Instantie: Gerechtshof Arnhem, 16 januari 1996

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Na een huwelijk van 32 jaar is zeventien jaar alimentatie betaald. Deze
bedroeg in 1993 ƒ 424,60 per maand en is wegens verlaagde draagkracht van de
man toen verlaagd tot ƒ 103,83 per maand. De vrouw is zeventig jaar oud en
zij ontvangt naast de alimentatie een AOW-uitkering van ƒ 1235 per maand en
met ingang van 1 mei 1995 een bedrag van ƒ 158,69 per maand terzake van
uitkering van een deel van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen (in
het kader van de Wet VP) en een bedrag van ƒ 103 per maand aan alimentatie.
De man vraagt limitering per 7 april 1995 hetgeen door de rechtbank is
afgewezen en door het hof is bekrachtigd. (Ook vonnis rechtbank Almelo 28
juni 1995 is opgenomen).

Volledige tekst

Vonnis rechtbank Almelo 28 juni 1995, enkelvoudige kamer voor
burgerlijke zaken. Mr. Moes.
Procureur verzoeker W. mr. Ph. C. Kleyn van Willigen
Procureur verweerster T. mr. B. Bicknese

Overweegt ten aanzien van:
het procesverloop:

Bij op 10 april ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen is verzocht
de beschikking van deze rechtbank d.d. 6 oktober 1993 te wijzigen in dier
voege dat thans zal worden bepaald dat de bijdrage in het levensonderhoud ten
behoeve van de vrouw met ingang van datum indiening van het verzoekschrift,
althans met ingang van datum van de dagtekening van de in deze te wijzen
beschikking, op nihil wordt gesteld.
Op 23 mei 1995 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie ingekomen.
Partijen hebben vervolgens ieder bij schrijven van 30 mei 1995 nadere
bescheiden in het geding gebracht.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 14 juni 1995, alwaar de man en de
vrouw, beiden bijgestaan door hun procureurs, zijn gehoord.
Bij voormelde terechtzitting heeft de man nog bescheiden overgelegd.
Hij heeft tevens zijn verzoek aangevuld in die zin dat hij nihilstelling van
de alimentatie vraagt met ingang van 1 juli 1997.
de standpunten van partijen:
Het verzoek van de man is gegrond op de stelling dat er thans sprake is van
een wijziging van omstandigheden in die zin dat met ingang van 1 juli 1994 in
werking is getreden de Wet tot wijziging van bepalingen in het Burgerlijk
Wetboek in verband met de regeling van de limitering van de alimentatie na
scheiding.
Ter terechtzitting heeft de man daarnaast als gewijzigde omstandigheid
aangevoerd dat de vrouw met ingang van 1 mei 1995 een pensioen ontvangt.
Het verweer van de vrouw is gegrond op de stelling dat de nieuwe bepalingen
in het Burgerlijk Wetboek alleen van toepassing zijn op echtscheidingen die
na het in werking treden van de wet tot stand zijn gekomen. Ten aanzien van
de echtscheidingen van voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet gelden de
overgangsbepalingen, welke bepalingen van dwingendrechtelijke aard zijn. Ten
slotte is de vrouw van mening dat – zakelijk weergegeven – de beëindiging van
de uitkering per 1 juli 1997 van zo ingrijpende aard is dat deze naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.
de beoordeling:
De man heeft niet aangevoerd dat hij, gelet op zijn draagkracht, niet in
staat is de bij beschikking van 6 oktober 1993 vastgestelde bijdrage te
betalen. Evenmin heeft hij aangevoerd dat er aan de zijde van de vrouw geen
behoefte meer is aan een bijdrage in haar levensonderhoud. Deze punten
behoeven derhalve geen bespreking.
Ten aanzien van de door de man aangevoerde gewijzigde omstandigheden merkt de
rechtbank het navolgende op. Onder gewijzigde omstandigheden vermeld in
artikel 1:401, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek worden begrepen de
omstandigheden die partijen persoonlijk raken en niet een wetswijziging zoals
door de man gesteld.
De omstandigheid dat de vrouw met ingang van 1 mei 1995 een pensioen geniet
is wel een gewijzigde omstandigheid als door de wet bedoeld.
De man kan derhalve worden ontvangen in zijn verzoek.
Op 1 juli 1994 zijn in werking getreden de wetten van 28 april 1994, Stb 324
en 325. De in Stb 324 gepubliceerde wet bevat de regeling van de limitering
van de alimentatie tot 12 jaar. De in Stb. 325 geplaatste wet wijzigt de
limiteringswet op twee belangrijke punten, waarvan de overgangsregeling er
een is.
Ingevolge de thans geldende overgangsbepalingen vindt ten aanzien van de voor
1 juli 1994 door de rechter vastgestelde of onderling overeengekomen
uitkeringen beëindiging van de alimentatieplicht niet eerder dan drie jaar na
inwerkingtreding van de wet plaats, zijnde 1 juli 1997.
De overgangsbepalingen in onderlinge samenhang gelezen, met name het bepaalde
in artikel II lid 1 en lid 2, laatste volzin, alsmede artikel VI, kan de
rechtbank uitsluitend concluderen dat hier sprake is van dwingendrechtelijke
bepalingen. De man heeft nog een beroep gedaan op de ratio van de
desbetreffende overgangsbepalingen, doch uit het bepaalde in artikel II lid 2
blijkt dat de wetgever heeft gemeend ten aanzien van de zogenaamde `oude’
gevallen een minimale termijn van drie jaar te moeten hanteren.
Voor het overige heeft de man geen relevante omstandigheden aangevoerd op
grond waarvan een beëindiging van zijn onderhoudsverplichting op zijn plaats
zou zijn.
Het primaire verzoek tot nihilstelling van de alimentatie met ingang van 10
april 1995 dient derhalve te worden afgewezen.
Met betrekking tot het subsidiaire verzoek is de rechtbank van oordeel dat
het thans prematuur is reeds te beslissen op een dergelijk verzoek, daar de
rechter eerst na ommekomst van de termijn van drie jaar als vermeld in
artikel II lid 2, laatste volzin, van de overgangsbepalingen, kan toetsen of
beëindiging van de uitkering niet in strijd is met de redelijkheid en
billijkheid.
De rechtbank wijst derhalve het subsidiaire verzoek eveneens af.
In de omstandigheid dat partijen voormalige echtelieden zijn vindt de
rechtbank aanleiding om de kosten van het geding als na te melden te
compenseren.
de beslissing:
1. Wijst het verzoek van de man af.
2. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten
draagt.
Arrest Hof Arnhem 16 januari 1995
1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Almelo van 28 juni
1995, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. De partijen worden hierna aangeduid als: de man respectievelijk de
vrouw.
2.2. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 23 augustus
1995, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Hij
verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en alsnog rechtdoende te
bepalen dat de bijdrage in het levensonderhoud ten behoeve van de vrouw met
ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift (7 april
1995) zal worden gesteld op nihil, althans met ingang van een datum als door
het hof in goede justitie zal worden vastgesteld, subsidiair zal worden
beslist door het hof dat de alimentatieverplichting eindigt per 1 juli 1997,
een en ander kosten rechtens.
2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 29 september 1995, heeft de
vrouw het beroep van de man bestreden. Zij concludeert tot bekrachtiging van
de beschikking waarvan beroep, althans tot afwijzing van het verzoek van de
man, kosten rechtens.
2.4. De mondelinge behandeling heeft op 5 december 1995 plaatsgevonden.
Verschenen zijn partijen, de man bijgestaan door mr. H.R. Hart, advocaat te
Almelo, en de vrouw bijgestaan door mr. M.J.C. Schutte, advocaat te Enschede.
3. De vaststaande feiten.
Ten aanzien van partijen

3.1. Partijen zijn op 9 oktober 1946 te Enschede gehuwd. Bij vonnis van de
rechtbank te Almelo van 15 maart 1978 is de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken. Dit vonnis is op 31 maart 1978 ingeschreven in de registers van
de burgerlijke stand. Bij genoemd vonnis is de door de man te betalen
bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op ƒ 300 per maand.
Deze bedroeg in mei 1993 door de wettelijke indexering ƒ 424,60 per maand.
3.2. Bij beschikking van 6 oktober 1993 is de door de man te betalen bijdrage
in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 mei 1993
nader vastgesteld op ƒ 100 per maand. Dit bedrag bedraagt thans door de
wettelijke indexering ƒ 103,83 per maand.
3.3. De vrouw is alleenstaand. Zij ontvangt naast haar A.O.W. uitkering van ƒ
1235 per maand met ingang van 1 mei 1995 een bedrag van ƒ 158,69 per maand
terzake uitkering van een deel van het door de man opgebouwde
ouderdomspensioen (in het kader van de Wet Verevening Pensioenrechten bij
Scheiding) en een bedrag van ƒ 103 per maand aan alimentatie. De huur van
haar woning bedraagt ƒ 360 per maand.

4. De motivering van de beslissing.

4.1. Het verzoek van de man is feitelijk gegrond op de stelling dat hij ruim
17 jaar alimentatie betaalt. Ingevolge artikel II, lid 2, van de Wet van 28
april 1994, Stb 324, zoals gewijzigd bij Wet van 28 april 1994, Stb. 325,
beëindigt de rechter op verzoek van degene die op grond van een voor de
inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een
uitkering tot levensonderhoud te verstrekken die verplichting, indien deze op
of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van
oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is,
dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die
tot de uitkering gerechtigd is kan worden gevergd.
In dat geval stelt de rechter op verzoek van de tot uitkering gerechtigde
alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder
geval rekening met:
a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;
b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;
c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de
verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;
d. de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op
uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de
uitkering is gehouden. Ingevolge hetzelfde lid bepaalt de rechter bij de
uitspraak of verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan al
dan niet mogelijk is. Het bepaalde in de eerste volzin kan niet tot gevolg
hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren na de inwerkingtreding van
de wet, aldus het slot van lid 2. Aangezien de wet in werking is getreden op
1 juli 1994 betekent dit laatste dat de uitkering niet eindigt voor 1 juli
1997. Feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat de bijdrage eerder moet
worden beëindigd zijn niet gesteld of gebleken. Het enkele tijdsverloop is
daarvoor onvoldoende grond.
Dit betekent dat beëindiging van de alimentatie op zijn
vroegst met ingang van 1 juli 1997 kan ingaan. Tot aan die datum is het
enkele tijdsverloop geen reden om de alimentatie te beëindigen.
4.3. De man voert voorts aan dat de vrouw met ingang van 1 mei 1995 pensioen
geniet (op grond van) in het kader van de Wet Verevening Pensioenrechten bij
Scheiding.
4.4. Kennelijk heeft de man bedoeld dat, nu de vrouw een deel van het
opgebouwde pensioen ontvangt, zij geen behoefte meer heeft aan een bijdrage
van zijn zijde. Deze stelling wordt door het hof verworpen. Vaststaat dat de
vrouw behoefte heeft aan de voorheen (tot oktober 1993) geldende alimentatie,
welke destijds uitsluitend is verlaagd in verband met een verminderde
draagkracht van de man. Nu de pensioenuitkering en de bijdrage van de man
tezamen lager zijn dan die voorheen geldende alimentatie en nu er zich aan de
zijde van de vrouw geen wijzigingen hebben voorgedaan blijft de vrouw
behoefte hebben aan een bijdrage van de man.
4.5. De financiële omstandigheden van beide partijen staan vast en er valt
niet te verwachten dat zich hierin in de periode tot 1 juli 1997 relevante
wijzigingen zullen voordoen. De pensioendatum van beide partijen is immers
verstreken. Daarom kan het subsidiaire verzoek van de man, inhoudende dat de
alimentatieverplichting per 1 juli 1997 moet eindigen, reeds thans beoordeeld
worden.
4.6. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de beëindiging van de
alimentatie per 1 juli 1997 zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van
redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.
Zij voert daartoe aan dat bij inwilliging van het verzoek haar financiële
positie, die al niet ruim is, sober wordt. De pensioenrechten zijn niet in de
boedelscheiding betrokken. Zij ontvangt weliswaar pensioen, maar dit is
slechts een/vierde gedeelte van de door de man tijdens het huwelijk van
partijen opgebouwde pensioenrechten. Het huwelijk heeft 32 jaar geduurd. Uit
het huwelijk zijn vier kinderen geboren, het jongste kind is 19 jaar na het
oudste kind is geboren. Daardoor heeft zij zeer lange tijd de zorg voor jonge
kinderen gehad en heeft zij geen verdiencapaciteit kunnen opbouwen. Tijdens
het huwelijk gold een traditionele rolverdeling. Ten tijde van de
echtscheiding was de leeftijd van de vrouw 53 jaar. Zij is thans 70 jaar oud.
4.7. Het wegvallen van het bedrag van alimentatie, op dit moment ƒ 103 per
maand, acht het hof gelet op het verdere inkomen van de vrouw ingrijpend en
wel zo ingrijpend dat dit in het licht van alle relevante omstandigheden
genoemd onder de vaststaande feiten en in rechtsoverweging 4.6., naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan
worden.
4.8. Het hof zal de termijn waarvoor de alimentatieverplichting voortduurt
vaststellen op 15 jaar en zal voorts bepalen dat deze termijn verlengd kan
worden gezien de omstandigheden vermeld in rechtsoverweging 4.6.
5. De slotsom

Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient de bestreden beschikking te
worden vernietigd.
De navolgende beslissing wordt gegeven met compensatie van de proceskosten,
nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.
De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te Almelo van 14 juni 1995, en
opnieuw beschikkende:
wijst het primaire verzoek van de man af;
wijst het subsidiaire verzoek van de man eveneens af en bepaalt dat de
onderhoudsverplichting van de man voortduurt tot 1 juli 2012, onder de
bepaling dat deze termijn verlengd kan worden;
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke
partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Katz-Soeterboek, Pel, Fokker

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 15 januari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft zich ingeschreven voor in de gemeente Bodegraven (hierna:
de gemeente) te bouwen twee-onder-een-kap woningen, Bouwplan Zuidzijde. Op
grond van het door de wederpartij vastgestelde beleid komt zij daar als
alleenstaande niet voor in aanmerking, aangezien de woningen vanwege het
aantal kamers uitsluitend bestemd zijn voor huishoudens vanaf twee personen.
Onderscheid tussen alleenstaanden en anderen kan een vorm van indirect
onderscheid naar burgerlijke staat zijn.
Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid naar
burgerlijke staat bij het aanbieden van goederen en diensten, indien dit
geschiedt door de openbare dienst.
Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid wordt begrepen. In artikel 2 lid 1 AWGB wordt bepaald dat het in
de Wet neergelegde verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect
onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.

De Commissie is van oordeel dat noch het vaststellen van een gemeentelijke
huisvestingsregeling als hier bedoeld noch de uitvoering van die regeling
zoals is geschied, een aanbod van een goed of een dienst zijn als bedoeld in
de AWGB. Ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van de AWGB is dat af te
leiden.

Daarom meent de Commissie dat het handelen van de wederpartij niet valt
binnen de reikwijdte van artikel 7 lid 1 sub b AWGB en zij derhalve niet in
strijd heeft gehandeld met deze wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 april 1995 verzocht mevrouw (…) te Bodegraven (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of het college van Burgemeester en Wethouders te Bodegraven
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met
de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

Verzoekster heeft zich ingeschreven voor in de gemeente Bodegraven (hierna:
de gemeente) te bouwen twee-onder-een-kap woningen, Bouwplan Zuidzijde. Op
grond van het door de wederpartij vastgestelde beleid komt zij daar als
alleenstaande niet voor in aanmerking, aangezien de woningen vanwege het
aantal kamers uitsluitend bestemd zijn voor huishoudens vanaf twee personen.
Verzoekster is van oordeel dat het door de wederpartij gehanteerde beleid in
strijd is met de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

1.2. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid
gehad hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 21 november 1995.

1.3. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
– dhr. (…)

van de kant van de wederpartij
– dhr. (…) (wethouder)
– dhr. (…) (beleidsmedewerker sector VROM, volkshuisvesting)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter)
– dhr. mr. M.M. den Boer (lid Kamer)
– dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer)
– mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer)

1.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

2. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

2.1. Begin 1995 heeft de wederpartij door middel van een advertentie
bekendheid gegeven aan een woningproject, Bouwplan Zuidzijde eerste fase,
bestaande uit de bouw van in totaal 74 koopwoningen. Voor het project hebben
zich 1400 gegadigden gemeld.
Genoemd project bestaat uit 44 woningen die goedkoper waren dan ƒ 250 000 en
uit 30 woningen die duurder waren.
De tekst van de advertentie betreft de goedkopere woningen en luidde – voor
zover hier van belang – als volgt:
`Woningaanbod Bouwplan Zuidzijde
Voor de volgende woningen kunt u zich inschrijven door een woonbon uit deze
krant in te sturen (inschrijving voor meerdere typen is mogelijk).
a. 12 woningen 2/1 kap, tussenwoningen type D (Kraan)
b. 19 premie-woningen, type C (Groenen)
c. 3 senioren-woningen, type C 1 (Groenen)
d. 6 tussenwoningen vrije sector (Woningstichting Bodegraven)
e. 4 premie-woningen (Woningstichting Bodegraven)
Zie de advertenties elders in deze krant)

Voor al deze woningen geldt:
1. U kunt een woonbon insturen, indien u voldoet aan een van de volgende
toelatingscriteria:
– u woont 2 jaar of langer in Bodegraven;
– u werkt in Bodegraven;
– u hebt een maatschappelijke binding aan Bodegraven.

2. De woningen zijn uitsluitend bestemd voor huishoudens vanaf 2 personen

3. Toewijzing geschiedt op volgorde van BL-score.(Bewoningsduurscore en
leeftijdscore.)’
Ter zitting is gebleken dat elders in de krant de aannemer een advertentie
had doen plaatsen waarin de desbetreffende woningen te koop werden
aangeboden.
Verzoekster heeft zich ingeschreven voor de twee-onder-een-kap woningen. Zij
is alleenstaand en heeft geen woning toegewezen gekregen.
3.2. De in de advertentie gestelde voorwaarde dat de woningen uitsluitend
bestemd zijn voor huishoudens vanaf 2 personen is terug te voeren op de
huisvestingsverordening van de gemeente, die onder meer van toepassing is op
woningen met een koopprijs beneden de ƒ 250 000.
De verordening bevat – voor zover hier van belang – de navolgende regels:

`Artikel 8 bezettingsnormen
1. Een vergunningplichtige huurwoning wordt als passend aangemerkt indien de
verhouding tussen het aantal personen van het huishouden en het aantal kamers
van de woonruimte overeenkomt met de tabel in lid 3.
2. Als kamer wordt aangemerkt de woonkamer en elke afzonderlijke slaapkamer.
3. De tabel als bedoeld in lid 1 luidt als volgt:

aantal personen aantal kamers
min. passend max. passend
alleenstaande 1 3
2 personen 2 4
3 personen 3 4
4 personen 4 4
5 personen 4 5
6 personen 4 6
7 personen en meer 5

4. a. een vergunningplichtige 4-kamer nieuwbouw-koopwoning wordt niet passend
geacht voor een 1-persoons huishouden;
b. een vergunningplichtige 5- of meer-kamer nieuwbouw koopwoning wordt niet
passend geacht voor 1- of 2-persoonshuishoudens(..)’.
Artikel 20 van genoemde huisvestingsverordening bepaalt, dat een van de
voorwaarden om een huisvestingsvergunning te verlenen is het voldoen aan de
hierboven weergegeven passendheidscriteria.
Voor woningen met een koopprijs boven ƒ 250 000 is geen vergunning vereist.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende.
De wederpartij heeft door bij de toekenning van woningen onderscheid te maken
tussen alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens gehandeld in strijd met de
AWGB. Hiervoor is geen rechtvaardigingsgrond aanwezig. Niet valt in te zien
waarom tweepersoonshuishoudens recht zouden hebben op een grotere woning dan
eenpersoonshuishoudens. Gehuwden en samenwonenden slapen doorgaans immers in
dezelfde slaapkamer. Evenals gehuwden en samenwonenden hebben alleenstaanden
naast een slaapkamer behoefte aan een logeer- en hobbiekamer.
Bovendien is het mogelijk dat iemand, die op het moment van toewijzing van de
woningen alleenstaande is, tegen de tijd dat de woningen klaar zijn wel een
partner heeft. De wederpartij stelt ook om die reden ten onrechte eisen aan
de omvang van het huishouden.
Met betrekking tot de passendheidscriteria is verzoekster van de zijde van de
gemeente te kennen gegeven dat in lijn met de huisvestingsverordening
alleenstaanden wel bestaande woningen met vier kamers kunnen kopen. De
bezettingsnormen gelden daarnaast niet voor woningen duurder dan ƒ 250 000.
Verzoekster stelt echter niet in te kunnen zien waarom alleenstaanden
gedwongen zouden zijn om een bestaande vier-kamer-woning dan wel een woning
duurder dan ƒ 250 000 te kopen.
Verzoekster twijfelt aan de juistheid van het door de wederpartij gestelde
aantal woningzoekenden in de gemeente. Zij betwist voorts de stelling, dat de
woningen in de prijsklasse tot ƒ 250 000 voor de laagste inkomenscategorie
beschikbaar dienen te zijn, aangezien eraan getwijfeld kan worden of dit voor
deze mensen betaalbaar is.

3.4. De wederpartij stelt ten aanzien van het beleid met betrekking tot de
woonruimteverdeling het volgende.
De gemeente maakt deel uit van het Groene Hart van Nederland. Ten aanzien van
dit deel wordt door het rijk en de provincie Zuid-Holland een restrictief
bouwbeleid gevoerd. Dit heeft geleid tot een groot aantal woningzoekenden.
De provincie heeft -op grond van de haar in artikel 61 Huisvestingswet
toegekende bevoegdheid- nadere richtlijnen omtrent de woonruimteverdeling
uitgevaardigd. Dit komt met name tot uitdrukking in een door dertien
gemeenten -waaronder de gemeente Bodegraven- afgesproken uniforme wijze van
woonruimteverdeling, vastgelegd in een regionaal
model-huisvestingsverordening. De provincie heeft aan de gemeente toestemming
gegeven om de koopprijsgrens voor vergunningplichtige woningen te verhogen en
vast te stellen op
ƒ 250 000. Daarnaast heeft de provincie toestemming gegeven om huurwoningen
en vergunningplichtige nieuwbouw-koopwoningen, die binnen vier weken na het
project beschikbaar komen, te bestemmen voor ingezetenen van de gemeente en
economisch aan de gemeente gebonden.
Ten gevolge van de in de gemeente bestaande woningnood zijn er 1700
woningzoekenden, is de wachttijd voor een huurwoning opgelopen tot tien jaar
of langer en ligt de gemiddelde leeftijd waarop mensen voor een huur- of
koopwoning in aanmerking kunnen komen op 30 jaar.
De gemeente tracht gelijkwaardige kansen te creëren voor iedere categorie
woningzoekenden door -voor zover de woningen goedkoper zijn dan ƒ 250 000
passendheidscriteria te hanteren waardoor grotere woningen bestemd zijn voor
de grotere huishoudens en kleinere voor kleinere huishoudens.
De wederpartij is van mening dat gelijke behandeling van woningzoekenden niet
kan worden afgemeten aan een individuele woningtoewijzing of de bestemming
van een bepaald project nieuwbouw-koopwoningen. De beoordeling dient te
geschieden met betrekking tot het bouwbeleid over een aantal jaren, waarbij
wordt getracht iedere categorie woningzoekenden aan zijn trekken te laten
komen. In de tweede fase van genoemd woningproject zijn
driekamerappartementen gepland, waarvoor alleenstaanden zoals verzoekster
zich kunnen inschrijven.

3.5. De wederpartij stelt voorts met betrekking tot het aanbieden van
woningen en het verlenen van woonvergunningen het volgende.

De gemeente kan niet als de feitelijke aanbieder van de woningen beschouwd
worden. De woningen worden door de aannemer aangeboden, waarbij het door de
gemeente vastgestelde huisvestingsbeleid in acht dient te worden genomen. De
gemeente plaatst een advertentie in verband met het woningaanbod; onderdeel
daarvan is een woonbon voor de inschrijving van de te bouwen woningen. De
mededeling met de woonbon wordt gepubliceerd door de gemeente, de aannemer
publiceert de aankondiging van de bouw van de koopwoningen.

Belangstellenden schrijven zich door invulling van de woonbon bij de gemeente
in voor het project. De gemeente toetst of aan de gestelde criteria is
voldaan. De vervolgens door de gemeente opgestelde lijst met kopers wordt
naar de aannemer gezonden, die voor het sluiten van de koopovereenkomst
uitgaat van deze lijst.

Ter zitting stelt de wederpartij dat, aangezien de toelatingscriteria in de
woonbon de vergunningsvereisten zijn, bij de selectie op basis van de
woonbonnen feitelijk vergunningsvereisten als selectiecriteria dienen. Deze
selectie wordt om praktische redenen door de gemeente gedaan.

Indien iemand niet voor de woningen in aanmerking komt, waarvoor hij zich
heeft ingeschreven, blijkt dat uitsluitend uit de publikatie in de krant van
de minimaal benodigde BL-score. Deze berichtgeving vindt plaats nadat alle
woningen zijn verkocht. De betrokkene is derhalve feitelijk niet in de
gelegenheid een woonvergunning aan te vragen, aangezien krachtens artikel 17
van genoemde huisvestingsverordening alleen die woningzoekende in de
gelegenheid wordt gesteld een aanvraag voor een vergunning in te dienen, die
in ieder geval voldoet aan de gestelde toelatings- en passendheidscriteria en
die van de reagerende woningzoekende de hoogste B
-score heeft.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster onderscheid
in strijd met de AWGB heeft gemaakt bij het aanbieden van goederen en
diensten door te bepalen dat alleenstaanden niet in aanmerking kunnen komen
voor de koop van vergunningplichtige nieuwbouwwoningen met vier kamers.

Onderscheid tussen alleenstaanden en anderen kan een vorm van indirect
onderscheid naar burgerlijke staat zijn.

Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid naar
burgerlijke staat bij het aanbieden van goederen en diensten, indien dit
geschiedt door de openbare dienst.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder onderscheid zowel direct als indirect
onderscheid begrepen wordt. In artikel 2 lid 1 AWGB wordt bepaald dat het in
de Wet neergelegde verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect
onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.

4.2 De Commissie gaat allereerst na of in deze zaak sprake is van het
aanbieden van goederen of diensten door de openbare dienst in de zin van
artikel 7 lid 1 sub b AWGB.

De Commissie constateert dat de gemeente behoort tot de openbare dienst. De
Commissie stelt tevens vast, dat de klacht van verzoekster betrekking heeft
op het beleid van de gemeente, zoals dat tot uitdrukking komt in de bepaling
in de huisvestingsverordening en de daarop gebaseerde uitvoeringspraktijk dat
alleenstaanden niet voor woningen als hiervoor bedoeld in aanmerking komen.
De Commissie constateert, dat de in de huisvestingsverordening opgenomen
passendheidscriteria een onderscheid bevatten tussen alleenstaanden en
anderen. Voor verzoekster als alleenstaande werpt de verordening een absolute
belemmering op om voor de koop van een van de bedoelde woningen in aanmerking
te komen. Het voldoen aan dit passendheidscriterium is immers een vereiste
voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning.

De vraag die dient te worden beantwoord is of de gemeentelijke regels ten
aanzien van huisvestingsvergunningen, respectievelijk het daaraan uitvoering
geven door de gemeente bij het verlenen van huisvestingsvergunningen, dienen
te worden begrepen onder het aanbieden van goederen of diensten zoals,
bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b van de AWGB.

De Commissie overweegt te dien aanzien dat de reikwijdte van dit wetsartikel
niet onbeperkt is. Het wetsartikel verbiedt het maken van onderscheid in het
zakelijk goederen- en dienstenverkeer.

De Commissie is van oordeel dat noch het vaststellen van een gemeentelijke
huisvestingsregeling als hier bedoeld noch de uitvoering van die regeling
zoals is geschied, een aanbod van een goed of een dienst zijn als bedoeld in
de AWGB. Ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van de AWGB is dat af te
leiden (Tweede Kamer, 1992-1993, 22014, nr. 29. Handelingen Tweede Kamer, 11
februari 1993, p. 48-3567 t/m 3570 en p. 48-3593 t/m 3595). Tijdens de
behandeling van het wetsvoorstel is een amendement verworpen dat er -voor
zover hier relevant- toe strekte tevens onderscheid te verbieden door
bestuursorganen bij het nemen van besluiten. Expliciet is daarbij het
toekennen van een woonvergunning genoemd. Ten aanzien van dergelijke
rechtshandelingen kan weliswaar een beroep worden gedaan op artikel 1 van de
Grondwet. De Minister van Binnenlandse Zaken heeft bij de behandeling van het
wetsvoorstel in de Tweede Kamer op dit punt echter gesteld, dat de AWGB enkel
bescherming biedt tegen onderscheid op een aantal met name genoemde terreinen
en dat de in het amendement bedoelde handelingen, waaronder de
woonvergunningverlening, buiten de werkingssfeer van de AWGB vallen.

De Commissie is op grond van het voorgaande van oordeel dat het handelen van
de wederpartij niet valt binnen de reikwijdte van artikel 7 lid 1 sub b AWGB
en zij derhalve niet in strijd heeft gehandeld met deze wet.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeesters
en Wethouders van de gemeente Bodegraven te Bodegraven jegens mevrouw (.
..) te Bodegraven geen onderscheid op grond van burgerlijke staat bij het
aanbieden van goederen en diensten als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b
Algemene wet gelijke behandeling heeft gemaakt en derhalve niet heeft
gehandeld in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr. mr. M.M. den Boer(lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. D. Jongsma(secretaris Kamer)

Instantie: Hoge Raad, 12 januari 1996

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


De vrouw is alimentatieplichtig ten aanzien van het door de vader
verzorgde kind. Zij besluit met haar huidige echtgenoot dat, in verband
met de verzorging van hun kind, de huidige echtgenoot zijn baan opgeeft
en zijzelf blijft doorwerken. Hierdoor vermindert de draagkracht van de
vrouw. Nu zij alleen het gezinsinkomen moet verzorgen, is zij niet meer
in staat kinderalimentatie te betalen. De vrouw en haar echtgenoot zijn
in beginsel vrij hun leven in te richten zoals zij verkiezen, maar deze
vrijheid wordt begrensd door de op de vrouw rustende verplichting bij te
dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.

In het kader van de beoordeling van de draagkracht van de vrouw heeft het
hof onderzocht of de door haar tezamen met haar echtgenoot gemaakte keuze
geen gebruik te maken van de mogelijkheid van kinderopvang gedurende een
volledige werkweek, als redelijk kan worden beschouwd. De keuze van de
moeder en de huidige echtgenoot vindt het hof in de gegeven omstandigheden
onredelijk. Het hof is daarbij niet uitgegaan van een onjuiste
rechtsopvatting. (Zie ook: Redactioneel Jet Tigchelaar, Nemesis 1996, 3)

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instantie Met een op 30 juni 1994 ter griffie
van de Rechtbank te Maastricht ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster
tot cassatie – verder te noemen: de vrouw – zich gewend tot die Rechtbank
met het verzoek de beschikking van die Rechtbank van 3 juli 1992 in die
zin te wijzigen dat de haar daarbij opgelegde onderhoudsbijdrage ten
behoeve van het uit het, inmiddels door echtscheiding ontbonden, huwelijk
tussen de vrouw en verweerder in cassatie – verder te noemen:

de man – op 13 oktober 1979 te Heerlen geboren kind E met ingang van 1
april 1994 nader wordt bepaald op nihil. Nadat de man tegen het verzoek
verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij beschikking van 1 november
1994 haar beschikking van 3 juli 1992 gewijzigd, voor zover de vrouw
daarbij werd veroordeeld tot betaling van een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van het kind E, en die bijdrage met ingang van 15
juni 1994 bepaald op nihil. Tegen deze beschikking heeft de man hoger
beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Bij beschikking
van 3 maart 1995 heeft het Hof de bestreden beschikking van de Rechtbank
te Maastricht vernietigd en het deze procedure inleidende verzoek alsnog
afgewezen. De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw
beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking
gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat Generaal
De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1 De vrouw is bij beschikking van de
Rechtbank te Maastricht van 3 juli 1992 veroordeeld tot betaling van ƒ
250,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van
E, die op 13 oktober 1979 is geboren uit het huwelijk van partijen, dat
inmiddels door echtscheiding is ontbonden, en die thans bij de man
verblijft. In de onderhavige procedure heeft de vrouw wijziging van deze
beschikking verzocht in dier voege dat de voormelde bijdrage met ingang
van 1 april 1994 wordt bepaald op nihil. De vrouw heeft aan dit verzoek
ten grondslag gelegd, kort samengevat: dat zij vanaf 1 april 1994 geen
draagkracht meer heeft tot betaling van enige bijdrage voor E;

dat zij en haar huidige echtgenoot voor die datum beiden een volle baan
hadden en ongeveer evenveel verdienden;

dat haar huidige echtgenoot evenwel met ingang van die datum ontslag heeft
genomen om de verzorging en opvoeding op zich te nemen van het kind dat
is geboren uit het huwelijk tussen hemzelf en de vrouw en dat bij hem en
de vrouw verblijft;

dat zij sedertdien mede in het levensonderhoud van haar huidige echtgenoot
moet voorzien. Dit is, zoals de vrouw ter terechtzitting van de Rechtbank
heeft betoogd, een voordeligere oplossing dan de bekostiging van
kinderopvang gedurende een volledige werkweek. De rechtbank heeft
geoordeeld dat de vrouw heeft aangetoond vanaf 15 juni 1994 niet meer in
staat te zijn een bijdrage voor E te betalen, en zij heeft, met wijziging
van de beschikking van 3 juli 1992, de bijdrage met ingang van 15 juni
1994 op nihil bepaald. Op het door de man ingestelde hoger beroep heeft
het Hof alsnog het verzoek van de vrouw afgewezen. De overwegingen waarop
het Hof de beslissing heeft doen steunen, kunnen als volgt worden
samengevat. De vrouw en haar echtgenoot zijn in beginsel vrij hun leven
in te richten op de wijze die zij verkiezen, maar deze vrijheid wordt
begrensd door de op de vrouw rustende verplichting bij te dragen in de
kosten van verzorging en opvoeding van het kind van partijen. Ter
terechtzitting is van de zijde van de man onbetwist gesteld dat, indien
de vrouw en haar echtgenoot zouden hebben gekozen voor kinderopvang
gedurende een volledige werkweek, de kosten daarvan in elk geval veel
minder zouden hebben belopen dan het inkomen dat de echtgenoot van de
vrouw genoot.

De keuze hiervan geen gebruik te maken, welke keuze ten gevolge heeft dat
de vrouw niet langer in staat is een bijdrage in de kosten van verzorging
en opvoeding van het kind van partijen te betalen, kan niet als redelijk
worden beschouwd. Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag
gelegde overwegingen richt zich het middel.

3.2 Het hof heeft in het kader van zijn beoordeling van de draagkracht van
de vrouw met het oog op haar verplichting bij te dragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van haar bij de man verblijvende kind, onderzocht
of de door haar tezamen met haar echtgenoot gemaakte keuze geen gebruik
te maken van de mogelijkheid van kinderopvang gedurende een volledige
werkweek, in de gegeven omstandigheden als redelijk kan worden beschouwd.
Aldus is het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. In ‘s
Hofs oordeel dat de vrouw en haar echtgenoot in beginsel vrij zijn hun
leven in te richten zoals zij verkiezen, ligt voorts besloten dat het Hof
niet heeft miskent dat ook andere dan louter financiele omstandigheden van
belang kunnen zijn voor het antwoord op de vraag wat in het onderhavige
geval redelijk is.

Voor zover het middel veronderstelt dat het Hof uitsluitend financiele
omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, mist het
derhalve feitelijke grondslag. Het bestreden oordeel is zozeer verweven
met een waardering van de feitelijke omstandigheden dat het in cassatie
niet op zijn juistheid kan worden getoetst. ’s Hofs oordeel is ook niet
onbegrijpelijk, en het behoefde, in het licht van het debat van partijen,
evenmin nadere motivering. Alle klachten van het middel stuiten hierop af,
waarbij nog slechts aantekening verdient dat de in onderdeel 5 vervatte
klacht die het oordeel van het Hof bestrijdt met het betoog dat, kort
weergegeven, niet de vrouw haar baan heeft opgegeven, maar haar
echtgenoot, die jegens E niet onderhoudsplichtig is, maar wel een eigen
verantwoordelijkheid heeft jegens zijn kind, reeds faalt omdat, zoals het
Hof duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht, sprake is geweest van een
gezamenlijke keuze van de vrouw en haar echtgenoot. Voor zover het middel
wel feitelijke grondslag heeft, is het derhalve tevergeefs voorgesteld.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; compenseert de kosten van
het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt

Rechters

Mrs Snijders, Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Neleman, De VriesLentsch-Kostense

Instantie: Kantonrechter Zwolle, 10 januari 1996

Instantie

Kantonrechter Zwolle

Samenvatting


Werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een
dringende reden omdat de werknemer, een winkelchef, in het bijzijn van een
verkoopster die zwanger was, tegen een klant heeft opgemerkt `weer zo’n
bastaard erbij’ en `we hebben nu al genoeg van die `zwartjoekels’. De klant
heeft schriftelijk bevestigd dat werknemer deze en andere opmerkingen heeft
gemaakt. De verkoopster heeft op verzoek van de werknemer een verklaring
ondertekend waarin zij zijn ontkennende lezing onderschrijft.
De kantonrechter acht de lezing van de werknemer volstrekt ongeloofwaardig,
ook al valt de verkoopster hem niet af. De verklaring van de klant
daarentegen is logisch en consistent. Een werkgever behoort opmerking als
onder meer hierboven geciteerd nooit te accepteren. Zeker wanneer het gaat om
een uitlating van een chef over zijn ondergeschikte in het bijzijn van een
klant levert een dergelijk handelwijze een dringende reden op voor ontbinding
van de arbeidsovereenkomst.

Volledige tekst

Overweegt
1. V, thans 37 jaar, is sinds 1 maart 1981 in dienst bij R, die een groente-
en fruitzaak in Zwolle exploiteert. Hij heeft thans de functie van winkelchef
tegen een bruto maandsalaris van ƒ 3693 exclusief vakantietoeslag.
Sinds 21 november 1995 staat V op non-actief.
2. R verzoekt deze arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een
dringende reden, subsidiair op grond van gewijzigde omstandigheden zonder
enige vergoeding.
V heeft bij tegenverzoek eveneens ontbinding verzocht wegens gewijzigde
omstandigheden, onder toekenning van een vergoeding aan hem ter hoogte van in
totaal ƒ 82 553 bruto.
3.1. R heeft aan zijn primaire verzoek ten grondslag gelegd dat V zich op 17
november 1995 ten overstaan van een klant, mw. L, discriminerend heeft
uitgelaten over de afkomst van het kind waarvan de, eveneens in de winkel
aanwezige verkoopster, mw. K, in verwachting is. Hij zou daarbij woorden als
`weer zo’n bastaard erbij’, `we hebben al genoeg van die zwartjoekels’ en
`weer zo’n opvreter’ hebben geuit. De klant heeft daarop overstuur de winkel
verlaten. Bij haar volgende bezoek aan de winkel op 20 november heeft V haar
gevraagd of zij nog boos was, en na een bevestigend antwoord heeft hij daar
onheus op gereageerd.
3.2. Door R is een schriftelijke verklaring van de bewuste klant overgelegd
waarin een en ander is weergegeven. De klant schrijft dat zij V, nadat hij
bedoelde uitlatingen had gedaan, verbijsterd had gevraagd of hij dat alles
wel meende, waarop V antwoordde het wel degelijk te menen en niets van
blauwapen als de man van mw. K te moeten hebben: die moesten maar in hun
eigen land blijven.
Daarop heeft de klant aan mw. K. gevraagd of zij accepteerde dat iemand met
wie zij moest werken zo over haar man en kind praatte. De reactie van mw. K
was gelaten: V praatte altijd zo, zij wist al niet beter, maar het kwetste
haar wel.
4.1. V betwist de gestelde gang van zaken: mw. L zou hem in aanwezigheid van
mw. K om zijn mening over de zwangerschap van laatstgenoemde hebben gevraagd,
en hij zou daarop hebben geantwoord het wel best te vinden. Mw. K betwistte
dit evenwel en deelde de klant mee dat V eigenlijk vond dat er weer een
bastaard bij kwam.
Zijn verstandhouding met mw. K is zeer goed. Ook buiten werk hebben zij
contact met elkaar: hij is min of meer haar vertrouwensman.
Waarom mw. L, die hij en mw. K uitsluitend kennen als vaste klant in de
winkel verklaart zoals zij doet, weet V niet.
Juist is dat hij zich op 20 november wat ongelukkig heeft uitgedrukt
tegenover mw. L.
4.2. Mw. K heeft op verzoek van V een schriftelijke verklaring ondertekend
waarin de door V geschetste gang van zaken op 17 november wordt bevestigd.
5. De kantonrechter acht de weergave van het gebeuren door V volstrekt
ongeloofwaardig, ook al valt mw. K hem niet af.
De schriftelijke verklaring van de klant is duidelijk, logisch en consistent.
Er is geen reden om aan te nemen dat zij in strijd met de waarheid verklaart.
Het beschreven incident is ook niet zo complex of van zo lang geleden dat
goed denkbaar zou zijn dat haar herinnering aan het gebeuren op hoofdlijnen
vertroebeld is.
De lezing van V is daar tegenover onlogisch. Waarom zou een klant in een
winkel, die met een verkoopster in gesprek is over haar zwangerschap, aan de
winkelchef vragen wat die van de zwangerschap vindt? V heeft die vraag
beantwoord door te wijzen op het feit dat de klant een vaste klant is, en dat
men dan gaandeweg toch iets meer van elkaar weet. De kantonrechter acht dit
antwoord evenwel niet genoegzaam. Het is niet goed voorstelbaar dat een
(vrouwelijke) klant in een winkel, in aanwezigheid van de zwangere
verkoopster zelf, aan haar chef diens mening (!) over de zwangerschap vraagt.
De verklaring van mw. K bevat evenmin een aanwijzing die de beweerde vraag
van de klant aan V aannemelijk maakt.
De kantonrechter weegt bij het oordeel dat aan de verklaring van mw. K geen
overtuigende betekenis toekomt mee, dat V haar chef en vertrouwensman is.
5.3. Hetgeen V overigens heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn betoog
dat hij niet iemand is die discrimineert – te weten een paar schriftelijke
verklaringen van die strekking van vrienden en bekenden – spoort niet met de
verklaring van mw. K (zie onder 4.1. en 4.2.) die V immers het gebruik van
het woord `bastaard’ over haar ongeboren kind in de mond legt.
5.4. Al met al hecht de kantonrechter derhalve geen geloof aan de verklaring
van V, en wel aan die van de klant.
6. Opmerkingen als onder 3.1. geciteerd zijn discriminatoir en onduldbaar.
Een werkgever behoort niet te accepteren dat een personeelslid zulke
uitlatingen doet over een ander personeelslid. Op zichzelf staan een
werkgever dan diverse, in ernst oplopende, sancties ter beschikking. Wanneer
het bovendien uitlatingen zijn van een chef ten opzichte van een aan hem
ondergeschikte, nota bene ook nog eens in aanwezigheid van een klant, dan
doet een werkgever terecht een beroep op een dringende reden voor ontbinding
van de arbeidsovereenkomst, ongeacht de staat van dienst van de betrokken
werknemer en ongeacht de mate van gelatenheid waarmee diens ondergeschikte de
opmerkingen aanhoort.
7. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de arbeidsovereenkomst op
verzoek van R wordt ontbonden op grond van een dringende reden, zodat voor
een vergoeding geen plaats is. Aan het tegenverzoek komt de kantonrechter
daarom niet meer toe.
De kantonrecher acht termen aanwezig om de kosten van deze procedure tussen
partijen te compenseren.
Beschikt
Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per heden.
Compenseert de kosten van dit geding in die zin dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

Mr. Fikkers

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 9 januari 1996

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Eiseres was werkzaam bij gedaagde. Zij is van mening dat zij te laag werd
beloond. Zij wijt dit onder meer aan het feit dat bij de inschaling is
uitgegaan van het criterium laatstgenoten salaris, wat volgens haar in het
nadeel van vrouwen werkt. Eiseres heeft haar loopbaan onderbroken in
verband met zorgarbeid. De Commissie is van oordeel dat sprake is van
indirecte discriminatie omdat met name herintredende vrouwen worden
getroffen door toepassing van dit criterium. Er is geen objectieve
rechtvaardiging door gedaagde aangetoond. Het beroep op financiele
belemmeringen, beheersbaarheid van het salarissysteem en noodzaak tot
objectivering van individuele omstandigheden is door de Commissie niet
gehonoreerd. De Commissie meent dat het beloningssysteem op gespannen voet
staat met de gelijke loonbepalingen in de Wet gelijke behandeling.

(Oordeel 367-92-66) De kantonrechter volgt de redenering van de Commissie
gelijke behandeling niet. De rechter vindt de bestaande
compensatieregeling voor onderbrekingsjaren in het onderwijs voldoende en
gaat voorbij aan het feit dat de inschaling gedurende de hele loopbaan
bepalend is voor de salariering en zodoende langdurig tot
beloningsverschillen kan leiden. De kantonrechter oordeelt verder dat de
verjaringstermijn van twee jaar ex artikel 11 WGB in strijd is met het
EG-recht. Hij is van mening dat de algemene verjaringstermijn van vijf
jaar uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing is.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Bij dagvaarding vorderde eiseres “vast te stellen dat gedaagde eiseres op
1 september 1989 had dienen in te schalen” op de wijze als in de
dagvaarding omschreven en gedaagde te veroordelen tot betalen van
achterstallig salaris, vakantietoeslag, wettelijke verhoging, rente en
proceskosten.

Gedaagde -hierna tevens: ASKB- antwoordde schriftelijk en bestreed de
vordering. Gedaagde heeft daarbij tevens een incidentele vordering tot
oproeping in vrijwaring ingesteld.

Eiseres heeft vervolgens in het incident geconcludeerd tot niet-
ontvankelijkverklaring van ASKB.

Daarop is bij vonnis in het incident d.d. 11 juli 1995 de incidentele
vordering afgewezen.

Eiseres nam vervolgens in de hoofdzaak een schriftelijke conclusie van
repliek.

Gedaagde nam een schriftelijke conclusie van dupliek.

Eiseres nam een schriftelijke akte.

Daarna is vonnis gevraagd. De inhoud van de hierboven vermelde stukken
geldt als hier ingevoegd.

De gronden van de beslissing: 1. Als de tussen partijen vaststaand wordt,
op grond van hetgeen door de ene partij gesteld is en door de andere
partij niet of onvoldoende betwist is, alsmede op grond van de op dat punt
niet of niet voldoende betwist inhoud van de overgelegde bewijsstukken,
aangenomen: a. eiseres is van 1 september 1989 tot 1 augustus 1991
krachtens arbeidsovereenkomst voor 21 uur per week als groepslerares in
het basisonderwijs in dienst geweest bij ASKB;

b. vanaf 1977 tot 1 september 1982 is eiseres als lerares werkzaam geweest
in het buitengewoon onderwijs, welke betrekking zij heeft opgegeven in
verband met de verzorging van haar in 1982 geboren kind, nadat haar niet
werd toegestaan in deeltijd te werken;

c. na september 1982 werkte eiseres enige korte perioden als invalkracht
in het onderwijs;

d. in de periode november 1983-augustus 1984 is eiseres (gedurende
ongeveer 70 werkdagen) werkzaam geweest als invalleerkracht bij een LTS;

e. voor haar werkzaamheden aan de LTS werd eiseres lager ingeschaald dan
voor die in het buitengewoon onderwijs;

f. op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is (onder meer) het
Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RPBO) van toepassing;

op grond van het RPBO is eiseres (omdat zij eerdere onderwijservaring had)
in afwijking van de hoofdregel van art. I-P6 (welke bepaling inschaling
in de laagste bij de functie behorende schaal voorschrijft) ingeschaald
in schaal 7 regelnummer 7 van het BBRA 1984;

daarbij is conform het bepaalde in art. I-P7 RPBO uitgegaan van het
laatstgenoten salaris van eiseres, nl. het salaris dat zij genoot in de
functie van invalleerkracht in het LTO en derhalve niet het salaris dat
zij genoot in de functie van invalleerkracht in het LTO en derhalve niet
het salaris van haar voorlaatste functie in het buitengewoon onderwijs;

g. conform het bepaalde in art. I-P10 RPBO is aan eiseres voor de jaren
waarin haar onderwijsloopbaan onderbroken is geweest een extra periodiek
toegekend;

h. inschaling op basis van haar functie in het buitengewoon onderwijs (als
die functie zou zijn aangemerkt als de eiseres’ arbeidsverleden typerende
functie) zou haar een hoger salaris (nl. schaal 8, regelnummer 5) hebben
opgeleverd;

i. in 1989 heeft ASKB de Minister van Onderwijs & Wetenschappen verzocht
om toestemming om onder toepassing van de in het RBPO opgenomen
hardheidsclausule eiseres in te schalen op de wijze als hiervoor onder h.
bedoeld;

j. de Minister heeft ASKB bij beslissing d.d. 21 november 1989 de
gevraagde toestemming onthouden, tegen welk besluit ASKB noch eiseres (als
belanghebbende) bezwaar en/of beroep heeft aangetekend;

k. een in 1992 door ASKB bij de Minister van Onderwijs en Wetenschappen
ingediend herzieningsverzoek heeft niet tot een andere beslissing geleid;

l. naar het oordeel van de Commissie voor de Gelijke Behandeling d.d. 2
december 1992 heeft ASKB indirect onderscheid gemaakt naar geslacht jegens
eiseres door gebruik te maken van het criterium ‘laatstgenoten salaris’
en daarmee gehandeld in strijd met artikel 7A:1637ij BW, nu voor de
hantering van dit criterium onvoldoende rechtvaardiging aanwezig was;

m. na het onder 1. bedoelde oordeel van de Commissie voor de Gelijke
Behandeling heeft ASKB geweigerd de inschaling van eiseres te herzien.

2. Allereerst heeft gedaagde zich terzake de vorderingen van eiseres
beroepen op verjaring. Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar het
bepaalde in art. 11 van de Wet Gelijke Behandeling Mannen en Vrouwen
(WGB), dat de verjaringstermijn voor loonvorderingen die gebaseerd zijn
op het in genoemde wet bepaalde stelt op twee jaar. Zoals eiseres terecht
heeft opgemerkt is deze bijzondere verjaringsbepaling in strijd met de
rechtspraak van het Europese Hof van Justitie [onder meer HvJ EG 25-7-91)
NJ 94,186 (Emmott) in r.o. 22 en 23 en HvJ EG 28-9-94, Nemesis 1994,425
(Fisscher), in r.o. 39] over verjaringstermijnen, die voor vorderingen die
gebaseerd zijn op gemeenschapsrecht niet korter mogen zijn dan voor
soortgelijke nationale vorderingen: nu op nationaal recht gebaseerde
loonvorderingen een verjaringstermijn van vijf jaar kennen dient bij
soortgelijke vorderingen die zoals de onderhavige zijn gebaseerd op
gemeenschapsrecht (minimaal) een gelijke verjaringstermijn te gelden,
zodat art. 11 WGB terzake buiten toepassing dient te blijven.

3. Gedaagde heeft zich tevens op de verjaringsbepalingen van art. 2013
B.W. (oud) en 3:307 en 3:308 B.W. beroepen welke een termijn van vijf jaar
kennen. De vordering van eiseres is eerst bij dagvaarding d.d. 8 maart
1995 ingediend en heeft betrekking op de periode 1 september 1989 tot 1
augustus 1991. Voor zover de vorderingen betrekking hebben op
verplichtingen tot loonbetaling c.a. die voor 8 maart 1990 zijn ontstaan
zijn deze derhalve verjaard, gelet op hetgeen hierna onder 4. en 5. wordt
overwogen.

4. Eiseres heeft terzake de toepassing van de onder 3. hiervoor genoemde
wetsbepalingen het verweer gevoerd dat de verjaring door aan de
dagvaarding voorafgaande erkenningen zijdens ASKB is gestuit. Eiseres
miskent daarbij echter dat de erkenning door gedaagde slechts betrekking
had op de door gedaagde beoogde toepassing door de Minister van Onderwijs
en Wetenschappen van de zgn. hardheidsclausule, waartoe gedaagde heeft
gesteld dat hantering van het laatstgenoten salaris in relatie tot de
uitkomst van hantering van het voorlaatst genoten salaris tot een
onbillijk resultaat leidde. Gedaagde heeft daarbij gepleit voor inschaling
op basis van het voorlaatste salaris onder toepassing van de
hardheidsclausule, ten aanzien waarvan slechts de Minister bevoegd is.
Gedaagde heeft niet erkend – noch is zulks concreet door eiseres gesteld
– dat zij (al dan niet op basis van de bepalingen met betrekking tot
gelijke behandeling van mannen en vrouwen) verplicht was eiseres een hoger
salaris te betalen dan zij feitelijk deed. Ook heeft gedaagde niet erkend
dat zij heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 7A:1637ij B.W.,
resp. de bepalingen van de WGB. Daarmee is niet komen vast te staan dat
gedaagde de vorderingen van eiseres onvoorwaardelijk heeft erkend, zodat
dit verweer van eiseres tegen toepassing van de verjaringsbepalingen uit
het B.W. dient te worden verworpen wegens een gebrek aan feitelijke
grondslag.

5. Eiseres heeft zich tenslotte nog verweerd tegen toepassing van
laatstgenoemde verjaringsbepalingen op de grondslag dat gedaagdes beroep
op die bepalingen in strijd is met de goede trouw. Eiseres heeft daartoe
aangevoerd dat gedaagde al jaren bekend is met de aanspraken van eiseres.
Gelet op de terzake verjaring geldende wettelijke bepalingen kan – nu de
verjaring middels een eenvoudige schriftelijke sommatie had kunnen worden
gestuit, doch eiseres dit om voor haar risico komende redenen heeft
nagelaten – niet worden gesteld dat de enkele bekendheid met aanspraken
van een derde voldoende is om aan een beroep op de verjaringsbepalingen
in de weg te staan. Eiseres miskent tenslotte dat gedaagde tegenover de
Minister van Justitie niet zozeer de vorderingsrechten van eiseres heeft
erkend, doch dat zij slechts de redelijkheid van de ook door gedaagde
gewenste toepassing van de hardheidsclausule heeft erkend en met kracht
van argumenten bij de Minister bepleit. Het uitdrukkelijke beroep op de
hardheidsclausule geeft op zichzelf reeds aan dat gedaagde van mening was
dat eiseres geen rechtstreeks uit de wet voortvloeiend recht op het thans
door haar gevorderde salaris had.

6. Het beroep van gedaagde op verjaring slaagt derhalve voor zover het de
loonvorderingen (inclusief emolumenten) over de periode tot en met
februari 1990 betreft. De loonvordering (inclusief emolumenten over de
periode 1 tot en met 8 maart 1990 ontstond immers eerst (bij een
voortdurend dienstverband) ultimo maart 1990, zodat dit deel nog niet
verjaard is. Het vorenstaande geldt evenzeer voor de vakantietoeslag over
de periode 1 september 1989 tot 1 maart 1990, welke immers eerst opeisbaar
was in mei 1990, zodat deze vordering ook niet door de verjaring wordt
getroffen.

7. Gedaagde heeft zich tevens tegen de vorderingen van eiseres verweerd
met een beroep op haar gebondenheid aan de door de Minister van Onderwijs
en Wetenschappen dwingend opgelegde inschalings- en subsidiebepalingen.
Gedaagde heeft daartoe verwezen naar enkele door haar bij dupliek
overgelegde uitspraken. Dit verweer treft echter geen doel. Weliswaar is
het gedaagde door de Minister van Onderwijs en Wetenschappen verboden om
zonder diens toestemming een werknemer hoger in te schalen dan het
Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RPBO) voorschrijft en riskeert
zij formeel zelfs aanpassing van haar bekostiging, doch het vorenstaande
neemt niet weg dat gedaagde zich ten opzichte van bij haar in
dienstbetrekking werkzame werknemers heeft te houden aan de bepalingen van
de Wet Gelijke Behandeling Mannen en Vrouwen (WGB) en het bepaalde in art.
(7A:) 1637ij BW, welke bovendien de implementatie vormen van hogere,
Europese regelgeving. Het al dan niet verwijtbaar zijn van de handelwijze
van gedaagde is daarbij niet doorslaggevend.

8. Hetgeen hiervoor onder 7. is overwogen geldt evenzeer het verweer van
gedaagde met betrekking tot de aanvaarding door eiseres van de in het RBPO
opgenomen bepalingen in haar akte van benoeming. Naar zijn aard doorbreekt
het bepaalde in art. (7A:)1637ij BW, resp. de WGB de in een schriftelijke
arbeidsovereenkomst opgenomen bepalingen. Ook dit verweer van gedaagde
wordt derhalve verworpen.

9. Tenslotte heeft gedaagde zich bij dupliek verweerd met een verwijzing
naar een door haar overgelegde uitspraak van de kantonrechter te Venlo
d.d. 18 november 1992, stellende dat deze zich onbevoegd zou hebben
verklaard kennis te nemen van een geschil omtrent inschaling. Zulks valt
echter geenszins in bedoelde uitspraak te lezen nu de kantonrechter zich
wel bevoegd acht, doch eiseres niet ontvankelijk verklaart op de grondslag
dat het besluit van de Minister betreffende de inschaling onaantastbaar
was geworden na een niet-succesvol afgesloten beroepsprocedure. Wat daar
ook van zij, in het onderhavige geval is slechts sprake van een
onaantastbaar geworden beslissing van de Minister van Onderwijs en
Wetenschappen met betrekking tot de door gedaagde gevraagde toepassing van
de hardheidsclausule, welke betrekking heeft op de toestemming die de
Minister aan gedaagde kan geven om tot een bepaalde inschaling over te
gaan.

De beslissing van de Minister op basis van art. I-A8 (de
hardheidsclausule) staat derhalve vast, doch heeft in beginsel slechts
betrekking op de bekostigingsrelatie tussen Ministerie en ASKB. Hoezeer
ook deze bekostigingsrelatie voor ASKB bepalend is geweest voor haar
beslissing om eiseres in te schalen zoals zij heeft gedaan (en in casu
door eiseres wordt aangevochten), het vorenstaande neemt niet weg dat ASKB
zich als werkgeefster jegens haar werkneemster (in casu eiseres) diende
te gedragen conform de bij de Wet Gelijke Behandeling Mannen en Vrouwen
en art. 1637ij BW en art. 1637ijBW (oud) vastgestelde wettelijke normen.
Daaraan kan niet of althans onvoldoende afdoen dat de wettelijke regels,
welke de bekostigingsrelatie tussen ASKB en Ministerie beheersen, ASKB
voorschrijven anders te behandelen dan de bepalingen waarop eiseres zich
beroept. Ook dit laatste verweer van gedaagde dient derhalve te worden
verworpen.

10. Vervolgens dienen de vorderingen van eiseres in het licht van de door
haar opgeworpen en door gedaagde niet weersproken en daarmee als
vaststaand te beschouwen feitelijke stellingen beoordeeld te worden aan
de hand van de terzake geldende wettelijke bepalingen. Met name dient
beoordeeld te worden of ASKB door te handelen zoals thans vaststaat enige
wettelijke bepaling heeft geschonden.

11. Eiseres heeft zich onvoorwaardelijk geconformeerd aan het oordeel d.d.
2 december 1992 van de Commissie Gelijke Behandeling voor Mannen en
Vrouwen bij de Arbeid, welke in afschrift door haar is overgelegd. Het
oordeel van de Commissie komt er – kort samengevat – op neer dat het bij
de inschaling van eiseres gehanteerde criterium ‘laatstgenoten salaris’
een ongeoorloofd indirect onderscheid oplevert nu dit voor (herintredende)
vrouwen een ongunstig onderscheidend effect heeft. Hiervoor wordt
onvoldoende rechtvaardiging gevonden in hetgeen door gedaagde en de
Minister van Onderwijs en Wetenschappen is opgeworpen, nl. – kort
samengevat – dat het in het onderwijs onmogelijk is om relevante ervaring
daadwerkelijk individueel te toetsen, zodat aanknoping gezocht moet worden
bij objectief toepasbare normen, waarbij het laatstgenoten salaris de
verworven relevante ervaring uitdrukt, terwijl tevens voor herintreders
in het onderwijs, zoals eiseres, compensatie voor de niet in het onderwijs
gewerkte jaren wordt geboden middels het bepaalde in art. I-p10 van het
RPBO (dat ook bij eiseres is toegepast, zie hiervoor onder 1.g.).

De Commissie acht met name laatstbedoelde compensatie onvoldoende ter
rechtvaardiging van het gemaakte indirecte onderscheid, omdat de
verschillen in beloning bij inschaling gedurende het hele loopbaantraject
blijven bestaan, totdat het maximumsalaris is bereikt. Gedaagde heeft zich
niet verweerd tegen het door eiseres overgenomen oordeel van de Commissie
dat het criterium ‘laatstgenoten salaris’ een (ongeoorloofd) indirect
onderscheid oplevert. Nu het hier echter een interpretatie van het recht
en niet zozeer een feitelijke vaststelling betreft dient beoordeeld te
worden of de door eiseres voorgestane interpretatie juist is, bezien in
het licht van de tussen partijen vaststaande feiten.

12. Eiseres heeft ter ondersteuning van haar vordering verwezen naar
bovenaangehaald oordeel van de Commissie. Eiseres miskent daarbij echter
dat hetgeen zij vordert (inschaling conform het voorlaatstgenoten salaris,
in plaats van het laatstgenoten salaris, zoals zij ook bij het verzoek om
toepassing van de hardheidsclausule heeft bepleit) evenzeer gebaseerd is
op een criterium dat de door de Commissie gehanteerde toets niet zal
kunnen doorstaan: niet valt in te zien waarom hetgeen zou gelden voor het
‘laatstgenoten’ salaris niet tevens zou gelden voor het criterium
voorlaatstgenoten salaris.

Overneming van het rechtsoordeel van de Commissie door de kantonrechter
zou derhalve dienen te leiden tot een toepassing van het bepaalde in de
artikelen 7 en 9 van de WGB, hetgeen niet noodzakelijkerwijs behoeft te
leiden tot een inschaling gelijk aan het voorlaatste salaris. Immers het
enkele feit dat eiseres in het verleden in een andere, kennelijk hoger
betaalde, onderwijssoort heeft lesgegeven brengt niet noodzakelijkerwijs
mee dat zij voor de werkzaamheden voor gedaagde, in een andere, lager
gehonoreerde onderwijssoort, hetzelfde salaris zou verdienen, indien geen
rekening mag worden gehouden met de bepalingen terzake de ‘overneming’ van
het laatstgenoten salaris naar een nieuwe baan in een lager gehonoreerde
vorm van onderwijs.

13. In vervolg op hetgeen onder 12. is overwogen rijst de vraag of het
criterium ‘laatstgenoten salaris’ niet, zoals kennelijk de strekking van
bedoelde bepaling is (zie ook AG Mok bij HR 25-11-88 NJ 89,730), voldoende
rechtvaardiging vindt in het navolgende: met het ‘meenemen’ van het
laatstgenoten salaris wordt immers voor een bedrijfstak als het onderwijs
de mogelijkheid gecreeerd om onderwijzend (en ander onder het RPBO vallend
personeel) te recruteren uit maatschappelijke sectoren waar de salariering
op een hoger niveau ligt dan in het onderwijs. Voor bedoelde
rechtvaardiging is uiteraard ook relevant dat bij de toepassing van deze
regel een passende voorziening wordt getroffen voor diegenen die geen
laatstgenoten salaris hebben of een laatstgenoten salaris dat bij een
‘normale’ ontwikkeling is ‘achtergebleven’ omdat zij zich (zoals veelal
de maatschappelijke realiteit is of althans was in de periode waarin
eiseres zich geheel aan de zorg voor haar kind heeft gewijd) geheel uit
het betaalde arbeidsproces hebben teruggetrokken daar zij de zorg voor de
opvoeding van kinderen op zich genomen hebben (Thans wordt immers ook,
zeker in het onderwijs, vaak gekozen voor een gedeeltelijke
’terugtrekking’, waarbij het recht op een jaarlijkse ‘periodiek’ onverkort
blijft bestaan.) Daarbij is van belang dat binnen het onderwijs als
bedrijfstak, blijkens bedoelde, in overleg totstandgekomen
arbeidsvoorwaardenregeling, kennelijk een zodanig grote behoefte bestaat
aan recrutering van personeel uit andere bedrijfstakken dat daarvoor een
aparte inschalingsregeling is gecreeerd en mitsdien noodzakelijk geacht
moet worden nu niet valt te verwachten dat de ‘overstap’ naar het
onderwijs ook gemaakt zal worden als het laatstgenoten salaris niet
bepalend is voor de hoogte waarop wordt ingeschaald, binnen de grenzen van
de bestaande minima en maxima.

Niet kan worden ingezien hoe een ander criterium dan ‘laatstgenoten
salaris’ zou kunnen leiden tot een objectiveerbaar systeem waarbij
vorenbedoelde overstap op een vergelijkbare wijze mogelijk wordt gemaakt.
Eiseres noch de Commissie hebben hieraan concreet invulling gegeven of
anderszins aandacht besteed.

14. Het onder 12. en 13. overwogene roept derhalve de vraag op of het
oordeel van de Commissie juist is dat voor de hantering van het criterium
‘laatstgenoten salaris’ onvoldoende rechtvaardiging bestaat, mede gelet
op de bestaande ‘compensatieregeling’ als bedoeld onder 1.g. Daarbij dient
als uitgangspunt te worden gekozen dat de criteria ‘daadwerkelijke
ervaring’ en ‘ancienniteit’ blijkens de jurisprudentie van het HvJ EG wel
toegestane criteria zijn, ook als de uitkomsten daarvan statistisch gezien
bij (herintredende) vrouwen tot een lager salaris leiden.

15. In het vorenstaande is vastgesteld dat er aan het criterium
‘laatstgenoten salaris’ een werkelijke behoefte bestaat, dat het ook
geschikt is om het doel te bereiken en dat het ook noodzakelijk is om het
doel te bereiken. Tenslotte dient dan nog beoordeeld te worden of er een
redelijke verhouding bestaat tussen het beoogde doel en het gehanteerde
middel.

16. Voor de beoordeling van de redelijkheid van het middel in relatie tot
het beoogde doel is van groot belang dat voor de niet direct beoogde
nadelen van het gehanteerde criterium een aanvaardbare voorziening bestaat
waarmee een passende oplossing bereikt kan worden. Mogelijke oplossingen
worden in casu gevormd door eerderbedoelde compensatieregeling en de
hardheidsclausule. De compensatieregeling komt er op neer dat een
tijdelijk uit het onderwijs vertrokken docent(e) voor de verzorgingsjaren
25% van de periodieken ontvangt die haar collega’s ontvangen die gedurende
die jaren aanvullende ervaring in het onderwijs opdoen. Het is derhalve
geenszins zo dat met de tijdens de verzorgingsjaren opgedane (kennelijke
in algemene zin voor de onderhavige functies relevant geachte) ervaring
in het geheel geen rekening wordt gehouden.

Niet valt in te zien dat de ervaring in de verzorging en opvoeding van een
of meer eigen kinderen geheel op dezelfde wijze of op zodanig ruimere dan
thans geregelde wijze dient te worden gehonoreerd in relatie tot
daadwerkelijke ervaring in het onderwijs. Het zgn. ‘onderwijsveld’ is
immers voortdurend aan allerlei veranderingen onderhevig, die meebrengen
dat van werkenden in deze sector voortdurend aanpassingen worden gevergd,
in welk proces diegenen die daadwerkelijk actief in het onderwijs werkzaam
zijn gebleven een relevant te achten ruimere ervaring hebben opgedaan dan
diegenen die hun arbeidskracht aan de zorg en opvoeding van de eigen
kinderen hebben besteed. De daadwerkelijke verschillen in relevante
ervaring mogen derhalve wel in de inschaling en salariering tot
uitdrukking worden gebracht.

De in de compensatieregeling gekozen, algemeen werkende formule voor
relevant geachte ervaring moet aanvaardbaar geacht worden nu het praktisch
onmogelijk lijkt om daadwerkelijk in verzorgingsjaren opgedane ervaring
te meten, c.q. in een inschaling anders dan via algemene formules tot
uitdrukking te brengen. Het door de Commissie tegen de compensatieregeling
ingebrachte bezwaar dat deze het bij inschaling aanwezige verschil in
relevante ervaring (waarbij de Commissie niet uitsluit dat dit bij
inschaling wel een verschil rechtvaardigt) in de latere jaren niet
wegneemt (omdat de betrokkene de doorgewerkt hebbende collega op afstand
blijft volgen totdat laatstgenoemde zijn of haar maximumtrede heeft
bereikt) dient te worden verworpen nu de na inschaling toegekende
periodieken betrekking hebben op een toegenomen ancienniteit, welke een
door het Europees Hof toegestaan verschil in beloning meebrengen (HvJ EG
17-10-89, RN 90,83 – Danfoss – ).

De compensatieregeling voor verzorgingsjaren dient gelet op het hiervoor
overwogene en derhalve als een aanvaardbare regeling beschouwd te worden,
welke in voldoende mate compensatie biedt voor de nadelen welke
herintreedsters kunnen ondervinden door inschaling op basis van het
laatstgenoten salaris. Door eiseres zijn geen feiten en omstandigheden
gesteld welke in haar geval nopen tot een ander oordeel.

17. Weliswaar heeft de Commissie overwogen dat voor herintreedsters die
geen ‘laatstgenoten salaris’ in het onderwijs hebben laatstbedoelde
compensatie niet geldt, doch nu het hier geen groepsactie doch slechts een
individuele beoordeling van de situatie van eiseres betreft kan aan dat
argument voorbij worden gegaan nu dit op de situatie van eiseres geen
betrekking heeft.

18. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is voldoende komen vast te
staan dat het gekozen middel bij inschaling (laatstgenoten salaris incl.
compensatie voor verzorgingsjaren) redelijk is in relatie tot het beoogde
doel. Daarmee is tevens komen vast te staan dat het door het criterium
‘laatstgenoten salaris’ gemaakte indirecte onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

19. Het vorenstaande leidt er toe dat de vorderingen van eiseres dienen
te worden afgewezen. Eiseres dient als in het ongelijk gestelde partij
veroordeeld te worden in de kosten van de procedure. Beslissing:

De vorderingen worden afgewezen.

Eiseres wordt veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van
gedaagde tot op deze uitspraak begroot op ƒ 500,= als salaris van de
gemachtigde van gedaagde.

Deze kostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr Van der Meer

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 8 januari 1996

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


G verbleef van 1973 tot 1982 als pleegkind in het gezin van K en werd de
laatste twee jaar seksueel misbruikt door K. In 1994 deed zij aangifte. De
president van de rechtbank heeft de vordering toegewezen omdat de
vordering niet is verjaard. Daarbij wordt uitgegaan van de aangifte als
aanvang van de verjaringstermijn. In hoger beroep wordt dit vonnis
bevestigd. (Vervolg op RN 1995, 507)

Volledige tekst

1. De eerste aanleg.

Bij dat vonnis heeft de President de vordering van G toegewezen en daarbij
overwogen als weergegeven in de aangehechte fotokopie van dat vonnis.

2. Het geding in hoger beroep.

Van dat vonnis bij eerder genoemd exploit in hoger beroep gekomen, heeft
K grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis
en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vordering.

Daarop antwoordend, heeft G die grieven bestreden en, kort gezegd,
geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis, waarvan beroep.

Partijen hebben ieder een akte ter rolle genomen. Vervolgens hebben
partijen om uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep.

De grieven luiden als volgt:

GRIEF I

Ten onrechte heeft de President in het vonnis waarvan beroep (kennelijk)
een in rechte te honoreren spoedeisend belang bij geintimeerde aanwezig
geacht.

GRIEF II

Ten onrechte overweegt de President in het vonnis waarvan beroep sub 2.2.
onder de kop “De feiten”, dat appellant geintimeerde in de periode vanaf
haar twaalfde jaar tot aan haar vertrek uit het toenmalige gezin van
appellant in 1982 seksueel heeft lastig gevallen door haar vagina en
borsten te betasten.

GRIEF III

Ten onrechte overweegt de President in het vonnis waarvan beroep sub 4.1.
dat tussen partijen vast staat, dat appellant geintimeerde in de periode
van haar twaalfde jaar tot aan haar vertrek uit het toenmalige gezin van
K in 1982 seksueel heeft lastig gevallen onder andere door haar vagina en
borsten te betasten.

GRIEF IV

Ten onrechte overweegt de President in het vonnis waarvan beroep sub 4.1.
dat aannemelijk is, dat de handelwijze van appellant jegens geintimeerde
een onrechtmatige daad oplevert.

GRIEF V

Ten onrechte overweegt de President in het vonnis waarvan beroep sub 4.2.
dat aannemelijk is dat geintimeerde als gevolg van een onrechtmatige daad
van appellant immateriele en materiele schade lijdt.

GRIEF VI

Ten onrechte overweegt de President in het vonnis waarvan beroep sub 4.2
dat geintimeerde voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij na haar
aangifte in september 1994 genoodzaakt is geweest om in verband met haar
problemen een systeemtherapeut in te schakelen.

GRIEF VII

Ten onrechte overweegt de President in het vonnis waarvan beroep sub 4.4.
dat niet aannemelijk is dat de rechtsvordering tot schadevergoeding van
geintimeerde jegens appellant reeds thans zou zijn verjaard.

GRIEF VIII

Ten onrechte overweegt de President in het vonnis waarvan beroep sub 4.5,
dat het restitutierisico bij de afweging van de betrokken belangen en
gelet op de hoogte van het bedrag aanvaardbaar is.

4. De beoordeling

4.1 In dit kort geding eist G van K betaling van een voorschot van ƒ
8.000,- op de schade vergoeding, die zij stelt te vorderen te hebben uit
hoofde van onrechtmatig handelen van K. G legt daaraan ten grondslag dat
K ontucht met haar gepleegd heeft van 1980 tot medio 1982, in welke
periode zij als pleegkind aan zijn zorg was toevertrouwd en dat zij
daardoor materiele en immateriele schade heeft geleden. Het bedrag van ƒ
8.000,- houdt verband met de kosten van haar advocaat en van een door haar
gevolgde therapie. K betwist deze vordering. Naar vaste rechtspraak moet
voor toewijzing van een geldvordering in kort geding het bestaan van de
vordering voldoende aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van
onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening nodig moet zijn. In de
afweging van de belangen van partijen moet mede worden betrokken het
risico van onmogelijkheid van terugbetaling.

4.2 Grief I ziet op de vraag of de president terecht een spoedeisend
belang heeft aangenomen. Het hof is met de president van oordeel dat de
kosten die G moet maken voor haar advocaat en haar therapeut voldoende
spoedeisend belang vormen voor het thans gevraagde voorschot. Omdat die
kosten nu pas gemaakt worden, gaat het argument dat G deze al sinds 1982
had kunnen vorderen niet op. In de toelichting op de grief wordt gesteld
dat G in wezen met deze vordering geen schadevergoeding maar bestraffing
van K beoogt te verkrijgen. Dat verweer faalt: de gestelde kosten voor
advocaat en therapeut zijn reele schadeposten. Evenmin kan gezegd worden
dat G met deze vorderingen misbruik van recht maakt. Grief I wordt
verworpen.

4.3 De grieven II en III betreffen de vraag of K G ook aan haar
geslachtsdeel heeft betast respectievelijk de vraag of de ontucht zich
heeft beperkt tot 1982, dan wel, zoals G stelt, zich heeft uitgestrekt van
1980 tot medio 1982. Een kort geding leent zich niet voor nader
feitenonderzoek. Voor toewijzing of afwijzing van het onderhavige
voorschot voor kosten van advocaat en therapeut maakt het antwoord op deze
vragen geen verschil. Het hof laat het antwoord op deze vraagpunten daarom
in het midden en verwerpt deze grieven. Grief IV ligt, gezien de
toelichting, in het verlengde van de voorgaande grieven en faalt om
dezelfde reden.

4.4 De grieven V en VI stellen het oorzakelijk verband tussen het
onrechtmatig handelen van K en de gestelde schade ter discussie. Tot
uitgangspunt dient dat voor vergoeding slechts in aanmerking komt de
schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de
aansprakelijkheid van de schuldenaar berust dat zij hem, mede gezien de
aard van de aansprakelijkheid van de schade, als een gevolg van deze
gebeurtenis kan worden toegerekend (art. 6:98 BW). Aan de hand van de
thans beschikbare informatie is het aannemelijk dat G meermalen het
slachtoffer is geweest van een door K begaan zedenmisdrijf, waarbij
misbruik is gemaakt van de vertrouwensrelatie die tussen een pleegkind en
haar pleegouders verwacht mag worden.

Ook al zou het waar zijn dat de basis voor haar psychische problemen al
in een eerdere levensfase van G gelegd is (vooralsnog bestaat daarvoor
onvoldoende aanwijzing), dan nog is voldoende aannemelijk dat het gebeurde
zodanige psychische schade aan G heeft toegebracht dat zij zich op latere
leeftijd alsnog tot een psychotherapeut moet wenden om die schade ter
herstellen. Het subsidiaire verweer dat de kosten nodeloos gemaakt worden
omdat G bij het RIAGG kosteloos psychotherapeutische hulp had kunnen
krijgen is voldoende door haar weerlegd door de verwijzing naar de
wachtlijstproblematiek; bovendien komt bij behandelingen van een zo
persoonlijke aard binnen redelijke grenzen aan een patient enige vrijheid
in de keuze van de behandelaar toe.

4.5 Grief VII herhaalt het verweer van K dat de vordering van G verjaard
is. Zoals de president al heeft overwogen, moet dit worden afgemeten aan
de korte verjaringstermijnen van art. 3:310 BW, zoals dit artikel luidde
voor de inwerkingtreding van de wet van 7 juli 1994 Stb. 529: de
verjaringstermijn van dertig jaar onder vigeur van het oud-BW, die in casu
op 1 januari 1992 nog liep, is ingevolge art. 73 Overgangswet NBW niet
meer bepalend; de inwerkingtreding van de genoemde wet van 7 juli 1994
waarbij de verjaringstermijn weer werd verlengd kan, gezien het bij die
wet behorende overgangsrecht, een voordien reeds verjaard vorderingsrecht
niet doen herleven. De twintigjaarstermijn in art. 3:310-oud (thans 3:310
eerste lid) BW is nog niet verstreken, ongeacht of men nu de data waarop
de ontucht gepleegd is dan wel een latere datum als aanvang van deze
termijn hanteert. Het verweer van K doelt op de vijfjaarstermijn in dat
artikel, welke een aanvang neemt op de dag, volgende op die waarop de
benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon
bekend is geworden. De aansprakelijke persoon was van meet af aan bekend;
het debat spitst zich toe op de vraag wanneer G voor het eerst geacht kan
worden bekend te zijn geweest met de schade.

4.6 De dag waarop G bij de politie aangifte heeft gedaan van de ontucht
die K met haar gepleegd zou hebben, te weten: 28 september 1994, kan in
ieder geval gelden als datum waarop zij met de schade bekend was. Van die
datum uitgaande, is de verjaringstermijn nog niet verstreken. Het hof
onderschrijft de door de president genoemde en uit de literatuur en de
parlementaire geschiedenis van de wet van 7 juli 1994 (2e Kamerstukken nr
22.889) bekende ervaringsregel dat slachtoffers van zedenmisdrijven als
de onderhavige doorgaans – juist door toedoen van degene die onrechtmatig
heeft gehandeld – in een langdurig verwerkingsproces geraken, tijdens
hetwelk het slachtoffer niet of nauwelijks in staat is een weloverwogen
beslissing over het al of niet vragen van schadevergoeding te nemen.

Aan de hand van de thans voorhanden informatie valt niet aan te nemen dat
G in dat opzicht een uitzondering vormt. Het strookt met een redelijke
wetsinterpretatie om, waar de wetgever de aanvang van de vijfjaarstermijn
nu eenmaal heeft gekoppeld aan een variabel moment als de bekendheid van
het slachtoffer met de schade, de aanvang van de vijfjaarstermijn te
leggen op de dag na die waarop het slachtoffer een zodanige fase van het
verwerkingproces heeft bereikt dat zij tot het nemen van rechtsmaatregelen
werkelijk in staat is. Dat G voor 28 september 1994, of voor 6 maart 1990
(vijf jaar voor de inleidende dagvaarding als stuitingsdaad), een zodanige
fase van het verwerkingsproces bereikt zou hebben blijkt nergens uit.

4.7 In de toelichting op de grief vestigt K er de nadruk op dat de
toenmalige wettelijk vertegenwoordigster van G namelijk de Stichting
Kinderbescherming Eindhoven/Helmond als gezinsvoogdes, reeds op 6
september 1982 in een gesprek met de maatschappelijk werkster en
vervolgens op 23 november 1984 in een verslag van de pedagogisch therapeut
op de hoogte werd gesteld van incest-contacten tussen G en K. K verbindt
hieraan de conclusie dat, zo niet G zelf, dan toch haar wettelijk
vertegenwoordigster – die een ander was dan de vermoedelijke incestpleger
– tijdig rechtsmaatregelen had kunnen nemen. Deze conclusie gaat niet op.
Tijdens de minderjarigheid van G, dus tot 1 januari 1988, bedroeg de
verjaringstermijn nog dertig jaren en had de wettelijk vertegenwoordigster
geen enkele aanleiding om enige verjaring te stuiten. Vanaf 1 januari 1988
was uitsluitend G zelf bevoegd tot het verrichten van stuitingsdaden maar
zij was er, zoals bovenoverwogen, toen nog niet aan toe. Het strookt noch
met het overgangsrecht NBW noch met normen van redelijkheid en billijkheid
om bekendheid van de gezinsvoogdes in het tijdvak tussen 6 september 1982
en 1 januari 1988 met de (nog in omvang vast te stellen schade van G voor
de berekening van de verjaringstermijn in art. 3:310 BW achteraf aan G toe
te rekenen. Grief VII wordt dan ook verworpen.

4.8 Grief VIII tenslotte betreft het restitutierisico. Dat is in deze zaak
aanvaardbaar, gelet op de hoogte van het gevorderde bedrag en gelet op de
mate van aannemelijkheid dat althans enig onrechtmatig en
schadetoebrengend handelen heeft plaatsgehad.

4.9 Het beroepen vonnis moet worden bekrachtigd. De kosten van het hoger
beroep komen ten laste van K als de in het ongelijk gestelde partij.

5. Beslissing

Het Hof:

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de
zijde van geintimeerde gevallen en tot op heden begroot op ƒ 420,= aan
verschotten en ƒ 1.025,= aan salaris procureur;

Rechters

Mrs Mouton, Langemeijer, Van Buchem-Spapens

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 5 januari 1996

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Blijkens de toelichting op het amendement Van der Burg (Tweede Kamer
1992/1993, 22.170, nr. 15) dat tot de opneming in de wet van het voorschrift,
dat beëindiging van de alimentatie niet voor 1 juli 1997 kan plaatshebben,
heeft geleid, strekte dit voorschrift ertoe `een al te abrupte beëindiging
van de alimentatieplichtigen die zich hierop niet of in onvoldoende mate
hebben kunnen instellen’. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. Gelet
op de bijzonder lange periode gedurende welke de man, meestal tot aan de
grens van zijn draagkracht, t.b.v. de vrouw alimentatie heeft betaald (43
jaar), alsook op de onderhoudsplicht van de man jegens zijn huidige
echtgenote, wier huwelijk met de man inmiddels 30 jaar duurt, had de vrouw er
in redelijkheid steeds rekening mee moeten houden dat, op het moment dat de
man beëindiging van de alimentatie zou vragen, dit door de rechter ook zou
worden toegewezen. De alimentatieplicht van de man dient op 1 juli 1995 een
einde te nemen.

Volledige tekst

; Het geding
De partijen zijn in 1942 met elkaar gehuwd. Bij vonnis van de rechtbank te
‘s-Gravenhage van 29 januari 1952 is tussen hen de echtscheiding
uitgesproken, en is de man veroordeeld tot betaling van alimentatie voor de
vrouw tot een bedrag van ƒ 250 per maand. Bij beschikking van de rechtbank
van 22 juli 1966 is die alimentatie verhoogd tot ƒ 750 per maand.
Bij beschikking van de rechtbank van 2 juni 1981 is de alimentatie gewijzigd
in ƒ 500 per maand met ingang van 1 januari 1982.
Op 20 december 1994 heeft de man de rechtbank verzocht om die uitspraak met
ingang van 1 januari 1995 te wijzigen in nihil met bepaling van de
alimentatie van 1 augustus 1994 tot aan de datum van de te geven beschikking
op wat in feite is betaald, subsidiair op een zodanig bedrag en met ingang
van een zodanig tijdstip als de rechtbank zou vermenen te behoren, en meer
subsidiair op een bedrag van ƒ 300 met ingang van 1 januari 1995 tot
uiterlijk 1 juli 1997 en met ingang van die datum op nihil.
De vrouw heeft een verweerschrift ingediend en harerzijds verzocht de
alimentatie met ingang van 1 januari 1995 te verhogen tot ƒ 1000 per maand.
De rechtbank heeft bij beschikking van 27 juni 1995 overwogen dat de
onderhoudsbijdrage van de vrouw met ingang van 1 januari 1983 is verhoogd met
de wettelijke indexering, zodat de bijdrage per 1 januari 1995 ƒ 649,15 per
maand bedraagt, en heeft de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw
met ingang van 1 juli 1997 beëindigd met afwijzing van het meer of anders
verzochte.
De vrouw is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
bestreden beschikking te vernietigen, het inleidende verzoek van de man
alsnog af te wijzen en haar verzoek tot verhoging toe te wijzen, kosten
rechtens.
De man heeft tijdig een verweerschrift ingediend en in voorwaardelijk
incidenteel hoger beroep verzocht zijn in eerste aanleg gedane verzoek alsnog
toe te wijzen.
De vrouw heeft een verweerschrift in het voorwaardelijk incidentele appel
ingediend.
Op 29 november 1995 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling
behandeld.
Beoordeling van de zaak in het principale en het (voorwaardelijk)
incidentele hoger beroep

(bedragen worden op hele guldens afgerond)
1. De vrouw maakt aanspraak op de onbetaalde verhogingen van haar alimentatie
wegens de wettelijke indexering sinds 1984. Zij stelt dat de rechtbank ten
onrechte heeft overwogen dat de vrouw eerst in 1992 aanspraak heeft gemaakt
op de wettelijke indexering en dat de man gelet op het bepaalde in artikel
2012 oud BW de verhogingen over de jaren 1983 tot en met 1987 niet hoeft te
betalen. Ter staving heeft zij een brief van haar procureur van 8 maart 1983
overgelegd en gesteld dat betalingen worden geacht te zijn verricht in
mindering op de oudste openstaande schulden, zodat er geen sprake kan zijn
van verjaring.
2. Volgens het hof is niet gebleken dat in de periode van 1984 tot 1992
aanspraak is gemaakt op betaling van de verhoging ingevolge de wettelijke
indexeringen en dat de betalingen door de man van telkens ƒ 532 per maand
steeds een erkenning inhouden van enige gehoudenheid tot betaling van hogere
bedragen, zodat de vrouw inderdaad eerst aanspraak kan maken op betaling van
de verhoging van de alimentatie wegens de wettelijke indexeringen, voor zover
betrekking hebbende op de periode van november 1988 tot november 1992.
Tussen de partijen staat thans vast dat de alimentatie met ingang van 1
januari ƒ 653,18 per maand bedraagt.
3. De man heeft – onweersproken – gesteld dat hij aan een prostaatcarcinoom
lijdt, dat hij `alimentatievrij’ wil overlijden, dat hij voor zijn huidige
echtgenote, met wie hij al 30 jaar samen is, een levensverzekering of
financiële voorziening wil aangaan zodat zij bij zijn overlijden verzorgd
achterblijft, dat hij zich door de nog steeds bestaande
alimentatieverplichting jegens de vrouw tegenover zijn huidige echtgenote
tekort voelt schieten, en dat nog langer betalen van alimentatie voor hem
emotioneel te belastend is vanwege de `door hem beleefde veroordeling tot
lotsverbondenheid met een vrouw uit het verre verleden’.
Het hof heeft dit betoog van de man aldus opgevat dat hij alsnog verzoekt
zijn oorspronkelijke, in eerste aanleg gedane, verzoek geheel toe te wijzen
en derhalve zijn incidentele hoger beroep geacht moet zijn onvoorwaardelijk
te zijn ingesteld.
4. De vrouw heeft gesteld dat het leven voor haar de laatste jaren ten
gevolge van allerlei kwalen die de oude dag met zich brengt en de daarmee
gepaard gaande extra kosten in de medische en verzorgende sfeer duurder is
geworden. Van haar huidige inkomen kan zij op zichzelf wel leven, doch zij
heeft nog steeds aanvullende alimentatie nodig ten einde extra uitgaven te
kunnen doen, zoals het onderhoud van haar huis, het vervangen van versleten
inboedel en apparaten etc. Zij ziet de alimentatie als derving van haar
pensioeninkomsten doordat zij vanwege het huwelijk en de zorg voor de twee
dochters van de partijen 18 jaar lang uit het arbeidsproces is geweest. Zij
heeft wel steeds behoefte gehad aan een hogere bijdrage, maar meende steeds
dat de alimentatie een bovengrens in de draagkracht van de man vond. Zij
stelt dat zij verhoging van de alimentatie tot ƒ 1000 per maand heeft
gevraagd nadat de draagkracht van de man na het verkrijgen van een erfenis
was vermeerderd.
5. Ingevolge artikel II, tweede lid, van de Wet van 28 april 1994, Stb. 325,
beëindigd de rechter op verzoek van degene, die op grond van een voor de
inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een
uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de verplichting, indien deze op
of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van
oordeel is dat de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat
deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot
uitkering gerechtigd is kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter, zo
schrijft genoemd wetsartikel voor, op verzoek van de tot uitkering
gerechtigde alsnog een termijn vast. Bij de beoordeling hiervan dient de
rechter in ieder geval rekening te houden met:
a. de leeftijd van degene die tot de uitkering gerechtigd is;
b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;
c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks
verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;
d. de omstandigheid dat de tot uitkering gerechtigde geen recht heeft op
uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van degene die tot de
uitkering is gehouden.
Het bepaalde in deze volzin kan krachtens de laatste volzin van genoemd
artikellid niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt binnen drie jaren
na de inwerkingtreding van de wet.
6.1. In verband met de toepassing van de onder 5 genoemde wetsbepaling zijn
uit de overgelegde stukken en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger
beroep de volgende feiten komen vast te staan.
6.2. De partijen zijn in 1942 met uitsluiting van iedere gemeenschap van
goederen gehuwd. Uit dit huwelijk zijn in 1944 en in 1946 twee dochters
geboren die door de vrouw tot hun volwassenheid zijn verzorgd en opgevoed. In
1952 is de echtscheiding tussen de partijen uitgesproken.
6.3. De vrouw is thans 79 jaar oud. Toen zij 44 jaar oud was, is zij als
beambte op de administratie van een kantoor gaan werken. Zij ontvangt thans
een netto pensioen, inclusief de AOW-uitkering, van ƒ 1854 per maand. Zij
heeft na de echtscheiding uit de levensverzekering van de man een bedrag van
ongeveer ƒ 10 000 ontvangen.
6.4. De man is eveneens 79 jaar oud. Nadat zijn tweede echtgenote was
overleden, is hij in 1965 gehuwd met zijn huidige echtgenote die vier
kinderen (uit zijn tweede en huidige huwelijk) heeft verzorgd en opgevoed,
tijdens haar huwelijk niet heeft gewerkt, niet over eigen inkomen of vermogen
beschikt en thans 55 jaar oud is. De man is in 1981 met pensioen gegaan en
ontvangt, naast zijn AOW-uitkering, een aantal pensioenen van in totaal ƒ 14
311 per jaar. Daarnaast heeft de man inkomen uit vermogen, verkregen uit twee
in de loop der jaren ontvangen nalatenschappen.
6.5. De man en diens huidige echtgenote hebben kort geleden een flat gekocht
te Rijswijk. Met deze aankoop is, inclusief verhuizing, stoffering, notaris-
en makelaarskosten, een bedrag van ƒ 245 000 gemoeid geweest. De aankoop
daarvan is ten dele gefinancierd door de man uit zijn eigen vermogen
(ƒ 130 000) en ten dele (ƒ 115 000) met van de oudste zoon van de man, die
bloot eigenaar is van een deel van het vermogen dat de man in vruchtgebruik
heeft, geleende gelden. Voor deze aankoop bedroeg het vermogen van de man
ongeveer
ƒ 750 000 waarvan ongeveer ƒ 350 000 in vruchtgebruik van de kinderen. Aan
inkomsten daaruit ontving hij toen een bedrag van ongeveer ƒ 53 000 per jaar.
6.6. De man heeft in 1995 43 jaar alimentatie betaald. Hij deed dit
nauwgezet; slechts eenmaal, in 1981, heeft hij verlaging verkregen na een
eerder door de vrouw verkregen verhoging in 1966. Hij had al die jaren een
jong gezin tot zijn last, waarin nog vier kinderen (uit zijn tweede en
huidige) huwelijk opgroeiden. Hij heeft daardoor uit zijn lopende inkomsten
nooit kunnen reserveren. De alimentatie werd grotendeels betaald met behulp
van inkomsten verkregen uit vermogen.
7. Rekening houdende met bovenvermelde omstandigheden is de beëindiging van
de alimentatie naar het oordeel van het hof niet van zo ingrijpende aard dat
deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan
worden gevergd.
Blijkens de toelichting op het amendement Van der Burg (kamerstukken,
1992/93, 22 170, nr. 15), dat tot de opneming in de wet van het voorschrift,
dat beëindiging van de alimentatie niet binnen drie jaren na de
inwerkingtreding van de wet, dat wil zeggen voor 1 juli 1997, kan
plaatshebben, heeft geleid, strekte dit voorschrift ertoe `een al te abrupte
beëindiging van de alimentatieplicht te voorkomen voor die
alimentatieplichtigen die zich hierop niet of in onvoldoende mate hebben
kunnen instellen’. Een dergelijk geval doet zich volgens het hof evenwel hier
niet voor. Gelet op de bijzonder lange periode gedurende welke de man,
meestentijds tot aan de grens van zijn draagkracht, ten behoeve van de vrouw
alimentatie heeft betaald alsook op de onderhoudsplicht van de man jegens
zijn huidige echtgenote, wier huwelijk met de man inmiddels dertig jaar
duurt, had de vrouw er steeds rekening mee kunnen – en in redelijkheid ook
moeten – houden dat, op het moment dat de man beëindiging van de alimentatie
zou vragen, dit door de rechter ook zou worden toegewezen. Het hof laat
meewegen dat de onderhoudsplicht jegens de vrouw, dat nog een voorziening
moet worden getroffen in geval van vooroverlijden van de man, zulks terwijl
de vrouw thans een eigen, zij het bescheiden, pensioen ontvangt, alsmede dat
ook de man ten gevolge van zijn gezondheidstoestand met extra kosten
geconfronteerd wordt.
De omstandigheid dat de man niet nog voor de inwerkingtreding van de Wet
Limitering Alimentatie een verzoek tot beëindiging heeft gedaan, welk verzoek
naar het oordeel van het hof voor inwilliging in aanmerking zou zijn gekomen,
beschouwt het hof als een aanwijzing dat hij hiertoe pas is overgegaan, nadat
hij – mede in verband met zijn slechter wordende gezondheidstoestand – zich
ervan bewust is geworden dat zijn draagkrachtruimte in de toekomst geheel
beschikbaar diende te zijn voor het levensonderhoud van zijn huidige
echtgenote, nu en ook na zijn overlijden.
De alimentatieplicht van de man jegens de vrouw dient mitsdien op 1 juli 1995
een einde te nemen.
De man is derhalve ter zake van alimentatie aan de vrouw verschuldigd de bij
beschikking van de rechtbank van 2 juni 1981 vastgestelde alimentatie,
vermeerderd met alle wettelijke indexeringen vanaf de aanvang tot 1 juli
1995, doch verminderd met het bedrag waarmee de alimentatie tot november 1988
is verhoogd. De man behoeft dus niet te betalen de indexeringen tot november
1988. Voor wat de hoogte van de verschuldigde alimentatie betreft dienen de
indexeringen tot november 1988 echter wel meegerekend te worden.
De man is gelet op zijn vermogen in staat om de achterstallige alimentatie
ineens te voldoen.
8. Het voorgaande brengt mee, dat de bestreden beschikking dient te worden
vernietigd. In het feit dat de partijen gewezen echtgenoten zijn, vindt het
hof in de gegeven omstandigheden voldoende aanleiding de proceskosten te
compenseren.
Beslissing van de zaak in het principale en het (voorwaardelijk)
incidentele hoger beroep.
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 27 juni 1995,
en opnieuw beschikkende;
bepaalt dat de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te
verstrekken eindigt op 1 juli 1995;
bepaalt dat verlenging van deze termijn niet mogelijk is;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in beide instanties
draagt.

Rechters

Mrs. Von Brucken Fock, Van den Wildenberg, Simonis

Instantie: Hoge Raad, 5 januari 1996

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Een ongehuwde moeder heeft een relatie gehad met een gehuwde man, waaruit
een kind is geboren. De man heeft nooit ontkend de biologische vader te
zijn en ontkent dit ook niet ten tijde van de procedure. De moeder spreekt
de vader aan op zijn onderhoudsplicht. De vader beroept zich op de
verjaring van de vordering, art. 1:405 lid 2 BW. De Hoge Raad oordeelt dat
in het onderhavige geval artikel 450 lid 2 niet van toepassing is nu
tussen partijen vaststaat dat de vader de biologische vader is van het
kind, zodat de vordering niet strekt tot vaststelling van zijn vaderschap,
doch alleen de omvang van zijn onderhoudsplicht jegens het kind betreft.
Vervolg op Hof Amsterdam 3 november 1994, RN 1995, 471

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Thans verweerster in cassatie
-verder te noemen: de moeder- heeft bij exploit van 11 februari 1993 thans
eiser tot cassatie- verder te noemen: de vader -op verkorte termijn
gedagvaard voor de Rechtbank te Haarlem en gevorderd de vader te
veroordelen om aan de moeder te betalen een bijdrage van ƒ 300,= per maand
in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige T, geboren
te Zaanstad op 29 oktober 1981 uit een relatie tussen de moeder en de
vader.

Nadat de vader tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank
bij tussenvonnis van 23 maart 1993 een comparitie van partijen gelast. Bij
die gelegenheid heeft de vader een beroep op verjaring ingevolge art.
1:405 lid 2 BW gedaan. Bij vonnis van 14 september 1993 heeft de Rechtbank
het beroep op verjaring verworpen en de vordering tot vaststelling van een
bijdrage voor het kind afgewezen. Tegen laatstgenoemd vonnis heeft de
moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam. De vader
heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis voor zover
daarin het beroep op verjaring is verworpen. Bij tussenarrest van 3
november 1994 heeft het Hof een inlichtingencomparitie van partijen
gelast. Het tussenvonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het tussenarrest van het Hof heeft de
vader beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit
arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De moeder heeft geconcludeerd
tot verwerping van het beroep. De moeder heeft de zaak schriftelijk doen
toelichten door haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal
Koopmans strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie kan van het volgende worden
uitgegaan. Op 29 oktober 1981 is uit de moeder een zoon, genaamd T,
geboren. De vader is zijn biologische vader; hij heeft T niet erkend.
Sedert het 6e levensjaar bestaat er een omgangsregeling tussen T en zijn
vader, die gehuwd is. In het kader van die omgang verschaft de vader T het
een en ander.

3.2 In dit geding vordert de moeder van de vader een vaste bijdrage per
maand in de kosten van de verzorging en opvoeding van T. De vader heeft
ten verwere onder meer aangevoerd dat de vordering op grond van art. 1:405
lid 2 BW is verjaard en dat de moeder samenleeft met een andere man als
waren zij gehuwd, zodat deze man als stiefvader verplicht is bij te dragen
in het onderhoud van T. Het Hof heeft deze weren in het onder 1 genoemde
tussenarrest verworpen. Daartegen keert zich het middel.

3.3 Onderdeel I bestrijdt het oordeel van het Hof dat als stiefvader in
de zin van de art. 1:392 en 395 alleen kan worden aangemerkt degene die
gehuwd is met de ouder van een wettig of natuurlijk kind dat tot zijn
gezin behoort, maar waarvan hij niet de ouder is. Het strekt ten betoge
dat genoemd artikel in afwijking van de letterlijke tekst, ruimt dient te
worden geinterpreteerd. Het onderdeel faalt aangezien het oordeel van het
Hof juist is (HR 8 april 1994, NJ 1994, 439).

3.4 De onderdelen II en III bevatten de klacht dat het door de vader
gedane beroep op de verjaringstermijn van art. 405 lid 2 door het Hof in
rov. 4.3 ten onrechte terzijde is gesteld op grond van ’s Hofs oordeel dat
dit artikel buiten toepassing moet blijven wegens strijd met art. 26 IVBP
in verbinding met de art. 8 en 14 EVRM omdat hier sprake is van
discriminatie van het onwettige niet erkende kind ten opzichte van het
wettige en onwettige wel erkende kind terwijl daarvoor geen redelijke
grond aanwezig is. Een rechtsvordering die ertoe strekt het vaderschap van
de man te doen vaststellen teneinde op grond van dit vaderschap een
veroordeling te verkrijgen tot betaling van een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van het kind, verschilt van een rechtsvordering,
ingesteld tegen een vader die tot het kind in familierechtelijke
betrekking staat en van wie derhalve het – hier juridisch – vaderschap
reeds vaststaat op grond van huwelijk of erkenning.

Dit verschil kan ook een verschil in behandeling van beide soorten
rechtsvorderingen op het punt van de verjaring rechtvaardigen in dier
voege dat voor de eerstbedoelde rechtsvordering een kortere
verjaringstermijn dan voor de tweede noodzakelijk kan worden geacht met
het oog op de rechtszekerheid en de bescherming van de rechten van hen
tegen wie de aan die termijn onderworpen rechtsvordering zich richt (HR
20 januari 1995, NJ 1995, 326). De onderdelen zijn derhalve gegrond doch
zij kunnen bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, omdat art. 405
lid 2 in het onderhavige geval niet van toepassing is nu tussen partijen
vaststaat dat de vader de biologische vader is van T, zodat de onderhavige
vordering niet strekt tot vaststelling van zijn vaderschap, doch alleen
de omvang van zijn onderhoudsplicht jegens T betreft. Het beroep op art.
405 lid 2 is derhalve terecht door het Hof verworpen.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep; compenseert de kosten van
het geding in cassatie in dier voege dat elke partij de eigen kosten
draagt.

Deze zaak is gegarandeerd door het proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Noot In de annotatie bij een eerdere recente uitspraak van de Hoge Raad
inzake de vaderschapsactie gingen we onlangs al uitgebreid in op de
juridische merites van deze actie in het algemeen (HR 20 januari 1995, RN
1995, 491). Het ging in de toen besproken zaak om een ongehuwde moeder en
een getrouwde man. Zij hadden jarenlang een geheime relatie met elkaar en
uit die relatie was in 1981 een kind geboren. Tijdens de relatie betaalde
de man wel voor het kind maar nadat de relatie was verbroken liet hij
betaling voor het kind achterwege. Eenmaal door de moeder daarop
aangesproken, beweert hij niet de biologische vader te zijn. Wanneer de
moeder doorprocedeert tot en met de Hoge Raad krijgt zij te horen dat haar
mogelijkheden zijn verjaard en dat de verjaringstermijn van vijf jaar in
artikel 1:405 lid 2 BW niet in strijd is met welke verdragsbepaling dan
ook. Volgens de Hoge Raad is de verkorte verjaringstermijn namelijk juist
‘noodzakelijk met het oog op de rechtszekerheid en de bescherming van de
rechten van hen tegen wie de aan die termijn onderworpen rechtsvordering
zich richt’. Van belang blijkt nu het obiter dictum van de Hoge Raad onder
punt 3.2.: ‘opmerking verdient dat het voorgaande niet geldt in de
situatie dat art. 405 lid 2 wordt ingeroepen tegenover een
rechtsvordering, waarbij het uitsluitend om een vaststellen van een
bijdrage als voormeld gaat, omdat het vaderschap reeds eerder is
vastgesteld.

Art. 405 lid 2 dient aldus te worden verstaan dat het in een zodanig geval
niet geldt’. In zijn annotatie bij deze uitspraak in de Nederlandse
Jurisprudentie (NJ 1995, 326) vraagt de Boer zich af of de hier bedoelde
vaststelling ook buiten de rechter om kan zijn geschied. Veronderstel dat
de man het vaderschap heeft toegegeven, leidt dit dan tot eliminatie van
de bijzondere verjaring? De Hoge Raad heeft in de hierboven opgenomen
uitspraak (RN 1966, nr 572) deze vraag bevestigend beantwoord. Ook hier
gaat het om een ongehuwde moeder die een relatie heeft (gehad) met een
getrouwde man, waaruit in 1981 een kind is geboren. De man heeft sinds het
kind zes jaar is omgang met het kind en het kind gaat ook met hem en zijn
gezin mee op vakantie.

Wanneer de moeder een vordering tot het verstrekken van levensonderhoud
voor hun inmiddels twaalfjarige kind tegen hem instelt en driehonderd
gulden per maand vordert voor het levensonderhoud van hun kind, stelt de
man zich op het standpunt dat de actie van de moeder al lang is verjaard.
Een groot verschil met de eerdere casus is dat deze man niet ineens
beweert dat hij de biologische vader niet is. Dit is van doorslaggevend
belang. De Hoge Raad komt namelijk tot de slotsom dat ‘art. 405 lid 2 in
het onderhavige geval niet van toepassing is nu tussen partijen vaststaat
dat de vader de biologische vader is van T, zodat de onderhavige vordering
niet strekt tot vaststelling van zijn vaderschap, doch alleen de omvang
van zijn onderhoudsplicht jegens T betreft’.

Betekent deze uitspraak dat de Hoge Raad ‘om’ is en dat ongehuwde moeders
er nu rustig van uit kunnen gaan dat de onderhoudsactie tegen de verwekker
niet langer verjaart? Het antwoord daarop is ontkennend. Alleen wanneer
de man ook na vijf jaar zijn biologisch vaderschap niet betwist, kan de
moeder levensonderhoud voor haar kind vorderen. Stelt de man zich echter
na verloop van jaren op het standpunt dat hij de verwekker niet is dan
staat de moeder nog steeds met lege handen. Voor alle zekerheid zou een
ongehuwde moeder die ook in de toekomst een financiele bijdrage in het
levensonderhoud van haar kind verwacht, voordat haar kind vijf jaar is
toch maar een vaderschapsactie moeten voeren, ook al heeft zij (nog) een
goede verstandhouding met de verwekker.

Alleen dan is zij er zeker van dat zij niet te maken krijgt met verjaring
van haar mogelijkheid de onderhoudsplicht via de rechter af te dwingen.
Het nieuwste Wetsvoorstel herziening van het afstammingsrecht (TK 1995-
1996, 24649) maakt overigens korte metten met de verjaring van de
vaderschapsactie. Voorgesteld wordt om het hele artikel 1:405 BW te
schrappen. In de memorie van toelichting (p. 25) wordt beargumenteerd
waarom de wetgever afwijkt van de uitspraak van de Hoge Raad, waarin
verjaring nog wordt gerechtvaardigd met het belang van de verwekker (RN
1995, 491 en NJ 1995, 326). ‘De vraag is gerechtvaardigd of deze
verjaringstermijn in de huidige tijd nog wordt gerechtvaardigd met het oog
op de rechtszekerheid en de bescherming van de verwekker dat hij niet te
ver na de periode waarin hij het kind heeft verwekt op zijn daden wordt
aangesproken.

Of er in dit geval al of niet discriminatie is van kinderen die geen vader
hebben ten opzichte van kinderen die wel een vader hebben, kan in het
midden blijven. Van belang is dat tegenwoordig ook nog na langere tijd
door middel van de voortgeschreden techniek met aan zekerheid grenzende
waarschijnlijkheid kan worden vastgesteld of de aangesproken man de
verwekker is geweest van het kind. In dit licht hoeft het geen bezwaar te
zijn dat het onderhoudsverzoek op een veel later tijdstip dan vijf jaar
na de geboorte van het kind wordt ingediend bij de rechter. Er is daarom
geen reden voor rechtsonzekerheid’. Aardig detail is dat precies honderd
jaar geleden Molengraaff reeds uitgebreid de aandacht vestigde op het
zijns inziens verwerpelijke verbod op het onderzoek naar het vaderschap
in verband met het afdwingen van levensonderhoud en aandrong op een
wettelijke regeling die nu wordt voorgesteld.

(De Gids 1896 I, p. 93-120, opgenomen in de Molengraaff Bundel, 1978, p.
207-235). Ineke de Hondt

Rechters

Mrs Mijnssen, Heemskerk, Swens-Donner

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 4 januari 1996

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


M is van haar negende tot haar vijftiende jaar misbruikt door haar
stiefvader. Hij is hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee
jaar en zes maanden onvoorwaardelijk. Eiseres vordert ƒ 15.000,- als
materiele en immateriele schadevergoeding. Gedaagde ontkent het seksueel
misbruik. De rechtbank oordeelt dat deze ontkenning negatieve
neveneffecten heeft op het slachtoffer. Daarom wordt de ontkenning van de
stiefvader als een extra factor meegewogen bij het bepalen van de hoogte
van de toe te kennen schadevergoeding. De rechtbank kent het gevorderde
toe.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 19 december 1995 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

Gedaagde heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De behandeling van de zaak

1. De uitgangspunten

Eiseres is de moeder en wettelijk vertegenwoordigster van de minderjarige
M. M heeft op 5 april 1994 aangifte gedaan van seksueel misbruik door
gedaagde vanaf haar 9e tot en met haar 15e jaar. Gedaagde is wegens het
plegen van ontuchtige handelingen met M in de periode 1 december 1991 tot
en met 17 maart 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar en zes
maanden onvoorwaardelijk.

2. De vordering

2.1. Eiseres vordert -zakelijk weergegeven- veroordeling van gedaagde om
aan eiseres te betalen een bedrag van ƒ 15.000,= als voorschot op de door
haar geleden materiele en immateriele schade, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de voldoening en
veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

2.2. Eiseres stelt daartoe dat gedaagde door het plegen van seksueel
misbruik onrechtmatig jegens M heeft gehandeld, waardoor zij materiele en
immateriele schade heeft geleden.

2.3. Het seksueel misbruik heeft geleid tot een groot geestelijk letsel bij
M. M heeft slaapproblemen, nachtmerries en is vol wantrouwen. Voorts is
zij in haar emotionele ontwikkeling geschaad en is het niet ondenkbaar dat
zij op oudere leeftijd problemen zal krijgen met seksualiteit.

2.4. De materiele schade bestaat uit o.a. kosten van rechtsbijstand en
kosten welke zijn ontstaan door gedwongen verhuizing van het gezin waartoe
M behoort.

2.5. Eiseres stelt belang te hebben bij een snelle afdoening van de
procedure, derhalve bij toewijzing van een voorschot op de
schadevergoeding aangezien het voor M van groot belang is dat zij in het
kader van het verwerkingsproces het hoofdstuk met gedaagde, voorzover
mogelijk, kan afsluiten.

3. Het verweer

Gedaagde ontkent dat hij seksueel misbruik heeft gepleegd met M. Hij stelt
dat de gestelde schade onvoldoende onderbouwd en te hoog geschat is. Het
inkomen van gedaagde is niet toereikend voor het vergoeden van de gestelde
schade. Voorts bestrijdt hij dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij
de gevraagde voorziening. Gedaagde concludeert derhalve tot afwijzing van
de vordering.

4. De gronden van de beslissing

4.1. Gedaagde heeft in de periode 1 maart 1988 tot en met 17 maart 1994
seksueel misbruik gepleegd met M vanaf haar 9e jaar, waarvoor hij
strafrechtelijk is veroordeeld. Daarmee staat de onrechtmatige daad jegens
M vast. Uit het door eiseres overgelegde arrest blijkt, dat het Hof onder
meer heeft overwogen: Het bewezen verklaarde levert de volgende misdrijven
op: 1. Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige,
meermalen gepleegd; 2. Met iemand die de leeftijd van twaalf maar nog niet
die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen
plegen die mede bestaan in het seksueel binnendringen van het lichaam,
meermalen gepleegd. Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de
strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van
de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en
gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing
genomen. Verdachte heeft gedurende ongeveer zes jaar ontucht gepleegd met
een meisje dat de leeftijd van zestien jaar nog niet had bereikt en dat
in feite zijn stiefdochter was. Door zijn handelen heeft hij niet alleen
misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene op dit kind had,
maar heeft hij tevens ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke
integriteit van het slachtoffer. Naar de ervaring leert kan verdachtes
handelen voor het slachtoffer ernstige psychische gevolgen van mogelijk
lange duur met zich meebrengen.’

4.2. Ofschoon gedaagde in algemene bewoordingen de juistheid van het
oordeel van het Hof bestrijdt heeft eiseres voldoende aannemelijk gemaakt,
dat het door het Hof vastgestelde feitencomplex heeft plaats gevonden.

4.3. Gedaagde heeft tot op heden het hem telastgelegde ontkend. Deze
ontkenning is mede aanleiding geweest om het jeugdige slachtoffer in
eerste aanleg ook ter zitting als getuige te horen.

4.4. Naar de ervaring leert, kan het neveneffect van een dergelijke
ontkenning zijn, dat zij aan het verwerken van de traumatische ervaring
door het slachtoffer in de weg staat, en in ieder geval deze verwerking
vertraagt. Dat neveneffect is niet aan het slachtoffer, maar aan gedaagde
toe te rekenen. Ook het moeten afleggen van een getuigenverklaring ter
zitting is, naar de ervaring leert, voor het slachtoffer uiterst
belastend, niet in de laatste plaats omdat het dan de gepleegde feiten
nogmaals herbeleeft.

4.5. Het onder 4.3. en 4.4 overwogene vormt een factor, waarmee de rechter
bij het vaststellen van de toe te kennen schadevergoeding rekening dient
te houden.

4.6. In het onderhavige kort geding heeft eiseres aannemelijk gemaakt, dat
redelijkerwijs te verwachten is, dat de bodemrechter bij de vaststelling
van de hoogte van de aan het slachtoffer toe te kennen schadevergoeding
niet zal uitkomen op een lager bedrag van ƒ 15.000,-. Gedaagde heeft niet
aannemelijk gemaakt, dat de bodemrechter ondanks de aard en ernst van de
gepleegde misdrijven aanleiding zal zien het bedrag van de toe te kennen
schadevergoeding te matigen omdat, zoals de raadsman van gedaagde ter
zitting heeft verklaard, zijn client een lening zal moeten sluiten om dat
bedrag te kunnen betalen.

4.7. Gedaagde heeft voorts aangevoerd, dat nu hij in cassatie is gegaan,
er een restitutierisico ontstaat, wanneer de president de vordering van
eiseres toewijst.

4.8. Eiseres heeft ter zitting verklaard, dat zij er geen bezwaar tegen
heeft, dat totdat in cassatie zal zijn beslist, het als voorschot toe te
kennen bedrag op een geblokkeerde rekening wordt gestort.

4.9. Op de onder 4.8. weergegeven wijze wordt naar het oordeel van de
president het eventuele restitutierisico afdoende ondervangen.

4.10. Op grond van hetgeen onder 4.1. – 4.6. en onder 4.8. – 4.9. – is
overwogen ligt de vordering van eiseres op de hierna te vermelden wijze
voor toewijzing gereed.

Beslissing De president:

Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van ƒ
15.000,- (vijftienduizend gulden) als voorschot op de schadevergoeding,
vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, zijnde
12 december 1995 tot aan de algehele voldoening door storting van dit
bedrag op een door eiseres aan te wijzen geblokkeerde rekening bij een
erkende Nederlandse Handelsbank, aan welke blokkade een einde komt nadat
in de voornoemde strafprocedure onherroepelijk zal zijn beslist, met dien
verstande, dat ingeval van vrijspraak de gestorte ƒ 15.000,- met de daarop
gekweekte rente aanstonds dienen te worden overgemaakt op een door
gedaagde aan te wijzen rekening bij een erkende Nederlandse Handelsbank
en dat in geval van een onherroepelijke veroordeling van gedaagde in de
strafprocedure, de blokkade van rechtswege komt te vervallen;

Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de
zijde van eiseres begroot op ƒ 504,90 aan verschotten en ƒ 1.500,- aan
salaris van de procureur; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr A.L. Croes

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 3 januari 1996

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Het exploiteren van prostitutie is niet strafbaar tenzij de uitbating
ontaardt in uitbuiting. Wanneer de exploitatie vrouwen betreft die niet of
weinig thuis zijn in de Nederlandse samenleving, is het risico van uitbuiting
nog aanzienlijk groten dan bij andere, voornamelijk Nederlandse vrouwen.
In casu is de rechtbank van oordeel dat sprake was van uit feitelijke
verhoudingen voortvloeiend overwicht van verdachte op de uit Rusland
afkomstige vrouwen. Daarom wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van
twee jaar voor mensenhandel.

Volledige tekst

Onderzoek van de zaak.

De rechtbank heeft:
de stukken gezien,
gelet op het onderzoek ter terechtzitting,
de vordering van de officier van justitie gehoord,
gelet op de verdediging vanwege verdachte in het midden gebracht.

Tenlastelegging.

Verdachte staat terecht terzake van het tenlastegelegde vermeld op de
hierboven genoemde dagvaarding, waarvan een fotokopie aan dit vonnis is
gehecht.

Het tenlastegelegde wordt geacht hier te zijn ingevoegd en herhaald.

In de tenlastelegging wordt in de regels zeven tot en met negen een opsomming
gegeven waarbij wordt gesproken over geweld of een andere feitelijkheid of
door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid dan wel door misbruik
van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding;
deze opsomming geeft een aantal alternatieve mogelijkheden en is letterlijk
overgenomen uit de delictsomschrijving van artikel 250ter van het Wetboek van
Strafrecht. Deze opsomming is vanaf regel dertien echter cumulatief
gespecificeerd door te spreken over voormelde feitelijkhe(i)d(en) en/of
voormeld misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht
en/of voormelde misleiding en/of voormelde misleiding.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie in zijn requisitoir in een
aantal gevallen aangegeven dat meerdere elementen uit de hierboven gegeven
opsomming bewezen dienen te worden verklaard. De raadsman van verdachte is er
blijkens zijn pleidooi kennelijk eveneens van uitgegaan dat de tekst van de
tenlastelegging op zichzelf geen beletsel vormde voor eventuele cumulatieve
bewezenverklaring.

Onder deze omstandigheden beschouwt de rechtbank het in de eerste opsomming
iedere keer ontbreken van het voorzetsel `en/’als een kennelijke vergissing.
Nu verdachte door aanvulling van de tenlastelegging in vorengenoemde zin niet
in zijn verdediging is geschaad, zal de rechtbank de tenlastelegging aldus
verbeterd lezen, zoals in de aan dit vonnis gehechte dagvaarding is
aangegeven.

De bewijsmiddelen.
(uit te werken bij appel)

Bewijsoverwegingen

Op zichzelf is het exploiteren van prostitutie volgens het Nederlands recht
niet strafbaar. Slechts wanneer dit gebeurt onder omstandigheden als
aangegeven in artikel 250ter Wetboek van Strafrecht, wanneer uitbating
ontaardt in uitbuiting, wordt genoemde exploitatie strafbaar. Ook bij
vrijwilligheid van een vrouw om in de prostitutie werkzaam te zijn, kan van
uitbuiting sprake zijn. Op de vraag wanneer uitbating verandert in
uitbuiting, is geen eensluidend antwoord te geven. Een van de oorzaken
daarvoor is dat de prostitutie nog steeds niet of slechts marginaal is
onderworpen aan wettelijke regels van bijvoorbeeld arbeidsrecht en er
derhalve geen wettelijke maatstaven zijn waaraan de rechtmatigheid of
onrechtmatigheid van exploitatie van prostitutie gemeten kan worden. Door het
ontbreken van genoemde regels is evenwel duidelijk dat bij exploitatie van
prostitutie eerder dan bij andere, beter geregelde samenwerkingsverbanden,
situaties van uitbuiting kunnen voorkomen. Artikel 250ter van het Wetboek van
Strafrecht heeft (mede) de strekking om op dergelijke situaties adequaat te
kunnen reageren.

Wanneer de exploitatie vrouwen betreft die niet of weinig thuis zijn in de
Nederlandse samenleving, is het risico van uitbuiting nog aanzienlijk groter
dan bij andere, voornamelijk Nederlandse vrouwen. Eerstbedoelde vrouwen zijn
namelijk in hoge mate afhankelijk van en beïnvloedbaar door degenen die hen
in Nederland tot de prostitutie brengen. Immers deze vrouwen zijn doorgaans
(zeer) jong, spreken de Nederlandse taal niet en zijn onbekend met de
structuur van de Nederlandse samenleving. Onder deze omstandigheden is er
spoedig sprake van een in de delictsomschrijving van artikel 250ter van het
Wetboek van Strafrecht genoemde `uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend
overwicht’ van degene die hen exploiteert.

In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat sprake was van uit
feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van verdachte op de in de
tenlastelegging genoemde vrouwen. Verdachte was namelijk, in tegenstelling
tot deze vrouwen, wel in staat om zich in de Nederlandse samenleving, met
name in de wereld van prostitutie, te bewegen. Voorts was hij een zakenman
die, zo blijkt uit de processtukken, in staat was om mensen naar zijn hand te
zetten.
Bedreiging met geweld werd daarbij volgens verdachtes eigen verklaring en de
verklaringen van diverse in de tenlastelegging genoemde vrouwen, in een
aantal gevallen niet geschuwd. Verdachte was daarbij eveneens schuldeiser van
de vrouwen, aangezien hij visa en reiskosten had voorgeschoten. De rechtbank
acht overigens niet wettig en overtuigend bewezen dat de daardoor ontstane
schulden dusdanig hoog waren in vergelijking met de werkelijk gemaakte
kosten, dat reeds op grond daarvan van misbruik gesproken kan worden.

De rechtbank is wel van oordeel dat verdachte misbruik heeft gemaakt van het
overwicht dat hij op de onderhavige vrouwen had, aangezien hij, zonder dat
dit in een reële verhouding stond met de door hem geleverde diensten,
voortdurend een kwart van hun inkomsten inhield. Verdachte leek er slechts op
gericht dat de vrouwen zoveel mogelijk omzet genereerden. In het welzijn van
de vrouwen, bijvoorbeeld betreffende verzekering, gezondheidszorg en
arbeidsomstandigheden toonde verdachte geen merkbare interesse. Alleen door
de omstandigheden waarin de vrouwen verkeerden, het overwicht dat verdachte
op hen had en de dreigende attitude, die verdachte kennelijk uitstraalde, kon
verdachte deze uitbuitingssituatie tot stand brengen en continueren.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, dat hij in de periode van 1
januari 1995 tot en met 19 september 1995 in de gemeente E en elders in
Nederland (telkens) een of meer ander(en), te weten de (de uit Rusland
afkomstige vrouwen(en) D en C en P en E en K en M en N en P, door geweld
en/of door bedreiging met geweld of en/dan wel door misbruik van uit
feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht tot prostitutie heeft
gebracht, bestaande voormeld misbruik van uit feitelijke verhoudingen
voortvloeiend overwicht (mede) uit
– het (doen) – regelen en (voor)-financieren van de reis en/of het/de
paspoort(en) en/of het/de reisdocument(en) van (één of meer van) voornoemde
vrouwen
– het onder zich en/of een ander (doen) nemen en/of (doen) houden van het/de
paspoort(en) van (één of meer van) voornoemde vrouwen
– of het doen brengen van (één of meer van) voornoemde vrouwen naar een
plaats waar prostitutie werd bedreven en
– het doen afstaan van een (groot) gedeelte van de verdiensten van (één of
meer van) voornoemde vrouwen aan hem, verdachte, en
– het zorgdragen voor controle en/of toezicht op de
(prostitutie)werkzaamheden en/of de verdiensten van (één of meer van)
voornoemde vrouwen
– één of meer [ander(e)] handeling(en) en/of feitlijkhe(i)d(en), strekkende
tot het brengen en/of houden van (één of meer van) voornoemde vrouw(en) in
een afhankelijke positie en/of in een dwang- en/of uitbuitingssituatie;

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het
bewezenverklaarde heeft begaan, op grond van de feiten en omstandigheden die
zijn vervat in voornoemde bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop
zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard
acht de rechtbank niet bewezen. Verdachte dient hiervan te worden
vrijgesproken.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het ten laste van verdachte bewezenverklaarde levert op hieronder te
kwalificeren misdrijven, voorzien en strafbaar gesteld bij 250ter, eerste lid
aanhef en onder sub 1 van het Wetboek van strafrecht juncto artikel 47 van
die wet.

De strafbaarheid van verdachte.

Verdachte is strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard,
omdat niet gebleken is van enige omstandigheid die zijn strafbaarheid
uitsluit.

Motivering van de straf.

Op grond van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder het is
gepleegd en de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander
uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, is de rechtbank van
oordeel, dat aan verdachte de straffen behoren te worden opgelegd, die zij
hierna zal bepalen.

Verdachte heeft gehandeld uit oogmerk van gewin. Deze gewinzucht heeft
zodanige rol gespeeld dat verdachte de grenzen van redelijkheid ten opzichte
van de door hem geëxploiteerde vrouwen uit het oog is verloren en de belangen
en het welzijn van de vrouwen daaraan ondergeschikt heeft gemaakt en tekort
heeft gedaan. De rechtbank acht dit dermate strafwaardig dat niet volstaan
kan worden met een andere straf dan gevangenisstraf. Voorts acht de rechtbank
het opleggen van een geldboete passend (daargelaten een eventueel nog te
ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel).

Bij de bepaling van de omvang van de gevangenisstraf laat de rechtbank
meewegen dat verdachte zijn overwicht niet verdergaand heeft misbruikt dat
ten behoeve van zijn financiële motieven dienstig was en er bijvoorbeeld niet
gebleken is van ernstig gewelddadig of machtswellustig handelen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straffen zijn gegrond, behalve op voormelde artikelen, op de
artikelen: 10, 14, 14b, 14c, 23, 24, 24b, 24c, 27, en 57 van het Wetboek van
Strafrecht.

De beslissing

De rechtbank:

Verklaart het tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor omschreven.

Verstaat, dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de misdrijven: medeplegen
van mensenhandel, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt hem te dier zake tot een gevangenisstraf voor de tijd van
vierentwintig maanden.

Beveelt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte groot ACHT MAANDEN, niet
zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op
grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij
wordt bepaald op TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, in
mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het
onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf.

een geldboete van VIJFENTWINTIGDUIZEND GULDEN, bij gebreke van betaling en
verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van EENHONDERDDERTIG DAGEN.

Verklaart niet bewezen, hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd
dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Noot

Soms springen rechterlijke uitspraken eruit om hun vernieuwende benadering.
Dit vonnis van de Bossche rechtbank in een vrouwenhandel-zaak is er zo een.
Hier is sprake van een rechtbank die zich goed heeft laten informeren over de
discussie rond de strafbaarstelling van vrouwenhandel en exploitatie van
prostitutie, zij het dat er juridisch het een en ander niet klopt.

Om met het laatste te beginnen: anders dan de rechtbank meent, is de
exploitatie van prostitutie volgens het Nederlandse recht nog steeds
strafbaar, ook wanneer er op geen enkele manier sprake is van (bedreiging
met) geweld, misleiding of misbruik van uit feitelijke verhoudingen
voortvloeiend overwicht. Weliswaar is in de jaren tachtig een wetswijziging
ingezet waarin de strafbaarheid van exploitatie van prostitutie – art. 250bis
Sr, in de volksmond het `bordeelverbod’ – tot gevallen van geweld, misbruik
en misleiding zou worden beperkt, maar dat wetsvoorstel is in 1993 op het
allerlaatste moment in de Eerste Kamer gestrand (Kamerstukken 18 202).
De rechtbank is echter enigszins verontschuldigd, nu nogal wat handboeken
vooruit zijn gelopen op die wetswijziging door zich vrijwel geheel op de
nieuwe wetstekst te richten in de veronderstelling dat deze snel ingevoerd
zou worden (zie bijvoorbeeld Tekst & Commentaar), dan wel al ingevoerd was
(Noyon/Langemeijer/Remmelink, in een later supplement weer hersteld). De
verwarring daarover is mede ontstaan doordat het aan wetsvoorstel 18 202
gekoppelde wetsvoorstel betreffende vrouwenhandel (art. 250ter Sr,
Kamerstukken 21 027) wel is aanvaard. Nu in 21 027 tevens uitvoerige
wijzigingen op 18 202 waren opgenomen – in feite inhoudende een geheel nieuwe
delictsomschrijving van art. 250bis Sr -, kon de indruk ontstaan dat niet
alleen het nieuwe art. 250ter maar ook het nieuwe art. 250bis was aanvaard.
Invoering van die wijziging op 18 202 was echter gekoppeld aan aanvaarding
van wetsvoorstel 18 202 zelf, en juist dat werd ingetrokken. Overigens ligt
op het moment een nieuw wetsvoorstel betreffende de exploitatie van
prostitutie (art. 250bis Sr) bij de ministerraad.

Wat in 1993 dus is aangenomen, is een gewijzigd art. 250ter Sr – vrouwen -,
of eigenlijk beter: mensenhandel – waarin de beperking tot (bedreiging met)
geweld, misleiding en misbruik van overwicht wel wat dat delict betreft in de
wet is opgenomen (met uitzondering van grensoverschrijdende handel, art.
250ter lid 1 sub 2, en handel in minderjarigen, lid 1 sub 3, wat ook zonder
dwang etc. strafbaar is).
Daarmee verband houdt een tweede verwarring in het vonnis, namelijk wat de
door de rechtbank gebruikte terminologie betreft. Ten laste gelegd is het
delict vrouwenhandel, zoals strafbaar gesteld in art. 250ter Sr. De rechtbank
noemt dit consequent exploitatie van prostitutie. Ook hierin is de rechtbank
wel enigszins verontschuldigd, nu vrouwenhandel en exploitatie van
prostitutie nogal eens op een hoop worden gegooid, zij het dat alles dan
meestal vrouwenhandel en niet exploitatie van prostitutie wordt genoemd (zie
bijv. de Handleiding Vrouwenhandel van het Openbaar Ministerie). Het
vrouwenhandel-artikel is bovendien sinds 1993 zo ruim geredigeerd, dat het
onderscheid tussen handel en exploitatie nog onduidelijker is geworden dan
het voor de wetswijziging al was.

Deze kanttekeningen hebben echter geen juridische consequenties, en doen
zeker niet af aan de inhoudelijke waarde van het vonnis. Die inhoudelijke
waarde zit hem in het bijzonder in de `bewijsoverwegingen’. In de discussie
over vrouwenhandel en exploitatie van prostitutie speelt in toenemende mate
de vraag een rol in hoeverre prostitutie als een vorm van arbeid moet worden
beschouwd. In de visie waarin prostitutie arbeid is kan immers, net als in
reguliere vormen van arbeid, `uitbuiting van de arbeider’ worden voorkomen en
bestreden door die arbeid te reguleren. Juist het ontbreken van regulering
inzake arbeidsverhoudingen, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden is er
debet aan dat uitbuitingssituaties voorkomen. Gebrek aan een duidelijke norm
betreffende de inrichting van de arbeid werkt onaanvaardbare situaties in de
hand. Inspanningen van de overheid – en uiteraard ook van de direct
betrokkenen: prostituées en exploitanten – moeten zich dan ook richten op het
vastleggen van die arbeidsverhoudingen, voorwaarden en omstandigheden. En dat
lijkt sterk op wat de rechtbank in haar bewijsoverweging verkondigt: wanneer
uitbating in uitbuiting overgaat is niet helder, mede bij gebrek aan
wettelijke maatstaven, waardoor tegelijkertijd eerder situaties van
uitbuiting kunnen voorkomen.

De rechtbank probeert vervolgens de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om
van uitbuiting te kunnen spreken in te vullen. In het bijzonder gaat het
daarbij over het `misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend
overwicht’. In feite geeft zij daarmee een nadere invulling aan de
arbeidsverhoudingen, voorwaarden en omstandigheden in de prostitutie. Wanneer
gaat uitbating in uitbuiting over?
De rechtbank begint met de constatering dat bij buitenlandse vrouwen die niet
of nauwelijks in de Nederlandse samenleving thuis zijn, bijvoorbeeld omdat
zij jong zijn, de taal niet spreken en de structuur van de samenleving niet
kennen, het risico van uitbuiting groter is dan bij vrouwen die wel in de
Nederlandse samenleving thuis zijn. In combinatie met de verdachte – een
`zakenman’ die in staat is mensen naar zijn hand te zetten en in staat zich
in de Nederlandse samenleving, in het bijzonder in de wereld van de
prostitutie te bewegen – wordt vervolgens geconstateerd dat in casu in ieder
geval sprake is van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht van
de verdachte over de vrouwen.
Als dan geconstateerd is dat van overwicht sprake is, moet worden vastgesteld
of daarvan ook misbruik is gemaakt. De rechtbank rafelt dus de vraag naar het
misbruik van overwicht in twee vragen uiteen, namelijk:
1) of er sprake is van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en
zo ja
2) of daarvan misbruik is gemaakt.

Of de rechtbank dit ook zo heeft bedoeld, is niet met zekerheid te zeggen. De
volgorde van redeneren door de rechtbank komt er echter wel op neer. En het
is een zuivere redenering. Immers, dat uit de `feitelijke verhoudingen’ een
overwicht voortvloeit van de een over de ander betekent nog niet dat daarvan
ook misbruik wordt gemaakt. Dat misbruik zal uit andere feiten moeten worden
afgeleid. En dat is wat de rechtbank vervolgens gaat doen.
Het enkele feit dat verdachte schuldeiser was van de vrouwen – hij had kosten
voor visa en de reis voorgeschoten – betekent nog niet dat er van misbruik
van overwicht sprake is. Dat is pas het geval als de schulden niet meer in
verhouding staan tot de werkelijk gemaakte kosten. Dit is een interessante
nuancering van de min of meer standaard in tenlasteleggingen opgenomen
adstructie waarom van vrouwenhandel sprake zou zijn, namelijk dat er sprake
is van schulden.
Evenmin is het enkele feit dat een deel van de inkomsten van de vrouwen wordt
ingehouden voldoende om van misbruik van uit feitelijke verhoudingen
voortvloeiende overwicht te spreken. Daartoe moet worden bekeken of de
ingehouden verdiensten in een reële verhouding staan tot de door de inhouder
geleverde diensten. Ook dit is een interessante nuancering van de standaard
regel in tenlasteleggingen dat verdachte een deel van de verdiensten heeft
doen afstaan.
In de visie van de rechtbank zou de tenlastelegging dus voortaan moeten
worden aangevuld met de zinsnede dat de schulden noch de af te stane
verdiensten in verhouding staan tot hetgeen daartegenover door de verdachte
is gepresteerd. Dat impliceert een bewijslastverzwaring maar daartegen is
weinig in te brengen: in een tenlastelegging horen immers slechts
strafrechtelijk relevante feiten te staan. Het enkele feit dat er schulden
zijn of geld wordt afgestaan is strafrechtelijk niet relevant.

In casu was van de door de rechtbank geëiste proportionaliteit geen sprake.
Het ging verdachte er slechts om geld te verdienen. Hij vertoont
daartegenover geen merkbare interesse in het welzijn van de vrouwen, zoals
wat verzekering, gezondheidszorg en arbeidsomstandigheden betreft. De
afweging tussen zijn eigen geldelijk belang en het belang van degenen die
voor hem dat geld verdienen is onevenwichtig. De rechtbank geeft er een
bepalende betekenis aan, getuige ook het feit dat hierom een gevangenisstraf
op zijn plaats wordt geacht. Uit gewinzucht heeft verdachte de grenzen van
redelijkheid ten opzichte van de door hem geëxploiteerde vrouwen uit het oog
verloren; hij heeft de belangen en het welzijn van de vrouwen daaraan
ondergeschikt gemaakt en tekort gedaan. Hij doet duidelijk niet wat een `goed
werkgever’ behoort te doen, zou je kunnen zeggen. Daarbij komt dan ten slotte
nog dat verdachte er geen been in zag vrouwen met geweld te bedreigen, zij
het dat er volgens de rechtbank geen sprake was van ernstig gewelddadig of
machtswellustig handelen.

Dit vonnis `normaliseert’ in zekere zin arbeidsverhoudingen – de rechtbank
noemt het een `samenwerkingsverband’ – in de prostitutie. Net als bij andere
`samenwerkingsverbanden’ duidt de constatering dat de ene persoon een uit
feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht over de ander heeft als
zodanig niet op misbruik van dat overwicht. En als dat overwicht er is, duidt
het enkele feit dat tussen betrokkenen een schuldverhouding bestaat, evenmin
als het afstaan van een gedeelte van verdiensten, op misbruik. Als dat wel zo
was, zou je zonder marxistische overdrijving waarlijk kunnen spreken over
stelselmatige uitbuiting van de werkende klasse in het algemeen; want erg
uitzonderlijk zijn dat soort omstandigheden in arbeidsrelaties toch niet. Van
misbruik van overwicht is pas sprake als tegenover de arbeid en plichten van
de `werknemer’ geen of naar verhouding onvoldoende prestatie en plichten van
de `werkgever’ staan. Het is de kunst een evenwicht te vinden en daarover
afspraken te maken. En dat is nu juist waar het bij de regeling van
arbeidsverhoudingen, omstandigheden en voorwaarden om gaat.
De rechtbank lijkt dat aardig door te hebben. Of het zo bedoeld is, kan
natuurlijk niet met zekerheid worden gezegd, maar deze uitspraak kan worden
gelezen als een beschaafd stukje kritiek op het Nederlandse
prostitutiebeleid, waarin juist die arbeidsrechtelijke kant sterk wordt
verwaarloosd.

Roelof Haveman

Rechters

Mrs Porink, Anjewierden, Dethmers