Instantie: Rechtbank Leeuwarden, 4 april 1996

Instantie

Rechtbank Leeuwarden

Samenvatting


Verdachte is verkrachting van een vrouw tijdens haar slaap tenlaste
gelegd. Hij had zich onder andere voorgedaan als haar vriend. Hiervan
wordt verdachte vrijgesproken omdat er volgens de rechters geen sprake is
van dwang. Op het slachtoffer is niet een dermate lichamelijke of
psychische druk uitgeoefend dat zij daardoor tot capitulatie is gebracht.
Verdachte wordt wel veroordeeld voor diefstal.

Volledige tekst

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat 1. hij
op of omstreeks 28 september 1995 te of bij Workum, gemeente Nijefurd door
geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) X heeft gedwongen tot het
ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en)
uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die X. Hebbende
verdachte zijn penis in de vagina van die X gebracht/geduwd en/, althans
gehouden en/of die X gevingerd en/of de vagina/het kruis van die X
gestreeld/betast en X bestaande dat geweld of die andere
feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte – die wist, althans
redelijkerwijs kon weten, in elk geval vermoeden, dat die X (vast) in
slaap was en vervolgens/, althans niet (geheel) wakker was – zich
tegenover die X heeft voorgedaan als haar (vaste) vriend/partner, althans
het tegenover die X heeft doen voorkomen alsof hij haar (vaste)
vriend/partner was, in elk geval het idee/gevoel van die X dat hij,
verdachte, haar (vaste) vriend/partner was niet heeft weggenomen, althans
heeft laten voortbestaan en/of (daarbij) het slipje van die X naar beneden
heeft getrokken en/of (daarbij) die X bij de schouder heeft gepakt en naar
zich toe heeft gedraaid/getrokken en/of (daarbij) met zijn (rechter) been
het (linker)been van die X omhoog heeft geduwd en/of (daarbij) die X heeft
toegevoegd: ‘Schuif wat op, want het ligt hier zo moeilijk’, althans
woorden van die strekking.

Telastelegging: Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte
fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de
telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Vrijspraak: Ten aanzien van hetgeen onder feit 1 is telastegelegd,
overweegt de rechtbank het volgende. Van ‘dwang’ als bedoeld in artikel
242 van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien op het slachtoffer een
dermate lichamelijke of psychische druk is uitgeoefend, dat hij of zij
daardoor tot capitulatie is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank
hebben de telastegelegde en op zich bewijsbare feitelijkheden noch op
zichzelf, noch in hun onderlinge verband zodanige, de weerstand van het
slachtoffer brekende, dwang kunnen opleveren, dat gesproken kan worden van
verkrachting. Op grond van het voorgaande dient verdachte van het onder
1 telastegelegde te worden vrijgesproken. Kwalificatie:

Het bewezene levert op de misdrijven:

2. primair: Medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat
geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen of beschadigen. 3.
Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid verdachte:

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige
strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering: De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te
vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking: -de aard en de ernst van
de gepleegde feiten; -de omstandigheden waaronder deze zijn begaan; -de
persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en
deze naar voren komt uit de hem betreffende voorlichtingsrapportage en het
uittreksel uit het algemeen documentatieregister.

Onder invloed van speed en alcohol heeft verdachte met een groepje
vrienden een wraakoefening gepleegd op jeugdhonk “Us Jister” in Parrega.
Naast het feit dat een groot deel van de inventaris werd vernield, nam
verdachte samen met een maat ook nog daar aangetroffen geluidsapparatuur
en rookwaar mee.

Beide feiten hebben grote schade en ergernis opgeleverd, en rechtvaardigen
een straf, die verdachte duidelijk maakt dat de maatschappij van dit soort
gedrag niet gediend is. In verdachtes voordeel werkt dat hij tot op heden
zo goed als onbekend was voor justitie, hij uitzicht op vast werk heeft
en zich heeft gedistantieerd van eerderbedoelde groep. Op grond van
genoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank een korte
gevangenisstraf, om te zetten in werkstraf, een passende directe reactie.
Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke straf opleggen, enerzijds
om aan te geven dat de rechtbank er vertrouwen in heeft dat verdachte zijn
leven gebeterd heeft, anderzijds om aan te geven dat dit vertrouwen niet
onvoorwaardelijk is.

Benadeelde partij:

De vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, nu de
rechtbank het betreffende feit niet bewezen acht.

Beledigde partij:

De vordering van de beledigde partij Vereniging Dorpsbelang Parrega zal
als op de wet berustend, aannemelijk geworden en onbetwist, worden
toegewezen.

Toepassing van wetsartikelen:

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 47, 57, 310,
311 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak van de rechtbank luidt:

Rechtdoende:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 is telastegelegd en
spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair en 3 telastegelegde bewezen, te kwalificeren
en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

1. Het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte voor de duur
van 60 uren, in de plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor
de duur van 1 maand.

Stelt de termijn binnen welke de arbeid, nadat dit vonnis onherroepelijk
is geworden, moet aanvangen op 4 maanden. Stelt de termijn binnen welke
de arbeid na aanvang dient te worden verricht op 6 maanden. Bepaalt de
aard van de te verrichten werkzaamheden op onderhoud, huishoudelijk,
administratief of soortgelijk aan dezen, dan wel op een combinatie
daarvan.

2. Een gevangenisstraf voor de tijd van een maand.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij
de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich
voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee
jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is
telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering af.

Beslissing op de vordering van de beledigde partij Vereniging Dorpsbelang
Parrega:

Wijst de vordering van de beledigde partij toe tot na te melden bedrag.
Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de Vereniging
Dorpsbelang Parrega, te betalen de som van ƒ 1.000,= (duizend gulden), en
veroordeelt verdachte in de kosten door de beledigde partij gemaakt en ten
behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op
heden begroot op nihil.

Rechters

Mr. Wegener Sleeswijk, voorzitter, mrs Vellinga-Schootstra en vanEijk, rechters

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 2 april 1996

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


De kantonrechter stelt voorop dat met name tijdens de zitting naar voren is
gekomen dat een deel van de aan D verweten problemen te maken heeft met zijn
houding tegenover leerlingen. Hij zit regelmatig in de kantine met leerlingen
te praten in plaats van met collega’s. Voorts erkent hij tweemaal een relatie
te hebben gehad met een leerling, resp. 25 en 27 jaar oud. Ook vindt D het
prettig om leuk gevonden te worden en daar in zekere zin moeite voor te doen.
Dit alles kan naar het oordeel van de kantonrechter leiden tot tamelijk
complexe situaties, maar zij vormen onvoldoende reden om aan D het verwijt te
richten dat hij het bovenstaande helemaal niet moet doen en dat hij hoe dan
ook de schijn moet vermijden zijn gezag als leraar over leerlingen teveel te
doen gelden. Naar het oordeel van de kantonrechter zou bovenstaande pas
anders worden indien duidelijk zou zijn dat ten gevolge van het gezag dat een
leraar geniet leerlingen zich gedwongen voelen op zodanige wijze met hem om
te gaan dat, dwingerderwijs, tussen docent en leerling een andere dan
professionele relatie ontstaat, dan wel leerlingen, doordat zij dit gedrag
van D afwijzen, door hem worden benadeeld. Noch het een, noch het ander is
voldoende komen vast te staan. Een aantal concrete beschuldigingen hebben
geen grond. Wat betreft de intimiderende manier van kijken stelt de rechter
vast dat ook deze ongegrond is, mede omdat leerlingen onderkennen dat dit
gevoel er misschien al wel bij voorbaat kan zijn door alle verhalen over zijn
relaties met leerlingen. Ook de opmerking dat D een vrije jongen is en teveel
met zijn blouse open loopt kan onvoldoende bijdragen aan de conclusie dat er
sprake zou zijn van (seksuele) intimidatie.
De kantonrechter weigert de gevraagde ontbinding, maar voegt daar nog aan
toe: Dit oordeel wil evenwel niet beduiden dat D niet een gewaarschuwd man
is.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kwam in op 18
januari 1996.
Het verweerschrift kwam binnen op 21 februari 1996.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 maart 1996.
Namens De Stichting zijn verschenen mevrouw Kaljouw, mevrouw Van Andel
alsmede mr Dulack.
Dols is verschenen alsmede mr Verhulp.
Beide partijen hebben het woord gevoerd.

Beoordeling van het geschil

1. X is met ingang van 1 september 1986 voor onbepaalde tijd bij De Stichting
in dienst getreden in de functie van docent omgangskunde.
Met ingang van 1 februari 1995 is met X een nieuwe arbeidsovereenkomst
aangegaan, wederom voor onbepaalde tijd en wederom in de functie van docent
omgangskunde. De arbeidsduur is 36 uur per week. Het salaris bedraagt ƒ
6.343,85 bruto per maand. De CAO ziekenhuiswezen is van toepassing op de
onderhavige overeenkomst. De SOVB exploiteert een opleidingsschool voor
verpleegkundige beroepen. X is thans 46 jaar oud.

2. Verzocht wordt de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige
redenen, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden die
billijkheidshalve spoedig dienen te leiden tot een einde aan de
dienstbetrekking.
Aan dit verzoek wordt ten grondslag gelegd dat X misbruik heeft gemaakt van
verticale loyaliteit tussen docenten en leerlingen alsmede misbruik maakte
van de beïnvloedbaarheid van jonge mensen en voorts dat er sprake is van
intimidatie en sexuele intimidatie. Door mevrouw van Andel is in november
1995 een rapportage opgesteld terzake van een onderzoek naar aard en ernst
van de klachten, geuit aan het adres van X. Interviews zijn gehouden met 7
leerlingen uit 3 verschillende groepen, 1 ex-leerling, drie docenten en een
tenslotte X zelf.
Voorts bevat het rapport opmerkingen van de geïnterviewden met betrekking tot
de inhoud van lessen en de houding van de docent. De inhoud van de lessen
wordt door alle leerlingen uitdrukkelijk als slecht beoordeeld. De lessen
verlopen zodanig dat de leerlingen stellen niets te leren.
Docenten, derhalve collegae van X, geven verschillende beelden, zoals dat zij
hem nooit zien les geven, alsmede dat zij eigen ervaringen, toen zij samen
met X lesgaven, een beeld kregen dat aan de leerlingen met het initiatief
wordt gelaten om de discussie te beginnen danwel met opdrachten te werken,
zonder dat X zelf zaken inbrengt.
Docenten melden dat zij erg veel klachten van leerlingen vernemen over
slechte lessen van X.
Zij verschillen van mening met X over hoe je als docent lessen dient vorm te
geven.
De houding van X wordt als weinig stimulerend ervaren.
Terwijl bovendien grote incongruentie wordt ervaren.

X gaat buiten school met leerlingen om, ook in sexuele relaties
hetgeen door de meesten als niet passend wordt ervaren.
De intimidatie bestaat daaruit dat X vaak negatief en denigrerend doet over
de verpleegkundige beroepsgroep en over verpleegkundig docenten.
Zij manier van kleden en zijn manier van kijken wordt als intimiderend
ervaren.
In de lessen wordt onveiligheid ervaren.
X speelt intimiderende spelletjes.
Met betrekking tot gestelde sexuele intimidatie wordt niet alleen gewezen op
de omstandigheid dat X ook met leerlingen optrekt buiten de schooluren en met
enkele leerlingen een sexuele relatie heeft (gehad) maar het omgaan met
meisjes in de les en in de pauzes alsmede zijn manier van kijken,
insinuerende opmerkingen en tenslotte een klacht van een mannelijke
verpleegkundige over ongewenste intimiteit.
X voert verweer.
De klacht van de manlijke leerling Y is uiteindelijk niet gegrond bevonden.
X verwijst naar de evaluatieformulieren ter afsluiting van een module die
door de leerlingen worden ingevuld.
X weet niet in hoeverre klachten op deze formulieren over hem zijn geuit maar
hij is daarover nooit aangesproken.
De selectie van de geïnterviewde personen is zodanig dat een andere uitkomst
dan in de rapportage van Van Andel is weergegeven, uitgesloten is.
X blijft zich echter afvragen waaruit de klachten nu precies bestaan hebben.
X maakt bezwaar tegen het werken van Van Andel met zogenoemde beelden.
X kan erkennen dat hij het leuk vindt om leuk gevonden te worden en daar in
zekere zin ook moeite voor doet.
X heeft in het lesjaar 1991/1992 tweemaal een relatie met een leerling gehad.
X wijst op het specifieke onderwijselement in zijn vak, omgangskunde.
De omstandigheid dat er meer dan normaal van leerlingen verwacht wordt dat
zij en de docent zich bloot geven leidt ongetwijfeld tot fricties.
Het evaluatieformulier is daarvoor het meest geschikte middel.
X is er evenwel nooit op aangesproken dat hij (sequeel) intimideert.
X is bereid om bij kritiek op zijn functioneren zijn houding en werkwijze aan
te passen.
Zijn terugkeer is niet onmogelijk.

Tot zover de standpunten van partijen waarop de kantonrechter indien nodig
hieronder terug komt.

3. De kantonrechter komt tot het volgende oordeel.
De kantonrechter stelt voorop dat, met name tijdens de mondelinge
behandeling, naar voren is gekomen dat een deel van de aan X verweten
problemen te maken heeft met zijn houding tegenover leerlingen.
Hij zit regelmatig in de kantine met leerlingen te praten in plaats van
tijdens de pauzes met leraren te conserveren. Voort erkent X in het lesjaar
1991/1992 tweemaal een relatie met een leerling te hebben gehad,
respectievelijk 25 en 27 jaar oud.
Ook vindt X het prettig om leuk gevonden te worden en daar in zekere zin
moeite voor te doen.
Dit alles kan naar het oordeel van de kantonrechter leiden tot tamelijk
complexe situaties, maar zij vormen onvoldoende reden om aan X het verwijt te
richten dat hij het vorenstaande helemaal niet moet doen en dat hij hoe dan
ook de schijn moet vermijden zijn gedrag als leraar over leerlingen teveel te
doen gelden.

Naar het oordeel van de kantonrechter zou bovenstaande pas anders worden
indien duidelijk zou zijn dat ten gevolge van het gezag dat een leraar geniet
leerlingen zich gedwongen voelen op zodanige wijze met hem om te gaan dat,
dwingenderwijs, tussen docent en leerling een andere dan professionele
relatie ontstaat danwel leerlingen, doordat zij dit gedrag van X afwijzen,
door hem benadeeld worden.
Noch het een, noch het ander is voldoende komen vast te staan.
Evenmin is komen vast te staan het aan X verweten concrete verwijt dat hij
een leerling in de billen heeft geknepen.
Voldoende aannemelijk is geworden dat deze leerling door een ander
handtastelijk benaderd is.
De denigrerende houding van X ten opzichte van zowel leerlingen als docenten
is onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De manier van kijken van X die een rol heeft gespeeld bij het onderwerp van
sexuele intimidatie (zie rapport van mevrouw Van Andel onder punt 6.4 en
onder 6.3) is, mede omdat leerlingen onderkennen dat dit gevoel er misschien
al we bij voorbaat kan zijn door alle verhalen over zijn relaties met
leerlingen, onvoldoende gegrond.
Ook de opmerkingen van X dat hij een vrije jongen is en dat hij met zijn
blouse teveel open loopt kan onvoldoende in dit stadium bijdragen tot de
conclusie dat sprake is van (seksuele)intimidatie.

De kantonrechter ziet derhalve op dit moment onvoldoende aanleiding om de
arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden wegens veranderingen in de
omstandigheden die billijkheidshalve dienen te leiden tot een einde van de
dienstbetrekking.

Dit oordeel van de kantonrechter wil evenwel niet beduiden dat X niet een
gewaarschuwd man is.
Het grootste manco van deze zaak is wellicht dat onvoldoende duidelijk is
geworden aan de hand van waarschuwingen aan het adres van X zowel van de
leiding van het opleidingsinstituut als ook, corrigerende opmerkingen van
leraren dat het gedrag van X op het randje is.
Naar het oordeel van de kantonrechter dient X, wanneer hij weder ter werk
gesteld wordt bij ‘De Hoge Ingh’, zijn gedrag aanzienlijk aan te passen. Dit
geldt overigens niet alleen de opmerkingen met betrekking tot intimidatie en
sexuele intimidatie in het rapport van mevrouw Van Andel, maar ook zijn wijze
van lesgeven en presentatie.

De kantonrechter ziet termen de kosten van de procedure te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten.

Rechters

Mr J.J.M. de Laat

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 2 april 1996

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Partijen zijn op 28 november 1993 gehuwd. De echtscheidingsbeschikking
is op 3 januari 1996 ingeschreven in de registers van de burgelijke stand.
Tijdens het huwelijk van partijen, waaruit twee kinderen zijn geboren (10
en 6 jaar) was sprake van een traditioneel rollenpatroon. Bij de bepaling
van de draagkracht van de man wordt geen rekening gehouden met zijn vrijwillig
aangegane, spaarloonregeling. De man is van mening dat de vrouw op een
termijn van vijf jaar, maar in elk geval op een termijn korter dan twaalf
jaar, geheel in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gelet op de opleiding
van de vrouw, het traditionele rollenpatroon, de situatie op de arbeidsmarkt
en de zorgtaken voor haar twee kinderen, is het hof van mening dat er geen
termijn moet worden vastgesteld. Vaststelling van een termijn heeft bovendien
tot gevolg dat verlenging niet op grond van artikel 1: 157 lid 5 BW maar
op voet van artikel 1: 401 lid 2 BW zal moeten worden gevraagd. De hier
genoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen de conclusie, dat behoudens
ingrijpende wijzigingen (1:401 lid 2 BW) de vrouw korter dan twaalf jaar
behoefte zal hebben aan alimentatie.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 19
oktober 1995, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. De partijen worden hierna aangeduid als: de man respectievelijk de
vrouw.

2.2. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 15 december
1995, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij
verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende
de vrouw alsnog in haar verzoek tot het verkrijgen van alimentatie niet-ontvankelijk
te verklaren dan wel dit verzoek alsnog integraal af te wijzen, kosten
rechtens.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 11 januari 1996, heeft
de vrouw het beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof bij beschikking,
uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man af te wijzen, kosten rechtens.

2.4. De mondelinge behandeling heeft op 12 maart 1996 plaatsgevonden. Verschenen
zijn partijen, de man bijgestaan door zijn procureur, en de vrouw bijgestaan
door mr (…) advocaat te (…).

3. De vaststaande feiten

3.1. Partijen zijn op 28 november 1983 gehuwd. Bij de bestreden beschikking
is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op
3 januari 1996 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
– X. , op 15 april 1985 te Voorburg, en
– Y. , op 22 september 1989 te Arnhem, over welke kinderen de vrouw is
benoemd tot voogdes en de man tot toeziend voogd.

Ten aanzien van de man

3.3. De man is alleenstaand. Hij is als marketing manager werkzaam bij
(…) te (…). Zijn inkomen uit dien hoofde bedraagt ƒ 147.406,= bruto
per jaar, inclusief vakantietoeslag en dertiende maand.

3.4. De maandelijkse lasten van de man bedragen:
– ƒ 350,= per kind als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding
van de kinderen van partijen krachtens de in zoverre niet bestreden beschikking
van 19 oktober 1995;
– ƒ 780,= aan huur;
– ƒ 480,= aan premie levensverzekering;
– ƒ 190,= aan premie ziektekostenverzekering;
– ƒ 434,= aan werkelijke verwervingskosten;
– ƒ 100,= aan kosten terzake van de omgangsregeling;
– ƒ 150,= aan herinrichtingskosten.

Ten aanzien van de vrouw

3.5. De vrouw is thans 36 jaar en vormt met de kinderen van partijen (10
en 6 jaar) een éénoudergezin.
Zij woont met de kinderen in de haar in eigendom toebehorende voormalige
echtelijke woning. Aan rente en aflossing op de aan die woning verbonden
hypothecaire lening betaalt zij ƒ 5.400,= per jaar.
De vrouw heeft een opleiding tot ziekenverzorgster genoten. Zij heeft van
1982 tot 1983 als zodanig gewerkt. Daarna heeft zij geen betaalde beroepsarbeid
meer verricht. Tijdens het huwelijk van partijen was sprake van een traditioneel
rollenpatroon, waarbinnen de vrouw de zorg voor de kinderen had en de man
betaalde arbeid verichtte.

4. De motivering van de beslissing

4.1. Partijen strijden over de vraag of de man voldoende draagkracht heeft
om de hem opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw
te betalen en over de vraag of behoefte bestaat aan die bijdrage.

Behoefte

4.2. De man betwist dat de behoefte van de vrouw een bedrag van ƒ 2.500,=
per maand te boven gaat. het hof oordeelt dat de vrouw, gelet op het door
haar gegeven overzicht van haar lasten haar behoefte aan het door de rechtbank
opgelegde bedrag voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

Draagkracht

4.3. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde
bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te betalen. Teneinde
zijn stelling te staven heeft de man een draagkrachtberekening in het geding
gebracht, waarin naast de hiervoor vermelde financiële gegevens tevens
rekening is gehouden met een last terzake van spaarloon van ƒ 131,= per
maand.
Het hof is van oordeel dat met dit bedrag aan spaarloon geen rekening behoort
te worden gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man nu deze
vrijwillig door de man aangegane verplichting geen prioriteit geniet boven
zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw.

4.1. Daarnaast betwist de vrouw de hoogte dan wel noodzaak van de premie
levensverzekering en de herinrichtingskosten. Het hof is van oordeel dat
– ook wanneer wel met deze betwiste lasten en met de door de man gestelde
toekomstige woonlasten van ƒ 1.200,= per maand rekening wordt gehouden
– de draagkracht van de man, de fiscale consequenties in aanmerking genomen,
betaling van de hem opgelegde bijdrage ruimschoots toelaat.

De gevraagde limitering

4.5. Voorts heeft de man aangevoerd dat de vrouw op een termijn van vijf,
maar in elk geval op een termijn korter dan twaalf jaar geheel in haar
eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien. De vrouw heeft dit gemotiveerd
betwist. Het hof zal de uitkering tot levensonderhoud niet toekennen onder
vaststelling van een termijn. Gezien de opleiding van de vrouw, de situatie
op de arbeidsmarkt, de omstandigheid dat de vrouw al geruime tijd – sedert
1983 – niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen en de omstandigheid
dat de vrouw de zorg heeft over de nog jonge kinderen van partijen, terwijl
onweersproken vaststaat dat vooral het oudste kind haar bijzondere aandacht
nodig heeft, is naar het oordeel van het hof thans niet te verwachten dat
zij binnen afzienbare tijd geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud
zal kunnen voorzien. Uiteraard kan van de vrouw wel gevergd worden dat
zij zich vanaf heden gaat voorbereiden op een herintrede op de arbeidsmarkt,
maar thans kan niet voorspeld worden wanneer de vrouw erin zal kunnen slagen
geheel of gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud te voorzien.
Vaststelling van een termijn heeft bovendien als gevolg dat verlenging
niet op de voet van artikel 1:157 lid 5 maar op voet van artikel 1:401
lid 2 zal moeten worden gevraagd.
De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie
dat, behoudens een ingrijpende wijziging van omstandigheden als bedoeld
in artikel 1:401 lid 2 BW, op een termijn korter dan 12 jaar geen aan het
huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw meer zal bestaan. Het hof is
ook om die reden van oordeel dat de aan de vrouw te betalen alimentatie
thans niet beperkt dient te worden in tijdsduur.

5. De slotsom

Op grond van de bovenvermelde feiten en omstandigheden en van hetgeen hierboven
is overwogen acht het hof de door de rechtbank opgelegde bijdrage in overeenstemming
met de draagkracht van de man en de behoefte van de vrouw, terwijl het
hof zoals overwogen met de rechtbank van oordeel is dat voor de gevraagde
limitering geen plaats is. De bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.
Het hof ziet reden de proceskosten te compenseren op na te melden wijze.

De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 19 oktober 1995,
voor zover aan het oordeel dan het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzocht;

Compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat elke
partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Pel, Fokker en Katz-Soeterbroek

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
taxichauffeur. Verzoekster is na het sollicitatiegesprek afgewezen voor de
functie. Volgens verzoekster is zij niet aangenomen omdat zij kinderen heeft.
De Commissie is van oordeel dat, nu er in het onderhavige geval geen
inzichtelijke sollicitatieprocedure is gevolgd, nu de functievereisten voor
verzoekster niet kenbaar en duidelijk waren en nu de wederpartij uitsluitend
op basis van subjectieve indrukken selecteert, er sprake is van een procedure
die niet voldoet aan de voorwaarden zoals die in navolging van de
jurisprudentie van het HvJ EG door de Commissie worden gehanteerd. Daarmee
bestaat het risico dat de werkgever (ongewild) onderscheid op grond van
geslacht maakt.
Onweersproken is dat de kinderen van verzoekster door de wederpartij tijdens
het sollicitatiegesprek ter sprake zijn gebracht. De Commissie neemt dit
derhalve als vaststaand aan. Tevens is vastgesteld dat er sprake is geweest
van een selectieprocedure die niet aan de eisen voldoet, waarbij het risico
dat er onderscheid op grond van geslacht is gemaakt voor rekening van de
wederpartij komt.
De Commissie komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat het feit
dat verzoekster kinderen heeft, voor de wederpartij (mede) aanleiding is
geweest om haar af te wijzen voor de functie van taxichauffeur. De
wederpartij heeft daarmee bij de behandeling van de vervulling van een
openstaande betrekking gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van de WGB.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 september 1995 verzocht mevrouw (…) te Spijkenisse (hierna:
verzoekster) de Commissie Gelijke Behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door (…) te Spijkenisse (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid naar geslacht is gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie van
taxichauffeur. Verzoekster is na het sollicitatiegesprek afgewezen voor de
functie. Volgens verzoekster is zij niet aangenomen omdat zij kinderen heeft.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid heeft
gemaakt naar geslacht.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad om hun standpunten toe
te lichten. Partijen zijn opgeroepen voor een zitting op 13 februari 1996.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van de verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– mw. (…) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. ir. L.M. Niemantsverdriet (directeur)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel van de Commissie is vastgesteld door Kamer I van de
Commissie. In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft in het voorjaar van 1995 telefonisch gereageerd op een
advertentie van de wederpartij. In deze advertentie zocht de wederpartij, een
taxibedrijf gespecialiseerd in groeps- en ziekenvervoer, chauffeurs of
chauffeuses voor vakantiewerk in de maanden juli, augustus en september.
Naar aanleiding van haar telefonische reactie is verzoekster bij de
wederpartij op gesprek geweest. Tijdens dit gesprek zijn de kinderen van
verzoekster ter sprake gekomen in verband met een operatie die haar kinderen
zouden moeten ondergaan. Aangezien deze operatie in de periode viel dat
verzoekster eventueel voor de wederpartij zou gaan werken, zou verzoekster
enige dagen absent zijn. Na afloop van dit gesprek is er tussen verzoekster
en de wederpartij telefonisch contact geweest. Tijdens dit gesprek heeft de
wederpartij aan verzoekster meegedeeld dat de keuze niet op haar was
gevallen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft gehandeld door haar af te wijzen vanwege het feit
dat zij kinderen heeft.
Verzoekster is van mening dat het sollicitatiegesprek tussen haar en de
wederpartij prettig verliep. Tijdens dit gesprek heeft zij de dagen dat zij
afwezig zou moeten zijn wegens de oogoperatie van haar kinderen, ter sprake
gebracht. Voor het geval er additionele opvang noodzakelijk zou zijn, had
verzoekster, een vriendin die in de buurt woont, gevraagd te helpen.
Verzoekster heeft enige tijd na het sollicitatiegesprek het initiatief
genomen om de wederpartij te bellen om te informeren of zij al dan niet zou
worden aangenomen. Tijdens dit gesprek werd haar gezegd dat zij niet was
aangenomen.
De wederpartij heeft gezegd dat hij liever iemand in dienst nam zonder
kinderen, omdat deze te veel problemen gaven. Verzoekster heeft daarop
geantwoord dat zij een en ander goed kon regelen en dat dit geen grond mocht
zijn om haar voor de functie af te wijzen. De wederpartij deelde haar daarop
mee dat er reeds iemand was aangenomen. Op verzoeksters vraag om de reden
voor afwijzing op papier te bevestigen reageerde de wederpartij met: `Ik zal
me daar gek wezen.’
Verzoekster heeft jarenlang in de bejaardenzorg en gezinszorg gewerkt. In
deze sector zijn kwaliteiten zoals psychische stabiliteit, contactuele
vaardigheden, tolerantie en flexibiliteit van groot belang.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij bestrijdt dat door hem onderscheid wordt gemaakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling. Aan de afwijzing van verzoekster lagen
andere redenen ten grondslag dan het feit dat zij kinderen heeft.
Tijdens sollicitatiegesprekken let de wederpartij erop of voldaan wordt aan
de volgende subjectieve criteria: stabiliteit, contactuele vaardigheden,
tolerantie en flexibiliteit. Dit wordt in een ongestructureerd en open
gesprek door de wederpartij getoetst. De wederpartij heeft er in het gesprek
met verzoekster op gelet of zij aan deze criteria voldeed.
Voorts beoordeelt de wederpartij kandidaten op de verlofwensen en de
looneisen. Deze zijn in het gesprek met verzoekster niet aan de orde gekomen.
Indien een kandidaat door de wederpartij voldoende geschikt wordt bevonden,
wordt deze uitgenodigd voor een tweede gesprek. In dit onderhoud zal dan
onder andere de rijvaardigheid van de kandidaat en een aantal `leefregels’
aan de orde komen.
De kinderen van verzoekster zijn tijdens het sollicitatiegesprek ter sprake
gebracht omdat verzoekster, in verband met de oogoperatie van haar kinderen,
enige dagen verlof zou willen hebben. De wederpartij merkt op dat verzoekster
van tevoren al wist hoe lang zij vrij zou moeten nemen zonder daarbij
rekening te houden met eventuele complicaties. Verzoekster heeft tegen de
wederpartij gezegd dat zij voor eventuele additionele opvang een beroep zou
kunnen doen op de `sociale buurt’ waarin zij woont.
Verzoekster is afgewezen op grond van de indruk die zij tijdens het
sollicitatiegesprek op de wederpartij maakte. Naar de mening van de
wederpartij was verzoekster minder geschikt voor de functie. Tijdens het
telefoongesprek waarin haar werd meegedeeld dat zij niet zou worden
aangenomen, suggereerde verzoekster zelf dat de reden van de afwijzing bij
haar kinderen zou liggen.
Tot slot voert de wederpartij aan dat van de ongeveer 80 mensen die in het
bedrijf werkzaam zijn, er 69 vrouw zijn. Van deze 69 vrouwen hebben er 64
kinderen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt naar
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door verzoekster niet
te selecteren voor de functie van chauffeur.
Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (hierna: WGB) is het niet toe-gelaten bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen
en vrouwen.
In artikel 1 WGB is bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
direct en indirect onderscheid wordt verstaan. Onder direct onderscheid wordt
blijkens deze bepaling mede verstaan, onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling of moederschap.
De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid en de
huidige Commissie gelijke behandeling hebben al eerder geoordeeld dat ook als
zwangerschap een van de redenen en niet de enige reden van onderscheid is,
dit strijd met de wetgeving gelijke behandeling oplevert (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 juni 1994, oordeelnummer:
666-94-41 en Commissie gelijke behandeling, 2 januari 1996, oordeelnummer:
96-1). De Commissie gaat er vanuit dat ook indien moederschap een van de
redenen en niet de enige reden van onderscheid is, dit strijd met de
wetgeving gelijke behandeling oplevert.

4.2. De vraag die voorligt is of aannemelijk is geworden dat het feit dat
verzoekster kinderen heeft, (mede) aanleiding is geweest om verzoekster af te
wijzen voor de functie in kwestie.

4.3. Ten aanzien van sollicitatie- en selectieprocedures heeft de Commissie
reeds verschillende malen aangegeven dat deze voldoende inzichtelijk,
controleerbaar en systematisch dienen te zijn, om te voorkomen dat ongewild
en onbewust onderscheid naar geslacht wordt gemaakt (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 9 januari 1991,
oordeelnummer: 164-91-4; 27 mei 1991, oordeelnummer: 345-91-3 en 11 juli
1994, oordeelnummer:
572-94-59).
Ook het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft meermalen
gewezen op de noodzaak van doorzichtigheid van procedures teneinde (ongewild)
ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen te voorkomen (Zie onder andere
de arresten inzake de Commissie van de Europese Gemeenschap versus Frankrijk,
30 juni 1988, zaak 318/86 (jurisprudentie 1988, 3559) en Handels-of
Kontorfunktionaerernes Forbund i Danmark versus Dansk Arbejdsgiverforening,
optredend voor Danfoss, 17 oktober 1989, zaak 109/88 (jurisprudentie 1988,
3199)). Dit betekent in concreto dat kandidaten moeten worden beoordeeld aan
de hand van tevoren vastgestelde, nauwkeurig omschreven functievereisten en
dat er sprake moet zijn van een voor betrokkenen duidelijke en doorzichtige
procedure. Neemt men deze maatregelen niet, dan bestaat het risico dat er
(ongewild) onderscheid naar geslacht gemaakt wordt.

4.5. De vraag die met betrekking tot de gevoerde sollicitatieprocedure
beantwoord moet worden is derhalve, of bij de door de wederpartij gevoerde
sollicitatieprocedure sprake is geweest van een inzichtelijke procedure,
waarbij duidelijk kenbare criteria gehanteerd werden.
Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt.
De wederpartij heeft aangegeven dat er bij de selectie voor de onderhavige
functie geen sprake was van een duidelijk profiel of van gespecificeerde
functievereisten waar de kandidaten aan werden getoetst. De wederpartij kijkt
weliswaar onder meer naar hoedanigheden als contactuele vaardigheden,
stress-bestendigheid en dergelijke, maar baseert zijn gevolgtrekkingen
dienaangaande niet op objectieve gronden. De wederpartij gaat hierbij
uitsluitend af op de subjectieve indrukken die de diverse kandidaten op hem
hebben gemaakt. Evenmin worden tijdens de sollicitatiegesprekken
aantekeningen gemaakt. Incidenteel maakt de wederpartij achteraf een notitie,
dit is in het onderhavige geval echter niet gebeurd.
De Commissie is gelet op het bovenstaande van oordeel dat, nu er in het
onderhavige geval geen inzichtelijke sollicitatieprocedure is gevolgd, nu de
functievereisten voor verzoekster niet kenbaar en duidelijk waren en nu de
wederpartij uitsluitend op basis van subjectieve indrukken selecteert, er
sprake is van een procedure die niet voldoet aan de hierboven vermelde
voorwaarden zoals die in navolging van de jurisprudentie van het EG-Hof van
Justitie door de Commissie worden gehanteerd. Daarmee bestaat het risico dat
de werkgever (ongewild) onderscheid op grond van geslacht maakt.

4.6. Onweersproken is dat de kinderen van verzoekster door de wederpartij
tijdens het sollicitatiegesprek ter sprake zijn gebracht. De Commissie neemt
dit derhalve als vaststaand aan. Tevens is vastgesteld dat er sprake is
geweest van een selectieprocedure die niet aan de eisen zoals genoemd onder
4.4. voldoet, waarbij het risico dat er onderscheid op grond van geslacht is
gemaakt voor rekening van de wederpartij komt.
De Commissie komt op grond van het bovenstaande tot het oordeel dat het feit
dat verzoekster kinderen heeft, voor de wederpartij (mede) aanleiding is
geweest om haar af te wijzen voor de functie van taxichauffeur. De
wederpartij heeft daarmee bij de behandeling van de vervulling van een
openstaande betrekking gehandeld in strijd met artikel 3 lid 1 van de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Spijkenisse jegens
mevrouw (…) te Spijkenisse onderscheid naar geslacht heeft gemaakt zoals
bedoeld in artikel 3 Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen en daarmee
heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter); mw. mr. L. Mulder (lidKamer); dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer); mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een ziekengeldverzekering afgesloten bij de wederpartij.
Krachtens deze verzekering wordt geen uitkering verstrekt voor
arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap of kraamvrouwenstaat.
De commisie stelt dat er sprake is van direct onderscheid. De onderhavige
onvereenkomst valt onder de reikwijdte van artikel 7 lid 1 sub a AWGB.
De Commissie concludeert dat de wederpartij jegens verzoekster in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling direct onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a AWGB.
Met betrekking tot het beroep van de wederpartij op het beding in artikel 2g
sub 4 van de polisvoorwaarden, op grond waarvan uitkering voor enige
arbeidsongeschiktheid van de verzekerde persoon tijdens zwangerschap of
kraamvrouwenstaat wordt uitgesloten, overweegt de Commissie dat het beding in
artikel 2g sub 4 van de polisvoorwaarden nietig is zoals bedoeld in artikel 9
AWGB.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 6 oktober 1995 verzocht mevrouw (…) te Oegstgeest (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door de (…) te Amsterdam (hierna:
de wederpartij) onderscheid is gemaakt op grond van geslacht in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft een ziekengeldverzekering afgesloten bij de
wederpartij. Krachtens deze verzekering wordt geen uitkering verstrekt voor
arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap of kraamvrouwenstaat.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunten
toegelicht.

2.2. Partijen zijn uitgenodigd voor een zitting op 6 februari 1996.
Zij hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.
Ter zitting waren van de zijde van de Commissie aanwezig:
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is werkzaam als zelfstandig fysiotherapeute.
Zij heeft een ziekengeldverzekering afgesloten bij de wederpartij, ingaande 9
juni 1993. De wederpartij is een particuliere verzekeringsmaatschappij. In de
polisvoorwaarden staat onder artikel 1 vermeld dat een uitkering zal worden
verstrekt op grond van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van een acute of
chronische ziekte. Onder arbeidsongeschiktheid wordt ingevolge genoemd
artikel 1 van de polisvoorwaarden verstaan de algehele ongeschiktheid tot
uitoefening van het beroep of de werkzaamheden van de verzekerde.
In artikel 2g sub 4 van de polisvoorwaarden wordt de verplichting tot
uitkering onder andere uitgesloten in geval van arbeidsongeschiktheid tijdens
`zwangerschap of kraamvrouwenstaat; respectievelijk voor enige ziekte, welke
is ontstaan, bevorderd of verergerd door voornoemde omstandigheden.’
Verzoekster heeft de wederpartij om een ziekengelduitkering verzocht voor de
periode van 16 mei 1995 (zes weken voor de uitgerekende bevallingsdatum) tot
en met 8 september 1995
(tien weken na de dag van de bevalling). Dit verzoek is door de wederpartij
niet gehonoreerd.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt het volgende.
Door aan verzoekster geen ziekengeld uit te keren voor de periode van
zwangerschapsverlof en bevallingsverlof handelt de wederpartij in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij maakt door de bovengenoemde polisvoorwaarden geen onderscheid
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Het criterium dat gehanteerd
wordt bij de uitkering van het ziekengeld is arbeidsongeschiktheid ten
gevolge van acute of chronische ziekte. Zwangerschap en kraamvrouwenstaat
vallen niet onder de noemer van acute of chronische ziekte. Het criterium
voor uitkering is dan ook geslachtsonafhankelijk.
Voorts voert de wederpartij aan dat de wederpartij niet verplicht is tot
uitkering voor enige arbeidsongeschiktheid van de verzekerde persoon tijdens
zwangerschap of kraamvrouwenstaat, aangezien dit in de polisvoorwaarden in
artikel 2g sub 4 uitdrukkelijk wordt uitgesloten.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
maakt op grond van geslacht in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling
(AWGB) door in de polisvoorwaarden van de ziekengeldverzekering het risico
van zwangerschap en kraamvrouwenstaat uit te sluiten.

4.2. In dit verband zijn de volgende wetsartikelen van belang.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid in de zin van de wet zowel
direct als indirect onderscheid wordt verstaan.
Onder direct onderscheid wordt op grond van dit artikel onder andere verstaan
onderscheid tussen personen op grond van geslacht.
Direct onderscheid op grond van geslacht ziet mede op onderscheid op grond
van zwangerschap, bevalling en moederschap (Tweede Kamer 1990-1991, 22014,
nr. 3, pagina 13).
Onder indirect onderscheid moet op basis van artikel 1 AWGB worden verstaan,
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan geslacht dat
direct onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft.
In artikel 7 lid 1 sub a AWGB is bepaald dat het maken van onderscheid onder
andere verboden is bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het
sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit
geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.
Artikel 9 AWGB bepaalt dat bedingen in strijd met deze wet nietig zijn.

4.3. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of in deze zaak sprake is
van direct onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in artikel 1 van de
AWGB.
De wederpartij stelt dat geen onderscheid wordt gemaakt nu de verzekering
geen betrekking heeft op arbeidsongeschiktheid ten gevolge van zwangerschap,
omdat dat geen acute of chronische ziekte is.
Het is echter niet aan de Commissie gelijke behandeling om te oordelen of
zwangerschap onder het begrip (acute of chronische) ziekte valt (Vergelijk:
Commissie gelijke behandeling, 10 maart 1995, oordeelnummer 95-4). Het is de
taak van de Commissie na te gaan of sprake is van onderscheid op grond van
geslacht. In dit verband constateert de Commissie dat de polisvoorwaarden
bepalen dat geen uitkering wordt verleend bij arbeidsongeschiktheid door
zwangerschap en kraamvrouwenstaat. Aangezien onder direct onderscheid op
grond van geslacht mede onderscheid op grond van zwangerschap of bevalling
moet worden verstaan, stelt de Commissie vast dat er sprake is van direct
onderscheid.

4.4. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de onderhavige
verzekeringsovereenkomst onder de reikwijdte van artikel 7 lid 1 sub a AWGB
valt.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij verzekeringen in het economisch
verkeer aanbiedt en zodoende handelt in de uitoefening van haar bedrijf.
Tevens biedt de wederpartij bij de uitoefening van het verzekeringsbedrijf
diensten aan.
In het onderhavige geval is gehandeld in het kader van de uitvoering van een
verzekeringsovereenkomst met verzoekster.
De Commissie wijst in dit verband tevens op de Memorie van Toelichting bij de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid (WGB) en de
Memorie van Toelichting bij de voorgenomen wijziging van de WGB ter
uitvoering van de vierde EG-richtlijn, waarin expliciet is verwezen naar de
AWGB betreffende overeenkomsten als de hier in het geding zijnde (Tweede
Kamer 1987-1988, 19908, nummer 6; Eerste Kamer 1989-1990, 20890, nummer 121).
Dit leidt tot de conclusie dat het uitvoeren van de onderhavige overeenkomst
onder de reikwijdte van artikel 7 lid 1 sub a AWGB valt.

4.5. De Commissie concludeert op basis van het voorafgaande dat de
wederpartij jegens verzoekster in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel
7 lid 1 sub a AWGB.

4.6. Met betrekking tot het beroep van de wederpartij op het beding in
artikel 2g sub 4 van de polisvoorwaarden, op grond waarvan uitkering voor
enige arbeidsongeschiktheid van de verzekerde persoon tijdens zwangerschap of
kraamvrouwenstaat wordt uitgesloten, overweegt de Commissie het volgende.
Bedingen die onderdelen zijn van een overeenkomst zijn volgens artikel 9 AWGB
nietig, indien zij strijdig zijn met de AWGB. In geval van nietigheid van een
beding blijft de overeenkomst in stand, voorzover het overige deel van de
overeenkomst -gelet op de inhoud en strekking van de overeenkomst- niet in
onverbrekelijk verband staat met het nietige beding (Tweede Kamer 1990-1991,
22014, nr.3, pagina 32).
Gelet op het gestelde onder 4.5. is derhalve het beding in artikel 2g sub 4
van de polisvoorwaarden nietig zoals bedoeld in artikel 9 AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Amsterdam direct
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw (…) te
Oegstgeest als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke
behandeling door geen uitkering te verstrekken bij zwangerschap en
kraamvrouwenstaat.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter); dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer); dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer); mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 1 april 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is werkzaam bij de wederpartij. Hij is van mening dat
gehuwden/samenwonenden en vrouwen meer studiefaciliteiten krijgen dan
werknemers die niet tot deze categorieën behoren.
Hij stelt tevens dat hij door pesterijen op zijn werk – vanwege het feit dat
hij ongehuwd en alleenstaand is – slechter ging functioneren. Mede daardoor
heeft hij een lagere functie gekregen. De Commissie concludeert dat niet
vastgesteld kan worden dat de wederpartij bij het toekennen van
studiefaciliteiten onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. De
Commissie is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de
wederpartij heeft gehandeld in strijd met de WGB.
De Commissie concludeert tevens dat de AWGB aangaande de toekenning van
studiefaciliteiten niet van toepassing is.
De Commissie concludeert naar aanleiding van hetgeen door partijen naar voren
is gebracht dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de burgerlijke staat
van verzoeker onderwerp van gesprek is geweest. Nu niet is komen vast te
staan dat na de inwerkingtreding van de AWGB een handelen van de wederpartij
heeft plaatsgevonden waarbij sprake is van een mogelijk onderscheid als
bedoeld in deze wet, kan de hierop betrekking hebbende klacht van verzoeker
niet aan de AWGB worden getoetst.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 juni 1995 verzocht de heer (…) te ‘s-Hertogenbosch (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of door Gedeputeerde Staten van de
Provincie Noord-Brabant te ‘s-Hertogenbosch (hierna: de wederpartij)
onderscheid is gemaakt op grond van burgerlijke staat en geslacht in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.S1.2. Verzoeker is werkzaam bij de
wederpartij. Hij is van mening dat gehuwden/samenwonenden en vrouwen meer
studiefaciliteiten krijgen dan werknemers die niet tot deze categorieën
behoren.
Hij stelt tevens dat hij door pesterijen op zijn werk – vanwege het feit dat
hij ongehuwd en alleenstaand is – slechter ging functioneren, Mede daardoor
heeft hij een lagere functie gekregen. Verzoeker is van mening dat de
wederpartij hierdoor een door de wet verboden onderscheid maakt op grond van
burgerlijke staat en geslacht.S2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Na een intake-gesprek met verzoeker op 25 juli 1995 heeft de Commissie
het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Verzoeker
heeft verzocht de versnelde behandeling toe te passen. De Commissie heeft dit
verzoek afgewezen en de normale procedure toegepast.
Partijen hebben ieder hun standpunten schriftelijk toegelicht. Zij zijn
opgeroepen voor een zitting op 6 februari 1996.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:
Van de kant van de verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)

Van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. (…) (stafjurist Dienst Water, Milieu en Vervoer)
– dhr. (…) (hoofd Bureau Documentaire Informatie Voorziening)
– dhr. (…) (P&O-adviseur)

Van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is sinds 1 oktober 1990 bij de wederpartij werkzaam als
documentair informatieverzorger.

3.2. Tussen verzoeker en zijn collega’s, alsmede tussen verzoeker en zijn
chef, zijn problemen ontstaan. Naar aanleiding van het onvoldoende
functioneren van verzoeker is deze tijdelijk op een andere afdeling gaan
werken. Zijn functioneren verbeterde echter niet.
De wederpartij heeft verzoeker in 1992 met diens instemming tweemaal een
psychologisch onderzoek laten ondergaan. Verzoeker heeft een contra-expertise
laten verrichten. In 1993 zijn gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt tussen
de wederpartij en verzoeker, onder andere over zijn matige functioneren en
het in verband daarmee uitoefenen van een meer passende functie. In maart
1994 is verzoeker na een conflict met zijn chef naar huis gestuurd, waarna
hij zich ziek heeft gemeld.
Op verzoek van de P&O-adviseur van de wederpartij heeft tijdens het
ziekteverlof van verzoeker een gesprek tussen laatstgenoemde en verzoeker
plaats gevonden. Dit gesprek was bedoeld ter voorbereiding van een beraad met
het Sociaal Medisch Team betreffende een terugkeer van verzoeker in de
organisatie en is in de eerste week van september 1994 gevoerd. Er is geen
verslag gemaakt van bedoeld onderhoud.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoeker is van mening dat sprake is van onderscheid op grond van
burgerlijke staat en geslacht in de arbeidsverhouding.
Hij stelt dat met name vrouwelijke collega’s door de wederpartij onder
gunstiger omstandigheden in staat zijn gesteld vakdiploma’s te halen. Aan hen
werd toegestaan zich onder werktijd aan de studie te wijden en zich op
tentamens voor te bereiden.
Naar de opvatting van verzoeker is, ondanks een formeel correcte
studieregeling terzake, eveneens sprake van onderscheid op grond van
burgerlijke staat. Gehuwden en samenwonenden krijgen betere begeleiding en
faciliteiten zoals extra studiedagen, verlofdagen en speciale cursusdagen.
Tevens stelt verzoeker dat op de afdeling waar hij werkzaam was alleen
gehuwden en/of samenwonenden meetelden. Hij werd gepest door collega’s
vanwege het feit dat hij ongehuwd/alleenstaand is.
Er werden regelmatig suggesties gedaan over mogelijke huwelijkskandidaten.
Verzoeker werd duidelijk gemaakt dat men graag ziet dat iemand zich vestigt
door een huis te kopen of te trouwen.
Verzoeker wijt zijn matig functioneren op het werk aan het feit dat hij niet
goed werd ingewerkt en begeleid, maar ook aan dit werkklimaat. Daardoor kreeg
hij werkzaamheden van meer eenvoudige aard en werd zijn functie uitgehold.
Het feit dat de tijdelijke overplaatsing naar een andere afdeling geen
verbetering bracht in zijn functioneren wijt verzoeker aan het vooruitzicht
weer terug te moeten gaan naar zijn eigen afdeling.
Hij is van mening dat de wederpartij, na zijn kritische kanttekeningen bij de
psychologische onderzoeken, met opzet een conflict heeft laten ontstaan. Na
dat conflict is verzoeker door zijn chef naar huis gestuurd. De wederpartij
heeft hem vervolgens opdracht gegeven zich ziek te melden. De huisarts van
verzoeker heeft geadviseerd om thuis te blijven omdat verzoeker de druk niet
meer aankon.
Nadat verzoeker enige tijd ziek thuis was is hij voor een gesprek opgeroepen
door de P&O-adviseur van de wederpartij. Dit gesprek vond plaats in de eerste
week van september 1994. Tijdens dit gesprek heeft de personeelsadviseur
verzoeker meegedeeld dat het zijns inziens tijd werd dat verzoeker zou
trouwen. Verzoeker beschouwt deze opmerking als niet ter zake doende in een
dergelijk gesprek.

3.4. De wederpartij stelt geen onderscheid te maken op grond van burgerlijke
staat of geslacht in de arbeidsverhouding.
Zij stelt dat haar niets bekend is van een ongelijke behandeling bij de
toekenning van studiefaciliteiten. In geval van studie van een werknemer
geldt de studiefaciliteitenregeling van de Provincie. Vast staat hoeveel
verlof er binnen een afdeling per module per studie gegeven mag worden. Ieder
krijgt het gelijke aantal verlofuren. Naarmate men meer modules doet, krijgt
men langer verlof. De wederpartij heeft navraag bij collega’s van verzoeker
gedaan, maar niemand heeft een verschil in verlofdagen op grond van studie
geconstateerd. De wederpartij heeft nog nooit iemand een dag verlof
geweigerd.
Ten aanzien van het werkklimaat bestrijdt de wederpartij het door verzoeker
gestelde. De wederpartij is van mening dat verzoeker niet goed functioneerde
in zijn werk. De tijdelijke overplaatsing naar een andere afdeling teneinde
de omgevingsfactoren te testen had geen resultaat. De afspraak was dat
verzoeker in dat geval in een lagere functie zou worden geplaatst.
Met instemming van verzoeker hebben twee psychologische onderzoeken
plaatsgevonden.
De wederpartij is hiertoe overgegaan in nauw overleg met het Sociaal Medisch
Team. Het doel van de onderzoeken was te achterhalen of er andere dan strikt
vaktechnische oorzaken aan het onvoldoende functioneren van verzoeker ten
grondslag lagen.
Men hoopte op die manier wegen te vinden die tot een aanvaardbaar zakelijk en
sociaal functioneren van verzoeker zouden leiden.
De wederpartij ontkent dat tijdens het gesprek in september 1994 opmerkingen
of suggesties ten aanzien van verzoekers burgerlijke staat zijn gedaan.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of
A. de wederpartij jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht bij het toekennen van studiefaciliteiten in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling;
B. de wederpartij jegens verzoeker onderscheid op grond van burgerlijke staat
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gemaakt bij de
toekenning van studiefaciliteiten alsmede bij de arbeidsvoorwaarden.

4.2. Met betrekking tot het bij 4.1. sub A gestelde mogelijk onderscheid op
grond van geslacht is de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
van toepassing.
Artikel 1a lid 1 van de WGB bepaalt onder meer dat in de openbare dienst het
bevoegd gezag geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij het
verstrekken van onderricht.
Met betrekking tot het bij 4.1. sub B gestelde mogelijk onderscheid op grond
van burgerlijke staat zijn de volgende artikelen in de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB) van toepassing.
Artikel 1 sub a van de AWGB bepaalt dat onder onderscheid in de zin van deze
wet zowel direct als indirect onderscheid moet worden verstaan. Onder direct
onderscheid moet onder andere onderscheid tussen personen op grond van
burgerlijke staat worden verstaan (art. 1 sub b AWGB). Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan
bijvoorbeeld burgerlijke staat, dat onderscheid op grond van burgerlijke
staat tot gevolg heeft (art. 1 sub c AWGB).
Artikel 5 lid 1 sub d van de AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond
van burgerlijke staat is verboden bij arbeidsvoorwaarden.
Artikel 5 lid 1 sub e van de AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid op grond
van burgerlijke staat is verboden bij het laten volgen van onderwijs,
scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding.

4.3. Ten aanzien van onderscheid in strijd met de WGB op grond van geslacht
inzake de toekenning van studiefaciliteiten overweegt de Commissie als volgt.
Door partijen is onbetwist dat de studiefaciliteitenregeling van de
wederpartij formeel geen onderscheid maakt. Partijen verschillen echter van
mening over de vraag of jegens verzoeker in de uitvoeringspraktijk
onderscheid is gemaakt.
De Commissie constateert dat de wederpartij zulks ontkent. De Commissie stelt
tevens vast dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft
aangevoerd die zijn klacht voldoende kunnen staven.
De Commissie concludeert op basis hiervan dat niet vastgesteld kan worden dat
de wederpartij bij het toekennen van studiefaciliteiten onderscheid op grond
van geslacht heeft gemaakt. De Commissie is derhalve van oordeel dat niet
aannemelijk is geworden dat de wederpartij heeft gehandeld in strijd met de
WGB.

4.4. Ten aanzien van de vraag of sprake is van mogelijk onderscheid in strijd
met de AWGB op grond van burgerlijke staat bij de toekenning van
studiefaciliteiten overweegt de Commissie als volgt.
Voordat de Commissie kan onderzoeken of het bestreden handelen van de
wederpartij in strijd is met de AWGB dient de Commissie na te gaan of de AWGB
van toepassing is gelet op haar inwerkingtreding vanaf 1 september 1994.
Ten aanzien van de vraag of sprake is van mogelijk onderscheid op grond van
burgerlijke staat bij het toekennen van studiefaciliteiten stelt de Commissie
vast dat het bestreden handelen van de wederpartij heeft plaatsgevonden voor
de inwerkingtreding van de AWGB.
De Commissie concludeert derhalve dat de AWGB aangaande de toekenning van
studiefaciliteiten niet van toepassing is.

4.5. Ten aanzien van de vraag of sprake is van onderscheid in strijd met de
AWGB op grond van burgerlijke staat bij de arbeidsvoorwaarden betreffende het
plaatsen van verzoeker in een lagere functie, dient allereerst te worden
onderzocht of het bestreden handelen van de wederpartij heeft plaatsgevonden
na de inwerkingtreding van de AWGB.
De Commissie stelt vast dat de wijziging in werkzaamheden volgens verzoeker
aan het werkklimaat, in het bijzonder aan negatieve uitlatingen jegens
verzoeker, te wijten zijn aangezien hij daardoor minder goed functioneerde.
De Commissie constateert dat, ingeval deze relatie aanwezig zou zijn, het
enige na 1 september 1994 bestreden handelen betrekking heeft op door
verzoeker gestelde negatieve opmerkingen over zijn burgerlijke staat door de
P&O-adviseur van de wederpartij in een gesprek tijdens de eerste week van
september 1994.
De Commissie overweegt dat door partijen niet is betwist dat in genoemde week
een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de P&O-adviseur en verzoeker.
Eerstgenoemde ontkent echter opmerkingen te hebben gemaakt met betrekking tot
de burgerlijke staat van verzoeker. Van dit gesprek is geen verslag
opgesteld; er zijn evenmin aantekeningen gemaakt.
De Commissie concludeert naar aanleiding van hetgeen door partijen naar voren
is gebracht dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de burgerlijke staat
van verzoeker onderwerp van genoemd gesprek is geweest. Nu niet is komen vast
te staan dat na de inwerkingtreding van de AWGB een handelen van de
wederpartij heeft plaatsgevonden waarbij sprake is van een mogelijk
onderscheid als bedoeld in deze wet, kan de hierop betrekking hebbende klacht
van verzoeker niet aan de AWGB worden getoetst.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat:
A. Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant te ‘s-Hertogenbosch
jegens de heer (…) te ‘s-Hertogenbosch geen onderscheid op grond van
geslacht bij de toekenning van studiefaciliteiten heeft gemaakt als bedoeld
in artikel 1a van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen en
derhalve niet in strijd met deze Wet heeft gehandeld;
B. betreffende mogelijk onderscheid op grond van burgerlijke staat bij de
arbeidsvoorwaarden alsmede bij de toekenning van studiefaciliteiten door
Gedeputeerde Staten van de Provincie Noord-Brabant te ‘s-Hertogenbosch jegens
de heer (…) te ‘s-Hertogenbosch het bestreden handelen niet na de
inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling heeft plaatsgevonden
en derhalve de Algemene wet gelijke behandeling niet van toepassing is.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp(secretaris Kamer)

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 29 maart 1996

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De man is alimentatieplichtig ten aanzien van het door de moeder verzorgde
kind. De man is hertrouwd en besluit in deeltijd te gaan werken onder
andere om meer tijd aan zijn kinderen te besteden. Zijn echtgenote werkt
fulltime. De draagkracht van de man is zodanig vermindert dat hij zichzelf
niet meer in staat acht de alimentatie te betalen. Het hof is van oordeel
dat zijn vrijwillige keuze valt te respecteren, doch deze mag niet worden
afgewenteld op zijn onderhoudsplicht ten aanzien van de kinderen. Geen
wijziging van omstandigheden. (Zie ook: Redactioneel Jet Tigchelaar,
Nemesis 1996, 3 en RN 1996, nr. 566)

Volledige tekst

Het geding Tussen de ouders is echtscheiding uitgesproken, welk vonnis is
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van
de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 10 september 1990 is de moeder tot
voogdes en de vader tot toeziend voogd benoemd over de minderjarigen, te
weten: 1. C, 2. M.

Bij die beschikking werd ten laste van de vader een kinderalimentatie
opgelegd van ƒ 175,- per maand per kind, als nader in die beschikking
aangegeven. Na indexering bedraagt die bijdrage ƒ 210,- per maand per
kind.

De vader heeft de rechtbank verzocht om die uitspraak met ingang van 1
oktober 1994 te wijzigen omdat de alimentatie in verband met gewijzigde
omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De moeder
heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank heeft bij beschikking van 7 november 1994 de alimentatie met
ingang van 1 oktober 1994 bepaald op nihil.

De moeder is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
beschikking van 7 november 1995 te vernietigen en het inleidend verzoek
van de vader alsnog af te wijzen.

De vader heeft tijdig een verweerschrift ingediend en verzocht de moeder
niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep danwel dit verzoek aan
haar te ontzeggen, met bekrachtiging van de bestreden beschikking.

Op 1 maart 1996 is de zaak ter terechtzitting van het hof behandeld door
een raadsheer-commissaris.

Beoordeling van het hoger beroep

Het hof gaat van de volgende gegevens uit (bedragen op hele guldens
afgerond):

De behoeft van de kinderen aan alimentatie staat als niet bestreden vast.

De moeder is 36 jaar oud. De minderjarigen wonen bij haar. Zij heeft ƒ
170,- netto per maand aan inkomsten uit arbeid. Daarnaast ontvangt zij een
aanvullende bijstandsuitkering van ƒ 1.047,- netto per maand.

De vader is 37 jaar oud. Hij werkt, vanaf 17 oktober 1994 part-time, en
verdient ƒ 1.273,- netto per maand. Voorts ontvangt hij aan fooien
jaarlijks ongeveer ƒ 750,-. Hij is in 1992 hertrouwd. Zijn echtgenote,
mevrouw B, is full-time in dienst van de Riagg en heeft eigen inkomsten.
Het hof gaat uit van een inkomen van ƒ 2.500,- netto per maand, zoals door
de vader is gesteld.

De vader heeft ter terechtzitting onder meer verklaard sedert drie jaar
werkzaam te zijn bij zijn huidige werkgever. Hij heeft altijd full-time
gewerkt, ook voordien, doch sinds ruim een jaar werkt hij part-time. Hij
heeft deze keuze bewust gemaakt om meer tijd aan zichzelf en de kinderen
te kunnen besteden en meer rust te vinden. Hij heeft in vroegere periodes
meerdere banen tegelijkertijd gehad, doch hij heeft nu gekozen voor minder
werk en meer vrije tijd.

Het hof is van oordeel, mede gelet op de verklaring van de vader ter
terechtzitting, dat de reden voor het indienen van het inleidende
verzoekschrift gelegen was in het feit dat hij full-time werkte en om hem
moverende redenen vrijwillig part-time is gaan werken, waardoor zijn
inkomen is gedaald. Deze vrijwillige keus valt te respecteren, doch deze
mag niet afgewenteld worden op zijn onderhoudsplicht ten aanzien van de
kinderen.

Het voorgaande brengt mee dat de alimentatie nog steeds overeenkomstig de
wettelijke maatstaven is zodat hetgeen de vader heeft aangevoerd geen
wijziging van omstandigheden is als bedoeld in artikel 1:104 BW.

Het voorgaande brengt tevens mee dat de bestreden beschikking dient te
worden vernietigd.

Beslissing

Het Hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 7 november
1995, en opnieuw beschikkende:

verklaart de vader alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidend verzoek;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in beide
instanties.

Rechters

Mrs Pieters, Van den Wildenberg, Simonis

Instantie: Rechtbank Arnhem, 27 maart 1996

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Dochter 1 heeft in november/december 1994 (toen 27 jaar) aangifte gedaan van
seksueel misbruik, verkrachting, aanranding en moord/doodslag op ongeboren
vrucht(en) door gedaagden, haar natuurlijke ouders, gepleegd tussen ongeveer
haar zesde en achttiende levensjaar. Dochter 2 heeft in februari 1995 (toen
32 jaar) een soortgelijke verklaring als hierboven afgelegd, gepleegd tussen
haar zesde en vijftiende jaar.
De strafzaak tegen de ouders is begin juni 1995 geseponeerd wegens gebrek aan
bewijs.
In september 1995 respectievelijk januari 1996 heeft dochter 2 aangifte
gedaan van incest door de moeder met haar beide zoontjes (kleinkinderen 1 en
2).
Eiseressen, de dochters, vorderen een straat- en contactverbod en een
voorschot van ƒ 8000 respectievelijk ƒ 5000 op de materiële en immateriële
schadevergoeding. Voor de kleinkinderen vorderen zij een betaling van elk ƒ
2500.
De schadevergoeding voor de dochters wordt toegewezen maar voor de
kleinkinderen niet omdat het beweerde seksueel misbruik onvoldoende is
aangetoond.
Het gevraagde straat- en contactverbod wordt toegewezen voor de duur van twee
jaar en op verbeurte van een dwangsom.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure
Eiseressen hebben gedaagden ter terechtzitting in kort geding doen dagvaarden
en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven in de
dagvaarding.
Gedaagden hebben geconcludeerd tot weigering van de gevorderde voorzieningen.
De advocaat van eiseressen en de procureur van gedaagden hebben de zaak
bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde pleitnotities. Daarbij hebben
zij over en weer producties in het geding gebracht.
Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis overgelegd.

2. De vaststaande feiten
Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de producties –
alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken – staat voorshands het
navolgende vast.
2.1. In november en december 1994 heeft eiseres sub 1 – toen 27 jaar –
aangifte gedaan bij de politie van seksueel misbruik, verkrachting,
aanranding en moord/doodslag op ongeboren vrucht(en) door gedaagden, haar
natuurlijke ouders, gepleegd tussen ongeveer haar zesde en achttiende
levensjaar. Naar aanleiding van deze aangifte is een strafrechtelijk
onderzoek gestart. In dat kader heeft eiseres sub 2, een zuster van eiseres
sub 1, als getuige – toen 32 jaar – in februari 1995 een verklaring afgelegd
waarin zij heeft aangegeven ook door gedaagden seksueel te zijn misbruikt,
verkracht en geaborteerd, tussen ongeveer haar zesde en vijftiende
levensjaar.
2.2. Gedaagden hebben de beschuldigingen terzake van incest en abortus van
beide eiseressen uitdrukkelijk ontkend.
2.3. Begin juni 1995 is de strafzaak geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
2.4. Eiseres sub 1 heeft tegen de sepotbeslissing van de officier van
Justitie een klacht ex artikel 12 Sv bij het gerechtshof te Arnhem ingediend;
daarop is tot op heden nog niet beslist.
2.5. Eiseres sub 2 heeft in september 1995 aangifte gedaan van incest door
gedaagde sub 2 met haar – eiseresses – zoontje Joery, thans acht jaar. In
januari 1996 heeft eiseres sub 2 aangifte gedaan van incest door gedaagde sub
2 met haar tweede zoontje Eran, thans 10 jaar.
2.6. Bij brief van 11 januari 1996 heeft de raadsvrouw van eiseressen aan
gedaagden aangekondigd namens eiseressen en genoemde Eran en Joery in kort
geding een straat- en contactverbod te vorderen. Gelijktijdig zijn gedaagden
gesommeerd tot betaling van schadevergoeding voor materiële en immateriële
schade ad in totaal ƒ 273 359,73, bij gebreke waarvan in kort geding een
voorschot zal worden gevorderd.
2.7. Gedaagden hebben aan laatstgenoemde sommatie geen gevolg gegeven.
2.8. In het kader van het onderhavige kort geding heeft de raadsvrouw van
eiseressen naast stukken uit het strafdossier de volgende rapportage
overgelegd:
– een rapportage van drs. P.F. Tjebbes, klinisch psycholoog, gedateerd 2
januari 1996, inzake een door de raadsvrouw aangevraagd psychologisch
onderzoek van eiseres, sub 1;
– een rapportage van prof. dr. W. van Tilburg, psychiater, en drs. M. Rensen,
arts-assistent psychiatrie, gedateerd 7 maart 1996, inzake een door de
raadsvrouw aangevraagde psychiatrisch onderzoek van eiseressen;
– een rapportage van mevr. dr. P.J. Draijer, klinisch psycholoog, gedateerd 2
maart 1996, inzake een door de raadsvrouw aangevraagde klinisch psychologisch
onderzoek van eiseressen.
2.9. Van de zijde van gedaagden is een deskundigenrapportage -psychiatrische
expertise – overgelegd van dr. H.L.C. Morre, psychiater, gedateerd 6 november
1995.

3. De vordering
3.1. Eiseressen vorderen thans, kort gezegd:
a. betaling van ƒ 8000 respectievelijk ƒ 5000 aan elk van hen als voorschot
op de geleden materiële respectievelijk immateriële schade;
b. betaling van ƒ 2500 voor elk van de beide kinderen van eiseres sub 2 als
voorschot op immateriële schade;
c. en d. een straatverbod als omschreven in het petitum;
e. een contactverbod met eiseressen en de kinderen van eiseres sub 2;
f. de wettelijke rente over de sub a gevorderde bedragen;
g. een dwangsom voor het b – e gevorderde met machtiging tot
tenuitvoerlegging met behulp van de sterke arm en
h. een proceskostenveroordeling.
3.2. Eiseressen stellen, kort gezegd, dat gedaagden hen gedurende een groot
aantal jaren herhaaldelijk seksueel hebben misbruikt, alsmede fysiek en
geestelijk hebben mishandeld. Eiseressen beroepen zich terzake in het
bijzonder op de door hen in de strafzaak afgelegde verklaringen, alsmede op
de hiervoor genoemde rapportages van prof. Van Tilburg (en dr. Rensen) en dr.
Draijer.
Voorts stelt eiseres sub 2, dat gedaagden, gedaagde sub 2 in het bijzonder,
haar twee kinderen seksueel hebben misbruikt. Eiseres sub 2 beroept zich
terzake op de processen-verbaal van de studioverhoren van de kinderen.
Volgens eiseressen hebben gedaagden aldus onrechtmatig gehandeld en hebben
zij en de kinderen daardoor schade geleden, zowel materieel als immaterieel,
en zijn gedaagden gehouden deze te vergoeden. De immateriële schade hebben
eiseressen in de dagvaarding begroot op ƒ 85 000 voor elk van hen en op ƒ 25
000 per kind; ter zitting hebben eiseressen deze bedragen nader onderbouwd.
De materiële schadekswordt in de dagvaarding begroot op ƒ 39 424 voor eiseres
sub 1 en op ƒ 13 926,73 voor eiseres sub 2 berekend tot 1 januari 1996.
Eiseressen stellen een spoedeisend belang bij de thans gevorderde
voorschotten te hebben: door de voorschotten kunnen de kosten van rechtshulp
en reiskosten alsmede het verlies aan verdiencapaciteit worden bestreden, ook
kunnen sociale activiteiten worden bekostigd die de verwerking van hun trauma
zullen bespoedigen.
Wat betreft het gevorderde straat- en contactverbod stellen eiseressen dat
gedaagden hen proberen te intimideren en dat zij contact blijven zoeken.
Eiseressen achten dat gedrag van gedaagden onrechtmatig en stellen recht en
belang bij het gevorderde te hebben om de nodige rust te garanderen.
3.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer en hebben primair tot
niet-ontvankelijkheid geconcludeerd, waarover hierna meer.
Volgens gedaagden zijn de beschuldigingen van seksueel misbruik van
eiseressen en de kinderen van eiseres sub 2 en mishandeling volstrekt onwaar
en ontbreekt daarvoor ieder feitelijk bewijs. Van het aan gedaagden verweten
onrechtmatig handelen is derhalve geen sprake zodat de gevorderde
voorschotten los van de schade reeds op die grond dienen te worden afgewezen,
aldus gedaagden.
Voorts betwisten gedaagden dat zij eiseressen en de kinderen van eiseres sub
2 zouden lastig vallen, dan wel dat zij anderszins contact met hen zouden
zoeken, zodat er evenmin grond is voor toewijzing van het gevorderde straat-
en contactverbod.

4. De motivering van de beslissing
4.1. Gedaagden hebben primair tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen
geconcludeerd omdat deze zaak zich niet voor behandeling in kort geding zou
lenen. Gedaagden stellen dat eerst de uitkomst van de artikel 12 Sv-procedure
moet worden afgewacht, zeker nu het gaat om het bewijs of gedaagden zich
schuldig hebben gemaakt aan de beweerde strafbare feiten.
4.2. De dochters vorderen voorschotten op schadevergoeding voor materiële en
immateriële schade alsmede een straat- en contactverbod. Volgens vaste
jurisprudentie kunnen deze vorderingen in kort geding worden behandeld, ook
in incestzaken. De omstandigheid dat de strafrechter (nog) niet over de
vermeende strafbare feiten heeft geoordeeld doet daar in beginsel niet aan
af. Daar komt in dit geval bij dat het nog geruime tijd kan duren voordat de
artikel 12 Sv-procedure is afgewikkeld. Dat zou, als de visie van de ouders
zou worden gevolgd, meebrengen dat de dochters zich gedurende die tijd niet
tot de president in kort geding zouden kunnen wenden, ook als de dochters een
spoedeisend belang bij het gevorderde hebben. Het door de dochters gestelde
spoedeisend belang is overigens niet betwist. Het beroep op
niet-ontvankelijkheid zal derhalve worden verworpen.
4.3. In deze procedure staat ter beoordeling of eiseressen voldoende feiten
hebben aangedragen dan wel aannemelijk gemaakt waaruit voorshands de
conclusie kan worden getrokken
1. dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens hen en de kinderen van
eiseres sub 2,
2. dat eiseressen en de kinderen van eiseres sub 2 daardoor schade hebben
geleden,
3. dat zij belang hebben bij het gevorderde straat- en contactverbod en
4. dat zij een spoedeisend belang bij toekenning van een voorschot hebben.
4.4. De door de dochters gestelde door de ouders gepleegde incesthandelingen
en mishandelingen zijn naar hun aard moeilijk te bewijzen omdat deze zich
slechts in aanwezigheid van partijen zelf hebben afgespeeld, althans
voornamelijk in aanwezigheid van iedere eiseres afzonderlijk met (één der)
ouders meer dan 10 jaar geleden. Tegenover de verklaringen van de dochters
staan de ontkenningen door de ouders.
4.5. De dochters hebben in het strafrechtelijk onderzoek terzake zeer
expliciete verklaringen afgelegd die woordelijk zijn opgenomen. De meest
vergaande beschuldiging heeft betrekking op de beweerde `babymoorden’: de
ouders hebben beweerdelijk viermaalzwangerschapsonderbrekingen bij dochter 1
uitgevoerd en tweemaal bij dochter 2. In het strafrechtelijk onderzoek zijn
geen (overtuigende) aanknopingspunten (ook geen medische) gevonden die deze
beschuldiging kunnen staven. In dit kort geding zijn de dochters er niet in
geslaagd deze `babymoorden’ aannemelijk te maken. Ook de onder 2.8. genoemde
deskundigenrapporten en de hierna onder 4.8. tot en met 4.12. weergegeven
conclusies geven daartoe voorshands onvoldoende – aanvullende – steun.
4.6. Naast de eigen verklaringen van het beweerde misbruik beroepen de
dochters zich met name op de overgelegde rapportages van prof. Van Tilburg
(samen met dr. Rensen ) en dr. Draijer. Door de ouders is tegen deze
rapportages bezwaar gemaakt, in die zin dat de ouders opmerken dat zij eerst
minder dan een week voor de zitting kennis hebben kunnen nemen van de inhoud
daarvan en dat zij nu niet in de gelegenheid zijn tot een
contra-deskundigenonderzoek. Voorts wijzen de ouders er op dat de betrokken
deskundigen als partij-deskundigen optreden en dat de rapporten louter ten
behoeve van de schadevergoedingsclaims zijn opgesteld.
4.7. Door de ouders is niet betwist dat de door de dochters aangezochte
deskundigen gerenommeerd zijn. Hun vakbekwaamheid en onafhankelijkheid staan
niet ter discussie. Wanneer de dochters om een voorlopig deskundigenonderzoek
hadden gevraagd, had de rechtbank hoogstwaarschijnlijk één van deze
deskundigen benoemd. De deskundige dr. Draijer wordt in civiele bodemzaken
waarbij incest aan de orde is namelijk regelmatig door deze rechtbank
ingeschakeld. Het bezwaar dat deze deskundigen niet onafhankelijk (genoeg)
zouden zijn wordt derhalve niet gedeeld. Dat de rapportages ten behoeve van
de schadevergoedingsclaims zijn opgesteld doet aan vakbekwaamheid en
onafhankelijkheid niet af. Wellicht dat van de zijde van de ouders andere
vragen dan hierna weergegeven zouden zijn gesteld, maar het is weinig
voorstelbaar dat de na te melden conclusies waartoe deze deskundigen na
persoonlijk onderzoek van de dochters zijn gekomen dan anders zouden luiden.
4.8. De vraagstelling die de raadsvrouw van eiseressen aan deze deskundigen
heeft voorgelegd luidde als volgt:
`1. In hoeverre is het aannemelijk dat haar (lees: eiseres sub 1
respectievelijk eiseres sub 2) huidige psychische klachten het gevolg zijn
van de door haar ouders gepleegde daden in het verleden?
2. Welke mate van invalidering is aanwezig?
3. Hoe consistent is cliënte (lees: eiseres sub 1 respectievelijk eiseres sub
2) met betrekking tot de door haar vertelde geweldservaringen?’.
4.9. Ten aanzien van eiseres sub 1 schrijft prof. Van Tilburg in zijn
conclusie op pagina 10:
`Samengevat is er sprake van een post traumatische stress stoornis in
combinatie met een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze combinatie is
indicatief voor traumatisering door een ernstig misbruikverleden en daaraan
gekoppelde mishandeling en verwaarlozing. (…) Betrokkene heeft zich vroeger
kunnen handhaven door haar gevoel af te splitsen en te vluchten in
activiteit. Wanneer ze tot rust komt lukt het niet meer het verleden te
verdringen, waardoor de post traumatische stress stoornis manifest wordt en
de andere klachten verergeren. Gezien de aard van de dwangbeelden, de
triggers waardoor herbeleving wordt uitgelokt, haar negatieve houding ten
aanzien van haar lichaam en de angst voor lichamelijk contact is het
aannemelijk dat het trauma veroorzaakt is door seksueel misbruik’.
Op pagina 11 schrijft hij:
`Het verhaal van betrokkene is innerlijk consistent, maar tevens ook met dat
van haar zuster. Ook past het goed bij de gegevens uit de literatuur (zie
rapport Mw Draijer)’.
4.10. Ten aanzien van eiseres sub 2 concludeert prof. Van Tilburg in zijn
conclusie op pagina 9:
`Er is sprake van een dysthyme stoornis volgens de criteria van de DSM IV,
die sterk gekleurd wordt door angstklachten; voorts vertoont zij alle
verschijnselen van een post traumatische stress stoornis. Vervolgens zijn er
ernstige dissociatieve verschijnselen aanwezig,…’
Op pagina 10 schrijft hij: `De post traumatische stress is indicatief voor
een trauma. De herbelevingen zijn suggestief voor een trauma. Dit
gecombineerd met de ernstige dissociatieve stoornis, maakt het aannemelijk
dat er sprake is geweest van een traumatisch verleden, gekenmerkt door
seksueel misbruik, physieke en psychische mishandeling (zie voor een nadere
onderbouwing het rapport van Dr Draijer). Het is verder zeer goed
voorstelbaar dat ook de dysthymie, alsmede de persoonlijkheidskenmerken als
haar moeite met contact een gevolg zijn van haar traumatische verleden,…
Het verhaal is innerlijk consistent, bovendien is het consistent met het
verhaal van haar zuster en met gegevens uit de literatuur’.
4.11. Dr. Draijer schrijft in haar conclusies van haar onderzoek van eiseres
sub 1 op pagina 9:
`Hoewel PTSD (bedoeld wordt PTSS = post traumatische stress stoornis) en BPS
(borderline persoonlijkheisstoornis) ieder afzonderlijk voorkomen bij
patiënten zonder traumatisering door seksuele of fysieke mishandeling in de
jeugd is de combinatie van beide wel kenmerkend. Deze algehele
symptoonconstellatie (BPS + PTSS) wordt vaak aangetroffen bij patiënten met
een ernstig misbruikverleden en daaraan gekoppelde mishandeling en
verwaarlozing…
Op grond van dit onderzoek is het aannemelijk dat haar klachten verband
houden met een combinatie van seksueel misbruik, affectieve verwaarlozing,
sadistische bestraffingen en vernederingen. Of de gebeurtenissen precies zo
hebben plaatsgevonden als mw. Van S (lees: eiseres sub 1) beschrijft is
echter niet te verifiëren. Het meest overtuigend was het nonverbale gedrag
aan het eind van het interview, waarbij mw. na een gesprek over zeer
belastende ervaringen gedurende enige tijd geheel in zichzelf gekeerd raakte,
moeilijk te bereiken was en grote moeite had om weer aandacht voor haar
actuele omgeving en situatie te krijgen’.
4.12. Ten aanzien van eiseres sub 2 schrijft dr. Draijer in haar conclusies
op pagina 6:
`Mw. Van der G (lees: eiseres sub 2) vertoont een constellatie van klachten
en symptomen die kenmerkend zijn voor volwassenen met ernstig seksueel, fysiek
en affectief traumatisering in de voorgeschiedenis’. Dr. Draijer acht de
diagnose van een post-traumatische stress stoornis aanwezig. `Daarnaast
heeft mw. een ernstige dissociatieve stoornis, waarschijnlijk een
dissociatieve identiteitsstoornis… De ernstige dissociatievesymptonen die
mw. Van der G. rapporteert zijn traumagerelateerd… (er zijn) voldoende
aanwijzingen (…) om aan te nemen dat deze dissociatieve stoornis
gerelateerd is aan ernstig trauma in de voorgeschiedenis. Dat mw. Van der G.
seksueel misbruikt, mishandeld, affectief verwaarloosd en sadistisch gestraft
is, lijkt derhalve aannemelijk. Ook dat het om mishandeling/misbruik door een
ouderfiguur gaat, is op grond van deze ernstige klachten aannemelijk. Of het
misbruik/mishandelingen precies zo gegaan zijn als mw. omschrijft, is daarmee
niet duidelijk’.
Voorts schrijft dr. Draijer over de consistentie van haar verklaring:
`Niet is nagegaan of het verhaal tijdens het onderzoek overeenkwam met het
verhaal bij de politie, want daar bestond geen voorkennis over. Bovendien is
getracht het verleden slechts globaal aan de orde te stellen om decompensatie
te voorkomen. Wel is nagegaan of het globale verhaal over de jeugdervaringen
consistent is met het klachtenbeeld. Dit is maximaal het geval. De
gerapporteerde traumageschiedenis komt overeen met de retrospectieve gegevens
van patiënten met een dissociatieve identiteitsstoornis zoals die in
onderzoek zijn beschreven.’
4.13. Gedaagden hebben van hun kant een rapport ingebracht van dr. Morre.
Deze heeft een oordeel gegeven op grond van de processen-verbaal derhalve
gebaseerd op de verklaringen van eiseressen en gedaagden zoals tegenover de
politie afgelegd. Dr. Morre heeft noch met eiseressen noch met gedaagden
gesproken. Hij heeft met name kritiek op de rol van de therapeut J.A.J.
Hörman. Zijn conclusie is – kort gezegd – dat de verklaringen van eiseressen
ongeloofwaardig zijn en dat de beschuldigingen van eiseressen onder invloed
van het zogenaamde `False Memory Syndrome’ zijn gedaan.
4.14. In een incestzaak als de onderhavige is meestal niet meer bewijs
aanwezig dan een (partij)verklaring van degene die de beschuldigingen doet en
een ontkenning van de wederpartij. Alsdan behoort niet te worden uitgesloten
dat een deskundigenbericht waarin de mededelingen van de partij die de
beschuldigen doet aan een nader onderzoek worden onderworpen – onder meer
door deze mededelingen in verband te brengen met aan de deskundige bekende in
dergelijke gevallen optredende psychische verschijnselen en met hetgeen hem
terzake van dergelijke gevallen uit hoofde van de deskundigheid die hij op
zijn vakgebied heeft, bekend is – te zamen met de verklaring van de betrokken
partij als getuige voldoende bewijs van de gestelde feiten oplevert. Evenmin
behoort te zijn uitgesloten dat verklaringen van deskundige behandelaars tot
een zodanig bewijs kunnen bijdragen. (vgl. HR 17 november 1995, RvdW 1995,
nr. 242).
4.15. Anders dan de ouders menen, kunnen de hiervoor genoemde rapporten van
prof. van Tilburg en dr. Draijer als deskundigenbericht als bedoeld in de
hiervoorgenoemde uitspraak van de Hoge Raad worden aangemerkt. Dat geldt
overigens ook met betrekking tot het rapport van drs. Tjebbes. Aan het
rapport van dr. Morre wordt geen gewicht toegekend, omdat deze deskundige
geen der partijen heeft gesproken. Bij de waardering van de bevindingen van
de heer Hörmann kunnen vraagtekens worden gezet, zodat daarmee geen rekening
wordt gehouden.
4.16. Voorlopig geoordeeld leveren de voor de politie afgelegde verklaringen
van de dochters in samenhang met de rapportages van prof. Van Tilburg en dr.
Draijer voldoende bewijs op om te concluderen dat – nu gesteld noch gebleken
is dat anderen dan de ouders het gestelde seksueel misbruik zouden hebben
gepleegd – het zeer aannemelijk is dat de dochters gedurende een groot aantal
jaren herhaaldelijk door de ouders seksueel misbruikt en physiek en psychisch
zijn mishandeld. Daarbij kan – zeker in het kader van dit kort geding – in
het midden blijven of de gebeurtenissen precies zo hebben plaatsgevonden
zoals de dochters hebben verklaard. Derhalve hebben de ouders jegens beide
dochters onrechtmatig gehandeld.
4.17. Dat de dochters door genoemd onrechtmatig handelen schade hebben
geleden is zonder meer aannemelijk. In de rapportages van prof. Van Tilburg
en dr. Draijer worden de huidige lichamelijke en psychische klachten van de
dochters in direct verband gebracht met het gepleegde seksueel misbruik en
mishandeling. Het is inmiddels algemeen bekend dat seksueel misbruik tot
ernstige lichamelijke en psychische schade kan leiden. De in de dagvaarding
genoemde klachten van de dochters (onder 7) komen dan ook reëel voor.
4.18. Wat betreft de omvang van de schade valt op dit moment niet te
beoordelen of alle gestelde schadeposten juist zijn en voor vergoeding in
aanmerking komen. Dat de dochters inmiddels aanmerkelijke kosten hebben
moeten maken voor onder meer therapie/begeleiding/zorg en rechtsbijstand is
zonder meer aannemelijk, ook dat de materiële schade meer dan ƒ 8000 per
eiseres bedraagt. Wat betreft de immateriële schade zijn de opgesomde
schade-elementen en de daarbij genoemde bedragen voorshands niet alle
aannemelijk gemaakt (zeker wat betreft de schade tengevolge van de beweerde
abortussen (zie rechtsoverweging 4.5.)), maar gelet op de omvang van het
seksueel misbruik is zeer aannemelijk dat de bodemrechter minimaal het thans
gevorderde – geringe – bedrag van ƒ 5000 per eiseres zal toewijzen. Voor een
restitutierisico behoeft dan ook niet te worden gevreesd.
4.19. De door de dochters gevorderde voorschotten op schadevergoeding te
vermeerderen met rente zijn derhalve in beginsel toewijsbaar. Wel zal
rekening worden gehouden met de beperkte (gezamenlijke) draagkracht van de
ouders. Uit de ter zitting verschafte inkomensgegevens van de ouders blijkt
dat deze niet voldoende is voor betaling ineens van de gevraagde
voorschotten. In het dictum zal daarom worden opgenomen dat betaling in
maandelijkse termijnen dient te geschieden.
4.20. Anders moet voorlopig worden geoordeeld ten aanzien van het beweerde
seksueel misbruik van de twee kinderen van dochter 2. Dat misbruik wordt op
geen andere wijze onderbouwd dan door overlegging van de twee
processen-verbaal van de studioverhoren van de kinderen. In dit stadium vormt
dat voorshands, gelet op de betwisting door de ouders, onvoldoende basis om
dat misbruik voor waar aan te nemen. Bovendien gaat het hier om
beschuldigingen die eerst na het sepot van de strafzaak tegen de ouders zijn
geuit en het moet voorshands niet onmogelijk worden geacht dat de kinderen in
hun vermeende waarnemingen door de dochters, althans dochter 2 zijn
beïnvloed.
Het ten behoeve van de kinderen van dochter 2 gevorderde voorschot op
schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.
4.21. Ten aanzien van het gevorderde straat- en contactverbod wordt als volgt
overwogen.
De ouders betwisten contact met de dochters en/of de kinderen van dochter 2
te zoeken. De moeder stelt dat zij na het sepot van de strafzaak slechts
tweemaal in de straat is geweest waar dochter 1 woont: eenmaal toen zij op
bezoek ging bij de buurvrouw van dochter 1, waar de oudste dochter als
huishoudelijke hulp werkt, en een keer toen zij in de buurt een brief had
gepost en toen kleinzoon 1 heeft gezien. In de visie van de ouders vindt er
dus alleen contact plaats op basis van louter toevalligheid. De door de
dochters overgelegde verklaringen van familieleden en vriend(inn)en wijzen
echter duidelijk in de richting van een veelvuldiger en ook bewust gezocht
contact van met name de moeder met dochter 1. Gelet op hetgeen hiervoor
omtrent het beweerde seksueel misbruik is overwogen moet dat contact
zondermeer onrechtmatig jegens de dochters worden geacht.
4.22. Hoewel ten aanzien van de vader geen concrete klachten wat de omgang
met de dochters betreft, worden geuit, ligt het in de rede ook hem het
contact met de dochters te ontzeggen, nu dit contactverbod mede bedoeld is om
de dochters in alle rust hun traumatische ervaringen te laten verwerken en
zeer aannemelijk is dat de vader het grootste aandeel in het seksueel misbruik
van de dochters heeft gehad.
4.23. De dochters hebben derhalve recht en belang bij een straat- en
contactverbod. Deze vorderingen zullen in duur en omvang enigszins beperkt
worden als na te melden. Het straatverbod zal worden beperkt tot dat deel van
de gemeente dat ten zuiden van de Van H-weg ligt zoals aangegeven op de aan
dit vonnis gehechte dorpsplattegrond. Voor een ruimer verbod, namelijk voor
een groter gebied en voor de supermarkten ten noorden van de weg, zoals door
de dochters gevorderd is geen grond. De omstandigheid at de school waar
kleinzoon 2, één van de kinderen van dochter 2, op zit ten noorden van
genoemde weg zo dicht bij de woning van de ouders staat, kan de ouders niet
worden verweten. Het valt, zelfs indien dit deel van het gevorderde
straatverbod zou worden toegewezen, door die omstandigheid ook niet uit te
sluiten dat de ouders kleinzoon 2 nog wel eens zullen zien. Voorts is ter
zitting gebleken dat er in het gebied ten zuiden van de weg te D een Albert
Heijn-vestiging is, zodat de noodzaak om de supermarkten ten noorden van de
weg te bezoeken er niet is. Dan valt ook niet in te zien waarom de ouders
verboden zou moeten worden laatstgenoemde supermarkten te bezoeken.
4.24. Aan het straat- en contactverbod zal een dwangsom worden verbonden,
doch deze zal worden beperkt en gemaximeerd als na te melden.
4.25. Ook al is sprake van een familierechtelijke betrekking tussen partijen,
gelet op de aard van de vordering en de verregaande mate waarin deze
toewijsbaar is, dienen de ouders in de proceskosten te worden veroordeeld.

5. De beslissing
De president
5.1. veroordeelt de ouders tot betaling van ƒ 8000 respectievelijk ƒ 5000 aan
elk van de dochters wegens voorschot op de door hen geleden materiële
respectievelijk immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente
daarover vanaf 11 januari 1996 tot de dag der algehele voldoening,
5.2. bepaalt dat gedaagden de onder 5.1. genoemde bedragen aan elk van
eiseressen zullen betalen door maandelijkse betalingen van ƒ 300 per eiseres,
waarvan ƒ 150 als voorschot op materiële schade en ƒ 150 als voorschot op
immateriële schade, ingaande 1 april 1996 totdat de onder 5.1 genoemde
bedragen zijn voldaan.
5.3. Verbiedt de ouders voor de duur van 2 jaar na betekening van dit vonnis
zich te begeven (…), een en ander zoals gearceerd op de aan dit vonnis
gehechte dorpsplattegrond,
5.4. verbiedt gedaagde voor de duur van 2 jaar na tekening van dit vonnis in
contact te treden, op wat voor wijze dan ook, met de dochters, de kinderen
van dochter 2 inbegrepen,
5.5. geeft machtiging tot tenuitvoerlegging van de veroordeling onder 5.3. en
5.4. zonodig met behulp van de sterke arm,
5.6. veroordeelt de ouders om ingeval zij (na betekening van dit vonnis) de
verboden onder 5.3. en 5.4. overtreden, aan de dochters een dwangsom te
betalen van ƒ 250 per overtreding, echter tot een gezamenlijk maximum van ƒ
25 000
5.7. veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseressen bepaald op ƒ 1500 voor salaris en op ƒ
501,27 voor verschotten,
5.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9. weigert het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. J.A.Z. Hooft Graafland

Instantie: Rechtbank Arnhem, 27 maart 1996

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseressen zijn twee zussen die slachtoffer zijn van seksueel misbruik,
verkrachting, aanranding en moord/doodslag op ongeboren vrucht(en) door
gedaagden, hun natuurlijke ouders, gepleegd tussen ongeveer hun zesde en
achttiende levensjaar. Zij hebben hiervan aangifte gedaan. De strafzaak
is geseponeerd en hiertegen is een art. 12 Sv-procedure gestart. Ook de
kinderen van eiseres M.K. zijn het slachtoffer van seksueel misbruik. In
dit kort geding vorderen eiseressen een straatverbod en een voorschot op
de schadevergoeding. De rechtbank wijst de vorderingen tot betaling van
een voorschot op de schadevergoeding wegens incest toe. Materiele
schadevergoeding ƒ 8.000,- per eiseres en immateriele schadevergoeding ƒ
5.000,- per eiseres.

Ook het straat- en contactverbod wordt toegewezen voor de periode van twee
jaar. De rechtbank heeft de onderzoeksresultaten van de door eiseressen
geraadpleegde deskundigen, tezamen met de voor de politie afgelegde
verklaringen, als voldoende bewijs geoordeeld om te concluderen dat er
sprake is geweest van seksueel misbruik. Dat de deskundigen
partij-deskundigen zijn doet niet terzake. Hun vakbekwaamheid en
onafhankelijkheid staan niet ter discussie.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Eiseressen hebben gedaagden ter terechtzitting in kort geding doen
dagvaarden en bij mondelinge conclusie van eis gevorderd als weergegeven
in de dagvaarding. Gedaagden hebben geconcludeerd tot weigering van de
gevorderde voorzieningen. De advocaat van eiseressen en de procureur van
gedaagden hebben de zaak bepleit overeenkomstig de door hen overgelegde
pleitnotities. Daarbij hebben zij over en weer produkties in het geding
gebracht. Tenslotte zijn de processtukken voor het wijzen van vonnis
overgelegd.

2. De vaststaande feiten

Op grond van de stellingen van partijen en de inhoud van de produkties –
alles voorzover niet dan wel onvoldoende weersproken- staat voorshands het
navolgende vast.

2.1. In november en december 1994 heeft eiseres sub 1 -toen 27 jaar-
aangifte gedaan bij de politie van seksueel misbruik, verkrachting,
aanranding en moord/doodslag op ongeboren vrucht(en) door gedaagden, haar
natuurlijke ouders, gepleegd tussen ongeveer haar zesde en achttiende
levensjaar. Naar aanleiding van deze aangifte is een strafrechtelijk
onderzoek gestart. In dat kader heeft eiseres sub 2 een zuster van eiseres
sub 1, als getuige -toen 32 jaar- in februari 1995 een verklaring afgelegd
waarin zij heeft aangegeven ook door gedaagden seksueel te zijn misbruikt,
verkracht en geaborteerd, tussen ongeveer haar zesde en vijftiende
levensjaar.

2.2. Gedaagden hebben de beschuldigingen terzake van incest en abortus van
beide eiseressen uitdrukkelijk ontkend.

2.3. Begin juni 1995 is de strafzaak tegen gedaagde geseponeerd wegens
gebrek aan bewijs.

2.4. Eiseres sub 1 heeft de sepotbeslissing van de Officier van Justitie
een klacht ex artikel 12 Sv bij het gerechtshof te Arnhem ingediend;
daarop is tot op heden nog niet beslist.

2.5. Eiseres sub 2 heeft in september 1995 aangifte gedaan van incest door
gedaagde sub 2 met haar -eiseresses- zoontje Joery, thans acht jaar, in
januari 1996 heeft eiseres sub 2 aangifte gedaan van incest door gedaagde
sub 2 met haar tweede zoontje, Eran, thans 10 jaar.

2.6. Bij brief van 11 januari 1996 heeft de raadsvrouw van eiseressen aan
gedaagden aangekondigd namens eiseressen en genoemde Eran en Joery in kort
geding een straat- en contactverbod te vorderen. Gelijktijdig zijn
gedaagden gesommeerd tot betaling van schadevergoeding voor materiele en
immateriele schade ad in totaal ƒ 273,359,73 bij gebreke waarvan in kort
geding een voorschot zal worden gevorderd.

2.7. Gedaagden hebben aan laatstgenoemde sommatie geen gevolg gegeven.

2.8. In het kader van het onderhavige kort geding heeft de raadsvrouw van
eiseressen naast stukken uit het strafdossier de volgende rapportages
overgelegd: -een rapportage van drs. P.F. Tjebbes, klinisch psycholoog,
gedateerd 2 januari 1996, inzake een door de raadsvrouw aangevraagd
psychologisch onderzoek van eiseres sub 1; -een rapportage van prof. dr.
W. van Tilburg, psychiater, en drs. M. Rensen, arts-assistent pschiatrie,
gedateerd 7 maart 1996, inzake een door de raadsvrouw aangevraagde
psychiatrisch onderzoek van eiseressen; -een rapportage van mevr. dr. P.J.
Draijer, klinisch psycholoog, gedateerd 2 maart 1996, inzake een door de
raadsvrouw aangevraagde klinisch psychologisch onderzoek van eiseressen.

2.9. Van de zijde van gedaagden is een deskundigenrapportage –
psychiatrische expertise- overgelegd van dr. H.L.C. Morre, psychiater,
gedateerd 6 november 1995.

3. De vordering

3.1. Eiseressen vorderen thans, kort gezegd: a. betaling van ƒ 8.000,=
respectievelijk ƒ 5.000,= aan elk van hen als voorschot op de geleden
materiele respectievelijk immateriele schade; b. betaling van ƒ 2.500,=
voor elk van de beide kinderen van eiseres sub 2 als voorschot op
immateriele schade; c. en d. een straatverbod als omschreven in het
petitum; e. een contactverbod met eiseressen en de kinderen van eiseres
sub 2; f. de wettelijke rente over de sub a gevorderde bedragen; g. een
dwangsom voor het b-e gevorderde en met machtiging tot tenuitvoerlegging
met behulp van de sterke arm en h. een proceskostenveroordeling.

3.2. Eiseressen stellen, kort gezegd, dat gedaagden hen gedurende een
groot aantal jaren herhaaldelijk seksueel hebben misbruikt, alsmede fysiek
en geestelijk hebben mishandeld. Eiseressen beroepen zich terzake in het
bijzonder op de door hen in de strafzaak afgelegde verklaringen, alsmede
op de hiervoor genoemde rapportages van prof. Van Tilburg (en dr. Rensen)
en dr. Draijer.

Voorts stelt eiseres sub 2 dat gedaagde sub 2 in het bijzonder, haar twee
kinderen seksueel hebben misbruikt. Eiseres sub 2 beroept zich terzake op
de processen-verbaal van de studioverhoren van de kinderen. Volgens
eiseressen hebben gedaagden aldus onrechtmatig gehandeld en hebben zij en
de kinderen daardoor schade geleden, zowel materieel als immaterieel, en
zijn gedaagden gehouden deze te vergoeden. De immateriele schade hebben
eiseressen in de dagvaarding begroot op ƒ 85.000,= voor elk van hen en op
ƒ 25.000,= per kind; ter zitting hebben eiseressen deze bedragen nader
onderbouwd. De materiele schade wordt in de dagvaarding begroot op ƒ
39.424,= voor eiseres sub 1 en op ƒ 13.926,73 voor eiseres sub 2, berekend
tot 1 januari 1996. Eiseressen stellen een spoedeisend belang bij de thans
gevorderde voorschotten te hebben: door de voorschotten kunnen de kosten
van rechtshulp en reiskosten, alsmede het verlies aan verdiencapaciteit
worden bestreden, ook kunnen sociale activiteiten worden bekostigd die de
verwerking van hun trauma zullen bespoedigen. Wat betreft het gevorderde
straat- en contactverbod stellen eiseressen dat gedaagden hen proberen te
intimideren en dat zij contact blijven zoeken. Eiseressen achten dat
gedrag van gedaagden onrechtmatig en stellen recht en belang bij het
gevorderde te hebben om de nodige rust te garanderen.

3.3. Gedaagden voeren gemotiveerd verweer en hebben primair tot niet-
ontvankelijkheid geconcludeerd, waarover hierna meer. Volgens gedaagden
zijn de beschuldigingen van seksueel misbruik van eiseressen en de kinderen
van eiseres sub 2 en mishandeling volstrekt onwaar en ontbreekt daarvoor
ieder feitelijk bewijs. Van het aan gedaagden verweten onrechtmatig
handelen is derhalve geen sprake zodat de gevorderde voorschotten, los van
de schade, reeds op die grond dienen te worden afgewezen, aldus gedaagden.
Voorts betwisten gedaagden dat zij eiseressen en de kinderen van eiseres
sub 2 zouden lastig vallen, dan wel dat zij anderszins contact met hen
zouden zoeken, zodat er evenmin grond is voor toewijzing van het
gevorderde straat- en contactverbod.

4. De motivering van de beslissing

4.1. Gedaagden hebben primair tot niet-ontvankelijkheid van eiseressen
geconcludeerd omdat deze zaak zich niet voor behandeling in kort geding
zou lenen. Gedaagden stellen dat eerst de uitkomst van de artikel 12
Sv-procedure moet worden afgewacht, zeker nu het gaat om het bewijs of
gedaagden zich schuldig hebben gemaakt aan de beweerde strafbare feiten.

4.2. Eiseressen vorderen voorschotten op schadevergoeding voor materiele
en immateriele schade alsmede een straat- en contactverbod. Volgens vaste
jurisprudentie kunnen deze vorderingen in kort geding worden behandeld,
ook in incestzaken. De omstandigheid dat de strafrechter (nog) niet over
de vermeende strafbare feiten heeft geoordeeld doet daar in beginsel niet
aan af. Daar komt in dit geval bij dat het nog geruime tijd kan duren
voordat de artikel 12 Sv-procedure is afgewikkeld. Dat zou, als de visie
van gedaagden zou worden gevolgd, meebrengen dat eiseressen zich gedurende
die tijd niet tot de president in kort geding zouden kunnen wenden, ook
als eiseressen een spoedeisend belang bij het gevorderde hebben. Het door
eiseressen gestelde spoedeisend belang is overigens niet betwist. Het
beroep op niet-ontvankelijkheid zal derhalve worden verworpen.

4.3. In deze procedure staat ter beoordeling of eiseressen voldoende
feiten hebben aangedragen dan wel aannemelijk gemaakt waaruit voorshands
de conclusie kan worden getrokken (1) dat gedaagden onrechtmatig hebben
gehandeld jegens hen en de kinderen van eiseres sub 2, (2) dat eiseressen
en de kinderen van eiseres sub 2 daardoor schade hebben geleden, (3) dat
zij belang hebben bij het gevorderde straat- en contactverbod en (4) dat
zij een spoedeisend belang bij toekenning van een voorschot hebben.

4.4 De door eiseressen gestelde door gedaagden gepleegde incesthandelingen
en mishandelingen zijn naar hun aard moeilijk te bewijzen omdat deze zich
slechts in aanwezigheid van partijen zelf hebben afgespeeld, althans
voornamelijk in aanwezigheid van iedere eiseres afzonderlijk met (een der)
gedaagden meer dan 10 jaar geleden. Tegenover de verklaringen van
eiseressen staan de ontkenningen door gedaagden.

4.5. Eiseressen hebben in het strafrechtelijk onderzoek terzake zeer
expliciete verklaringen afgelegd die woordelijk zijn opgenomen. De meest
vergaande beschuldiging heeft betrekking op de beweerde ‘babymoorden’:
gedaagden hebben beweerdelijk viermaal zwangerschapsonderbrekingen bij
eiseres sub 1 uitgevoerd en tweemaal bij eiseres sub 2. In het
strafrechtelijk onderzoek zijn geen (overtuigende) aanknopingspunten (ook
geen medische) gevonden die deze beschuldiging kunnen staven. In dit kort
geding zijn eiseressen er niet in geslaagd deze ‘babymoorden’ aannemelijk
te maken. Ook de onder 2.8. genoemde deskundigenrapporten en de hierna
onder 4.8. tot en met 4.12. weergegeven conclusies geven daartoe
voorshands onvoldoende – aanvullende – steun.

4.6. Naast de eigen verklaringen van het beweerde misbruik beroepen
eiseressen zich met name op de overgelegde rapportages van prof. Van
Tilburg (samen met dr. Rensen) en dr. Draijer. Door gedaagden is tegen
deze rapportages bezwaar gemaakt, in die zin dat gedaagden opmerken dat
zij eerst minder dan een week voor de zitting kennis hebben kunnen nemen
van de inhoud daarvan en dat zij nu niet in de gelegenheid zijn tot een
contra-deskundigenonderzoek. Voorts wijzen gedaagden er op dat de
betrokken deskundigen als partij-deskundigen optreden en dat de rapporten
louter ten behoeve van de schadevergoedingsclaims zijn opgesteld.

4.7. Door gedaagden is niet betwist dat de door eiseressen aangezochte
deskundigen gerenommeerd zijn. Hun vakbekwaamheid en onafhankelijkheid
staan niet ter discussie. Wanneer eiseressen om een voorlopig
deskundigenonderzoek hadden gevraagd, had de rechtbank
hoogstwaarschijnlijk een van deze deskundigen benoemd. De deskundige dr.
Draijer wordt in civiele bodemzaken waarbij incest aan de orde is namelijk
regelmatig door deze rechtbank ingeschakeld. Het bezwaar dat deze
deskundigen niet onafhankelijk (genoeg) zouden zijn wordt derhalve niet
gedeeld. Dat de rapportages ten behoeve van de schadevergoedingsclaims
zijn opgesteld doet aan vakbekwaamheid en onafhankelijkheid niet af.
Wellicht dat van de zijde van gedaagden andere vragen dan hierna
weergegeven zouden zijn gesteld, maar het is weinig voorstelbaar dat de
na te melden conclusies waartoe deze deskundigen na persoonlijk onderzoek
van eiseressen zijn gekomen dan anders zouden luiden.

4.8. De vraagstelling die de raadsvrouw van eiseressen aan deze
deskundigen heeft voorgelegd luidde als volgt: ‘1. In hoeverre is het
aannemelijk dat haar (lees: eiseres sub 1 respectievelijk eiseres sub 2)
huidige psychische klachten het gevolg zijn van de door haar ouders
gepleegde daden in het verleden? 2. Welke mate van invalidering is
aanwezig? 3. Hoe consistent is cliente (lees: eiseres sub 1
respectievelijk eiseres sub 2) met betrekking tot de door haar vertelde
geweldservaringen?’

4.9. Ten aanzien van eiseres sub 1 schrijft prof. Van Tilburg in zijn
conclusie op pagina 10: “Samengevat is er sprake van een post traumatische
stress stoornis in combinatie met een borderling persoonlijksstoornis.
Deze combinatie is indicatief voor traumatisering door een ernstig
misbruikverleden en daaraan gekoppeld mishandeling en verwaarlozing. (
…) Betrokkene heeft zich vroeger kunnen handhaven door haar gevoel af
te splitsen en te vluchten in activiteit. Wanneer ze tot rust komt lukt
het niet meer het verleden te verdringen, waardoor de post traumatische
stress stoornis manifest wordt en de andere klachten verergeren. Gezien
de aard van de dwangbeelden, de triggers waardoor herbeleving wordt
uitgelokt, haar negatieve houding ten aanzien van haar lichaam en de angst
voor lichamelijk contact is het aannemelijk dat het trauma veroorzaakt is
door seksueel misbruik”. Op pagina 11 schrijft hij: “Het verhaal van
betrokkene is innerlijk consistent, maar tevens ook met dat van haar
zuster. Ook past het goed bij de gegevens uit de literatuur (zei rapport
Mw Draijer)”.

4.10. Ten aanzien van eiseres sub 2 concludeert prof. van Tilburg in zijn
conclusie op pagina 9: “Er is sprake van een dysthyme stoornis volgens de
criteria van de DSM IV, die sterk gekleurd wordt door angsklachten; voorts
vertoont zij alle verschijnselen van een post traumaische stress stoornis.
Vervolgens zijn er ernstige dissociatieve verschijnselen aanwezig …” Op
pagina 10 schrijft hij: “De post traumatische stress stoornis is
indicatief voor een trauma. De herbelevingen zijn suggestief voor een
trauma. Dit gecombineerd met de ernstige dissociatieve stoornis, maakt het
aannemelijk dat er sprake is geweest van een traumatisch verleden,
gekenmerkt door seksueel misbruik, physieke en psychische mishandeling (zie
voor een nadere onderbouwing het rapport van Dr. Draijer). Het is verder
zeer goed voorstelbaar dat ook de dysthymie, alsmede de
persoonlijkheidskenmerken als haar moeite met contact een gevolg zijn van
haar traumatische verleden
… Het verhaal is innerlijk consistent, bovendien is het consistent met
het verhaal van haar zuster en met gegevens uit de literatuur”.

11. Dr. Draijer schrijft in haar conclusies van haar onderzoek van eiseres
sub 1 op pagina 9: “Hoewel PTSD (bedoeld wordt PTSS = post traumatische
stress stoornis) en BPS (borderline persoonlijkheidsstoornis) ieder
afzonderlijk voorkomen bij patienten zonder traumatisering door seksuele
of fysieke mishandeling in de jeugd is de combinatie van beide wel
kenmerkend. Deze algehele symptoonconstellatie (BPS + PTSS) wordt vaak
aangetroffen bij patienten met een ernstig misbruik verleden en daaraan
gekoppeld mishandeling en verwaarlozing … Op grond van dit onderzoek is
het aannemelijk dat haar klachten verband houden met een combinatie van
seksueel misbruik, affectieve verwaarlozing, sadistische bestraffingen en
vernederingen. Of de gebeurtenissen precies zo hebben plaatsgevonden als
mw. Van S (lees eiseres sub 1) beschrijft is echter niet te verifieren.
Het meest overtuigend was het nonverbale gedrag aan het eind van het
interview, waarbij mw. na een gesprek zeer belastende ervaringen gedurende
enige tijd geheel in zichzelf gekeerd raakte, moeilijk te bereiken was en
grote moeite had om weer aandacht voor haar actuele omgeving en situatie
te krijgen”.

4.12. Ten aanzien van eiseres sub 2 schrijft dr. Draijer in haar
conclusies op pagina 6: “Mw van der G. (lees: eiseres sub 2) vertoont een
constellatie van klachten en symptomen die kenmerkend zijn voor
volwassenen met ernstig seksueel, fysiek en affectief traumatisering in de
voorgeschiedenis. Dr. Draijer acht de diagnose van een post-traumatische
stress stoornis aanwezig. “Daarnaast heeft mw. een ernstige dissociatieve
identiteitsstoornis … De ernstig dissociatieve symptomen die mw. van der
G. rapporteert zijn traumagerelateerd (…) (er zijn) voldoende aanwijzingen
( …) om aan te nemen dat deze dissociatieve stoornis gerelateerd is aan
ernstig trauma in de voorgeschiedenis. Dat mw. van der G. seksueel
misbruikt, mishandeld, affectief verwaarloosd en sadistisch gestraft is,
lijkt derhalve zeer aannemelijk. Ook dat het om mishandeling/misbruik door
een ouderfiguur gaat, is op grond van deze ernstige klachten aannemelijk.
Of het misbruik/mishandelingen precies zo gegaan zijn als mw. omschrijft,
is daarmee niet duidelijk.” Voorts schrijft dr. Draijer over de
consistentie van haar verklaring: “Niet is nagegaan of het verhaal tijdens
het onderzoek overeenkwam met het verhaal bij de politie, want daar
bestond geen voorkennis over. Bovendien is getracht het verleden slechts
globaal aan de orde te stellen om decompensatie te voorkomen. Wel is
nagegaan of het globale verhaal over jeugdervaringen consistent is met het
klachtenbeeld. Dit is maximaal het geval. De gerapporteerde
traumageschiedenis komt overeen met de retrospectieve gegevens van de
patienten met een dissociatieve identiteitsstoornis zoals die in onderzoek
zijn beschreven.”

4.13. Gedaagden hebben van hun kant een rapport ingebracht van dr. Morre.
Deze heeft een oordeel gegeven op grond van de processen-verbaal, derhalve
gebaseerd op de verklaringen van eiseressen en gedaagden zoals tegenover
de politie afgelegd. Dr. Morre heeft noch met eiseressen noch met
gedaagden gesproken. Hij heeft met name kritiek op de rol van de therapeut
J.A.J. Hormann. Zijn conclusie is – kort gezegd – dat de verklaringen van
eiseressen ongeloofwaardig zijn en dat de beschuldigingen van eiseressen
onder invloed van het zogenaamde ‘False Memory Syndrome’ zijn gedaan.

4.14. In een incestzaak als de onderhavige is meestal niet meer bewijs
aanwezig dan een (partij)verklaring van degene die de beschuldigingen doet
en een ontkenning van de wederpartij. Alsdan behoort niet te worden
uitgesloten dat een deskundigenbericht waarin de mededelingen van de
partij die de beschuldigingen doet aan een nader onderzoek worden
onderworpen – onder meer door deze mededelingen in verband te brengen met
aan de deskundige bekende in dergelijke gevallen optredende psychische
verschijnselen en met hetgeen hem terzake van dergelijke gevallen uit
hoofde van de deskundigheid die hij op zijn vakgebied heeft, bekend is –
te zamen met de verklaring van de betrokken partij als getuige voldoende
bewijs van de gestelde feiten oplevert. Evenmin behoort te zijn uitsloten
dat verklaringen van deskundige behandelaars tot een zodanig bewijs kunnen
bijdragen. (vgl. HR 17 november 1995, RvdW 1995 nr. 242)

4.15. Anders dan gedaagden menen, kunnen de hiervoor genoemde rapporten
van prof. Van Tilburg en dr. Draijer als deskundigenbericht als bedoeld
in de hiervoorgenoemde uitspraak van de Hoge Raad worden aangemerkt. Dat
geldt overigens ook met betrekking tot het rapport van drs. Tjebbes. Aan
het rapport van dr. Morre wordt geen gewicht toegekend, omdat deze
deskundige geen der partijen heeft gesproken. Bij de waardering van de
bevindingen van de heer Hormann kunnen vraagtekens worden gezet, zodat
daarmee geen rekening wordt gehouden.

4.16. Voorlopig geoordeeld leveren de voor de politie afgelegde
verklaringen van eiseressen in samenhang met de rapportages van prof. Van
Tilburg en dr. Draijer voldoende bewijs op om te concluderen dat – nu
gesteld noch gebleken is dat anderen dan gedaagden het gestelde seksueel
misbruik zouden hebben gepleegd, – het zeer aannemelijk is dat eiseressen
gedurende een groot aantal jaren herhaaldelijk door gedaagden seksueel
misbruikt en physiek en psychisch zijn mishandeld. Daarbij kan – zeker in
het kader van dit kort geding – in het midden blijven of de gebeurtenissen
precies zo hebben plaatsgevonden zoals eiseressen hebben verklaard.
Derhalve hebben gedaagden jegens iedere eiseres onrechtmatig gehandeld.

4.17. Dat eiseressen door genoemd onrechtmatig handelen schade hebben
geleden is zonder meer aannemelijk. In de rapportages van prof. Van
Tilburg en dr. Draijer worden de huidige lichamelijke en psychische
klachten van eiseressen in direct verband gebracht met het gepleegde
seksueel misbruik en mishandeling. Het is inmiddels algemeen bekend dat
seksueel misbruik tot ernstige lichamelijke en psychische schade kan
leiden. De in de dagvaarding genoemde klachten van eiseressen (onder 7)
komen dan ook reeel voor.

4.18. Wat betreft de omvang van de schade valt op dit moment niet te
beoordelen of alle gestelde schadeposten juist zijn en voor vergoeding in
aanmerking komen. Dat eiseressen inmiddels aanmerkelijke kosten hebben
moeten maken voor onder meer therapie/begeleiding/zorg/ en rechtsbijstand
is zonder meer aannemelijk, ook dat de materiele schade meer dan ƒ 8.000,-
per eiseres bedraagt. Wat betreft de immateriele schade zijn de opgesomde
schade-elementen en de daarbij genoemde bedragen voorshands niet alle
aannemelijk gemaakt (zeker wat betreft de schade tengevolge van de
beweerde abortussen (zie rechtsoverweging 4.5.)), maar gelet op de omvang
van het seksueel misbruik is zeer aannemelijk dat de bodemrechter minimaal
het thans gevorderde – geringe – bedrag van ƒ 5.000,- per eiseres zal
toewijzen. Voor een restitutierisico behoeft dan ook niet te worden
gevreesd.

4.19. De door eiseressen gevorderde voorschotten op schadevergoeding te
vermeerderen met rente zijn derhalve in beginsel toewijsbaar. Wel zal
rekening worden gehouden met de beperkte (gezamenlijke) draagkracht van
gedaagden. Uit de ter zitting verschafte inkomensgegevens van gedaagden
blijkt dat deze niet voldoende is voor betaling ineens van de gevraagde
voorschotten. In het dictum zal daarom worden opgenomen dat betaling in
maandelijkse termijnen dient te geschieden.

4.20. Anders moet voorlopig worden geoordeeld ten aanzien van het beweerde
seksueel misbruik van de twee kinderen van eiseres sub 2. Dat misbruik
wordt op geen andere wijze onderbouwd dan door overlegging van de twee
processen-verbaal van de studioverhoren van de kinderen. In dit stadium
vormt dat voorshands, gelet op de betwisting door gedaagden, onvoldoende
basis om dat misbruik voor waar aan te nemen Bovendien gaat het hier om
beschuldigingen die eerst na het sepot van de strafzaak tegen gedaagden
zijn geuit en het moet voorshands niet onmogelijk worden geacht dat de
kinderen in hun vermeende waarnemingen door eiseressen, althans eiseres
sub 2 zijn beinvloed. Het ten behoeve van de kinderen van eiseres sub 2
gevorderde voorschot op schadevergoeding zal derhalve worden afgewezen.

4.21. Ten aanzien van het gevorderde straat- en contactverbod wordt als
volgt overwogen. Gedaagden betwisten contact met eiseressen en/of de
kinderen van eiseres sub 2 te zoeken. Gedaagde sub 2 stelt dat zij na het
sepot van de strafzaak slechts tweemaal in de straat is geweest waar
eiseres sub 1 woont: eenmaal toen zij op bezoek ging de buurvrouw van
eiseres sub 1, waar de oudste dochter als huishoudelijke hulp werkt, en
een keer toen zij in de buurt een brief had gepost en toen de kleinzoon
J heeft gezien. In de visie van gedaagden vindt er dus alleen contact
plaats op basis van louter toevalligheid. De door eiseressen overgelegde
verklaringen van familieleden en vriend(inn)en wijzen echter duidelijk in
de richting van een veelvuldiger en ook bewust gezocht contact van met
name gedaagde sub 2 met eiseres sub 1. Gelet op hetgeen hiervoor omtrent
het beweerde seksueel misbruik is overwogen moet dat contact zondermeer
onrechtmatig jegens eiseressen worden geacht.

4.22. Hoewel ten aanzien van gedaagde sub 1 geen concrete klachten wat de
omgang met eiseressen betreft, worden geuit, ligt het in de rede ook hem
het contact met eiseressen te ontzeggen, nu dit contactverbod mede bedoeld
is om eiseressen in alle rust hun traumatische ervaringen te laten
verwerken en zeer aannemelijk is dat gedaagde sub 1 het grootste aandeel
in het seksueel misbruik van eiseressen heeft gehad.

4.23. Eiseressen hebben derhalve recht en belang bij een straat- en
contactverbod. Deze vorderingen zullen in duur en omvang enigszins beperkt
worden als na te melden. Het straatverbod zal worden beperkt tot dat deel
van de gemeente Druten dat ten zuiden van de Van Heemstraweg ligt zoals
aangegeven op de aan dit vonnis gehechte dorpsplattegrond. Voor een ruimer
verbod, namelijk voor een groter gebied en voor de supermarkten ten
noorden van de Van Heemstraweg, zoals door eiseressen gevorderd is geen
grond. De omstandigheid dat de school waar Eran, een van de kinderen van
eiseres sub 2, op zit ten noorden van genoemde Van Heemstraweg zo dicht
bij de woning van gedaagden staat, kan gedaagden niet worden verweten. Het
valt, zelfs indien dit deel van het gevorderde straatverbod zou worden
toegewezen, door die omstandigheid ook niet uit te sluiten dat gedaagden
Eran nog wel eens zullen zien. Voorts is ter zitting gebleken dat er in
het gebied ten zuiden van de Van heemstraweg te Druten een Albert
Heijn-vestiging is, zodat de noodzaak om de supermarkten ten noorden van
de Van Heemstraweg te bezoeken er niet is. Dan valt ook niet in te zien
waarom gedaagden verboden zou moeten worden laatstgenoemde supermarkten
te bezoeken.

4.24. Aan het straat- en contactverbod zal een dwangsom worden verbonden,
doch deze zal worden beperkt en gemaximeerd als na te melden.

4.25. Ook al is van een familierechtelijke betrekking tussen partijen,
gelet op de aard van de vordering en de verregaande mate waarin deze
toewijsbaar is, dienen gedaagden in de proceskosten te worden veroordeeld.

5. De beslissing

De president

5.1. veroordeelt gedaagden tot betaling van ƒ 8.000,= respectievelijk ƒ
5.000,= aan elk van eiseressen wegens voorschot op de door hen geleden
materiele respectievelijk immateriele schade, vermeerderd met de
wettelijke rente daarover vanaf 11 januari 1996 tot de dag der algehele
voldoening.

5.2. bepaalt dat gedaagden de onder 5.1. genoemde bedragen aan elk van
eiseressen zullen betalen door maandelijkse betalingen van ƒ 300,= per
eiseres, waarvan ƒ 150,= als voorschot op materiele schade en ƒ 150,= als
voorschot op immateriele schade, ingaande 1 april 1996 totdat de onder
5.1. genoemde bedragen zijn voldaan.

5.3. verbiedt gedaagden voor de duur van 2 jaar na betekening van dit
vonnis zich te begeven op de volgende in Puiflijk, gemeente Druten,
gelegen straten, alsmede binnen het gebied dat door die straten gevormd
wordt: Van Heemstraweg, Langstuk, Koningsweg en Kerkstraat, een en ander
zoals gearceerd op de aan dit vonnis gehechte dorpsplattegrond.

5.4. verbiedt gedaagden voor de duur van 2 jaar na betekening van dit
vonnis in contact te treden, op wat voor wijze dan ook, met eiseressen,
de kinderen van eiseres sub 2 inbegrepen.

5.5. geeft machtiging tot tenuitvoerlegging van de veroordeling onder 5.3.
en 5.4 zonodig met behulp van de sterke arm.

5.6. veroordeelt gedaagde om ingeval zij (na betekening van dit vonnis)
de verboden onder 5.3. en 5.4. overtreden, aan eiseressen een dwangsom te
betalen van ƒ 250,= per overtreding, echter tot een gezamenlijk maximum
van ƒ 25.000,=.

5.7. veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van eiseressen bepaald op ƒ 1.500,= voor salaris
en op ƒ 501,27 voor verschotten.

5.8. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.9. weigert het meer of anders gevorderde. Deze zaak is gegarandeerd
door het proefprocessenfonds Rechtenvrouw

Rechters

Mr Hooft Graafland

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 26 maart 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is op basis van een verlengd tijdelijk dienstverband werkzaam
geweest bij de wederpartij voor de uitvoering van een specifiek project. Toen
deze werkzaamheden waren afgerond heeft de wederpartij het dienstverband
beëindigd. Verzoekster is van mening dat haar afkomst voor de wederpartij een
rol heeft gespeeld bij het besluit om haar dienstverband niet te verlengen.
Er zijn geen aanwijzingen dat de etnische afstamming van verzoekster door de
wederpartij in bovenstaande overwegingen werd betrokken. De Commissie
concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat de etnische afstamming van
verzoekster een rol heeft gespeeld bij het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst in kwestie dan wel bij het niet herplaatsen van
verzoekster binnen de organisatie van de wederpartij.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 februari 1995 verzocht mevrouw (…) te Roosendaal (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de (…) te Soestdijk (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van ras en/of
nationaliteit in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster is op basis van een verlengd tijdelijk dienstverband
werkzaam geweest bij de wederpartij voor de uitvoering van een specifiek
project. Toen deze werkzaamheden waren afgerond heeft de wederpartij het
dienstverband beëindigd. Verzoekster is van mening dat haar afkomst voor de
wederpartij een rol heeft gespeeld bij het besluit om haar dienstverband niet
te verlengen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunt schriftelijk toegelicht;
verzoekster bij schrijven van 2 februari, 26 april en 25 augustus 1995;
verweerder bij schrijven van 6 juni 1995 en 10 juli 1995.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen en deze hebben hun
standpunten mondeling nader toegelicht tijdens een zitting op 12 december
1995.
Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)

van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (adjunct-directeur)
– mw. (…) (juridisch adviseur)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een organisatie die betrokken is bij erfelijke en/of
aangeboren ziekten. De organisatie behartigt de gezamenlijke belangen van de
bij haar aangesloten landelijke organisaties. Zij pleit voor het tot stand
komen van voorzieningen op dit terrein en geeft voorlichting op dit gebied.

3.2. Verzoekster is op 1 september 1992 in dienst getreden bij de wederpartij
in de functie van projectleider ten behoeve van het project `voorlichting
erfelijke ziekten aan Turkse en Marokkaanse echtparen’. Tijdens de werving is
kenbaar gemaakt dat gezien de aard van het project de voorkeur uitging naar
een vrouwelijke projectleider van migrantenafkomst.

3.3. In de oorspronkelijke planning is de wederpartij er van uitgegaan dat
het project `voorlichting erfelijke ziekten aan Turkse en Marokkaanse
echtparen’ op 1 september 1994 beëindigd zou zijn. Deze einddatum is niet
gehaald en verplaatst naar 31 december 1994. De financiering van het project
bestond uit een eenmalige, geoormerkte bijdrage uit een fonds en een bijdrage
van het ministerie van VWS. Hierdoor was de wederpartij niet meer in staat na
31 december 1994 een verdere uitloop van het project te financieren.

3.4. De wederpartij heeft op 23 augustus 1994 de Regionaal Directeur
Arbeidsvoorziening (RDA) Oost-Utrecht verzocht om toestemming te verlenen om
de arbeidsovereenkomst met verzoekster te beëindigen. Verzoekster heeft bij
brief van 28 september 1994 bij de RDA verweer gevoerd. De RDA heeft op 14
november 1994 een ontslagvergunning verleend waardoor verzoekster tot 9
januari 1995 ontslag kon worden verleend. Daarbij werd voorzover relevant het
volgende overwogen:
` – werkneemster weerspreekt niet dat het project waarvoor zij is aangenomen
zal eindigen per 31 december 1994;
– werkneemster echter een uitdrukkelijk beroep doet op herplaatsing binnen de
organisatie en stelt dat een aantal vacatures aanwezig zijn waarvoor zij zou
kunnen worden ingezet;
– in de overgelegde stukken inderdaad een aantal vacatures genoemd worden;
– echter uit deze gegevens blijkt dat deze alleen ingevuld kunnen worden
indien hiervoor geld beschikbaar komt;
– nu werkgever uitdrukkelijk stelt dat voor invulling geen financiële
middelen beschikbaar zijn het niet van werkgever verlangd kan worden
werkneemster te herplaatsen;
– voorts niet is gebleken dat werkneemster toezeggingen zijn gedaan omtrent
een vaste aanstelling;’

Verzoekster is sinds 1 december 1995 niet meer in dienst van de wederpartij.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.
Na een eenmalige verlenging werd haar arbeidscontract niet verder verlengd.
Ook werd haar geen dienstverband voor andere werkzaamheden aangeboden. Zij is
van mening dat zij op grond van haar Turkse afkomst niet in aanmerking komt
voor projecten voor Nederlanders.
Verzoekster draagt daartoe de volgende argumenten aan.
Gedurende het eerste jaar werd haar bij diverse gelegenheden en in het
bijzijn van verschillende collega’s toezeggingen gedaan voor wat betreft
continuering van het dienstverband na beëindiging van het project waarvoor
zij was aangenomen. Zij zou ingezet worden op de `zwangerschapscampagne fase
B’. Toen zij hierop terugkwam werd haar door de wederpartij echter
medegedeeld dat zij voor deze functie niet geschikt zou zijn. Dit is
bevestigd in de brief aan de RDA van 14 oktober 1994.
Gezien haar kwalificaties is verzoekster van mening dat zij ongeschikt werd
bevonden vanwege haar allochtone afkomst. Zij geeft hierbij aan dat de
wederpartij de kennelijke opzet heeft om allochtonen alleen werk voor
allochtonen te laten verrichten en niet in te willen zetten op projecten voor
Nederlanders.
Volgens verzoekster geeft het door de wederpartij verstrekte organogram een
vertekend beeld van de personele bezetting voor de `zwangerschapscampagne’.
Er zou in dit project wel degelijk een passende functie voor haar zijn. In
dit verband wijst zij erop dat er na haar vertrek nieuwe personeelsleden in
dienst zijn getreden.

3.7. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij geeft aan dat verzoekster vanaf het begin heeft geweten dat
zij een tijdelijke aanstelling kreeg en wel voor de duur van het
gesubsidieerde project voorlichting `erfelijke ziekten aan Turkse en
Marokkaanse echtparen’. Voor dit project was er geen mogelijkheid om de
verdere uitloop na 31 december 1994 te financieren. Derhalve was verlenging
van de aanstelling van verzoekster na genoemde datum niet mogelijk.
Aan verzoekster is aan het eind van haar dienstverband voorgesteld om voor de
allochtone doelgroepen een campagnevoorstel te schrijven. Dit was niet omdat
zij uitsluitend voor allochtonen mocht werken, maar omdat de
subsidieverlening voor deze doelgroepen relatief gemakkelijker is.
Verzoekster heeft dit echter geweigerd. Verzoekster heeft het aanbod van de
wederpartij om op free lance basis werkzaamheden te verrichten eveneens
afgeslagen.

3.8. Voor wat de financiering van de organisatie betreft licht de wederpartij
toe dat er ieder jaar een beleidsplan, een werkplan en een begroting wordt
opgesteld. Aan de hand daarvan worden gericht subsidies geworven. De
projecten en de prioriteiten worden door de subsidies bepaald. Deze zijn
steeds geoormerkt.

3.9. De wederpartij ontkent dat er aan verzoekster toezeggingen over
verlenging van haar dienstverband zijn gedaan. Zij heeft op eigen initiatief
geïnformeerd naar die mogelijkheid. Door de wederpartij is in dit verband
onder meer bezien of zij ingezet kon worden voor de `zwangerschapscampagne’,
maar toezeggingen zijn hierbij niet gedaan. Verzoekster werd voor deze
werkzaamheden niet geschikt bevonden omdat er iemand nodig was op
leidinggevend niveau en zij de hiervoor benodigde ervaring miste.

3.10. De wederpartij licht ter zitting aan de hand van het organogram de
personeelsbezetting met betrekking tot de `zwangerschapscampagne’ toe. De
medewerksters die ten tijde van het dienstverband van verzoekster voor deze
campagne werkzaamheden verrichtten doen dit nog steeds. Er is zoals hierboven
gesteld wel behoefte aan een afdelingshoofd. Deze functie wordt thans
tijdelijk waargenomen.
Voorts is voor twaalf uur per week een medewerkster aangesteld voor het
telefonisch spreekuur. Deze medewerkster deed de werkzaamheden daarvoor al
zes jaar op vrijwilligersbasis. Zij is vanwege haar specifieke achtergronden
bij uitstek voor deze werkzaamheden geschikt.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het niet-verlengen van het
dienstverband met verzoekster onderscheid heeft gemaakt zoals verboden in de
AWGB.

4.2. In artikel 5, lid 1 onder b AWGB is bepaald dat onderscheid is verboden
bij het aangaan van een arbeidsverhouding. De Commissie beschouwt het niet
verlengen van een arbeidsovereenkomst als het niet aangaan van een
dienstverband. (Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer
95-15 en Commissie gelijke behandeling, 24 juli 1995, oordeelnummer 95-29.
Zie ook de Memorie van Antwoord II, blz. 80)

4.3 Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid tussen personen onder meer
wordt verstaan direct onderscheid op grond van ras en nationaliteit. Het
begrip ras in de AWGB moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de definitie
in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.
Ras omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming.
(Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13)
Voorts dient het begrip nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats. (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086)

4.4. De Commissie stelt vast dat de klacht van verzoekster betrekking heeft
op etnische afstamming en niet op nationaliteit. Het onderzoek beperkt zich
derhalve tot een mogelijk onderscheid op grond van ras.

4.5. De in het geding zijnde vraag – zoals geformuleerde onder punt 4.1. – is
tweeledig. Enerzijds dient beoordeeld te worden of de etnische afstamming van
verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld bij het niet verlengen van haar
(verlengd) tijdelijk dienstverband ten behoeve van het project. Anderzijds
speelt de vraag of aan verzoekster in verband met haar etnische afstamming
geen herplaatsing binnen de organisatie werd aangeboden.

4.6. De Commissie overweegt over het niet verlengen van het dienstverband van
verzoekster ten behoeve van het specifieke project als volgt.
De Commissie stelt vast dat de wederpartij planmatig werkt met projecten
waarvoor ieder jaar onder meer een begroting wordt opgesteld. Voor de
uitvoering van de geplande projecten worden gericht subsidies geworven. De
werkzaamheden en ook de prioriteiten dienaangaande worden door de beschikbaar
gestelde subsidies bepaald. Deze subsidies zijn steeds geoormerkt.
De aanstelling van verzoekster was derhalve gekoppeld aan de financiering van
het project. Deze aanstelling liep af omdat er voor het project in kwestie
geen middelen meer beschikbaar waren.
Er zijn geen aanwijzingen dat de etnische afstamming van verzoekster door de
wederpartij in bovenstaande overwegingen werd betrokken. De Commissie is dan
ook van oordeel dat de etnische afstamming van verzoekster niet (mede) een
rol heeft gespeeld bij het niet verlengen van het dienstverband ten behoeve
van het project.

4.7. Voor wat betreft de herplaatsing van verzoekster binnen de organisatie
overweegt de Commissie het volgende.
Het is de Commissie niet gebleken dat de wederpartij concrete toezeggingen
aan verzoekster heeft gedaan om haar op de `zwangerschapscampagne fase B’ in
te zetten. Het feit dat dit onderwerp diverse keren tussen partijen ter
sprake is geweest wil niet zeggen dat er in dat verband toezeggingen zijn
gedaan.
De ongewijzigde personele bezetting op de `zwangerschapscampagne’, voor wat
betreft de vergelijkbare functies, duidt er evenmin op dat de wederpartij aan
die gesprekken verwachtingen kon ontlenen.
De Commissie acht het derhalve aannemelijk dat bij de afwijzing van
verzoekster voor dit project, zakelijke argumenten relevant waren en niet de
etnische afstamming van verzoekster.
Voor wat betreft het standpunt van verzoekster dat er vacatures binnen de
organisatie van de wederpartij waren overweegt de Commissie het volgende.
Op grond van het organogram van de wederpartij en de ter toelichting
verstrekte informatie acht de Commissie het aannemelijk dat er geen vacatures
bestonden en/of thans bestaan waarvoor verzoekster redelijkerwijs in
aanmerking kon komen. De werkzaamheden van de na haar beëindiging voor twaalf
uur per week aangestelde medewerkster liggen niet in de lijn van de door haar
verrichte werkzaamheden. Voor de vacature waar recent voor werd geworven
golden een aantal functievereisten waar verzoekster niet aan voldeed, zoals
leidinggevende ervaring en ervaring op het gebied van financieel management.
Er zijn na verzoeksters vertrek ook anderszins geen voor haar situatie
relevante wijzigingen in de personeelsbezetting geweest die er op zouden
kunnen wijzen dat verzoeksters etnische afstamming bij het niet verder
verlengen van haar tijdelijke arbeidscontract een rol heeft gespeeld.
Voorts is het de Commissie gebleken dat door de wederpartij pogingen zijn
ondernomen voor verzoekster werkzaamheden te creëren na de beëindiging van
haar project. Hierbij is niet zo zeer haar etnische afstamming relevant
geweest, als wel het feit dat voor projecten ten behoeve van allochtone
doelgroepen relatief gemakkelijker fondsen zouden kunnen worden geworven.
Daar komt nog bij dat het niet te verwachten viel dat er binnenkort een ander
fonds beschikbaar zou zijn waaruit een project voor verzoekster zou kunnen
worden gefinancierd.
Op grond van de bovenstaande feiten en omstandigheden is de Commissie van
oordeel dat de etnische afstamming van verzoekster voor de wederpartij geen
grond is geweest om verzoekster geen herplaatsing binnen de organisatie aan
te bieden.

4.8. De Commissie concludeert dan ook dat niet aannemelijk is geworden dat de
etnische afstamming van verzoekster een rol heeft gespeeld bij het niet
verlengen van de arbeidsovereenkomst in kwestie dan wel bij het niet
herplaatsen van verzoekster binnen de organisatie van de wederpartij.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Soestdijk geen
onderscheid jegens mevrouw (…) te Roosendaal heeft gemaakt zoals bedoeld in
art. 5, lid 1 sub b van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretarisKamer)