Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 februari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is in dienst van de wederpartij. Per brief van 21 november 1995
heeft de wederpartij verzoeker te kennen gegeven dat er een
ontbindingsprocedure bij de kantonrechter te Utrecht aanhangig zal worden
gemaakt. De vraag is in geding of de wederpartij bij dit voornemen
onderscheid maakt naar ras.
In het onderhavige geval acht de Commissie het niet aannemelijk dat de
discriminerende uitlatingen van invloed zijn geweest op het functioneren van
verzoeker.
De Commissie concludeert dat verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te
maken dat er bij het ontbindingsverzoek andere redenen spelen dan de
zakelijke gronden die blijken uit de door de wederpartij overgelegde stukken
met betrekking tot het functioneren van verzoeker en de inspanningen van de
wederpartij om hier verbetering in te brengen.
De Commissie is van oordeel dat geen onderscheid is gemaakt op grond van ras.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 december 1995 verzocht de heer (…) te Utrecht (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (…) te Utrecht (hierna: de
wederpartij) jegens verzoeker onderscheid op grond van ras maakt zoals
verwoord in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is in dienst van de wederpartij. Per brief van 21 november
1995 heeft de wederpartij verzoeker te kennen gegeven dat er een
ontbindingsprocedure bij de kantonrechter te Utrecht aanhangig zal worden
gemaakt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. Verzoeker heeft om een spoedbehandeling verzocht. De Commissie heeft dit
ingewilligd en een onderzoek ingesteld.

De zaak is gevoegd behandeld met de zaak van de heer (…) (oordeel nummer
11) die een gelijksoortige klacht jegens de wederpartij indiende.

Verzoeker heeft zijn standpunt toegelicht in een brief van 12 december 1995
en in een brief van 26 december 1995.

De wederpartij heeft verweer gevoerd bij brief van 5 januari 1996.

2.2. Partijen zijn opgeroepen om te verschijnen op een zitting van de
Commissie op 9 januari 1996

Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– dhr. mr. drs. O. Olof (advocaat)

van de kant van verzoeker in de gevoegde zaak
– dhr. (…) (verzoeker)
– dhr. mr. drs. O. Olof (advocaat)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (directeur)
– dhr. R. Imhof (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie. In
deze kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van allochtone afkomst. Hij was vanaf 1 februari 1992 als
monteur werkzaam bij de wederpartij.

3.2. In het jaar 1994 rezen er problemen tussen verzoeker, zijn collega’s en
de wederpartij. Naar aanleiding daarvan is een tweetal gesprekken gevoerd. De
besproken punten zijn door de wederpartij vastgelegd in een schrijven aan
verzoeker van 27 september 1994. Latere functioneringsproblemen en de
beoordeling van de kwaliteit van het werk van verzoeker resulteerden in een
schriftelijke waarschuwing, gedateerd 2 maart 1995. De wederpartij heeft zich
ingespannen hierin verbetering te verkrijgen.

In de zomer van 1995 rezen conflicten tussen verzoeker en de wederpartij met
betrekking tot de ziekmelding van verzoeker. Op 25 augustus 1995 deelde de
wederpartij verzoeker schriftelijk mede dat sprake is van een verstoorde
arbeidsrelatie. Verzoeker is per 20 november 1995 beter gemeld. De
wederpartij heeft verzoeker in een brief van 21 november 1995 medegedeeld dat
om ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal worden verzocht en dat – gelet
op de onwerkbare situatie – verzoeker tot dat moment wordt vrijgesteld van
het verrichten van arbeid.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoeker is van mening dat de wederpartij onder het mom van verstoorde
werkverhoudingen probeert de werknemers van allochtone afkomst het bedrijf
uit te werken. Deze stellingname wordt geïllustreerd aan de hand van
negatieve uitlatingen op de werkvloer door andere werknemers over mensen van
allochtone afkomst. Verzoeker wijst tevens op een aantal situaties waarbij
sprake zou zijn van een verschillende behandeling van werknemers van
allochtone en werknemers van autochtone afkomst. Bij het gebruik van auto’s
van klanten zou de wederpartij soepeler optreden ten aanzien van werknemers
van autochtone afkomst dan ten aanzien van werknemers van allochtone afkomst.
De verkoop van ex-leaseauto’s aan allochtone personeelsleden zou moeilijker
verlopen en de prijs zou – anders dan bij werknemers van autochtone afkomst –
niet onderhandelbaar zijn. Aan een reisje naar de schaatswedstrijden te
Lillehammer werd slechts door een allochtone werknemer deelgenomen. Alleen
autochtone werknemers zouden tegen reductie materialen kunnen aanschaffen.
Allochtone werknemers zou dit niet worden toegestaan. Tenslotte zou promotie
slechts aan autochtone personeelsleden zijn voorbehouden.
Ter zitting geeft verzoeker aan dat het niet mogelijk is bovenstaande
klachten met bewijs te staven. Andere werknemers zouden dan verklaringen
moeten afleggen die hun baan in gevaar zouden kunnen brengen.

3.4. De wederpartij erkent dat er op de werkvloer discriminerende opmerkingen
over buitenlanders worden gemaakt. Hij stelt echter dat het
ontbindingsverzoek op zakelijke gronden berust, te weten het functioneren, de
werkhouding en de instelling van verzoeker. De wederpartij erkent dat bij het
moeizame omgaan met collega’s en directie verschillen in temperament een rol
kunnen spelen. Zij stelt echter aan alle werknemers dezelfde eisen wat
functioneren betreft.
Naar aanleiding van de klacht over de verschillende behandeling van
werknemers naar afkomst brengt de wederpartij het volgende naar voren. Bij de
aankoop van een ex-leasewagen worden alle werknemers gelijk behandeld. Aan
het reisje naar Lillehammer werd deelgenomen door een aantal personeelsleden
met hun partners. De selectie vond plaats door middel van loting. De
wederpartij vond het uit oogpunt van de voortgang van de bedrijfsactiviteiten
niet wenselijk om een andere werknemer van allochtone afkomst – ter
vervanging van een partner – mee te laten gaan met een partnerloze werknemer.
De wederpartij heeft voorts een kopie-factuur (gedateerd 6 februari 1995)
overgelegd waaruit blijkt dat door verzoeker onderdelen met de gebruikelijke
personeelskorting zijn gekocht. De wederpartij betwist dat er sprake is van
een ongelijke behandeling wat promotiekansen betreft. Er wordt volgens de
wederpartij uitsluitend op functioneren en werkhouding gelet. Dit is dezelfde
beoordeling als die welke wordt gehanteerd bij het bonussysteem. Verzoeker
verwijst in dit verband naar een interne mededeling, gedateerd 28 februari
1995, waaruit zou blijken dat werknemers van allochtone en werknemers van
autochtone afkomst op gelijke voet – in het licht van een door de wederpartij
beoogde kwaliteitsverbetering – bonussen kunnen verdienen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij het voornemen de
arbeidsovereenkomst te beëindigen jegens verzoeker onderscheid maakt op grond
van ras.

4.2. Artikel 5 lid 1 onder b van de AWGB bepaalt onder meer dat onderscheid
op grond van ras is verboden bij het beëindigen van een arbeidsverhouding.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder direct onderscheid onder andere verstaan
wordt onderscheid tussen personen op grond van ras. Het begrip ras in de AWGB
moet ruim worden uitgelegd, overeenkomstig de definitie in het Internationaal
Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en
overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Ras omvat tevens:
huidskleur, afkomst, of nationale of etnische afstamming. (Tweede Kamer der
Staten Generaal, kamerstukken 22.014, nummer 3, p. 13, vergaderjaar
1990-1991.)
Verzoeker stelt onderscheid naar allochtone afkomst. Dit valt onder de
hiervoor gegeven begripsomschrijving.

4.3. Naar het oordeel van de Commissie is er niet alleen sprake van een door
de wet verboden onderscheid wegens ras als deze grond de uitsluitende
aanleiding voor een ongelijke behandeling vormt, maar tevens als deze grond
mede aanleiding tot een ongelijke behandeling geeft.
In casu dient de Commissie te onderzoeken of de allochtone afkomst van
verzoeker (mede) een rol heeft gespeeld bij het voornemen van de wederpartij
om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen.

4.4. De Commissie stelt allereerst vast dat partijen van mening verschillen
over de door verzoeker – ter illustratie van de gestelde ongelijke
behandeling van werknemers van allochtone afkomst – aangehaalde voorvallen en
situaties en/of de betekenis daarvan.
Partijen spreken elkaar niet tegen wat de discriminerende uitlatingen op de
werkvloer betreft.

4.5. De vraag die voorligt is of er een zodanig verband bestaat tussen de
discriminerende uitlatingen, het functioneren van verzoeker en de voorgenomen
beëindiging, dat geconcludeerd moet worden dat de beëindiging in strijd is
met de wet.
Een zodanig verband is niet altijd onmiskenbaar aanwezig, doch wordt vermoed
aanwezig te zijn indien de door de wederpartij opgegeven redenen voor het
ontslag naar het oordeel van de Commissie niet steekhoudend zijn.
In het onderhavige geval acht de Commissie het niet aannemelijk dat de
discriminerende uitlatingen van invloed zijn geweest op het functioneren van
verzoeker.

4.6. Wat betreft de overige klachten inzake onderscheid wegens allochtone
afkomst geeft verzoeker – ter zitting gevraagd – aan geen nader bewijs te
kunnen leveren ter onderbouwing van zijn argumenten. Hiervoor zijn
verklaringen van collega’s nodig. Door dergelijke verklaringen zouden zij hun
baan echter in gevaar brengen. Nu deze verklaringen niet kunnen worden
overgelegd, kan de feitelijke juistheid van de klachten niet worden
aangetoond.

4.7. De Commissie concludeert dat verzoeker er niet in is geslaagd
aannemelijk te maken dat er bij het ontbindingsverzoek andere redenen spelen
dan de zakelijke gronden die blijken uit de door de wederpartij overgelegde
stukken (zie 2.1.) met betrekking tot het functioneren van verzoeker en de
inspanningen van de wederpartij om hier verbetering in te brengen.

4.8. Op grond van artikel 13 lid 2 AWGB doet de Commissie de volgende
aanbeveling. Nu vaststaat dat werknemers van allochtone afkomst op de
werkvloer van het bedrijf van de wederpartij discriminerend worden bejegend,
acht de Commissie het raadzaam dat de wederpartij een gedragscode opstelt en
andere noodzakelijke maatregelen treft ter voorkoming van dergelijk
ontoelaatbaar gedrag.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is van oordeel dat (…) jegens de heer (…) geen onderscheid
maakt op grond van ras zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 onder b van de
Algemene wet gelijke behandeling en derhalve niet in strijd met deze wet
handelt.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer).

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 28 februari 1996

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Het Gerechtshof heeft in hoger beroep op een vonnis van de Politierechter Den
Haag van 23 december 1994 op 11 september 1995 R vrijgesproken wegens gebrek
aan bewijs. R verzoekt daarop vergoeding van de door hem gemaakte
proceskosten door het Rijk ex artikel 591/591a Wetboek van Strafvordering. De
vice-president van het Hof overweegt dat R weliswaar is vrijgesproken van het
hem ten laste gelegde, doch dat niet wegneemt dat hij gedurende langere tijd
ontuchtige handelingen heeft gepleegd met S, terwijl een en ander plaats had
in het ziekenhuis waar beiden werkzaam waren. Verzoeker die daarvoor door de
directie van het ziekenhuis is berispt, had zich van zijn positie in het
ziekenhuis bewust moeten zijn en van de verantwoordelijkheden voor zijn
optreden in het bijzonder. Een langdurige amoureuze relatie met de voor hem
werkzame S kon binnen de werkgemeenschap van een ziekenhuis niet verborgen
blijven voor de omgeving. R heeft bewust het risico gelopen dat naar
aanleiding van verklaringen en bevindingen van het personeel er een
strafrechtelijk onderzoek naar zijn gedragingen zou worden ingesteld, waarmee
dan kosten van rechtsbijstand gemoeid zouden zijn. Alle omstandigheden in
aanmerking genomen zijn er geen gronden van billijkheid voor enige vergoeding
aanwezig.

Volledige tekst

Procesgang

Verzoeker is bij arrest van dit gerechtshof d.d. 11 september 1995
vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Verzoeker heeft vervolgens
vergoeding verzocht van de aan hem verleende rechtsbijstand begroot op ƒ
25.561,58.
Dit verzoekschrift is door het hof behandeld op 14 februari 1996. Alstoen
zijn gehoord de procureur-generaal mr Van der Schans, verzoeker en diens
raadsman mr K.G.W. van Oven, advocaat te ‘s-Gravenhage.

Ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend.

Beoordeling van het verzoek

Overwegende dat verzoeker weliswaar is vrijgesproken van het hem
telastegelegde, doch dat dit niet wegneemt dat verzoeker – zoals reeds in het
vrijsprekend arrest van dit hof is overwogen – gedurende lange tijd
ontuchtige handelingen heeft gepleegde handelingen met X, terwijl een en
ander plaatshad in het ziekenhuis alwaar beiden werkzaam waren. Verzoeker,
die daarvoor van de zijde van de directie van het ziekenhuis is berispt, had
zich van zijn positie binnen het ziekenhuis en tegenover het personeel bewust
moeten zijn en van de verantwoordelijkheden voor zijn optreden in het
bijzonder. Deen langdurige amoureuze relatie met de voor hem werkzame X, kon
zo niet binnen de werkgemeenschap van het ziekenhuis opgemerkt blijven. Dat
anderen daar anders tegenaan zouden kunnen kijken, dan verzoeker meende te
moeten doen, had verzoeker zich gezien zijn positie binnen het ziekenhuis
moeten realiseren, alsook dat – mede tengevolge daarvan – zijn gedragingen
tegenover X strafrechtelijke implicaties zouden kunnen hebben. Aldus heeft
verzoeker bewust het risico genomen dat naar aanleiding van verklaringen en
bevindingen van personeel uit de directe omgeving binnen het ziekenhuis
alsook X zelf er een strafrechtelijk onderzoek naar zijn gedragingen zou
kunnen worden ingesteld, waarmee dan -naar hij kon verwachten- voor hem (niet
onaanzienlijke) kosten van rechtsbijstand gemoeid zouden zijn.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn er geen gronden van
billijkheid voor enige vergoeding aanwezig.
Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

Beslissing

Wijst het verzoek af.

Rechters

Mr. Borgart

Instantie: Kantonrechter ‘s-Gravenhage, 28 februari 1996

Instantie

Kantonrechter ‘s-Gravenhage

Samenvatting


In de CAO Thuiszorg is een regeling opgenomen, die werknemers vanaf de
leeftijd van 55 jaar met een volledig dienstverband toestaat de wekelijkse
arbeidsduur met behoud van salaris te verkorten met 4 uur. De vrouw werkt
in deeltijd en wil evenredige vermindering van haar arbeidsduur. De Commissie
gelijke behandeling heeft in haar oordeel van 30 oktober 1995, oordeelnummer
95-44 (CWI nr. 97010120), uitgesproken dat de CAO-regeling een ongerechtvaardigd
onderscheid naar geslacht maakt en in strijd is met art. 7A:1637ij BW.
De Kantonrechter volgt deze opvatting niet en wijst de vordering van de
vrouw af. (Geen hoger beroep)

Volledige tekst

Verloop van de procedure
Eiser heeft geconcludeerd voor eis overeenkomstig het gesteld in de inleidende
dagvaarding.
Vervolgens zijn ter rolle de volgende conclusies genomen:
– conclusie van antwoord + produkties;
– conclusie van repliek + produktie;
– conclusie van dupliek + produktie.
Hierna heeft de kantonrechter de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.
De hierboven vermelde processtukken worden hierbij ingelast beschouwd.
Partijen worden hierna genoemd respectievelijk ‘V’ en ‘STZ’.

Vaststaande feiten:
a. V. is destijds in dienst getreden van de Stichting Haags Kruiswerk als
wijkverpleegkundige voor 32 uur per week.
b. Op 1 juni 1993 heeft de Stichting Haags Kruiswerk al haar activa en
passiva overgedragen aan STZ. De juridische fusie tussen beide stichtingen
kwam tot stand op 1 oktober 1993.
c. Op de arbeidsovereenkomst was in het jaar 1993 van toepassing de C.A.O.
Kruiswerk en Tubercelosebestrijding 1992/1994, waarvan artikel 29 lid 5
sub c luidt:
‘Aan werknemers met een volledig dienstverband die de leeftijd van
55 jaar hebben bereikt, wordt op hun verzoek toegestaan de wekelijkse arbeidsduur
met behoud van salaris te verkorten met 4 uur
‘
d. In verband met deze bepaling is tussen partijen de afspraak gemaakt
dat V. met ingang van 15 september 1993, op welke datum zij de 55-jarige
leeftijd bereikte, 3 uur en 20 minuten per week minder zou gaan werken,
met behoud van loon.
Aangenomen werd dat V. naar evenredigheid gebruik kon maken van de hierboven
sub c weergegeven regeling.
e. Per 1 januari 1995 is de C.A.O. Kruiswerk en Tuberculosebestrijding
1992/1994 opgevolgd door de C.A.O. Thuiszorg, welke in artikel 15 lid aangehaalde
regeling van artikel 29 lid 5 sub c van de voorgaande
C.A.O. De beide C.A.O.’s worden hierna gezamenlijk ‘de C.A.O.’ genoemd
en de daarin opgenomen bepalingen van respectievelijk artikel 29 lid 5
sub c en artikel 15 lid 1 worden hierna aangeduid als de ‘Regeling Arbeidsvermindering’.
f. Op 11 oktober 1994 deelde STZ aan V. mee dat de Regeling Arbeidsvermindering
niet van toepassing was op werknemers, die in STZ stelde zich op het standpunt
dat V. weer gedurende 32 uur per week moest gaan werken.
g. V. deelde het standpunt van STZ niet, waarop partijen overleg hebben
gevoerd, hetgeen echter niet tot een oplossing heeft geleid.

De vordering en het verweer
V. vordert:
primair: een verklaring voor recht dat de hiervoor sub d weergegeven
nadere afspraak tussen partijen over de arbeidsduur rechtsgeldig is overeengekomen
en
subsidiair: veroordeling van STZ om die overeenkomst na te komen,
althans de Regeling Arbeidsvermindering van de C.A.O. naar evenredigheid
op haar arbeidsovereenkomst toe te passen. V. voert daartoe onder meer
aan dat STZ de nadere overeenkomst over de arbeidsduur niet eenzijdig ongedaan
kan maken; dat het onbillijk is de Regeling Arbeidsvermindering uitsluitend
op voltijd-medewerkers toe te passen en dat zulks bovendien in strijd is
met het discriminatieverbod van artikel 7A:1637-ij B.W.

Beoordeling van het geschil:

1.1 De Regeling Arbeidsvermindering is destijds in de C.A.O. gekomen naar
aanleiding van een voorstel van de (paritaire) Commissie Oudere Werknemers
om werknemers van 55 jaar en ouder met een volledige werkweek toe te staan
de arbeidsduur te bekorten, zulks in verband met de geringere belastbaarheid
van deze groep werknemers.
De overweging dat de mogelijk (te) zware belasting slechts optreedt bij
een volledige werkweek leidde er toe om de regeling uitsluitend toe te
passen in geval van een volledig dienstverband.
Het is dus de uitdrukkelijke bedoeling geweest van de bij de totstandkoming
van de C.A.O. betrokken partijen om de Regeling Arbeidsvermindering te
beperken tot werknemers met een volledig dienstverband.

1.2 Krachtens artikel 3 lid 1 en 2 van de C.A.O. mogen de werkgever en
de werknemer van de bepalingen van de C.A.O. niet afwijken, noch in voor
de werknemer gunstige zin, noch in voor de werknemer ongunstige zin, zulks
op straffe van nietigheid.

1.3 De voorgaande overwegingen en het feit dat de beide C.A.O.’s algemeen
verbindend zijn verklaard, leiden tot de conclusie dat de met V. gemaakte
afspraak over vermindering van de arbeidsduur in beginsel nietig is.
Dit brengt met zich mee dat STZ in beginsel niet alleen gerechtigd doch
zelfs verplciht is om de met V. in strijd met de C.A.O. gemaakte afspraak
ongedaan te maken en dat de billijkheid van artikel 7A:1638-z B.W. daartoe
geen beletsel is.

2.1 De nietigheid van de door partijen overeengekomen beperking van de
arbeidsduur kan wellicht worden doorkruist, indien de regeling arbeidsvermindering
een niet geoorloofd (indirect) onderschied tussen mannen en vrouwen, zoals
bedoeld in artikel 7A:1637ij B.W., tot gevolg zou hebben.

2.2. Partijen zijn het er over eens dat eind 1993 van alle onder de C.A.O.
vallende werknemers van 55 jaar en ouder 71,7% van de mannen en 97,3% van
de vrouwen in deeltijd werkten. De uitsluiting van werknemers in deeltijd
van de Regeling Arbeidsvermindering trof dus niet in overwegende mate personen
van enig geslacht. De regeling arbeidsvermindering was aldus niet strijdig
met het bepaalde in artikel 7A:1637-ij B.W..

2.3 Ingevolge de overdracht op 1 juni 1993 van alle activa en passiva van
de Stichting Haags Kruiswerk aan STZ werd STZ op grond van artikel 7A:1639-bb
B.W. op dezelfde datum de opvolgend werkgever van V.

2.4 Onweersproken heeft STZ gesteld dat op 1 september 1993 van haar medewerkers
van 55 jaar of ouder, in deeltijd werkten 75% van de mannen en 93% van
de vrouwen. Dit betekent een oververtegenwoordiging van de vrouwelijke
medewerkers – 1.2 maal zoveel – ten opzichte van de mannelijke.
Uit de cijfers kan echter geen discriminatoir effect worden afgeleid, mede
gelet op het feit dat het absolute aantal mannen van 55 jaar en ouder in
deeltijd (6) aanzienlijk geringer was dan dezelfde categorie vrouwen (323),
waardoor een relatief kleine wiijziging of verschuiving in het bestand
van mannelijke werknemers de verhouding aanzienlijk zou kunnen veranderen.

2.5 Verworpen moet worden de opvatting dat de Regeling Arbeidsvermindering
strijdig is met het discriminatieverbod van artikel 7A:1637-ij B.W., daar
op grond van de samenstelling van de totale C.A.O.-populatie en het totale
personeelsbestand van STZ de verwachting gerechtvaardigd zou zijn dat in
de toekomst relatief een groter nadeel voor vrouwen zal ontstaan.
Niet op grond van onzekere toekomstverwachtingen, doch slecht op grond
van concrete gegevens kan een eventuele strijdigheid worden vastgesteld.
Het ligt bovendien in de rede dat een dergelijkeontwikkeling de bij de
totstandkoming van de C.A.O. betrokken partijen aanleiding zal geven om
de C.A.O. aan te passen.

3. Uit voorgaande overwegingen volgt dat geen van de vorderingen van V.
voor toewijzing in aanmerking komt en dat de proceskosten dienen te komen
voor rekening van haar als de in het ongelijk gestelde partij.

Beslissing:

De kantonrechter:

1. Wijst de vordering van V. af.

2. Verwijst V. in de proceskosten, welke aan de zijde van STZ worden begroot
op ƒ 1.000,– als gemachtigde-salaris.

Rechters

mr van der Graaf

Instantie: Kantonrechter ‘s-Gravenhage, 28 februari 1996

Instantie

Kantonrechter ‘s-Gravenhage

Samenvatting


In de Cao Thuiszorg is een regeling opgenomen die werknemers vanaf de leeftijd
van 55 jaar met een volledig dienstverband toestaat de wekelijkse arbeidsduur
met behoud van salaris te verkorten tot vier uur per week. Verzoekster
werkt in deeltijd en wil evenredige vermindering van haar arbeidsduur.
De CGB heeft in haar oordeel van 30 oktober 1995 (95-44) uitgesproken dat
de Cao-regeling een ongerechtvaardigd onderscheid naar geslacht maakt en
in strijd is met art. 7A:1637ij BW. De kantonrechter volgt dit oordeel
niet.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

Eiser heeft geconcludeerd voor eis overeenkomstig het gestelde in de inleidende
dagvaarding.

Vervolgens zijn ter rolle de volgende conclusies genomen:

– conclusie van antwoord + producties;
– conclusie van repliek + producties;
– conclusie van dupliek + produktie.

Hierna heeft de kantonrechter de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

De hierboven vermelde processtukken worden hierbij ingelast beschouwd.

Partijen worden hierna genoemd respectievelijk `V’ en `STZ’.

Vaststaande feiten:

a. V is destijds in dienst getreden van de Stichting Haags Kruiswerk als
wijkverpleegkundige voor 32 uur per week.

b. Op 1 juni 1993 heeft de Stichting Haags Kruiswerk al haar activa en
passiva overgedragen aan STZ. De juridische fusie tussen beide stichtingen
kwam tot stand op 1 oktober 1993.

c. Op de arbeidsovereenkomst was in het jaar 1993 van toepassing de C.A.O.
Kruiswerk en Tuberculosebestrijding 1992/1994, waarvan artikel 29 lid 5
sub c luidt:

‘Aan werknemers met een volledig dienstverband die de leeftijd van 55 jaar
hebben bereikt, wordt op hun verzoek toegestaan de wekelijkse arbeidsduur
met behoud van salaris te verkorten met 4 uur’.

d. In verband met deze bepaling is tussen partijen de afspraak gemaakt
dat V met ingang van 15 september 1993, op welke datum zij de 55-jarige
leeftijd bereikte, 3 uur en 20 minuten per week minder zou gaan werken,
met behoud van loon.

Aangenomen werd dat V naar evenredigheid gebruik kon maken van de hierboven
sub c weergegeven regeling.

e. Per 1 januari 1995 is de C.A.O. Kruiswerk en Tuberculosebestrijding
1992/1994 opgevolgd door de C.A.O. Thuiszorg, welke in artikel 15 lid 1
een regeling kent, die nagenoeg gelijkluidend is aan de hiervoor sub c
aangehaalde regeling van artikel 29 lid 5 sub c van de voorgaande C.A.O.
De beide C.A.O.’s worden hierna gezamenlijk `de C.A.O.’ genoemd en de daarin
opgenomen bepalingen van respectievelijk artikel 29 lid 5 sub c en artikel
15 lid 1 worden hierna aangeduid als de `Regeling Arbeidsvermindering’.

f. Op 11 oktober 1994 deelde STZ aan V mee dat de Regeling Arbeidsvermindering
niet van toepassing was op werknemers, die in deeltijd werkten en dat die
regeling dus ten onrechte op haar was toegepast. STZ stelde zich op het
standpunt dat V weer gedurende 32 uur per week moest gaan werken.

g. V deelde het standpunt van STZ niet, waarop partijen overleg hebben
gevoerd, hetgeen echter niet tot een oplossing heeft geleid.

De vordering en het verweer:

V vordert:
Primair: een verklaring voor recht dat de hiervoor sub d weergegeven nadere
afspraak tussen partijen over de arbeidsduur rechtsgeldig is overeengekomen
en
subsidiair: veroordeling van STZ om die overeenkomst na te komen, althans
de Regeling Arbeidsvermindering van de C.A.O. naar evenredigheid op haar
arbeidsovereenkomst toe te passen.
V voert daartoe onder meer aan dat STZ de nadere overeenkomst over de arbeidsduur
niet eenzijdig ongedaan kan maken; dat het onbillijk is de Regeling Arbeidsvermindering
uitsluitend op voltijd-medewerkers toe te passen en dat zulks bovendien
in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 7A:1637ij B.W.

STZ voert daartegen als verweer aan dat de nadere overeenkomst over de
arbeidsduur nietig is, daar deze in strijd is met de C.A.O. en zij betwist
dat de Regeling Arbeidsvermindering een onbillijk of discriminatoir effect
zou hebben.

Beoordeling van het geschil:

1.1. De Regeling Arbeidsvermindering is destijds in de C.A.O. gekomen naar
aanleiding van een voorstel van de (paritaire) Commissie Oudere Werknemers
om werknemers van 55 jaar en ouder met een volledige werkweek toe te staan
de arbeidsduur te bekorten, zulks in verband met de geringere belastbaarheid
van deze groep werknemers.
De overweging dat de mogelijk (te) zware belasting slechts optreedt bij
een volledige werkweek leidde ertoe om de regeling uitsluitend toe te passen
in geval van een volledig dienstverband.
Het is dus de uitdrukkelijke bedoeling geweest van de bij de totstandkoming
van de C.A.O. betrokken partijen om de Regeling Arbeidsvermindering te
beperken tot werknemers met een volledig dienstverband.

1.2. Krachtens artikel 3 lid 1 en 2 van de C.A.O. mogen de werkgever en
de werknemer van de bepalingen van de C.A.O. niet afwijken, noch in voor
de werknemer gunstige zin, noch in voor de werknemer ongunstige zin, zulks
op straffe van nietigheid.

1.3. De voorgaande overwegingen en het feit dat de beide C.A.O.’s algemeen
verbindend zijn verklaard, leiden tot de conclusie dat de met V gemaakte
afspraak over vermindering van de arbeidsduur in beginsel nietig is.
Dit brengt met zich mee dat STZ in beginsel niet alleen gerechtigd doch
zelfs verplicht is om de met V in strijd met de C.A.O. gemaakte afspraak
ongedaan te maken en dat de billijkheid van artikel 7A:1638-z B.W. daartoe
geen beletsel is.

2.1. De nietigheid van de door partijen overeengekomen beperking van de
arbeidsduur kan wellicht worden doorkruist, indien de regeling arbeidsvermindering
een niet geoorloofd (indirect) onderscheid tussen mannen en vrouwen, zoals
bedoeld in artikel 7A:1637ij B.W., tot gevolg zou hebben.

2.2. Partijen zijn het er over eens dat eind 1993 van alle onder de C.A.O.
vallende werknemers van 55 jaar en ouder 71,7% van de mannen en 97,3% van
de vrouwen in deeltijd werkten.
De uitsluiting van werknemers in deeltijd van de Regeling Arbeidsvermindering
trof dus niet in overwegende mate personen van enig geslacht. De regeling
arbeidsvermindering was aldus niet strijdig met het bepaalde in artikel
7A:1637ij B.W.

2.3. Ingevolge de overdracht op 1 juni 1993 van alle activa en passiva
van de Stichting Haags Kruiswerk aan STZ werd STZ op grond van artikel
7A:1639-bb B.W. op dezelfde datum de opvolgend werkgeefster van V.

2.4. Onweersproken heeft STZ gesteld dat op 1 september 1993 van haar medewerkers
van 55 jaar of ouder, in deeltijd werkten 75% van de mannen en 93% van
de vrouwen. Dit betekent een over-vertegenwoordiging van de vrouwelijke
werknemers – 1.2 maal zoveel – ten opzichte van de mannelijke.
Uit de cijfers kan echter geen discriminatoir effect worden afgeleid, mede
gelet op het feit dat het absolute aantal mannen van 55 jaar en ouder in
deeltijd (6) aanzienlijk geringer was dan dezelfde categorie vrouwen (323),
waardoor een relatief kleine wijziging of verschuiving in het bestand van
mannelijke werknemers de verhouding aanzienlijk zou kunnen veranderen.

2.5. Verworpen moet worden de opvatting dat de Regeling Arbeidsvermindering
strijdig is met het discriminatieverbod van artikel 7A:1637-ij B.W., daar
op grond van de samenstelling van de totale C.A.O.-populatie en het totale
personeelsbestand van STZ de verwachting gerechtvaardigd zou zijn dat in
de toekomst relatief een groter nadeel voor vrouwen zal ontstaan.
Niet op grond van onzekere toekomstverwachtingen, doch slechts op grond
van concrete gegevens kan een eventuele strijdigheid worden vastgesteld.
Het ligt bovendien in de rede dat een dergelijke ontwikkeling de bij de
totstandkoming van de C.A.O. betrokken partijen aanleiding zal geven om
de C.A.O. aan te passen.

3. Uit voorgaande overwegingen volgt dat geen van de vorderingen van V
voor toewijzing in aanmerking komt en dat proceskosten dienen te komen
voor rekening van haar als de in het ongelijk gestelde partij.

Beslissing:

1. Wijst de vordering van V af.

2. Verwijst V in de proceskosten, welke aan de zijde van STZ worden begroot
op ƒ 1000 als gemachtigde-salaris.

Rechters

Mr. Van der Graaf

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 26 februari 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Eiser heeft verzocht om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf.
Dit verzoek is afgewezen. Afwijzing van aanvraag verruimde gezinshereniging
ter verzorging van gehandicapte kinderen van zuster omdat hulp van
Nederlandse instelling om religieuze redenen niet kan worden aanvaard. Zeden,
gewoonten en godsdienstige aspecten kunnen het restrictief toelatingsbeleid
niet doorkruisen.
Beroep rechtbank ongegrond.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding

1. Eiser, geboren op – 1972, bezit de Marokkaanse nationaliteit. Op 8
februari 1994 is namens hem verzocht om verlening van een machtiging tot
voorlopig verblijf. Op deze aanvraag is op 27 oktober 1994 afwijzend beslist.
Namens eiser is op 24 november 1994 een bezwaarschrift ingediend tegen de
afwijzing van de aanvraag. Op 9 juni 1995 heeft verweerder afwijzend op dit
bezwaar beslist.

2. Op 7 juli 1995 is namens eiser tegen deze beslissing beroep ingesteld bij
de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken
ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring
van het beroep.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 januari
1995. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder
heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter
zitting aanwezig A.I. (referent) en mevrouw M. van Danzik-Heyligers
(hulpverlener).

II. Overwegingen

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzende beslissing op
het bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit
besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan
doorstaan.

2. Eiser legt aan zijn aanvraag om afgifte van een machtiging tot voorlopig
verblijf en het onderhavig beroep ten grondslag dat hij in aanmerking komt
voor een vergunning tot verblijf bij zijn zuster.

3. Ingevolge artikel 33d Vreemdelingenwet worden beschikkingen omtrent de
afgifte van visa of machtigingen tot voorlopig verblijf, gegeven krachtens
het Souverein Besluit van 12 december 1813, voor de toepassing van wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep gelijkgesteld met beschikkingen
aangaande toelating, gegeven op grond van deze wet.

4. De verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf kan, evenals een
vergunning tot verblijf ingevolge artikel 11, vijfde lid, Vreemdelingenwet
aan een vreemdeling worden geweigerd op gronden aan het algemeen belang
ontleend. De gronden voor afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf
zijn gelijk aan die voor afgifte van en vergunning tot verblijf
(Vreemdelingencirculaire 1982 onder A4 4.3/1994 onder A4 5.3).

5. De Staatssecretaris van Justitie voert met het oog op de bevolkings- en
werkgelegenheidssituatie hier te lande bij de toepassing van dit artikellid
een beleid waarbij vreemdelingen in het algemeen – behoudens verplichtingen
voortvloeiende uit internationale overeenkomsten – slechts voor verlening van
een vergunning tot verblijf in aanmerking komen, indien met hun aanwezigheid
hier te lande een wezenlijk Nederlands belang is gediend of indien er sprake
is van klemmende redenen van humanitaire aard.

6. Eiser beoogt verblijf bij zijn in Nederland wonende zuster en diens
echtgenoot. Het doel is om hulp te verlenen bij de verzorging van de
(gehandicapte) kinderen van zijn zuster.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de aanvraag om een
machtiging tot voorlopig verblijf op juiste gronden afgewezen. De rechtbank
stelt voorop dat verweerder eisers aanvraag terecht primair heeft getoetst
aan het door hem gevoerde beleid inzake verruimde gezinshereniging. Eiser
beoogt immers verblijf in het gezin van zijn zuster, de familie I., zodat het
beleid inzake verruimde gezinshereniging zoals vastgelegd in de
Vreemdelingencirculaire 1994 onder B1/7 e.v. van toepassing is. Nu tussen
beide partijen niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden
voor een verblijf op grond van dit beleid, behoeft dit aspect geen nadere
bespreking.

8. Namens eiser is benadrukt dat zijn verblijf in Nederland noodzakelijk is
in verband met de door hem te bieden hulp bij de verzorging van de meervoudig
gehandicapte kinderen van zijn zuster en zwager. Het gezin I. bestaat uit
vader, moeder en tien kinderen, waarvan er vier meervoudig gehandicapt zijn.
Gesteld wordt dat in verband met de verzorging (en het noodzakelijke tilwerk)
van de gehandicapte kinderen de hulp van een man noodzakelijk is. Aangevoerd
wordt dat de familie I. de hulp van reguliere Nederlandse hulpverleners niet
kan accepteren in verband met de door de Islam gestelde leefregels. De
aanwezigheid van met name een mannelijke hulpverlener zou de
bewegingsvrijheid van de moeder ernstig inperken.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen klemmende redenen van
humanitaire aard aanwezig zijn die het verblijf hier te lande van eiser
kunnen rechtvaardigen. Overwogen wordt dat er meerdere hulpverlenende
instanties zijn in Nederland op wie de zus en zwager van eiser een beroep
kunnen doen. Bovendien is niet gebleken dat overige in Nederland verblijvende
volwassen familieleden niet behulpzaam zouden kunnen zijn in het gezin I.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het
standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet in aanmerking komt voor een
machtiging tot voorlopig verblijf op grond van klemmende redenen van
humanitaire aard.
De rechtbank stelt voorop dat de situatie in het gezin I. zeer ernstig is en
dat het van het grootste belang is dat hulp wordt verleend bij de verzorging
van de gehandicapte kinderen. De rechtbank is evenwel met verweerder van
oordeel dat de reguliere instellingen hier te lande kunnen voorzien in deze
hulpbehoefte. Dat de zus en zwager van eiser er de voorkeur aan geven deze
hulp van een familielid te ontvangen doet aan het voorgaande niet af. Volgens
vaste rechtspraak kunnen zeden en gewoonten die voortvloeien uit de cultuur
van het land herkomst geen grond vormen om het toelatingsbeleid te
doorkruisen. De gemachtigde van eiser heeft op gewezen dat het beletsel om
hulp van instellingen te aanvaarden niet voortkomt uit zeden en gewoonten,
maar zijn grond vindt in religie. De rechtbank is evenwel van oordeel dat
voor zover in dit geval godsdienstige aspecten op de voorgrond staan, ook
deze aspecten er niet toe kunnen leiden dat het – op gronden van algemeen
belang terughoudende – toelatingsbeleid wordt doorkruist.

11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder
niet in strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels heeft gehandeld
door in bezwaar aan eiser de afgifte van een machtiging tot voorlopig
verblijf te weigeren.

12. Het beroep is mitsdien ongegrond.

13. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding tot kostenveroordeling en
evenmin tot vergoeding van het betaalde griffierecht.

III. Beslissing

De Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Rechters

Mr. H.M.D. de Jong

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 25 februari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij de wederpartij, een ontwikkelingsorganisatie, gesolliciteerd
naar aanleiding van een vacature voor `Tropical Farming System Specialist’
in Bhutan. In de vacature wordt een voorkeur voor vrouwen uitgesproken.
Verzoeker is afgewezen, uiteindelijk zijn een man en een vrouw in een duo-baan
voor de functie aangesteld.
De wederpartij kent een voorkeursbeleid voor vrouwen. De wederpartij voert
aan dat op grond van de samenstelling van een team en de doelgroep van
een ontwikkelingsproject, sprake kan zijn van een geslachtsbepaalde functie.
In het onderhavige geval beroept de wederpartij zich hier uitdrukkelijk
niet op.
De Commissie oordeelt dat de advertentietekst en daarmee de werving in
strijd is met de wet. Uit de tekst blijkt niet dat zowel mannen als vrouwen
in aanmerking komen. Bovendien wordt in de tekst niet vermeld wat de grond
voor de voorkeur voor vrouwen is.
De Commissie oordeelt dat bij de selectie geen onderscheid in strijd met
de wet is gemaakt. Uit het feit dat in de selectieprocedure wel andere
mannelijke kandidaten geselecteerd zijn en uiteindelijk een man en vrouw
zijn aangenomen, wordt aannemelijk dat verzoekers geslacht geen rol heeft
gespeeld bij de afwijzing.
De wederpartij heeft in het concrete geval haar voorkeursbeleid niet toegepast.
De Commissie beveelt ten aanzien van het, in het algemeen door de wederpartij
gevoerde, voorkeursbeleid aan dat dit in overeenstemming wordt gebracht
met de criteria die, volgens vaste jurisprudentie van de Commissie en in
overeenstemming met het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kalanke,
gehanteerd dienen te worden.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1. Op 9 juli 1996 verzocht de heer (…) te Wageningen (hierna: verzoeker)
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit
te spreken over de vraag of (…) te Den Haag (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. De wederpartij heeft bij de werving voor een vacature vermeld dat
de voorkeur uitging naar een vrouw. Verzoeker heeft gesolliciteerd op de
vacature en is afgewezen. Volgens verzoeker heeft de wederpartij hiermee
onderscheid gemaakt op grond van geslacht.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben ieder hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen en deze hebben hun standpunten
nader toegelicht tijdens een zitting op 14 januari 1997.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (…)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (hoofd personeelszaken SNV)
– mw. (…) (ex-personeelsconsulent voor Azië)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer)
– mw. mr. A.N. Veekamp (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een ontwikkelingsorganisatie, die er naar streeft
om het toekomstperspectief in ontwikkelingslanden te verbeteren. Hiertoe
zendt zij vakbekwame deskundigen naar 27 verschillende landen. Daarnaast
bemiddelt zij bij het verkrijgen van financiële steun voor de verschillende
ontwikkelingsprogramma’s en projecten en werkt zij actief mee aan de verandering
van internationale verhoudingen. Het doel is om de sociale, economische
en politieke weerbaarheid van vooral arme mensen in ontwikkelingslanden
te vergroten zodat zij zelfstandig voor hun rechten kunnen opkomen.
Bij de ontwikkelingsprogramma’s en de projecten wordt nauw samengewerkt
met buitenlandse partnerorganisaties.

In het vacatureblad van het Directoraat-Generaal Internationale Samenwerking
(verder: DGIS) is op 21 december 1995 een vacature geplaatst door de wederpartij.
Deze vacature betrof de functie `Tropical Farming System Specialist’ met
als standplaats Bhutan. Onder de functiebenaming wordt tussen haakjes vermeld
dat de voorkeur uitgaat naar een vrouw. De vacature is ontstaan in het
kader van het project `Integrated Sustainable Development Programme’, dat
door de wederpartij in samenwerking met de Bhutaanse overheid en de partnerorganisatie
`Save the children/USA’ wordt uitgevoerd. Bij dit project zijn reeds drie
mannelijke medewerkers van de wederpartij werkzaam.

Verzoeker heeft gesolliciteerd naar aanleiding van deze advertentie. In
februari 1996 deelde de wederpartij verzoeker schriftelijk mee dat andere
kandidaten in hogere mate voldeden aan de functie-eisen, maar dat gelet
op verzoekers achtergrond, die voldoende relevant werd geacht, zijn sollicitatie
in beraad werd gehouden voor het geval de selectieprocedure met de andere
kandidaten niet tot het gewenste resultaat zou leiden.

Op 4 april 1996 heeft de wederpartij verzoeker schriftelijk geïnformeerd
dat men, na overleg met de velddirecteur in Bhutan, zijn reservekandidatuur
heeft laten vervallen. De wederpartij is tot de conclusie gekomen dat verzoeker
niet aan de functie-eisen voldoet. Aangezien uit de selectieprocedure geen
geschikte kandidaat naar voren is gekomen, heeft de wederpartij besloten
om opnieuw te gaan werven.
Verzoeker heeft tegen zijn afwijzing schriftelijk protest aangetekend.

Op 11 april 1996 is in het DGIS-vacatureblad opnieuw de vacature voor `Tropical
Farming System Specialist’ in Bhutan verschenen. Opnieuw stond daar tussen
haakjes onder dat de voorkeur uitging naar een vrouw. Conform zijn verzoek
is de sollicitatie van verzoeker ook in de tweede ronde meegenomen. Verzoeker
werd echter niet uitgenodigd voor de verdere selectieprocedure, aangezien
uit de briefselectie een interne – mannelijke – kandidaat naar voren was
gekomen met wie reeds gesprekken werden gevoerd.
Uiteindelijk zijn een man en een vrouw in duo-baan aangesteld.

3.2. Als vereisten om in aanmerking te komen voor de vacature worden in
de advertentie genoemd:
– universitaire opleiding in landbouwwetenschappen met specialisatie farming
system research of landbouweconomie;
– minimaal drie jaar werkervaring in ontwikkelingslanden, bij voorkeur
in Himalaya regio;
– ervaring met het werken in multi-disciplinaire groepen;
– ervaring met het werken met en in rurale gemeenschappen.

3.3. De wederpartij streeft naar een 50%-50% man/vrouw verhouding in haar
personeelsbestand. Bij werving wordt de voorkeursregel gehanteerd dat bij
gelijke geschiktheid de voorkeur wordt gegeven aan een vrouw. Deze voorkeursregel
wordt opzij gezet indien er eigen medewerkers zijn die een zogenaamde `heruitzendstatus’
hebben.

Het voorkeursbeleid voor vrouwen berust niet op de cijfermatige analyse
van de arbeidsdeelname van vrouwen per functiesoort en
-niveau in de organisatie, gerelateerd aan het betreffende arbeidsmarktaanbod,
maar op het algemene genderbeleid. Dit genderbeleid is neergelegd in beleidsnota’s
en rapporten. Op grond hiervan gelden de veronderstellingen dat:
– vrouwelijke doelgroepen effectiever worden bereikt door vrouwelijke medewerkers
van de wederpartij dan door mannelijke en
– in de situatie dat het team geheel uit mannen bestaat, de aanstelling
van een vrouw de genderbalans positief zal beïnvloeden.

Het genderbeleid van de wederpartij is gebaseerd op de overtuiging dat
armoede een gevolg is van bestaande machtsverhoudingen die leiden tot achterstelling
en uitstoting van bevolkingsgroepen.
De achterstelling vanwege geslacht wordt erkend als een cruciale factor
in het verwezenlijken van duurzame ontwikkeling en in het vergroten van
rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid in samenlevingen. Om deze reden streeft
de wederpartij ernaar om tot een evenwichtige verdeling van mannen en vrouwen
in de eigen organisatie te komen. Op het ogenblik werken bij de wederpartij
635 mensen waarvan 237 (37%) vrouwen. Voor Bhutan ligt dit percentage op
25% vrouwen. De wederpartij heeft de bedoeling dit percentage naar 50%
te brengen.

Standpunten van partijen

3.4. Verzoeker stelt het volgende.

Verzoeker vraagt zich af of de wederpartij een voorkeur voor een vrouw
mag uitspreken voor een functie waarvan de invulling geslachtsneutraal
is. Bovendien vraagt verzoeker zich af of zijn afwijzing niet in strijd
is met de wetgeving gelijke behandeling.

Verzoeker is van mening dat de vacature, ondanks de voorkeur voor een vrouw,
geen typische geslachtsgebonden taken omvat. Hij heeft de indruk dat de
wederpartij bij de vacature veel verder ging dan het geven van voorkeur
aan vrouwelijke boven mannelijke kandidaten. Zelfs bij afwezigheid van
geschikte vrouwelijke kandidaten kwamen mannen blijkbaar niet in aanmerking
voor de functie. De voorkeur voor een vrouwelijke kandidaat was niet gebaseerd
op een geconstateerde structurele ondervertegenwoordiging van vrouwen in
dit soort functies.

Verzoeker is van mening dat zijn achtergrond goed overeenkomt met de functievereisten.
Het verbaasde hem te worden afgewezen terwijl er geen geschikte andere
kandidaat is gevonden. Toen hij over zijn afwijzing telefonisch informatie
opvroeg, werd hem meegedeeld dat hij de vereiste praktische instelling
zou missen. Aangezien verzoeker dit niet aannemelijk achtte, heeft hij
gevraagd of zijn geslacht een rol speelde bij de afwijzing.
Hem werd meegedeeld dat dat inderdaad het geval was, omdat de wederpartij
reeds enkele mannen bij het betreffende ontwikkelingsprogramma had gestationeerd.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

In de vacature wordt aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar een vrouw.
De wederpartij erkent dat niet voldoende blijkt waarom die voorkeur bestaat
en dat dat in strijd is met de geldende voorschriften. Het aangeven van
een voorkeur voor een vrouw is in de praktijk van organisaties op het gebied
van ontwikkelingssamenwerking, gelet op de doelgroep, niet altijd te vermijden.
Hierbij wordt ook de culturele context van het land betrokken. De ervaring
is dat vrouwen beter bereikt kunnen worden door vrouwen. Het is niet geloofwaardig
een genderbeleid uit te dragen en niet zelf het goede voorbeeld te geven
bij het eigen personeelsbeleid.

De betreffende vacature maakt deel uit van een ontwikkelingsproject in
Bhutan waarin op het ogenblik reeds drie expatriates van de wederpartij
werkzaam zijn; alle drie mannen, te weten een projectleider, een bosbouwer
en een civiel ingenieur. Deze drie functies zijn, aldus de veldstaf in
Bhutan, in de context van Bhutan typische mannenberoepen. De wederpartij
acht het gewenst hier rekening mee te houden.

De vacante post in het project betreft een functie in de landbouw. In Bhutan
is de landbouw een sector waarin vrouwen juist wel geaccepteerd worden
en waarbij de doelgroep met name uit vrouwen bestaat. De ervaring heeft
geleerd dat in dit soort situaties – wil de uitzending succesvol zijn –
de voorkeur dient te worden gegeven aan een vrouw.

De functietaakbeschrijvingen, op basis waarvan de wederpartij medewerkers
voor functies `in het veld’ selecteert, worden door de veldstaf opgesteld.
De wens om een vrouw aan te stellen, is vanuit het team in Bhutan geuit.
Zij zijn het best in staat om in overleg met de partnerorganisatie en de
Bhutaanse overheid een inschatting te maken van de behoefte aan vrouwelijke
of mannelijke medewerkers. De selectie van de kandidaten heeft plaatsgevonden
door het team in Bhutan waarin de partnerorganisatie en de Bhutaanse overheid
een belangrijke stem hebben. De wederpartij heeft over de selectieprocedure
dan ook geen zeggenschap en fungeert als een soort uitzendbureau. Wel is
zij verantwoordelijk voor de aanstelling en de arbeidsvoorwaarden. Een
expatriate valt hiërarchisch onder de velddirecteur, ook al vindt de dagelijkse
samenwerking met de partnerorganisatie plaats.

Ter zitting deelt de wederpartij mee dat in de onderhavige procedure het
voorkeursbeleid niet is toegepast. Ook wordt geen beroep gedaan op de geslachtsbepaaldheid
van de functie. Er is bij de selectie geen rekening gehouden met het geslacht
van kandidaten. In de eerste sollicitatieronde is een mannelijke kandidaat
geselecteerd. Toen deze zich terugtrok uit de procedure is een tweede ronde
gestart waarbij een interne, wederom mannelijke, kandidaat is geselecteerd
op basis van de interne voorkeursregel. Ook deze kandidaat trok zich terug.

Uiteindelijk zijn voor deze functie een man en een vrouw in duo-baan aangesteld.
Verzoeker is gedurende de selectieprocedure niet uitgekozen omdat zijn
praktijkervaring niet voldoende werd geacht volgens het team in Bhutan.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid op grond van geslacht
heeft gemaakt jegens verzoeker als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling
bij de werving en selectie met betrekking tot de functie van `Tropical
Farming System Specialist’.

In dat kader zijn de volgende artikelen van belang.

4.2. Artikel 3 lid 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
bepaalt dat het niet is toegelaten bij de aanbieding van een betrekking
of bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Artikel 3 lid 3 WGB schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van een
advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in aanmerking
komen voor de functie. Lid 4 van genoemd artikel bepaalt dat bij een functiebenaming
zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming moet worden gebruikt,
of dat uitdrukkelijk moet worden vermeld dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen.

Van dit verbod mag krachtens artikel 5 lid 1 WGB worden afgeweken indien
het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen
en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
Voorzover het de toegang tot beroepsactiviteiten betreft mag van artikel
3 lid 1 WGB worden afgeweken in gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden
voor de uitoefening van de betreffende beroepsactiviteit het geslacht bepalend
is (artikel 5 lid 2 WGB).

Ingeval de functie geslachtsbepaald is in de zin van de wet, of indien
sprake is van een voorkeursbeleid als bedoeld in artikel 5 lid 1 WGB, bepaalt
artikel 3 lid 2 WGB onder meer dat de grond voor het gemaakte onderscheid
uitdrukkelijk bij het aanbieden van de betrekking moet worden vermeld.

Artikel 5 lid 3 sub c WGB stelt dat een aantal beroepsactiviteiten waarbij
sprake kan zijn van geslachtsbepaaldheid nader bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur worden aangewezen (Besluit beroepsactiviteiten waarvoor
het geslacht bepalend kan zijn, Stb. 1989, 207. Hierna: de AMVB).

Artikel 1 sub e van de AMVB bepaalt dat als beroepsactiviteiten waarvoor
in een voorkomend geval vanwege hun aard of de voorwaarden voor de uitoefening
ervan het geslacht bepalend kan zijn, beschouwd mogen worden die beroepsactiviteiten,
welke behoren tot de volgende categorie:
‘de beroepsactiviteiten die inhouden de persoonlijke verzorging, verpleging
of opvoeding van dan wel hulpverlening aan personen, indien de goede uitoefening
van de aangeboden betrekking binnen het geheel van de arbeidsorganisatie
ertoe noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon van een bepaald
geslacht’.

4.3. Ten aanzien van de advertentietekst (de werving) overweegt de Commissie
als volgt.

In de advertentie wordt gevraagd naar een `Tropical Farming System Specialist’.
Onder de functiebenaming wordt tussen haakjes vermeld dat de voorkeur uitgaat
naar een vrouw.
Uit de tekst en vormgeving van de advertentie blijkt niet dat zowel mannen
als vrouwen kunnen solliciteren. Er ontbreekt een m/v aanduiding of een
vrouwelijke en mannelijke functieaanduiding. Ook wordt verder nergens vermeld
dat mannen kunnen solliciteren. Dit brengt mee dat de wederpartij in strijd
heeft gehandeld met het bepaalde in artikel 3 lid 3 en 4
en daarmee tevens in strijd met artikel 3 lid 1 WGB.

Uit de stukken blijkt dat de wederpartij in het algemeen streeft naar een
50%-50% verhouding van mannen en vrouwen in de arbeidsorganisatie. Bij
werving wordt dit voorkeursbeleid vertaald in de voorkeursregel dat bij
gelijke geschiktheid de voorkeur wordt gegeven aan een vrouw. In de onderhavige
advertentie wordt wel de voorkeur voor een vrouw genoemd, echter niet de
reden van deze voorkeur. Op grond van de overgelegde stukken stelt de Commissie
vast dat de wederpartij voor de onderhavige functie tevens de voorkeur
had voor een vrouw vanwege de samenstelling van het team in het land van
uitzending. Dit kan worden opgevat als een beroep op de geslachtsbepaaldheid
van de functie. Indien sprake is van voorkeursbeleid of van een geslachtsbepaalde
functie dan moet worden voldaan aan de eis dat de grond voor het onderscheid
uitdrukkelijk in de advertentie wordt vermeld (artikel 3 lid 2 WGB).
Aangezien dit uit de tekst van de advertentie niet blijkt, is de advertentie
ook op dit punt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

4.4. Ten aanzien van de selectieprocedure overweegt de Commissie als volgt.

Allereerst dient te worden opgemerkt dat de Commissie herhaaldelijk heeft
uitgesproken dat het niet tot haar taak behoort om de geschiktheid van
een kandidaat voor een functie te beoordelen. Zij is gelet op de wetgeving
gelijke behandeling slechts bevoegd na te gaan of er bij de beoordeling
van de (mate van) geschiktheid onderscheid op grond van geslacht is gemaakt
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 31
augustus 1994, oordeelnummer: 606-94-71.).

Ten aanzien van de stelling dat de wederpartij geen zeggenschap heeft over
de selectie van de kandidaten door de inbreng van de partnerorganisatie,
overweegt de Commissie als volgt.
De wederpartij gaat de arbeidsovereenkomst aan met de werknemer, betaalt
het salaris en beoordeelt de werknemer. (Dit gebeurt namelijk door de velddirecteur
in het land van uitzending).
De wederpartij is dan ook als werkgever verantwoordelijk voor de gehele
selectieprocedure. De invloed die de partnerorganisatie daarop heeft, doet
daar niet aan af.

Verzoeker baseert zich bij zijn stelling dat hij vanwege zijn geslacht
is afgewezen met name op de telefonische mededeling van de wederpartij
dat de reden voor zijn afwijzing mede gelegen is in het feit dat hij een
man is.
De wederpartij ontkent niet dat dit gezegd is, maar stelt dat de doorslaggevende
reden voor de afwijzing van verzoeker de geringe praktijkervaring was.

Hoewel in de advertentie melding is gemaakt van de voorkeur voor een vrouw,
is ter zitting gebleken dat de wederpartij voor de selectie van deze functie
het voorkeursbeleid niet heeft toegepast. Ook is ter zitting verklaard
dat er geen beroep wordt gedaan op de geslachtsbepaaldheid van de functie.
Gedurende de gehele selectieprocedure zijn mannelijke kandidaten geselecteerd.
Verzoeker is in beide rondes niet uitgekozen omdat zijn praktijkervaring
niet voldoende werd geacht volgens het team in Bhutan.

Uit de hierboven geschetste gang van zaken is aannemelijk geworden dat
het geslacht van verzoeker geen rol heeft gespeeld bij zijn afwijzing.
Er zijn immers ook steeds mannelijke kandidaten geselecteerd en uiteindelijk
zijn een man en een vrouw aangenomen. Zoals reeds vermeld is, kan de Commissie
niet de geschiktheid van de kandidaat beoordelen.

De Commissie is wel van oordeel dat in de onderhavige selectieprocedure
de wederpartij onzorgvuldig te werk is gegaan. Door de werving is de indruk
gewekt dat het bij de wederpartij gebruikelijke voorkeursbeleid ook in
de onderhavige selectieprocedure zou worden toegepast. De telefonische
mededeling heeft ook de indruk gewekt dat dit zo was. Bij de selectie heeft
het voorkeursbeleid echter geen rol gespeeld.
De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat om, ongewild en onbewust,
onderscheid te voorkomen, het van belang is dat selectieprocedures inzichtelijk,
controleerbaar en systematisch worden uitgevoerd. (Commissie gelijke behandeling,
30 januari 1996, oordeelnummer: 96-5 en 5 november 1996, oordeelnummer:
96-91.)
Daar de onzorgvuldigheid in het onderhavige geval ligt in het niet toepassen
van het voorkeursbeleid, heeft deze onzorgvuldigheid geen nadelige gevolgen
gehad voor verzoeker, omdat verzoeker juist klaagt over het voorkeursbeleid.
Om deze reden oordeelt de Commissie dat in dit geval jegens verzoeker niet
in strijd met de wet is gehandeld.

4.5. Ten aanzien van het voorkeursbeleid geeft de Commissie het volgende
in overweging.

De wederpartij voert een algemeen voorkeursbeleid waarbij gestreefd wordt
naar 50% vrouwen in de organisatie. De wederpartij heeft aangegeven dat
dit beleid niet berust op cijfermatige gegevens van de arbeidsdeelname
van vrouwen, gerelateerd aan het gekwalificeerde arbeidsaanbod, maar op
haar genderbeleid.

In de zaak Kalanke/Bremen (Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen,
17 oktober 1995, E. Kalanke versus Freie Hansestadt Bremen, zaak C-450/93.)
heeft het Europese Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna:
het Hof) een nadere uitleg gegeven aan voorkeursbeleid. In deze zaak kwam
onder andere de vraag aan de orde of, zolang het personeel niet minstens
voor de helft uit vrouwen bestond, een voorkeursbeleid voor vrouwen gevoerd
mocht worden. Door het Hof werd deze vraag ontkennend beantwoord, omdat
er niet automatisch vanuit gegaan mag worden dat er sprake is van ondervertegenwoordiging
van vrouwen als hun aandeel in de verschillende salarisgroepen van het
personeel minder dan 50% is.

Volgens vaste jurisprudentie van de Commissie – in overeenstemming met
het bovenvermeld arrest van het Hof- dient voorkeursbeleid te voldoen aan
de volgende criteria (Commissie gelijke behandeling, 18 november 1996,
oordeelnummer: 96-97; 22 augustus 1995, oordeelnummer: 95-35.):
1) De achterstand moet worden vastgesteld per functiesoort en – niveau,
die corresponderen met bepaalde segmenten van het arbeidsaanbod. Deze achterstand
wordt bepaald door het concrete aandeel van vrouwen hierin te vergelijken
met het aandeel van vrouwen in het relevante potentiële aanbod op de arbeidsmarkt.
2) Per functiesoort en – niveau moet voorts worden vastgesteld of en zo
ja, welke, voorkeursbehandeling het meest geschikt is, zulks mede afhankelijk
van de mate van achterstand en het tempo waarin deze kan worden opgeheven.
3) Bij de openlijke vermelding van een betrekking moet vermeld worden dat
een voorkeursbeleid van toepassing is.

Het eerste criterium leidt ertoe dat een organisatie moet nagaan welke
functiesoorten en – niveaus binnen de organisatie een duidelijk eigen instroom
uit de arbeidsmarkt hebben. Over het algemeen betekent dat, dat binnen
een organisatie een verdeling in functies naar bijvoorbeeld functie-inhoud
en/of beloningsniveau wordt gemaakt. Vervolgens wordt gekeken wat het specifieke
arbeidsaanbod is.

De Commissie constateert dat het voorkeursbeleid van de wederpartij niet
voldoet aan deze criteria. Derhalve beveelt de Commissie de wederpartij
aan haar voorkeursbeleid in overeenstemming te brengen met deze criteria.

4.6. Uit de overgelegde stukken van de wederpartij concludeert de Commissie
dat door de wederpartij een beroep is gedaan op de geslachtsbepaaldheid
van de functie door de samenstelling van het team in relatie met de doelgroep
in ogenschouw te nemen. Of sprake is van een geslachtsbepaalde functie
in een concreet geval dient te worden nagegaan of voldaan wordt aan de
vereisten die de AMVB stelt. Nu echter ter zitting nadrukkelijk door de
wederpartij is verklaard geen beroep te doen op de geslachtsbepaaldheid
van de functie, komt de Commissie niet toe aan de toetsing of bij de onderhavige
functie sprake is van geslachtsbepaaldheid en kan daarover geen oordeel
geven.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Den Haag jegens
de heer (…) te Wageningen
– onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in artikel 3 artikel 5
WGB heeft gemaakt bij de werving voor de functie van `Tropical Farming
System Specialist’;
– geen onderscheid op grond van geslacht als bedoeld in artikel 3 lid 1
en artikel 5 WGB heeft gemaakt bij de selectie van voornoemde functie.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G. Nicolai(lid Kamer), mw. mr. J.R. Dierx, (lid Kamer), mw. mr. A.N. Veekamp (secretarisKamer)

Instantie: Rechtbank Arnhem, 22 februari 1996

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Eiseres is van haar 9e tot haar 22e seksueel misbruikt door de man van haar
zuster. Ook een andere zuster heeft over seksueel misbruik door gedaagde
verklaard.
Gedaagde ontkent ieder misbruik en stelt dat het in ieder geval is verjaard.
Artikel 3:310 BW bevat twee verjaringstermijnen. De verjaringstermijn van
twintig jaar is nog niet verlopen. De vraag is echter of de verjaringstermijn
van vijf jaar verlopen.
De rechter onderzoekt eerst wanneer de verjaringstermijn van vijf jaar is
aangevangen. Eiseres heeft in november 1992 aangifte gedaan van het seksueel
misbruik. De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat zij op dat moment
bekend was met de schade en derhalve vangt de verjaringstermijn van vijf jaar
op dat moment aan. Vervolgens beveelt de rechter een comparitie teneinde
duidelijkheid te verkrijgen ten aanzien van de vraag of L.F. reeds op een
eerder tijdstip reeds bekend was met de schade als ook om de hoogte van de
schadevergoeding vast te stellen.

Volledige tekst

1. De procedure
De volgende proceshandelingen hebben plaatsgevonden:
Eiseres: conclusie van eis in overeenstemming met de dagvaarding.
Gedaagde: conclusie van antwoord.
Eiseres: conclusie van repliek, met 9 producties.
Gedaagde: conclusie van dupliek.
De partijen hebben hun processtukken overgelegd en vonnis gevraagd.
2. De vaststaande feiten.
2.1. L.F. is een schoonzuster van T.F.: T.F. is met L.F’s zuster getrouwd.
Voordat zij trouwden, omstreeks september 1966, en daarna heeft T.F. een
aantal jaren bij zijn vrouw en aanstaande schoonfamilie ingewoond. T.F. is
vele jaren ouder dan L.F.
2.2. L.F. heeft in november 1992 bij de gemeentepolitie X. afdeling jeugd- en
zedenzaken, melding gemaakt van seksueel misbruik van haar door T.F. in de
jaren 1965 tot 1977, dat wil zeggen van haar 9e tot haar 22e jaar. Ook een
zuster van L.F. (een andere zuster dan de vrouw van T.F.) heeft toen tijdens
dat gesprek bij de politie over soortgelijk misbruik door T.F. ten opzichte
van haarzelf verklaard.
2.3. Bij brief van 4 juni 1993 heeft L.F., T.F. aansprakelijk gesteld voor de
schade die zij ten gevolge van het misbruik ondervonden heeft en een
vergoeding van materiële en immateriële schade gevraagd tot een bedrag van ƒ
25 000.
3. Het geschil en de beoordeling

3.1. L.F. vordert T.F. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen
tot betaling van een bedrag van ƒ 25 000, vermeerderd met de wettelijke
rente, en tot betaling van de proceskosten.
3.2. L.F. stelt dat T.F. die 15 jaar ouder is dan zijzelf, in de periode dat
T.F. voor zijn huwelijk met haar zuster bij haar in huis woonde eiseres
seksueel begon te misbruiken; dit misbruik heeft van haar 9e tot haar 22e jaar
geduurd. Het heeft erin bestaan dat T.F. haar heeft betast en gevingerd en
dat zij zijn penis moest vasthouden. Toen zij 19 jaar oud was is zij – zo
stelt zij – door hem verkracht.
L.F. stelt voorts dat zij als gevolg van het misbruik ernstige psychische en
physieke klachten heeft gekregen; vanwege deze klachten is zij met behulp van
medicijnen en therapieën behandeld en is zij opgenomen geweest. Tevens stelt
zij materiële schade te hebben geleden, bestaande uit inkomensverlies en haar
eigen bijdrage in de kosten van opname.
3.3. T.F. heeft zich verweerd door van zijn kant ieder misbruik van L.F. door
hem te ontkennen. Daarnaast heeft hij betoogd dat de door L.F. gestelde
feiten zijn verjaard, hetgeen leidt tot niet-ontvankelijkheid van L.F. in
haar vordering.
3.4. Wat dit laatste verweer van T.F. betreft overweegt de rechtbank als
volgt.
Ingevolge artikel 3:310, lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot
schadevergoeding, zoals de onderhavige, door verloop van vijf jaren na het
tijdstip waarop de benadeelde bekend werd met zowel de schade als met de
aansprakelijke persoon. Bovendien bepaalt artikel 3:310 lid 1 BW dat de
vordering in ieder geval verjaart door verloop van twintig jaren na de
schadeveroorzakende gebeurtenis. L.F. stelt dat het misbruik tot 1977 heeft
voortgeduurd. Als dat zo is, zij er thans nog geen twintig jaren verlopen na
het misbruik. De vraag is nu wanneer de verjaringstermijn van vijf jaren
begonnen is.
T.F. beroept zich overigens ten onrechte op artikel 3:310 lid 4 BW, want die
bepaling stelt niet vast na hoeveel tijd een vordering verjaart, maar hoe
lang een vordering in de daar omschreven omstandigheden niet verjaart. Die
periode is verstreken, zoals T.F. terecht stelt, maar dat laat onverlet de
mogelijkheid dat de vordering tijdig namelijk binnen de vijf jaren van
artikel 3:310 lid 1 BW is ingesteld.
3.5. Uit literatuur en onderzoek is bekend dat de gevolgen van seksueel
misbruik zich soms pas na verloop van vele jaren doen voelen, terwijl het ook
mogelijk is dat er telkens nieuwe en andere schadefactoren optreden. Ook bij
L.F. heeft zich in de loop van haar leven vanaf 1977 een reeks van
uiteenlopende lichamelijke en psychische klachten ontwikkeld. Uit het feit
dat L.F. omstreeks het begin van de jaren tachtig aan 2 goede kennissen
(mevrouw C. en mevrouw M.) heeft verteld dat T.F. haar seksueel heeft
misbruikt, kan niet zonder meer worden afgeleid dat zij toen reeds bekend was
met de schade ten gevolge van het misbruik.
3.6. L.F. heeft in november 1992 bij de politie melding gemaakt van het
seksuele misbruik en de schade die zij tengevolge daarvan leed. Er kan
derhalve van worden uitgegaan dat L.F. in ieder geval in november 1992 bekend
was met de schade. De verjaringstermijn van 5 jaar heeft derhalve niet later
dan november 1992 een aanvang genomen. Onduidelijk is of L.F. op een eerder
tijdstip bekend was met de schade. De rechtbank heeft behoefte aan meer
informatie op dit punt.
3.7. Voor het geval de vordering van L.F. niet geheel verjaard zal blijken te
zijn, het door L.F. gestelde misbruik van haar door T.F. zal komen vast te
staan en de vordering ook overigens toegewezen zal kunnen worden, zal de
rechtbank een bedrag aan schadevergoeding dienen vast te stellen. Mede met
het oog op de bovenstaande behoefte aan informatie alsmede teneinde de hoogte
van de materiële en immateriële schade te kunnen bepalen en rekening te
kunnen houden met de financiële omstandigheden van partijen vindt de
rechtbank het nodig een comparitie van partijen te beleggen om daarover
inlichtingen in te winnen en met partijen te onderzoeken of zij tot
overeenstemming in enigerlei vorm kunnen komen.
3.8. De rechtbank verzoekt beide partijen eventuele stukken (waarop zij
tijdens de comparitie een beroep willen doen) uiterlijk een week voor de te
houden comparitie aan de rechtbank en de wederpartij toe te zenden.
3.9. Hoger Beroep zal worden beperkt zoals hierna te vermelden en iedere
verdere beslissing zal worden aangehouden.
De beslissing
De arrondissementsrechtbank te Arnhem, rechtdoende
1. bepaalt dat partijen, vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen in
het gebouw van deze rechtbank, Walburgstraat 2 te Arnhem, om aan de rechter
mr. C. Lely-van Gogh inlichtingen over de zaak te geven en om deze te laten
onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen
worden, op een door de rechtbank vast te stellen datum (in maart, april of
mei 1996) en tijd,
2. bepaalt dat de advocaten van beide partijen daartoe hun verhinderdagen en
die van partijen binnen 3 weken na de uitspraak van dit vonnis schriftelijk
zullen opgeven aan de enquetegriffie, bij gebreke van welke opgave de
rechtbank dag en uur van de comparitie zelfstandig zal bepalen.
3. bepaalt dat van het vastgestelde tijdstip in beginsel geen uitstel zal
worden verleend.
4. bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig zijn,
5. verzoekt de tijdige toezending van de onder 3.7. bedoelde stukken,
6. bepaalt dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is dan tegelijk met
het eindvonnis,
7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr. C. Lely-van Goch

Instantie: President Rechtbank ‘s-Gravenhage z.p. ‘s-Hertogenbosch, 21 februari 1996

Instantie

President Rechtbank ‘s-Gravenhage z.p. ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


De vrouw is na de termijn – van drie jaar getrouwd waarvan één jaar in
Nederland – gescheiden. Zij heeft een kind met de Nederlandse nationaliteit.
De vrouw krijgt een verblijfsvergunning voor een jaar. Na dit jaar beschikt
zij niet over voldoende middelen van bestaan.
Uitzetting van verzoekster leidt tot schending van artikel 3 4e Protocol bij
het EVRM in samenhang met art. 8 EVRM. Een Nederlander dient in de
gelegenheid te worden gesteld te wortelen in het land waarvan hij de
nationaliteit heeft. Als de moeder uitgezet wordt, betekent dit een inbreuk
op het gezinsleven van moeder en kind, welke niet wordt gerechtvaardigd door
het enkele feit dat de moeder is aangewezen op een bijstandsuitkering.

Volledige tekst

I. Procesverloop

Verzoekster bezit de Dominicaanse nationaliteit en is vreemdeling in de zin
van artikel 1 van de Vw.

Verzoekster is op 4 mei 1994 in het bezit gesteld van een vergunning tot
verblijf onder de beperking `arbeid in loondienst’.

Verzoekster heeft op 17 mei 1995 om verlenging van de haar verleende
vergunning tot verblijf gevraagd.

Verweerder heeft bij besluit van 4 juli 1995, verzonden op 13 juli 1995, de
aanvraag tot verlenging van de vergunning tot verblijf niet ingewilligd.

Op 19 juli 1995 heeft verzoekster tegen de beschikking bezwaar gemaakt bij
verweerder.

Bij verzoekschrift van 23 november 1995 heeft verzoekster de president
verzocht een onverwijlde voorziening te treffen, inhoudende dat verweerder
niet zal overgaan tot de uitzetting van verzoekster uit Nederland zolang nog
niet beslist is op het door haar ingediende bezwaarschrift.

Dit verzoek is behandeld ter openbare zitting van 7 februari 1996.
Verzoekster is verschenen in persoon en heeft zich aldaar laten bijstaan door
haar gemachtigde.
Verweerders standpunt is ter zitting toegelicht bij monde van verweerders
gemachtigde.

II. Overwegingen

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bezwaar is
gemaakt de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de
hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde
spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

In dit geschil dient de president te beoordelen of, hangende de
bezwaarprocedure, de uitzetting van verzoeker verboden moet worden.

Hiertoe moet worden bezien of verweerder in redelijkheid heeft kunnen komen
tot de beslissing om uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten
gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Gelet op het bepaalde in
artikel 32 van de Vw-weigering van toelating, een redelijke kans van slagen
heeft.

De feitelijke situatie is als volgt. Verzoekster is op 15 september 1989
Nederland binnengekomen. Op 24 juli 1990 heeft zij een vergunning tot
verblijf ontvangen met als doel `voor verblijf bij Nederlandse partner G en
het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf’.
Op 24 juli 1991 is de vergunning van verblijf verlengd onder wijziging van de
beperking in `verblijf bij echtgenoot’.
Uit het huwelijk is op 10 augustus 1991 een dochter geboren, S genaamd. S
heeft de Nederlandse nationaliteit. Nadat het huwelijk duurzaam was ontwricht
is verzoekster een vergunning tot verblijf verleend onder beperking `arbeid
in loondienst’, welke een geldigheidsduur had tot 4 mei 1995. Op 30 september
1994 is de echtscheiding uitgesproken. Verzoekster is tot voogdes benoemd van
haar dochter. Bij de echtscheiding is geen omgangsregeling vastgelegd tussen
S en haar vader. Verzoekster heeft echter voldoende aannemelijk gemaakt dat
er sprake is van een zeer regelmatig contact tussen haar dochter en de vader
van haar dochter. De heer G draagt niet bij in de kosten van het
levensonderhoud van zijn dochter. Hij is daartoe gezien zijn financiële
positie niet in staat. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder heeft
geweigerd de geldigheidsduur van de vergunning te verlengen, omdat
verzoekster niet beschikt over een arbeidsplaats voor nog een jaar en niet
beschikt over voldoende middelen van bestaan. Voorts stelt verweerder dat
verzoekster niet zodanig is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving dat
zij niet zou kunnen terugkeren naar de Dominicaanse Republiek. Gezien de
jonge leeftijd van haar dochter vormt ook het feit dat het kind de
Nederlandse nationaliteit bezit geen reden om voorgezet verblijf in Nederland
toe te staan. Een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten
van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wordt door verweerder
afgewezen omdat verweerder van mening is dat, zo er al als gevolg van het
uitzetten van verzoekster en haar dochter uit Nederland sprake zou zijn van
inmenging in het gezinsleven tussen vader en dochter, deze inmenging
gerechtvaardigd is te achten, omdat verzoekster een beroep doet op de
openbare kas en er bovendien geen sprake is van zeer intensieve contacten
tussen vader en dochter.
Overwogen wordt als volgt.

Het beleid van verweerder ten aanzien van het verlenen van een vergunning van
verblijf aan een vreemdeling wiens huwelijk op grond waarvan verblijf was
toegestaan is verbroken, is geregeld in hoofdstuk B 1.2 van de
Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc. 1994). Niet in geschil is dat verzoekster
niet voldoet aan de voorwaarde dat zij moet beschikken over werk voor nog
tenminste één jaar, waarmee tenminste het bestaansminimum in de zin van de
Algemene Bijstandswet (ABW) wordt verdiend. Ingevolge hoofdstuk 1.2.3. van de
Vc 1994 kan, indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor voortgezet
verblijf een vergunning tot verblijf worden verleend wegens klemmende redenen
van humanitaire aard. Verzoekster wijst in dit kader met name op de
omstandigheid dat verzoekster als gevolg van de lange periode dat zij in
Nederland heeft verbleven volledig is geïntegreerd in de Nederlandse
samenleving.
Ter zitting is aangevoerd dat verzoekster ook vóór september 1989 reeds
enkele jaren legaal in Nederland heeft verbleven. In haar oude paspoort staat
vermeld dat haar met ingang van 19 juni 1989 een vergunning tot verblijf met
als doel `verblijf na relatie voor het verrichten van arbeid’ is verstrekt,
geldig tot 19 juni 1990. Uit het feit dat verzoekster een zelfstandige
vergunning tot verblijf heeft verkregen zou kunnen worden afgeleid dat zij in
Nederland een eerdere relatie heeft gehad die ten minste drie jaar heeft
geduurd. Immers, ook onder het toenmalige beleid gold dat men eerst voor een
zelfstandige verblijfstitel in aanmerking kon komen indien de relatie was
verbroken meer dan drie jaar nadat op grond van die relatie een vergunning
tot verblijf was verleend.
Opgemerkt wordt dat verzoekster eerst ter zitting gegevens over deze eerdere
relatie naar voren heeft gebracht. Nader onderzoek naar het verblijf van
verzoekster in Nederland vóór september 1989 en haar verblijfsrechtelijke
positie in die periode zal mede bepalend zijn voor de vraag of verzoekster in
aanmerking komt voor voortgezet verblijf om humanitaire redenen.

Wat hiervan ook zij, naar het oordeel van de president komt het verzoek tot
het treffen van een voorlopige voorziening reeds om reden dat uitzetting van
verzoekster leidt tot schending van artikel 3 van het Vierde Protocol bij het
EVRM in samenhang met artikel 8 van het EVRM, voor toewijzing in aanmerking.
Bij de beoordeling of aan verzoekster een vergunning tot verblijf moet worden
toegekend is van belang dat haar dochter de Nederlandse nationaliteit heeft.
Een Nederlander heeft er belang bij dat hij in de gelegenheid wordt gesteld
in Nederland zijn jeugdjaren door te brengen en onderwijs te ontvangen en te
worden opgevoed door zijn ouders of een van hen, zodat hij kan wortelen in
het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Dit belang wordt onder meer
beschermd door artikel 3 van het Vierde Protocol bij het EVRM, voor Nederland
in werking getreden op 23 juni 1982. In dit artikel is bepaald dat niemand
bij wege van een maatregel van individuele of collectieve aard mag worden
uitgezet uit het grondgebied van de Staat, waarvan hij een onderdaan is. S
wordt weliswaar niet door verweerder met uitzetting bedreigd, maar de
omstandigheid dat haar moeder wordt uitgezet heeft voor haar feitelijk tot
gevolg dat ook zij Nederland zal moeten verlaten. S wordt door haar moeder
verzorgd en opgevoed. Mede in aanmerking genomen de ver gevorderde leeftijd
van haar vader is achterlating van S bij haar vader, met wie zij overigens
een goede relatie onderhoudt, niet mogelijk. Bovendien zou bij achterlating
van het kind in Nederland het recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8
van het EVRM tussen verzoekster en haar dochter worden verbroken. Het enkele
feit dat de verzoekster is aangewezen op een bijstandsuitkering is in deze
situatie, waarin S gezien haar jonge leeftijd voor haar opvoeding en
verzorging volledig is aangewezen op verzoekster, onvoldoende om inmenging in
het gezinsleven tussen verzoekster en haar kind te kunnen rechtvaardigen
krachtens artikel 8, tweede lid van het EVRM. De president vindt voor dit
oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 8 mei 1992, no 14538,
gepubliceerd in `Rechtspraak Vreemdelingenrecht 1992, 27′.
Op grond van bovenstaande is de president van oordeel dat het bezwaarschrift
een redelijke kans van slagen heeft. Het is derhalve verweerder niet
toegestaan verzoekster uit te zetten zolang het bezwaar aanhangig is.

III Beslissing

De president:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld
in artikel 8:81 van de Awb:

bepaalt dat verweerder de uitzetting achterwege dient te laten totdat op het
bezwaarschrift is beslist;

veroordeelt verweerder in de kosten van dit geding vastgesteld op ƒ 1420 te
vergoeden door de Staat der Nederlanden, te voldoen aan de griffier;

gelast de Staat der Nederlanden het gestorte griffierecht te vergoeden aan
verzoekster.

Rechters

Mr Hent

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 februari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is van Marokkaanse afkomst. Hij was werkzaam bij de wederpartij.
Verzoeker is van mening dat de wederpartij hem en de andere buitenlandse
werknemers slechter behandelt dan de
Nederlandse werknemers.
De Commissie acht het aannemelijk dat het loon door de wederpartij
onregelmatig werd uitbetaald aan verzoeker en de getuige (…).
Op grond van de verklaringen van de getuigen en op grond van de verklaringen
ter zitting van verzoeker en diens echtgenote acht de Commissie het voorts
aannemelijk dat de buitenlandse werknemers problemen ondervonden als zij om
een pauze vroegen en dat de pauzes korter waren dan voor de Nederlandse
werknemers.
De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij door te handelen als
hiervoor beschreven onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de
arbeidsvoorwaarden, zoals verboden in de AWGB.
Voor wat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft ligt de vraag voor
of de wederpartij jegens verzoeker bij het ontslag onderscheid naar ras heeft
gemaakt.
Nu er in het onderhavige geval geen rechtsgeldige reden was voor het ontslag
en bij het ontslag de wederpartij tevens een opmerking heeft gemaakt waarbij
hij verzoeker terug verwijst naar zijn land van herkomst, heeft de
wederpartij het vermoeden gewekt dat het ontslag (mede) verband hield met de
etnische of nationale afstamming van verzoeker.
De Commissie concludeert dat zij het aannemelijk acht dat de etnische of
nationale afstamming van verzoeker (mede) een rol heeft gespeeld bij de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de wederpartij.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 25 januari 1995 verzocht de heer (…) (hierna: verzoeker) de
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) om haar oordeel uit te
spreken over de vraag of (…) (hierna: de wederpartij) jegens hem een door
de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) verboden onderscheid heeft
gemaakt.

1.2. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst. Hij was werkzaam bij de
wederpartij. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hem en de andere
buitenlandse werknemers slechter behandelt dan de
Nederlandse werknemers en daardoor een door de AWGB verboden onderscheid
heeft gemaakt.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op 26 september 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoeker
– dhr. (…) (verzoeker)
– mw. (…) (echtgenote van verzoeker)
– dhr. (…) (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– geen aanwezigen

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer).

2.3. De Commissie heeft naar aanleiding van het onderzoek ter zitting nadere
inlichtingen gevraagd en onder meer de volgende stukken ontvangen:
van de kant van verzoeker:
– een brief van het Anti Discriminatie Bureau Heerlen van 11 oktober 1995 met
als bijlage:
– een verklaring van de heer (…)
– een verklaring van de heer (…)
– de arbeidsovereenkomst van verzoeker
– een brief van 22 augustus 1995 van de Voedingsbond FNV

Van de Dienst voor Inspectie en Informatie van het Ministerie van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW):
– een brief van 30 januari 1995, waarin naar aanleiding van een klacht wordt
vastgesteld dat de werktijden langer zijn dan 8,5 uur per dag.
– een vergunning van 4 juli 1995 tot verlenging van de arbeidsduur.

Van de advocaat van verzoeker:
– een brief van 27 november 1995 met als bijlage stukken met betrekking tot
een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met
verzoeker door de wederpartij alsmede processtukken met betrekking tot een
loonvorderingsprocedure terzake van achterstallig loon.

De wederpartij is in de gelegenheid gesteld om op deze stukken te reageren,
doch heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is van Marokkaanse afkomst en was sinds 19 oktober 1992 als
slachthuismedewerker werkzaam bij de wederpartij, een exportslachterij. Op de
afdeling waar hij werkzaam was werkten 40 tot 50 werknemers, waaronder drie
of vier andere werknemers van buitenlandse afkomst en een aantal illegale
werknemers.

3.2. Op 23 februari 1994 is verzoeker op staande voet ontslagen door de
wederpartij. De reden voor dit ontslag was onduidelijk. Verzoeker heeft een
advocaat ingeschakeld en het ontslag werd ongedaan gemaakt.

3.3. Op 2 november 1994 werd verzoeker voor de tweede maal op staande voet
ontslagen. De reden voor dit ontslag was volgens de wederpartij dat verzoeker
hardnekkig bleef weigeren opgedragen werkzaamheden uit te voeren. De
wederpartij heeft vervolgens een verzoek tot ontbinding van de
arbeidsovereenkomst voor zover vereist ingediend.
De Kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen. Daarbij werd overwogen dat de
wederpartij niet in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat verzoeker
geen schouder- en armklachten had waardoor hij niet in staat was de
opgedragen werkzaamheden uit te voeren.

3.4. Daarna heeft verzoeker geen oproep van de werkgever gekregen om het werk
te hervatten. Inmiddels heeft de wederpartij haar activiteiten gestaakt en
zijn alle overige werknemers ontslagen.

3.5. Verzoeker heeft een vordering ingesteld tot betaling van loon vanaf 2
november 1994 tot de datum van de rechtsgeldige beëindiging van de
arbeidsovereenkomst, vermeerderd met vakantiegeld en wettelijke rente.

3.6. Uit de stukken van de I-SWZ blijkt dat de echtgenote van verzoeker
aldaar een klacht heeft ingediend inhoudende dat er dagelijks wordt
overgewerkt, dat de pauze wordt teruggebracht tot 10 minuten, dat er zonder
beschermende kleding in de koelcel gewerkt wordt, en voorts dat er met natte
voeten gewerkt moet worden vanwege laarzen die lekken.
De I-SZW heeft op 30 januari 1995 gerapporteerd en de klacht ten dele gegrond
bevonden. Geconstateerd werd dat de werktijden langer zijn dan 8,5 uur en dat
deze teruggebracht moeten worden of dat er een overwerkvergunning moet worden
aangevraagd. Er was wel beschermende kleding aanwezig op het moment van de
controle. Op 4 juli 1995 werd aan de wederpartij een overwerkvergunning
verleend.

3.7. Verzoeker heeft op 8 november 1994 bij de Politie te Limburg Zuid
District Kerkrade aangifte gedaan van discriminatie op grond van
nationaliteit door de wederpartij.

De standpunten van partijen

3.8. Verzoeker stelt dat de wederpartij onderscheid maakt op grond van ras of
ook nationaliteit bij de arbeidsvoorwaarden alsmede bij de beëindiging van de
arbeidsverhouding.
Voor wat de arbeidsvoorwaarden betreft stelt de wederpartij dat de werknemers
van buitenlandse afkomst slechter worden behandeld dan de werknemers van
Nederlandse afkomst:
a. zij worden lager beloond voor hetzelfde werk en het loon en met name de
overuren worden onregelmatig uitbetaald;
b. zij krijgen slechtere werkkleding en gereedschap om mee te werken;
c. zij krijgen maar 10 minuten pauze, terwijl de Nederlandse werknemers soms
40 minuten pauzeren;
d. zij ondervinden problemen bij het opnemen van vakantiedagen en vrije dagen
in verband met religieuze feestdagen.
Voorts doet de afdelingschef discriminerende uitlatingen over de werknemers
van buitenlandse afkomst. Zij worden aangesproken met `buitenlanders’ of
`zwartkoppen. Tegen verzoeker werd onder andere gezegd: `Vertrek maar terug
naar Marokko’, `vasten doe je maar in Marokko, dit is Nederland’.
Verzoeker heeft meerdere malen gehoord dat de afdelingschef tegen de
Nederlands collega’s zei dat zij `Buitenlanders, ga terug’ moesten zeggen
tegen hem en de andere werknemers van buitenlandse afkomst.
Als er iets gestolen of zoek geraakt was, zei de afdelingschef: `Weten jullie
dan nog niet wie het gedaan heeft, dat hebben de zwartkoppen gedaan’.
Voor wat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft is verzoeker van
mening dat de wederpartij hem zonder enige rechtsgeldige reden heeft
ontslagen. Toen hij een opdracht om reusel te trekken niet kon uitvoeren
vanwege problemen met zijn rechterarm werd hij op staande voet ontslagen door
de afdelingschef die daarbij riep: `Buitenlander ga maar terug naar Marokko.’
Voor de afdelingschef hem de opdracht gaf om reusel te trekken, had hij dat
reeds aan twee Nederlandse collega’s gevraagd. Deze hadden geweigerd en de
weigering werd geaccepteerd. Verzoeker werd echter op staande voet ontslagen.

3.9. De wederpartij heeft gesteld dat zij geen onderscheid maakt tussen
werknemers op grond van afkomst. Zij stelt in haar reactie op de standpunten
van verzoeker slechts dat de bedrijfsleider geen woordenwisseling heeft gehad
met verzoeker. Voorts heeft de bedrijfsleider gezien dat verzoeker gedurende
werktijd het bedrijf heeft verlaten. De wederpartij heeft verder geen
inhoudelijk verweer gevoerd.

De verklaringen van de getuigen

3.10. Verzoeker heeft schriftelijke verklaringen van twee getuigen
overgelegd. De raadsman van verzoeker heeft verklaard dat de handtekeningen
van de getuigen in zijn tegenwoordigheid zijn geplaatst.
De heer (…), ex-werknemer bij de wederpartij, verklaart voorzover thans
relevant het volgende.
De wederpartij had hem toen hij daar pas werkte gevraagd of hij afdelingschef
wilde worden omdat hij in zijn vorige baan afdelingschef was geweest. Het is
er niet van gekomen omdat de wederpartij van hem verlangde dat hij mensen
moest opjagen door op ze te schelden en te dreigen zodat zij hard zouden
werken en `niet zeiken’.
Hij werd zelf door de afdelingschef bedreigd met ontslag als hij zei dat het
niet ging. Hij heeft hem vaak horen zeggen: `Die zwarten moeten werken of
terug naar hun land.’ Hij heeft er vaak bijgestaan als de afdelingschef tegen
buitenlanders begon te schelden als zij om een pauze vroegen. Als zij naar de
WC wilden gaan liet hij ze zo lang wachten totdat ze kwaad werden. Dan zei de
afdelingschef `Zie je wel die buitenlanders zeiken altijd.’ Voorts stelt hij
dat een van de buitenlanders eens zo kwaad is geworden dat hij een mes op de
grond heeft gegooid, waardoor de punt brak en in het been van een ander
terecht kwam. Het resultaat was dat deze buitenlandse werknemer op staande
voet werd ontslagen.

3.11. De heer (…), ex-werknemer bij de wederpartij, verklaart voorzover
relevant het volgende.
In februari 1995 had hij thuis veel problemen en kwam gespannen naar het
werk. Die dag kreeg hij de opdracht kop te gaan snijden. Hij vroeg toen op
een nette manier om op een andere plek te mogen werken en legde uit dat hij
te gespannen was voor dat werk en met vasten bezig was vanwege de Ramadan. De
afdelingschef reageerde met: `Je doet het of je gaat naar huis en de Ramadan
doe je maar in Afrika.’ Het werd hem toen te veel en van woede smeet hij het
mes in de bak. Het mes kaatste terug en raakte een collega in zijn been.
Zonder na te denken tekende hij toen desgevraagd voor zijn ontslag.
Hij verklaart voorts dat hij altijd te weinig uitbetaald kreeg.

De afdelingschef maakte rotopmerkingen en hitste ook de Nederlandse collega’s
op. Er werd gezegd: `Buitenlanders ga terug.’
Alleen de buitenlanders moesten na het werk poetsen, de Nederlanders mochten
meteen naar huis na hun werk.
Hij kreeg ook altijd maar 10 minuten pauze en geen fatsoenlijk
werkgereedschap.
Verzoeker en hijzelf moesten ’s morgens altijd meteen koppen snijden terwijl
de Nederlandse collega’s eerst koffie dronken.
Er waren altijd problemen met het opnemen van verlof, ook in verband met
religieuze feestdagen.
Als hij ziek was werd hij gebeld om te komen werken omdat er anders ontslag
zou volgen.
Nadat hij ontslagen was, werd hij bij het arbeidsbureau zwart gemaakt. Hij
heeft toen een advocaat moeten inschakelen en heeft door diens bemiddeling
weer met een schone lei kunnen solliciteren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
naar ras of naar nationaliteit, dan wel beide, heeft gemaakt bij de
arbeidsvoorwaarden of bij het beëindigen van de arbeidsverhouding, zoals
verboden in de AWGB.

4.2. In artikel 5 lid 1 onder d van de AWGB is bepaald dat onderscheid
verboden is bij arbeidsvoorwaarden.
In artikel 5 lid 1 onder b van de AWGB is onder meer bepaald dat onderscheid
verboden is bij het beëindigen van een arbeidsverhouding.

4.3. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder direct onderscheid onder andere
verstaan wordt onderscheid tussen personen op grond van ras en nationaliteit.
Het begrip ras in de AWGB moet ruim uitgelegd worden, overeenkomstig de
definitie in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm
van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge
Raad. Het begrip ras omvat tevens: huidskleur, afkomst en nationale of
etnische afstamming (Tweede Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22.014,
nummer 3, p. 13, vergaderjaar 1990-1991).
Het begrip nationaliteit in de AWGB dient te worden begrepen als
nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats( Eerste Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22.014,
Handelingen, p. 1086, 22 februari 1994).

4.4. De Commissie stelt vast dat de klacht van verzoeker betrekking heeft op
onderscheid jegens buitenlanders, waarmee in dit geval kennelijk wordt
bedoeld onderscheid op grond van ras zoals hiervoor omschreven en niet op
grond van nationaliteit. Het onderzoek beperkt zich derhalve tot een mogelijk
onderscheid op grond van ras.

4.5. Allereerst ligt de vraag voor of er sprake is van onderscheid op grond
van ras bij de arbeidsvoorwaarden, zoals verboden in de AWGB. Hieromtrent
overweegt de Commissie het volgende.
Uit de door de I-SWZ overgelegde stukken is gebleken dat in het bedrijf
structureel langer gewerkt werd dan wettelijk is toegestaan. Er was dus
sprake van structureel overwerk. Uit de verklaring van verzoeker, die ter
zitting door zijn echtgenote nader werd toegelicht, en de brief van de
Voedingsbond FNV van 22 augustus 1995, leidt de Commissie af dat de werkgever
het salaris over juli 1994 en overwerkvergoedingen vanaf juni 1994 niet meer
heeft betaald.
Voorts blijkt uit de verklaring van de getuige (…) dat ook hij altijd te
weinig loon uitbetaald kreeg.
Deze verklaringen zijn door de wederpartij niet weersproken.
De Commissie acht het op grond van de hiervoor genoemde stukken en
verklaringen aannemelijk dat het loon door de wederpartij onregelmatig werd
uitbetaald aan verzoeker en de getuige (…).
Op grond van de verklaringen van de getuigen (…) en (…) en op grond van
de verklaringen ter zitting van verzoeker en diens echtgenote acht de
Commissie het voorts aannemelijk dat de buitenlandse werknemers problemen
ondervonden als zij om een pauze vroegen en dat de pauzes korter waren dan
voor de Nederlandse werknemers.
De Commissie concludeert derhalve dat de wederpartij door te handelen als
hiervoor beschreven onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de
arbeidsvoorwaarden, zoals verboden in de AWGB.

4.6. Voor wat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst betreft ligt de vraag
voor of de wederpartij jegens verzoeker bij het ontslag onderscheid naar ras
heeft gemaakt.
De Commissie overweegt hieromtrent het volgende.

Het is de Commissie uit de overgelegde stukken vermeld onder 2.3. gebleken
dat verzoeker zonder rechtsgeldige reden is ontslagen.
Dit ontslag werd door de wederpartij verleend omdat verzoeker geweigerd zou
hebben een opdracht uit te voeren. Uit de overgelegde processtukken blijkt
voorts dat verzoeker heeft aangevoerd dat hij niet geweigerd heeft de
opdracht uit te voeren, doch dat hij daartoe vanwege lichamelijke klachten
niet in staat was. Dit verweer werd door de Kantonrechter gehonoreerd en het
verzoek van de wederpartij tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
voorzover vereist werd afgewezen.
Verzoeker heeft ter adstructie van zijn standpunt dat door de wederpartij
jegens hem een verboden onderscheid op grond van ras wordt gemaakt aangevoerd
dat de afdelingschef bij het verlenen van het ontslag tegen hem riep:
`Buitenlander, ga maar terug naar Marokko.’
De wederpartij heeft de standpunten van verzoeker niet weersproken, doch
heeft slechts in een brief aan de Commissie van 18 september 1995 gesteld,
dat er geen woordenwisseling tussen de bedrijfsleider en verzoeker heeft
plaatsgevonden. Voorzover de wederpartij met dit summiere verweer beoogt aan
te geven dat de desbetreffende uitspraak niet door de bedrijfsleider is
gedaan, is dit verweer niet voldoende. Verzoeker werd immers niet door de
bedrijfsleider, maar door de afdelingschef ontslagen en het handelen van de
afdelingschef dient aan de wederpartij toegerekend te worden.
Nu er in het onderhavige geval geen rechtsgeldige reden was voor het ontslag
en bij het ontslag de wederpartij tevens een opmerking heeft gemaakt waarbij
hij verzoeker terug verwijst naar zijn land van herkomst, heeft de
wederpartij het vermoeden gewekt dat het ontslag (mede) verband hield met de
etnische of nationale afstamming van verzoeker. Daarbij is tevens van belang
dat op grond van de verklaringen van genoemde getuigen de Commissie het
aannemelijk acht dat de bedrijfsleider en de afdelingschef zich veelvuldig in
discriminerende zin uit lieten over buitenlandse werknemers en voorts dat de
wederpartij ook bij de arbeidsvoorwaarden jegens verzoeker verboden
onderscheid heeft gemaakt.
Dit vermoeden heeft de wederpartij niet weerlegd.

Gelet op de hierboven geschetste feiten en omstandigheden, kan de Commissie
niet anders concluderen dan dat zij het aannemelijk acht dat de etnische of
nationale afstamming van verzoeker (mede) een rol heeft gespeeld bij de
beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de wederpartij.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat (…) te Heerlen jegens de heer
(…) te Brunssum onderscheid naar ras heeft gemaakt bij de
arbeidsvoorwaarden en bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, zoals
verboden in artikel 5 lid 1 onder b en d van de Algemene wet gelijke
behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. dr. L. Mulder(lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes(secretaris Kamer)

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 18 februari 1996

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


De RWW kent een vermogenstoets, de IOAW niet. Veel meer mannen dan vrouwen
genieten een IOAW-uitkering. Doel van het onderscheid tussen de verschillende
regelingen is dat de RWW erop is gericht de werkeloze werknemer weer in het
arbeidsproces in te schakelen. De IOAW wil de rechthebbenden beschermen tegen
het risico te moeten interen op vermogen dat zij gedurende hun hele
beroepsleven hebben opgebouwd, aangezien het zeer onwaarschijnlijk is dat zij
weer aan het arbeidsproces zullen deelnemen.
De nationale wetgever heeft in redelijkheid kunnen oordelen, dat de betrokken
regeling noodzakelijk was ter bereiking van een doelstelling van sociaal
beleid die geen verband houdt met discriminatie op grond van geslacht. Geen
strijd met de derde richtlijn.

Volledige tekst

1. Bij tussenuitspraak van 14 december 1993, ingekomen bij het Hof op 12
januari 1994, heeft de Nederlandse Raad van State krachtens artikel 177
EG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 4,
lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978 betreffende de
geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van
mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (PB 1979, L6, blz.
24; hierna: `richtlijn’).
2. Die vragen zijn gerezen in een geding tussen Laperre en de
Bestuurscommissie beroepszaken in de Provincie Zuid-Holland (hierna:
`Bestuurscommissie’), over de afwijzing van een aanvraag om bijstand
ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: `IOAW’).
3. Blijkens het dossier hebben de vragen betrekking op twee
sociale-bijstandsregelingen in Nederland, die werklozen een inkomen ter
hoogte van het sociaal minimum waarborgen.
4. De eerste – algemene – regeling is ingevoerd bij de Rijksgroepsregeling
werkloze werknemers (hierna: `RWW’). Ingevolge deze regeling, vastgesteld op
basis van de Algemene Bijstandswet, wordt bijstand verleend aan werkloze
werknemers die niet over de middelen beschikken om in de noodzakelijke kosten
van het bestaan te voorzien. Het ontstaan en de handhaving van het recht op
bijstand krachtens de RWW zijn onder meer afhankelijk gesteld van de
voorwaarde, dat het vermogen van de betrokkene het niveau van een `bescheiden
vermogen’ in de zin van de Nederlandse wetgeving niet overschrijdt.
5. De tweede – bijzondere – regeling is ingevoerd bij de IOAW, – die voorziet
in de toekenning van bijstand aan oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
werkloze werknemers. De toekenning van deze bijstand is afhankelijk gesteld
van een aantal voorwaarden met betrekking tot het beroepsverleden van de
betrokkene, zijn leeftijd en zijn eventuele arbeidsongeschiktheid. Anders dan
de RWW, stelt de IAOW de verlening van bijstand niet afhankelijk van een
voorwaarde met betrekking tot het vermogen van de betrokkene.
6. Luidens artikel 2, lid 1, sub a, IOAW wordt voor de toepassing van deze
wet verstaan onder werkloze werknemer, de persoon die:
`1. werkloos is en de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt;
2. na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar doch voor het bereiken van de
leeftijd van 57,5 jaar werkloos is geworden, en
3. nadien de volledige uitkeringsduur bedoeld in de artikelen 42, eerste en
tweede lid, of 43, tweede lid, en 49, eerste lid, alsmede voorzover van
toepassing 76, van de Werkloosheidswet een loondervingsuitkering en een
vervolguitkering op grond van die wet heeft ontvangen’.
7. Tot en met 31 mei 1989 ontving Laperre een werkloosheidsuitkering
krachtens de RWW. Per 1 juni 1989 zette de bevoegde instantie, de Gemeente
‘s-Gravenhage, de betaling van deze uitkering stop op grond dat het vermogen
van Laperre het niveau van het in de wet bedoelde `bescheiden vermogen’ te
boven ging.
8. Op 20 juni 1989 diende Laperre bij dezelfde gemeente een aanvraag om een
uitkering krachtens IOAW in. Vast staat, dat zij op die datum 52 jaar oud was
en volledig arbeidsgeschikt.
9. De gevraagde uitkering werd geweigerd op grond dat Laperre niet als
werkloze werknemer in de zin van artikel 2, lid 1, sub a, IOAW kon worden
beschouwd.
10. Bij besluit van 25 juni 1991 bevestigde de Bestuurscommissie het besluit
van de Gemeente ‘s-Gravenhage. Laperre stelde daarop beroep in bij de Raad
van State. Zij betoogde onder meer, dat de in de IOAW gestelde voorwaarden
inzake beroepsverleden en leeftijd een indirecte discriminatie opleveren voor
vrouwen, omdat vrouwen veel minder vaak dan mannen aan die voorwaarden kunnen
voldoen. Bijgevolg zouden die voorwaarden in strijd zijn met artikel 4, lid
1, van de richtlijn, dat het volgende bepaalt:
`Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat iedere vorm van
discriminatie op grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect door
verwijzing naar met name echtelijke staat of gezinssituatie, is uitgesloten
in het bijzonder met betrekking tot:
– de werkingssfeer van de regelingen alsmede de voorwaarden inzake de
toelating tot de regelingen,
(…)’
11. In zijn verwijzingsuitspraak verwijst de Raad van State naar statistieken
van het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna: `CBS’), waaruit blijkt
dat in 1989 een veel groter aantal mannen dan vrouwen een uitkering ingevolge
de IAOW ontving (sociaal culturele berichten 1991, 15). Hij stelt tevens
vast, dat in Nederland veel meer mannen dan vrouwen beroepswerkzaamheden
verrichten (statistisch jaarboek 1993, blz. 101).
12. Van oordeel dat en een ander het vermoeden doet ontstaan van indirecte
discriminatie en dat de oplossing van het geschil derhalve afhangt van de
uitlegging van de richtlijn, heeft de Raad van State de behandeling van de
zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld:
`1. Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december
1978 aldus worden uitgelegd dat het artikel zich er in beginsel tegen verzet
dat een nationale wettelijke regeling, zoals vervat in de IOAW, een
inkomensvoorziening biedt op het niveau van het sociaal minimum, waarbij –
voor zover hier van belang – bij de toekenning van de uitkering het vermogen
buiten beschouwing blijft en het recht op uitkering afhankelijk is van –
kortweg – arbeidsverleden en leeftijd, terwijl in het kader van een andere
nationale wettelijke regeling, zoals vervat in de bijstandsregeling van de
RWW, die eveneens een voorziening biedt op het niveau van het sociaal
minimum, wel rekening wordt gehouden met het vermogen, indien vaststaat dat
een aanzienlijk groter aantal mannen dan vrouwen voor deze gunstiger regeling
van de IOAW in aanmerking komt?
2. Kan toepassing van de onder vraag 1 eerstbedoelde regeling, die ertoe
leidt dat een veel groter aantal mannen dan vrouwen wordt uitgezonderd van de
vermogenstoets in de bijstandswetgeving, worden gerechtvaardigd door de
omstandigheid dat de doelgroep van deze regeling geringe kansen heeft op de
arbeidsmarkt en hierdoor niet of nauwelijks in de gelegenheid komt eenmaal
ingeteerd vermogen weer te compenseren?’
13. Met deze vragen wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te vernemen, of
artikel 4, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een
nationale wettelijke regeling zoals neergelegd in de IOAW, die voorziet in
een uitkering die een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum moet
waarborgen, bij de toekenning waarvan het vermogen buiten beschouwing wordt
gelaten, maar die afhankelijk is gesteld van voorwaarden inzake
arbeidsverleden en leeftijd van de betrokkenen, discriminatie op grond van
geslacht inhoudt, wanneer vaststaat dat een veel groter aantal mannen dan
vrouwen van deze regeling gebruik maakt om te ontkomen aan voorwaarde inzake
het vermogen, welke voorwaarde wel wordt gesteld in het kader van een andere
regeling, zoals die neergelegd in de RWW, die een gelijksoortige voorziening
biedt, maar minder gunstig is, of aldus, dat de betrokken regeling geen
discriminatie op grond van geslacht inhoudt, omdat zij haar rechtvaardiging
vindt in objectieve factoren, die geen verband houden met discriminatie op
grond van geslacht.
14. Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak artikel
4, lid 1, van de richtlijn zich verzet tegen de toepassing van een nationale
maatregel die, al is hij op neutrale wijze geformuleerd, in feite een veel
groter percentage vrouwen dan mannen benadeelt, tenzij die maatregel zijn
rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die geen verband houden met
discriminatie op grond van geslacht. Dit is het geval, wanneer de gekozen
middelen beantwoorden aan een legitieme doelstelling van het sociaal beleid
van de
id-Staat waarvan de wettelijke regeling in geding is, en zij ter bereiking
van dat doel geschikt en noodzakelijk zijn (zie arrest van 24 februari 1994,
zaak C-343/92, Roks e.a. Jurispr. 1994, blz. I-571, r.o. 33 en 34; zie ook
arrest van 14 december 1995, zaak C-444/93, Megner en Scheffel, nog niet
gepubliceerd in de Jurisprudentie, r.o. 24).
15. In casu betoogt de Nederlandse regering, dat in het door de Nederlandse
wetgever ingevoerde systeem de RWW werkloze werknemers een inkomensgarantie
biedt ter hoogte van het sociaal minimum, mits hun vermogen het vastgestelde
niveau niet overschrijdt en op voorwaarde dat zij aan bepaalde specifieke
verplichtingen voldoen, een en ander ten einde de betrokkenen aan te
moedigen, zelfstandig in hun bestaan te voorzien. De bij de RWW ingevoerde
regeling zou er derhalve op gericht zijn, de werkloze werknemer weer in het
arbeidsproces in te schakelen.
16. De in artikel 2, lid 1, sub a, IOAW neergelegde regeling zou een
specifiek doel hebben. De uitkering ingevolge de IOAW, die eveneens een
inkomensgarantie ter hoogte van het sociaal minimum biedt, is bedoeld voor
werkloze werknemers die geruime tijd inkomen uit beroepswerkzaamheden hebben
genoten, die, na werkloos te zijn geworden, gedurende lange tijd een
individuele, uitsluitend op het criterium van hun eigen inkomen gebaseerde
uitkering hebben ontvangen, die na afloop van de maximumduur voor toekenning
van die uitkering nog werkloos zijn en die weinig kans hebben, vóór het
bereiken van de pensioenleeftijd nieuw werk te vinden. Dat de bij de IOAW
ingevoerde regeling geen vermogenstoets kent, zou zijn verklaring vinden in
de bedoeling van de wetgever, potentiële rechthebbenden op een IOAW-uitkering
te beschermen tegen het risico, te moeten interen op vermogen dat zij
gedurende hun hele beroepsleven geleidelijk hebben opgebouwd, aangezien het
zeer onwaarschijnlijk is dat zij door het aanvaarden van een nieuwe
bezoldigde beroepswerkzaamheid weer vermogen zullen opbouwen.
17. De Nederlandse regering voegt hieraan toe, dat de voorwaarden voor
toekenning van een uitkering ingevolge de IOAW zodanig zijn geformuleerd, dat
alleen personen die tot de hiervoor omschreven categorie behoren, ervoor in
aanmerking komen.
18. Om te beginnen zij opgemerkt, dat het sociaal beleid bij de huidige stand
van het gemeenschapsrecht tot de bevoegdheid van de Lid-Staten behoort (zie
arrest van 7 mei 1991, zaak C-229/89, Commissie/België, Jurispr. 1991, blz.
I-2205, r.o. 22).
Bijgevolg staat het aan de Lid-Staten, de maatregelen te kiezen die geschikt
zijn voor de verwezenlijking van hun doelstelling van sociaal beleid. Bij de
uitoefening van deze bevoegdheid beschikken de Lid-Staten over een ruime
beoordelingsmarge (zie arrest Megner en Scheffel, reeds aangehaald, r.o. 29).
19. Vervolgens zij erop gewezen, dat de door de Nederlandse regering
aangevoerde doelstelling tot het sociaal beleid van deze staat behoort, dat
zij objectief gezien geen verband houdt met discriminatie op grond van
geslacht en dat de nationale wetgever, in de uitoefening van zijn
bevoegdheid, in redelijkheid kon oordelen dat de betrokken wettelijke
regeling voor de bereiking van dat doel noodzakelijk was.
20. Onder die omstandigheden kan de in geding zijnde wettelijke regeling niet
worden geacht, een indirecte discriminatie in de zin van artikel 4, lid 1,
van de richtlijn in te houden.
21. Gelet op het voorgaande moet op de gestelde vragen worden geantwoord, dat
artikel 4, lid 1, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een
nationale wettelijke regeling zoals neergelegd in de IOAW, die voorziet in
een uitkering die een inkomen ter hoogte van het sociaal minimum moet
waarborgen, bij de toekenning waarvan het vermogen buiten beschouwing wordt
gelaten, maar die afhankelijk is gesteld van voorwaarden inzake
arbeidsverleden en leeftijd van de betrokkene, geen discriminatie op grond
van geslacht inhoudt, zelfs wanneer vaststaat dat een veel groter aantal
mannen dan vrouwen van deze regeling gebruik maakt om te ontkomen aan de
voorwaarde inzake het vermogen, welke voorwaarde wel wordt gesteld in het
kader van een andere regeling, zoals die neergelegd in de RWW, die een
gelijksoortige voorziening biedt, maar minder gunstig is, indien de nationale
wetgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen, dat de betrokken regeling
noodzakelijk was ter bereiking van een doelstelling van sociaal beleid, die
geen verband houdt met discriminatie op grond van geslacht.

Kosten
22. De kosten door de Nederlandse regering en de Commissie van de Europese
Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt,
kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen
in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te
beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te
beslissen.

Het Hof van Justitie (Vierde kamer)
uitspraak doende op de door de Nederlandse Raad van State bij tussenuitspraak
van 14 december 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid,
moet aldus worden uitgelegd, dat een nationale wettelijke regeling zoals
neergelegd in de IOAW, die voorziet in een uitkering die een inkomen ter
hoogte van het sociaal minimum moet waarborgen, bij de toekenning waarvan het
vermogen buiten beschouwing wordt gelaten, maar die afhankelijk is gesteld
van voorwaarden inzake arbeidsverleden en leeftijd van de betrokkenen, geen
discriminatie op grond van geslacht inhoudt, zelfs wanneer vaststaat dat een
veel groter aantal mannen dan vrouwen van deze regeling gebruik maakt om te
ontkomen aan de voorwaarde inzake het vermogen, welke voorwaarde wel wordt
gesteld in het kader van een andere regeling, zoals die neergelegd in de RWW,
die een gelijksoortige voorziening biedt, maar minder gunstig is, indien de
nationale wetgever in redelijkheid heeft kunnen oordelen, dat de betrokken
regeling noodzakelijk was ter bereiking van een doelstelling van sociaal
beleid, die geen verband houdt met discriminatie op grond van geslacht.

Rechters

Mrs. Kakouris, Kapteyn, Murray