Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is een hoogheemraadschap. Het bestuur van een
hoogheemraadschap draagt zorg voor de actieve en passieve verkiezingen
van het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap. Verzoekster stelt
dat er bij de verkiezingen onderscheid naar geslacht wordt gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Op grond van artikel 7
onder a van het VN-vrouwenverdrag kan de vraag worden opgeworpen of de
wetgever tot bepaalde aanpassingen van artikel 20 lid 2 van de
Waterschapswet is verplicht. Het behoort echter niet tot de taak van de
Commissie om in deze een uitspraak te doen. De Commissie oordeelt dat
zij gezien artikel 4, onder c AWGB niet bevoegd is een oordeel te geven
inzake de klacht over de indirecte verkiezingswijze van de categorie
ingezetenen van het algemeen bestuur.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 april 1995 verzocht de te
Rotterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
Hoogheemraadschap van Delfland te Delft (hierna: de wederpartij) ten
aanzien van haar onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Algemene
wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. De wederpartij is een hoogheemraadschap. Het bestuur van een
hoogheemraadschap draagt zorg voor de actieve en passieve verkiezingen
van het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap. Verzoekster stelt
dat er bij de verkiezingen onderscheid naar geslacht wordt gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 2 oktober
1995. Verzoekster heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De zaak van
verzoekster is op de zitting gevoegd behandeld met twee soortgelijke
zaken (oordeelnummer 95-66 en oordeelnummer 95-68).

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij: – mw. mr. (medewerkster
van Hoogheemraadschap Delfland)

van de kant van de Commissie: – mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – mw. mr. L. Mulder
(lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij draagt op basis van de Waterschapswet en de
betreffende provinciale verordeningen zorg voor de uitoefening van het
actieve en het passieve kiesrecht voor het algemeen bestuur van het
hoogheemraadschap. Een hoogheemraadschap is een waterschap waarvan de
hoogheemraden het bestuur voeren. Het algemeen bestuur vertegenwoordigt
verschillende categorieen belanghebbenden. Voor de categorie
ingezetenen wordt de verkiezing op indirecte wijze georganiseerd.

3.2. Verzoekster vraagt een oordeel van de Commissie over de vraag of
door de indirecte wijze van verkiezing van de categorie ingezetenen
onderscheid wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen in strijd met de
gelijke behandelingswetgeving.

3.3. Artikel 20 Waterschapswet 1991 luidt: “1. Stemgerechtigd voor de
verkiezing van vertegenwoordigers van de categorie van belanghebbenden,
bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel c, zijn degenen die
behoren tot die categorie, als zodanig belastingplichtig zijn aan het
waterschap en opgenomen zijn in het in artikel 29 bedoelde register.
Artikel 19, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 2. Bij
reglement kan in afwijking van het eerste lid worden bepaald dat
stemgerechtigd zijn de leden van de raden der gemeenten waartoe het
gebied van het waterschap behoort”.

Provinciale staten van Zuid-Holland hebben een dergelijke afwijking
inderdaad vastgelegd in artikel 6, lid 2 van het Reglement voor het
Hoogheemraadschap van Delfland.

De standpunten van partijen

3.4. De bevoegdheid van de Commissie Verzoekster gaat uit van de
bevoegdheid van de Commissie een oordeel uit de spreken over de
hierboven vermelde klacht.

De wederpartij voert aan dat de Commissie in de onderhavige materie
niet bevoegd zou zijn. Het doel en de organisatie van de verkiezingen
van waterschapsbesturen hebben het algemeen belang op het oog en vallen
derhalve niet onder het bereik van artikel 7, lid 1, AWGB. Het gaat
hier niet om de bevrediging van de behoeften van afzonderlijke,
bepaalbare individuen of groepen individuen.

De klacht Verzoekster geeft aan dat een indirecte verkiezingswijze
leidt tot indirect onderscheid van vrouwen. De categorie ingezetenen
wordt gekozen door de gemeenteraadsleden van de gemeenten die binnen
het gebied van de wederpartij vallen. Deze gemeenteraden bestaan in
hoofdzaak uit mannen. Verzoekster geeft aan dat het kiesgedrag van
mannen zodanig is dat een dergelijke verkiezingswijze
ondervertegenwoordiging door vrouwen in stand houdt. Een dergelijke
verkiezingswijze doet volgens verzoekster geweld aan aan het actieve en
passieve kiesrecht van vrouwen, en betekent als zodanig een schending
van artikel 1 Grondwet en van het Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van discriminatie jegens vrouwen (New York, 18 december 1979).

3.5. De wederpartij wijst naar de provinciale verordening (artikel 6,
lid 2 van het Reglement voor het Hoogheemraadschap van Delfland) en de
Waterschapswet (artikel 20, lid 2). De gevolgde procedure berust op
wettelijke regels, zodat mogelijk onderscheid op grond van artikel 4
aanhef en onderdeel c AWGB onverlet wordt gelaten.

De wederpartij voert verder aan dat praktische problemen de directe
verkiezing van de categorie ingezetenen verhinderen. Het aantal
stemgerechtigden dat aan deze verkiezing zou deelnamen zou dermate
groot worden, dat dit -gezien de relatief korte voorbereidingstijd- een
te grote druk op de waterschappen zou hebben gelegd wat betreft
verzending van de stembiljetten en verwerking van de stemmen. Daarnaast
zouden er waarschijnlijk ook problemen zijn ontstaan bij de
samenstelling van het kiesregister.

Ten slotte wordt aangevoerd dat in 1999 zal worden overgegaan tot
directe verkiezingen voor de categorie ingezetenen, waarbij de stem bij
brief kan worden uitgebracht.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst rijst de vraag of de Commissie bevoegd is tot het geven
van een oordeel inzake de bovenomschreven klacht van verzoekster.

4.2. De indirecte verkiezingswijze van de categorie ingezetenen voor
het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap berust op artikel20, lid
2 Waterschapswet, dat luidt: “Bij reglement kan in afwijking van het
eerste lid worden bepaald dat stemgerechtigd zijn de leden van de raden
der gemeenten waartoe het gebied van het waterschap behoort”. De
provincie heeft een dergelijke afwijking inderdaad vastgelegd in
eerdergenoemd artikel 6, lid 2 van het Reglement voor het
Hoogheemraadschap van Delfland. Een en ander betekent dat de
wederpartij een procedure volgt welke geheel door wettelijke
voorschriften wordt beheerst en waarbij de wederpartij geen
beleidsvrijheid toekomt. Als er sprake zou zijn van indirect
onderscheid van vrouwen door de betreffende indirecte verkiezingswijze,
dan zou dit direct terug te voeren zijn op een wet in formele zin en de
bij en krachtens deze regeling gegeven voorschriften. Een oordeel over
de gevolgde verkiezingsprocedure is in wezen een oordeel over de
betreffende wettelijke voorschriften.

De Waterschapswet dateert van 6 juni 1991 en is laatstelijk gewijzigd
bij wet van 26 april 1995 (Stb. 379 en Stb. 250). Deze wijzigingen
hebben echter geen betrekking op de hierboven geciteerde onderdelen van
de wet van 6 juni 1991. De inwerkingtreding van deze wet vond plaats op
1 januari 1992. Dat betekent dat de uitzondering van artikel 4, onder
c. AWGB van toepassing is. Artikel 4, onder c, luidt: “Deze wet laat
onverlet: onderscheid dat wordt gemaakt bij of krachtens enige andere
wet, welke voorafgaand aan deze wet in werking is getreden”.

Op grond van eerdergenoemd artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen kan de
vraag worden opgeworpen of de wetgever tot bepaalde aanpassingen van
artikel 20, lid 2 van de Waterschapswet is verplicht. Het behoort
echter niet tot de taak van de Commissie om in deze een uitspraak te
doen.

4.3. Op grond van bovenstaande oordeelt de Commissie dat zij gezien
artikel 4, onder c AWGB niet bevoegd is een oordeel te geven inzake de
klacht over de indirecte verkiezingswijze van de categorie ingezetenen
van het algemeen bestuur.

Wellicht ten overvloede wijst de Commissie er op dat haar bevoegdheid
in soortgelijke gevallen waarbij art 4, onder c AWGB niet van
toepassing is, wordt beperkt door artikel 7 AWGB, nu de inrichting van
een verkiezingsprocedure niet kan worden aangemerkt als het aanbieden
van een dienst, volgens de door de wetgever met deze bepaling beoogde
strekking.

5 HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is niet bevoegd tot het geven van een oordeel over de
vraag of het Hoogheemraadschap van Delfland te Delft bij de verkiezing
van het waterschapsbestuur handelt in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling.

Rechters

mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is een hoogheemraadschap. Een hoogheemraadschap is een
waterschap waarvan het bestuur door de hoogheemraden wordt gevoerd. Het
bestuur van een hoogheemraadschap draagt zorg voor de actieve en
passieve verkiezingen van het algemeen bestuur van het
hoogheemraadschap. Verzoekster stelt dat er bij de verkiezingen
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. De Commissie gelijke behandeling kan alleen een
oordeel uitspreken over de vraag of het laten meesturen van een
gerechtigdheidsbewijs door de vrouw ingeval van kandidaatondersteuning
en de gebruikelijke adressering van de oproepingskaarten aan de man in
strijd met de wet is, indien deze overheidshandelingen vallen onder het
bereik van artikel 7, lid 1, AWGB.

Gezien artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van discriminatie jegens vrouwen rusten op het
waterschapsbestuur bepaalde verplichtingen ten aanzien van de
verwezenlijking van het actieve en passieve kiesrecht van vrouwen. In
dat licht dient de kandidaatondersteuning zonder onderscheid naar sekse
te worden beoordeeld en dient een stemoproep te geschieden op een
manier waarbij geen onderscheid naar sekse wordt gemaakt. Het is
evenwel niet aan de Commissie om te beoordelen of de wederpartij in
casu in strijd met genoemd verdrag heeft gehandeld. Op grond van
eerdergenoemd artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de uitbanning
van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen kan de vraag worden
opgeworpen of de wetgever tot bepaalde aanpassingen van artikel 20, lid
2 en artikel 22 van de Waterschapswet is verplicht. Het behoort echter
niet tot de taak van de Commissie om in deze een uitspraak te doen. Op
grond van bovenstaande oordeelt de Commissie dat zij gezien artikel 4,
onder c AWGB niet bevoegd is een oordeel te geven over de klacht over
de indirecte verkiezingswijze van de categorie ingezetenen en de
categorie bedrijfsgebouwd.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 april 1995 verzocht de te
Rotterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commmissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of
het Hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam (hierna: de
wederpartij) ten aanzien van haar onderscheid maakt in strijd met de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. De wederpartij is een hoogheemraadschap. Een hoogheemraadschap is
een waterschap waarvan het bestuur door de hoogheemraden wordt gevoerd.
Het bestuur van een hoogheemraadschap draagt zorg voor de actieve en
passieve verkiezingen van het algemeen bestuur van het
hoogheemraadschap. Verzoekster stelt dat er bij de verkiezingen
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen hebben hun standpunten
schriftelijk toegelicht.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 2 oktober
1995. Verzoekster heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De zaak van
verzoekster is op de zitting gevoegd behandeld met twee soortgelijke
zaken (oordeelnummer 95-66 en oordeelnummer 95-67).

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij: – dhr. mr. (juridisch
medewerker Hoogheemraadschap van Schieland)

van de kant van de Commissie: – mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – mw. mr. L. Mulder
(lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij draagt op basis van de Waterschapswet en de
betreffende provinciale verordeningen zorg voor de uitoefening van het
actieve en het passieve kiesrecht voor het algemeen bestuur van het
waterschap. Het algemeen bestuur bestaat uit negenendertig leden. Deze
negenendertig leden vertegenwoordigen verschillende categorieen
belanghebbenden. Zeventien zetels zijn voor de categorie ingezetenen.
Dertien zetels zijn voor de categorie gebouwd. Vier zetels zijn voor de
categorie bedrijfsgebouwd. Vijf zetels zijn voor de categorie
ongebouwd.

3.2. Verzoekster vraagt over drie bezwaren tegen de gang van zaken rond
de verkiezing van het algemeen bestuur van het hoogheem- raadschap een
oordeel van de Commissie. Ten eerste zou er sprake zijn van een
ongelijke behandeling van vrouwen omdat aan vrouwen die een kandidaat
ondersteunen bij de kandidaatstelling voor de verkiezingen van de
categorieen ongebouwd, gebouwd en bedrijfsruimten een bewijs wordt
gevraagd van gerechtigdheid op een onroerend goed. Ten tweede wordt een
ongelijke behandeling van vrouwen gesteld, omdat de oproepingskaarten
voor de verkiezing van de categorieen gebouwd en ongebouwd bij
echtparen waarvan de partners gelijkgerechtigd zijn aan de man wordt
geadresseerd. In de derde plaats wordt een oordeel gevraagd over het
feit dat de verkiezingen voor de categorieen ingezetenen en bedrijfs-
gebouwd op indirecte wijze en daardoor door overwegend mannelijke
kiezers geschied.

3.3. Tot kandidaatstelling zijn op grond van artikel 18 Waterschapswet
bevoegd degenen die behoren tot de desbetreffende categorie van
belanghebbenden en als zodanig belastingplichtig zijn aan het
waterschap. Evenwel voor de categorie ingezetenen (artikel 11, tweede
lid, onderdeel d Waterschapswet) zijn degenen bevoegd die blijkens het
persoonsregister van de gemeente behoudens tegenbewijs kunnen worden
geacht werkelijk woonplaats te hebben in het gebied van het waterschap
en die minstens achttien jaar zijn. Artikel 27 Waterschapswet bepaalt
dat indien er meer dan een zakelijk gerechtigde is, het stemrecht door
elk der mede-eigenaren kan worden uitgeoefend, waarbij slechts eenmaal
stem kan worden uitgebracht. Op grond van artikel 28 Waterschapswet
geldt ten aanzien van de uitoefening van de bevoegdheid tot
kandidaatstelling, dat ten aanzien van de in de huwelijkse gemeenschap
vallende zaken die op naam van een der echtgenoten zijn gesteld in
diens plaats de andere echtgenoot het stemrecht kan uitoefenen. Ten
aanzien van zodanige zaken die op beider naam zijn gesteld zijn elk van
beide echtgenoten bevoegd tot uitoefening van het stemrecht, waarbij
slechts eenmaal stem kan worden uitgebracht.

Artikel 13 van het Kiesreglement voor het Hoogheemraadschap van
Schieland luidt als volgt: “1. De opgave tot kandidaatstelling is
ondertekend door ten minste tien personen, niet zijnde een van de op de
opgave vermelde kandidaten, die bevoegd zijn tot kandidaatstelling in
het gebied van het hoogheemraadschap. 2. Een ondertekening kan niet
worden ingetrokken nadat de opgave is ingeleverd”.

3.4. Ten aanzien van de stemgerechtigdheid bepalen artikel 19, lid 1 en
artikel 29 onder a en b Waterschapswet:

“1. Stemgerechtigd voor de vertegenwoordigers van de categorie
belanghebbenden, bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a,
onderscheidenlijk onderdeel b, zijn degenen die behoren tot de
desbetreffende categorie, als zodanig belastingplichtig zijn aan het
waterschap en opgenomen zijn in het in artikel 29 bedoelde register”.

“Het dagelijks bestuur houdt een register bij waarin, met inachtneming
van het bepaalde in de artikelen 19 en 20 worden opgenomen: a. zij, die
blijkens het kadaster behoren tot de categorie van belanghebbenden,
bedoeld in artikel 11, tweede lid onderdeel a; b. zij, die blijkens de
door de grondkamer geheel of gedeeltelijk, in het rechtsgebied van de
grondkamer gelegen waterschap verstrekte gegevens, als pachter met een
door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst behoren tot de
categorie van belanghebbenden bedoeld in artikel 11, tweede lid,
onderdeel b;”

3.5. Ten aanzien van de indirecte verkiezing van de categorie
ingezetenen bepaalt artikel 20, lid 2 Waterschapswet: “Bij reglement
kan in afwijking van het eerste lid worden bepaald dat stemgerechtigd
zijn de leden van de raden der gemeenten waartoe het gebied van het
waterschap behoort”. De provincie heeft inderdaad een dergelijke
afwijking vastgelegd in eerdergenoemd artikel 6, lid 2 van het
Reglement voor het Hoogheemraadschap van Schieland. De indirecte
verkiezing van de categorie bedrijfsgebouwd berust op artikel 22
Waterschapswet. Hierin wordt bepaald dat de zetels voor de categorie
bedrijfsgebouwd worden gekozen door de leden van de betreffende
Kamer(s) van Koophandel en de Gewestelijke Raad van het Landbouwschap.

De standpunten van partijen

3.6. De bevoegdheid van de Commissie Verzoekster gaat uit van de
bevoegdheid van de Commissie tot het uitspreken van een oordeel
betreffende haar bovenvermelde klachten. De wederpartij voert aan dat
de Commissie in de onderhavige materie niet bevoegd zou zijn. Het doel
en de organisatie van de verkiezingen van waterschapsbesturen hebben
het algemeen belang op het oog en vallen derhalve niet onder het bereik
van artikel 7, lid 1, AWGB. Het gaat hier niet om de bevrediging van de
behoeften van afzonderlijke, bepaalbare individuen of groepen
individuen.

3.7. De eerste vraag Verzoekster stelt ten aanzien van de eerste klacht
dat het meezenden van een bewijs van gerechtigdheid op een onroerend
goed extra rompslomp betekent voor vrouwen die een kandidaat willen
ondersteunen en dat dit tevens nadeel met zich meebrengt voor de
kandidaat die de vrouwen in kwestie willen ondersteunen. Dit bewijs van
gerechtigdheid moet immers alleen worden geleverd als een ondersteuner
niet dezelfde persoon is als degene aan wie de aanslag voor de
waterschapsomslag wordt gestuurd. Deze aanslag wordt evenwel in
hoofdzaak aan mannen geadresseerd.

De wederpartij stelt dat alle ondersteunende handtekeningen worden
onderzocht in het belastingregister of in het kadaster, los van de
vraag of de handtekening van een vrouw of een man is. Omdat dit een
tijdrovende bezigheid is, werd uit doelmatigheids- overwegingen
verzocht een bewijs van eigendom met de kandidaatstelling mee te
sturen. Dit was echter slechts een verzoek en heeft bij ontbreken van
het bewijs ook niet geleid tot ongeldig verklaren van handtekeningen.
Ook bij de kandidatuur van de door verzoekster vermelde vrouw zijn alle
ondersteunende handtekeningen geaccepteerd.

3.8. De tweede vraag Met betrekking tot de tweede klacht brengt
verzoekster naar voren dat de oproepingskaarten voor de verkiezing van
beide categorieen in hoofdzaak aan de man worden geadresseerd. Dit is
een gevolg van het feit dat door de wederpartij de eerste naam uit het
kadaster als adressant wordt gebruikt. Omdat de naam van de man op de
notariele eigendomsakte als eerste wordt genoemd, wordt deze ook als
eerste in het kadaster ingeschreven.

De wederpartij stelt dat voor adressering aansluiting wordt gezocht bij
de belastingheffing. Daarvoor wordt gebruikt gemaakt van kadastrale
gegevens. Wegens ontbreken van een registratie op dit punt is niet
exact bekend in welke verhouding de stembiljetten aan mannen en vrouwen
worden toegezonden. De adressering van aanslagen en stembiljetten kan
op gezamenlijk verzoek worden gewijzigd in die zin dat ook anderen die
expliciet als eigenaar bij het kadaster staan geregistreerd
geadresseerden kunnen worden. Dit had volgens de wederpartij ook kunnen
gebeuren naar aanleiding van de ter-inzage-legging van het kiesregister
in februari 1995. De mogelijkheid van inzage is bekendgemaakt in
verschillende bladen die in het gebied van de wederpartij verschijnen.
Overigens meldt de wederpartij ter zitting dat nagedacht wordt of de
adressering van de stemkaarten veranderd kan worden in die zin dat
geadresseerd wordt aan de eigena(a)r(en) van een pand.

3.9. De derde vraag In de derde plaats voert verzoekster aan dat een
indirecte verkiezingswijze leidt tot indirect onderscheid van vrouwen.
De categorie ingezetenen wordt gekozen door de gemeenteraadsleden van
de gemeenten die binnen het gebied van de wederpartij vallen. Deze
gemeenteraden bestaan in hoofdzaak uit mannen. Verzoekster geeft aan
dat het kiesgedrag van mannen zodanig is dat een dergelijke
verkiezingswijze ondervertegenwoordiging door vrouwen in stand houdt.
De categorie bedrijfsgebouwd wordt gekozen door leden van de Kamers van
Koophandel en Fabrieken en de Gewestelijke Raad van het Landbouwschap.
De man/vrouw verhouding van deze leden vormt geen representatieve
afspiegeling van de verhouding mannelijke en vrouwelijke ondernemers en
stuit daarom op het zelfde bezwaar als gesteld voor de categorie
ingezetenen. Een dergelijke verkiezingswijze doet volgens verzoekster
geweld aan aan het actieve en passieve kiesrecht van vrouwen, en
betekent als zodanig een schending van artikel 1 Grondwet en van het
VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie
jegens vrouwen.

De wederpartij wijst in dit verband naar artikel 6, lid 2 van het
Reglement voor het hoogheemraadschap van Schieland en de artikel 20,
lid 2 en artikel 22 Waterschapwet. De gevolgde procedure berust op
wettelijke regels, zodat mogelijk onderscheid op grond van artikel 4
aanhef en onderdeel c AWGB onverlet wordt gelaten. Voorts wordt
aangevoerd dat in 1999 zal worden overgegaan tot directe verkiezingen
voor de categorie ingezetenen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of de Commissie
bevoegd is tot het geven van een oordeel inzake de drie eerder
omschreven klachten van verzoekster.

Bij de eerste twee klachten is de toepasselijkheid van artikel 7, lid
1, AWGB in het geding. De Commissie gelijke behandeling kan alleen een
oordeel uitspreken over de vraag of het laten meesturen van een
gerechtigdheidsbewijs door de vrouw ingeval van kandidaatondersteuning
en de gebruikelijke adressering van de oproepingskaarten aan de man in
strijd met de wet is, indien deze overheidshandelingen vallen onder het
bereik van artikel 7, lid 1, AWGB.

4.2. Artikel 7, lid 1, AWGB luidt: “1. Onderscheid is verboden bij het
aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren,
beeindigen van overeenkomsten ter zake, alsmede bij het geven van
advies of voorlichting over school- of beroepskeuze, indien dit
geschiedt: a. in de uitoefening van een beroep of bedrijf; b. door de
openbare dienst; c. door instellingen die werkzaam zijn op het gebied
van de volkshuisvesting, welzijn, gezondheidszorg, cultuur of onderwijs
of d. door natuurlijke personen die niet handelen in de uitoefening van
een beroep of bedrijf, voor zover het aanbod in het openbaar
geschiedt”.

4.3. Bovenstaande betekent dat de bevoegdheid van de Commissie afhangt
van de vraag of de te verrichten handelingen met betrekking tot de
verkiezingen van waterschapsbesturen kunnen worden beschouwd als het
aanbieden van diensten in de zin van artikel 7, lid 1, AWGB.

4.4. Bij de totstandkoming van de AWGB wordt het begrip dienst niet
nader omschreven. Gelet op de strekking van artikel 7 AWGB heeft het
begrip dienst niet uitsluitend betrekking op het tot standkomen of de
uitvoering van privaatrechtelijke overeenkomsten met eventueel
wederzijdse verbintenissen. Met name bij de onder c. genoemde
instellingen laat zich een ander soort dienstverlening bedenken dan de
diensten waarbij (de totstandkoming van) overeenkomsten zijn gemoeid.
Deze mogelijkheden doen zich in het onderhavige geval echter niet voor.

4.5. De verplichtingen van waterschappen ten aanzien van de
samenstelling van hun besturen berusten enerzijds op de Grondwet
(artikel 133) en de Waterschapswet (artikel 11 en volgende), anderzijds
op de provinciale verordeningen terzake. Artikel 2 van de Waterschapwet
geeft de provincie de bevoegdheid bij provinciale verordening de
samenstelling van de waterschaps- besturen nader te regelen. De gang
van zaken rond de waterschapsverkiezingen wordt door deze regelingen
beheerst. Desalniettemin heeft het waterschap enige vrijheid met
betrekking tot het al dan niet verrichten van onderzoek naar de
geldigheid van ondersteunende handtekeningen en inzake de adressering
van de stemoproep. Deze handelingen worden evenwel uitgevoerd ter
vervulling van de wettelijke verplichtingen die op waterschappen
rusten. De uitvoering van deze publiekrechtelijke taken is niet gericht
op het voorzien in behoeften van particulieren. Evenmin is er sprake
van het desgevraagd verrichten van werkzaamheden voor derden, zoals
blijkbaar door de wetgever beoogd met de term “diensten” van artikel 7,
lid 1, AWGB.

4.6. Er rust uit hoofde van het Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van discriminatie jegens vrouwen (New York, 18 december 1979),
artikel 7, onder a, op de Nederlandse overheid een verplichting inzake
het nemen van passende maatregelen om discriminatie van vrouwen in het
politieke en openbare leven van dit land uit te bannen, alsmede om
vrouwen in het bijzonder het recht te verzekeren om op gelijke voet met
mannen hun stem uit te brengen bij alle verkiezingen en
volksstemmingen, en verkiesbaar te laten zijn in alle openbaar gekozen
lichamen. Het bestaan van deze specifieke bepaling met betrekking tot
de gelijke behandeling van mannen en vrouwen wat actief en passief
kiesrecht betreft vormt geen aanleiding tot het geven van een andere
interpretatie aan het begrip “diensten” in artikel 7, lid 1, AWGB,
aangezien de bepalingen verschillende maatschappelijk terreinen
bestrijken.

Gezien artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de uitbanning van alle
vormen van discriminatie jegens vrouwen rusten op het
waterschapsbestuur bepaalde verplichtingen ten aanzien van de
verwezenlijking van het actieve en passieve kiesrecht van vrouwen. In
dat licht dient de kandidaatondersteuning zonder onderscheid naar sekse
te worden beoordeeld en dient een stemoproep te geschieden op een
manier waarbij geen onderscheid naar sekse wordt gemaakt. Het is
evenwel niet aan de Commissie om te beoordelen of de wederpartij in
casu in strijd met genoemd verdrag heeft gehandeld.

4.7. Op grond van het voorafgaande oordeelt de Commissie dat zij –
gelet op artikel 7, lid 1, AWGB- niet bevoegd is een oordeel te geven
over de klacht met betrekking tot de kandidaatondersteuning door
vrouwen en over de klacht met betrekking tot de adressering van de
stemoproep door het waterschapsbestuur.

4.8. Ook ten aanzien van de laatste klacht van verzoekster dient
onderzocht te worden of de Commissie tot een oordeel bevoegd is.

De eerstgenoemde indirecte verkiezingswijze berust op artikel 20, lid 2
Waterschapswet, dat luidt: “Bij reglement kan in afwijking van het
eerste lid worden bepaald dat stemgerechtigd zijn de leden van de raden
der gemeenten waartoe het gebied van het waterschap behoort”. De
provincie heeft dit inderdaad vastgelegd in eerdergenoemd artikel 6,
lid 2 van het Reglement voor het Hoogheemraadschap van Schieland. De
tweede indirecte verkiezingswijze berust op artikel 22 Waterschapswet.
Hierin wordt bepaald dat de zetels voor de categorie bedrijfsgebouwd
worden gekozen door de leden van de betreffende Kamer(s) van Koophandel
en de Gewestelijke Raad van het Landbouwschap. Een en ander betekent
dat de wederpartij een procedure volgt welke geheel door wettelijke
voorschriften wordt beheerst en waarbij de wederpartij geen
beleidsvrijheid toekomt. Als er sprake zou zijn van indirect
onderscheid van vrouwen door de betreffende indirecte verkiezingswijze,
dan zou dit direct terug te voeren zijn op een wet in formele zin en de
bij en krachtens deze regeling gegeven voorschriften. Een oordeel over
de gevolgde procedure op dit punt is in wezen dan ook een oordeel over
de betreffende wettelijke voorschriften.

De Waterschapswet dateert van 6 juni 1991 en is laatstelijk gewijzigd
bij wet van 26 april 1995 (Stb. 379 en Stb. 250). Deze wijzigingen
hebben echter geen betrekking op de hierboven geciteerde onderdelen van
de wet van 6 juni 1991. De inwerkingtreding van deze wet vond plaats op
1 januari 1992. Dat betekent dat de uitzondering van artikel 4, onder
c. AWGB van toepassing is. Artikel 4, onder c, luidt: “Deze wet laat
onverlet: onderscheid dat wordt gemaakt bij of krachtens enige andere
wet, welke voorafgaand aan deze wet in werking is getreden”.

Op grond van eerdergenoemd artikel 7, onder a van het Verdrag inzake de
uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen kan de
vraag worden opgeworpen of de wetgever tot bepaalde aanpassingen van
artikel 20, lid 2 en artikel 22 van de Waterschapswet is verplicht. Het
behoort echter niet tot de taak van de Commissie om in deze een
uitspraak te doen.

4.9. Op grond van bovenstaande oordeelt de Commissie dat zij gezien
artikel 4, onder c AWGB niet bevoegd is een oordeel te geven over de
klacht over de indirecte verkiezingswijze van de categorie ingezetenen
en de categorie bedrijfsgebouwd.

Wellicht ten overvloede wijst de Commissie er op dat haar bevoegdheid
in soortgelijke gevallen waarbij art 4, onder c AWGB niet van
toepassing is, wordt beperkt door artikel 7 AWGB, nu de inrichting van
een verkiezingsprocedure niet kan worden aangemerkt als het aanbieden
van een dienst, volgens de door de wetgever met deze bepaling beoogde
strekking (zie hiervoor onder 4.5.).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie is niet bevoegd tot het geven van een oordeel over de
vraag of het Hoogheemraadschap van Schieland te Rotterdam bij de
verkiezing van het waterschapsbestuur handelt in strijd met de Algemene
wet gelijke behandeling.

Rechters

mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling opgenomen
die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder die meer dan
32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon gemiddeld 32
uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en leeftijdsdagen.
Verzoekster is van mening dat daardoor deeltijdwerkers ongelijk worden
behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn (ook in het
ziekenhuis waar verzoekster werkzaam is), zou de wederpartij daarmee in
strijd handelen met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie
stelt vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5
lid 1 sub d AWGB betreft.

De vraag ligt voor of de wederpartij met deze arbeidsvoorwaarde
indirect onderscheid maakt als bedoeld in voornoemd wetsartikel. De
overgelegde cijfers leveren een vermoeden van indirect onderscheid op.
Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is. De vraag is of een
seniorenregeling zoals deze wordt gehanteerd het juiste middel is. De
Commissie concludeert dat geen sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond en de wederpartij derhalve indirect onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 oktober 1994 verzocht mevrouw te
Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
werknemersorganisaties AbvaKabo, CFO, FHZ en NU ’91 (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van geslacht maken in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling
opgenomen die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder
die meer dan 32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon
gemiddeld 32 uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en
leeftijdsdagen. Verzoekster is van mening dat daardoor deeltijdwerkers
ongelijk worden behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn
(ook in het ziekenhuis waar verzoekster werkzaam is), zou de
wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

Verzoekster heeft ook als wederpartij aangewezen de
werkgeversorganisatie die betrokken was bij de totstandkoming van de
CAO. In die zaak heeft de Commissie een oordeel uitgebracht met als
oordeelnummer 95-57.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 24 oktober 1995. Verzoekster heeft
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Deze zaak is gevoegd
behandeld met de zaak tegen de werkgeversorganisatie, alsook met drie
andere zaken waarin de OR van het Flevoziekenhuis te Almere klaagt over
dezelfde CAO-bepaling (oordeelnrs. 95-58 t/m 95-60). Bij deze zitting
waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij – mw.
(secretaris Sociaal Overleg Ziekenhuiswezen, gemachtigde) – dhr.
(beleidsmedewerker)

van de kant van verzoeker in de drie gevoegde zaken – mw.
(ambtelijk secretaris OR ) – mw. (lid van de
OR )

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – dhr. drs. B. van
Schijndel (lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is werkzaam in het te Almere. Op dit
ziekenhuis is vanaf 1 april 1994 de CAO voor het Ziekenhuiswezen
1994-1996 (hierna: de CAO) van toepassing. In artikel 19 van de CAO
staat dat de arbeidsduur en de werktijden van de werknemer worden
vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de Uitvoeringsregeling
arbeidsduur en werktijden. In artikel 11 van deze Uitvoeringsregeling
is bepaald, dat werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur
per week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met
volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. Deze CAO-bepaling is sinds 1 januari 1995 van kracht.

Verzoekster (geboren op 15 juli 1940) werkt in deeltijd omdat voltijds
werken voor haar te zwaar is. Van 1 augustus 1993 tot 1 juli 1994
werkte zij 32 uur per week. Hierna werkte zij 28 uur per week. Als
verzoekster meer dan 32 uur per week had gewerkt, dan zou zij vanaf
augustus 1995 op de CAO-bepaling een beroep hebben kunnen doen.

Op 31 december 1993 waren er in de instellingen, die aan de CAO
gebonden zijn, in totaal 205.749 personen werkzaam, onder wie 46.583
mannen en 159.166 vrouwen. Er werkten 7.060 personen die 55 jaar of
ouder waren, onder wie 2850 mannen en 4210 vrouwen. Onder deze personen
waren er 3588 die 55 jaar en ouder waren die 32 uur per week of minder
werkten, onder wie 625 mannen en 2963 vrouwen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij, als partij betrokken
bij de totstandkoming van de CAO, onderscheid maakt naar geslacht door
de toepassing van genoemde CAO-bepaling, aangezien in de
gezondheidssector meer vrouwen dan mannen werken en deze vrouwen
meestal in deeltijd werkzaam zijn. Verzoekster meent dat de bepalingen
in een CAO voor alle werknemers moeten gelden, er mag dus geen
onderscheid worden gemaakt op grond van arbeidsduur.

Het bevreemdt verzoekster dat de wederpartij vermindering van het
aantal arbeidsongeschikte werknemers noemt als een van de argumenten om
de bestreden regeling toe te passen, terwijl zij niet over gegevens
beschikt die arbeidsongeschiktheid onder voltijdwerkers en
deeltijdwerkers betreffen.

3.3. De wederpartij stelt dat bij het opstellen van de in geding zijnde
CAO-bepaling als uitgangspunt is genomen het inperken van de werklast
voor de oudere werknemer. De CAO-partijen zijn van mening dat deze
werklast de 32 uren gemiddeld per week niet te boven mag gaan. Bedoelde
CAO-bepaling is onderdeel van een integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid, met als doel de inzetbaarheid van ouderen te
vergroten.

Bij de uitwerking van artikel 19 van de CAO is daaraan zodanig vorm
gegeven, dat er voor zowel werknemer als werkgever voldoende voordelen
aan verbonden zijn. Vanwege het integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid gelden voor werknemers die geen gebruik (kunnen) maken
van de regeling weer andere voordelen. Deze werknemers mogen met behoud
van hun ADV- en leeftijdsdagen vanaf de dag dat zij 55 jaar zijn een
half uur per week korter werken en worden niet verplicht gesteld
onregelmatige diensten te draaien, zoals nacht- en avonddiensten.

3.4. Tijdens de CAO-onderhandelingen over de betreffende bepaling is de
‘doorvertaling’ van deze regeling voor deeltijders aan de orde geweest,
omdat deeltijdarbeid naar de opvatting van de wederpartij als
volwaardige arbeid dient te worden beschouwd. Een dergelijke
‘doorvertaling’ is echter in strijd met de aard en bedoeling van de
regeling, te weten het terugbrengen van het maximaal aantal te werken
uren naar 32. Door een verlichting van de maximale werkbelasting van
oudere werknemers zal naar verwachting het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder deze groep afnemen. De wederpartij beschikt niet over
gegevens over het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid bij
voltijd- en deeltijdwerkers.

De wederpartij stelt dat degene die meer dan 32 uur werkt een
daadwerkelijk hogere werkbelasting kent dan deeltijd-collegae die
minder werken. De herstelmogelijkheden of rustperiodes van
deeltijdwerkers zijn ook groter dan die van voltijdwerkers, zeker voor
wat betreft de oudere werknemer. Er is bewust niet gekozen voor een
generieke regeling, omdat die te veel zou lijken op een vorm van
collectieve arbeidsduurverkorting. De benadering van verzoekster heeft
de indirecte consequentie dat elke bepaling, toegespitst op oudere
werknemers geen doorgang zou kunnen vinden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt jegens verzoekster door
haar uit te sluiten van de mogelijkheid van werktijdvermindering omdat
zij niet meer dan 32 uur per week werkt.

4.2. Artikel 1 sub a AWGB stelt dat onder onderscheid wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer
dat onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van
geslacht. Artikel 1 sub c AWGB definieert indirect onderscheid als
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan onder
meer het geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg heeft. Artikel 2
lid 1 AWGB bepaalt dat het in de AWGB neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is. Artikel 5 lid 1 sub d AWGB verbiedt onder
meer het maken van onderscheid op grond van geslacht in de
arbeidsvoorwaarden.

4.3. De CAO, aan de totstandkoming waarvan de wederpartij heeft
meegewerkt, kent in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling arbeidsduur
en werktijden een regeling van werktijdvermindering voor werknemers
ouder dan 55 jaar die meer werken dan 32 uur per week met doorbetaling
van loon en inlevering van ADV- en leeftijdsdagen. De Commissie stelt
vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 lid 1
sub d AWGB betreft. De vraag ligt voor of de wederpartij met deze
arbeidsvoorwaarde indirect onderscheid maakt als bedoeld in voornoemd
wetsartikel.

Teneinde vast te kunnen stellen of sprake is van een verboden indirect
onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of de onderhavige regeling
een nadelig effect heeft voor personen van een geslacht binnen de kring
van werknemers die onder de CAO vallen. Zij hanteert in het algemeen
relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met het
aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
personeelsbestand van de instellingen die aan de CAO gebonden zijn.

Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk
aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld kunnen
geven (Een voorbeeld: een onderneming waarin tien vrouwen en 1000
mannen werken. Van de vrouwen werken er negen in deeltijd, van de
mannen ook. Stel dat deeltijders een lager uurloon ontvangen dan
voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de
absolute getallen) werkt onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk
uit naar geslacht; er zijn immers negen vrouwen en negen mannen die
benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn dat met name de vrouwen
nadelig getroffen worden: immers negen van de tien vrouwen tegenover
negen van de 1000 mannen worden nadelig getroffen). Ten aanzien van de
in beschouwing te nemen gegevens overweegt de Commissie als volgt. De
cijfers betreffende het personeelsbestand van de instellingen die aan
de CAO gebonden zijn wijzen uit dat (625:2850 x 100% =) 21,9% van de
mannen en (2963:4210 x 100% =) 70,4% van de vrouwen van 55 jaar en
ouder niet voor de seniorenregeling in aanmerking komen. Er zijn dus
(70,4%:21,9% =) 3,2 keer zoveel vrouwen als mannen die van de bestreden
regeling geen gebruik kunnen maken. Op grond van het bovenstaande kan
geconcludeerd worden dat vooral personen van een geslacht, in casu
vrouwen, door het bestreden criterium in de CAO-bepaling getroffen
worden. Hiermee staat vast, dat bij de toelating tot de regeling sprake
is van een vermoeden van indirect onderscheid. Overigens leveren de
cijfers betreffende het personeelsbestand in het ziekenhuis waar
verzoekster werkzaam is, eveneens een vermoeden op van indirect
onderscheid (Zie Commissie gelijke behandeling, oordeel 95-58).

4.4. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, gaat de
Commissie na of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. De
Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond conform jurisprudentie van het Europese Hof van
Justitie (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Jenkins versus
Kingsgate, 31 maart 1981, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak C-170/84, JUR 1986, p. 1607) aan de volgende
criteria (Zie ook Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p.14): – aan
het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn, – de ter
bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte (van degene die het middel hanteert) en – moeten
geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

Met betrekking hiertoe overweegt de Commissie als volgt.

4.5. Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is.

De Commissie constateert dat het middel dat de wederpartij hanteert om
het nagestreefde doel te bereiken, bestaat uit een CAO-bepaling op
grond waarvan werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur per
week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met
volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. De Commissie leidt uit het feit, dat de regeling ter
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers op deze wijze zowel
van de zijde van werkgevers als van de zijde van werknemers
bewerkstelligd is af, dat het middel beantwoordt aan een werkelijke
behoefte. De klacht van verzoekster onderstreept dit overigens,
aangezien deze aangeeft dat meer oudere werknemers een beroep willen
doen op de seniorenregeling dan degenen voor wie de regeling krachtens
de CAO-bepaling is bedoeld.

Ten aanzien van de geschiktheid van het middel overweegt de Commissie,
dat de in geding zijnde seniorenregeling op zichzelf kan leiden tot
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers. De Commissie stelt
derhalve vast, dat het middel in die zin geschikt kan zijn om het doel
te bereiken. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van het middel
overweegt de Commissie het volgende.

De wederpartij acht een seniorenregeling noodzakelijk voor werknemers
die langer werken dan 32 uur, omdat deze werknemers een daadwerkelijk
hogere werkbelasting kennen dan deeltijdcollegae. De Commissie
overweegt, dat op zich werktijdvermindering ertoe kan bijdragen dat de
werkbelasting vermindert en de betrokken werknemers daardoor langer aan
de betaalde arbeid deelnemen. De aanname echter dat de werkbelasting
bij (bijna) voltijdwerkers structureel hoger is dan bij degenen die 32
uur of minder per week werken, is in zijn algemeenheid niet juist. De
veronderstelde extra belasting is immers mede afhankelijk van gestel,
persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van degene die op deze
uren werkzaam is. Oudere werknemers die 32 uur of minder per week
werken, kunnen naast hun betaalde werk ook nog andere activiteiten (in
de privesfeer dan wel in het maatschappelijk verkeer) verrichten,
waardoor de totale belasting niet verschilt van die van (bijna)
voltijdwerkers.

De Commissie overweegt vervolgens dat een van de indicatoren voor (te)
hoge werkdruk ziekteverzuim is. De wederpartij stelt ook expliciet, dat
het doel van de CAO-bepaling is het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder de groep oudere werknemers terug te dringen. De
Commissie constateert dat de wederpartij niet beschikt over gegevens
waaruit blijkt, dat het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid onder
oudere werknemers verschilt naar gelang hun arbeidsduur. Mitsdien kan
ook dit beroep van de wederpartij op de noodzakelijkheid van het middel
niet slagen.

Met betrekking tot het standpunt van de wederpartij dat een generieke
regeling te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting en dat in de benadering van verzoekster elke
bepaling, toegespitst op oudere werknemers, geen doorgang zou kunnen
vinden, overweegt de Commissie dat in deze zaak de grens van de
arbeidsduur in geding is. De werking van een in dat opzicht
andersluidende CAO-bepaling dan de overeengekomene zou met andere
woorden beperkt kunnen blijven tot en toegespitst op oudere werknemers.

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat geen
sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij
derhalve indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de werknemersorganisaties
AbvaKabo, CFO, FHZ en NU’91 jegens mevrouw te Amsterdam in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling indirect onderscheid naar geslacht
hebben gemaakt als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub d Algemene wet
gelijke behandeling.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.K.de Jongh (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling opgenomen
die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder die meer dan
32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon gemiddeld 32
uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en leeftijdsdagen.
Verzoekster is van mening dat daardoor deeltijdwerkers ongelijk worden
behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn (ook in het
ziekenhuis waar verzoekster werkzaam is), zou de wederpartij daarmee in
strijd handelen met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie
stelt vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5
lid 1 sub d AWGB betreft.

De vraag ligt voor of de wederpartij met deze arbeidsvoorwaarde
indirect onderscheid maakt als bedoeld in voornoemd wetsartikel. De
overgelegde cijfers leveren een vermoeden van indirect onderscheid op.
Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is. De vraag is of een
seniorenregeling zoals deze wordt gehanteerd het juiste middel is. De
Commissie concludeert dat geen sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond en de wederpartij derhalve indirect onderscheid
op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 11 oktober 1994 verzocht mevrouw te
Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Nederlandse Zorgfederatie te Utrecht (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid op grond van geslacht maakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2. In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling
opgenomen die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder
die meer dan 32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon
gemiddeld 32 uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en
leeftijdsdagen. Verzoekster is van mening dat daardoor deeltijdwerkers
ongelijk worden behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn
(ook in het ziekenhuis waar verzoekster werkzaam is), zou de
wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

Verzoekster heeft ook als wederpartij aangewezen de
werknemersorganisaties die betrokken waren bij de totstandkoming van de
CAO. In die zaak heeft de Commissie een oordeel uitgebracht met als
oordeelnummer 95-56.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 24 oktober 1995. Verzoekster heeft
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Deze zaak is gevoegd
behandeld met de zaak tegen de werknemersorganisaties, alsook met drie
andere zaken waarin de OR van het te Almere klaagt over
dezelfde CAO-bepaling (oordeelnrs. 95-58 t/m 95-60). Bij deze zitting
waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij – mw.
(secretaris Sociaal Overleg Ziekenhuiswezen, gemachtigde) – dhr.
(beleidsmedewerker)

van de kant van verzoeker in de drie gevoegde zaken – mw.
(ambtelijk secretaris OR ) – mw. (lid OR
)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – dhr. drs. B. van
Schijndel (lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is werkzaam in het te Almere. Op dit
ziekenhuis is vanaf 1 april 1994 de CAO voor het Ziekenhuiswezen
1994-1996 (hierna: de CAO) van toepassing. In artikel 19 van de CAO
staat dat de arbeidsduur en de werktijden van de werknemer worden
vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de Uitvoeringsregeling
arbeidsduur en werktijden. In artikel 11 van deze Uitvoeringsregeling
is bepaald, dat werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur
per week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met
volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. Deze CAO-bepaling is sinds 1 januari 1995 van kracht.

Verzoekster (geboren op 15 juli 1940) werkt in deeltijd omdat voltijds
werken voor haar te zwaar is. Van 1 augustus 1993 tot 1 juli 1994
werkte zij 32 uur per week. Hierna werkte zij 28 uur per week. Als
verzoekster meer dan 32 uur per week had gewerkt, dan zou zij vanaf
augustus 1995 op de CAO-bepaling een beroep hebben kunnen doen.

Op 31 december 1993 waren er in de instellingen, die aan de CAO
gebonden zijn, in totaal 205.749 personen werkzaam, onder wie 46.583
mannen en 159.166 vrouwen. Er werkten 7.060 personen die 55 jaar of
ouder waren, onder wie 2850 mannen en 4210 vrouwen. Onder deze personen
waren er 3588 die 55 jaar en ouder waren die 32 uur per week of minder
werkten, onder wie 625 mannen en 2963 vrouwen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat de wederpartij, als partij betrokken
bij de totstandkoming van de CAO, onderscheid maakt naar geslacht door
de toepassing van genoemde CAO-bepaling, aangezien in de
gezondheidssector meer vrouwen dan mannen werken en deze vrouwen
meestal in deeltijd werkzaam zijn. Verzoekster meent dat de bepalingen
in een CAO voor alle werknemers moeten gelden, er mag dus geen
onderscheid worden gemaakt op grond van arbeidsduur.

Het bevreemdt verzoekster dat de wederpartij vermindering van het
aantal arbeidsongeschikte werknemers noemt als een van de argumenten om
de bestreden regeling toe te passen, terwijl zij niet over gegevens
beschikt die arbeidsongeschiktheid onder voltijdwerkers en
deeltijdwerkers betreffen.

3.3. De wederpartij stelt dat bij het opstellen van de in geding zijnde
CAO-bepaling als uitgangspunt is genomen het inperken van de werklast
voor de oudere werknemer. De CAO-partijen zijn van mening dat deze
werklast de 32 uren gemiddeld per week niet te boven mag gaan. Bedoelde
CAO-bepaling is onderdeel van een integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid, met als doel de inzetbaarheid van ouderen te
vergroten.

Bij de uitwerking van artikel 19 van de CAO is daaraan zodanig vorm
gegeven, dat er voor zowel werknemer als werkgever voldoende voordelen
aan verbonden zijn. Vanwege het integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid gelden voor werknemers die geen gebruik (kunnen) maken
van de regeling weer andere voordelen. Deze werknemers mogen met behoud
van hun ADV- en leeftijdsdagen vanaf de dag dat zij 55 jaar zijn een
half uur per week korter werken en worden niet verplicht gesteld
onregelmatige diensten te draaien, zoals nacht- en avonddiensten.

3.4. Tijdens de CAO-onderhandelingen over de betreffende bepaling is de
‘doorvertaling’ van deze regeling voor deeltijders aan de orde geweest,
omdat deeltijdarbeid naar de opvatting van de wederpartij als
volwaardige arbeid dient te worden beschouwd. Een dergelijke
‘doorvertaling’ is echter in strijd met de aard en bedoeling van de
regeling, te weten het terugbrengen van het maximaal aantal te werken
uren naar 32. Door een verlichting van de maximale werkbelasting van
oudere werknemers zal naar verwachting het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder deze groep afnemen. De wederpartij beschikt niet over
gegevens over het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid bij
voltijd- en deeltijdwerkers.

De wederpartij stelt dat degene die meer dan 32 uur werkt een
daadwerkelijk hogere werkbelasting kent dan deeltijd-collegae die
minder werken. De herstelmogelijkheden of rustperiodes van
deeltijdwerkers zijn ook groter dan die van voltijdwerkers, zeker voor
wat betreft de oudere werknemer. Er is bewust niet gekozen voor een
generieke regeling, omdat die te veel zou lijken op een vorm van
collectieve arbeidsduurverkorting. De benadering van verzoekster heeft
de indirecte consequentie dat elke bepaling, toegespitst op oudere
werknemers geen doorgang zou kunnen vinden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt jegens verzoekster door
haar uit te sluiten van de mogelijkheid van werktijdvermindering omdat
zij niet meer dan 32 uur per week werkt.

4.2. Artikel 1 sub a AWGB stelt dat onder onderscheid wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer
dat onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van
geslacht. Artikel 1 sub c AWGB definieert indirect onderscheid als
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan onder
meer het geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg heeft. Artikel 2
lid 1 AWGB bepaalt dat het in de AWGB neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is. Artikel 5 lid 1 sub d AWGB verbiedt onder
meer het maken van onderscheid op grond van geslacht in de
arbeidsvoorwaarden.

4.3. De CAO, aan de totstandkoming waarvan de wederpartij heeft
meegewerkt, kent in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling arbeidsduur
en werktijden een regeling van werktijdvermindering voor werknemers
ouder dan 55 jaar die meer werken dan 32 uur per week met doorbetaling
van loon en inlevering van ADV- en leeftijdsdagen. De Commissie stelt
vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 lid 1
sub d AWGB betreft. De vraag ligt voor of de wederpartij met deze
arbeidsvoorwaarde indirect onderscheid maakt als bedoeld in voornoemd
wetsartikel.

Teneinde vast te kunnen stellen of sprake is van een verboden indirect
onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of de onderhavige regeling
een nadelig effect heeft voor personen van een geslacht binnen de kring
van werknemers die onder de CAO vallen. Zij hanteert in het algemeen
relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met het
aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
personeelsbestand van de instellingen die aan de CAO gebonden zijn. Bij
een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel
hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld kunnen geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin tien vrouwen en 1000 mannen werken.
Van de vrouwen werken er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien men
alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt
onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er
zijn immers negen vrouwen en negen mannen die benadeeld worden. Toch
zal duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig getroffen worden:
immers negen van de tien vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen
worden nadelig getroffen).

Ten aanzien van de in beschouwing te nemen gegevens overweegt de
Commissie als volgt. De cijfers betreffende het personeelsbestand van
de instellingen die aan de CAO gebonden zijn wijzen uit dat (625:2850 x
100% =) 21,9% van de mannen en (2963:4210 x 100% =) 70,4% van de
vrouwen van 55 jaar en ouder niet voor de seniorenregeling in
aanmerking komen. Er zijn dus (70,4%:21,9% =) 3,2 keer zoveel vrouwen
als mannen die van de bestreden regeling geen gebruik kunnen maken. Op
grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat vooral personen
van een geslacht, in casu vrouwen, door het bestreden criterium in de
CAO-bepaling getroffen worden. Hiermee staat vast, dat bij de toelating
tot de regeling sprake is van een vermoeden van indirect onderscheid.
Overigens leveren de cijfers betreffende het personeelsbestand in het
ziekenhuis waar verzoekster werkzaam is, eveneens een vermoeden op van
indirect onderscheid (Zie Commissie gelijke behandeling, oordeel
95-58).

4.4. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, gaat de
Commissie na of sprake is van een objectieve recht-vaardigingsgrond.
De Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond conform jurisprudentie van het Europese Hof van
Justitie (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Jenkins versus
Kingsgate, 31 maart 1981, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak C-170/84, JUR 1986, p. 1607) aan de volgende
criteria (Zie ook Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p.14): – aan
het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn, – de ter
bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte (van degene die het middel hanteert) en – moeten
geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

Met betrekking hiertoe overweegt de Commissie als volgt.

4.5. Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is.

De Commissie constateert dat het middel dat de wederpartij hanteert om
het nagestreefde doel te bereiken, bestaat uit een CAO-bepaling op
grond waarvan werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur per
week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met
volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. De Commissie leidt uit het feit, dat de regeling ter
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers op deze wijze zowel
van de zijde van werkgevers als van de zijde van werknemers
bewerkstelligd is af, dat het middel beantwoordt aan een werkelijke
behoefte. De klacht van verzoekster onderstreept dit overigens,
aangezien deze aangeeft dat meer oudere werknemers een beroep willen
doen op de seniorenregeling dan degenen voor wie de regeling krachtens
de CAO-bepaling is bedoeld.

Ten aanzien van de geschiktheid van het middel overweegt de Commissie,
dat de in geding zijnde seniorenregeling op zichzelf kan leiden tot
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers. De Commissie stelt
derhalve vast, dat het middel in die zin geschikt kan zijn om het doel
te bereiken. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van het middel
overweegt de Commissie het volgende.

De wederpartij acht een seniorenregeling noodzakelijk voor werknemers
die langer werken dan 32 uur, omdat deze werknemers een daadwerkelijk
hogere werkbelasting kennen dan deeltijd-collegae. De Commissie
overweegt, dat op zich werktijdvermindering ertoe kan bijdragen dat de
werkbelasting vermindert en de betrokken werknemers daardoor langer aan
de betaalde arbeid deelnemen. De aanname echter dat de werkbelasting
bij (bijna) voltijdwerkers structureel hoger is dan bij degenen die 32
uur of minder per week werken, is in zijn algemeenheid niet juist. De
veronderstelde extra belasting is immers mede afhankelijk van gestel,
persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van degene die op deze
uren werkzaam is. Oudere werknemers die 32 uur of minder per week
werken, kunnen naast hun betaalde werk ook nog andere activiteiten (in
de privesfeer dan wel in het maatschappelijk verkeer) verrichten,
waardoor de totale belasting niet verschilt van die van (bijna)
voltijders.

De Commissie overweegt vervolgens dat een van de indicatoren voor (te)
hoge werkdruk ziekteverzuim is. De wederpartij stelt ook expliciet, dat
het doel van de CAO-bepaling is het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder de groep oudere werknemers terug te dringen. De
Commissie constateert dat de wederpartij niet beschikt over gegevens
waaruit blijkt, dat het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid onder
oudere werknemers verschilt naar gelang hun arbeidsduur. Mitsdien kan
ook dit beroep van de wederpartij op de noodzakelijkheid van het middel
niet slagen.

Met betrekking tot het standpunt van de wederpartij dat een generieke
regeling te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting en dat in de benadering van verzoekster elke
bepaling, toegespitst op oudere werknemers, geen doorgang zou kunnen
vinden, overweegt de Commissie dat in deze zaak de grens van de
arbeidsduur in geding is. De werking van een in dat opzicht
andersluidende CAO-bepaling dan de overeengekomene zou met andere
woorden beperkt kunnen blijven tot en toegespitst op oudere werknemers.

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat geen
sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij
derhalve indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Nederlandse
Zorgfederatie te Utrecht jegens mevrouw te
Amsterdam in strijd met de wetgeving gelijke behandeling indirect
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5 lid 1
sub d Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr.A.K. de Jongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling opgenomen
die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder die meer dan
32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon gemiddeld 32
uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en leeftijdsdagen.
Verzoeker is van mening dat daardoor deeltijdwerkers ongelijk worden
behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn, zou de
wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling. Het handelen van de wederpartij kan getoetst worden aan
artikel 7A:1637ij van het Burgerlijk Wetboek omdat dit wetsartikel in
lid 1 de werkgever verbiedt om in de arbeidsvoorwaarden direct of
indirect onderscheid naar geslacht te maken.

De overgelegde cijfers leveren een vermoeden van indirect onderscheid
op. Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is.

De vraag is of een seniorenregeling zoals deze wordt gehanteerd het
juiste middel is. De Commissie concludeert dat geen sprake is van een
objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij derhalve indirect
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 16 maart 1995 verzocht de OR te Almere (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het te Almere
(hierna: de wederpartij) onderscheid op grond van geslacht maakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling
opgenomen die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder
die meer dan 32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon
gemiddeld 32 uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en
leeftijdsdagen. Verzoeker is van mening dat daardoor deeltijdwerkers
ongelijk worden behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn,
zou de wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

Verzoeker heeft ook als wederpartij aangewezen de CAO-partijen die
betrokken waren bij de totstandkoming van de CAO. In die zaken heeft de
Commissie oordelen uitgebracht met als oordeelnummers 95-59 en 95-60.

De Commissie heeft bij de CAO-partijen informatie opgevraagd. Aangezien
deze informatie ook voor deze zaak van belang is, is deze informatie
ook aan de partijen in de onderhavige zaak toegezonden.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 24 oktober 1995. De wederpartij heeft
van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Zij heeft verklaard zich te
conformeren aan het standpunt van de CAO-partijen. Deze zaak is gevoegd
behandeld met de zaken tegen de CAO-partijen, alsook met twee andere
zaken die dezelfde CAO-bepaling betroffen (oordeelnummers 95-56 en
95-57). Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – mw. (ambtelijk secretaris OR
) – mw. (lid OR )

van de kant van de wederpartij in de vier gevoegde zaken – mw.
(secretaris Sociaal Overleg ,
gemachtigde) – dhr. (beleidsmedewerker)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – dhr. drs. B. van
Schijndel (lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een ziekenhuis. Op de wederpartij is de CAO voor
het Ziekenhuiswezen 1994-1996 (hierna: de CAO) van toepassing. In
artikel 19 van de CAO staat dat de arbeidsduur en de werktijden van de
werknemer worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de
Utivoeringsregeling arbeidsduur en werktijden. In artikel 11 van deze
Uitvoeringsregeling is bepaald, dat werknemers van 55 jaar of ouder,
die meer dan 32 uur per week in dienst zijn bij de wederpartij,
gemiddeld 32 uur per week mogen werken met volledige doorbetaling van
loon maar met inlevering van de ADV- en leeftijdsdagen. Deze
CAO-bepaling is sinds 1 januari 1995 van kracht.

Bij de wederpartij zijn in totaal 591 personen werkzaam waren, onder
wie 135 mannen en 456 vrouwen. Er werken 27 personen die 55 jaar of
ouder zijn, onder wie 13 mannen en 14 vrouwen. Onder deze personen zijn
er 8 die 55 jaar of ouder zijn die 32 uur per week of minder werken,
onder wie 1 man en 7 vrouwen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker is van mening dat de seniorenregeling zoals door de
wederpartij toegepast, indirect onderscheid naar geslacht oplevert
omdat in de gezondheidszorg het merendeel van de deeltijdwerkers vrouw
is.

Verzoeker staat positief tegenover het inperken van de werklast van
oudere werknemers, waardoor arbeidsongeschiktheid mogelijk wordt
voorkomen. Door de beperking in het betreffende CAO-artikel wordt
echter geen rekening gehouden met de belangen van een grote groep in
deeltijd werkende mannen en vrouwen in de gezondheidszorg.

Aangezien geen cijfers beschikbaar zijn over het aantal
arbeidsongeschikten onder voltijd- en deeltijdwerkers, kan niet worden
gesteld dat het terugdringen van arbeidsongeschiktheid alleen kan
worden bereikt met de in geding zijnde seniorenregeling. De
rijksoverheid heeft een vergelijkbare seniorenregeling wel zodanig
aangepast dat alle deeltijders hiervoor in aanmerking komen.

Met de bestreden regeling wordt geen recht gedaan aan de
maatschappelijke ontwikkeling dat in deeltijd wordt gewerkt naast het
verrichten van zorgtaken zowel in als buiten het gezin. Ook is niet
uitgesloten dat meerdere (kleine) deeltijdbanen naast elkaar worden
uitgeoefend. Overigens wordt in de regeling niet voorzien in een
bepaling die voorkomt dat men de uren die men minder gaat werken,
gebruikt om elders een dienstverband aan te gaan.

Verzoeker bestrijdt het standpunt van de wederpartij, dat de voordelen
van degenen die geen gebruik kunnen maken van de seniorenregeling
opwegen tegen de nadelen. Allereerst blijft het salaris van degenen die
gebruik maken van de seniorenregeling gelijk. De CAO- bepaling doet
daarmee een onaanvaardbaar groot verschil ontstaan tussen het inkomen
van degenen met een contract van 32 uur per week of minder en degenen
die meer dan 32 uur per week werken. In de tweede plaats blijven de
pensioenen ongewijzigd en blijft de vakantieregeling voor degenen die
van de regeling gebruik maken gelijk. Voltijders die 32 uur per week
gaan werken houden dus aanspraak op het aantal vakantiedagen dat bij
een 40-urige werkweek hoort.

Een mogelijk argument dat de regeling voor een grotere groep te duur
is, is zonder verdere onderbouwing niet goed houdbaar. Immers, de
regeling zal het effect hebben dat ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid worden teruggedrongen, hetgeen financieel gezien
gunstig moet zijn. Om de financiele uitgaven te drukken had ook voor
een andere oplossing gekozen kunnen worden zoals verhoging van de
leeftijdsgrens, invoering van een eigen bijdrage of een proportionele
berekening van vakantiedagen.

3.3. De wederpartij stelt dat bij het opstellen van de in geding zijnde
CAO-bepaling als uitgangspunt is genomen het inperken van de werklast
voor de oudere werknemer. Zij is van mening dat deze werklast de 32
uren gemiddeld per week niet te boven mag gaan. Bedoelde CAO-bepaling
is beoogd als onderdeel van een integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid, met als doel de inzetbaarheid van ouderen te
vergroten.

Bij de uitwerking van artikel 19 van de CAO is daaraan zodanig vorm
gegeven, dat er voor zowel werknemer als werkgever voldoende voordelen
aan verbonden zijn.

Vanwege het integraal leeftijdsbewust personeelsbeleid gelden voor
werknemers die geen gebruik (kunnen) maken van de regeling weer andere
voordelen. Deze werknemers mogen met behoud van hun ADV- en
leeftijdsdagen vanaf de dag dat zij 55 jaar zijn een half uur per week
korter werken en worden niet verplicht gesteld onregelmatige diensten
te draaien, zoals nacht- en avonddiensten. Verzoeker stelt terecht dat
bij gebruikmaking van de seniorenregeling de werknemer aanspraak blijft
houden op hetzelfde aantal vakantiedagen als ervoor. Dat komt, omdat de
individuele arbeidsovereenkomst ongewijzigd blijft.

3.4. Tijdens de CAO-onderhandelingen over de betreffende bepaling is de
‘doorvertaling’ van deze regeling voor deeltijders aan de orde geweest,
omdat deeltijdarbeid naar de opvatting van de wederpartij als
volwaardige arbeid dient te worden beschouwd. Een dergelijke
‘doorvertaling’ is echter in strijd met de aard en bedoeling van de
regeling, te weten het terugbrengen van het maximaal aantal te werken
uren naar 32. Door een verlichting van de maximale werkbelasting van
oudere werknemers zal naar verwachting het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder deze groep afnemen. De wederpartij beschikt niet over
gegevens over het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid bij
voltijd- en deeltijdwerkers.

De wederpartij stelt dat degene die meer dan 32 uur werkt een
daadwerkelijk hogere werkbelasting kent dan deeltijd-collegae die
minder werken. Er is bewust niet gekozen voor een generieke regeling,
omdat die te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting. De benadering van verzoeker heeft de indirecte
consequentie dat elke bepaling, toegespitst op oudere werknemers geen
doorgang zou kunnen vinden. De seniorenregeling bij de rijksoverheid is
bij de wederpartij weliswaar bekend, maar zij heeft niet overwogen om
een analoge regeling op te stellen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door
werknemers die niet meer dan 32 uur per week werken uit te sluiten van
de mogelijkheid van werktijdvermindering.

4.2. Het handelen van de wederpartij kan getoetst worden aan artikel
7A:1637ij van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Dit wetsartikel verbiedt in lid 1 de werkgever om in de
arbeidsvoorwaarden direct of indirect onderscheid naar geslacht te
maken.

Onder indirect onderscheid naar geslacht wordt verstaan onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op
grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is (lid 5 van genoemd wetsartikel).

4.3. De CAO kent in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling arbeidsduur
en werktijden een regeling van werktijdvermindering voor werknemers
ouder dan 55 jaar die meer werken dan 32 uur per week met doorbetaling
van loon en inlevering van ADV- en leeftijdsdagen. De Commissie stelt
vast, dat het hier een arbeids-voorwaarde in de zin van artikel
7A:1637ij BW betreft. De vraag ligt voor of de wederpartij met deze
arbeidsvoorwaarde indirect onderscheid maakt als bedoeld in voornoemd
wetsartikel.

Teneinde vast te kunnen stellen of sprake is van een verboden indirect
onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of de onderhavige regeling
een nadelig effect heeft voor personen van een geslacht bij de
werknemers die bij de wederpartij werkzaam zijn. Zij hanteert in het
algemeen relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden
met het aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
personeelsbestand van de wederpartij. Bij een bestand waarin mannen en
vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute
aantallen een vertekend beeld kunnen geven (Een voorbeeld: een
onderneming waarin tien vrouwen en 1000 mannen werken. Van de vrouwen
werken er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat deeltijders
een lager uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt
naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten
nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er zijn immers negen
vrouwen en negen mannen die benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn
dat met name de vrouwen nadelig getroffen worden: immers negen van de
tien vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen worden nadelig
getroffen).

Ten aanzien van de in beschouwing te nemen gegevens overweegt de
Commissie als volgt. De cijfers betreffende het personeelsbestand van
de wederpartij wijzen uit dat (1:13 x 100% =) 7,6% van de mannen en
(7:14 x 100% =) 50% van de vrouwen van 55 jaar en ouder niet voor de
seniorenregeling in aanmerking komen. Er zijn dus (50%:7,6% =) 6,5 keer
zoveel vrouwen als mannen die van de bestreden regeling geen gebruik
kunnen maken. Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden
dat vooral personen van een geslacht, in casu vrouwen, door het
bestreden criterium in de CAO-bepaling getroffen worden.

Hiermee staat vast, dat bij de toelating tot de regeling sprake is van
een vermoeden van indirect onderscheid.

Overigens leveren de cijfers betreffende het personeelsbestand van de
instellingen die aan de CAO gebonden zijn, eveneens een vermoeden op
van indirect onderscheid (Zie Commissie gelijke behandeling, oordeel
95-59 en oordeel 95-60).

4.4. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, gaat de
Commissie na of sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. De
Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond conform jurisprudentie van het Europese Hof van
Justitie (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Jenkins versus
Kingsgate, 31 maart 1981, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak C-170/84, JUR 1986, p. 1607) aan de volgende
criteria (Zie ook Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p.14): – aan
het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn, – de ter
bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte (van degene die het middel hanteert) en – moeten
geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

Met betrekking hiertoe overweegt de Commissie als volgt.

4.5. Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is.

De Commissie constateert dat het middel dat de wederpartij hanteert om
het nagestreefde doel te bereiken, bestaat uit toepassing van een
CAO-bepaling op grond waarvan werknemers van 55 jaar of ouder, die meer
dan 32 uur per week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen
werken met volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de
ADV- en leeftijdsdagen. De Commissie leidt uit het feit, dat de
regeling ter vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers op deze
wijze zowel van de zijde van werkgevers als van de zijde van werknemers
bewerkstelligd is af, dat het middel beantwoordt aan een werkelijke
behoefte. De klacht van verzoeker onderstreept dit overigens, aangezien
deze aangeeft dat meer oudere werknemers een beroep willen doen op de
seniorenregeling dan degenen voor wie de regeling krachtens de
CAO-bepaling is bedoeld.

Ten aanzien van de geschiktheid van het middel overweegt de Commissie,
dat de in geding zijnde seniorenregeling op zichzelf kan leiden tot
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers. De Commissie stelt
derhalve vast, dat het middel in die zin geschikt kan zijn om het doel
te bereiken. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van het middel
overweegt de Commissie het volgende.

De wederpartij acht een seniorenregeling noodzakelijk voor werknemers
die langer werken dan 32 uur, omdat deze werknemers een daadwerkelijk
hogere werkbelasting kennen dan deeltijdcollegae. De Commissie
overweegt, dat op zich werktijdvermindering ertoe kan bijdragen dat de
werkbelasting vermindert en de betrokken werknemers daardoor langer aan
de betaalde arbeid deelnemen. De aanname echter dat de werkbelasting
bij (bijna) voltijdwerkers structureel hoger is dan bij degenen die 32
uur of minder per week werken, is in zijn algemeenheid niet juist.
De veronderstelde extra belasting is immers mede afhankelijk van
gestel, persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van degene die
op deze uren werkzaam is. Oudere werknemers die 32 uur of minder per
week werken, kunnen naast hun betaalde werk ook nog andere activiteiten
(in de privesfeer dan wel in het maatschappelijk verkeer) verrichten,
waardoor de totale belasting niet verschilt van die van (bijna)
voltijders.

De Commissie overweegt vervolgens dat een van de indicatoren voor (te)
hoge werkdruk ziekteverzuim is. De wederpartij stelt ook expliciet, dat
het doel van de CAO-bepaling is het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder de groep oudere werknemers terug te dringen. De
Commissie constateert dat de wederpartij niet beschikt over gegevens
waaruit blijkt, dat het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid onder
oudere werknemers verschilt naar gelang hun arbeidsduur. Mitsdien kan
ook dit beroep van de wederpartij op de noodzakelijkheid van het middel
niet slagen.

Met betrekking tot het standpunt van de wederpartij dat een generieke
regeling te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting en dat in de benadering van verzoekster elke
bepaling, toegespitst op oudere werknemers, geen doorgang zou kunnen
vinden, overweegt de Commissie dat in deze zaak de grens van de
arbeidsduur in geding is. De werking van een in dat opzicht
andersluidende CAO-bepaling dan de overeengekomene zou met andere
woorden beperkt kunnen blijven tot en toegespitst op oudere werknemers.

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat geen
sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij
derhalve indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het te
Almere jegens de OR te Almere in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter),mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer),dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer),mw. mr.A.K. de Jongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling opgenomen
die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder die meer dan
32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon gemiddeld 32
uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en leeftijdsdagen.
Verzoeker is van mening dat daardoor deeltijdwerkers ongelijk worden
behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn, zou de
wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling.

De Commissie stelt vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin
van artikel 5 lid 1 sub d AWGB betreft. De vraag ligt voor of de
wederpartij met deze arbeidsvoorwaarde indirect onderscheid maakt als
bedoeld in voornoemd wetsartikel. De overgelegde cijfers leveren een
vermoeden van indirect onderscheid op. Het door de wederpartij
nagestreefde doel is vergroting van de inzetbaarheid van ouderen als
onderdeel van een integraal leeftijdsbewust personeelsbeleid. De
Commissie stelt vast, dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is.
De vraag is of een seniorenregeling zoals deze wordt gehanteerd het
juiste middel is. De Commissie concludeert dat geen sprake is van een
objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij derhalve indirect
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 april 1995 verzocht de OR te Almere (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de werknemersorganisaties
AbvaKabo, CFO, FHZ en NU’91 (hierna: de wederpartij) onderscheid op
grond van geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling
opgenomen die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder
die meer dan 32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon
gemiddeld 32 uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en
leeftijdsdagen. Verzoeker is van mening dat daardoor deeltijdwerkers
ongelijk worden behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn,
zou de wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

Verzoeker heeft ook het ziekenhuis waaraan hij is verbonden en de
werkgeversorganisatie als wederpartij aangewezen. In die zaken heeft de
Commissie oordelen uitgebracht met als oordeelnummers 95-58 en 95-60.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 24 oktober 1995. Deze zaak is gevoegd
behandeld met de zaken tegen het ziekenhuis en tegen de
werkgeversorganisatie, alsook met twee andere zaken die dezelfde
CAO-bepaling betroffen (oordeelnummers 95-56 en 95-57). Bij deze
zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – mw. (ambtelijk secretaris OR
Flevoziekenhuis) – mw. (lid OR Flevoziekenhuis)

van de kant van de wederpartij – mw.
(secretaris Sociaal Overleg , gemachtigde) – dhr.
(beleidsmedewerker)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – dhr. drs. B. van
Schijndel (lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. In het Flevoziekenhuis is de CAO voor het Ziekenhuiswezen
1994-1996 (hierna: de CAO) van toepassing. In artikel 19 van de CAO
staat dat de arbeidsduur en de werktijden van de werknemer worden
vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van de Uitvoeringsregeling
arbeidsduur en werktijden. In artikel 11 van deze Uitvoeringsregeling
is bepaald, dat werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur
per week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met
volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. Deze CAO-bepaling is sinds 1 januari 1995 van kracht.

Op 31 december 1993 waren er in de instellingen, die aan de CAO
gebonden zijn, in totaal 205.749 personen werkzaam, onder wie 46.583
mannen en 159.166 vrouwen. Er werkten 7.060 personen die 55 jaar of
ouder waren, onder wie 2850 mannen en 4210 vrouwen. Onder deze personen
waren er 3588 die 55 jaar en ouder waren die 32 uur per week of minder
werkten, onder wie 625 mannen en 2963 vrouwen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker is van mening dat de seniorenregeling zoals door de
wederpartij toegepast, indirect onderscheid naar geslacht oplevert
omdat in de gezondheidszorg het merendeel van de deeltijdwerkers vrouw
is.

Verzoeker staat positief tegenover het inperken van de werklast van
oudere werknemers, waardoor arbeidsongeschiktheid mogelijk wordt
voorkomen. Door de beperking in het betreffende CAO-artikel wordt
echter geen rekening gehouden met de belangen van een grote groep in
deeltijd werkende mannen en vrouwen in de gezondheidszorg. Aangezien
geen cijfers beschikbaar zijn over het aantal arbeidsongeschikten onder
voltijd- en deeltijdwerkers, kan niet worden gesteld dat het
terugdringen van arbeidsongeschiktheid alleen kan worden bereikt met de
in geding zijnde seniorenregeling. De rijksoverheid heeft een
vergelijkbare seniorenregeling wel zodanig aangepast dat alle
deeltijders hiervoor in aanmerking komen.

Met de bestreden regeling wordt geen recht gedaan aan de
maatschappelijke ontwikkeling dat in deeltijd wordt gewerkt naast het
verrichten van zorgtaken zowel in als buiten het gezin.

Ook is niet uitgesloten dat meerdere (kleine) deeltijdbanen naast
elkaar worden uitgeoefend. Overigens wordt de regeling niet voorzien in
een bepaling die voorkomt dat men de uren die men minder gaat werken,
gebruikt om elders een dienstverband aan te gaan.

Verzoeker bestrijdt het standpunt van de wederpartij, dat de voordelen
van degenen die geen gebruik kunnen maken van de seniorenregeling
opwegen tegen de nadelen. Allereerst blijft het salaris van degenen die
gebruik maken van de seniorenregeling gelijk. De CAO- bepaling doet
daarmee een onaanvaardbaar groot verschil ontstaan tussen het inkomen
van degenen met een contract van 32 uur per week of minder en degenen
die meer dan 32 uur per week werken. In de tweede plaats blijven de
pensioenen ongewijzigd en blijft de vakantieregeling voor degenen die
van de regeling gebruik maken gelijk. Voltijders die 32 uur per week
gaan werken houden dus aanspraak op het aantal vakantiedagen dat bij
een 40-urige werkweek hoort.

Een mogelijk argument dat de regeling voor een grotere groep te duur
is, is zonder verdere onderbouwing niet goed houdbaar. Immers, de
regeling zal het effect hebben dat ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid worden teruggedrongen, hetgeen financieel gezien
gunstig moet zijn. Om de financiele uitgaven te drukken had ook voor
een andere oplossing gekozen kunnen worden zoals verhoging van de
leeftijdsgrens, invoering van een eigen bijdrage of een proportionele
berekening van vakantiedagen.

3.3. De wederpartij stelt dat bij het opstellen van de in geding zijnde
CAO-bepaling als uitgangspunt is genomen het inperken van de werklast
voor de oudere werknemer. De CAO-partijen zijn van mening dat deze
werklast de 32 uren gemiddeld per week niet te boven mag gaan. Bedoelde
CAO-bepaling is beoogd als onderdeel van een integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid, met als doel de inzetbaarheid van ouderen te
vergroten.

Bij de uitwerking van artikel 19 van de CAO is daaraan zodanig vorm
gegeven, dat er voor zowel werknemer als werkgever voldoende voordelen
aan verbonden zijn. Vanwege het integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid gelden voor werknemers die geen gebruik (kunnen) maken
van de regeling weer andere voordelen. Deze werknemers mogen met behoud
van hun ADV- en leeftijdsdagen vanaf de dag dat zij 55 jaar zijn een
half uur per week korter werken en worden niet verplicht gesteld
onregelmatige diensten te draaien, zoals nacht- en avonddiensten.
Verzoeker stelt terecht dat bij gebruikmaking van de seniorenregeling
de werknemer aanspraak blijft houden op hetzelfde aantal vakantiedagen
als ervoor. Dat komt, omdat de individuele arbeidsovereenkomst
ongewijzigd blijft.

3.4. Tijdens de CAO-onderhandelingen over de betreffende bepaling is de
‘doorvertaling’ van deze regeling voor deeltijders aan de orde geweest,
omdat deeltijdarbeid naar de opvatting van de wederpartij als
volwaardige arbeid dient te worden beschouwd.

Een dergelijke ‘doorvertaling’ is echter in strijd met de aard en
bedoeling van de regeling, te weten het terugbrengen van het maximaal
aantal te werken uren naar 32. Door een verlichting van de maximale
werkbelasting van oudere werknemers zal naar verwachting het aantal
arbeidsongeschikte werknemers onder deze groep afnemen. De wederpartij
beschikt niet over gegevens over het ziekteverzuim en de
arbeidsongeschiktheid bij voltijd- en deeltijdwerkers.

De wederpartij stelt dat degene die meer dan 32 uur werkt een
daadwerkelijk hogere werkbelasting kent dan deeltijd-collegae die
minder werken. Er is bewust niet gekozen voor een generieke regeling,
omdat die te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting. De benadering van verzoeker heeft de indirecte
consequentie dat elke bepaling, toegespitst op oudere werknemers geen
doorgang zou kunnen vinden. De seniorenregeling bij de rijksoverheid is
bij de wederpartij weliswaar bekend, maar zij heeft niet overwogen om
een analoge regeling op te stellen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door
werknemers die niet meer dan 32 uur per week werken uit te sluiten van
de mogelijkheid van werktijdvermindering.

4.2. Artikel 1 sub a AWGB stelt dat onder onderscheid wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer
dat onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van
geslacht. Artikel 1 sub c AWGB definieert indirect onderscheid als
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan onder
meer het geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg heeft. Artikel 2
lid 1 AWGB bepaalt dat het in de AWGB neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is. Artikel 5 lid 1 sub d AWGB verbiedt onder
meer het maken van onderscheid op grond van geslacht in de
arbeidsvoorwaarden.

4.3. De CAO, aan de totstandkoming waarvan de wederpartij heeft
meegewerkt, kent in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling arbeidsduur
en werktijden een regeling van werktijdvermindering voor werknemers
ouder dan 55 jaar die meer werken dan 32 uur per week met doorbetaling
van loon en inlevering van ADV- en leeftijdsdagen. De Commissie stelt
vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 lid 1
sub d AWGB betreft. De vraag ligt voor of de wederpartij met deze
arbeidsvoorwaarde indirect onderscheid maakt als bedoeld in voornoemd
wetsartikel.

Teneinde vast te kunnen stellen of sprake is van een verboden indirect
onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of de onderhavige regeling
een nadelig effect heeft voor personen van een geslacht binnen de kring
van werknemers die onder de CAO vallen. Zij hanteert in het algemeen
relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met het
aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
personeelsbestand van de instellingen die aan de CAO gebonden zijn. Bij
een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel
hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld kunnen geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin tien vrouwen en 1000 mannen werken.
Van de vrouwen werken er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien men
alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt
onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er
zijn immers negen vrouwen en negen mannen die benadeeld worden. Toch
zal duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig getroffen worden:
immers negen van de tien vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen
worden nadelig getroffen).

Ten aanzien van de in beschouwing te nemen gegevens overweegt de
Commissie als volgt. De cijfers betreffende het personeelsbestand van
de instellingen die aan de CAO gebonden zijn wijzen uit dat (625:2850 x
100% =) 21,9% van de mannen en (2963:4210 x 100% =) 70,4% van de
vrouwen van 55 jaar en ouder niet voor de seniorenregeling in
aanmerking komen. Er zijn dus (70,4%:21,9% =) 3,2 keer zoveel vrouwen
als mannen die van de bestreden regeling geen gebruik kunnen maken. Op
grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat vooral personen
van een geslacht, in casu vrouwen, door het bestreden criterium in de
CAO-bepaling getroffen worden. Hiermee staat vast, dat bij de toelating
tot de regeling sprake is van een vermoeden van indirect
onderscheid.Overigens leveren de cijfers betreffende het
personeelsbestand in het ziekenhuis waaraan verzoeker verbonden is,
eveneens een vermoeden op van indirect onderscheid (Zie Commissie
gelijke behandeling, oordeel 95-58).

4.4. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, gaat de
Commissie na of sprake is van een objectieve recht-vaardigingsgrond. De
Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond conform jurisprudentie van het Europese Hof van
Justitie (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Jenkins versus
Kingsgate, 31 maart 1981, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak C-170/84, JUR 1986, p. 1607) aan de volgende
criteria (Zie ook Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p.14): – aan
het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn, – de ter
bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte (van degene die het middel hanteert) en – moeten
geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

Met betrekking hiertoe overweegt de Commissie als volgt.

4.5. Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is.

De Commissie constateert dat het middel dat de wederpartij hanteert om
het nagestreefde doel te bereiken, bestaat uit een CAO-bepaling op
grond waarvan werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur per
week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met
volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. De Commissie leidt uit het feit, dat de regeling ter
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers op deze wijze zowel
van de zijde van werkgevers als van de zijde van werknemers
bewerkstelligd is af, dat het middel beantwoordt aan een werkelijke
behoefte. De klacht van verzoeker onderstreept dit overigens, aangezien
deze aangeeft dat meer oudere werknemers een beroep willen doen op de
seniorenregeling dan degenen voor wie de regeling krachtens de
CAO-bepaling is bedoeld.

Ten aanzien van de geschiktheid van het middel overweegt de Commissie,
dat de in geding zijnde seniorenregeling op zichzelf kan leiden tot
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers. De Commissie stelt
derhalve vast, dat het middel in die zin geschikt kan zijn om het doel
te bereiken. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van het middel
overweegt de Commissie het volgende.

De wederpartij acht een seniorenregeling noodzakelijk voor werknemers
die langer werken dan 32 uur, omdat deze werknemers een daadwerkelijk
hogere werkbelasting kennen dan deeltijdcollegae. De Commissie
overweegt, dat op zich werktijdvermindering ertoe kan bijdragen dat de
werkbelasting vermindert en de betrokken werknemers daardoor langer aan
de betaalde arbeid deelnemen. De aanname echter dat de werkbelasting
bij (bijna) voltijdwerkers structureel hoger is dan bij degenen die 32
uur of minder per week werken, is in zijn algemeenheid niet juist.

De veronderstelde extra belasting is immers mede afhankelijk van
gestel, persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van degene die
op deze uren werkzaam is. Oudere werknemers die 32 uur of minder per
week werken, kunnen naast hun betaalde werk ook nog andere activiteiten
(in de privesfeer dan wel in het maatschappelijk verkeer) verrichten,
waardoor de totale belasting niet verschilt van die van (bijna)
voltijders.

De Commissie overweegt vervolgens dat een van de indicatoren voor (te)
hoge werkdruk ziekteverzuim is. De wederpartij stelt ook expliciet, dat
het doel van de CAO-bepaling is het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder de groep oudere werknemers terug te dringen. De
Commissie constateert dat de wederpartij niet beschikt over gegevens
waaruit blijkt, dat het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid onder
oudere werknemers verschilt naar gelang hun arbeidsduur. Mitsdien kan
ook dit beroep van de wederpartij op de noodzakelijkheid van het middel
niet slagen.

Met betrekking tot het standpunt van de wederpartij dat een generieke
regeling te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting en dat in de benadering van verzoekster elke
bepaling, toegespitst op oudere werknemers, geen doorgang zou kunnen
vinden, overweegt de Commissie dat in deze zaak de grens van de
arbeidsduur in geding is. De werking van een in dat opzicht
andersluidende CAO-bepaling dan de overeengekomene zou met andere
woorden beperkt kunnen blijven tot en toegespitst op oudere werknemers.

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat geen
sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij
derhalve indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat AbvaKabo, CFO, FHZ en
NU’91 jegens de OR te Almere in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling indirect onderscheid naar geslacht hebben gemaakt
als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub d Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr.A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling opgenomen
die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder die meer dan
32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon gemiddeld 32
uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en leeftijdsdagen.
Verzoeker is van mening dat daardoor deeltijdwerkers ongelijk worden
behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn, zou de
wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling.

De Commissie stelt vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin
van artikel 5 lid 1 sub d AWGB betreft. De vraag ligt voor of de
wederpartij met deze arbeidsvoorwaarde indirect onderscheid maakt als
bedoeld in voornoemd wetsartikel. De overgelegde cijfers leveren een
vermoeden van indirect onderscheid op. Het door de wederpartij
nagestreefde doel is vergroting van de inzetbaarheid van ouderen als
onderdeel van een integraal leeftijdsbewust personeelsbeleid. De
Commissie stelt vast, dat aan dit doel iedere discriminatie vreemd is.
De vraag is of een seniorenregeling zoals deze wordt gehanteerd het
juiste middel is. De Commissie concludeert dat geen sprake is van een
objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij derhalve indirect
onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 7 april 1995 verzocht de OR te Almere (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie) haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de Nederlandse Zorgfederatie te
Utrecht (hierna: de wederpartij) onderscheid op grond van geslacht
maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. In de CAO voor het Ziekenhuiswezen 1994-1996 is een bepaling
opgenomen die het mogelijk maakt dat werknemers van 55 jaar of ouder
die meer dan 32 uur per week werken met volledige doorbetaling van loon
gemiddeld 32 uur per week werken tegen inlevering van ADV-dagen en
leeftijdsdagen. Verzoeker is van mening dat daardoor deeltijdwerkers
ongelijk worden behandeld. Omdat deeltijdwerkers meestal vrouwen zijn,
zou de wederpartij daarmee in strijd handelen met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

Verzoeker heeft ook het ziekenhuis waaraan hij is verbonden en de
werknemersorganisaties als wederpartij aangewezen. In die zaken heeft
de Commissie oordelen uitgebracht met als oordeelnummers 95-58 en
95-59.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 24 oktober 1995. Deze zaak is gevoegd
behandeld met de zaken tegen het ziekenhuis en tegen de
werknemersorganisaties, alsook met twee andere zaken die dezelfde
CAO-bepaling betroffen (oordeelnummers 95-56 en 95-57). Bij deze
zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – mw. (ambtelijk secretaris OR
) – mw. (lid OR )

van de kant van de wederpartij – mw.
(secretaris Sociaal Overleg , gemachtigde) – dhr.
(beleidsmedewerker)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. mr. J.R. Dierx (lid Kamer) – dhr. drs. B. van
Schijndel (lid Kamer) – mw. mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. In het Flevoziekenhuis is de CAO Ziekenhuiswezen 1994-1996
(hierna: de CAO) van toepassing. In artikel 19 van de CAO staat dat de
arbeidsduur en de werktijden van de werknemer worden vastgesteld
overeenkomstig de bepalingen van de Uitvoeringsregeling arbeidsduur en
werktijden. In artikel 11 van deze Uitvoeringsregeling is bepaald, dat
werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur per week arbeid
verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met volledige
doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. Deze CAO-bepaling is sinds 1 januari 1995 van kracht.

Op 31 december 1993 waren er in de instellingen, die aan de CAO
gebonden zijn, in totaal 205.749 personen werkzaam, onder wie 46.583
mannen en 159.166 vrouwen. Er werkten 7.060 personen die 55 jaar of
ouder waren, onder wie 2850 mannen en 4210 vrouwen. Onder deze personen
waren er 3588 die 55 jaar en ouder waren die 32 uur per week of minder
werkten, onder wie 625 mannen en 2963 vrouwen.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker is van mening dat de seniorenregeling zoals door de
wederpartij toegepast, indirect onderscheid naar geslacht oplevert
omdat in de gezondheidszorg het merendeel van de deeltijdwerkers vrouw
is.

Verzoeker staat positief tegenover het inperken van de werklast van
oudere werknemers, waardoor arbeidsongeschiktheid mogelijk wordt
voorkomen. Door de beperking in het betreffende CAO-artikel wordt
echter geen rekening gehouden met de belangen van een grote groep in
deeltijd werkende mannen en vrouwen in de gezond-heidszorg. Aangezien
geen cijfers beschikbaar zijn over het aantal arbeidsongeschikten onder
voltijd- en deeltijdwerkers, kan niet worden gesteld dat het
terugdringen van arbeidsongeschiktheid alleen kan worden bereikt met de
in geding zijnde seniorenregeling. De rijksoverheid heeft een
vergelijkbare seniorenregeling wel zodanig aangepast dat alle
deeltijders hiervoor in aanmerking komen.

Met de bestreden regeling wordt geen recht gedaan aan de
maatschappelijke ontwikkeling dat in deeltijd wordt gewerkt naast het
verrichten van zorgtaken zowel in als buiten het gezin.

Ook is niet uitgesloten dat meerdere (kleine) deeltijdbanen naast
elkaar worden uitgeoefend.Overigens wordt in de regeling niet voorzien
in een bepaling die voorkomt dat men de uren die men minder gaat
werken, gebruikt om elders een dienstverband aan te gaan.

Verzoeker bestrijdt het standpunt van de wederpartij, dat de voordelen
van degenen die geen gebruik kunnen maken van de seniorenregeling
opwegen tegen de nadelen. Allereerst blijft het salaris van degenen die
gebruik maken van de seniorenregeling gelijk. De CAO- bepaling doet
daarmee een onaanvaardbaar groot verschil ontstaan tussen het inkomen
van degenen met een contract van 32 uur per week of minder en degenen
die meer dan 32 uur per week werken. In de tweede plaats blijven de
pensioenen ongewijzigd en blijft de vakantieregeling voor degenen die
van de regeling gebruik maken gelijk. Voltijders die 32 uur per week
gaan werken houden dus aanspraak op het aantal vakantiedagen dat bij
een 40-urige werkweek hoort.

Een mogelijk argument dat de regeling voor een grotere groep te duur
is, is zonder verdere onderbouwing niet goed houdbaar. Immers, de
regeling zal het effect hebben dat ziekteverzuim en
arbeidsongeschiktheid worden teruggedrongen, hetgeen financieel gezien
gunstig moet zijn. Om de financiele uitgaven te drukken had ook voor
een andere oplossing gekozen kunnen worden zoals verhoging van de
leeftijdsgrens, invoering van een eigen bijdrage of een proportionele
berekening van vakantiedagen.

3.3. De wederpartij stelt dat bij het opstellen van de in geding zijnde
CAO-bepaling als uitgangspunt is genomen het inperken van de werklast
voor de oudere werknemer. De CAO-partijen zijn van mening dat deze
werklast de 32 uren gemiddeld per week niet te boven mag gaan. Bedoelde
CAO-bepaling is beoogd als onderdeel van een integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid, met als doel de inzetbaarheid van ouderen te
vergroten.

Bij de uitwerking van artikel 19 van de CAO is daaraan zodanig vorm
gegeven, dat er voor zowel werknemer als werkgever voldoende voordelen
aan verbonden zijn. Vanwege het integraal leeftijdsbewust
personeelsbeleid gelden voor werknemers die geen gebruik (kunnen) maken
van de regeling weer andere voordelen. Deze werknemers mogen met behoud
van hun ADV- en leeftijdsdagen vanaf de dag dat zij 55 jaar zijn een
half uur per week korter werken en worden niet verplicht gesteld
onregelmatige diensten te draaien, zoals nacht- en avonddiensten.
Verzoeker stelt terecht dat bij gebruikmaking van de seniorenregeling
de werknemer aanspraak blijft houden op hetzelfde aantal vakantiedagen
als ervoor. Dat komt, omdat de individuele arbeidsovereenkomst
ongewijzigd blijft.

3.4. Tijdens de CAO-onderhandelingen over de betreffende bepaling is de
‘doorvertaling’ van deze regeling voor deeltijders aan de orde geweest,
omdat deeltijdarbeid naar de opvatting van de wederpartij als
volwaardige arbeid dient te worden beschouwd.

Een dergelijke ‘doorvertaling’ is echter in strijd met de aard en
bedoeling van de regeling, te weten het terugbrengen van het maximaal
aantal te werken uren naar 32. Door een verlichting van de maximale
werkbelasting van oudere werknemers zal naar verwachting het aantal
arbeidsongeschikte werknemers onder deze groep afnemen. De wederpartij
beschikt niet over gegevens over het ziekteverzuim en de
arbeidsongeschiktheid bij voltijd- en deeltijdwerkers.

De wederpartij stelt dat degene die meer dan 32 uur werkt een
daadwerkelijk hogere werkbelasting kent dan deeltijd-collegae die
minder werken. Er is bewust niet gekozen voor een generieke regeling,
omdat die te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting. De benadering van verzoeker heeft de indirecte
consequentie dat elke bepaling, toegespitst op oudere werknemers geen
doorgang zou kunnen vinden. De seniorenregeling bij de rijksoverheid is
bij de wederpartij weliswaar bekend, maar zij heeft niet overwogen om
een analoge regeling op te stellen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door
werknemers die niet meer dan 32 uur per week werken uit te sluiten van
de mogelijkheid van werktijdvermindering.

4.2. Artikel 1 sub a AWGB stelt dat onder onderscheid wordt verstaan
direct en indirect onderscheid. Artikel 1 sub b AWGB bepaalt onder meer
dat onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van
geslacht. Artikel 1 sub c AWGB definieert indirect onderscheid als
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan onder
meer het geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg heeft. Artikel 2
lid 1 AWGB bepaalt dat het in de AWGB neergelegde verbod van
onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is. Artikel 5 lid 1 sub d AWGB verbiedt onder
meer het maken van onderscheid op grond van geslacht in de
arbeidsvoorwaarden.

4.3. De CAO, aan de totstandkoming waarvan de wederpartij heeft
meegewerkt, kent in artikel 11 van de Uitvoeringsregeling arbeidsduur
en werktijden een regeling van werktijdvermindering voor werknemers
ouder dan 55 jaar die meer werken dan 32 uur per week met doorbetaling
van loon en inlevering van ADV- en leeftijdsdagen. De Commissie stelt
vast, dat het hier een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 5 lid 1
sub d AWGB betreft. De vraag ligt voor of de wederpartij met deze
arbeidsvoorwaarde indirect onderscheid maakt als bedoeld in voornoemd
wetsartikel.

Teneinde vast te kunnen stellen of sprake is van een verboden indirect
onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of de onderhavige regeling
een nadelig effect heeft voor personen van een geslacht binnen de kring
van werknemers die onder de CAO vallen. Zij hanteert in het algemeen
relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met het
aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
personeelsbestand van de instellingen die aan de CAO gebonden zijn. Bij
een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel
hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld kunnen geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin tien vrouwen en 1000 mannen werken.
Van de vrouwen werken er negen in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat
deeltijders een lager uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien men
alleen kijkt naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt
onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er
zijn immers negen vrouwen en 9 mannen die benadeeld worden. Toch zal
duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig getroffen worden: immers
negen van de tien vrouwen tegenover negen van de 1000 mannen worden
nadelig getroffen). Ten aanzien van de in beschouwing te nemen gegevens
overweegt de Commissie als volgt. De cijfers betreffende het
personeelsbestand van de instellingen die aan de CAO gebonden zijn
wijzen uit dat (625:2850 x 100% =) 21,9% van de mannen en (2963:4210 x
100% =) 70,4% van de vrouwen van 55 jaar en ouder niet voor de
seniorenregeling in aanmerking komen. Er zijn dus (70,4%:21,9% =) 3,2
keer zoveel vrouwen als mannen die van de bestreden regeling geen
gebruik kunnen maken. Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd
worden dat vooral personen van een geslacht, in casu vrouwen, door het
bestreden criterium in de CAO-bepaling getroffen worden. Hiermee staat
vast, dat bij de toelating tot de regeling sprake is van een vermoeden
van indirect onderscheid. Overigens leveren de cijfers betreffende het
personeelsbestand in het ziekenhuis waaraan verzoeker verbonden is,
eveneens een vermoeden op van indirect onderscheid (Zie Commissie
gelijke behandeling, oordeel 95-58 en oordeel 95-59).

4.4. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, gaat de
Commissie na of sprake is van een objectieve recht-vaardigingsgrond. De
Commissie toetst bij de vraag of sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond conform jurisprudentie van het Europese Hof van
Justitie (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Jenkins versus
Kingsgate, 31 maart 1981, zaak 96/80, JUR 1981, p. 911 en Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, 13 mei 1986, zaak C-170/84, JUR 1986, p. 1607) aan de volgende
criteria (Zie ook Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p.14.): – aan
het nagestreefde doel moet iedere discriminatie vreemd zijn, – de ter
bereiking van het doel gekozen middelen dienen te beantwoorden aan een
werkelijke behoefte (van degene die het middel hanteert) en – moeten
geschikt en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken.

Met betrekking hiertoe overweegt de Commissie als volgt.

4.5. Het door de wederpartij nagestreefde doel is vergroting van de
inzetbaarheid van ouderen als onderdeel van een integraal
leeftijdsbewust personeelsbeleid. De Commissie stelt vast, dat aan dit
doel iedere discriminatie vreemd is.

De Commissie constateert dat het middel dat de wederpartij hanteert om
het nagestreefde doel te bereiken, bestaat uit een CAO-bepaling op
grond waarvan werknemers van 55 jaar of ouder, die meer dan 32 uur per
week arbeid verrichten, gemiddeld 32 uur per week mogen werken met
volledige doorbetaling van loon maar met inlevering van de ADV- en
leeftijdsdagen. De Commissie leidt uit het feit, dat de regeling ter
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers op deze wijze zowel
van de zijde van werkgevers als van de zijde van werknemers
bewerkstelligd is af, dat het middel beantwoordt aan een werkelijke
behoefte. De klacht van verzoeker onderstreept dit overigens, aangezien
deze aangeeft dat meer oudere werknemers een beroep willen doen op de
seniorenregeling dan degenen voor wie de regeling krachtens de
CAO-bepaling is bedoeld.

Ten aanzien van de geschiktheid van het middel overweegt de Commissie,
dat de in geding zijnde seniorenregeling op zichzelf kan leiden tot
vergroting van inzetbaarheid van oudere werknemers. De Commissie stelt
derhalve vast, dat het middel in die zin geschikt kan zijn om het doel
te bereiken. Ten aanzien van de noodzakelijkheid van het middel
overweegt de Commissie het volgende.

De wederpartij acht een seniorenregeling noodzakelijk voor werknemers
die langer werken dan 32 uur, omdat deze werknemers een daadwerkelijk
hogere werkbelasting kennen dan deeltijdcollegae. De Commissie
overweegt, dat op zich werktijdvermindering ertoe kan bijdragen dat de
werkbelasting vermindert en de betrokken werknemers daardoor langer aan
de betaalde arbeid deelnemen. De aanname echter dat de werkbelasting
bij (bijna) voltijdwerkers structureel hoger is dan bij degenen die 32
uur of minder per week werken, is in zijn algemeenheid niet juist.

De veronderstelde extra belasting is immers mede afhankelijk van
gestel, persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van degene die
op deze uren werkzaam is. Oudere werknemers die 32 uur of minder per
week werken, kunnen naast hun betaalde werk ook nog andere activiteiten
(in de privesfeer dan wel in het maatschappelijk verkeer) verrichten,
waardoor de totale belasting niet verschilt van die van (bijna)
voltijders.

De Commissie overweegt vervolgens dat een van de indicatoren voor (te)
hoge werkdruk ziekteverzuim is. De wederpartij stelt ook expliciet, dat
het doel van de CAO-bepaling is het aantal arbeidsongeschikte
werknemers onder de groep oudere werknemers terug te dringen. De
Commissie constateert dat de wederpartij niet beschikt over gegevens
waaruit blijkt, dat het ziekteverzuim en de arbeidsongeschiktheid onder
oudere werknemers verschilt naar gelang hun arbeidsduur. Mitsdien kan
ook dit beroep van de wederpartij op de noodzakelijkheid van het middel
niet slagen.

Met betrekking tot het standpunt van de wederpartij dat een generieke
regeling te veel zou lijken op een vorm van collectieve
arbeidsduurverkorting en dat in de benadering van verzoekster elke
bepaling, toegespitst op oudere werknemers, geen doorgang zou kunnen
vinden, overweegt de Commissie dat in deze zaak de grens van de
arbeidsduur in geding is. De werking van een in dat opzicht
andersluidende CAO-bepaling dan de overeengekomene zou met andere
woorden beperkt kunnen blijven tot en toegespitst op oudere werknemers.

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat geen
sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond en de wederpartij
derhalve indirect onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Nederlandse
Zorgfederatie te Utrecht jegens de OR te Almere in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub d Algemene
wet gelijke behandeling.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. mr. J.R.Dierx (lid Kamer), dhr. drs. B. van Schijndel (lid Kamer), mw. mr. A.K.de Jongh (secretaris Kamer)

Instantie: Hof Amsterdam, 14 december 1995

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Partijen zijn 26 jaar getrouwd geweest. De man meent dat hij geen alimentatie
hoeft te betalen omdat hij in verband met zijn ziekte extra kosten moet maken
om een zelfstandig leven te leiden. Daarnaast meent de man dat de
levensverwachting en het levensgenot, dat door zijn ziekte aanzienlijk is
verminderd, bij de beoordeling in aanmerking dient te worden genomen. Het hof
verwerpt dit betoog. Zij meent dat niet uit het oog moet worden verloren dat
de vrouw de man lang heeft verzorgd en dat zij daarbij de belangen van de man
geheel voor heeft laten gaan ten koste van haar eigen belangen. Het zou
onterecht zijn als de vrouw op de bijstand zou worden aangewezen.
Volgens het hof heeft de rechtbank voldoende rekening met de bijzondere
situatie gehouden door naast een bedrag van ƒ 100 per maand aan extra kosten,
tevens rekening te houden met de kosten van een huishoudelijke hulp en met de
kosten van zeven warme maaltijden per week. Mede gezien de duur van het
huwelijk is het hof van mening dat de rechtbank de alimentatie terecht op ƒ
850 heeft vastgesteld.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. De man is in hoger beroep gekomen van een gedeelte van een beschikking
van 17 mei 1995 van de rechtbank te Utrecht, nummer 31214 FA RK 94-2184.

1.2. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. De zaak is op 1 november 1995 behandeld door de daartoe aangewezen
raadsheer-commissaris.

2. Het geschil in hoger beroep en de feiten en omstandigheden

2.1. Partijen zijn in 1969 gehuwd. Het huwelijk is op 8 september 1995
ontbonden.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. De man heeft aangevoerd dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft
gehouden met de extra kosten die hij in verband met zijn ziekte moet maken om
een zelfstandig leven te leiden. Daarnaast dient de levensverwachting en het
levensgenot, dat door zijn ziekte aanzienlijk is verminderd, bij de
beoordeling in aanmerking worden genomen. Op grond daarvan dienen de kosten
die normaal in de bijstandsnorm vallen als extra kosten te worden aangemerkt
en blijft er voor hem geen ruimte over om voor de vrouw alimentatie te
betalen. De man heeft de behoefte van de vrouw aan de bij de beschikking
waarvan beroep bepaalde alimentatie niet bestreden.
Hij heeft echter gesteld dat zijn belangen, gezien zijn omstandigheden,
prevaleren boven de belangen van de vrouw.

3.2. Dit betoog wordt verworpen. Aannemelijk is dat de verzorging van de man
door de vrouw voor haar, zowel in lichamelijke als in geestelijk opzicht, een
grote belasting is geweest. Door de belangen van de man geheel voor te laten
gaan boven de belangen van de vrouw, zou aan de inspanningen die de vrouw
zich in het verleden jarenlang ten behoeve van de man heeft getroost
onvoldoende recht worden gedaan, zeker als dit zou betekenen dat de vrouw
daardoor op bijstand aangewezen zou worden. Wel is het redelijk dat aan de
kant van de man de financiële lasten die het gevolg zijn van zijn ziekte bij
de bepaling van zijn draagkracht worden betrokken. De rechtbank heeft daarmee
voldoende rekening gehouden door, naast een bedrag van ƒ 100 per maand aan
extra kosten, tevens rekening te houden met de kosten van een huishoudelijke
hulp en met de kosten van zeven warme maaltijden per week. Het is niet
redelijk om aan de omstandigheden van de man zoveel gewicht toe te kennen dat
alle omstandigheden van de man zoveel gewicht toe te kennen dat alle
financiële middelen alleen ten dienste van hem mogen staan, te minder nu het
huwelijk van partijen meer dan 25 jaar heeft geduurd en de vrouw de man
verzorgde.

3.3. op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld en
van hetgeen hiervoor is overwogen, is de bij de beschikking waarvan beroep
bepaalde uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw ƒ 850 per maand in
overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

3.4. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het
hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep aldus, dat iedere partij
de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Verspyck, Mijnssen, De Vreeze-Oostvogel en Streefkerk

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 14 december 1995

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Werknemers met kleine dienstverbanden worden uitgesloten van pensioen- en
ziekteverzekering en van premiebetaling voor de Werkloosheidswet. Het
sociaal beleid behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten. Onderhavige
nationale regelingen kunnen niet worden aangemerkt als een indirecte
discriminatie in de zin van de richtlijn, ook al worden aanmerkelijk meer
vrouwen dan mannen door de betrokken regelingen getroffen. De wetgever
mocht er in redelijkheid van uitgaan, dat de betrokken regelingen
noodzakelijk waren ter verwezenlijking van een doelstelling van sociaal
beleid welke niets van doen heeft met seksediscriminatie.

Volledige tekst


Onder verwijzing naar het arrest Belgie (HvJ EG 7 mei 1991 (C-229/89), RSV
1993/50.) overweegt het Hof dat het sociale beleid tot de bevoegdheid van
de lidstaten hoort. Het Hof lijkt aan deze bevoegdheid van de lidstaten
veel waarde te hechten en heeft dit sinds genoemd arrest meerdere keren
aangevoerd ter (ondersteuning van de) rechtvaardiging van indirecte
discriminatie. Ook heeft het Hof reeds diverse malen gewezen op de ruime
beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij het realiseren van hun
doelstellingen van sociaal- en werkgelegenheidsbeleid beschikken ter
rechtvaardiging van een gemaakt indirect onderscheid. Het Hof concludeert
dat de aangevoerde doelstelling van het Duitse sociale beleid objectief
gerechtvaardigd is en niets van doen heeft met discriminatie naar
geslacht.

Nu de nationale wetgever er redelijkerwijs van uit kon gaan dat de
betrokken wettelijke regelingen noodzakelijk waren ter verwezenlijking van
de doelstelling van sociaal beleid, is er geen sprake van indirecte
discriminatie en derhalve geen strijd met art. 4 lid 1 derde richtlijn.
Ook de objectieve rechtvaardigingsgronden worden door de AG uitgebreider
besproken dan door het Hof. Uit de conclusie van de AG blijkt bovendien
dat de Duitse regering naast de door het Hof besproken argumenten, nog
andere redenen heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van de indirecte
discriminatie. De AG wijst in zijn bespreking van de
rechtvaardigingsgronden ook op de grote beleidsvrijheid die de lidstaten
volgens de jurisprudentie van het Hof hebben met betrekking tot sociale
zekerheidszaken.

De maatregelen die zij in het kader van hun sociale beleid nemen dienen
echter wel altijd in overeenstemming te zijn met het bepaalde in art. 4
lid 1 derde richtlijn. De eerste rechtvaardigingsgrond acht de AG valide.
De lidstaten zijn vrij hun sociale wetgeving zodanig in te richten dat het
een samenhangend geheel vormt. Een uitsluiting van bepaalde groepen
werknemers kan hiermee in overeenstemming zijn. De verstoring van het
financiele evenwicht, die een verandering in het huidige stelsel teweeg
zou brengen, aanvaardt de AG echter niet als rechtvaardigingsgrond.
Hiervoor verwijst de AG naar het arrest Roks waarin het Hof heeft
geoordeeld dat hoewel budgettaire overwegingen van invloed kunnen zijn op
het sociale beleid van een Lidstaat, dergelijke overwegingen op zichzelf
niet een doelstelling van sociaal beleid kunnen vormen.

(HvJ EG 24 februari 1994 (C-343/92), RN 1994, 417 m.nt. Linda Senden.)
Budgettaire overwegingen kunnen daarom dus ook niet een discriminatie ten
nadele van een van de geslachten rechtvaardigen, aldus het Hof in Roks.
Ten aanzien van de derde rechtvaardigingsgrond is de AG van mening dat de
nationale rechter dit punt zeer zorgvuldig in overweging moet nemen. De
AG merkt op dat een verandering in het huidige systeem van uitsluiting
inderdaad een vlucht in onder meer zwart werk en een aantal andere
nadelige effecten op de arbeidsmarkt tot gevolg kan hebben. Het huidige
systeem heeft bovendien het voordeel dat een groep personen bij de
beroepsbevolking wordt getrokken, die anders daarvan uitgesloten zou zijn.
De AG wijst met betrekking tot dit derde argument ook nog op het arrest
Kirsammer-Hack (HvJ EG 30 november 1993 (C-189/91), RN 1994, 421 m.nt.
Elies Steyger.) waaruit blijkt dat het Hof een dergelijke argument als
rechtvaardigingsgrond accepteert.

Ten vierde heeft de Duitse regering betoogd dat andere lidstaten eveneens
in hun wetgeving een drempel kennen met betrekking tot de toegang tot
sociale verzekeringen. De AG stelt echter dat dit argument evenmin ter
rechtvaardiging kan worden geaccepteerd nu met betrekking tot de
uitsluiting van sociale verzekeringen van personen met een beperkt
dienstverband in de lidstaten verschillende regelingen bestaan. Tenslotte
stelt de Duitse regering dat het niet langer uitsluiten van personen met
een beperkt dienstverband tot ernstige problemen voor de wettelijke
ouderdomsverzekering zal leiden. Ook deze reden kan volgens de AG niet als
rechtvaardigingsgrond gelden (De AG verwijst hiervoor naar HvJ 3 april
1968 (28/67; Molkerei-Zentrale), omdat de ingewikkeldheid van een sociale
zekerheidsregeling niet als excuus kan dienen om de toepassing van het
gelijke-behandelingsbeginsel uit te stellen. Concluderend stelt de AG dat
de prejudiciele vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Er is sprake
van indirecte discriminatie indien de nationale rechter vaststelt dat de
betrokken wettelijke regelingen aanzienlijk meer vrouwen dan mannen
nadelig treffen, tenzij de Duitse regering kan bewijzen dat deze
regelingen gebaseerd zijn op objectieve gronden die niets van doen hebben
met discriminatie naar geslacht. In antwoord op de tweede prejudiciele
vraag in het arrest Nolte overweegt de AG dat personen met een beperkt
dienstverband recht hebben op dezelfde behandeling en op toepassing van
dezelfde regeling als de andere leden van de beroepsbevolking.

Conclusie/commentaar Bij de bovenstaande arresten van het Hof kunnen
enkele opmerkingen gemaakt worden. Ten eerste blijkt uit deze arresten dat
het Hof zijn eigen toets die het heeft ontwikkeld voor
gelijke-behandelingszaken, niet nauwkeurig volgt. In de eerste
jurisprudentie inzake indirecte discriminatie in de sociale zekerheid
stelde het Hof eerst vast of er sprake was van een vermoeden van indirecte
discriminatie. Was dit het geval, dan ging het Hof over tot de beoordeling
van de objectieve rechtvaardiging, waarbij zowel de gerechtvaardigdheid
van het doel als de geschikt- en noodzakelijkheid van de gehanteerde
middelen aan de orde kwamen. (Zie bijv. HvJ EG 11 juni 1987 (30/85;
Teuling-Worms), RSV 1988/172 m.nt. A.W. Grovers onder RSV 1988/173. De
uiteindelijke beoordeling van de objectieve rechtvaardiging lat het Hof
over aan de nationale rechter.) In latere arresten valt op dat het Hof
steeds makkelijker te werk gaat, hetgeen ook in deze arresten het geval
is. Het Hof neemt van de verwijzende rechters direct aan dat er in casu
inderdaad sprake is van een vermoeden van indirecte discriminatie van
vrouwen. Met de uitwerking van de objectieve rechtvaardigingstoets is het
Hof vervolgens snel klaar. Het Hof gaat alleen in op het doel van de
betrokken regelingen. Na de constatering dat er in casu sprake is van een
gerechtvaardigd doel van sociaal beleid komt de geschiktheids- en
noodzakelijkheidstoets nauwelijks aan de orde. Uit de overweging dat de
nationale rechter ervan uit mocht gaan dat de betrokken regelingen ter
bereiking van het beoogde doel noodzakelijk waren, kan worden afgeleid dat
volgens het Hof de gehanteerde middelen voldoen aan de
noodzakelijkheidseis (en daarom dus ook geschikt zijn).

Een marginalere toetsing had het Hof bijna niet kunnen toepassen. De wijze
waarop het Hof de indirecte discriminatie gerechtvaardigd acht, bevestigt
ten tweede een andere ontwikkeling die zich inmiddels in de jurisprudentie
van het Hof laat aftekenen. Ook uit de hier aan de orde zijnde arresten
blijkt weer dat het Hof steeds soepeler omgaat met het rechtvaardigen van
indirecte discriminatie tussen mannen en vrouwen in de sociale zekerheid.
In eerdere arresten (Zie bijv. HvJ EG 13 december 1989 (102/88;
Ruzius-Wilbrink), RSV 1990/313 m.nt. S. Feenstra onder RSV 19990/314)
hierover was het Hof van mening dat de criteria voor het accepteren van
een objectieve rechtvaardigingsgrond strikt geinterpreteerd moesten
worden, aangezien deze een inbreuk op het (fundamentele) beginsel van
gelijke behandeling betekenen.

In meer recente jurisprudentie legt het Hof de objectieve
rechtvaardigingscriteria ruim uit en worden de uitzonderingen op indirecte
discriminatie door het Hof ruimer geinterpreteerd. Het Hof gaat daarmee
minder ver in de bescherming tegen indirecte discriminatie. Ook in
bovenstaande arresten is het Hof makkelijk in het aanvaarden van een
gerechtvaardigd doel. De overwegingen van het Hof in het kader van de
aangevoerde rechtvaardigingsgronden laten wederom zien dat het Hof grote
waarde hecht aan de ruime beoordelingsmarge waarover de lidstaten bij de
invulling van hun sociaal beleid beschikken. Hierdoor maakt het Hof het
de lidstaten niet al te moeilijk om regelingen die indirect discriminerend
zijn, te rechtvaardigen.

Het Hof lijkt zijn eigen spoor bijster te zijn. De vraag dringt zich
steeds meer op wat er bij het Hof nog bereikt kan worden met een beroep
op art. 4 lid 1 derde richtlijn. En meer in het algemeen: Wat is nog de
waarde van de begrippen indirecte discriminatie en objectieve
rechtvaardiging wanneer met (de toepassing van) deze begrippen door het
Hof in het kader van de sociale zekerheid zo makkelijk wordt omgegaan?

Inge Piso

Rechters

Mrs Rodriguez Iglesias, Kakouris, Edward, Hirsch, Schockweiler,Moitinho de Almeida, Kapteyn, Murray, Jann, Ragnemalm, Sevon

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 14 december 1995

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Beperkte dienstverbanden worden in Duitsland uitgesloten van de verplichte
pensioenverzekering. Volgens het Hof is dit in dit geval geoorloofd. Het
sociaal beleid in de huidige stand van het gemeenschapsrecht behoort tot
de bevoegdheid van de lidstaten. De lidstaten kiezen de maatregelen die
geschikt zijn voor de verwezenlijking van hun doelstellingen van sociaal-
en werkgelegenheidsbeleid. Bij de uitoefening van deze bevoegdheden
beschikken de lidstaten over een ruime beleidsvrijheid. Er moet worden
gepreciseerd dat de doelstelling van sociaal- en werkgelegenheidsbeleid
objectief gezien niets van doen heeft met seksediscriminatie en dat de
nationale wetgever er bij de uitoefening van zijn bevoegdheid in
redelijkheid van kon uitgaan, dat de betrokken wettelijke regeling voor
de verwezenlijking van die doelstelling noodzakelijk was.

Volledige tekst

Judgment

1. By order of 25 May 1993, received at the Court on 16 June 1993, the
Sozialgericht (Social Court) Hannover referred to the Court for a
preliminary ruling under Article 177 of the EEC Treaty two questions on
the interpretation of Article 4 (1) of Council Directive 79/7/EEC of 19
December 1978 on the progressive implementation of the principle of equal
treatment for men and women in matters of social security (OJ 1979 L 6,
p. 24, hereinafter ’the directive’).

2. Those questions were raised in proceedings between Mrs Nolte and the
Landesversicherungsanstalt Hannover (hereinafter ’the LVA’) in which she
seeks the annulment of the decision by which that institution rejected her
application for retirement with an invalidity pension.

3. It appears from the order for reference that, according to German law
on social insurance, an insured person suffering from incapacity to work
is entitled to the grant of an invalidity pension if he can show that the
paid at least three years’ contributions in the five years preceding the
onset of invalidity in respect of employment or an activity subject to
compulsory insurance.

4. Those conditions were laid down by Paragraph 1247 (2a) in conjunction
with indent 1 of the first sentence of Paragraph 1246 (2a) of the
Reichsversicherungsordnung (the former Reich Insurance Code, hereinafter
’the RVO’), which have been repealed but remain applicable to applications
submitted before 31 March 1992. The provisions at present in force
(Paragraph 44 of Volume VI of the Sozialgesetzbuch, Social Insurance Code,
hereinafter ’the SGB’) have the same content as the paragraphs repealed,
with the exception of some drafting changes.

5. In addition under Paragraph 1228 (4) of the RVO, which corresponds to
the present provisions of Paragraph 8 (1) (1) of Volume IV of the SGB in
conjunction with Paragraph 5 (2) of Volume VI of the SGB, minor employment
is not subject to the statutory old-age insurance scheme.

6. According to the case file, employment is regarded as being minor where
it is regularly engaged in for fewer than 15 hours a week and the monthly
remuneration does not regularly exceed one-seventh of the average monthly
salary of persons insured under the statutory old-age insurance scheme
during preceding calender year. That ceiling is adjusted annually. In 1993
it was DM 530 a month in the original Lander and DM 390 in het new Lander.

7. Mrs Nolte, who was born on 14 May 1930, worked until 1965 and paid
compulsory insurance contributions. On account of having to bring up her
children and subsequently having been in minor employment, she ceased
paying compulsory contributions. Between 1977 and March 1987, when she
stopped working, Mrs Nolte continued to be in minor employment (as a
cleaner).

8. Since June 1988 she has been afflicted by a severe illness, with the
result that she is no longer able to undertake regular paid work.

9. On 28 November 1988 she applied to the LVA for retirement and an
invalidity pension.

10. By decision of 14 August 1989, the LVA rejected her application on the
ground that, out of the 60 calender months preceding the onset of
invalidity, Mrs Nolte could not show she had paid 36 months’ contributions
in respect of employment subject to compulsory insurance.

11. Following an unsuccessful complaint, Mrs Nolte brought proceedings
before the Sozialgericht Hannover for het annulment of the decision
rejecting her complaint.

12. The Sozialgericht takes the view that the exclusion of minor
employment from compulsory old-age insurance constitutes indirect
discrimination contrary to Article 4 (1) of the directive and that the
plaintiff in the main proceedings should be treated as if she had paid
contributions to the old-age insurance scheme before the onset of
invalidity.

13. Article 4 (1) provides as follows:

‘The principle of equal treatment means that there shall be no
discrimination whatsoever on grounds of sex either directly, or indirectly
by reference in particular to marital or family status, in particular as
concerns: -the scope of the schemes and the conditions of access thereto.
-the obligation to contribute …’

14. Considering that the outcome of the proceedings turned on the
interpretation of the directive, the Sozialgericht Hannover stayed the
proceedings and referred the following questions to the Court for a
preliminary ruling: 1. Does a national provision which excludes employment
normally involving less than 15 hours per week and remuneration of up to
one-seventh of the monthly reference amount from the statutory old-age
insurance scheme Paragraph 8(1)(1) of SGB IV, Paragraph 5(2)(1)(1) of SGB
IV – entail discrimination on grounds of sex contrary to Article 4(1) of
Directive 79/7/EEC if considerably more women than men are thereby
affected? 2. If the answer to Question 1 is in the affirmative, is Article
4(1) of Directive 79/7/EEC to be interpreted as meaning that entitlement
to a pension on account of incapacity for work (Paragraph 44(1)(2) of SGB
IV) exists even in the absence of compulsory contribution periods if, in
the five years prior to the occurrence of the incapacity for work,
employment of up to 15 hours a week, not subject to social insurance under
national law, has been engaged in for at least three years, in the course
of which the stipulated earnings thresholds have not been exceeded, and
the exclusion from benefits associated with this form of part-time work
affects considerably more women than men?’

15. Before answering those questions, it must be considered whether a
person in Mrs Nolte’s situation who is in employment of the type referred
to in the national court’s questions falls within the scope of the
directive.

16. According to Article 2, the directive ‘shall apply to the working
population – including self-employed persons, workers and self-employed
persons whose activity is interrupted by illness, accident or involuntary
unemployment and persons seeking employment – and to retired or invalided
workers and self-employed persons’.

17. It follows from that provision that the definition of the working
population is very broad, since it covers any worker, including persons
who are merely seeking employment. In contrast, according to the Court’s
case-law, the directive does not apply to persons who have never been
available for employment or who have ceased to be available for a reason
other than the materialization of one of the risks referred to by the
directive (Joined Cases 48/88, 106/88 and 107/88 Achterberg-te Riele and
Others v Sociale Verzekeringsbank [1989] ECR 1963, paragraph 11).

18. The German Government argues that persons in minor employment are not
part of the working population within the meaning of Article 2 of the
directive, in particular because the small earnings which they receive
from such employment are not sufficient to satisfy their needs.

19. That argument cannot be upheld. The fact that a worker’s earnings do
not cover all his needs cannot prevent him from being a member of the
working population. It appears from the Court’s case-law that the fact
that his employment yields an income lower than the minimum required for
subsistence (see Case 53/81 Levin v Staatssecretaris van Justitie [1982]
ECR 1035, paragraphs 15 and 16) or normally does not exceed 18 hours a
week (see Case C-102/88 Ruzius-Wilbrink [1989] ECR 4311, paragraphs 7 and
17) or 12 hours a week (see Case 139/85 Kempf v Staatssecretaris van
Justitie [1986] ECR 1741, paragraphs 2 and 16) or even 10 hours a week
(see Case 171/88 Rinner-Kuhn [1989] ECR 2743, paragraph 16) does not
prevent the person in such employment from being regarded as a worker
within the meaning of article 48 (the Levin and Kempf cases) or Article
119 of the EEC Treaty (the Rinner-Kuhn case) or for the purposes of
Directive 79/7 (the Ruzius-Wilbrink case).

20. the German Government further argues that a different view ought to
be taken in this case, since what is at issue is not the concept of a
worker within the meaning of Article 48 of the Treaty, as in particular
in the Levin case, but the concept of a worker within the meaning of
social security law. The definition of the concept of a worker in the
latter sphere falls within the competence of the Member States.

21. It should be observed in that connection that as long ago as the
judgment in Case 75/63 Hoekstra (Nee Unger) [1964] ECR 177 (paragraph 1
of the operative part) the Court ruled that the concept of ‘wage-earner
of assimilated worker’ referred to in Regulation No 3 of the Council of
25 September 1958 concerning social security for migrant workers (Journal
Officiel 1958, 30, p. 561) had, like the term ‘worker’ in Articles 48 to
51, a Community meaning. Consequently, the fact that the Levin, Kempf and
Rinner-Kuhn cases do not relate to social security law and are not
concerned with the interpretation of Article 2 of Directive 79/7 cannot
call in question the finding made in paragraph 19, since those judgments
define the concept of a worker in the light of the principle of equal
treatment.

22. It follows that persons in minor employment of the type referred to
in the national court’s questions are part of the working population
within the meaning of Article 2 of the directive and therefore fall within
its scope ratione personae.

23. The German Government and the United Kingdom observe that in this case
Mrs Nolte does not fall within the scope ratione personae of the directive
for another reason: she had completely stopped working, for reasons which
are not known, more than a year before she became incapable of working,
and there is nothing to suggest that she was looking for work at that
time.

24. In putting forward that argument, Germany and the United Kingdom are
in fact contesting the utility of the national court’s questions, since,
in their view, Mrs Nolte is excluded in any event from the scope ratione
personae of the directive. However, it should be noted that, according to
the order for reference, Mrs Nolte could be granted an invalidity pension
under the German legislation if the periods during which she was in minor
employment were to be regarded as being subject to compulsory insurance.

25. Consequently, the national court, which alone is competent to
determine whether the questions referred are relevant, considers that the
reply to those questions is useful to it in order to decide the case
pending before it.

The first question

26. By this question, the national court essentially seeks to establish
whether Article 4(1) of the directive is to be interpreted as meaning that
national provisions under which employment regularly consisting of fewer
than 15 hours’ work a week and regularly attracting remuneration of up to
one-seventh of the average monthly salary is excluded from the statutory
old-age insurance scheme constitute discrimination on grounds of sex where
considerably more women than men are affected thereby.

27. It is common ground that the national provisions at issue in the main
proceedings are not directly discriminatory, since they do not exclude
persons in minor employment from the statutory scheme at issue on the
ground of their sex. It must therefore be considered whether such
provisions may constitute indirect discrimination.

28. As the Court has consistently held, Article 4(1) of the directive
precludes the application of a national measure which, although formulated
in neutral terms, works to the disadvantage of far more women than men,
unless that measure is based on objective factors unrelated to any
discrimination on grounds of sex. That is the case where the measures
chosen reflect a legitimate social policy aim of the Member State whose
legislation is at issue, are appropriate to achieve that aim and are
necessary in order to do so (Case C-343/92 De Weerd, nee Roks and Others
[1994] ECR I-571, paragraphs 33 and 34).

29. In this case the German Government argues, in particular, that the
exclusion of persons in minor employment from compulsory insurance
corresponds to a structural principle of the German social security
scheme.

30. In support of the German Government’s arguments, the United Kingdom
and the Irish Government stressed in particular that contributory schemes,
such as that at issue, require equivalence to be maintained between the
contributions paid by employees and employers and the benefits paid in the
event of the materialization of one of the risks covered by the scheme.
The structure of the scheme could not be maintained in its present form
if the provisions in question had to be abolished. Serious problems would
arise as a result, and the scheme would no longer be able to function on
an exclusively contributory basis.

31. The German Government further explains that there is a social demand
for minor employment that it considers that it should respond to that
demand in the context of its social policy by fostering the existence and
supply of such employment and that the only means of doing this within the
structural framework of the German social security scheme is to exclude
minor employment from compulsory insurance.

32. In addition, the German Government contends that the jobs lost would
not be replaced by full- or part-time jobs subject to compulsory
insurance. On the contrary there would be an increase in unlawful
employment (‘black’ work) and a rise in circumventing devices (for
instance, false self-employment) in view of the social demand for minor
employment.

33. The Court observes that, in the current state of Community law, social
policy is a matter for the Member states (see Case C-229/89 Commission v
Belgium [1991] ECR I-2205, paragraph 22). Consequently, it is for the
Member States to choose the measures capable of achieving the aim of their
social and employment policy. In exercising that competence, the Member
States have a broad margin of discretion.

34. It should be noted that the social and employment policy aim relied
on by the German Government is objectively unrelated to any discrimination
on grounds of sex and that, in exercising its competence, the national
legislature was reasonably entitled to consider that the legislation in
question was necessary in order to achieve that aim.

35. In those circumstances, the legislation in question cannot be
described as indirect discrimination within the meaning of Article 4(1)
of the directive.

36. Accordingly, it should be stated in reply to the first question that
Article 4(1) of the directive must be interpreted as not precluding
national provisions under which employment regularly consisting of fewer
than 15 hours’ work a week and regularly attracting remuneration of up to
one-seventh of the average monthly salary is excluded from the statutory
old-age insurance scheme, even where they affect considerably more women
than men, since the national legislature was reasonably entitled to
consider that the legislation in question was necessary in order to
achieve a social policy aim unrelated to any discrimination on grounds of
sex.

The second question

37. In view of the reply given to the first question, there is no need to
answer the second question.

Costs

38. The costs incurred by the German and Irish Government, the United
Kingdom and the Commission of the European Communities, which have
submitted observations to the Court, are not recoverable. Since these
proceedings are, for the parties to the main proceedings, a step in the
proceedings pending before the national court, the decision on costs is
a matter for that court.

On those grounds,

The court,

in answer to the questions referred to it by the Sozialgericht Hannover,
by order of 25 May 1993, hereby rules:

Article 4 (1) of Council Directive 79/7/EEC of 19 December 1978 on the
progressive implementation of the principle of equal treatment for men and
women in matters of social security must be interpreted as not precluding
national provisions under which employment regularly consisting of fewer
than 15 hours’ work a week and regularly attracting remuneration of up to
one-seventh of the average monthly salary is excluded from the statutory
old-age insurance scheme, even where they affect considerably more women
than men, since the national legislature was reasonably entitled to
consider that the legislation in question was necessary in order to
achieve a social policy aim unrelated to any discrimination on grounds of
sex.

Rechters

Mrs Rodriguez Iglesias, Kakouris, Edward, Hirsch, Schockweiler,Moitinho de Almeida, Kapteyn, Murray, Jann, Ragnemalm, Sevon