Instantie: College voor de beslissing in Eerste Aanleg in zaken van het MedischTuchtrecht ‘s-Gravenhage, 17 april 1996

Instantie

College voor de beslissing in Eerste Aanleg in zaken van het MedischTuchtrecht ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Klager heeft samengewoond met mevrouw J, uit welke relatie een tweeling is
geboren. Klager heeft de tweeling niet erkend. Toen de samenlevingsrelatie
eindigde, wilde hij dit alsnog doen, maar mevrouw J wilde daaraan niet
meewerken. Klager is toen een procedure begonnen. De huisarts van mevrouw J
heeft in het kader van deze procedure een schriftelijke verklaring afgegeven
waarin in strijd met de waarheid, volgens klager, wordt gesteld dat klager de
kinderen heeft mishandeld en waarin wordt aangeraden dat klager uitgebreid
psychiatrisch zou moeten worden onderzocht. Klager meent dat de arts daardoor
het vertrouwen in de stand der geneeskundigen heeft ondermijnd.
Het College komt tot de conclusie dat de arts in beginsel slechts gehouden is
gegevens te verstrekken welke hij ontleent aan de behandeling van zijn
patiënt. Daarbij dient hij zich ervan te onthouden conclusie of
waarde-oordelen hieraan te verbinden. In dit geval had de huisarts niet tot
een medisch oordeel over de klager kunnen komen, omdat hij op dit gebied niet
de vereiste deskundigheid bezit, klager niet had onderzocht en hem als
patiënt zelfs nooit had gezien. Daarom wordt de klacht gegrond verklaard.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding
De klacht is ontvangen op 26 juli 1995. Namens de arts heeft mr. O, advocaat
te C, bij brief van 8 september 1995 op de klacht gereageerd. Partijen hebben
gerepliceerd en gedupliceerd, waarna de mondelinge behandeling is bepaald op
woensdag 17 april 1996. Partijen zijn verschenen, de arts bijgestaan door
zijn voornoemde advocaat. Zij hebben hun standpunten mondeling toegelicht.
2. De klacht
Klager heeft een samenwoningsrelatie gehad met mevrouw J, uit welke relatie
een tweeling is geboren. Klager heeft die kinderen niet erkend. Toen de
samenlevingsrelatie eindigde, wilde hij dat alsnog doen, maar mevrouw J wilde
daar niet aan meewerken. Klager is toen terzake een procedure begonnen bij de
Arrondissementsrechtbank.
De arts is huisarts van mevrouw J. In het kader van de door klager
geëntameerde procedure bij de rechtbank heeft de arts aan de advocaat van
mevrouw J een schriftelijke verklaring afgegeven waarin in strijd met de
waarheid wordt gesteld dat klager de kinderen heeft mishandeld en waarin
wordt aangeraden dat klager uitgebreid psychiatrisch zou moeten worden
onderzocht. Klager meent dat de arts daardoor het vertrouwen in de stand der
geneeskundigen heeft ondermijnd.
3. Het standpunt van de arts
De arts stelt dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht, nu hij niet is
aan te merken als rechtstreeks belanghebbende bij de klacht. Klager is immers
nooit patiënt geweest bij de arts, terwijl niet is gebleken van enig ander
rechtens relevant belang.
De verklaring waarop de klacht doelt, is door de arts opgesteld ten behoeve
en met toestemming van zijn patiënte en afgegeven aan haar advocaat. De
verklaring bevat niet meer dan een bevestiging dat mevrouw J zich
verschillende malen tijdens het spreekuur tot de arts heeft gewend met
klachten over geestelijke en lichamelijke mishandeling, alsmede bedreiging
door klager. Voor de arts bestond geen aanleiding te twijfelen aan de
juistheid van deze klachten, zodat het hem raadzaam voorkwam dat geen
voorzieningen zouden worden genomen ten aanzien van de kinderen, zonder dat
eerst nader onderzoek had plaatsgevonden. De arts meent dat hij dusdoende
niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4. De beoordeling van de ontvankelijkheid
De door de arts afgegeven verklaring, waarop de klacht betrekking heeft,
luidt als volgt:
‘Verklaring ten behoeve van: J, (…) Hiermee verklaar ik dat bovengenoemde,
zich verschillende malen tot mij gewend heeft met klachten over geestelijke
en lichamelijke mishandeling door haar ex-vriend A.
De kaart van haar vorige huisarts vermeldt ook tweemaal deze klacht. Sinds
het uiteengaan van het paar bedreigt hij haar regelmatig. Zij is in
behandeling bij het RIAGG, maar hij wil zich niet onder behandeling stellen,
omdat hij zijn driftbuien en zijn gedrag naar haar niet als probleem wil
erkennen. Zij is bang voor hem en heeft lange tijd aan zijn eisen toegegeven.
Sinds zij zich assertiever durft op te stellen neemt zijn agressie toe en
achtervolgt en belastert hij haar. Hij is wel de biologische vader van de
tweeling, maar heeft bovengenoemde nooit financieel of pedagogisch gesteund.
Voordat er een omgangsregeling of erkenningsuitspraak komt, raad ik een
uitgebreid psychiatrisch onderzoek van A aan, alsmede een onderzoek c.q.
begeleiding van de kinderen door de kinderbescherming bij een omgangsregeling
met hun biologische vader.
Hopende U voldoende ingelicht te hebben, verblijf ik hoogachtend,…
De verklaring heeft, in elk geval mede, betrekking op klager. Nu de klacht is
gericht tegen het afgeven van deze verklaring, is klager rechtstreeks
belanghebbende bij de klacht en kan hij daarin worden ontvangen.
Het verweer wordt dus verworpen.
5. De beoordeling van de klacht
5.1. Op zichzelf is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat een huisarts, op
verzoek van zijn patiënt, schriftelijk feitelijke informatie geeft omtrent
hetgeen hem door de patiënt is medegedeeld. Tot het geven van inzage in het
medisch dossier/de patiëntenkaart, en het verstrekken van afschriften daarvan
op verzoek van de patiënt is een arts ingevolge van artikel 7:456 van het
Burgerlijk Wetboek in beginsel zelfs verplicht. Dit artikel is op 1 april
1995 in werking getreden. In dat licht bezien kan het een arts in het
algemeen niet met recht worden verweten dat hij informatie uit het medisch
dossier in een brief vastlegt en op die wijze aan de patiënt dan wel, zoals
hier, met instemming van de patiënt, aan een derde verstrekt. Wat de patiënt
voornemens is met de aldus op zijn verzoek verstrekte informatie te doen,
zoals bijvoorbeeld deze gebruiken in een gerechtelijke procedure, regardeert
de arts niet. Voor dat gebruik is de arts niet verantwoordelijk.
5.2. Ingevolge artikel 7:456 van het Burgerlijk Wetboek is de arts in
beginsel slechts gehouden gegevens te verstrekken welke hij ontleent aan de
behandeling van zijn patiënt. Daarbij dient hij zich ervan te onthouden om
aan die gegevens medische conclusies of waarde-oordelen te verbinden. Tot het
weergeven van die conclusies en het geven van waarde-oordelen is een
behandelend arts namelijk niet de geschikte persoon, aangezien dergelijke
conclusies en waarde-oordelen de arts-patiëntrelatie kunnen verstoren indien
deze de patiënt onwelgevallig zouden zijn. Gezien zijn relatie tot de patiënt
zal een behandelend arts voorts niet altijd onbevooroordeeld zijn. Bovendien
zal een behandelend arts veelal niet de specifieke deskundigheid bezitten op
het gebied waarop zijn oordeel wordt gevraagd en behoort hij het oordelen
mitsdien over te laten aan een op dat gebied gespecialiseerd persoon. Te dien
aanzien kan worden verwezen naar de Richtlijnen van de KNMG inzake het
afleggen van een Geneeskundige Verklaring.
5.3. In het onderhavige geval heeft de arts aan deze vereisten niet voldaan.
Niet alleen wordt in de verklaring niet ondubbelzinnig duidelijk gemaakt of
de arts de door hem vermelde feiten uitsluitend van zijn patiënte heeft
vernomen, maar ook matigt de arts zich een advies aan tot uitgebreid
psychiatrisch onderzoek van klager. Dit advies houdt de pretentie in dat de
arts daartoe in het onderhavige geval een medische reden had. Tot dit medisch
oordeel heeft de arts echter in redelijkheid niet kunnen komen, nu hij op dit
gebied niet de vereiste deskundigheid bezit, klager niet had onderzocht en
hem als patiënt zelfs nog nooit had gezien. Daarnaast verkeerde de arts, als
huisarts van J. niet in de onafhankelijke positie die vereist is om een
dergelijke verklaring af te leggen.
5.4. Dat de arts de verklaring op verzoek van mevrouw J, rechtstreeks aan
haar advocaat heeft toegezonden, maakt voor de beoordeling geen verschil.
5.5. De conclusie is dat de klacht gegrond is. Aan de arts zal de hierna te
noemen maatregel worden opgelegd. Daarnaast zal het College bepalen dat deze
beschikking, in geanonimiseerde vorm zoals voorgeschreven in artikel 13b van
de Medische Tuchtwet, zal worden gepubliceerd. Het College acht dit in het
algemeen belang, aangezien het met zekere regelmaat gevallen moet beoordelen
waarin artsen ten behoeve van patiënten verklaringen hebben afgegeven zonder
zich het ongeoorloofde en de soms verstrekkende gevolgen daarvan te hebben
gerealiseerd. Rechtdoende:
egt aan de arts de maatregel van waarschuwing op; bepaalt dat deze
beschikking zal worden bekend gemaakt met inachtneming van het bepaalde in
artikel 13b van de Medische Tuchtwet door plaatsing in de Staatscourant en
door aanbieding ter plaatsing aan de redacties van Medisch Contact en het
Tijdschrift voor Gezondheidsrecht;
uit ’s Rijks kas zullen aan klager of aan de persoon over wie geklaagd is
geen kosten vergoed worden voortvloeiend uit de behandeling van deze zaak.

Rechters

Mrs. J.S.W. Holtrop (vz), J.A.M. Ceha, dr. H.F. Heins, H.L. van Amerongen,prof. dr. H.A. Verbeek

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 17 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op grond van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De wederpartij heeft de
arbeidsovereenkomst niet verlengd. Volgens verzoekster is de reden hiervoor
gelegen in haar zwangerschap.
De Commissie heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat het besluit om een
tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te verlengen, een besluit betreffende het
aangaan van een arbeidsovereenkomst is.
De Commissie concludeert dat niet aannemelijk is gemaakt dat verzoekster
kennelijk dermate onvoldoende functioneerde dat haar arbeidsovereenkomst om
die reden niet kon worden verlengd. De Commissie acht het aannemelijk dat het
zwangerschapsverlof voor de wederpartij een probleem vormde, hetgeen leidt
tot het oordeel van de Commissie dat de afwezigheid van verzoekster in
verband met haar zwangerschap een rol heeft gespeeld bij het niet verlengen
van haar arbeidsovereenkomst.
De Commissie is daarom van oordeel dat de wederpartij heeft gehandeld in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 20 oktober 1995 verzocht mevrouw (…) te Maastricht (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Maastricht (hierna: de
wederpartij) een door de wet verboden onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt.
1.2. Verzoekster was werkzaam bij de wederpartij op grond van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De wederpartij heeft de
arbeidsovereenkomst niet verlengd. Volgens verzoekster is de reden hiervoor
gelegen in haar zwangerschap en handelt de wederpartij hiermee in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht.
Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 26 maart 1996. Tevens is voor
deze zitting de heer drs. (…) opgeroepen als getuige.
2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. mr. (…) (gemachtigde)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– dhr. mr. Th.J.M. Oostdijk (gemachtigde)
als getuige
– dhr. drs. (…) (externe accountant van de wederpartij)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).
2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Verzoekster is op 16 mei 1994 in dienst getreden bij de wederpartij op
basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van twaalf maanden voor 20 uur
per week. De wederpartij is een klein bedrijf waar acht a negen mensen
werkzaam zijn. Verzoeksters functie hield in het verzorgen van de financiële
administratie.
3.2. Verzoekster is door de externe accountant van de wederpartij ingewerkt.
Na verloop van tijd is deze ondersteuning afgebouwd. Bij haar indiensttreding
bestond een achterstand in de boekhouding.
Tijdens de proeftijd van twee maanden zijn geen klachten geweest over het
functioneren van verzoekster. Van 6 tot en met 23 juli 1994 is zij op
vakantie geweest. In de laatste week van juli 1994 heeft verzoekster haar
zwangerschap bij de wederpartij gemeld. Het zwangerschapsverlof van
verzoekster duurde van 26 december 1994 tot 18 april 1995.
De wederpartij heeft verzoekster op 4 april 1995 schriftelijk meegedeeld dat
haar contract, dat op 15 mei 1995 afliep, niet zou worden verlengd. De
wederpartij heeft degene die verzoekster tijdens haar verlof heeft vervangen,
een contract aangeboden.
3.3. In een brief van 23 september 1994, waarvan de wederpartij betwist dat
de ondertekening van haar afkomstig is, wordt de intentie uitgesproken om
verzoekster na afloop van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een
arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan te bieden. In deze brief staat
tevens vermeld dat over de werkzaamheden van verzoekster grote tevredenheid
bestaat.
De wederpartij heeft verzoekster op 10 april 1995 een getuigschrift ter
beschikking gesteld waarin verklaard wordt dat verzoekster haar werkzaamheden
tot volle tevredenheid heeft verricht.
De standpunten van partijen
3.4. Verzoekster stelt het volgende.
De wederpartij heeft haar arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet
verlengd vanwege haar zwangerschap en/of verminderde inzetbaarheid als gevolg
van de zwangerschap. Eerst nadat verzoekster via haar vakbond heeft
geprotesteerd tegen het niet verlengen van haar contract, heeft verzoekster
vernomen dat haar functioneren te wensen overliet.
Vanaf het moment dat verzoekster bij de wederpartij in dienst is getreden
heeft de wederpartij aangegeven zeer tevreden te zijn over verzoeksters
functioneren. Haar is meerdere malen te kennen gegeven dat men haar na afloop
van het jaarcontract voor onbepaalde tijd in dienst wilde nemen. Verzoekster
heeft nooit een slechte beoordeling gekregen. Ook de externe accountant van
de wederpartij gaf volgens verzoekster meermalen aan zeer tevreden te zijn
over verzoekster en heeft haar nooit kenbaar gemaakt dat zij slecht zou
functioneren.
Verzoekster stelt dat zij de wederpartij bij haar indiensttreding heeft
meegedeeld geen ervaring te hebben met het opstellen van jaarrekeningen. De
wederpartij vond dit echter geen probleem en heeft om die reden haar externe
accountant verzocht haar in te werken. Deze inwerkperiode bestond volgens
verzoekster uit ongeveer zes tot negen uur begeleiding. De ondersteuning van
de externe accountant is na verloop van tijd afgebouwd, omdat zij zelfstandig
kon functioneren.
De wederpartij heeft verzoekster de suggestie gedaan dat hij een
intentieverklaring zou tekenen met het voornemen om haar een contract voor
onbepaalde tijd aan te bieden. De wederpartij heeft deze verklaring in haar
bijzijn getekend. Tevens heeft de wederpartij een gunstig getuigschrift over
het functioneren van verzoekster verstrekt. De wederpartij had volgens
verzoekster, indien hij werkelijk niet tevreden was over haar functioneren,
kunnen volstaan met een neutraal gesteld getuigschrift.
3.5. Bij brief van 1 december 1994 heeft verzoekster de wederpartij verzocht
om tijdens haar verlof voor vervanging te zorgen. Verzoekster stelt dat de
wederpartij, nadat zij deze naar de stand van zaken met betrekking tot haar
vervanging tijdens haar zwangerschaps- en bevallingsverlof had geïnformeerd,
haar heeft meegedeeld er vanuit te gaan dat zij tot een week voor de
bevalling zou doorwerken en dan drie tot vier weken na de bevalling weer
terug zou komen. Vervanging zou niet nodig zijn omdat in dat geval de
opgelopen achterstand snel weer zou zijn ingelopen.
Verzoekster heeft daarna informatie ingewonnen bij het
Arbeidsbureau te Maastricht waar gesteld werd dat zij aanspraak maakte op het
wettelijk zwangerschapsverlof. De unit-manager van bedoeld Arbeidsbureau
verklaart bij brief van 1 februari 1996 aan verzoekster dat tijdens haar
contact met de consulent mevrouw (…) gesproken is over de wettelijke
regeling voor het zwangerschapsverlof en het verschil met hetgeen door de
wederpartij werd gevraagd. Genoemde verklaring meldt tevens dat de consulent
naar aanleiding hiervan verzoekster heeft geadviseerd contact op te nemen met
een professionele belangenbehartiger.
Vier weken voor de ingangsdatum van haar wettelijk zwangerschapsverlof bleek
dat er nog geen vervanging geregeld was. Verzoekster heeft daarop contact
opgenomen met de externe accountant van de wederpartij. Deze adviseerde
verzoekster om de wederpartij schriftelijk te verzoeken voor vervanging te
zorgen.
Uit de houding die de wederpartij ten aanzien van haar zwangerschapsverlof
aannam, leidt verzoekster af dat het haar kwalijk werd genomen dat zij
aanspraak wenste te maken op het zwangerschapsverlof en dat dit de aanleiding
vormde voor het niet verlengen van haar contract.
3.6. De wederpartij stelt het volgende.
Zij ontkent dat de zwangerschap van verzoekster een rol heeft gespeeld bij de
beslissing om het contract met verzoekster niet te verlengen. De reden voor
het niet verlengen van de arbeidsovereenkomst was enkel gelegen in het feit
dat verzoekster niet voldoende bekwaam was voor de functie. De wederpartij
stelt schriftelijk verzoekster zelfs ruim zes weken dagelijks van en naar het
werk te hebben vervoerd met een auto van de zaak hetgeen te maken had met
haar zwangerschap. Dit betekende echter niet dat verzoekster over de voor
haar functie vereiste kwaliteiten beschikte.
Ter zitting stelt de wederpartij dat verzoekster een verstuikte voet had en
dat de reden om haar die tijd van en naar haar werk te vervoeren lag in de
omstandigheid dat anders de boekhouding niet zou worden gedaan.
Verzoekster heeft de proeftijd van twee maanden nodig gehad om zich het
computerprogramma en de apparatuur waarmee de wederpartij werkt, eigen te
maken. In de proeftijd is daarom niet duidelijk geworden dat verzoekster niet
voldeed. Aangezien verzoekster vanwege haar vakantie pas na drie maanden echt
aan het werk kon, begon ook toen pas duidelijk te worden dat verzoekster niet
over praktijkervaring beschikte en geen verstand had van zelfstandig
boekhouden.
De wederpartij bestrijdt dat de begeleiding van verzoekster slechts zes tot
negen uur in totaal zou hebben bedragen. Zij heeft gemiddeld een uur per week
administratieve ondersteuning gehad van de externe accountant van de
wederpartij, naar schatting zeker gedurende drie a vier maanden. De externe
accountant heeft de wederpartij geadviseerd de arbeidsovereenkomst van
verzoekster niet te verlengen.
3.7. De wederpartij bestrijdt dat de afwezigheid in verband met zwangerschap
van verzoekster een probleem heeft gevormd.
De wederpartij trekt de waarde van de verklaring van het Arbeidsbureau
betreffende het zwangerschapsverlof in twijfel aangezien het een verklaring
de auditu is. De brief is geenszins een bewijs voor de stelling van
verzoekster dat de wederpartij veel moeite zou hebben gehad met haar
zwangerschapsverlof. De wederpartij heeft schriftelijk over de handelswijze
van het Arbeidsbureau in deze zaak geklaagd.
Verzoekster heeft de wederpartij pas begin december laten weten dat zij in
plaats van half januari 1995 al eind december 1994 gebruik wilde maken van
het recht op zwangerschapsverlof. Reeds eind oktober 1994 heeft de
wederpartij contact opgenomen met een uitzendbureau om een vervanger te
regelen. Eind november is de wederpartij met het Arbeidsbureau in contact
getreden over de ontstane vacature. Direct nadat de vacature bij het
Arbeidsbureau bekend was gemaakt werd een vervanger gevonden.
Aangezien deze vervanger uitstekend voldeed en tot veel meer in staat was dan
verzoekster, heeft de wederpartij er voor gekozen deze vervanger een contract
aan te bieden. Ter zitting stelt de wederpartij dat, indien er voor
verzoekster geen vervanging was geweest, het misschien mogelijk was geweest
dat haar een vast contract aangeboden was.
3.8. De wederpartij stelt ten aanzien van de intentieverklaring van 23
september 1994 dat deze niet van de directeur afkomstig is noch door deze
ondertekend alsmede dat recentelijk een beroep is gedaan op een grafologe
teneinde de echtheid van de handtekening te verifiëren.
Het gunstige getuigschrift is volgens de wederpartij verstrekt omdat
verzoekster haar best deed en op een lager niveau wel zou kunnen voldoen.
Werkgevers verstrekken bovendien zelden een ongunstig getuigschrift.
3.9. De getuige is extern accountant van de wederpartij en stelt in zijn
schriftelijke verklaring d.d. 30 augustus 1995 het volgende.
Hij was aanwezig bij het sollicitatiegesprek van verzoekster met de
wederpartij. Bij de reorganisatie van de administratie en het gereedmaken van
de jaarrekening 1994 van het bedrijf van de wederpartij is hem nadrukkelijk
gebleken, dat zowel de theoretische kennis van verzoekster alsook haar
praktische ervaring beduidend te licht zijn om zelfstandig de administratie
van de wederpartij te voeren. Mede hierdoor moest hij in de beginfase
gemiddeld een uur per week extra administratieve ondersteuning, later minder
geven. Hij heeft de wederpartij geadviseerd de arbeidsovereenkomst met
verzoekster niet te verlengen.
Ter zitting stelt de getuige dat hij bij de sollicitatie van verzoekster
onder de indruk was van haar curriculum vitae dat duidde op een gedegen
kennis van administratie in de breedste zin van het woord. Ondanks het gebrek
aan ervaring is verzoekster, gelet op haar kennis en enthousiasme,
aangenomen. In de periode mei 1994 tot september/oktober 1994 is de getuige
tien maal gedurende ongeveer een uur bij de wederpartij geweest, waarbij in
aanwezigheid van de wederpartij hijzelf en verzoekster gesproken hebben over
haar vragen. Deze betroffen niet de gang van zaken in het bedrijf maar
boekhoudkundige kwesties die zij, gelet op haar diploma, had moeten weten. De
getuige heeft verzoekster wel complimenten gemaakt, doch slechts over haar
inzet en niet over de kwaliteit van haar werk.
Hij heeft verzoekster geadviseerd een brief aan de wederpartij te schrijven
als zij het moeilijk vond met laatstgenoemde over het zwangerschapsverlof te
spreken.
4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt op grond van
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door de tijdelijke
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet te verlengen.
4.2. Artikel 7A:1637ij BW lid 1 verbiedt het maken van onderscheid tussen
mannen en vrouwen bij het aangaan of beëindigen van een arbeidsovereenkomst.
De Commissie heeft in eerdere uitspraken (Commissie gelijke behandeling, 23
mei 1995, oordeelnummer 95-15 en 24 juli 1995, oordeelnummer 95-29)
geoordeeld dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet te
verlengen, een besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst
is.
Artikel 7A:1637ij BW lid 5 bepaalt dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid. Onderscheid op
grond van zwangerschap, bevalling en moederschap is blijkens deze bepaling
een vorm van direct onderscheid.
De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof als een onlosmakelijk
en onvermijdelijk gevolg van de zwangerschap beschouwd moet worden en
daardoor op een lijn gesteld moet worden met de zwangerschap zelf (Commissie
gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer 95-15 en Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 15 maart 1994, oordeelnummer
620-94-24).
Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid vanwege zwangerschap en
bevalling komt derhalve overeen met direct onderscheid.
Ook indien zwangerschap niet de doorslaggevende reden is geweest bij het niet
aangaan van een overeenkomst maar daarbij mede een rol heeft gespeeld, is
volgens jurisprudentie van de Commissie in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen gehandeld (Commissie gelijke behandeling,
23 mei 1995, oordeelnummer 95-15 en Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, 8 mei 1990, oordeelnummer 172-90-31 en 23 juni
1992, oordeelnummer 518-92-37).
De wettelijke uitzonderingen op het verbod van direct onderscheid, genoemd in
artikel 7A:1637ij BW lid 2-4 zijn in deze zaak niet van toepassing.
4.3. De Commissie stelt vast dat de redengeving van de wederpartij voor het
niet verlengen van de arbeidsovereenkomst van verzoekster is gelegen in haar
onvoldoende functioneren, en dat verzoekster stelt nooit anders dan
tevredenheid te hebben geconstateerd over haar werkzaamheden. De Commissie
overweegt ten aanzien van het verweer van de wederpartij betreffende het
functioneren van verzoekster het volgende.
De wederpartij stelt dat, vanwege het feit dat verzoekster de proeftijd nodig
had om zich het computerprogramma en de bijbehorende apparatuur eigen te
maken alsmede vanwege haar aan de proeftijd aansluitende vakantie, pas vanaf
terugkomst van de vakantie in de laatste week van juli 1994 de eigenlijke
werkzaamheden van verzoekster konden worden beoordeeld. De wederpartij stelt
tevens dat eind augustus/begin september 1994 duidelijk was dat verzoekster
niet over de vereiste kwaliteiten beschikte. De Commissie stelt op grond
hiervan vast dat de wederpartij tot deze conclusie is gekomen in de loop van
ongeveer een maand.
De Commissie constateert voorts dat verzoekster niet werd ingewerkt door een
permanent aanwezige begeleider, maar door de externe accountant van de
wederpartij die in de periode van mei 1994 tot september/oktober 1994
ongeveer negen maal een uur begeleidingsgesprekken heeft gevoerd met
verzoekster.
De Commissie overweegt dat, indien binnen ongeveer een maand op basis van een
beperkt aantal contacten binnen die maand tussen verzoekster en haar
begeleider de overtuiging was ontstaan dat verzoekster niet aan de
functievereisten voldeed, het in de rede had gelegen dat zulks op enigerlei
wijze met verzoekster was besproken en/of gevolgen had voor de intensiteit
van de begeleiding van verzoekster.
De Commissie constateert evenwel dat bedoelde begeleiding is afgebouwd en dat
de stelling van verzoekster, dat tijdens de begeleidingsgesprekken haar
functioneren niet ter sprake is geweest, niet is weersproken door de
wederpartij en is bevestigd door de getuige. Tevens stelt de Commissie vast
dat de wederpartij ter zitting heeft verklaard dat, indien er geen vervanger
was geweest, verzoekster wellicht toch een contract had gekregen.
De Commissie concludeert uit het voorgaande, dat niet aannemelijk is gemaakt
dat verzoekster kennelijk dermate onvoldoende functioneerde dat haar
arbeidsovereenkomst om die reden niet kon worden verlengd.
4.4. De Commissie overweegt in verband met het voorgaande en tevens ten
aanzien van de stelling van verzoekster dat de reden voor het niet verlengen
van haar contract is gelegen in haar afwezigheid door zwangerschap als volgt.
Verzoekster stelt dat zij vanwege de problemen die de wederpartij had met
haar zwangerschapsverlof haar vervanging ter sprake heeft gebracht bij de
externe accountant. De Commissie stelt op basis van de getuigenverklaring van
laatstgenoemde vast dat deze haar in dat verband heeft geadviseerd de
vervanging schriftelijk bij de wederpartij ter sprake te brengen. De
Commissie constateert in de tweede plaats dat in de brief d.d. 1 februari
1996 van het Arbeidsbureau een verschil wordt vermeld tussen de rechten die
ontleend kunnen worden aan de wettelijke regeling betreffende
zwangerschapsverlof en hetgeen door de wederpartij werd verlangd. In de derde
plaats heeft de wederpartij ter zitting verklaard dat, indien er geen
vervanger was geweest, verzoekster toch wellicht een contract zou zijn
aangeboden.
Op grond van het voorgaande acht de Commissie het aannemelijk dat de
afwezigheid van verzoekster in verband met haar zwangerschap voor de
wederpartij een probleem vormde. Deze conclusie wordt onderstreept door het
feit dat de reden van de wederpartij om verzoekster zes weken dagelijks van
en naar haar werk te vervoeren, lag in de omstandigheid dat anders de
boekhouding niet zou worden gedaan.
4.5 De Commissie concludeert in 4.3. dat niet aannemelijk is gemaakt dat
verzoekster dermate onvoldoende functioneerde dat haar arbeidsovereenkomst om
die reden niet kon worden verlengd. De Commissie acht het in 4.4. tevens
aannemelijk dat het zwangerschapsverlof voor de wederpartij een probleem
vormde, hetgeen leidt tot het oordeel van de Commissie dat de afwezigheid van
verzoekster in verband met haar zwangerschap een rol heeft gespeeld bij het
niet verlengen van haar arbeidsovereenkomst.
De Commissie is op grond van het voorgaande van oordeel dat de wederpartij
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Maastricht jegens
mevrouw (…) te Maastricht onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
zoals bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek en daarmee heeft
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer).

Instantie: Rechtbank Zwolle zp Lelystad, 16 april 1996

Instantie

Rechtbank Zwolle zp Lelystad

Samenvatting


De man vordert medewerking van de vrouw aan de erkenning van de echtscheiding
naar Marokkaans recht, nadat op zijn verzoek de echtscheiding naar Nederlands
recht is uitgesproken. Hij wil op korte termijn trouwen naar Marokkaans
recht. De vordering wordt afgewezen, nu de man uitdrukkelijk heeft gekozen
voor toepassing van Nederlands recht. Toewijzing van de vordering zou de
vrouw het recht ontnemen verweer te voeren bij de Marokkaanse rechter. Naar
Marokkaans recht dienen nog een aantal zaken geregeld te worden. Het belang
van de vrouw om verweer te voeren bij de Marokkaanse rechter is groter dan
het belang van de man om op korte termijn te willen huwen naar Marokkaans
recht.

Volledige tekst

Verloop van de procedure
De man heeft de vrouw doen dagvaarden in kort geding.
De man heeft geconcludeerd van eis.
De vordering strekt ertoe bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
dat de vrouw wordt veroordeeld om, op straffe van een dwangsom van ƒ 500 per
dag, binnen zes werken na uitspraak met de man, op een daartoe door de man
met het consulaat te maken afspraak, op het consulaat van Marokko te
verschijnen en mee te werken aan een erkenning van de echtscheiding tussen
partijen naar Marokkaans recht. Kosten rechtens.
De procureur van de vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling van 2 april
1996 tegen de vordering verweer gevoerd.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarna zij de stukken hebben
gefourneerd voor het wijzen van vonnis.

Motivering

Vaststaande feiten
Tussen de man en de vrouw, die op 5 augustus 1987 te Nador, Marokko waren
gehuwd, is d.d. 28 juni 1985 op uitdrukkelijk verzoek van de man de
echtscheiding naar Nederlands recht uitgesproken door de
Arrondissementsrechtbank te Zwolle.
Naar Marokkaans recht is het huwelijk niet ontbonden.

Standpunt van de man
Het feit dat het huwelijk van partijen naar Marokkaans recht niet is
ontbonden belemmert de man in zijn wens op korte termijn met een Marokkaanse
te huwen.
Naar Marokkaans recht kan de man, behoudens bijzondere uitzonderingen die
zich hier niet voordoen, het huwelijk alleen ontbinden door verstoting. In
het verleden kon dit op het Marokkaans consulaat in Nederland gebeuren.
Hieraan is echter een einde gekomen. Sinds ongeveer een half jaar bestaat de
mogelijkheid van erkenning van de naar Nederlands recht uitgesproken
echtscheiding, welke erkenning kan geschieden op het Marokkaanse consulaat in
Nederland.
Voor deze erkenning is vereist dat de voormalige echtgenoten het eens zijn
met de echtscheiding en de gevolgen daarvan en dat zij gezamenlijk
op het consulaat van Marokko verschijnen om de legalisatie te bereiken. De
legalisatie kan niet bereikt worden namens beide, door een derde zoals een
gemachtigde.
Ondanks herhaald verzoek, wil de vrouw niet ingaan op het verzoek om de
erkenning van de echtscheiding op het consulaat te regelen en daartoe
gezamenlijk de juridische attaché van het consulaat te bezoeken.
Het weigeren van de medewerking betekent dat de man zou moeten afreizen naar
Marokko om aldaar gedaagde te verstoten. Bovendien zou de vrouw vanuit
Marokko moeten worden opgeroepen, hetgeen een enorme vertraging meebrengt.
De man is van mening dat de houding van de vrouw jegens hem in strijd is met
de redelijkheid en billijkheid die de relatie van partijen beheerst.

Standpunt van de vrouw
De vrouw is van mening dat de rechter in kort geding in casu niet
bevoegd is een voorlopige voorziening te treffen.
Aan de Nederlandse rechter komt geen rechtsmacht toe, omdat wat door de man
wordt gevorderd geen, danwel onvoldoende aanknopingspunten heeft met de
rechtssfeer van Nederland.
De vrouw is daarnaast van mening, dat de man niet-ontvankelijk dient te
worden verklaard in zijn vordering wegens het ontbreken van spoedeisend
belang. De man heeft in oktober 1994 de vrouw met de kinderen onverwachts
verlaten en een Nederlandse echtscheidingsprocedure gestart. In deze
echtscheidingsprocedure had de man de gelegenheid om te scheiden naar
Marokkaans recht. De man koos echter uitdrukkelijk voor toepassing van
Nederlands recht, zodat het voor zijn risico is, dat hij thans niet met een
Marokkaanse naar Marokkaans recht kan huwen. Het stond de man vrij om in
oktober 1994 gelijktijdig met het starten van de Nederlandse
echtscheidingsprocedure een (verstotings)procedure te starten in Marokko. Had
hij dit gedaan, dan had de man thans de mogelijkheid om opnieuw te huwen met
een Marokkaanse naar Marokkaans recht.
De vrouw is tevens van mening dat de man niet ontvankelijk dient te worden
verklaard in zijn vordering omdat de zaak niet vatbaar is voor kort geding,
althans de man heeft geen dringend belang bij de gevraagde voorziening,
danwel dat de gevraagde voorziening dient te worden afgewezen.
In feite komt de vordering van de man erop neer, dat de vrouw gedwongen wordt
haar recht prijs te geven om zich in het kader van de `Marokkaanse
echtscheiding’ voor eventueel verweer te wenden tot de Marokkaanse rechter,
die op grond van het Islamitische recht rechtspreekt, hetgeen onaanvaardbaar
is. De vrouw kan zich hier niet in vinden, omdat er naar Marokkaans recht nog
een aantal zaken geregeld dienen te worden.
Partijen zijn ex-echtgenoten naar Nederlands recht en `post-contractuele
trouw’ (huwelijkstrouw) bestaat niet.
Het belang van de vrouw om verweer te voeren bij de Marokkaanse rechter is
groter dan het belang van de man om op korte termijn te willen huwen met een
Marokkaanse naar Marokkaans recht.
De vrouw is van mening, dat er geen termen aanwezig zijn om over te gaan tot
het opleggen van een dwangsom en dat de man de vrouw onnodig in rechte heeft
betrokken, zodat de man dient te worden veroordeeld in de proceskosten.

Beoordeling van het geschil
De president is van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om in een
kort geding procedure te oordelen over de onderhavige vordering, het betreft
een vordering om te doen.
Uit de stukken en het ter zitting naar voren gebrachte blijkt onvoldoende het
spoedeisend belang van de man.
Het is immers de man geweest die tijdens de echtscheidingsprocedure
uitdrukkelijk heeft gekozen voor toepassing van het Nederlands recht, terwijl
het hem vrij stond om te kiezen voor een procedure naar Marokkaans recht. Het
is dan ook voor het risico van de man dat hij thans nog niet de mogelijkheid
heeft om op nieuw te huwen met een Marokkaanse naar Marokkaans recht.
Daarnaast is het voor de erkenning op het Marokkaanse consulaat in Nederland
van de naar Nederlands recht uitgesproken echtscheiding vereist, dat de
voormalige echtgenoten het eens zijn met de echtscheiding en de gevolgen
daarvan.
Indien de vordering van de man zou worden toegewezen, zou het gevolg voor de
vrouw zijn dat zij haar recht verliest om verweer te voeren bij de
Marokkaanse rechter in familiezaken.
De vrouw heeft immers te kennen gegeven dat er naar Marokkaans recht nog een
aantal zaken geregeld dienen te worden, hetgeen inhoudt dat zij verweer wenst
te voeren bij de Marokkaanse rechter, indien aldaar een
echtscheidingsprocedure zou worden opgestart.
Naar de mening van de president is het belang van de vrouw om verweer te
kunnen voeren bij de Marokkaanse rechter groter dan het belang van de man om
op korte termijn te willen huwen naar Marokkaans recht.
Op grond van het bovenstaande zal de gevraagde voorziening worden afgewezen.
De proceskosten zullen, nu de procedure voortvloeit uit de
echtscheidingsprocedure, worden gecompenseerd.

Beslissing
Wijst de vordering af.
Compenseert de proceskosten aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Everts

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 16 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij gesignaleerd
in de Intermediair van 3 november 1995. In de linkerhelft van de advertentie
staat in grote letters:
`(…) zoekt mannen met ballen’. In de rechterhelft van de advertentie staat
in kleine letters een toelichting waarin mensen die aan door de wederpartij
gestelde eisen voldoen, worden uitgenodigd te solliciteren naar de functie
van `credit manager’. In de toelichting is in kleine letters de vermelding
m/v opgenomen.
Door het feit dat met grote letters wordt aangegeven dat de wederpartij op
zoek is naar `mannen met ballen’ wordt in eerste instantie de suggestie
gewekt dat vrouwen niet op de functie kunnen solliciteren.
Bovendien wordt in de advertentie slechts een functiebenaming vermeld,
namelijk `credit manager’. In dat geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk
wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de betreffende functie in
aanmerking komen. Een dergelijke vermelding is slechts in een klein
onopvallend lettertype midden in de tekst opgenomen.
Daarmee staat vast dat uit de advertentie niet voldoende duidelijk blijkt dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.
De wederpartij heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel
3 lid 3 en lid 4 en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 19 januari 1996 verzocht de vereniging Anti Discriminatie Raad
Dordrecht te Dordrecht (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of door
(…) B.V. te Amsterdam (hierna: wederpartij) onderscheid is gemaakt bij de
aanbieding van een betrekking in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de Intermediair van 3 november 1995. In de linkerhelft van de
advertentie staat in grote letters:
`(…) zoekt mannen met ballen’. In de rechterhelft van de advertentie staat
in kleine letters een toelichting waarin mensen die aan door de wederpartij
gestelde eisen voldoen, worden uitgenodigd te solliciteren naar de functie
van `credit manager’. In de toelichting is in kleine letters de vermelding
m/v opgenomen.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een vereniging die zich blijkens haar statuten onder meer ten
doel stelt het opsporen, in de openbaarheid brengen en vooral bestrijden van
onder meer discriminatie op grond van geslacht.
Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in
overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB) en artikel 7a:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) beogen
te beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten
zoals gesteld in artikel 12 lid 2 sub e AWGB.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en op grond van
artikel 31 van het Besluit werkwijze Commissie gelijke behandeling besloten
om in deze zaak de vereenvoudigde behandeling toe te passen.
De wederpartij is eenmaal in de gelegenheid gesteld om op het standpunt van
verzoekster te reageren.

3.2. Het oordeel is namens de Commissie vastgesteld door de voorzitter.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

4.1. Verzoekster heeft een personeelsadvertentie van de wederpartij
gesignaleerd in de Intermediair van 3 november 1995. In de linkerhelft van de
advertentie staat in grote letters: `(..) zoekt mannen met ballen’. In de
rechterhelft van de advertentie staat in kleine letters een toelichting
waarin mensen die aan door de wederpartij gestelde eisen voldoen, worden
uitgenodigd te solliciteren. In deze tekst staat dat de wederpartij `dit type
m/v’en’ uitnodigt zich te ontwikkelen tot `credit manager’. Deze
functiebenaming is in grote letters afgedrukt.

4.2. Op 30 november 1995 heeft verzoekster een brief naar de wederpartij
gestuurd waarin zij bezwaar maakt tegen de advertentie. Daar de wederpartij
hierop niet reageerde, heeft verzoekster telefonisch contact opgenomen met de
wederpartij. In dit telefoongesprek zei een medewerkster van de wederpartij
dat het niet de bedoeling was te discrimineren maar dat de advertentietekst
de bedoeling had mensen te prikkelen en de indruk te geven dat men mensen met
sterke schouders zocht voor de functie.

5. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

5.1. Verzoekster is van mening dat de wederpartij bij het aanbieden van de
betrekking onderscheid heeft gemaakt tussen mannen en vrouwen en daarmee in
strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling, daar de
suggestie wordt gewekt dat men alleen mannen wilde werven.

5.2. De wederpartij is van mening dat de advertentie aan duidelijkheid niets
te wensen overlaat. In de advertentie komt volgens de wederpartij duidelijk
naar voren dat de wederpartij op zoek is naar zowel mannen als vrouwen.
De wederpartij wijst er verder op dat het eigen personeelsbestand voor 60 %
uit vrouwen bestaat.
De wederpartij vindt dat de tekst `mannen met ballen’ niet beledigend is. De
tekst `vrouwen met ballen’ zou wel beledigend van aard zijn. De gebruikte
tekst geeft aan dat de wederpartij op zoek is naar medewerkers die van
aanpakken weten en de tekst heeft een prikkelende functie gehad. De inhoud
van de tekst geeft ook aan dat de advertentie niets te maken heeft met de
keuze voor een sekse.

6. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

6.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van de
betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door in de onderhavige
advertentie nadrukkelijk te vragen om `mannen met ballen’, terwijl zij op een
onopvallende plaats in de tekst ook de vermelding m/v heeft gebruikt.

6.2. Daar de WGB op grond van artikel 4 sub a van de AWGB onverlet wordt
gelaten, toetst de Commissie de advertentie aan de bepalingen van
eerstgenoemde Wet.

6.3. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht onder meer bij de aanbieding van een betrekking.

6.4. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te maken
naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader uitgewerkt. Artikel
3 lid 3 schrijft voor dat uit tekst en vormgeving van een advertentie
duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

6.5. In het vierde lid van artikel 3 wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat of
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet worden,
of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

6.6. Met betrekking tot de onderhavige advertentie overweegt de Commissie het
volgende.
Door het feit dat met grote letters wordt aangegeven dat de wederpartij op
zoek is naar `mannen met ballen’ wordt in eerste instantie de suggestie
gewekt dat vrouwen niet op de functie kunnen solliciteren.
Bovendien wordt in de advertentie slechts een functiebenaming vermeld,
namelijk `credit manager’. In dat geval stelt de Wet de eis dat uitdrukkelijk
wordt aangegeven dat zowel mannen als vrouwen voor de betreffende functie in
aanmerking komen. Een dergelijke vermelding is slechts in een klein
onopvallend lettertype midden in de tekst opgenomen.
Daarmee staat vast dat uit de advertentie niet voldoende duidelijk blijkt dat
zowel mannen als vrouwen voor de functie in aanmerking komen.
De wederpartij heeft daarmee in strijd gehandeld met artikel 3 lid 3 en lid 4
en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

7. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) B.V. te Amsterdam bij de
aanbieding van de betrekking onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met artikel 3 lid 4 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, en
daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 3 en lid 1 van de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen heeft gehandeld.

Rechters

Prof. mr. J.E. Goldschmidt, Kamervoorzitter, I.M. Hidding, secretaris Kamer

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeksters voormalige werkgever had met ingang van 1 januari 1963 ten
behoeve van zijn werknemers een pensioenverzekering ondergebracht bij een
rechtsvoorganger van de wederpartij. Per 1 januari 1978 is een nieuwe
-verbeterde- pensioenregeling ingevoerd. Verzoekster was hiervan in verband
met afwezigheid vanwege arbeidsongeschiktheid niet op de hoogte en is niet
tot deze nieuwe pensioenregeling toegelaten. Zij is van mening dat zij van de
nieuwe regeling uitgesloten is, omdat zij vrouw is.
In dit geval is sprake van een verzekeraar die de totstandkoming en de
uitvoering van de arbeidsvoorwaarden met betrekking tot pensioen van de
werknemers die deelnemen aan de pensioenregeling mede bepaalt. Hoewel de
wederpartij niet vereenzelvigd kan worden met een werkgever, stelt de
Commissie vast dat gezien deze directe betrokkenheid van de wederpartij bij
zowel de totstandkoming als de uitvoering van de arbeidsvoorwaarden van de
betrokken werknemers op pensioengebied alsmede de hierboven aangehaalde
jurisprudentie van het HvJEG, het handelen van de wederpartij kan worden
getoetst aan artikel 5 AWGB.
De Commissie concludeert op grond van het voorgaande, dat het in artikel 5
AWGB gestelde verbod op het maken van onderscheid zich (mede) richt tot de
wederpartij. Verzoekster heeft geen feiten naar voren gebracht die
aannemelijk maken dat zij op grond van haar geslacht anders is behandeld dan
haar mannelijke collega’s. Van direct onderscheid op grond van geslacht is
dan ook geen sprake.
Uit de thans beschikbare gegevens blijkt wel dat er geen andere
arbeidsongeschikten in dienst bij de werkgever waren die wel tot de
pensioenregeling van 1978 zijn toegelaten.
Zodoende kan niet worden vastgesteld dat ten aanzien van verzoekster indirect
onderscheid is gemaakt in de zin van de AWGB door haar vanwege
arbeidsongeschiktheid uit te sluiten van de regeling van 1978.
Op grond van het bovenstaande oordeelt de Commissie dat de wederpartij niet
in strijd met de Wet heeft gehandeld door verzoekster van de nieuwe
pensioenregeling uit te sluiten.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK
1.1. Op 28 februari 1995 verzocht mevrouw (…) te Rotterdam (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.
1.2. Verzoeksters voormalige werkgever had met ingang van 1 januari 1963 ten
behoeve van zijn werknemers een pensioenverzekering ondergebracht bij een
rechtsvoorganger van de wederpartij. Per 1 januari 1978 is een nieuwe
-verbeterde- pensioenregeling ingevoerd. Verzoekster was hiervan in verband
met afwezigheid vanwege arbeidsongeschiktheid niet op de hoogte en is niet
tot deze nieuwe pensioenregeling toegelaten. Zij is van mening dat zij van de
nieuwe regeling uitgesloten is, omdat zij vrouw is.
2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE
2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
in gesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
2.2. De Commissie heeft informatie ingewonnen bij een aantal instellingen die
mogelijk over gegevens konden beschikken met betrekking tot het
personeelsbestand en de pensioenvoorzieningen van de voormalige en inmiddels
niet meer bestaande werkgever van verzoekster.
2.3. Partijen zijn opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten tijdens
een zitting op 26 maart 1996.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…) (echtgenoot verzoekster)
– dhr. (…) (toehoorder)
– mw. (…) (toehoorder)
van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (secretaris directie wederpartij)
– mw. mr. (…) (juridisch medewerkster wederpartij)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).
2.4. Na de zitting zijn door beide partijen aan de Commissie aanvullende
stukken overlegd.
2.5. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.
3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
De feiten
3.1. Van 4 januari 1962 tot 20 september 1979 was verzoekster in dienst bij
de Stichting (…), later overgegaan in de Stichting (…) (hierna: de
werkgever).
Uit hoofde van deze dienstbetrekking was op verzoekster met ingang van 1
januari 1964 van toepassing de pensioenregeling voor het administratief- en
leidinggevend personeel van het (..) te ‘s- Gravenhage, daterend van 1
januari 1963. Deze pensioenverzekering was door de werkgever ondergebracht
bij de verzekeringsmaatschappij (…), later de (…), beide
rechtsvoorgangers van de wederpartij.
Op 19 september 1977 is verzoekster arbeidsongeschikt geworden. Zij ontving
gedurende een jaar een uitkering op grond van de Ziektewet. Met ingang van 19
september 1978 werd zij volledig arbeidsongeschikt bevonden. Hierna ontving
zij een WAO-uitkering. Per 20 september 1979 is verzoekster ontslagen. Tot
deze datum heeft zij haar pensioenpremie afgedragen. Daarna werd haar op
basis van het hierboven genoemde pensioenreglement van 1963
premievrijstelling verleend.
Met ingang van 2 februari 1979 is voor de werknemers in dienst bij de
werkgever met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1978 een nieuw
pensioenreglement tot stand gekomen. Dit was het pensioenreglement van de
Stichting (…), de Stichting (…), de Vereniging (…) en de Stichting
(…). Bij de totstandkoming van deze pensioenregeling trad de Stichting
(…) op als vertegenwoordiger namens de werkgever van verzoekster.
Pas jaren later heeft verzoekster geconstateerd dat zij niet is toegelaten
tot de nieuwe pensioenregeling. Tot het einde van haar arbeidsovereenkomst is
het pensioenregelement uit 1963 op haar van toepassing geweest.
3.2. De werkgever van verzoekster is met ingang van 18 september 1980
ontbonden en met ingang van 9 november 1988 is het bestaan van de werkgever
formeel geëindigd.
3.3. De wederpartij is de verzekeraar die de pensioenregelingen van de
voormalige werkgever van verzoekster uitvoert. Sedert
1 maart 1990 verstrekt de wederpartij aan verzoekster uit hoofde van het
pensioenreglement van 1963 een pensioenuitkering.
3.4. De Commissie heeft nadat bleek dat de wederpartij niet over deze
gegevens beschikt, verscheidene andere instellingen gevraagd naar gegevens
omtrent de samenstelling van het totale personeelsbestand van de voormalige
werkgever. Tevens is gevraagd of er andere arbeidsongeschikten in dienst
waren bij de werkgever alsmede naar de gang van zaken rondom de toetreding
tot de nieuwe pensioenregeling. Geen van deze instellingen beschikte over de
gevraagde gegevens.
De voormalige directeur van verzoekster heeft verklaard dat er bij zijn weten
in de periode 1978-1980 niemand anders zoals verzoekster 100%
arbeidsongeschikt was. Er was wel een gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werknemer die tot aan de ontbinding van de werkgever gedeeltelijk is blijven
werken.
De standpunten van partijen
3.5. Verzoekster stelt dat zij doordat zij niet tot de nieuwe
pensioenregeling is toegelaten, financieel is benadeeld. De pensioenregeling
van 1978 kent, anders dan die uit 1963, onder meer een jaarlijkse verhoging
van de pensioenuitkering van 2% voor elk meetellend dienstjaar toe. De schade
die zij door de uitsluiting heeft opgelopen bedraagt volgens een door
verzoekster ingeschakelde actuaris circa ƒ 180 000.
Verzoekster stelt dat al haar mannelijke collega’s tot de nieuwe
pensioenregeling zijn toegelaten. De ene vrouwelijke collega die in de
pensioenregeling van 1978 werd opgenomen was haar vervangster, in verband met
ziekte. Verzoekster is van mening dat hier sprake is van een verboden
onderscheid op grond van geslacht.
Verzoekster stelt dat zij door haar voormalige werkgever niet op de hoogte is
gesteld van de totstandkoming van de nieuwe
pensioenregeling.
Verzoekster meent dat op basis van artikel 10, derde lid van het reglement
van 1978 een herkeuring had moeten plaatsvinden alsmede aan haar een
alternatieve regeling had moeten worden aangeboden. In het bewuste artikellid
staat dat bij minder gunstige levens- en/of validiteitskansen van de
deelnemer zoveel mogelijk in overeenstemming met het pensioenreglement een
bijzondere regeling wordt getroffen, waarbij van de deelnemer een bijdrage in
de eventuele extra kosten kan worden verlangd. Verzoekster meent dat deze
bijzondere regeling niet tot stand is gekomen omdat zij vrouw is.
Verzoekster is van mening dat haar geslacht ook de reden is waarom de
wederpartij niet aan haar heeft meegedeeld dat de nieuwe pensioenregeling
niet op haar van toepassing zou zijn. De wederpartij heeft door dit na te
laten tevens in strijd gehandeld met de pensioenwetgeving.
3.6. Volgens de wederpartij is de reden waarom verzoekster niet in het nieuwe
pensioenreglement is opgenomen haar arbeidsongeschiktheid ten tijde van de
inwerkingtreding. Dit staat ook als zodanig vermeld in de door de wederpartij
overgelegde brief d.d. 26 februari 1979 van de pensioenverzekeraar aan de
werkgever alsmede in het bij deze brief behorende overzicht van werknemers
die gelijktijdig met verzoekster in dienst waren.
De wederpartij wijst op artikel 10, eerste lid, van het pensioenreglement uit
1978. Hierin staat dat de aanspraken van dit pensioenreglement ontstaan nadat
de verzekeraar het risico heeft aanvaard. In geval van reeds bestaande
arbeidsongeschiktheid bij de totstandkoming van een pensioenregeling wordt
het overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsrisico niet in dekking genomen door
de pensioenverzekeraar.
Het is gebruikelijk dat bij de totstandkoming van een nieuwe pensioenregeling
met de werknemers die op dat moment arbeidsongeschikt zijn, wordt afgesproken
dat de reeds bestaande pensioenregeling voor hen blijft gelden, omdat
zodoende de dekking van het overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsrisico kan
worden gehandhaafd.
Bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid werd steevast de opgave van de
werkgever alsmede de beslissing van het Gemeenschappelijk Administratie
Kantoor (hierna: GAK) gevolgd. Van een pensioenkeuring of een
arbeidsongschiktheidskeuring was derhalve geen sprake.
Artikel 10, derde lid van de pensioenregeling uit 1978 is vooral bedoeld voor
die gevallen waarin sprake is van arbeidsongeschiktheid bij de totstandkoming
van de pensioenregeling terwijl er bij de werkgever nog geen pensioenregeling
bestaat. De toepassing van dit artikel is in alle gevallen, in verband met de
kosten, afhankelijk van de bereidheid van de werkgever de extra kosten voor
zijn rekening te nemen. Toepassing van dit artikel leidt er om die reden
meestal toe dat vrijstelling voor verschuldigde premies alsmede de indexatie
van de pensioenaanspraak niet worden verleend.
In de pensioenregeling van 1963 zijn volgens de gegevens van de wederpartij
slechts zes werknemers van de voormalige werkgever opgenomen (verzoekster en
vijf mannelijke collega’s). Voor de pensioenregeling van 1978 zijn door de
werkgever vijf werknemers aangemeld. Van de zeven personen die toentertijd
bij de werkgever in dienst waren, zijn vier mannelijke collega’s en een
vrouwelijke collega in de nieuwe pensioenregeling opgenomen. Alleen
verzoekster is niet bij de nieuwe regeling ondergebracht. Een andere
mannelijke collega is vanwege uitdiensttreding niet opgenomen in de nieuwe
pensioenregeling.
Van alle werknemers die bij de wederpartij voor de pensioenregeling zijn
opgegeven, is iedereen die arbeidsongeschikt was (maar dat was alleen
verzoekster) van de nieuwe pensioenregeling uitgesloten. Bij de wederpartij
zijn geen andere arbeidsongeschikte personeelsleden dan verzoekster bekend.
Volgens nadere opgave van de wederpartij is de gedeeltelijk
arbeidsongeschikte mannelijke collega van verzoekster als bedoeld onder 3.4.
nimmer opgenomen geweest in de pensioenregelingen van 1963 respectievelijk
van 1978.
Het is de wederpartij niet bekend of destijds mogelijk aanwezige werknemers
die niet onder de nieuwe pensioenregeling vielen, hiervan in kennis zijn
gesteld. Dit was een verplichting die rustte op de werkgever.
4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE
4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door
verzoekster niet tot de nieuwe pensioenregeling toe te laten, waardoor zij nu
een lagere pensioenuitkering ontvangt dan het geval had kunnen zijn.
4.2. De Commissie toetst of sprake is van onderscheid in de zin van artikel 1
en 5 Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Deze artikelen verbieden zowel
direct als indirect onderscheid op grond van geslacht bij -onder andere- de
arbeidsvoorwaarden. Onder arbeidsvoorwaarden worden mede pensioentoezeggingen
en/of pensioenuitkeringen begrepen.
Van direct onderscheid bij arbeidsvoorwaarden is sprake wanneer rechtstreeks
wordt verwezen naar geslacht.
Van indirect onderscheid op grond van geslacht is sprake wanneer een neutraal
criterium met name een nadelig effect heeft voor personen van een geslacht,
zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat (art. 1 sub c en 2
eerste lid AWGB).
4.3. De Commissie heeft al eerder geoordeeld dat de reikwijdte van artikel 5
AWGB zich mede richt tot anderen dan de werkgever in arbeidsrechtelijke zin.
(Zie onder andere Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995,
oordeelnummer: 95-41; 23 november 1995, oordeelnummer: 95-42; 19 december
1996, oordeelnummer: 95-48 en 12 februari 1996, oordeelnummer: 96-8).
Hierbij is tevens van belang de jurisprudentie van het Hof van Justitie van
de Europese Gemeenschappen te Luxemburg (hierna: HvJ EG) met betrekking tot
de reikwijdte van artikel 119 EEG-Verdrag (gelijke beloning van mannen en
vrouwen).
Het Hof heeft uitgesproken dat op grond van artikel 119 EEG-Verdrag naast
werkgevers ook pensioenuitvoerders rechtstreeks aangesproken kunnen worden
terzake van gelijke behandeling op grond van geslacht (HvJ EG, Barber versus
Guardian Royal Exchange Assurance Group, 17 mei 1990, zaak C-262/88, Jur.
1990, p. I-1889 e.v.; Fisscher versus Voorhuis Hengelo BV en Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, 28 september 1994, zaak C-262/88,
Jur. 1994 p. I-4583 en Vroege versus NCIV Instituut voor Volkshuisvesting en
Stichting Pensioenfonds NCIV, 28 september 1994, zaak C-57/93, Jur. 1994, p.
I-4541 e.v.).
4.4. De Commissie toetst niet aan de Wet gelijke behandeling mannen en
vrouwen (hierna: WGB) aangezien onder deze wet bij de arbeidsvoorwaarden de
aan te spreken wederpartij is beperkt tot de werkgever.
4.5. In dit geval is sprake van een verzekeraar die de totstandkoming en de
uitvoering van de arbeidsvoorwaarden met betrekking tot pensioen van de
werknemers die deelnemen aan de pensioenregeling mede bepaalt. Hoewel de
wederpartij niet vereenzelvigd kan worden met een werkgever, stelt de
Commissie vast dat gezien deze directe betrokkenheid van de wederpartij bij
zowel de totstandkoming als de uitvoering van de arbeidsvoorwaarden van de
betrokken werknemers op pensioengebied alsmede de hierboven aangehaalde
jurisprudentie van het HvJEG, het handelen van de wederpartij kan worden
getoetst aan artikel 5 AWGB.
De Commissie concludeert op grond van het voorgaande, dat het in artikel 5
AWGB gestelde verbod op het maken van onderscheid zich (mede) richt tot de
wederpartij.
4.6. Met betrekking tot de vraag of er bij het niet toelaten tot de nieuwe
pensioenregeling direct onderscheid op grond van geslacht is gemaakt,
overweegt de Commissie als volgt.
Uit de informatie die de wederpartij heeft verstrekt blijkt dat in de
pensioenregeling van 1978 vijf werknemers die bij de werkgever van
verzoekster werkten zijn opgenomen, onder wie een vrouw en vier mannen.
Verzoekster heeft geen feiten naar voren gebracht die aannemelijk maken dat
zij op grond van haar geslacht anders is behandeld dan haar mannelijke
collega’s. Bovendien stelt de Commissie vast dat een vrouwelijke collega van
verzoekster daadwerkelijk is opgenomen in de pensioenregeling van 1978. De
Commissie acht voldoende aannemelijk dat de reden dat verzoekster anders is
behandeld dan de overige vijf collega’s is gelegen in haar
arbeidsongeschiktheid.
Van direct onderscheid op grond van geslacht is dan ook geen sprake.
4.7. Met betrekking tot de vraag of er sprake is van indirect onderscheid op
grond van geslacht stelt de Commissie vast dat er geen gegevens meer
beschikbaar zijn over het totale personeelsbestand van de werkgever. Uit de
thans beschikbare gegevens blijkt wel dat er geen andere arbeidsongeschikten
in dienst bij de werkgever waren die wel tot de pensioenregeling van 1978
zijn toegelaten.
Zodoende kan niet worden vastgesteld dat ten aanzien van verzoekster indirect
onderscheid is gemaakt in de zin van de AWGB door haar vanwege
arbeidsongeschiktheid uit te sluiten van de regeling van 1978.
4.8. Op grond van het bovenstaande oordeelt de Commissie dat de wederpartij
niet in strijd met de Wet heeft gehandeld door verzoekster van de nieuwe
pensioenregeling uit te sluiten.
4.9. De Commissie heeft tenslotte niet kunnen vaststellen of verzoeksters
bewering juist is, dat haar niet is medegedeeld dat ze niet zou worden
opgenomen in de pensioenregeling van 1978 omdat zij vrouw is.
Daarbij merkt de Commissie op dat zij niet bevoegd is een oordeel te geven
over de vraag hoe het kennelijke ontbreken van een zodanige mededeling van de
werkgever aan verzoekster zich verhoudt tot de ook destijds krachtens artikel
2, tweede lid van de Pensioen- en Spaarfondsenwet geldende meldingsplicht
voor de werkgever met betrekking tot het (al dan niet) van toepassing zijn
van de nieuwe pensioentoezegging, noch over eventueel daaruit voortvloeiende
aansprakelijkheid.
5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Den Haag jegens
mevrouw (…) te Rotterdam geen direct onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in de artikelen 1 en 5 Algemene wet gelijke
behandeling en dat evenmin is komen vast te staan dat (…) jegens haar
indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in de
artikelen 1, 2 eerste lid en 5 AWGB.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft verzoekster de toegang tot de dansschool geweigerd omdat
zij zwanger was.
De wederpartij is een danscentrum. Tegen betaling kan men dansles krijgen
en/of meedoen aan oefendansavonden. De Commissie stelt vast, dat hier sprake
is van handelingen in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, nu de
wederpartij in het economisch verkeer diensten aanbiedt. In het onderhavige
geval is tevens sprake van het sluiten van een overeenkomst terzake als
bedoeld in artikel 7 AWGB. Immers, onder het sluiten van een overeenkomst
wordt mede verstaan het weigeren een overeenkomst aan te gaan.
Wederpartij erkent dat de reden voor het weigeren van de danspas is gelegen
in verzoeksters zwangerschap en dat betekent dat er sprake is van direct
onderscheid op grond van geslacht.
Het verbod op direct onderscheid naar geslacht kent geen
uitzonderingsmogelijkheden behalve de in de wet genoemde. Van de door de
wederpartij genoemde redenen om te weigeren de overeenkomst met verzoekster
aan te gaan, is alleen de bescherming van de vrouw in verband met
zwangerschap in de wet terug te vinden.
In het onderhavige geval is door de wederpartij slechts gesteld, doch op geen
enkele wijze nader onderbouwd, dat er sprake is van een noodzakelijke
bescherming. Evenmin heeft de Commissie andere aanwijzingen dat zulks het
geval is. De Commissie acht het daarom niet aannemelijk dat het hier om een
doelmatige maatregel gaat. Een beroep op deze uitzonderingsgrond kan daarom
niet slagen.
De Commissie is derhalve van oordeel dat de wederpartij door verzoekster een
danspas te weigeren direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 7 lid 1 AWGB.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 1 november 1995 verzocht mevrouw (…) te Haarlem (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door (…) te Haarlem (hierna: de
wederpartij) onderscheid op grond van geslacht is gemaakt zoals bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. De wederpartij heeft verzoekster de toegang tot de dansschool geweigerd
omdat zij zwanger was. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten toe te
lichten. Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 19 maart 1996.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. (…) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (eigenaar)
– mw. (…) (echtgenote eigenaar)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een danscentrum. Naast danslessen biedt de wederpartij
ook zogenaamde oefendansavonden aan.
Verzoekster volgt reeds enkele jaren danslessen bij de wederpartij.
Zij had op basis van het feit dat zij les had bij de dansschool automatisch
toegang tot de door de wederpartij georganiseerde oefendansavonden. Eind
september/begin oktober wilde verzoekster een danspas voor de
oefendansavonden kopen. Deze pas werd haar echter geweigerd waardoor haar de
toegang tot de dansschool werd ontzegd. De reden hiervoor was gelegen in
verzoeksters zwangerschap.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster is reeds zes jaar ingeschreven als leerling van het danscentrum.
In verband met haar zwangerschap besloot zij af te zien van de danslessen
voor het lesjaar 1995-1996. Begin oktober wilde zij wel een pas kopen voor de
oefendansavonden. Deze pas werd haar echter geweigerd op grond van het feit
dat zij zwanger was. Daarbij werd haar te kennen gegeven dat haar
aanwezigheid op de dansvloer niet passend zou zijn gezien haar zwangerschap
en dat zij na de bevalling een pasje zou kunnen krijgen.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.
Verzoekster is de toegang tot de oefendansavonden van de dansschool inderdaad
geweigerd vanwege haar zwangerschap. Hiervoor zijn drie redenen:
– verzoekster zou met andere leerlingen moeten dansen die gemiddeld rond de
zestien jaar oud zijn. De wederpartij acht het psychisch niet verantwoord
deze leerlingen met een zichtbaar zwangere vrouw te confronteren;
– gelet op de gemiddelde leeftijd van de andere leerlingen, bestond volgens
de wederpartij de kans dat verzoekster geconfronteerd zou worden met
leerlingen die naar haar zouden wijzen, om haar zouden lachen of zich
anderszins voor verzoekster vervelend zouden gedragen. De wederpartij wilde
voorkomen dat verzoekster met dit soort gedrag zou worden geconfronteerd;
– er bestond volgens de wederpartij een risico dat verzoekster tijdens een
oefenavond verkeerd geraakt zou worden, omdat op dergelijke avonden nogal
eens ongecontroleerd wordt bewogen. De wederpartij wilde verzoekster
hiertegen beschermen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft gehandeld door verzoekster vanwege haar
zwangerschap geen danspas te willen verstrekken en haar daarmee niet toe te
laten tot het danscentrum.

4.2. In dit verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.
Artikel 1 van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) bepaalt onder andere
dat er sprake is van direct onderscheid in de zin van de wet in geval van
onderscheid tussen personen op grond van geslacht. In de Memorie van
Toelichting op de AWGB is bepaald dat direct onderscheid op grond van
geslacht mede op onderscheid op grond van onder andere zwangerschap
ziet(Tweede Kamer 1990-1991, 22014, nr. 3, pagina 13).
Artikel 7 AWGB bepaalt onder andere dat onderscheid bij het aanbieden van
goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van
overeenkomsten ter zake, in de uitoefening van een beroep of bedrijf verboden
is.
Van het verbod op direct onderscheid op grond van geslacht mag op grond van
artikel 2 lid 2 sub b AWGB worden afgeweken in gevallen waarin het de
bescherming van de vrouw betreft, met name in verband met zwangerschap en
moederschap.

4.3. De wederpartij is een danscentrum. Tegen betaling kan men dansles
krijgen en/of meedoen aan oefendansavonden. De Commissie stelt vast, dat hier
sprake is van handelingen in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, nu
de wederpartij in het economisch verkeer diensten aanbiedt (Vergelijk
Commissie gelijke behandeling, 19 januari 1996, oordeelnummer: 96-4). In het
onderhavige geval is tevens sprake van het sluiten van een overeenkomst
terzake als bedoeld in artikel 7 AWGB. Immers, onder het sluiten van een
overeenkomst wordt mede verstaan het weigeren een overeenkomst aan te gaan.
Wederpartij erkent dat de reden voor het weigeren van de danspas is gelegen
in verzoeksters zwangerschap. Gelet op het hierboven onder 4.2. overwogene is
er sprake van direct onderscheid op grond van geslacht.

4.4. Het verbod op direct onderscheid naar geslacht kent geen
uitzonderingsmogelijkheden behalve de in de wet genoemde. Van de door de
wederpartij genoemde redenen om te weigeren de overeenkomst met verzoekster
aan te gaan, is alleen de bescherming van de vrouw in verband met
zwangerschap in de wet terug te vinden (art. 2 lid 2 sub b AWGB). De
wederpartij stelt dat hij verzoekster wilde beschermen tegen het risico dat
zij op een oefendansavond verkeerd geraakt zou worden en tegen de
mogelijkheid dat er naar haar zou worden gewezen (dit zou een psychisch
effect kunnen hebben op verzoekster). Het Besluit gelijke behandeling
(hierna: het Besluit) omschrijft onder andere de in artikel 2 lid 2 AWGB
bedoelde gevallen nader. In artikel 1 sub b van het Besluit wordt onder
andere genoemd de categorie van gevallen van bescherming van de gezondheid in
verband met zwangerschap, voor zover voor een doelmatige bescherming
onderscheid op grond van geslacht nodig is. In de Nota van Toelichting op dit
Besluit staat dat voor wat betreft de behandeling van vrouwen in verband met
beschermende maatregelen wegens zwangerschap waardoor onderscheid wordt
gemaakt, dit onderscheid nodig moet zijn voor een doelmatige bescherming (Zie
ook Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 9
januari 1991, oordeelnummer 39-91-2).
In het onderhavige geval is door de wederpartij slechts gesteld, doch op geen
enkele wijze nader onderbouwd, dat er sprake is van een noodzakelijke
bescherming. Evenmin heeft de Commissie andere aanwijzingen dat zulks het
geval is. De Commissie acht het daarom niet aannemelijk dat het hier om een
doelmatige maatregel gaat. Een beroep op deze uitzonderingsgrond kan daarom
niet slagen.
De Commissie is derhalve van oordeel dat de wederpartij door verzoekster een
danspas te weigeren direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met artikel 7 lid 1 AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Haarlem jegens mevrouw
(…) te Haarlem direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld
in artikel 1 juncto artikel 7 lid 1 sub a AWGB door te weigeren haar een
danspas te verlenen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R. Dierx (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer).

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 11 april 1996

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Een plastisch chirurg heeft ernstige fouten gemaakt bij
borstverkleiningsoperaties, zo blijkt uit het deskundigenbericht.
De rechtbank oordeelt op grond daarvan dat gedaagde niet heeft gehandeld met
de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend
specialist mag worden verwacht. Aldus heeft gedaagde onrechtmatig jegens
eiseressen gehandeld en is gehouden de geleden schade te vergoeden.
Schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
Ter uitvoering van voormeld vonnis van 2 maart 1995 heeft een
deskundigenonderzoek plaatsgevonden. Het rapport van de deskundige prof.dr.
B.D. de Jong, gedateerd 18 juli 1995, is op 21 juli 1995 ter griffie van deze
rechtbank ontvangen.
Naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft B een conclusie na
deskundigenbericht genomen en S een akte.
Tenslotte hebben partijen hun procesdossiers opnieuw aan de rechtbank
overgelegd en vonnis gevraagd. De inhoud van alle stukken geldt als hier
ingelast.

De behandeling van de zaak
1. In zijn rapport van 18 juli 1995 komt de deskundige, naar aanleiding van
de door de rechtbank geformuleerde vragen, onder meer tot de volgende
conclusies:
-`Ten aanzien van de ingreep in mei 1983 kan worden geconcludeerd dat de
behandelend specialist niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam
specialist mag worden verwacht.’
– `Dr S heeft de rechtertepel onjuist, in casu te ver mediaalwaarts
geplaatst.’
– `De gebruikte techniek van vrije tepeltransplantatie is een veilige
methode, indien voor de vitaliteit van de tepel wordt gevreesd, doordat bij
een gesteelde operatie de te overbruggen afstand te groot wordt geacht. Bij
jonge vrouwen is deze methode in het algemeen minder gewenst, omdat de tepel
haar karakteristieke sensibele, motorische en vegetatieve eigenschappen
verliest en een simpel onderdeel van de omgevende huid wordt’.
– `In relatieve zin kan een tepel schijnbaar naar mediaan worden geduwd, maar
een vrij transplantaat blijft in absolute zin dezelfde afstand tot de
middellijn behouden.’
– `De eindconclusie dient mijns inziens dan ook te luiden dat de plastische
chirurg S:
a. een bij een 25-jarige vrouw in het algemeen ongebruikelijke methode heeft
gevolgd;
b. een vermijdbare onzorgvuldige planning heeft gedaan voor de
tepeltransplantatie;
c. de betrokken patiënte heeft begeleid zoals een goede arts betaamt, maar
pas op een laat moment heeft overwogen een corrigerende ingreep te doen.’
2. S heeft naar aanleiding van het deskudigenbericht geen nieuwe argumenten
aangevoerd ter onderbouwing van het door hem gevoerde verweer, maar verwezen
naar hetgeen eerder in de procedure door hem is aangevoerd. Evenmin heeft hij
de bevindingen en conclusies van de deskundige betwist.
3. De deskundige heeft voor het uitbrengen van zijn rapport – onder meer –
kennis genomen van de gedingstukken en daarmee van het door S gevoerde
verweer. Zijn conclusies luiden (desondanks) als hiervoor sub 1. vermeld. S
had dan ook in zijn akte naar aanleiding van het door de deskundige
uitgebrachte rapport naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan
met een eenvoudige verwijzing naar dat verweer.
De rechtbank passeert daarom, onder overneming van bovenstaande conclusies
van de deskundige, het door S gevoerde verweer en is van oordeel dat S bij de
door hem bij B op 9 mei 1983 uitgevoerde operatie niet heeft gehandeld met de
zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend specialist
mag worden verwacht. Aldus heeft S onrechtmatig jegens B gehandeld en is hij
gehouden de dientengevolge door B geleden schade te vergoeden.
4. S heeft de vordering van B wat betreft de wettelijke rente niet
weersproken.
De vordering van B zal gelet op het voorgaande worden toegewezen als volgt,
met veroordeling van S, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten
van deze procedure.

De beslissing

De rechtbank:
Veroordeelt S tot betaling van schadevergoeding aan B op te maken bij staat
en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover
gerekend vanaf 2 april 1992 tot aan de voldoening.
Verwijst S in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde
van B begroot op ƒ 4104,48, en veroordeelt S mitsdien om te voldoen:
a. aan de griffier van deze rechtbank:
1. ƒ 217,50 voor in debet gesteld griffierecht;
2. ƒ 84,48 voor kosten dagvaarding;
3. ƒ 2130 voor salaris van de procureur;
4. ƒ 1600 voor salaris van de deskundige;
derhalve in totaal ƒ 4031,98, met welk bedrag zal dienen te worden gehandeld
overeenkomstig het bepaalde bij artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering;
b. aan B:
ƒ 72,50 voor niet in debet gesteld griffierecht.
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mrs. Ng-A-Tham, Vriezen, Haverkate

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 11 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van Surinaamse afkomst. Zij was sinds 1 september 1993 in
dienst bij de wederpartij als gezinsgroepswerker. Op initiatief van
verzoekster is de arbeidsovereenkomst per 1 april 1995 beëindigd op grond van
een verstoorde arbeidsrelatie.
De Commissie stelt vast dat verzoekster bij haar aanstelling niet op de
hoogte is gebracht van het feit dat haar etnische afkomst door de wederpartij
essentieel werd geacht voor de uitoefening van haar functie. Evenmin was zij
ervan op de hoogte dat de chef de clinique bij zijn behandelingsmethodiek
enige specifieke bedoeling had met haar huidskleur.
Verzoekster heeft uitdrukkelijk verklaard dat, indien zulks haar bekend was
geweest, zij daar niet mee ingestemd zou hebben.
Het is de Commissie uit de verklaringen van partijen gebleken dat verzoekster
op grond van haar huidskleur is behandeld op een wijze die ongelijk is aan de
behandeling van haar collega’s. De wederpartij erkent de confronterende
behandeling die verzoekster op grond van haar huidskleur heeft ondervonden.
Voorts blijkt uit de verklaringen van partijen dat in het kader van de
behandelmethode in het team een zwarte huidskleur en/of allochtone afkomst
als persoonskenmerken herhaalde malen in negatieve zin ter sprake zijn
gebracht. De wederpartij heeft erkend dat deze behandeling door verzoekster
redelijkerwijs als kwetsend kon worden ervaren.
De Commissie acht het, in het licht van bovenstaande feiten, aannemelijk dat
verzoekster door deze ongelijke behandeling op grond van haar etnische
afkomst niet in de gelegenheid is gesteld haar werkzaamheden op gelijke wijze
te verrichten als haar collega’s. Deze handelwijze van de wederpartij heeft
zodanig negatieve invloed op verzoekster gehad dat zij arbeidsongeschiktheid
werd en uiteindelijk haar functie niet meer kon uitoefenen.
Daar de Commissie heeft geconstateerd dat verzoekster tijdens de
arbeidsverhouding de hiervoor omschreven discriminerende bejegening ten deel
is gevallen, heeft de wederpartij hierdoor jegens verzoekster in strijd
gehandeld met het verbod van onderscheid naar ras bij de arbeidsvoorwaarden
zoals neergelegd in artikel 5 lid 1 sub d AWGB. Dit klemt te meer omdat naar
het oordeel van de Commissie aannemelijk is geworden dat de discriminerende
bejegening voor verzoekster de directe aanleiding vormde tot beëindiging van
haar arbeidsverhouding met de wederpartij.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 23 maart 1995 verzocht mevrouw (…) te Maarssen (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling met spoed haar oordeel uit te
spreken over de vraag of door de (…) te Rotterdam (hierna: de wederpartij)
jegens haar tijdens de vervulling van haar dienstverband onderscheid op grond
van ras is gemaakt in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is van Surinaamse afkomst. Zij was sinds 1 september 1993 in
dienst bij de wederpartij als gezinsgroepswerker in het IIG. Op initiatief
van verzoekster is de arbeidsovereenkomst per 1 april 1995 beëindigd op grond
van een verstoorde arbeidsrelatie.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1 De Commissie heeft het verzoek om een spoedprocedure niet ingewilligd
omdat niet bleek dat verzoekster haar dienstverband wilde behouden en de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst al in een vergevorderd stadium was. De
Commissie heeft het verzoek daarom behandeld volgens de normale procedure en
een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk
toegelicht.

2.2 De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 7 november 1995.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– dhr. (…) (chef de clinique IIG)
– dhr. (…) (coördinator)
– dhr. (…) (individueel werkbegeleider)
– mw. mr. J.J. Willemsen (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolaï (lid Kamer)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3 Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 Verzoekster was sinds 1 september 1993 in dienst bij de wederpartij als
part-time gezinsgroepswerker in het IIG. Het IIG is een afdeling waar
gezinnen met problemen voor gemiddeld een half jaar klinisch psychiatrisch
behandeld worden. De afdeling wordt geleid door een chef de clinique. Op de
afdeling zijn ongeveer 22 medewerkers werkzaam. Verzoekster was aldaar de
eerste en enige medewerkster met een zwarte huidskleur.

3.2. In eerste instantie had verzoekster een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijd tot 1 januari 1994. Met ingang van 1 januari 1994 werd dit
contract omgezet in een contract voor onbepaalde tijd. Op initiatief van
verzoekster is de arbeidsovereenkomst per 1 april 1995 beëindigd op grond van
een verstoorde arbeidsrelatie.
In het behandelteam werden door de chef de clinique diverse opmerkingen
gemaakt tegen verzoekster over de etnische afkomst van haar en van sommige
cliënten. Onder meer heeft de chef de clinique tegen verzoekster gezegd dat
zwart zijn een contra-indicatie zou moeten zijn voor hulpverlening.

3.3. De werkwijze binnen de behandelteams van de chef de clinique wordt door
de wederpartij beschreven als volgt.
Een effectieve behandelmethode voor de patiënten brengt met zich mee dat in
ieder behandelteam onder meer bespreekbaar moet zijn welke gevoelens en/of
gedragingen ieder van de teamleden bij de patiënten oproept. Het gaat dan om
thema’s als man/vrouw, dik/dun, blank/zwart, hetero-/homoseksueel, en
dergelijke. Om er voor te zorgen dat zo een groepswerker adequaat kan
reageren op de eventuele reacties van patiënten, bijvoorbeeld op het dragen
van een oorringetje door een mannelijke groepsleider, wordt binnen het
behandelteam hierover uitgebreid gesproken. Door dit soort gevoelige zaken
bespreekbaar te maken en de teamleden onderling te confronteren met deze
thema’s wordt geprobeerd de teamleden zo goed mogelijk voor te bereiden op
gesprekken met patiënten. Het gaat om een bewustwordingsproces bij de
teamleden teneinde beter in staat te zijn in te spelen op emoties van
patiënten.
Hetzelfde geldt in het geval van verzoekster. Het feit dat zij een zwarte
huidskleur heeft, kan bij patiënten een reactie oproepen. Dit kan zowel
negatief als positief worden uitgelegd. Blanke patiënten zullen wellicht
discriminerende opmerkingen maken, terwijl verzoekster wellicht juist door
haar huidskleur (eerder dan blanke collega’s) in staat is het vertrouwen te
winnen van zwarte patiënten.

3.4. Naar aanleiding van deze behandelwijze zijn er tussen verzoekster en de
chef de clinique conflicten ontstaan. Deze hebben ertoe geleid dat in de
maand augustus 1994 drie gesprekken hebben plaatsgevonden.
De notulen van de afdelingsvergadering van 16 augustus 1994 vermelden
voorzover relevant dat de chef de clinique de discriminatie niet ontkent,
maar zegt dat hij dit doet met een bedoeling, namelijk provoceren. Daarnaast
geeft hij aan dat dit zijn stijl van werken is en dat hij deze ook niet
wil/zal veranderen. De notulen van de vergadering van 18 oktober 1994
vermelden onder verwijzing naar dit punt dat de chef de clinique benadrukt
dat het niet zijn intentie is om te discrimineren. Wel om uit te dagen.
Verzoekster heeft het probleem op 13 september 1994 aan de orde gesteld in
een zogenaamde klein-team vergadering.

3.5. Verzoekster heeft op 19 september 1994 haar vakantiedagen opgenomen en
tijdens haar vakantie heeft zij zich op 29 september 1994 ziek gemeld.
Tijdens haar ziekte is er driemaal over de problemen contact geweest tussen
verzoekster en de wederpartij. Een en ander heeft geresulteerd in het besluit
van verzoekster dat zij niet meer kon functioneren bij de wederpartij.
Verzoekster heeft vervolgens de wederpartij geschreven met de mededeling dat
zij zich niet in staat achtte haar werkzaamheden te hervatten en dat zij de
kantonrechter heeft gevraagd de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen
te ontbinden.

3.6. Verzoekster heeft alvorens zich tot een advocaat te wenden voor de
eventuele beëindiging van de arbeidsovereenkomst contact opgenomen met de
Rotterdamse Anti Discriminatie Actie Raad (RADAR), een organisatie die zich
bezig houdt met het voorkomen en bestrijden van discriminatie naar huidskleur
en afkomst. Naar aanleiding daarvan heeft de directeur van de wederpartij
besloten tot een intern onderzoek. Het verzoekschrift dat verzoekster bij de
Commissie indiende, was voor de wederpartij aanleiding in juni 1995 een nieuw
onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen.

3.7. De wederpartij heeft een schriftelijke verklaring van de chef de
clinique overgelegd, gedateerd 12 juni 1995. Deze verklaring werd gegeven
naar aanleiding van het hiervoor genoemde interne onderzoek. De chef de
clinique stelt hierin dat hij zich herinnert het zwart zijn benoemd te hebben
als iets specifieks dat implicaties had voor de behandeling zoals ook andere
eigenschappen dit hebben. Ook geeft hij toe dat hij iets gezegd heeft in de
trant van `ik zal je altijd zien als iemand die zwart is’, zonder hiermee te
willen impliceren dat hij dit persoonlijk als minderwaardig beschouwt. Deze
uitlating deed hij juist omdat het mogelijkheden zou bieden in het kader van
een goede samenwerking.

De standpunten van partijen

3.8. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster is tijdens de vervulling van haar dienstverband geconfronteerd
met discriminatoir gedrag van de chef de clinique van de afdeling waar zij
werkzaam was. Ook werd de etniciteit van te behandelen gezinnen van
allochtone afkomst in negatieve zin door hem ter discussie gesteld.
Bovendien is verzoekster gezegd dat als zij tijdens de sollicitatieprocedure
bezwaar zou hebben gemaakt tegen een dergelijke werkwijze van de wederpartij,
dit zou hebben betekend dat verzoekster niet zou zijn aangenomen.
Verzoekster begrijpt achteraf dat het accepteren van de baan als
gezinsgroepswerkster op het IIG betekent dat zij zich als zwarte, met het
belang van de cliënten voor ogen, moet laten discrimineren. Zij weigert
hieraan mee te werken. Indien deze aanstellingsvoorwaarde haar bekend was had
zij de baan niet geaccepteerd.

3.9. Verzoekster is van mening dat de chef de clinique haar zwart zijn op een
oneigenlijke manier heeft gebruikt tijdens behandel- en cliëntbesprekingen.
Volgens de chef de clinique zouden de ervaringen van verzoekster met reacties
van patiënten op haar zwarte huidskleur van pas komen op de werkvloer en zou
zij door haar huidskleur eerder in staat zijn dan blanke collega’s om het
vertrouwen te winnen van zwarte patiënten.

3.10. Verzoekster wijst het gebruik van haar zwart zijn, op de manier waarop
de chef de clinique hiermee omgaat, af. Deze manier van werken is niet ter
zake doende voor het uitoefenen van het beroep van gezinsgroepswerkster noch
voor de behandeling van cliënten.

3.11. Verzoekster is bij de omzetting van het dienstverband – na drie maanden
– in een dienstverband voor onbepaalde tijd niet ingegaan op eventuele
discriminatie omdat zij toen nog niet bekend was met de werkwijze van de chef
de clinique.

3.12. Tenslotte is verzoekster van mening dat de chef de clinique zichzelf in
zijn getuigenverklaring diverse malen tegenspreekt. Ook geeft de chef de
clinique in zijn verklaring aan niet te zullen stoppen met discrimineren
omdat het om een weloverwogen werk- methode zonder discriminerende intenties
gaat.

3.13. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij betwist dat de door de chef de clinique gemaakte opmerkingen
betiteld moeten worden als discriminerend. Van discriminatie is bij de
wederpartij geen sprake. De wederpartij meent dat deze opmerkingen geplaatst
dienen te worden tegen de achtergrond van de door haar gehanteerde
behandelmethoden.
In het eerste gesprek met verzoekster – in mei 1994 – sprak de chef de
clinique onder meer de hoop uit dat haar specifieke bijdrage vanuit haar
cultuur en ervaringswereld zou leiden tot een kwalitatieve verbetering van de
behandeling van zwarte gezinnen. Het behandelteam – tot de komst van
verzoekster enkel bestaand uit blanke medewerkers – kon bepaalde aspecten van
de belevingswereld van zwarte gezinnen niet ervaren waardoor er zijns inziens
een beperking lag in de behandelmogelijkheden. Verzoekster interpreteerde elk
door de chef de clinique gemaakt onderscheid tussen blanke en zwarte
teamleden als discriminatie en vroeg de chef de clinique of er dus sprake was
van een `zwart experiment’. De chef de clinique reageerde op deze vraag met
de opmerking dat dit in zekere zin het geval was daar er voor het eerst in
het behandelteam een zwart teamlid werkzaam was en dat de verwachting bestond
dat zij veel aan het team te bieden had in de zin van professionele
deskundigheid. De chef de clinique voegde hieraan toe dat hij zich voorstelde
met veel plezier met haar te kunnen samenwerken als zij meer zou delen van
wat er in haar omging.

3.14. Bij de uitspraak van de chef de clinique dat zwart een contra-indicatie
voor behandeling door de betreffende afdeling van de wederpartij zou moeten
zijn, moet vermeld worden dat deze uitspraak is gedaan omdat de
behandelresultaten van de wederpartij met allochtone patiënten duidelijk
minder leken dan met autochtone patiënten. De feitelijke indicatiestelling
huidskleur speelt geen rol op de afdelingen van de wederpartij. Ook mag
vermeld worden dat de wederpartij de indruk heeft dat de behandelresultaten
bij allochtonen de laatste jaren verbeterd zijn.

3.15. De wederpartij merkt op dat wellicht problemen voorkomen hadden kunnen
worden, indien de relevantie van verzoeksters huidskleur uitvoeriger aan de
orde was gekomen tijdens de sollicitatiegesprekken. Dat is niet gebeurd.
Verzoekster wist echter dat zij het eerste en enige zwarte teamlid was.
Bovendien is verzoekster gedurende de eerste drie maanden op basis van een
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd werkzaam geweest. Aangenomen moet
worden dat zij in die periode bekend is geworden met de werkwijze binnen het
behandelteam en met de werkwijze van de chef de clinique. Dit alles is voor
haar geen aanleiding geweest om na ommekomst van die periode te besluiten het
dienstverband niet voort te zetten. Integendeel, bij de omzetting van de
arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is door
verzoekster met geen woord gerept over het feit dat zij zich gediscrimineerd
voelde.

3.16. De wederpartij meent dat zij met de klachten van verzoekster serieus is
omgegaan. De wederpartij heeft onderzocht of sprake is van discriminatie en
is daarbij tot de conclusie gekomen dat de klachten van verzoekster ongegrond
zijn.

3.17. De wederpartij is concluderend van oordeel dat er inderdaad enige
onhandige opmerkingen door de chef de clinique tegen verzoekster gemaakt
zijn, die door haar als discriminerend en kwetsend ervaren zijn. Naar het
oordeel van de wederpartij zijn de opmerkingen van de chef de clinique op
geen enkele wijze discriminerend of kwetsend bedoeld. De chef de clinique
heeft zijn excuses aangeboden aan verzoekster onder de nadrukkelijke
kanttekening dat de betreffende opmerkingen gemaakt zijn om contact uit te
lokken.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden jegens
verzoekster onderscheid heeft gemaakt op grond van ras zoals verboden in
artikel 5 lid 1 sub d van de AWGB.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid onder andere wordt verstaan
direct onderscheid tussen personen op grond van ras. Het begrip ras in de
AWGB moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de definitie in het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ras omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming.
Naar het oordeel van de Commissie is er niet alleen sprake van een door de
wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige aanleiding voor
een ongelijke behandeling vormt, maar tevens als deze grond mede aanleiding
is tot een ongelijke behandeling.

4.2. In artikel 2 lid 3 tot en met lid 5 AWGB is een aantal uitzonderingen
geformuleerd op het in de wet neergelegde verbod van onderscheid naar ras,
namelijk in geval van voorkeursbeleid voor etnische of culturele
minderheidsgroepen, en in geval uiterlijke kenmerken die samenhangen met het
ras van een persoon bepalend zijn. Deze gevallen zijn nader omschreven in het
Besluit gelijke behandeling.
Naast de uitzonderingen in artikel 2 AWGB, die betrekking hebben op het
algemene verbod van onderscheid, zijn in artikel 5 AWGB nog een aantal
uitzonderingen geformuleerd die specifiek op artikel 5 betrekking hebben. In
dit geval zijn geen van de bovengenoemde uitzonderingsgronden van toepassing.

4.3. Ter beantwoording van de in het geding zijnde vraag overweegt de
Commissie het volgende.
De Commissie stelt vast dat verzoekster bij haar aanstelling niet op de
hoogte is gebracht van het feit dat haar etnische afkomst door de wederpartij
essentieel werd geacht voor de uitoefening van haar functie. Evenmin was zij
ervan op de hoogte dat de chef de clinique bij zijn behandelingsmethodiek
enige specifieke bedoeling had met haar huidskleur.
Verzoekster heeft uitdrukkelijk verklaard dat, indien zulks haar bekend was
geweest, zij daar niet mee ingestemd zou hebben.
Het is niet de taak van de Commissie om een oordeel te geven over de door de
chef de clinique toegepaste behandelmethode. De Commissie dient zich echter
wel een oordeel te vormen of door de behandelmethode die door de wederpartij
is toegepast jegens verzoekster een op grond van de AWGB verboden onderscheid
is gemaakt.

4.4. Het is de Commissie uit de verklaringen van partijen gebleken dat
verzoekster op grond van haar huidskleur is behandeld op een wijze die
ongelijk is aan de behandeling van haar collega’s.
De wederpartij erkent de confronterende behandeling die verzoekster op grond
van haar huidskleur heeft ondervonden.
Voorts blijkt uit de verklaringen van partijen dat in het kader van de
behandelmethode in het team een zwarte huidskleur en/of allochtone afkomst
als persoonskenmerken herhaalde malen in negatieve zin ter sprake zijn
gebracht. De wederpartij heeft erkend dat deze behandeling door verzoekster
redelijkerwijs als kwetsend kon worden ervaren.

4.5. De Commissie acht het, in het licht van bovenstaande feiten, aannemelijk
dat verzoekster door deze ongelijke behandeling op grond van haar etnische
afkomst niet in de gelegenheid is gesteld haar werkzaamheden op gelijke wijze
te verrichten als haar collega’s. Deze handelwijze van de wederpartij heeft
zodanig negatieve invloed op verzoekster gehad dat zij arbeidsongeschiktheid
werd en uiteindelijk haar functie niet meer kon uitoefenen.

4.6. Onder arbeidsvoorwaarden als genoemd in artikel 5 lid 1 sub d AWGB
worden door de Commissie mede begrepen omstandigheden zoals in het geval van
verzoekster. De etnische afkomst van verzoekster werd immers door de
wederpartij essentieel voor de uitoefening van haar functie geacht. Het
inzetten van een zwarte medewerkster was zelfs noodzakelijk om de
diagnostische mogelijkheden en behandelmethoden van het bestaande team uit te
kunnen breiden. Zodoende is de etnische afkomst van verzoekster in hoge mate
verweven met de functie-eisen en valt onder het bereik van eerdergenoemde
bepaling.

4.7. Daar de Commissie heeft geconstateerd dat verzoekster tijdens de
arbeidsverhouding de hiervoor omschreven discriminerende bejegening ten deel
is gevallen, heeft de wederpartij hierdoor jegens verzoekster in strijd
gehandeld met het verbod van onderscheid naar ras bij de arbeidsvoorwaarden
zoals neergelegd in artikel 5 lid 1 sub d AWGB.
Dit klemt te meer omdat naar het oordeel van de Commissie aannemelijk is
geworden dat de discriminerende bejegening voor verzoekster de directe
aanleiding vormde tot beëindiging van haar arbeidsverhouding met de
wederpartij.

4.8. Aan bovenstaande constatering doet niet af dat de wederpartij niet de
intentie heeft gehad verzoekster te discrimineren en evenmin dat de
uitlatingen op zich geen discriminerende intentie hadden. In de AWGB wordt
immers een ongelijke behandeling verboden ongeacht de intentie van degene die
een ander ongelijk behandelt.

4.9. De wederpartij beroept zich er op dat verzoekster, indien er sprake was
van discriminatie door de wederpartij, dit reeds bij de omzetting van haar
tijdelijke dienstverband in een dienstverband voor onbepaalde tijd ter sprake
had dienen te brengen.
De Commissie begrijpt het verweer aldus dat de wederpartij van mening is dat
aan verzoekster een beroep op het discriminatieverbod niet (meer) toekomt, nu
zij daarop niet eerder een beroep heeft gedaan. De Commissie acht dit verweer
niet steekhoudend. Het verbod van onderscheid op grond van ras heeft immers
betrekking op de gehele duur van de arbeidsverhouding. Evenmin kent de wet
een zodanige beperking als door de wederpartij bedoeld, waardoor verzoekster
rechten die haar uit hoofde van het gelijkheidsbeginsel toekomen niet meer
zou kunnen uitoefenen.

4.10. Op grond van artikel 13 lid 2 AWGB doet de Commissie de volgende
aanbeveling.
De Commissie beveelt de wederpartij aan een gedragscode op te stellen, waarin
met name richtlijnen worden opgenomen om vast te stellen of, en zo ja op
welke wijze, specifieke uiterlijke en andere kenmerken van zowel medewerkers
als patiënten in de behandelmethode mogen en kunnen worden betrokken.
Voorts beveelt de Commissie aan deze gedragscode kenbaar te maken aan
aspirant medewerkers.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat de (…) te Rotterdam jegens mevrouw (…) te
Maarssen bij de arbeidsvoorwaarden onderscheid heeft gemaakt op grond van ras
zoals verboden in artikel 5 lid 1 onder d van de Algemene wet gelijke
behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolaï (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. I.M. Hidding(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker was werkzaam bij de wederpartij. De arbeidsovereenkomst is per 1
oktober 1995 ontbonden. Verzoeker is van mening dat hem op de werkplek zowel
verbaal als fysiek geweld is aangedaan vanwege zijn etnische afkomst. Hij
voelt zich door deze gebeurtenissen beledigd, gekwetst en gediscrimineerd.
Er heeft zich een conflict voorgedaan omtrent pauzering. Dit is de aanleiding
voor een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er hebben zich
volgens getuigen nog meer conflicten voorgedaan. Het is volgens de Commissie
onbetwist dat deze conflicten hebben geleid tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst.
De Commissie acht het standpunt van verzoeker aannemelijk dat werknemers van
niet-Nederlandse afkomst van een dergelijke bejegening meer nadeel
ondervinden. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de
werkloosheid onder allochtonen aanzienlijk hoger is dan onder autochtonen.
Zij hebben derhalve een meer kwetsbare positie als werknemer op de
arbeidsmarkt dan hun Nederlandse collega’s.
Daardoor is het voor hen moeilijker zich aan een dergelijke bejegening te
onttrekken door ontslag te nemen.
De Commissie stelt voorts op grond van de hiervoor genoemde verklaringen vast
dat bovendien tegen verzoeker uitlatingen werden gedaan over zijn afkomst die
hij als discriminerend kon ervaren.
De Commissie is op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden van oordeel
dat er zodanige samenhang bestaat tussen de grove en discriminerende
bejegening en de conflicten die met verzoeker zijn ontstaan dat geconcludeerd
moet worden dat bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met verzoeker
onderscheid op grond van ras mede een rol heeft gespeeld.
Het verweer van de wederpartij dat zij niet verantwoordelijk kan worden
gehouden voor discriminerende opmerkingen van medewerkers in het bedrijf
wijst de Commissie af. De Commissie is van oordeel dat de verplichting van de
werkgever zich te onthouden van discriminatie op het terrein van de arbeid
met zich brengt, dat de werkgever er op moet toezien dat ook degenen waarover
hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden.
De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij jegens verzoeker bij de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst verboden onderscheid naar ras heeft
gemaakt.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 oktober 1995 verzocht de heer (…) te Den Haag (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of
de firma (…) te Haarlem (hierna: de wederpartij) jegens hem een door de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) verboden onderscheid heeft gemaakt.

1.2. Verzoeker was werkzaam bij de wederpartij. De arbeidsovereenkomst is per
1 oktober 1995 ontbonden. Verzoeker is van mening dat hem op de werkplek
zowel verbaal als fysiek geweld is aangedaan vanwege zijn etnische afkomst.
Hij voelt zich door deze gebeurtenissen beledigd, gekwetst en
gediscrimineerd.
Verzoeker is van mening dat de handelwijze van de wederpartij in strijd is
met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen voor een zitting op 27
februari 1996. Tijdens deze zitting hebben partijen hun standpunten nader
toegelicht.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
dhr. (…) (verzoeker)
mw. (…) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
dhr. (…) (namens de directie)
dhr. (…) (getuige)

van de kant van de Commissie
mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer)

2.3. De Commissie heeft naar aanleiding van het onderzoek ter zitting nadere
inlichtingen gevraagd en de volgende stukken van verzoeker ontvangen:
– de arbeidsovereenkomst van verzoeker;
– de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de
Kantonrechter te Haarlem van 29 september 1995;
– het verzoekschrift van de wederpartij en het verweerschrift van verzoeker
ter zake van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst;
– een brief van de door verzoeker geraadpleegde bedrijfsarts.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1 Verzoeker is van Egyptische afkomst.
Hij werkte sinds 6 december 1993 bij de wederpartij als productiemedewerker.
Medio augustus 1994 kreeg hij een vaste aanstelling. Verzoeker veranderde
vervolgens van afdeling. Hierna zijn er problemen ontstaan tussen verzoeker
en de leidinggevende van deze afdeling (hierna te noemen: het
afdelingshoofd).

3.2. Op 4 september 1995 vond tussen verzoeker en het afdelingshoofd een
escalatie plaats naar aanleiding van een geschil over het tijdstip van
pauzeren.
Verzoeker heeft op de dag waarop dit incident heeft plaatsgevonden aangifte
gedaan van geweldpleging bij de politie van de Regio Kennemerland/Haarlem.

3.3. Verzoeker heeft zich op dezelfde dag gewend tot de bedrijfsarts. Deze
heeft aan de Commissie bevestigd dat verzoeker zich tot hem heeft gewend
terzake van mishandeling op de werkplek. Bij dit bezoek heeft verzoeker
tevens ter sprake gebracht dat hij door de werkgever werd gediscrimineerd.
Voorts heeft de bedrijfsarts verzoeker vanaf genoemde datum arbeidsongeschikt
verklaard.

3.4. Op verzoek van de wederpartij is de tussen partijen bestaande
arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 1995 door de Kantonrechter te
Haarlem ontbonden.
De arbeidsovereenkomst is ontbonden wegens `gewichtige redenen’. De redenen
zijn door partijen als volgt omschreven: `Tijdens de loop van de
dienstbetrekking zijn tussen verzoeker en verweerder moeilijkheden gerezen.
Deze betreffen een verschil van mening omtrent de aard en wijze waarop de
functie door verweerder zou moeten worden vervuld, zonder dat is aan te geven
dat aan een van de betrokken partijen in overwegende mate een verwijt kan
worden gemaakt’.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoeker stelt het volgende.
Aanvankelijk had verzoeker geen problemen op het werk. Vanaf het moment dat
hij een vaste aanstelling heeft gekregen en hij onder andere leiding kwam,
werd hij anders behandeld. Het afdelingshoofd stelde zich uitermate
autoritair op en sprak hem aan met: `Stomme buitenlander’ en bezigde andere
scheldwoorden van meer algemene aard.
Het kwam tot een uitbarsting op 4 september 1995. Na een discussie over de
pauze werd hij door het afdelingshoofd uitgescholden en mishandeld. Verzoeker
heeft daarvan aangifte gedaan bij de politie.
Het proces-verbaal vermeldt, voor zover relevant, het volgende over voornoemd
incident:
`[ … ]. De pauze is altijd om acht uur. [ … ]. Op een gegeven moment kwam
(…) en hij zei dat ik geen recht had op pauze. [ … ]. Hij zei mij, dat ik
terug aan het werk moest en om 08.45 uur pauze mocht houden. Ik zei, dat dat
goed was, maar dat ik om 08.45 uur dan wel pauze zou nemen. Hij schold mij
toen uit voor klootzak en hij zei, dat ik de hele dag aan het “trutten” was.
Hij pakte vervolgens een plastic vuilnisbak en sloeg die omgekeerd tegen mijn
hoofd. [ …]. Ik voelde direct een warmte op mijn linker wang en wat pijn. [
…]. Ik heb vervolgens mijn kleding aangedaan en ik was voornemens naar huis
te gaan. (…) kwam naar mij toe en vroeg mij wat ik ging doen. Ik zei, dat
ik ziek was en naar huis ging. Hij zei vervolgens: `sodemieter maar op en kom
maar niet meer terug’.
In het proces-verbaal stelt verzoeker tevens:
`[ …]. Niet alleen ik, maar ook mijn collega’s behandelt hij vaak slecht.
Hij scheldt ons vaak uit en wij moeten precies doen wat hij zegt, anders
moeten wij bij het bedrijf weg. [ …]’.
Verzoeker geeft aan dat de werksfeer voor niemand erg plezierig is. Er is dan
ook sprake van een groot verloop van werknemers.
Verzoeker stelt dat de wederpartij alleen maar buitenlanders in dienst wil
hebben, omdat Nederlanders scheldwoorden niet accepteren. Voor buitenlanders
ligt dit anders: buitenlanders hebben dit werk nodig, omdat zij niet
makkelijk ander werk kunnen vinden. Verzoeker stelt dat hij wel moest
blijven. Hij is 33 jaar en vindt geen ander werk.
Volgens hem worden mensen van niet-Nederlandse afkomst regelrecht beledigd en
discriminatoir bejegend. In zijn geval werd zelfs geweld niet geschuwd.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij is van mening dat zij buitenlanders niet op hun afkomst
aanspreekt. Als dit het geval zou zijn, zou zij verzoeker geen vaste
aanstelling hebben gegeven en zou het personeelsbestand niet voor 70% uit
allochtonen bestaan.
De wederpartij stelt dat er inderdaad vervelende situaties zijn ontstaan met
verzoeker, maar dat verzoeker deze zelf heeft veroorzaakt. Toen verzoeker een
vast contract kreeg dacht hij waarschijnlijk dat hij er de kantjes af kon
lopen. Hij ging zich ook autoritair gedragen.
Regels die in de fabriek gelden zijn verzoeker van begin af aan duidelijk
geweest, echter verzoeker trok zich na zijn vaste aanstelling hier heel
weinig van aan. Hij ging zijn eigen gang en deed zijn werk niet meer zoals
het hoorde.
De wederpartij stelt dat hij niets anders heeft gedaan dan verzoeker steeds
weer op de regels wijzen. Verzoeker probeerde steeds weer om onder de regels
uit te komen.
Er zullen best harde woorden gevallen zijn tijdens deze terecht- wijzingen,
maar er was nooit een plastic vuilnisbak tegen iemands hoofd gegooid. De
wederpartij heeft dit eerder onderzocht daar verzoeker dit ook bij hem heeft
aangekaart. Er was niemand bij en het desbetreffende afdelingshoofd weet
niets van dit incident.
De wederpartij stelt ter zitting dat er hardere woorden in de `vleeswereld’
vallen dan op een kantoor. Hij ontkent dat hij of de andere leidinggevenden
deze gebruiken. Hij is van mening dat hij niet verantwoordelijk gehouden kan
worden voor wat anderen binnen het bedrijf zeggen.
Er is overigens bij hem nooit geklaagd over discriminatie.

De verklaringen van getuigen

3.7. Een allochtone collega van verzoeker heeft op 11 oktober 1995 aangifte
van discriminatie door de wederpartij bij de politie van de Regio
Kennemerland/Haarlem gedaan.
Het proces-verbaal vermeldt, voorzover relevant, het volgende:
`[ …]. In de periode dat ik daar gewerkt heb, werkten daar ongeveer 40
personen in dit bedrijf. Er waren meer buitenlanders dan Nederlanders aan het
werk. In de afdeling waar ik werkte waren uitsluitend buitenlanders aan het
werk. [ …].
Ik kan u over een voorval verklaren dat zich in het voorjaar van 1995 heeft
afgespeeld. Er had zich een grapje voorgedaan met een Nederlandse werknemer.
Die ging hierop naar de directeur meneer (…). Ik zag toen dat meneer (…)
vanuit zijn kantoor kwam en ik hoorde toen dat hij zei: “jullie zijn allemaal
hetzelfde, die kut buitenlanders. Wat doen jullie hier. Jullie zijn dom en
jullie maken er een rommeltje van. Jullie zijn alleen maar domme krachten” of
woorden van gelijke strekking. Ik zag toen ook dat hij met een hamer in zijn
hand op de mij bekende meneer (…) [… ] afkwam en hem hiermee bedreigde.
Ik hoorde dat meneer (…) aan meneer (…) vroeg: “waarom scheld je nou zo”
of woorden van gelijke strekking. Ik zag toen dat meneer (…) zeer kwaad
werd en het schuim op zijn mond had. Dit soort gevallen deden zich haast
dagelijks voor. [ …].
Het is mij ook eens overkomen dat ik op een normale werkdag om 15.30 uur
wilde stoppen met werken. [ …]. Toen ik dus te kennen gaf om 15.30 uur te
willen stoppen kwam meneer (…) met een stok in zijn hand op mij af. Hij
dreigde mij toen in elkaar te slaan. Ook een zoon van meneer (…) kwam toen
op mij af met een stok in zijn hand. Ik kreeg toen ook te horen dat ik op
staande voet ontslagen zou worden als ik niet zou overwerken. Ik ben toen
maar gebleven en heb tot 16.30 uur gewerkt die dag. Het is mij vaak overkomen
dat als ik niet direct deed wat meneer (…) wilde, dat ik slecht werk te
doen kreeg zoals het werken in een diepvriesruimte van zeker min 20 graden
celcius.[ …]. Ik vind meneer (…) een vreselijke man om als werkgever te
hebben. Hij scheldt mij veel uit en nog wel waar anderen bij zijn. Hierdoor
voel ik mij in mijn goede naam en eer aangetast. Dit is ook de reden geweest
dat ik op 14 juli 1995 ontslag heb genomen. Ik kon er niet meer tegen. Ik
wens dan ook dat er tegen hem een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld.
[ …]”.

3.8. Door de getuige van de wederpartij is op de zitting naar voren gebracht
dat een incident heeft plaats gevonden. Hij heeft gehoord dat er ruzie was
over de pauze. Hij heeft niets gezien.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar ras heeft gemaakt bij het beëindigen van de arbeidsverhouding zoals
verboden in artikel 5 lid 1 sub b van de AWGB.

4.2. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onderscheid tussen personen onder meer op
grond van ras is verboden.
In dit verband is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad ruim moet worden uitgelegd en tevens omvat: huidskleur, afkomst, of
nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22.014, nummer 3, p. 13, vergaderjaar 1990-1991).

4.3. Naar het oordeel van de Commissie is niet alleen sprake van een door de
wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de enige aanleiding vormt
voor een ongelijke behandeling, maar tevens als deze grond mede aanleiding
tot een ongelijke behandeling is.

4.4. De vraag die voorligt is, of aannemelijk is geworden dat de etnische
afstamming van verzoeker (mede) een rol heeft gespeeld bij de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst.
Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden stelt de Commissie op
grond van de overgelegde processtukken, de verklaringen van partijen en de
processen-verbaal het volgende vast.
De arbeidsovereenkomst met verzoeker werd ontbonden op grond van gewichtige
redenen, die op zich geen rechtstreeks verband houden met discriminatie op
grond van ras.
Voorts is bij het incident op 4 september 1995 geen sprake geweest van een
discriminerende bejegening door de wederpartij van verzoeker op grond van
diens afkomst.
Teneinde de in het geding zijnde vraag te beantwoorden overweegt de Commissie
het volgende.

4.5. De Commissie constateert dat het conflict omtrent het tijdstip van
pauzeren op 4 september 1995, de directe aanleiding was voor verzoeker om de
bijstand van derden in te roepen. Dit conflict heeft zodanige vorm aangenomen
dat verzoeker nog diezelfde dag door de bedrijfsarts arbeidsongeschikt werd
verklaard. Voorts heeft kort daarna de gemachtigde van verzoeker stappen
ondernomen om tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te geraken.
Geconcludeerd wordt dat genoemd conflict de directe aanleiding vormde tot de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.6. De Commissie stelt vast dat dit conflict niet op zichzelf stond. Hieraan
voorafgaand hebben zich, vanaf augustus 1994, meer problemen tussen verzoeker
en de wederpartij voorgedaan.
Dit wordt bevestigd door de verklaringen van partijen ter zitting, de
processen-verbaal zoals weergegeven onder 3.5 en 3.7.
en de overgelegde correspondentie.

4.7. Het is onbetwist dat deze conflicten hebben geleid tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst.
De vraag is of bij deze conflicten onderscheid naar ras mede een rol heeft
gespeeld, zodat geconcludeerd moet worden dat ook bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst, die het gevolg is geweest van deze conflicten, sprake is
van verboden onderscheid op grond van ras.

4.8. De Commissie stelt vast dat binnen het bedrijf van de wederpartij grove
taal wordt gebezigd. Dit werd ook bevestigd door de wederpartij. Voorts is er
ook sprake van bedreiging en fysiek geweld. Dit beeld wordt bevestigd door de
eerder genoemde processen-verbaal van verzoeker en zijn collega van
niet-Nederlandse afkomst.

4.9. Verzoeker en ook de allochtone collega hebben verklaard dat allochtone
werknemers door de grove bejegening van de wederpartij meer worden gehinderd
dan hun Nederlandse collega’s. Nederlandse collega’s accepteren dat gedrag
niet en nemen hun ontslag. Allochtone werknemers moeten zich deze gedragingen
vaak laten welgevallen. Zij kunnen immers moeilijker aan werk komen dan de
autochtone collega’s.
Uit de verklaringen blijkt voorts dat zowel verzoeker als de allochtone
collega op een bepaald moment niet meer tegen deze bejegening konden, hetgeen
in beide gevallen heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.10. De Commissie acht het hiervoor omschreven standpunt van verzoeker
aannemelijk dat werknemers van niet-Nederlandse afkomst van een dergelijke
bejegening meer nadeel ondervinden. Het is immers een feit van algemene
bekendheid dat de werkloosheid onder allochtonen aanzienlijk hoger is dan
onder autochtonen. Zij hebben derhalve een meer kwetsbare positie als
werknemer op de arbeidsmarkt dan hun Nederlandse collega’s.
Daardoor is het voor hen moeilijker zich aan een dergelijke bejegening te
onttrekken door ontslag te nemen.

4.11. De Commissie stelt voorts op grond van de hiervoor genoemde
verklaringen vast dat bovendien tegen verzoeker uitlatingen werden gedaan
over zijn afkomst die hij als discriminerend kon ervaren.

4.12. De Commissie is op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden van
oordeel dat er zodanige samenhang bestaat tussen de grove en discriminerende
bejegening en de conflicten die met verzoeker zijn ontstaan dat geconcludeerd
moet worden dat bij het beëindigen van de arbeidsovereenkomst met verzoeker
onderscheid op grond van ras mede een rol heeft gespeeld.

4.13. Het verweer van de wederpartij dat er in haar bedrijf meer allochtonen
dan autochtonen werkzaam zijn verklaart niet dat in het bedrijf niet wordt
gediscrimineerd. Dat kan met verschillende factoren te maken hebben zoals de
hoge graad van werkloosheid onder allochtonen, waardoor in het algemeen ook
minder aantrekkelijk werk moet worden aangenomen en vastgehouden.
Het standpunt van de wederpartij dat verzoeker zijn werkzaamheden niet (meer)
naar behoren uitvoerde, acht de Commissie niet overtuigend. Het is de
Commissie niet gebleken dat de wederpartij tijdens de arbeidsverhouding
verzoeker in kennis heeft gesteld van zijn negatieve oordeel over diens
functioneren. Voorts is er als reden voor de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst weliswaar gegeven dat er verschil van inzicht bestond
over de aard en wijze waarop de functie door verzoeker zou moeten worden
vervuld. Daarbij is echter tevens vermeld dat niet is aan te geven dat zulks
in overwegende mate aan een der partijen is te verwijten.
Het verweer van de wederpartij dat zij niet verantwoordelijk kan worden
gehouden voor discriminerende opmerkingen van medewerkers in het bedrijf
wijst de Commissie af. De Commissie is van oordeel dat de verplichting van de
werkgever zich te onthouden van discriminatie op het terrein van de arbeid
met zich brengt, dat de werkgever er op moet toezien dat ook degenen waarover
hij het gezag uitoefent zich van discriminatie onthouden.

4.14. De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij jegens verzoeker
bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst verboden onderscheid naar ras
heeft gemaakt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) en (…) jegens de
heer (…) te Den Haag onderscheid naar ras heeft gemaakt bij de beëindiging
van de arbeidsovereenkomst, zoals verboden in artikel 5 lid 1 onder b van de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
verkoopster. Volgens verzoekster is zij voor de functie afgewezen vanwege
haar zwangerschap.
De Commissie is van mening, dat bij verzoekster de indruk gewekt kan zijn dat
er sprake was een sollicitatiegesprek. Immers, de wederpartij heeft haar
benaderd, waarbij de nog openstaande vacature onderwerp van gesprek is
geweest. Vervolgens heeft de wederpartij haar uitgenodigd voor een gesprek.
Ook zonder dat met zoveel woorden is gezegd dat het om een
sollicitatiegesprek ging, mocht verzoekster aannemen dat dit het geval was.
De Commissie heeft al eerder geoordeeld dat ook als zwangerschap een van de
redenen en niet de enige reden van onderscheid is, dit strijd met de
wetgeving gelijke behandeling oplevert.
De Commissie is van oordeel dat, nu er geen sprake is van een doorzichtige
sollicitatieprocedure en de selectie niet is gebaseerd op voor betrokkenen
duidelijke functie-eisen, er sprake is van een procedure die niet voldoet aan
de voorwaarden zoals die door de Commissie worden gehanteerd, in navolging
van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen.
Daarbij bestaat het risico dat (ongewild en onbewust) onderscheid wordt
gemaakt naar geslacht.
Onweersproken is, dat de zwangerschap van verzoekster in de procedure aan de
orde is geweest. Niet is gesteld of aannemelijk gemaakt dat verzoekster over
aantoonbaar minder ervaring beschikte dan de andere overgebleven kandidate.
Derhalve acht de Commissie het aannemelijk dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld bij het besluit om haar niet in
aanmerking te laten komen voor de vacature. Daarmee heeft verweerder bij de
behandeling van de vervulling van een openstaande betrekking gehandeld in
strijd met artikel 3 lid 1 van de WGB.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 oktober 1995 verzocht mevrouw (…) te Steenwijk (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de (…) te Steenwijk (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
verkoopster. Volgens verzoekster is zij voor de functie afgewezen vanwege
haar zwangerschap. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.

2.2. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 13 februari 1996.
Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van de verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr.(…) (echtgenoot verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (eigenaar Mode Huisman)
– mw. (…) (verkoopster Mode Huisman)

als getuige
– mw. (…) (medewerkster Arbeidsbureau Steenwijk)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr.P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel van de Commissie is vastgesteld door Kamer I van de
Commissie. In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een damesmodewinkel. In mei 1995 heeft de wederpartij
het Arbeidsbureau te Steenwijk benaderd aangezien er een vacature voor een
verkoopster was vrijgekomen.
Verzoekster stond ingeschreven bij het Arbeidsbureau te Steenwijk voor een
functie van maximaal twintig uur per week. Zij werd door het Arbeidsbureau
als kandidate voor de functie geselecteerd. De wederpartij heeft verzoekster
telefonisch benaderd voor de functie. Verzoekster heeft toen aangegeven dat
zij niet voor de functie in aanmerking wenste te komen, aangezien zij in de
veronderstelling verkeerde dat het om een fulltime functie ging en zij
zwanger was.
De wederpartij heeft verzoekster na een aantal weken opnieuw telefonisch
benaderd. Tijdens dit gesprek werd verzoekster duidelijk dat het om een
oproepfunctie ging. Naar aanleiding van dit tweede telefoongesprek is
verzoekster op 13 september 1995 bij de wederpartij geweest voor een gesprek.
Tijdens dit gesprek is het arbeidsverleden van verzoekster aan de orde
geweest.
Na een week heeft de wederpartij verzoekster gebeld. Over de inhoud van dit
gesprek verschillen partijen van mening.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster is door de wederpartij telefonisch benaderd voor de functie van
verkoopster. Verzoekster heeft afgezien van de functie aangezien zij begrepen
had dat het om een fulltime functie ging. Mede gelet op haar zwangerschap,
was verzoekster op zoek naar een parttime functie. Verzoekster heeft dit aan
de wederpartij kenbaar gemaakt.

3.3. Na een paar weken is verzoekster opnieuw door de wederpartij benaderd.
Dit keer zou het om een oproepfunctie gaan. Verzoekster was op dat moment
drie maanden zwanger en heeft dit ook aan de wederpartij medegedeeld.
Verzoekster werd uitgenodigd voor een gesprek. Zij vatte dit op als een
sollicitatiegesprek.

3.4. Over het verloop van dit sollicitatiegesprek stelt verzoekster het
volgende.
Verzoekster heeft tijdens het sollicitatiegesprek aangegeven dat zij het
vreemd vond voor de tweede maal voor de functie te zijn benaderd. De
wederpartij gaf als reden dat er nog niemand voor de functie was gevonden.
Tijdens het gesprek heeft de wederpartij vragen gesteld over verzoeksters
arbeidsverleden. Ook heeft de wederpartij bij verzoekster geïnformeerd naar
haar mening over het werken in een winkel.
De wederpartij heeft tijdens het gesprek gezegd dat zij een zeer geschikte
kandidate was. Haar zwangerschap zou volgens de wederpartij wel een probleem
kunnen worden.
Bepaalde werkzaamheden zoals ramen lappen en stofzuigen zouden moeilijker
door verzoekster verricht kunnen worden, naarmate de zwangerschap zou
vorderen. Verzoekster antwoordde daarop dat zij deze werkzaamheden thuis ook
zelf zou moeten verrichten en het dus geen probleem vormde. De wederpartij
deelde verzoekster vervolgens mede dat er die middag nog een kandidaat op
gesprek zou komen.

3.5. Na ongeveer een week heeft de wederpartij verzoekster telefonisch
medegedeeld dat de keuze op een andere kandidaat gevallen was. De reden
hiervoor was dat verzoekster zwanger was, wat in relatie tot de werkzaamheden
in de winkel een probleem zou kunnen opleveren. Bovendien had de andere
kandidaat geen kinderen, terwijl verzoekster reeds een kind had.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.
Naar aanleiding van een vrijgekomen vacature voor verkoopster heeft de
wederpartij via het Arbeidsbureau onder andere verzoeksters naam opgekregen
als mogelijke kandidaat. De wederpartij heeft verzoekster telefonisch
benaderd. Tijdens dit telefoongesprek is door de wederpartij duidelijk gezegd
dat het om een oproepfunctie ging. Er is een afspraak gemaakt voor een
onderhoud. Enkele dagen later belde verzoekster af om mee te delen dat
aangezien zij zwanger was en lichamelijk niet sterk genoeg zou zijn om te
kunnen werken. Wederpartij heeft aanvankelijk een kandidate geselecteerd die
niet alleen verkoopervaring had, maar ook coupeusewerkzaamheden kon
verrichten. Deze kandidate heeft zich echter weer teruggetrokken.
Na enkele weken heeft de wederpartij per abuis verzoekster opnieuw gebeld.
Verzoekster heeft direct tegen de wederpartij gezegd dat zij reeds eerder
voor de functie benaderd was maar dat zij ervan af had gezien vanwege het
feit dat zij zwanger was.

3.7. De wederpartij heeft verzoekster uitgenodigd voor een gesprek. In
tegenstelling tot wat verzoekster stelt betrof dit geen sollicitatiegesprek
maar een persoonlijke kennismaking, nu partijen elkaar reeds enkele malen
telefonisch gesproken hadden. Tijdens dit persoonlijke gesprek heeft de
wederpartij met verzoekster gesproken over onder andere het zakenleven. In
veel mindere mate dan in gesprekken met een andere kandidate was het werk
zelf aan de orde geweest. De wederpartij heeft tijdens dit gesprek nog naar
voren gebracht dat, indien zij nog steeds in aanmerking had willen komen voor
de baan, het gebrek aan ervaring van verzoekster een groot bezwaar zou zijn.
De zwangerschap van verzoekster is tijdens dit gesprek niet ter sprake
gekomen.

3.8. Na afloop van het gesprek kon de wederpartij zich wel voorstellen, dat
verzoekster, zoals zij zelf reeds had aangegeven, lichamelijk te zwak was
voor de functie.
De wederpartij heeft dit aan verzoekster mee willen delen en heeft haar om
die reden na ongeveer een week telefonisch benaderd.

3.9. Tenslotte voert de wederpartij aan dat het niet aan hem is om te
beoordelen of iemand huishoudelijk werk zoals ramen lappen vanwege
zwangerschap niet meer zou kunnen verrichten. In het bedrijf hebben meermalen
verkoopsters met kinderen gewerkt, en ook verkoopsters die zwanger waren, dit
heeft echter nooit tot problemen geleid. Voor de wederpartij telt alleen of
iemand een goede verkoopster is die het vak kent.

3.10. De door de Commissie opgeroepen getuige stelt het volgende.
Verzoekster stond bij het Arbeidsbureau te Steenwijk ingeschreven als
werkzoekende voor een functie van maximaal 20 uur per week.
De wederpartij heeft het Arbeidsbureau benaderd nadat er bij hem een vacature
voor een oproepkracht verkoopster damesmode was vrijgekomen. Aan hem zijn
toen drie kandidaten doorgegeven, waaronder verzoekster en een kandidate met
ervaring met coupeusewerkzaamheden. Na enige tijd heeft de wederpartij
wederom om kandidaten gevraagd. Omdat het Arbeidsbureau van mening was dat
het om dezelfde functie ging, is de wederpartij meegedeeld dat er nog twee
kandidaten over waren, nu de kandidate met ervaring met coupeusewerkzaamheden
van de functie had afgezien.
Verzoekster heeft het Arbeidsbureau laten weten, dat zij was afgewezen voor
de functie. De wederpartij heeft het Arbeidsbureau laten weten dat de
zwangerschap van verzoekster niet de enige reden was. Hij had uiteindelijk
gekozen voor de derde kandidate, die vergelijkbaar was met verzoekster wat
betreft ervaring.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In het geding is de vraag of de wederpartij door verzoekster niet aan te
nemen voor de functie van verkoopster damesmode jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

4.2. In dit verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.
Artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (hierna:
WGB) bepaalt dat het niet toegelaten is bij de behandeling bij de vervulling
van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
In artikel 1 WGB is bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
direct en indirect onderscheid wordt verstaan.
Onder direct onderscheid wordt blijkens deze bepaling mede verstaan,
onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling of moederschap.
In het onderhavige geval dient eerst de vraag beantwoord te worden of er in
casu sprake was van een `behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking’ (selectie) voor de functie in de zin van de WGB. De wederpartij
stelt immers dat er geen sprake meer was van een sollicitatie toen
verzoekster bij hem voor een gesprek kwam.

4.3. Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt.
Tussen partijen is onbetwist, dat de wederpartij verzoekster heeft
uitgenodigd voor een gesprek.
De Commissie is van mening, dat bij verzoekster de indruk gewekt kan zijn dat
het ging om een sollicitatiegesprek. Immers, de wederpartij heeft haar (een
tweede keer) benaderd, waarbij de nog openstaande vacature onderwerp van
gesprek is geweest. Vervolgens heeft de wederpartij haar uitgenodigd voor een
gesprek. Ook zonder dat met zoveel woorden is gezegd dat het om een
sollicitatiegesprek ging, mocht verzoekster aannemen dat dit het geval was.
In elk geval had het op de weg van de wederpartij gelegen om voldoende
duidelijk te maken dat er geen sprake was van een sollicitatiegesprek. Nu de
wederpartij dat heeft nagelaten, gaat de Commissie er vanuit, dat er sprake
is geweest van een selectiegesprek.

4.4. De vraag die dan voorligt is of aannemelijk is geworden dat het feit dat
verzoekster zwanger was, (mede) aanleiding is geweest om verzoekster af te
wijzen voor de functie.
De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en de
Commissie gelijke behandeling hebben al eerder geoordeeld dat ook als
zwangerschap een van de redenen en niet de enige reden van onderscheid is,
dit strijd met de wetgeving gelijke behandeling oplevert (Commissie gelijke
behandeling, 2 januari 1996, oordeelnummer: 96-1; Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 juni 1994, oordeelnummer:
666-94-41).
In navolging van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EG (Zie
onder andere de arresten inzake de Commissie van de Europese Gemeenschap
versus Frankrijk, 30 juni 1988, zaak 318/86 (jurisprudentie 1988, 3559) en
Handels-of Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark versus Dansk
Arbejdsgiverforening, optredend voor Danfoss, 17 oktober 1989, zaak 109/88
(jurisprudentie 1988, 3199)) hebben de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid en de Commissie gelijke behandeling meerdere
malen uitgesproken dat de gevolgde selectieprocedure voor betrokkenen
voldoende inzichtelijk en controleerbaar moet zijn, om te voorkomen dat
(ongewild) onderscheid naar geslacht wordt gemaakt (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 9 januari 1991,
oordeelnummer: 164-91-4; 27 mei 1991, oordeelnummer: 345-91-3 en 11 juli
1994, oordeelnummer: 572-94-59). In geval van een ondoorzichtige procedure
moet de werkgever aantonen dat er geen onderscheid naar geslacht is gemaakt.
De vraag die beantwoord moet worden is derhalve, of bij de door de
wederpartij gevoerde sollicitatieprocedure sprake is geweest van een
inzichtelijke procedure, waarbij duidelijk kenbare criteria gehanteerd
werden.

4.5. In het onderhavige geval was verzoekster uitgenodigd voor een gesprek.
Over de aard van het gesprek en de verdere procedure zijn geen duidelijke
mededelingen gedaan. Ook is verzoekster niet duidelijk gemaakt welke criteria
een rol speelden bij de beoordeling van haar geschiktheid voor de functie.
De Commissie is derhalve van oordeel dat, nu er geen sprake is van een
doorzichtige sollicitatieprocedure en de selectie niet is gebaseerd op voor
betrokkenen duidelijke functie-eisen, er sprake is van een procedure die niet
voldoet aan de hierboven vermelde voorwaarden zoals die door de Commissie
worden gehanteerd, in navolging van de jurisprudentie van het Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen.
Daarbij bestaat het risico dat (ongewild en onbewust) onderscheid wordt
gemaakt naar geslacht.

4.6. De conclusie van de Commissie luidt derhalve als volgt.
Onweersproken is, dat de zwangerschap van verzoekster in de procedure aan de
orde is geweest. Niet is gesteld of aannemelijk gemaakt dat verzoekster over
aantoonbaar minder ervaring beschikte dan de andere overgebleven kandidate.
Derhalve acht de Commissie het aannemelijk dat de zwangerschap van
verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld bij het besluit om haar niet in
aanmerking te laten komen voor de vacature. Daarmee heeft verweerder bij de
behandeling van de vervulling van een openstaande betrekking gehandeld in
strijd met artikel 3 lid 1 van de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat de (…) te Steenwijk jegens
mevrouw (…) te Steenwijk onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 3 van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen en
daarmee in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter); mw. mr. L. Mulder (lidKamer); dhr.P.M. van der Sluis (lid Kamer); mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer).