Instantie: Gerechtshof Leeuwarden, 3 januari 1996

Instantie

Gerechtshof Leeuwarden

Samenvatting


Na een huwelijk van tien jaar is gedurende 23 jaar alimentatie betaald. Het
laatste jaar ƒ 31 200. Uit het huwelijk zijn geen kinderen geboren. De
alimentatie was tussen partijen overeengekomen en in een convenant
neergelegd, met de bepaling dat die alimentatieverplichting alleen in
bijzondere omstandigheden zou kunnen worden gewijzigd. De leeftijd van de
vrouw is zestig jaar en zij heeft naast de alimentatie al gedurende twintig
jaar een eigen inkomen, eerst (kort) uit arbeid en vervolgens uit een
WAO-uitkering. De man was van dit laatste niet op de hoogte. De vrouw zal na
pensionering van de man een deel van zijn ouderdomspensioen ontvangen. Het
hof constateerde met de rechtbank dat de huidige arbeidsongeschiktheid van de
vrouw niet aan het huwelijk was te relateren.
De rechter motiveert en beslist:
`Bij het sluiten van het tussen hen geldende convenant kunnen partijen nimmer
het oog hebben gehad op de op 1 juli 1994 in werking getreden wet en de
gevolgen daarvan. Uitsluiting van de toepasselijkheid van deze wet kan
derhalve nimmer zijn beoogd. De wet betreffende limitering is derhalve op de
onderhavige situatie van toepassing.(…) Een van de omstandigheden die bij
het beoordelen van de limitering een rol spelen is of de door de
alimentatieplichtige tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zijn
verdeeld. De rechtbank heeft op deze omstandigheid terecht acht geslagen.
(…) De vrouw moet gelet op haar inkomsten gedurende ruim twintig jaar
redelijkerwijs in staat zijn geweest om zonder haar levensstandaard op
onredelijke wijze en in onredelijke mate aan te passen voorzieningen ten
behoeve van haar oude dag te treffen. (…) Uit het voorgaande volgt dat de
beëindiging van de alimentatie ingrijpend zal zijn. Gelet op alle
omstandigheden, met name op het inkomen van de vrouw uit WAO en op de haar
toekomende pensioenrechten is het hof echter van oordeel dat deze beëindiging
niet zo ingrijpend is dat deze nar maatstaven van redelijkheid en billijkheid
niet van de vrouw kan worden gevergd.’ De alimentatieverplichting van de man
eindigt op 1 juli 1997.

Volledige tekst

Het procesverloop
Ter griffie van het hof zijn binnengekomen een verzoekschrift houdende appel
van een beschikking d.d. 7 juni 1995 van de arrondissementsrechtbank te
Groningen alsmede een verweerschrift.
Ter zitting van 15 november 1995 is de zaak behandeld.
De motivering
1. In de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank bepaald dat de
alimentatieverplichting van de man ten opzichte van de vrouw eindigt op 1
juli 1997.
2. De vrouw verzoekt in appel de onderhavige beschikking te vernietigen en
opnieuw rechtdoende primair de man alsnog in zijn inleidend verzoek
niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen en
subsidiair te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man voor
onbepaalde tijd voortduurt, dan wel meer subsidiair dat de
alimentatieverplichting van de man tot 1 juli 2009 zal voortduren met de
bepaling dat na afloop hiervan deze termijn kan worden verlengd, althans dat
genoemde alimentatieverplichting van de man zal voortduren tot een datum die
het hof in goede justitie meent te moeten vaststellen met de bepaling dat
genoemde termijn verlengd kan worden na ommekomst van genoemde termijn.
3. De vrouw heeft in appel acht grieven ontwikkeld.
Grief I
4. In de eerste grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte heeft
overwogen dat de beëindiging van de alimentatieverplichting met ingang van 1
juli 1997 niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
De vraag of beëindiging van de alimentatieverplichting strijdig is naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan slechts worden beantwoord aan
de hand van de specifieke omstandigheden zoals deze zich in casu voordoen.
Gelet op de strekking van de aangevoerde grieven zal het hof mitsdien tot
beoordeling van deze grief overgaan na bespreking van de zevende grief.
Grief II
5. De vrouw stelt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft
overwogen dat de regeling van de limitering van alimentatie na echtscheiding
in casu van toepassing is.
Ter toelichting stelt de vrouw dat partijen zijn overeengekomen dat wijziging
van de tussen hen gesloten alimentatieovereenkomst slechts in bijzondere
omstandigheden mogelijk zou zijn.
De man voert aan dat de opgenomen bepaling met name was gericht op de
wijziging die zich zou voordoen als gevolg van een door hem te sluiten tweede
huwelijk.
Partijen zijn in 1973 van echt gescheiden. Bij het sluiten van het tussen hen
geldende convenant kunnen zij nimmer het oog hebben gehad op de op 1 juli
1994 in werking getreden wet en de gevolgen daarvan. Uitsluiting van de
toepasselijkheid van deze wet kan derhalve nimmer zijn beoogd. De wet
betreffende limitering is derhalve op de onderhavige situatie van toepassing.
De tweede grief faalt.
Grief III
6. De vrouw stelt in haar derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft
overwogen dat de verdiencapaciteit van de vrouw niet in causaal verband staat
met de echtscheiding.
Van belang hierbij is dat partijen tien jaar gehuwd zijn geweest en dat de
vrouw gedurende het huwelijk geen betaalde arbeid heeft verricht. Op het
moment dat partijen uit elkaar gingen was de vrouw 37 jaar. Uit het huwelijk
zijn geen kinderen geboren.
De vrouw heeft omstreeks 1974 een administratieve betrekking aanvaard. Na een
periode van een jaar is de vrouw na een periode van ziektewetuitkering echter
arbeidsongeschikt verklaard. Tot op dit moment ontvangt de vrouw als gevolg
hiervan een uitkering van thans ƒ 1229,54 netto per maand.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat haar arbeidsongeschiktheid een
direct gevolg is van de echtscheiding aangezien zij het vertrek van de man
nimmer heeft kunnen verwerken.
Indien echter na een echtscheiding een der partijen door het vertrek van de
ander zozeer in haar persoon aangetast is dat zij daardoor blijvend
arbeidsongeschikt wordt en zich ook na tientallen jaren geestelijk nog niet
heeft kunnen herstellen, moet dat in het algemeen minder aan dat vertrek
en/of aan de echtscheiding worden toegerekend dan wel aan haar kennelijk toch
wel zeer kwetsbare persoonlijkheid. Dat kan anders zijn, als het uiteengaan
van partijen plaatsvindt onder uitzonderlijke omstandigheden, traumatiserend
ook voor een persoon met een redelijke zelfredzaamheid en met een redelijk
vermogen zich van een geestelijke schok na enige tijd weer te herstellen.
Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. En in elk geval is niet
aannemelijk dat ten gevolge van de duur van het huwelijk de verdiencapaciteit
van de vrouw is verminderd.
De derde grief faalt.
Grief IV
7. In de vierde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte als
omstandigheid voor nihilstelling heeft meegewogen het feit dat zij recht
heeft op een deel van het ouderdomspensioen van de man.
De vrouw merkt op dat de rechtbank de bijdrage heeft gelimiteerd per 1 juli
1997 en dat zij niet eerder dan met ingang van 1 augustus 2003 een – geringe
– uitkering van ƒ 1693 bruto per jaar zal ontvangen.
Een van de omstandigheden die bij het beoordelen van de limitering een rol
spelen is of de door de alimentatieplichtige tijdens het huwelijk opgebouwde
pensioenrechten zijn verdeeld. De rechtbank heeft op deze omstandigheid
terecht acht geslagen. (De waarde van deze rechten is uiteraard afhankelijk
van de hoogte van het toenmalige inkomen en de duur van het huwelijk.)
De vierde grief faalt.
Grief V
8. De vrouw stelt in de vijfde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft
overwogen dat zij een oudedagsvoorziening had kunnen opbouwen in de afgelopen
periode van 20 jaar en dat het nalaten daarvan niet aan de man kan worden
tegengeworpen.
Ter toelichting stelt de vrouw dat haar inkomsten gedurende deze periode niet
zodanig van omvang waren dat zij dergelijke voorzieningen had kunnen treffen.
Bovendien was zij een bepaalde levensstandaard gewend die zij gedurende alle
jaren trachtte te handhaven.
9. Partijen zijn in 1973 een alimentatie overeengekomen van ƒ 13 200 per
jaar. De man heeft onweersproken aangevoerd dat deze uitkering toen netto
bijna gelijk was aan tweemaal een uitkering op bijstandsniveau. De
alimentatiebijdrage voor de vrouw bedraagt thans ƒ 31 200 per jaar. Daarnaast
ontvangt de vrouw sedert 1975 een uitkering krachtens de wet
arbeidsongeschiktheid. Bijzondere lasten zijn door de vrouw niet aangevoerd.
Wanneer dit wordt afgezet tegen wat omtrent de financiële positie van de man
ten tijde van en na het huwelijk is gebleken, is het hof van oordeel dat de
vrouw gelet op haar inkomsten gedurende twintig jaar redelijkerwijs in staat
moet zijn geweest om zonder haar levensstandaard op onredelijke wijze en in
onredelijke mate aan te passen voorzieningen ten behoeve van haar oude dag te
treffen.
De vijfde grief faalt.
Grief VI
10. In de zesde grief stelt de vrouw dat ten onrechte is voorbijgaan aan het
feit dat zij thans 60 jaar is en op geen enkele wijze meer mogelijkheden
heeft extra inkomsten te verwerven.
Ter toelichting stelt de vrouw dat haar leeftijd en haar gezondheid het haar
onmogelijk maken de financiële gevolgen van de limitering door middel van
inkomsten uit arbeid te ondervangen.
De man heeft niet bestreden dat de vrouw thans niet geacht moet worden in
staat te zijn een eigen inkomen uit arbeid te verkrijgen. Dat deze
omstandigheid direct verband houdt met de duur van het huwelijk van partijen
heeft de man gemotiveerd bestreden en acht het hof niet aangetoond.
De zesde grief faalt.
Grief VII
11. In de zevende grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte geen
rekening heeft gehouden met het feit dat de man destijds en thans over
aanzienlijk meer financiële middelen beschikt dan de vrouw. Volgens haar was
een deel van het vermogen van de man, dat was ondergebracht in zijn bedrijf,
niet in de scheiding en deling betrokken. Ter zitting heeft de man echter
aangegeven dat hiervan geen sprake is geweest en dat hij op het moment van de
echtscheiding van partijen en tot voor kort in loondienst was. De vrouw heeft
haar stelling niet nader onderbouwd.
De zevende grief faalt.
Grief I
12. Uit het voorgaande volgt dat de beëindiging van de alimentatie voor de
vrouw ingrijpend zal zijn. Gelet op alle omstandigheden, met name op het
inkomen van de vrouw uit WAO en op de haar toekomende pensioenrechten is het
hof echter van oordeel dat deze beëindiging niet zo ingrijpend is dat deze
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden
gevergd.
Ten overvloede merkt het hof op dat ook in 1974 aan de onderhoudsbijdrage
nooit de gedachte ten grondslag heeft gelegen dat de onderhoudsgerechtigde
ieder streven naar financiële zelfstandigheid achterwege zou kunnen laten.
Dat de vrouw heeft getracht in haar eigen levensonderhoud te voorzien maar
daarin als gevolg van ziekte niet is geslaagd is niet een omstandigheid welke
(thans) direct verband houdt met het huwelijk van partijen.
De eerste grief faalt.
Grief VIII
13. In de achtste en laatste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten
onrechte niet heeft overwogen dat de mogelijkheid bestaat de termijn
gedurende welke de alimentatieverplichting thans nog doorloopt te verlengen.
De vrouw heeft in eerste aanleg als ook in appel meer subsidiair verzocht dat
de alimentatieverplichting doorloopt tot 1 juli 2009 en dat na ommekomst van
deze termijn verlenging hiervan mogelijk is.
De rechtbank hoefde zich over het verzoek van de vrouw niet meer uit te laten
aangezien limitering met ingang van 1 juli 1997 niet van zo ingrijpende aard
werd geacht dat dit niet van de vrouw gevergd kon worden.
De achtste grief faalt.
De slotsom
Het falen van de grieven brengt met zich mee dat de beschikking waarvan
beroep zal worden bekrachtigd.
Ten aanzien van de kosten van deze procedure zal het hof bepalen dat iedere
partij de eigen kosten hiervan dient te dragen aangezien partijen gehuwd zijn
geweest.
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure dient te dragen.

Rechters

Mrs. Koning (vz), Drion, Mannoury

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 2 januari 1996

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was op tijdelijke basis werkzaam bij de wederpartij. Haar is geen
nieuw contract aangeboden voor een nieuw project. Verzoekster is van mening
dat haar zwangerschap hierbij een rol speelde.
De Commissie heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat het besluit om een
tijdelijke arbeidsovereenkomst niet om zetten in een vast dienstverband, een
besluit betreffende het aangaan van een arbeidsovereenkomst is.
In casu betreft het een besluit van de wederpartij om na afloop van de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet opnieuw een contract voor
bepaalde tijd aan te gaan met verzoekster ten behoeve van een project, met
een vergelijkbare inhoud doch met een gewijzigde omvang.
De Commissie is van oordeel dat ten aanzien van het opnieuw aangaan van een
tijdelijke arbeidsovereenkomst, met gewijzigd aantal uren, de bovenvermelde
redenering op overeenkomstige wijze van toepassing is.
De Commissie wijst er op dat reeds herhaalde malen door haar is uitgesproken
dat afwezigheid of verminderde inzetbaarheid wegens zwangerschaps
– en bevallingsverlof een onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg is van de
zwangerschap zelf en daardoor op een lijn te stellen is met de zwangerschap.
Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid levert om hiergenoemde reden
dus direct onderscheid op.
De Commissie is van oordeel dat de wederpartij aannemelijk heeft gemaakt zij
er vanuit mocht gaan dat verzoekster zichzelf om verschillende redenen niet
beschikbaar stelde voor de vacature in het nieuwe project. Hiermee komt de
Commissie tot de conclusie dat in het onderhavige geval het besluit van de
wederpartij om andere kandidaten voor het project te zoeken en aan te nemen
niet gelegen is in de zwangerschap van verzoekster.
Desalniettemin zou het zorgvuldig zijn geweest indien de wederpartij
verzoekster zo spoedig mogelijk na het gesprek van 24 november had
geïnformeerd over de invulling van de vacatures en daarmee niet te wachten
tot de algemene aankondiging in de teamvergadering van 11 december 1994.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 februari 1995 verzocht mevrouw (…) te Leiden (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) om haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de (…) te Voorburg (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster was op tijdelijke basis werkzaam bij de wederpartij. Haar is
geen nieuw contract aangeboden voor een nieuw project. Verzoekster is van
mening dat haar zwangerschap hierbij een rol speelde. Zij is van mening dat
de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. Beide partijen
zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. Partijen zijn opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten tijdens
een zitting op 25 september 1995.

2.3. Bij de zitting waren aanwezig:
van de kant van verzoekster
– mw. (…) (verzoekster)
van de kant van de wederpartij
– mw. (…) (directeur)
– mw. (…) (adjunct-secretaris)
– mw. (…) (coördinator)

als getuige
– mw. (…) (educatief medewerkster)
van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze Kamer
hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een stichting voor basiseducatie, sociaal cultureel
werk en naschoolse opvang.
Verzoekster was van 1 november 1993 tot 31 december 1994 bij de wederpartij
werkzaam in de functie van educatief medewerkster. Zij was gedurende deze
periode op twee projecten werkzaam. Zij werkte 5 uur per week op het project
`Internationale Schakelklas’ (in de periode 1 november 1993 tot en met 31
december 1994) en 20 uur per week op het project `Shi’ieten Rijswijk’ (in de
periode van 15 november 1993 tot en met 23 december 1994). Van 12 september
1994 tot 7 november 1994 heeft zij bovendien nog 5 uur per week extra gewerkt
in verband met ziektevervanging.

3.2. Eind 1994 ontstonden er twee vacatures voor het project `Intensieve
scholing aan hoger opgeleiden’, een vacature voor 10 uur per week en een voor
15 uur per week. Het project was gepland van 1 december 1994 tot uiterlijk 31
december 1995. Een van de vacatures zou worden uitgebreid met drie uur
cursistenbegeleiding. Cursistenbegeleiding houdt in het voeren van gesprekken
met cursisten om het leerproces van de cursist tijdens het doorlopen van een
project zo succesvol mogelijk af te ronden. Gewoonlijk wordt een van de
educatieve medewerkers die op een project werken als cursistenbegeleider
ingezet, aangezien deze met de cursisten het meeste contact heeft en daardoor
beter in staat is voor een goede begeleiding te zorgen.
Op 17 november 1994 is verzoekster door de coördinator van enkele projecten
in de basiseducatie benaderd met de vraag of zij belangstelling had om van 1
december 1994 tot en met oktober 1995 te werken op een project voor hoger
opgeleiden. Verzoekster heeft hierop positief gereageerd. De coördinator
deelde mee dat er nog een tweede educatief werkster voor dit project was
benaderd van wie eveneens de aanstelling ten einde liep. Op 21 november 1994
zou met verzoekster en deze collega gesproken worden over de verdeling van de
uren.

3.3. Op 21 november 1994 heeft verzoekster een gesprek gehad met de
adjunct-directeur en de algemeen coördinator. Aan het begin van het gesprek
is door de wederpartij meegedeeld dat zij eerst het functioneren van
verzoekster aan de orde wilden stellen. Er waren namelijk vraagtekens gerezen
over het functioneren van verzoekster binnen het team. De inhoudelijke kant
van haar werk stond echter niet ter discussie. Tijdens dit gesprek heeft
verzoekster benadrukt dat zij graag op het nieuwe project wilde werken. De
adjunct-directeur heeft wat betreft het functioneren van verzoekster gezegd
nog weinig problemen te zien, maar de beslissing over de deelname van
verzoekster aan het project een paar dagen uit te stellen. Verzoekster heeft
aan het einde van dit gesprek meegedeeld dat er bij de beslissing ook
rekening mee gehouden moest worden dat zij drieeneenhalve maand zwanger was.

3.4. Op 24 november 1994 heeft het volgende gesprek plaatsgevonden tussen
verzoekster en de adjunct-directeur. De adjunct-directeur deelde mee dat er
geen redenen waren om verzoekster op basis van haar functioneren niet op het
nieuwe project in te zetten. Verzoekster werd gepolst voor de vacature op het
nieuwe project van 15 uur per week. Verzoekster heeft aangegeven de voorkeur
te hebben voor de functie van 10 uur per week. De adjunct-directeur gaf aan
dat dit niet kon, omdat de andere educatief medewerkster al voor deze functie
was benaderd.
Van de zijde van de wederpartij is tijdens dit gesprek meegedeeld dat, hoewel
de zwangerschap een complicerende factor was, dit geen beletsel mocht zijn
voor een aanstelling.
Een ander probleem was dat het nieuwe project dat op 5 december 1994 moest
beginnen het `Shi’ietenproject’ van verzoekster een maand overlapte. Dit
betekende dat verzoekster tijdelijk extra uren zou moeten werken. Verzoekster
gaf aan dit niet te willen, omdat zij naast het werk ook nog een opleiding
moest afronden. Extra werken zou, ook door haar zwangerschap, te vermoeiend
zijn. De adjunct-directeur gaf aan dat er, gelet op de correcte afhandeling
van het project, weinig mogelijkheden waren de extra uren van verzoekster
door een ander te laten doen. Er kon hoogstens vijf uur van haar worden
overgenomen door een vervangend educatief medewerkster. Verzoekster heeft
hierop gereageerd met de mededeling dat hoewel zij het nieuwe project graag
zou willen doen, zij geen kans zag om naast haar opleiding en vanwege haar
zwangerschap tijdelijk 30 uren per week te werken.
Verzoekster heeft tijdens dit gesprek herhaald dat ze graag op het nieuwe
project wilde werken. Hieraan heeft zij toegevoegd dat zij inzag dat haar
zwangerschap nadelig was voor de continuïteit van het project en voor de
cursisten. Daarnaast heeft zij gezegd dat zij van mening was dat het voor
cursisten en de instelling beter zou zijn als iemand het project voor de
volledige tijdsduur van het project kon leiden. In reactie hierop zei de
adjunct-directeur dat er inderdaad andere mensen waren die dit konden gaan
doen.

3.5. Tot 11 december 1994 heeft tussen verzoekster en de wederpartij geen
contact plaatsgevonden over het project. Op 11 december 1994 werd in de
wekelijkse teamvergadering, waar verzoekster aanwezig was, door de algemeen
coördinator meegedeeld twee andere educatief medewerkers dan verzoekster
respectievelijk 10 uur en 15 uur per week op het nieuwe project zouden gaan
werken.

3.6. Op verzoek van verzoekster heeft er op 20 december 1994 een gesprek
plaatsgevonden tussen verzoekster, de algemeen coördinator en de
adjunct-directeur. Doel van dit gesprek was dat verzoekster duidelijkheid
wilde krijgen over de gevolgde procedure bij de vervulling van de twee
vacatures. Tijdens dit gesprek vroeg verzoekster waarom zij op 24 november
1994 de functie van 15 uur heeft aangeboden gekregen en niet die van 10 uur.
Hierop kreeg zij geen antwoord.
Het nieuwe project is uiteindelijk op 1 januari 1995 van start gegaan in
plaats van op 1 december 1994. Wegens een tekort aan cursisten is het project
in de loop van 1995 afgebroken.

3.7. Rond december 1994 waren er bij de wederpartij 21 educatieve medewerkers
in dienst. De educatieve medewerkers zijn breed inzetbaar, dat wil zeggen zij
worden verondersteld in staat te zijn om cursussen te kunnen opzetten en
uitvoeren binnen de basiseducatie op het gebied van Nederlandse taal voor
autochtonen en allochtonen, rekenen, sociale kennis en vaardigheden,
maatschappelijke oriëntatie, Engels en eventuele speciale cursussen. Er is
bij de wederpartij geen sprake van specialisatie van de educatief medewerkers
voor een bepaalde cursus. Educatief medewerkers zijn in principe overal
inzetbaar en kunnen elkaar onderling vervangen, wat in geval van ziekte en
verhindering regelmatig wordt gedaan.

De standpunten van partijen

3.8. Verzoekster stelt het volgende.

Bij de vervulling van de vacatures voor het nieuwe project is jegens haar
onderscheid op grond van zwangerschap gemaakt.
Zij wilde in elk geval graag in aanmerking komen voor een project van 10 uur.

De wederpartij heeft haar de functie van 15 uur per week aangeboden in plaats
van die van 10 uur per week. Hierdoor was er geen sprake van een reële
aanbieding, aangezien bij de wederpartij bekend was dat zij, gezien haar
omstandigheden (afronding opleiding en zwangerschap), niet in staat was
zoveel uren te gaan werken. Bovendien heeft de wederpartij bij deze
aanbieding niet getracht een oplossing te zoeken voor het hoge aantal uren
dat verzoekster tijdelijk (extra) zou moeten werken in verband met de
overlapping van de verschillende projecten. Een oplossing was wel mogelijk
geweest.
Tot slot is ook de 3 uur cursistenbegeleiding in het project niet aan
verzoekster aangeboden.

Verzoekster is van mening dat er van de kant van de wederpartij te weinig
inzet is geweest om haar in te zetten voor het project.

3.9. De wederpartij stelt het volgende.

Haar personeelsbeleid is er op gericht dat personeel in tijdelijke dienst als
eerste in aanmerking komt voor een volgende projectaanstelling of een vast
dienstverband wanneer er op dat moment een functie vacant is. Hierbij wordt
als procedure gehanteerd dat medewerkers eerst worden gepolst of zij
geïnteresseerd zijn om op een project te werken, alvorens een nieuwe
aanstelling wordt aangeboden.
Toen bekend werd dat er per 1 december 1994 een nieuw project van start zou
gaan, is verzoekster hiervoor gepolst. Tijdens overleg hierover heeft
verzoekster meegedeeld dat zij zwanger was. Door de wederpartij is aangegeven
dat zwangerschap geen beletsel mocht zijn voor de aanstelling, maar dat het
wel een complicerende factor was. Het betrof namelijk een project van 11
maanden en het zwangerschapsverlof zou midden in deze periode komen te
vallen. Hierdoor kwam de continuïteit van het project onder druk te staan.
Verzoekster zag dit ook in. Zij adviseerde om eerst naar andere geschikte
kandidaten uit te kijken en als de wederpartij die niet kon vinden haar
alsnog te benaderen. De wederpartij waardeerde dit advies en heeft die weg
bewandeld en zodoende andere geschikte kandidaten gevonden. Er is aan
verzoekster daarom geen aanbod gedaan voor een nieuwe aanstelling. Om die
reden is ook niet gepraat over de taakinvulling voor dit project, dus ook
niet over de cursistenbegeleiding. Ook over verdere mogelijke oplossingen
voor de tijdelijke overlapping van het lopende en nieuwe project van
verzoekster is om die reden niet meer gesproken.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid heeft gemaakt naar
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door na afloop van
het tijdelijk contract met verzoekster haar geen nieuw contract aan te
bieden.

4.2. Ingevolge artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) is het
verboden bij het aangaan of beëindigen van een arbeidsovereenkomst
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.
Ingevolge artikel 3 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) is
het niet toegelaten bij de aanbieding van een betrekking of bij de vervulling
van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

4.3. De Commissie heeft in eerdere uitspraken (Commissie gelijke behandeling,
23 mei 1995, oordeelnummer: 95-15; 9 mei 1995, oordeelnummer: 95-16.)
geoordeeld dat het besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet om
zetten in een vast dienstverband, een besluit betreffende het aangaan van een
arbeidsovereenkomst is.
In casu betreft het een besluit van de wederpartij om na afloop van de
arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd niet opnieuw een contract voor
bepaalde tijd aan te gaan met verzoekster ten behoeve van een project, met
een vergelijkbare inhoud doch met een gewijzigde omvang.
De Commissie is van oordeel dat ten aanzien van het opnieuw aangaan van een
tijdelijke arbeidsovereenkomst, met gewijzigd aantal uren, de bovenvermelde
redenering op overeenkomstige wijze van toepassing is.

4.4. Artikel 7A:1637ij BW lid 5 respectievelijk artikel 1 WGB geeft aan dat
onder onderscheid tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en
indirect onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap is blijkens deze bepalingen een vorm van direct onderscheid.
De Commissie wijst er op dat reeds herhaalde malen door haar is uitgesproken
(Commissie gelijke behandeling 23 mei 1994, oordeelnummer: 95-18; Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 juni 1993,
oordeelnummer: 449-93-24; 17 november 1992, oordeelnummer: 421-92-59; 2
oktober 1991, oordeelnummer: 438-91-68; 17 september 1990, 158-90-134; 8 mei
1990, oordeelnummer: 172-90-31) dat afwezigheid of verminderde inzetbaarheid
wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof een onlosmakelijk en onvermijdelijk
gevolg is van de zwangerschap zelf en daardoor op een lijn te stellen is met
de zwangerschap. Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid levert om
hiergenoemde reden dus direct onderscheid op.
De wet maakt het niet mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor
direct onderscheid, anders dan de in de in artikel 5 WGB en artikel 1637ij
lid 2-4 BW opgenomen uitzonderingen, namelijk in geval van geslachtsbepaalde
functies, bescherming van de vrouw en voorkeursbeleid voor vrouwen. Deze
uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

4.5. De vraag die voorligt is of aannemelijk is geworden dat de zwangerschap
van verzoekster (mede) aanleiding voor de wederpartij vormde om haar niet
opnieuw een tijdelijke arbeidsovereenkomst aan te bieden dan wel de vraag of
bij de vervulling van de vacature de zwangerschap een rol speelde. (Immers,
in navolging van de oordelen van de Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, is de Commissie van mening, dat ook als
zwangerschap een van de redenen en niet de enige reden voor het gemaakte
onderscheid is, dit strijd met de Wet oplevert. Zie Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 18 oktober 1990,
oordeelnummer: 42-89-13; 8 mei 1990, oordeelnummer: 172-90-13 en 23 juni
1992, oordeelnummer: 518-92-37.)

4.6. Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt.
De wederpartij stelt dat zij aan verzoekster geen definitief aanbod heeft
gedaan om als educatief werker op het nieuwe project werkzaam te zijn, omdat
verzoekster zelf aangaf dat de wederpartij eerst naar een andere geschikte
kandidaat moest zoeken. Verzoekster bestrijdt dit. Weliswaar heeft zij
aangegeven dat haar zwangerschapsverlof nadelig was voor de cursisten en de
continuïteit van het project, maar zij heeft duidelijk gezegd dat zij voor
het desbetreffende project in elk geval voor 10 uren per week wilde werken.
Op dit laatstgenoemde punt lopen de versies van partijen over het gesprek van
24 november 1994 uiteen.

4.7. Allereerst wijst de Commissie er op dat het niet tot haar taak behoort
om vast te stellen of door de wederpartij een definitief aanbod is gedaan aan
verzoekster voor een van de vacatures in het nieuwe project of dat er nog
sprake was van de selectiefase, waarin slechts de belangstelling van
verzoekster werd gepolst.
In beide situaties echter mag op grond van de wetgeving gelijke behandeling
geen onderscheid op grond van geslacht gemaakt worden.

4.8. Onbetwist is dat verzoekster tijdens het gesprek van 24 november 1994
heeft aangegeven dat het beter was voor de cursisten en de instelling als
iemand anders het project voor de volledige tijdsduur zou kunnen leiden. De
wederpartij heeft dit zo opgevat dat verzoekster haar aanraadde iemand anders
te zoeken voor het project en dat verzoekster zich vooralsnog niet
beschikbaar stelde. Ook is onbetwist dat verzoekster heeft aangegeven dat de
tijdelijke overlapping ten gevolge van de afronding van het lopende project
en de start in het nieuwe project voor 15 uren per week in december 1994 voor
haar te belastend was. Vervolgens is er tussen 24 november en 11 december
1994 geen contact meer geweest tussen partijen over de vacature(s) bij het
project.
Het zou zo kunnen zijn dat verzoekster met haar mededeling dat het beter zou
zijn voor de cursisten van het project en de instelling om iemand voor de
volledige duur van het project te zoeken, niet heeft bedoeld dat zij zich
niet beschikbaar wilde stellen. Verzoekster heeft echter zelf geen contact
meer opgenomen met de wederpartij in de periode van 24 november tot 11
december 1994 om haar belangstelling voor de vacature(s) bij het project
nogmaals kenbaar te maken. Het project zou immers in eerste instantie per 1
december 1994 starten. Bovendien werd het gesprek van 21 november 1994
beëindigd met de mededeling van verzoekster dat zij de tijdelijke dubbele
belasting ten gevolge van de overlapping van de projecten niet aankon.
De Commissie is op grond van de bovenstaande gegevens en omstandigheden van
oordeel dat de wederpartij aannemelijk heeft gemaakt zij er vanuit mocht gaan
dat verzoekster zichzelf om verschillende redenen niet beschikbaar stelde
voor de vacature in het nieuwe project. Hiermee komt de Commissie tot de
conclusie dat in het onderhavige geval het besluit van de wederpartij om
andere kandidaten voor het project te zoeken en aan te nemen niet gelegen is
in de zwangerschap van verzoekster.
Desalniettemin zou het zorgvuldig zijn geweest indien de wederpartij
verzoekster zo spoedig mogelijk na het gesprek van 24 november had
geïnformeerd over de invulling van de vacatures en daarmee niet te wachten
tot de algemene aankondiging in de teamvergadering van 11 december 1994.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de (…) te Voorburg jegens
mevrouw (…) te Leiden geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt zoals
bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek en/of artikel 3 Wet gelijke
behandeling mannen en vrouwen en daarmee niet heeft gehandeld in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Utrecht, 27 december 1995

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


De man verzoekt na een huwelijk van twaalf jaar de rechtbank zijn alimentatieverplichting
te limiteren voor de duur van één jaar. De rechtbank overweegt dat de wet
limitering alimentatie van 1 juli 1994 hiervoor geen aanleiding geeft.
De rechtbank is van mening dat de minder goede positie van de vrouw op
de arbeidsmarkt mede voortvloeit uit de duur van het huwelijk van partijen
en de daarin ontstane werkverdeling. Het is niet duidelijk hoe lang de
vrouw nodig heeft om zich financieel onafhankelijk van haar ex-man te maken.
Daarom kan de rechtbank op dit moment geen uitspraak doen over limitering.
De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verzoek voor limitering onvoldoende
heeft gemotiveerd om tot een andere conclusie te komen.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het ter griffie
ingediende verzoekschrift en het nadien ingediende verweerschrift tevens
verzoekschrift, nog gevolgd door een verweerschrift en nadien ingekomen
stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 30 november
1995. Van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen is proces-verbaal
opgemaakt.

2. Vaststaande feiten

Mede blijkens de overgelegde stukken staat het volgende tussen partijen
vast:
– zij zijn op 25 februari 1983 te Kesteren in gemeenschap van goederen
met elkaar gehuwd;
– het huwelijk is duurzaam ontwricht;
– partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. Beoordeling van het verzocht

3.1 Op grond van de vaststaande feiten kan het verzoek tot echtscheiding
worden toegewezen.

3.2 Hetzelfde geldt voor de gevraagde nevenvoorziening met betrekking tot
de boedelscheiding die onbestreden is gebleven.

Tevens kan het verzoek worden toegewezen dat de man de huurder zal zijn
van de echtelijke woning, nu de vrouw haar verzoek terzake heeft ingetrokken.

3.4. Tussen partijen is omstreden:
– of en zo ja in hoeverre de man verplicht moet worden geacht bij te dragen
in het levensonderhoud van de vrouw.

De vrouw heeft gevraagd de door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud
vast te stellen op ƒ 200,== per maand.

De man heeft zich daartegen verweerd. Zijns inziens leeft de vrouw samen
met een ander als waren zij gehuwd. Daarenboven is de man van mening dat
de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud,
omdat zij in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Verder heeft hij
aangevoerd dat, zo de vrouw al behoefte heeft aan een bijdrage, deze in
duur gelimiteerd dient te worden tot 1 jaar.

Ten aanzien van de (financiële) omstandigheden van partijen is het volgende
gebleken:

ten aanzien van de vrouw (geboren op 10 januari 1962)

– zij is alleenstaande;
– zij werkt part-time, gemiddeld 18 uur per week, tegen een bruto uurloon
van ƒ 16,85; op grond daarvan bedraagt haar bruto maandloon rond ƒ 881,=
inclusief vakantiegeld;
– zij ontvangt een aanvullende bijstandsuitkering;
– zij is tegen ziektekosten verzekerd bij het ziekenfonds.

ten aanzien van de man (geboren op 3 april 1959)

– hij is alleenstaande;
– zijn salaris bedraagt ƒ 1.922,73 netto per maand, exclusief vakantiegeld;
– hij is tegen ziektekosten verzekerd bij het ziekenfonds;
– hij betaalt aan Wehkamp ƒ 25,= per maand (rentebestanddeel ƒ 5,94);
– hij heeft een doorlopend krediet d.d. 1 oktober 1995 ƒ 9.209,60 groot,
waarop hij maandelijks ƒ 202,= betaalt rentebestanddeel ƒ 96,97 ).
– de huur is ƒ 563,67 per maand.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man in
staat moet worden geacht, rekening houdende met zijn fiscaal voordeel,
om maandelijks bij te dragen hetgeen door de vrouw wordt verzocht.

Door de man is primair gesteld dat de vrouw samenleeft als ware zij gehuwd.
Dit wordt door de vrouw ontkend.

De vrouw slaagt in haar verweer.
Uit het verhoor ter terechtzitting is gebleken dat de vrouw recent onderdak
heeft gevonden bij een (voorheen) gemeenschappelijke kennis, zodat reeds
op grond van het feit dat zij sedert juni 1995 bij hem onderdak heeft,
thans nog niet gesproken kan worden van een duurzame relatie.
Bovendien heeft de vrouw er op gewezen dat de Sociale Dienst weet van haar
situatie en dat zij desondanks nog immer recht kan doen gelden op een zelfstandige
uitkering.

Subsidiair heeft de man betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage
in haar levensonderhoud.
De vrouw is bereid meer uren te gaan werken dan zij thans doet. Daartoe
staat zij ingeschreven bij het arbeidsbureau doch zij heeft moeten ervaren
dat werkgevers de voorkeur geven de vrouw is 33 jaar) aan jongere arbeidskrachten.
Daarnaast is er geen mogelijkheid om haar huidige part-time werkzaamheden
uit te breiden, althans niet binnen afzienbare termijn. Op grond van haar
huidige financiële situatie staat haar behoefte aan een bijdrage vast.

Meer subsidiair heeft de man verzocht zijn alimentatieverplichting te limiteren
tot maximaal 1 jaar.
Voor een dergelijke limitering kan geen steun worden gevonden in de wet
limitering van alimentatie van 1 juli 1994.

De rechtbank is van oordeel dat de minder goede positie van de vrouw op
de arbeidsmarkt mede voortvloeit uit het huwelijk van partijen, dat twaalf
jaar heeft geduurd, en de daarin door beide echtelieden aangehouden werkverdeling.

Er bestaat onvoldoende duidelijkheid over de periode die de vrouw nodig
zal hebben om zich financieel onafhankelijk te maken om reeds thans tot
de door de man verzochte limitering te besluiten.

Nu door de man onvoldoende is gemotiveerd op grond waarvan de hoge eisen
die gesteld worden aan een voortijdige beëindiging van zijn alimentatieplicht,
terzijde dienen worden gesteld, moet het verzoek van de man worden afgewezen.

4. Proceskosten

Nu partijen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat ieder van partijen
de eigen proceskosten moet dragen.

5. Beslissing

5.1 De rechtbank spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, die op 25
februari 1983 te Kesteren met elkaar zijn gehuwd en bepaalt daarbij het
volgende.

5.2 De man moet vanaf de dag waarop deze beschikking in de registers van
de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven ƒ 200,= tweehonderd gulden)
per maand aan de vrouw voor haar levensonderhoud uitkeren, telkens bij
vooruitbetaling te voldoen.

5.3 Partijen dienen, nadat deze beschikking in de registers van de burgerlijke
stand zal zijn ingeschreven, met elkaar over te gaan tot boedelscheiding.
Wanneer zij binnen veertien dagen na de inschrijving van de beschikking
geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt, zullen
de werkzaamheden van de boedelscheiding worden verricht voor mr. C. Zwaan,
notaris te Veenendaal of diens waarnemer of opvolger.

Wanneer de vrouw niet meewerkt aan de boedelscheiding zal mr. D.G. Schouwman,
advocaat te Veenendaal als haar vertegenwoordiger optreden.

Wanneer de man niet meewerkt aan de boedelscheiding zal mr (…) advocaat
te Veenendaal als hun vertegenwoordiger optreden.

5.4 De man zal de huurder zijn van de woonruimte aan het (…) te (…)

5.5 Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad, behalve die onder
5.1.

5.6 De partijen moeten hun eigen proceskosten betalen.

Wanneer de man niet vrijwillig het vastgestelde bedrag voor levensonderhoud
van de vrouw betaalt, moet de man de daarvoor te maken executiekosten betalen.

Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

De wettelijke indexering over het jaar 1996 wordt uitgesloten.

Rechters

Mr Gorter

Instantie: Rechtbank Utrecht, 27 december 1995

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


De rechtbank is van oordeel dat de minder goede positie van de vrouw op
de arbeidsmarkt mede voortvloeit uit het huwelijk van partijen dat negen
jaar heeft geduurd. De man heeft onvoldoende aangetoond welke bijzonder
omstandigheden limitering van zijn alimentatieplicht rechtvaardigen. De
rechtbank merkt op, dat zelfs als de vrouw er in slaagt een baan te vinden,
vooralsnog moet worden verwacht, dat de inkomsten uit deze baan van dien
aard zijn dat zij niet geheel in haar levensonderhoud zal kunnen voorzien.
Een termijn van twaalf jaar na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking,
zoals genoemd in de wet limitering van alimentatie, is dus onverkort van
toepassing.

Volledige tekst

1. Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het ter griffie
ingediende verzoekschrift en het nadien ingediende verweerschrift tevens
verzoekschrift, nog gevolgd door nadien ingekomen stukken.

De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 30 november
1995. Van hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen is proces-verbaal
opgemaakt.

2. Vaststaande feiten

Mede blijkens de overgelegde stukken staat het volgende tussen partijen
vast:
– zij zijn op 30 september 1986 te Amerstoort in gemeenschap van goederen
met elkaar gehuwd;
– het huwelijk is duurzaam ontwricht;
– partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

Gelet op de overgelegde stukken leest de rechtbank in het verzoekschrift
het volgende verbeterd:
Partijen zijn gehuwd in 1986.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1 Op grond van de vaststaande feiten kan het verzoek tot echtscheiding
worden toegewezen.

3.2 Hetzelfde geldt voor de gevraagde nevenvoorzieningen met betrekking
tot de boedelscheiding en het huurrecht van de echtelijke woning, die onbestreden
zun gebleven.

3.3. Tussen partijen is omstreden in hoeverre de man verplicht moet worden
geacht bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw.

De vrouw heeft gevraagd de door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud
vast te stellen op ƒ 1.550,== per maand.

De man heeft zich daartegen verweerd. Zijns inziens moet de vrouw, althans
gedeeltelijk, in haar eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Verder heeft
hij aangevoerd, dat de gevraagde bijdrage zijn draagkracht te boven gaat.

De man heeft aangeboden om per maand ƒ 750,== te betalen doch hij heeft
ter terechtzitting primair verzocht zijn alimentatieverplichting te limiteren
tot de duur van een jaar, subsidiair tot de duur van het huwelijk.

Ten aanzien van de (financiële) omstandigheden van partijen is het volgende
gebleken:

ten aanzien van de vrouw (geboren op 25 januari 1947)

– zij is alleenstaande ;
– zij ontvangt een RWW-uitkering naar de norm van een éénoudergezin ad
ƒ 1.622,84 netto per maand, exclusief vakantiegeld;
– de huur bedraagt ƒ 845,10 per maand;
– tot uiterlijk 1 juli 1996 ontvangt zij een woonkostentoeslag van ƒ 355,==
per maand;
– aan Wehkamp betaalt zij ƒ 30,== per maand (: rentebestanddeel ƒ 12,05
);
– aan Otto betaalt zij ƒ 45,== per maand ( rentebestanddeel ƒ 12,10).

ten aanzien van de man (geboren op 24 december 1954 )

– de man is alleenstaande;
– zijn salaris bedraagt ƒ 4.228,== bruto per maand, exclusief overhevelingstoeslag
en vakantiegeld alsmede een VEB-toelage van ƒ 393,20;
– hij woont tijdelijk in een (zomer)caravan waarvan de aanschaf ( : ƒ 3.000,==)
door zijn moeder is bekostigd.
– zijn ziektekostenverzekeringspremie (ingehouden op zijn salaris) bedraagt
ƒ 111,87, exclusief de nominale premies.

Bij het onderzoek van de draagkracht van de man is de rechtbank uitgegaan
van de hierboven opgesomde feiten en omstandigheden. Voorts wordt nog het
volgende overwogen.

Geen rekening wordt gehouden met een lening bij de IDM-bank, groot ƒ 10.000,–=
waarop vanaf 1 mei 1995 ƒ 200,== per maand moet worden afgelost, nu de
man en de vrouw deze lening gezamenlijk zijn aangegaan om een buurvrouw
terwille te zijn en de man weliswaar hoofdelijk aansprakelijk is voor deze
lening doch onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze buurvrouw haar
(terug)betalingsverplichting jegens de man niet nakomt.

Terzake de aanschaf van de caravan brengt de rechtbank geen afbetaling
van de man aan zijn moeder in mindering op de draagkracht van de man nu
deze caravan weer verkocht kan worden zodra de man over zelfstandige woonruimte
beschikt.

Nu de man voornemens is binnen zo kort mogelijke tijd zeifstandige woonruimte
te betrekken waardoor het heen en weer reizen tussen de caravan en het
werk komt te vervallen, houdt de rechtbank geen rekening met de extra reiskosten
die de man momenteel maakt en die door hem worden becijferd op rond ƒ 260,==
per maand na aftrek van zijn reiskostenvergoeding.

Tussen partijen is omstreden voor welk bedrag de man in de nabijheid van
zijn werk woonruimte kan huren.
In redelijkheid en billijkheid zal de rechtbank, mede gelet op de omstandigheid
dat de man niet veel langer in de caravan zal kunnen verblijven en wellicht
alleen reeds uit hoofde van spoed is aangewezen op de vrije marktsector,
zijn huur stellen op ƒ 1000,== per maand.

Door de man is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn herinrichtingskosten
gesteld dienen te worden op ƒ 250,– per maand. De rechtbank gaat uit van
het normbedrag van
ƒ 150,– per maand.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man indien
tevens rekening wordt gehouden met zijn fiscaal voordeel, in staat moet
worden geacht om maandelijks ƒ 1.100,== bij te dragen ten behoeve van de
vrouw.

De man heeft verzocht zun bijdrage in tijdsduur te limiteren. Hij heeft
daartoe aangevoerd dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij zich binnen
een jaar een inkomen uit arbeid verwerft.

Van de zijde van de vrouw is ter terechtzitting onweersproken gesteld dat
de vrouw reeds gedurende twaalf jaar geen betaalde baan meer heeft gehad
en dat zij daarvoor kantoorwerk heeft verricht. Voorts dat zij staat ingeschreven
bij het arbeidsbureau en bij uitzendbureaus, dat zij per januari 1996 een
computercursus gaat volgen om haar kansen op een baan te vergroten doch
dat het, gelet op haar leeftijd, de vrouw wordt in januari 1996 49 jaar,
niet eenvoudig is om een plaats op de arbeidsmarkt te veroveren.

De rechtbank is van oordeel dat de minder goede positie van de vrouw op
de arbeidsmarkt mede voortvloeit uit het huwelijk van partijen, dat negen
jaar heeft geduurd.

Door de man is onvoldoende gemotiveerd op grond waarvan de hoge eisen die
gesteld worden aan een voortijdige beeindiging van zijn alimentatieplicht,
terzijde dienen te worden gesteld.
Ook als de vrouw er in slaagt een baan te vinden moet vooralsnog worden
verwacht dat zij met de inkomsten uit deze- wellicht parttime – werkzaamheden
niet geheel in eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zij behoefte zal
houden aan een aanvullende bijdrage van de man danwel een (gedeeltelijk)
beroep zal moeten doen op de algemene middelen.

Dit brengt mee dat de termijn van 12 jaar na inschrijving van de echscheidingsbeschikking,
zoals genoemd in de op 1 juli 1994 in werking getreden wet limitering van
alimentatie na echtscheiding, onverkort van toepassing is.

Een en ander laat uiteraard onverlet dat de man, indien de vrouw er binnen
de wettelijke termijn in zou slagen geheel in eigen levensonderhoud te
voorzien, om een wijziging van zijn onderhoudsplicht kan verzoeken.

4. Proceskosten

Nu partijen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat ieder van partijen
de eigen proceskosten moet dragen.

5. Beslissing

5.1. De rechtbank spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, die op
30 september 1986 te Amersfoort met elkaar zijn gehuwd en bepaalt daarbij
het volgende.

5.2. De man moet vanaf de dag waarop deze beschikking in de registers van
de burgerlijke stand zal zijn ingeschreven ƒ 1.100,== ( een duizend en
een honderd gulden) per maand aan de vrouw voor haar levensonderhoud uitkeren,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

5.3. Partijen dienen, nadat deze beschikking in de registers van de burgerlijke
stand zal zijn ingeschreven, met elkaar over te gaan tot boedelscheiding.
Wanneer zij binnen veertien dagen na de inschrijving van de beschikking
geen overeenstemming over de keuze van een notaris hebben bereikt, zullen
de werkzaamheden van de boedelscheiding worden verricht voor mr.D.C. Hoevers,
notaris te Amersfoort of diens waarnemer of opvolger.

Wanneer de vrouw niet meewerkt aan de boedelscheiding zal mr. X. advocaat
te Amersfoort als haar vertegenwoordiger optreden.
Wanneer de man niet meewerkt aan de boedelscheiding zal mr. Y., advocaat
te Amersfoort als zijn vertegenwoordiger optreden.

5.4. De vrouw zal de huurster zijn van de woonruimte aan de ….. te……….

5.5. De partijen moeten hun eigen proceskosten betalen.

Wanneer de man niet vrijwillig het vastgestelde bedrag voor levensonderhoud
van de vrouw betaalt, moet de man de daarvoor te maken executiekosten betalen.

5.6. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

De wettelijke indexering over 1996 wordt uitgesloten.

Rechters

Mr Gorter

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 22 december 1995

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding bepaalt in art. 12 lid 1
uitdrukkelijk dat deze wet niet van toepassing is op een scheiding die heeft
plaatsgevonden voor 1 mei 1995. De uitzonderingsbepaling van lid 2, gelet op
de duur van het huwelijk kan geen toepassing vinden. De Hoge Raad heeft op 20
oktober 1995 (RvdW 1995, 209) deze keuze van de wetgever geaccepteerd. Deze
wet heeft slechts betrekking op het recht op pensioenverevening en sluit niet
uit dat de vrouw nog wel recht zou kunnen hebben op pensioenverrekening
ingevolge het voordien geldende jurisprudentierecht. Het hof verwijst
vervolgens naar HR 27 november 1981 (NJ 1982, 503) waarin de Hoge Raad stelt
dat het belang van de rechtszekerheid in beginsel met zich meebrengt dat zo’n
vordering in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid. In casu
is er volgens het hof geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden
welke meebrengen dat moet worden afgeweken van deze hoofdregel waarbij het
hof mede in aanmerking neemt het tijdsverloop sedert de uitspraak van de Hoge
Raad in 1981.

Volledige tekst

; Het geding
Bij exploit van 30 januari 1995 is de vrouw in hoger beroep gekomen van de
vonnissen van 9 maart en 2 november 1994, door de rechtbank te ‘s-Gravenhage
tussen partijen gewezen.
de vrouw heeft bij memorie van grieven tien grieven aangevoerd, welke de man
bij memorie van antwoord heeft bestreden; de vrouw heeft daarop nog een akte
genomen.
Vervolgens hebben partijen hun procesdossiers aan het hof overgelegd en
arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
1.1. De partijen zijn in 1958 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In
1959 en 1960 is een zoon resp. een dochter geboren. Bij vonnis van de
rechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 26 juli 1974 is de echtscheiding
uitgesproken welk vonnis op 12 november 1974 is ingeschreven.
1.2. Op 29 oktober 1977 is de notariële akte van scheiding en deling van de
tussen de partijen bestaan hebbende algehele gemeenschap van goederen
opgemaakt. Daarbij is over aan de man, in overheidsdienst werkzaam sedert
omstreeks 1943, toekomende pensioenaanspraken niet gerept.
1.3. In voormelde akte verklaarden de partijen onder meer:
`hiermede voorschreven huwelijksgoederengemeenschap naar ieders genoegen te
hebben gescheiden en gedeeld, ieder het hem of haar toekomende, waaronder
voormelde uitkering wegens overbedeling, heeft ontvangen of tot zich genomen
met de daarop betrekking hebbende bescheiden, waarvoor zij elkander terzake
dezer scheiding volledig kwiteren en dechargeren, zonder enig voorbehoud,
zullende zij elkander nimmer tot een nadere scheiding en verdeling
aanspreken’.
2. De vrouw is van mening dat alsnog als onderdeel van de
huwelijksgoederengemeenschap voormelde pensioenrechten opgebouwd in de
periode vanaf 1943 tot 12 november 1974 dienen te worden verdeeld. Zij heeft
de man daartoe aangeschreven op 8 oktober 1991 en vervolgens gedagvaard op 26
augustus 1992.
3. Na een tussenvonnis van 9 maart 1994, inhoudende een verwijzing naar de
rol voor een uitlating door de partijen, heeft de rechtbank bij eindvonnis
van 2 november 1994 de vordering van de vrouw afgewezen. De rechtbank
overwoog daartoe onder meer: dat in voormelde akte nauwkeurig is omschreven
wat de te verdelen huwelijksgemeenschap omvatte, dat de partijen ten tijde
van het ondertekenen van deze akte respectievelijk advocaat en procureur en
hoogleraar in het belastingrecht waren en dat aan hen het bestaan van de
pensioenrechten van de man bekend was, dat de man gesteld had dat hij ten
tijde van het tekenen van de akte het arrest HR 7 oktober 1959, BNB 1959/355
kende, en dat dit gelet op het beroep van de vrouw naar het oordeel van de
rechtbank ook voor haar moet gelden.
4.1. Het hof overweegt als volgt. De Wet verevening pensioenrechten bij
scheiding bepaalt in art. 12, lid 1, uitdrukkelijk dat deze wet niet van
toepassing is op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor 1 mei 1995,
terwijl de uitzonderingsbepaling van lid 2, gelet op de duur van het
huwelijk, geen toepassing kan vinden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van
20 oktober 1995, RvdW 1995, 209 de uitdrukkelijke keuze van de wetgever zoals
neergelegd in voormeld lid 1 inmiddels geaccepteerd. Het hof ziet dan ook
geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen omdat het een
zodanige beslissing op dit punt niet noodzakelijk acht voor het wijzen van
dit arrest.
4.2. De vrouw stelt terecht dat deze wet slechts betrekking heeft op het
recht op pensioenverevening en niet uitsluit dat zij nog wel recht zou kunnen
hebben op pensioenverrekening ingevolge het voordien geldende
jurisprudentierecht. In dit verband is van belang de volgende overweging in
HR 27 november 1981, NJ 1982, 503: `Aangenomen moet worden dat sindsdien vele
huwelijksgemeenschappen zijn verdeeld zonder dat met pensioenrechten als de
onderhavige rekening is gehouden, hetgeen in beginsel aanleiding zou kunnen
zijn tot een vordering als bedoeld in art. 1158 tweede lid BW. De eisen van
redelijkheid en billijkheid zullen echter in verband met het belang van de
rechtszekerheid in de regel meebrengen dat in deze gevallen een zodanige
vordering – die de wederpartij niet meer behoefde te verwachten – thans niet
meer geldend gemaakt kan worden’.
4.3. Mede in aanmerking genomen het tijdsverloop sedert de uitspraak van
voornoemd arrest van de Hoge Raad in 1981, in verband waarmee voor de man te
minder reden bestond te verwachten dat de vrouw nog een aanspraak op
pensioenverrekening geldend zou maken, heeft de vrouw naar het oordeel van
het hof in de loop van het onderhavige geding geen bijzondere feiten en
omstandigheden gesteld welke meebrengen dat moet worden afgeweken van de in
verband met het belang van de rechtszekerheid door de Hoge Raad in dit arrest
geformuleerde hoofdregel.
4.4. De grieven I tot en met VIII behoeven derhalve geen afzonderlijke
behandeling meer.
5.1. Grieven IX en X komen op tegen de kostenveroordeling door de rechtbank.
Ook die grieven zijn tevergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft toepassing
gegeven aan het bepaalde in de eerste zin van art. 56 Rv, en geen aanleiding
gevonden gebruik te maken van de in de tweede zin van dat artikel geboden
mogelijkheid om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Bij de
procedures tussen gewezen echtgenoten die zo’n lange tijd na de echtscheiding
worden gevoerd, ligt, indien een van de partijen volledig in het ongelijk
wordt gesteld, compensatie ook niet voor de hand.
5.2. Om dezelfde reden zal het hof de vrouw ook verwijzen in de kosten van
het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt de vonnissen van 9 maart en 2 november 1994, door de rechtbank te
‘s-Gravenhage tussen de partijen gewezen;
veroordeelt de vrouw in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak
aan de zijde van de man begroot op ƒ 1400 aan honorarium en ƒ 350 aan
verschotten.

Rechters

Mrs. Pieters, Von Brucken Fock, Simonis

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 22 december 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De moeder heeft op verzoek van haar zoon de rechtbank gevraagd een
omgangsregeling tot stand te laten komen met de biologische vader. De
biologische vader is gehuwd en weigert hieraan mee te werken omdat de
omgang zijn huwelijk onder druk zou zetten. De rechtbank heeft de moeder
niet ontvankelijk verklaard omdat niet is komen vast te staan dat de man
de verwekker is van haar zoon en ook dat geen sprake is geweest van
gezinsleven. Het hof heeft geoordeeld dat er wel degelijk sprake is van
gezinsleven en dat de zoon in beginsel recht heeft op omgang met de vader.
Er moet een belangenafweging komen tussen de belangen van de vader en die
van de zoon. Hiervoor wil het hof dat er een onderzoek wordt uitgevoerd
door de Raad voor de Kinderbescherming. De Hoge Raad komt echter tot de
conclusie dat het hof onterecht heeft aangenomen dat er sprake is van
gezinsleven en vernietigt de beschikking van het hof en bekrachtigd de
beschikking van de rechtbank. Zie ook: Hof Amsterdam 19 januari 1995, RN
1995, 490, m.nt. Nora Holtrust en Ineke de Hondt (489, 490, 491).

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties Met een op 16 februari 1994 ter
griffie van de Rechtbank te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft
verweerster in cassatie -verder te noemen: de moeder -zich gewend tot die
Rechtbank met het verzoek voor haar minderjarige kind J geboren te
Amsterdam op 21 juni 1985 uit een relatie van de moeder met verzoeker tot
cassatie -verder te noemen: de man-, een omgangsregeling met de man vast
te stellen. Nadat de man tegen het verzoek verweer had gevoerd, heeft de
Rechtbank bij beschikking van 27 april 1994 de moeder niet ontvankelijk
verklaard in haar verzoek. Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger
beroep ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam. Bij tussenbeschikking van
27 oktober 1994 heeft het Hof de moeder ontvankelijk verklaard in haar
hoger beroep en een datum voor een nadere behandeling bepaald. Bij
beschikking van 19 januari 1995 heeft het Hof de moeder alsnog in de
gelegenheid gesteld de in art. 1:349 lid 1 BW voorgeschreven machtiging
van de Kantonrechter over te leggen, en voorts het onderzoek heropend, de
Raad voor de Kinderbescherming te Amsterdam verzocht een onderzoek in te
stellen en omtrent de resultaten van dit onderzoek te rapporteren en te
adviseren, en iedere verdere beslissing aangehouden. Laatstgenoemde
beschikking is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van het Hof van 19 januari
1995 heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan
deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De moeder heeft
verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal
in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot vernietiging van de
beschikking van het Hof en tot niet- ontvankelijkverklaring van de moeder
in haar verzoek.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie moet van het volgende
worden uitgegaan. (i) De moeder heeft in de periode juli 1984 tot en met
oktober 1984 een seksuele relatie met de man gehad. Zij hebben nooit
samengewoond. (ii) De man heeft de relatie verbroken nadat hij ervan op
de hoogte was dat de moeder zwanger was. (iii) Op 21 juni 1985 is de
moeder bevallen van haar zoon J. J is niet erkend. De moeder heeft geen
vaderschapsactie tegen de man ingesteld. (iv) De man erkent dat hij in het
conceptietijdvak met de moeder gemeenschap heeft gehad, maar betwist dat
hij de verwekker van J is. (v) J maakt, samen met een kind uit een
ontbonden huwelijk van de moeder, deel uit van haar gezin. Hij heeft te
kennen gegeven dat hij de behoefte heeft zijn vader te ontmoeten. (vi) De
man is gehuwd. Hij heeft vanaf de geboorte van J nooit contact met hem
gehad, noch ook willen hebben; over een dergelijk contact heeft tussen de
moeder en de man nooit een afspraak bestaan. De man is niet bereid
vrijwillig mee te werken aan enige vorm van omgang met J, aanvoerende dat
hij de gevraagde omgang emotioneel niet aankan en dat deze zijn huwelijk
onder druk zou zetten. Tussen de broer van de man en J zijn wel contacten
tot stand gekomen.

3.2. De moeder heeft in deze procedure verzocht een omgangsregeling tussen
J en de man vast te stellen. In hoger beroep is gebleken dat zij dit
verzoek mede heeft gedaan als wettelijk vertegenwoordigster van J. De
Rechtbank heeft de moeder niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek op
de gronden dat niet is komen vast te staan dat de man de verwekker is van
J, en dat ook geen sprake is geweest van “family life” tussen de man
enerzijds en de moeder en/of J anderzijds voor of na de geboorte van J.
Het Hof heeft in zijn bestreden beschikking anders geoordeeld. Het heeft
vooreerst geoordeeld (rov. 3.1) dat de man moet worden aangemerkt als de
biologische vader van J. Vervolgens heeft het geoordeeld, verkort
weergegeven: dat in de context van een verzoek van de zijde van J om
vaststelling van een omgangsregeling met zijn biologische vader een als
“family life” aan te merken betrekking bestaat (rov. 3.2 – 3.4); dat,
indien het in verband met de ontwikkeling van J wenselijk is dat hij enig
contact heeft met zijn vader, het de man naar maatstaven van
maatschappelijke betamelijkheid niet vrijstaat zich aan elke
verantwoordelijkheid in dit verband te onttrekken (rov. 3.5); dat het Hof
voor zijn oordeel steun vindt in artikel 7 van het Verdrag inzake de
rechten van het kind (rov. 3.6); dat niet aannemelijk is dat het
realiseren van enig contact tussen kind en biologische vader buiten de
rechtsvormende taak van de rechter valt (rov. 3.7); dat het in voormelde
context gedane beroep op artikel 8 EVRM gegrond is (rov. 3.8); dat J in
beginsel recht heeft op enige vorm van omgang c.q. contact met de man,
doch dat dit recht moet wijken voor de rechten en vrijheden van de man
indien deze zwaarder zouden wegen (rov. 3.9); dat een onderzoek door de
Raad voor de kinderbescherming noodzakelijk is alvorens het Hof tot enige
belangenafweging komt (rov. 3.10). Tegen deze oordelen richt zich het
middel van cassatie.

3.3. De Hoge Raad zal allereerst onderdeel 2 van het middel behandelen.
Het onderdeel strekt ten betoge dat het Hof in zijn rov. 3.2 – 3.9 blijk
heeft gegeven van een onjuiste opvatting omtrent hetgeen moet worden
verstaan onder “family life” in de zin van artikel 8 EVRM. Bij de
beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat het Hof ter
inleiding van zijn bestreden oordeel met juistheid heeft geoordeeld (rov.
3.3, eerste drie zinnen) dat de eisen die aan het bestaan van “family
life” gesteld moeten worden, afhankelijk zijn van de context waarin op
artikel 8 een beroep wordt gedaan, dat daarbij mede van belang is wie het
beroep doet, en dat, indien een kind de bescherming van artikel 8 inroept
teneinde enige vorm van contact met zijn biologische vader te realiseren,
niet dezelfde voorwaarden behoeven te worden gesteld als wanneer de
biologische vader op enige vorm van contact met een door hem verwekt maar
niet erkend kind aanspraak maakt. Het Hof heeft voorts terecht gewezen op
de mede-verantwoordelijkheid die de biologische vader draagt voor het
bestaan van het kind (rov. 3.3, laatste zin). Mede in het licht van de
rechtspraak van het EHRM – in het bijzonder de arresten van 21 juni 1988,
Serie A nr. 138, NJ 1988, 746 (Berrehab), 26 mei 1994, Serie A nr. 290,
NJ 1995, 247 (Keegan) en 27 oktober 1994, Serie A nr. 297, NJ 1995, 248
(Kroon) – moet echter worden aangenomen dat ook in de context van een
verzoek van de zijde van een kind om vaststelling van een omgangsregeling
met zijn biologische vader, niet kan worden gesproken van een als “family
life” in de zin van artikel 8 aan te merken betrekking op de enkele grond
dat het kind door de biologische vader is verwekt. De aard en de
bestendigheid van de aan de geboorte van het kind voorafgegane relatie
tussen de moeder en de verwekker mogen niet buiten beschouwing worden
gelaten. Dit heeft het Hof miskend. ’s Hofs oordeel (rov. 3.4) dat de in
zijn beschikking onder 2.2 en 2.3 vermelde omstandigheden voldoende zijn
om te dezen “family life” aan te nemen, komt immers in feite erop neer dat
reeds door het enkele feit van de door het Hof aangenomen verwekking van
J door de man “family life” tussen hen is ontstaan. Het onderdeel treft
derhalve doel.

3.4. Het Hof heeft de in rov. 3.4 en 3.5 van zijn beschikking gegeven
oordelen mede doen steunen (rov. 3.6) op het bepaalde in artikel 7 van het
Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 46 en 170). Dit op 20
november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag is door het Koninkrijk
goedgekeurd bij Rijkswet van 24 november 1994, Stb. 862, en op 8 maart
1995 voor Nederland in werking getreden (zie Trb. 1995, 92). Artikel 7 lid
1 van het Verdrag bepaalt, voor zover hier van belang, dat het kind, voor
zover mogelijk, het recht heeft zijn of haar ouders te kennen en door hen
te worden verzorgd (de authentieke teksten spreken van “the right to know
and be cared for by his or her parents” respectievelijk “le droit de
connaitre ses parents et d’etre eleve par eux”). Het Hof heeft geoordeeld:
“Het recht van het kind om voor zover mogelijk zijn of haar ouders te
kennen, omvat meer dan slechts het recht hun namen te vernemen”. Onderdeel
5 keert zich tegen laatstvermeld oordeel. Het onderdeel moet
klaarblijkelijk aldus worden begrepen dat het dit oordeel als onjuist
bestrijdt. Het onderdeel faalt voor zover het aanvoert dat het bedoelde
recht van het kind om zijn ouders te kennen, niet meer omvat dan het
enkele recht om de namen van zijn ouders te vernemen: de bewoordingen en
de mede op het psychisch welzijn van het kind gerichte strekking van de
bepaling verzetten zich tegen een zo beperkte uitleg ervan. Het onderdeel
treft echter doel voor zover het strekt ten betoge dat het Hof ten
onrechte uit artikel 7 heeft afgeleid dat in een situatie als hier door
het Hof is aangenomen, waarin het gaat om een door de biologische vader
niet erkend kind waarmee hij geen persoonlijk contact wil hebben, het kind
het recht heeft dit geweigerde persoonlijke contact tegen de wil van die
vader af te dwingen. Niet aannemelijk is dat de verdragsluitende staten
een zo ver gaand recht op het oog hebben gehad. Het Hof heeft dan ook ten
onrechte gemeend steun voor zijn in de rov. 3.4 en 3.5 van zijn
beschikking gegeven oordelen te kunnen vinden in artikel 7 van het
Verdrag.

3.5. Uit het voorgaande volgt dat ’s Hofs beschikking niet in stand kan
blijven. De onderdelen 1, 3 en 4 kunnen derhalve bij gebrek aan belang
onbesproken blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Hetgeen door
de moeder ten grondslag is gelegd aan haar verzoek tot het vaststellen van
een omgangsregeling tussen J en de man, is onvoldoende om haar in dit
verzoek te kunnen ontvangen. De beschikking van de Rechtbank dient
derhalve te worden bekrachtigd, wat er zij van de door de Rechtbank
gebezigde gronden.

4. Beslissing De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het Gerechtshof
te Amsterdam van 19 januari 1995; bekrachtigt de beschikking van de
Rechtbank te Amsterdam van 27 april 1994.

Rechters

Mrs Royer, Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Swens-Donner

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 22 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft een personeelsadvertentie geplaatst voor de
functie van groepsbegeleider bij het Boddaerthuis De Reinboge te Sneek.
In deze advertentie wordt gevraagd: “Welke vent met visie komt ons team
in Sneek versterken?”. Verzoekster is van mening dat deze
vacaturemelding in strijd is met de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB). De Commissie stelt allereerst vast dat noch de
wederpartij noch de instelling waar de vacature ontstond instellingen
zijn op godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag. Derhalve
toetst de Commissie niet aan artikel 5 Algemene wet gelijke
behandeling, waarin onder bepaalde voorwaarden onderscheid op grond van
geslacht wordt toegestaan bij de aanbieding van een betrekking en
vervulling van een openstaande betrekking als het een instelling met
een godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag betreft.

De Commissie is van oordeel dat de naar geslacht gemengde samenstelling
van groepsleiders bezien moet worden binnen het kader van deze vaste
groepsleiding binnen een team. In het team waar de vacature voor een
derde groepsleider ontstond was sprake van twee vrouwelijke
groepsleiders. De Commissie concludeert naar aanleiding hiervan, dat de
door de wederpartij aannemelijk gemaakte noodzaak van ook mannelijke
groepsleiders in haar hulpverleningsaktiviteiten daarom leidt tot
geslachtsbepaaldheid van de in deze zaak in geding zijnde functie.

De Commissie overweegt ten aanzien van de advertentietekst het
volgende. Gelet op de geslachtsbepaaldheid van de functie mocht de
wederpartij onderscheid maken op grond van geslacht bij de aanbieding
van de betrekking door zich in de advertentie alleen te richten tot
mannen.

De Commissie is met verzoekster van oordeel, dat uit de tekst van de
advertentie niet duidelijk blijkt of sprake is van een
geslachtsbepaalde functie dan wel van een voorkeur voor een man. Nu van
het eerste sprake is, moet aan de in artikel 3 lid 2 WGB gestelde eis
van uitdrukkelijke vermelding van deze grond voor het onderscheid in de
advertentie zijn voldaan. Aangezien uit de tekst “Gezien de
samenstelling van het team wordt de voorkeur gegeven aan een mannelijke
kandidaat” de grond voor het onderscheid, namelijk de
geslachtsbepaaldheid van de functie, niet kan worden afgeleid, heeft de
wederpartij hiermee in strijd gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 juni 1995 verzocht de Stichting Emancipatiebureau Friesland
te Leeuwarden (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting
Dagbehandeling kinderen en jeugdigen te Leeuwarden (hierna: de
wederpartij) onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. De wederpartij heeft een personeelsadvertentie geplaatst voor de
functie van groepsbegeleider bij het Boddaerthuis De Reinboge te Sneek.
In deze advertentie wordt gevraagd: “Welke vent met visie komt ons team
in Sneek versterken?”. Verzoekster is van mening dat deze
vacaturemelding in strijd is met de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB).

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid, met
een doelstelling zoals bedoeld in artikel 12 lid 2 onder e Algemene wet
gelijke behandeling. Hiermee voldoet verzoekster aan de eisen die deze
wet aan een groepsactie stelt.

3. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en op grond
van artikel 31 van het Besluit werkwijze commissie aanvankelijk
besloten om in deze zaak de vereenvoudigde procedure toe te passen.
Omdat uit de reactie van de wederpartij op het verzoekschrift bleek dat
niet langer sprake was van kennelijk onderscheid, heeft de Commissie de
vereenvoudigde procedure omgezet in een normale procedure. Partijen
hebben ieder enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten toe te
lichten.

3.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 7 november 1995. Bij deze
zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw. mr. drs. A. Boere (ombudsvrouw
Friesland)

van de kant van de wederpartij – mw.
(personeelsfunctionaris) – dhr. (directeur) – dhr.
(deskundige bij de Vereniging van ondernemingen in de gepremieerde en
gesubsidieerde sector VOG en voormalig directeur Boddaert-huis
Groningen)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer) – dhr.
mr. W.A. van Veen (lid Kamer) – mw. A.C. van Doornen (secretaris
Kamer).

3.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 3.2.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. De wederpartij is een voorziening van jeugdhulpverlening die
vanuit drie Medisch Kleuterdagverblijven en drie Boddaerthuizen
dagbehandeling biedt aan 134 kinderen en jeugdigen. Onder een
Boddaertcentrum wordt verstaan een voorziening van jeugdhulpverlening
waarin en van waaruit aan jeugdigen en de gezinnen waartoe zij behoren
gedurende een deel van het etmaal behandeling en begeleiding wordt
geboden. Het gaat daarbij om psycho-sociale problemen, waaronder
emotionele problemen, ontwikkelingsachterstanden zowel cognitief als
emotioneel, ten gevolge van een in aanleg problematische ontwikkeling
van de jeugdige, dan wel een zodanig ernstig ontwrichte opvoedings- en
gezinssituatie dat behandeling geboden is (artikel 1 Boddaert Statuut).
De jeugdigen verblijven in de regel in vaste groepen met een vaste
groepsleiding in een speciaal ingerichte groepsruimte (artikel 2
Boddaert Statuut).

Binnen het Boddaerthuis De Reinboge te Sneek richt de behandeling zich
op groepen van acht kinderen in de leeftijd tussen vijf en dertien
jaar, in aansluiting op de schooltijden tot na het avondeten. Elk team
heeft drie groepsbegeleiders. Het team waarbij de vacature is ontstaan
bestaat uit een vrouwelijke maatschappelijk werker, een vrouwelijke
orthopedagoog, een vrouwelijke kok en twee (parttime) vrouwelijke
groepsbegeleiders.

4.2. De wederpartij heeft op 6 mei 1995 in de Volkskrant geadverteerd
voor een groepsbegeleider bij genoemd Boddaerthuis, bij voorkeur met
werkervaring binnen de Boddaerthulpverlening. In de advertentie staat:
“Welke vent met visie komt ons team in Sneek versterken?”. Gemeld wordt
tevens dat de wederpartij gezien de samenstelling van het team de
voorkeur geeft aan een mannelijke kandidaat en de behandeling zich
voornamelijk richt op het kind, maar altijd in relatie tot het gezin.

4.3. De wederpartij heeft alleen mannelijke kandidaten voor een
sollicitatiegesprek opgeroepen. Aan vrouwen die solliciteerden is
schriftelijk medegedeeld dat zij niet aan het gewenste profiel
voldeden. Uiteindelijk is een mannelijke kandidaat benoemd welke per 1
augustus 1995 in dienst is getreden.

4.3. De wederpartij gaat volgens artikel 1 lid 3 van haar statuten uit
“van de gelijkwaardigheid van alle levensbeschouwingen en
maatschappelijke stromingen in die zin dat kinderen en jeugdigen een
levensbeschouwing kunnen opbouwen en van daaruit een eigen inbreng
kunnen hebben, een en ander met respect voor de levens- en
maatschappijbeschouwing van anderen”. Het medisch kleuterdagverblijf De
Reinboge te Sneek heeft blijkens genoemd artikel van de statuten een
bijzondere, namelijk protestants christelijke grondslag.

De standpunten van partijen

4.4. Verzoekster stelt het volgende. De tekst van de onderhavige
advertentie is onduidelijk, maar in ieder geval in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Indien namelijk
sprake zou zijn van voorkeur voor een man, staat de functie in principe
ook open voor vrouwen. Dan ontbreekt ten onrechte de aanduiding m/v en
is de aanduiding “een vent met visie” niet correct. Dit suggereert
immers dat alleen mannen op de advertentie mogen solliciteren. In
geval sprake zou zijn van een geslachtsbepaalde functie, is het vragen
van “een vent met visie” wel acceptabel, maar dienen de
geslachtsbepaaldheid van de functie en de reden daarvan in de
advertentie te worden vermeld.

Verzoekster stelt begrip te hebben voor de hulpverleningsvisie van de
wederpartij en het vermelden van de voorkeur voor een man gezien de
samenstelling van het team redelijk te vinden. Het is echter niet
redelijk dat de wederpartij haar hulpverleningsvisie in absolute zin
doorvoert en vrouwen, ongeacht hun kwalificaties alleen omwille van hun
geslacht uitsluit. Aangaande de geslachtsbepaaldheid van de functie van
groepsbegeleider stelt verzoekster, dat bij de wederpartij al gedurende
lange tijd zowel mannen als vrouwen de functie van groepsbegeleider
vervullen. Verzoekster acht het ook niet wenselijk dat in het geval
geen mannelijke kandidaten voor de functie beschikbaar zijn, geen
enkele vrouw op de functie zou kunnen worden benoemd waardoor de
vacature niet zou worden opgevuld.

Ter zitting stelt verzoekster, gehoord de wederpartij, zich te kunnen
vinden in een eventueel oordeel van de Commissie waarin wordt
geconcludeerd tot geslachtsbepaaldheid van de functie. Ook in de
correspondentie met de wederpartij heeft zij steeds aangegeven dat het
haar met name gaat om de advertentietekst.

4.5. De wederpartij stelt het volgende. De functie waarop de
advertentie betrekking heeft is geslachtsbepaald. De wederpartij doet
daarom een beroep op artikel 1 sub e van het Besluit
beroepsaktiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (Besluit
beroepsaktiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn, Stb. 1989,
207). Dit artikel betreft onder meer de beroepsmatige hulpverlening aan
personen.

De wederpartij is met verzoekster van oordeel dat de functie van
groepsbegeleider op zich door zowel een man als een vrouw kan worden
vervuld. De gezinsfunctie echter zal door beide geslachten gezamenlijk
moeten worden ingevuld. Bij het vaststellen van de functie- eisen wordt
niet vanuit de functie van groepsbegeleider geredeneerd, maar vanuit de
visie op de hulpverlening aan het kind en het betreffende gezin.
Binnen de werksoort is het, gezien de problematiek van de te behandelen
kinderen, een methodisch gegeven dat per groep een naar geslacht
gemengde formatie van twee a drie groepsbegeleiders werkzaam is. Bij
jeugdinternaten bestaat dezelfde visie. Vanaf 1 januari 1996 zal de
wederpartij in een nieuwe organisatie met enkele jeugdinternaten
samenwerken. De problematiek van de kinderen in beide typen
instellingen is gelijksoortig.

In de hulpverlening in Nederland is het gemeengoed te streven naar een
nabootsing van het gezinssysteem. Dit houdt geen waarde-oordeel in over
traditionele of niet-traditionele gezinnen. Gewerkt wordt vanuit het
idee uit de ontwikkelingspsychologie dat het, bij de opvoeding, voor
het kind van belang is dat identificatie met en imitatie van zowel een
man als een vrouw plaatsvindt. Er wordt dan ook gewerkt met
pseudovaders en pseudomoeders. Deze eerstegraads strategie is gericht
op de totale groep. De tweedegraads strategie houdt in dat verfijningen
worden aangebracht op grond van de individuele kenmerken en
achtergronden van het kind. Zo wordt rekening gehouden met onder meer
het feit dat een aantal kinderen afkomstig zijn uit eenoudergezinnen of
andersoortige gezinnen. Deze laatste strategie wordt opgenomen in het
behandelingsplan van ieder kind.

Het is een feitelijk gegeven binnen de doelgroep van de wederpartij dat
vaak de vader zijn verantwoordelijkheid niet voldoende heeft opgepakt.
Het belang van de pseudovader is voor de hulpverlening dan ook groot.
Het feit dat de verstoorde relatie tussen ouder(s) en kind in de
instelling moet worden opgelost is een belangrijke reden voor het
hanteren van een naar geslacht gemengd team van hulpverleners. Het kind
kan immers bij de pseudovader ervaren dat het anders kan. In de
hulpverleningsvisie van de wederpartij wordt ook opvoedingshulp aan de
ouders aangeboden.

Afhankelijk van het behandelingsplan van het kind en afhankelijk van
het type gezin waar het kind uit komt, zal de ene groepsbegeleider zich
meer met het ene kind bezighouden en de andere groepsbegeleider met het
andere kind. De behandeling van een kind met een neurotische
achtergrond bijvoorbeeld, fixeert zich vaak op een van de beide
geslachten. Voor een jongere zonder structuur kan het goed zijn om
juist met een mannelijke groepsbegeleider meer activiteiten te
ondernemen.

4.6. Zouden in het team twee mannelijke groepsleiders werkzaam zijn,
dan zou geadverteerd zijn voor een vrouw, eveneens vanwege de
geslachtsbepaaldheid van de functie gelet op de samenstelling van het
team. De inhoud van de in geding zijnde advertentietekst “een vent met
visie” vindt haar oorsprong in het Boddaert hulp- verleningsbeleid, de
prikkelende formulering van de tekst heeft te maken met de krapte op de
arbeidsmarkt onder mannelijke groepsbegeleiders.

De wederpartij merkt ten aanzien van het bezwaar van verzoekster
aangaande het uitsluiten van vrouwen voor de onderhavige vacature op,
dat slechts in zeer bijzondere omstandigheden (herhaalde oproepen, geen
geschikte mannelijke kandidaten, ernstig gevaar voor de continuiteit
van de hulpverlening) sprake had kunnen zijn van een (tijdelijke)
aanstelling van een vrouwelijke medewerker op de onderhavige functie.
Als geen enkele mannelijke kandidaat beschikbaar zou zijn geweest, zou
echter allereerst tijdelijk een mannelijke groepsbegeleider uit een van
de andere Boddaerthuizen zijn overgeplaatst.

Ten aanzien van de advertentietekst erkent de wederpartij zowel in de
correspondentie met verzoekster als ter zitting, dat expliciet in de
advertentie vermeld had moeten worden dat de onderhavige functie van
groepsbegeleider geslachtsbepaald is. Hoewel dit naar de mening van de
wederpartij wel impliciet is geschied door de verwijzing naar de
samenstelling van het team, betreurt zij deze omissie.

4.7. De wederpartij beschikt niet over een schriftelijke aanduiding of
onderbouwing van de Boddaerthulpverlening ten aanzien van de naar
geslacht gemengde samenstelling van de groepsbegeleiders in het team.
In die zin is sprake van impliciet beleid, hoewel dit wel door alle
collega-instellingen wordt onderschreven. De wederpartij heeft
inmiddels maatregelen genomen om in een document over kwaliteitseisen
haar visie op de geslachtsbepaaldheid van groepsleidersfuncties op te
nemen. De wederpartij stelt dat noch zijzelf noch de onder haar
ressorterende instellingen, met uitzondering van het medisch
kleuterdagverblijf De Reinboge, een godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag hebben.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
door bij de werving voor de functie van groepsbegeleider bij een
jeugdhulpverleningsinstelling te vragen naar “een vent met visie”,
waarbij verwezen wordt naar de samenstelling van het team.

De Commissie stelt allereerst vast dat noch de wederpartij noch de
instelling waar de vacature ontstond instellingen zijn op godsdienstige
of levensbeschouwelijke grondslag. Derhalve toetst de Commissie niet
aan artikel 5 Algemene wet gelijke behandeling, waarin onder bepaalde
voorwaarden onderscheid op grond van geslacht wordt toegestaan bij de
aanbieding van een betrekking en vervulling van een openstaande
betrekking als het een instelling met een godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag betreft.

5.2. Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt onder meer het maken van onderscheid
tussen mannen en vrouwen bij het aanbieden van een betrekking.

Artikel 3 lid 3 WGB schrijft voor dat uit de tekst en vormgeving van
een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen als vrouwen in
aanmerking komen. Lid 4 van genoemd artikel bepaalt dat bij een
functiebenaming of zowel de mannelijke als de vrouwelijke
functiebenaming gebruikt moet worden, of uitdrukkelijk vermeld dat
zowel mannen als vrouwen in aanmerking komen.

Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt onder meer dat voor zover het betreft de
toegang tot beroepsactiviteiten, van artikel 3 WGB mag worden afgeweken
in die gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de
uitoefening van de betreffende beroepsactiviteit het geslacht bepalend
is voor de functie. Artikel 5 lid 3 sub c WGB stelt dat een aantal
beroepsaktiviteiten waarbij sprake kan zijn van geslachtsbepaaldheid
nader bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
aangewezen.

Ingeval de functie geslachtsbepaald is in de zin van de wet, bepaalt
artikel 3 lid 2 WGB onder meer dat de grond voor het gemaakte
onderscheid uitdrukkelijk bij het aanbieden van de betrekking moet
worden vermeld.

5.3. De Commissie overweegt ten aanzien van de geslachtsbepaaldheid van
de functie het volgende.

Aan artikel 5 lid 3 sub c WGB is nadere uitwerking gegeven in de
Algemene maatregel van bestuur inzake beroepsaktiviteiten waarvoor het
geslacht bepalend kan zijn (hierna: de AMVB) (Zie noot 1).

Artikel 1 sub e van de AMVB bepaalt onder meer dat als
beroepsactiviteiten, waarvoor in een voorkomend geval vanwege hun aard
of de voorwaarden voor de uitoefening ervan het geslacht bepalend kan
zijn, beschouwd mogen worden die beroepsactiviteiten, welke behoren tot
onder andere de volgende categorie: “de beroepsactiviteiten die
inhouden de persoonlijke verzorging, verpleging of opvoeding van dan
wel hulpverlening aan personen, indien de goede uitoefening van de
aangeboden betrekking binnen het geheel van de arbeidsorganisatie ertoe
noodzaakt dat deze wordt vervuld door een persoon van een bepaald
geslacht”.

5.4. De Nota van Toelichting op de AMVB stelt dat de categorie van
beroepsactiviteiten onder artikel 1 sub e van de AMVB wordt beperkt
door “de objectiveerbare eis dat de goede uitoefening van de bewuste
beroepsactiviteiten uitsluitend kan geschieden door personen van een
bepaald geslacht, terwijl dit gegeven in het geheel van de activiteiten
van de betreffende arbeidsorganisatie ook een zodanige betekenis moet
hebben, dat daaruit consequenties getrokken moeten worden door het
aanbieden van de betrekking aan een persoon van een bepaald geslacht”
(Tweede Kamer, 1986-1987, 19908, nr. 3, p. 47). In deze afweging moet
derhalve tevens worden betrokken de mogelijkheid om de werkzaamheden in
de betreffende arbeidsorganisatie zodanig in te richten, dat aan de
voorwaarden voor een goede uitoefening van de aangeboden betrekking
wordt voldaan zonder dat dit tot gevolg heeft dat een betrekking
slechts aan een persoon van een bepaald geslacht moet worden aangeboden
(Tweede Kamer, 1986-1987, 19908, nr. 3, p. 48).

Genoemde Nota van Toelichting stelt tevens, dat de bepaling ruimte
biedt voor het streven, binnen jeugdinternaten en vergelijkbare
instellingen, een zeker evenwicht te bewaren tussen het aantal
mannelijke en vrouwelijke groepsleiders, mits duidelijk vaststaat dat
zulks zijn grond vindt in pedagogische overwegingen (Zie noot 3).

5.5. De Commissie overweegt allereerst, dat bij de toetsing of een
concreet geval valt binnen de termen van de uitzonderingen zoals de
AMVB die uitwerkt, zorgvuldig moet worden bezien of daarbij voldaan
wordt aan alle gestelde eisen. Uitzonderingen op het gebod van gelijke
behandeling dienen in het algemeen restrictief uitgelegd te worden,
teneinde te voorkomen dat dit gebod al te zeer wordt uitgehold (Zie ook
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 30
augustus 1990, oordeel 55B- 90-118, Oordelenbundel 1989/1990).

5.6. De Commissie stelt vast, dat de functie van groepsbegeleider
waarvoor is geadverteerd beroepsaktiviteiten betreft zoals bedoeld in
artikel 1 sub e van de AMVB Tevens constateert de Commissie, dat het
Boddaerthuis waar de vacature was ontstaan, een met een jeugdinternaat
vergelijkbare instelling is zoals bedoeld in de Nota van Toelichting op
de AMVB Voor zover hier relevant is bij de wederpartij immers sprake
van jeugdhulpverlening, waarbij de jeugdigen dagelijks verblijven in
een speciaal ingerichte groepsruimte, in vaste groepen met een vaste
groepsleiding.

Ten aanzien van het in genoemde Nota van Toelichting gestelde, dat de
geslachtsbepaaldheid van groepsleiders gegrond moet zijn in
pedagogische overwegingen, concludeert de Commissie dat de wederpartij
dit laatste aannemelijk heeft gemaakt. De wederpartij baseert zich op
de theorie uit de ontwikkelingspsychologie waarbij bij de opvoeding van
het kind het belang wordt benadrukt van identificatie met en imitatie
van zowel een man als een vrouw. Zij heeft het belang van de
pseudovader geduid met verwijzing naar zich in haar
hulpverleningspraktijk feitelijk manifesterende problemen met kinderen
wier behandelingsplan de aanwezigheid van een mannelijke groepsleider
als pseudovader vereist. Naar het oordeel van de Commissie heeft de
wederpartij overtuigend duidelijk gemaakt dat naast een vrouwelijke ook
een mannelijke groepsleider nodig is teneinde bij de verstoorde
ouder(s)-kindrelatie het kind de ervaring te geven van een niet-
verstoorde relatie en dat ook anderszins (bij kinderen met een
bepaalde, bijvoorbeeld neurotische, achtergrond) een goede
hulpverlening kan nopen tot de aanwezigheid van een mannelijke
groepsleider.

De Commissie overweegt hierbij dat, indien de noodzaak van het
vervullen van een bepaalde functie door een man aannemelijk is gemaakt,
dit niet hoeft te betekenen dat de hier in geding zijnde functie
geslachtsbepaald is in de zin van de wet. Daartoe moet immers ook
onderzocht worden of de werkzaamheden in genoemd Boddaerthuis zodanig
kunnen worden ingericht, dat aan de voorwaarden van een goede
uitoefening van de functie van groepsleider wordt voldaan zonder dat de
betrekking slechts aan een man moet worden aangeboden. Ten aanzien van
deze in de Nota van toelichting gestelde voorwaarde stelt de Commissie
allereerst vast, dat in deze zaak sprake is van dagbehandeling waarbij
met vaste groepen kinderen in een speciaal daartoe ingerichte ruimte
wordt gewerkt en dat voor een adequate behandeling elk team een vaste
groepsleiding heeft. De Commissie is hierbij van oordeel dat de naar
geslacht gemengde samenstelling van groepsleiders bezien moet worden
binnen het kader van deze vaste groepsleiding binnen een team. In het
team waar de vacature voor een derde groepsleider ontstond was sprake
van twee vrouwelijke groepsleiders. De Commissie concludeert naar
aanleiding hiervan, dat de door de wederpartij aannemelijk gemaakte
noodzaak van ook mannelijke groepsleiders in haar
hulpverleningsaktiviteiten daarom leidt tot geslachtsbepaaldheid van de
in deze zaak in geding zijnde functie.

5.7. De Commissie overweegt ten aanzien van de advertentietekst het
volgende.

Gelet op de geslachtsbepaaldheid van de functie mocht de wederpartij
onderscheid maken op grond van geslacht bij de aanbieding van de
betrekking door zich in de advertentie alleen te richten tot mannen.
De Commissie is met verzoekster van oordeel, dat uit de tekst van de
advertentie niet duidelijk blijkt of sprake is van een
geslachtsbepaalde functie dan wel van een voorkeur voor een man. Nu van
het eerste sprake is, moet aan de in artikel 3 lid 2 WGB gestelde eis
van uitdrukkelijke vermelding van deze grond voor het onderscheid in de
advertentie zijn voldaan. Aangezien uit de tekst “Gezien de
samenstelling van het team wordt de voorkeur gegeven aan een mannelijke
kandidaat” de grond voor het onderscheid, namelijk de
geslachtsbepaaldheid van de functie, niet kan worden afgeleid, heeft de
wederpartij hiermee in strijd gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting
Dagbehandeling kinderen en jeugdigen in Friesland te Leeuwaren jegens
de Stichting Emancipatiebureau Friesland te Leeuwarden

1. door de betrekking alleen aan mannen aan te bieden geen onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen vanwege de
geslachtsbepaaldheid van de functie.

2. door bij de aanbieding van de betrekking niet uitdrukkelijk de grond
voor het gemaakte onderscheid te vermelden in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt
zoals bedoeld in artikel 3 lid 2 Wet gelijke behandeling mannen en
vrouwen.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw.A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd. Bij de selectie is
gebruik gemaakt van een psychologische test. Volgens verzoekster maakt
deze test onderscheid op grond van geslacht. De wederpartij heeft als opdrachtgeefster
een eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en betrouwbaarheid van
door het testbureau gebruikte testmethoden. Daarnaast is de wederpartij
verantwoordelijk voor het eigen handelen ten aanzien van de psychologische
tests. De Commissie is van mening dat er onvoldoende gegevens voorhanden
zijn om tot een oordeel te komen over de vraag of de test in dit geval
indirect onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft. Het eigen
handelen van de wederpartij ten aanzien van de psychologische tests doet
geen ongelijke behandeling van mannen en vrouwen vermoeden. Geen strijd
met de wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 juli 1994 verzocht mevrouw (….) te Den Haag (hierna: verzoekster)
de Commissie gelijke behandeling gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid om haar oordeel uit te spreken over de vraag of de Stichting
Thuiszorg te Den Haag (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft bij de wederpartij gesolliciteerd naar de functie
van centrummanager. In opdracht van de wederpartij heeft een extern adviesbureau
de kandidaten voor deze functie psychologisch getest. Verzoekster werd
op grond van deze test niet geschikt bevonden en is voor de desbetreffende
functie afgewezen. Zij stelt dat de test die zij heeft afgelegd onderscheid
naar geslacht maakt, nu er relatief gezien meer mannen dan vrouwen geschikt
bevonden zijn. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Deze
Commissie is op 1 september 1994, de datum van inwerkingtreding van de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) opgeheven.
Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1 september 1994 ingestelde
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie). Deze Commissie heeft
het onderzoek in de onderhavige zaak voortgezet.
Verzoekster heeft ook een verzoek over deze zaak ingediend met het adviesbureau
als wederpartij.

De Commissie heeft bij het Nederlands Instituut van Psychologen informatie
opgevraagd over onderzoeksmateriaal dat betrekking heeft op bevoordeling
van mannen en vrouwen bij psychologische tests. Met betrekking tot de onderhavige
testen zijn hier evenwel geen conclusies aan verbonden. Ter zitting zijn
partijen in kennis gesteld van een informeel schrijven van een extern deskundige
over de validiteit van de zogenaamde assessment center testmethode.

2.2. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.
Vervolgens zijn partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 31 oktober 1995.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster
– mw. (….)

van de kant van de wederpartij
– dhr. mr. C.J. Hagen (advocaat)

van de kant van de Commissie
– mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter)
– mw. mr. L. Mulder (lid Kamer)
– dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer)
– mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was tot oktober 1993 feitelijk bij de wederpartij werkzaam
in de functie van wijkteammanager. Zij was toen omstreeks 14 jaar bij de
wederpartij in dienst. Naar aanleiding van een fusie van de wederpartij
met een andere organisatie, is besloten de functie van wijkteammanager
te vervangen door de nieuwe functie van centrummanager. Door de fusie ontstonden
er acht vacatures voor de functie van centrummanager.

In opdracht van de wederpartij heeft een extern adviesbureau de kandidaten
voor deze functie psychologisch getest. De test werd afgelegd door dertien
interne kandidaten, onder wie tien vrouwen en drie mannen. Op grond van
de test werden twee vrouwen en alle mannen voor de nieuwe functie geschikt
bevonden. Alle geschikt bevonden kandidaten zijn benoemd tot centrummanager.
Voor de resterende drie vacatures zijn extern drie personen geworven, onder
wie één man en twee vrouwen. Deze drie personen zijn door het adviesbureau
volgens dezelfde methode getest als de interne kandidaten en zijn allemaal
geschikt bevonden voor de desbetreffende functie. Verzoekster heeft niet
alleen bij de wederpartij een klacht ingediend, maar tevens heeft zij een
soortgelijksoortige klacht tegen het adviesbureau ingediend. Wegens overlijden
van de wederpartij is deze procedure gestaakt.

3.2. Verzoekster is op 21 mei 1993 psychologisch getest voor de functie
van centrummana ger. Deze test was gebaseerd op de door de wederpartij
opgestelde functie-eisen en bestond uit drie onderdelen: zes testen met
schriftelijke opgaven, een diepte-interview van anderhalf uur en vijf testen
volgens de assessment center methodiek.
De functievereisten waren: relevante HBO-opleiding; aanvullende management
opleiding op tactisch niveau en ervaring in het leidinggeven aan een multi-functionele
eenheid. Deze testen hielden het volgende in.

Een van de zes schriftelijke testen mat – steekproefsgewijs – de intelligentie
van de kandidaten. De andere vijf testen dienden om persoonlijkheidskenmerken
te meten en omvatten onder meer de volgende onderwerpen:
– flexibiliteit en stressbestendigheid in het omgaan met het werk en met
mensen
– het vermogen conflicten te hanteren
– resultaat gerichtheid
– emphatie/invoelend vermogen
– slagvaardigheid en durf te beslissen in niet alledaagse en andere lastige
situaties
– initiatief
– het vermogen teambuilding te realiseren en samenwerking anderszins
– leiderschapsstijl.

In het diepte-interview kwamen persoonlijke achtergronden aan bod en werd
vooral ingegaan op het arbeidsverleden van de kandidaat.

De assessment center tests bestonden uit drie schriftelijke testen en twee
in de vorm van een rollenspel. De assessment center methode meet steekproefsgewijs
in hoeverre de persoonlijkheidskenmerken en intelligentie in concreet gedrag
omgezet kunnen worden. Populair gezegd is een assessment center test een
praktijktest voor een manager. Onderwerpen die hierbij aan bod komen zijn
onder meer:
– de interdisciplinaire aanpak van een businessplan (werkplan voor een
bepaald jaar);
– concrete gesprekstechnische vaardigheden ten behoeve van bijvoorbeeld
functioneringsgesprekken;
– het hanteren van conflicten.

3.3. Verzoekster werd op grond van deze test voor de desbetreffende functie
niet geschikt bevonden. Van verzoekster is een psychologisch rapport opgemaakt
gedateerd op 24 mei 1993. Op verzoeksters verzoek heeft het adviesbureau
niet het testrapport als zodanig aan haar werkgever overhandigd, maar slechts
de conclusies hieruit.

De wederpartij heeft verzoekster een vervangende functie aangeboden, maar
verzoekster heeft deze functie geweigerd. Vervolgens is er voor verzoekster
een ontslagvergunning aangevraagd bij het arbeidsbureau, welke is verleend.
Verzoekster is per 31 juli 1994 ontslagen.

3.4. De Commissie heeft bij het adviesbureau het volledige onderzoeksrapport
van verzoekster opgevraagd. Dit bleek bij het adviesbureau niet meer aanwezig
te zijn. Het adviesbureau wijst erop te hebben gehandeld conform de richtlijnen
van het Nederlands Instituut van Psychologen, waar het adviesbureau bij
aangesloten was. Volgens deze richtlijnen dienen onderzoeksgegevens van
individuele kandidaten gedurende de periode van één jaar na het onderzoek
bewaard te worden. Tijdens de procedure is de testend psycholoog ongeneeslijk
ziek geworden en overleden. Zijn bureau is om die reden opgeheven zodat
verdere navraag onmogelijk werd.
Ook heeft de Commissie bij de wederpartij en het testbureau de testgegevens
opgevraagd van de andere kandidaten die indertijd zijn getest voor de functie
van centrummanager, alsook een beschrijving van de verschillende onderdelen
van de test die zijn toegepast. Ook deze gegevens bleken niet meer voorhanden
te zijn.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster brengt het volgende naar voren.
Zij heeft haar verzoek niet eerder ingediend, omdat zij pas kort geleden
van het bestaan van de Commissie op de hoogte kwam. Zij heeft onder meer
de werkgever als wederpartij aangemerkt omdat zij van mening is dat deze
een eigen verantwoordelijkheid draagt voor de keuze van het adviesbureau.

De afgewezen groep kandidaten bestaat grotendeels uit vrouwen. Verzoekster
is van mening dat de wederpartij door het laten gebruiken van de desbetreffende
psychologische test indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Dit
heeft zij vlak na de test ook kenbaar gemaakt op die plaatsen binnen de
organisatie die haar nuttig leken. Dit heeft echter niet mogen baten. Het
gevolg van het feit dat er relatief meer mannen dan vrouwen op grond van
de test geschikt zijn bevonden, is dat bij de wederpartij – dat over het
geheel genomen een vrouwenbedrijf is – de top grotendeels uit mannen is
gaan bestaan.

Ter zitting uit verzoekster haar bevreemding over het feit dat tijdens
de test haar een tiental vragen werd gesteld over een wijkbeleidsplan dat
door een man was opgesteld. Volgens verzoekster had een dergelijk onderzoek
behoren plaats te vinden aan de hand van een plan dat door een vrouw was
opgesteld.
Voorts merkt verzoekster op dat haar uit navraag bij het Nederlands Instituut
van Psychologen is gebleken dat onderzoeksgegevens tenminste één jaar en
maximaal vijf jaar bewaard kunnen worden. Zij heeft na de uitslag van de
test geen gebruik gemaakt van de beroepsmogelijkheid omdat zij geen vertrouwen
had in de objectiviteit van betrokkenen.
Ter zitting stelt verzoekster dat de criteria voor de functie van centrummanager
overtrokken zouden zijn.

Volgens haar was er geen substantieel verschil tussen deze functie en de
functie die zij ten tijde van de test uitoefende.

3.6. De wederpartij stelt het volgende.
Zij bestrijdt dat zij direct of indirect onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt. Verzoekster spreekt slechts een hypothese uit die uitsluitend
gevoed wordt door de uitslag van de betreffende onderzoeken. Deze hypothese
wordt op geen enkele wijze gemotiveerd of aannemelijk gemaakt. De wederpartij
voert een consequent beleid, dat bij werving, selectie en benoeming van
personen geen onderscheid tussen mannen en vrouwen wordt gemaakt. Er zijn
uiteindelijk voor de betreffende functie evenveel vrouwen als mannen aangesteld.

In het kader van het selecteren van de kandidaten, heeft de wederpartij
zich door het extern adviesbureau laten informeren over de wijze waarop
dit bureau de psychologische tests zou afnemen. Bij dit overleg over de
selectie en de keuze voor een selectiemethode is geen onderscheid op grond
van geslacht gemaakt.

Het bevreemdt de wederpartij dat verzoekster pas in zo’n laat stadium aanvoert
dat er sprake is van onderscheid op grond van geslacht. Zij heeft dit niet
naar voren gebracht tijdens gesprekken over de uitkomst van de psychologische
tests met de divisiemanager van de wederpartij en met het adviesbureau.
Zij heeft in gesprekken hoogstens gezegd dat het haar opviel dat er (relatief)
meer mannen dan vrouwen geschikt bevonden waren. Ook bij de procedure bij
het Arbeidsbureau heeft zij in haar verweer niet gesteld dat er onderscheid
op grond van geslacht zou zijn gemaakt.

Ter zitting merkt de wederpartij op dat de nieuwe functie een zwaardere
en moeilijker functie was die meer verantwoordelijkheden met zich meebracht,
met name in de financiële en in de personele sfeer. Ook werd de werkstructuur
complexer. De inschaling van de functies duidt er tevens op dat de functie
van centrummanager zwaarder was dan de functie van regiomanager.

Ten slotte stelt de wederpartij dat de klacht van verzoekster zich richt
op de testmethode. De handelwijze van de wederpartij kan niet getoetst
worden zonder de handelwijze van het adviesbureau erbij te betrekken. Het
is volgens de wederpartij de vraag of zij kan worden aangesproken als de
test vrouwonvriendelijk zou zijn.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. De in het geding zijnde vraag is tweeërlei. Zowel wat betreft het
gebruik maken van de psychologische tests in kwestie, als aangaande het
eigen handelen van de wederpartij in deze, doet zich de vraag voor of de
wederpartij jegens verzoekster indirect onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. Naar aanleiding van het verweer van de wederpartij is de Commissie
van oordeel dat de wederpartij op twee manieren een eigen verantwoordelijkheid
draagt inzake de in haar opdracht verrichte selectie door een adviesbureau.
In de eerste plaats is zij als opdrachtgeefster verantwoordelijk voor de
kwaliteit en betrouwbaarheid van de door het testbureau gebruikte testmethoden.
In de tweede plaats is zij verantwoordelijk voor haar eigen handelen ten
aanzien van de psychologische tests. De opdracht voor een test gaat immers
gepaard met een profielschets en functie-analyse. Zodoende wordt het functioneringskader
door de opdrachtgever vastgelegd. Doel van het psychologisch onderzoek
is het geven van een indicatie van het toekomstig functioneren binnen dit
kader. De psycholoog vertaalt de eisen van de opdrachtgever in psychologische
dimensies en verricht de psychologische testen aan de hand van de door
de opdrachtgever verstrekte briefing. Dit heeft tot gevolg dat inzake de
selectie door middel van een psychologische test zowel de opdrachtgever
als de testend psycholoog eigen verantwoordelijkheden dragen.

4.3. Ten tijde dat de psychologische tests bij verzoekster werden afgenomen
gold de tekst van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen van
27 april 1989 (WGB; Stb.1989, 168). Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken
van direct en indirect onderscheid bij onder meer de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking. Onder indirect onderscheid wordt
blijkens artikel 1 WGB verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden
dan geslacht, dat onderscheid op
grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd
is. Dit laatste betekent dat:
– het onderscheid gemaakt wordt om een objectief gerechtvaardigd doel te
dienen en;
– daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit
doel te bereiken, terwijl;
– dit doel niet te bereiken is op andere wijze waarbij geen indirect onderscheid
naar geslacht wordt gemaakt.

4.4. De wederpartij als opdrachtgeefster
Alvorens in te gaan op de in het geding zijnde vraag, merkt de Commissie
op dat de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
er reeds eerder op heeft gewezen dat selectieprocedures inzichtelijk, controleerbaar
en systematisch uitgevoerd moeten worden. Dit is noodzakelijk omdat anders
bewust of onbewust een verboden onderscheid naar geslacht kan plaatsvinden
en anders geen (rechterlijke) controle over de
procedure mogelijk is (Zie onder andere Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 29 oktober 1991, oordeelnummer: 380-91-74;
en 22 april 1992, oordeelnummer: 38-92-16.). Ook het Hof van Justitie van
de EG heeft meermalen gewezen op de noodzaak van doorzichtigheid van procedures
teneinde ongelijke behandeling te voorkomen (Zie de arresten van
– Commissie EG/Frankrijk, 30-6-1988 in zaak 318/86 (Jur. 1988, 3559);
– 17-10-1989 in zaak 109/88 (Jur. 1989, 3199); Handels-og Kontorfunktionaerernes
Forbund i Danmark /Dansk Arbejdsgiverforening, optredend voor Danfoss;
– 17-5-1990 in zaak C-262/88; Barber/Guardian Royal Exchange Assurance
Group (Jur. 1990, I-1889).). Het is evident dat het bestaan van dergelijke
inzichtelijke, controleerbare en systematisch uitgevoerde procedures van
belang is gedurende alle stappen die tijdens een psychologisch onderzoek
worden gezet.

4.5. Wat betreft de in het geding zijnde vraag overweegt de Commissie als
volgt. Het adviesbureau heeft de onderzoeksgegevens van verzoekster – zoals
toegestaan door de richtlijnen van het Nederlands Instituut van Psychologen
– vernietigd. Door de ziekte van de testend psycholoog was het niet mogelijk
om antwoord te krijgen op de vragen van de Commissie of hij in het bezit
was van de functie-analyse die door hem is uitgevoerd, alsmede van een
beschrijving van de verschillende testen die voor de verschillende onderdelen
zijn toegepast en de motivering die aan deze keuze ten grondslag heeft
gelegen.
Het onderzoeksrapport is desgevraagd door verzoekster niet aan de wederpartij
overhandigd. De enige gegevens die bekend zijn met betrekking tot de testresultaten
staan in een zeer summier overzicht van de conclusies daaruit.

4.6. De testgegevens van de andere kandidaten die indertijd zijn getest
voor de functie van centrummanager, alsook een beschrijving van de verschillende
onderdelen van de tests die zijn toegepast, bleken niet meer voorhanden
bij het adviesbureau of de wederpartij.

4.7. De enige informatie over de psychologische tests die op verzoekster
en de andere kandidaten zijn toegepast voor de functie van centrummanager
betreft informatie van zeer algemene aard. Uit de beschikbare informatie
kan niet worden afgeleid of het afnemen van de tests op een inzichtelijke
wijze is gebeurd en of de procedures systematisch en controleerbaar zijn
uitgevoerd, en dus ook niet of er hierbij onderscheid naar geslacht is
gemaakt.

4.8. Het gaat bij de in het geding zijnde vraag niet uitsluitend om een
beoordeling van het testsysteem op inzichtelijkheid en systematische controleerbaarheid
van de procedures. Tevens moet de vraag beoordeeld worden of de toepassing
van het testsysteem als zodanig in het voorliggende geval aan de wettelijke
eisen voldoet.

4.9. Informatie die wel voorhanden is, betreft de aantallen mannen en vrouwen
die op grond van de tests geschikt bevonden zijn. Uit de cijfers blijkt
dat er relatief meer mannen dan vrouwen op grond van de psychologische
test geschikt bevonden zijn. Van de dertien interne kandidaten zijn alle
drie de mannen geschikt bevonden (100%) en twee van de tien vrouwen (2:10
x 100% = 20%). Er zijn dus vijf keer zoveel mannen als vrouwen geschikt
bevonden (100:20).
De drie externe kandidaten, twee vrouwen en een man, zijn voor de overige
drie vacatures allemaal geschikt bevonden. Als cijfers van de interne en
externe kandidaten samen worden genomen, betekent dit dat van de 16 kandidaten
alle vier de mannen geschikt bevonden zijn (dat is 100%) en vier van de
twaalf vrouwen (4:12 x 100% = 33,33%). Dat betekent dat er drie keer zoveel
mannen als vrouwen geschikt bevonden zijn (100 : 33,33).

4.10. Bovenstaande cijfers leveren op zich voldoende grond op om bij de
toepassing van het testsysteem een vermoeden van indirect onderscheid ten
opzichte van vrouwen aan te nemen. Het is in dat geval aan de wederpartij
om nader aannemelijk te maken dat er een objectieve rechtvaardiging voor
het onderscheid in kwestie aanwezig is.

Wat betreft het onderhavige geval is de Commissie echter van mening dat
een dergelijke omkering van de bewijslast een te zware sanctie is. Immers,
de wederpartij heeft – mede omdat verzoekster het adviesbureau heeft verzocht
het testrapport niet uit handen te geven – onvoldoende gegevens om een
dergelijke bewijsopdracht te kunnen vervullen. Evenmin kan de wederpartij
worden tegengeworpen dat door het adviesbureau de testgegevens werden vernietigd.
Het verwijt van de vrouwonvriendelijkheid van de tests werd door verzoekster
in een dermate laat stadium naar voren gebracht dat het vernietigen van
de gegevens door de wederpartij niet meer kon worden voorkomen.
Verzoekster heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid bij het adviesbureau
toelichting op het psychologisch rapport te vragen. Verzoekster heeft ook
geen gebruik gemaakt van de beroepsmogelijkheid bij het Nederlands Instituut
van Psychologen.
Een en ander overziende is de Commissie van mening dat onvoldoende gegevens
voorhanden zijn om tot een oordeel te komen over de vraag of de test in
casu indirect onderscheid voor vrouwen tot gevolg heeft gehad.

4.11. Het eigen handelen van de wederpartij

Ten slotte ligt er de vraag of de wederpartij wat betreft haar eigen handelen
aangaande het onderzoek door het adviesbureau handelde in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

De Commissie oordeelt hierover als volgt.

De wederpartij had tijdens het fusie-overleg afgesproken om voor de benoeming
van de kandidaten voor de functie van centrummanager uitsluitend gebruik
te maken van de testresultaten en functioneringsbeoordelingen buiten beschouwing
te laten omdat deze bij sommige kandidaten wel en bij andere kandidaten
niet aanwezig waren. Door de wederpartij werd een verslag van de gevolgde
procedure en functie- en taakomschrijving centrummanager overgelegd. Het
laatstgenoemde stuk omvat een uitvoerige omschrijving van de functie-eisen
en – inhoud, de werkzaamheden, de verantwoordelijkheden en bevoegdheden,
alsmede van de overleg- en organisatiestructuren waarbinnen en waarmee
de kandidaten zouden moeten functioneren.
Aan de keuze van de wederpartij om een belangrijk onderdeel van het onderzoek
via de assessment center methode te doen plaatsvinden, valt – gelet op
de wetgeving gelijke behandeling – op zich niets af te dingen. Temeer omdat
deze methode onder de personeelspsychologen bekend staat als praktisch
de enige testmethode die managementkwaliteiten goed kan voorspellen en
die bovendien praktisch niet bevoordelend of benadelend voor bepaalde groepen
zal werken.
Samenvattend kan worden gesteld dat er geen punten zijn gevonden die kunnen
worden beschouwd als een aanwijzing voor een ongelijke behandeling van
mannen en vrouwen. Weliswaar heeft de wederpartij geen specifieke voorzorgen
getroffen tegen een dergelijk onderscheid, maar het zou naar het oordeel
van de Commissie echter te ver voeren om dit enkele feit aan te merken
als ongelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de selectie. De wederpartij
wordt hiertoe immers wel een wettelijke mogelijkheid geboden, maar de wetgeving
gelijke behandeling legt in deze geen verplichting op.

4.12. Bovenstaande betekent dat de Commissie noch wat betreft het handelen
van de wederpartij als opdrachtgeefster van het adviesbureau, noch wat
betreft het eigen handelen van de wederpartij tot een oordeel kan komen
over de vraag of er in casu strijd is met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Thuiszorg te
Den Haag jegens mevrouw (….) te Den Haag geen onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling
mannen en vrouwen.

Rechters

Mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh (secretarisKamer)

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 20 december 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Verdachte heeft een 14-jarig meisje aangerand. Hij is daarvoor door de
rechtbank veroordeeld. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf
van een maand die wordt omgezet in het verrichten van onbetaalde arbeid ten
algemenen nutte voor de duur van zestig uren en een maand voorwaardelijke
gevangenisstraf.

Volledige tekst

Het onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
in eerste aanleg van 24 mei 1993 en 18 mei 1994 en in hoger beroep van 6
december 1995.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de procureur-generaal en
van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende
dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De inhoud
daarvan wordt hier overgenomen.

Hierbij dagvaart ik u om als verdachte te verschijnen op maandag 24 mei 1993,
11.15 uur, ter terechtzitting van de politierechter in de
arrondissementsrechtbank te Alkmaar, teneinde terecht te staan terzake van
hetgeen hieronder is omschreven.
Ik verwijs naar de mededelingen onder 1,3,4,5,6,7,8,9 en 10 op de achterzijde
van dit blad.

De officier van Justitie,

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten lastegelegd dat

1.
hij op of omstreeks 15 mei 1992 te Heerhugowaard, door geweld of (een) andere
feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere
feitelijkhe(i)d(en) een meisje, L, geheten (geboren 1 juni 1977) heeft
gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige
handeling(en), bestaande uit het over de kleding van dat meisje betasten
en/of strelen van (een van) haar borsten en/of haar kruis en/of het onder
haar kleding betasten en/of strelen van en/of knijpen in (een van) haar
borsten en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die
bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) uit het vastpakken
van dat meisje bij (een van) haar armen en/of (een van) haar schouders en/of
(vervolgens) het tegen een muur drukken van dat meisje;

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot andere
beslissingen komt dan de eerste rechter.

De bewijslevering

Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de
verdachte is tenlastegelegd, met dien verstande dat hij op 15 mei 1992 te
Heerhugowaard, door geweld een meisje, L geheten, heeft gedwongen tot het
dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit het over de kleding van dat
meisje betasten en strelen van haar borsten en haar kruis en het onder de
kleding betasten en strelen van en knijpen in haar borsten en bestaande dat
geweld uit het vastpakken van dat meisje bij een van haar armen en een van
haar schouders en vervolgens het tegen een muur drukken van dat meisje.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte
moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft
begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen
(…)

De strafbaarheid van het feit

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het
bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het volgende misdrijf op:

Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de
verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

De op te leggen straf

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de
ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op
de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft een jong meisje te weten L, ontuchtig betast aan haar borsten
en aan haar kruis terwijl hij haar vasthield en tegen een muur drukte. Door
aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en
psychische integriteit van die L. Het is een feit van algemene bekendheid dat
dergelijke delicten een lange traumatische nasleep kunnen hebben voor de
slachtoffers daarvan.
Een gecombineerde gevangenisstraf van twee maanden, waarvan één maand
voorwaardelijk is dan ook alleszins gerechtvaardigd. Blijkens het uittreksel
uit het algemeen documentatieregister d.d. 25 oktober 1995 is verdachte nog
niet eerder met de justitie in aanraking geweest. Ter terechtzitting in hoger
beroep heeft verdachte een aanbod gedaan tot het verrichten van onbetaalde
arbeid ten algemenen nutte. In de persoon van verdachte en in het
tijdsverloop sinds het plegen van het tenlastegelegde feit ziet het hof
aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijk deel van één maand van de
bepaalde gevangenisstraf, de straf van onbetaalde arbeid ten algemene nutte
voor de duur van 60 uren op te leggen met daarnaast een maand gevangenisstraf
voorwaardelijk.

De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d,
en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Het hof:
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde
feit, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte meer of
anders ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit
oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor
strafbaar.

Veroordeelt de verdachte, in plaats van tot een gevangenisstraf voor de duur
van 1 (één) maand tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen
nutte voor de duur van 60 (zestig) uren, bestaande uit administratieve,
verzorgende, onderhouds- of schoonmaakwerkzaamheden.

Bepaalt dat deze arbeid aangevangen moet worden binnen drie maanden nadat dit
arrest onherroepelijk is geworden.

Bepaalt de termijn binnen welke deze arbeid na aanvang dient te worden
verricht op vier maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van
deze uitspraak in verzekering is doorgebracht in mindering wordt gebracht op
het te verrichten aantal uren onbetaalde arbeid naar de maatstaf van twee
uren per iedere in verzekering doorgebrachte dag.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de tijd van 1
(één) maand.

Beveelt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de
rechter later anders mocht gelasten omdat de veroordeelde zich voor het einde
van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt de proeftijd vast op twee jaren.

Rechters

Mrs Walkate, Bockwinkel en Splinter-van Kan

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is een waterschap. Het bestuur van een waterschap draagt
zorg voor de actieve en passieve verkiezingen van het algemeen bestuur
van het waterschap. Verzoekster stelt dat er bij de verkiezingen
onderscheid naar geslacht is gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. Gezien artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen rusten op
het waterschapsbestuur bepaalde verplichtingen ten aanzien van de
verwezenlijking van het actieve en passieve kiesrecht van vrouwen. In
dat licht dient de kandidaatondersteuning zonder onderscheid naar sekse
te worden beoordeeld en dient een stemoproep te geschieden op een
manier waarbij geen onderscheid naar sekse wordt gemaakt. Het is
evenwel niet aan de Commissie om te beoordelen of het
waterschapsbestuur in casu in strijd met genoemd verdrag heeft
gehandeld. De Commissie oordeelt dat zij gezien artikel 4, onder c.
AWGB niet bevoegd is een oordeel te geven over de klacht met betrekking
tot het aantal stemmen dat door een echtpaar waarvan de partners
gelijkgerechtigde zijn mag worden uitgebracht.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 december 1994 verzocht de te
Heemskerk (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
Waterschap Het Lange Rond te Alkmaar (hierna: de wederpartij) ten
aanzien van haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. De wederpartij is een waterschap. Het bestuur van een waterschap
draagt zorg voor de actieve en passieve verkiezingen van het algemeen
bestuur van het waterschap. Verzoekster stelt dat er bij de
verkiezingen onderscheid naar geslacht is gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun stand- punten
schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 2
oktober 1995. De wederpartij heeft hier geen gebruik van gemaakt. De
zaak van verzoekster is op de zitting gevoegd behandeld met twee
soortgelijke zaken (oordeelnummer 95-67 en oordeelnummer 95-68).

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw. mr. (voorzitter
Heemskerk)

van de kant van de Commissie – mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – mw. mr. L. Mulder
(lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij draagt op basis van de Waterschapswet en het
Algemeen Kiesreglement Waterschappen Noord-Holland, 1994, zorg voor de
uitoefening van het actieve en het passieve kiesrecht voor het algemeen
bestuur van het waterschap. Het algemeen bestuur bestaat uit dertig
leden. Drie categorieen belanghebbenden worden in het bestuur
vertegenwoordigd (artikel 5 Algemeen Kiesreglement Waterschappen Noord-
Holland). Zeven leden hiervan worden gekozen in de categorie onder de
benaming hoofdingelanden ongebouwd, veertien leden worden gekozen in de
categorie onder de benaming hoofdingelanden gebouwd en negen leden
worden gekozen in de categorie hoofdingelanden ingezetenen (artikel 6
Algemeen Kiesreglement Waterschappen Noord- Holland). Van de categorie
ongebouwd wordt een lid gezamenlijk benoemd door de Vereniging tot
Behoud van Natuurmonumenten in Nederland, de Stichting het
Noordhollands Landschap en Staatsbosbeheer Regio 10 Hollands Noorden.
Van de categorie gebouwd wordt een lid gezamenlijk benoemd door de
Nationale Woningraad en het Nederlands Christelijk Instituut voor
Volkshuisvesting.

3.2. Verzoekster vraagt over drie bezwaren tegen de gang van zaken rond
de verkiezing van het algemeen bestuur van het Waterschap Het Lange
Rond een oordeel van de Commissie. Ten eerste zouden er bij de
kandidaatstelling voor de verkiezingen in december 1994 handtekeningen
zijn geweigerd van vrouwen die een bepaalde kandidaat ondersteunden.
Ten tweede zou er sprake zijn van een ongelijke behandeling van vrouwen
doordat de oproepingskaarten van in gemeenschap van goederen gehuwde
echtparen zonder meer aan de man worden geadresseerd. In de derde
plaats wordt een oordeel gevraagd over het feit dat in verband met
bedoelde verkiezingen aan meerdere personen gezamenlijk een stem wordt
toegekend.

3.3. Tot kandidaatstelling zijn op grond van artikel 18 Waterschapswet
bevoegd degenen die behoren tot de desbetreffende categorie van
belanghebbenden en als zodanig belastingplichtig zijn aan het
waterschap. Evenwel zijn voor de categorie ingezetenen (artikel 11,
tweede lid, onderdeel d Waterschapswet) degenen bevoegd die blijkens
het persoonsregister van de gemeente behoudens tegenbewijs kunnen
worden geacht werkelijk woonplaats te hebben in het gebied van het
waterschap en die minstens achttien jaar zijn. Artikel 27
Waterschapswet bepaalt dat bij meer dan een zakelijk gerechtigde het
stemrecht door elk der mede-eigenaren kan worden uitgeoefend, waarbij
slechts eenmaal stem kan worden uitgebracht. Op grond van artikel 28
Waterschapswet geldt ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid
tot kandidaatstelling, dat ten aanzien van de in de huwelijkse
gemeenschap vallende zaken die op naam van een der echtgenoten zijn
gesteld in diens plaats de andere echtgenoot het stemrecht kan
uitoefenen. Ten aanzien van zodanige zaken die op beider naam zijn
gesteld zijn elk van beide echtgenoten bevoegd tot uitoefening van het
stemrecht, met dien verstande dat slechts eenmaal stem kan worden
uitgebracht.

Artikel 14 lid 3 van het Algemeen Kiesreglement Waterschappen
Noord-Holland bepaalt dat de opgave waarbij de kandidaatstelling
geschiedt, dient te worden ondertekend door ten minste tien personen
die bevoegd zijn tot kandidaatstelling voor vertegenwoordigers van de
desbetreffende categorie van belanghebbenden.

3.4. Ten aanzien van de stemgerechtigdheid bepalen artikel 19, lid 1 en
artikel 29 onder a en b Waterschapswet: “1. Stemgerechtigd voor de
vertegenwoordigers van de categorie belanghebbenden, bedoeld in artikel
11, tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, zijn
degenen die behoren tot de desbetreffende categorie, als zodanig
belastingplichtig zijn aan het waterschap en opgenomen zijn in het in
artikel 29 bedoelde register”.

“Het dagelijks bestuur houdt een register bij waarin, met inachtneming
van het bepaalde in de artikelen 19 en 20 worden opgenomen: a. zij, die
blijkens het kadaster behoren tot de categorie van belanghebbenden,
bedoeld in artikel 11, tweede lid onderdeel a; b. zij, die blijkens de
door de grondkamer geheel of gedeeltelijk, in het rechtsgebied van de
grondkamer gelegen waterschap verstrekte gegevens, als pachter met een
door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst behoren tot de
categorie van belanghebbenden bedoeld in artikel 11, tweede lid,
onderdeel b;”

De standpunten van partijen

3.5. De eerste vraag Verzoekster stelt ten aanzien van de eerste klacht
dat ter ondersteuning van haar kandidaatstelling een lijst is
ingeleverd met veertien handtekeningen van vrouwen. Haar
koppelgenoot/plaatsvervanger had veertien handtekeningen van mannen.
Welke handtekeningen uiteindelijk zijn geaccepteerd is verzoekster niet
duidelijk. Verzoekster geeft aan dat er enerzijds sprake is van
weigering van handtekeningen van vrouwen, anderzijds van het feit dat
men vrouwen het voordeel van de twijfel zou geven omdat niet kon worden
nagegaan wie in dit geval tot tekenen gerechtigd was. Dit klemt volgens
verzoekster temeer omdat het vrouwenkiesrecht een burgerrecht is dat
niet alleen is neergelegd in de Nederlandse Grondwet, maar ook in het
VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie
jegens vrouwen.

De wederpartij stelt dat er bij de laatstgehouden verkiezingen in het
waterschap bij de kandidaatstelling voor de categorieen gebouwd en
ongebouwd geen handtekeningen van in gemeenschap van goederen gehuwde
vrouwen zijn geweigerd. In de gevallen dat een kandidatenlijst was
ondertekend door een vrouw, wonend op een adres waar blijkens de
uitdraai van de Dienst Centrale Omslagheffing (door welke dienst het
kiesregister wordt geproduceerd) de (mede)eigenaar van dat pand
woonachtig is, werd ervan uitgegaan dat die vrouw medegerechtigd was en
derhalve bevoegd tot ondertekening van de lijst.

3.6. De tweede vraag Met betrekking tot de tweede klacht brengt
verzoekster naar voren dat de oproepingskaarten zonder meer aan de man
worden geadresseerd, ook al betreft het een huwelijkse gemeenschap.
Weliswaar staat op de achterkant van de kaart met kleine lettertjes dat
ook de echtgeno(o)t(e) mag stemmen, maar ook in dit geval is niet
duidelijk voor het waterschap en het stembureau wie zakelijk gerechtigd
is. Ongeldige stemmen kunnen niet worden gecontroleerd wegens ontbreken
van aanduiding van het toepasselijke huwelijksgoederenrechtsregime.

De wederpartij stelt dat de stelling onjuist is dat oproepings- kaarten
zonder meer aan de man worden geadresseerd, ook als het een
huwelijksgemeenschap betreft. De kaarten zijn geadresseerd aan degenen
die genoemd zijn in het register van kiesgerechtig- den. Dit register
van kiesgerechtigden wordt samengesteld op basis van kadastrale
gegevens. De eerstgenoemde naam in het kadaster verschijnt op de
oproepingskaart. Uit de kadastrale gegevens blijkt als het gaat om in
gemeenschap gehuwden meestal niet wie medegerechtigd is. In het
algemeen blijkt bij in gemeenschap van goederen gehuwden de
eerstgenoemde in het kadaster de man te zijn. In mindere mate doet zich
overigens ook het omgekeerde voor.

De wederpartij overweegt voor de volgende verkiezingsronde over te gaan
tot verzending van de stembiljetten naar het adres van de in het
kadaster eerstgenoemde met de tekst: “Aan de eigena(a)r(en) van ….”.

3.7. De derde vraag In de derde plaats voert verzoekster aan dat het
feit dat man en vrouw gezamenlijk een stem mogen uitbrengen leidt tot
een feitelijk ongelijke behandeling van mannen en vrouwen, omdat
vrouwen in het nadeel zijn bij verschil van mening op wie de
gezamenlijke stem moet worden uitgebracht.

De wederpartij wijst in dit verband naar het wettelijk voorschrift van
artikel 28 Waterschapswet. Deze bepaling luidt als volgt: “Ten aanzien
van de in de huwelijkse gemeenschap vallende zaken die op naam van een
der echtgenoten zijn gesteld kan in diens plaats de andere echtgenoot
het stemrecht uitoefenen. Ten aanzien van zodanige zaken die op beider
naam zijn gesteld zijn elk van beide echtgenoten bevoegd tot
uitoefening van het stemrecht, met dien verstande dat slechts eenmaal
stem kan worden uitgebracht”.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst rijst de vraag of de Commissie bevoegd is tot het geven
van een oordeel inzake de drie eerder omschreven klachten van
verzoekster.

Bij de eerste twee klachten is de toepasselijkheid van artikel 7, lid
1, AWGB in het geding. De Commissie gelijke behandeling kan alleen een
oordeel uitspreken over de vraag of het weigeren van handtekeningen van
vrouwen bij de kandidaatondersteuning en de vraag of de adressering van
de oproepingskaarten aan de man in strijd met de wet zijn, indien deze
overheidshandelingen vallen onder het bereik van artikel 7, lid 1,
AWGB.

4.2. Artikel 7, lid 1, AWGB luidt: “1. Onderscheid is verboden bij het
aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren,
beeindigen van overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van
advies of voorlichting over school- of beroepskeuze, indien dit
geschiedt: a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf; b. door de
openbare dienst; c. door instellingen die werkzaam zijn op het gebied
van de volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs
of d. door natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, voor zover het aanbod in het openbaar
geschiedt”.

4.3. Bovenstaande betekent dat de bevoegdheid van de Commissie afhangt
van de vraag of de te verrichten handelingen met betrekking tot de
verkiezingen van waterschapsbesturen kunnen worden beschouwd als het
aanbieden van diensten in de zin van artikel 7, lid 1, AWGB.

4.4. Bij de totstandkoming van de AWGB wordt het begrip dienst niet
nader omschreven. Gelet op de strekking van artikel 7 AWGB heeft het
begrip dienst niet uitsluitend betrekking op het tot standkomen of de
uitvoering van privaatrechtelijke overeenkomsten met eventueel
wederzijdse verbintenissen. Met name bij de onder c. genoemde
instellingen laat zich een ander soort dienstverlening bedenken dan de
diensten waarbij (de totstandkoming van) overeenkomsten zijn gemoeid.
Deze mogelijkheden doen zich in het onderhavige geval echter niet voor.

4.5. De verplichtingen van het waterschap ten aanzien van de
samenstelling van hun besturen berusten enerzijds op de Grondwet
(artikel 133) en de Waterschapswet (artikel 11 e.v.), anderzijds op de
provinciale verordeningen te dien einde. Artikel 2 van de Waterschapwet
geeft de provincie de bevoegdheid bij provinciale verordening de
samenstelling van de waterschapsbesturen nader te regelen. De gang van
zaken rond de waterschapsverkiezingen worden door deze regelingen
beheerst. Desalniettemin heeft het waterschap enige vrijheid met
betrekking tot het al dan niet verrichten van onderzoek naar de
geldigheid van ondersteunende handtekeningen en inzake de adressering
van de stemoproep. Deze handelingen worden evenwel uitgevoerd ter
vervulling van de wettelijke verplichtingen die op waterschappen
rusten. De uitvoering van deze publiekrechtelijke taken is niet gericht
op het voorzien in behoeften van particulieren. Evenmin is er sprake
van het desgevraagd verrichten van werkzaamheden voor derden, zoals
blijkbaar door de wetgever beoogd met de term “diensten” van artikel 7,
lid 1, AWGB.

4.6. Er rust uit hoofde van het Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van discriminatie jegens vrouwen (New York, 18 december 1979),
artikel 7, onder a, op de Nederlandse overheid een verplichting inzake
het nemen van passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het
politieke en openbare leven van dit land uit te bannen, alsmede om
vrouwen in het bijzonder het recht te verzekeren om op gelijke voet met
mannen hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en
volksstemmingen, en verkiesbaar te laten zijn in alle openbaar gekozen
lichamen. Het bestaan van deze specifieke bepaling met betrekking tot
de gelijke behandeling van mannen en vrouwen wat actief en passief
kiesrecht betreft vormt geen aanleiding tot het geven van een andere
interpretatie aan het begrip “diensten” in artikel 7, lid 1, AWGB,
aangezien de bepalingen verschillende maatschappelijk terreinen
bestrijken.

Gezien artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van discriminatie jegens vrouwen rusten op het
waterschapsbestuur bepaalde verplichtingen ten aanzien van de
verwezenlijking van het actieve en passieve kiesrecht van vrouwen. In
dat licht dient de kandidaatondersteuning zonder onderscheid naar sekse
te worden beoordeeld en dient een stemoproep te geschieden op een
manier waarbij geen onderscheid naar sekse wordt gemaakt. Het is
evenwel niet aan de Commissie om te beoordelen of het
waterschapsbestuur in casu in strijd met genoemd verdrag heeft
gehandeld.

4.7. Op grond van het voorafgaande oordeelt de Commissie dat zij –
gelet op artikel 7, lid 1, AWGB – niet bevoegd is een oordeel te geven
over de klacht met betrekking tot de kandidaatondersteuning door
vrouwen en over de klacht met betrekking tot de adressering van de
stemoproep door het waterschapsbestuur.

4.8. Ook ten aanzien van de laatste klacht van verzoekster dient
onderzocht te worden of de Commissie tot een oordeel bevoegd is.

Het feit dat gelijkgerechtigde echtgenoten samen slechts een stem mogen
uitbrengen berust rechtstreeks op artikel 27 en artikel 28
Waterschapswet. Het waterschap wordt in deze geen enkele
beleidsvrijheid toegekend. Een oordeel over deze stemverdeling betekent
in wezen een oordeel over de betreffende wettelijke voorschriften. De
Waterschapswet dateert van 6 juni 1991 en is laatstelijk gewijzigd bij
wet van 26 april 1995 (Stb. 379 en Stb. 250). Deze wijzigingen hebben
echter geen betrekking op de hierboven geciteerde onderdelen van de wet
van 6 juni 1991. De inwerkingtreding van deze wet vond plaats op 1
januari 1992. Dat betekent dat de uitzondering van artikel 4, onder c.
AWGB van toepassing is. Artikel 4, onder c, luidt: “Deze wet laat
onverlet: onderscheid dat wordt gemaakt bij of krachtens enige andere
wet, welke voorafgaand aan deze wet in werking is getreden”.

Op grond van eerdergenoemd artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen kan de
vraag worden opgeworpen of de wetgever tot bepaalde aanpassingen van
artikel 27 en artikel 28 Waterschapswet is verplicht. Het behoort
echter niet tot de taak van de Commissie om in deze een uitspraak te
doen.

4.9. Op grond van bovenstaande oordeelt de Commissie dat zij gezien
artikel 4, onder c. AWGB niet bevoegd is een oordeel te geven over de
klacht met betrekking tot het aantal stemmen dat door een echtpaar
waarvan de partners gelijkgerechtigde zijn mag worden uitgebracht.

Wellicht ten overvloede wijst de Commissie er op dat haar bevoegdheid
in soortgelijke gevallen waarbij artikel 4, onder c AWGB niet van
toepassing is, wordt beperkt door artikel 7 AWGB, nu de stemverdeling
in verkiezingsprocedures niet kan worden aangemerkt als het aanbieden
van een dienst volgens de door de wetgever met deze bepaling beoogde
strekking (zie hiervoor onder 4.5).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is niet bevoegd tot het geven van een oordeel over de
vraag of het Waterschap Het Lange Rond te Alkmaar bij de verkiezing van
het waterschapsbestuur in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling heeft gehandeld.

Rechters

mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)