Instantie: Centrale Raad van Beroep, 25 januari 1996

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Een vrouw belde de sociale dienst vanwege een aanvraag om vergoeding voor
studiekosten. De vrouw gaf aan dat zij vanwege ziekte niet naar de dienst kon
komen en daarom ging de chef diezelfde dag nog op huisbezoek. Tijdens dat
bezoek volgde hij de vrouw naar haar slaapkamer, waar zich vervolgens seksuele
handelingen afspeelden. De vrouw deed later bij de politie aangifte wegens
verkrachting. De chef gaf de seksuele handelingen toe, maar het initiatief zou
van de vrouw zijn uitgegaan en een en ander had beslist niet tegen haar wil
plaatsgevonden.
Toch werd hij ontslagen wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn
functie. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat de vrouw al geruime tijd
bekend stond als een uiterst labiele persoon. Zij had een eigen – vrouwelijke
– contactambtenaar. Deze ambtenaar was op de dag van het telefoontje van de
cliënte niet aanwezig. Maar volgens de Centrale Raad was de aanvraag om een
vergoeding van de studiekosten in geen enkel opzicht zo spoedeisend dat
diezelfde dag nog een huisbezoek moest plaatsvinden. Bovendien bestaat bij de
sociale dienst het vaste beleid dat huisbezoeken alleen mogen plaatsvinden
bij hoge uitzondering, zoals in geval van ouderdom, handicap, fraude-gevallen
of ernstige ziekte. Op grond van datzelfde beleid, vastgelegd in een
richtlijn, mogen ambtenaren bij bepaalde cliënten nooit alleen op huisbezoek
gaan.
Dit alles overwegende komt de Centrale Raad tot de conclusie dat de man zich
ten opzichte van een van de sociale dienst afhankelijke en labiele vrouw
heeft gedragen op een wijze die niet door de beugel kan. Er is daardoor grote
twijfel aan zijn integriteit ontstaan. Ondanks zijn goede staat van dienst en
het feit dat een en ander niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft
geleid, is de gemeente terecht tot de conclusie gekomen dat hij ongeschikt is
voor zijn functie.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van de gedingen
Bij uitspraak van 2 september 1994, nr. 93/666 AW, heeft de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage het namens appellant ingestelde
beroep tegen het besluit van 24 mei 1993 van gedaagde I (ontslag wegens
ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op grond
van ziekten en/of gebreken) ongegrond verklaard.
Bij uitspraak eveneens van 2 september 1994, nr. 93/667 AW, heeft de
rechtbank ook het namens appellant ingestelde beroep tegen het besluit van 24
mei 1993 van gedaagde II (ontslaguitkering) ongegrond verklaard.
Namens appellant is tegen beide uitspraken hoger beroep ingesteld.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van 14 december 1995. Appellant is
daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. D.S.C. Hes, advocaat te
Leiden, als zijn raadsvrouwe. Gedaagden hebben zich laten vertegenwoordigen
door hun gemachtigden mr. R.O. Meijer, verbonden aan het Centraal
Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie BV, en H.O. Sommeling, chef
Personeelszaken van de gemeente A.

II. Motivering

Appellant was laatstelijk werkzaam als sectiechef Sociale en Woonruimtezaken
bij de Sociale Dienst van de gemeente A; tevens fungeerde hij in dat kader
als secretaris van de commissie bijstandszaken.
Op 17 februari 1993 belde een bijstandsgerechtigde cliënte (verder te noemen
Z) van de Sociale Dienst met het verzoek om een huisbezoek in verband met een
door haar aan te vragen vergoeding voor het volgen van een studie; zij gaf
daarbij aan, in verband met ziekte niet naar het gebouw van de dienst te
kunnen komen. De bijstandsmaatschappelijk werker (mevrouw P), die normaal de
zaken van Z behandelde, was op die dag niet aanwezig. Appellante is diezelfde
dag op huisbezoek gegaan. Tijdens het huisbezoek is appellant Z naar de
slaapkamer op de eerste verdieping gevolgd, waar zich vervolgens seksuele
handelingen tussen hen hebben afgespeeld. Z heeft hierna bij de politie
aangifte gedaan van verkrachting c.q. poging tot verkrachting. Appellant
heeft aanvankelijk alles ontkend, doch heeft in een later stadium de seksuele
handelingen toegegeven; daarbij heeft hij gesteld dat het initiatief van Z is
uitgegaan en dat een en ander beslist niet tegen haar wil heeft
plaatsgevonden.
Gedaagde I heeft appellant daarna de mogelijkheid geboden zelf ontslag te
nemen tegen een nader te bepalen datum, teneinde hem de gelegenheid te geven
vanuit een gunstige uitgangspositie elders te solliciteren. Appellant heeft
dit echter afgewezen. Gedaagde I heeft appellant vervolgens ontslag verleend
wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking, anders dan op
grond van ziekten of gebreken (artikel H9, eerste lid, van het Algemeen
Ambtenarenreglement van de gemeente A, verder te noemen AA). Gedaagde II
heeft appellant met toepassing van artikel H9, vierde lid, AAR een uitkering
ingevolge de Uitkeringsverordening toegekend.
De Raad is van oordeel dat gedaagde I op goede gronden heeft kunnen komen tot
het oordeel dat appellant ongeschikt moet worden geacht voor de vervulling
van zijn – leidinggevende – functie. Z stond reeds lange tijd bij de dienst
bekend als een uiterst labiele cliënte met problemen van diverse aard. Zij
had een eigen contact bij de Sociale Dienst, mevrouw P; deze was toevallig 17
februari 1993 afwezig. De vraag om vergoeding van studiekosten was in geen
enkel geval zo spoedeisend dat een huisbezoek zonder uitstel diende plaats te
vinden.
Bij onderzoek bleek voorts dat Z de Sociale Dienst ook reeds op 16 februari
1993 met dezelfde vraag had gebeld; zij is toen door een andere medewerker
verwezen naar P. Gedaagde I heeft voorts gewezen op het ook bij appellant
bekende vast beleid dat huisbezoek alleen bij wege van uitzondering
(ouderdom, handicap, ernstige ziekte en in fraudegevallen) dienen plaats te
vinden: daarbij wordt ook als richtlijn gehanteerd dat bij bepaalde cliënten
(en zeker in fraudegevallen) de ambtenaar niet alleen op huisbezoek gaat.
Appellant heeft zich ten opzichte van een van de Sociale Dienst afhankelijke
en labiele cliënte gedragen op een wijze die niet door de beugel kan en die
grote twijfel aan zijn integriteit in relatie tot de door hem vervulde
functie heeft doen ontstaan. Gedaagde I heeft als gevolg hiervan het
vertrouwen in appellant verloren en het onmogelijk geacht om hem als
sectiechef Sociale en Woonruimtezaken te handhaven; plaatsing in een andere
functie bleek – in een kleine gemeente als A – niet mogelijk.
Gelet op het vorenoverwogene is de Raad, nu van een ongeschiktheid op
medische gronden niet is gebleken, van oordeel dat er voldoende feitelijke
grondslag voor het aan appellant verleende ongeschiktheidsontslag aanwezig
is. Aan die vaststelling doet niet af de – door gedaagde I niet weersproken –
goede staat van dienst van appellant voorafgaand aan het beschreven incident
en het feit dat een en ander niet tot een strafrechtelijke veroordeling heeft
geleid.
Hetzelfde geldt voor het besluit van gedaagde II om aan appellant met
toepassing van artikel H9, vierde lid, AAR geen uitkering op voet van de
Wachtgeldverordening toe te kennen doch een uitkering ingevolge de
Uitkeringsverordening. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat
het ontslag in overwegende mate te wijten is aan eigen schuld of toedoen van
appellant, gelet op de wijze waarop hij zich in zijn functie heeft misdragen.
Nu de bestreden besluiten ook overigens geen strijd met het geschreven of
ongeschreven recht opleveren, dienen de aangevallen uitspraken te worden
bevestigd. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding om toepassing te geven aan
het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Rechtdoende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Rechters

Mrs. De Vrey, Bolt, drs. Simons

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 24 januari 1996

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De moeder weigert toestemming tot erkenning door de biologische vader. Het
kind is door een andere man erkend. Op het verzoek tot een omgangsregeling
van de vader is telkens afwijzend beschikt.
De rechter oordeelt dat de tot nu toe bestaande jurisprudentie – de moeder
maakt slechts misbruik van haar toekomende bevoegdheid om toestemming tot
erkenning te weigeren indien zij daarbij geen enkel te respecteren belang
heeft – in strijd is met het recht dat de vader kan ontlenen aan artikel 8
lid 1 EVRM. Derhalve weegt de rechtbank de belangen van alle betrokkenen
tegen elkaar af. De belangen van de zoon, de moeder en de erkenner wegen in
deze zaak zwaarder dan de belangen van de vader.

Volledige tekst

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
– het door de ambtenaar op 10 maart 1995 ingediende verzoekschrift;
– een door de ambtenaar van de burgerlijke stand ingediende notitie;
– een vonnis van deze rechtbank van 30 november 1994.
Het verzoekschrift is, gecombineerd met een nadere comparitie in na te noemen
procedure tot vernietiging van de erkenning, behandeld op de terechtzitting
met gesloten deuren van 13 december 1995. Daarvan is een proces-verbaal
opgemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt:
1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting wordt in dit
geding van het volgende uitgegaan:
a. De vader en de moeder hebben gedurende een periode van ongeveer 10 jaar
samengewoond als waren zij gehuwd.
b. Uit deze samenleving is op 11 maart 1988 geboren N, verder de zoon.
c. De vader heeft tot eind 1991 de zorg voor de zoon gedeeld met de moeder,
waarna de samenleving tussen de ouders is verbroken.
d. Omstreeks dat moment heeft de vader de wens geuit de zoon te erkennen,
waartoe de moeder echter toestemming heeft geweigerd.
e. De moeder is een aantal maanden na het verbreken van de relatie met de
vader gaan samenwonen met X die op 27 januari 1993 de zoon heeft erkend,
verder mede de erkenner. Op 1 december 1993 is zij gehuwd met X.
f. De vader heeft na het verbreken van de samenleving een aantal malen
verzocht om een omgangsregeling, waarop telkens door de kinderrechter,
eenmaal bekrachtigd door het gerechtshof, afwijzend is beschikt.
g. De vader heeft bij dagvaarding van 9 juni 1993 de vernietiging gevorderd
van de erkenning door X.
h. Bij tussenvonnis van 30 november 1994 heeft deze rechtbank en kamer de
vader in de gelegenheid gesteld om op de voet van artikel 1:29 BW (oud) het
onderhavige verzoek in te dienen en iedere verdere beslissing aangehouden.
2. Het verzoek strekt er, zakelijk weergegeven, toe de erkenning door te
halen en de vader als erkenner op de geboorteakte van de zoon te vermelden.
De vader voert daartoe aan dat hij de identiteit van de zoon wil beschermen
en hem de kans wil geven om te weten wie zijn vader is.
3. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft zich gerefereerd aan het
oordeel van de rechtbank.
4. De bijzonder curator heeft zich verweerd tegen toewijzing van het verzoek
daar – zakelijk weergegeven – toewijzing in strijd zou zijn met de belangen
van de zoon.
5. De moeder en de erkenner verweren zich eveneens tegen het verzoek, daartoe
ondermeer aanvoerend dat de moeder in de gegeven omstandigheden geen misbruik
maakt van haar bevoegdheid om toestemming tot erkenning door de vader te
weigeren en toewijzing van het verzoek in strijd zou komen met de belangen
van de zoon en van henzelf, nu zij vanwege bedreigingen door de vader zijn
verhuisd naar een geheim adres. Zij hebben meegedeeld dat de zoon weet wie
zijn biologische vader is.
6. Gebleken – en overigens ook niet betwist – is dat er tussen de vader en de
zoon een als family life te kenmerken band bestaat zodat de vader
ontvankelijk is in zijn verzoek.
7. Volgens vaste jurisprudentie maakt de moeder (slechts) misbruik van de
haar toekomende bevoegdheid om toestemming tot erkenning te weigeren indien
zij daarbij geen enkel rechtens te respecteren belang heeft. De rechtbank is
van oordeel dat een dergelijk terughoudende opstelling van de rechter in
strijd is met het recht dat de vader kan ontlenen aan artikel 8 lid 1 van het
EVRM op bescherming van zijn family life met zijn zoon. Derhalve zal de
rechtbank bij gebreke van andersluidende maatstaf de belangen van alle
betrokkenen tegen elkaar afwegen.
8. Ook in geval van een toetsing van de weigering van de moeder op voornoemde
wijze, die ruimer is dan de heersende jurisprudentie, komt de rechtbank
evenwel tot de slotsom dat het verzoek dient te worden afgewezen.
9. Voorop staat het belang van de zoon. Gelet op zijn leeftijd, de periode
die verstreken is sinds de erkenning, het feit dat zijn moeder en de erkenner
zijn getrouwd en hij daardoor is gewettigd en het feit dat hij ook nu nog in
gezinsverband samenwoont met de erkenner is hij gebaat bij continuering van
de huidige situatie, die aansluit bij zijn sociale realiteit, en weegt de
totstandkoming van een familierechtelijke band met de vader overeenkomstig de
biologische realiteit daar in dit geval niet tegen op. Ook de moeder en de
erkenner hebben evident recht, ontleend aan artikel 8 lid 1 EVRM, op
bescherming en handhaving van de huidige situatie. De vader heeft eveneens
recht op en belang bij de totstandkoming van een familierechtelijke band
tussen hem en zijn zoon, maar de conclusie kan niet anders zijn dan dat de
belangen van de zoon, de moeder en de erkenner in deze zaak zwaarder wegen.

Beslissing:
De rechtbank:
wijst het verzoek af.

Rechters

Mr. Smit

Instantie: College van Procureurs-Generaal, 22 januari 1996

Instantie

College van Procureurs-Generaal

Samenvatting


Door een fout van het Openbaar Ministerie zijn mevrouw en meneer niet in
staat geweest zich te voegen als beledigde partij in het strafproces tegen de
verdachte van seksueel misbruik van hun dochtertje. Daarom verzoeken zij om
een vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade.
Het College is bereid de werkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand te
vergoeden voor de procedure voor de civiele rechter voor zover de hoogte van
die kosten redelijk is en voor zover de dader hierin niet wordt veroordeeld.
Tevens wordt ƒ 1000 aangeboden als immateriële schadevergoeding.

Volledige tekst

Geachte mevrouw Van Bon-Moors,
Uw brief van 11 september 1995, waarin u, namens uw cliënten, de heer en
mevrouw V., verzoekt om tegemoetkoming in de schade die zij hebben geleden
omdat zij niet zijn opgeroepen als beledigde partij in een strafproces, is
door de Minister van Justitie ter behandeling aan het College van
procureurs-generaal door gezonden. Als gevolg van de reorganisatie van het
departement, die onlangs is voltooid, zal het College van procureurs-generaal
voor de verdere behandeling van uw brief zorgdragen. In antwoord op uw brief
bericht ik u thans, namens de Minister van Justitie, het volgende.
Uw cliënten hebben te kennen gegeven dat zij zich wilden voegen als beledigde
partij in een strafproces tegen de verdachte van seksueel misbruik van hun
dochtertje. De verdachte is bij vonnis van 9 mei 1995 hiervoor veroordeeld
door de rechter te Arnhem. Door een administratieve onzorgvuldigheid is
verzuimd uw cliënten op te roepen voor deze terechtzitting. U verzoekt om
vergoeding van de schade die uw cliënten hebben geleden doordat zij niet ter
zitting waren opgeroepen. Als schade voert u op de kosten van juridische
bijstand in de procedure civilibus, met uitzondering van dat gedeelte waartoe
de dader zal worden veroordeeld. U verzoekt tevens om vergoeding van
immateriële schade (ƒ 3000) die uw cliënten hebben geleden door het feit dat
zij, door een omissie van het openbaar ministerie, niet in de gelegenheid
zijn geweest de terechtzitting bij te wonen. Tenslotte verzoekt u om
vergoeding van het bedrag dat uw cliënten zouden hebben geëist indien zij
zich ter zitting hadden kunnen voegen. Zij zouden het maximale bedrag van ƒ
1.500 hebben gevraagd dat, gelet op de aard van de zaak, volgens u, zeker zou
zijn toegewezen. Ik merk hierover het volgende op.
Ik stel voorop dat de dader aansprakelijk is en blijft voor de schade die uw
cliënten hebben geleden. Om de schade op de verdachte te verhalen, staat de
weg naar de civiele rechter nog open. U heeft reeds te kennen gegeven dat u
een civiele vordering zult indienen, waarbij u de werkelijke door uw cliënten
geleden schade zult eisen. Ik ben bereid om de werkelijk gemaakte kosten van
juridische bijstand te vergoeden voor de procedure voor de civiele rechter
voor zover de hoogte van die kosten redelijk is. Indien de dader voor een
gedeelte zal worden veroordeeld beperkt mijn aanbod zich tot het gedeelte
waartoe de dader niet zal worden veroordeeld. Uw verzoek om vergoeding van
het bedrag van ƒ 1500 dat volgens u zeker zou zijn toegekend indien uw
cliënten in de gelegenheid waren geweest om zich te voegen als beledigde
partij, wijs ik af. Nu u heeft aangegeven voornemens te zijn een civiele
vordering in te dienen, ga ik er van uit dat u deze ƒ 1500 bij de civiele
rechter zal vorderen. Het betreft ook schade waarover, zoals ik hiervoor heb
aangegeven, de dader en niet de Staat aansprakelijk is. Ik ben voorts bereid
uw cliënten een vergoeding toe te kennen voor de door hen geleden immateriële
schade, omdat hen de genoegdoening is ontnomen van de confrontatie ter
terechtzitting tussen de dader en de rechter. Deze vergoeding bepaal ik naar
redelijkheid op ƒ 1000.
Ik verzoek u, nadat de civiele procedure is afgerond, mij te berichten wat de
werkelijk gemaakte kosten zijn en voor welk gedeelte de dader is veroordeeld.
Zodra ik nader van u verneem, zal ik u een verklaring van finale kwijting
voor het gehele door mij te vergoeden bedrag doen toekomen. Na ontvangst van
de door uw cliënten ingevulde en ondertekende verklaring van finale kwijting,
zal door de Directie Financieel-Economische Zaken van mijn departement het
bedrag op een door u aangegeven rekening worden gestort.
Ik vertrouw er op u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Rechters

College van Procureurs-Generaal

Instantie: Rechtbank Haarlem, 19 januari 1996

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Eiseres, 17 jaar is door gedaagde, een leeftijdgenoot verkracht. Hij is
daarvoor door de rechtbank Haarlem veroordeeld. Eiseres vordert ƒ 7500
immateriële schadevergoeding en ƒ 1020,40 materiële
schadevergoeding. De rechtbank kent een voorschot voor de immateriële
schadevergoeding ter hoogte van ƒ 3000 toe en ƒ 630 als materiële
schadevergoeding.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

1.1. Ter terechtzitting van 11 januari 1996 heeft eiseres overeenkomstig de
dagvaarding gesteld en gevorderd als hierna sub 2.2. weergegeven.

1.2. Na toelichting op de vordering van de zijde van eiseres, verweer van
gedaagde en verder debat in tweede termijn hebben partijen onder overlegging
van de stukken vonnis gevraagd.

2. Het geschil van partijen

2.2. De vaststaande feiten

In dit geding kan van het volgende worden uitgegaan.

a. K heeft P op 17 april 1995 verkracht in de box/schuur onder de flatwoning
van K.

b. K is bij vonnis van 10 augustus 1995 door de meervoudige strafkamer van
deze rechtbank veroordeeld voor deze verkrachting. Dit vonnis is in kracht
van gewijsde gegaan.

c. In een op 19 april 1995 door H. Oosterhoff, gynaecoloog, ondertekend
formulier is het volgende vermeld: “Verzoek om medische informatie over (…)
P (..) die op (…) 17 april 1995 betrokken is geweest bij: een verkrachting
en in het Jozefziekenhuis te Heemskerk is behandeld door:
Dr. Oosterhof, afd. gynaecologie (…) omschrijving van het letsel. (..)
A. Uitwendig waargenomen letsel: Ingang van de vagina was uitgescheurd over
1/2 cm.”

d. Bij brief van 21 november 1995 heeft de raadsvrouwe van P aan de RIAGG
Midden-Kennemerland de volgende vragen gesteld:

“1. Sinds wanneer is P onder behandeling bij het Riagg bij u?
2. Welke klachten werden door cliënten gepresenteerd bij aanvang en gedurende
het beloop van de therapie?
3. Welke diagnose en welk behandelplan stelde u naar aanleiding van deze
klachten vast? (duur, frequentie, doel, therapie).
4. Wat is uw prognose?
5. Welke gevolgen signaleert u voor de verhouding tussen cliënt en haar
ouders, de sociale contacten, haar werk en haar opleiding?
6. Wat is uw discipline en uw (specifieke) ervaring op het gebied van
begeleiding van slachtoffers van seksueel geweld?
7. Heeft u zelf nog aanvullingen, die niet in het bovenstaande zijn
besproken?”

e. Bij brief van 27 november 1995 heeft de RIAGG op deze vragen het volgende
geantwoord:
“1. Sinds juli 1995.
2. Klachten van cliënte: Bang op straat, inslaapstoornissen, nachtmerries,
ziet steeds K’s gezicht voor zich, zich vies voelen, slecht eten -vermageren.
3. Diagnose: Emotionele problemen en psychische problemen bij een 17-jarig
meisje na een ernstige verkrachting.
Behandelplan:
– individuele steunende begeleiding.
– ouder gesprekken.
Duur: 1 x 14 dagen voor ± 10 maanden.
Doel behandeling: Verkrachting verwerken, communicatie tussen ouders en
cliënte opnieuw op gang brengen.
4. Positief.
5. Cliënte heeft de neiging zich te isoleren, wil alles zo snel mogelijk
“vergeten”. Haar werk en school zet ze gewoon door.
6. S.p.v. sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Mijn deskundigheid ligt in
de begeleiding van meisjes tussen 12 en 19 jaar, met ernstige problematiek,
waaronder seksueel geweld binnen en buiten het gezin.
7.-“.

2.2. De vordering en de grondslag daarvan

2.2.1. P vordert dat de president -kort gezegd- K zal veroordelen aan eiseres
te voldoen een bedrag van ƒ 8520,40, vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met
veroordeling van K in de kosten van deze procedure.

2.2.2. P legt aan haar vordering ten grondslag dat K haar op 17 april 1995
heeft verkracht. Door dit onrechtmatig handelen heeft P schade geleden, welke
schade K verplicht is te vergoeden nu dit onrechtmatig handelen aan hem kan
worden toegerekend.

2.2.3. De schade bestaat enerzijds uit materiële schade, te weten: schade aan
kleding van P ten bedrage van ƒ 900,40 en de kosten van een cursus
zelfverdediging ten bedrage van ƒ 120 en anderzijds uit immateriële schade,
te weten:
– lichamelijke klachten:
inscheuring van haar vagina, hetgeen hevige pijnklachten veroorzaakte direct
na de verkrachting, sterk verkrampte spieren in haar nek en het overige
gedeelte van het lichaam, rugpijn, verstoord eetpatroon, misselijkheid en
buikklachten;
– psychische klachten:
slapeloosheid, nachtmerries waarin gedaagde een centrale rol speelt,
concentratiestoornissen, ondervinden van snel wisselende emoties, buien van
neerslachtigheid, paniekreacties, een sterk gevoel van onveiligheid zowel
buitenshuis als in eigen huis, angst voor duisternis, vrees voor
geslachtsziekten en vrees voor zwangerschap.
Nu de tot heden geleden materiële schade vaststaat en voorts de uiteindelijke
hoogte van de immateriële schade thans nog niet kan worden vastgesteld,
vordert P voor de immateriële schade de genoemde bedragen en voor de
immateriële schade een bedrag van ƒ 7500 als voorschot.

2.3. Het verweer

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voorzover van belang,
bij de beoordeling van het geschil nader worden ingegaan.

3. Beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

3.1. K heeft aangevoerd dat P bij dit geding geen spoedeisend belang heeft
omdat K niet in staat zal zijn een eventuele schadevergoeding aan P te
voldoen.

3.2. Hieromtrent wordt als volgt overwogen. Een snelle reactie op de
verkrachting in de vorm van een door een rechter bevolen betaling van een
voorschot op het uiteindelijk terzake aan schadevergoeding toe te wijzen
bedrag is (mede) een geschikt middel voor P om de ingrijpende en traumatische
gebeurtenis te verwerken en aldus de schade voor de toekomst te beperken. In
dit schadebeperkend effect is dan ook reeds het spoedeisend belang van P
gelegen. Of het eventueel toe te wijzen bedrag door K op afzienbare termijn
ook daadwerkelijk kan worden betaald, is hierbij niet van doorslaggevend
belang; het gaat om de veroordeling tot betaling en de impliciet daarin
begrepen “erkenning” van het aangedane leed.

De vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade

3.3. K heeft het bestaan van de door P gestelde schade betwist. Echter, zelfs
indien zou moeten worden uitgegaan van de lezing van de verkrachting zoals K
die geeft, is -gelet op de omstandigheden waaronder een en ander heeft
plaatsgevonden- voldoende aannemelijk geworden dat P als gevolg daarvan
schade heeft geleden en ook thans nog lijdt.

3.4. K heeft de omvang van de gestelde materiële schade betwist.

3.5. P vordert allereerst vergoeding van de kleding die zij op 17 april
droeg, omdat die kleding beschadigd is en omdat zij die niet meer kan dragen
vanwege de herinneringen die samenhangen met het dragen van deze kleding. De
president is met P van oordeel dan van haar in redelijkheid niet kan worden
verlangd dat zij deze kleding, voor zover die niet is beschadigd, opnieuw
draagt, zodat deze in beginsel voor vergoeding door K in aanmerking komt. Ter
zitting heeft de raadsvrouwe van P verklaard dat de opgegeven waarde van de
verscheidene kledingstukken de nieuwwaarde betreft. Gelet op de verklaring
van P dat de betreffende kledingstukken relatief nieuw waren, namelijk van
dat seizoen, en op de omstandigheid dat de waarde van kleding na het dragen
snel afneemt, acht de president vergoeding van de kleding tot een bedrag van
ƒ 500 redelijk.

3.6. De gevorderde kosten van de cursus zelfverdediging moeten worden gezien
als kosten ten behoeve van beperking van (verdere) psychische schade, terwijl
de gestelde hoogte van de daaraan verbonden kosten ter zitting voldoende
aannemelijk is gemaakt, zodat de hiervoor gevorderde vergoeding van ƒ 120
zal worden toegewezen.

3.7. Een en ander leidt ertoe dat de vordering betreffende vergoeding van
materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van ƒ 620.

3.8. K heeft voorts de omvang van de gestelde immateriële schade betwist.
Hieromtrent overweegt de president als volgt.

3.9. Voor de toewijsbaarheid van een voorschot op een in een bodemprocedure
te vorderen schadevergoeding dient in het kader van dit kort geding
aannemelijk te worden dat de klachten waarmee P kampt in zodanig verband
staan met het seksueel misbruik door K dat de met deze klachten gepaard
gaande schade hem als een gevolg van dit misbruik kan worden toegerekend.

3.10. Naar inmiddels als algemeen bekend mag worden verondersteld is uit
onderzoek gebleken dat in ieder geval het merendeel van de klachten die
eiseres heeft veelvuldig voorkomt bij slachtoffers van seksueel misbruik.
P heeft ter zitting haar immateriële schade, zoals hieronder onder 2.2.3.
omschreven gemotiveerd en overtuigend toegelicht. Zo wordt de gestelde (en
als ernstig aan te merken) kwetsuur van uitscheuring van de vagina
ondubbelzinnig ondersteund door de onder 2.1. sub c geciteerde verklaring van
de gynaecoloog. Daarnaast wordt het door haar met betrekking tot haar
psychische klachten verklaarde ondersteund door de hiervoor onder 2.1. sub e
geciteerde brief van de Riagg. De president gaat er daarom vanuit dat P
aanzienlijke immateriële schade heeft geleden en thans nog lijdt als gevolg
van de verkrachting.

3.11. K heeft nog aangevoerd dat het gevorderde voorschot te hoog is omdat
het hier leeftijdsgenoten betreft die elkaar goed kennen en reeds meerdere
keren seksueel contact hebben gehad met elkaar. Los van de vraag of dit
aangevoerde, dat door P wordt bestreden, juist is, kan deze omstandigheid
niet -zoals K kennelijk betoogt- worden aangemerkt als een factor die de
omvang van de geleden schade beperkt. Immers, zelfs indien P, K goed kende en
tussen hen ten minste een als vriendschappelijk aan te merken relatie heeft
bestaan, is het vertrouwen dat P in K stelde door de verkrachting zeer ruw
beschaamd, hetgeen de verkrachting voor P slechts des te schokkender kan
hebben gemaakt.

3.12. Bij de bepaling van de hoogte van een voorschot op een aan P toekomende
vergoeding voor geleden immateriële schade dient -naast de omstandigheden
waaronder de verkrachting heeft plaatsgevonden- ook de financiële positie van
K in aanmerking te worden genomen.

3.13. Gelet op het vorenoverwogene komt een voorschot van ƒ 3000
gerechtvaardigd voor en dit zal dan ook worden toegewezen, nu redelijkerwijs
mag worden aangenomen dat K in een door P aan te spannen bodemprocedure te
zijner tijd op grond van het hem verweten gedrag zal worden veroordeeld tot
het betalen van schadevergoeding aan P tot tenminste het bedrag van dit
voorschot. Hierbij wordt nog overwogen dat niet uitgesloten moet worden
geacht dat K mede gelet op zijn jeugdige leeftijd -bij een veroordeling door
de bodemrechter meer financiële ruimte heeft om een bedrag aan
schadevergoeding te betalen dan thans het geval is.

3.14. Het vorenoverwogene brengt mee dat de vordering voor een totaal bedrag
van ƒ 3620, bij wijze van voorschot, voor toewijzing in aanmerking komt. K
zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij en, nu P met een
toevoeging procedeert, met toepassing van artikel 57b Rv in de kosten van het
geding worden veroordeeld.

4. Beslissing

De president:

4.1. Veroordeelt K om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan P te betalen ƒ
3620 (drieduizend zeshonderd twintig gulden), vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele
voldoening.

4.2. Veroordeel K in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan
de zijde van P begroot op ƒ 409,20 aan verschotten en ƒ 1500 aan
procureurssalaris, op de voet van artikel 57b Rv te voldoen aan de griffier
van deze rechtbank.

4.3. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

4.4. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Terwee-van Hilten

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 19 januari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft in een reclamefolder geadverteerd voor een zogenaamd
`schurenfeest’. Daarbij werd vermeld dat de toegang voor dames ƒ 20 bedroeg
en voor heren ƒ 25.
De commissie meent dat de wederpartij direct onderscheid maakt bij het
aanbieden van diensten. Dit onderscheid wordt vervolgens ook gemaakt bij het
sluiten van overeenkomsten bij de toelating tot de dansavonden, met de
daaraan verbonden verschaffing van consumpties.
Het te verwachten consumptiepatroon behoort niet tot een van de in de wet
neergelegde uitzonderingen. De Commissie gaat niet in op de door de
wederpartij genoemde achtergronden van het gehanteerde verschil in
toegangsprijs tussen mannen en vrouwen.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 21 september 1995 verzocht de stichting Anti Discriminatie Buro Regio
Noord Kennemerland te Alkmaar (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke
behandeling (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag
of door (…) te Zuid-Scharwoude (hierna: de wederpartij) onderscheid op
grond van geslacht is gemaakt zoals bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. De wederpartij heeft in een reclamefolder geadverteerd voor een
zogenaamd `schurenfeest’. Daarbij werd vermeld dat de toegang voor dames ƒ 20
bedroeg en voor heren ƒ 25. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

2.1. Verzoekster is een stichting die zich blijkens haar statuten ten doel
stelt het voorkomen, signaleren en bestrijden van discriminerende uitingen,
gedragingen en regelgeving. De stichting stelt zich in het bijzonder ten doel
het kosteloos met raad en daad terzijde staan van slachtoffers van
discriminatie. Uit de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij
in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), de Wet Gelijke Behandeling van
mannen en vrouwen (WGB) en artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) beogen
te beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten
zoals gesteld in artikel 12 lid 2 sub e AWGB. Verzoekster heeft geen namen
genoemd van personen ten nadele van wie zou zijn gehandeld. Een onderzoek
door de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het
onderhavige verzoek, op grond van artikel 12 lid 3 AWGB, kan derhalve
achterwege blijven.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten weer te
geven.

3.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om te verschijnen op een zitting op
5 december 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (coördinator ADB regio Noord Kennemerland)
– dhr. (…)
van de kant van de wederpartij:
– (…) (eigenaar)
– (…) (eigenaar)
– mw. mr. C. André de la Porte
van de kant van de Commissie:
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer)
– mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. Verzoekster heeft in een huis aan huis verspreide reclamefolder een
advertentie van de wederpartij gesignaleerd. In deze advertentie is door de
wederpartij een advertentie geplaatst om reclame te maken voor een dansavond,
een zogenaamd `schurenfeest’. Daarbij werd vermeld dat de toegang voor dames
ƒ 20 bedroeg en voor heren ƒ 25.
Verzoekster heeft naar aanleiding hiervan contact gezocht met de wederpartij
en de redenen gevraagd voor het verschil in toegangsprijs tussen mannen en
vrouwen.

De standpunten van partijen

4.2. Verzoekster stelt het volgende.
Verzoekster is van mening dat door het hanteren van verschillende
toegangsprijzen voor mannen en vrouwen een door de wetgeving gelijke
behandeling verboden onderscheid wordt gemaakt. Zij wijst erop, dat dit ook
elders in horeca-gelegenheden veelvuldig voorkomt.
Toen zij contact zocht met de wederpartij, deelde de wederpartij mee dat de
kosten van consumpties bij de toegangsprijs voor de avond inbegrepen zijn.
Verder zei de wederpartij dat gezien het feit dat mannen over het algemeen
meer drinken dan vrouwen het reëel is dat de toegangsprijs voor mannen hoger
is. Om haar argumentatie kracht bij te zetten verwees de wederpartij naar de
bedrijfsformule voor de Spaanse discotheken waarin volgens haar met
betrekking tot entreegelden is vastgesteld dat alleen mannelijke bezoekers
tot betaling verplicht zijn.

4.3. De wederpartij stelt het volgende.
De wederpartij stelt dat haar beleid niet discriminerend is jegens mannen. De
entreeprijs bij schurenfeesten was zowel voor mannen als voor vrouwen altijd
ƒ 25. Omdat de wederpartij erg veel klachten kreeg van de vrouwelijke
bezoekers over de hoogte van de entreeprijs, besloot de wederpartij de
vrouwen ƒ 5 korting te geven. Het argument van de dames was dat zij niet
zoveel drinken als de mannelijke bezoekers, de dames dansen bijvoorbeeld veel
liever.
De wederpartij geeft aan niet over andere mogelijke oplossingen te hebben
gedacht.
Bovendien exploiteert de wederpartij ook een café naast de ruimte waar de
feesten gehouden worden. Wie wil, kan zonder toegang te hoeven betalen, ook
in het café gaan zitten.
De wederpartij vindt de bij de Commissie ingediende klacht dan ook
vergezocht.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op
grond van geslacht in strijd met de AWGB, door het bijwonen van een dansfeest
aan mannen voor een hogere toegangsprijs aan te bieden dan aan vrouwen.

5.2. De volgende artikelen uit de AWGB zijn van toepassing:
Artikel 1 AWGB geeft een definitie van direct en indirect onderscheid. In
artikel 1 onder b AWGB staat dat direct onderscheid, onderscheid is tussen
personen op grond van onder andere geslacht.
Artikel 7, lid 1 sub a AWGB luidt als volgt: ` Onderscheid is verboden bij
het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beëindigen van overeenkomsten terzake, alsmede bij het geven van advies of
voorlichting over school- of beroepskeuze, indien dit geschiedt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf.’
In artikel 2 lid 2 AWGB is een aantal uitzonderingen op dit verbod op
onderscheid op grond van geslacht opgenomen. Deze uitzonderingen zijn in de
onderhavige zaak echter niet van toepassing.

5.3. De Commissie stelt vast dat de wederpartij in het economisch verkeer
goederen en diensten aanbiedt in de vorm van de mogelijkheid tot het bijwonen
van dansfeesten, waarbij tevens consumpties worden verschaft, en zodoende
handelt in de uitoefening van zijn bedrijf.

5.4. Alvorens in te gaan op de in het geding zijnde vraag, stelt de Commissie
vast dat de klacht van verzoekster met name deze wederpartij betreft. De
Commissie zal zich ook hiertoe beperken. Een antwoord op de (ter zitting
gestelde) vraag naar toelaatbaarheid van verschillende toelatingsvoorwaarden
in horeca-gelegenheden voor mannen en vrouwen in het algemeen, gaat de
context van het onderhavige verzoek met betrekking tot het handelen van de
wederpartij te buiten.

5.5. Met betrekking tot de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie
als volgt. De wederpartij hanteert voor mannen en vrouwen verschillende
toegangsprijzen voor het bijwonen van dansavonden (‘schurenfeesten’). In de
folders waarin deze avonden worden bekendgemaakt, worden de verschillende
prijzen vermeld. Daarmee maakt de wederpartij direct onderscheid bij het
aanbieden van diensten. Dit onderscheid wordt vervolgens ook gemaakt bij het
sluiten van overeenkomsten bij de toelating tot de dansavonden, met de
daaraan verbonden verschaffing van consumpties.

5.6. Daarmee maakt de wederpartij bij het aanbieden van goederen en diensten
en bij het sluiten van overeenkomsten direct onderscheid naar geslacht.
Immers, bij het gemaakte onderscheid wordt rechtstreeks verwezen naar het
geslacht van de betrokkenen. Om die reden is er geen sprake van indirect
onderscheid.
Het te verwachten consumptiepatroon behoort niet tot een van de in de wet
neergelegde uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn limitatief. Het is dus
niet mogelijk om andere argumenten aan te voeren ter rechtvaardiging van een
gemaakt direct onderscheid, dan die die terug te voeren zijn tot de in de wet
neergelegde uitzonderingen. De Commissie gaat daarom ook niet in op de door
de wederpartij genoemde achtergronden van het gehanteerde verschil in
toegangsprijs tussen mannen en vrouwen. Dit verschil wordt immers uitsluitend
gemaakt op grond van het geslacht, ook al wordt daarbij door de wederpartij
verwezen naar verschillen in drinkgedrag. De hogere toegangsprijs wordt
uitsluitend aan mannen berekend.
Ook het vaste beleid in de horeca om verschillende toegangseisen ten aanzien
van mannen en vrouwen te hanteren, dat de wederpartij als verweer aanvoert
houdt een ongelijke behandeling naar geslacht in. De wettelijke
uitzonderingsmogelijkheden staan een dergelijke ongelijke behandeling niet
toe. Een dergelijk vast beleid levert daarom evenzeer een door de AWGB
verboden direct onderscheid naar geslacht op. Alleen al op deze grond kan een
verwijzing naar het vaste beleid bij de wederpartij door de Commissie niet
als deugdelijk verweer worden aanvaard.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat (…) te Zuid Scharwoude in
strijd met artikel 1 juncto artikel 7, lid 1, sub a van de Algemene wet
gelijke behandeling onderscheid naar geslacht heeft gemaakt bij het aanbieden
van goederen en diensten en het sluiten van overeenkomsten ter zake.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr. mr. W.A. van Veen (lidKamer), dhr. P.M. van der Sluis (lid Kamer), mw. I.M. Hidding (secretarisKamer).

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 januari 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Een Iraanse vrouw vlucht met haar twee dochters naar Nederland. De vrouw
voert aan dat in Iran vrouwen op alle mogelijke manieren worden
gediscrimineerd. De (ex)echtgenoot van de vrouw is een fanatiek aanhanger
van het regime. Bij terugkomst in Iran zullen de kinderen worden
toegewezen aan haar man en zullen de kinderen op zeer jonge leeftijd
worden uitgehuwelijkt. De rechter meent dat in Iran sprake is van een
achterstelling van vrouwen op grond van de fundamentalistische
islamitische ideologie. Maar de door de vrouw aangedragen feiten zijn
onvoldoende om in aanmerking te kunnen komen voor de vluchtelingenstatus,
hoezeer de gang van zaken naar westerse maatstaven verwerpelijk is te
achten. Ook een beroep op de klemmende redenen van humanitaire aard heeft
geen kans van slagen.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verzoekster, geboren op 8 juli 1960, heeft de Iraanse nationaliteit.
Zij verblijft sedert 3 februari 1994 in Nederland. Op 8 maart 1994 heeft
zij aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van
een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.
Bij beschikking van 13 oktober 1994, aan verzoekster uitgereikt op 18
november 1994, heeft verweerder de desbetreffende aanvragen niet
ingewilligd. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd
wegens de kennelijke ongegrondheid ervan. Verzoekster heeft op 23 november
1994 tegen deze beschikking een bezwaarschrift ingediend. Op 3 januari
1995 zijn de nadere gronden hiervan ingediend. Op grond van artikel 32,
eerste lid, Vw heeft verweerder bepaald dat uitzetting gedurende de
periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal blijven.
Verzoekster moet er rekening mee houden binnenkort uit Nederland te worden
verwijderd.

1.2. Bij verzoekschrift van 23 november 1994, op 3 januari 1995 aangevuld
met nadere gronden, heeft verzoekster de president van de rechtbank
verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing
van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten,
totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak
betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift
geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek met toepassing van artikel 33b
Vw.

1.3. De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22
december 1995. Ter zitting hebben verzoekster en verweerder bij monde van
hun gemachtigde hun standpunten nader uiteengezet.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan – onder meer – indien
voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt,
de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de
hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien
onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2. Verzoekster legt aan de aanvragen en het onderhavige verzoek ten
grondslag dat zij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling dan
wel voor verlening van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen
van humanitaire aard.

2.3. Voor zover de beslissing tot uitzetting voortvloeit uit de weigering
verzoekster toe te laten als vluchteling, is aan de orde de vraag of haar
uitzetting ingevolge artikel 32, eerste lid, onder a, Vw achterwege moet
blijven. In dat artikel is bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat
het bezwaar aanhangig is, achterwege blijft, indien de vreemdeling een
aanvraag heeft gedaan als bedoeld in artikel 15 Vw, tenzij er in
redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor
vervolging als omschreven in artikel 15, eerste lid, Vw. Ingevolge artikel
15 Vw is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is
uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging
wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit,
dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale
groep.

2.4. In verband met verzoeksters aanvraag om een vergunning tot verblijf
is aan de orde de vraag of er aanleiding bestaat om aan te nemen dat
verzoeksters bezwaar tegen de niet-inwilliging daarvan een redelijke kans
van slagen heeft. Ingevolge artikel 32, eerste lid aanhef en onder b Vw
blijft in dat geval uitzetting achterwege.

2.5. Ter onderbouwing van haar aanvraag heeft verzoekster aangevoerd dat
in Iran een regime aan de macht is dat vrouwen op alle mogelijke manieren
discrimineert. Verzoeksters echtgenoot is een Hezbollahi en een fanatiek
aanhanger van het regime. Hij eiste volledige onderworpenheid van
verzoekster en de uit hun huwelijk geboren dochters S en S (thans
respectievelijk zes en negen jaar oud). Door de fanatiek islamitische
opvattingen van de echtgenoot van verzoekster ontstonden conflicten over
de opvoeding van de kinderen, hetgeen in 1992 leidde tot ontbinding van
het huwelijk.

Daarbij werden beide dochters aan verzoekster toegewezen. Na hun zevende
levensjaar behoren meisjes echter volgens Iraanse wetgeving volledig toe
aan de man. In verband hiermee zou de oudste dochter van verzoekster op
6 maart 1994 (op bevel van de rechtbank) van verzoekster worden afgenomen.
Aangezien verzoekster niet wil accepteren dat haar kinderen door haar
echtgenoot streng islamitisch worden opgevoed en als gevolg hiervan zullen
worden gediscrimineerd, heeft zij Iran verlaten. Discriminatie van vrouwen
heeft in Iran inmiddels zo ernstige vormen aangenomen dat sprake is van
ernstige schending van de mensenrechten. Omdat er geen binnenlands
vluchtalternatief is en verzet tegen het bestaande discriminerende
rechtssysteem tot vervolging leidt, kan men hieraan slechts ontkomen door
Iran te verlaten.

2.6. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd, zoals weergegeven in
het zich bij de stukken bevindende verweerschrift en de ter zitting
gegeven toelichting en aanvullingen daarop.

2.7. Voorop staat dat de situatie in Iran niet zodanig is dat asielzoekers
uit dat land zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt.
Verzoekster zal derhalve aannemelijk moeten maken, dat met betrekking tot
haar persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan die haar vrees voor
vervolging in de zin van artikel 15 Vw rechtvaardigen.

2.8. Aan verzoekster kan worden toegegeven dat in Iran sprake is van een
achterstelling van vrouwen op grond van de fundamentalistisch islamitische
ideologie. Die omstandigheid alleen is echter nog niet genoeg om
verzoekster als vluchteling te kwalificeren. Daarnaast zal gekeken moeten
worden naar de concrete gevolgen van die achterstelling waarop verzoekster
zich beroept. Meer in het bijzonder heeft verzoekster zich beroepen op de
gevolgen van de echtscheidingswetgeving wat betreft de positie van de
kinderen. Het feit dat de kinderen na de echtscheiding krachtens de
Iraanse wetgeving worden toegewezen aan de vader en vervolgens een streng
islamitische opvoeding zullen krijgen is echter niet genoeg om de
conclusie te dragen dat verzoekster – als moeder van de kinderen – onder
een van de categorieen van de vluchtelingendefinitie te brengen zou zijn,
hoezeer de gang van zaken naar westerse maatstaven verwerpelijk is te
achten. Voor zover verzoekster bij terugkeer zal worden bedreigd of lastig
gevallen door haar ex-echtgenoot, is niet gebleken dat de autoriteiten
hiertegen geen bescherming kunnen of willen bieden.

2.9. Op grond van het voorgaande moet worden geoordeeld dat er in
redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor
vervolging als bedoeld in artikel 15, eerste lid, Vw.

2.10. Niet aannemelijk is geworden dat er een reeel risico bestaat dat
verzoekster bij terugkeer zal worden onderworpen aan een behandeling die
strijd zou kunnen opleveren met artikel 3 EVRM. In het licht van het
voorgaande heeft ook het bezwaarschrift, voor zover dat is gericht tegen
de weigering van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van
humanitaire aard, geen redelijke kans van slagen.

2.11. Nu ook anderszins niet is gebleken van strijd met rechtsregels,
bestaat in het onderhavige geval, gelet op de betrokken belangen, geen
aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening, zodat het
verzoek zal worden afgewezen.

2.12. Op grond van al het voorgaande acht de fungerend president het
zonder meer aannemelijk dat het ingediende bezwaarschrift niet tot een
andere uitkomst dan die in de voorlopige voorzieningprocedure leidt. Nu
voorts niet is gebleken dat nader onderzoek redelijkerwijs kan bijdragen
aan de beoordeling van de zaak, bestaat in dit geval eveneens aanleiding
om gebruik te maken van de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 33b
Vw.

2.13. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten
worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is
niet gebleken.

3. Beslissing De fungerend president:

3.1. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.2. verklaart het bezwaar ongegrond.

Noot Het percentage vrouwen onder de asielzoekers stijgt gestaag. Lag het
begin jaren tachtig nog rond de twintig procent, nu is dertig a 35 procent
van de asielzoekers in Nederland vrouw (zie bijv. het WODC-onderzoek van
L. Doornhein en N. Dijkhoff, Toevlucht zoeken in Nederland, Gouda Quint,
Arnhem 1995, p. 92). Onderzoek wijst erop dat vrouwen niet, zoals wel
wordt gedacht, minder vaak succes hebben in de asielprocedure, maar juist
vaker. Dit zou verklaard kunnen worden door de hypothese dat de
asielverzoeken van vrouwen vaker gefundeerd zijn dan die van mannen, omdat
er onder de mannen meer verholen arbeidsmigranten zitten (zie voor
gegevens en verklaringen in deze richting R. van den Bedem, N. Dijkhoff
en L. Doornhein, Een speciale positie voor de vrouw in het
vreemdelingenrecht? in: M.M.J. Aalbers, J.C.J. Boutelier en H.G. van de
Bunt, Rechtsverzorging en wetenschap. Een plaatsbepaling van het WODC bij
het afscheid van J. Junger-Tas, Gouda Quint, Arnhem 1994, p. 153-164, vgl.
Doornhein en Dijkhof, a.w. p. 69 en p. 76).

Hoewel zulke percentages er niet op wijzen dat vrouwen worden
gediscrimineerd in de asielprocedure, zijn ze ook onvoldoende om te
concluderen dat alles in orde is. Het gaat er immers niet om dat de
percentages kloppen, maar dat de beslissingen juridisch in orde zijn.
Krijgen vrouwen (en mannen, maar daar gaat het hier niet om) die aanspraak
kunnen maken op asiel ook inderdaad een verblijfstitel? Bovendien zijn de
door het WODC tot nu toe verzamelde gegevens, belangrijk als zij overigens
zijn, erg globaal. Het zou interessant zijn te weten hoe de verhouding
tussen mannen en vrouwen per land per jaar is. Ongetwijfeld laat zo’n meer
gedetailleerde analyse afwijkingen van de genoemde grove cijfers zien. In
de hier gepubliceerde uitspraak gaat het om een Iraanse vrouw, die door
de president vooral wordt gezien als de gescheiden moeder van twee
kinderen. De ex-echtgenoot van verzoekster is een fanatiek aanhanger van
het Iraanse regime en lid van de Hezbollah (een groep radicale
Islamitische militanten, die zichzelf ziet als bewakers van de revolutie).
De echtscheiding werd veroorzaakt door conflicten over de opvoeding van
de twee dochters, tegen de achtergrond van uiteenlopende visies op de
Islam. De dochters, die op het moment van de uitspraak zes en negen jaar
oud waren, werden aan de vrouw toegewezen. Na hun zevende jaar behoren zij
volgens de Iraanse wetgeving echter aan de man toe. Kort voordat de oudste
dochter op bevel van de rechtbank aan de man zou worden overgedragen,
vluchtte de vrouw en vroeg in Nederland asiel. Blijkens de uitspraak legt
de vrouw aan haar asielverzoek ten grondslag dat zij haar dochters wil
behoeden voor een streng Islamitische opvoeding en de daaruit
voortvloeiende discriminatie.

De president stelt, dat het feit dat de dochters op een voor de vrouw
onaanvaardbare manier zullen worden opgevoed, geen vervolging van de vrouw
oplevert. Dat lijkt mij een te billijken conclusie. De vrouw dreigt immers
niet het slachtoffer te worden van inbreuken op haar vrijheid of fysieke
integriteit. Wel is zij het slachtoffer van flagrante discriminatie in
het familierecht, maar in de Nederlandse rechtspraak wordt discriminatie
pas als vervolging beschouwd als deze een ernstige beperking van de
bestaansmogelijkheden inhoudt, en het is goed te verdedigen dat een
onacceptabele opvoeding van de kinderen niet een zodanige beperking van
de niet-opvoedende ouder is. Dat is overigens wel een kwestie van
afweging. Het gaat hier immers om een forse en systematische inbreuk op
het discriminatieverbod, terwijl ook het VN-vrouwenverdrag op dit punt
glashelder is (m.n. art. 2 in combinatie met Algemene Aanbeveling 19,
general comment 6; zie over de relevantie van het VN-vrouwenverdrag Sarah
van Walsum, Het VN-vrouwenverdrag en het Nederlandse vreemdelingenrecht,
Clara Wichmann Instituut, Amsterdam 1996).

Het is zeker verdedigbaar dat dit van zodanige ernst is, dat van
vervolging moet worden gesproken. De jurisprudentie van de Afdeling
(bestuurs)rechtspraak van de Raad van State op dit punt is echter zo
restrictief, dat dit geen dwingende conclusie is (zie terzake T.P.
Spijkerboer en B.P. Vermeulen, Vluchtelingenrecht, Nederlands Centrum
Buitenlanders, Utrecht 1995, p. 115-117). Als men meent dat de
discriminatie op dit punt vervolging oplevert, rijst nog de vraag wat de
vervolgingsgrond is. Velen bepleiten dat in een geval als dit de
vervolging gegrond is op het feit dat de vrouw vrouw is, en dus op het
behoren tot een bepaalde sociale groep.

Het lijkt mij echter zuiverder om in een situatie als deze aan te knopen
bij het feit dat de vrouw door haar gedrag uiting heeft gegeven aan een
niet mis te verstane politieke overtuiging, en dat als de vervolgingsgrond
te beschouwen (zie Thomas Spijkerboer, Women and refugee status. Beyond
the public/private distinction, Emancipatieraad, Den Haag 1994, p. 33-46).
Zoals Ghidei Biidu stelt, is een nadeel van het hanteren van de
vervolgingsgrond sociale groep in gevallen als deze dat vrouwen zo worden
losgekoppeld van het algemene vluchtelingenvraagstuk, terwijl bovendien
geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat vrouwen in
bondgenootschappen met mannen deze wantoestanden aan de kaak kunnen
stellen (Domenica Ghidei Biidu, Door het oog van de naald.

Een commentaar op de praktijk van de asielprocedure, ISIS/Greber, Utrecht
1995, p. 39-40). Tot hier toe lijkt de uitspraak mij voor discussie
vatbaar, maar meer ook niet. Veel ernstiger is het dat de president meent
dat de zaak hiermee is afgedaan. Zeker twee aspecten waren zijn aandacht
waard geweest. Ten eerste bestaat de mogelijkheid dat de vrouw bij
terugkeer naar Iran een politiek/religieuze overtuiging zal worden
toegedicht omdat zij haar dochters aan het gezag van haar ex-echtgenoot
heeft onttrokken. Ten tweede speelt de vraag of de dochters zelf,
onafhankelijk van de moeder, gegronde vrees voor vervolging zouden kunnen
hebben. Blijkens de laatste zin van rechtsoverweging 2.8 heeft de vrouw
aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Iran problemen vreest met haar
ex-echtgenoot.

De president overweegt dat niet is gebleken dat de autoriteiten daartegen
geen bescherming kunnen of willen bieden. Die conclusie lijkt mij
volstrekt onjuist. UNHCR stelt met betrekking tot Hezbollah-leden: ‘They
( …) generally act without meaningful police restraint or fear of
persecution’ (UNHCR, Centre for Documentation on Refugees, Background
Paper on Refugees and Asylum Seekers from Iran, Geneva 1995, ook opgenomen
in: VluchtelingenWerk, Landeninformatie Iran, 1.III p. 1-4; de
Hezbollah wordt door UNHCR aangemerkt als ‘security force’). Het is dus
bepaald niet aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten de vrouw zullen
willen beschermen. Nu kan men stellen dat zelfs dan de doorslag moet geven
dat het hier gaat om een prive-conflict (en daar zou het
vluchtelingenrecht niet over gaan), maar dat is twijfelachtig.

Ongetwijfeld heeft mijnheer een hekel aan zijn ex. Maar de echtscheiding
kwam voort uit verschillen in inzicht op religieus vlak, en de
‘kinderontvoering’ waaraan de vrouw zich schuldig heeft gemaakt, is ook
ingegeven door religieus/politieke motieven. De eis van de man dat hij de
dochters krijgt, is mede gestoeld op zijn religieuze overtuiging. Zowel
het handelen van de vrouw als de dreigende reactie van de man zijn dus
gebaseerd op religieus/politieke motieven, naast de prive- aspecten die
vast ook een rol spelen. Bovendien (en m.i. doorslaggevend) is de te
verwachten onwilligheid van de Iraanse autoriteiten om de vrouw tegen haar
man te beschermen voor een belangrijk deel ingegeven door de overweging
dat de man groot gelijk heeft – en dat is een overweging van politieke
aard.

De problemen die de vrouw bij terugkeer te vrezen heeft, en het ontbreken
van bescherming daartegen, lijken mij daarom voldoende samen te hangen met
de grond politieke overtuiging. De enige vraag die dan nog overblijft is,
of de te verwachten problemen ernstig genoeg zijn om vervolging op te
leveren, en daarover leert de uitspraak ons niets. Evenmin besteedt de
president aandacht aan de vraag of de dochters vluchteling kunnen zijn.
De vrouw heeft, ook al vermeldt de uitspraak dat niet, haar asielverzoek
mede ingediend namens haar minderjarige dochters. Het is een aloud inzicht
dat ook kinderen vluchteling kunnen zijn (zie bijv. Atle Grahl-Madsen, The
Status of Refugees in International Law, Vol. I, A.W. Sijthoff, Leyden
1966, p. 174). Het is te verwachten dat de dochters, als zij door de man
worden opgevoed, geen volwaardig onderwijs zullen kunnen genieten omdat
zij vrouw zijn.

Art. 23 van het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en
culturele rechten legt het recht van een ieder op onderwijs vast.
Onderwijs is immers, zo vervolgt het artikel, gericht op ’the full
development of the human personality and the sense of its dignity’. Het
onthouden van volwaardig onderwijs op grond van geslacht moet m.i. worden
aangemerkt als een ernstige beperking in de bestaansmogelijkheden, en
levert dus vervolging op (zie uitgebreider James C. Hathaway, The Law of
Refugee Status, Butterworths, Toronto/Vancouver 1991, p. 117 en 123-124;
Spijkerboer a.w. p. 44). Daarnaast kunnen de dochters vanaf hun negende
jaar worden uitgehuwelijkt. Uit de uitspraak blijkt niet of uithuwelijking
daadwerkelijk dreigde, maar als dat zo was, zou het om een ernstige
inbreuk op de rechten van de dochters gaan, die kan worden gekwalificeerd
als een inbreuk op art. 23 BuPo-verdrag (het recht op vrije
huwelijkssluiting), op 8 BuPo-verdrag (verbod van slavernij), en op art.
7 BuPo-verdrag (verbod van wrede of onmenselijke behandeling). Aangezien
de Iraanse wetgeving uithuwelijking mogelijk maakt, en voor vrouwen geen
reele mogelijkheid biedt te scheiden tenzij de man instemt, zou het gaan
om vervolging door derden waartegen de overheid geen bescherming wil
bieden.

Ook dit is een kwestie waarop de uitspraak zeker had moeten ingaan.
Tenslotte verwerpt de president het beroep op klemmende redenen van
humanitaire aard met een standaardoverweging, en dat is weinig
overtuigend. Hoewel het twijfelachtig is of hetgeen de vrouw bij terugkeer
in Iran te wachten staat vervolging oplevert, kan zeer wel sprake zijn van
klemmende redenen van humanitaire aard. Het gaat hier immers om het
afpakken van jonge kinderen op gronden die volstrekt discriminatoir zijn
en niets te maken hebben met het belang van het kind. Of dat klemmende
redenen oplevert, is mede een kwestie van smaak, maar de vraag is zeker
aan de orde. Ook met betrekking tot de dochters waren de humanitaire
aspecten van de zaak meer aandacht waard geweest.

De uitspraak die hier gepubliceerd wordt is onderwerp geweest van een
opgewonden debat in de media. Het meest vergaand was de bijdrage van Erik
van Ree aan de Volkskrant van 26 januari 1996. Van Ree had vroeger groot
gelijk omdat hij Maoist was. Het Maoisme is hij inmiddels kwijt (zie o.m.
zijn bijdrage aan de auto-therapeutische bundel Alles moest anders, Nijgh
en Van Ditmar, Amsterdam 1991), maar het Grote Gelijk is nog steeds zijn
rechtmatig eigendom. Hij vindt dat de president zich met deze
‘unspeakable’ uitspraak (die Van Ree overigens kennelijk niet gelezen
heeft) schuldig maakt aan ‘witteboorden-terreur’. Het gaat, aldus Van Ree,
‘om de vraag of wij barbaren zijn of mensen.’0 Het zal niemand verbazen
dat Van Ree de president en de staatssecretaris als barbaren beschouwt,
en zichzelf als mens.

Wat, naast het feit dat Van Ree erg ingenomen is met zijn heilige
verontwaardiging, opvalt, is de parallel tussen zijn stuk en een bijzin
uit de uitspraak. De president merkt in het voorbijgaan op dat hetgeen
verzoekster en haar dochters boven het hoofd hangt ‘naar westerse
maatstaven verwerpelijk te achten is.’ Wat de president met deze woorden
doet, is een beschaafde verhouding tussen de seksen opeisen voor onze
cultuur. Vrouwenrechten is echt iets voor ons; vrouwenonderdrukking is
typisch iets voor hen. Deze stereotypering is suspect. Immers, de rechten
waar verzoekster zich op beroept zijn niet westers maar universeel. Het
is niet vanzelfsprekend dat zij de Islam verwerpt, alleen: de Iraanse
Islam is de hare niet.

De president grijpt deze casuspositie aan om in het voorbijgaan een scherp
onderscheid te maken tussen ons (beschaving) en hen (barbaren). Dat is
precies wat Van Ree doet, maar zijn indeling is anders. (Daarnaast neemt
hij wat meer ruimte, en benadrukt hij zijn eigen superioriteit waar de
president die van zijn samenleving op het oog heeft. Van Ree is dus
aanmerkelijk onbescheidener.) Ik heb de indruk dat juist asielzaken van
vrouwen aangegrepen worden om te benadrukken dat vrouwenrechten westers
zijn (vgl. bijvoorbeeld Pres. Rb Haarlem 28 november 1985, Rechtspraak
Vrouwen en Recht nr. 197). Vrouwelijke asielzoekers fungeren kennelijk als
scherm waarop het superieure morele gehalte van de auteur (c.q. zijn
cultuur) kan worden geprojecteerd.

Dat asielzoekers daarvoor geschikt zijn is duidelijk. Zij kunnen zelf
hoogstwaarschijnlijk geen kennis nemen van de desbetreffende teksten; we
zijn dus onder ons en kunnen vrijuit spreken. We kunnen verder speculeren
over de ridderlijke neiging om vrouwen te beschermen tegen barbaren – zeg
maar volgens het scenario van Mozart’s opera Die Entfuhrung aus dem
Serail. Maar misschien moeten we het wel verder van huis zoeken, en de
bruikbaarheid onderzoeken van Irigaray’s idee dat de man die de vrouw
waarneemt alleen zichzelf kan zien, omdat de vrouw in het heersende
betekenissensysteem wordt gekenmerkt door de afwezigheid van kenmerken
(zie daarover Linda Williams, Hard Core. Power, Pleasure, and the “Frenzy
of the Visible”, University of California Press, Berkeley/Los Angeles
1989, p. 53-54). Hoe dat ook zij, de kranten van 21 februari 1996
berichtten dat de staatssecretaris de zaak van verzoekster in
heroverweging heeft genomen. Voor die beslissing bestonden, zoals betoogd,
goede gronden. Thomas Spijkerboer

Rechters

Mr de Groot

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 januari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is als ambtenaar werkzaam bij de wederpartij. Hij stelt dat de op
de Wet Ouderschapsverlof gebaseerde ouderschapsverlofregeling van de
wederpartij discriminerend werkt ten opzicht van hem als alleenstaande.
De Commissie begrijpt de klacht aldus dat verzoeker meent dat de wederpartij
door de ouderschapsverlofregeling indirect onderscheid naar burgerlijke staat
jegens hem maakt, omdat hij ongehuwd is en vanwege zijn geloof als ongehuwde
geen kinderen wil krijgen en opvoeden. Verzoeker stelt voorts dat hij als
gevolg van de ouderschapsverlofregeling benadeeld wordt doordat hij harder
moet werken om de afwezigheid van zijn collega’s op te vangen en dat deze
afwezige collega’s financieel bevoordeeld worden.
De Commissie meent dat allereerst moet komen vast te staan dat er sprake is
van onderscheid zoals bedoeld in de AWGB. De Commissie constateert dat de
uitsluiting van verzoeker tot de ouderschapsverlofregeling van de wederpartij
niet kan worden beschouwd als een nadeel in een door het recht beschermd
belang. Immers, verzoeker kan zodra hij aan de voorwaarden voldoet van de
regeling gebruik maken.
Het feit dat de regeling niet toegankelijk is voor kinderloze werknemers is
als zodanig niet als een nadeel in een door het recht beschermd belang te
beschouwen.
De Commissie concludeert dat het bestreden handelen van de wederpartij geen
onderscheid in de zin van de wet oplevert en dat derhalve niet in strijd met
de wet gehandeld wordt.

Volledige tekst


1. HET VERZOEK

1.1. Op 10 april 1995 verzocht de heer (…) te (…) (hierna: verzoeker) de
Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Technische Universiteit Eindhoven te Eindhoven (hierna: de wederpartij)
jegens hem onderscheid heeft gemaakt in strijd de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB).

Verzoeker is als ambtenaar werkzaam bij de wederpartij. Hij stelt dat de op
de Wet Ouderschapsverlof gebaseerde ouderschapsverlofregeling van de
wederpartij discriminerend werkt ten opzicht van hem als alleenstaande.
Verzoeker is van oordeel dat deze regeling in strijd is met het beginsel van
gelijke behandeling, zoals verwoord in artikel 1 van de Grondwet en de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid
gehad hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 4 december 1995.

2.2. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (…)
van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (juridisch medewerkster Dienst Personele Zaken)
van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is bij de wederpartij aangesteld als ambtenaar. Bij de
wederpartij geldt sinds 1990 een ouderschapsverlofregeling. Verzoeker kan als
niet-ouder aan deze regeling geen rechten ontlenen.

Verzoeker werkt bij de accountantsdienst van de wederpartij. Op deze afdeling
werken zeven personen; het hoofd, een secretaris en vijf controlemedewerkers,
die het uitvoerende werk verrichten. Verzoeker is een van de
controlemedewerkers.

Met ingang van 1 januari 1991 is de Wet Ouderschapsverlof van kracht
geworden. Vooruitlopend daarop is door het Ministerie van Binnenlandse Zaken
een circulaire vastgesteld d.d. 30 mei 1989, AB 88/439/U 37. Op basis daarvan
heeft de wederpartij een ouderschapsverlofregeling opgesteld welke betrekking
heeft op alle medewerkers, werkzaam bij de wederpartij. Deze regeling luidt –
voor zover hier van belang – als volgt:

`De inhoud van het recht:

Recht op ouderschapsverlof heeft de ambtenaar (man of vrouw):
– die is aangesteld in een betrekking met een arbeidsduur van 16 uur per week
of meer;
– wiens dienstbetrekking bij zijn huidige werkgever ten minste een jaar heeft
geduurd;
– ten aanzien van die kinderen waarvan hij op of na 1/1/89 ouder is geworden
en zolang deze nog niet de basisschoolleeftijd (thans vier jaar) hebben
bereikt;

Het ouderschapsverlof bestaat uit de volgende elementen:
– deeltijdverlof;
– voor een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden;
– in welke periode de werktijd per week kan worden teruggebracht met ten
hoogste de helft van de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur;
– doorbetaling van 75% van de bezoldiging van de verlofuren.

Een ambtenaar is ouder van een kind in de zin van deze regeling indien:
– sprake is van een familierechtelijke betrekking tussen het kind en de
ambtenaar als ouder;
– geen sprake is van een familierechtelijke betrekking maar de ambtenaar het
kind verzorgt: wonen op hetzelfde adres en duurzaam de verzorging en
opvoeding van het kind als eigen kind op zich genomen hebben.

Alsdan dient de ambtenaar d.m.v. uittreksels uit het bevolkingsregister aan
te tonen dat zij op hetzelfde adres wonen en schriftelijk te verklaren dat
hij duurzaam de verzorging en opvoeding van het kind als eigen kind op zich
heeft genomen.

De aard van het recht.

De aanspraak op ouderschapsverlof is te karakteriseren als een recht van de
ambtenaar jegens zijn werkgever. In iedere afzonderlijke relatie
werknemer-werkgever dient dan ook uitgemaakt te worden of de ambtenaar aan de
voorwaarden voor ouderschapsverlof voldoet. Dit is bijvoorbeeld niet het
geval als iemand een functie bekleedt met een arbeidsduur van minder dan 16
uur per week. Voor degene die verschillende functies in deeltijd vervult moet
per functie bezien worden of hij voor ouderschapsverlof in aanmerking komt
(…).’

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker stelt het volgende.
Verzoeker wordt als niet-ouder door de ouderschapsverlofregeling van de
wederpartij benadeeld. Als ongehuwde kan hij nooit van de regeling gebruik
maken, omdat zijn religie verbiedt anders dan via een huwelijk kinderen te
krijgen en op te voeden. Daarom is er sprake van indirect onderscheid naar
burgerlijke staat.
In de praktijk worden collega’s die van de ouderschapsverlofregeling gebruik
maken niet vervangen, hetgeen tot verzwaring van de werkdruk leidt voor de
andere collega’s, onder wie verzoeker. Verzoeker stelt dat komend jaar drie
van de vijf controlemedewerkers een groot deel van hun arbeidstijd niet op
het werk aanwezig zullen zijn vanwege de regeling voor ouderschapsverlof.
Voorts stelt verzoeker dat de regeling leidt tot verschil in beloning, omdat
mensen gedurende hun ouderschapsverlof wel voor een deel salaris blijven
ontvangen terwijl ze geen of minder werkzaamheden voor de wederpartij
verrichten. Verzoeker is daarom van oordeel dat deze regeling discriminerend
werkt ten opzichte van alleenstaanden en kinderloze echtparen. Een en ander
is naar de mening van verzoeker in strijd met artikel 1 Grondwet en de AWGB.

3.3. De wederpartij stelt het volgende.
Om voor het ouderschapsverlof in aanmerking te komen, moet de ambtenaar de
duurzame verzorging van een kind jonger dan vier jaar, dat op hetzelfde adres
woont, op zich hebben genomen. Het maakt niet uit of iemand alleenstaande,
gehuwde of ongehuwde is. Van onderscheid zoals bedoeld in de AWGB is dan ook
geen sprake.
De enkele omstandigheid dat de ambtenaar aan een bepaalde voorwaarde moet
voldoen om voor een regeling in aanmerking te komen, brengt nog geen
discriminatie met zich. Dit geldt voor vele andere regelingen evenzeer. Zo
kunnen alleen zwangere vrouwen gebruik maken van de
zwangerschapsverlofregeling. Ambtenaren die zich in een gelijke positie
bevinden worden gelijk behandeld. Verzoeker bevindt zich niet in dezelfde
positie als ouders. Van strijd met de AWGB is dan ook geen sprake.
Er wordt door de wederpartij geen aparte vergoeding aan de beheerseenheden
beschikbaar gesteld voor vervanging van degene die met ouderschapsverlof
gaat. Het staat de beheerseenheden echter vrij om uit eigen middelen in
gevallen waarin vervanging gewenst is bijvoorbeeld een uitzendkracht aan te
trekken.
Het doel van de ouderschapsverlofregeling is zowel mannen als vrouwen in de
gelegenheid te stellen betaalde arbeid te combineren met ouderschapstaken. De
regeling is een van de maatregelen die bijdragen aan meer gelijke kansen voor
mannen en vrouwen in het algemeen en herverdeling van arbeid in het
bijzonder.
Ter zitting stelt de wederpartij dat verzoeker niet rechtstreeks is benadeeld
en dat de Commissie daarom op grond van art. 12 lid 2 sub a AWGB het verzoek
niet in behandeling kan nemen. Hij heeft immers geen recht op
ouderschapsverlof en kan daarom niet zijn beklag doen over de
ouderschapsverlofregeling van de wederpartij.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
maakt naar burgerlijke staat zoals bedoeld in de AWGB.

4.2. Artikel 1 AWGB verbiedt het maken van onderscheid tussen personen op
grond van onder andere burgerlijke staat. Onder onderscheid wordt verstaan
zowel direct als indirect onderscheid. Onder indirect onderscheid wordt
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan burgerlijke staat,
dat onderscheid op grond van burgerlijke staat tot gevolg heeft.
In artikel 2 lid 1 AWGB wordt als uitzondering op het verbod van indirect
onderscheid genoemd, de gevallen waarbij het indirect onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.
In artikel 5 lid 1 sub d AWGB is bepaald dat onderscheid verboden is bij de
arbeidsvoorwaarden.

4.3. De Commissie stelt vast dat verzoeker een arbeidsverhouding zoals
bedoeld in artikel 5 AWGB heeft met de wederpartij. Tevens stelt de Commissie
vast dat de regeling voor ouderschapsverlof zoals gehanteerd door de
wederpartij deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden zoals die gelden tussen
verzoeker en de wederpartij.
Voorts zijn de uitzonderingen van artikel 5 AWGB op het verbod van
onderscheid in het onderhavige geval niet van toepassing.

4.4. De Commissie beoordeelt allereerst het verweer van de wederpartij dat
verzoeker niet is benadeeld zoals bedoeld in artikel 12 lid 2 sub a AWGB.
Hiertoe voert zij aan dat verzoeker vanwege het ontbreken van de zorg voor
kinderen geen recht heeft op de voorzieningen van de
ouderschapsverlofregeling van de wederpartij en daarom niet benadeeld kan
zijn. De Commissie verwerpt dit verweer omdat artikel 12 lid 2 sub a AWGB om
voor behandeling van een verzoek in aanmerking te komen slechts vereist, dat
verzoeker stelt dat te zijnen nadele onderscheid wordt gemaakt. Juist het
feit dat verzoeker geen toegang tot een voorziening als die van de
wederpartij heeft, zou kunnen worden veroorzaakt door onderscheid in strijd
met de AWGB.

4.5. De Commissie begrijpt de klacht aldus verzoek dat verzoeker meent dat de
wederpartij door de ouderschapsverlofregeling indirect onderscheid naar
burgerlijke staat jegens hem maakt, omdat hij ongehuwd is en vanwege zijn
geloof als ongehuwde geen kinderen wil krijgen en opvoeden. Verzoeker stelt
voorts dat hij als gevolg van de ouderschapsverlofregeling benadeeld wordt
doordat hij harder moet werken om de afwezigheid van zijn collega’s op te
vangen en dat deze afwezige collega’s financieel bevoordeeld worden.

4.6. De Commissie meent dat allereerst moet komen vast te staan dat er sprake
is van onderscheid zoals bedoeld in de AWGB. Met het begrip onderscheid in de
zin van de wet wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van een rechtens
relevant onderscheid.(Eerste Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22 014,
nr. 48a, p. 14, 1993-1994). Dat betekent dat er niet alleen sprake dient te
zijn van een verschillende behandeling, maar tevens dat de betrokkene
hierdoor nadeel dient te ondervinden in een door het recht beschermd belang.
De Commissie constateert evenwel dat de uitsluiting van verzoeker tot de
ouderschapsverlofregeling van de wederpartij niet kan worden beschouwd als
een nadeel in een door het recht beschermd belang. Immers, verzoeker kan
zodra hij aan de voorwaarden voldoet van de regeling gebruik maken.
Het feit dat de regeling niet toegankelijk is voor kinderloze werknemers is
als zodanig niet als een nadeel in een door het recht beschermd belang te
beschouwen.
De Commissie concludeert dat het bestreden handelen van de wederpartij geen
onderscheid in de zin van de wet oplevert en dat derhalve niet in strijd met
de wet gehandeld wordt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE
De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Technische Universiteit
Eindhoven te Eindhoven door de door haar gehanteerde
ouderschapsverlofregeling jegens de heer (…) te (…) geen onderscheid op
grond van burgerlijke staat heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub
d Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. P.R. Rodrigues(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer).

Instantie: Rechtbank Almelo, 17 januari 1996

Instantie

Rechtbank Almelo

Samenvatting


De man verzoekt drie jaar na het vaststellen van de alimentatieverplichting
door de rechtbank (ad ƒ 2.420,=) dat de rechtbank de alimentatieverplichting
per 1 januari 1995 vaststelt op ƒ 206,= per maand, onder limitering van
de alimentatieverplichting tot een periode van acht jaren na de datum van
de echtscheiding. De man is van mening dat op grond van gewijzigde omstandigheden
zijn alimentatieverplichting anders vastgesteld dient te worden. De gewijzigde
omstandigheden bestaan hieruit dat de man met zijn nieuwe partner samenwoont
en dat zij afhankelijk is van zijn inkomen. De rechtbank stelt de alimentatie
vast op ƒ 1800,= nadat zij puntsgewijs alle opgevoerde kosten van de man
heeft besproken. De rechtbank wijst het verzoek tot limitering af, aangezien
de man geen gronden voor limitering heeft aangevoerd anders dan dat de
vrouw haar werkzaamheden kan uitbreiden. De rechtbank is van mening dat
niet met zekerheid is vast te stellen of de vrouw over acht jaren in voldoende
mate in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

Volledige tekst

OVERWEEGT:

1. Bij op 31 oktober 1995 ter griffie ingekomen verzoekschrift, aldaar
voorzien van bovenvermeld zaaknummer, met bijlagen heeft de man verzocht
om de beschikking d.d. 31 maart 1993 van deze rechtbank te wijzigen in
die zin dat de door hem te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud
van de vrouw per 1 januari 1995 nader wordt vastgesteld op ƒ 260,= per
maand, althans, zakelijk samengevat, met ingang van zodanig tijdstip op
zodanig bedrag als de rechtbank meent dat behoort, onder limitering van
deze alimentatie tot een periode van 8 jaren na de datum van deze echtscheiding.

2. Van de vrouw is op 20 november 1995 een verweerschrift met bijlagen
ter griffie ingekomen, waarin wordt geconcludeerd tot, zakelijk weergegeven,
afwijzing van het verzoek. De vrouw verzet zich er niet tegen dat de rechtbank
het verzoek van de man beoordeelt per 1 januari 1995.

3. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 6 december 1995, alwaar
zijn gehoord de man en de vrouw, beiden bijgestaan door hun procureur.

4. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn nog bescheiden nagereikt
door de man.

5. De alimentatie waarvan thans wijziging wordt gevraagd beliep oorspronkelijk
ƒ 2.420,= per maand.

6. Het verzoek is gegrond op de stelling dat de thans geldende alimentatie
door wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven
voldoet, waarbij als gewijzigde omstandigheden worden aangevoerd dat de
man thans samenwoont met een partner die van zijn inkomen afhankelijk is,
en dat de vrouw uit de haar ter beschikking staande middelen niet meer
de kosten hoeft te dragen van het levensonderhoud en de studie van de kinderen
van partijen. Voorts zijn volgens de man enkele van de normaliter gangbare
kosten niet in de bepaling van de huidige alimentatie opgenomen.

7. Het verweer is gegrond op de stelling dat de behoefte van de vrouw aan
alimentatie onverkort aanwezig is. De vrouw heeft werk in het onderwijs,
maar heeft door haar beperkt arbeidsverleden minder rechten dan anderen.
Het blijft onzeker of de vrouw over 8 jaren in staat is zich in redelijkheid
een zodanig inkomen te verwerven, dat zij daarmee voldoende in haar eigen
levensonderhoud kan voorzien.

8. Gelet op enerzijds het inkomen van de vrouw en anderszijds het inkomensniveau
van partijen staande huwelijk, is de rechtbank, mede in aanmerking genomen
de uur van het huwelijk (ongeveer 23 jaar), van oordeel dat van behoeftigheid
aan de zijde van de vrouw sprake is. Met betrekking tot de draagkracht
van de man overweegt de rechtbank het volgende.

9. De man heeft een draagkrachtberekening overgelegd, waarvan een groot
deel van de opgevoerde posten door de vrouw worden betwist. De rechtbank
zal de door de man overgelegde berekening puntsgewijs bespreken.

10. Evenals de man zal de rechtbank uitgaan van een bruto inkomen van ƒ
6095,= per maand. Hier komen nog bij een vakantietoeslag van 8% een dertiende
maand en een reiskostenvergoeding. Na verrekening van de premies werknemersverzekeringen
en het werkgeversaandeel in de premie ziektekosten en de overhevelingstoeslag
is het belastbaar inkomen ƒ 89.677,-.
De vrouw betwist de door de man opgevoerde arbeidskosten. De rechtbank
zal evenwel rekening houden met de genoemde ƒ 2139,- nu het hier een forfaitair
bedrag betreft.

11. De man voert een bedrag van ƒ 5808,- op voor de oudedagsvoorziening.
De vrouw voert hier tegen aan dat, in het kader van de boedelscheiding,
het ouderdomspensioen van de man tussen partijen is verdeeld. De vrouw
is daarbij niet overbedeeld zodat niet kan worden aanvaard dat de man de
premies van een vervangende oudedagsvoorziening ten laste van zijn draagkracht
brengt. De man heeft niet aangetoond dat de thans bestaande vooruitzichten
onvoldoende zijn om een redelijke oudedagsvoorziening te waarborgen. En
aanvullende regeling in de vorm van de door de man getroffen vervangende
oudedagsvoorziening is van lagere orde dan de alimentatieverplichting jegens
de vrouw.

12. De man legt een bewijsstuk over ten aanzien van de huur per 1 juli
1995 ad ƒ 711,15 per maand. De rechtbank zal derhalve met dit bedrag rekening
houden. Ten aanzien van de ziektekosten voert de man een bedrag op van
ƒ 509,= per maand. Op basis van de overgelegde stukken kan de rechtbank
niet anders concluderen dan dat de man maandelijks ƒ 432,= aan ziektekostenpremie
betaalt, zodat dat bedrag zal worden aangehouden.

13. Voor premies levensverzekering/WAO-gat noemt de man een bedrag van
ƒ 556,= per maand. De vrouw betwist dat de man maandelijks dit bedrag moet
betalen. De rechtbank treft dienaangaande ook geen bewijsstukken aan. De
rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de man hier nogmaals
de al eerder besproken “oudedagsvoorziening” opvoert. Voorzover dit het
geval is verwijst de rechtbank naar hetgeen zijn dienaangaande onder 10
heeft overwogen. De rechtbank zal wel rekening houden met een maandelijkse
premie van ƒ 35,00 voor begrafenisfondsen. Hiervan heeft de man verzekeringspolissen
overlegd.

14. De herinrichtingskosten zal de rechtbank niet mee laten wegen. Na de
scheiding is de man bij zijn huidige echtgenote ingetrokken. De man voert
nu de kosten op die gemaakt zijn in verband met de verhuizing met zijn
nieuwe echtgenote naar een andere woning. De rechtbank is van oordeel dat
deze kosten niet voortvloeien uit de scheiding van partijen. Het staat
de man natuurlijk vrij zijn financiële huishouding in te richten zoals
hem goeddunkt, waar het een keuze aangaat tussen de herinrichting van zijn
woning en de alimentatie dient de man bij zijn keuze rekening te houden
met de belangen van de vrouw.

15. De man heeft ook geen bewijsstukken overgelegd ten aanzien van het
door hem betaalde collegegeld voor zijn jongste dochter. Nu de vrouw erkent
dat de man ƒ 500,= heeft bijgedragen zal de rechtbank rekening houden met
een bedrag van ƒ 41,= per maand.

16. Voor de vrouw gaat de rechtbank uit van een bruto inkomen van ƒ 25.825,=
per jaar, exclusief vakantietoeslag. Aan de uitgavenkant houdt de rechtbank
rekening met een kale huur voor de garagebox van ƒ 100,=, de hypotheekrente
ad ƒ 496,=, een bedrag van ƒ 49,= aan verwervingskosten en ƒ 400,= per
maand aan studiekosten en kosten voor levensonderhoud ten behoeve van de
jongste dochter van partijen.

17. Gelet op de draagkrachtruimte van de man is de rechtbank van oordeel
dat de man maandelijks een bedrag van ƒ 1800,= kan bijdragen in de kosten
van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag
een redelijke verhouding van de onderliggende financiële positie van partijen
weergeeft.

18. Het verzoek tot limitering van de alimentatie tot een periode van 8
jaren na de datum van deze echtscheiding zal de rechtbank afwijzen. De
man heeft geen gronden voor de limitering aangevoerd anders dan dat de
vrouw haar werkzaamheden zou kunnen uitbreiden. De rechtbank is echter
van oordeel dat niet met zekerheid is vast te stellen of de vrouw over
8 jaren in staat is zich in redelijkheid een zodanig inkomen te verwerven,
dat zij daarmee voldoende in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

BESCHIKKENDE:

Wijzigt de beschikking van 31 maart 1993 in die zin dat door de man te
betalen bijdrage in kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang
van 1 januari 1995 nader wordt afgesteld op ƒ 1800,= per maand.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

Mr Derks

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 17 januari 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vrouw heeft twee kinderen van zeven en acht jaar, wier vader, met wie zij
niet samenwoonde, maar die de kinderen wel heeft erkend, is overleden. Zij
wil de Staat aansprakelijk stellen voor de schade die zij zal ondervinden
wanneer bij invoering van de ANW het halfwezenpensioen ontbreekt. Dit is in
strijd met het ILO-verdrag. Vier vrouwen in soortgelijke situatie zijn
medeprocespartij. Ook het Clara Wichmann Instituut is procespartij.
Er zal een antwoord gegeven moeten worden op de vraag of het ILO-verdrag 121
directe werking heeft. Het ontbreken van een halfwezenpensioen treft vrouwen
veel harder dan mannen. Op de eerste plaats omdat vier keer zoveel vrouwen
dan mannen hun partner verliezen, op de tweede plaats omdat eenoudergezinnen
met een vrouw aan het hoofd een veel lager inkomen hebben dan mannen.
De rechtbank gaat in het geheel niet in op de algemene vordering van het
Clara Wichmann Instituut om voor recht te verklaren dat de staat onrechtmatig
handelt. De rechtbank spitst de vordering toe op de vraag of eiseressen recht
kunnen doen gelden op een uitkering ten behoeve van hun minderjarige kinderen
en stelt dat deze vraag bij uitsluiting beoordeeld dient te worden door de
administratieve rechter. Eiseressen worden niet ontvankelijk verklaard.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende, door partijen ter
vonniswijzing overgelegde, stukken:
– het verzoekschrift tot bepaling dat geen gelegenheid zal worden gegeven tot
het nemen van conclusies van re- en dupliek als bedoeld in artikel 145
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), alsmede de op dit verzoek
gegeven beschikking van de president van deze rechtbank van 5 september 1994;
– de dagvaarding van 8 september 1994 en de daarmee zakelijk overeenstemmende
conclusie van eis, met producties;
– de conclusie van antwoord;
– de akte houdende producties van de zijde van eiseressen;
– de antwoordakte van de zijde van gedaagde;
– de conclusie van repliek, met producties;
– de conclusie van dupliek.
2. De feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend danwel niet althans onvoldoende
gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de niet weersproken inhoud van
overgelegde producties, staat tussen partijen het volgende vast:
– Het Clara Wichmann Instituut (eiseres sub 1) stelt zich krachtens haar
statuten onder meer ten doel de emancipatie van vrouwen te bevorderen en alle
vormen van vrouwendiscriminatie te bestrijden.
– Eiseressen sub 2 tot en met 7 zijn allen voogdes van op dit moment nog
minderjarige kinderen, waarvan de vader, van wie de kinderen in meerdere of
mindere mate economisch afhankelijk waren, is overleden. Eiseressen waren
niet gehuwd met de vader van hun kinderen. In sommige gevallen was wel sprake
van een gemeenschappelijke huishouding.
– Krachtens de huidige Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) wordt, ingeval van
overlijden van een van de echtgenoten, aan de overlevende echtgenoot een
uitkering toegekend, welke bij aanwezigheid van minderjarige kinderen op een
hoger bedrag wordt vastgesteld.
– In de voorbereiding zijnde Algemene nabestaandenwet (Anw) worden ten
aanzien van het recht op uitkering duurzaam samenwonenden gelijkgesteld met
gehuwden.
– Eiseressen sub 2 tot en met 7 ontvangen thans noch voor zichzelf noch ten
behoeve van hun kinderen een uitkering krachtens de AWW.
3. De vordering, de gronden en het verweer.
3.1. Eiseressen vorderen in deze procedure een verklaring voor recht dat de
Staat der Nederlanden onrechtmatig handelt, in het bijzonder jegens
eiseressen 2 tot en met 7 en hun minderjarige kinderen, door aan hen geen
aanspraken op een halfwezenpensioen toe te kennen. Tevens vorderen zij de
Staat te veroordelen tot vergoeding van de door eiseressen, in het bijzonder
eiseressen sub 2 tot en met 7, geleden schade, welke schade nader bij staat
dient te worden opgemaakt. Tenslotte vorderen zij veroordeling van de Staat
in de proceskosten.
3.2. Aan hun vordering leggen eiseressen ten grondslag dat de in Nederland
terzake geldende wetgeving, de AWW en de in voorbereiding zijnde Anw, in
strijd is met voor Nederland geldende internationale wetgeving, met name met
het Verdrag betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en
beroepsziekten, Trb. 1965,16 (Verdrag 121). Weliswaar heeft dit verdrag, dat
volgens eiseressen onder meer beoogt aan de kinderen van eiseressen een van
overheidswege te verstrekken uitkering te garanderen, geen rechtstreekse
werking, doch naar de mening van eiseressen handelt de Staat onrechtmatig
door zich enerzijds wel aan dit verdrag te binden doch anderzijds niet de
wetgeving te realiseren die nodig is om de in het verdrag bedoelde aanspraken
ook daadwerkelijk toe te kennen. Verder menen eiseressen dat de Staat
bovendien onrechtmatig en in strijd met fundamentele rechtsbeginselen handelt
door de kinderen van eiseressen sub 2 tot en met 7 in een nadeliger positie
te brengen dan kinderen van gehuwde ouders.
3.3. De Staat heeft de vordering gemotiveerd betwist, waarop hierna,
voorzover nodig, zal worden ingegaan.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank stelt vast dat de vordering van eiseressen zich toespitst
op de vraag of de Staat onrechtmatig handelt door eiseressen sub 2 tot en met
7 geen aanspraak toe te kennen op een uitkering ten behoeve van hun thans nog
minderjarige kinderen. De vraag of eiseressen recht kunnen doen gelden op een
dergelijke uitkering, is echter een vraag die bij uitsluiting beoordeeld en
beslist dient te worden door de administratieve rechter. In de (met voldoende
waarborgen omklede) administratieve rechtsgang kunnen ook argumenten van
internationaalrechtelijke aard naar voren worden gebracht. Ten aanzien van
het beroep op Verdrag 121 valt niet in te zien waarom eiseressen zich
tegenover de administratieve rechter niet en tegenover de burgerlijke rechter
wel op dit verdrag zouden kunnen beroepen.
4.2. Nu eiseressen bovendien niet hebben ontkend dat zij nog geen aanvraag
hebben ingediend bij de Sociale Verzekeringsbank voor een dergelijke
uitkering ten behoeve van zichzelf en hun kinderen, is het verwijt dat de
Staat onrechtmatig handelt door hen deze aanspraak niet toe te kennen
onterecht.
4.3. De rechtbank is van oordeel dat, nu voor het verkrijgen van het door
eiseressen beoogde recht een met voldoende waarborgen omklede administratieve
rechtsgang voorhanden is, eiseressen niet-ontvankelijk zijn in hun vordering
bij de burgerlijke rechter. Dit geldt ook voor eiseres sub 1, nu de vordering
zich duidelijk toespitst op de concrete situatie waarin eiseressen sub 2 tot
en met 7 zich bevinden.
4.4. Eiseressen zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart eiseressen niet-ontvankelijk in hun vordering;
veroordeelt eiseressen in de kosten van de procedure, tot op heden aan de
zijde van de Staat begroot op ƒ 290 aan griffierecht en ƒ 1775 aan
procureurssalaris.

Rechters

Mrs. Van Rossum, Mondt-Schouten, Van der Hoeven-Oud

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 17 januari 1996

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Appellante vordert een bedrag van ƒ 10 000 bij wijze van voorschot op de door
haar, als gevolg van seksueel misbruik door geïntimeerde geleden materiële en
immateriële schade. De President van de rechtbank heeft een voorschot van ƒ
1500 toegewezen.
Appellante is onder andere van mening dat de vertraging in de schoolopleiding
en de daarmee samenhangende latere toetreding tot de arbeidsmarkt wel
degelijk zijn toe te rekenen aan de onrechtmatige gedragingen van
geïntimeerde. Het Hof volgt appellante niet. Zij bepaalt het voorschot op ƒ
3600 te betalen in 24 termijnen. (Ook uitspraak President Rechtbank Breda 6
september 1995 is opgenomen).

Volledige tekst

; President Rechtbank Breda, 6 september 1995, rolnr. KG 26761/KG ZA
95-521. Mr. P.P.M.H. van Hooff.

1. Het verloop van het geding
Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde
stukken:
– de dagvaarding;
– de pleitnota van mr. Vaandrager en de door eiseres, hierna te noemen N., in
het geding gebrachte producties;
– de pleitnota van mr. Oude Luttikhuis en de door gedaagde, hierna te noemen
F., in het geding gebrachte producties.
2. Het geschil
N. vordert betaling van een bedrag van ƒ 10 000 als voorschot op de vast te
stellen vergoeding van de door haar geleden materiële en immateriële schade,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de
dag van algehele voldoening.
F. bestrijdt die vordering.
3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor:
3.1. Tussen partijen staat vast dat F. zijn stiefdochter N. in de periode van
omstreeks 1980 tot omstreeks januari 1988 seksueel heeft misbruikt en dat hij
bij vonnis van deze rechtbank van 14 februari 1995 is veroordeeld tot
voorwaardelijke gevangenisstraf ter zake, kort weergegeven, seksueel misbruik
van zijn stiefdochter.
3.2. N. legt aan haar vordering ten grondslag, samengevat, dat het seksueel
misbruik haar psychisch heeft beschadigd en dat die schade onder meer ertoe
heeft geleid dat zij haar schoolopleiding niet op het door haar gewenste
niveau heeft kunnen beëindigen.
Ter toelichting stelt zij dat de immateriële schade onder meer bestaat uit:
– concentratie- en slaapstoornissen, angsten;
– gevoelens van onzekerheid, negatief zelfbeeld;
– een verstoorde ontwikkeling van haar persoonlijkheid;
– problemen bij het aangaan van relaties en met seksualiteit;
– de noodzaak van (verdere) hulpverlening.
De materiële schade bestaat naar stelling van N. in vertraging in haar
schoolopleiding waardoor zij later tot de arbeidsmarkt zal toetreden, alsmede
in kosten van hulpverlening.
3.3. Het beroep van F. op verjaring van de rechtsvordering tot vergoeding van
schade treft geen doel. Op grond van artikel 3:310 lid 4 BW verjaart in dit
geval een rechtsvordering tot vergoeding van schade niet zolang het recht tot
strafvordering niet door verjaring is vervallen. Dit recht verjaart in
gevallen als de onderhavige eerst door het verstrijken van een periode van
twaalf jaren, te rekenen vanaf de dag na die waarop het slachtoffer achttien
jaren is geworden. Dit brengt mee dat de rechtsvordering van N. thans niet is
verjaard.
3.4. Als algemeen bekend mag worden verondersteld dat seksueel misbruik van
een minderjarige in een periode als waarvan hier sprake is, bij het
slachtoffer leidt tot psychische schade die zich ook doet gevoelen gedurende
een reeks van jaren nadat het misbruik is geëindigd. In dat licht is
voorshands voldoende aannemelijk dat N. psychisch nadeel heeft ondervonden en
nog steeds ondervindt van het seksueel misbruik door F. Daarbij is in het
kader van deze procedure niet van belang dat – zoals F. aanvoert – een
verklaring of rapportage van een deskundige omtrent de aard en de omvang van
de psychische problematiek van N. niet is overgelegd.
N. heeft voldoende spoedeisend belang bij een voorschot op de nader vast te
stellen vergoeding van psychische schade. Daarbij is in aanmerking genomen
dat een vergoeding van de zijde van F. kan bijdragen tot een verzachting van
het leed van N. en deze thans slechts een bijstandsuitkering ontvangt.
3.5. Onvoldoende aannemelijk is geworden dat N. kosten heeft gemaakt of zal
moeten maken ter zake van hulpverlening in verband met haar psychische
problemen. Niet uitgesloten is immers dat de kosten van die hulpverlening
niet ten laste van N. zelf komen maar zullen worden gedragen door een
ziektekostenverzekeraar of een ziekenfonds.
Evenmin is voldoende aannemelijk gemaakt dat de door N. gestelde vertraging
in de schoolopleiding en de daarmee samenhangende latere toetreding van haar
tot de arbeidsmarkt rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de onrechtmatige
gedragingen van F.
Het voorgaande brengt mee dat de vordering van N., voor zover strekkende tot
verkrijging van een voorschot ter zake van materiële schade, moet worden
afgewezen.
3.6. In aanmerking nemende dat vooralsnog nog betrekkelijk weinig bekend is
omtrent de omvang van de immateriële schade en dat – naar tussen partijen
vaststaat – de financiële mogelijkheden van F. gering zijn, zal het door deze
te betalen voorschot worden beperkt tot een bedrag van ƒ 1500. F. zal in de
gelegenheid worden gesteld dit bedrag te voldoen in termijnen, een en ander
als hierna vermeld.
4. De kosten
Omdat partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de
proceskosten worden gecompenseerd als hierna vermeld.
5. De beslissing in kort geding
De President
veroordeelt F. om aan N. te betalen een vergoeding van ƒ 1500 als voorschot
op een nader vast te stellen vergoeding van door haar geleden immateriële
schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der
dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening, met bepaling dat dit
bedrag kan worden voldaan in termijnen van ƒ 150, te voldoen per de eerste
van de maand met ingang van 1 oktober 1995;
verklaart dit vonnis tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen
kosten draagt;
weigert het meer of anders gevorderde.
Hof ‘s-Hertogenbosch, 17 januari 1996
1. De eerste aanleg
Bij inleidende dagvaarding vorderde appellante van geïntimeerde betaling van
een bedrag van ƒ 10 000 (met rente en kosten) bij wijze van voorschot op door
haar als gevolg van seksueel misbruik door geïntimeerde, geleden materiële en
immateriële schade.
Bij voormeld vonnis waarvan beroep, dat in afschrift aan dit arrest is
gehecht, heeft de President een (in termijnen te betalen) voorschot van ƒ
1500 toegekend, onder afwijzing van het meer gevorderde.
2. Het geding in hoger beroep
Dit blijkt uit de volgende als ingelast te beschouwen stukken:
– de appeldagvaarding d.d. 20 september 1995, tevens houdende grieven.
– de akte van appellante met producties
– de memorie van antwoord
Appellante heeft haar stellingen doen bepleiten door mr. M.H. Vaandrager;
geïntimeerde heeft zijn stellingen doen bepleiten door mr. M.E.A.T. Oude
Luttikhuis; pleitnotities van beide raadslieden zijn bij de stukken gevoegd.
Appellante concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis, met
toewijzing alsnog van haar vorderingen zoals in eerste aanleg ingediend.
Geïntimeerde concludeert tot bekrachtiging van dat vonnis.
Beide partijen vorderen over en weer veroordeling in de proceskosten.
Tenslotte hebben partijen uitspraak gevraagd en daartoe de stukken aan het
Hof overgelegd.
3. De gronden van het hoger beroep
De grieven luiden:
Grief I:
Ten onrechte heeft de President van de Rechtbank Breda in het vonnis in kort
geding van 6 september 1995 onder punt 3.5. o.m. overwogen:
`Evenmin is voldoende aannemelijk gemaakt dat de door N. gestelde vertraging
in de schoolopleiding en de daarmee samenhangende latere toetreding van haar
tot de arbeidsmarkt rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de onrechtmatige
gedragingen van F.’,
en (mede) op grond daarvan de vordering van N. voor zover strekkende tot
verkrijging van een voorschot ter zake van materiële schade, afgewezen.
Grief II:
Ten onrechte heeft de President van de Rechtbank Breda in het vonnis in kort
geding van 6 september 1996 onder punt 3.6. o.m. overwogen:
`In aanmerking nemende dat vooralsnog nog betrekkelijk weinig bekend is
omtrent de omvang van de immateriële schade (…)’,
en (mede) op grond daarvan het door F. te betalen voorschot beperkt tot ƒ
1500.
Grief III:
Ten onrechte heeft de President van de Rechtbank Breda in het vonnis in kort
geding van 6 september 1995 onder punt 3.6. vervolgens overwogen:
`dat – naar tussen partijen vaststaat – de financiële mogelijkheden van F.
gering zijn’,
en (mede) op grond daarvan het door F. te betalen voorschot beperkt tot ƒ
1500 en hem bovendien in de gelegenheid gesteld om dat voorschot te voldoen
in termijnen van ƒ 150 per maand.
4. De voorlopige beoordeling
Het Hof verwijst naar de weergave van feiten en naar de overwegingen van de
President, zoals weergegeven sub 3.1. tot en met 3.4., waartegen geen grieven
zijn gericht en waarbij het Hof zich aansluit.
Grief I richt zich tegen overweging 3.5. Op zichzelf is geenszins
onaannemelijk dat N. ten gevolge van hetgeen haar door F. werd aangedaan op
vrij uitgebreide schaal klachten heeft ondervonden als slaap- en
concentratiestoornissen.
Het Hof begrijpt uit de stellingname van N., dat zij als gevolg van de
gewraakte gebeurtenissen het MAVO-diploma op een lager niveau heeft gehaald
dan waartoe zij eigenlijk in staat was, en dat als gevolg van het feit dat
zij een lager diploma heeft gehaald, vertraging in haar gehele opleidingslijn
werd opgelopen.
Ook in hoger beroep zijn echter onvoldoende concrete omstandigheden
aangevoerd waaruit afgeleid zou kunnen worden dat N., gelet op haar
capaciteiten, de MAVO op een hoger niveau zou hebben kunnen afronden indien
de gewraakte gebeurtenissen zich niet hadden voorgedaan.
Dat betekent dat niet gebleken is van een aan de gewraakte handelingen te
wijten studievertraging als gevolg van het missen van dat hogere diploma.
Van enige studievertraging is overigens ook in concreto niet gebleken, nu
niets is gesteld omtrent opleidingen die tussen 1988 en heden zijn
aangevangen en/of afgerond.
Grieven II en III:
Het Hof legt er de nadruk op dat het bij een toe te kennen bedrag gaat om een
voorschot; de definitieve vordering tot vergoeding van schade kan aan de orde
komen in een door N. aanhangig te maken bodemprocedure.
Terecht heeft de President overwogen dat de financiële mogelijkheden van F.
beperkt zijn. Ook de berekening van N. zelf toont aan dat F. de vergoeding
onmogelijk uit zijn inkomsten kan betalen. Dat hij ergens een lening zou
kunnen afsluiten is niet aannemelijk, nu hij van een uitkering
leeft.
Naar ’s Hofs voorlopig oordeel kan in redelijkheid van F. niet geëist worden
dat hij zijn woning verkoopt. Zelfs indien de volledige vordering van N.
toegewezen zou worden, dan nog gaat het om een dusdanig bedrag, dat voor de
inning daarvan gedwongen verkoop van de woning een onevenredig zwaar middel
is.
Dat betekent dat de President terecht termijnbetaling heeft bevolen.
Het Hof is van oordeel dat de toegekende schadevergoeding, zelfs indien in
aanmerking wordt genomen dat het een voorschot betreft, te laag is.
Rekening houdend enerzijds met het voorschotkarakter en met de beperkte
financiële mogelijkheden van F., anderzijds het onmiskenbare leed dat F.
gedurende langere tijd aan N. heeft aangedaan, waarvoor een schadevergoeding
c.q. een voorschot daarop (een begin van genoegdoening) kan geven, zal het
Hof het voorschot bepalen op 24 maal ƒ 150, dus op ƒ 3600 in totaal.
Zoals ook de President in zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis
heeft bevolen dient de eerste termijn betaald te worden op 1 oktober 1995.
Nu beide – ieder met een toevoeging procederende – partijen deels in het
ongelijk zijn gesteld zal het Hof de proceskosten compenseren.
5. De beslissing
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend voorzover daarbij het
te betalen voorschot werd vastgesteld op ƒ 1500;
in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt F. om aan N. te betalen een vergoeding van ƒ 3600 als voorschot
op een nader vast te stellen vergoeding van door haar geleden immateriële
schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag der
dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat dit
bedrag kan worden voldaan in termijnen van ƒ 150, te voldoen per de eerste
van de maand met ingang van 1 oktober 1995;
bekrachtigt dat vonnis voor het overige;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij haar
eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Wachter (vz), Brandenburg, Van Schaik-Veltman