Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft gesolliciteerd bij de wederpartij. Op haar tweede
werkdag heeft verzoekster een arbeidscontract ondertekend en is zij
aangesteld. Daarbij heeft zij in het kader van de Wet Bevordering
Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (hierna: WBEAA) haar
geboorteland en dat van haar ouders ingevuld. Op de volgende werkdag
werd haar meegedeeld dat zij niet in het team paste en niet meer hoefde
te komen werken. Volgens verzoekster hing dit ontslag samen met het
invullen van de afkomstgegevens van haar en haar ouders. De Commissie
constateert derhalve dat er geen andere reden aan het ontslag van
verzoekster ten grondslag ligt dan het gevoel van de wederpartij dat
verzoekster niet zou passen binnen het team. Deze grondslag is
uitermate vaag, niet duidelijk is wat de reden is voor het “niet
passen”.

De verklaring die de wederpartij geeft voor dit gevoel, duidt op een
wat terughoudende opstelling van verzoekster. Gelet op de uitermate
korte periode die verzoekster bij de wederpartij werkzaam is geweest
laat deze terughoudendheid zich zeer wel verklaren. Het vergt immers in
het algemeen een bepaalde tijd voordat een nieuwe werknemer zich
onbevangen op de werkplek beweegt. De wederpartij heeft evenwel
terstond geconcludeerd dat verzoekster niet in het team paste.

De Commissie merkt ten aanzien van het verweer van de wederpartij dat
zij niet discrimineert omdat zij allochtone werknemers in dienst neemt
op, dat het feit dat een werkgever allochtone werknemers aanstelt nog
niet betekent dat de werkgever niet discrimineert in het vervolg van de
dienstbetrekking. Dit verweer acht de Commissie dan ook ondeugdelijk.
Nu in het onderhavige geval het ontslag direct gevolgd is op een
opmerking van de wederpartij over de etnische afkomst van verzoekster
heeft de wederpartij het vermoeden gewekt dat het ontslag (mede)
verband hield met de etnische afkomst van verzoekster. Dit vermoeden
heeft de wederpartij niet afdoende weerlegd. De verklaring die de
wederpartij heeft gegeven is immers zuiver gevoelsmatig en vaag.

Bepalend is daarbij voorts dat de Commissie niet is gebleken van enige
andere deugdelijke ontslaggrond. De Commissie kan dan ook niet anders
dan concluderen dat, gelet op de hierboven geschetste feiten en
omstandigheden waarbinnen het een en ander zich heeft afgespeeld, de
wederpartij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de etnische afkomst van
verzoekster niet (mede) een rol heeft gespeeld bij de beeindiging van
de arbeidsovereenkomst.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 30 november 1994 verzocht mevrouw te Apeldoorn (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna:de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of door te ‘s-Hertogenbosch
(hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid is gemaakt bij de
beeindiging van de arbeidsovereenkomst in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft gesolliciteerd bij de wederpartij. Op haar
tweede werkdag heeft verzoekster een arbeidscontract ondertekend en is
zij aangesteld. Daarbij heeft zij in het kader van de Wet Bevordering
Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen (hierna: WBEAA) haar
geboorteland en dat van haar ouders ingevuld. Op de volgende werkdag
werd haar meegedeeld dat zij niet in het team paste en niet meer hoefde
te komen werken. Volgens verzoekster hing dit ontslag samen met het
invullen van de afkomstgegevens van haar en haar ouders. Verzoekster is
van mening dat de handelwijze van de wederpartij in strijd is met de
wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 19 september 1995. Bij deze zitting
waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw. (verzoekster) – mw.
(gemachtigde verzoekster)

als getuigen : – dhr. – mw.

van de kant van de wederpartij – dhr. (personeelsmanager)
– dhr. (filiaalchef) – mw. (filiaalchef)

van de kant van de Commissie – mw. mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You
(Kamervoorzitter) – mw. mr. dr. L. Mulder (lid Kamer) – mw. mr. drs
M.G. Nicolai (lid Kamer) – mw. I.M. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij exploiteert een keten van schoenenwinkels. De
wederpartij heeft met verzoekster een arbeidsovereenkomst gesloten voor
bepaalde tijd ingaand op 17 oktober 1994 en eindigend op 17 oktober
1995. Verzoekster is aangesteld als hulpkracht. Hulpkrachten werken
uitsluitend op afroep van de werkgever.

3.2. Verzoekster heeft op vrijdag 14 oktober 1994 gesolliciteerd op de
openstaande functie van verkoopster bij een filiaal van de wederpartij
en heeft achtereenvolgens met de mannelijke en vrouwelijke filiaalchef
gesproken. Op de eerste werkdag, maandag 17 oktober 1994, heeft zij met
de vrouwelijke filiaalchef en een vrouwelijke en een mannelijke collega
samengewerkt. Op die dag werd door de filiaalchef opgemerkt dat zij
beter niet op gymschoenen kon rondlopen. Op de tweede werkdag, woensdag
19 oktober 1994, heeft zij met de mannelijke filiaalchef en een andere
mannelijke collega samengewerkt. Deze filiaalchef gaf verzoekster de
aanwijzing haar kleding aan te passen en niet met blote schouders in de
winkel te staan. De filiaalchef stelde haar diezelfde dag in het
vooruitzicht dat zij extra zou mogen werken in de vakantie. Aan het
einde van de dag werd de arbeidsovereenkomst ter ondertekening aan haar
voorgelegd. In deze overeenkomst moesten in het kader van de WBEAA
gegevens over de etnische afkomst van verzoekster en haar ouders worden
ingevuld. Verzoekster is in Nederland geboren en haar ouders in
Suriname. Op de derde werkdag, maandag 24 oktober 1994, heeft
verzoekster met de vrouwelijke filiaalchef en dezelfde vrouwelijke
collega als de eerste dag samengewerkt. Zij heeft met haar collega in
de pauze broodjes en frisdranken gehaald en samen geluncht. Ook aan de
filiaalchef heeft zij gevraagd of zij iets voor haar kon halen.
Verzoekster is op de derde werkdag na de lunchpauze ontslagen. De
wederpartij deelde haar mee dat de reden voor het ontslag was dat zij
niet paste in het team.

3.2. Er wordt in wisselende samenstelling gewerkt. Het team bestaat uit
10 personen inclusief beide filiaalchefs. Verzoekster heeft op de drie
werkdagen van haar dienstverband met in totaal 5 personen samengewerkt
te weten de beide filiaalchefs en 3 collega’s.

3.3. De ouders van verzoekster zijn op woensdag 26 oktober 1994 bij de
mannelijke filiaalchef geweest om over het ontslag van verzoekster te
praten. De wederpartij en de ouders van verzoekster geven ieder deels
een andere weergave van het gesprek (zie onder standpunten).

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende.

Verzoekster is van mening dat de reden voor haar ontslag is gelegen in
haar etnische afstamming. Men wilde het reeds getekende contract direct
de ochtend na de ondertekening weer ongedaan maken. Dit was ook de
werkdag volgend op de dag dat verzoekster de afkomstgegevens van haar
ouders kenbaar had gemaakt. Toen verzoekster deze gegevens invulde in
het kader van de WBEAA, zei de filiaalchef: “Suriname, nou dat moet
kunnen”. Het is voor verzoekster onduidelijk wat hij met deze opmerking
bedoelde. De filiaalchef heeft in het gesprek met de ouders van
verzoekster bevestigd dat hij deze opmerking heeft gemaakt.

Verzoekster bemerkte op maandag 24 oktober 1994 dat zij niet meer op
het planbord voorkwam. Zij werd diezelfde dag ontslagen door de
vrouwelijke filiaalchef omdat zij niet in het team zou passen.
Verzoekster heeft destijds geen kritiek op haar functioneren te horen
gekregen. Als men kritiek op haar had, had men dit moeten zeggen zodat
zij deze punten had kunnen verbeteren. De opmerkingen betreffende haar
schoeisel en aanpassing van kleding heeft verzoekster ook ter harte
genomen. Aan het einde van haar tweede werkdag heeft de filiaalchef
tegen verzoekster gezegd dat zij de daaropvolgende week extra dagen zou
kunnen werken om zo wat meer geld in de vakantie te kunnen verdienen.

Verzoekster heeft, voordat zij bij verweerder solliciteerde, ook bij
andere bedrijven gewerkt. De beoordeling die zij daar kreeg over haar
functioneren was altijd zeer positief, zoals blijkt uit door haar
overgelegde getuigschriften. Met betrekking tot de opmerking dat
verzoekster niet goed in het team zou passen, merkt verzoekster op dat
zij in het begin niet veel sprak maar dat dit in een nieuwe en vrij
onbekende omgeving niet zo vreemd is. Verzoekster illustreert aan de
hand van voorbeelden waarom naar haar gevoel het contact met haar
collega’s goed was.

3.5. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij betwist dat verzoekster op grond van haar etnische
afkomst is ontslagen. Daartoe voert zij het volgende aan.

Volgens de personeelsmanager van de wederpartij zijn alle managers
duidelijk via een brief op de hoogte gebracht van de WBEAA en het
beleid van de wederpartij, met het uitdrukkelijke verzoek conform dat
schrijven te handelen. Dit wordt door de wederpartij ook gecontroleerd.
Gebruikelijk is dat een standaardcontract wordt getekend bij in dienst
treding en een mutatieformulier bij beeindiging van het dienstverband.

De wederpartij is van mening dat verzoekster niet in de proeftijd
ontslagen is als gevolg van het invullen van de afkomstgegevens van
haar ouders, maar door het niet functioneren in het team. De uitspraak
“Suriname, nou dat moet kunnen” is door de mannelijke filiaalchef niet
gedaan.

De vrouwelijke filiaalchef stelt dat de hoofdreden van het ontslag is
dat verzoekster niet in het team paste. Dit had te maken met haar
houding in de zaak en haar niet betrokken zijn bij het werk. Ze deed
alleen opgedragen werkzaamheden en ging daarna toekijken. De overige
redenen omtrent haar functioneren zijn expres niet als reden genoemd
tegen verzoekster, omdat deze punten nog voor verbetering vatbaar
waren.

De vrouwelijke filiaalchef heeft verzoekster op haar eerste werkdag
geattendeerd op het schoeisel dat zij droeg; dit waren vuile
sportschoenen. Verder heeft de mannelijke filiaalchef op haar tweede
werkdag wat gezegd over de kleding van verzoekster. Op de derde werkdag
waren kleding en schoeisel correct.

Verzoekster heeft geen uitleg gevraagd over het ontslag. De vrouwelijke
filiaalchef heeft uit eigen beweging uitleg gegeven over de reden van
het ontslag. Zij heeft gevraagd hoe verzoekster het op het werk vond.
Verzoekster gaf te kennen dat ze het zeer naar haar zin had, waarop de
vrouwelijke filiaalchef antwoordde dat ze dat zeker niet uitstraalde,
dat zij niet in het team paste en zich ook niet daarin liet opnemen. De
mannelijke filiaalchef tilt net zo zwaar aan het feit dat verzoekster
niet in het team paste als de vrouwelijke filiaalchef. Hij wist alleen
niet in welke bewoordingen zijn collega dit had uitgesproken, omdat hij
niet bij het gesprek aanwezig was.

De filiaalchefs geven aan dat uit hun prive-omstandigheden en het feit
dat zij twee allochtone medewerkers in dienst hebben, duidelijk blijkt
dat zij niet discrimineren. De personeelsmanager van de wederpartij is
van mening dat alleen al door het feit dat verzoekster is aangenomen,
het tegendeel van discriminerend gedrag is aangetoond. De beide
filiaalchefs staan als eerlijke, spontane, oprechte mensen te boek. Het
enige verwijt dat de wederpartij gemaakt zou kunnen worden, is dat er
te snel na aanname een beslissing is genomen over ontslag. De
filiaalchefs van de betrokken vestiging van de wederpartij zijn hierop
aangesproken, maar discriminatie ligt aan deze zaak absoluut niet ten
grondslag.

3.6. De getuigen van de zijde van verzoekster verklaren het volgende.

In het gesprek met de mannelijke filiaalchef gaf deze aan dat
verzoekster uitstekend werkte. Op de vraag waarom verzoekster ontslagen
was had hij geen antwoord. Verzoekster was thuis gekomen en had verteld
dat zij zo goed was bevallen dat zij een contract kreeg. Daar was wel
een opmerking bij gemaakt, namelijk,” Suriname, dat moet kunnen “. De
filiaalchef gaf in dit gesprek toe dat hij die opmerking had gemaakt.
Hij gaf echter aan niet te hebben willen discrimineren.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij door de arbeidsverhouding
te beeindigen jegens verzoekster onderscheid naar ras heeft gemaakt,
zoals verboden in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

4.2. In artikel 5 lid 1 onder b AWGB is onder meer bepaald dat
onderscheid verboden is bij het beeindigen van een arbeidsverhouding.

Artikel 1 AWGB bepaalt dat onder direct onderscheid onder andere wordt
verstaan onderscheid tussen personen op grond van ras. In dit verband
is van belang dat het begrip ras in de AWGB overeenkomstig het
Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van
rassendiscriminatie en vaste jurisprudentie ruim moet worden uitgelegd.
Het omvat tevens: huidskleur, afkomst, of nationale of etnische
afstamming (Tweede Kamer der Staten Generaal, vergaderjaar 1990-1991,
nr. 3, pag. 13).

4.3. In de AWGB is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de
wet neergelegde verbod van onderscheid. Met betrekking tot de grond ras
gelden de volgende uitzonderingen.

In artikel 2 lid 3 tot en met lid 5 AWGB is bepaald dat het verbod van
onderscheid naar ras niet geldt in geval van voorkeursbeleid voor
etnische of culturele minderheidsgroepen en in geval uiterlijke
kenmerken die samenhangen met het ras van een persoon bepalend zijn.
Naast de uitzonderingen in artikel 2, die betrekking hebben op het
algemene verbod van onderscheid, zijn in artikel 5 nog een aantal
uitzonderingen geformuleerd die specifiek op artikel 5 betrekking
hebben.

De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. Er zijn geen aanwijzingen dat een wettelijke
uitzondering van toepassing zou kunnen zijn.

4.4 De vraag die voorligt is of aannemelijk is geworden dat de etnische
afkomst van verzoekster (mede) aanleiding vormde voor de beeindiging
van de arbeidsovereenkomst met verzoekster.

De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. De Commissie stelt vast
dat de arbeidsovereenkomst aan het einde van de tweede werkdag aan
verzoekster is voorgelegd en door haar is getekend. Door het invullen
van de gegevens in de arbeidsovereenkomst is de etnische afkomst van
verzoekster en haar ouders bij de wederpartij op dat tijdstip bekend
geworden. Verzoekster heeft in dit verband gewezen op de opmerking van
de mannelijke filiaalchef na het invullen van de gegevens over de
etnische afkomst van haar ouders in de trant van “Suriname, nou dat
moet kunnen”. De wederpartij heeft de verklaringen van verzoekster en
haar ouders hierover niet overtuigend weersproken, zodat de Commissie
als vaststaand aanneemt dat de wederpartij een dergelijke opmerking
heeft gemaakt. Verzoekster is op de daarop volgende werkdag ontslagen
waarbij haar als reden voor het ontslag werd gegeven dat zij niet paste
binnen het team.

Alvorens de in het geding zijnde vraag te beantwoorden, merkt de
Commissie op dat het niet tot haar taak behoort om te beoordelen in
hoeverre een werknemer geschikt is voor een bepaalde functie. Zij is
slechts bevoegd na te gaan of er bij de beoordeling van de (mate van)
geschiktheid onderscheid is gemaakt op grond van etnische afkomst.

Het behoort evenmin tot de taak van de Commissie te beoordelen of de
door de wederpartij gegeven grondslag voor beeindiging rechtsgeldig is.
De Commissie is slechts bevoegd na te gaan of bij de beeindiging (mede)
onderscheid naar etnische afkomst is gemaakt.

Met betrekking tot de motivering van het ontslag door de wederpartij
overweegt de Commissie het volgende. Het team bestond uit tien
personen. Verzoekster heeft in de korte periode van twee en een halve
dag dat zij werkzaam is geweest, slechts met drie andere collega’s,
naast de filiaalchefs samengewerkt. Er zijn voorts nauwelijks feiten
en in het geheel geen bewijzen door de wederpartij aangedragen ter
ondersteuning van het standpunt dat verzoekster niet paste binnen het
team. Dit klemt te meer omdat verzoekster wel voorbeelden heeft
aangehaald waaruit zij concludeert dat de samenwerking met de collega’s
goed is verlopen, welke door de wederpartij niet zijn weersproken. De
Commissie is dan ook van oordeel dat het standpunt van de wederpartij
dat verzoekster niet paste in het team niet overtuigend is. De
Commissie constateert bovendien dat de ervaring met verzoekster dermate
kort was dat een redelijk oordeel daaromtrent niet kon worden gegeven.

De Commissie is voorts van oordeel dat de andere (overigens niet aan
verzoekster medegedeelde) redenen voor ontslag, namelijk dat zij niet
zo goed zou functioneren, evenmin overtuigend zijn. De vrouwelijke
filiaalchef heeft immers zelf verklaard dat de negatieve punten die ten
aanzien van het functioneren van verzoekster genoemd zijn gedurende de
procedure bij de Commissie voor verbetering vatbaar zouden zijn. Voorts
heeft de andere filiaalchef verzoekster in de vakantie extra werk in
het vooruitzicht gesteld en bovendien aan de ouders zelfs nog na het
ontslag verteld dat verzoekster uitstekend had gewerkt. De Commissie
concludeert dan ook dat haar van enig disfunctioneren van verzoekster
niet is gebleken.

De Commissie constateert derhalve dat er geen andere reden aan het
ontslag van verzoekster ten grondslag ligt dan het gevoel van de
wederpartij dat verzoekster niet zou passen binnen het team. Deze
grondslag is uitermate vaag, niet duidelijk is wat de reden is voor het
“niet passen”. De verklaring die de wederpartij geeft voor dit gevoel,
duidt op een wat terughoudende opstelling van verzoekster. Gelet op de
uitermate korte periode die verzoekster bij de wederpartij werkzaam is
geweest laat deze terughoudendheid zich zeer wel verklaren. Het vergt
immers in het algemeen een bepaalde tijd voordat een nieuwe werknemer
zich onbevangen op de werkplek beweegt. De wederpartij heeft evenwel
terstond geconcludeerd dat verzoekster niet in het team paste.

De consequenties van het gevoel van de wederpartij zijn voor
verzoekster zeer ingrijpend. Zij is op onbegrijpelijke wijze haar werk
kwijt geraakt.

De Commissie merkt ten aanzien van het verweer van de wederpartij dat
zij niet discrimineert omdat zij allochtone werknemers in dienst neemt
op, dat het feit dat een werkgever allochtone werknemers aanstelt nog
niet betekent dat de werkgever niet discrimineert in het vervolg van de
dienstbetrekking. Dit verweer acht de Commissie dan ook ondeugdelijk.

Nu in het onderhavige geval het ontslag direct gevolgd is op een
opmerking van de wederpartij over de etnische afkomst van verzoekster
heeft de wederpartij het vermoeden gewekt dat het ontslag (mede)
verband hield met de etnische afkomst van verzoekster.

Dit vermoeden heeft de wederpartij niet afdoende weerlegd. De
verklaring die de wederpartij heeft gegeven is immers zuiver
gevoelsmatig en vaag. Bepalend is daarbij voorts dat de Commissie niet
is gebleken van enige andere deugdelijke ontslaggrond. De Commissie kan
dan ook niet anders dan concluderen dat, gelet op de hierboven
geschetste feiten en omstandigheden waarbinnen het een en ander zich
heeft afgespeeld, de wederpartij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de
etnische afkomst van verzoekster niet (mede) een rol heeft gespeeld bij
de beeindiging van de arbeidsovereenkomst.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat gevestigd te
‘s-Hertogenbosch in strijd met artikel 1 juncto artikel 5 lid 1 sub b
van de Algemene wet gelijke behandeling, onderscheid naar ras heeft
gemaakt jegens mevrouw te Apeldoorn bij het beeindigen van de
arbeidsovereenkomst.

Rechters

mw. mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. dr.L. Mulder (lid Kamer), mw. mr. drs M.G. Nicolai (lid Kamer), mw. I.M.Hidding (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 5 december 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft bij de wederpartij een krediet aangevraagd. Hij heeft de
Marokkaanse nationaliteit. Bij de beoordeling van de kredietaanvraag vraagt
de wederpartij in de gevallen dat er sprake is van een niet-Nederlandse
nationaliteit de aanvrager zijn verblijfsvergunning te overleggen. Indien
dit document een zogenoemd D-document (een D-document is een verblijfsvergunning
waarbij het serienummer vooraf gegaan wordt door een hoofdletter D. Deze
aanduiding staat voor een vergunning tot verblijf, die een maximale geldigheidsduur
kent van één jaar) blijkt te zijn, verstrekt de bank slechts een lening
als een derde zich borg stelt. Dit leidt tot de conclusie dat in dergelijke
gevallen zwaardere eisen worden gesteld en de aanvrager zodoende een minder
gunstige behandeling ten deel valt. Alleen houders van D-documenten, dus
niet-Nederlanders, worden door de acceptatievoorwaarden van de wederpartij
getroffen. De wederpartij maakt derhalve jegens verzoeker indirect onderscheid
naar nationaliteit. Dit verbod geldt niet als er een objectieve rechtvaardiging
voor bestaat. De Commissie constateert dat de wederpartij met het bestreden
handelen haar kredietrisico beoogt te beperken en haar bedrijfsbelangen
probeert te beschermen. Dit doel op zich is gerechtvaardigd, maar de kredietbank
treft met deze procedure personen met een niet-Nederlandse nationaliteit
onevenredig zwaar. Het is ook mogelijk om dit doel te bereiken met lichtere
middelen.
Strijd met wet.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 24 februari 1995 verzocht de heer (….) te Eindhoven (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Eindhoven (hierna: de wederpartij) jegens hem een door de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB) verboden onderscheid op grond van nationaliteit
heeft gemaakt.

1.2. Verzoeker heeft bij de wederpartij een krediet aangevraagd. Deze aanvraag
is afgewezen omdat hij in het bezit is van een tijdelijke vergunning tot
verblijf. Verzoeker is van mening dat de wederpartij hiermee in strijd
met de AWGB handelt.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten weer
te geven.

2.2. De Commissie heeft op grond van artikel 19 AWGB de Nederlandse vereniging
van volkskredietbanken (NVVK) om inlichtingen gevraagd.

2.3. Partijen zijn vervolgens opgeroepen om te verschijnen op een zitting
op 12 oktober 1995. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker
– dhr. (….) (verzoeker)
– dhr. P. Ploeger (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij
– dhr. drs. Th.J.W.M. Hoppenbrouwers (directeur Kredietbank)
– dhr. mr. J. Barendse (gemeente Eindhoven)

van de kant van de Commissie
– mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter)
– mw. mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer)
– dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer)
– mw. mr. S.L. Kroes (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door de leden van Kamer II van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder paragraaf 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft in oktober
1994 samen met zijn toenmalige partner en tevens huidige echtgenote een
krediet aangevraagd bij een bankinstelling, die onder de verantwoordelijkheid
van de wederpartij valt. Ten tijde van de aanvraag was verzoeker niet in
het bezit van een verblijfsvergunning en had zijn partner een vergunning
tot verblijf waarvan de geldigheidsduur op 2 december 1994 zou vervallen.
Het krediet ter hoogte van ƒ 2.000 werd aangevraagd ten behoeve van de
inrichting van de nieuw verkregen gezamenlijke woonruimte.

3.2. De bank waar verzoeker de kredietaanvraag heeft ingediend, heeft hierop
als volgt gereageerd: `Uw aanvraag is afgewezen aangezien er op dit moment
te weinig zekerheden bestaan of u het gevraagde krediet terug kunt betalen,
omdat u in het bezit bent van een tijdelijke verblijfsvergunning […]’.

3.3. Verzoeker heeft de wederpartij vervolgens gevraagd haar beleid in
deze op schrift te stellen. Dit beleid ziet er, kort samengevat, als volgt
uit.
Relevant voor de wederpartij is de letter die op het verblijfsdocument
staat. Wanneer dit de letter `A’ of de letter `B’ is, dan is dit, aldus
de wederpartij, een document voor onbepaalde tijd. Voor deze groep personen
hanteert de wederpartij dezelfde beoordelingsnormen als voor personen met
de Nederlandse nationaliteit.

Een zogenaamd `C-document’ is een afhankelijke verblijfsvergunning voor
onbepaalde tijd. Een dergelijke verblijfsvergunning is altijd gekoppeld
aan een persoon met de Nederlandse nationaliteit of aan een houder van
een `A-document’ of een `B-document’. Veelal is dit de partner. Wanneer
de relatie met de partner wordt verbroken, verliest het `C-document’ zijn
geldigheid en kan de bank de desbetreffende persoon alleen onder borgstelling
een krediet verstrekken.

Een `D-document’ is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De bank
kan houders van een dergelijk document alleen dan krediet verstrekken wanneer
een derde zich borg stelt. Veelal zal dit de Gemeentelijke sociale dienst
(GSD) zijn.
De bank kent drie soorten consumptieve kredieten. Personen die op grond
van een minimuminkomen bij `gewone’ banken niet terecht kunnen, kunnen
onder bepaalde voorwaarden een zogenaamd `sociaal krediet’ krijgen, beperkt
van hoogte. Daarnaast verstrekt de bank `normale’ kredieten, waarvan het
maximum gerelateerd wordt aan de inkomensruimte. Een derde soort is een
krediet met borgstelling, waarbij de hoogte meestal aangegeven wordt door
de borgstaande GSD. Om in aanmerking te komen voor een sociaal krediet
of een borgkrediet moet men wonen in een gemeente die aangesloten is bij
de bank (momenteel zijn 26 gemeenten aangesloten bij deze bank).

3.4. Verzoeker heeft tegen de beslissing van de bank beroep ingesteld bij
de wederpartij op 9 november 1994. Verzoeker stelt in zijn beroepschrift
dat hij het niet eens is met de motivering van de wederpartij dat het nog
niet hebben van een verblijfsvergunning zou leiden tot te weinig zekerheden
omtrent de terugbetaling. Hij voert aan dat hij duurzaam samenwoont met
een vrouw die een verblijfsvergunning heeft. Samen hebben zij een kind
van zeven maanden. Zij zijn voornemens om met elkaar in het huwelijk te
treden. Nadien zal volgens verzoeker aan hem een verblijfsvergunning verleend
worden, omdat hij dan aan alle voorwaarden voor toelating tot Nederland
voldoet. Hij ontvangt samen met zijn partner een uitkering van de GSD naar
de gezinsnorm.

De wederpartij heeft het beroep ongegrond verklaard op grond van het advies
van de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften (CBB), dat inhoudt
dat zij het eens is met de overwegingen en met het besluit van de bank.
De CBB vindt het beter te wachten tot een verblijfsvergunning aan verzoeker
is verleend. Een alternatief zou volgens de CBB zijn dat een borgstelling
bij de GSD aangevraagd wordt.

3.5. De Commissie gelijke behandeling heeft in verband met het onderhavige
verzoek nadere inlichtingen gevraagd bij de NVVK. De NVVK heeft geantwoord
bij brief van 24 oktober 1995 dat zij geen dwingend voorgeschreven eisen
stelt aan kredietacceptatie door haar leden.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoeker stelt dat de wederpartij hem ongelijk behandelt, enerzijds
ten opzichte van andere vreemdelingen die over een andere verblijfstitel
beschikken en anderzijds ten opzichte van Nederlanders. Verzoeker heeft
er moeite mee dat de kredietverstrekking gekoppeld wordt aan een bepaalde
verblijfsstatus, omdat het buiten de macht ligt van betrokkene daar iets
aan te veranderen. Hij is van mening dat de onderhavige handelwijze van
de wederpartij in strijd met de AWGB is.

3.7. De wederpartij heeft, mede naar aanleiding van vragen van de Commissie
omtrent het beleid van de wederpartij, het volgende naar voren gebracht.

Bij de beoordeling van elke kredietaanvraag wordt er ingevolge het bankreglement
gevraagd naar een geldig legitimatiebewijs. Bij de onderhavige aanvraag
werd een `D-document’ getoond, waaruit bleek dat de vergunning tot verblijf
van de partner van verzoeker geldig was tot 2 december 1994. De aanvraag
werd afgewezen omdat verzoeker niet beschikte over een verblijfsvergunning
en zijn partner over een tijdelijke verblijfsvergunning beschikte. Zonder
de borgstelling van een derde wordt in een dergelijk geval geen krediet
verstrekt. Zodra de wederpartij te maken krijgt met een tijdelijke verblijfsvergunning
– zoals in dit geval – wordt de aanvraag direct afgewezen en niet verder
onderzocht. Verblijfsdocumenten zijn naar de mening van de wederpartij
in dit verband een objectief criterium waaraan effectief getoetst kan worden.
Naar schatting worden op grond van dit criterium 2 a 3 aanvragen per week
afgewezen, hetgeen bij toewijzing 1 miljoen aan uitstaande schuld zou betekenen.

Er vindt geen differentiatie plaats tussen bepaalde klantgroepen enkel
op grond van nationaliteit. De nationaliteit wordt getoetst in het kader
van het verblijfsrecht aan de hand van het legitimatiebewijs. Ten aanzien
van EG-onderdanen wordt hetzelfde criterium gehanteerd.

De wederpartij heeft voorts naar voren gebracht dat de NVVK dit beleid
adviseert aan de gemeentelijke kredietbanken, als onderdeel van het beoordelen
van het kredietrisico op grond waarvan al of niet tot kredietacceptatie
wordt overgegaan. Het verschil in acceptatie hangt, naar het oordeel van
de wederpartij, uitsluitend af van de financiële risico-analyse.
Op basis hiervan is de wederpartij van mening dat er geen sprake is van
ongelijke behandeling als bedoeld in de AWGB.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker onderscheid
maakt op grond van nationaliteit, zoals bedoeld in de AWGB. Nationaliteit
in de AWGB betreft de nationaliteit in staatkundige zin, onafhankelijk
van de feitelijke woon- of verblijfplaats (Eerste Kamer, 22 februari 1994,
1993-1994, 22014, Handelingen, p. 1086.).

Artikel 1 AWGB verbiedt het maken van onderscheid tussen personen op grond
van onder andere nationaliteit. Onder onderscheid wordt verstaan zowel
direct als indirect onderscheid. Onder indirect onderscheid wordt verstaan
onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan nationaliteit, dat direct
onderscheid op grond van nationaliteit tot gevolg heeft.

In artikel 2 AWGB worden de volgende voor deze zaak relevante uitzonderingen
genoemd. Het eerste lid van artikel 2 AWGB noemt als uitzondering op het
verbod van indirect onderscheid de gevallen, waarbij het indirect onderscheid
objectief gerechtvaardigd is. Voorts wordt in het vijfde lid van artikel
2 AWGB als uitzondering genoemd onderscheid op grond van nationaliteit,
indien het onderscheid gebaseerd is op algemeen verbindende voorschriften.

Artikel 7 lid 1 sub b AWGB verbiedt het maken van onderscheid bij het aanbieden
van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van
overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door de openbare dienst.
Tot de openbare dienst behoren alle diensten en bedrijven door de Staat
en de openbare lichamen beheerd (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014, nr. 5,
p. 88.).
De uitzonderingen genoemd in artikel 7 AWGB zijn in dit geval niet van
toepassing omdat deze gelden voor instellingen van bijzonder onderwijs
(artikel 7 lid 2 AWGB) en rechtsverhoudingen met een privé-karakter (artikel
7 lid 3 AWGB).

In artikel 29 AWGB is bepaald dat het verbod om onderscheid op grond van
nationaliteit te maken niet geldt ten aanzien van onderscheid door bestuursorganen
op grond van bekendgemaakte beleidsregels gedurende twee jaren.

4.2 De Commissie stelt vast dat de wederpartij in haar hoedanigheid van
gemeente in het economisch verkeer het bankbedrijf uitoefent. In die hoedanigheid
valt de wederpartij onder de openbare dienst zoals bedoeld in artikel 7
lid 1 sub b AWGB. Tevens biedt de wederpartij bij de uitoefening van het
bankbedrijf diensten aan. In het onderhavige geval is gehandeld in het
kader van het sluiten van een (bank)overeenkomst met verzoeker. Onder het
sluiten van overeenkomsten wordt mede verstaan het weigeren een overeenkomst
aan te gaan (Tweede Kamer, 1991-1992, 22014, nr. 5, p. 7-8.).
De Commissie concludeert dan ook dat het bestreden handelen onder het bereik
van artikel 7 lid 1 sub b AWGB valt.

4.3 Voorts constateert de Commissie dat de wederpartij haar schriftelijke
afwijzing in eerste instantie baseert op de tijdelijke verblijfsvergunning
van verzoeker, terwijl naar aanleiding van het beroepschrift het geheel
ontbreken van een verblijfsvergunning jegens verzoeker wordt aangevoerd.
Ter zitting is gebleken dat bij de beoordeling van de kredietaanvraag zowel
de gegevens van verzoeker als van zijn toenmalige partner zijn meegewogen,
hoewel dit in de besluitvorming van de wederpartij niet consistent is weergegeven.4.4
De vraag is aan de orde of de wederpartij door haar acceptatievoorwaarden
bij kredietverlening jegens verzoeker direct onderscheid naar nationaliteit
maakt. Bij de beoordeling van de kredietaanvraag hanteert de wederpartij
een standaardformulier. In dit formulier wordt mede gevraagd naar de geboorteplaats
en nationaliteit van de aanvrager. In de gevallen dat er sprake is van
een niet-Nederlandse nationaliteit vraagt de wederpartij de aanvrager zijn
verblijfsvergunning te overleggen. Indien dit document een zogenoemd D-document
(Een D-document is een verblijfsvergunning waarbij het serienummer vooraf
gegaan wordt door een hoofdletter D. Deze aanduiding staat voor een vergunning
tot verblijf, die een maximale geldigheidsduur kent van één jaar.) blijkt
te zijn, verstrekt de bank slechts een lening als een derde zich borg stelt.
Dit leidt tot de conclusie dat in dergelijke gevallen zwaardere eisen worden
gesteld en de aanvrager zodoende een minder gunstige behandeling ten deel
valt.

In de onderhavige zaak legt verzoeker dit aspect van het acceptatiebeleid
van de wederpartij ter beoordeling voor. Daarbij moet worden aangetekend
dat ter zitting niet is gebleken dat verzoeker bij zijn aanvraag is gewezen
op de mogelijkheid van borgstelling. In de afwijzende beschikking is verzoeker
hier in elk geval niet op geattendeerd. Evenmin is komen vast te staan
dat aan verzoeker hierover mondeling mededelingen zijn gedaan. Derhalve
gaat de Commissie ervan uit dat de wederpartij pas na haar beslissing op
het beroepschrift verzoeker op deze mogelijkheid heeft gewezen.

Het verschil in behandeling wordt niet veroorzaakt door de niet-Nederlandse
nationaliteit van verzoeker, maar door de eisen die aan de verblijfsdocumenten
worden gesteld. De Commissie concludeert dat de wederpartij jegens verzoeker
geen direct onderscheid naar nationaliteit heeft gemaakt.

4.5 Vervolgens is de vraag aan de orde of de acceptatievoorwaarden, die
de wederpartij bij kredietverlening hanteert, jegens verzoeker indirect
onderscheid naar nationaliteit tot gevolg hebben. Er is sprake van indirect
onderscheid indien door de acceptatievoorwaarden in overwegende mate personen
van niet-Nederlandse nationaliteit nadelig worden getroffen.

Het staat vast dat de wederpartij de kredietaanvraag van verzoeker heeft
geweigerd omdat een D-document werd getoond. De Commissie stelt vast dat
personen met een zogenoemd D-document per definitie vreemdelingen zijn.
De acceptatievoorwaarden die de wederpartij hanteert ten aanzien van houders
van D-documenten is zodanig specifiek dat alleen niet-Nederlanders hierdoor
getroffen worden. In het onderhavige geval komt daar nog bij dat het nadelig
effect bestaat uit het terstond afwijzen van het krediet zonder dat daarbij
de verdere omstandigheden van verzoeker zijn onderzocht of betrokken. Voorts
is aan verzoeker bij de aanvraag niet kenbaar gemaakt, dat kredietverlening
onder borgstelling tot de mogelijkheden behoorde.

De Commissie is van oordeel dat de wederpartij door te handelen als hierboven
omschreven indirect onderscheid naar nationaliteit jegens verzoeker heeft
gemaakt.

4.6 Het verbod van indirect onderscheid geldt volgens artikel 2 lid 1 AWGB
niet ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd
is. Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat:
– het nagestreefde doel iedere discriminatie vreemd is
– de ter bereiking van het doel gekozen middelen beantwoorden aan een werkelijke
behoefte
– deze middelen geschikt zijn om dat doel te bereiken en daarvoor ook noodzakelijk
zijn (Tweede Kamer, 1990-1991, 22014, nr. 3, p. 14.
en Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus
Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84 en Rinner-Kühn versus FWW Spezial
Gebaüdereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli 1989, zaak 171/88.).

De Commissie constateert dat de wederpartij met het bestreden handelen
beoogt het kredietrisico te beperken en zodoende haar bedrijfsbelangen
te beschermen. Het beperken van het kredietrisico is een doel dat iedere
discriminatie vreemd is. Dit nagestreefde doel beantwoordt tevens aan een
werkelijke behoefte van de wederpartij.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de wijze waarop het kredietbeleid
door de wederpartij wordt uitgevoerd, geschikt en noodzakelijk is om dat
doel te bereiken.
In het onderhavige geval is de kredietaanvraag van verzoeker zonder nader
onderzoek afgewezen op grond van het overgelegde verblijfsdocument. Voorts
is verzoeker niet gewezen op de mogelijkheid van borgstelling.

De wederpartij verleent zogenoemde sociale kredieten, met name aan groepen
mensen die op en rond het bijstandsniveau leven. Een deel van deze cliëntèle
is vreemdeling. De wederpartij behoort bij de beoordeling van het kredietrisico
de benodigde zorgvuldigheid te betrachten om te voorkomen dat een verboden
onderscheid naar nationaliteit wordt gemaakt. Het afwijzen van kandidaten
enkel en alleen op grond van het getoonde verblijfsdocument, zonder daarbij
nader te informeren over het daaraan ten grondslag liggende verblijfsrecht
of andere relevante omstandigheden, komt de Commissie als te grofmazig
voor. Aan een D-document kunnen immers verschillende verblijfstitels ten
grondslag liggen. De Commissie meent dat door verder geen nader onderzoek
te verrichten wanneer een D-document wordt overgelegd, de wederpartij ook
potentiële kredietnemers uitsluit die geen verhoogd kredietrisico vormen.
Door vervolgens verzoeker tijdens de aanvraag niet te wijzen op de mogelijkheid
van borgstelling, wordt verzoeker niet geïnformeerd over een optie om alsnog
voor kredietverlening bij de wederpartij in aanmerking te komen. Juist
in gevallen dat de wederpartij te maken heeft met vreemdelingen met een
tijdelijk verblijfsrecht, blijkt deze borgstelling bepalend om voor kredietverlening
in aanmerking te kunnen komen.
Het gehanteerde middel heeft zodoende verder strekkende gevolgen dan noodzakelijk
en is niet geschikt om het gewenste doel te bereiken. Geconcludeerd wordt
dat het middel niet voldoet aan de eisen van noodzakelijkheid en geschiktheid.
De Commissie stelt op grond hiervan vast dat in het onderhavige geval er
geen objectieve rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Derhalve is het indirect
onderscheid niet gerechtvaardigd.

4.7 Het beroep van de wederpartij op de uitzondering op het verbod van
onderscheid naar nationaliteit van artikel 2 lid 5 AWGB faalt. Deze uitzondering
geldt voor algemeen verbindende voorschriften. Het bankregelement is weliswaar
een gemeentelijke verordening, maar de afwijzing op grond van een tijdelijke
verblijfsvergunning is niet als zodanig als weigeringsgrond in het reglement
opgenomen. In artikel 9 lid 1 sub e van het reglement wordt slechts gesteld
dat weigering dient plaats te vinden indien de kredietverstrekking anderszins
een niet aanvaardbaar risico voor de bank of voor de aanvrager zou inhouden.
Hieruit volgt niet dwingend dat houders van een D-document een dergelijk
risico vormen. Ter zitting heeft de wederpartij hieromtrent gesteld dat
zij naar het kredietrisico van verzoeker geen nader onderzoek heeft gedaan
en dat haar bovendien geen ervaringsgegevens bekend zijn waaruit blijkt
dat personen met een tijdelijke vergunning tot verblijf een groter kredietrisico
zouden vormen.
Evenmin kan worden gesteld, zoals door de wederpartij is aangevoerd, dat
het handelen van de wederpartij valt onder de uitzondering van artikel
29 AWGB. Daarvoor geldt hetzelfde als hiervoor betoogd, namelijk dat in
het onderhavige geval het bestreden onderscheid door het bestuursorgaan
niet gemaakt wordt op grond van een bekendgemaakte beleidsregel.

4.8 De Commissie concludeert dat de wederpartij door verzoeker enkel op
grond van het D-document krediet te weigeren zonder daarbij te wijzen op
de mogelijkheid van borgstelling in strijd heeft gehandeld met de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeester
en Wethouders van de gemeente Eindhoven jegens de heer (….) te Eindhoven
bij het uitvoeren van bankdiensten onderscheid heeft gemaakt als bedoeld
in artikel 7 lid 1 sub b Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

Mw. mr. L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw. mr. drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr. mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw. mr. S.L.Kroes (secretaris Kamer).

Instantie: Kantonrechter Groningen, 30 november 1995

Instantie

Kantonrechter Groningen

Samenvatting


H is sedert 1985 bij de Stichting en haar rechtsvoorgangers in dienst als
groepsleiders in een gezinsvervangend tehuis waar kinderen in de leeftijd van
15-17 jaar verblijven. Over H wordt in 1995 een klacht ingediend, inhoudende
dat hij klaagster in een voorraadkamertje zou hebben gekust. Daarop is H door
de leiding geschorst. H erkent de pupil te hebben gekust, maar stelt dat dit
in het openbaar en in aanwezigheid van derden is geschied, waarbij het om een
uiting van waardering voor het werk van klaagster ging. Deze lezing wordt
bevestigd door getuigen.
Partijen onderkennen beiden, dat de jongeren in het woonhuis, net als
jongeren in een thuissituatie van hun ouders, van de groepsleiders warmte,
aandacht en affectie verlangen en dat daarvan lichamelijke aanraking in de
vorm van bijvoorbeeld knuffelen of troostend een arm om iemand heenslaan deel
kan uitmaken. Voorts onderkennen beiden, dat de groepsleiders daarbij hun
professionaliteit in acht moeten nemen en geen grenzen moeten overschrijden,
die ouders in hun affectief gedrag tegenover hun kinderen niet behoren te
overschrijden.
Het is een feit van algemene bekendheid, dat seksualiteit en intimiteit in de
jeugdhulpverlening tot problematische situaties aanleiding kunnen geven, dat
sprake is van seksueel misbruik van jongeren door hulpverleners en anderzijds
hulpverleners ten onrechte van seksueel misbruik kunnen worden beschuldigd.
De kantonrechter constateert dat de stichting niet heeft gehandeld volgens
het door de werkgeversvereniging waarbij de stichting is aangesloten
opgestelde model-protocol, met name niet op het punt van de afhandeling van
de klacht, waar de directie geen degelijk onderzoek heeft gepleegd door
uitsluitend af te gaan op de klacht van de pupil.
De omhelzing en het geven van een kus onder door H genoemde en door getuigen
bevestigde omstandigheden is geen voorbeeld van grensoverschrijdend gedrag.
Van een tweede incident is door de directie geen aantekening gemaakt in het
personeelsdossier en daarvan zijn ook overigens geen feiten naar voren
gekomen die relevant zijn voor deze procedure.
De gevraagde ontbinding wordt geweigerd. H’s leeftijd en het feit dat zijn
naam beschadigd is zullen het voor hem vrijwel onmogelijk maken om ergens
anders in deze sector werk te vinden. Nu duidelijk is dat H niet naar
hetzelfde gezinsvervangende tehuis kan terugkeren (het feit dat de stichting
een procedure tegen H heeft aangespannen heeft de verhoudingen met de
teamleden vertroebeld en heeft het vertrouwen dat de pupillen in hem moeten
kunnen stellen geschokt) moet de stichting de mogelijkheid onderzoeken H bij
een van de andere projecten van de stichting te werk te stellen.
Ontbinding wegens dringende reden, subsidiair wegens wijziging in de
omstandigheden. H vordert voor het geval het verzoek wordt toegewezen een
bedrag van ƒ 300.000 aan schadeloosstelling.
Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen.

Volledige tekst

Overwegingen

1. Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie op 17 oktober 1995 verzoekt de
Stichting Jeugdzorg Groningen ontbinding van de tussen haar en H bestaande
arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen primair bestaande uit een
dringende reden en subsidiair bestaande uit veranderingen in de
omstandigheden.
Aan het verzoekschrift waren producties gehecht.
H heeft een verweerschrift ingediend onder overlegging van producties en
heeft verzocht de Stichting in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren,
althans het verzoek af te wijzen, subsidiair, voor het geval de
arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens veranderingen, de Stichting te
veroordelen tot betaling aan hem van een vergoeding van ƒ 300.000.
Op donderdag 16 november 1995 heeft de mondelinge behandeling van de zaak
plaatsgevonden.
Daarbij waren aanwezig namens de Stichting haar hoofd afdeling
personeelszaken, bijgestaan door de gemachtigde Mw.mr M.P.C.J. van Bavel,
advocaat en procureur te Groningen, en H, bijgestaan door zijn gemachtigde mr
J.C.M. Silvius, advocaat en procureur te Winschoten.
De gemachtigden hebben de standpunten van partijen toegelicht. Verzoeksters
gemachtigde heeft dat gedaan aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.
H’s gemachtigde heeft een productie overgelegd.
Van het verhandelde ter terechtzitting heeft de griffier aantekening
gehouden.

2. Tussen partijen staat in ieder geval het navolgende vast als enerzijds
gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, mede
op grond van de overgelegde producties, voorzover de inhoud daarvan niet
wordt betwist:
H is op 12 februari 1988 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de
Stichting De Opbouw, de rechtsvoorgangster van verzoekster. Daarvoor werkte
hij vanaf 12 maart 1985 als invalkracht gedurende de perioden aangegeven in
het ten processe overgelegde memo. Op 20 april 1995 is de Stichting De Opbouw
door een fusie opgegaan in de Stichting Jeugdzorg Groningen.
H is steeds werkzaam geweest in de functie van groepsleider, laatstelijk voor
de duur van 30 uur per week tegen een salaris van ongeveer ƒ 2.700 bruto per
maand.
Vanaf het begin van het dienstverband is H als groepsleider werkzaam geweest
in het woonhuis ‘Marnixkade’ van de Stichting Jeugdzorg, waar 9 jongeren in
de leeftijd van 15/16/17 jaar begeleid zijn gehuisvest.
Een team van 5 groepsleiders is bij toerbeurt in het woonhuis aanwezig,
waarbij gedurende 30 minuten overdracht van de dienst van de ene groepsleider
op de andere plaatsvindt. In het woonhuis wonen jongeren met een
problematische achtergrond, die niet zelden affectief en emotioneel zijn
verwaarloosd.
De groepsleiders dienen de jongeren als een vader en moeder te verzorgen en
op te voeden.
H is op vrijdag 22 september 1995 geschorst, omdat de pupil A een klacht
tegen hem heeft ingediend wegens sexuele intimidatie c.q. benadering. Op
maandag 25 september 1995 is H door de Stichting geconfronteerd met de
schriftelijke verklaringen van A en een andere pupil, woonachtig in het
woonhuis.

3. De Stichting legt aan haar verzoek ten grondslag gewichtige redenen,
bestaande uit een dringende reden, te weten niet professioneel en
grensoverschrijdend gedrag, waarbij H de belangen van de jongeren in het
woonhuis heeft achtergesteld bij zijn eigen belangen, subsidiair wegens
gewichtige redenen bestaande uit een wijziging in de omstandigheden, omdat
door het voorgaande de directie noch de collega’s van H nog enig vertrouwen
in H hebben, waardoor een onwerkbare situatie is ontstaan.
H heeft de gronden van het verzoek gemotiveerd bestreden.

4. Partijen onderkennen beiden, dat de jongeren in het woonhuis, net als
jongeren in een thuissituatie van hun ouders, van de groepsleiders warmte,
aandacht en affectie verlangen en dat daarvan lichamelijke aanraking in de
vorm van b.v. knuffelen of troostend een arm om iemand heen slaan deel kan
uitmaken.
Voorts onderkennen beiden, dat de groepsleiders daarbij hun professionaliteit
in acht moeten nemen en geen grenzen moeten overschrijden, die ouders in hun
affectief gedrag tegenover hun kinderen niet behoren te overschrijden.
Het is een feit van algemene bekendheid, dat sexualiteit en intimiteit in de
jeugdhulpverlening tot problematische situaties aanleiding kunnen geven, dat
sprake is van sexueel misbruik van jongeren door hulpverleners en anderzijds
hulpverleners ten onrechte van sexueel misbruik worden beschuldigd.

5. In de procedure is overgelegd een model-protocol preventie van sexueel
misbruik van clienten door hulpverleners, tweede versie, d.d. november 1994,
opgesteld door de sectie Jeugdhulpverlening van de VOG, een
werkgeversvereniging waarbij de Stichting Jeugdzorg is aangesloten.
Het protocol bevat richtlijnen hoe te handelen ter voorkoming van sexueel
misbruik van clienten door hulpverleners en hoe te handelen in geval van een
vermoeden van seksueel misbruik van clienten door een hulpverlener.
In het protocol wordt onder anderen sexueel misbruik gedefinieerd en worden
aanbevelingen gedaan voor een preventief beleid ten aanzien van sexueel
misbruik en voor een procedure van onderzoek in geval een vermoeden van
misbruik wordt gemeld. Verder wordt in het protocol bepaald in artikel 3, dat
een instelling duidelijkheid over het beleid dient te verschaffen aangaande
sexueel misbruik, zorgdraagt voor deskundigheidsbevordering inzake preventie
van sexueel misbruik en erop toeziet, dat in intervisie- gesprekken en
teambesprekingen periodiek aandacht wordt besteedt aan preventie van sexueel
misbruik door hulpverleners.

6. Dit protocol behoeft de Stichting niet dwingend in acht te nemen, maar kan
een leidraad voor haar vormen.
De Stichting heeft verklaard bezig te zijn het protocol verder uit te bouwen,
omdat het naar haar oordeel onvolledig is, omdat in het protocol niet de
relatie medewerker-medewerker en client-client is opgenomen.

7. Duidelijk wordt uit het protocol, dat de werkgevers in de
hulpverlenings-sector bij melding van een vermoeden van seksueel misbruik
hechten aan een degelijk onderzoek.Het belang van een degelijk onderzoek
onderschrijft de kantonrechter. Geconstateerd moet worden, dat een degelijk
onderzoek in ‘het incident A’ welk incident de directe aanleiding is geweest
voor de schorsing van H en voor het indienen van het onderhavige
verzoekschrift.
De Stichting is enkel afgegaan op de verklaring van A en heeft bijvoorbeeld
niet na te noemen mevr. Bijl om inlichtingen gevraagd.
A heeft 22 september 1995 tijdens een gesprek met de teamleider en Nico de
Wever, dat werd genotuleerd door een groepsleider van het woonhuis, verklaard
tijdens de Winschoternacht in een voorraadkamertje van het cafe, waarin zij
die nacht werkzaam was als serveerster, gekust te zijn door H. H is op
maandag 25 september 1995 geconfronteerd met de verklaring van A.

8. Ten processe heeft H erkend haar te hebben gekust, maar dit voorval vond
plaats in de keuken achter het cafe, zichtbaar voor een ieder die daar
werkte. Hij kuste haar, omdat hij enthousiast was over de manier waarop zij
haar werk deed, aldus H.
Deze lezing van de toedracht van het voorval wordt ondersteund door de
schriftelijke verklaring van 14 november 1995 van mevr. Bijl, de eigenaresse
van het cafe. Zij schrijft, dat de omhelzing in de keuken voor iedereen
zichtbaar plaatsvond en sprake was van een puur vriendschappelijke omhelzing.
De kantonrechter merkt de omhelzing met kus, die voor iedereen zichtbaar was,
onder de geschetste omstandigheden niet aan als grensoverschrijdend gedrag.

9. Volgens A – zie haar veklaring d.d. 22 september 1995 – heeft H haar na de
nacht van Winschoten diverse malen benaderd en gekust en de indruk gegeven
‘serieuzer met haar om te willen gaan’.
H heeft dit gemotiveerd ontkend.
Het verstrekken van een bewijsopdracht op dit punt acht de kantonrechter niet
zinvol. Het betreft een situatie waarin alleen A en H kunnen verklaren wat
zich heeft voorgedaan. Hun verklaringen staan tegenover elkaar en zullen naar
verwachting bij een getuigenverhoor tegenover elkaar blijven staan, zodat
niet duidelijk zal worden wat zich werkelijk heeft voorgedaan.
Niet uitgesloten is dat A gedragingen en uitlatingen van H anders heeft
opgevat dan deze heeft bedoeld.

10. Een tweede voorval, dat de Stichting aanhaalt als voorbeeld van H’s
onprofessionele, grensoverschrijdende gedrag, is het incident met de pupil X
in december 1993/januari 1994.
Na een bewonersvergadering was het incident volgens H uit de wereld, maar
volgens de Stichting blijkt uit een verklaring van de groepsleidster C.H.
d.d. 4 oktober 1995, dat de problemen rond X niet opgelost waren. Volgens
Hiwat onderhield X nog steeds contact met H en stond hij open voor dat
contact.
H. bestrijdt dit gemotiveerd.

11. Bij het incident A valt op, dat volgens de Stichting de directie in het
incident is gemengd, maar volgens H dit incident geen zaak van de directie is
geweest.
Vast staat wel, dat van de zaak geen dossier is aangelegd.
Als de zaak inderdaad het gewicht heeft gehad, dat de Stichting er thans aan
toekent, wekt het bevreemding, dat de directie geen dossier van het incident
heeft aangelegd en – dit geldt voor de door mevr. Hiwat vermelde voortdurende
contacten tussen X en H waarvoor H zich openstelde – is het merkwaardig, dat
mevr. H van die contacten geen melding heeft gedaan bij de directie.
Hetzelfde geldt voor de andere voorvallen, waarvan mevr. H melding maakt in
haar verklaring, zoals het verlenen van toestemming aan Y voor het kopen van
alcohol (najaar 1994) en klachten van bewoonsters in april 1995 over het
binnentreden van H van hun slaapkamers, het maken van sexuele toespelingen en
knijpen in de billen.
Deze voorvallen plaatst H in een ander daglicht dan wel ontkent hij.

12. Dat mevr. Hiwat en de andere teamleden zich dermate geintimideerd hebben
gevoeld door H, dat zij hem steeds de hand boven het hoofd hebben gehouden,
zoals de Stichting betoogt, is moeilijk voorstelbaar.
Van hulpverleners als professionele groepsleiders in de jeugdzorg mag men
toch voldoende assertiviteit verwachten om ongewenst gedrag van een andere
groepsleider jegens hun pupillen en jegens hen te durven melden aan de
directie of direct leidinggevende.
Derhalve zal de kantonrechter voor wat betreft het door de Stichting aan de
orde gestelde gedragingen van H ten opzichte van de andere teamleden alleen
acht slaan op de kwestie I. Laatstgenoemde heeft zich beklaagd over H via de
Arbomedewerkster van de Stichting Jeugdzorg Groningen.
H heeft zich de kritiek van I op zijn gedrag aangetrokken en zich bereid
getoond samen met een vertrouwenspersoon de bezwaren tegen zijn persoon en
zijn optreden met I te bespreken, zo blijkt uit de brief van 8 september 1995
van dhr. N. de Wever aan H.
Een oplossing van de door I ervaren problematiek in de samenwerking met H was
geenszins uitgesloten, maar de kwestie was ten tijde van de schorsing nog
niet afgedaan ten gevolge van ziekte van I. Daarom laat de kantonrechter deze
kwestie niet meespelen bij de beoordeling van H’s functioneren binnen het
team.

13. De kantonrechter komt op grond van het vooroverwogene tot de
gevolgtrekking, dat geen feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan
die een dringende reden opleveren, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst
zou moeten worden ontbonden.
Duidelijk is geworden, dat een terugkeer van H als groepsleider in het
woonhuis Marnixkade ongewenst is, omdat de onderhavige procedure en hetgeen
voor de Stichting aanleiding is geweest de procedure te entameren de
verhouding met zijn teamleden heeft vertroebeld en het onvoorwaardelijke
vertrouwen, dat de pupillen in H moeten kunnen stellen, heeft geschokt.
H is thans 41 jaar. Hij heeft vanaf 1985 als groepsleider in de
jeugdhulpverlening gewerkt en is daarvoor werkzaam geweest in de verpleging.
Het zal voor hem zeer moeilijk, zo niet onmogelijk zijn, een werkkring bij
een andere werkgever in de jeugdhulpverlening of verpleging te vinden, omdat
te verwachten is, dat de werkgevers in deze sectoren het zekere voor het
onzekere zullen nemen, uitgaande van de gedachte ‘waar rook is, zal ook wel
vuur zijn’.
Naast het project van het begeleid huisvesten van jongeren in het woonhuis an
de Marnixkade heeft de Stichting diverse andere projecten onder haar hoede
waar H werkzaam zou kunnen zijn. Het belang van H brengt mee, dat de
Stichting deze mogelijkheid dient te onderzoeken, voordat de
arbeidsovereenkomst met H kan worden ontbonden.
Het verzoek wordt daarom afgewezen.

BESLISSING:

De kantonrechter:

wijst het verzoek af.

Veroordeelt de Stichting Jeugdzorg Groningen in de kosten van de procedure
tot zover aan de zijde van H begroot op ƒ 1000 salaris gemachtigde.

Rechters

Mw Mr M.M. Overes-Hulst

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 30 november 1995

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Het Hof stelt dat de SGP discrimineert maar het zal de SGP niet
vervolgen omdat de SGP niet op strafbare wijze discrimineert. Het hof
beperkt zich in zijn oordeel tot de brief van de SGP aan haar leden
waarin de partij haar leden de partijvisie voorlegt. Die visie houdt in
dat het regeerambt alleen mannen toekomt en dat vrouwen geen lid kunnen
worden van de SGP. Het Hof ziet de SGP als een vereniging en stelt dat
bij de totstandkoming van de wet het lidmaatschap van verenigingen
bewust buiten het strafrecht is gehouden. De brief gericht aan alle
leden van de partij kan volgens het hof niet worden gezien als het
aanzetten tot discriminatie of als activiteiten gericht op
discriminatie van geslacht zoals strafbaar gesteld in het Wetboek van
Strafrecht. Het hof is wel van mening dat het onthouden van
partijlidmaatschap aan vrouwen een aantasting van de fundamentele
rechten en vrijheden van vrouwen kan zijn, maar vindt tegelijkertijd
dat de SGP in haar brief aan de leden die rechten ontziet.

Volledige tekst

Overwegingen ten aanzien van de beklagprocedure:

1. Bij tussenbeschikking van 4 augustus 1995 heeft het Hof bepaald, dat
klaagster en Nieuwenhuis voornoemd, desgewenst bijgestaan of
vertegenwoordigd op de bij de wet voorziene wijze, dienen te worden
gehoord op 12 oktober 1995 te 15.15 uur.

2. Op 12 oktober 1995 heeft bedoeld verhoor plaatsgevonden, waarbij
partijen vergezeld waren van hun respectieve raadslieden.

3. Bij gelegenheid van dat verhoor heeft klaagster haar klacht beperkt
in dier voege, dat die klacht geen betrekking meer heeft op de
uitlatingen in de media van de toenmalige voorzitter van de SGP,
waarvan in haar klacht sprake is.

4. Op verzoek van het hof hebben beide raadslieden – Mr. Voogt bij brief
van 13 oktober 1995 en Mr. van Bon-Moors bij brief van 16 oktober 1995 –
respectievelijk het Huishoudelijk reglement van de plaatselijke
kiesvereniging Raamsdonk van de SGP en briefwisseling zijdens klaagster
en SGP aan het hof doen toekomen onder mededeling dat daarvan kopie is
toegezonden aan de wederpartij en aan de procureur-generaal.

5. In een civiele procedure tussen partijen, gevoerd voor de
arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage is op 1 november 1995
uitspraak gedaan. Het hof heeft kennis genomen van het desbetreffende
vonnis.

6. Het hof heeft eveneens kennis genomen van het oordeel van de
Commissie Gelijke behandeling dd 8 december 1994 inzake de bij de
Commissie gedane klacht van klaagster tegen de SGP.

Overwegingen ten aanzien van het beklag:

1. Het beklag van klaagster concentreert zich thans daarop,
dat zij zich door het besluit van de
SGP gediscrimineerd voelt als vrouw, terwijl zij daarnaast als
belanghebbende/benadeelde in de zin van het Wetboek van Strafvordering
kan worden beschouwd. In raadkamer stelt zij lid van de SGP te willen
worden vanwege de stelling van die partij inzake een aantal voor haar
van belang zijnde onderwerpen, zulks onder erkenning van de
reformatorische grondslag van de SGP over het partijlidmaatschap van
vrouwen, zoals dat blijkbaar binnen de SGP domineert.

2. De SGP heeft bij monde van haar raadsman twijfel geuit over de
onderschrijving van de grondslag van de SGP door klaagster, gelet op
haar Rooms-katholieke achtergrond. Daarnaast betwijfelt de SGP het
motief van klaagster, dat zij is geraakt door het – vermeende – besluit
van de SGP om vrouwen niet (meer) als lid toe te laten, omdat zij lid
wilde worden van de SGP. In dat verband verwijst de SGP naar de datum –
5 augustus 1993 – waarop zowel voor het eerst schriftelijk het
lidmaatschap van de SGP is aangevraagd, als een klacht bij de officier
van justitie te Roermond tegen de SGP is ingediend wegens
discriminatie. Voorts betoogt de SGP met betrekking tot het ingevolge
artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering vereiste belang van
klaagster dat dit ontbreekt. Een besluit om vrouwen niet (meer) als lid
toe te laten was nog niet genomen en klaagster was en is nog niet
formeel geweigerd door de SGP. Tenslotte moet het feit, dat klaagster
zich als vrouw gediscrimineerd voelt, daarbij te weinig concreet worden
geacht.

3. Het behoort niet tot de rechterlijke taak om in en zaak als de
onderhavige onderzoek te doen naar politieke en godsdienstige
overtuigingen en motieven van partijen bij die zaak. Het hof heeft geen
reden om te twijfelen aan hetgeen klaagster over haar opvattingen en
motieven in raadkamer te berde heeft gebrachte. Bovendien is van de
zijde van de SGP is hetgeen dienaangaande door klaagster in raadkamer
is gesteld en betoogd daar niet weersproken of onderwerp van debat
gemaakt. Wel is door de SGP gewezen op het merkwaardig samenvallen in
tijd van de strafklacht en de aanmelding als lid, te weten op 5
augustus 1993, maar die omstandigheid is, gelet op hetgeen toen al
bekend was omtrent de stellingname in SGP-kring omtrent het
lidmaatschap van vrouwen, geen reden om te twijfelen aan de ernst van
het voornemen van klaagster om lid te worden van de SGP. Het hof
verwerpt ook verder het betoog van de SGP, dat klaagster geen
belanghebbende in de zin van artikel 12 van het Wetboek van
Strafvordering kan zijn:

– Inderdaad was binnen de SGP nog geen algemeen besluit genomen om
vrouwen als lid te weigeren, maar een aanzienlijk aantal plaatselijke
kiesverenigingen kende al wel een statutaire beperking van het
lidmaatschap tot mannen. De kiesvereniging Raamsdonk, waaraan klaagster
volgens de SGP zelf blijkens brieven van 8 en 18 oktober 1993 haar
verzoek om lid te worden had moeten richten, kent ook een dergelijke
beperking.

In raadkamer heeft de SGP bovendien naar vorengebracht, dat van oudsher
werd aangenomen dat op basis van de grondslag, zoals omschreven in
artikel 2 van de Statuten, het lidmaatschap van de partij niet toekwam
aan vrouwen. De omstandigheid dat de SGP op dat moment geen algemeen
statutair verbod kende en ook nog geen feitelijke algemene stop op
(nieuwe) vrouwelijke leden, staat er dan niet aan in de weg om
klaagster als belanghebbende in de zin van artikel 12 van het Wetboek
van Strafvordering aan te merken. In raadkamer is voorts medegedeeld,
dat nergens meer vrouwen als lid van de SGP worden ingeschreven. Aan de
standpuntbepaling binnen de SGP met betrekking tot toelating van
vrouwen liggen wel degelijke principiele overwegingen ten grondslag.
Het betreft het kernpunt van de vraag, of klaagster wel of niet als lid
kan worden toegelaten. De SGP maakt – zij komt daar blijkens de stukken
en in raadkamer ook voor uit – onderscheid wegens geslacht bij het
lidmaatschap. Het primair gebezigde argument, dat er voor klaagster
geen ‘nabije’ kiesvereniging voorhanden is of zou zijn, kan daaraan
niet afdoen.

– Aan het aanmerken van klaagster als belanghebbende in de zin van
artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering staat evenmin in de weg
de omstandigheid, dat klaagster nog nooit formeel als lid geweigerd is.
Wat telt in dit verband is, dat klaagster niet als lid is aanvaard. –
Het hof acht tenslotte het door klaagster gestelde gevoel dat zij als
vrouw gediscrimineerd is/wordt in de voorliggende kwestie niet
onvoldoende concreet om haar als belanghebbende in voormelde zin aan te
merken. Zij wenst lid te worden van de SGP, maar wordt feitelijke als
zodanig niet aanvaard of toegelaten. Daarbij speelt klaarblijkelijk een
rol, dat zij een vrouw is.

4. Het door de SGP als voormeld gemaakte onderscheid valt onder de in
artikel 90 quarter van het Wetboek van Strafrecht gegeven omschrijving
van wat onder discriminatie en discrimineren dient te worden verstaan.
Aan de SGP kan worden toegegeven, dat aan die beide begrippen in de
Nederlandse samenleving vaak een pejoratief karakter wordt toegekend,
maar dat doet er niet aan af, dat het onthouden van een
partijlidmaatschap aan vrouwen als zodanig het genot of de uitoefening
op voet van gelijkheid van de fundamentele vrijheden op politiek
terrein kan aantasten.

5. In haar klaagschrift refereert klaagster met name aan drie
strafbepalingen, te weten de artikelen 429quarter, 137d en 137f van het
Wet van Strafrecht. Aan de orde is thans, of overtreding van een of
meer van die bepalingen zodanig aannemelijk is, dat een strafvervolging
tegen de SGP in aanmerking kan komen.

– Gelet op de beperking van het beklag door klaagster, als hierboven
onder het verloop van de procedure onder 3 vermelde, is een mogelijke
grondslag voor vervolging ter zake van handelen in strijd met artikel
137d van het Wetboek van Strafrecht komen te vervallen.

– Voor vervolging ter zake van handelen in strijd met artikel 429
quarter van het Wetboek van Strafrecht is vereist, dat het gewraakte
handelen/gedrag plaats vindt in de uitoefening van ambt, beroep of
bedrijf in het maatschappelijk verkeer. Waar het in het onderhavige
geval gaat om het lidmaatschap van de SGP, d.w.z. het interne
functioneren van die partij als vereniging, is van geen van die drie
sprake. Welbewust is het lidmaatschap van verenigingen buiten de
werking van het strafrecht en van de nog recente Algemene wet gelijke
behandeling gehouden. Dat blijkt uit de parlementaire behandeling van
de desbetreffende wetsvoorstellen. Art. 429 quarter is derhalve in deze
niet van toepassing.

– Met betrekking tot artikel 137f van het Wetboek van Strafrecht
overweegt het hof het volgende. Deze bepaling is vergelijkbaar met het
deelnemen aan een criminele organisatie (artikel 140 van het Wetboek
van Strafrecht). Het moet gaan om deelnemen aan activiteiten gericht op
discriminatie van mensen wegens hun geslacht. Als zodanig beschouwt
klaagster de brief van de SGP getiteld ‘Aan alle leden van onze
Staatkundig Gereformeerde Partij’ van 22 juli 1993 en hetgeen terzake
door de Huishoudelijke Vergadering van de SGP werd aanvaard. Blijkens
die brief doet de SGP aan de leden voorstellen met betrekking tot de
positie van de vrouw in het kader van c.q. in relatie tot de SGP. De
brief biedt daarbij een onderbouwing van de daarin vervatte voorstellen
en standpunten op basis van de Bijbel en van kanttekeningen daarbij en
naar aanleiding daarvan. De voorstellen hebben betrekking op de visie
van de partij op het ambt en de taak van de regering in politieke zin
(Voorstel 1) en op de regeling van het partijlidmaatschap en breden zin
(Voorstel 2 en 3).

Blijkens het eerste voorstel wordt het politieke bestuur toevertrouwd
aan de man, blijkens het tweede en derde voorstel kunnen vrouwen geen
(gewoon) lid worden van de partij. Daargelaten of onder activiteiten
gericht of discriminatie in de zin van artikel 137f voornoemd alleen
elders strafbaar gesteld gedrag dient te worden verstaan, ligt het voor
de hand daaronder in elk geval niet te begrijpen handelen of gedrag,
ten aanzien waarvan het duidelijk is, dat welbewust – en bovendien nog
recentelijk – van verbieden en van strafbaarstelling is afgezien, zoals
in casu met betrekking tot discriminatie bij het lidmaatschap van
verenigingen (vergelijk Voorstel 2). Discriminatie met betrekking tot
het ambt en de taak van de regering in politieke zin (vergelijk
Voorstel 1) betreft verkiezingen en politieke keuzes met de daaruit
voortvloeiende uitkomsten en gevolgen.

Het staat strafrechtelijk vrij voor een politieke partij om te kiezen
voor enkel mannen in politieke functies en om daarvoor ook te werven,
zolang verbodsbepalingen, zoals artikel 137d van het Wetboek van
Strafrecht, in acht genomen worden en maar geen onderscheid wordt
gemaakt met betrekking tot de fundamentele vrijheden en de rechten van
vrouwen als bedoeld in artikel 90 quarter van het Wetboek van
strafrecht, en die vrijheden en rechten actief en passief kiesrecht van
vrouwen en het recht van vrouwen om op gelijke voet als mannen te
participeren in de politiek. Hetgeen klaagster dienaangaande naar voren
heeft gebracht rechtvaardigt niet de conclusie dat in casu voornoemde
rechten niet door de SGP worden ontzien. Dit leidt er toe, dat de
gewraakte activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als activiteiten
gericht op discriminatie van mensen wegens geslacht als bedoeld in
artikel 137f van het Wetboek van Strafrecht

6. De SGP discrimineert wel, maar – voorzover in deze zaak aan de orde
– niet op strafbare wijze.

Beslissing Wijst het beklag af.

Rechters

Mrs Horstink, In ’t Veld-Meijer, Mijnssen

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 29 november 1995

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Anderhalf jaar na de echtscheiding (na een huwelijk van 15 jaar) verzoekt
de man de rechtbank de opgelegde alimentatieverplichting te wijzigen. De
man is van oordeel dat de vrouw inkomsten uit arbeid vergaart, althans
van haar gevergd kan worden dat zij inkomsten uit arbeid vergaart. De rechtbank
is overtuigd van de inzet van de vrouw om betaalde arbeid te zoeken. De
rechtbank wijst erop dat indien zij inkomsten uit arbeid ontvangt deze
met een grote waarschijnlijkheid nooit haar volledige behoefte zal opheffen.
De welstand van partijen was gedurende de laatste jaren van samenwoning
behoorlijk. De rechtbank wijst de man erop dat hij niet uit het oog mag
verliezen dat het destijds hun gezamenlijke keuze is geweest om voor het
(als toen veelal gebruikelijke) patroon te kiezen dat de vrouw de verzorging
van de kinderen ter hand nam zodat de man in staat bleef zich inkomsten
uit arbeid te vergaren. Deze beslissing heeft tot gevolg gehad dat de man
gedurende het huwelijk een praktijk als fysiotherapeut kon opbouwen, terwijl
de carrière-kansen van de vrouw aanzienlijk afnamen. Van de man mag dan
gevergd worden dat hij de vrouw financieel in staat stelt deze achterstand
in te halen. Van limitering van de alimentatie kan geen sprake zijn aangezien
het te onzeker is of de vrouw inkomen uit arbeid kan verwerven. De rechtbank
vindt het redelijk om naast de norm voor een éénoudergezin rekening te
houden met de toegenomen kosten van de kinderen, aangezien thans alle kinderen
naar de middelbare school gaan. Hier geldt eveneens dat de behoefte van
de kinderen gerelateerd dient te worden aan de welstand van het gezin tijdens
het huwelijk.

Volledige tekst

Het procesverloop

Bij vonnis van deze rechtbank van 28 juli 1993 werd tussen de man en de
vrouw de echtscheiding uitgesproken. Daarbij werd de man een alimentatieverplichting
opgelegd ten behoeve van de vrouw van ƒ 2.750,= per maand.
Partijen zijn vervolgens in onderling overleg overeengekomen dat de man
een alimentatie van ƒ 2.250,= per maand aan de vrouw zal voldoen.

De man verzoekt in zijn op 15 december 1994 ingekomen verzoekschrift op
grond van gewijzigde omstandigheden bij zowel de vrouw als bij hem, de
opgelegde verplichting te wijzigen en te bepalen op nihil.

De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man. Zij verzoekt de alimentatieverplichting
wederom vast te stellen op het oorspronkelijk bepaalde bedrag van ƒ 2.750,=
per maand.

Partijen hebben bescheiden overgelegd.

Het verzoek is in de raadkamer behandeld.

De beoordeling van de behoefte

De man stelt dat de vrouw zich inkomsten uit arbeid vergaart, althans van
haar gevergd kan worden dat zij over inkomsten uit loondienst gaat beschikken.
De rechtbank acht genoegzaam aangetoond dat de vrouw naast inkomsten uit
alimentatie geen verdere inkomsten heeft.
Met de man is de rechtbank van oordeel dat van de vrowu gevergd mag worden
dat zij tracht door arbeid inkomsten te vergaren. Zij heeft immers, anders
dan de man, geen kinderen ter verzorging en is thans 45 jaar oud.
Hetgeen de man reeds bij de echtscheiding aanvoerde en thans herhaalde
omtrent de mogelijkheden van de vrouw om als directie-secretaresse te gaan
werken volgt de rechtbank echter niet. De vrouw heeft dat werk circa 20
jaar geleden voor het laatst verricht. Zij zou thans nagenoeg geheel opnieuw
opgeleid dienen te worden. De rechtbank acht voorshands weinig aannemelijk
dat de vrouw er op onverzienbare termijn in zal slagen in die richting
een volledige baan te vinden.
Anders dan de man acht de rechtbank het advies van het arbeidsbureau aan
de vrouw om zich te laten omscholen dan ook reeel.

De vrouw heeft de eerste twee jaren van een vierjarige opleiding HBO-verpleegkundige
gevolgd. Zij is er om gezondheidsredenen mee gestopt. De man weerspreekt
niet dat de vrouw de betreffende lichamelijke klachten al had tijdens het
huwelijk.
Naar het oordeel van de rechtbank onderneemt de vrouw serieuze pogingen
om op termijn door arbeid in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.
De man zal haar de tijd moeten laten om dit te bereiken. Daarbij mag de
man niet uit het oog verliezen dat het destijds hun gezamelijke keuze is
geweest om voor het (alstoen veelal gebruikelijke) patroon te kiezen dat
de vrouw de verzorging van de kinderen ter hand nam zodat de man in staat
bleef zich inkomsten uit arbeid te vergaren. Deze beslissing heeft tot
gevolg gehad dat de man gedurende het huwelijk een praktijk als fysiotherapeut
kon opbouwen, terwijl de carriére-kansen van de vrouw aanzienlijk afnamen.
Van de man mag dan gevergd worden dat hij de vrouw financieël in staat
stelt die achterstand in te halen.

Bovendien, ten overvloede, is het nog maar de vraag of de vrouw er in zal
slagen zich inkomsten uit arbeid te vergaren welke haar volledige behoefte
opheft. De welstand van partijen gedurende de laatste jaren van de samenwoning
was immers zeer behoorlijk.

De beoordeling van de gewijzigde omstandigheden

De vrouw bestrijdt dat de omstandigheden zijn gewijzigde ten opzichte van
die, waarmee in het echtscheidingsvonnis rekening werd gehouden (terwijl
daarna de alimentatie in onderling overleg ƒ 500,= per maand is verlaagd).
Hetgeen de man aanvoert omtrent de tweede hypotheek (hij heeft deze afgesloten
aangezien de fiscus niet accepteerde dat het bedrijfsvermogen de fiscale
oudedagsreservering niet meer dekte) acht de rechtank op zich onvoldoende.
Bij het echtscheidingsvonnis is immers uitgegaan van de “overige opnamen”,
welke vervolgens als bruto inkomsten zijn beschouwd. Met een latere belastingheffing
is derhalve al deels rekening gehouden. Bovendien werd daarbij overwogend
dat de overige kosten zoals die van de hypotheek reeds waren voldaan.

Indien thans hetzelfde uitgangspunt wordt gehanteerd kan de tweede hypotheek
slechts tot een wijziging van omstandigheden leiden als komt vast te staan
dat daardoor de bedrijfsresultaten negatief zijn bëinvloed. Gelet echter
op de hierna te melden andere wijzigingsgrond welke de man aanvoert en
welke de rechtbank redelijk vorokomt behoeft deze grondslag geen verdere
bespreking.

De man voert immers naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat de
kosten van de bij hem verblijvende kinderen zijn gestegen. Ten tijde van
het echtscheidingsvonnis bezocht alleen het oudste kind de middelbare school.
Thans genieten alle drie de kinderen middelbaar onderwijs. Het komt de
rechtbank aannemelijk voor dat daardoor de kosten van die kinderen zijn
gestegen, terwijl zoals bij de vrouw ook bij de kinderen de behoefte gerelateerd
dient te worden aan de welstand van het gezin tijdens het huwelijk.

De man kan derhalve in zijn verzoek worden ontvangen.

Beoordeling van de draagkracht

De man voert aan dat de resultaten van zijn onderneming aanmerkelijk zijn
verslechterd. Uit de overgelegde jaarstukkne over 1994 blijkt dat echter
geenszins. Het bedrijfs- en het eigen vermogen zijn toegenomen evenals
het liquiditeitsoverschot.
De man verwijst verder naar de post “overige opnamen’ welke zijn verminderd.
Daarin volgt de rechtbank hem niet. Bij het echtschiedingsvonnis is op
grond van die opnemen de alimentatie ten behoeve van de vrouw berekend.
Thans blijken de opnamen ruim ƒ 6.000,= op jaarbasis minder, maar de man
verliest daarbij uit het oog dat de alimentatieverplichting vervolgens
apart als opname wordt vermeld.
Daarvan uitgaande is de post “overige opnamen” aanmerkelijk gestegen.
Verder blijkt de ziektekostendekking lager dan waarvan destijds is uitgegaan
omschreven standpunt omtrent aflossing en levensverzekering.

Wel acht de rechtbank het redelijk om naast de norm voor een éénoudergezin
rekening te houden met de toegenomen kosten van de kinderen. Het gaat niet
aan om, zoals de man voorstelt, alle kosten hierbij te betrekken. Naast
het verschil tussen alleenstaandenorm en die van een éénoudergezin ontvangt
de man immers nog kinderbijslag, welke stijgt bij het bereiken van de twaalfjarige
leeftijd. De rechtbank acht het redelijk om, gezien de welstand waaraan
de kinderen gewend zijn, rekening te houden met extra uitgaven aan de zijde
van de man tot een bedrag van ƒ 150,= per kind per maand.

De rechtbank is, gelet op vorenstaaande, van oordeel dat de man nog immer
in staat is de tussen partijen overeengekomen alimentatieverplichting ten
behoeve van de vrouw te voldoen.

Zijn verlagingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.
De man is naar wettelijke maatstaven niet in staat het orospronkelijk vastgestelde
bedrag te voldoen, zodat het verhogingsverzoek van de vrouw eveneens zal
worden afgewezen.

Gezien de financiële omstandigheden van partijen acht de rechtbank het
redelijk om per 1 december 1995 de alimentatie opnieuw op ƒ 2.250,= per
maand vast te stellen, zodat de wettelijke indexering over het verleden
daarop niet langer van toepasing is.

Overigens blijft die indexering per 1 januair 1996 en verder wel onverkort
van toepassing op de alimentatie.

Beoordeling van de limitering

De man verzoekt de alimentatieverplichting te limiteren aangezien de vrouw
op termijn in eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. Die toekomstige
omstandigheid acht de rechtbank echter nog te onzeker om thans daarop de
beslissing te baseren. Partijen zijn 15 jaar gehuwd geweest, gedurende
welke huwelijk, zoals reeds overwogen, de vrouw heeft meegewerkt aan de
opbouw van de bloeiende praktijk van de man. Gedurende de twee jaren sinds
de echtscheiding is de vrouw = ondanks serieuze inzet = nog niet geslaagd
in het vinden van werk.
De rechtbank wijst dit verzoek van de man af.

Boordeling van de proceskosten

De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (voormalige echtelieden)
compenseren.

De beslissing.

De rechtbank:

Wijzigt de bij vonnis van 14 juli 1993 aan de man ten behoeve van de vrouw
opgelegde alimentatieverplichting.

Bepaalt, dat de man met ingang van 1 december 1995 ten behoeve van haar
een alimentatie dient te betalen van ƒ 2.250,= per maand.

Bepaalt dat partijen aan elkaar geen proceskosten behoeven te betalen.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Rechters

Mr van Schaijck-Hijmans

Instantie: Rechtbank Dordrecht, 29 november 1995

Instantie

Rechtbank Dordrecht

Samenvatting


Na een huwelijk van 29 jaar is 22 jaar alimentatie betaald. Die bedraagt ƒ
200. Uit het huwelijk zijn kinderen geboren. De vrouw was ten tijde van de
echtscheiding 47 jaar oud en is thans 69 jaar oud. De vrouw heeft geen
arbeidsverleden. Beide partijen ontvangen een AOW-uitkering, terwijl de man
daarnaast een tweetal pensioenen ontvangt.
De rechtbank motiveert en beslist:
`Een vergelijking van beider draagkracht, de genoemde alimentatie in
aanmerking genomen, laat zien dat de vrouw dan nog steeds minder
bestedingsruimte heeft dan de man. (…) Nu ook uit de omstandigheden kan
worden afgeleid dat de vrouw, na, en ook ten gevolge van, het langdurig
huwelijk van partijen niet de mogelijkheid heeft gehad nadien door eigen
arbeid in haar levensonderhoud te voorzien, komt het de rechtbank op gronden
van redelijkheid en billijkheid juist voor om – zoals de vrouw vraagt – te
bepalen dat de alimentatie zal voortduren tot 1 juli 2006, op welke datum de
man 29 jaar alimentatie heeft betaald.

Volledige tekst

; Het procesverloop
Bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 15 november 1976 werd tussen de
man en de vrouw de echtscheiding uitgesproken.
Bij dat vonnis werd de man een alimentatieverplichting opgelegd ten behoeve
van de vrouw van ƒ 200 per maand.
De man verzoekt in zijn op 31 mei 1995 ingekomen verzoekschrift op grond van
gewijzigde omstandigheden de opgelegde verplichting te wijzigen en met ingang
van 1 april 1995 te bepalen op nihil, en voordien op hetgeen feitelijk is
betaald.
Tevens verzoekt de man de alimentatieplicht te limiteren en per 1 juli 1997
te laten beëindigen.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man.
Partijen hebben bescheiden overgelegd.
Het verzoek is op 10 november 1995 in raadkamer behandeld.
De beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor is gebleken, dat de
omstandigheden van de man en de vrouw sedert het vonnis van de rechtbank te
Rotterdam van 15 november 1976 zijn gewijzigd, nu zij beiden de 65-jarige
leeftijd hebben bereikt. De rechtbank zal derhalve dienen te bezien of, gelet
op de omvang van die wijziging de opgelegde alimentatieverplichting nog immer
aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Nu de echtscheiding is uitgesproken voor 1981 is niet uitgesloten dat de
vrouw ook op grond van art 12 lid 2 van de wet pensioenverevening (d.d. 28
april 1994, Stb. 342) aanspraken op het pensioen van de man heeft. Nu de
vrouw daarover niets gezegd heeft, zal de rechtbank bij het navolgende er van
uit gaan dat zij aanspraken, voorzover aanwezig, niet geldend maakt.
De behoefte van de vrouw aan alimentatie staat tussen partijen ter discussie.
Ten aanzien daarvan is de rechtbank het volgende gebleken:
– De vrouw geniet een netto AOW-uitkering van ƒ 1273,29 per maand. Dit is
exclusief 5% vakantie toeslag.
– De vrouw heeft tevens inkomsten uit kamerverhuur van ƒ 400 per maand.
– De vrouw is alleenstaand.
– De huur, minus de ontvangen huursubsidie, van de vrouw bedraagt ƒ 564 per
maand.
– De vrouw voert aan autokosten op een bedrag van ƒ 580 per maand. Zij
beschikt over een invalidenparkeerkaart. Uit een verklaring van haar huisarts
kan worden opgemaakt dat vervoer per auto voor de vrouw weliswaar niet
onmisbaar, maar wel zeer gewenst is. De rechtbank zal daarom in redelijkheid
met de helft van deze kosten – ƒ 290 per maand – rekening houden bij de
berekening van de draagkracht.
Zelfs indien de rechtbank geen rekening houdt met de verdere door de vrouw
opgevoerde kosten, zoals ten behoeve van een darmdieet en huishoudelijke
hulp, komt de vrouw op een negatieve draagkracht uit.
Haar behoefte staat daarmee vast.
Uit de overgelegde stukken en het gehouden verhoor is voorts gebleken dat
voor de bepaling van de draagkracht van de man de navolgende omstandigheden
aan zijn zijde van belang zijn:
– De man geniet een netto AOW-uitkering van ƒ 1273,29 per maand.
– Tevens ontvangt de man een uitkering van het bedrijfspensioenfonds voor het
bakkersbedrijf van ƒ 283,61 netto per maand.
Deze bedragen zijn exclusief 5% vakantietoeslag.
– Daarnaast ontvangt de man een pensioenuitkering van ƒ 100 per maand uit
Engeland. Hij stelt dat bedrag jaarlijks te reserveren voor een
begrafenisvoorziening. Aangezien de man inmiddels een voldoende voorziening
kan hebben opgebouwd uit die uitkering, zal de rechtbank deze thans volledig
tot zijn inkomen rekenen.
– De man is alleenstaand.
– De kale huur, minus ontvangen huursubsidie, bedraagt ƒ 426 per maand.
Op basis van bovenstaande gegevens is de man in staat een alimentatie van ƒ
200 per maand ten behoeve van de vrouw te voldoen. De bestedingsruimte van de
vrouw blijft, ook na betaling van die alimentatie, lager dan die van de man.
Een vergelijking van beider draagkracht, de genoemde alimentatie in
aanmerking genomen, laat zien dat de vrouw dan nog steeds minder
bestedingsruimte heeft dan de man.
De destijds opgelegde alimentatieverplichting voldoet daarmee nog immer aan
de wettelijke maatstaven.
De rechtbank zal derhalve het verzoek van de man de alimentatie per 1 april
1995 op nihil te stellen afwijzen.
Door de vrouw is sinds 1977 nimmer aanspraak gemaakt op indexering. Het
verzoek van de man de alimentatie voor het verleden te stellen op hetgeen de
facto is voldaan is niet weersproken. Het zal worden toegewezen.
De man verzoekt voorts limitering van de alimentatieplicht. Hij verzoekt
beëindiging van zijn verplichting tot het verstrekken van levensonderhoud met
ingang van 1 juli 1997.
Nu beide partijen de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en wijziging
van hun financiële omstandigheden niet aannemelijk is, is er voldoende reden
om reeds thans op het limiteringsverzoek per 1 juli 1997 te beslissen.
Het huwelijk van partijen heeft 29 jaren geduurd. De vrouw heeft steeds de
zorg voor de kinderen gehad; zij was 47 jaar oud ten tijde van de scheiding.
De man betaalt inmiddels ruim 18 jaar alimentatie ten behoeve van de vrouw.
Nu uit de omstandigheden kan worden afgeleid dat de vrouw, na, en ook ten
gevolge van, het langdurig huwelijk van partijen niet de mogelijkheid heeft
gehad nadien door eigen arbeid in haar levensonderhoud te voorzien, komt het
de rechtbank op gronden van redelijkheid en billijkheid juist voor om – zoals
de vrouw vraagt – te bepalen dat de alimentatie zal voortduren tot 1 juli
2006, op welke datum de man 29 jaar alimentatie heeft betaald.
De rechtbank zal de proceskosten tussen partijen (voormalige echtelieden)
compenseren.
De beslissing
De rechtbank:
Bepaalt de door de man verschuldigde alimentatie over de periode tot 1 maart
1995 op het bedrag dat feitelijk is voldaan;
Bepaalt dat de verplichting van de man alimentatie te betalen – ongewijzigd ƒ
200 per maand – eindigt op 1 juli 2006;
Wijst af het meer of anders verzochte;
Bepaalt dat partijen aan elkaar geen proceskosten behoeven te betalen.

Rechters

Mr. A.M. van Schaijck-Hijmans

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster ging naar een vestiging van de wederpartij om zich te laten
inschrijven. Zij gaf daarbij aan dat zij in aanmerking wilde komen voor
een of meer van de vacatures die op het raam waren aangeplakt. Volgens
verzoekster werd haar van twee functies te kennen gegeven dat de
wederpartij daarvoor alleen mannen aannam. Toen verzoekster erop wees
dat er m/v achter de functies stond, zei de wederpartij dat de
betreffende bedrijven een man wilden hebben. In beginsel is de
werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de WGB voor het geheel
van de wervings- de selectie- en de aanstellingsfase. Daarnaast is een
door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor de naleving
van de WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken is.
Aangezien de wederpartij in de onderhavige zaak zowel aan te merken is
als potentiele werkgever van verzoekster en als bemiddelaar voor de
inlener, is zij in tweeerlei opzicht gehouden om artikel 3 WGB na te
leven. De Commissie is van oordeel dat de wederpartij bij de selectie
voor ten minste een der aangekondigde vacatures onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt als verboden in artikel 3 lid 2 WGB. Daarmee
staat vast dat de wederpartij bij de selectie voor ten minste een
functie onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als bedoeld in
artikel 3 lid 1 van de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 1 januari 1995 verzocht mevrouw te Voorburg (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of Uitzendbureau B.V. te
Rotterdam (hierna: de wederpartij) onderscheid maakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster ging naar een vestiging van de wederpartij om zich te
laten inschrijven. Zij gaf daarbij aan dat zij in aanmerking wilde
komen voor een of meer van de vacatures die op het raam waren
aangeplakt. Volgens verzoekster werd haar van twee functies te kennen
gegeven dat de wederpartij daarvoor alleen mannen aannam. Toen
verzoekster erop wees dat er m/v achter de functies stond, zei de
wederpartij dat de betreffende bedrijven een man wilden hebben.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 2 oktober 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw. (verzoekster) – mw. J.M.
Silversmith, coordinator Stichting Haags Meld- en registratiepunt
Discriminatiezeken (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr. , regiomanager

van de kant van de Commissie – mw. Prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw. mr L. Mulder (lid Kamer) – dhr. mr. W.A. van
Veen (lid Kamer) – mw. I. Hidding (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft zich bij een vestiging van de wederpartij als
uitzendkracht laten inschrijven en maakte daarbij kenbaar
belangstelling te hebben voor de vacatures in de electrotechniek
waarvan de advertenties op het raam waren aangeplakt. De vacatures
hadden allemaal een m/v-vermelding. Verzoekster gaf aan voor twee van
de vacatures in aanmerking te willen komen omdat zij in het bezit is
van het diploma LTS-electro. De wederpartij zei hierop dat de
opdrachtgevers van beide functies hiervoor alleen mannen wilden hebben.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster stelt dat toen zij zich inschreef bij de wederpartij
op het raam van het uitzendbureau drie vacatures waren aangeplakt voor
banen in de electro-techniek. De vacatures hadden allemaal een m/v
vermelding. De intercedente zei dat het uitzendbureau geen werk voor
verzoekster had, waarop verzoekster zei dat er drie vacatures op het
raam hingen, waarvan er bij een een rijbewijs gevraagd werd. Van de
overige twee vacatures was er een op LTS-niveau en een op MTS-niveau
(er stond niet bij dat het MTS-diploma vereist was). Verzoekster is van
mening dat zij gezien haar opleiding en ervaring op MTS- niveau kan
functioneren; dit is haar door diverse werkgevers en uitzendbureaus
meegedeeld. Toen verzoekster aangaf dat zij voor een van de functies
belangstelling had, zei de intercedente: “Daar willen we alleen mannen
voor hebben”. Nadat verzoekster aangaf dat die eis niet gesteld mag
worden en zij erop wees dat er m/v achter de vacature stond, was de
reactie van de intercedente dat de betreffende opdrachtgever een man
wilde hebben.

Met betrekking het later door de wederpartij aangevoerde argument, dat
de functie fysieke kracht vereist, merkt verzoekster op dat zij over
meer fysieke kracht beschikt dan de gemiddelde -mannelijke-
electromonteur.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij door niet voor haar te
bemiddelen in de aangeboden functie, onderscheid maakt naar geslacht
zoals verboden in de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB).

3.3. De wederpartij stelt dat er in dit geval hoogstwaarschijnlijk
sprake is van een spraakverwarring. De functie waar verzoekster op
doelt is een functie waarvoor MTS- niveau gevraagd wordt. Dat is
volgens de wederpartij de voornaamste reden dat verzoekster niet voor
de functie in aanmerking kwam. Bovendien, zo voerde de wederpartij ter
zitting aan, golden voor de functie nog enkele aanvullende eisen, zoals
het hebben van een rijbewijs, die niet op de advertentie konden worden
opgenomen. Daarnaast is het werk lichamelijk zwaar en heeft de klant
van de wederpartij aangegeven dat zijn voorkeur uitgaat naar een man.
De wederpartij betreurt het in hoge mate dat verzoekster zich
gediscrimineerd voelt. De functie waar verzoekster belangstelling voor
had bleek een functie voor een all-round electromonteur te zijn
waarvoor een aantal selectiecriteria is bepaald (onder andere
opleiding, het hebben van een rijbewijs en buitendienst-ervaring) waar
verzoekster niet aan voldoet.

De kern van het eerdergenoemde misverstand is volgens de wederpartij
dat een van de werkzaamheden van de electromonteur het ophangen en
aansluiten van feestverlichting in de binnenstad betrof. Hiervoor is
het noodzakelijk dat men beschikt over enige fysieke kracht en dit was
volgens de wederpartij iets dat bij verzoekster onvoldoende aanwezig
was. De toelichting van de intercedente dat de voorkeur uitging naar
een man, betrof hier zeker niet een vorm van discriminatie, maar had
betrekking op bovengenoemde zware werkzaamheden.

Aan de intercedente is duidelijk gemaakt dat om dit soort misverstanden
in de toekomst te voorkomen, de communicatie in het vervolg anders
dient te verlopen. Daarnaast heeft de wederpartij alle medewerkers
nogmaals gewezen op de Algemene wet gelijke behandeling. De wederpartij
zal richting verzoekster excuses aanbieden voor het gevoel dat zij bij
verzoekster teweeg heeft gebracht. Daarnaast zegt de wederpartij toe
haar bij geschikte vacatures zeker te zullen benaderen voor het
aanbieden van een functie.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande vacature jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 jo. artikel 1 WGB, door in
casu uitsluitend voor mannen te bemiddelen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor, in samenhang met artikel 1 WGB,
dat zowel in de wervings- als in de selectiefase geen onderscheid
gemaakt mag worden op grond van geslacht (direct onderscheid) of op
grond van andere hoedanigheden die onderscheid naar geslacht tot gevolg
hebben, zoals echtelijke staat of gezinsomstandigheden (indirect
onderscheid).

Blijkens de Memorie van Toelichting op dit artikel, richt artikel 3
zich zowel tot de werkgever als tot een derde die door deze werkgever
wordt betrokken bij de werving- en selectie- procedure (Tweede kamer,
vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr.3, blz. 18. Zie ook Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 17 juni 1991,
oordeelnummers 336A-91-35 en 336B-91-36). In beginsel is de werkgever
verantwoordelijk voor de naleving van de WGB voor het geheel van de
wervings- de selectie- en de aanstellingsfase. Daarnaast is een door de
werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk voor de naleving van de
WGB voor dat deel van de procedure waar deze bij betrokken is.
Aangezien de wederpartij in de onderhavige zaak zowel aan te merken is
als potentiele werkgever van verzoekster en als bemiddelaar voor de
inlener, is zij in tweeerlei opzicht gehouden om artikel 3 WGB na te
leven.

4.3. Op grond van artikel 5 lid 2 van de WGB mag bij de werving en
selectie onderscheid tussen mannen en vrouwen worden gemaakt in die
gevallen waarin vanwege de aard of de voorwaarden voor de uitoefening
van de beroepsactiviteit het geslacht bepalend is. Aan de onderhavige
uitzondering is nadere uitwerking gegeven in het Besluit inzake
beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn (Stb. 1989,
207).

4.4. De wederpartij heeft verzoekster in het eerste gesprek
medegedeeld, dat de voorkeur uitging naar een man. Later werd gezegd,
dat het de opdrachtgever was, die een dergelijke voorkeur had.
Verzoekster is pas bij het schriftelijke onderzoek op de hoogte
gebracht van het feit, dat zij niet in aanmerking kwam, omdat zij niet
over de voor het werk vereiste fysieke kracht beschikte. Ter zitting
werd tevens het hebben van een rijbewijs als nadere functievereiste
genoemd. Deze eis was echter niet in de aankondiging van de vacature
vermeld. Door de wederpartij wordt bevestigd, dat verzoekster is
afgewezen omdat zij als vrouw niet over de vereiste fysieke kracht zou
beschikken. De Commissie concludeert dan ook uit het voorgaande, dat de
enige relevante afwijzingsgrond in casu het geslacht van verzoekster
was.

De wederpartij heeft een beroep gedaan op de geslachtsbepaaldheid van
de functie. Uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat slechts in zeer
bijzondere gevallen een functie geslachtsbepaald kan zijn, dat wil
zeggen alleen door een man of door een vrouw kan worden vervuld.
Fysieke kracht en geslacht vallen evenwel niet samen. Er zijn immers
ook vrouwen die zware fysieke werkzaamheden kunnen verrichten, terwijl
er ook mannen zijn die dat niet kunnen. Het beroep op
geslachtsbepaaldheid kan dan ook niet slagen. (Zie Nota van Toelichting
bij het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan
zijn (Besluit van 19 mei 1989, Stb. 207))

4.5. De Commissie is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de
wederpartij bij de selectie voor ten minste een der aangekondigde
vacatures onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als verboden in
artikel 3 lid 2 WGB.

4.6. Daarmee staat vast dat de wederpartij bij de selectie voor ten
minste een functie onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht als
bedoeld in artikel 3 lid 1 van de WGB.

Met betrekking tot het verweer van de wederpartij dat de betreffende
intercedente inmiddels is gewezen op de eisen die voortvloeien uit de
wetgeving gelijke behandeling, merkt de Commissie het volgende op. De
Commissie waardeert deze handelwijze van de wederpartij, maar dit doet
niet af aan het feit dat in strijd met de betreffende wetgeving is
gehandeld.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit, dat Uitzendbureau B.V.
te Rotterdam jegens verzoekster, mevrouw , onderscheid heeft
gemaakt in strijd met artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van
vacatures.

Rechters

mw. Prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw. mr L. Mulder(lid Kamer), dhr. mr. W.A. van Veen (lid Kamer), mw. I. Hidding(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft samen met haar man een gemeenschappelijke
betaalrekening bij de wederpartij. De wederpartij vermeldt sinds eind
1994 op de aan verzoekster verstrekte Eurocheques enkel nog de naam van
haar echtgenoot. Voordien werden zowel de naam van haar echtgenoot als
die van verzoekster vermeld. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij hiermee onderscheid maakt in strijd met de AWGB. De
Commissie stelt vast, dat de wederpartij financiele diensten in het
economisch verkeer aanbiedt en zodoende handelt in de uitoefening van
zijn bedrijf. Tevens biedt de wederpartij bij de uitoefening van het
bankbedrijf diensten aan.

In het onderhavige geval is gehandeld in het kader van de uitvoering
van een (bank)overeenkomst met verzoekster. Met het begrip onderscheid
in de zin van de wet wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van een
rechtens relevant onderscheid. Dat betekent dat er niet alleen sprake
dient te zijn van een verschillende behandeling, maar tevens dat de
betrokkenen hierdoor nadeel dienen te ondervinden in een door het recht
beschermd belang. De Commissie stelt vast dat de beleidswijziging van
de wederpartij inderdaad gevolgen heeft gehad voor de naamsvermelding
van tweede rekeninghouders. De Commissie constateert evenwel dat het
beleid van de wederpartij niet leidt tot enig nadeel bij het
daadwerkelijke gebruik of de acceptatie van de Eurocheques. Evenmin
speelt bij dit beleid het geslacht of de burgerlijke staat van de
rekeninghouder een rol. Het beleid geldt immers voor alle tweede
rekeninghouders, ongeacht of zij man of vrouw, dan wel gehuwd of
ongehuwd zijn.

De beleidswijziging heeft overigens ook gevolgen voor personen met een
lange (adellijke) achternaam, de vermelding van volledige
bedrijfsgegevens en het geval dat er meer dan twee gezamenlijke
rekeninghouders zijn. Het handelen van de wederpartij is in het
onderhavige geval dan ook niet te beschouwen als onderscheid zoals
bedoeld in de Wet omdat verzoekster door het bestreden handelen niet
een nadeel ondervindt in een door het recht beschermd belang. De
Commissie concludeert dat het bestreden handelen van de wederpartij
geen onderscheid in de zin van de Wet oplevert en dat derhalve niet in
strijd met de Wet gehandeld wordt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 28 maart 1995 heeft mevrouw te
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling verzocht haar
oordeel uit te spreken over de vraag of de te (hierna:
de wederpartij) onderscheid heeft gemaakt in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekster heeft samen met haar man een gemeenschappelijke
betaalrekening bij de wederpartij. De wederpartij vermeldt sinds eind
1994 op de aan verzoekster verstrekte Eurocheques enkel nog de naam van
haar echtgenoot. Voordien werden zowel de naam van haar echtgenoot als
die van verzoekster vermeld. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij hiermee onderscheid maakt in strijd met de AWGB.

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.2. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen om hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 3 oktober 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – –

van de kant van de wederpartij –

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – dhr mr L.M. Moerings (lid Kamer) – dhr mr P.R.
Rodrigues (lid Kamer) – mw mr D. Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster heeft met haar echtgenoot een gemeenschappelijke
betaalrekening bij de wederpartij. Een dergelijke gezamenlijke rekening
wordt ook een C(ompte) J(oint)- rekening genoemd. In het kader van de
voorzieningen die de wederpartij aan rekeninghouders aanbiedt, ontvangt
verzoekster van de wederpartij Eurocheques. Op deze cheques staan tot
eind 1994 de namen van beide rekeninghouders vermeld. Nadien wordt
uitsluitend de naam van de eerste rekeninghouder opgenomen, en staat
derhalve de naam van verzoekster niet meer vermeld op de cheques. De
cheques bevatten sindsdien wel de aanduiding C.J. (Compte Joint). De
vrijgekomen ruimte wordt benut door de vermelding van de datum van
uitgifte en het volgnummer.

3.2. De wederpartij is in 1991 ontstaan uit een fusie van twee
bankinstellingen. Nadien is de wederpartij overgegaan tot algemene
invoering van het systeem voor naamsvermelding dat door een van beide
banken werd gebruikt. De keuze voor dat systeem was ingegeven door
technische en beveiligingsmotieven. Het vermelden van de namen van
meerdere gezamenlijke rekeninghouders op de Eurocheques is volgens de
wederpartij in dat systeem niet mogelijk. Aangezien verzoekster geen
rekeninghouder was bij de bank die dit systeem reeds hanteerde, heeft
zij door de fusie te maken gekregen met een andere wijze van
naamsvermelding dan voorheen. Dit heeft tot gevolg gehad dat sinds eind
1994 voor het vermelden van de naam van rekeninghouders beperkte ruimte
beschikbaar is. Bij gezamenlijke rekeninghouders wordt slechts de naam
van een rekeninghouder vermeld. In de regel is dit de naam van de
eerste rekeninghouder; op verzoek kan deze worden vervangen door die
van de andere rekeninghouder. Tevens wordt de toevoeging C.J. op de
cheque geplaatst. Deze beperking in naamsvermelding doet zich alleen
voor bij Eurocheques en niet op passen, afschriften en dergelijke.

3.3. Verzoekster heeft over deze handelswijze geklaagd bij de
plaatselijke bankdirecteur van de wederpartij in .

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de handelswijze van de wederpartij
zeer vrouw- onvriendelijk is. Vanwege de omstandigheid dat zij gehuwd
is wordt zij door de wederpartij als het verlengstuk van haar man
gezien. Zij ervaart dit als krenkend en acht het handelen in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling. Nadat verzoekster haar beklag bij de
plaatselijke bankdirecteur heeft gedaan, heeft zij niets meer van de
wederpartij vernomen. De mogelijkheid waar de wederpartij haar op
gewezen heeft, namelijk om de cheques of de rekening op haar naam te
stellen acht zij niet tegemoet komen aan haar klacht. Zij wil dat beide
namen op de cheques vermeld staan en meent dat een dergelijke
aanpassing geen onoverkomelijke problemen oplevert. Voorts klaagt
verzoekster over het feit dat de wijziging in tenaamstelling niet aan
haar of haar echtgenoot is aangekondigd.

De wederpartij stelt dat verzoekster een rekening op eigen naam kan
aanvragen, dan wel om de vermelding van haar naam op de cheques kan
vragen. In dat laatste geval verdwijnt de naam van haar man van de
cheques. Door een wijziging in het systeem van de wederpartij –
verband houdende met genoemde fusie in 1991 – is vermelding van de
namen van twee of meer gezamenlijke rekeninghouders niet meer mogelijk.
De wijziging heeft eveneens gevolgen gehad voor de vermelding van
(lange) adellijke achternamen en volledige bedrijfsgegevens. De fusie
heeft tot integratie van de administraties van het kantorennet geleid,
die in november 1994 in is voltooid. Pas na deze voltooiing eind
1994 zijn er weer wijzigingen in het systeem mogelijk geworden, zoals
het vermelden van een tweede naam. De wederpartij kent aan een
dergelijke wijziging geen hoge prioriteit toe, mede vanwege de
terugloop van het gebruik van Eurocheques.

De klanten van de wederpartij zijn bij de fusie ingelicht over de op
handen zijnde wijzigingen, maar de daadwerkelijke wijzigingen kwamen
geruime tijd later. Wellicht was het beter geweest om de wijziging in
naamsvermelding alsnog aan de klanten door te geven. De klacht van
verzoekster is overigens door de bank in wel doorgegeven aan het
hoofdkantoor. De wederpartij denkt dat in een kwart van de gevallen de
vrouw eerste rekeninghouder is in geval van een gezamenlijke rekening.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker
onderscheid maakt naar geslacht of ook burgerlijke staat zoals bedoeld
in de AWGB.

Artikel 1 AWGB verbiedt het maken van onderscheid tussen personen op
grond van onder andere geslacht en burgerlijke staat. Onder onderscheid
wordt verstaan zowel direct als indirect onderscheid. Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan geslacht of burgerlijke staat, dat onderscheid op
grond van respectievelijk geslacht of burgerlijke staat tot gevolg
heeft.

In artikel 2 lid 1 AWGB wordt voorzover van belang als uitzondering op
het verbod van indirect onderscheid genoemd, de gevallen waarbij het
indirect onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Artikel 7 lid 1 sub a AWGB verbiedt het maken van onderscheid bij het
aanbieden van goederen en diensten en bij het sluiten, uitvoeren of
beeindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt in de
uitoefening van een beroep of bedrijf. De uitzonderingen op dit
artikel zijn in deze zaak niet van toepassing omdat deze gelden voor
instellingen van bijzonder onderwijs (art. 7 lid 2 AWGB) en
rechtsverhoudingen met een prive-karakter (art. 7 lid 3 AWGB).

4.2 De Commissie stelt vast, dat de wederpartij financiele diensten in
het economisch verkeer aanbiedt en zodoende handelt in de uitoefening
van zijn bedrijf. Tevens biedt de wederpartij bij de uitoefening van
het bankbedrijf diensten aan. In het onderhavige geval is gehandeld in
het kader van de uitvoering van een (bank)overeenkomst met verzoekster.

4.3 Met betrekking tot de in geding zijnde vraag overweegt de Commissie
als volgt. Het nieuwe beleid van de wederpartij heeft tot gevolg dat de
tenaamstelling op de Eurocheques is gewijzigd. Deze wijziging behelst
mede het beperkte aantal lettertekens dat op de cheques vermeld kan
worden en brengt mee dat tweede rekeninghouders niet meer vermeld
worden. Verzoekster stelt dat de wijziging in tenaamstelling op de
Eurocheques een door de AWGB verboden onderscheid naar geslacht of ook
burgerlijke staat tot gevolg heeft.

Met het begrip onderscheid in de zin van de wet wordt bedoeld dat er
sprake moet zijn van een rechtens relevant onderscheid (Eerste Kamer
der Staten Generaal, kamerstukken 22 014, nr 48a, p. 14, 1993-1994).
Dat betekent dat er niet alleen sprake dient te zijn van een
verschillende behandeling, maar tevens dat de betrokkenen hierdoor
nadeel dienen te ondervinden in een door het recht beschermd belang. De
Commissie stelt vast dat de beleidswijziging van de wederpartij
inderdaad gevolgen heeft gehad voor de naamsvermelding van tweede
rekeninghouders.

De Commissie constateert evenwel dat het beleid van de wederpartij niet
leidt tot enig nadeel bij het daadwerkelijke gebruik of de acceptatie
van de Eurocheques. Evenmin speelt bij dit beleid het geslacht of de
burgerlijke staat van de rekeninghouder een rol. Het beleid geldt
immers voor alle tweede rekeninghouders, ongeacht of zij man of vrouw,
dan wel gehuwd of ongehuwd zijn.

De beleidswijziging heeft overigens ook gevolgen voor personen met een
lange (adellijke) achternaam, de vermelding van volledige
bedrijfsgegevens en het geval dat er meer dan twee gezamenlijke
rekeninghouders zijn. Het handelen van de wederpartij is in het
onderhavige geval dan ook niet te beschouwen als onderscheid zoals
bedoeld in de Wet omdat verzoekster door het bestreden handelen niet
een nadeel ondervindt in een door het recht beschermd belang.

De Commissie concludeert dat het bestreden handelen van de wederpartij
geen onderscheid in de zin van de Wet oplevert en dat derhalve niet in
strijd met de Wet gehandeld wordt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de te
jegens te door de wijze van naamsvermelding op
Eurocheques geen onderscheid op grond van geslacht of burgerlijke staat
heeft gemaakt als bedoeld in art. 7 lid 1 sub a Algemene wet gelijke
behandeling.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr mr L.M.Moerings (lid Kamer), dhr mr P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw mr D.Jongsma (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De nieuwe regels van het ABP om in aanmerking te komen voor een
nabestaandenpensioen zijn niet in strijd met de AWGB.Voorwaarde voor
aanmelding vanaf 1 juli 1994 is onder andere dat de samenwonende werknemer
jonger is dan 65 jaar.Onderscheid op grond van burgerlijke staat bij
pensioenvoorzieningen is in de AWGB toegestaan.De klager stelt dat deze
registratievoorwaarde vooral homoseksuelen benadeelt, het gaat dan ook om
indirecte discriminatie op grond van homoseksualiteit. Twee partners van
gelijk geslacht kunnen immers niet met elkaar huwen. Volgens de Commissie
komt dit indirect onderscheid op grond van homoseksualiteit dan ook in deze
gevallen feitelijk neer op onderscheid op grond van burgerlijke staat. En
dit onderscheid is juist toegestaan door de wetgever. Toetsing van de
betreffende pensioenregeling op indirecte discriminatie is in zo’n geval
niet mogelijk.

Volledige tekst


4.11. Een tweede punt van beoordeling betreft de vraag of de uitzondering
van artikel 5 lid 6 AWGB geldt bij dit indirect onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid.

De Commissie overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

De tekst van artikel 5 lid 6 AWGB dwingt niet tot de aanname van een
beperkte dan wel ruime werking van de in dit lid opgenomen uitzondering
op het beginsel van gelijke behandeling. De parlementaire geschiedenis
wijst naar het oordeel van de Commissie evenwel uit, dat een ruime werking
van de onderhavige uitzondering werd beoogd. Een ruime werking althans in
die zin dat een onderscheid in een pensioenregeling, dat zijn oorsprong
enkel en alleen vindt in de burgerlijke staat van een werknemer, ongeacht
de oorzaak daarvan, niet verboden wordt door de AWGB. De ratio hiervan
is, dat aanvullende pensioenvoorzieningen in sterke mate toegesneden zijn
op de structuur van de wettelijke pensioenvoorzieningen. De wetgever heeft
gesteld dat, nu de herstructurering van deze laatste nog gaande is, in het
bijzonder waar het betreft de nabestaandenvoorzieningen, een algemeen
verbod van onderscheid op grond van burgerlijke staat in de AWGB in
aanvullende pensioenvoorzieningen prematuur is (Tweede Kamer der Staten
Generaal, kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20, vergaderjaar
1990-1991).

De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB benadrukt, dat
de uitzondering van lid 6 een structurele, algemeen geldende uitzondering
behoort te zijn. Dit uitgangspunt is bevestigd in de Kamerbehandeling van
de recente wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (Zie onder meer
Tweede Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 23123, nummer 8, pagina 5
en 6, vergaderjaar 1993-1994). Indirect onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid komt hier in feite neer op onderscheid op grond
van burgerlijke staat. Immers het indirect onderscheid naar homoseksuele
gerichtheid vindt zijn oorzaak uitsluitend in het feit dat homoseksuelen
ongehuwd zijn, dat wil zeggen niet kunnen trouwen. De Commissie
concludeert dan ook, dat de algemene en structurele geldigheid van de
uitzondering, vervat in lid 6 van artikel 5 AWGB, in de weg staat aan een
toets op indirect onderscheid naar homoseksuele gerichtheid in de
onderhavige casus.

4.12. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie tot slot nog op, dat de
taak van de Commissie is beperkt tot toetsing aan de nationale wetgeving
gelijke behandeling. Dit laat evenwel onverlet, dat het handelen van de
wederpartij door andere instanties kan worden getoetst aan de rechtstreeks
werkende verdragsbepalingen op het gebied van de gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit

1. dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen, door de verzoeker
uit te sluiten van de vigerende pensioenregeling, een onderscheid op grond
van burgelijke staat heeft gemaakt dat krachtens artikel 4 van de Algemene
wet gelijke behandeling door deze Wet onverlet wordt gelaten, en derhalve
niet in strijd met de Wet heeft gehandeld;

2. dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen, door de verzoeker
op grond van de pensioenregeling voor ongehuwden geen
nabestaandenuitkering toe te kennen,

vanwege artikel 5 lid 6 Algemene wet gelijke behandeling niet in strijd
heeft gehandeld met artikel 5 lid 1 Algemene wet gelijke behandeling.

3. dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen, door de verzoeker
geen nabestaandenuitkering toe te kennen op grond van zijn burgerlijke
staat, vanwege artikel 5 lid 6 Algemene wet gelijke behandeling niet in
strijd heeft gehandeld met artikel 5 lid 1 Algemene wet gelijke
behandeling.

Noot

Pensioenuitsluiting, de eerste homo-zaken Op 23 november 1995 heeft de
Commissie gelijke behandeling vijf oordelen uitgesproken over onderscheid
in regelingen over nabestaandenpensioen. Het zijn de eerste oordelen van
de Commissie over onderscheid op grond van hetero- of homoseksuele
gerichtheid. Kamervragen over deze oordelen zijn op 7 februari 1996
beantwoord.(De tekst van vragen en antwoorden is opgenomen in het
actualiteitenkatern van dit nummer). Hier zal ik alleen oordeel 95-42
bespreken. Het betrof een zaak van een mannelijke nabestaande van een bij
het Algemeen burgerlijke pensioenfonds (ABP) verzekerde mannelijke
werknemer. Eerstgenoemde had het ABP te kennen gegeven voor een
nabestaandenpensioen in aanmerking te willen komen.

Het ABP had dat verzoek afgewezen, omdat de nieuwe regels voor ongehuwde
nabestaanden niet van toepassing zijn indien de overledene al voor 1 juli
1994 de leeftijd van 65 jaar bereikt had. Vervolgens heeft de man de
Commissie een oordeel verzocht over de vraag of het ABP daarmee in strijd
met de AWGB handelde. Zaak 41 betreft het verzoek van een nog niet
overleden ABP- verzekerde die al voor juli 1994 de leeftijd van 65 jaar
bereikt had. De zaken 41 en 42 zijn gevoegd behandeld. De meeste
overwegingen zijn gelijkluidend.(In de zaken 52 (tegen een particuliere
werkgever), 51 (tegen het concern waartoe die werkgever behoort) en 50
(tegen het betrokken pensioenfonds) had een mannelijke werknemer (met een
mannelijke partner) zich beklaagd over de afwezigheid van
nabestaandenpensioen voor ongehuwden.

In zijn verzoek jegens het concern achtte de Commissie hem
niet-ontvankelijk. In de zaken 52 en 50 kwam de Commissie tot hetzelfde
oordeel als in de zaken 41 en 42.)

Vergeten of vermeende gaten in de AWGB Tijdens de totstandkoming van de
AWGB is, wat homodiscriminatie betreft, vooral aandacht geschonken aan (de
omvang) van de uitzonderingen voor instellingen op godsdienstige,
levensbeschouwelijke of politieke grondslag. Het resultaat van de
gevechten en compromissen op dat punt is te vinden in de artikelen 3, 5,
tweede lid, en 7, tweede lid. Daarmee lijkt de aandacht afgeleid te zijn
van de veel grotere uitzondering in het zesde lid van artikel 5. Daarin
werd en wordt onderscheid op grond van burgerlijke staat met betrekking
tot pensioenvoorzieningen uitgezonderd van het verbod van onderscheid met
betrekking tot de arbeidsvoorwaarden. De veel voorkomende discriminatie
van ongehuwden in regelingen over nabestaandenpensioenen werd zo buiten
de wet geplaatst.

Deze vorm van discriminatie treft honderdduizenden ongehuwde paren, en
vooral paren die niet kunnen huwen, bijvoorbeeld omdat ze van hetzelfde
geslacht zijn. Ook alleenstaanden worden benadeeld, maar onderscheid
tussen (ongehuwde) alleenstaanden en (ongehuwde) samenwonenden valt buiten
de reikwijdte van de AWGB. Op de salarissen van ongehuwde werknemers
worden premies ingehouden ten behoeve van voorzieningen waarvan alleen (de
echtgenoten van) hun gehuwde collega’s zullen profiteren. Dit is een vorm
van discriminatie – ongelijk loon voor gelijk werk – die zich bij uitstek
leent voor bestrijding met wettelijke middelen: er is immers geen enkel
bewijsprobleem. Toch is deze uitzondering zonder veel problemen, en zonder
nadere clausulering, in de wet terecht gekomen.

Bij lezing van de oordelen van de Commissie blijkt echter dat nog enkele
andere problemen aan de aandacht ontsnapt zijn. Artikel 5 van de AWGB
lijkt, bij oppervlakkige lezing, te gaan over de verhouding tussen
werkgever en werknemer. In zaak 95- 42 staan echter een nabestaande en een
pensioenfonds tegenover elkaar. De Commissie vindt dat een probleem en
besteedt enkele overwegingen aan de oplossing daarvan. De Commissie komt
tot de conclusie dat ook de nabestaande zich op de AWGB kan beroepen
(overweging 4.3). De Commissie onderbouwt dat met een verwijzing naar
jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
(Hof van Justitie 6 oktober 1993, C-109/91, Ten Oever, RN 1990, 360.) en
met de redenering dat nabestaandenpensioen uitbetaald wordt `in het kader
van de arbeidsverhouding tussen de werkgever en de overleden partner’ en
`uit hoofde van de dienstbetrekking van de overleden partner’.

Die verwijzing en redenering zijn geheel overbodig. In artikel 5 van de
AWGB staat niets dat anderen dan werknemers uitsluit van de werking van
het verbod van onderscheid. En ook artikel 12, eerste lid, onderdeel a,
spreekt heel in het algemeen van `degene die meent dat te zijnen nadele
een onderscheid is of wordt gemaakt’. Door argumenten buiten de tekst van
de wet te zoeken, schept de Commissie het gevaar dat ook rechters gaan
twijfelen over de vraag of nabestaanden worden beschermd door de AWGB.
Vervolgens komt de Commissie tot de conclusie dat artikel 5 zich in
beginsel ook richt op pensioenfondsen (overweging 4.4). Ter onderbouwing
wordt verwezen naar de parlementaire geschiedenis van de AWGB en wordt
opnieuw een beroep gedaan op Europese jurisprudentie.(Hof van Justitie 28
september 1994, C-7/93, Beune, RN 1995, 454) Vastgesteld wordt dat het in
casu gaat om een pensioenfonds `dat direct betrokken is bij de
arbeidsvoorwaarden van werknemers’.

Ook deze verwijzingen, deze redenering, en de toevoeging van de woorden
`in beginsel’, zijn overbodig en gevaarlijk. Artikel 5, eerste lid,
onderdeel d, spreekt van `arbeidsvoorwaarden’. Bedrijfs- en
ambtenarenpensioenen vallen daar altijd onder. Dus pensioenfondsen kunnen
altijd worden aangesproken op grond van artikel 5. Tenslotte maakt de
Commissie ook nog een probleem van het feit dat de omstreden ongelijke
behandeling gebaseerd is op concept-regelgeving (overweging 4.6). Het
beleid van het pensioenfonds zou `vooralsnog niet terug te voeren’ zijn
op enige wettelijke regeling, en `derhalve’ zou artikel 4, onderdeel c,
van de AWGB geen rol spelen.

Ook daarmee wekt de Commissie verwarring. Zelfs na de totstandkoming eind
1995 van een wettelijke grondslag voor pensioenen voor de ongehuwde
nabestaanden van ABP-verzekerden, (Op 28 december 1995 trad in werking,
met terugwerkende kracht tot 1 juli 1994, de Wet van 27 december 1995,
houdende wijziging van de Algemene burgerlijke pensioenwet en de Algemene
militaire pensioenwet (invoering partnerpensioen), alsmede van de
Uitkeringswet gewezen militairen (rechtspositionele erkenning van andere
relatievormen dan het huwelijk), Staatsblad 638 (wetsvoorstel 24227). Per
1 januari 1996 is de ABP-wet overigens vervangen door het
Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, zie de
Pensioenovereenkomst in Staatscourant 28 december 1995, nr. 251.

Ook voor de toekomst doet artikel 4, onderdeel c, dus niet meer af aan de
toepasselijkheid van de AWGB op onderscheid dat gemaakt wordt door het
ABP) is artikel 4, onderdeel c, nog steeds niet van toepassing. Die
bepaling heeft immers slechts betrekking op wetten die voor september 1994
in werking zijn getreden. Ten aanzien van latere wetten geldt slechts het
ongeschreven voorrangsbeginsel: een latere regel gaat boven een eerdere,
tenzij de latere lager of algemener is dan de eerdere. Hoe dit allemaal
ook zij, de opvattingen van de Commissie ten aanzien van de genoemde
kwesties hebben gelukkig niet geleid tot problemen voor de verzoeker in
deze zaak.

Het woordgebruik van de Commissie Voordat ik toekom aan een bespreking van
de overwegingen van de Commissie die wel tot de voor verzoeker negatieve
uitkomst hebben geleid, dient het woordgebruik van de Commissie op twee
punten gekritiseerd te worden. Van een Commissie gelijke behandeling mag
immers worden verwacht dat zij met verstand van zaken spreekt over het
recht, en over homoseksualiteit. Bij de interpretatie van artikelen van de
AWGB doet de Commissie enkele keren een beroep op de wetsgeschiedenis. Dat
mag, en is soms ook nodig (en soms niet, zoals hierboven al bleek ten
aanzien van overweging 4.4). De Commissie zegt dan echter dat zij zich op
`de wetgever’ beroept (overwegingen 4.4, 4.10 en 4.11).

Daarmee suggereert de Commissie dat de parlementaire stukken waarnaar zij
verwijst, afkomstig zijn van regering en parlement. De tekst van memorie
van toelichting, memorie van antwoord, enzovoort, komt niet voor rekening
van de wetgever. Deze stukken zijn afkomstig van een of meer ministers en
staatssecretarissen. Die kunnen gelijk hebben, maar hun oordeel heeft,
anders dan de wet zelf, geen kracht van wet. Op twee plaatsen spreekt de
Commissie op een vreemde manier over mensen met homoseksuele gerichtheid:
`aangezien homoseksuelen niet met elkaar gehuwd zijn’ (overweging 4.8);
`het feit dat homoseksuelen ongehuwd zijn, dat wil zeggen niet kunnen
trouwen’ (overweging 4.11). Het zal toch ook bij de Commissie bekend zijn
dat sommige homo-mannen en lesbische vrouwen wel getrouwd zijn (uiteraard
met iemand van een ander geslacht, soms zelfs met iemand die ook een
homoseksuele gerichtheid koestert).

Het gaat er echter niet om of `homoseksuelen’ (m/v) kunnen trouwen. Het
probleem is juist dat vrouwen – anders dan mannen – niet mogen trouwen met
een vrouw. En dat mannen – anders dan vrouwen – geen man mogen huwen. Door
deze problematiek aan te duiden zonder gebruik te maken van het begrip
`geslacht’, geeft de Commissie geen helder beeld van de stand van zaken.
Bovendien verhult zij zo dat het eigenlijk voor de hand gelegen zou hebben
om deze problematiek ook als (indirect) onderscheid op grond van geslacht
te bespreken. (Zo heeft het Human Rights Committee ook beslist dat
homo-discriminatie onder het verbod van sekse- discriminatie valt (31 maart
1994, CCPR/50/D/488/1992, Toonen tegen Australie, zie Nieuwsbrief
Homoseksualiteit en Recht 1995, juni, p. 1, nr. 65) Vermoedelijk zou de
uitkomst van de zaak dan echter niet anders geweest zijn.

Kan direct onderscheid ook indirect onderscheid zijn? Dan nu de kern van
het oordeel. In deze zaak wordt de vraag gesteld of er ook sprake kan zijn
van indirect onderscheid in de zin van artikel 1 van de AWGB `indien het
criterium op basis waarvan indirect onderscheid wordt gemaakt een van de
in de AWGB genoemde discriminatiegronden betreft’ (overweging 4.9). Vast
staat immers dat verzoeker het slachtoffer is geworden van direct
onderscheid op grond van burgerlijke staat: als hij en zijn overleden
partner gehuwd zouden zijn geweest, zou hij ongeacht de leeftijd van zijn
partner recht op nabestaandenpensioen hebben gehad. Nu echter artikel 5,
zesde lid, onderscheid op grond van burgerlijke staat uitsluit van het
verbod van onderscheid, heeft hij er belang bij dit onderscheid te
presenteren als indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

Op het eerste gezicht is er zeker sprake van dergelijk indirect
onderscheid. Het onderscheid op grond van burgerlijke staat heeft immers
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid tot gevolg (want
gelijkgeslachtelijke partners kunnen niet met elkaar gehuwd zijn). Toch
levert de tekst van artikel 1 een probleem op. In onderdeel c van dat
artikel wordt indirect onderscheid namelijk als volgt omschreven:
`onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan die
bedoeld in onderdeel b, dat direct onderscheid tot gevolg heeft’, terwijl
in onderdeel b direct onderscheid wordt omschreven als: `onderscheid
tussen personen op grond van godsdienst, ( …), hetero- of homoseksuele
gerichtheid of burgerlijke staat’ (cursiveringen: KW). De Commissie
schuift dat bezwaar echter terzijde met een beroep op de parlementaire
geschiedenis en met een beroep op de bedoeling van het wettelijke verbod
van indirect onderscheid (overweging 4.10). Dat is een mooi voorbeeld van
teleologische interpretatie ten gunste van de door de AWGB te beschermen
categorieen personen.

De uitzondering voor pensioenvoorzieningen In deze zaak is uiteindelijk
de door de Commissie gegeven interpretatie van het zesde lid van artikel
5 AWGB beslissend. De Commissie stelt zich namelijk de vraag, of de
uitzondering van dat zesde lid ook geldt voor indirect onderscheid op
grond van homoseksuele gerichtheid dat het gevolg is van onderscheid op
grond van burgerlijke staat. Volgens de Commissie dwingt de tekst van het
zesde lid niet tot bevestigende of ontkennende beantwoording van de
vraag.(Zie ook mijn artikel Algemene wet gelijke behandeling verbiedt ook
pensioendiscriminatie, Nieuwsbrief Homoseksualiteit en Recht 1995,
september, p. 3-4, nr. 89). De wetsgeschiedenis zou echter steun bieden
aan een bevestigend antwoord. De Commissie meent namelijk dat in de
parlementaire geschiedenis van de AWGB benadrukt zou zijn dat de
uitzondering van het zesde lid `een structurele, algemeen geldende
uitzondering behoort te zijn’.

Dit uitgangspunt zou bevestigd zijn bij de behandeling van de recente
wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet (overweging 4.11). Met deze
beweringen geeft de Commissie een misleidende weergave van de
wetsgeschiedenis. Wellicht heeft de Commissie zich laten leiden door een
(in overweging 4.11 genoemde) passage in de Nota naar aanleiding van het
eindverslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Pensioen- en
spaarfondsenwet. Daar staat namelijk, geheel in strijd met de waarheid:
`Wat betreft nabestaandenpensioenen heeft de regering ( …) in de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel AWGB ( …) aangegeven een
structurele uitzondering voor te staan’.(Kamerstukken II, 1993/94, 23123,
nr. 8, p. 5). Op de door de Commissie aangehaalde pagina van de Memorie
van toelichting bij de AWGB blijkt echter dat de uitzondering juist niet
als structureel bedoeld is. In die memorie schrijven de ministers immers
dat zij de uitzondering van het zesde lid `vooralsnog’ noodzakelijk
achten; omdat de herstructurering van de wettelijke pensioenvoorzieningen
`nog gaande is, in het bijzonder waar het betreft de
nabestaandenvoorzieningen, zou een algemeen verbod van onderscheid op
grond van burgerlijke staat ( …) prematuur zijn’ (cursiveringen: KW).
(Kamerstukken II, 1990/91, 22014, nr. 3, p. 20).

Uit de woorden `algemeen verbod’ blijkt bovendien dat de ministers
helemaal niet van mening waren dat de uitzondering algemeen behoort te
zijn. Eerder is het zo dat de ministers in die memorie te kennen gaven,
dat de uitzondering slechts gerechtvaardigd is voor zover dat nodig is in
verband met de voltooiing van de genoemde herstructurering. Welnu, in deze
zaak gaat het om de toepassing van (concept) regels die het resultaat zijn
van die herstructurering. De ratio achter het zesde lid is daarmee, wat
de nabestaandenpensioenen van het ABP betreft, komen te vervallen. Er is
daarom veel voor te zeggen de uitzondering van het zesde lid beperkt te
interpreteren. (Wat neerkomt of toepassing van het adagium cessante
ratione, cessat ipsa lex). Uit de verdere – door de Commissie verzwegen
– geschiedenis van het wetsvoorstel tot wijziging van de Pensioen- en
spaarfondsenwet blijkt bovendien dat de wetgever inmiddels heeft besloten
onderscheid op grond van burgerlijke staat bij nabestaandenpensioenen te
verbieden. Op 1 januari 2000 zal immers het nieuwe artikel 2b van die wet
in werking treden. (Zie artikel XXII van de Wet van 30 juni 1994,
Staatsblad 1994, 496. In het antwoord op de vierde van de genoemde
kamervragen heeft de regering nog eens herhaald dat het de bedoeling is
om per 1 januari 2000 ook artikel 5, zesde lid, van de AWGB te schrappen).
Dit artikel is het resultaat van een amendement-Groenman (Kamerstukken II,
1993/94, 23123, nr. 28; Handelingen II, 1993/94, p. 3692) en luidt: `In
pensioenregelingen, waarin wordt voorzien in een weduwen- of
weduwnaarspensioen voor gehuwden, moeten gelijkwaardige keuzemogelijkheden
zijn opgenomen tussen nabestaandenpensioen, ongeacht burgerlijke staat,
of een hoger danwel eerder ingaand ouderdomspensioen. Door Onze Minister
kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld.’
De opvatting van de Commissie dat de pensioen-uitzondering in de AWGB als
structureel en algemeen bedoeld is, laat zich dan ook in geen enkel
opzicht onderbouwen met verwijzingen naar de totstandkomingsgeschiedenis
van de AWGB en de wijzigingsgeschiedenis van de Pensioen- en
spaarfondsenwet.

Nu de Commissie zelf heeft aangegeven dat de tekst van de uitzondering
niet tot een ruime interpretatie dwingt, komt de conclusie van de
Commissie in paragraaf 4.11 geheel in de lucht te hangen. Bovendien: in
paragraaf 4.10 was de Commissie tot de conclusie gekomen, dat de
omschrijving van indirect onderscheid in artikel 1 niet uitsluit dat
onderscheid op grond van burgerlijke staat tevens moet worden aangemerkt
als indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid (zie
hierboven). Die conclusie is echter juridisch alleen interessant voor
situaties waarin onderscheid op grond van burgerlijke staat is toegestaan
en onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid is verboden. Een
dergelijke situatie doet zich slechts voor bij pensioenen. In de AWGB
geldt alleen bij pensioenen namelijk een uitzondering ten aanzien van
burgerlijke staat (artikel 5, zesde lid) waar geen uitzondering ten
aanzien van homoseksuele gerichtheid tegenover staat. Kortom: als het de
Commissie ernst is met haar welwillende interpretatie van artikel 1 dan
zal zij artikel 5, zesde lid, niet van toepassing mogen achten op indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

Het eindoordeel van de Commissie Op grond van haar ruime interpretatie van
artikel 5, zesde lid, acht de Commissie een onderzoek naar de vraag of
verzoeker het slachtoffer is geworden van (ongerechtvaardigd) indirect
onderscheid overbodig. Althans, dat blijkt uit het slot van overweging 4.8
in samenhang met de overwegingen 4.9 en 4.11. In overweging 4.7 had de
Commissie echter al uitgesproken dat er `geen vermoeden van indirect
onderscheid ontstaat’. Overweging 4.7 getuigt echter van onbegrip. De
Commissie concludeert daar `dat homoseksuelen niet relatief zwaarder
worden getroffen dan heteroseksuelen’ en dat er daarom geen reden is om
van indirect onderscheid te spreken. Ook in het antwoord op de derde van
de genoemde kamervragen wordt het bestaan van een `directe relatie tussen
de seksuele gerichtheid en de burgerlijke staat’ ontkend.

Hier maakt de Commissie echter slechts een vergelijking tussen homo-paren
en ongehuwde hetero-paren, en daardoor gaat zij eraan voorbij dat de
registratievoorwaarden voor homo-paren onmiskenbaar zwaarder zijn dan die
voor gehuwde hetero-paren. Bovendien miskent de Commissie dat vrijwel
ieder ongehuwd hetero-paar, anders dan enig homo-paar, de mogelijkheid
heeft (gehad) om te huwen. Er lijkt dus wel degelijk sprake te zijn van
indirect onderscheid. De Commissie heeft zoiets ook wel vermoed, blijkens
het begin van overweging 4.8. Daar wordt namelijk de vraag opgeworpen of
er in een ander opzicht toch sprake is van indirect onderscheid.
Onduidelijk blijft echter waarom de Commissie meent dat de kwestie van
indirect onderscheid in 4.7 een andere is dan de kwestie in 4.8. En
helemaal onduidelijk is waarom de Commissie meent wel over de eerste
kwestie een uitspraak te mogen/kunnen/moeten doen, maar niet `toe te
kunnen komen’ aan een oordeel over de tweede kwestie (overweging 4.9).

Het staat de Commissie toch vrij, zou ik denken, om vast te stellen dat
er wel of niet sprake is van een bepaalde vorm van onderscheid, ook
wanneer dat onderscheid valt onder een van de uitzonderingen van de AWGB.
(In het dictum (onderdeel 5.1) permitteert de Commissie zich die vrijheid
wel). De verzoeker, de wederpartij, de rechter en de rechtsontwikkeling
zouden bij een dergelijke vaststelling gebaat kunnen zijn (Uit overweging
3.4 blijkt dat ook de rechter in deze zaak om een oordeel is gevraagd).
Misschien heeft de Commissie zichzelf op het verkeerde been gezet, door
in de tweede alinea van overweging 4.7 te schrijven dat er bij
aanwezigheid van een objectieve rechtvaardigingsgrond geen indirect
onderscheid ontstaat. Dit is in strijd met de tekst van de artikelen 1,
onderdeel c, en 2, eerste lid, van de AWGB: eerst moet worden vastgesteld
of er sprake is van indirect onderscheid, en pas daarna komt de vraag aan
de orde of dat onderscheid gerechtvaardigd en dus niet verboden is.

De verwarring wordt vervolgens nog groter wanneer de Commissie in het
dictum (overweging 5.2) stelt dat het ABP `geen onderscheid heeft gemaakt
op grond van homoseksuele gerichtheid’. Dat is niet te rijmen met het in
de overwegingen 4.8, 4.9 en 4.11 besloten oordeel dat niet nagegaan moet
of kan worden of er sprake is van indirect onderscheid (Ook onderdeel 5.1
van het dictum sluit trouwens slecht aan op de bijbehorende overweging
4.5). In overweging 4.12 merkt de Commissie ten overvloede nog op dat het
omstreden onderscheid door andere instanties aan verdragen kan worden
getoetst. In het antwoord op de vijfde van de genoemde kamervragen stelt
de staatssecretaris dat het vaste jurisprudentie is dat onderscheid tussen
gehuwden en ongehuwden niet in strijd is met het internationale
discriminatieverbod. Die jurisprudentie is echter helemaal niet zo vast.
Rechtbank Haarlem heeft bijvoorbeeld geoordeeld dat de onbereikbaarheid
van gemeenschap van goederen voor ongehuwde homoparen in strijd is met
onder meer artikel 26 van het Internationaal Verdrag voor de burgerlijke
en politieke rechten.(Rechtbank Haarlem 4 augustus 1992 en Hof Amsterdam
6 mei 1993, NJ 1994, 681). En Rechtbank Den Haag oordeelde onlangs, in een
geval waar de buitenlandse partner en zijn Nederlandse vriend een
notarieel samenlevingscontract waren aangegaan, dat toepassing van de voor
ongehuwde partners extra hoge middeleneis bij gezinsvorming niet
verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel. (24 oktober 1995, AWB 95/8163
VRWET, nog niet gepubliceerd).

Wat de Commissie had moeten doen Het moge duidelijk zijn dat de Commissie
naar mijn mening tot het oordeel had moeten komen dat het ABP ten nadele
van verzoeker indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid
heeft gemaakt. Daarmee zou de Commissie dan toegekomen zijn aan de echt
interessante vraag: Is het objectief gerechtvaardigd om, bij de invoering
van nabestaandenpensioen voor homo- en lesbische partners en andere
ongehuwden, bepaalde categorieen `oude gevallen’ nog steeds datgene te
onthouden wat hetero-partners al sinds jaar en dag via het huwelijk kunnen
bemachtigen? Ik had gehoopt en verwacht dat de Commissie zich meer zou
inspannen op dergelijke vragen antwoord te geven.

Kees Waaldijk

Rechters

mevrouw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mevrouw prof.mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mevrouw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You(lid Kamer), de heer mr L.M. Moerings (lid Kamer), mevrouw mr L. Mulder(lid Kamer), mevrouw mr D. Jongsma (secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekers werkgever is aangesloten bij de pensioenregeling die door de
wederpartij wordt beheerd. Verzoeker is niet gehuwd en heeft een
mannelijke partner. De pensioenregeling waaronder verzoeker valt kent
alleen voor gehuwde werknemers een nabestaandenpensioenregeling.
Verzoeker meent dat de wederpartij in strijd handelt met het bepaalde
in de AWGB, nu werknemers met een homoseksuele relatie geen
mogelijkheid wordt geboden een partnerpensioen op te bouwen. De
Commissie concludeert dat het in artikel 5 AWGB gestelde verbod op het
maken van onderscheid zich (mede) richt tot de wederpartij. De
Commissie is van mening dat de werkgever door verzoeker niet toe te
laten tot de nabestaandenpensioenregeling, vanwege artikel 5 lid 6
Algemene wet gelijke behandeling niet in strijd handelt met artikel 5
lid 1 Algemene wet gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 4 januari 1995 verzocht de heer te (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of te (hierna: de
wederpartij) jegens hem onderscheid maakt in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2 Verzoekers werkgever is aangesloten bij de pensioenregeling die
door de wederpartij wordt beheerd. Verzoeker is niet gehuwd en heeft
een mannelijke partner. De pensioenregeling waaronder verzoeker valt
kent alleen voor gehuwde werknemers een nabestaandenpensioenregeling.
Verzoeker meent dat de wederpartij in strijd handelt met het bepaalde
in de AWGB, nu werknemers met een homoseksuele relatie geen
mogelijkheid wordt geboden een partnerpensioen op te bouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 24 oktober
1995. Deze zaak is gevoegd behandeld met zaken van verzoeker tegen
diens directe werkgever (oordeelnr. 95- 52) en het concern waartoe deze
werkgever behoort (oordeelnr. 95-51).

Bij deze zitting waren aanwezig: van de kant van verzoeker – dhr.
(verzoeker) – mr. (getuige/deskundige)

van de kant van de wederpartij – (gemachtigde) –
dhr.

van de kant van de wederpartijen in de gevoegde zaken –
(bedrijfsjurist van het concern)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw.
mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – dhr. mr. L.M. Moerings
(lid Kamer) – mw. mr. L. Mulder (lid Kamer) – mw. mr. D. Jongsma
(secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie,
waarvan de leden als vermeld onder 2.2. deel uitmaken.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft sedert circa tien jaar een relatie met zijn
mannelijke partner. Sinds ruim vijf jaar hebben zij een notarieel
samenlevingscontract. Verzoeker wenst in aanmerking te komen voor een
nabestaandenpensioen.

Artikel 8 van het op verzoeker van toepassing zijnde Pensioenreglement
regelt het Weduwen- en Weduwnaarspensioen. Lid 1 van genoemd artikel 8
bepaalt dat na het overlijden van een gehuwde aangeslotene, de
echtgenote/echtgenoot recht kan doen gelden op een weduwen- of
weduwnaarspensioen, indien het huwelijk is gesloten voor de
pensioengerechtigde leeftijd van de aangeslotene.

Alleen gehuwde werknemers hebben derhalve recht op een
nabestaandenpensioen.

3.2. Verzoeker heeft de wederpartij benaderd met de vraag om recht te
kunnen doen gelden op een nabestaandenpensioen zoals gehuwden dat ook
kunnen. De wederpartij heeft daar zowel mondeling als schriftelijk bij
brief van 21 juni 1994 afwijzend op gereageerd. Daarbij heeft de
wederpartij wel gewezen op een studie die is aangekondigd naar een
nieuwe pensioenregeling. De bestaande problematiek met betrekking tot
het ontbreken van een reglementaire regeling voor partnerpensioen zal
daarbij worden meegenomen. Op korte termijn is invoering van het
partnerpensioen evenwel niet te verwachten. Ter zitting is gemeld dat
een voorstel tot regeling van deze problematiek binnenkort met de
vakbeweging wordt besproken.

De standpunten van partijen

Ten aanzien van de wederpartij

3.3. Verzoeker verwerpt het argument van de wederpartij dat zij niet
degene is tot wie verzoeker zich moet wenden, omdat de onderhavige
kwestie onderwerp is van het arbeidsvoorwaardenoverleg. De wederpartij
heeft volgens verzoeker een eigen verantwoordelijkheid tot naleving van
de AWGB.

3.4. De wederpartij verwijst naar de Onderneming, als zijnde de
instantie waar in het kader van het CAO-overleg met de
werknemersorganisaties de finale besluitvorming plaatsvindt met
betrekking tot wijzigingen in de pensioenregelingen van de werkgever
van verzoeker.

Ten aanzien van de vraag, of de wederpartij kan worden aangesproken op
grond van artikel 5 AWGB (betrekking hebbend op arbeidsverhoudingen) of
artikel 7 AWGB (betrekking hebbend op onder meer het aanbieden van
diensten en overeenkomsten terzake) stelt de wederpartij het volgende.

Artikel 5 AWGB richt zich niet alleen tot de werkgever, ook al
betreffen de in artikel 5 AWGB genoemde onderwerpen voornamelijk de
relatie werkgever/ werknemer.

Maar uit het feit dat in de tekst van dit artikel bijvoorbeeld over “de
betrekking”, een ruimere aanduiding dan arbeidsovereenkomst, wordt
gesproken, blijkt de ruimere kring van diegenen tot wie het verbod om
een onderscheid te maken zich richt. Verder wijst de wederpartij op
artikel 119 EG-Verdrag waarin, naar zij stelt, alleen de werkgever
wordt genoemd, maar waar in de jurisprudentie ook pensioenfondsen als
normadressaat worden genoemd.

Artikel 7 AWGB is niet van toepassing op de relatie
verzoeker-wederpartij. Er wordt immers geen overeenkomst gesloten (en
ook geen aanbod terzake gedaan) tussen de werknemer en de wederpartij.
De toetreding komt verplicht tot stand op grond van de CAO.

Mocht artikel 7 AWGB toch van toepassing zijn, dan brengt een redelijke
wetstoepassing gelet op de aard van de rechtsverhoudingen met zich mee,
dat de uitzondering van artikel 5 lid 6 AWGB ook dan wordt toegepast.
De wederpartij doet namelijk niets anders dan invulling geven aan een
in artikel 5 lid 6 genoemde arbeidsvoorwaarde. Het zou tot een niet
aanvaardbare onevenwichtige situatie leiden, indien de wederpartij meer
of andere verplichtingen zou hebben tegenover de deelnemers aan de
pensioenregeling dan tegenover de werkgever.

Ten aanzien van de discriminatiegrond op basis waarvan onderscheid
wordt gemaakt

3.5. Verzoeker stelt dat in casu sprake is van onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid. Er wordt verschil gemaakt tussen werknemers
met een homoseksuele relatie en die met een heteroseksuele relatie. De
laatste groep kan immers, anders dan mensen in een homoseksuele
relatie, nog een keuze voor het huwelijk maken, waardoor alsnog recht
op een nabestaandenpensioen ontstaat. Verzoeker is op de hoogte van de
wijzigingen in de Pensioen- en Spaarfondsenwet, die bepaalt dat daar
waar aan gehuwden een nabestaandenpensioen wordt toegekend, aan
ongehuwden met ingang van 1 januari 2000 een gelijkwaardig
pensioenpakket dient te worden aangeboden. Deze wijzigingen beogen
volgens verzoeker niet het onderscheid op grond van burgerlijke staat
ongedaan te maken, maar wel het onderscheid op grond van seksuele
voorkeur.

3.6. De wederpartij verwerpt de opvatting van verzoeker dat zij
onderscheid zou maken op grond van homoseksuele gerichtheid. In casu is
volgens de wederpartij sprake van een zuiver onderscheid op grond van
burgerlijke staat. Ongehuwden kunnen geen recht doen gelden op een
nabestaandenpensioen. Of sprake is van een hetero- of homoseksuele
relatie doet daarbij niet ter zake. Er is sprake van direct onderscheid
op grond van burgerlijke staat dat wordt bestreken door artikel 5 lid 6
AWGB. Dit artikellid staat het maken van een direct onderscheid op
grond van burgerlijke staat in pensioenvoorzieningen toe.

De wederpartij stelt dat in de onderhavige situatie geen sprake is van
direct onderscheid op grond van homoseksualiteit. De AWGB ziet in deze
situatie niet op indirect onderscheid op grond van homoseksualiteit,
doordat lid 6 van artikel 5 AWGB geldt.

Indirect onderscheid ziet namelijk op onderscheid op grond van andere
hoedanigheden of gedragingen dan de discriminatiekenmerken genoemd in
artikel 1 sub b AWGB, dat direct onderscheid tot gevolg heeft.
Aangezien burgerlijke staat en homoseksualiteit in genoemd artikel 1
sub b AWGB als vormen van direct onderscheid worden genoemd, sluit de
tekst van de AWGB een indirect onderscheid op deze gronden uit.
Bovendien is er geen sprake van dat een eventueel onderscheid tot
direct onderscheid zou leiden. Naar de seksuele gerichtheid van
personen wordt niet gevraagd. Deze wordt dan ook niet geregistreerd,
reden waarom niet kan worden vastgesteld of in overwegende mate mensen
met een homoseksuele gerichtheid worden getroffen. De wederpartij acht
het onwaarschijnlijk, gezien het geringe voorkomen van homoseksualiteit
in het algemeen, dat het merendeel van de ongehuwde werknemers
homoseksueel is.

Ten aanzien van de objectieve rechtvaardigingsgronden

3.7. Verzoeker is van mening dat de wederpartij in strijd handelt met
de AWGB doordat hij geen recht op een nabestaandenpensioen kan doen
gelden. Er kunnen slechts zeer zwaarwegende principiele argumenten aan
de werking van de AWGB in de weg staan, die hier niet aan de orde zijn.
De wederpartij voert met betrekking tot de registratie van het
partnerschap immers slechts praktische belemmeringen aan, die reden
zijn om (nog) geen nabestaandenpensioen voor ongehuwden op te nemen.
Deze kunnen volgens verzoeker niet doorslaggevend zijn. Hij wijst
daarbij op het pensioenfonds waarbij zijn partner is aangesloten, waar
werknemers met een homoseksuele relatie, onder voorwaarden, wel recht
op een nabestaandenpensioen hebben.

3.8. De wederpartij stelt dat indien – in tegenstelling tot haar
opvatting – toch sprake mocht zijn van een vermoeden van indirect
onderscheid, dit objectief gerechtvaardigd is. Zij wijst daarbij op
uitspraken van Nederlandse rechters waarin een partnerpensioen voor
ongehuwden binnen het kader van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW)
niet werd erkend. De Centrale Raad van Beroep acht de situatie van
gehuwden en ongehuwden te zeer verschillend om hen in het kader van de
AWW gelijk te behandelen. De wederpartij wijst ook op het Europees
Mensenrechtencomite, dat kwam tot een vergelijkbare uitspraak.

Nu er geen sprake is van een wettelijk nabestaandenpensioen voor
ongehuwden, is er volgens de wederpartij ook geen basis voor het
totstandbrengen van een aanvullend nabestaandenpensioen, aangezien dit
als het ware in de lucht zou komen te hangen. Het karakter van de
onderhavige pensioenregelingen is immers aanvullend, en houdt rekening
met de wettelijke voorzieningen.

Voorts zijn er in de huidige situatie belemmeringen in de uitvoerende
zin met betrekking tot de registratie van het partnerschap. Voor een
effectief beheer zijn objectieve criteria noodzakelijk met betrekking
tot de aanvang en beeindiging van het partnerschap. Daarin zou worden
voorzien indien een wettelijk en openbaar samenlevingsregister zou
bestaan. Ten aanzien van het door verzoeker bedoelde pensioenfonds dat
wel voorziet in een partnerpensioen stelt de wederpartij, dat deze de
arbeidsintensieve gevolgen van het nemen van een reeks interne
beheersmaatregelen heeft geaccepteerd. Periodiek dient daarbij echter
het bestaan van het partnerschap te worden aangetoond, hetgeen volgens
de wederpartij op zichzelf weer als een vorm van indirecte
discriminatie zou kunnen worden uitgelegd.

De wederpartij wijst tot slot op het structurele karakter van de
uitzondering in de AWGB ten aanzien van het nabestaandenpensioen. Ook
na 1999 is er geen wettelijke verplichting voor het invoeren van een
partnerpensioen. De overheid staat een alternatief voor ogen door het
bieden van wettelijke keuzemogelijkheden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt met de
AWGB door werknemers met een homoseksuele relatie geen mogelijkheid te
bieden een partnerpensioen op te bouwen.

4.2. Artikel 5 lid 1 onderdeel d AWGB bepaalt onder meer dat
onderscheid verboden is bij arbeidsvoorwaarden. Lid 6 van artikel 5
stelt: “Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op
onderscheid op grond van burgerlijke staat, voor zover het betreft
pensioenvoorzieningen”.

Artikel 1 AWGB luidt: “In deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder: a. onderscheid: direct en indirect onderscheid;
b. direct onderscheid: onderscheid tussen personen op grond van
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat; c. indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere
hoedanigheden of gedragingen dan bedoeld in onderdeel b, dat direct
onderscheid tot gevolg heeft.”

Ten aanzien van de wederpartij

4.3. Ten aanzien van de vraag, of de wederpartij kan worden
aangesproken op grond van artikel 5 AWGB overweegt de Commissie als
volgt.

Artikel 5 AWGB betreft onder andere een verbod op onderscheid bij
arbeidsvoorwaarden. De arbeidsvoorwaarden worden in casu overeengekomen
tussen vertegenwoordigers van de werknemers en de werkgever van
verzoeker. De wederpartij treedt daarbij op als uitvoerder van hetgeen
in het arbeidsvoorwaardenoverleg op het gebied van pensioenregelingen,
is overeengekomen.

De Commissie constateert allereerst dat artikel 5 AWGB niet expliciet
stelt tot wie het verbod van onderscheid zich richt. De wetgever heeft
met de formulering van dit artikel bedoeld dat “de wet van toepassing
is op iedere arbeidsverhouding waarin een persoon onder gezag van een
ander arbeid verricht. ( …) Evenzo is dit artikel van toepassing op
het terrein van de arbeidsbemiddeling zoals uitzendbureauþs en RBA’s”.
(Tweede Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22014, nummer 5, pagina
79, 1991-1992). De Commissie concludeert naar aanleiding hiervan, dat
de reikwijdte van artikel 5 AWGB zich niet beperkt tot de relatie
werkgever/werknemer.

Dan is vervolgens de vraag aan de orde of het in artikel 5 AWGB
gestelde verbod op het maken van onderscheid zich richt tot de
wederpartij.

Reeds bij de Commissie gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de
arbeid (hierna: CGB m/v) is de kwestie aan de orde geweest of een
pensioenfonds aangesproken kan worden op handelen in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. In de tekst van de
Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (hierna: WGB) is, wanneer de
arbeidsvoorwaarden in geding zijn, de aan te spreken wederpartij
beperkt tot de werkgever. De CGB m/v beantwoordde de vraag of een
pensioenfonds als wederpartij kon worden aangesproken dan ook
ontkennend. Zij gaf daarbij wel aan, dat de jurisprudentie betreffende
artikel 119 EG-Verdrag ruimte biedt om naast werkgevers ook
pensioenfondsen rechtstreeks aan te spreken op handelen in strijd met
dit artikel (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak
Beune versus Bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, C-7/93,
28 september 1994). Nu evenwel de wetgever op het punt van de
arbeidsvoorwaarden bij de WGB expliciet alleen de werkgever noemt als
aan te spreken persoon, kon deze jurisprudentie naar het oordeel van de
CGB m/v toch niet leiden tot aansprakelijkheid van pensioenfondsen voor
handelen in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

De Commissie overweegt in dit verband dat, nu deze beperking in de WGB
voor een ruimere kring van aan te spreken personen in de AWGB niet
aanwezig is, met verwijzing naar eerdergenoemde jurisprudentie van het
EG-Hof een pensioenfonds in beginsel aangesproken kan worden in het
kader van de AWGB.

In casu is sprake van een pensioenfonds dat direct betrokken is bij de
arbeidsvoorwaarden van werknemers. Hoewel hiermee niet gesproken kan
worden van het op een lijn stellen van de wederpartij met een
werkgever, stelt de Commissie vast dat gezien deze directe
betrokkenheid van de wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden van
werknemers, haar handelen in dit opzicht kan worden getoetst aan
artikel 5 AWGB.

De Commissie concludeert op grond van het voorgaande, dat het in
artikel 5 AWGB gestelde verbod op het maken van onderscheid zich (mede)
richt tot de wederpartij.

Ten aanzien van indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid

4.4. Vervolgens is aan de orde de vraag of de wederpartij in strijd
handelt met artikel 5 AWGB, door verzoeker niet te laten deelnemen aan
de nabestaandenpensioenregeling.

De Commissie stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in
de onderhavige pensioenregeling rechtstreeks op grond van de
burgerlijke staat van werknemers onderscheid wordt gemaakt. Verzoeker
voert evenwel aan, dat de wederpartij door dit directe onderscheid op
grond van burgerlijke staat, tevens een indirect onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid maakt. Op dit indirecte onderscheid op
grond van homoseksuele gerichtheid is de uitzondering van artikel 5 lid
6 AWGB, aldus verzoeker, niet van toepassing.

De Commissie overweegt dat, indien de redenering van verzoeker wordt
gevolgd, onderzocht moet worden of door toepassing van het criterium
burgerlijke staat in de onderhavige pensioenregeling, werknemers met
een homoseksuele gerichtheid relatief zwaarder worden getroffen dan
werknemers met een heteroseksuele gerichtheid. Mocht dat komen vast te
staan, dan moet vervolgens worden onderzocht of een objectieve
rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid.

4.5. Teneinde aan de voorgaande onderzoeksvragen toe te kunnen komen,
moet evenwel eerst worden onderzocht of de redenering van verzoeker kan
worden gevolgd.

In de redenering van verzoeker is burgerlijke staat het criterium op
grond waarvan mogelijk onderscheid wordt gemaakt naar homoseksuele
gerichtheid. In geding is dan allereerst de vraag of, los van de
uitzonderingsgrond in lid 6 van artikel 5 AWGB, aan deze redenering
artikel 1 sub c AWGB in de weg staat. Ten aanzien van het standpunt van
de wederpartij in deze, inhoudende dat de tekst van artikel 1 AWGB een
indirect onderscheid uitsluit indien het criterium op basis waarvan
indirect onderscheid wordt gemaakt een van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden betreft, overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 1 sub c AWGB is in de Wet opgenomen ter verduidelijking van het
begrip indirect onderscheid (Eerste Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22014, nummer 212c, pagina 20, 1992-1993). Het feit dat
onderdeel c bepaalt dat bij indirect onderscheid sprake moet zijn van
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan die
bedoeld in onderdeel b, is dan ook bedoeld ter markering van het
verschil met het in onderdeel b aangeduide direct onderscheid.

Dat de wetgever het verschil aanduidt tussen direct en indirect
onderscheid neemt niet weg, dat in een concrete situatie sprake kan
zijn van zowel een direct als een indirect onderscheid.

De tekst van artikel 1 sub c AWGB sluit uiteraard uit dat, indien
sprake is van een direct onderscheid op grond van een in de Wet
genoemde discriminatiegrond, tevens sprake kan zijn van indirect
onderscheid op grond van diezelfde discriminatiegrond.

De algemene stelling dat, wanneer een verboden direct onderscheid wordt
gemaakt op de ene discriminatiegrond, dit uitsluit dat tevens een
verboden indirect onderscheid op een andere discriminatiegrond uit de
AWGB wordt gemaakt, moet echter worden verworpen. Voor een dergelijke
beperkte interpretatie van de AWGB (en met name van artikel 1 van deze
Wet), kan in de parlementaire geschiedenis van deze Wet geen steun
worden gevonden.

Het tegendeel is eerder het geval. Bij de parlementaire behandeling van
deze Wet heeft de wetgever namelijk gewezen op een verbod van
onderscheid tussen mannen en vrouwen wat betreft aanvullende
pensioenvoorzieningen, dat in de WGB zal worden opgenomen “voor zover
onderscheid naar burgerlijke staat in aanvullende pensioenvoorzieningen
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft” (Tweede Kamer der
Staten Generaal, kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20 1990-1991).

Het feit dat het hier een uitvoering van een EG-Richtlijn betreft met
gevolgen voor de WGB neemt niet weg, dat wordt onderkend dat een direct
onderscheid op grond van een wettelijke discriminatiegrond een indirect
onderscheid op grond van een andere wettelijke discriminatiegrond kan
opleveren.

De Commissie voegt hier nog aan toe dat, waar de AWGB met indirect
onderscheid bedoelt de effecten tegen te gaan van het maken van
onderscheid dat leidt tot een benadeling van hoofdzakelijk personen,
behorend tot een in deze Wet beschermde categorie, aan deze bedoeling
van de Wet door een beperkte interpretatie van artikel 1 AWGB afbreuk
wordt gedaan. Dit geldt met name in die gevallen, waar een
maatschappelijke samenhang kan zijn tussen verschillende
discriminatiegronden (zoals burgerlijke staat en homoseksuele
gerichtheid, ras en nationaliteit, godsdienst en ras).

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat artikel
1 sub b en c AWGB niet in de weg staat aan een onderzoek naar mogelijk
indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid, waarbij
burgerlijke staat het criterium is op basis waarvan het mogelijk
onderscheid wordt gemaakt.

4.6. Een tweede punt van beoordeling bij de vraag of de redenering van
verzoeker kan worden gevolgd, betreft zijn stelling dat de uitzondering
van artikel 5 lid 6 AWGB niet geldt bij indirect onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid.

De Commissie overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

De tekst van artikel 5 lid 6 AWGB dwingt niet tot de aanname van een
beperkte dan wel ruime werking van de in dit lid opgenomen uitzondering
op het beginsel van gelijke behandeling. De parlementaire geschiedenis
wijst naar het oordeel van de Commissie evenwel uit, dat een ruime
werking van de onderhavige uitzondering werd beoogd. Een ruime werking
althans in die zin dat een onderscheid in een pensioenregeling, dat
zijn oorsprong enkel en alleen vindt in de burgerlijke staat van een
werknemer, ongeacht de oorzaak daarvan, niet verboden wordt door de
AWGB. De ratio hiervan is, dat aanvullende pensioenvoorzieningen in
sterke mate toegesneden zijn op de structuur van de wettelijke
pensioenvoorzieningen. De wetgever heeft gesteld dat, nu de
herstructurering van deze laatste nog gaande is, in het bijzonder waar
het betreft de nabestaandenvoorzieningen, een algemeen verbod van
onderscheid op grond van burgerlijke staat in de AWGB in aanvullende
pensioenvoorzieningen prematuur is (Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20, 1990-1991).

De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB benadrukt,
dat de uitzondering van lid 6 een structurele, algemeen geldende
uitzondering behoort te zijn. Dit uitgangspunt is bevestigd in de
Kamerbehandeling van de recente wijziging van de Pensioen- en
Spaarfondsenwet (Zie onder meer Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 23123, nummer 8, pagina 5 en 6, 1993-1994). Indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid komt hier in feite
neer op onderscheid op grond van burgerlijke staat. Immers het indirect
onderscheid naar homoseksuele gerichtheid vindt zijn oorzaak
uitsluitend in het feit dat homoseksuelen ongehuwd zijn, dat wil zeggen
niet kunnen trouwen. De Commissie concludeert dan ook, dat de algemene
en structurele geldigheid van de uitzondering, vervat in lid 6 van
artikel 5 AWGB, in de weg staat aan een toets op indirect onderscheid
naar homoseksuele gerichtheid in de onderhavige casus.

4.7. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie tot slot nog op, dat de
taak van de Commissie is beperkt tot toetsing aan de nationale
wetgeving gelijke behandeling. Dit laat evenwel onverlet, dat het
handelen van de wederpartij door andere instanties kan worden getoetst
aan de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen op het gebied van de
gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat
te , door de heer te niet toe te laten tot
de nabestaandenpensioenregeling, vanwege artikel 5 lid 6 Algemene wet
gelijke behandeling niet in strijd handelt met artikel 5 lid 1 Algemene
wet gelijke behandeling.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. prof. mr.J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw. mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lidKamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer).