Instantie: Rechtbank Alkmaar, 14 december 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde heeft seksuele handelingen met eiseres verricht. Hij meent dat
deze feiten voortvloeiden uit een liefdesrelatie. Gedaagde was 27 jaar en
eiseres was 11 jaar. De vordering van eiseres tot veroordeling van
gedaagde om ƒ 10.000,- voorschot op de materiele en immateriele schade te
betalen, wordt afgewezen. De rechter meent dat onvoldoende vaststaat dat
in de bodemprocedure deze vordering wordt toegewezen. het rapport van de
behandelend psychiater wordt onvoldoende bevonden.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 4 december 1995 heeft S gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding en na
aanvulling van eis gevorderd zoals hierna onder 2.1. wordt weergegeven.

K heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De behandeling van de zaak

1. De uitgangspunten

Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig bij de
arrondissementsrechtbank te Alkmaar, in welke procedure S van K
schadevergoeding vordert ten bedrage van ƒ 104.635,= wegens door haar
geleden schade naar aanleiding van door K jegens S gepleegd seksueel
misbruik.

2. De vordering

2.1. S vordert -zakelijk weergegeven- veroordeling van K tot betaling van
ƒ 10.000,= als voorschot op de door haar geleden materiele en immateriele
schade, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente en met
veroordeling van K in de kosten van de procedure. 2.2. S heeft daartoe het
volgende aangevoerd. K heeft tegenover de marechaussee toegegeven dat hij
in 1982 seksuele handelingen bij S heeft verricht, maar acht zichzelf
daarvoor niet aansprakelijk omdat de feiten volgens hem voortvloeide uit
een liefdesrelatie. S was 11 jaar en K 27 jaar. Van een gelijkwaardige
relatie kan derhalve geen sprake zijn. S bestrijdt de stelling van K dat
zij in 1982 en in de daaropvolgende jaren meerdere malen seksueel contact
zou hebben gehad met mannen. 2.3. S heeft schade geleden tengevolge van
het seksueel misbruik. Doordat zij niet met haar ouders over het gebeuren
kon praten, vereenzaamde zij en is in 1984 van huis weggelopen. Daarna
kwam zij in pleeggezinnen en tehuizen terecht. Pas in 1991 kon zij voor
het eerst over het seksueel misbruik praten en uiteindelijk heeft zij in
1994 aangifte gedaan. De aangifte is echter te lang blijven liggen
waardoor vervolging van K niet meer mogelijk was vanwege de
strafrechtelijke verjaring.

S is vanaf 1991 onder psychische behandeling bij psychiater A. Hinze.
Volgens de overgelegde verklaring van die psychiater houden de diverse
psychische klachten van S verband met het door K gepleegde seksueel
misbruik. S is, waarschijnlijk voor de rest van haar leven, aangewezen op
anti-depressiva.

2.4. Voor S is het van belang dat op korte termijn een voorschot op de
door haar geleden schade wordt toegekend omdat dit voor haar erkenning
betekent van het leed dat haar is aangedaan wat van groot belang is voor
de verwerking van haar ervaringen.

2.5. De materiele schade van S bestaat hieruit dat zij tengevolge van het
seksueel misbruik en de daaruit voortgevloeide psychische problemen
arbeidsvermogens- en inkomensschade lijdt.

2.6. Voorts heeft S een spoedeisend belang bij de toekenning van een
voorschot omdat zij daadwerkelijk kosten heeft moeten maken voor de door
haar gestarte opleiding. Het inschrijfgeld ad. ƒ 3.000,= heeft zij moeten
lenen.

3. Het verweer

3.1. K heeft als verweer het volgende aangevoerd. K erkent dat hij in 1982
handelingen met en bij S heeft gepleegd welke hij toen als volwassenen
niet had dienen te plegen, maar is van mening dat deze hebben
plaatsgevonden met haar instemming en volledige medewerking. S was
verliefd op K en heeft de handelingen uitgelokt. Wel heeft K zich later
gerealiseerd dat hij als volwassene te ver is gegaan en betreurt hetgeen
er heeft plaatsgevonden. K zit zelf ook in een verwerkingsproces doordat
de aangifte van S heeft geleid tot zijn echtscheiding in april van dit
jaar. K bestrijdt de stelling van S dat al hetgeen haar sinds 1982 is
overkomen een resultaat zou zijn van zijn handelingen. K weet dat S in
1982 meerdere malen seksueel contact heeft gehad met mannen en jeugdigen
alsmede in de jaren daarna. 3.2. Aannemelijk is, gezien de totale
achtergrond van S, dat haar huidige geestelijke en lichamelijke conditie
een resultaat is van meerdere factoren uit haar leven. 3.3. S onderbouwt
en onthult niet waarvoor zij onder behandeling is bij de psychiater, noch
wat die behandeling inhoudt. Ook de door haar geponeerde stelling dat er
sprake is van arbeidsvermogens- en inkomensschade wordt op geen enkele
manier onderbouwt met psychologische of psychiatrische rapportage. 3.4.
De erkenning die S aan haar vordering ten grondslag legt, heeft zij reeds
van gedaagde gehad echter niet zijn aansprakelijkheid met betrekking tot
de door S gestelde schade als gevolg daarvan, aangezien S oorzaak en
gevolg teveel ophangt aan algemene termen en nalaat het causaal verband
van de handelingen en de geclaimde schade aan te tonen. 3.5. K is van
mening dat er thans geen sprake is van onverwijlde spoed. De vordering van
S zowel in dit kort geding als in de bodemprocedure is niet solide en er
is sprake van een restitutierisico indien haar een voorschot zou worden
toegekend.

4. De gronden van de beslissing 4.1 De president stelt bij de beoordeling
van dit geschil voorop dat voor toewijzing van een geldvordering in kort
geding het noodzakelijk is dat met voldoende mate van waarschijnlijkheid
komt vast te staan dat de rechter in de bodemprocedure eveneens daartoe
zal beslissen. 4.2 S wenst voorlopige zekerheid omtrent de vraag of zij
door toedoen van K schade heeft geleden en tracht middels dit kort geding
daarvoor steun te verkrijgen. Het door haar overgelegde deskundigenrapport
is evenwel van zeer summiere aard en is bovendien afkomstig van de
psychiater die tevens haar behandelaar is. 4.3 Dit rapport is onvoldoende
om aan de hand daarvan bij voorbaat aan te nemen dat de psychische
moeilijkheden die S ondervindt een direct gevolg zijn van handelingen van
K. Naar voorlopig oordeel van de president is er dan ook thans onvoldoende
grond om een voorlopige voorziening te treffen. De president neemt hierbij
tevens in aanmerking dat het risico aanwezig is dat S een ontvangen
voorschot, indien haar vordering in de bodemprocedure niet wordt
toegewezen, niet zal kunnen terug betalen. 4.4 S zal als de in het
ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De president:

-weigert de door S gevraagde voorzieningen;

-veroordeelt S in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van
K begroot op ƒ 330,= aan verschotten en op ƒ 800,= aan salaris van de
procureur;

-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. (Eiseres heeft hoger
beroep ingesteld red.) Deze zaak is gegarandeerd door het
Proefprocessenfonds Rechtenvrouw

Rechters

Mr Out

Instantie: Rechtbank Arnhem, 12 december 1995

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


In 1986 heeft de rechtbank bij beschikking bepaald dat de man ƒ 650,= alimentatie
aan de vrouw moet betalen. De vrouw vraagt in 1995 aan de rechtbank of
deze de alimentatieverplichting van de man wil vast stellen op ƒ 1.500,=
per maand. De man verzoekt primair de alimentatieverplichting op nihil
te stellen met ingang van 21 augustus 1994, subsidiair de verplichting
te beëindigen per 31 augustus 1997. De grond voor het wijzigingsverzoek
van de vrouw ligt in de omstandigheden dat de kosten van de kinderen niet
meer ten laste van partijen komen, de leningen van de man zijn afgelost
en zij thans leeft van een WAO-uitkering. De rechtbank is van oordeel dat
voor de beantwoording van de vraag of de bijdrage van de vrouw daadwerkelijk
dient te worden verhoogd van belang is dat de welstand van de man sinds
beëindiging van het huwelijk niet of nauwelijks is toegenomen, terwijl
het relateren aan het welstandsniveau tijdens het huwelijk naar ratio van
de duur van de echtscheiding dient af te nemen. De rechtbank wijst beiden
verzoeken af en handhaaft de huidige situatie.

Volledige tekst

Overwegende

1. Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 30 juli 1986 (verbeterd
op 20 augustus 1986) is bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van
het levensonderhoud van de vrouw telkens bij vooruitbetaling aan haar zal
uitkeren ƒ 650,= per maand, welk bedrag ingevolge de wettelijke indexering
is verhoogd tot ƒ 791,20 per maand.

2. De vrouw vraagt thans voormelde bijdrage met ingang van de datum van
de indiening van haar verzoek, althans op een door de rechtbank vast te
stellen datum nader vast te stellen op ƒ 1.500,= per maand.

3. Als grond voor haar wijzigingsverzoek voert de vrouw aan dat de destijds
nog minderjarige kinderen niet meer ten laste van partijen komen, dat de
leningen van de man bij de Rabo-bank en ABN-bank alsmede zijn rekening-courant
schuld afgelost kunnen zijn, terwijl zij zelf inmiddels geen ABW-uitkering
meer heeft maar een WAO- uitkering. Daarnaast is de vrouw kort gezegd van
mening dat zij op grond van de duur van het huwelijk en de welstand tijdens
het huwelijk aanspraak kan maken op een hogere bijdrage.

4. De man voert verweer en verzoekt van zijn kant primair om de alimentatieverplichting
op nihil te stellen met ingang van 21 augustus 1994, subsidiair de verplichting
te beëindigen per 13 augustus 1997. Hij voert daartoe aan dat de financiële
omstandigheden van de vrouw niet zijn gewijzigd, haar behoefte niet meer
dient te worden gerelateerd aan de mate van welstand tijdens huwelijk en
zij in staat moet worden geacht volledig in haar eigen levensonderhoud
te kunnen voorzien, althans had kunnen voorzien nu de omvang van de zorg
voor de kinderen dat toeliet maar zij heeft nagelaten tijdig activiteiten
daartoe te ontplooien.

5. De man is van mening dat zijn financiële situatie in vergelijking met
de situatie in 1986 zelfs is verslechterd. Om die reden acht hij nihilstelling
van de alimentatie op zijn plaats. De arbeidsovereenkomst van de man is
met ingang van 1 januari 1995 ontbonden. Bij dat gedwongen ontslag is overeengekomen
dat het ww-inkomen van de man tot aan de 60-jarige leeftijd zal worden
gesuppleerd en dat hij daarna voor de VUT-regeling in aanmerking zal komen.
Blijkens de overgelegde salaris specificatie van de maand juni 1995 ontvangt
de man maandelijks een bruto “salaris” van ƒ 9.023,= per maand. Rekeninghoudend
met een beschikking Inspecteur van ƒ 1.416,= per maand resulteert dat in
een netto maandinkomen van ƒ 5.590,58.

6. Mede gelet op de hoogte van het netto inkomen van de man ten tijde van
de vaststelling van de alimentatiebijdrage voor de vrouw en de overige
wijzigingen in zijn omstandigheden, waarvan hierna zal blijken, is er naar
het oordeel van de rechtbank wel sprake van gewijzigde omstandigheden,
die een nieuwe beoordeling van de door hem te betalen bijdrage rechtvaardigen.

7. Op voornoemd salaris van de man wordt aan pensioenpremie ƒ 510,76 en
aan premie Vut ƒ 124,06 ingehouden. De belaste tegemoetkoming van de werkgever
in de ziektekosten bedraagt ƒ 152,= per maand. De beide meerderjarige dochters
van partijen wonen niet meer thuis en studeren nog. De oudste dochter volgt
een HBO-opleiding maatschappelijk werk en de jongste dochter een universitaire
opleiding Maatschappijgeschiedenis. Zij ontvangen een basisbeurs en de
man voldoet maandelijks aan zijn oudste dochter ƒ 480,= en aan zijn jongste
dochter ƒ 600,= per maand. Daarnaast betaalt de man de ziekte kostenverzekering
voor zijn dochters. De totale premie ziektekostenverzekering beloopt ƒ
330,30 per maand. De man voert daarnaast voor niet vergoede ziektekosten
en tandartskosten een bedrag van ƒ 150,= op.

8. De man heeft de eerste hypotheek, naar zijn zeggen in verband met onderhoud
en herinrichtingskosten verhoogd van ƒ 125.000,= tot ƒ 150.000,=. Hij betaalt
aan rente ƒ 900,= per maand. Er wordt niets afgelost. De tweede hypotheek
is in maart 1995 afgelost.

9. De oude schulden bij de Rabo-bank en de ABN-bank zijn inmiddels afgelost.
In januari 1995 heeft de man een nieuw krediet afgesloten bij de Rabobank
met een limiet van ƒ 50.000,=. De man heeft met behulp van dat krediet
onder ander een nieuwe auto aangeschaft van ƒ 35.000,= omdat hij bij de
beëindiging van zijn werkzaamheden zijn auto van de zaak heeft moeten inleveren.
Het saldo van de lening bedraagt per 30 juni 1995 ƒ 33.428,66. Er wordt
maandelijks ƒ 1.000,= afgelost en de fiscaal aftrekbare rente heeft de
rechtbank voor 1995 becijferd op ongeveer ƒ 3.600,=.

10. De rekening-courant bij de Rabo-bank bestaat nog. Het saldo bedraagt
thans ƒ 5.637,33.
Er wordt jaarlijks ƒ 1.250,= afgelost en over het uitstaande saldo wordt
9% rente voldaan.

11. Ter zake van huishoudelijke hulp voert de man, mede in verband met
zijn knieklachten, ƒ 60,= per week op.

12. De rechtbank zal allereerst de vraag beantwoorden of het feit dat de
vrouw niet over andere inkomsten beschikt dan haar WAO-uitkering voor haar
risico dient te komen. In de eerste twee jaren van het huwelijk was de
vrouw directie-secretaresse. Vervolgens heeft zij zich aan haar gezin gewijd.
Na de echtscheiding heeft de vrouw enige opleidingen gevolgd en part-time
werkzaamheden verricht. Haar inkomsten lagen onder bijstandsniveau. Onvoldoende
is gesteld en aannemelijk gemaakt dat de vrouw onvoldoende activiteiten
heeft ontplooid. De stellingname van de man dat het niet beschikken over
meer inkomen dan het huidige voor risico van de vrouw moet blijven wordt
dan ook verworpen. Bij de beoordeling van het verzoek tot verhoging speelt
een rol dat partijen ruim 12 jaar gele den zijn gescheiden en de vrouw
eerst na negen jaren om een verhoging van haar alimentatie verzoekt. Het
is de vraag in hoeverre de man bij het aangaan van een aantal verplichtingen
daarmee rekening had behoren te houden. Voorts speelt een rol dat de beide
studerende dochters rekenen op een bijdrage van hun vader. Aan de andere
kant kende de man zijn alimentatieverplichting ten opzichte van de vrouw
en had hij daaraan zijn verplichtingen
moeten aanpassen.

13. Een en ander geeft de rechtbank aanleiding om bij de beoordeling van
de draagkracht van de man rekening te houden met de maandelijkse bijdrage
aan de kinderen, zij het dat er van wordt uitgegaan dat deze bijdrage vanuit
het draagkrachtloos inkomen dient te worden voldaan, alsmede met de huidige
aflossingsverplichtingen op het krediet bij de Rabo-bank en de rekening-courant.
Voorts wordt er rekening gehouden met de hypotheekrente en met het gebruikelijke
bedrag van ƒ 150,= per maand ter zake van eigenaarslasten.

14. Naast de premie ziektekostenverzekering wordt er uitgaan de van de
tot op heden zelf betaalde ziektekosten rekening gehouden met een eigen
risico van ƒ 75,= per maand en met tandartskosten tot een bedrag van ƒ
50,= per maand.

15. Bij vaststelling van de alimentatiebijdrage in 1986 is er ook reeds
rekening gehouden met de kosten van huishoudelijke hulp. De rechtbank stelt
deze kosten in redelijkheid op een bedrag van ƒ 150,= per maand.

16. De aldus becijferde draagkracht van de man laat een iets hogere bijdrage
aan de vrouw toe.
Voor de beantwoording van de vraag of de bijdrage van de vrouw ook daadwerkelijk
moet worden verhoogd is van belang dat de welstand van de man sinds de
beëindiging van het huwelijk niet of nauwelijks is toegenomen, terwijl
het relateren aan het welstandsniveau tijdens het huwelijk naar rato van
de duur van de echtscheiding dient af te nemen. De omstandigheden in deze
zaak in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage
in het levensonderhoud van de vrouw dient te worden gehandhaafd en dat
de wijzigingsverzoeken van zowel de vrouw als de man moeten worden afgewezen.

17. Het subsidiaire verzoek van de man dient eveneens te worden afgewezen.
Er is geen reden om de alimentatieverplichting van de man te beëindigen,
aangezien er in het kader van de nieuwe wet een belangenafweging dient
plaats te vinden die nu nog niet kan worden gedaan.

BESCHIKKENDE

1. Wijst de verzoeken van de vrouw en van de man af.

2. Compenseert de proceskosten zodanig dat iedere partij de eigen kosten
draagt.

Rechters

Mr de Vries Robbé

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 8 december 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Een uitdrukkelijke weigering – van de erkenning door de biologische vader –
door de moeder, hoezeer ook ingegeven door haar oordeel omtrent het belang
van het kind, staat erkenning na haar dood niet in de weg. Dit wordt niet
anders indien de moeder door haar weigering met het oog op dit effect bij
uiterste wilsbeschikking of bij uitsluitend hiertoe verleden notariële akte
heeft vastgelegd, noch indien de moeder tevens heeft bepaald dat na haar dood
een ander de voogdij over het kind zal uitoefenen.
Tussen de vader en het kind bestaat geen family life. Maar family life is
geen vereiste voor erkenning.
Wel raakt erkenning aan de belangen van het kind welke worden beschermd door
artikel 8 EVRM. Indien deze belangen zich tegen erkenning verzetten kan zowel
de afweerfunctie van het recht op respect voor het – met anderen bestaande –
family life van het kind, als de keuzevrijheid met betrekking tot het eigen
leven in het geding zijn.

Volledige tekst

In de Memorie van Antwoord (Tweede Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 20 626, nr.
6, p. 17) wordt hierover nog het volgende opgemerkt:
`In het licht van de …. uitspraak van het Europese Hof van 21 juni 1988 en
die van de Hoge Raad van 19 november 1989 (NJ 1990, 628, M) wordt alsnog
voorgesteld om in het nieuwe artikel 210 dat de vervangende instemming bij
aanvaarding regelt als bijkomend criterium naast het verwekkerschap de
voorwaarde op te nemen dat de verwekker in een nauwe persoonlijke betrekking
met het kind dient te staan. ….wij [zijn] van mening dat de wetgever de
meer beperkte uitleg die in dit verband thans aan het in artikel 8 EVRM
bedoelde gezinsleven moet worden gegeven in de onderhavige bepaling tot
uitdrukking moet laten komen. Bij de beoordeling van genoemd criterium, op
grond waarvan de vervangende toestemming geweigerd kan worden, zal in het
bijzonder de sociale band die de man en de moeder – met het kind hebben en
omgekeerd, in aanmerking worden genomen. Tevens wordt met deze voorwaarde
aangegeven dat het tussen moeder en kind bestaande gezinsleven eveneens
bescherming verdient. Op deze wijze kan de rechter de redenen die aan de
aanvaarding ten grondslag liggen onderzoeken. Indien gesteld kan worden dat
de man in een zodanige verhouding tot het kind staat dat dit gezinsleven
impliceert, achten wij het gerechtvaardigd dat onder die omstandigheden het
juridisch formaliseren van de relatie tussen hem en het kind op de voorgrond
staat. Ook vanuit het oogpunt van de belangen van het desbetreffende kind aan
wie anders juridisch een vader wordt onthouden, is dan vervangende
toestemming gewenst. Anders ligt het wanneer is te verwachten dat het kind
door de aanvaarding ernstig nadeel zal ondervinden. Het belang dat het kind
bij de weigering heeft, is dan zó beschermenswaardig dat daaraan niet kan
worden voorbijgegaan.’
Art. 210 lid 2 van bovengenoemd (ingetrokken) wetsvoorstel bepaalde dat het
verzoek om vervangende instemming wordt afgewezen indien inwilliging ervan de
geestelijke en lichamelijke gezondheid van het kind in ernstige mate zou
benadelen.
In de MvT (p. 31) wordt hierover opgemerkt:
`Een dergelijke voorziening kan onzes inziens niet worden gemist. Terecht zou
ons anders kunnen worden verweten dat aan de belangen van het kind voorbij
wordt gegaan. Uit de formulering van het tweede lid volgt dat alleen
zwaarwegende belangen van het kind aan de toewijzing van het verzoek om
vervangende instemming in de weg kunnen staan.
….De uitzonderingsregel van het tweede lid van het nieuwe artikel 210
geldt ook indien de man die het vaderschap wil aanvaarden de verwekker van
het kind is. Toepassing van deze weigeringsgrond in dit geval levert naar
onze mening geen strijd op met artikel 8 EVRM. Immers, indien moet worden
gevreesd dat het kind ernstige schade zal ondervinden in geestelijk en
lichamelijk opzicht als de voorgenomen aanvaarding van de man, die genetisch
zijn vader is, doorgang vindt, is de conclusie gerechtvaardigd en ook af te
leiden uit het tweede lid van artikel 8 EVRM dat de belangen van de verwekker
moeten wijken voor die van het kind.’
In maart 1994 is de ministerraad akkoord gegaan met een nieuw wetsvoorstel
tot herziening van het afstammingsrecht. Ook daarin is bepaald dat indien de
moeder weigert toestemming te geven voor de erkenning, deze toestemming kan
worden vervangen door een rechterlijke toestemming (zie Persbericht
Ministerraad van 11 maart 1994).
3.2.5. Ik realiseer mij, dat een wat terughoudender benadering van de
toepasselijkheid van art. 8 EVRM zou kunnen leiden tot de opvatting, dat het
kind de erkenning slechts zou kunnen tegenhouden (vernietigen), indien de
erkenning niet anders kan worden opgevat dan als misbruik van bevoegdheid
door de vader. Voor deze benadering voel ik weinig. De
vernietigingsmogelijkheid zou daarin vrijwel illusoir worden en geen enkel
recht doen aan de notie, dat in zaken als deze het belang van het kind voorop
moet staan, zoals ook de citaten in het vorige punt duidelijk maken.
3.2.6. Het hier verdedigde standpunt schept nog wel een procedureel probleem,
indien moet worden aangenomen, dat de toepassing van art. 8 EVRM zoveel
mogelijk moet aansluiten bij het stelsel van de Nederlandse wet. Dat zou
betekenen, dat de ambtenaar van de burgerlijke stand alsnog de akte van
erkenning moet opmaken (en dus de beschikking van het hof moet worden
vernietigd), waarna voor het kind op de voet van art. 1:226, derde lid, BW
een bijzondere curator moet worden benoemd, die de vernietiging van de
erkenning overeenkomstig het geëxtendeerde art. 1:225, tweede lid, onder a,
BW, namens het kind vordert, met mogelijk een herhaling van de procedure in
drie instanties. Uit een oogpunt van proceseconomie en de aan partijen binnen
redelijke termijn te verschaffen rechtszekerheid zou deze gang van zaken m.i.
bepaald geen aanbeveling verdienen.
3.2.7. Het vorenstaande zou betekenen dat, wat er zij van rov. 6 en 7, rov. 8
de beschikking van het hof geheel zelfstandig kan dragen en dat de
beschikking in stand kan blijven indien het tegen rov. 8 gerichte
cassatiemiddel 3 faalt.

3.3. De belangenafweging
3.3.1. De eis, dat de verwekker slechts een beroep op art. 8 EVRM kan doen,
indien hij behoudens het feit van zijn biologisch vaderschap feiten en
omstandigheden stelt waaruit voortvloeit, dat zich een als familie- of
gezinsleven aan te merken persoonlijke betrekking tot het kind heeft
ontwikkeld, heeft een rol gespeeld bij het omgangsrecht en bij het doorbreken
van het veto-recht van de moeder bij de erkenning (Zie bijv. HR 8 april 1988,
NJ 1989, 170 m.nt. EAAL, HR 18 mei 1990, NJ 1991, 374 en 375 m.nt. EAA
en EAA en HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 261 m.nt. JdB). In rov. 44 van zijn
uitspraak van 26 mei 1994, Serie A nr. 290, NJ 1995, 247 (Keegan tegen
Ierland (Zie daarover o.m. E.P. von Brucken Fock in zijn noot onder Hof
Amsterdam 19 januari 1995 in FJR 1995, p. 117 e.v., waarbij het hof besliste,
dat een kind in beginsel recht op omgang heeft met zijn biologische vader,
waarbij het hof aan het bestaan van `family-life’ tussen vader en kind
nauwelijks eisen stelde.) (zie ook rov. 30 van de uitspraak van 27 oktober
1994, Serie A nr. 297, NJ 1995, 248 m.nt. JdB) overwoog het EHRM het
volgende:
`The Court recalls that the notion of the `family’ in this provision is not
confined solely to marriage-based relationships and may encompass other
de facto `famlily’ ties, where the parties are living together
outside of marriage… A child born out of such a relationship is ipso
iure
part of that `family’ unit from the moment of his birth and by the
very fact of it. There thus exists between the child and his parents a bond
amounting to family-life even if at the time of his or her birth the parents
are no longer cohabitating or their relationship has then ended (see,
mutatis mutandis, the Berrehab v. the Netherlands judgment of 21
June 1988, Series A no. 138, p. 14, para. 21) (NJ 1988, 746, m.nt. EAA).
3.3.2. Naar het mij voorkomt zal op grond van deze formulering in het
algemeen sneller family-life tussen een biologische vader en diens niet
erkend kind moeten worden aangenomen, dan uit de in noot 2 vermelde
jurisprudentie zou kunnen worden afgeleid. Het is dan ook de vraag of in het
onderhavige geval de door het hof in rov. 7 (geciteerd in punt 1.8 hiervóór)
uit de daar vermelde omstandigheden getrokken conclusie, dat niet van
family-life kan worden gesproken, in het licht van de vorendoelde uitspraken
van het EHRM stand zou kunnen houden. Deze vraag behoeft evenwel geen
beantwoording omdat – zoals reed opgemerkt in punt 3.1.3 hiervóór – de
Nederlandse wet voor een erkenning door de verwekker na het overlijden van de
moeder de eis van family-life niet stelt.
3.3.3. Men zou kunnen verdedigen, dat in het licht van art. 8 EVRM de
Nederlandse wet in een dergelijk geval de eis van family-life wèl zou moeten
stellen, zij het in de betrekkelijk lichte vorm als omschreven in de
bovengeciteerde Keegan- en Kroonuitspraak. Aan een dergelijke beperkende
uitleg van de Nederlandse wetbepalingen bestaat echter geen behoefte, indien
er onder alle omstandigheden ruimte is voor een – op art. 8 EVRM gestoelde –
belangenafweging zoals door mij in punt 3.2.3. hiervóór bepleit, d.w.z.
onafhankelijk van de vraag of er family-life was of niet.
3.3.4. In deze opvatting doet het evenmin ter zake of het hof al dan niet
terecht in rov. 7 heeft beslist, dat voor zover er al family-life zou hebben
bestaan, dit door latere omstandigheden verloren is gegaan. Ik merk voor
zoveel nodig op, dat Uw Raad met betrekking tot dit verloren gaan zeer
terughoudend is. Zie daarover punt 2.2.2. van mijn conclusie voor HR 24 april
1992, NJ 1992, 478, en voorts HR 11 juni 1993, NJ 1993, 560 en HR 17 december
1993, NJ 1994, 360.
3.3.5. Waar het hier dus om gaat is of de door het hof in rov. 7 geschetste
omstandigheden, in samenhang met die van rov. 8, een voldoende basis bieden
voor de uitkomst van de door het hof toegepaste belangenafweging. Hoewel het
veelal van groot belang voor zowel de verwekker als het kind zal zijn, dat de
biologische vader ook de juridische vader is, heeft het hof bij deze in
hoofdzaak feitelijke en in cassatie niet toetsbare beslissing niet blijk
gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en heeft het die beslissing m.i.
voldoende gemotiveerd.
Blijft nog de in het derde cassatiemiddel opgeworpen vraag of het hof de RvdK
had moeten horen.

3.4. Het horen van de RvdK
3.4.1. Bij de Wet van 24 juni 1992, Stb. 343 is art. 902a Rv gewijzigd. Deze
wet is in werking getreden op 1 september 1992. Door deze wijziging werd het
verplichte horen van de RvdK in zaken van ouderlijke macht, voogdij, omgang,
handlichting en adoptie vervangen door een facultatief horen. Op grond van
dit nieuwe art. 902a Rv kon de rechter, indien hij dat met het oog op de
beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk achtte, het
advies van de RvdK inwinnen. De RvdK kon ook eigener beweging zijn mening aan
de rechter kenbaar maken, indien zij dit met het oog op de beoordeling van de
belangen van de minderjarige noodzakelijk achtte. Indien het een
ondertoezichtstelling van een minderjarige (met enige uitzonderingen), de
ontheffing of ontzetting van de ouderlijke macht of voogdij of de ontzetting
van de toeziende voogdij betrof was de rechter wel verplicht de RvdK te
horen.
3.4.2. Bij wet van 7 juli 1994, Stb. 570 is de zesde titel van Boek 3 Rv.
geheel opnieuw vastgesteld. Art. 902a (oud) Rv is komen te vervallen en
vervangen door art. 810 Rv. De tekst van het artikel is nauwelijks veranderd.
Ook ingevolge art. 810 Rv is het aan de rechter overgelaten of hij behoefte
heeft aan een advies van de RvdK.
3.4.3. De wet van 7 juli 1994, Stb. 570 is op 1 april 1995 in werking
getreden. De overgangsbepaling, art. X, bepaalt dat procedures waarin de
inleidende dagvaarding is betekend dan wel het inleidend verzoekschrift is
ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, geheel worden
afgedaan met toepassing van het oude recht. In het onderhavige geval is het
inleidende verzoekschrift ingediend op 24 februari 1994, derhalve is i.c.
art. 902a Rv, zoals dat is vastgesteld bij wet van 24 juni 1992, Stb. 343,
van toepassing, zie Burgerlijke Rechtsvordering (J.E. Doek), art. 810 Rv,
aant. 1 en 2.
3.4.4. Kennelijk heeft het hof gemeend zonder advies van de RvdK voldoende
inzicht te hebben gekregen in de belangen van het kind. Dit oordeel geeft
niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is m.i. ook niet
onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.

3.5. Beoordeling van de cassatiemiddelen
Cassatiemiddel 1 is gegrond en cassatiemiddel 2 in ieder geval ten dele. Dit
kan echter niet tot cassatie leiden, aangezien cassatiemiddel 3 zich
tevergeefs richt tegen het in rov. 8 op art. 8 EVRM berustende oordeel van
het hof, welk oordeel de beslissing zelfstandig draagt.

4. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Martens, Korthals Altes, Neleman, Heemskerk, Nieuwenhuis

Instantie: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 8 december 1995

Instantie

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Uitleg Hoge Raad 15 april 1994, RN 1994, 430, m.nt. Nora Holtrust. De
Stichting Afstammingskinderen vordert in kort geding afgifte van de
dossiers met afstammingsgegevens op grond van de uitspraak van de Hoge
Raad 15 april 1994. Het FIOM weigert dit. Volgens de procedure bij de
FIOM wordt er bij een verzoek om afstammingsgegevens eerst informatie
ingewonnen bij het kind dat om inzage vraagt en vervolgens wordt er een
belangenafweging gemaakt tussen de belangen van de moeder en het kind. Het
inwinnen van informatie die een belangenafweging mogelijk maakt en de
belangenafweging zelf kunnen niet als onrechtmatig worden beschouwd. Het
hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Volledige tekst

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het Hof naar het vonnis waarvan
beroep, aangehecht aan dit arrest.

2. Het geding in hoger beroep

Van dat vonnis bij eerdergenoemd exploit in hoger beroep gekomen heeft
appellante drie grieven voorgedragen en geconcludeerd: Dat het Gerechtshof
moge behagen bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de
President van de Arrondissementsrechtbank te s’-hertogenbosch d.d. 18
oktober 1994 te vernietigen, en alsnog aan appellante, oorspronkelijk
eiseres, haar vorderingen toe te wijzen, met veroordeling van geintimeerde
in de kosten van beide instanties.

Daarop antwoordend heeft geintimeerde die grieven bestreden en
geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep met
veroordeling van appellante in de kosten van dit geding in beide
instanties.

Partijen hebben de zaak door hun raadslieden doen bepleiten. Nadat de zaak
bepleit was heeft appellante wraking van een van de leden van het Hof, die
de pleidooien had aangehoord, verzocht. De betrokkene heeft zich
vervolgens aan de behandeling van dit geding onttrokken waarna partijen
voor het Hof in een andere samenstelling de zaak nogmaals hebben doen
bepleiten.

Hierbij heeft appellante bij akte nog een produktie in het geding
gebracht. Vervolgens hebben partijen andermaal recht op de stukken
verzocht.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven luiden:

Grief 1

Ten onrechte oordeelt de Rechtbank, dat de FIOM bereid is geweest, en
bereid is, alle afstammingsgegevens aan afstammingskinderen te geven.

Grief 2

Ten onrechte oordeelt de President, dat tussen partijen in geschil zou
zijn welke afstammingsgegevens verleend moeten worden.

Grief 3

Ten onrechte oordeelt de President, dat de vordering van De Stichting moet
worden afgewezen.

4. Beoordeling

4.1 Appellante heeft in eerste aanleg in kort geding gevorderd de
Stichting Ambulante Fiom bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te gelasten
alle afstammingsgegevens te verschaffen van kinderen van wie het dossier
bij haar berust onder verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000,- voor elke
maal dat de Stichting Ambulante Fiom in strijd daarmede en/of in afwijking
van de te geven uitspraak handelt, met veroordeling van de Stichting
Ambulante Fiom in de kosten van de procedure. Appellante heeft daartoe
aangevoerd, dat op grond van het arrest van de Hoge Raad van 15 april
1994, nr 15.307 Rechtspraak van de week 1994, 94 aan het kind inzage moet
worden verleend van bij een instelling berustende gegevens met betrekking
tot de afstamming van dat kind daaronder begrepen die met betrekking tot
de moeder met daarbij alle gegevens die betrekking hebben op de door de
moeder als verwekker aangewezene. Appellante heeft daarbij gesteld dat
geintimeerde niet bereid is gebleken te verklaren deze uitspraak van de
Hoge Raad te eerbiedigen en de afstammingsgegevens aan kinderen van wie
zij het dossier in bezit heeft te verschaffen. In het bijzonder verwijt
appellante geintimeerde voorts dat geintimeerde een afweging wil doen
plaatsvinden tussen het belang van het kind bij kennisneming van de
gegevens en het belang van de moeder bij het niet verstrekken van die
gegevens aan het kind.

4.2 Geintimeerde erkent dat het kind in beginsel recht heeft op
kennisneming van de afstammingsgegevens en dat de moeder niet zonder meer
een recht van veto ten aanzien van het ter inzage geven van die gegevens
heeft. Geintimeerde betwist het standpunt van appellante dat het arrest
van de Hoge Raad met zich zou brengen dat er geen belangenafweging zou
mogen plaatsvinden. Voorts betwist geintimeerde dat zij of met haar
verbonden instellingen zouden handelen in strijd met hetgeen het bedoelde
arrest van de Hoge Raad als een juiste gedragswijze aangeeft en met name
dat harerzijds op onjuiste wijze afweging van belangen tussen moeder en
kind zou plaatsvinden of op onjuiste wijze afweging van belangen tussen
moeder en kind zou plaatsvinden of op onjuiste wijze informatie zou worden
ingewonnen bij het kind dat om inzage vraagt, om die afweging mogelijk te
maken. Voorts voert appellante gestelde feiten zich bij haar of bij met
haar gelieerde instellingen hebben voorgedaan, noch dat die zich na het
arrest van de Hoge Raad zouden hebben voorgedaan.

4.3.1. Het Hof leest geenszins in het arrest van de Hoge Raad dat het in
beginsel bestaande recht van het kind op kennisneming van zijn
afstammingsgegevens en het uitgangspunt dat de moeder niet zondermeer een
recht van veto heeft met zich zouden brengen dat het inwinnen van
informatie die een belangenafweging mogelijk maakt en iedere
belangenafweging onrechtmatig zouden zijn.

4.3.2. De door appellante aangevoerde feiten staan geenszins vast, nu deze
door geintimeerde gemotiveerd betwist zijn. Bovendien is het kader van een
kort geding niet de geeigende rechtsgang om door middel van
getuigenverhoren die feiten vast te stellen. Daar komt bij dat van de
gestelde feiten geenszins duidelijk is gesteld of gebleken dat deze zich
bij geintimeerde of aan haar verbonden instellingen hebben voorgedaan noch
dat deze feiten zich na het voormelde arrest van de Hoge Raad hebben
voorgedaan.

4.3.3. Tenslotte gaat de vordering van appellante te ver mede in het licht
van het hiervoor onder 4.3.1. overwogene.

4.3.4. Het vorenstaande staat de toewijzing van de vordering van
appellante in de weg, zodat in ieder geval de derde door appellante
aangevoerde grief faalt. De beide andere grieven – de tweede grief is in
zoverre gegrond dat partijen in hoger beroep het er over eens bleken te
zijn dat met afstammingsgegevens in casu hetzelfde wordt bedoeld als in
het wetsontwerp Donorgegevens Kunstmatige Inseminatie – kunnen daarom niet
tot een andere beslissing leiden dan die welke de President van de
Rechtbank gaf. Deze grieven behoeven daarom geen verdere bespreking.

4.3.5. Het vonnis waarvan beroep komt derhalve voor bekrachtiging in
aanmerking. Appellante dient als de in het ongelijk gestelde partij de
kosten van dit geding in hoger beroep te dragen.

5. Uitspraak

Het Hof:

Bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

Veroordeelt appellante in de kosten van dit geding in hoger beroep tot op
heden aan de zijde van geintimeerde begroot op ƒ 5.600,= aan salaris en
ƒ 420,= aan verschotten.

Rechters

Mrs Van den velden, Zwitser-Schouten, Van Loo

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 7 december 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Volgens de CRvB is onvoldoende komen vast te staan dat S zich heeft schuldig
gemaakt aan een zedenmisdrijf. Noch in de verklaringen van medewerksters van
het gezinsvervangend tehuis waarin evenbedoelde WSW-werkneemster (het
slachtoffer) verbleef, noch in hetgeen appellant heeft verklaard omtrent
hetgeen hij van gemeente-politiefunctionarissen te horen heeft gekregen over
(de ernst en omvang van) vermoede seksuele misdragingen van S kan enige
onderbouwing worden gevonden voor de juistheid van de stelling van appellant
dat S zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf. Gelet op
de pertinente ontkenning van S en op het feit dat de latere verklaringen van
bedoelde WSW-werkneemster op niet onbelangrijke onderdelen andersluidend
waren dan haar eerdere verklaringen heeft de Raad niet tot de noodzakelijke
overtuiging kunnen komen dat S het bepaalde in artikel 28, tweede lid onder a
van de WSW op zich van toepassing heeft doen worden door zich in seksueel
opzicht op ontoelaatbare wijze te gedragen tegenover een of meer – onder zijn
leiding werkzame – WSW-medewerksters.
Beroep tegen uitspraak Rechtbank Utrecht 13 juli 1994, reg. nr. 92/2398 WSW
waarin het gegeven ontslagbesluit is vernietigd.
Beslissing: Bevestiging van de aangevallen uitspraak.

Volledige tekst

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 6 november 1992 heeft appellant het bezwaar van gedaagde
tegen het besluit van 10 september 1992 ongegrond verklaard, bij welk besluit
het dienstverband krachtens de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) van gedaagde
ingaande 15 september 1992 is beëindigd op grond van het bepaalde in
artikel 28, tweede lid, onder a, van het WSW.

De Arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft bij uitspraak van 13 juli 1994,
reg. nr. 92/2398 WSW het beroep van gedaagde tegen eerstgenoemd besluit
gegrond verklaard en heb besluit van 6 november 1992 alsmede het besluit van
10 september 1992 vernietigd.

Appellant heeft tegen die uitspraak beroep doen instellen door mr J.G. Luiten,
advocaat te Ede, op bij aanvullend hoger beroepschrift aangevoerde gronden.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend door mr J.G.M. Roels,
advocaat te Zeist, als gemachtigde.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 november 1995. Aldaar
heeft appellant zich doen vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde mr
J.G. Luiten, alsmede door A.J. Roelofs, algemeen directeur van het
Werkvoorzieningsschap Zeist en Omstreken. Gedaagde is in persoon verschenen,
bijgestaan door mr J.G.M. Roels voornoemd als zijn raadsman.

II. Motivering

Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Ab) in
werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende
wijziging van het procesrecht brengt mee dat op een hoger beroep dat is
ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft,
hoofdstuk 8 van de Ab moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde
wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat
ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen uitspraken die
voor 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip
van toepassing blijft.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten
verwijst de Raad naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak en volstaat hier
met vermelding van het volgende:
Het besluit van appellant van 6 november 1992, alsmede het daaraan ten
grondslag liggende besluit van 10 september 1992, waarbij de dienstbetrekking
van gedaagde is beëindigd is, naar uit de bewoordingen van laatstgenoemd
besluit blijkt, gebaseerd op de omstandigheid dat gedaagde wordt verdacht van
het plegen van een zedenmisdrijf waarvan een, wellicht zelfs meer
werkneemsters die onder de leiding van gedaagde werkzaamheden verrichten, het
slachtoffer zijn geworden, hetwelk door appellant is aangemerkt als een
ernstige misdraging in de zin van artikel 28, tweede lid, onder a, van de
WSW.

De rechtbank heeft geoordeeld dat een ernstige misdraging van gedaagde als
bedoeld in dit artikellid niet is komen vast te staan, zodat appellant zich
ten onrechte bevoegd heeft geacht tot beeindiging van gedaagde dienstverband.

Ook de Raad heeft moeten vaststellen dat appellant ten tijde van het nemen
van het in geding zijnde besluit voor wat betreft zijn stelling dat gedaagde
zich bij de vervulling van zijn dienstbetrekking in WSW-verband ernstig heeft
misdragen feitelijk op niet meer kon steunen dan hetgeen een WSW-werkneemster
die onder gedaagde leiding werkzaam was medio juli 1992 heeft verklaard over
ongewenste sexuele handelingen van gedaagde, welke zij zou hebben ondergaan.
Anders dan appellant is de Raad van opvatting dat noch in de verklaringen van
medewerkers van het gezinsvervangend tehuis waarin evenbedoelde
WSW-werkmeester verbleef, noch in hetgeen appellant heeft verklaard omtrent
hetgeen hij van gemeentepolitie-functionarissen te horen heeft gekregen over
(de ernst en de omvang van) vermoede sexuele misdragingen van gedaagde enige
feitelijke onderbouwing kan worden gevonden voor de juistheid van het
uitgangspunt van appellant dat gedaagde zich inderdaad heeft schuldig gemaakt
aan de hem verweten gedragingen. In aanmerking genomen dat gedaagde steeds
pertinent heeft ontkend zich op enigerlei wijze jegens WSW-werkneemsters op
sequeel gebied te hebben misdragen en gelet op de omstandigheid dat latere
verklaringen van meerbedoelde WSW-werkneemster op niet onbelangrijke
onderdelen andersluidend waren dan haar eerdere verklaringen, heeft ook de
Raad in de gegeven omstandigheden niet tot de noodzakelijke overtuiging
kunnen komen dat gedaagde het bepaalde in artikel 28, tweede lid, onder a,
van de WSW op zich van toepassing heeft doen worden door zich in seksueel
opzicht op ontoelaatbare wijze te gedragen tegenover een of meer – onder zijn
leiding werkzame – WSW-medewerksters.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht termen aanwezig om appellant op
grond van artikel 8:75 van de Ab te veroordelen in de proceskosten aan de
zijde van gedaagde in hoger beroep gemaakt, welke worden begroot op ƒ 1.420
aan kosten van verleende rechtsbijstand.

Het vorenstaande leidt – mede met het oog op artikel 22, derde lid, van de
Beroepswet – tot de volgende beslissing.

III. Beslissing

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een
bedrag groot ƒ 1.420, te betalen door het Werkvoorzieningsschap Zeist en
Omstreken aan de griffier;
Verstaat dat van het Werkvoorzieningsschap Zeist en Omstreken een recht dient
te worden geheven van ƒ 600

Rechters

Mr H. Bekker, voorzitter en mr W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R.Geerling-Brouwer, leden.

Instantie: Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing, 7 december 1995

Instantie

Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing

Samenvatting


De huisregels bepalen onder meer dat het voor gedetineerden alleen mogelijk
is uitgaande gesprekken te voeren, het is niet mogelijk inkomende gesprekken
te ontvangen. Daarom is telefoneren met de gedetineerde partner voor
klaagster niet mogelijk. De beroepscommissie meent dat dit beleid in beginsel
niet in strijd is met artikel 92a Gevangenismaatregel. Maar in dit speciale
geval, te weten echtgenoten of vaste partners die beiden gedetineerd zijn,
moet één of twee keer per maand een telefonisch contact kunnen worden
geregeld.

Volledige tekst

Op grond van haar onderzoek overweegt en beslist de beroepscommissie als
volgt:

1. Inhoud van het beklag en de beslissing van de beklagcommissie:
Het beklag betreft de weigering tot het treffen van een telefoonregeling
voor
klaagster en haar gedetineerde partner.

De beklagcommissie heeft het beklag ongegrond verklaard, op de gronden
als in
de aangehechte beschikking weergegeven.

2. Standpunten van klaagster en de directeur:

Door en namens klaagster is in beroep volhard in het tegenover de
beklagcommissie ingenomen standpunt. Klaagster heeft betoogd dat zij tot
de
datum van het klaagschrift -24 april 1995 – tweemaal in de gelegenheid
is
gesteld te telefoneren met haar gedetineerde partner. Eénmaal is het gesprek
tot stand gekomen door bemiddeling van de Bureaus Sociale Dienstverlening
van
“De Schie” en “Het Sticht”,; éénmaal door tussenkomst van de dominee. Na
het
indienen van het klaagschrift is klaagster in juni -door tussenkomst van
de
humanist- nog éénmaal in de gelegenheid gesteld te telefoneren met haar
partner.
Klaagster merkt op dat het technisch wel mogelijk is om inkomende gesprekken
te ontvangen. Daartoe heeft zij gewezen op het feit dat het personeel
gesprekken van buiten -op dezelfde telefoon als die welke door de
gedetineerde wordt gebruikt- op de afdeling ontvangt.
Namens klaagster is verwezen naar de schriftelijke toelichting op het beroep.
Voorts is betoogd dat ingevolge de huisregels van “Het Sticht” de
gedetineerden alleen maar uitgaande gesprekken mogen voeren. Artikel 92a
van
de Gevangenismaatregel bepaalt echter dat de directeur gedetineerden kan
toestaan telefoongesprekken met personen buiten de inrichting te voeren.
Gesteld is dat voormelde huisregel strijdig is met het bepaalde in artikel
92a van de Gevangenismaatregel. Voorts is gesteld dat van een serieuze
inspanning van de directie tot het treffen van een telefoonregel voor
klaagster niet is gebleken. Het door de directie gestelde dat zowel “De
Schie” als “Het Sticht” dienen mee te werken aan de door klaagster beoogde
telefoonregeling werd als onjuist aangemerkt. Klaagsters partner kan immers
op tijden dat het hem vergund is te bellen, klaagster bellen. Indien de
directie van “Het Sticht” ervoor zorg kan dragen dat klaagster op dat
tijdstip klaar zit, kan het telefoongesprek plaatsvinden.

De directeur heeft volstaan met een verwijzing naar zijn tegenover de
beklagcommissie ingenomen standpunt. Voorts heeft de directeur in zijn
schriftelijke reactie op de tussenbeschikking naar voren gebracht dat voor
gedetineerden in noodsituaties de mogelijkheid bestaat om in overleg met
het
Bureau Sociale Dienstverlening contact met hun partner, indien deze eveneens
gedetineerd is, op te nemen. Het opzetten van een extra telefoonregeling
voor
iedere gedetineerde naast de reeds bestaande verhoogt de werkdruk voor
het
personeel evenredig.
Klaagster heeft reeds verschillende malen, te weten op 16 en 24 maart 1995,
15 mei 1995 en 23 juni 1995, telefonisch contact gehad met haar gedetineerde
partner en broer.
Met de broer bestaat wel een belregeling omdat de inrichting alwaar hij
verblijft de mogelijkheid heeft om inkomende gesprekken voor gedetineerden
te
ontvangen.

Voorts bestaat voor klaagster de mogelijkheid om buiten reguliere
bezoekregeling haar kinderen te ontvangen. Klaagster krijgt derhalve alle
mogelijke medewerking vanuit de inrichting om contact met haar partner
en
kinderen te onderhouden.

3. Beoordeling:

Artikel 92a van de Gevangenismaatregel bepaalt onder meer dat de directeur
een gedetineerde kan toestaan telefoongesprekken met personen buiten de
inrichting te voeren. Genoemd artikel geeft derhalve de directeur een
discretionaire bevoegdheid ten aanzien van het al dan niet toestaan van
de
telefoongesprekken. In de huisregels van de p.i.- en “Het Sticht” te Utrecht
is voormelde bepaling nader uitgewerkt. Deze huisregels bepalen onder meer
dat het voor gedetineerden alleen mogelijk is uitgaande gesprekken te voeren;
het is niet mogelijk inkomende gesprekken te ontvangen.

Het voormelde in het “Het Sticht” gevoerde beleid acht de beroepscommissie
in
beginsel niet in strijd met artikel 92a van de Gevangenismaatregel. Echter,
de beroepscommissie stelt vast dat het in het onderhavige geval onverkort
toepassen van voormelde huisregel ertoe leidt dat er -behoudens wanneer
een
van de geestelijke verzorgers bereid en in staat is incidenteel een
voorziening te treffen -geen enkel contact mogelijk is tussen klaagster
en
haar gedetineerde partner.
Onder deze omstandigheden komt de beslissing van de directeur om klaagster,
bij wijze van uitzondering op de algemene beleidsregel, geen toestemming
te
geven om van haar eveneens gedetineerde partner een inkomend gesprek te
mogen
ontvangen de beroepscommissie als onredelijk en onbillijk voor. Zij is
van
oordeel dat in dit speciale geval -te weten echtgenoten of vaste partners
die
beiden gedetineerd zijn -één of twee keer per maand een telefonisch contact
moet kunnen worden geregeld. Dat de werkdruk dit niet zou toestaan, is
niet
aannemelijk geworden. Hetgeen de directeur overigens nog in zijn
schriftelijke toelichting naar voren heeft gebracht, doet aan het
vorenstaande niet af.

4. Beslissing:
De beroepscommissie verklaart het beroep gegrond, vernietigt de beschikking
van de beklagcommissie en verklaart het beklag alsnog gegrond.

Zij verstaat dat haar voorzitter in overleg met de directeur zal nagaan
of
enige compensatie, als bedoeld in artikel 57 lid 3 van de Beginselenwet
gevangeniswezen mogelijk is.

Rechters

mr C.J.G. Bleichrodt, voorzitter, mrs. Halbertsma en Van Staveren

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 7 december 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Geïntimeerde vorderde in eerste aanleg een voorschot op de schadevergoeding
wegens seksueel misbruik toen zij minderjarig was door H. De rechtbank heeft ƒ
2000 toegewezen. In hoger beroep wordt deze uitspraak bevestigd met
uitvoerige verwijzing naar de aspecten die van belang zijn voor de
beoordeling van de omstandigheden.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Appellant, T is bij exploit van 14 december 1994 in hoger beroep gekomen
van de vonnissen die door de arrondissementsrechtbank te Almaar onder
rolnummer 200/1991 zijn gewezen en die zijn uitgesproken op 13 mei en op 6
oktober 1994, met dagvaarding van geïntimeerde, E, voor dit hof.

1.2. Appellant heeft bij memorie drie grieven tegen het vonnis van 6 oktober
1994 aangevoerd met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis
van 6 oktober 1994 zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende de vordering van
E alsnog zal afwijzen, althans zal toewijzen tot een in goede justitie vast
te stellen bedrag, en haar te veroordelen in de kosten in beide instanties.

1.3. Geïntimeerde heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden
met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof:
primair: T niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen;
subsidiair: het vonnis van 6 oktober 1994 zal bekrachtigen,
met veroordeling van T in de kosten van -naar het hof begrijpt- het hoger
beroep.

1.4. Tenslotte zijn de gedingstukken in eerste aanleg en in hoger beroep,
waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, voor het wijzen van arrest aan het
hof overgelegd.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Waarvan het hof uitgaat

De rechtbank heeft in het vonnis van 1 oktober 1992, onder 1, 2 en 3, eerste
vier zinnen, een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is
niet in het geding, zodat ook het hof van dat een en ander zal uitgaan.

4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

Nu T geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van 13 mei 1993 waarvan
beroep is hij in zijn hoger beroep daartegen niet ontvankelijk.

5. Behandeling van het hoger beroep

5.1. In dit geding gaat het om het navolgende. T heeft met E -geboren op 15
augustus 1967- in het tijdvak 1967-1978 gedurende vijftien logeerpartijen van
E bij T, ontuchtige handelingen gepleegd en gemeenschap gehad. Door dat
onrechtmatig handelen van T heeft E materiële en immateriële schade geleden.
Partijen verschillen van mening omtrent de omvang van de schadevergoeding.

5.2. Uitgangspunt van het ten dezen toepasselijke artikel 1407 lid 2 (oud) BW
is dat het aan E toekomende bedrag tot vergoeding van de schade door de
rechter wordt vastgesteld naar gelang van de wederzijdse stand en de fortuin
der partijen, en naar de omstandigheden.

5.3. De grieven hebben betrekking op de toepassing van het criterium van ‘de
wederzijdse stand en de fortuin der personen’. Voorts is volgens T van belang
de ‘omstandigheid’ dat E van een andere persoon die haar tijdens haar
minderjarigheid seksueel heeft misbruikt slechts ƒ 1500 heeft gevorderd
omdat uit het deskundigenrapport niet blijkt in welke mate de handelingen van
T hebben bijgedragen tot de door de deskundige vastgestelde psychische schade
bij E in verhouding tot de handelingen van die andere persoon.

5.4. E bestrijdt de omvang van de inkomsten en de schulden van T niet, zodat
het hof daarvan zal uitgaan. Mitsdien staat vast dat zowel E als T slechts
over geringe financiële middelen beschikken.

5.5. Bij de beoordeling van de omstandigheden zijn voorts de navolgende
aspecten van belang:
1. de duur van en de wijze waarop het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden;
2. de leeftijd van het slachtoffer van het seksueel misbruik;
3. de verhouding tussen de pleger en het slachtoffer van het seksueel
misbruik;
4. de aard en de ernst van het psychisch en/of lichamelijk letsel;
5. de te verwachten duur van het psychisch en/of lichamelijk letsel;
6. de mate van schuld van de pleger van het seksueel misbruik;
7. de houding van de pleger van het seksueel misbruik nadien.

5.6. Nu de grieven zich niet richten tegen de inhoud van het psychiatrisch
rapport van 26 juli 1993 van de deskundige J. Hage, noch tegen het overnemen
door de rechtbank van zijn bevindingen en de conclusie zal het hof bij de
beoordeling van die omstandigheden ook daarvan uitgaan.

5.7. Ad 1 en 2. Het seksueel misbruik heeft zich uitgestrekt over een tijdvak
van ongeveer twee jaren, te weten vanaf het negende tot het elfde levensjaar
van E, terwijl zij, op uitnodiging van T, bij deze logeerde. Er is daarbij
sprake geweest van zowel ontuchtige handelingen als van volledige
gemeenschap.
Ad 3. T heeft misbruik gemaakt van het overwicht dat hij, als kennis van de
ouders van E en als meer dan twintig jaar oudere man, op E had. T heeft
daardoor ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat E en haar ouders in T
hadden.
Ad 4 en 5. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat E zeer ernstige,
vooral psychische, schade heeft ondervonden en thans nog ondervindt, alsmede
dat niet valt te voorzien of zij daarvan zal kunnen herstellen, en zo ja,
wanneer.
Ad 6. Niet is gebleken dat de onrechtmatige gedragingen van T jegens E niet
geheel aan hem kunnen worden toegekend. Het door T te betalen bedrag dient
derhalve alleen ter vergoeding voor de handelingen die door hem zijn
gepleegd.
Ad 7. T heeft weliswaar het door hem gepleegde misbruik van E erkend, doch
uit de verklaringen door T tegenover de politie afgelegd en uit hetgeen in
dit geding door hem wordt aangevoerd blijkt evenwel dat zijn houding niet
bijdraagt tot verwerking van het gebeurde door E.

5.8. De wederzijdse stand en de fortuin der partijen en alle omstandigheden
in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het door de rechtbank
vastgestelde bedrag van ƒ 15 000 aan immateriële schadevergoeding juist is.
Mede gelet op het voor beslag gevrijwaarde deel van het inkomen van T blijkt
niet dat hij daardoor in financiële nood komt te verkeren. Ook het bedrag van
ƒ 348 wegens materiële schade is toewijsbaar. T heeft daartegen geen
specifieke grief aangevoerd.

5.9. Aan het vorenstaande zij nog toegevoegd dat Grief I, voor zover het
vonnis van 6 oktober 1994 spreekt van een WAO-uitkering, terecht is
opgeworpen, maar dat zulks niet leidt tot vernietiging van dat vonnis, nu de
hoogte van de uitkeringen die T ontvangt -aanvankelijk WWV en thans bijstand-
niet minder is dan de hoogte van de door de rechtbank aangenomen
WAO-uitkering.

5.10. Grief III richt zich tevens tegen het door de rechtbank vastgestelde
griffierecht en de procureurskosten. Anders dan T stelt zijn deze juist
berekend. Nu T slechts bereid was een bedrag van ƒ 1500 als
schadevergoeding aan E te voldoen was deze genoodzaakt tot het aanspannen van
het geding in eerste aanleg. Het is onder die omstandigheden terecht dat T
als in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij in de kosten van die
procedure wordt veroordeeld.

5.11. Op grond van het hiervoor overwogene treft geen der opgeworpenen
grieven doel.

6. Samenvatting en slotsom

Nu alle grieven falen moet het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het
oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd. De kosten in het hoger
beroep komen voor T nu hij aldaar in hoofdzaak in het ongelijk is gesteld.

7. Beslissing

Het Hof:

a. verklaart T niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 13
mei 1993;

b. bekrachtigt het vonnis van 6 oktober 1994;

c. veroordeelt T in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde
van E tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1585 (eenduizend vijfhonderd
vijfentachtig gulden).

Rechters

Mrs Cremers, Stille en Van Hartingsveldt

Instantie: Kantonrechter Gouda, 7 december 1995

Instantie

Kantonrechter Gouda

Samenvatting


Werkgeefster vraagt om de arbeidsovereenkomst met het hoofd van de afdeling
fysiotherapie te ontbinden omdat hij regelmatig een ergotherapeute seksueel
heeft lastiggevallen. Volgens de werknemer heerste op de afdeling een losse
sfeer, waarbij het geregeld voorkwam dat men elkaar aanraakte, in de nek
beetpakte, een arm om elkaar sloeg en dergelijke.
De kantonrechter meent dat nu beide partijen van oordeel zijn dat een
vruchtbare samenwerking tussen hen niet meer mogelijk is, het verzoek tot
ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden toegewezen.
Vaststaat, volgens de kantonrechter, dat X zich gedurende langere tijd
ontoelaatbare vrijheden heeft gepermitteerd tegenover de ergotherapeute,
terwijl tevens vaststaat dat zulks door mevrouw niet op prijs werd gesteld.
Zij heeft echter onvoldoende laten blijken dat zij dit gedrag onacceptabel
vond. Desondanks is het gedrag van X daarmee niet te excuseren.
X is vijftien jaar in dienst geweest bij de stichting en heeft overigens
uitstekend gefunctioneerd. De kantonrechter is van mening dat werkgeefster
onvoldoende heeft geprobeerd de werkrelatie tussen X en de ergotherapeute te
herstellen en zij heeft de werknemer niet de kans gegeven zich behoorlijk te
verweren. Bovendien heeft de werkgeefster het advies van de arbeidsinspectie
om beleid op te stellen ter zake van seksuele intimidatie naast zich
neergelegd. Mede daarom is de klacht niet eerder aan het licht gekomen, dus
te wijten aan het gedrag van de werkgeefster. Het had voor de hand gelegen
dat de werkgeefster had volstaan met een ernstige waarschuwing.
Met inachtneming van de omstandigheid dat de toekomstperspectieven van de
fysiotherapeut somber zijn en hem ook laakbaar gedrag is te verwijten, matigt
de rechter de vergoeding tot ƒ 45 000.

Volledige tekst

De procedure
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 7 september 1995,
heeft verzoekster de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst met
verweerder ex artikel 7A: 1639w BW te ontbinden.
Verweerder heeft op 24 oktober 1995 een verweerschrift ingediend.
Op 27 oktober 1995 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek
plaatsgevonden. Aanwezig waren verzoekster vertegenwoordigd door G.J.
Blankenmeyer, M.O. Hogerwerf, bijgestaan door mr. C.F. van Delft en
verweerder in persoon bijgestaan door mr. M.K. Struwe.

2. Overwegingen
2.1. Tussen partijen – verder te noemen de Stichting respectievelijk X –
staat mede gelet op de door de partijen overgelegde produkties en al hetgeen
zij bij de mondelinge behandeling hebben aangevoerd, als niet of onvoldoende
weersproken het volgende vast:
a. X is op 1 september 1980 als fysiotherapeut bij de Stichting in dienst
getreden. Sinds 1 januari 1982 is X hoofd van de afdeling fysiotherapie. Het
salaris van X bedraagt thans ƒ 5670 bruto per maand. X is 42 jaar oud.
b. Bij de Stichting is als ergo-therapeute werkzaam mevrouw T. Op 2 augustus
1995 heeft mevrouw T zich bij de Stichting beklaagd over seksuele intimidatie
door X. Op verzoek van de Stichting heeft zij haar klacht bij brief d.d. 5
augustus 1995 (produktie 1 bij het verzoekschrift) toegelicht.
c. Naar aanleiding van de onder b bedoelde klacht is X op 8 augustus 1995
door de directie van de Stichting in aanwezigheid van het hoofd P & O
gehoord. Van de onder b bedoelde brief van mevrouw T heeft X toen geen kennis
genomen. Op aandrang van de Stichting heeft X vrije dagen opgenomen tot 11
augustus 1995, toen zijn reeds geplande vakantie aanving.
d. Op 14 augustus 1995 heeft het managementteam van de Stichting de tegen X
ingediende klacht van mevrouw T besproken. In die vergadering is besloten dat
het dienstverband met X diende te worden beëindigd.
e. Bij brief d.d. 24 augustus 1995 (produktie 2 bij het verzoekschrift) heeft
de Stichting haar besluit om te komen tot beëindiging van de
arbeidsovereenkomst schriftelijk aan X bevestigd en voorts X in de
uitoefening van zijn functie geschorst. X heeft zich terzake van de schorsing
op 6 september 1995 kunnen verantwoorden, waarna de Stichting de schorsing
heeft gehandhaafd. Bij die gelegenheid heeft X voorts kunnen reageren op de
hem inmiddels verstrekte brief van mevrouw T. d.d. 5 augustus 1995 bedoeld
onder b.
2.2. De Stichting verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst primair op
grond van dringende redenen subsidiair op grond van zodanige verandering in
de omstandigheden dat de dienstbetrekking billijkheidshalve direct of op
korte termijn behoort te eindigen. De Stichting motiveert haar verzoek nader
als volgt.
De Stichting heeft op 8 augustus 1995 mevrouw T bijgestaan door haar
vertrouwenspersoon (een maatschappelijk werkster in dienst van verzoekster)
gehoord, naar aanleiding van haar tegen X gerichte klacht terzake van seksuele
intimidatie. Mevrouw T heeft naar voren gebracht dat de incidenten met X
tegen haar uitdrukkelijke wil hebben plaats gevonden en dat zij deze als zeer
bedreigend en vernederend heeft ervaren. Zij heeft haar onwil herhaalde malen
kenbaar gemaakt aan X.
In het daaropvolgende gesprek met X (bedoeld onder 2.1 c) is X geconfronteerd
met de tegen hem ingediende klacht wegens seksuele intimidatie. X noemde toen
uit eigener beweging de naam van mevrouw T. Hij heeft toegegeven dat hij
mevrouw T tegen haar wil heeft lastig gevallen door herhaalde malen avances
te maken en haar op verschillende plaatsen van haar lichaam vast te pakken,
hetgeen tijdens het werk heeft plaats gevonden. X heeft daarbij te kennen
gegeven zich niet bewust te zijn geweest dat zijn handelingen door mevrouw T
als bedreigend werden ervaren en bij haar afkeer hebben opgeroepen. X heeft
voorgesteld mevrouw T zijn excuses aan te bieden en haar te beloven dat geen
herhaling zou plaats vinden.
In de vergadering van het managementteam op 14 augustus 1995 (zie onder 2.1
d) is vastgesteld dat het gedrag van X niet getolereerd kan worden en dat
daarom de arbeidsovereenkomst met X dient te worden beëindigd. Dat is – aldus
het oordeel van het managementteam – te meer het geval daar de seksuele
intimidatie zich gedurende een lange periode heeft afgespeeld alsmede het
feit dat X als afdelingshoofd gebruik heeft gemaakt van de omstandigheid dat
hij en mevrouw T op het werk met elkaar te maken hebben.
Beëindiging van de arbeidsovereenkomst is ook daarom onvermijdelijk omdat bij
de Stichting de werkzaamheden niet zodanig kunnen worden georganiseerd dat
contact tussen X en mevrouw T wordt vermeden. Voor mevrouw T is het een
onoverkomelijke gedachte om weer met X te worden geconfronteerd. Zij is
daarom ook niet bereid tot een gesprek met X. Mevrouw T is ernstig van slag
en overweegt professionele hulp te zoeken. Zij heeft zich – naar de Stichting
bij de mondelinge behandeling heeft gesteld – onder behandeling van het Riagg
gesteld.
2.3. X voert het volgende verweer.
In het onder 2.1. c bedoelde onderhoud van 8 augustus 1995 is aan X
meegedeeld dat tegen hem een klacht over seksuele intimidatie was ingediend. X
was perplex en heeft gevraagd of de klacht afkomstig was van mevrouw T,
hetgeen hem is bevestigd. X stelt dat hij mevrouw T meerdere keren op een
speelse manier heeft aangeraakt bij haar nek en haar benen doch deze
aanraking nooit heeft bedoeld als seksuele intimidatie. X heeft het altijd
gezien als een spel. Opmerkingen van mevrouw T zoals `we zouden dat toch niet
meer doen’ zijn door X niet onderkend als serieus bedoeld. X heeft aan de
Stichting zijn spijt betuigd en gevraagd om hem in de gelegenheid te stellen
met mevrouw T de zaak uit te spreken en haar excuses aan te bieden.
X merkt verder op dat hij weleens met mevrouw T heeft gestoeid. Hij pakte
haar dan beet en tilde haar op. Dit dient echter te worden gezien in het
licht van de losse sfeer op de afdeling, waarbij het geregeld voorkwam dat
men elkaar aanraakte, in de nek beetpakte, een arm om elkaar sloeg en
dergelijke. X heeft het altijd bijzonder goed met mevrouw T kunnen vinden en
nooit gemerkt dat zij bang voor hem zou zijn.
X verwijt de Stichting dat zij jegens hem zeer onzorgvuldig te werk is
gegaan. X heeft eerst na zijn schorsing kunnen reageren op de brief van
mevrouw T. d.d. 5 augustus 1995 (zie onder 2.1 b). De Stichting heeft
onvoldoende zorgvuldig onderzocht wat precies is voorgevallen. X is ervan
overtuigd dat een gesprek tussen hem en mevrouw T eventueel in aanwezigheid
van de directie van de Stichting, een oplossing had kunnen brengen. X stelt
voorts nog dat de Stichting een advies van de arbeidsinspectie naast zich
neergelegd heeft om schriftelijk beleid op te stellen met betrekking tot
seksuele intimidatie op de werkvloer. X sluit niet uit dat hij de dupe wordt
van het ontbreken van een behoorlijke klachtenregeling.
Mede gelet op het lange dienstverband van X en de uitstekende wijze waarop
hij heeft gefunctioneerd, had de Stichting in de gegeven omstandigheden
kunnen volstaan met een ernstige waarschuwing dat bij herhaling ontslag zou
volgen.
Inmiddels is de vertrouwensrelatie tussen partijen onherstelbaar verstoord
geraakt, omdat veel collega’s van X door roddel en achterklap op de hoogte
zijn van de kwestie. X refereert zich daarom aan de gevraagde ontbinding. X
is van oordeel dat daarbij aan hem een vergoeding moet worden toegekend van
in totaal ƒ 385 000 bruto terzake van loonderving, kosten van outplacement of
omscholing en pensioenschade.
2.4. De kantonrechter oordeelt als volgt.
Nu beide partijen van oordeel zijn dat een vruchtbare samenwerking tussen hen
niet meer mogelijk is, hetgeen ook bij de mondelinge behandeling genoegzaam
is gebleken, dient het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst te
worden toegewezen. Terzake van de vraag of daarbij aan X een vergoeding
behoort te worden toegekend, wordt het volgende overwogen.
Vaststaat dat X zich gedurende langere tijd (volgens bovenbedoelde brief van
mevrouw T vanaf medio september 1994) ontoelaatbare vrijheden heeft
gepermitteerd tegenover mevrouw T in de vorm van fysieke aanrakingen zoals
het meermalen beetpakken van mevrouw T bij haar nek of haar benen en het
(incidenteel) omhelzen van mevrouw T, terwijl tevens vast staat dat zulks
door mevrouw T niet op prijs werd gesteld. Mevrouw T heeft dat ook aan X
(willen) laten blijken, doch de kantonrechter acht onvoldoende aannemelijk
dat de door mevrouw T afgegeven signalen (`we zouden dat toch niet meer
doen’) X deden beseffen dat zijn gedrag door mevrouw T als intimiderend werd
ervaren.
Het voorgaande dat ook dan het gedrag van X niet valt te excuseren. Dit geldt
temeer nu X een leidinggevende functie vervult zulks in tegenstelling tot
mevrouw T waaraan niet afdoet dat X niet de direct leidinggevende van mevrouw
T is. Niettemin acht de kantonrechter het aan X te maken verwijt van
onvoldoende gewicht om zijn gedrag als een dringende reden te kwalificeren,
waartoe het volgende in aanmerking wordt genomen.
X is 15 jaar bij de Stichting in dienst en heeft overigens – naar X bij de
mondelinge behandeling onweersproken heeft gesteld – uitstekend
gefunctioneerd. Bij herstel van een normale werkverhouding tussen X en
mevrouw T had het voor de hand gelegen dat de Stichting dan zou hebben
volstaan met een ernstige waarschuwing aan het adres van X. De Stichting
heeft zich echter onvoldoende ingespannen om te onderzoeken of de verhouding
tussen X en mevrouw T viel te normaliseren, met name doordat de Stichting
zich heeft neergelegd bij de mededeling van mevrouw T dat zij een gesprek met
X, zoals X voorstelde, niet aandurfde, ook niet in aanwezigheid van de
directie.
Verder valt de Stichting te verwijten dat zij bij haar beslissing om het
dienstverband met X te beëindigen, niet voldoende zorgvuldig te werk is
gegaan. De Stichting heeft op 8 augustus 1995 X immers gehoord naar
aanleiding van de klacht van mevrouw T zonder evenwel aan X inzage te
verstrekken van de brief van mevrouw T d.d. 5 augustus 1994, zodat X zich
niet behoorlijk heeft kunnen verweren. De besluitvorming met betrekking tot
beëindiging van X dienstbetrekking heeft vervolgens plaats gevonden in de op
14 augustus 1995 gehouden vergadering van het managementteam, echter zonder
dat X alsnog daartoe behoorlijk in de gelegenheid was gesteld om op de brief
van mevrouw T te reageren.
Verder is door X onweersproken gesteld dat de Stichting een advies van de
arbeidsinspectie naast zich neer gelegd heeft om beleid op te stellen met
betrekking tot de behandeling van seksuele intimidatie.
Niet valt uit te sluiten dat – als dit advies wel zou zijn opgevolgd – het
gedrag van X in een veel eerder stadium aan het licht zou zijn gekomen. De
escalatie waartoe het gedrag van X nu heeft geleid, is daarom mede toe te
schrijven aan de nalatigheid op dit punt van de Stichting zelf.
Hoewel de verandering in omstandigheden primair het gevolg is van het
laakbare gedrag van X zelf, wordt een gematigde vergoeding op zijn plaats
geacht gelet op de hiervoor weergegeven verwijten die aan de Stichting zijn
te maken. Naast de duur van het dienstverband de hoogte van het salaris en de
overigens positieve wijze waarop X heeft gefunctioneerd, neemt de
kantonrechter daarbij nog in aanmerking dat de toekomstperspectieven voor X
zeer somber zijn. Naar hij onweersproken heeft gesteld bij de mondelinge
behandeling valt niet te verwachten dat hij als fysiotherapeut weer aan het
werk zal komen. Het voorgaande afwegend, acht de kantonrechter een vergoeding
van ƒ 45 000 bruto passend.
De kantonrechter deelt daarom nu partijen mede dat hij voornemens is ter
terechtzitting 21 december 1995 als volgt te beslissen:
`Stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen partijen gesloten
arbeidsovereenkomst, per 1 januari 1996 te ontbinden, op grond van een
verandering in de omstandigheden, met toekenning van ƒ 45 000 bruto aan X.
Compenseert de kosten van de procedure zo dat beide partijen de eigen kosten
dragen’.

3. De beslissing:
Stelt de Stichting tot 21 december 1995 in de gelegenheid haar verzoek in te
trekken.
Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr. G.H.I.J. Hage

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 7 december 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


P wordt als gevolg van het niet toepassen van het geldende voorkeursbeleid
door de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de UvA afgewezen voor een
functie. De rechtbank stelde vast dat de UvA hiermee onrechtmatig heeft
gehandeld, maar kent geen schadevergoeding toe. In hoger beroep stelt P dat
ten onrechte `de Europese regelgeving’ op dit punt niet is toegepast en eist
alsnog immateriële en materiële schadevergoeding, op te maken bij
schadestaat-procedure. Het Hof Amsterdam oordeelt dat zij, in beginsel, recht
heeft op schadevergoeding volgens de maatstaven van het van toepassing zijnde
Nederlandse recht. Onder `inachtneming van alle omstandigheden van het geval’
wijst het hof immateriële schadevergoeding af. De materiële schade wordt
begroot op de kosten gemaakt bij de Commissie gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. Het procesverloop
Bij dagvaarding van 13 september 1993 is appellante, hierna ook P te noemen,
in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de Arrondissementsrechtbank te
Amsterdam onder rolnummer H 91.0154 op 14 juli 1993 gewezen heeft tussen
appellante als eiseres en geïntimeerde als gedaagde.
Bij memorie van grieven heeft P drie grieven aangevoerd tegen het vonnis,
onder overleggen van producties. Zij heeft geconcludeerd, zo begrijpt het Hof
haar conclusie, dat het Hof aan P een smartegeld toekent, dat qua omvang niet
onderdoet voor de wijze waarop vergelijkbare nationale verplichtingen worden
gesanctioneerd, dat haar een aanzienlijke materiële en immateriële
schadevergoeding wordt toegekend en dat zij hetzij in een
schadestaatprocedure de schade nader mag preciseren hetzij hiertoe bij akte
in de gelegenheid wordt gesteld. Het Hof begrijpt dat P hiermee tevens
concludeert tot vernietiging van het vonnis. P concludeert tevens dat
geïntimeerde, hierna ook te noemen de Universiteit, in de kosten van beide
instanties wordt veroordeeld.
De Universiteit heeft bij memorie van antwoord, onder het overleggen van
producties, de grieven bestreden. Zij heeft in incidenteel appel een grief
tegen het vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het Hof het vonnis zal
vernietigen voor zover de rechtbank daarbij heeft verklaard dat de
Universiteit onrechtmatig heeft gehandeld en de vordering van P zal afwijzen,
althans het vonnis zal bekrachtigen voorzover daarin de vordering tot
vergoeding van schade wordt afgewezen, kosten rechtens.
P heeft vervolgens als incidenteel geïntimeerde geconcludeerd dat het Hof het
vonnis in stand zal laten voorzover het bepaalt dat incidenteel appellante
jegens incidenteel geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld, kosten
rechtens.
Partijen hebben ten slotte de stukken van het geding in beide instanties
overgelegd voor het wijzen van arrest.
2. De grieven
In principaal appel zijn de volgende grieven aangevoerd:
Ten onrechte en zonder nadere motivering heeft de Rechtbank terzake van haar
overwegingen inzake materiële en immateriële schade de Europese regelgeving
en rechtspraak buiten beschouwing gelaten.
Ten onrechte komt de Rechtbank, na eerst vastgelegd te hebben dat de UvA P
heeft gediscrimineerd, jegens P onrechtmatig heeft gehandeld en in beginsel
aansprakelijk is voor de daaruit voor P voortvloeiende schade, in r.o. 7 t/m
11 tot de conclusie dat er geen materiële en immateriële schade is geleden
door P.
Ten onrechte negeerde de Rechtbank het verzoek van P tot een
schadestaatprocedure.
In incidenteel appel is als grief aangevoerd, samengevat, dat de Rechtbank
ten onrechte geoordeeld heeft dat de Universiteit onrechtmatig gehandeld
heeft door het, in r.o. 4 van het vonnis samengevatte, verweer van de
Universiteit in r.o. 5 te verwerpen.
3. Beoordeling van het hoger beroep
3.1. Geen grieven zijn aangeroerd tegen de feiten, zoals de Rechtbank die in
het vonnis in r.o. 1, onder a tot en met m, heeft vastgesteld.
Het Hof gaat eveneens uit van die feiten.
3.2. Als het verst strekkend zal het Hof eerst het incidenteel appel
behandelen.
De interne vacaturemelding luidde:
De faculteit der Rechtsgeleerdheid vraagt ten behoeve van de Werkgroep
Rechtsinformatica een Informaticus (m/v), voor 38 uur per week.
Taken o.a.:
– het zelfstandig en in teamverband onderzoek doen naar (methoden voor) de
ontwikkeling van A.I. toepassingen in het recht.
Functie-eisen o.a.:
– voltooide studie informatica c.q. een der sociale wetenschappen (cognitieve
psychologie) met een substantiële AI-component
– onderzoekservaring op het terrein van de artificiële
intelligentie/expertsystemen is gewenst
– affiniteit met de juridische discipline strekt tot aanbeveling
– tenminste 4 relevante onderzoeksjaren
– goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheden in de
Nederlandse en Engelse taal.
– een onderzoeksprestatie, die de verwachting wettigt dat binnen 2 jaar een
dissertatie of daarmee gelijk te stellen onderzoekspublicaties zal/zullen
worden afgerond.
Het onderzoeksteam bestaat uit 5 leden wetenschappelijk personeel en een
part-time hoogleraar.
Aanstelling zal geschieden als toegevoegd onderzoeker. Het salaris bedraagt
minimaal ƒ 3209 en maximaal ƒ 6065 bruto per maand.
Ook zij die niet voldoen aan alle eisen, maar wel voor de functie in
aanmerking denken te komen, worden uitgenodigd te solliciteren. Aanstelling
zal dan geschieden als toegevoegd assistent onderzoeker. Het salaris bedraagt
dan minimaal ƒ 3051 en maximaal ƒ 4.115,= bruto per maand.
Voor deze functie zal in eerste instantie onder de groep van vrouwelijke
sollicitanten geselecteerd worden.
Allereerst worden reacties van voorrang genietende sollicitanten in
behandeling genomen.
Lezing van deze tekst kan niet anders dan de indruk wekken, dat het hier om
een vacature gaat; P kan in elk geval niet verweten worden dat zij die tekst
aldus heeft opgevat. P mocht derhalve op beoordeling van haar sollicitatie
voor beide aanstellingsmogelijkheden in het licht van het tussen partijen
vaststaande voorkeursbeleid rekenen. In elk geval en mede in het licht van
het door de Universiteit erkende feit, dat P in grote lijnen aan de functie
van toegevoegd assistent onderzoeker voldeed, moet worden vastgesteld, dat de
Universiteit in strijd met het bedoelde beleid gehandeld heeft door P niet te
benoemen. Jegens P, die op toepassing van dit beleid mocht rekenen, is dit
handelen onrechtmatig. De incidentele grief faalt derhalve.
3.3. In het principale appel moet er van worden uitgegaan dat de Universiteit
onrechtmatig jegens P heeft gehandeld. In beginsel heeft P dus recht op
schadevergoeding. In haar eerste grief betoogt P, dat de Rechtbank `de
Europese regelgeving en rechtspraak’ in haar beschouwing had moeten
betrekken. Deze grief faalt. Op grond van de jegens haar begane onrechtmatige
daad heeft zij, in beginsel, recht op schadevergoeding volgens de maatstaven
van het van toepassing zijnde Nederlandse recht. Voor zover enige Europese
richtlijn, zoals de door P aangehaalde richtlijn 76/207 eist dat
schadevergoeding bij ongelijke behandeling `doeltreffend en afschrikwekkend’
moet zijn, wordt hiermee niet een recht aan het slachtoffer rechtstreeks
gegeven.
In elk geval, en ook al zou het voorgaande uitgangspunt anders zijn, dan nog
dient de schadevergoeding met inachtneming van alle omstandigheden van het
geval te worden vastgesteld. Een `aanzienlijke schadevergoeding’ zoals door P
gevorderd zal slechts toewijsbaar zijn als de concrete omstandigheden daartoe
aanleiding geven. Dit is de enige maatstaf, die het Hof relevant en
toepasbaar acht.
In grief 2 stelt P, dat de Rechtbank het handelen van de Universiteit
onrechtmatig oordelend, ten onrechte niet tot toewijzing van schadevergoeding
is gekomen.
De Rechtbank heeft terecht de vordering tot immateriële schadevergoeding
afgewezen. Het worden afgewezen in een sollicitatie is zonder twijfel
onaangenaam voor de betrokken sollicitant en, wanneer deze mocht menen goede
kansen op benoeming te hebben, zelfs zeer onaangenaam. Dit betekent echter
nog niet dat er van een dusdanige inbreuk op iemands persoonlijke levenssfeer
sprake is dat er naar de maatstaven van het toen geldende recht – terecht
stelt de Universiteit dat het geschil naar het recht van voor 1 januari 1992
beoordeeld moet worden – aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding
toe te wijzen.
De door P gevorderde materiële schade is echter toewijsbaar voorzover het de
kosten betreft die zij heeft moeten maken bij de Commissie Gelijke
Behandeling. Deze kosten staan in voldoende verband met het onrechtmatig
handelen van de Universiteit om voor vergoeding in aanmerking te komen. De
gevorderde toekomstige inkomensschade is te speculatief om als schade
toewijsbaar te zijn; dat urenverlies voor P schade heeft opgeleverd, is door
haar op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt en komt ook los daarvan het Hof
onaannemelijk voor. Door middel van de hierna te noemen kostenveroordeling
zal P vergoeding krijgen voor de kosten van de onderhavige procedure in beide
instanties.
In zoverre wordt de tweede grief dus terecht voorgedragen.
Grief 3 faalt. Voor het vaststellen van de omvang van de schade is een
schadestaatprocedure niet nodig. Voorzover P bedoelt aan te voeren, dat in
een schadestaatprocedure de grondslag van de verplichting tot
schadevergoeding aan de orde zou kunnen komen, miskent zij het karakter van
de schadestaatprocedure.
4. Samenvatting en slotsom
Het incidenteel beroep wordt verworpen. In het principaal appel slaagt grief
2, voorzover daarin geklaagd wordt, dat P haar kosten bij de Commissie
Gelijke Behandeling niet toegewezen gekregen heeft. P zal in staat gesteld
worden zich bij akte over die kosten uit te laten en daarbij de betreffende
rekeningen en andere justificatoire bescheiden over te leggen. De
Universiteit krijgt dan de gelegenheid daarop bij antwoord-akte te reageren.
Aangezien P, alles in aanmerking nemend, als de partij beschouwd moet worden
die het meest in het gelijk gesteld is nu het incidentele appel verworpen
wordt en zij, anders dan in eerste instantie, schadevergoeding toegewezen
krijgt, zal de Universiteit bij het eindarrest in de kosten van het geding in
beide instanties veroordeeld worden.
Het vonnis moet derhalve vernietigd worden.
5. De beslissing
Het Hof:
vernietigt het vonnis tussen partijen op 14 juli 1993 door de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder rolnummer H 91.0154 gewezen;
verwijst de zaak naar de rol van 11 januari 1996 voor het nemen van een akte
door P als onder 4 overwogen;
bepaalt dat tegen dit arrest geen beroep in cassatie kan worden ingesteld dan
alleen tegelijk met het eindarrest;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Noot
Misschien is het wel beter een procedure te verliezen dan op een manier in
het gelijkgesteld worden zoals het P geschiedt. Immers, nadat haar om
discriminatoire redenen een baan wordt ontzegd door een werkgever die zich
laat voorstaan op zijn voorkeursbeleid voor vrouwen, resteert haar een
`schadevergoeding’ die maakt dat ze terugkeert naar het punt waar ze al stond
voordat ze besloot het recht in de hand te nemen. De gemaakte kosten voor de
Commissie gelijke behandeling worden vergoed, afgezien van het detail dat een
procedure bij de Commissie in principe kosteloos is. Het blijft mij verbazen
hoe op basis van de geldende sociaal culturele waarden, het roepen van
anti-semitische leuzen of het weigeren van buitenlanders in discotheken, meer
dan terecht, een (strafrechtelijke) boete opleveren, terwijl het op basis van
dezelfde waarden niet eens voorstelbaar blijkt dat seksediscriminatie, als
gevolg waarvan men een baan niet krijgt, zelfs maar schade zou kunnen
opleveren. De rechter komt niet veel verder dan dat `afgewezen worden bij
sollicitatie heel onaangenaam kan zijn’.
Ligt het aan het geldende anti-discriminatierecht dat tot dergelijke
inconsistente conclusies noopt, of vertikken rechters het gewoonweg toe te
passen? De hier gepubliceerde uitspraak doet vooral het laatste vermoeden.
Hoewel de WGB als het op sancties aankomt nauwelijks aanknopingspunten biedt
en de Nederlandse onrechtmatige daad op dit punt slechts `open normen’ biedt,
is de sanctie in het Europees recht onderwerp van uitgebreide jurisprudentie.
Terecht is het beroep gebaseerd op de grief dat `de Europese regelgeving en
rechtspraak niet is toegepast’. Hoewel althans de uitspraak eufemistisch rept
van `Europese regelgeving en rechtspraak’ en `enige Europese richtlijn’, gaat
het hier om een behoorlijke waslijst. Enige specificering was wel op zijn
plaats geweest in de rechtsoverwegingen.
Allereerst is de nationale rechter onderworpen aan de algemene communautaire
norm dat een inbreuk op het EG-recht (in casu artikel 3, richtlijn 76/207) op
dezelfde wijze als vergelijkbare nationale verplichtingen dient te worden
gesanctioneerd (het zogenaamde non-discriminatievereiste). Meer in het
bijzonder houdt de plicht tot doeltreffende handhaving van de
anti-discriminatienormen op basis van artikel 6 van richtlijn 76/207 in dat:
1. `(…) measures in question should be sufficiently effective to achieve
the objective of the Directive and should be capable of being effectively
relied upon by the persons concerned before national courts.’ (Marshall II,
RN 1994, 371, m.nt. A. Veldman, r.o. 22)
2. `(…) measures must be such as to guarantee real and effective judicial
protection and have a real deterrent effect on the employer’ (Von Colson en
Kamann, JUR 1984, 1891, r.o. 23)
3. `Such requirements necessarily entail that the particular circumstances of
each breach of equal treatment should be taken into account. In the event of
discriminatory dismissal a situation of equality could not be restored
without either reinstating the victim or granting financial compensation for
the loss and damages sustained.’ (Marshall II, r.o. 25)
4. `Where financial compensation is the measure adopted (…) it must be
adequate, in that it must enable the loss and damages actually sustained as a
result of the discriminatory dismissal to be made good in full in accordance
with the applicable national rules’ (Marshall II, r.o. 26)
5. `(…) a person who has been injured as a result of discriminatory
dismissal may rely on the provisions of Article 6 of the Directive as against
an authority of the State acting in its capacity as an employer, in order to
set aside a national provision which imposes limits on the amount of
compensation’ (Marshall II, r.o. 38)
Het hof weet deze volledige jurisprudentie, als zij er al bekend mee was, op
eenvoudige wijze te liquideren. Daartoe stelt het hof: `Op grond van de
jegens haar begane onrechtmatige daad heeft (P), in beginsel, recht op
schadevergoeding volgens de maatstaven van het van toepassing zijnde
Nederlandse recht. Voorzover enige Europese richtlijn (…) eist dat
schadevergoeding bij ongelijke behandeling doeltreffend en afschrikwekkend
moet zijn, wordt hiermee niet een recht aan het slachtoffer rechtstreeks
gegeven. In elk geval, ook al zou het voorafgaande anders zijn, dan nog dient
de schadevergoeding met inachtneming van alle omstandigheden van het geval te
worden vastgesteld. (…) Dit is de enige maatstaf die het hof relevant en
toepasbaar acht.’
Het Hof Amsterdam acht het Nederlandse rechtsgoed blijkbaar van dermate hoge
standaard dat zij dit als enige maatstaf beoordeelt, afgezien van `het
rekening houden met alle omstandigheden van het geval’. Dit wordt door het
HvJ EG inderdaad genoemd in Marshall II (zie boven onder 3), maar door het
hof volledig uit zijn context gerukt. Het HvJ EG doelde hiermee op het feit
dat afhankelijk van het soort van inbreuk gekeken moet worden op welke wijze
precies een doeltreffende en afschrikwekkende sanctie kan worden geboden,
waarbij het doel uitdrukkelijk dient te zijn dat `real equality’ zoveel
mogelijk hersteld wordt (Marshall II). Ingeval van een discriminatoir ontslag
betekende dat tenminste of het ontslag ongedaan maken of `financial
compensation in full’. Nu bij de rechtbank is komen vast te staan dat P ten
onrechte niet is aangesteld, zou de sanctie op discriminatoire afwijzing van
een baan, logisch doorredenerend, of het alsnog aanstellen moeten inhouden of
`financial compensation in full’. Een volledige schadevergoeding betekent
mijns inziens dat rekening moet worden gehouden met de ontstane
inkomensderving en eventuele overige geleden schade vanwege het feit dat men,
ten onrechte, juist deze onderhavige functie en de toekomstmogelijkheden die
dat zou hebben geboden, niet heeft kunnen uitoefenen. Daarnaast volgt uit
Marshall II dat ook renteschadevergoeding geacht wordt wezenlijk onderdeel
uit te maken van de schadevergoeding (zie hierover ook Rb Utrecht 25 oktober
1995, m.nt.
. Senden in dit nummer). Uiteraard blijft het altijd moeilijk om schade,
zoals inkomensderving, te bewijzen die het gevolg is van een situatie die
zich niet heeft voorgedaan. Uit Brasserie (m.nt. L. Senden, zie dit nummer)
is echter af te leiden dat schade als gevolg van winstderving niet
uitgesloten mag worden bij inbreuk op het Europees recht. Analoog hieraan zou
gezegd kunnen worden dat ook inkomensderving niet volledig uitgesloten mag
worden. Tot slot zou, mede gelet op het feit dat als voor schadevergoeding
wordt gekozen, deze als sanctie een afschrikwekkende werking voor de
werkgever dient te hebben, de vergoeding van immateriële schade nog op zijn
plaats kunnen zijn.
Het Hof Amsterdam wijst echter het beroep op `een doeltreffende en
afschrikwekkende sanctie’ af als een maatstaf voor schadevergoeding. Dit op
grond van het feit dat aan artikel 6 van de richtlijn 76/207 geen directe
rechten zouden kunnen worden ontleend. Dit lijkt strijdig met het bepaalde in
Marshall II. Het HvJ EG geeft in dit arrest aan wat onder een doeltreffende
sanctionering moet worden verstaan en bepaalt daarop dat de rechtzoekende dit
rechtstreeks, ten overstaan van de staat of een extensie daarvan, mag
inroepen voor de nationale rechter (zie boven onder 5). Weliswaar zou men de
bedoelde rechtsoverweging van het HvJ EG absurd stringent kunnen
interpreteren, in de zin dat directe werking slechts opgaat ingeval van
discriminatoir ontslag (‘a person who has been injured as a result of
discriminatory dismissal may rely..’) of slechts wanneer de nationale
wetgeving belemmeringen opwerpt (‘in order to set aside a national provision
which imposes limits on the amount of compensation’), maar dat zou dan altijd
nog afgewogen en gemotiveerd moeten worden door de nationale rechter.
Hetzelfde geldt voor de vraag of de Universiteit van Amsterdam als extensie
van de Staat mag worden beschouwd. De UvA is geen rijksuniversiteit, maar op
grond van de zeer extensieve interpretaties op dit punt van het HvJ EG en het
feit dat de universiteit een publiek belang behartigt en door de overheid
gefinancierd wordt, had het Amsterdamse Hof hieraan toch nog zeker een half
A4-tje overwegingen moeten besteden.
En zelfs al zou het Hof Amsterdam de directe werking van artikel 6 richtlijn
76/207 in casu afwijzen, dan nog zou het niet klaar zijn geweest met de
communautaire rechtsorde waar de Nederlandse rechtsorde deel van uitmaakt, of
het Amsterdamse Hof dat nu op prijs stelt of niet. Immers, er bestaat voor de
nationale rechter ook nog de plicht tot een gemeenschapsconforme
interpretatie van het nationale recht. Ironisch genoeg, voelde het HvJ EG
zich blijkbaar gedwongen deze doctrine voor het eerst te ontwikkelen in een
arrest waarvan de feiten nagenoeg overeenkomen met die, die nu aan het
Amsterdamse Hof worden voorgelegd. In het betreffende arrest Von Colson (JUR
1984, 1891) ging het om een vrouw die op discriminatoire gronden was
afgewezen voor een functie. Het HvJ EG bepaalde dat de schadevergoeding die
op grond van het Duitse privaatrecht was toegekend en die bestond uit de
reiskosten voor de sollicitatie (7,20 DM), in strijd was met richtlijn
76/207, omdat dit geen doeltreffende en afschrikwekkende sanctie betrof. De
nationale rechter, zo vervolgde het HvJ EG, diende de betreffende bepalingen
uit het Duitse burgerlijke recht richtlijnconform te interpreteren,
overeenkomstig de daaraan gegeven uitleg in Von Colson. Gezien de grote
gelijkenis met de casus van P, lijkt het mij dat het Hof Amsterdam zich toch
geen eenduidiger aanwijzingen van het HvJ EG kon voorstellen. Het Europese
recht verplicht het hof het Nederlandse onrechtmatige-daadsrecht
gemeenschapsrechtconform te interpreteren, waarbij zij uit Von Colson kan
afleiden dat in ieder geval een `nominale vergoeding zoals een vergoeding van
reiskosten’ (JUR 1984, 1891, dictum) niet voldoet aan de vereisten die
richtlijn 76/207 stelt. Zou, nadat onrechtmatig discriminatoir handelen is
komen vast te staan, slechts een vergoeding van de kosten die men moest maken
om dit oordeel (uiteindelijk) vastgesteld te krijgen, dan wel volstaan? Nee,
dus. Zoals gezegd, een volledige schadevergoeding die zoveel mogelijk een
situatie van werkelijke gelijkheid moet herstellen, ka

n mijns inziens niet geboden worden zonder te letten op de ontstane
inkomensderving. Bovendien zou uit een gemeenschapconforme interpretatie van
het Nederlandse recht kunnen voortvloeien dat de nationale rechter ook geen
gebruik mag maken van zijn matigingsbevoegdheid nadat de schade is begroot
(zie mijn noot bij Marshall II, RN 1994, 371).
Tegen de uitspraak van het Hof Amsterdam is cassatie aangetekend. Dat biedt
een aardige `Europese’ test case voor de Hoge Raad. Het lijkt er in deze zaak
vooral op aan te komen of ons hoogste rechtscollege, anders dan het hof, het
`Dekker-syndroom’ wel te boven is. In het Dekker-arrest (RN 1991, 132)
bepaalde het HvJ EG dat `ons eigen’ Nederlandse privaatrecht voorzover dat
wordt aangewend voor de implementatie van richtlijn 76/207, uitgelegd dient
te worden op basis van communautaire normen. Aangezien dit ingeval van
Dekker, volgens de opvatting van veel privatisten, een contra-legem uitleg
van de Nederlandse onrechtmatige daad betekende, zorgde het arrest voor het
nodige ongeloof. Een ongeloof dat het Hof Amsterdam vijf jaar later blijkbaar
nog steeds niet emotioneel verwerkt heeft.
Albertine Veldman

Rechters

Mrs. Stille, Van Hartingsveldt, Bannier

Instantie: Hof Amsterdam, 7 december 1995

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Gevorderde in eerste aanleg een voorschot op de schadevergoeding wegens
seksueel misbruik door H. De rechtbank heeft ƒ 20 000 toegewezen. In hoger
beroep wordt deze uitspraak bevestigd met uitvoerige verwijzing naar de
aspecten die van belang zijn voor de beoordeling van de omstandigheden. Zie
hiervoor ook M. Warnink, Schadevergoeding bij seksueel misbruik, Ars Aequi
Libri, 1995.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellant, T., is bij exploit van 14 december 1994 in hoger beroep
gekomen van de vonnissen die door de arrondissementsrechtbank te Alkmaar
onder rolnummer 201/1991 zijn gewezen en die zijn uitgesproken op 13 mei 1993
en op 6 oktober 1994, met dagvaarding van geïntimeerde, H., voor dit hof.
1.2. Appellant heeft bij memorie drie grieven tegen het vonnis van 6 oktober
1994 aangevoerd met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis
van 6 oktober 1994 zal vernietigen, en, opnieuw rechtdoende de vordering van
H. alsnog zal afwijzen, althans zal toewijzen tot een in goede justitie vast
te stellen bedrag, en haar te veroordelen in de kosten in beide instanties.
1.3. Geïntimeerde heeft daarop bij memorie van antwoord de grieven bestreden
met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof:
primair: T. niet ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen;
subsidiair: het vonnis van 6 oktober 1994 zal bekrachtigen,
met veroordeling van T. in de kosten van – naar het hof begrijpt – het hoger
beroep.
1.4. Tenslotte zijn de gedingstukken in eerste aanleg en in hoger beroep,
waarvan de inhoud als hier ingelast geldt, voor het wijzen van arrest aan het
hof overgelegd.
2. De grieven
Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.
3. Waarvan het hof uitgaat
De rechtbank heeft in het vonnis van 1 oktober 1992 onder 1, 2 en 3, eerste
zin, een aantal feiten vastgesteld. De juistheid van die feiten is niet in
geding, zodat ook het hof van dat een en ander zal uitgaan.
4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Nu T. geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van 13 mei 1993 waarvan
beroep is hij in zijn hoger beroep daartegen niet ontvankelijk.
5. Behandeling van het hoger beroep
5.1. In dit geding gaat het om het navolgende. T heeft met H – geboren
op 7 november 1966 – in het tijdvak 1977-1980 regelmatig ontuchtige
handelingen gepleegd en in het tijdvak van 1979-1980 zeer regelmatig
gemeenschap met haar gehad. Door dat onrechtmatige handelen van T heeft H
immateriële schade geleden. Partijen verschillen van mening omtrent de omvang
van de schadevergoeding.
5.2. Uitgangspunt van het ten dezen toepasselijke artikel 1407 lid (oud) BW
is dat het aan H toekomende bedrag tot vergoeding van de schade door de
rechter wordt vastgesteld naar gelang van de wederzijdse stand en de fortuin
der partijen, en naar de omstandigheden.
5.3. De grieven hebben betrekking op de toepassing van het criterium van de
`wederzijdse stand en de fortuin der personen’. Voorts is volgens T van
belang de `omstandigheid’ dat H van een andere persoon die haar tijdens haar
minderjarigheid seksueel heeft misbruikt slechts ƒ 1500 heeft gevorderd omdat
uit het deskundigenrapport niet blijkt in welke mate de handelingen van T
hebben bijgedragen tot de door de deskundige vastgestelde psychische schade
bij H in verhouding tot de handelingen van die andere persoon.
5.4. H bestrijdt de omvang van de inkomsten en de schulden van T niet, zodat
het hof daarvan zal uitgaan. Mitsdien staat vast dat zowel H als T slechts
over geringe financiële middelen beschikken.
5.5. Bij de beoordeling van de omstandigheden zijn voorts de navolgende
aspecten van belang:
1. de duur van en de wijze waarop het seksueel misbruik heeft plaatsgevonden;
2. de leeftijd van het slachtoffer van het seksueel misbruik;
3. de verhouding tussen de pleger en het slachtoffer van het seksueel
misbruik;
4. de aard en de ernst van het psychisch en/of lichamelijk letsel;
5. de te verwachten duur van het psychisch en/of lichamelijk letsel;
6. de mate van schuld van de pleger van het seksueel misbruik nadien.
7. de houding van de pleger van het seksueel misbruik nadien.
5.6. Nu de grieven zich niet richten tegen de inhoud van het psychiatrisch
rapport van 26 juli 1993 van de deskundige J. Hage, noch tegen het overnemen
door de rechtbank van zijn bevindingen en de conclusie zal het hof bij de
beoordeling van die omstandigheden ook daarvan uitgaan.
5.7. Ad 1 en 2. Het seksueel misbruik heeft zich uitgestrekt over een tijdvak
van ongeveer drie jaren, te weten vanaf het elfde tot het veertiende
levensjaar van H. Er is daarbij sprake geweest van zowel ontuchtige
handelingen als volledige gemeenschap.
Ad 3. H heeft T via haar broer in een buurthuis leren kennen. Hij was voor
haar een soort vaderfiguur. T was meer dan twintig jaar ouder dan H. T heeft
met zijn onrechtmatig handelen jegens H misbruik gemaakt van het overwicht
dat hij onder die omstandigheden op H had. T heeft daardoor ernstige inbreuk
gemaakt op het vertrouwen dat H in hem had.
Ad 4 en 5. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat H zeer ernstige,
vooral psychische, schade heeft ondervonden en thans nog ondervindt, alsmede
dat geen uitzicht bestaat op volledig herstel.
Ad 6. Niet is gebleken dat de onrechtmatige gedragingen van T jegens H niet
geheel aan hem kunnen worden toegerekend. Het door T te betalen bedrag dient
alleen ter vergoeding voor de handelingen die door hem zijn gepleegd.
Ad 7. T heeft weliswaar het door hem gepleegde misbruik van H erkend, doch
uit de verklaringen door T tegenover de politie afgelegd en uit hetgeen in
dit geding door hem wordt aangevoerd blijkt evenwel dat zijn houding niet
bijdraagt tot verwerking van het gebeurde door H.
5.8. De wederzijdse stand en de fortuin en alle omstandigheden in aanmerking
genomen is het hof van oordeel dat het door de rechtbank vastgestelde bedrag
van ƒ 20 000 aan immateriële schadevergoeding juist is. Mede gelet op het
voor beslag gevrijwaarde deel van het inkomen van T blijkt niet dat hij
daardoor in financiële nood komt te verkeren.
5.9. Aan het vorenstaande zij nog toegevoegd dat Grief I, voor zover het
vonnis van 6 oktober 1994 spreekt van een WAO-uitkering, terecht is
opgeworpen, maar dat zulks niet leidt tot vernietiging van dat vonnis, nu de
hoogte van de uitkeringen die T ontvangt – aanvankelijk WWV en thans bijstand
– niet minder is dan de hoogte van de door de rechtbank aangenomen
WAO-uitkering.
5.10. Grief III richt zich tevens tegen het door de rechtbank vastgestelde
griffierecht en de procureurskosten. Anders dan T stelt zijn deze juist
berekend. Nu T slechts bereid was een bedrag van ƒ 1500 als schadevergoeding
aan H te voldoen was deze genoodzaakt tot het aanspannen van het geding in
eerste aanleg. Het is onder die omstandigheden terecht dat T als in hoofdzaak
in het ongelijk gestelde partij in de kosten van die procedure wordt
veroordeeld.
5.11. Op grond van het hiervoor overwogene treft geen der opgeworpen grieven
doel.
6. Samenvatting en slotsom

Nu alle grieven falen moet het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het
oordeel van het hof onderworpen, worden bekrachtigd. De kosten in het hoger
beroep komen voor T. nu hij aldaar in hoofdzaak in het ongelijk is gesteld.
7. Beslissing
Het hof:
a. verklaart T. niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van
13 mei 1993;
b. bekrachtigt het vonnis van 6 oktober 1994;
c. veroordeelt T. in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde
van H. tot aan deze uitspraak begroot op
ƒ 1960 (eenduizend negenhonderd zestig gulden).

Rechters

Mrs. Cremers, Stille, Van Hartingsveldt.