 10 000 bij wijze van voorschot op
de immateriële schade vermeerderd met de rente vanaf de dag der dagvaarding
tot aan de dag der algehele voldoening.
Eiseres, stellende daarbij een spoedeisend belang te hebben, legt aan haar
vordering ten grondslag dag gedaagde zich ten opzichte van I schuldig heeft
gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen en derhalve onrechtmatig
jegens hem heeft gehandeld. Als gevolg van dit handelen heeft I grote schade
ondervonden en ondervindt deze thans nog.
2.3. Het verweer
Gedaagde heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd. Op dit verweer
zal bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.
3. Beoordeling van het geschil
3.1. Eiseres heeft zich voor het bewijs van haar stelling dat gedaagde
ontucht met I heeft gepleegd, beroepen op het hiervoor onder 2.1. sub f
vermelde strafvonnis. Daarmee staat het door gedaagde gepleegde misbruik en
het onrechtmatig handelen van gedaagde jegens I voldoende vast.
3.2. Gedaagde bestrijdt dat eiseres als gevolg van zijn handelingen schade
heeft geleden. Hij voert daartoe aan dat hij het misbruik niet heeft
gepleegd. Dit verweer faalt reeds omdat het strafvonnis in kracht van
gewijsde is gegaan.
3.3. Gedaagde heeft de gestelde materiële schade ad ƒ 720 niet weersproken
zodat dit bedrag kan worden toegewezen.
3.4. Voorts bestrijdt gedaagde dat I dat door zijn handelen immateriële
schade heeft geleden, nu I al voordien psychische en lichamelijke klachten
had.
3.5. Voor de toewijsbaarheid van een voorschot op een in de bodemprocedure te
vorderen schadevergoeding dient in het kader van een kort geding aannemelijk
te worden dat de klachten waarmee I te kampen heeft gehad en nog kampt in
zodanig verband staan met het seksueel misbruik door gedaagde dat de met de
klachten gepaard gaande schade hem als gevolg van dit misbruik kan worden
toegerekend.
3.6. Uit de hiervoor onder 2.1. sub g weergegeven brief d.d. 15 november 1993
van de assistent psychiatrie J.A. van der Linden en de kinder- en
jeugdpsychiater E.A.F. van Weel aan de huisarts H. Possel blijkt dat I bij
het AMC onder behandeling is geweest wegens soiling van ontlasting bij een
wisselend moeizaam defaecatiepatroon. Uit de hiervoor onder 2.1. sub h
weergegeven brief d.d. 15 maart 1995 van de docenten R. de Weers en R. Mulder
van de basisschool `De Pleiaden’ aan de raadsvrouw van eiseres blijkt dat I –
in hun opvatting – in de jaren 1991 tot en met 1993 ontzettend veel
lichamelijke klachten heeft gekend, zoals hoofdpijn, misselijkheid en
problemen met de ontlasting als gevolg waarvan hij veel lessen op school
heeft verzuimd.
3.7. Gelet op de inhoud van de hiervoor in 3.6. weergegeven brieven moet
voorshands worden aangenomen dat I ten gevolge van de handelingen van
gedaagde schade heeft geleden en nog steeds lijdt. Weliswaar valt niet uit te
sluiten dat (een deel van) de problemen waarmee I reeds voorafgaande aan het
delict door gedaagde kampte (waaronder migraine en epilepsie-aanvallen) van
enige invloed zijn op de huidige gediagnostiseerde problemen, maar
aannemelijk is dat het aan gedaagde verweten gedrag in ieder geval in
aanzienlijke mate aan de schade van I heeft bijgedragen.
3.8. In dit verband is van belang dat de toekenning van een zeker bedrag aan
schadevergoeding een geschikt middel voor I is om de ingrijpende gebeurtenis
te verwerken en aldus de schade voor de toekomst te beperken. De veroordeling
tot betaling betekent daarbij impliciet een `erkenning’ van het aangedane
leed.
3.9. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen de ernst van de aan
gedaagde verweten gedragingen dient een bedrag van ƒ 1500 passend te worden
geacht als voorschot op de vergoeding van de door I geleden immateriële
schade, zodat de vordering in zoverre zal worden toegewezen.
3.10. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde in de kosten van
dit geding worden veroordeeld.
4. Beslissing
De president:
4.1. Veroordeelt gedaagde om tegen finale kwijting aan eiseres te voldoen een
bedrag van ƒ 2220 (twee duizend tweehonderd en twintig gulden) als voorschot
op de geleden immateriële en materiële schade, te vermeerderen met de rente
vanaf de dag der dagvaarding 16 januari 1996, tot aan de dag der algehele
voldoening.
4.2. Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot aan de uitspraak
van dit vonnis aan de zijde van eiseres begroot op ƒ 508,20 aan verschotten
en op ƒ 1500 aan salaris van de procureur.
4.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
4.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. E.A. Coyajee-Kappers

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 mei 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is in 1985 bij de wederpartij in dienst getreden als leraar
Nederlands. Met ingang van 1 januari 1996 is de arbeidsovereenkomst
beëindigd. Verzoeker is van oordeel dat de wederpartij jegens hem onderscheid
heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij de promotie, bij de
arbeidsvoorwaarden en bij het beëindigen van de arbeidsrelatie.
Verzoeker heeft problemen met lesgeven in het VBO, en deze problemen staan
niet los van reacties op verzoekers homoseksuele gerichtheid. De Commissie
concludeert dat de wederpartij, door te besluiten dat verzoeker niet
permanent vrijgesteld zou worden van lesgeven in het VBO, geen direct of
indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij
de promotie dan wel bij de arbeidsvoorwaarden als bedoeld in de AWGB.
De Commissie concludeert tevens dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de
wederpartij door het niet inroosteren in de bovenbouw van verzoeker direct of
indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt,
daargelaten de vraag of het in deze een door verzoeker gesteld onderscheid
bij de promotie betreft dan wel een eveneens door de AWGB verboden
onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden.
De Commissie is van oordeel, dat hetgeen partijen hebben gesteld ten aanzien
van het – mede door de veranderlijke opstelling van verzoeker wisselend
verlopen – reïntegratie-/onderhandelingsproces voorafgaande aan het ontslag,
onvoldoende grond biedt om te kunnen concluderen dat in deze sprake is van
een door de wet verboden onderscheid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 10 augustus 1995 verzocht de heer (…) te Edam (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
de (…) te Volendam (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid heeft
gemaakt als bedoeld in de Algemene Wet Gelijke Behandeling (hierna AWGB).
Verzoeker is in 1985 bij de wederpartij in dienst getreden als leraar
Nederlands. Met ingang van 1 januari 1996 is de arbeidsovereenkomst
beëindigd. Verzoeker is van oordeel dat de wederpartij jegens hem onderscheid
heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij de promotie, bij de
arbeidsvoorwaarden en bij het beëindigen van de arbeidsrelatie, en aldus in
strijd met de AWGB heeft gehandeld.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft om versnelde behandeling
gevraagd. Dit verzoek is door de Commissie afgewezen.
Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 12 maart 1996.
2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– dhr. mr. A.S.M. van der Zanden (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (rector Don Bosco college)
– dhr. (…) (voormalig rector Don Bosco College)
– dhr. (…) (administrateur bij de wederpartij)
– mw. mr. G.J. Spaans (gemachtigde, juridisch medewerker bij Vereniging
Besturenorganisaties Katholiek Onderwijs)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).
2.3. Verzoeker heeft aanvankelijk de Commissie verzocht om een besloten
zitting, zoals bedoeld in artikel 17 van het Besluit werkwijze Commissie
gelijke behandeling (Staatsblad 1994, 606). Bij de aanvang van de zitting is
dit verzoek ingetrokken.
2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoeker is in 1985 in dienst getreden van de wederpartij als leraar
Nederlands op het onder het bevoegd gezag van de wederpartij ressorterende te
Volendam. Dit is een scholengemeenschap bestaande uit de onderwijssoorten
IVBO, VBO, MAVO, HAVO en Atheneum. Verzoeker heeft een eerste graads
bevoegdheid. Dit houdt in dat hij bevoegd is les te geven aan HAVO-4 en -5 en
Atheneum-4, -5 en -6, de zogenaamde bovenbouw.
3.2. De wederpartij kent voor docenten twee functies:
– docenten met een schaal 10-functie: dit zijn docenten met een 1e of 2e
graads bevoegdheid, die zijn benoemd om in het 2e graads gebied les te geven.
– docenten met een schaal 12-functie: dit zijn docenten met een 1e graads
bevoegdheid, die recht hebben om in het 1e graads gebied les te geven en zijn
benoemd om daar bij voorrang les te geven.
Daarnaast zijn er docenten met een schaal 10+-functie. Deze zijn benoemd in
het 2e graads lesgebied, maar hebben een hogere salarisschaal. Verzoeker
behoort tot deze categorie.
3.3. Verzoeker heeft twee maal schriftelijk gesolliciteerd naar een schaal
12-functie. De eerste sollicitatie vond plaats in 1989 en had betrekking op
de functie van decaan. De tweede sollicitatie, die in 1992 plaatsvond, had
betrekking op de functie van docent dyslexie. Deze sollicitaties hebben niet
tot een voor verzoeker positief resultaat geleid.
3.4. Verzoeker heeft, evenals de andere docenten, in het schooljaar 1993-1994
ook les gegeven in het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO). Dit was voor
verzoeker problematisch. Onder andere werden er door leerlingen opmerkingen
gemaakt over zijn homoseksuele gerichtheid. Verzoeker is hierdoor gedurende
zes weken arbeidsongeschikt geweest. Het lesrooster is vervolgens aangepast
in die zin dat zijn VBO-lessen door collega’s werden overgenomen. In het
najaar van 1994 werd op basis van een advies van de Bedrijfsgezondheidsdienst
besloten dat verzoeker ook in het schooljaar 1995-1996 geen VBO-lessen hoefde
te geven.
3.5. Op 2 februari 1995 heeft verzoeker zich ziek gemeld. Hij heeft de rector
meegedeeld dat hij niet naar school terug wilde keren, maar voorkeur gaf aan
afkeuring. Naar aanleiding daarvan is een afkeuringsprocedure bij het
Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds gestart. Nadien heeft verzoeker aangegeven
af te zien van de afkeuringsprocedure en de weg van het ontslag te willen
bewandelen. Op 4 mei 1995 gaf de bedrijfsarts te kennen dat verzoeker met
ingang van 8 mei volledig arbeidsgeschikt verklaard zou worden. Verzoeker
heeft tegen die beslissing beroep aangetekend. Tijdens een gesprek op 16 mei
1995 is afgesproken dat de ontslagprocedure opgeschort zou worden en dat
verzoeker zijn beroep tegen de arbeidsgeschiktverklaring zou intrekken. In
een volgend gesprek is afgesproken dat in gezamenlijk overleg een
ontslagbesluit opgesteld zou worden, verzoeker wachtgeld zou aanvragen en hem
een vergoeding toegekend zou worden. Op 23 juni 1995 liet verzoeker
telefonisch weten niet met het ontslag in te stemmen en naar school terug te
willen keren.
Naar aanleiding daarvan heeft op 6 juli 1995 opnieuw een reïntegratiegesprek
plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is verzoeker meegedeeld dat hij
uitsluitend lessen in de onderbouw zou kunnen geven. Wel werd verzoeker
toegezegd dat hij het komende schooljaar geen lessen aan het VBO hoefde te
geven. Vervolgens meldde verzoeker zich ziek. Bij brief van 19 juli 1995 gaf
de bedrijfsarts te kennen dat verzoeker met ingang van 1 augustus 1995
volledig arbeidsgeschikt verklaard zou worden. Verzoeker heeft tegen deze
beschikking op 24 juli 1995 bezwaar gemaakt. Hierop is op 5 september 1995
afwijzend beslist.
Vervolgens werd afgesproken dat verzoeker met ingang van 2 oktober 1995 met
de reïntegratie zou starten. Op 28 september 1995 gaf verzoeker telefonisch
te kennen toch de voorkeur te geven aan een ontslagprocedure. Met ingang van
1 januari 1996 is de arbeidsovereenkomst beëindigd.
De standpunten van partijen
3.6. Verzoeker stelt het volgende.
Hij bestrijdt de opvatting van de wederpartij dat hij geen belang meer heeft
bij zijn verzoek om een oordeel van de Commissie nu de arbeidsovereenkomst is
beëindigd. Deze omstandigheid is voor de beoordeling van de vraag of de
wederpartij in de dienstbetrekking onderscheid heeft gemaakt naar
homoseksuele gerichtheid niet relevant.
3.7. Verzoeker stelt allereerst dat de wederpartij onderscheid heeft gemaakt
als bedoeld in de wet bij de bevordering en promotie.
Verzoeker is destijds vanwege zijn ervaring in de bovenbouw en zijn goede
reputatie uitgenodigd te solliciteren bij de wederpartij. Hij ambieerde een
schaal 12-functie aangezien deze recht geeft op een bepaald aantal uren in de
bovenbouw.
Verzoeker heeft na zijn aanstelling niet alleen tweemaal schriftelijk, maar
ook diverse malen mondeling naar een dergelijke functie gesolliciteerd. Dit
vond plaats voor het najaar van 1994. Mondelinge toezeggingen dat hij een
dergelijke functie zou krijgen zijn echter nimmer gestand gedaan.
De wederpartij heeft verzoeker niet alleen ten onrechte niet in een
schaal-12-functie aangesteld, maar tevens getracht een degradatie tot stand
te brengen door verzoeker in het VBO in te zetten. Verzoeker heeft weliswaar
vanwege zijn problemen met VBO-leerlingen een tijdlang geen les in dat
onderwijsgebied hoeven geven, maar heeft niet de garantie gekregen dat dit zo
kan blijven. De door de wederpartij voorgestelde cursussen en begeleiding om
verzoeker voor dit onderwijsgebied bij te scholen en weerbaar te maken zijn
een lege huls. Door verzoeker uiteindelijk in het VBO terug te willen
plaatsen wordt door de wederpartij onderscheid bij de promotie gemaakt.
3.8. In de tweede plaats stelt verzoeker dat de wederpartij onderscheid maakt
bij de arbeidsvoorwaarden doordat niet adequaat is gereageerd op
discriminerende signalen van leerlingen en collega’s. De wederpartij dient
zorg te dragen voor een discriminatievrije werkomgeving.
In de periode van 1985-1987 werd verzoeker lastig gevallen door
discriminerende telefoontjes van leerlingen, waarin zij zich negatief
uitlieten over verzoekers homoseksuele gerichtheid. Door de toenmalige rector
is nagelaten hierop adequaat te reageren.
Verzoeker stelt ook te worden gebruikt als kop van jut. In 1992 werd hij naar
aanleiding van een klacht met betrekking tot een eindexamencijfer door de
rector ter verantwoording geroepen ten overstaan van de secties wiskunde en
Nederlands. Verzoeker werd na een onderzoek weliswaar in het gelijk gesteld,
maar voelde zich door de gang van zaken gekrenkt.
In 1993 is verzoeker uit een VBO-klas weggelopen vanwege opmerkingen van
leerlingen betreffende zijn homoseksuele gerichtheid. De wederpartij heeft
hierop niet gereageerd. Van de schoolleiding kreeg hij geen enkele steun en
van collega’s evenmin. Na een conflict in februari 1995 heeft verzoeker zich
ziek gemeld. Dit conflict betrof onenigheid tussen verzoeker en een collega
enerzijds en de rector anderzijds. Verzoeker en zijn collega werd de les
gelezen in een korte pauze, waarin onvoldoende tijd was voor een weerwoord.
3.9. In de derde plaats stelt verzoeker dat de wederpartij onderscheid heeft
gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding door hem onder druk te
zetten. Onder invloed van stress en op een moment dat hij zich feitelijk niet
met zijn raadsman kon verstaan heeft verzoeker een voor hem ongunstige
beëindigingsovereenkomst getekend. De gesprekken, die medio 1995 hebben
plaatsgevonden, heeft de wederpartij uitsluitend gevoerd om tot een
beëindiging van de arbeidsverhouding te komen en zodoende een lastige leraar
kwijt te raken.
Verzoeker betwist dat hij slecht gefunctioneerd zou hebben. De wederpartij
dient die stelling aan de hand van gespreksverslagen te onderbouwen. De
wederpartij is evenals de controlerende medische dienst, die hem telkens
arbeidsgeschikt verklaart, volledig voorbij gegaan aan het feit dat
verzoekers arbeidsongeschiktheid situatief is bepaald en verband hield met
zijn homoseksuele gerichtheid. Verzoeker stelt dat het jegens hem gemaakte
onderscheid moet worden gezien tegen de achtergrond van een hechte Volendamse
gemeenschap die voor hem op school tot een `homovijandige omgeving’ werd. De
vorm van discriminatie, die hij onderging, was veeleer impliciet dan
expliciet en loopt via kleine gebeurtenissen, die moeilijk aanwijsbaar zijn,
uit op een langzame afbraak van zijn functioneren. Zijns inziens is sprake
geweest van jarenlange `mobbing’, die in een organisatie met een slechte
sfeer toch al niet erg opvalt.
3.10. De wederpartij stelt het volgende.
Aangezien de arbeidsrelatie inmiddels is beëindigd, heeft verzoeker geen
belang meer bij de onderhavige procedure. Het verzoek hoeft om die reden niet
verder in behandeling te worden genomen.
Het is niet juist dat verzoeker met het oog op de bovenbouw benoemd zou zijn.
De wederpartij is ook niet bekend met toezeggingen door de toenmalige rector
aan verzoeker betreffende een benoeming in een schaal 12-functie. De reden om
een collega wel en verzoeker niet in bedoelde functie te benoemen was dat de
collega beter presteerde en verzoeker in de bovenbouw niet naar tevredenheid
functioneerde. Dit laatste blijkt onder andere uit het schriftelijke verslag
van een vergadering d.d. 1 april 1988 over de volgorde van personen die in
aanmerking komen voor een schaal 12-functie.
Het beleid van de wederpartij is erop gericht is dat alle docenten breed
inzetbaar zijn, dat wil zeggen dat alle docenten in de verschillende
onderwijssoorten werkzaam dienen te zijn. Ook mensen in een schaal 12-functie
geven les in de onderbouw.
Verzoeker heeft een tweedegraads functie en dient dus in eerste instantie in
het tweede graads-lesgebied onderwijs te geven. Het VBO valt daar ook onder.
Om verzoeker terwille te zijn heeft de wederpartij hem na zijn ziekte in 1994
geen VBO-lessen meer gegeven. Hij zou de tijd krijgen zich met behulp van
cursussen weerbaar te maken. Collega’s van verzoeker moesten die lessen in
het VBO voor hem opvangen. Er is dus voor verzoeker juist een positief
onderscheid gemaakt.
De wederpartij had verzoeker voor het schooljaar 1995-1996 alleen
ingeroosterd in de onderbouw vanwege zijn regelmatige uitval. Vanwege dit
discontinuïteitsrisico is voor het belang van de leerlingen gekozen.
Ook waren er problemen met de inroostering omdat, nadat op 16 mei 1995
overeenstemming was bereikt over de (wijze van) beëindiging van de
arbeidsovereenkomst met verzoeker, deze op 22 juni weer stelde daarvan af te
willen zien. Op 12 juli 1995 heeft de wederpartij verzoeker onder meer
schriftelijk laten weten deze beslissing te willen respecteren, maar door de
hierdoor ontstane problemen met inroostering verzoeker alleen in de onderbouw
te kunnen plaatsen, althans voor het desbetreffende schooljaar.
De wederpartij merkt bovendien op, dat zich de afgelopen jaren problemen
hebben voorgedaan met betrekking tot het functioneren van verzoeker. Er zijn
talloze klachten geweest van leerlingen en ouders. De klachten zijn vanaf 1
augustus 1992 bijgehouden. In het schooljaar 1993-1994 is een aantal
gesprekken gevoerd. Daarin is ook aan de orde geweest wat verzoeker in de
toekomst zou willen doen. Hij gaf aan een eigen bedrijfje te willen.
Aangeboden is zijn uren te verminderen; ook is outplacement aangeboden.
Verzoeker stelde de gesprekken op prijs. Zijn homoseksuele gerichtheid is in
die gesprekken niet ter sprake geweest.
3.11. Ten aanzien van het mogelijk onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden
stelt de wederpartij er bekend mee te zijn dat in 1985 (in de tijd van de
toenmalige rector) een aantal leerlingen discriminerende opmerkingen heeft
gemaakt.
In 1993 is verzoeker om dezelfde reden een keer tijdens een les in het VBO
weggelopen. Daarop heeft de directie ingegrepen. De leerlingen van de bewuste
klas zijn door de rector en de conrector zowel individueel als klassikaal
uitvoerig onderhouden over het voorval en in de loop van het schooljaar
begeleid. Het effect hiervan is niet te meten omdat verzoeker niet meer is
teruggekeerd.
Het is de wederpartij niet bekend welk conflict er in februari 1995 zou
hebben plaatsgevonden.
3.12. Aangaande mogelijk onderscheid bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst stelt de wederpartij dat, indien verzoeker zelf niet had
weggewild, er geen ontslag had plaatsgevonden. De klachten van leerlingen en
ouders zijn dan ook niet aan de Commissie overgelegd.
Aan de beëindiging van de arbeidsverhouding is een lang traject vooraf
gegaan. Allereerst is gesproken over reïntegratie. Daarna wisselde verzoeker
steeds van opvatting over het al dan niet terugkeren naar school. Na de
laatste afspraak dat hij weer zou beginnen wilde hij weer weg, hetgeen
slechts enkele dagen bericht werd voordat de reïntegratie van start zou gaan.
Toen heeft de wederpartij bij het tot een einde brengen van de
arbeidsverhouding spoed betracht.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid op
grond van homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt in strijd met de AWGB bij:
– de bevordering
– de arbeidsvoorwaarden
– het beëindigen van de arbeidsverhouding.
Artikel 5 AWGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid bij het beëindigen van een arbeidsverhouding (lid 1
sub b), bij de arbeidsvoorwaarden (lid 1 sub d) en bij bevordering (lid 1 sub
f).
De in de artikel 5 lid 2-6 AWGB genoemde uitzonderingen op bedoeld verbod
zijn in deze zaak niet van toepassing.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid direct en indirect onderscheid wordt begrepen.
Onder indirect onderscheid moet volgens laatstgenoemd wetsartikel worden
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan
homoseksuele gerichtheid, dat direct onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid tot gevolg heeft. Krachtens artikel 2 AWGB is indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid niet verboden indien dat
objectief gerechtvaardigd is.
Artikel 14 lid 1 sub b AWGB bepaalt onder meer dat de Commissie geen
onderzoek instelt indien het belang van de verzoeker kennelijk onvoldoende
is.
4.2. Het belang van verzoeker
De stelling van de wederpartij dat, nu de arbeidsverhouding met verzoeker is
beëindigd, verzoeker geen belang meer heeft bij een onderzoek door en een
oordeel van de Commissie kan niet worden onderschreven. De Commissie is van
oordeel dat het feit dat de arbeidsverhouding inmiddels beëindigd is niet
wegneemt, dat bij deze beëindiging en/of tijdens de arbeidsverhouding sprake
kan zijn geweest van een door de wet verboden onderscheid. Het belang van
verzoeker vervalt mitsdien niet bij het einde van de rechtsverhouding.
Derhalve kan niet worden gesteld dat het belang van verzoeker kennelijk
onvoldoende is zoals bedoeld in artikel 14 lid 1 sub b AWGB.
4.3. Het gestelde onderscheid bij de bevordering
De Commissie stelt vast dat de sollicitaties van verzoeker naar schaal
12-functies alle hebben plaatsgevonden voor 1 september 1994, de dag waarop
de AWGB in werking trad.
Aangezien de AWGB geen terugwerkende kracht heeft, kan dit handelen van de
wederpartij niet worden getoetst aan deze wet.
Derhalve kan niet tot strijd met de AWGB worden geconcludeerd, daargelaten de
vraag of in deze sprake zou zijn van onderscheid bij promotie, zoals
verzoeker stelt, danwel van – eveneens door de AWGB verboden – onderscheid
bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst.
Het les geven in het VBO heeft plaatsgevonden in het schooljaar 1993-1994,
derhalve voor de inwerkingtreding van de AWGB. Wat dit betreft kan het
handelen van de wederpartij evenmin aan de AWGB worden getoetst.
De klacht richt zich tevens tegen het besluit van de wederpartij dat
verzoeker na zijn reïntegratie uiteindelijk weer in het VBO-lesgebied zou
moeten functioneren. Deze beslissing dateert na de inwerkingtreding van de
AWGB en kan derhalve wel worden getoetst.
De Commissie constateert enerzijds dat de wederpartij rekening heeft willen
houden met verzoeker door hem vooralsnog geen VBO-klassen te geven, doch
sluit anderzijds niet uit dat die beslissing is ingegeven door de verwachting
dat de problemen die verzoeker in het verleden in het VBO heeft ondervonden,
zich wederom zouden voordoen. De Commissie overweegt dat de problemen in het
VBO niet los staan van reacties op verzoekers homoseksuele gerichtheid. Voor
zover deze problemen op de school te maken hebben met de homoseksuele
gerichtheid van verzoeker, acht de Commissie het tot de verantwoordelijkheid
van de wederpartij horen om in de richting van alle betrokkenen adequate
maatregelen te nemen.
Het lesgeven aan VBO-klassen maakt deel uit van verzoekers functie. Van de
wederpartij kan dan ook niet zonder meer worden verwacht dat zij verzoeker
voor dit deel van zijn functie blijft vrijstellen. Van de wederpartij kan wel
worden verwacht dat zij rekening houdt met verzoekers problemen in dit
lesgebied. De wederpartij heeft dit in zoverre gedaan dat zij hem begeleiding
heeft aangeboden, die er op was gericht hem weerbaarder te maken ten opzichte
van VBO-leerlingen. De vraag of deze inspanningen gelet op de omstandigheden
toereikend waren geweest kan niet worden beantwoord. Doordat de
arbeidsovereenkomst voortijdig is beëindigd, is deze begeleiding immers niet
tot stand gekomen. Wat de inhoud en het resultaat van deze begeleiding zouden
zijn geweest valt dan ook niet te voorspellen. Evenmin is bekend wanneer en
onder welke voorwaarden of omstandigheden onderwijs in het VBO voor verzoeker
weer aan de orde zou zijn. De Commissie concludeert derhalve dat de
wederpartij, door te besluiten dat verzoeker niet permanent vrijgesteld zou
worden van lesgeven in het VBO, geen direct of indirect onderscheid heeft
gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij de promotie dan wel bij de
arbeidsvoorwaarden als bedoeld in de AWGB.
Ten aanzien van de klacht van verzoeker dat de wederpartij hem bij diens
aanvankelijk voorgenomen terugkeer niet heeft ingeroosterd in de bovenbouw
voor het schooljaar 1995-1996 overweegt de Commissie allereerst dat zij niet
de taak heeft te oordelen over de inroostering van verzoeker als zodanig,
maar over mogelijk onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid jegens
verzoeker door de inroostering in de onderbouw. Verzoeker heeft naar het
oordeel van de Commissie, ook desgevraagd ter zitting, niet voldoende
concreet aangegeven dat zijn homoseksuele gerichtheid een rol heeft gespeeld
bij de inroostering, terwijl de argumenten van de wederpartij niet dermate
onvoldoende steekhoudend zijn dat een vermoeden van een verboden onderscheid
ontstaat. De Commissie concludeert derhalve dat onvoldoende aannemelijk is
gemaakt dat de wederpartij door het niet inroosteren in de bovenbouw van
verzoeker direct of indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid heeft gemaakt, daargelaten de vraag of het in deze een door
verzoeker gesteld onderscheid bij de promotie betreft dan wel een eveneens
door de AWGB verboden onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden.
4.4. Het onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden
De discriminerende telefoontjes van leerlingen en het voorgevallene ten
aanzien van het eindexamencijfer, waarbij verzoeker door de rector ter
verantwoording werd geroepen, hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding
van de AWGB. De Commissie kan derhalve het handelen van de wederpartij te
dien aanzien niet aan deze wet toetsen.
De wederpartij stelt niet bekend te zijn met het in 3.8. aangeduide conflict
in februari 1995, waarbij verzoeker en een collega de les zou zijn gelezen
door de rector. Verzoeker heeft ten aanzien van hetgeen naar zijn mening is
voorgevallen geen concrete informatie gegeven, die aannemelijk zou kunnen
maken dat het incident verband hield met verzoekers homoseksuele gerichtheid.
Op grond van het voorgaande kan niet tot de conclusie worden gekomen dat de
wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden jegens verzoeker direct of indirect
onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid als bedoeld
in de AWGB.
4.5. Het onderscheid bij de beëindiging van de arbeidsverhouding
De Commissie merkt allereerst op dat het haar taak is te oordelen over de
vraag of bij de beëindiging van de arbeidsverhouding de homoseksuele
gerichtheid van verzoeker een rol heeft gespeeld.
De Commissie is van oordeel, dat hetgeen partijen hebben gesteld ten aanzien
van het – mede door de veranderlijke opstelling van verzoeker wisselend
verlopen – reïntegratie-/onderhandelingsproces voorafgaande aan het ontslag,
onvoldoende grond biedt om te kunnen concluderen dat in deze sprake is van
een door de wet verboden onderscheid.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij, in tegenstelling tot medische
verklaringen over zijn arbeidsgeschiktheid, geconfronteerd wordt met een
arbeidsongeschiktheid die situatief is bepaald. Aan die omstandigheid mag
naar zijn mening niet voorbij worden gegaan. De Commissie overweegt
dienaangaande dat factoren, die van belang zijn voor verzoekers functioneren
tijdens de dienstbetrekking, meegewogen moeten worden bij de vraag of bij de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst een door de wet verboden onderscheid
is gemaakt. Dergelijke factoren, die mede betrekking kunnen hebben op de
arbeidsomstandigheden en de algehele werksfeer, dienen dan wel duidelijk te
worden gemaakt.
Dienaangaande heeft de Commissie geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is
geworden dat sprake was van onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid.
De Commissie concludeert derhalve dat ook met meeweging van de situatie,
waarin verzoeker op school verkeerde voorafgaande aan het reïntegratieproces,
onvoldoende aannemelijk is geworden dat de wederpartij bij de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond
van homoseksuele gerichtheid als bedoeld in de AWGB.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Volendam jegens de
heer (…) te Edam geen onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele
gerichtheid als bedoeld in artikel 5 lid 1 van de Algemene wet gelijke
behandeling en derhalve niet in strijd met deze wet heeft gehandeld.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer).

Instantie: President Rechtbank Utrecht, 2 mei 1996

Instantie

President Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres is door gedaagde verkracht. Gedaagde is hiervoor door het Gerechtshof
Amsterdam in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf
maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.
Eiseres was in 1991 ten tijde van de verkrachting, zestien jaar.
Eiseres vordert een bedrag van ƒ 759,50 materiële schadevergoeding en ƒ 15
000 immateriële schadevergoeding.
De rechtbank wijst een bedrag van ƒ 10 000 toe als voorschot op de
immateriële schadevergoeding en de gevorderde materiële schadevergoeding
wordt toegewezen.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding
Eiseres, hierna ook te noemen: O, heeft gedaagde, verder ook te noemen: V, in
kort geding doen dagvaarden. Op de dienende dag, 25 april 1996, heeft zij van
eis geconcludeerd overeenkomstig de inhoud van het exploot van dagvaarding,
waarvan een fotokopie aan dit vonnis is gehecht.
O heeft vervolgens bij monde van haar procureur haar vordering doen
toelichten mede aan de hand van overgelegde producties.
V heeft hierop bij monde van zijn procureur verweer doen voeren tegen de
vordering.
Na voortgezet debat, waarbij ook enige inlichtingen zijn verschaft door V in
persoon, hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. Bij arrest van 27 september 1993 heeft het Gerechtshof te Amsterdam in
hoger beroep bewezen verklaard dat V, O op 14 december 1991 heeft verkracht
en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes
maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. O was op 14 december
1991 16 jaar.
2.2. Het door V ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad op 31 mei 1994
verworpen.
2.3. O heeft als gevolg van het gebeurde op 14 december 1991 emotionele en
psychische klachten gekregen, waarvoor zij gedurende een aantal jaren
gesprekshulp heeft gehad bij verschillende hulpverleningsinstanties.
2.4. Bij aangetekend schrijven van 26 februari 1996 van haar raadsvrouwe
heeft O, V gesommeerd haar de hierna onder 3.1. omschreven bedragen te
betalen.
3. Het geschil en de beoordeling ervan
3.1. O vordert dat V haar een bedrag van ƒ 759,50 zal betalen als vergoeding
voor geleden materiële schade alsmede een bedrag van ƒ 15 000 als voorschot
op een vergoeding voor immateriële schade. Zij stelt dat de door V gepleegde
verkrachting jegens haar een onrechtmatige daad vormt, op grond waarvan hij
aansprakelijk is voor de dientengevolge door haar geleden schade. Deze schade
bestaat uit noodzakelijk gemaakte kosten alsmede uit emotionele en psychische
klachten.
3.2. V voert allereerst als verweer aan dat O niet ontvangen dient te worden
in haar vordering. Hij stelt dat het spoedeisende belang aan die vordering
ontbreekt, nu O sinds het gebeurde niets meer van zich heeft laten horen en
eerst in februari 1996 schadevergoeding heeft geclaimd. Dat een
schadevergoeding ten goede kan komen aan het verwerkingsproces, gaat na zo
een lange tijd niet meer op, aldus V.
3.3. Dit verweer wordt verworpen. Ten eerste kan een onherroepelijke
strafrechtelijke veroordeling de bewijslast van het slachtoffer in het
civiele proces aanzienlijk verlichten en heeft het tot mei 1994 geduurd
alvorens er in deze zaak zekerheid omtrent die veroordeling werd verkregen.
Ten tweede wordt thans algemeen aangenomen dat het in zaken als de
onderhavige geruime tijd kan duren, voordat de omvang van de schade van het
slachtoffer (ongeveer) duidelijk is, dan wel voordat het slachtoffer het
vorderen van schadevergoeding aankan. Ten slotte geldt dat het bedoelde
argument – dat een geldelijke genoegdoening aan het verwerkingsproces
positief kan bijdragen – niet minder valide wordt, indien dit
verwerkingsproces reeds in een vergevorderd stadium is gekomen. O kan
derhalve ontvangen worden in haar vordering.
3.4. Inhoudelijk voert V als verweer aan dat zijn strafrechtelijke
veroordeling niet zonder meer meebrengt dat hij ook naar maatstaven van
burgerlijk recht voor de schade van O aansprakelijk is. Tegen het gevorderde
voorschot op zichzelf voert hij aan dat dit, gelet op de omstandigheden van
het geval, te hoog is. Op dit verweer zal in het volgende nader worden
ingegaan.
3.5. Een veroordeling tot betaling van een geldsom zoals door O wordt
gevorderd, kan, afgezien van andere vereisten, alleen dan als voorziening in
kort geding worden gegeven, wanneer voldoende aannemelijk is dat een
vordering ter zake van die geldsom in een bodemprocedure zal worden
toegewezen. Derhalve moet onderzocht worden of die situatie zich hier
voordoet.
3.6. Bij het onder 2.1. vermelde strafrechtelijke arrest heeft het
Gerechtshof bewezen verklaard dat V, O heeft verkracht. Dit arrest is op
tegenspraak gewezen en in kracht van gewijsde gegaan en levert derhalve op
grond van artikel 188 Rv. dwingend bewijs op van die verkrachting.
3.7. Daarmee staat vast dat V zich onrechtmatig heeft gedragen jegens O,
zodat hij aansprakelijk is voor de daardoor onstane schade.
3.8. O heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de door haar opgegeven
materiële en immateriële schade rechtstreeks voortvloeien uit de
onrechtmatige gedragingen van V.
3.9. Uit dit een en ander volgt dat boven redelijke twijfel is verheven dat
ook de bodemrechter desgevraagd zal oordelen dat aan O een vergoeding voor de
genoemde schade toekomt. Daarmee is het bestaan van de vordering voldoende
aannemelijk geworden.
3.10. Ten aanzien van de omvang van de vordering geldt dat de door O
opgegeven materiële schade als zodanig niet door V is betwist, zodat de
vordering op dit punt voor toewijzing vatbaar is.
3.11. Ten aanzien van de immateriële schade heeft V betoogd dat deze in een
eventuele bodemprocedure op een lager bedrag dan gevorderd zal kunnen worden
bepaald. Hij wijst er daarbij op dat het Gerechtshof hem uiteindelijk heeft
veroordeeld tot een lagere straf dan waartoe hij in een `normale’
verkrachtingszaak veroordeeld zou zijn en in de eerste instantie ook
daadwerkelijk veroordeeld was.
3.12. Op dit punt dient mede in aanmerking te worden genomen dat het hier
gaat om een eenmalig intiem contact tussen een ruim 16-jarig meisje en een
bijna 21-jarige jongeman, waarbij (betrekkelijk) weinig geweld is gebruikt.
Er was geen sprake van een gezagsverhouding of een vergelijkbaar geestelijk
overwicht. Anderzijds is de emotionele en psychische schade van O niet gering
en is niet uitgesloten dat zij de gevolgen hiervan nog lange tijd zal
ondervinden. Bovendien is ter zitting uit het door V gevoerde verweer alsmede
uit zijn persoonlijke verklaring gebleken dat hij ook thans nog niet inziet
dat hij op zijn minst ernstig tekort geschoten is jegens O, of zelfs maar dat
hij zich in ernstige mate vergist kan hebben. Naar mag worden aangenomen,
werkt deze houding van V leedverzwarend voor O.
3.13. Op grond van dit een en ander wordt een bedrag van ƒ 10 000 als een
redelijk en billijk voorschot op de vergoeding voor de immateriële schade
beschouwd. Gelet op alle omstandigheden is het verantwoord om, vooruitlopend
op een eventuele beslissing van de bodemrechter, ook dit bedrag voor
toewijzing vatbaar te oordelen.
3.14. Een afweging van de belangen van partijen leidt niet tot een ander
oordeel. Gelet op de aard van de vordering wordt het restitutierisico niet zo
groot geacht dat dit aan toewijzing van de bedragen in de weg moet staan. De
vordering zal derhalve als hierna te vermelden worden toegewezen.
3.15. V zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de kosten
van dit geding worden veroordeeld. Aangezien aan O een toevoeging is verleend
op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, zal V deze kosten aan de griffier
van deze rechtbank dienen te voldoen.
4. De beslissing

De president:
4.1. veroordeelt V om aan O tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen
een bedrag van in totaal ƒ 10 759,50 (tienduizend zevenhonderdnegenenvijftig
gulden en vijftig cent), waarvan ƒ 759,50 voor vergoeding van materiële
schade en ƒ 10 000 voor vergoeding van immateriële schade;
4.2. veroordeelt V in de kosten van dit geding, tot aan deze uitspraak aan de
zijde van O begroot op ƒ 1500 (eenduizend vijfhonderd gulden) voor salaris
van haar procureur en op ƒ 501,49 (vijfhonderdeen gulden en negenenveertig
cent) voor verschotten;
4.3. bepaalt dat V de onder 4.2. vermelde kosten dient uit te betalen aan de
griffier van deze rechtbank, zulks op de voet van artikel 57b Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering;
4.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. W.L. de Koning-Beij