Instantie: Rechtbank Utrecht, 31 januari 1996

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Vrouw is in 1980/1981 seksueel misbruikt door haar oom. De dader is door
de strafrechter bij vonnis van 29 april 1983 veroordeeld. In 1989 moest
vrouw abrupt met haar werk stoppen wegens een groot aantal lichamelijke
klachten. Zij is in de WAO terecht gekomen. Volgens het GMD vloeien deze
klachten voort uit het misbruik. Vrouw vordert materiële en immateriële
schadevergoeding. Materieel i.v.m. inkomensverlies vanaf 1991.
De vrouw heeft op alle punten gelijk gekregen. De door de vrouw gestelde
materiële inkomensschade is toegewezen. Gedaagde heeft nog aangevoerd dat
niet zeker is dat de vrouw al die jaren bij deze werkgever gewerkt zou
hebben. De rechtbank geeft gedaagde daarin gelijk, maar stelt dat deze
onzekerheid, die is veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen van gedaagde
zelf, in dit geval niet in het nadeel van de vrouw mag uitwerken.
Toegewezen: materiële schadevergoeding ƒ 10.362,61; immateriële schadevergoeding
ƒ 10.000,–; toekomstige inkomstenderving, nader op te maken bij staat;
toekomstige nog te maken kosten van eiseres tengevolge van gedaagdes onrechtmatige
daad.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij exploit van 6 september 1994 heeft eiseres de gedaagde gedagvaard
voor deze rechtbank. Bij conclusie van eis heeft zij, in overeenstemming
met de aankondiging in de dagvaarding, gevorderd: bij vonnis, voor zover
mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagde te veroordelen tot het betalen van een bedrag van ƒ 10.362,61
aan materiële schadevergoeding en
ƒ 10.000,– aan immateriële schadevergoeding aan haar, eiseres, tegen
bewijs van behoorlijke kwijting, plus de wettelijke rente tot aan de dag
van voldoening, althans zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie
meent te moeten vaststellen;
b. gedaagde te veroordelen tot het betalen van toekomstige inkomstenderving
van haar, eiseres, ten gevolge van gedaagdes onrechtmatige daad jegens
haar, nader op te maken bij staat;
c. gedaagde te veroordelen tot het betalen van de mogelijk nog in de toekomst
te maken kosten van haar, eiseres, ten gevolge van gedaagdes onrechtmatige
daad jegens haar, nader op te maken bij staat;
d. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder het salaris
van de procureur van haar, eiseres.

Eiseres heeft bij deze conclusie tien produkties in het geding gebracht.

1.2 Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd.

1.3 Eiseres heeft gerepliceerd.

1.4 Gedaagde heeft gedupliceerd.

1.5 Ten slotte hebben partijen de stukken aan de rechtbank overlegd en
vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. Eiseres is geboren op 18 augustus 1968. Gedaagde is haar oom (zwager
van haar vader). Hij is geboren op 8 februari 1929.

2.2. Bij (kennelijk in kracht van gewijsde gegaan) op tegenspraak gewezen
vonnis van 29 april 1983 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtkamer
bewezen verklaard dat gedaagde in de periode van 1 juli 1980 tot en met
27 oktober 1982 te Vleuten en te Beesd tuchtige handelingen heeft gepleegd,
bestaande uit het telkens opzettelijk ontuchtig betasten van de borsten
en de vrouwelijkheid van eiseres. Gedaagde is daarvoor veroordeeld tot
een gevangensistraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf voorwaardelijk.
(Partijen spreken kennelijk abusievelijk over een geheel voorwaardelijke
gevangensstraf van vijf maanden.)

2.3. Eiseres heeft van april 1988 tot september 1989 gewerkt als leerling-ziekenverzorgende.

2.4. Eiseres is van 2 oktober 1989 tot 27 december 1989 werkzaam geweest
in dienst van Koninklijke Ahold NV (hierna: Ahold), als verkoopster in
een winkelfiliaal. Zij was in vaste dienst. Voordien had zij gedurende
twee jaren ervaring bij deze werkgever opgedaan als zaterdaghulp. Sinds
laatstvermelde datum is zij arbeidsongeschikt. Sedert 31 december 1990
ontvangt zij een AAW/WAO-uitkering. Deze is tot 1 januari 1996 door haar
werkgever aangevuld tot bedragen gelijk aan 100 pct., 90 pct., 80 pct.,
en 75 pct. van haar brutoloon, respectievelijk tot 4 januari 1993, 3 januari
1994, 2 januari 1995 en 1 januari 1996.

2.5. Met het oog op haar uitkering heeft psychiater D. Kok in 1990 gerapporteerd
over de vraag of de arbeidsongeschiktheid van eiseres nog voortduurde.
In zijn rapport, van 7 maart 1990, maakt hij melding van de periode waarin
eiseres de opleiding tot ziekenverzorgende heeft gevolgt. Hij vermeldt
daarover onder meer het volgende:
‘In haar werk als leerling-ziekenverozrgende ging ze ‘er keihard tegenaan’,
eigenlijk ging ze daarbij over haar grens heen en in september 1989 besloot
ze met deze opleiding te stoppen, en wel vanwege klachten van hoofdpijn,
slaapproblemen, moeheid en prikkelbaarheid.
‘
Hoofdpijnklachten heeft eiseres volgens het rapport ‘al 7 jaar, sinds ze
in de periode van 1981 tot 1983 seksueel kontakt met haar oom (-) moest
verduren’. Deze hoofdpijnklachten namen onder stress toe. In december 1989
kreeg ze, zo vermeldt het rapport, ‘het gevoel van een klap op haar hoofd’;
‘de hoofdpijn was toegenomen, ze was emotioneel labiel en moest steeds
huilen, kon niet meer slapen, at slecht en voelde zich misselijk met weerzin
tegen alles’. De rapporteur meldt dat er aanvankelijk een normaal gesprekscontact
met eiseres ontstaat, maar dat ze in de loop van het gesprek bij herhaling
intens moet huilen, het affect is labiel, en wel bij de confrontatie met
de sexuele trauma’s die ze zeven a negen jaar geleden opliep. De psychiater
heeft geconcludeerd dat naar zijn oordeel de arbeidsongeschiktheid nog
voortduurde. Zijn diagnose luidt als volgt:
‘In september 1989 was sprake van een neurastheen, c.q. hyperaesthetisch
emotioneel syndroom, bij deze 21-jarige ongehuwde vrouw, die met haar vriend
samenwoont; op 2 oktober 1989 ging ze bij haar laatste werkgever werken,
zodat gekonkludeerd kan worden dat de basis daarvoor zeker niet optimaal
was; na de incestervaring van 1981 tot 1983 ontstonden er al snel problemen
in het sociale kontakt, met name omdat ze gauw geirriteerd is; sinds 7
jaar bestaan klachten van spanningshoofdpijn; er is niet zozeer sprake
van eendepressief beeld in medische zin, dan wel van zgn. inklemming van
agressief affekt, dat aanleiding geeft tot preokkupatie met de incest;
betr. is schrikachtig.’

De psychiater achtte de prognose op korte termijn ‘moeizaam’.

2.6. Eiseres heeft in de periode van mei 1990 tot en met juni 1991 een
ambulante behandeling ondergaan bij de RIAGG Stad Utrecht. Een daarop betrekking
hebbende brief van 15 november 1991 van deze instelling aan de raadsvrouwe
van eiseres vermeldt verder onder meer:
‘Haar arbeidsongeschiktheid werd o.a. veroorzaakt door ernstige hoofdpijnklachten,
van psychosomatische aard. Het is waarschijnlijk dat deze klachten rechtstreeks
in verband staan met het sexueel misbruik door een oom (-) dat zijn gedurende
2 jaar onder bedreiging moest ondergaan.

De ambulante behandeling op de Riagg heeft tot nu toe niet de gewenste
verwerking opgeleverd’

2.7. Blijkens een brief van 12 augustus 1993 van de Gemeenschappelijke
Medische Dienst aan de raadsvrouwe van eiseres is uit gegevens van de RIAGG
gebleken dat de toestand van eiseres niet is verbeterd ten opzichte van
de situatie die de psychiater Kok in zijn rapport van 7 maart 1990 beschreven.

2.8. Bij brief van 11 mei 1994 heeft de bedrijfsvereniging DETAM aan eisers
bericht dat zij, eiseres, gedurende ten hoogste vijf jaren, dat wil zeggen
tot 1 mei 1999, recht heeft op de AAW/WAO uitkering.

2.9. Blijkens een brief van 1 juni 1994 van Ahold aan raadsvrouwe van eiseres
ontvingen volledige WAO-ers binnen dat bedrijf in 1993 een derde deel van
de winstuitkering die gold voor werknemers die arbeid verrichtten. In datzelfde
jaar hadden de cadeaubonnen voor volledige WAO-ers een waarde die ƒ 400,–
lager lag dan die voor degenen die full-time werkzaam waren.

2.10. Gedaagde heeft thans een AOW-uitkering. Hij is in gemeenschap van
geoderen gehuwd. Zijn echtgenote heeft inkomsten uit arbeid. Zelf verdient
hij regelmatig bij door het doen van klusjes voor anderen.

3. Het geschil van partijen

3.1. Eiseres vordert hetgeen in nummer 1.1 is omschreven. Zij legt hieraan
ten grondslag dat gedaagde door het gebeurde in de jaren 1980-1982 jegens
haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Zij begroot haar daarvoor veroorzaakte
materiële schade tot het tijdstip van de dagvaarding op ƒ 10.362,81 en
haar immateriële schade op ƒ 10.000,–.
De materiële schade bestaat in gederfde inkomsten (aanvulling van het salaris
niet tot 100 pct., een geringer winstaandeel en een geringer bedrag aan
kerstcadeaubonnen). Haar immateriële schade bestaat onder meer in: veel
last van nachtmerries, slecht slapen, onverklaarbare huilbuien, angst,
schaamtegevoelens, moeheid, hoofdpijnklachten en gevoelens van falen. Zij
stelt dat deze klachten, naar het zich laat aanzien, niet van voorbijgaande
aard zijn.

3.2. Gedaagde heeft tegen de vordering verweerd.
Primair beroept hij zich op verjaring van de rechtsvordering van eiseres,
nu de dagvaarding is uitgebracht na verloop van vijf jaren na de aanvang
van de dag volgende op die waarop zij zowel met de schade als met de daarvoor
aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:330 lid 1 BW).
Subsidiair betwist de gedaagde het causale verband tussen het gebeuren
in de jaren 1980-1982 en de gestelde schade, alsmede de omvang van die
schade.

Hij stelt in dit verband onder meer dat eiseres de schade niet voldoende
heeft beperkt. Op de verdere onderdelen van dit verweer zal de rechtbank
in het navolgende nagaan.
Meer subsidiair bepleit gedaagde matiging van het bedrag van de schadevergoeding.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het primaire beroep van gedaagde op verjaring van de rechtsvordering
van eiseres gaat niet op. Van toepassing is thans het vierde lid van artikel
3:310 BW, dat is toegevoegd bij de Wet van 7 juli 1994, Stb. 529. De gebeurtenis
waardoor de gestelde schade is veroorzaakt levert het misdrijf van artikel
247 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op en is gepleegd ten aanzien
van een toen minderjarige. Hieruit volgt dat de rechtsvordering tot vergoeding
van schade tegen de schuldige aan het misdrijf, gedaagde, niet verjaart
zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is vervallen. Dit
nu is niet het geval. Ingevolge artikel 71 lid 1 aanhef en onder 3 Sr,
zoals dit sedert de Wet van 7 juli 1994 luidt, vangt voor het misdrijf
in kwestie de verjaringstermijn (van twaalf jaren, op grond van artiekel
70 aanhef en onder 3 in verbinding met artikel 247 Sr) aan op de dag na
die waarop de minderjarige achttien jaren is geworden. Deze termijn was
in het onderhavige geval op 6 september 1994 nog niet verstreken. Aantekening
verdient hierbij het artikel III van de Wet van 7 juli 1994 bepaalt dat
de bedoelde wijzigingen van toepassing zijn op strafbare feiten die zijn
gepleegd voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Het beroep van eiseres op artikel 3:310 lid 4 (nieuw) BW is niet in strijd
met redelijkheid en billijkheid, zoals gedaagde nog heeft betoogd. De feiten
waarop hij zich hiertoe heeft beroepen, staan aan toepassing van deze dwingende
wetsbepaling niet in de weg.

4.2. Gedaagde heeft niet betwist dat hij door gebeurtenissen in de jaren
1980-1982 jegens eiseres een onrechtmatige daad heeft gepleegd. het geschil
van partijen spitst zich toe op de vraag of eiseres daardoor schade heeft
geleden, en op de omvang van dergelijke schade.

4.3. Gedaagde heeft op zichzelf niet betwist dat eiseres (ook thans nog)
de klachten heeft die in onderdeel 14 van de dagvaarding zijn opgenomd
(veel last van nachtmerries enz.). Dit staat dus tussen partijen vast.
Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aangetoond
dat deze klachten hun oorzaak vinden in de gebeurtenissen waarbij gedaagde
betrokken was. Het is een feit van algemene bekendheid dat het op jeugdige
leeftijd moeten ondervinden van ontuchtige handelingen als de onderhavige
tot dergelijke klachten kan leiden, en het rapport van de psychiater Kok
maakt aannemelijk dat dit causale verband hier ook werkelijk bestaat. Aanwijzingen
voor andere (traumatische) ervaringen of voor oorzaken die in de persoon
van eiseres liggen, zijn in dat rapport niet te lezen. Gedaagde heeft onvoldoende
gesteld ter ontzenuwing van de bevindingen van de psychiater. De problemen
die eiseres, blijkens de rapportage van deze arts, heeft ondervonden bij
haar werk als leerling-ziekenverzorgende, kunnen, voor zover zij al niet
zijn terug te voeren op de onrechtmatige daad van gedaagde, heel wel hun
oorzaak vinden in de bijzondere aard van dat werk, waarmee eiseres na vrij
korte tijd is gestopt.

4.4. Verworpen wordt de stelling van gedaagde dat eiseres deze toestand
had kunnen voorkomen door, in meerdere mate dan zij heeft gedaan, gebruik
te maken van mogelijkheden tot hulpverlening. Eisers heeft, als reactie
op het desbetreffende betoog van gedaagde naar aanleiding van enkele passages
in het rapport van de psychiater, onweersproken gesteld dat zij na de aangifte
van de strafbare feiten, door de politie is verwezen naar de psycholoog
van het Wilhelmina Kinderziekenhuis, maar dat zij daaraan toen nog niet
toe was. Deze stelling komt de rechtbank plausibel voor, gelet ook op de
leeftijd die eiseres toen had. Dat zij overigens niet in voldoende mate
bereid zou zijn geweest zich onder behandeling te stellen, is niet gebleken.
De rapportage van de RIAGG wijst in andere richting.

4.5. Uit de vaststaande feiten valt te concluderen dat het bestaan van
de onder 4.3 bedoelde klachten nog steeds tot de arbeidsongeschiktheid
van eiseres leidt. De stelling van gedaagde dat zij wel degelijk in staat
is werkzaamheden te verrichten, is te vaag om aanleiding te geven tot nader
onderzoek. Van belang is hierbij dat gedaagde hierop niet is teruggekomen
nadat eiseres deze stelling bij repliek had betwist.

4.6. Tegen de achtergrond van het voorgaande zal de rechtbank thans de
gestelde schadeposten beoordelen.
Wat de materiële schade betreft stelt zij vast dat de gedaagde de berekening
van eiseres betreffende haar inkomensschade als gevolg van de arbeidsongeschiktheid,
na de daarop door de eiseres bij repliek gegeven nadere toelichting op
zichzelf kennelijk niet langer betwist. Dit betreft dus de omvang van de
korting op de suppletie en op de bijzondere emolumenten (winstuitkering,
cadeaubonnen). Dat zij met deze kortingen is geconfronteerd, valt in de
hier gegeven omstandigheden aan gedaagde toe te rekenen. Weliswaar was
eiseres toe zij ziek werd nog maar kort in vaste dienst bij Ahold, maar
er zijn geen aanwijzingen voor andere oorzaken van de klachten die haar
ertoe brachten met dat werk te stoppen. Aan gedaagde kan worden toegeven
dat het niet zeker is dat eiseres al deze jaren bij Ahold zou hebben gewerkt,
maar deze onzekerheid, die is veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen
van gedaagde zelf, mag in dit geval niet in het nadeel van eiseres uitwerken.
Het hier overwogene leidt ertoe dat de gestelde materiële schade voldoende
aannemelijk is gemaakt.

4.7. De rechtbank komt tot ditzelfde oordeel ten aanzien van de door eiseres
gestelde immateriële schade. De klachten van eiseres zijn in hun totaliteit
van ernstige aard en zij bestaan ondanks de behandeling door (onder meer)
de RIAGG nog steeds. De veroordeling van gedaagde door de strafrechter
biedt onvoldoende genoegdoening voor eiseres. In dit verband verwijst de
rechtbank ten overvloede naar de passage in de memorie van toelichting
op het wetsvoorstel dat de eerdergenoemde Wet van 7 juli 1994 heeft geleid,
die inhoudt dat juist op het onderhavige terrein het strafrecht aan goedmaking
van het door het slachtoffer geleden onrecht nauwelijks kan bijdragen (Kamerstukken
II, 1992-1993, 22 889, nr. 3, p. 5).

4.8. De stellingen van gedaagde ter ondersteuning van zijn beroep op toepassing
van het rechterlijke matigingsrecht zijn te vaag gebleven om tot een nader
onderzoek op dit punt te kunnen leiden.

Ook hier stelt de rechtbank vast dat gedaagde niet is ingegaan op het desbetreffende
betoog van eiseres in de conclusie van repliek.

4.9. Uit het tot dusver overwogene volgt dat onderdeel a van de vordering
toewijsbaar is. Nu de mogelijkheid van verdere schade als bedoeld in de
onderdelen b en c, reëel is, zullen ook die onderdelen worden toegewezen.
In een eventuele schadestaatprocedure zal, zo nodig, een nader onderzoek
kunnen worden ingesteld naar het verband tussen de gebeurtenissen in de
jaren 1980-1982 en de gestelde verdere schade.

4.10. Gedaagde dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden
verwezen in de kosten van het geding. Daar aan eisers een toevoeging is
verleend op basis van de Wet rechtsbijstand, zal de rechtbank hierbij toepassing
geven aan artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna:
Rv).

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van:
a. een bedrag van ƒ 10.362,61 (tienduizend driehondertweeënzestig gulden
en eenenzestig cent) als vergoeding van materiële schade en een bedrag
van ƒ 10.000,– (tienduizend gulden) als vergoeding van immateriële schade,
telkens tegen bewijs van behoorlijke kwijting en beide bedragen vermeerderd
met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, 6 september 1994,
tot aan de dag der voldoening;
b. de toekomstige inkomstenderving van eiseres ten gevolge van gedaagdes
onrechtmatige daad jegens eiseres, nader op te maken bij de staat;
c. de mogelijk nog in de toekomst te maken kosten van eiseres ten gevolge
van gedaagdes onrechtmatige daad jegens eiseres, nader op te maken bij
de staat;

5.2. veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van
eiseres gevallen en begroot deze kosten tot aan deze uitspraak op ƒ 1.420,–
voor salaris van haar procureur en op ƒ 526,68 voor verschotten, met
bepaling dat gedaagde deze kosten op de voet van artikel 57b Rv dient uit
te betalen aan de griffier van de rechtbank;

5.3. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

mr Hofhuis

Instantie: Rechtbank Utrecht, 31 januari 1996

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Eiseres is in 1980/1981 seksueel misbruikt door haar oom. Hij is door daarvoor
bij vonnis van 29 april 1983 strafrechtelijk veroordeeld. In 1989 moest
eiseres abrupt met haar werk stoppen wegens een groot aantal lichamelijke
klachten. Zij is in de WAO terecht gekomen. Volgens het GMD vloeien deze
klachten voort uit het misbruik. Eiseres wil thans materiële en immateriële
schadevergoeding vorderen. De materiële schade bestaat uit inkomensverlies
vanaf 1991.
Eiseres heeft op alle punten gelijk gekregen. De door eiseres gestelde
materiële inkomensschade van ƒ 10 362,61 is toegewezen. Gedaagde heeft nog
aangevoerd dat niet zeker is dat eiseres al die jaren bij deze werkgever
gewerkt zou hebben. De rechtbank geeft gedaagde daarin gelijk, maar stelt dat
deze onzekerheid, die is veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen van
gedaagde zelf, in dit geval niet in het nadeel van eiseres mag uitwerken. De
immateriële schadevergoeding komt op ƒ 10 000. Tevens is toegewezen
toekomstige inkomstenderving, nader op te maken bij staat en toekomstige nog
te maken kosten van eiseres tengevolge van gedaagdes onrechtmatige daad.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij exploit van 6 september 1994 heeft eiseres de gedaagde gedagvaard
voor deze rechtbank. Bij conclusie van eis heeft zij, in overeenstemming met
de aankondiging in de dagvaarding, gevorderd: bij vonnis, voor zover mogelijk
uitvoerbaar bij voorraad:
a. gedaagde te veroordelen tot het betalen van een bedrag van ƒ 10 362,61 aan
materiële schadevergoeding en ƒ 10 000 aan immateriële schadevergoeding aan
haar, eiseres, tegen bewijs van behoorlijke kwijting, plus de wettelijke
rente tot aan de dag van voldoening, althans zodanig bedrag als de rechtbank
in goede justitie meent te moeten vaststellen;
b. gedaagde te veroordelen tot het betalen van de toekomstige
inkomstenderving van haar, eiseres, ten gevolge van gedaagdes onrechtmatige
daad jegens haar, nader op te maken bij staat;
c. gedaagde te veroordelen tot het betalen van de mogelijk nog in de toekomst
te maken kosten, eiseres, ten gevolge van gedaagdes onrechtmatige daad jegens
haar, nader op te maken bij staat,
d. gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder het salaris
van de procureur van haar, eisers.
Eiseres heeft bij deze conclusie tien produkties in het geding gebracht.

1.2. Gedaagde heeft bij conclusie van antwoord verweer gevoerd.

1.3. Eiseres heeft gerepliceerd.

1.4. Gedaagde heeft gedupliceerd.

1.5. Ten slotte hebben partijen de stukken aan de rechtbank overgelegd en
vonnis gevraagd.

2. De vaststaande feiten

2.1. Eisers is geboren op 18 augustus 1968. Gedaagd is haar oom (zwager van
haar vader). Hij is geboren op 8 februari 1929.

2.2. Bij (kennelijk in kracht van gewijsde gegaan) op tegenspraak gewezen
vonnis van 29 april 1983 heeft de meervoudige strafkamer van deze rechtbank
bewezen verklaard dat gedaagde in de periode van 1 juli 1980 tot en met 27
oktober 1982 te Vleuten en te Beesd meermalen, telkens op verschillende
tijdstippen, met eiseres ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit
het telkens opzettelijk ontuchtig betasten van de borsten en de
vrouwelijkheid van eiseres. Gedaagde is daarvoor veroordeeld tot een
gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan vijf voorwaardelijk.
(Partijen spreken kennelijk abusievelijk over een geheel voorwaardelijke
gevangenisstraf van vijf maanden.)

2.3. Eiseres heeft van april 1988 tot september 1989 gewerkt als
leerling-ziekenverzorgende.

2.4. Eiseres is van 2 oktober 1989 tot 27 december 1989 werkzaam geweest in
dienst van Koninklijke Ahold NV (hierna Ahold), als verkoopster in een
winkelfiliaal. Zij was in vaste dienst. Voordien had zij gedurende twee jaren
ervaring bij deze werkgever opgedaan als zaterdaghulp. Sinds laatstvermelde
datum is arbeidsongeschikt. Sedert 31 december 1990 ontvangt zij een
AAW/WAO-uitkering. Deze is tot 1 januari 1996 door haar werkgever aangevuld
tot bedragen gelijk aan 100 pct., 90 pct. en 75 pct. van haar brutoloon,
respectievelijk tot 4 januari 1993, 3 januari 1994, 2 januari 1995 en 1
januari 1996.

2.5. Met het oog op haar uitkering heeft de psychiater D. Kok in 1990
gerapporteerd over de vraag of de arbeidsongeschiktheid van eiseres nog
voortduurde. In zijn rapport, van 7 maart 1990, maakt hij melding van de
periode waarin eisers de opleiding tot ziekenverzorgende heeft gevolgd. Hij
vermeldt daarover onder meer het volgende:
`In haar werk als leerling-ziekenverzorgende ging ze `er keihard tegenaan’,
eigenlijk ging ze daarbij over haar grens heen en in september 1989 besloot
ze met deze opleiding te stoppen, en wel vanwege klachten van hoofdpijn,
slaapproblemen, moeheid en prikkelbaarheid.”
Hoofdpijnklachten heeft eiseres volgens het rapport `al zeven jaar, sinds ze
in de periode van 1981 tot 1983 seksueel contact met haar oom (-) moest
verduren’. Deze hoofdpijnklachten namen onder stress toe. In december 1989
kreeg ze, zo vermeldt het rapport, `het gevoel van een klap op haar hoofd”;
`de hoofdpijn was toegenomen, ze was emotioneel labiel en moest steeds
huilen, kon niet meer slapen, at slecht en voelde zich misselijk met weerzin
tegen alles’. De rapporteur meldt dat er aanvankelijk een normaal
gesprekscontact met eisers ontstaat, maar dat ze in de loop van het gesprek
bij herhaling intens moet huilen, het affect is labiel, en wel bij de
confrontatie met seksuele trauma’s die ze zeven a negen jaar geleden opliep.
De psychiater heeft geconcludeerd dat naar zijn oordeel de
arbeidsongeschiktheid nog voortduurde. Zijn diagnose luidt als volgt:
`In september 1989 was sprake van een neurastheen, c.q. hyperaestetisch
emotioneel syndroom, bij deze 21-jarige ongehuwde vrouw, die met haar vriend
samenwoont; op 2 oktober 1989 ging ze bij haar laatste werkgever werken,
zodat geconcludeerd kan worden dat de basis daarvoor zeker niet optimaal was;
na de incestervaring van 1981 tot 1983 ontstonden er al snel problemen in het
sociale contact, met name omdat ze gauw geïrriteerd is; sinds 7 jaar bestaan
klachten van spanningshoofdpijn; er is niet zozeer sprake van een depressief
beeld in medische zin, dan wel van zgn. inklemming van agressief affect, dat
aanleiding geeft tot preoccupatie met de incest; betr. is schrikachtig.’
De psychiater achtte de prognose op korte termijn `moeizaam’.

2.6. Eiseres heeft in de periode van mei 1990 tot en met juni 1991 een
ambulante behandeling ondergaan bij de RIAGG Stad Utrecht. Een daarop
betrekking hebbende brief van 15 november 1991 van deze instelling aan de
raadsvrouwe van eiseres vermeldt verder onder meer:

`Haar arbeidsongeschiktheid werd o.a. veroorzaakt door ernstige
hoofdpijnklachten, van psychosomatische aard. Het is waarschijnlijk dat deze
klachten rechtstreeks verband in staan met het seksueel misbruik door een oom
(-) dat zij gedurende 2 jaar onder bedreiging moest ondergaan. De ambulante
behandeling op de Riagg heeft tot nu toe niet de gewenste verwerking
opgeleverd.’

2.7. Blijkens een brief van 12 augustus 1993 van de Gemeenschappelijke
Medische Dienst aan de raadsvrouwe van eiseres is uit gegevens van de RIAGG
gebleken dat de toestand van eiseres niet is verbeterd ten opzichte van de
situatie die de psychiater Kok in zijn rapport van 7 maart heeft beschreven.

2.8. Bij brief van 11 mei 1994 heeft de bedrijfsvereniging DETAM aan eiseres
bericht dat zij, eisers, gedurende ten hoogste vijf jaren, dat wil zeggen tot
1 mei 1999, recht heeft op de AAW/WAO-uitkering.

2.9. Blijkens een brief van 1 juni 1994 van Ahold aan de raadsvrouwe van
eiseres ontvingen volledige WAO-ers binnen dat bedrijf in 1993 een derde deel
van de winstuitkering die gold voor werknemers die arbeid verrichten. In
datzelfde jaar hadden de cadeaubonnen voor volledige WAO-ers een waarde die ƒ
400 lager lag dan die voor degenen die full-time werkzaam waren.

2.10 Gedaagde heeft thans een AOW-uitkering. Hij is in gemeenschap van
goederen gehuwd. Zijn echtgenote heeft inkomsten uit arbeid. Zelf verdient
hij regelmatig bij door het doen van klusjes voor anderen.

3. Het geschil van partijen

3.1. Eiseres vordert hetgeen in nummer 1.1 is omschreven. Zij legt hieraan
ten grondslag dat gedaagde door het gebeurde in de jaren 1980-1982 jegens
haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Zij begroot haar daardoor
veroorzaakte materiële schade tot het tijdstip van de dagvaarding op ƒ 10
362,81 en haar immateriële schade op ƒ 10 000.
De materiële schade bestaat in gederfde inkomsten (aanvulling van het salaris
niet tot 100 pct., een geringer winstaandeel en een geringer bedrag aan
kerstcadeaubonnen). Haar immateriële schade bestaat onder meer in: veel last
van nachtmerries, slecht slapen, onverklaarbare huilbuien, angst,
schaamtegevoelens, moeheid, hoofdpijnklachten en gevoelens van falen. Zij
stelt dat deze klachten, naar het zich laat aanzien, niet van voorbijgaande
aard zijn.

3.2. Gedaagde heeft zich tegen de vordering verweerd.
Primair beroept hij zich op verjaring van de rechtsvordering van eisers, nu
de dagvaarding is uitgebracht na verloop van vijf jaren na de aanvang van de
dag volgende op die waarop zij zowel met de schade als met de daarvoor
aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 lid 1 BW).
Subsidiair betwist gedaagde het causale verband tussen het gebeurde in de
jaren 1980-1982 en de gestelde, alsmede de omvang van de schade. Hij stelt in
dit verband onder meer dat eiseres de schade niet voldoende heeft beperkt. Op
de verdere onderdelen van dit verweer zal de rechtbank in het navolgende
ingaan.
Meer subsidiair bepleit gedaagde matiging van het bedrag van de
schadevergoeding.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Het primaire beroep van gedaagde op verjaring van de rechtsvordering van
eiseres gaat niet op. Van toepassing is thans het vierde lid van artikel
3:310 BW, dat is toegevoegd bij de Wet van 7 juli 1994, Stb. 529. De
gebeurtenis waardoor de gestelde schade is veroorzaakt levert het misdrijf
van artikel 247 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op en is gepleegd
ten aanzien van een toen minderjarige. Hieruit volgt dat de rechtsvordering
tot vergoeding van schade tegen de schuldige aan het misdrijf, gedaagde, niet
verjaart zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring is
vervallen. Dit nu is niet het geval. Ingevolge artikel 71 lid 1 aanhef en
onder 3° Sr, zoals dit sedert de Wet van 7 juli 1994 luidt, vangt voor het
misdrijf in kwestie de verjaringstermijn (van twaalf jaren, op grond van
artikel 70 aanhef en onder 3° in verbinding met artikel 247 Sr) aan op de dag
na die waarop de betrokken minderjarige achttien jaren is geworden. Deze
termijn was in het onderhavige geval op 6 september 1994 nog niet verstreken.
Aantekening verdient hierbij dat artikel III van de Wet van 7 juli 1994
bepaalt dat de bedoelde wijzigingen van toepassing zijn op strafbare feiten
die zijn gepleegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet.
Het beroep van eiseres op artikel 3:310 lid 4 (nieuw) BW is niet in strijd
met de redelijkheid en billijkheid, zoals gedaagde nog heeft betoogd. De
feiten waarop hij zich hiertoe heeft beroepen, staan aan toepassing van deze
dwingende wetsbepaling niet in de weg.

4.2. Gedaagde heeft niet betwist dat hij door de gebeurtenissen in de jaren
1980-1982 jegens eisers een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Het geschil
van partijen spitst zich toe op de vraag of eisers daardoor schade heft
geleden, en op de omvang van dergelijke schade.

4.3. Gedaagde heeft op zichzelf niet betwist dat eiseres (ook thans nog) de
klachten heeft die in onderdeel 14 van de dagvaarding zijn opgesomd (veel
last van nachtmerries enz.) Dit staat dus tussen partijen vast. Eiseres heeft
naar het oordeel van de rechtbank dus in voldoende mate aangetoond dat deze
klachten hun oorzaak vinden in de gebeurtenissen waarbij gedaagde betrokken
was. Het is een feit van algemene bekendheid dat het op jeugdige leeftijd
moeten ondervinden van ontuchtige handelingen als de onderhavige tot
dergelijke klachten kan leiden, en het rapport van psychiater Kok maakt
aannemelijk dat dit causale verband hier ook werkelijk bestaat. Aanwijzingen
voor andere (traumatische) ervaringen of voor oorzaken die in de persoon van
eiseres liggen, zijn in dat rapport niet te lezen. Gedaagde heeft onvoldoende
gesteld ter ontzenuwing van de bevindingen van de psychiater. De problemen
die eiseres, blijkens de rapportage van deze arts, heeft ondervonden bij haar
werk als leerling-ziekenverzorgende, kunnen, voor zover zij al dan niet zijn
terug te voeren op de onrechtmatige daad van gedaagde, heel wel hun oorzaak
vinden in de bijzondere aard van dat werk, waarmee eiseres na vrij korte tijd
is gestopt.

4.4. Verworpen wordt de stelling van gedaagde dat eiseres deze toestand had
kunnen voorkomen door, in meerdere mate dan zij heeft gedaan, gebruik te
maken van mogelijkheden tot hulpverlening. Eiseres heeft, als reactie op het
desbetreffende betoog van gedaagde naar aanleiding van enkele passages in het
rapport van de psychiater, onweersproken gesteld dat zij na de aangifte van
de strafbare feiten, door de politie is verwezen naar de psycholoog van het
Wilhelmina Kinderziekenhuis, maar dat zij daaraan toen nog niet toe was. Deze
stelling komt de rechtbank plausibel voor, gelet ook op de leeftijd die
eiseres toen had. Dat zij overigens niet in voldoende mate bereid zou zijn
geweest zich onder behandeling te stellen, is niet gebleken. De rapportage
van de Riagg wijst in andere richting.

4.5. Uit de vaststaande feiten valt te concluderen dat het bestaan van de
onder 4.3 bedoelde klachten nog steeds tot de arbeidsongeschiktheid van
eiseres leidt. De stelling van gedaagde dat zij wel degelijk in staat is
werkzaamheden te verrichten, is te vaag om aanleiding te geven tot nader
onderzoek. Van belang is hierbij dat gedaagde hierop niet is teruggekomen
nadat eiseres deze stelling bij repliek had betwist.

4.6. Tegen de achtergrond van het voorgaande zal de rechtbank thans de
gestelde schadeposten beoordelen.
Wat de materiële schade betreft stelt zij vast dat gedaagde de berekening van
eiseres betreffende haar inkomensschade als gevolg van de
arbeidsongeschiktheid, na de daarop door eiseres bij repliek gegeven nadere
toelichting op zichzelf kennelijk niet langer betwist. Dit betreft dus de
omvang van de korting op de suppletie en op de bijzondere emolumenten
(winstuitkering, cadeaubonnen). Dat zij met deze kortingen is geconfronteerd,
valt in de hier gegeven omstandigheden aan gedaagde toe te rekenen. Weliswaar
was eiseres toen zij ziek werd nog maar kort in vaste dienst bij Ahold, maar
er zijn geen aanwijzingen voor andere oorzaken van de klachten die haar ertoe
brachten met dat werk te stoppen. Aan gedaagde kan worden toegegeven dat het
niet zeker is dat eiseres al deze jaren bij Ahold zou hebben gewerkt, maar
deze onzekerheid, die is veroorzaakt door de onrechtmatige gedragingen van
gedaagde zelf, mag in dit geval niet in het nadeel van eiseres uitwerken.
Het hier overwogene leidt ertoe dat de gestelde materiële schade voldoende
aannemelijk is gemaakt.

4.7. De rechtbank komt tot ditzelfde oordeel ten aanzien van de door eiseres
gestelde immateriële schade. De klachten van eiseres zijn in hun totaliteit
van ernstige aard en zij bestaan ondanks de behandeling door (onder meer) de
RIAGG nog steeds. De veroordeling van gedaagde door de strafrechter biedt
onvoldoende genoegdoening voor eiseres. In dit verband verwijst de rechtbank
ten overvloede naar de passage in de memorie van toelichting op het
wetsvoorstel dat tot de eerdergenoemde Wet van 7 juli 1994 heeft geleid, die
inhoudt dat juist op het onderhavige terrein het strafrecht aan goedmaking
van het door het slachtoffer geleden onrecht nauwelijks kan bijdragen
(Kamerstukken II, 1992-1993, 22 889, nr. 3, p. 5).

4.8. De stellingen van gedaagde ter ondersteuning van beroep op toepassing
van het rechterlijke matigingsrecht zijn te vaag gebleven om tot een nader
onderzoek op dit punt te kunnen leiden. Ook hier stelt de rechtbank vast dat
gedaagde niet is ingegaan op het desbetreffende betoog van eiseres in de
conclusie van repliek.

4.9. Uit het tot dusver overwogene volgt dat onderdeel a van de vordering
toewijsbaar is. Nu de mogelijkheid van verdere schade, als bedoeld in de
onderdelen b en c, reëel is, zullen ook die onderdelen worden toegewezen. In
een eventuele schadestaatprocedure zal, zo nodig, een nader onderzoek kunnen
worden ingesteld naar het verband tussen de gebeurtenissen in de jaren
1980-1982 en de gestelde schade.

4.10. Gedaagde dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden
verwezen in de kosten van het geding. Daar aan eiseres een toevoeging is
verleend op basis van de Wet rechtsbijstand, zal de rechtbank hierbij
toepassing geven aan artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (hierna Rv).

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van:
a. een bedrag van ƒ 10 362,61 (tienduizend driehonderdtweeënzestig gulden en
eenenzestig cent) als vergoeding van materiële schade en een bedrag van ƒ 10
000 (tienduizend gulden) als vergoeding van immateriële schade, telkens tegen
bewijs van behoorlijke kwijting en beide bedragen vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, 6 september 1994, tot aan de
dag der voldoening;
b. de toekomstige inkomstenderving van eiseres ten gevolge van gedaagdes
onrechtmatige daad jegens eiseres, nader op te maken bij staat;
c. de mogelijk nog in de toekomst te maken kosten van eiseres ten gevolge van
gedaagdes onrechtmatige daad jegens eiseres, nader op te maken bij staat;

5.2. veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van
eiseres gevallen en begroot deze kosten op ƒ 526,68 voor voorschotten, met
bepaling dat gedaagde deze kosten op de voet van artikel 57b Rv dient uit de
betalen aan de griffier van de rechtbank;

5.3. verklaart deze veroordelingen bij voorraad

Rechters

Mr. H.F.M. Hofhuis

Instantie: Kantonrechter Terneuzen, 31 januari 1996

Instantie

Kantonrechter Terneuzen

Samenvatting


Een assurantiekantoor kende tot 1 januari 1987 een pensioenregeling waarin
voor vrouwen een lagere pensioenleeftijd van toepassing was dan voor mannen
en waarin tot 1 januari 1989 een weduwnaarspensioen ontbrak. Bij de
gelijkstelling van de pensioenleeftijd en bij de invoering van het
weduwnaarspensioen werd aan mevrouw X de keuze gegeven tussen deelname aan de
oude of aan de nieuwe pensioenregeling. Mevrouw X koos beide keren voor de
voortzetting van de oude pensioenregeling, zonder weduwnaarspensioen. Toen
mevrouw X overleed verzocht haar echtgenoot om uitkering van het
weduwnaarspensioen. De werkgever weigerde dit.
De kantonrechter overwoog dat uit het Coloroll-arrest (HvJ EG 28 september
1994, RN 1995, 455) blijkt, dat door de werkgever aan vrouwen
weduwnaarspensioen moet worden toegekend als aan mannen weduwenpensioen wordt
toegekend, ongeacht of vrouwen een lagere pensioenleeftijd hebben.
Verder overweegt de kantonrechter dat de weduwnaar aangetoond heeft dat het
aantal pensioenjaren als basis voor de berekening van het
nabestaandenpensioen vanaf het jaar van indiensttreden gelijk blijft. Daaraan
doet volgens de kantonrechter niet af dat het aantal fictieve pensioenjaren
per werknemer kan verschillen. F heeft volgens de rechter terecht de passage
in het Coloroll-arrest aangehaald waarin staat dat op een voordeel, dat enkel
verschuldigd is vanwege het bestaan van een arbeidsverhouding op het tijdstip
van het voorval, dat het voordeel opeisbaar maakt, ongeacht de duur van de
voorafgaande tijdvakken van arbeid, de beperking in de tijd van het
Barber-arrest slechts van toepassing is wanneer het verzekerd voorval viel
voor 17 mei 1990. Doordat het overlijden van X viel na 17 mei 1990 heeft de
werkgever volgens de kantonrechter geheel ten onrechte de diensttijd voor 17
mei 1990 buiten beschouwing gelaten.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
Bij exploit van 22 augustus 1995 heeft F. F. Assurantiën opgeroepen om voort
te procederen in de stand waarin het geding zich bevond na verwijzing door de
rechtbank te Middelburg. Tot dan zijn de volgende proceshandelingen verricht:
– dagvaarding van 2 augustus 1993,
– conclusies van antwoord, repliek en dupliek,
– akte van F,
– tussenvonnis van 6 juli 1994,
– akten,
– eindvonnis van 5 oktober 1994,
– dagvaarding in hoger beroep door F,
– memorie van grieven en antwoord,
– nadere akten,
– vonnis van de rechtbank van 19 juli 1995.
Bij het vonnis van 5 oktober 1994 heeft de kantonrechter zich bevoegd geacht,
maar de vordering afgewezen op de grond dat deze niet betrekkelijk is tot een
arbeidsovereenkomst. De rechtbank heeft dit vonnis in hoger beroep vernietigd
en de zaak teruggewezen. Partijen hebben vonnis gevraagd op de stukken zowel
van de eerste aanleg als van het hoger beroep. Beiden hebben deze stukken bij
akte overlegd.

1. De feiten
1.1. De echtgenote van F is overleden op 29 mei 1991. Zij was in loondienst
bij F. Assurantiën en nam sedert 1 januari 1976 deel in de pensioenregeling
van F. Assurantiën. Deze regeling werd vastgelegd in het pensioenreglement
van 1 januari 1977.
1.2. Deze regeling was voor mannen en vrouwen niet gelijk. Vrouwen hadden
recht op pensioen bij de leeftijd van 60 jaren en mannen bij de leeftijd van
62 of 65 jaren. Voorts gold voor vrouwen geen nabestaandenpensioen en voor
mannen wel. F. Assurantiën heeft dit met een nieuw pensioenreglement
rechtgetrokken, en wel in twee stappen. Per 1 januari 1987 werd de
pensioengerechtigde leeftijd voor mannen en vrouwen gelijk per 1 januari 1989
werd een weduwnaarspensioen geïntroduceerd. Bij beide gelegenheden heeft F.
Assurantiën aan mevrouw F de keuze gegeven tussen het oude en het nieuwe
pensioenreglement. Beide keren heeft mevrouw F gekozen voor handhaving van
het oude reglement.

2. Het geschil
2.1. F heeft zich beroepen op art. 119 EG-verdrag en het Barber-arrest van
het Hof van Justitie EG en heeft gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad:
a. voor recht te verklaren dat F recht heeft op een weduwnaarspensioen;
b. betaling van dit weduwnaarspensioen vanaf de datum van het overlijden van
zijn echtgenote op dezelfde wijze berekend als het weduwenpensioen, met de
wettelijke rente vanaf deze datum;
c. veroordeling in de proceskosten.
2.2. In eerste instantie hielden twee rechtsvragen partijen verdeeld.
F. Assurantiën heeft F willen houden aan de herhaalde keuze van mevrouw F
voor handhaving van het oude pensioenreglement, maar volgens F is deze keuze
nietig wegens strijd met art. 119 EG-verdrag, zoals deze verdragsbepaling
ingevolge het Barber-arrest sinds 17 mei 1990 moet worden opgevat.
F. Assurantiën heeft voorts betoogd dat de verplichting tot gelijke
behandeling slechts bestaat voor de opbouw van pensioen gedurende
ná 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid. F. Assurantiën heeft zich
hierbij gebaseerd op het Ten Oever-arrest van het Hof van Justitie EG van 6
oktober 1993.
F. heeft hiertegenover gesteld dat het nabestaandenpensioen in dit geval een
risicoverzekering is, waarvoor geen opbouw plaats vindt. F heeft daarbij
gewezen op art. 5, lid 2, van het pensioenreglement. Uit het Ten Oever-arrest
volgt naar de mening van F dat er aanspraak is op volledig gelijk pensioen,
zodra er – zoals in dit geval – na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid
zijn.
2.3. In hoger beroep heeft F onder veel meer gewezen op de arresten van het
Hof van Justitie EG van 28 september 1994 inzake Van den Akker/Shell en
inzake Coloroll. Naar aanleiding van deze arresten heeft F. Assurantiën zich
moeten terugtrekken op andere stellingen.
2.3.1. F. Assurantiën heeft moeten erkennen dat art. 119 /EG-verdrag zich
verzet tegen keuzemogelijkheden voor zover deze leiden tot ongelijke
behandeling van mannen en vrouwen. F. Assurantiën heeft echter vervolgens
betoogd dat de meest gunstige regeling voor iedereen moet worden toegepast en
dat voor mevrouw F het oude pensioenreglement de meest gunstige regeling was;
niet voor niets heeft zij daar tweemaal voor gekozen. Omdat dus het oude
reglement geldt en dat geen weduwnaarspensioen kent, moet de vordering
stranden.
2.3.2. F heeft erop gewezen dat in de Coloroll-zaak heel concreet de vraag
werd voorgelegd of en hoe de beperking in de tijd van het Barber-arrest moet
worden toegepast op (voor dit geval gemakshalve te vertalen als)
bedrijfspensioen dat niet gekoppeld is aan de feitelijke duur van het
dienstverband. Het HvJ EG heeft daarop geantwoord dat de beperking in de tijd
van het Barber-arrest op pensioen (benefits) dat niet gekoppeld is aan de
feitelijke duur van het dienstverband alleen dan toepasbaar is, wanneer het
verzekerde voorval (in dit geval het overlijden) plaatsvond vóór 17 mei 1990.
2.3.3. Vervolgens heeft F. Assurantiën beweerd dat de hoogte van haar
weduwnaarspensioen wel degelijk afhankelijk is van de duur van de
voorafgaande tijdvakken van arbeid. Daartoe heeft F. Assurantiën aangevoerd,
samengevat:
Ingevolge art. 5, lid 2, van het pensioenreglement bedraagt het pensioen 70%
van het oudedagspensioen. Bij de berekening blijft het overlijden buiten
beschouwing, maart art. 4 berekent het oudedagspensioen op basis van
pensioenjaren, die – zoals gebruikelijk – zijn gerelateerd aan de tijdvakken
van arbeid. Het maakt dus uit of een werkneemster (bij veertig vereiste
pensioenjaren) in dienst treedt op 25-jarige leeftijd of later. Dit is een
verschil met de Coloroll-zaak. Daarin was bovendien, anders dan in dit geval,
sprake van een uitkering ineens (lumpsum).
2.3.4. F. Assurantiën aanvaardt dat het eerder ingenomen standpunt niet
geheel houdbaar is; de datum van overlijden is niet bepalend. Wel houdt F.
Assurantiën vol dat de tijdvakken van arbeid tot 17 mei 1990 niet meetellen
bij de berekening van het pensioen. F. Assurantiën houdt echter wel rekening
met het tijdvak na datum van overlijden `bij ongewijzigde voortzetting van de
verzekering’. F. Assurantiën komt dan subsidiair tot een weduwnaarspensioen
van ƒ 9492,16 per jaar op basis van ca. 30 fictieve dienstjaren van mevrouw
F, te weten vanaf 17 mei 1990 tot de pensioengerechtigde leeftijd van 65
jaren.
2.3.5. F heeft de gewijzigde standpunten van F. Assurantiën met tal van
argumenten bestreden.

3. De beoordeling van de zaak
3.1. Partijen hebben ook de stukken van het hoger beroep overgelegd en vonnis
gevraagd. Hieruit wordt afgeleid dat de in hoger beroep gewijzigde stellingen
in eerste aanleg als herhaald moet worden beschouwd. Het zou zinloos zijn om
op achterhaalde stellingen te beslissen en daarom wordt hierna slechts
ingegaan op hetgeen nog relevant is na de wijziging van de standpunten van
partijen.
3.2.1. Partijen hebben gediscussieerd over de vraag wat de meest gunstige
regeling was voor mevrouw F. F. Assurantiën heeft het bestaan ertegen te
protesteren dat F in deze discussie terugkwam op een eerder ingenomen
standpunt. De kantonrechter zal deze discussie laten voor wat zij is.
3.2.2. De enig juiste manier voor de rechter om bij gebleken ongelijkheid art
119 na te leven is dat hij de personen uit de benadeelde groep dezelfde
voordelen zal toekennen als de voordelen genoten door de personen uit de
bevoordeelde groep. (r.o. 32 Coloroll-arrest). Het gaat er daarom niet om wat
voor mevrouw F persoonlijk in haar omstandigheden de meest gunstige regeling
was geweest. De rekensommen die F. Assurantiën heeft gemaakt zijn niet
relevant. Wanneer een regeling mannen en vrouwen ongelijk behandelt moeten de
voordelen van de groep mannen worden vergelijken met de voordelen van de
groep vrouwen. Voor een vergelijking per individu is geen plaats; zulks zou
per individu anders kunnen uitpakken en het opheffen van zulke verschillen
zou de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen niet of onvoldoende
wegnemen.
3.2.3. Niet geheel onterecht dus heeft F. Assurantiën geprotesteerd tegen een
`cafetaria-systeem’, waarbij iedere individuele werknemer en zelfs hun
nabestaanden een meest welgevallig pakketje kan samenstellen uit ieder
onderdeel van de beloning, zodat per individuele werknemer optimale
combinaties zouden kunnen worden gevormd, die onderling verschillen. Zulks
heeft met gelijke behandeling van mannen en vrouwen inderdaad niets van doen.
Het is echter geenszins willekeurig om per onderdeel van de beloning,
pensioen daaronder begrepen, de groep mannen met de groep vrouwen te
vergelijken. Terecht heeft F in dit verband gewezen op r.o. 35 (slot) van het
Barber-arrest: De toepassing van het beginsel van gelijke beloning moet
worden verzekerd ten aanzien van elk onderdeel van de beloning en niet alleen
op basis van een vaststelling in haar geheel van de beloning betaald aan
werknemers
.
3.2.4. Hiervan uitgaande moet worden vastgesteld dat het oude
pensioenreglement in één opzicht vrouwen bevoordeelde – zij mochten met
pensioen bij 60 jaren in plaats van 65 jaren – en in een ander opzicht
vrouwen benadeelde: voor hen gold geen nabestaandenpensioen. F heeft in het
nieuwe pensioenreglement de vrouwen haar voordeel ontnomen en op die manier
een gelijke behandeling van mannen en vrouwen bewerkstelligd.
Deze wijziging is thans niet aan de orde.
3.2.5. De benadeling van vrouwen is wat mevrouw F betreft niet weggenomen,
aangezien zij, daartoe in staat gesteld, heeft gekozen voor handhaving van
het oude pensioenreglement.
Zij moest daarbij kiezen tussen twee kwaden: het verhogen van haar
pensioengerechtigde leeftijd en het ontbreken van een weduwnaarspensioen. Dit
illustreert een goede reden om keuzen te negeren voor zover deze leiden tot
ongelijke behandeling van mannen en vrouwen.
In ieder geval is de keuze van mevrouw F in deze zaak niet van belang, zoals
F. Assurantiën uiteindelijk heeft erkend.
3.2.6. Uit het voorgaande volgt dat aan F een weduwnaarspensioen moet worden
toegekend teneinde de benadeling van mevrouw F als vrouw ten opzicht van
mannen op te heffen. De gevorderde verklaring voor recht moet dus worden
toegewezen.
3.3.1. F. Assurantiën heeft beweerd dat de hoogte van haar weduwnaarspensioen
wel degelijk afhankelijk is van de duur van de voorafgaande tijdvakken van
arbeid, maar F heeft aangetoond dat dit onjuist is. Juist door de fictie van
art. 5, lid 2, van het pensioenreglement blijft het aantal pensioenjaren als
basis voor de berekening van het nabestaandenpensioen vanaf het jaar van
indiensttreden steeds gelijk. Daaraan doet niet af dat het aantal fictieve
pensioenjaren per werknemer kan verschillen. Uiteraard mag de hoogte van het
nabestaandenpensioen per werknemer verschillen naar gelang het aantal
pensioenjaren en het eindloon. Dit heeft met ongelijke behandeling van mannen
en vrouwen niets van doen.
Overeind blijft dus dat onder het pensioenreglement van F. Assurantiën voor
elke werknemer een vast aantal pensioenjaren geldt voor de berekening van de
hoogte van het nabestaandenpensioen, ongeacht de duur van de voorafgaande
tijdvakken van feitelijke arbeid.
3.3.2. F heeft dus het gelijk in dezen geheel aan zijn kant en in navolging
van hem wordt hier r.o. 59 van het Coloroll-arrest geciteerd: Aangezien
zo’n voordeel enkel verschuldigd is vanwege het bestaan van een
arbeidsverhouding op het tijdstip van het voorval, dat het voordeel opeisbaar
maakt, ongeacht de duur van de voorafgaande tijdvakken van arbeid, is de
beperking van de gevolgen in de tijd van het Barber-arrest slechts van
toepassing wanneer dat verzekerd voorval viel voor 17 mei 1990. Na die datum
moeten dergelijke uitkeringen worden toegekend met inachtneming van het
beginsel van gelijke behandeling zonder dat een onderscheid behoeft te worden
gemaakt tussen tijdvakken van arbeid vóór het Barber-arrest en tijdvakken van
arbeid na dat arrest
.
3.3.3. Geheel ten onrechte heeft F. Assurantiën dus de periode van het
dienstverband vóór 17 mei 1990 bij het berekenen van het nabestaandenpensioen
van F buiten beschouwing gelaten. F heeft dienaangaande nog opmerkt dat
mevrouw F 44 dienstjaren zou hebben bereikt en dat haar salaris in 1990 bruto
ƒ 54 255 bedroeg. F. Assurantiën heeft opgemerkt dat het pensioenreglement
uitgaat van maximaal veertig pensioenjaren. F. Assurantiën heeft niet
weersproken dat het voormelde salaris de grondslag moet vormen voor de
berekening van het weduwnaarspensioen van F. De kantonrechter gaat ervan uit
dat het pensioenreglement voldoende duidelijkheid zal verschaffen voor de
berekening van dit weduwnaarspensioen.
3.4. In eerste instantie had F. Assurantiën meer subsidiair aangevoerd dat
het toekennen van een volledig weduwnaarspensioen F. Assurantiën in
financiële problemen zou brengen. F. Assurantiën had hiertoe haar
jaarrekening van 1992 overgelegd. F heeft dit verweer, door hem – habe
nichts-exceptie – genoemd, gemotiveerd weersproken. F. Assurantiën is er
daarna niet meer op teruggekomen, zodat mag worden aangenomen dat F.
Assurantiën dit verweer heeft prijsgegeven.
3.5. Uit het voorgaande volgt dat ook de vordering tot betaling van het
weduwnaarspensioen moet worden toegewezen. Met de betaling van dit pensioen
is F. Assurantiën niet van rechtswege in verzuim vanaf de datum van
overlijden. Bij gebreke van verdere gegevens is de wettelijk rente eerst
toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding, en wel over de tot dan verschenen
pensioentermijnen, en voorts over de nadien verschenen en nog te verschijnen
pensioentermijnen vanaf de vervaldagen.
3.6. F. Assurantiën moet als de in het ongelijk gestelde partij worden
verwezen in de proceskosten. Omtrent de proceskosten van het hoger beroep is
reeds beslist, zodat het thans gaat om de kosten van de
kantongerechtsprocedure vanaf de inleidende dagvaarding. De beslissing
omtrent de proceskosten van 5 oktober 1994 is immers vernietigd.

De beslissing
verklaart voor recht dat F recht heeft op weduwnaarspensioen;
veroordeelt F. Assurantiën weduwnaarspensioen te betalen aan F vanaf de datum
van het overlijden van zijn echtgenote, op dezelfde wijze en grondslagen
berekend als het weduwenpensioen;
veroordeelt F. Assurantiën voorts om vanaf de dag van dagvaarding, 2 augustus
1993, de wettelijke rente te betalen over de tot dan verschenen
pensioentermijnen alsook vanaf de respectievelijke vervaldagen over de nadien
verschenen en nog te verschijnen pensioentermijnen, alles tot de dag van
algehele voldoening;
veroordeelt F. Assurantiën in de kosten van het geding in eerste aanleg
gevallen aan de zijde van F en tot op heden begroot op ƒ 2006,09 waaronder
begrepen een bedrag van ƒ 1800 wegens salaris voor de gemachtigde van F, de
kosten van dagvaarden en uitroepen verhoogd met de daarover eventueel
verschuldigde B.T.W.;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Rechters

Mr. Klarenbeek

Instantie: Kantonrechter Amersfoort, 31 januari 1996

Instantie

Kantonrechter Amersfoort

Samenvatting


Eiser is in dienst geweest bij gedaagde in de functie van bedrijfsleider. Op
22 november 1995 is eiser geschorst omdat er beschuldigingen waren geuit ten
aanzien van seksuele intimidatie. Op 24 en 28 november 1995 heeft het hoofd
Personeelszaken gesprekken gevoerd met eiser, de verkoopleider en de twee
werkneemsters die de intimidatie hadden gemeld. Op 29 november 1995 is eiser
op staande voet ontslagen. Eiser ontkent dat er sprake is van seksuele
intimidatie in de zin van ongewenste bejegening of aanraking en hij vordert
doorbetaling van zijn salaris.
De kantonrechter stelt vast dat eiser ruim twee jaren geleden is berispt en
gewaarschuwd naar aanleiding van klachten van een van de werkneemsters. Eind
1994/begin 1995 is bij gedaagde een campagne gevoerd tegen seksuele
intimidatie, waarbij het filiaal van eiser was betrokken. Gezien deze
omstandigheden moest eiser zeer terughoudend zijn in het lichamelijk contact
met werknemers. Eiser heeft erkend de andere werkneemster diverse malen te
hebben aangeraakt ter aanmoediging. De kantonrechter ziet dit echter als een
schoolvoorbeeld van seksuele intimidatie. Dat de werkneemster niet heeft
geprotesteerd, maakt hiervoor geen verschil, omdat eiser zich van zijn
machtspositie als bedrijfsleider bewust had moeten zijn. Het door gedaagde
gedane onderzoek is zorgvuldig geweest en het ontslag dient als geldig te
worden beschouwd.

Volledige tekst

1. Het procesverloop
R heeft een voorlopige voorziening gevorderd, zoals aangekondigd in de
daartoe op verkorte termijn uitgebrachte dagvaarding. De zaak is behandeld op
de terechtzitting van 18 januari 1996; daar waren bij aanwezig R en S,
manager Personeel en Organisatie en D, verkoopleider beiden bij Groenwoudt en
de beide gemachtigden.
Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van een overgelegde
pleitnota dan wel overgelegde pleitaantekening en producties.
Na afloop van de behandeling is heden uitspraak bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan
2.1. Tussen partijen staat als erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken
het volgende vast.
R is op 27 september 1982 voor onbepaalde tijd bij een rechtsopvolger van
Groenwoudt in dienst getreden. Sedert 1 februari 1993 is hij als
bedrijfsleider werkzaam in de Willem Groenwoudt Supermarkt te Den Bosch. Op
22 november 1995 is R geschorst. In de brief van Groenwoudt van 23 november
1995 is als reden daarvoor op gegeven dat `melding is gemaakt van ongewenste
intimiteit uwerzijds bij personeel van Willem Groenwoudt Supermarkt te Den
Bosch.’
Op 24 november 1995 heeft R een gesprek gehad met S en D waarbij aanwezig was
mevrouw Van den O. Op 28 november 1995 heeft R een gesprek gehad met S en D
waarbij aanwezig was mevrouw van V. Bij brief van 29 november 1995 is R op
staande voet ontslagen. De grond voor het ontslag is dat R twee
werkneemsters, Van den O en Van V, op ongewenste wijze heeft bejegend c.q.
aangeraakt en betast.
R heeft bij brief van 30 november 1995 tegen het ontslag geprotesteerd en
zich bereid verklaard het werk te hervatten.
2.2. R vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat,
Groenwoudt te veroordelen hem weer tot zijn werkzaamheden als bedrijfsleider
toe te laten in het onderhavige filiaal dan wel elders, dan wel in een andere
passende functie op straffe van een dwangsom en Groenwoudt te veroordelen tot
betaling van het salaris, de vakantietoeslag en emolumenten vanaf 29 november
1995 tot het einde van het dienstverband, alsmede de wettelijke verhoging ex
artikel 7A:1638q BW en de wettelijke rente, met veroordeling van Groenwoudt
in de kosten van het geding.
2.3. R ontkent dat hij heeft toegegeven de dames van den O en Van V op
ongewenste wijze te hebben bejegend c.g. aangeraakt en betast. Er is geen
sprake geweest van een objectief en zorgvuldig onderzoek naar de
beschuldigingen. In het bijzonder is hij niet in de gelegenheid gesteld zich
naar behoren te verweren.
Het gedrag waar mevrouw Van V over klaagt dateert van 2,5 jaar geleden en kan
thans niet meer als dringende reden worden aangemerkt. Voorts is het ontslag
niet onverwijld gegeven. Na de gebeurtenissen op 17 november 1995 is het
onderzoek niet met de nodige voortvarendheid gestart en voortgezet en het
ontslag is pas op 29 november 1995 gegeven.
Hij heeft mevrouw Van den O een aantal keren kortstondig aangeraakt door even
een arm om haar heen te slaan of een schouderklopje te geven als blijk van
steun of aanmoediging hetgeen vergezeld ging van motiverende opmerkingen. Van
den O heeft nooit duidelijk gemaakt dat zij daarvan niet gediend was. In een
bodemprocedure zullen deze gedragingen zeer waarschijnlijk niet worden
gekwalificeerd als ongewenste intimiteiten en er zal zeer waarschijnlijk
geoordeeld worden dat er sprake is van gedragingen van R die tot gevolg
moeten hebben dat het dienstverband redelijkerwijs niet langer kan
voortduren. Groenwoudt had een veel minder verstrekkende maatregel of sanctie
kunnen toepassen gelet op zijn leeftijd en de lengte van het dienstverband.
2.4. Groenwoudt heeft verweer gevoerd en zij heeft geconcludeerd tot
afwijzing van de gevraagde voorzieningen met veroordeling van R in de kosten.
Eind 1994/begin 1995 heeft zij intern een campagne gevoerd tegen ongewenste
intimiteiten. Intern is aan alle medewerkers duidelijk gemaakt dat ongewenste
intimiteiten niet zouden worden getolereerd. R was uiteraard geheel op de
hoogte.
Uit onderzoek is gebleken dat R zich in elk geval bij twee vrouwelijke
collega’s Van den O en Van V, heeft schuldig gemaakt aan ongewenste
intimiteiten. Tijdens de besprekingen op 24 november en 28 november 1995
heeft R de gelegenheid gehad op de concrete klachten te reageren. R heeft de
feiten als zodanig ook niet langer ontkend, maar hij kwalificeert ze anders.
Gezien ook de interne richtlijnen en de geuite waarschuwingen aan alle
werknemers is het evident dat de door R begane feiten een dringende reden
opleveren.
2.5. R heeft bij de mondelinge behandeling erkend dat hij in 1993 mevrouw Van
V heeft aangeraakt of aangetikt en dat D daarover met hem heeft gesproken,
nadat van V bij D had geklaagd.
D heeft verklaard dat Van V hem heeft verteld dat R aan haar zat en dat zij
overplaatsing wilde. Voorts heeft D verklaard dat hij R heeft berispt en
gewaarschuwd heeft hoewel hij toen ontkende.
2.6. R heeft wel ontkend dat hij voor de ongewenste aanrakingen Van V is
gewaarschuwd of berispt, doch uit het onderwerp van gesprek vloeit voort dat
R wist of moest begrijpen dat Groenwoudt deze handelwijze van hem niet
accepteerde.
Voorts staat als niet weersproken vast dat Groenwoudt eind 1994/begin 1995 op
grote schaal campagne is gaan voeren tegen ongewenste intimiteiten. Daarbij
zijn voorlichtingsbrochures en folders naar alle filialen gezonden om te
worden opgehangen en verspreid.
R heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren deze brochures en folders
op zijn filiaal te hebben gezien, doch het is niet aannemelijk dat alleen het
filiaal waar R werkzaam is in deze campagne overgeslagen is.
Er moet derhalve van worden uitgegaan dat ook in het filiaal van Groenwoudt
in Den Haag aan alle werknemers ten overvloede duidelijk is gemaakt dat
ongewenste intimiteiten absoluut niet getolereerd worden.
2.7. Onder voormelde omstandigheden paste R uiterste terughoudendheid in
lichamelijk contact met werknemers.
R heeft erkend dat hij Van den O verschillende keren heeft aangeraakt door
haar in de zij te prikken of door een arm om haar heen te slaan. Het verweer
dat dit diende ter aanmoediging wordt verworpen omdat aanmoediging ook zeer
goed mogelijk is zonder lichamelijk contact.
Voorts staat vast dat R in de avond van 17 november 1995 bewust een situatie
heeft geschapen waarin hij met Van den O alleen was. R heeft zich in die
situatie aan Van den O opgedrongen door onnodig haar hand vast te houden,
door zich over haar heen te buigen en door tot twee keer toe een kusje te
vragen. Dit optreden van R is een schoolvoorbeeld van ongewenste intimiteiten
en het kan volstrekt niet als een vorm van aanmoediging worden gezien.
2.8. Ook het verweer dat Van den O niet liet merken daarvan niet gediend te
zijn faalt. R dient te bedenken dat hij als bedrijfsleider een machtspositie
heeft en dat werkneemsters zoals Van den O in een afhankelijke en kwetsbare
positie verkeren.
De gevolgen van het optreden van R blijken ook uit het feit dat Van den O
zich op maandag 20 november 1995 ziek heeft gemeld en naar de bedrijfsarts is
gegaan.
2.9. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die de conclusie
rechtvaardigen dat het onderzoek niet objectief en Zorgvuldig is geweest. De
eerste bespreking met R duurde drie uur en de tweede bespreking duurde
ongeveer 7 uur. Het is niet aannemelijk dat R tijdens die lange gesprekken
niet zijn visie heeft kunnen geven.
Vaststaat dat onderzoek naar aanleiding van de beschuldiging(en) nodig was.
De moeder van Van den O. heeft op 20 november 1995 bij S geklaagd. Op 24 en
op 28 november 1995 zijn besprekingen gevoerd waar R bij aanwezig was en op
29 november 1995 heeft Groenwoudt R ontslagen. Hieruit volgt dat het ontslag
onverwijld is gegeven.
2.10. De gedragingen van R jegens Van den O moet voorshands worden aangemerkt
als ernstige vorm van ongewenste intimiteiten. Daarbij komt dat R de hoogste
functionaris in het filiaal is en dat hij door middel van de campagne van
Groenwoudt tegen ongewenste intimiteiten en de affaire Van V was
gewaarschuwd. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat
het ontslag in de bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk stand zal houden.
2.11. De gevraagde voorzieningen worden dus geweigerd en R wordt als de in
het ongelijk gestelde partij in de kosten van het proces veroordeeld.

3. De beslissing
De kantonrechter:
– weigert de gevraagde voorzieningen;
– veroordeelt R in de kosten van dit proces, die tot heden van Groenwoudt
worden begroot op ƒ 500 voor salaris van de gemachtigde;

Rechters

Mr. Meekers

Instantie: Kantonrechter Heerlen, 31 januari 1996

Instantie

Kantonrechter Heerlen

Samenvatting


De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens
reorganisatie. Werkneemster voert verweer tegen deze ontbinding onder andere
op grond van het feit dat zij zwanger is. De kantonrechter wijst het verzoek
van de werkgever toe omdat er geen verband bestaat tussen het verzoek tot
ontbinding en de zwangerschap en de reorganisatie zo dringend geboden is dat
ontbinding gerechtvaardigd is.

Volledige tekst

Gezien de stukken, waaronder een namens gerekwestreerde ingediend
verweerschrift; Gehoord partijen, rekwestrant verschenen bij mr. Nevelstein
voornoemd en gerekwestreerde in persoon, bijgestaan door mr. Ruers voornoemd;
Overwegende, dat Wij geen voldoende redenen aanwezig achten het verzoek af te
wijzen omdat gerekwestreerde thans zwanger blijkt te zijn, en wel enerzijds
omdat het onderhavige verzoek geen enkel verband heeft met de zwangerschap
van gerekwestreerde en bovendien de geplande reorganisatie zo dringend
geboden is dat op grond daarvan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst,
ondanks de zwangerschap, gerechtvaardigd blijkt.
Overwegende, dat in het kader van de onderhavige procedure, gezien het feit
dat de omzet in 1994 gedaald is en deze daling in 1995 verdubbeld is, een
reorganisatie bestaande uit vermindering van de personeelskosten geboden is;
Overwegende, dat, nu de aandeelhouders zulks willen bewerkstelligen door
deels inkrimping van het personeelsbestand, deels vervanging van het
personeel door naaste familie van de nieuwe aandeelhouders die aanvankelijk
zonder enig salaris, althans tegen een gering salaris, een aantal van de af
te vloeien personeelsleden zullen vervangen;
Overwegende, dat Wij de geplande reorganisatie in deze vorm alleszins
redelijk achten, hetgeen impliceert dat het ook redelijk is dat een tweetal
werkneemsters vervangen wordt door een familielid van de nieuwe
aandeelhouders;
Overwegende, dat trouwens ook de O.R. positief geadviseerd heeft omtrent de
reorganisatie en de uitvoering daarvan, terwijl ook de vakbonden de noodzaak
van de reorganisatie hebben ingezien;
Overwegende, dat voorts is tegengeworpen dat in casu de Wet Melding
Collectief Ontslag van toepassing zou zijn, doch daarvan geen sprake is, nu
niet binnen 3 maanden minimaal 20 arbeidsovereenkomsten in het kader van de
reorganisatie beëindigd dienen te worden, hetzij via opzegging hetzij via
ontbinding;
Overwegende verder dat, zelfs indien wel sprake zou zijn van een collectief
ontslag in de zin van bovengenoemde Wet, Wij ook bevoegd zouden zijn van het
onderhavige verzoek kennis te nemen;
Overwegende voorts, dat de werkgeefster een zekere vrijheid heeft om te
beslissen welke functies zij wil laten vervallen of samensmelten, tenzij
werkgeefster daarbij apert onredelijk handelt; Overwegende, dat werkgeefster
ook bij het toe te passen anciënniteits- of afspiegelingsprincipe een zekere
beleidsvrijheid toekomt en geen van gerekwestreerden aannemelijk heeft
gemaakt dat werkgeefster ten aanzien van deze beleidsvrijheid apert
onredelijk heeft gehandeld;
Overwegende, dat Wij derhalve van oordeel zijn dat sprake is van een
verandering van omstandigheden welke een ontbinding van de overeenkomst
rechtvaardigt;
Overwegende met betrekking tot de toe te kennen vergoeding, dat Wij het
standpunt van de werkgeefster niet delen dat, nu met de O.R., en de vakbonden
een sociaal plan is overeengekomen, dit plan jegens degenen die dienen af te
vloeien de kracht van een CAO heeft danwel op andere gronden deze werknemers
bindt en zeker niet nu gerekwestreerde niet aangesloten is bij enige
vakbond;’
Overwegende, dat zulks niet wegneemt dat Wij mede gezien de instemming van de
O.R. en de vakbonden dit sociaal plan alleszins redelijk en genoegzaam
achten, met dien verstande dat Wij het redelijk achten aan degene die een
lang tot zeer lang dienstverband hebben een extra vergoeding toe te kennen;
Overwegende, dat Wij in casu gerekwestreerde daarom een extra vergoeding
zullen toekennen van 5 weken bruto salaris, mede vanwege haar zwangerschap.

Beschikkende
Ontbinden de onderhavige arbeidsovereenkomst van partijen met ingang van 5
februari 1996;
Bepalen dat rekwestranten ter zake deze ontbinding aan gerekwestreerde
verschuldigd zijn, boven het sociaal plan, een extra vergoeding gelijk aan 5
weken bruto salaris, primair strekkende tot suppletie van de sociale
uitkering waarop gerekwestreerde recht zal blijken te hebben, danwel op zijn
elders te verdienen lagere salaris; een en ander onder de voorwaarde dat
rekwestranten niet alsnog binnen 4 dagen na verzending van de onderhavige
beschikking hun inleidend verzoekschrift intrekken;
Compenseren – in beide gevallen – de proceskosten in dier voege dat iedere
partij haar eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. Van Oppen

Instantie: Kantonrechter Amersfoort, 31 januari 1996

Instantie

Kantonrechter Amersfoort

Samenvatting


De filiaalchef van een supermarkt is op staande voet ontslagen wegens
verdenking van het plegen van seksuele intimidatie. Hij zou twee medewerksters
op ongewenste wijze hebben bejegend c.q. aangeraakt en betast. De filiaalchef
vordert nu als voorlopige voorzieningen weder tewerkstelling en doorbetaling
van loon.
De kantonrechter wijst de gevraagde voorziening af omdat de chef in
gesprekken met de werkgeefster heeft erkend zich schuldig te hebben gemaakt
aan een ernstige vorm van seksuele intimidatie, hoewel hij het zelf anders
kwalificeert. Vast staat ook dat in alle filialen informatiefolders zijn
verspreid over het tegengaan van seksuele intimidatie. Op grond hiervan wordt
het hoogstwaarschijnlijk geacht dat in een bodemprocedure het ontslag stand
zal houden.

Volledige tekst

1. Het procesverloop
R heeft een voorlopige voorziening gevorderd, zoals aangekondigd in de
daartoe op verkorte termijn uitgebrachte dagvaarding. De zaak is behandeld op
de terechtzitting van 18 januari 1996; daar waren bij aanwezig R, S, manager
Personeel en Organisatie en D, verkoopleider beiden bij Groenwoudt en de
beide gemachtigden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand
van een overgelegde pleitnota dan wel overgelegde pleitaantekeningen en
producties.
Na afloop van de behandeling is heden uitspraak bepaald.
2. Het geschil en de beoordeling daarvan
2.1. Tussen partijen staat als erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken
het volgende vast.
R is op 27 september 1982 voor onbepaalde tijd bij een rechtsvoorganger van
Groenwoudt is dienst getreden. Sedert 1 februari 1993 is hij als
bedrijfsleider werkzaam in de Willen Groenwoudt Supermarkt te Den Bosch. Op
22 november 1995 is R geschorst. In de brief van Groenwoudt van 23 november
1995 is als reden daarvoor opgegeven dat `melding is gemaakt van ongewenste
intimiteit uwerzijds bij personeel van Willem Groenwoudt Supermarkt te Den
Bosch.’
Op 24 november 1995 heeft R een gesprek gehad met S en D waarbij aanwezig was
mevrouw Van den O. Op 28 november 1995 heeft R een gesprek gehad met S en D
waarbij aanwezig was mevrouw van V. Bij brief van 29 november 1995 is R op
staande voet ontslagen. De grond voor het ontslag is dat R-twee
werkneemsters, Van den O en Van V op ongewenste wijze heeft bejegend c.q.
aangeraakt en betast.
R heeft bij brief van 30 november 1995 tegen het ontslag geprotesteerd en
zich bereid verklaard het werk te hervatten.
2.2. R vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort samengevat,
Groenwoudt te veroordelen hem weer tot zijn werkzaamheden als bedrijfsleider
toe te laten in het onderhavige filiaal dan wel elders, dan wel in een andere
passende functie op straffe van een dwangsom en Groenwoudt te veroordelen tot
betaling van het salaris, de vakantietoeslag en emolumenten vanaf 29 november
1995 tot het einde van het dienstverband, alsmede de wettelijke verhoging ex
artikel 7A:1638q BW en de wettelijke rente, met veroordeling van Groenwoudt
in de kosten van het geding.
2.3. R ontkent dat hij heeft toegegeven de dames van den O en Van V. op
ongewenste wijze te hebben bejegend c.q. aangeraakt en betast. Er is geen
sprake geweest van een objectief en zorgvuldig onderzoek naar de
beschuldigingen. In het bijzonder is hij niet in de gelegenheid gesteld zich
naar behoren te verweren.
Het gedrag waar mevrouw van V. over klaagt dateert van 2,5 jaar geleden en
kan thans niet meer als dringende reden worden aangemerkt. Voorts is het
ontslag niet onverwijld gegeven. Na de gebeurtenissen op 17 november 1995 is
het onderzoek niet met de nodige voortvarendheid gestart en voortgezet en het
ontslag is pas op 29 november 1995 gegeven.
Hij heeft mevrouw Van den O een aantal keren kortstondig aangeraakt door even
een arm om haar heen te slaan of een schouderklopje te geven als blijk van
steun of aanmoediging hetgeen vergezeld ging van motiverende opmerkingen. Van
den O heeft nooit duidelijk gemaakt dat zij daarvan niet gediend was. In een
bodemprocedure zullen deze gedragingen zeer waarschijnlijk niet worden
gekwalificeerd als ongewenste intimiteiten en er zal zeer waarschijnlijk
geoordeeld worden dat er geen sprake is van gedragingen van R die tot gevolg
moeten hebben dat het dienstverband redelijkerwijs niet langer kan
voortduren. Groenwoudt had een veel minder verstrekkende maatregel of sanctie
kunnen toepassen gelet op zijn leeftijd en de lengte van het dienstverband.
2.4. Groenwoudt heeft verweer gevoerd en zij heeft geconcludeerd tot
afwijzing van de gevraagde voorzieningen met veroordeling van R in de kosten.
Eind 1994/begin 1995 heeft zij intern een campagne gevoerd tegen ongewenste
intimiteiten. Intern is aan alle medewerkers duidelijk kenbaar gemaakt dat
ongewenste intimiteiten niet zouden worden getolereerd. R was uiteraard
geheel op de hoogte. Uit onderzoek is gebleken dat R zich in elk geval bij
twee vrouwelijke collega’s, Van den O en Van V, heeft schuldig gemaakt aan
ongewenste intimiteiten. Tijdens de besprekingen op 24 november en 28
november 1995 heeft R de gelegenheid gehad op de concrete klachten te
reageren. R heeft de feiten als zodanig ook niet langer ontkend, maar hij
kwalificeert ze anders. Gezien ook de interne richtlijnen en de geuite
waarschuwingen aan alle werknemers is het evident dat de door R begane feiten
een dringende reden opleveren.
2.5 R heeft bij de mondelinge behandeling erkend dat hij in 1993 mevrouw Van
V heeft aangeraakt of aangetikt en dat D daarover met hem heeft gesproken,
nadat Van V bij D had geklaagd.
D heeft verklaard dat Van V hem heeft verteld dat R aan haar zat en dat zij
daarom overplaatsing wilde. Voorts heeft D verklaard dat hij R heeft berispt
en gewaarschuwd hoewel hij toen ontkende.
2.6 R heeft wel ontkend dat hij voor de ongewenste aanrakingen van Van V is
gewaarschuwd of berispt, doch uit het onderwerp van het gesprek vloeit voort
dat R wist of moest begrijpen dat Groenwoudt deze handelwijze van hem niet
accepteerde.
Voorts staat als niet weersproken vast dat Groenwoudt eind 1994/begin 1995 op
grote schaal campagne is gaan voeren tegen ongewenste intimiteiten. Daarbij
zijn voorlichtingsbrochures en folders naar alle filialen gezonden om te
worden opgehangen en verspreid.
R heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren deze brochure en folders
op zijn filiaal te hebben gezien, doch het is niet aannemelijk dat alleen het
filiaal waar R werkzaam is in deze campagne overgeslagen is.
Er moet derhalve van worden uitgegaan dat ook in het filiaal van Groenwoudt
in Den Bosch aan alle werknemers ten overvloede duidelijk is gemaakt dat
ongewenste intimiteiten absoluut niet getolereerd worden.
2.7 Onder voormelde omstandigheden pastte R uiterste terughoudendheid in
lichamelijk contact met werknemers. R heeft erkend dat hij Van den O
verschillende keren heeft aangeraakt door haar in de zij te prikken of door
een arm om haar heen te slaan. Het verweer dat dit diende ter aanmoediging
wordt verworpen omdat aanmoediging ook zeer goed mogelijk is zonder
lichamelijk contact.
Voorts staat vast dat R in de avond van 17 november 1995 bewust een situatie
heeft geschapen waarin hij met Van den O alleen was. R heeft zich in die
situatie aan Van den O opgedrongen door onnodig haar hand vast te houden,
door zich over haar heen te buigen en door tot twee keer toe om een kusje te
vragen. Dit optreden van R is een schoolvoorbeeld van ongewenste intimiteiten
en het kan volstrekt niet als een vorm van aanmoediging worden gezien.
2.8 Ook het verweer dat Van den O niet liet merken daarvan niet gediend te
zijn faalt. R dient te bedenken dat hij als bedrijfsleider een machtspositie
heeft en dat werkneemsters zoals Van den O in een afhankelijke en kwetsbare
positie verkeren.
De gevolgen van het optreden van R blijken ook uit het feit dat Van den O
zich maandag 20 november 1995 ziek heeft gemeld en naar de bedrijfsarts is
gegaan.
2.9 Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die de conclusie
rechtvaardigen dat het onderzoek niet objectief en zorgvuldig is geweest. De
eerste bespreking met R duurde drie uur en de tweede bespreking duurde
ongeveer 7 uur. Het is niet aannemelijk dat R tijdens die lange gesprekken
niet zijn visie heeft kunnen geven.
Vaststaat dat onderzoek naar aanleiding van de beschuldiging(en) nodig was.
De moeder van Van den O heeft op 20 november 1995 bij S geklaagd. Op 24 en op
28 november 1995 zijn besprekingen gevoerd waar R bij aanwezig was en op 29
november 1995 heeft Groenwoudt R ontslagen. Hieruit volgt dat het ontslag
onverwijld is gegeven.
2.10 De gedraging van R jegens Van den O moet voorshands worden aangemerkt
als een ernstige vorm van ongewenste intimiteiten. Daarbij komt dat R de
hoogste functionaris in het filiaal is en dat hij door middel van de campagne
van Groenwoudt tegen ongewenste intimiteiten en de affaire Van V was
gewaarschuwd.
Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het ontslag in
de bodemprocedure hoogstwaarschijnlijk stand zal houden.
2.11 De gevraagde voorzieningen worden dus geweigerd en R wordt als de in het
ongelijk gestelde partij in de kosten van het proces veroordeeld.
3. De beslissing
De kantonrechter:
– weigert de gevraagde voorzieningen;
– veroordeelt R in de kosten van dit proces, die tot heden voor Groenwoudt
worden begroot op ƒ 500 voor salaris van gemachtigde;

Rechters

Mr. C.J.M. Meekers

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 30 januari 1996

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Op 47-jarige leeftijd is de vrouw in het huwelijk getreden. Dit huwelijk
heeft negen jaar geduurd. De vrouw heeft in verband met haar huwelijk en
de noodzakelijke verhuizing haar baan opgezegd met instemming van de man.
Deze casus wordt behandeld aan de hand van het recht dat gold voor de invoering
van de nieuwe wetten van 28 april 1994, stb. 1994, 324 en 325. De vrouw
heeft aangetoond dat het niet aannemelijk is dat zij, gezien de situatie
op de arbeidsmarkt, zich een inkomen uit arbeid zal verwerven. Het hof
gaat voorbij aan het verweer van de man dat de vrouw door op latere leeftijd
te trouwen, willens en wetens, bewust het risico heeft gelopen dat het
huwelijk op kortere of langere termijn spaak zou lopen. Het verweer van
de man dat hij zijn loopbaan en inkomenspositie geheel zonder de vrouw
heeft opgebouwd kan de man niet baten. De vrouw heeft als gevolg van het
huwelijk haar inkomstenbron verloren en heeft dientengevolge behoefte aan
een uitkering tot haar levensonderhoud.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding in de voorgaande instanties

Met betrekking tot het verloop van het geding, alsmede de overwegingen
en beslissingen in deze zaak tot dusverre verwijst het hof naar achtereenvolgens
het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden van 9 januari 1992, het arrest
van het Gerechtshof aldaar van 27 januari 1993 en het arrest van de Hoge
Raad der Nederlanden van 10 juni 1994.

De vrouw heeft een memorie na verwijzing genomen met conclusie dat het
hof dat vonnis zal bevestigen met veroordeling van de man in de kosten
van het geding.

De man heeft daarop een memorie van antwoord na verwijzing genomen, produkties
overgelegd en geconcludeerd “tot persistit”.

De vrouw en vervolgens de man hebben daarna akte gevraagd van een aantal
mededelingen. De vrouw heeft daarbij produkties overgelegd en bewijs aangeboden.

Tenslotte hebben partijen de stukken, waaronder die van de voorgaande instanties,
overgelegd voor het wijzen van arrest.

2. De vaststaande feiten

Het hof zal uitgaan van de feiten die het gerechtshof te Leeuwarden heeft
vastgesteld, nu deze vaststelling in cassatie onbestreden is gebleven.

3. De beoordeling van de zaak na verwijzing

3.1 Ten aanzien van de grieven van man en de daarop betrekking hebbende
overwegingen en beslissingen van het hof te Leeuwarden wordt verwezen naar
genoemd arrest.

3.2 In deze zaak is alleen aan de orde de vraag of de door de rechtbank
in haar vonnis van 9 januari 1992 op ƒ 1.800,-per maand bepaalde uitkering
tot levensonderhoud van de vrouw dient te worden gelimiteerd, zoals de
man heeft verlangd en de vrouw heeft betwist. In het door de man ingestelde
hoger beroep ging het immers alleen om die limitering; de hoogte van de
door de rechtbank vastgestelde alimentatie is dan ook niet geschil.

3.3 Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van het recht zoals
dat van gold voor invoering van de wetten van 28 april 1994, Stb. 1994,
324 en 325. De nieuwe wet is ingevolge artikel II, lid 1 van de overgangsbepalingen
immers alleen van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud die
na de inwerkingtreding van de wet (1 juli 1994) door de rechter zijn toegekend,
hetgeen hier niet het geval is.

3.4 De door de man in zijn memorie van grieven aangevoerde omstandigheden
kunnen naar het oordeel van het hof niet leiden tot de conclusie dat de
alimentatie van de vrouw aan een termijn dient te worden gebonden.
Allereerst is niet aannemelijk geworden, dat het aan de vrouw te wijten
is, dat zij door haar huwelijk met de man in een minder gunstige inkomenspositie
is komen te verkeren, zoals de man heeft gesteld. Ten processe staat vast,
dat het besluit van partijen om met elkaar te gaan trouwen genomen kon
worden, doordat de vrouw haar baan te Waddinxveen (waar zij werkzaam was
als onderwijzeres) heeft opgegeven om naar Bolsward, de toenmalige woonplaats
van de man, te verhuizen. De man heeft weliswaar aangevoerd, dat de vrouw
toch al met de gedachte speelde met haar werk te stoppen, omdat dat haar
te zwaar viel, maar uit het overigens door hem gestelde kan niet anders
worden opgemaakt dan dat hij er mee heeft ingestemd dat de vrouw “zich
op wachtgeld liet plaatsen”. De man heeft zelf gesteld, dat deze beslissing
twee conseguenties had: dat haar inkomen belangrijk daalde en dat het mogelijk
werd om te trouwen. Het hof gaat er kortorn van uit, dat de vrouw als gevolg
van het huwelijk haar baan als inkomstenbron heeft verloren.
Zij heeft voorts door overlegging van de brief van het Arbeidsbureau te
Bolsward van 11 mei 1992 genoegzaam weersproken de stelling van de man
dat zij gelet op haar beroep en de situatie op de arbeidsmarkt zich nog
een inkomen uit arbeid zou kunnen verwerven. In die brief wordt immers
medegedeeld, dat het “Punt Personeelsvoorziening Qnderwijs” heeft aangegeven
dat er zeer weinig vaste banen in het basisonderwijs zijn, en dat de kansen
van de vrouw binnen het onderwijs, gezien haar leeftijd, miniem zijn. Het
is dan ook aannemelijk dat het verlies van die inkomstenbron blijvend is.
Het hof gaat tevens voorbij aan het betoog van de man dat de vrouw door
willens en wetens -op latere leeftijd- een huwelijk met de man aan te gaan
bewust het risico heeft genomen dat dit na kortere of langere tijd zou
spaak lopen. In het algemeen toch zullen partijen bij de sluiting van het
huwelijk juist niet van dat “risico” uitgaan. De man heeft geen feiten
of omstandigheden gesteld, die in dit geval in andere richting wijzen.
De omstandigheid dat partijen destijds zijn gehuwd omdat zij verwachtten
zich zodoende sociaal aanvaardbaarder te maken dan wanneer zij zouden zijn
gaan samenwonen, zoals de man heeft gesteld, acht het hof voorts geen omstandigheid,
die hier van belang is. De man, die blijkens de processtukken al eerder
gehuwd was geweest, moet overigens ten volle beseft hebben welke rechtsgevolgen
de huwelijkssluiting mee zou brengen. Ook de stelling van de man dat hij
zijn loopbaan en inkomenspositie geheel zonder de vrouw heeft opgebouwd,
kan de man niet baten, nu in dit geval van doorslaggevend belang moet worden
geacht dat de vrouw als gevolg van het huwelijk een inkomstenbron (waarschijnlijk:
blijvend) heeft verloren en dientengevolge behoefte heeft -en blijft houden-
aan een uitkering tot haar levensonderhoud.
De man heeft verder nog betoogd, dat een kortstondig huwelijk geen levenslange
consequenties mag hebben voor de alimentatie-plicht en dat in “dergelijke
gevallen” limitering van deze verplichting eerder regel dan uitzondering
is. Dit betoog gaat naar het oordeel van het hof in deze zaak echter niet
op.
Allereerst is hier sprake van een huwelijk dat ruim negen jaar geduurd
heeft. Voorts is van belang, dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting
47 jaar oud was en, zoals hiervoor is overwogen, er van uit kan worden
gegaan, dat zij als gevolg van het huwelijk blijvend een inkomstenbron
heeft verloren.

3.5 De man heeft in zijn memorie na verwijzing en bij antwoord-akte nog
gegevens verschaft over zijn inkomenssituatie na zijn pensionering en de
verevening van zijn pensioenrechten. Daargelaten of deze kwesties in deze
stand van het geding nog in aanmerking kunnen worden genomen, het hof acht
deze niet van belang voor de voorliggende vraag of limitering van de alimentatie
op haar plaats is. Indien het betoog van de man zo moet worden begrepen,
dat als gevolg van die pensionering en verevening zijn draagkracht is verminderd
en/of de behoefte van de vrouw is afgenomen, ligt het op zijn weg op die
grond wijziging van de door de rechtbank vastgestelde alimentatie te verzoeken

4. De slotsom

De slotsom luidt dat de grieven van de man alle falen. Het vonnis van de
rechtbank te Leeuwarden dient te worden bekrachtigd. Het hof zal de kosten
van het hoger beroep compenseren als na te melden.

BESLISSING

Het hof, rechtdoende in hoger beroep na verwijzing

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Leeuwarden
van 9 januari 1992;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere
partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Pel, Fokker en van Ginkel

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 30 januari 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De man en vrouw zijn na vijfentwintig jaar huwelijk gescheiden. De vrouw
vordert vaststelling van de alimentatie op ƒ 5400 per maand zoals in de
tussen man en vrouw afgesproken regeling was bepaald. De man meent dat de
vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om een baan te vinden en wil daarom
een bedrag op de afgesproken alimentatie in mindering brengen. De rechtbank
is het hiermee niet eens en ziet dan thans ook geen reden de alimentatie te
verminderen. Wel vermeldt de rechtbank uitdrukkelijk dat de vrouw een
inspanningsverplichting heeft om inkomsten te verwerven.

Volledige tekst

De feiten:
Tussen de man en de vrouw, gehuwd op 21 september 1968, is bij beschikking
van de rechtbank te Utrecht d.d. 23 maart 1994 de echtscheiding uitgesproken
en daarbij is geen alimentatie voor de vrouw vastgesteld.
De vrouw verzoekt de uitkering tot haar levensonderhoud op ƒ 5400 per maand
te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een en ander voor zover
mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man heeft tijdig een verweerschrift tevens verzoekschrift ingediend waarin
hij primair heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en
subsidiair om de alimentatie per 1 januari 1996 vast te stellen op ƒ 4200 per
maand.
Op 19 december 1995 is de zaak ter terechtzitting behandeld.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van:
– de brief d.d. 21 december 1995 van mr. Vidor,
– de brief met bijlagen d.d. 2 januari 1996 van mr. Vidor,
– de brief met bijlage d.d. 8 januari 1996 van mr. Lievens.

Beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat de man, op grond van een tussen hen in onderling
overleg getroffen regeling, sinds april 1994 maandelijks ƒ 5400 alimentatie
ten behoeve van de vrouw voldoet.
De vrouw heeft vastlegging van deze afspraak in de beschikking verzocht.
De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hoewel hij erkent dat partijen
voormelde regeling hebben getroffen, heeft hij zich primair op het standpunt
gesteld dat, nu tussen partijen een regeling is overeengekomen, sprake is van
een verzoek tot wijziging van de (overeengekomen) alimentatie. Volgens hem
dient het verzoek te worden afgewezen aangezien er geen omstandigheden zijn
die tot wijziging van de regeling kunnen leiden.
De rechtbank verwerpt het primaire verweer, nu in beginsel moet worden
aangenomen dat vastlegging van de door partijen overeengekomen alimentatie in
een rechterlijke uitspraak geen verdere strekking heeft dan om de vrouw een
executoriale titel te verschaffen en de overeenkomst overigens onverlet laat.
Ter ondersteuning van de door hem subsidiair verzochte vermindering van de
alimentatie voor de vrouw heeft de man het volgende aangevoerd.
Partijen zijn – naast voormelde afspraak – eveneens overeengekomen dat de man
50% van de door de vrouw verworven (bruto) inkomsten in mindering op de
alimentatie zal brengen. Hoewel de vrouw, gezien haar opleidingsniveau, in
staat is om (gedeeltelijk) middels arbeid in eigen levensonderhoud te
voorzien, heeft zij onvoldoende inspanningen betracht om een baan te
verkrijgen.
De man acht het daarom redelijk de alimentatie met ingang van 1 januari 1996
te verminderen met de helft van een door de vrouw redelijkerwijs te verwerven
arbeidsinkomen ad ƒ 2400 per maand (inclusief vakantiegeld), uitgaande van
een 32-urige werkweek en een aanvangssalaris tegen het minimumloon.
Door de vrouw is voornoemde afspraak – over verlaging van de alimentatie met
de helft van de bruto inkomsten – erkend zodat deze is komen vast te staan.
Voorts heeft de man erkend dat de echtscheiding de vrouw emotioneel erg heeft
aangegrepen, dat zij (van september 1994 tot juli 1995) is behandeld bij de
Riagg en dat hij in verband daarmee de vrouw een periode van gewenning heeft
gegund, gedurende welke zij niet actief op de arbeidsmarkt zou (hoeven te)
zijn.
De vrouw heeft gesteld dat zij voldoende inspanningen heeft betracht om werk
te vinden. Ter ondersteuning van die stelling heeft zij enkele stukken
overgelegd, betreffende haar inschrijving bij het Arbeidsbureau, aan haar
aangeboden vacatures via een uitzendbureau en reacties op aar sollicitaties.
De man meent echter dat terzake van een inspanning van enige redelijke omvang
een sprake is.
Voormelde stukken kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie
dragen dat de vrouw zich de uiterste moeite heeft getroost om werk te vinden.
Echter, rekening houdend met het feit dat de behandeling bij de Riagg in juli
1995 is afgesloten is de rechtbank van oordeel dat de vrouw voldoende heeft
aangetoond dat zij zich sindsdien in niet onredelijke mate heeft ingespannen.
Derhalve ziet de rechtbank thans geen grond om de huidige alimentatie te
verlagen, zulks mede gelet op de duur van het huwelijk (bijna 26 jaar) en de
relatief korte tijd die is verstreken sedert de ontbinding van het huwelijk,
althans de beëindiging van de Riagg-behandeling. Het subsidiaire verzoek van
de man zal mitsdien worden afgewezen. Dit laat echter onverlet de
verantwoordelijkheid van de vrouw zich voor de toekomst in grotere mate de
moeite te getroosten om inkomsten te verwerven.

Beslissing
Bepaalt de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw
op ƒ 5400 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het meer of anders verzochte.
Bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten zal dragen.

Rechters

Mr. R.J. Paris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 januari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft op 31 oktober 1994 een open sollicitatiebrief aan de
wederpartij gestuurd. De sollicitatie van verzoeker is meegenomen bij een
sollicitatieprocedure ter invulling van vacatures voor medewerkers
basispolitiezorg. Verzoeker is van mening dat zijn allochtone afkomst direct
of indirect een rol heeft gespeeld bij de beslissing van de wederpartij om
hem af te wijzen voor de bewuste functie.
De Commissie overweegt omtrent de aanscherping van functie-eisen dat hierdoor
de selectieprocedure ondoorzichtig en moeilijk controleerbaar wordt,
aangezien kandidaten niet beoordeeld worden aan de hand van tevoren
nauwkeurig omschreven selectiecriteria. Hierdoor wordt het beginsel van
gelijke toegang tot de arbeidsmarkt in gevaar gebracht.
Voorts is de Commissie van oordeel dat door de aanscherping van de
functie-eisen een vermoeden van indirect onderscheid ontstaat, aangezien in
overwegende mate allochtonen daardoor nadelig worden getroffen.
Het vermoeden van indirect onderscheid kan weerlegd worden indien de
wederpartij hiervoor een objectieve rechtvaardigingsgrond aandraagt.
Het doel van de wederpartij is aanstelling van de meest geschikte kandidaat
overeenkomstig het personeelsbeleids- en formatieplan, dat erop gericht is
het regiokorps Midden en West Brabant een evenwichtige vertegenwoordiging te
doen zijn van de samenleving waarin zij werkzaam is. De Commissie is van
oordeel dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is. De wederpartij wil
dit doel bereiken door middel van het vastgestelde doelgroepenbeleid
inhoudende dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur wordt gegeven aan
kandidaten vanuit de doelgroep. De gelijke geschiktheid wordt beoordeeld op
grond van de onderhavige sollicitatieprocedure door middel van de gehanteerde
selectie-criteria.
De Commissie is van oordeel dat de selectiecriteria geen geschikt, noch
noodzakelijk middel zijn om het doel te bereiken. Derhalve kan het middel
niet dienen als objectieve rechtvaardigingsgrond. Het vermoeden van indirect
onderscheid is dan ook niet weerlegd en daarmee is tevens vast komen te staan
dat de wederpartij jegens verzoeker indirect onderscheid op grond van ras
heeft gemaakt.

Volledige tekst

Voor wat de leeftijd betreft heeft de wederpartij slechts aangeven dat de
voorkeur uit gaat naar jongere kandidaten, doch heeft niet aangegeven waarom
een jongere kandidaat meer geschikt zou zijn voor deze functie dan een oudere
kandidaat, die valt binnen de geadverteerde leeftijdsgrens.
Voor wat betreft de wijze waarop de wederpartij het criterium werkervaring
heeft toegepast is het de Commissie gebleken dat de wederpartij er vanuit is
gegaan dat de werkervaring voor deze functie zonder meer afhankelijk is van
het aantal dienstjaren. De wederpartij is immers van mening dat de ervaring
heeft geleerd dat iemand met een gering aantal dienstjaren niet rijp genoeg
is om zelfstandig te functioneren. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd
dat een agent pas na drie jaren bij een korps gewerkt te hebben overgeplaatst
kan worden en pas na vijf dienstjaren zelfstandig kan functioneren. Naar
vaste jurisprudentie van het EG-Hof en de Commissie is een dergelijk
standpunt in zijn algemeenheid onjuist. Gelet dient te worden op de
werkervaring die in concreto voor deze functie is vereist. De wederpartij
heeft dit nagelaten.
De Commissie verwijst in dit verband naar het arrest van Nimz tegen Freie und
Hansestadt Hamburg (EG-Hof van 7 februari 1991, zaaknummer C-184/89.), waarin
het volgende werd overwogen:
`Ook al gaan anciënniteit en beroepservaring hand in hand en is een werknemer
met beroepservaring in beginsel beter toegerust voor de hem opgedragen
werkzaamheden, toch hangt het objectieve karakter van een dergelijk criterium
af van alle omstandigheden van het individuele geval en met name van het
verband tussen de aard van de uitgeoefende functie en de ervaring die de
uitoefening van deze functie na een bepaald aantal arbeidsuren verschaft’.
Voor wat betreft het criterium geschiktheid voor de regio is het de Commissie
gebleken dat de wederpartij de geschiktheid heeft vastgesteld aan de hand van
geboorte in de regio. De Commissie acht het niet aannemelijk dat kandidaten
die niet in de regio geboren zijn niet geschikt zouden zijn voor deze functie
in de regio.
De Commissie is van oordeel dat de hiervoor genoemde selectiecriteria geen
geschikt, noch noodzakelijk middel zijn om het doel te bereiken. Derhalve kan
het middel niet dienen als objectieve rechtvaardigingsgrond. Het vermoeden
van indirect onderscheid is dan ook niet weerlegd en daarmee is tevens vast
komen te staan dat de wederpartij jegens verzoeker indirect onderscheid op
grond van ras heeft gemaakt.

4.11. Voor wat betreft het standpunt van de wederpartij dat het
voorkeursbeleid op verzoeker niet is toegepast omdat er geen sprake was van
gelijke geschiktheid overweegt de Commissie het volgende.
De Commissie is van oordeel dat de `gelijke geschiktheid’ van de kandidaten,
voorzover thans relevant, beoordeeld had moeten worden aan de hand van de
criteria `enige relevante werkervaring’ en leeftijd (niet ouder dan 40 jaar),
zoals in de advertenties vermeld, en niet op basis van criteria die de
wederpartij tijdens de loop van de selectieprocedure heeft gesteld. De
Commissie is van oordeel dat verzoeker op zichzelf aan de functie-eisen voor
medewerker basispolitiezorg uit de advertenties voldoet. Verzoeker was immers
sinds 1 oktober 1993 werkzaam in deze functie bij het regiokorps
Amsterdam-Amstelland, waarvoor hij op grond van de selectiecriteria van het
andelijk Selectie Centrum Politie geschikt was bevonden. Verzoeker beschikt
derhalve over `enige relevante werkervaring’ en was niet ouder dan 40 jaar.
Aangezien verzoeker aan deze criteria voldoet had de wederpartij het
voorkeursbeleid op hem dienen toe te passen.

4.12. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie op dat nu de door de
wederpartij gehanteerde selectiecriteria, hoewel zij op zichzelf neutraal
zijn, elk afzonderlijk, en zeker gecombineerd, tot effect hebben dat in
overwegende mate allochtonen nadelig worden getroffen, daarmee tevens vast
staat dat deze selectiecriteria ongeschikt zijn om het voorkeursbeleid
deugdelijk uit te voeren.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de korpsbeheerder van het
Regionaal Politiekorps voor Midden en West Brabant te Tilburg jegens de heer
(…) te (…) indirect onderscheid naar ras heeft gemaakt zoals bedoeld in
artikel 5 lid sub a van de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr. drs. B. vanSchijndel (lid Kamer), dhr. A. Kruyt (lid Kamer), mw. mr. S.L. Kroes(secretaris Kamer)

Instantie: Hoge Raad, 26 januari 1996

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


De vader vordert in kort geding nakoming van de omgangsregeling op straffe
van een dwangsom.
Bij de beantwoording van de vraag of voor het opleggen van een dwangsom
plaats was, dient het belang van de kinderen vooropgesteld te worden.
Aannemelijk is geworden dat de vader de beide kinderen tijdens hun bezoeken
onredelijk onder druk zet, waardoor de bezoeken voor hen onaangenaam zijn,
en, op die wijze uitgevoerd, ongewenst. Als gevolg van de slechte
verstandhouding tussen de ouders en de procedures die over hen worden gevoerd
verzet het belang van de kinderen, die onder grote spanning staan, zich thans
tegen een bezoekregeling waaraan de moeder op straffe van een dwangsom dient
mee te werken.
Het hof heeft terecht geoordeeld dat weigering van de gevraagde voorziening
niet in strijd is met artikel 8 EVRM.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie – verder te noemen: de vader – heeft bij exploit van 21
juli 1994 verweerster in cassatie – verder te noemen: de moeder in kort
geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Utrecht en – na
wijziging van eis – gevorderd, de moeder te veroordelen om de bij beschikking
van die Rechtbank van 30 augustus 1990 vastgestelde omgangsregeling na te
komen en mitsdien hun twee minderjarige kinderen voor de in die beschikking
aangegeven periode aan de vader af te geven, zulks op verbeurte van een
dwangsom van ƒ 250 voor iedere dag dat de moeder in gebreke blijft aan het in
dezen te wijzen vonnis te voldoen. Nadat de moeder tegen de vordering verweer
had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 30 augustus 1994 de vordering
afgewezen. Tegen dit vonnis heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Amsterdam.
Na comparitie van partijen heeft het Hof bij arrest van 22 december 1994 het
bestreden vonnis bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft de vader beroep in cassatie ingesteld. De
cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De moeder heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel
3.1. Na de ontbinding van het huwelijk van partijen door echtscheiding is de
vrouw benoemd tot voogdes over hun twee kinderen en de man tot toeziend
voogd. Bij dezelfde beschikking van de Rechtbank is een omgangsregeling
vastgesteld.
3.2. Wegens gerezen problemen heeft de moeder uitvoering van deze
omgangsregeling opgeschort. Daarop heeft de vader de onderhavige procedure in
kort geding aangespannen en nakoming van de regeling op straffe van verbeurte
van een dwangsom gevorderd.
Zowel de President als het Hof hebben deze vordering afgewezen.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de vader weliswaar in beginsel recht op
omgang met de kinderen heeft, maar dat de President bij de beantwoording van
de vraag of door de vader verzochte nakoming op straffe van een dwangsom moet
worden toegewezen, terecht het belang van de kinderen heeft vooropgesteld.
Het Hof heeft voldoende aannemelijk geacht dat de vader de beide kinderen
tijdens hun bezoeken onredelijk onder druk zet, waardoor die bezoeken voor
hen onaangenaam zijn en, op die wijze uitgevoerd, ongewenst. Voorts heeft het
Hof overwogen dat de overweging van de President dat het verzoek van de vader
tot wijziging van de voogdij kennelijk bij de kinderen tot ongewenste
spanning leidt en dat de vader daarvoor te weinig oog heeft, niet
onbegrijpelijk is. Na te hebben overwogen dat de vrouw inmiddels een verzoek
tot intrekking van de omgangsregeling bij de Rechtbank had ingediend, is het
Hof tot de slotsom gekomen dat voorshands aannemelijk is geworden dat de
kinderen als gevolg van de slechte verstandhouding tussen de ouders en de
procedures die over hen worden gevoerd, onder grote spanning staan en dat
onder deze omstandigheden het belang van de kinderen zich thans verzet tegen
een bezoekregeling waaraan de moeder op straffe van een dwangsom dient mee te
werken, zodat de President de gevraagde voorziening terecht heeft geweigerd.
Deze beslissing is, aldus het Hof, niet in strijd met art. 8 EVRM.
3.4. Het middel bestrijdt ’s Hofs arrest en de daarin vervatte overwegingen,
doch tevergeefs. Anders dan onderdeel 1 wil, heeft het Hof terecht de
gevraagde voorziening niet zonder meer toegewezen op de door de man
aangevoerde grond dat het afdwingbaar maken van een door de rechter
vastgestelde omgangsregeling een eis van openbare orde is, maar – evenals de
President – bij beantwoording van de vraag of voor het opleggen van een
dwangsom plaats was, het belang van de kinderen vooropgesteld. Voorts heeft
het Hof terecht geoordeeld, dat weigering van de gevraagde voorziening niet
in strijd is met art. 8 EVRM. De overige onderdelen komen tevergeefs op tegen
de feitelijke en geenszins onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde
overwegingen van het Hof omtrent de spanningen waaraan de kinderen
blootstaan, als gevolg waarvan naar ’s Hofs oordeel hun belang zich thans
verzet tegen een bezoekregeling die de moeder op straffe van verbeurte van
een dwangsom zou moeten nakomen.

4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Conclusie P-G Hartkamp

Edelhoogachtbaar College,
Partijen in deze zaak zijn van echt gescheiden in 1990. De vrouw is tot
voogdes, de man tot toeziend voogd benoemd over hun twee minderjarige
kinderen. Voorts is een omgangsregeling bepaald tussen vader en kinderen. De
moeder heeft de omgangsregeling wegens gerezen problemen opgeschort. Daarop
heeft de vader in kort geding nakoming van die regeling op verbeurte van een
dwangsom gevorderd. De vordering is door de president en hof afgewezen:
weliswaar heeft de vader in beginsel recht op omgang met zijn kinderen, maar
dat betekent niet zonder meer dat de vader recht heeft op toewijzing van zijn
vordering, omdat het belang van de kinderen voorop dient te staan. Het hof
heeft het aannemelijk geacht dat de kinderen, als gevolg van de slechte
verstandhouding tussen de ouders en de procedures die over hen worden
gevoerd, onder grote spanning staan, en heeft geoordeeld dat onder deze
omstandigheden het belang van de kinderen zich verzet tegen een
bezoekregeling waaraan de moeder op straffe van een dwangsom dient mee te
werken.
De vader heeft tijdig cassatieberoep ingesteld en vier middelen voorgesteld.
Partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht en van re- en dupliek
gediend.
Ik meen dat de middelen tevergeefs worden voorgesteld. ’s Hofs overwegingen
geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat:
– de rechter (ook in zaken van omgangsrecht: HR 1 okt. 1982, NJ 1983, 614
m.nt. WHH) bevoegd maar niet gehouden is een dwangsom op te leggen (zie art.
611a Rv en voorts HR 4 okt. 1957, NJ 1957, 626 en 19 febr. 1993, NJ 1993, 624
[r.o. 3.4] m.nt. AHJS);
– de opvatting dat de rechter daartoe in casu moest overgaan na beoordeling –
en negatieve beantwoording – van de vraag of aan de criteria van art. 1:161a
lid 3 (ontzegging van het recht op omgang) was voldaan, m.i. geen steun vindt
in het recht; en – de beslissing, zoals het hof met juistheid heeft
overwogen, niet in strijd is met art. 8 EVRM, daar valt niet in te zien
waarom het belang van de kinderen zich wel zou kunnen (en rechtens mogen)
verzetten tegen het opleggen van een omgangsregeling of tegen het benoemen
van de vader tot toeziend voogd (vgl. HR 9 juni 1995, RvdW 1995, 126), maar
niet tegen het afdwingbaar maken van een omgangsregeling door middel van
dwangsommen.
Ook de motiveringsklacht acht ik ongegrond, hetgeen m.i. geen nadere
toelichting behoeft.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Roelvink, Korthals Altes, Nieuwenhuis