Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekers werkgever is aangesloten bij een pensioenregeling. De
wederpartij voert voor verzoekers werkgever de onderhandelingen over
een aantal arbeidsvoorwaardelijke onderwerpen. Ook de
pensioenregelingen kunnen daarbij aan de orde komen. Verzoeker is niet
gehuwd en heeft een mannelijke partner. De pensioenregeling waaronder
verzoeker valt kent alleen voor gehuwde werknemers een
nabestaandenpensioenregeling. Verzoeker stelt dat de wederpartij,
gezien de invloed die zij heeft in de onderhandelingen over
pensioenregelingen, aangesproken kan worden op handelen in strijd met
de AWGB. Zij stelt dan ook dat de wederpartij in strijd handelt met de
AWGB, nu werknemers met een homoseksuele relatie geen mogelijkheid
wordt geboden een partnerpensioen op te bouwen. De Commissie
concludeert dat het handelen van wederpartij in deze zaak niet kan
worden getoetst aan de AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 februari 1995 verzocht de heer te (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of te (hierna: de
wederpartij) jegens hem onderscheid maakt in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoekers werkgever is aangesloten bij een pensioenregeling. De
wederpartij voert voor verzoekers werkgever de onderhandelingen over
een aantal arbeidsvoorwaardelijke onderwerpen. Ook de
pensioenregelingen kunnen daarbij aan de orde komen. Verzoeker is niet
gehuwd en heeft een mannelijke partner. De pensioenregeling waaronder
verzoeker valt kent alleen voor gehuwde werknemers een
nabestaandenpensioenregeling. Verzoeker stelt dat de wederpartij,
gezien de invloed die zij heeft in de onderhandelingen over
pensioenregelingen, aangesproken kan worden op handelen in strijd met
de AWGB. Zij stelt dan ook dat de wederpartij in strijd handelt met de
AWGB, nu werknemers met een homoseksuele relatie geen mogelijkheid
wordt geboden een partnerpensioen op te bouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 24 oktober
1995. Deze zaak is gevoegd behandeld met zaken van verzoeker tegen het
uitvoerende pensioenfonds (oordeelnr. 95-50) en tegen verzoekers
directe werkgever (oordeelnr. 95-52). Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – dhr. (verzoeker) – mr.
(getuige/deskundige)

van de kant van de wederpartij – (gemachtigde) –
(bedrijfsjurist)

van de kant van de wederpartijen in de gevoegde zaken –
(namens het pensioenfonds)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw.
mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – dhr. mr. L.M. Moerings
(lid Kamer) – mw. mr. L. Mulder (lid Kamer) – mw. mr. D. Jongsma
(secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie,
waarvan de leden als vermeld onder 2.2. deel uitmaken.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft sedert circa tien jaar een relatie met zijn
mannelijke partner. Sinds ruim vijf jaar hebben zij een notarieel
samenlevingscontract. Verzoeker wenst in aanmerking te komen voor een
nabestaandenpensioen bij zijn werkgever.

Artikel 8 van het op verzoeker van toepassing zijnde Pensioenreglement
regelt het Weduwen- en Weduwnaarspensioen. Lid 1 van genoemd artikel 8
bepaalt dat na het overlijden van een gehuwde aangeslotene, de
echtgenote/echtgenoot recht kan doen gelden op een weduwen- of
weduwnaarspensioen, indien het huwelijk is gesloten voor de
pensioengerechtigde leeftijd van de aangeslotene.

Alleen gehuwde werknemers hebben derhalve recht op een
nabestaandenpensioen.

3.2. Verzoeker heeft de betrokkenen bij de onderhavige pensioenregeling
benaderd met de vraag om recht te kunnen doen gelden op een
nabestaandenpensioen zoals gehuwden dat ook kunnen. Daar is zowel
mondeling als schriftelijk bij brief van 21 juni 1994 afwijzend op
gereageerd. Wel werd gewezen op een studie die is aangekondigd naar een
nieuwe pensioenregeling. De bestaande problematiek met betrekking tot
het ontbreken van een reglementaire regeling voor partnerpensioen zal
daarbij worden meegenomen. Op korte termijn is invoering van het
partnerpensioen evenwel niet te verwachten. Ter zitting meldt de
wederpartij, dat een voorstel tot regeling van deze problematiek
binnenkort met de vakbeweging wordt besproken.

3.3. De wederpartij heeft onder meer als doel de dienstverlening aan
andere bedrijven binnen het concern. Zo adviseren medewerkers van de
sociaal-economische afdeling de andere bedrijven. Ook zijn zij
betrokken bij de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden in het
bedrijf van verzoekers werkgever. Partijen verschillen van mening over
de invloed die zij inhoudelijk uitoefent op deze onderhandelingen.

De standpunten van partijen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de wederpartij

3.4. Verzoeker is van mening dat de wederpartij, evenals zijn directe
werkgever en het pensioenfonds, aangesproken kan worden op haar
handelen op grond van de AWGB. De wederpartij voert immers namens
verzoekers werkgever de onderhandelingen over de arbeids-voorwaarden.
Dat betekent dat, hoewel de verantwoordelijkheid voor de
pensioenregeling bij verzoekers werkgever ligt, de wederpartij wel
invloed op de totstandkoming van de arbeidsvoorwaarden kan uitoefenen.
De wederpartij heeft wat dat betreft volgens verzoeker een eigen
verantwoordelijkheid tot naleving van de AWGB.

3.5. De wederpartij verwijst naar de Onderneming, als zijnde de
instantie waar in het kader van het CAO-overleg met de
werknemersorganisaties de finale besluitvorming plaatsvindt met
betrekking tot wijzigingen in de pensioenregelingen van de werkgever
van verzoeker. De wederpartij stelt niet gelijkgesteld te kunnen worden
met een werkgeversorganisatie die met werknemersorganisaties
onderhandelt over de arbeidsvoorwaarden. Zij ondertekent dan ook niet
de CAO, en is ook geen vereniging in de zin van de Wet op de CAO.
Tijdens de onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden treedt zij slechts
op als woordvoerder. Zij is niet bevoegd de onderhandelingen
inhoudelijk te voeren.

Volgens de wederpartij betekent het bovenstaande dat zij, gezien het
feit dat zij geen inhoudelijke rol speelt in het
arbeidsvoorwaardenoverleg, niet kan worden aangesproken op handelen in
strijd met artikel 5 AWGB.

Ten aanzien van de discriminatiegrond op basis waarvan onderscheid
wordt gemaakt

3.6. Verzoeker stelt dat in casu sprake is van onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid. Er wordt verschil gemaakt tussen werknemers
met een homoseksuele relatie en die met een heteroseksuele relatie. De
laatste groep kan immers, anders dan mensen in een homoseksuele
relatie, nog een keuze voor het huwelijk maken, waardoor alsnog recht
op een nabestaandenpensioen ontstaat. Verzoeker is op de hoogte van de
wijzigingen in de Pensioen- en Spaarfondsenwet, die bepaalt dat daar
waar aan gehuwden een nabestaandenpensioen wordt toegekend, aan
ongehuwden met ingang van 1 januari 2000 een gelijkwaardig
pensioenpakket dient te worden aangeboden. Deze wijzigingen beogen
volgens verzoeker niet het onderscheid op grond van burgerlijke staat
ongedaan te maken, maar wel het onderscheid op grond van seksuele
voorkeur.

3.7. De wederpartij verwerpt de opvatting van verzoeker dat zij
onderscheid zou maken op grond van homoseksuele gerichtheid. In casu is
volgens de wederpartij sprake van een zuiver onderscheid op grond van
burgerlijke staat. Ongehuwden kunnen geen recht doen gelden op een
nabestaandenpensioen. Of sprake is van een hetero- of homoseksuele
relatie doet daarbij niet ter zake. Er is sprake van direct onderscheid
op grond van burgerlijke staat dat wordt bestreken door artikel 5 lid 6
AWGB. Dit artikellid staat het maken van een direct onderscheid op
grond van burgerlijke staat in pensioenvoorzieningen toe.

De wederpartij stelt dat in de onderhavige situatie geen sprake is van
direct onderscheid op grond van homoseksualiteit. De AWGB ziet in deze
situatie niet op indirect onderscheid op grond van homoseksualiteit,
doordat lid 6 van artikel 5 AWGB geldt. Indirect onderscheid ziet
namelijk op onderscheid op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan genoemd de discriminatiekenmerken in artikel 1 sub b
AWGB, dat direct onderscheid tot gevolg heeft. Aangezien burgerlijke
staat en homoseksualiteit in genoemd wetsartikel als vormen van direct
onderscheid worden genoemd, sluit de tekst van de AWGB een indirect
onderscheid op deze gronden uit. Bovendien is er geen sprake van dat
een eventueel onderscheid tot direct onderscheid zou leiden. Naar de
seksuele gerichtheid van personen wordt niet gevraagd. Deze wordt dan
ook niet geregistreerd, reden waarom niet kan worden vastgesteld of in
overwegende mate mensen met een homoseksuele gerichtheid worden
getroffen. De wederpartij acht het onwaarschijnlijk, gezien het geringe
voorkomen van homoseksualiteit in het algemeen, dat het merendeel van
de ongehuwde werknemers homoseksueel is.

Ten aanzien van de objectieve rechtvaardigingsgronden

3.8. Verzoeker is van mening dat de wederpartij, gelet op haar invloed
bij de vaststelling van de arbeidsvoorwaarden, in strijd handelt met de
AWGB doordat hij geen recht op een nabestaandenpensioen kan doen
gelden. Er kunnen slechts zeer zwaarwegende principiele argumenten aan
de werking van de AWGB in de weg staan, die hier niet aan de orde zijn.
De wederpartij voert met betrekking tot de registratie van het
partnerschap immers slechts praktische belemmeringen aan die reden zijn
om (nog) geen nabestaandenpensioen voor ongehuwden op te nemen. Deze
kunnen volgens verzoeker niet doorslaggevend zijn. Hij wijst daarbij op
het pensioenfonds waarbij zijn partner is aangesloten, waar werknemers
met een homoseksuele relatie, onder voorwaarden, wel recht op een
nabestaandenpensioen hebben.

3.9. De wederpartij stelt dat indien – in tegenstelling tot haar
opvatting – toch sprake mocht zijn van een vermoeden van indirect
onderscheid, dit objectief gerechtvaardigd is.

Zij wijst daarbij op uitspraken van Nederlandse rechters waarin een
partnerpensioen voor ongehuwden binnen het kader van de Algemene
Weduwen- en Wezenwet (AWW) niet werd erkend. De Centrale Raad van
Beroep acht de situatie van gehuwden en ongehuwden te zeer verschillend
om hen in het kader van de AWW gelijk te behandelen. De wederpartij
wijst ook op het Europees Mensenrechtencomite, dat kwam tot een
vergelijkbare uitspraak.

Nu er geen sprake is van een wettelijk nabestaandenpensioen voor
ongehuwden, is er volgens de wederpartij ook geen basis voor het
totstandbrengen van een aanvullend nabestaandenpensioen, aangezien dit
als het ware in de lucht zou komen te hangen. Het karakter van de
onderhavige pensioenregelingen is immers aanvullend, en houdt rekening
met de wettelijke voorzieningen.

Voorts zijn er in de huidige situatie belemmeringen in de uitvoerende
zin met betrekking tot de registratie van het partnerschap. Voor een
effectief beheer zijn objectieve criteria noodzakelijk met betrekking
tot de aanvang en beeindiging van het partnerschap. Daarin zou worden
voorzien indien een wettelijk en openbaar samenlevingsregister zou
bestaan. Ten aanzien van het door verzoeker bedoelde pensioenfonds dat
wel voorziet in een partnerpensioen stelt de wederpartij, dat deze de
arbeidsintensieve gevolgen van het nemen van een reeks interne
beheersmaatregelen heeft geaccepteerd. Periodiek dient daarbij echter
het bestaan van het partnerschap te worden aangetoond, hetgeen volgens
de wederpartij op zichzelf weer als een vorm van indirecte
discriminatie zou kunnen worden uitgelegd.

De wederpartij wijst tot slot op het structurele karakter van de
uitzondering in de AWGB ten aanzien van het nabestaandenpensioen. Ook
na 1999 is er geen wettelijke verplichting voor het invoeren van een
partnerpensioen. De overheid staat een alternatief voor ogen door het
bieden van wettelijke keuzemogelijkheden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt met de
AWGB door werknemers met een homoseksuele relatie geen mogelijkheid te
bieden een partnerpensioen op te bouwen.

4.2. Artikel 5 lid 1 onderdeel d AWGB bepaalt onder meer dat
onderscheid verboden is bij arbeidsvoorwaarden. Lid 6 van artikel 5
stelt: “Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op
onderscheid op grond van burgerlijke staat, voor zover het betreft
pensioenvoorzieningen”.

Artikel 1 AWGB luidt: “In deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder: a. onderscheid: direct en indirect onderscheid;
b. direct onderscheid: onderscheid tussen personen op grond van
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat; c. indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere
hoedanigheden of gedragingen dan bedoeld in onderdeel b, dat direct
onderscheid tot gevolg heeft.”

De ontvankelijkheid van de wederpartij

4.3. Ten aanzien van de vraag, of de wederpartij kan worden
aangesproken op grond van artikel 5 AWGB overweegt de Commissie als
volgt.

Artikel 5 AWGB betreft onder andere een verbod op onderscheid bij
arbeidsvoorwaarden. De arbeidsvoorwaarden worden in casu overeengekomen
tussen vertegenwoordigers van de werknemers en de werkgever. De
wederpartij is daarbij aanwezig als woordvoerder van de werkgever van
verzoeker (en van andere werkgevers).

De Commissie constateert allereerst dat artikel 5 AWGB niet expliciet
stelt tot wie het verbod van onderscheid zich richt. De wetgever heeft
met de formulering van dit artikel bedoeld dat “de wet van toepassing
is op iedere arbeidsverhouding waarin een persoon onder gezag van een
ander arbeid verricht. ( …) Evenzo is dit artikel van toepassing op
het terrein van de arbeidsbemiddeling zoals uitzendbureauþs en RBA’s”
(Tweede Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22014, nr 5, pagina 79,
1991-1992). De Commissie concludeert naar aanleiding hiervan, dat de
reikwijdte van artikel 5 AWGB zich niet beperkt tot de relatie
werkgever/werknemer.

Dan is vervolgens de vraag aan de orde of het in artikel 5 AWGB
gestelde verbod op het maken van onderscheid zich richt tot de
wederpartij.

De Commissie is van oordeel dat daarvoor vereist is dat de wederpartij
een zekere invloed heeft op de totstandkoming van -onderdelen van- de
inhoud van de onderhavige pensioenregeling. Deze invloed kan door de
Commissie worden bepaald aan de hand van bevoegdheden die de
wederpartij zijn toegekend bij haar woordvoerderschap. Daarnaast kan de
betrokkenheid van de wederpartij worden afgeleid uit de feitelijke gang
van zaken.

4.4. De Commissie stelt vast dat partijen van mening verschillen over
de vraag of de wederpartij in de onderhavige kwestie aangesproken kan
worden op een mogelijk handelen in strijd met de AWGB. Verzoeker
beantwoordt deze vraag bevestigend, vanwege de invloed die de
wederpartij daarop zou hebben tijdens de onderhandelingen. De
wederpartij daarentegen, betwist dat zij de onderhandelingen kan
beinvloeden. Zij stelt slechts als woordvoerder op te treden en op geen
enkel moment zelfstandig een inbreng te hebben.

De Commissie overweegt op dit punt dat de wederpartij, zoals zijzelf
terecht stelt, niet op een lijn gesteld kan worden met een werkgever of
een werkgeversorganisatie die cao- onderhandelingen voert. De
laatstgenoemden hebben immers veelal een mandaat waarbinnen zij kunnen
onderhandelen en/of ondertekenen zelf de cao die tot stand komt. Naar
de Commissie is gebleken is van dergelijke bevoegdheden in de
onderhavige zaak geen sprake.

Ten aanzien van de daadwerkelijke invloed van de wederpartij, afgezien
van haar formele bevoegdheden, stelt de Commissie vast dat in casu niet
gebleken is – en door verzoeker evenmin aannemelijk gemaakt – dat er
sprake is van een zodanige betrokkenheid van de wederpartij bij de
onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden, dat deze voor wat de AWGB
aangaat naast de werkgever en het uitvoerende pensioenfonds
(mede)verantwoordelijk kan worden gehouden voor de inhoud van de
pensioenregelingen.

Op grond van het voorgaande concludeert de Commissie dat het handelen
van de wederpartij in deze zaak niet kan worden getoetst aan de AWGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de heer te
in zijn verzoek om een oordeel over het handelen van
te niet- ontvankelijk is.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. prof. mr.J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw. mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lidKamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij kent een pensioenregeling, die wordt beheerd door een
pensioenfonds. Verzoeker is niet gehuwd en heeft een mannelijke
partner. De pensioenregeling waaronder verzoeker valt kent alleen voor
gehuwde werknemers een nabestaandenpensioenregeling. Verzoeker meent
dat de wederpartij in strijd handelt met het bepaalde in de AWGB, nu
werknemers met een homoseksuele relatie geen mogelijkheid wordt geboden
een partnerpensioen op te bouwen. De Commissie is van mening dat de
werkgever door verzoeker niet toe te laten tot de
nabestaandenpensioenregeling, vanwege artikel 5 lid 6 Algemene wet
gelijke behandeling niet in strijd handelt met artikel 5 lid 1 Algemene
wet gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 maart 1995 verzocht de heer te (hierna:
verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te spreken
over de vraag of zijn werkgever te
(hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid maakt in strijd met de
Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. De wederpartij kent een pensioenregeling, die wordt beheerd door
een pensioenfonds. Verzoeker is niet gehuwd en heeft een mannelijke
partner. De pensioenregeling waaronder verzoeker valt kent alleen voor
gehuwde werknemers een nabestaandenpensioenregeling. Verzoeker meent
dat de wederpartij in strijd handelt met het bepaalde in de AWGB, nu
werknemers met een homoseksuele relatie geen mogelijkheid wordt geboden
een partnerpensioen op te bouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 24 oktober
1995. Deze zaak is gevoegd behandeld met zaken van verzoeker tegen het
concern waartoe de wederpartij behoort (oordeelnr. 95-51) en het
uitvoerend pensioenfonds (oordeelnr. 95-50).

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – (verzoeker) –
(getuige/deskundige)

van de kant van de wederpartij – (gemachtigde)

van de kant van de wederpartijen in de gevoegde zaken –
(bedrijfsjurist van het concern) – (namens het
pensioenfonds)

van de kant van de Commissie – mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw. prof. mr. J.E. Goldschmidt (lid Kamer) – mw.
mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – dhr. mr. L.M. Moerings
(lid Kamer) – mw. mr. L. Mulder (lid Kamer) – mw. mr. D. Jongsma
(secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie,
waarvan de leden als vermeld onder 2.2. deel uitmaken.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft sedert circa tien jaar een relatie met zijn
mannelijke partner. Sinds ruim vijf jaar hebben zij een notarieel
samenlevingscontract. Verzoeker wenst in aanmerking te komen voor een
nabestaandenpensioen.

Artikel 8 van het op verzoeker van toepassing zijnde Pensioenreglement
regelt het Weduwen- en Weduwnaarspensioen. Lid 1 van genoemd artikel 8
bepaalt dat na het overlijden van een gehuwde aangeslotene, de
echtgenote/echtgenoot recht kan doen gelden op een weduwen- of
weduwnaarspensioen, indien het huwelijk is gesloten voor de
pensioengerechtigde leeftijd van de aangeslotene.

Alleen gehuwde werknemers hebben derhalve recht op een
nabestaandenpensioen.

3.2. Verzoeker heeft de betrokkenen bij de onderhavige pensioenregeling
benaderd met de vraag om recht te kunnen doen gelden op een
nabestaandenpensioen zoals gehuwden dat ook kunnen. Daar is zowel
mondeling als schriftelijk bij brief van 21 juni 1994 afwijzend op
gereageerd. Wel werd gewezen op een studie die is aangekondigd naar een
nieuwe pensioenregeling. De bestaande problematiek met betrekking tot
het ontbreken van een reglementaire regeling voor partnerpensioen zal
daarbij worden meegenomen. Op korte termijn is invoering van het
partnerpensioen evenwel niet te verwachten. Ter zitting is gemeld dat
een voorstel tot regeling van deze problematiek binnenkort met de
vakbeweging wordt besproken

De standpunten van partijen

Ten aanzien van de discriminatiegrond op basis waarvan onderscheid
wordt gemaakt

3.3. Verzoeker stelt dat in casu sprake is van onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid. Er wordt verschil gemaakt tussen werknemers
met een homoseksuele relatie en die met een heteroseksuele relatie. De
laatste groep kan immers, anders dan mensen in een homoseksuele
relatie, nog een keuze voor het huwelijk maken, waardoor alsnog recht
op een nabestaandenpensioen ontstaat. Verzoeker is op de hoogte van de
wijzigingen in de Pensioen- en Spaarfondsenwet, die bepaalt dat daar
waar aan gehuwden een nabestaandenpensioen wordt toegekend, aan
ongehuwden met ingang van 1 januari 2000 een gelijkwaardig
pensioenpakket dient te worden geboden. Deze wijzigingen beogen volgens
verzoeker niet het onderscheid op grond van burgerlijke staat ongedaan
te maken, maar wel het onderscheid op grond van seksuele voorkeur.

3.4. De wederpartij verwerpt de opvatting van verzoeker dat zij
onderscheid zou maken op grond van homoseksuele gerichtheid. In casu is
volgens de wederpartij sprake van een zuiver onderscheid op grond van
burgerlijke staat. Ongehuwden kunnen geen recht doen gelden op een
nabestaandenpensioen. Of sprake is van een hetero- of homoseksuele
relatie doet daarbij niet ter zake.

Er is sprake van direct onderscheid op grond van burgerlijke staat dat
wordt bestreken door artikel 5 lid 6 AWGB. Dit artikellid staat het
maken van een direct onderscheid op grond van burgerlijke staat in
pensioenvoorzieningen toe.

De wederpartij stelt dat in de onderhavige situatie geen sprake is van
direct onderscheid op grond van homoseksualiteit. De AWGB ziet in deze
situatie niet op indirect onderscheid op grond van homoseksualiteit,
doordat lid 6 van artikel 5 AWGB geldt. Indirect onderscheid ziet
namelijk op onderscheid op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan de discriminatiegronden genoemd in artikel 1 sub b
AWGB, dat direct onderscheid tot gevolg heeft. Aangezien burgerlijke
staat en homoseksualiteit in genoemd artikel 1 sub b AWGB als vormen
van direct onderscheid worden genoemd, sluit de tekst van de AWGB een
indirect onderscheid op deze gronden uit. Bovendien is er geen sprake
van dat een eventueel onderscheid tot direct onderscheid zou leiden.
Naar de seksuele gerichtheid van personen wordt niet gevraagd. Deze
wordt dan ook niet geregistreerd, reden waarom niet kan worden
vastgesteld of in overwegende mate mensen met een homoseksuele
gerichtheid worden getroffen. De wederpartij acht het onwaarschijnlijk,
gezien het geringe voorkomen van homoseksualiteit in het algemeen, dat
het merendeel van de ongehuwde werknemers homoseksueel is.

Ten aanzien van de objectieve rechtvaardigingsgronden

3.5. Verzoeker is van mening dat de wederpartij in strijd handelt met
de AWGB doordat hij geen recht op een nabestaandenpensioen kan doen
gelden. Er kunnen slechts zeer zwaarwegende principiele argumenten aan
de werking van de AWGB in de weg staan, die hier niet aan de orde zijn.
De wederpartij voert met betrekking tot de registratie van het
partnerschap immers slechts praktische belemmeringen aan die reden zijn
om (nog) geen nabestaandenpensioen voor ongehuwden op te nemen. Deze
kunnen volgens verzoeker niet doorslaggevend zijn. Hij wijst daarbij op
het pensioenfonds waarbij zijn partner is aangesloten, waar werknemers
met een homoseksuele relatie, onder voorwaarden, wel recht op een
nabestaandenpensioen hebben.

3.6. De wederpartij stelt dat indien – in tegenstelling tot haar
opvatting – toch sprake mocht zijn van een vermoeden van indirect
onderscheid, dit objectief gerechtvaardigd is. Zij wijst daarbij op
uitspraken van Nederlandse rechters waarin een partnerpensioen voor
ongehuwden binnen het kader van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW)
niet werd erkend. De Centrale Raad van Beroep acht de situatie van
gehuwden en ongehuwden te zeer verschillend om hen in het kader van de
AWW gelijk te behandelen. De wederpartij wijst ook op het Europees
Mensenrechtencomite, dat kwam tot een vergelijkbare uitspraak.

Nu er geen sprake is van een wettelijk nabestaandenpensioen voor
ongehuwden, is er volgens de wederpartij ook geen basis voor het
totstandbrengen van een aanvullend nabestaandenpensioen, aangezien dit
als het ware in de lucht zou komen te hangen. Het karakter van de
onderhavige pensioenregelingen is immers aanvullend en houdt rekening
met de wettelijke voorzieningen.

Voorts zijn er in de huidige situatie belemmeringen in de uitvoerende
zin met betrekking tot de registratie van het partnerschap. Voor een
effectief beheer zijn objectieve criteria noodzakelijk met betrekking
tot de aanvang en beeindiging van het partnerschap. Daarin zou worden
voorzien indien een wettelijk en openbaar samenlevingsregister zou
bestaan. Ten aanzien van het door verzoeker bedoelde pensioenfonds dat
wel voorziet in een partnerpensioen stelt de wederpartij, dat deze de
arbeidsintensieve gevolgen van het nemen van een reeks interne
beheersmaatregelen heeft geaccepteerd. Periodiek dient daarbij echter
het bestaan van het partnerschap te worden aangetoond, hetgeen volgens
de wederpartij op zichzelf weer als een vorm van indirecte
discriminatie zou kunnen worden uitgelegd.

De wederpartij wijst tot slot op het structurele karakter van de
uitzondering in de AWGB ten aanzien van het nabestaandenpensioen. Ook
na 1999 is er geen wettelijke verplichting voor het invoeren van een
partnerpensioen. De overheid staat een alternatief voor ogen door het
bieden van wettelijke keuzemogelijkheden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt met de
AWGB door werknemers met een homoseksuele relatie geen mogelijkheid te
bieden een partnerpensioen op te bouwen.

4.2. Artikel 5 lid 1 onderdeel d AWGB bepaalt onder meer dat
onderscheid verboden is bij arbeidsvoorwaarden. Lid 6 van artikel 5
stelt: “Het eerste lid, onderdeel d, is niet van toepassing op
onderscheid op grond van burgerlijke staat, voor zover het betreft
pensioenvoorzieningen”.

Artikel 1 AWGB luidt: “In deze wet en de daarop berustende bepalingen
wordt verstaan onder: a. onderscheid: direct en indirect onderscheid;
b. direct onderscheid: onderscheid tussen personen op grond van
godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht,
nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke
staat; c. indirect onderscheid: onderscheid op grond van andere
hoedanigheden of gedragingen dan bedoeld in onderdeel b, dat direct
onderscheid tot gevolg heeft.”

4.3. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd handelt met
artikel 5 AWGB, door verzoeker niet te laten deelnemen aan de
nabestaandenpensioenregeling.

De Commissie overweegt hierover als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat in de onderhavige
pensioenregeling rechtstreeks op grond van de burgerlijke staat van
werknemers onderscheid wordt gemaakt. Verzoeker evenwel voert aan, dat
de wederpartij door dit directe onderscheid op grond van burgerlijke
staat, tevens een indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid maakt.

Op dit indirecte onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid is
de uitzondering van artikel 5 lid 6 AWGB, aldus verzoeker, niet van
toepassing.

De Commissie overweegt dat, indien de redenering van verzoeker wordt
gevolgd, onderzocht moet worden of door toepassing van het criterium
burgerlijke staat in de onderhavige pensioenregeling, werknemers met
een homoseksuele gerichtheid relatief zwaarder worden getroffen dan
werknemers met een heteroseksuele gerichtheid. Mocht dat komen vast te
staan, dan moet vervolgens worden onderzocht of een objectieve
rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid.

4.4. Teneinde aan de voorgaande onderzoeksvragen toe te kunnen komen,
moet evenwel eerst worden onderzocht of de redenering van verzoeker kan
worden gevolgd.

In de redenering van verzoeker is burgerlijke staat het criterium op
grond waarvan mogelijk onderscheid wordt gemaakt naar homoseksuele
gerichtheid. In geding is dan allereerst de vraag of, los van de
uitzonderingsgrond in lid 6 van artikel 5 AWGB, aan deze redenering
artikel 1 sub c AWGB in de weg staat. Ten aanzien van het standpunt van
de wederpartij in deze, inhoudende dat de tekst van artikel 1 AWGB een
indirect onderscheid uitsluit indien het criterium op basis waarvan
indirect onderscheid wordt gemaakt een van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden betreft, overweegt de Commissie als volgt.

Artikel 1 sub c AWGB is in de Wet opgenomen ter verduidelijking van het
begrip indirect onderscheid (Eerste Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22014, nummer 212c, pagina 20, 1992-1993). Het feit dat
onderdeel c bepaalt dat bij indirect onderscheid sprake moet zijn van
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan die
bedoeld in onderdeel b, is dan ook bedoeld ter markering van het
verschil met het in onderdeel b aangeduide direct onderscheid.

Dat de wetgever het verschil aanduidt tussen direct en indirect
onderscheid neemt niet weg, dat in een concrete situatie sprake kan
zijn van zowel een direct als een indirect onderscheid.

De tekst van artikel 1 sub c AWGB sluit uiteraard uit dat, indien
sprake is van een direct onderscheid op grond van een in de Wet
genoemde discriminatiegrond, tevens sprake kan zijn van indirect
onderscheid op grond van diezelfde discriminatiegrond.

De algemene stelling dat, wanneer een verboden direct onderscheid wordt
gemaakt op de ene discriminatiegrond, dit uitsluit dat tevens een
verboden indirect onderscheid op een andere discriminatiegrond uit de
AWGB wordt gemaakt, moet echter worden verworpen. Voor een dergelijke
beperkte interpretatie van de AWGB (en met name van artikel 1 van deze
Wet), kan in de parlementaire geschiedenis van deze Wet geen steun
worden gevonden.

Het tegendeel is eerder het geval. Bij de parlementaire behandeling van
deze Wet heeft de wetgever namelijk gewezen op een verbod van
onderscheid tussen mannen en vrouwen wat betreft aanvullende
pensioenvoorzieningen, dat in de WGB zal worden opgenomen “voor zover
onderscheid naar burgerlijke staat in aanvullende pensioenvoorzieningen
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft” (Tweede Kamer der
Staten Generaal, kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20, 1990-1991).

Het feit dat het hier een uitvoering van een EG-Richtlijn betreft met
gevolgen voor de WGB neemt niet weg, dat wordt onderkend dat een direct
onderscheid op grond van een wettelijke discriminatiegrond een indirect
onderscheid op grond van een andere wettelijke discriminatiegrond kan
opleveren.

De Commissie voegt hier nog aan toe dat, waar de AWGB met indirect
onderscheid bedoelt de effecten tegen te gaan van het maken van
onderscheid dat leidt tot een benadeling van hoofdzakelijk personen,
behorend tot een in deze Wet beschermde categorie, aan deze bedoeling
van de Wet door een beperkte interpretatie van artikel 1 AWGB afbreuk
wordt gedaan. Dit geldt met name in die gevallen, waar een
maatschappelijke samenhang kan zijn tussen verschillende
discriminatiegronden (zoals burgerlijke staat en homoseksuele
gerichtheid, ras en nationaliteit, godsdienst en ras).

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat artikel
1 sub b en c AWGB niet in de weg staat aan een onderzoek naar mogelijk
indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid, waarbij
burgerlijke staat het criterium is op basis waarvan het mogelijk
onderscheid wordt gemaakt.

4.5. Een tweede punt van beoordeling bij de vraag of de redenering van
verzoeker kan worden gevolgd, betreft zijn stelling dat de uitzondering
van artikel 5 lid 6 AWGB niet geldt bij indirect onderscheid op grond
van homoseksuele gerichtheid.

De Commissie overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

De tekst van artikel 5 lid 6 AWGB dwingt niet tot de aanname van een
beperkte dan wel ruime werking van de in dit lid opgenomen uitzondering
op het beginsel van gelijke behandeling. De parlementaire geschiedenis
wijst naar het oordeel van de Commissie evenwel uit, dat een ruime
werking van de onderhavige uitzondering werd beoogd. Een ruime werking
althans in die zin dat een onderscheid in een pensioenregeling, dat
zijn oorsprong enkel en alleen vindt in de burgerlijke staat van een
werknemer, ongeacht de oorzaak daarvan, niet verboden wordt door de
AWGB. De ratio hiervan is, dat aanvullende pensioenvoorzieningen in
sterke mate toegesneden zijn op de structuur van de wettelijke
pensioenvoorzieningen. De wetgever heeft gesteld dat, nu de
herstructurering van deze laatste nog gaande is, in het bijzonder waar
het betreft de nabestaandenvoorzieningen, een algemeen verbod van
onderscheid op grond van burgerlijke staat in de AWGB in aanvullende
pensioenvoorzieningen prematuur is (Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20, 1990-1991).

De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB benadrukt,
dat de uitzondering van lid 6 een structurele, algemeen geldende
uitzondering behoort te zijn. Dit uitgangspunt is bevestigd in de
Kamerbehandeling van de recente wijziging van de Pensioen- en
Spaarfondsenwet (Zie onder meer Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 23123, nummer 8, pagina 5 en 6, 1993-1994). Indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid komt hier in feite
neer op onderscheid op grond van burgerlijke staat. Immers het indirect
onderscheid naar homoseksuele gerichtheid vindt zijn oorzaak
uitsluitend in het feit dat homoseksuelen ongehuwd zijn, dat wil zeggen
niet kunnen trouwen. De Commissie concludeert dan ook, dat de algemene
en structurele geldigheid van de uitzondering, vervat in lid 6 van
artikel 5 AWGB, in de weg staat aan een toets op indirect onderscheid
naar homoseksuele gerichtheid in de onderhavige casus.

4.6. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie tot slot nog op, dat de
taak van de Commissie is beperkt tot toetsing aan de nationale
wetgeving gelijke behandeling. Dit laat evenwel onverlet, dat het
handelen van de wederpartij door andere instanties kan worden getoetst
aan de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen op het gebied van de
gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
door de heer te niet toe te laten tot de
nabestaandenpensioenregeling, vanwege artikel 5 lid 6 Algemene wet
gelijke behandeling niet in strijd handelt met artikel 5 lid 1 Algemene
wet gelijke behandeling.

Rechters

mw. mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw. prof. mr.J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mw. mr. L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lidKamer), dhr. mr. L.M. Moerings (lid Kamer), mw. mr. L. Mulder (lidKamer), mw. mr. D. Jongsma (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft een mannelijke partner. Tot 1 juli 1994 kwamen alleen
gehuwde werknemers in aanmerking voor een nabestaandenpensioen. Sinds
deze datum kunnen werknemers die ongehuwd samenwonen met een partner
zich laten registreren om ook voor een nabestaandenpensioen in
aanmerking te komen. Verzoeker heeft een dergelijk verzoek gedaan, maar
dit is afgewezen omdat hij ouder is dan 65 jaar. Verzoeker meent dat de
wederpartij hiermee in strijd handelt met het bepaalde in de AWGB. In
casu is sprake van een pensioenfonds dat direct betrokken is bij de
arbeidsvoorwaarden van werknemers. Hoewel hiermee niet gesproken kan
worden van het op een lijn stellen van de wederpartij met een
werkgever, stelt de Commissie vast dat gezien deze directe
betrokkenheid van de wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden van
werknemers, haar handelen in dit opzicht kan worden getoetst aan
artikel 5 AWGB.

De Commissie constateert dat van alle heteroseksuele personen die zich
(willen) aanmelden, allen worden getroffen door de ingangsdatum die
verbonden is met bepaalde registratievoorwaarden. Van alle homoseksuele
personen die zich (willen) aanmelden worden eveneens allen getroffen.
De Commissie concludeert hieruit, dat aangaande de datum van 1 juli
1994 waarop aan bepaalde registratievoorwaarden moest zijn voldaan,
homoseksuelen niet relatief zwaarder worden getroffen dan
heteroseksuelen, en dienaangaande geen vermoeden van indirect
onderscheid ontstaat. De Commissie overweegt dat in dat geval
onderzocht moet worden of door toepassing van het criterium burgerlijke
staat in de gehele pensioenregeling, werknemers met een homoseksuele
gerichtheid relatief zwaarder worden getroffen dan werknemers met een
heteroseksuele gerichtheid. Mocht dat komen vast te staan, dan moet
vervolgens worden onderzocht of een objectieve rechtvaardiging bestaat
voor het gemaakte onderscheid.

De Commissie concludeert dat artikel 1 sub b en c AWGB niet in de weg
staat aan een onderzoek naar mogelijk indirect onderscheid op grond van
homoseksuele gerichtheid, waarbij burgerlijke staat het criterium is op
basis waarvan het mogelijk onderscheid wordt gemaakt. De Commissie
concludeert dan ook, dat de algemene en structurele geldigheid van de
uitzondering, vervat in lid 6 van artikel 5 AWGB, in de weg staat aan
een toets op indirect onderscheid naar homoseksuele gerichtheid in de
onderhavige casus. De Commissie oordeelt dat het pensioenfonds, door
de heer .. niet in aanmerking te laten komen voor een
nabestaandenpensioen niet in strijd handelt met artikel 5 lid 1 AWGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 19 juli 1995 verzocht de heer te
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling haar
oordeel uit te spreken over de vraag of het
te (hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid maakt
in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker heeft een mannelijke partner. Tot 1 juli 1994 kwamen
alleen gehuwde werknemers in aanmerking voor een nabestaandenpensioen.
Sinds deze datum kunnen werknemers die ongehuwd samenwonen met een
partner zich laten registreren om ook voor een nabestaandenpensioen in
aanmerking te komen. Verzoeker heeft een dergelijk verzoek gedaan, maar
dit is afgewezen omdat hij ouder is dan 65 jaar. Verzoeker meent dat de
wederpartij hiermee in strijd handelt met het bepaalde in de AWGB.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen. Beide partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 23 oktober
1995. Deze zaak is gevoegd behandeld met een vergelijkbare zaak, waarin
dezelfde wederpartij werd aangesproken (oordeelnr. 95-42).

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – de heer

van de kant van verzoeker in de gevoegde zaak – de heer
(verzoeker) – de heer (raadsman)

van de kant van de wederpartij –

van de kant van de Commissie – mevrouw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mevrouw prof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer) –
mevrouw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – de heer mr L.M.
Moerings (lid Kamer) – mevrouw mr L. Mulder (lid Kamer) – mevrouw mr D.
Jongsma (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de
Commissie, waarvan de leden als vermeld onder 2.2. deel uitmaken.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker woont elf en een half jaar samen met zijn mannelijke
partner. Verzoeker is ouder dan 65 jaar, zijn partner jonger. Zij
hebben sinds drie jaar een notarieel samenlevingscontract en hebben
beiden een testament gemaakt, waarbij zij elkaar tot erfgenaam hebben
benoemd.

Verzoeker valt onder de pensioenregeling die wordt uitgevoerd door de
wederpartij, en ontvangt pensioen. Deze pensioenregeling bepaalt dat
recht op nabestaandenpensioen heeft de nabestaande van een ambtenaar,
gewezen ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar (artikel G1). Onder
nabestaande moet worden verstaan (artikel A1, letter k) de man of vrouw
met wie de overleden ambtenaar gehuwd was op de dag van overlijden.
Geen recht op nabestaandenpensioen bestaat bij een huwelijk dat is
gesloten na de datum van ontslag van de ambtenaar. Wel zijn enkele
uitzonderingen van toepassing, maar steeds geldt als voorwaarde dat het
huwelijk is gesloten voordat de echtgenoot de leeftijd van 65 jaar
heeft bereikt.

3.2. Ongehuwd samenwonenden kunnen op grond van deze regeling niet in
aanmerking komen voor aanspraak op een nabestaandenpensioen. In het
arbeidsvoorwaardenoverleg binnen de overheidssector is evenwel in mei
1994 overeengekomen de nabestaandenvoorzieningen uit te breiden tot
niet-huwelijkse relaties. Daartoe is een regeling vastgesteld, de
concept-regeling Invoering partnerpensioen. Inmiddels is op 23 juni
1995 een wetsvoorstel Invoering partnerpensioen, inhoudelijk
overeenkomend met genoemde concept-regeling, aangeboden aan de Tweede
Kamer. (Tweede Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 24227, nummers
1-2, 1994-1995). Voorwaarde voor uitkering van een nabestaandenpensioen
is, dat de partner is geregistreerd bij de wederpartij. Deze
registratie is mogelijk vanaf 1 juli 1994. Aanmelding is niet mogelijk
indien de ambtenaar die de aanmelding wil doen, op 1 juli 1994 ouder is
dan 65 jaar.

Indien dit wetsvoorstel kracht van wet krijgt, zal er een terugwerkende
kracht zijn tot en met 1 juli 1994. Overigens is tevens bepaald, dat de
nabestaande een uitkering ontvangt in geval van overlijden van een
ambtenaar in de periode tussen 31 december 1993 en 1 juli 1994.

3.3. Verzoeker heeft in maart 1995 zijn relatie aangemeld bij de
wederpartij. Bij brief van 12 juni 1995 berichtte de wederpartij hem
dat hij niet voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan de
aanmelding. Verzoeker – is niet in actieve ambtelijke dienst; –
ontvangt geen wachtgeld of uitkering wegens functioneel
leeftijdsontslag; – ontvangt geen invaliditeitspensioen of
herplaatsingstoelage; – was voor het ontslag als ambtenaar niet met
zijn huidige partner gehuwd.

De brief vermeldt tevens dat een definitieve beslissing pas genomen
wordt zodra het nabestaandenpensioen voor ongehuwde partners officieel
in de ABP-wet is opgenomen.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoeker vindt het onredelijk dat hij niet in aanmerking komt
voor het nabestaandenpensioen omdat hij ouder is dan 65 jaar. Gehuwden
die ouder zijn dan 65 jaar en een jongere partner hebben, hebben wel
recht op een nabestaandenpensioen. Als verzoeker en zijn partner hadden
kunnen trouwen, hadden zij dat gedaan. Verzoeker is van mening dat door
deze regeling homoseksuelen worden gediscrimineerd. De wederpartij wist
volgens verzoeker dat een grote groep mensen buiten deze regeling zou
vallen en heeft naar zijn mening dan ook onzorgvuldig gehandeld.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek stelt verzoeker het
volgende. Het feit dat de invoering van het partnerpensioen in de
ABP-wet formeel nog moet plaatsvinden staat aan de klacht niet in de
weg. Ook op dit moment heeft de partner geen recht op pensioen, hetgeen
in strijd is met de Algemene wet gelijke behandeling. Bovendien is het
zeer aannemelijk dat het wetsvoorstel daadwerkelijk ingevoerd wordt.
Daarnaast kan ook tegen beoogde ongelijke behandeling een klacht
ingediend worden.

Verzoeker stelt ten aanzien van lid 6 van artikel 5 AWGB, waarin een
uitzondering staat op het verbod van onderscheid op grond van
burgerlijke staat met betrekking tot pensioenvoorzieningen, dat deze
uitzondering slechts ziet op franchises. Dit blijkt volgens hem uit de
memorie van toelichting bij de wet. Het is dus niet als een algemene
uitsluiting bedoeld. Bovendien houdt de uitzondering verband met de nog
in gang zijnde herstructurering van wettelijke pensioenvoorzieningen.
Omdat de herstructurering nog niet afgerond is heeft de wetgever een
algemeen verbod van onderscheid op grond van burgerlijke staat niet
wenselijk gevonden. Het is echter juist in het onderhavige geval zo,
dat bij het verstrekken van de AOW rekening gehouden is met de partner.
De partner weegt derhalve wel mee bij het bepalen van de hoogte van de
AOW, doch op de complementaire pensioenvoorziening zou de partner geen
recht hebben. Dit lijkt naar de mening van verzoeker niet de bedoeling
van de wetgever te zijn geweest.

3.5. De wederpartij is in de eerste plaats van mening dat verzoeker
niet kan worden ontvangen in zijn klacht. De klacht is namelijk gericht
tegen een onderdeel van wetgeving, dat nog tot stand moet komen. Omdat
het resultaat van het wetgevingsproces niet vaststaat kan nog niet
worden gesproken van een regeling op dit punt.

Voor wat betreft de vraag of getoetst moet worden aan artikel 5 AWGB
(betrekking hebbend op arbeidsverhoudingen) of artikel 7 AWGB
(betrekking hebbend op onder meer het aanbieden van goederen en
diensten), stelt de wederpartij dat artikel 5 AWGB aan de orde is.
Weliswaar is dit artikel, gezien de onderwerpen die erin geregeld
worden, vooral gericht tot de werkgever, maar naar de tekst van de
bepaling is deze daartoe niet beperkt. Pensioenen kunnen worden gezien
als arbeidsvoorwaarden, die worden bestreken door artikel 5 lid 1 sub d
AWGB. Pensioentoezeggingen worden veelal uitgevoerd door derden. Wil de
in lid 6 van artikel 5 AWGB genoemde uitzondering een betekenis hebben
dan impliceert dit, dat artikel 5 AWGB ook geldt voor pensioenfondsen.
Anders zou immers de situatie ontstaan dat bijvoorbeeld een werkgever
en een pensioenfonds betrokken zijn bij een pensioenregeling, maar
alleen aan de werkgever in voorkomende gevallen een beroep toekomt op
lid 6 van artikel 5 AWGB.

Artikel 7 AWGB kan niet van toepassing zijn volgens de wederpartij. Zij
voert als pensioenfonds immers een wet uit, beheert op grond van die
wet vermogen en oefent toezicht uit. Van het aanbieden van goederen en
diensten is volgens haar geen sprake.

3.6. In geval van toetsing aan artikel 5 AWGB, doet de wederpartij een
beroep op lid 6 van dit artikel. Het verbod op het maken van
onderscheid in de arbeidsvoorwaarden is niet van toepassing op
onderscheid op grond van burgerlijke staat in pensioenregelingen. Dit
sluit volgens de wederpartij ook aan bij jurisprudentie, waarin een
dergelijk onderscheid op grond van burgerlijke staat niet in strijd met
internationaal of supranationaal recht werd geacht.

De wederpartij beroept zich in het concrete geval van verzoeker op het
feit dat deze reeds ouder was dan 65 jaar op het moment van aanmelding.

Deze leeftijdsvoorwaarde acht de wederpartij vergelijkbaar met de
voorwaarde voor gehuwden, dat het huwelijk moet zijn gesloten voordat
de ambtenaar 65 jaar werd. Voor beide categorieen geldt dat wanneer zij
65 jaar zijn, aanmelding van de partner (gehuwd of ongehuwd) niet meer
mogelijk is.

Ter zitting stelt de wederpartij ten aanzien van het feit dat aan de
leeftijdseis moet zijn voldaan vanaf 1 juli 1994 het volgende. Het
recht op een nabestaandenpensioen is gerelateerd aan het recht op het
ouderdomspensioen. Dat wil volgens de wederpartij niet zeggen dat het
technisch niet mogelijk was om voor een andere datum dan 1 juli 1994 te
kiezen. Die datum ligt echter wel het meest voor de hand, temeer omdat
op de datum van aanmelding komt vast te staan dat er een nabestaande in
de zin van de pensioenregeling is. De wederpartij wijst er op, dat een
datum altijd arbitrair is.

3.7. Voor wat betreft de vraag of sprake is van indirect onderscheid op
grond van homoseksuele gerichtheid, omdat homoseksuelen niet met elkaar
kunnen trouwen, stelt de wederpartij het volgende. Binnen de groep van
ongehuwden komen allerlei relatievormen voor. Homoseksuele relaties
vormen een onderdeel hiervan. Er zijn geen cijfers bekend over de
samenstelling van de groep partners die voor de nieuwe regeling in
aanmerking komen. Zij heeft geen aanwijzingen dat hierin in overwegende
mate personen met een homoseksuele gerichtheid worden getroffen.

De wederpartij vraagt zich overigens af, waartoe een onderzoek naar
indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid moet leiden.
Het onderscheid op grond van burgerlijke staat is immers toegestaan,
ongeacht de vraag wat de oorzaak van die burgerlijke staat is. Anders
gezegd, het kan niet zo zijn dat een onderscheid in het algemeen tussen
gehuwden en ongehuwden wel mag worden gemaakt, maar niet ten aanzien
van een bepaalde groep ongehuwden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoeker
onder-scheid op grond van homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt in
strijd met de AWGB door bij de registratiemogelijkheid voor de
toekomstige pensioenregeling voor ongehuwden als voorwaarde te stellen
dat op 1 juli 1994 nog niet de 65-jarige leeftijd mag zijn bereikt.

4.2. Voor de beantwoording van de opgeworpen vraag is met name artikel
5 AWGB van belang. Artikel 5 lid 1 AWGB stelt onder meer dat
onderscheid verboden is bij de arbeidsvoorwaarden. Vooraleer de
Commissie ingaat op het in geding zijnde handelen van de wederpartij,
zal zij ingaan op de vraag, op grond van welk wetsartikel de
wederpartij kan worden aangesproken. In casu is namelijk het
pensioenfonds door verzoeker aangemerkt als de wederpartij, en niet de
werkgever.

Ten aanzien van de wederpartij

4.3. Artikel 5 AWGB betreft onder andere een verbod op onderscheid bij
arbeidsvoorwaarden. De arbeidsvoorwaarden worden in casu
overeen-gekomen tussen vertegenwoordigers van de werknemers en de
werkgever. De wederpartij treedt daarbij op als uitvoerder van hetgeen
in het arbeidsvoorwaardenoverleg is overeengekomen, zowel met
betrekking tot de vigerende pensioenregeling voor gehuwden als met
betrekking tot de aanmelding voor een toekomstige pensioenregeling voor
ongehuwden.

De Commissie constateert dat artikel 5 AWGB niet expliciet stelt tot
wie het verbod van onderscheid zich richt. De wetgever heeft met de
formulering van dit artikel bedoeld dat “de wet van toepassing is op
iedere arbeidsverhouding waarin een persoon onder gezag van een ander
arbeid verricht. ( …) Evenzo is dit artikel van toepassing op het
terrein van de arbeidsbemiddeling zoals uitzendbureau’s en RBA’s”
(Tweede Kamer der Staten Generaal, kamerstukken 22014, nummer 5, pagina
70, 1991-1992). De Commissie concludeert naar aanleiding hiervan, dat
de reikwijdte van artikel 5 AWGB zich niet beperkt tot de relatie
werkgever/werknemer.

Dan is vervolgens de vraag aan de orde of het in artikel 5 gestelde
verbod op het maken van onderscheid zich richt tot de wederpartij.

Reeds bij de Commissie gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de
arbeid (hierna CGB m/v) is de kwestie aan de orde geweest of een
pensioenfonds aangesproken kan worden op handelen in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

In de tekst van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (hierna:
WGB) is, wanneer de arbeidsvoorwaarden in geding zijn, de aan te
spreken wederpartij beperkt tot de werkgever. De CGB m/v beantwoorde de
vraag of een pensioenfonds als wederpartij kon worden aangesproken dan
ook ontkennend. Zij gaf daarbij wel aan dat de jurisprudentie onder
gevolg van artikel 119 EG-Verdrag ruimte biedt om naast werkgevers ook
pensioenfondsen rechtstreeks aan te spreken op handelen in strijd met
dit artikel (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Beune
versus Bestuur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds, C-7/93, 28
september 1994). Nu evenwel de wetgever op het punt van de
arbeidsvoorwaarden bij de WGB expliciet alleen de werkgever noemt als
aan te spreken persoon, kon deze jurisprudentie naar het oordeel van de
CGB m/v toch niet leiden tot aansprakelijkheid van pensioenfondsen voor
handelen in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

De Commissie overweegt in dit verband dat, nu deze beperking in de WGB
voor een ruimere kring van aan te spreken personen in de AWGB niet
aanwezig is, met verwijzing naar eerdergenoemde jurisprudentie van het
EG-Hof een pensioenfonds in beginsel kan worden aangesproken in het
kader van de AWGB.

In casu is sprake van een pensioenfonds dat direct betrokken is bij de
arbeidsvoorwaarden van werknemers. Hoewel hiermee niet gesproken kan
worden van het op een lijn stellen van de wederpartij met een
werkgever, stelt de Commissie vast dat gezien deze directe
betrokkenheid van de wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden van
werknemers, haar handelen in dit opzicht kan worden getoetst aan
artikel 5 AWGB.

De Commissie concludeert op grond van het voorgaande, dat het in
artikel 5 AWGB gestelde verbod op het maken van onderscheid zich (mede)
richt tot de wederpartij.

Ten aanzien van onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid bij
de pensioenregeling voor ongehuwden

4.4. Teneinde de vraag te kunnen beantwoorden of de wederpartij
indirect onderscheid maakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij de
pensioenregeling voor ongehuwden, zal de Commissie eerst ingaan op de
vraag of de Commissie mag oordelen over de in geding zijnde regeling.

De weigering van de wederpartij om verzoeker in aanmerking te laten
komen voor een nabestaandenpensioen is gebaseerd op het niet voldoen
aan de gestelde registratievoorwaarden door verzoeker, vervat in de
concept-regeling Invoering partnerpensioen. Het beleid dat de
wederpartij voert ten aanzien van de registratie van (partners van)
ongehuwde werknemers en de toekenning van een nabestaandenpensioen, is
vooralsnog niet terug te voeren op enige wettelijke regeling. De
uitzondering in artikel 4 onderdeel c AWGB, inhoudende dat de AWGB
onderscheid onverlet laat dat gemaakt wordt bij of krachtens enige
andere wet welke voorafgaand aan de AWGB in werking is getreden, speelt
derhalve hier geen rol. De Commissie concludeert mitsdien dat het
handelen van de wederpartij kan worden getoetst aan artikel 5 AWGB.

4.5. Ten aanzien van het indirect onderscheid op grond van homoseksuele
gerichtheid overweegt de Commissie als volgt.

Verzoeker stelt dat hij wordt gedupeerd door de ingangsdatum van de
nieuwe regeling waarop hij de leeftijdsgrens van 65 jaar niet mocht
hebben overschreden. Door voorwaarden die binnen de nieuwe regeling
voor ongehuwden gelden, worden naar de mening van verzoeker met name
homoseksuelen benadeeld.

Indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid ontstaat,
wanneer het nadelig effect van een regeling in overwegende mate
homoseksuele personen treft, tenzij daarvoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond is.

Teneinde een vermoeden van indirect onderscheid te kunnen vaststellen,
zal moeten worden onderzocht, of homoseksuele personen relatief
zwaarder dan heteroseksuele personen worden getroffen door de
ingangsdatum en registratievoorwaarden bij de pensioenregeling voor
ongehuwden.

De Commissie stelt vast dat de ingangsdatum 1 juli 1994, waarop aan
bepaalde registratievoorwaarden moest zijn voldaan, afkomstig is uit
een voor ongehuwden bedoelde regeling en dat deze alleen ongehuwden
regardeert die zich melden voor een nabestaandenpensioen. Gehuwden
immers konden zich al langer aanmelden, en voor hen geldt dan ook niet
de eis om op 1 juli 1994 te moeten voldoen aan bepaalde
registratievoorwaarden.

De Commissie constateert dat van alle heteroseksuele personen die zich
(willen) aanmelden, allen worden getroffen door de ingangsdatum die
verbonden is met bepaalde registratievoorwaarden. Van alle homoseksuele
personen die zich (willen) aanmelden worden eveneens allen getroffen.
De Commissie concludeert hieruit, dat aangaande de datum van 1 juli
1994 waarop aan bepaalde registratievoorwaarden moest zijn voldaan,
homoseksuelen niet relatief zwaarder worden getroffen dan
heteroseksuelen, en dienaangaande geen vermoeden van indirect
onderscheid ontstaat.

4.6. Het standpunt van verzoeker, dat de ingangsdatum en daaraan
verbonden registratievoorwaarden van de nabestaanden-pensioenregeling
voor ongehuwden relatief meer homoseksuelen dan heteroseksuelen treft,
kan naar het oordeel van de Commissie ook aldus worden begrepen.

Feitelijk is de situatie vanaf 1 juli 1994 bij de wederpartij aldus,
dat zowel gehuwden als ongehuwden voor een nabestaandenpensioen in
aanmerking kunnen komen, maar dat voor ongehuwden 1 juli 1994 als
peildatum geldt voor het voldoen aan registratievoorwaarden.

Hierdoor zou mogelijk een onderscheid ontstaan naar homoseksuele
gerichtheid kunnen ontstaan, aangezien homoseksuelen niet met elkaar
gehuwd zijn. De klacht van verzoeker is in deze zin een verzoek om een
oordeel, waarbij in geding is de vraag of de wederpartij door
toepassing van het criterium burgerlijke staat onderscheid naar
homoseksuele gerichtheid maakt in strijd met de AWGB.

De Commissie overweegt dat in dat geval onderzocht moet worden of door
toepassing van het criterium burgerlijke staat in de gehele
pensioenregeling, werknemers met een homoseksuele gerichtheid relatief
zwaarder worden getroffen dan werknemers met een heteroseksuele
gerichtheid. Mocht dat komen vast te staan, dan moet vervolgens worden
onderzocht of een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte
onderscheid.

4.7. Teneinde evenwel aan de voorgaande onderzoeksvragen toe te kunnen
komen, moeten twee vragen worden beantwoord.

Allereerst is de vraag in geding of, los van de uitzondering in lid 6
van artikel 5 AWGB, een redenering kan worden gevolgd waarbij
burgerlijke staat het criterium is dat leidt tot mogelijk onderscheid
op grond van homoseksuele gerichtheid, gelet op artikel 1 sub c AWGB.
De vraag is namelijk of de tekst van artikel 1 AWGB een indirect
onderscheid uitsluit indien het criterium op basis waarvan indirect
onderscheid wordt gemaakt een van de in de AWGB genoemde
discriminatiegronden betreft.

De Commissie overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

4.8. Artikel 1 sub c AWGB is in de Wet opgenomen ter verduidelijking
van het begrip indirect onderscheid (Eerste Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22014, nummer 212c, pagina 20, 1992-1993). Het feit dat
onderdeel c bepaalt dat bij indirect onderscheid sprake moet zijn van
onderscheid op grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan die
bedoeld in onderdeel b, is dan ook bedoeld ter markering van het
verschil met het in onderdeel b aangeduide direct onderscheid.

Dat de wetgever het verschil aanduidt tussen direct en indirect
onderscheid neemt niet weg, dat in een concrete situatie sprake kan
zijn van zowel een direct als een indirect onderscheid.

De tekst van artikel 1 sub c AWGB sluit uiteraard uit dat, indien
sprake is van een direct onderscheid op grond van een in de Wet
genoemde discriminatiegrond, tevens sprake kan zijn van indirect
onderscheid op grond van diezelfde discriminatiegrond.

De algemene stelling dat, wanneer een verboden direct onderscheid wordt
gemaakt op de ene discriminatiegrond, dit uitsluit dat tevens een
verboden indirect onderscheid op een andere discriminatiegrond uit de
AWGB wordt gemaakt, moet echter worden verworpen. Voor een dergelijke
beperkte interpretatie van de AWGB (en met name van artikel 1 van deze
Wet), kan in de parlementaire geschiedenis van deze Wet geen steun
worden gevonden.

Het tegendeel is eerder het geval. Bij de parlementaire behandeling van
deze Wet heeft de wetgever namelijk gewezen op een verbod van
onderscheid tussen mannen en vrouwen wat betreft aanvullende
pensioenvoorzieningen, dat in de WGB zal worden opgenomen “voor zover
onderscheid naar burgerlijke staat in aanvullende pensioenvoorzieningen
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft” (Tweede Kamer der
Staten Generaal, kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20, 1990-1991).
Het feit dat het hier een uitvoering van een EG-Richtlijn betreft met
gevolgen voor de WGB neemt niet weg, dat wordt onderkend dat een direct
onderscheid op grond van een wettelijke discriminatiegrond een indirect
onderscheid op grond van een andere wettelijke discriminatiegrond kan
opleveren.

De Commissie voegt hier nog aan toe dat, waar de AWGB met indirect
onderscheid bedoelt de effecten tegen te gaan van het maken van
onderscheid dat leidt tot een benadeling van hoofdzakelijk personen,
behorend tot een in deze Wet beschermde categorie, aan deze bedoeling
van de Wet door een beperkte interpretatie van artikel 1 AWGB afbreuk
wordt gedaan. Dit geldt met name in die gevallen, waar een
maatschappelijke samenhang kan zijn tussen verschillende
discriminatiegronden (zoals burgerlijke staat en homoseksuele
gerichtheid, ras en nationaliteit, godsdienst en ras).

De Commissie concludeert naar aanleiding van het voorgaande dat artikel
1 sub b en c AWGB niet in de weg staat aan een onderzoek naar mogelijk
indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid, waarbij
burgerlijke staat het criterium is op basis waarvan het mogelijk
onderscheid wordt gemaakt.

4.9. Een tweede punt van beoordeling betreft de vraag of de
uitzondering van artikel 5 lid 6 AWGB geldt bij dit indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

De Commissie overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

De tekst van artikel 5 lid 6 AWGB dwingt niet tot de aanname van een
beperkte dan wel ruime werking van de in dit lid opgenomen uitzondering
op het beginsel van gelijke behandeling. De parlementaire geschiedenis
wijst naar het oordeel van de Commissie evenwel uit, dat een ruime
werking van de onderhavige uitzondering werd beoogd. Een ruime werking
althans in die zin dat een onderscheid in een pensioenregeling, dat
zijn oorsprong enkel en alleen vindt in de burgerlijke staat van een
werknemer, ongeacht de oorzaak daarvan, niet verboden wordt door de
AWGB. De ratio hiervan is, dat aanvullende pensioenvoorzieningen in
sterke mate toegesneden zijn op de structuur van de wettelijke
pensioenvoorzieningen. De wetgever heeft gesteld dat, nu de
herstructurering van deze laatste nog gaande is, in het bijzonder waar
het betreft de nabestaandenvoorzieningen, een algemeen verbod van
onderscheid op grond van burgerlijke staat in de AWGB in aanvullende
pensioenvoorzieningen prematuur is (Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20, vergaderjaar 1990-1991).

De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB benadrukt,
dat de uitzondering van lid 6 een structurele, algemeen geldende
uitzondering behoort te zijn. Dit uitgangspunt is bevestigd in de
Kamerbehandeling van de recente wijziging van de Pensioen- en
spaarfondsenwet (Zie onder meer Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 23123, nummer 8, pagina 5 en 6, vergaderjaar 1993-1994).
Indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid komt hier in
feite neer op onderscheid op grond van burgerlijke staat. Immers het
indirect onderscheid naar homoseksuele gerichtheid vindt zijn oorzaak
uitsluitend in het feit dat homoseksuelen ongehuwd zijn, dat wil zeggen
niet kunnen trouwen. De Commissie concludeert dan ook, dat de algemene
en structurele geldigheid van de uitzondering, vervat in lid 6 van
artikel 5 AWGB, in de weg staat aan een toets op indirect onderscheid
naar homoseksuele gerichtheid in de onderhavige casus.

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat de uitzondering van lid 6
van artikel 5 AWGB slechts ziet op de vaststelling van franchises
overweegt de Commissie nog als volgt. De vaststelling van franchises
wordt expliciet genoemd in het kader van deze wettelijke uitzondering
op het verbod van het maken van onderscheid. Dat neemt niet weg, dat de
tekst en de strekking van genoemde Memorie echter naar het oordeel van
de Commissie de conclusie rechtvaardigen, dat de vermelding van
franchises slechts een illustratieve en niet een limitatieve strekking
heeft.

4.10. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie tot slot nog op, dat
de taak van de Commissie is beperkt tot toetsing aan de nationale
wetgeving gelijke behandeling. Dit laat evenwel onverlet, dat het
handelen van de wederpartij door andere instanties kan worden getoetst
aan de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen op het gebied van de
gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het
te , door de heer te
niet in aanmerking te laten komen voor een nabestaandenpensioen,
vanwege artikel 5 lid 6 Algemene wet gelijke behandeling niet in strijd
heeft gehandeld met artikel 5 lid 1 Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

mevrouw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mevrouwprof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mevrouw mr L.Y. Goncalves-HoKang You (lid Kamer), de heer mr L.M. Moerings (lid Kamer), mevrouw mrL. Mulder (lid Kamer), mevrouw mr D. Jongsma (secretaris

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker had een mannelijke partner. Deze partner is overleden op 30
juli 1994. Tot 1 juli 1994 kwamen alleen de huwelijkspartners van de
werknemers in aanmerking voor een nabestaandenpensioen. Sinds deze
datum kunnen werknemers die ongehuwd samenwonen met een partner zich
laten registreren om ook voor een nabestaandenpensioen in aanmerking te
komen. Verzoeker heeft te kennen gegeven voor uitkering van een
nabestaandenpensioen in aanmerking te willen komen, maar dit is
afgewezen omdat zijn partner op het moment van ingaan van de nieuwe
regeling ouder was dan 65 jaar. Verzoeker meent dat de wederpartij
hiermee in strijd handelt met het bepaalde in de AWGB.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van verzoeker kan dan ook naar het
oordeel van de Commissie conform de redenering van het Hof in genoemd
arrest worden gesteld dat, indien in casu een recht op pensioen door de
nabestaande zou kunnen worden verworven, dit geschiedt in het kader van
de arbeidsverhouding tussen de werkgever en de overleden partner van
verzoeker, en het pensioen hem alsdan wordt uitbetaald uit hoofde van
de dienstbetrekking van de overleden partner. De Commissie concludeert
derhalve dat, hoewel verzoeker niet de werknemer is maar diens
nabestaande, getoetst kan worden aan de AWGB. De Commissie overweegt
dat, nu een beperking in de WGB voor een ruimere kring van aan te
spreken personen in de AWGB niet aanwezig is, een pensioenfonds in
beginsel kan worden aangesproken in het kader van de AWGB. In casu is
sprake van een pensioenfonds dat direct betrokken is bij de
arbeidsvoorwaarden van werknemers. Hoewel hiermee niet gesproken kan
worden van het op een lijn stellen van de wederpartij met een
werkgever, stelt de Commissie vast dat gezien deze directe
betrokkenheid van de wederpartij bij de arbeidsvoorwaarden van
werknemers, haar handelen in dit opzicht kan worden getoetst aan
artikel 5 AWGB.

De Commissie concludeert dat het in artikel 5 AWGB gestelde verbod op
het maken van onderscheid zich (mede) richt tot de wederpartij. De
Commissie concludeert dat een onderscheid op grond van burgerlijke
staat krachtens artikel 4 AWGB door deze wet onverlet wordt gelaten en
mitsdien niet in strijd met deze Wet is gehandeld. De Commissie
constateert dat van alle heteroseksuele personen die zich (willen)
aanmelden, allen worden getroffen door de ingangsdatum die verbonden is
met bepaalde registratievoorwaarden. Van alle homoseksuele personen die
zich (willen) aanmelden worden eveneens allen getroffen. De Commissie
concludeert hieruit, dat aangaande de datum van 1 juli 1994 waarop aan
bepaalde registratievoorwaarden moest zijn voldaan, homoseksuelen niet
relatief zwaarder worden getroffen dan heteroseksuelen, en
dienaangaande geen vermoeden van indirect onderscheid ontstaat.

De Commissie overweegt dat in dat geval onderzocht moet worden of door
toepassing van het criterium burgerlijke staat in de gehele
pensioenregeling, werknemers met een homoseksuele gerichtheid relatief
zwaarder worden getroffen dan werknemers met een heteroseksuele
gerichtheid. Mocht dat komen vast te staan, dan moet vervolgens worden
onderzocht of een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte
onderscheid. De Commissie concludeert dat artikel 1 sub b en c AWGB
niet in de weg staat aan een onderzoek naar mogelijk indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid, waarbij burgerlijke
staat het criterium is op basis waarvan het mogelijk onderscheid wordt
gemaakt. De Commissie concludeert dan ook, dat de algemene en
structurele geldigheid van de uitzondering, vervat in lid 6 van artikel
5 AWGB, in de weg staat aan een toets op indirect onderscheid naar
homoseksuele gerichtheid in de onderhavige casus. De Commissie
oordeelt dat het pensioenfonds, door de heer .. niet in aanmerking te
laten komen voor een nabestaandenpensioen niet in strijd handelt met
artikel 5 lid 1 AWGB.

Volledige tekst


4.11. Een tweede punt van beoordeling betreft de vraag of de
uitzondering van artikel 5 lid 6 AWGB geldt bij dit indirect
onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid.

De Commissie overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

De tekst van artikel 5 lid 6 AWGB dwingt niet tot de aanname van een
beperkte dan wel ruime werking van de in dit lid opgenomen uitzondering
op het beginsel van gelijke behandeling. De parlementaire geschiedenis
wijst naar het oordeel van de Commissie evenwel uit, dat een ruime
werking van de onderhavige uitzondering werd beoogd. Een ruime werking
althans in die zin dat een onderscheid in een pensioenregeling, dat
zijn oorsprong enkel en alleen vindt in de burgerlijke staat van een
werknemer, ongeacht de oorzaak daarvan, niet verboden wordt door de
AWGB. De ratio hiervan is, dat aanvullende pensioenvoorzieningen in
sterke mate toegesneden zijn op de structuur van de wettelijke
pensioenvoorzieningen. De wetgever heeft gesteld dat, nu de
herstructurering van deze laatste nog gaande is, in het bijzonder waar
het betreft de nabestaandenvoorzieningen, een algemeen verbod van
onderscheid op grond van burgerlijke staat in de AWGB in aanvullende
pensioenvoorzieningen prematuur is (Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 22014, nummer 3, pagina 20, vergaderjaar 1990-1991).

De wetgever heeft blijkens de wetsgeschiedenis van de AWGB benadrukt,
dat de uitzondering van lid 6 een structurele, algemeen geldende
uitzondering behoort te zijn. Dit uitgangspunt is bevestigd in de
Kamerbehandeling van de recente wijziging van de Pensioen- en
spaarfondsenwet (Zie onder meer Tweede Kamer der Staten Generaal,
kamerstukken 23123, nummer 8, pagina 5 en 6, vergaderjaar 1993-1994).
Indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid komt hier in
feite neer op onderscheid op grond van burgerlijke staat. Immers het
indirect onderscheid naar homoseksuele gerichtheid vindt zijn oorzaak
uitsluitend in het feit dat homoseksuelen ongehuwd zijn, dat wil zeggen
niet kunnen trouwen. De Commissie concludeert dan ook, dat de algemene
en structurele geldigheid van de uitzondering, vervat in lid 6 van
artikel 5 AWGB, in de weg staat aan een toets op indirect onderscheid
naar homoseksuele gerichtheid in de onderhavige casus.

4.12. Wellicht ten overvloede merkt de Commissie tot slot nog op, dat
de taak van de Commissie is beperkt tot toetsing aan de nationale
wetgeving gelijke behandeling. Dit laat evenwel onverlet, dat het
handelen van de wederpartij door andere instanties kan worden getoetst
aan de rechtstreeks werkende verdragsbepalingen op het gebied van de
gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit

1. dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen, door de heer
te uit te sluiten van de vigerende pensioenregeling,
een onderscheid op grond van burgelijke staat heeft gemaakt dat
krachtens artikel 4 van de Algemene wet gelijke behandeling door deze
Wet onverlet wordt gelaten, en derhalve niet in strijd met de Wet heeft
gehandeld;

2. dat het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen, door de heer
te op grond van de pensioenregeling voor ongehuwden
geen nabestaandenuitkering toe te kennen, vanwege artikel 5 lid 6
Algemene wet gelijke behandeling niet in strijd heeft gehandeld met
artikel 5 lid 1 Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

mevrouw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mevrouwprof. mr J.E. Goldschmidt (lid Kamer), mevrouw mr L.Y. Goncalves-HoKang You (lid Kamer), de heer mr L.M. Moerings (lid Kamer), mevrouw mrL. Mulder (lid Kamer), mevrouw mr D. Jongsma (secretaris

Instantie: Kantonrechter Almelo, 22 november 1995

Instantie

Kantonrechter Almelo

Samenvatting


Een vrouw wil na haar ouderschapsverlof haar fulltime dienstverband
omzetten naar een dienstverband van achtien tot zesentwintig uur. Vanwege
de opvoeding en verzorging van haar jonge kind is zij niet in staat haar
werk als lerares fulltime uit te oefenen. Zij verzoekt om gedeeltelijke
ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De argumenten van de werkgever
hiertegen, zijn onvoldoende zwaarwichtig. Deeltijdbanen zijn in het
basisonderwijs inmiddels een algemeen verschijnsel geworden en de
kwaliteit van het onderwijs leidt er niet onder. De kantonrechter meent dat
er sprake is van gewijzigde omstandigheden die een gedeeltelijke
ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen.

Volledige tekst

Overweegt omtrent het verzoek

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet
voldoende gemotiveerd weersproken, zomede op grond van de inhoud van niet
betwiste producties, staat in deze procedure -voorzover van belang voor
de te geven beslissing- het navolgende vast.

1.1. Mevrouw K is krachtens akte van benoeming voor onbepaalde tijd en met
een volledige benoeming in dienst van de vereniging als lerares aan de
onder het bestuur van de vereniging staande basisschool De Telgenorch in
Almelo. Zij geeft onderwijs in een of meer klassen van de zogeheten
onderbouw van deze school (jaargroepen 1 t/m 4).

1.2. In de zomer van 1994 is mevrouw K met zwangerschapsverlof gegaan in
verband met de aanstaande geboorte van haar eerste kind. In aansluiting
op het zwangerschapsverlof, gevolgd door bevallingsverlof heeft het
bestuur haar op haar verzoek bevallingsverlof verleend voor de duur van
20 uren per week voor de periode van 1 november 1994 tot en met 31 oktober
1995.

1.3. Tijdens het ouderschapsverlof heeft zij tezamen met een collega op
parttime basis onderwijs gegeven in een onderbouw jaargroep. Op de wijze
waarop zij gedurende dat jaar haar werk heeft verricht zijn door het
bestuur van de vereniging geen relevante op- of aanmerkingen ten nadele
van mevrouw K gemaakt.

1.4. Bij brief van 15 maart 1994 heeft mevrouw k aan het bestuur gevraagd
om haar benoeming na afloop van het bevallingsverlof om te zetten in een
deeltijdbenoeming, onder aanbod over het aantal te werken uren en de
plaats waar de arbeid verricht zou moeten worden met het bestuur te willen
spreken.

1.5. Onder het bestuur van de vereniging ressorteren vijf basisscholen,
waarvan de (gefuseerde) Telgenborch er een is.

1.6. Bij brief van 21 september 1994 heeft het bestuur aan mevrouw K laten
weten dat haar verzoek tot deeltijdbenoeming niet kon worden ingewilligd.

1.7. Bij brief van 19 mei 1995 van mevrouw K en bij brief van 15 juni 1995
van het bestuur zijn verzoek en afwijzing herhaald.

1.8. In dienst van het bestuur van de vereniging en ook op de school De
Telgenborch zijn meerdere leerkrachten werkzaam in een deeltijdfunctie.

1.9. De Telgenborch wordt bedreigd door een voorzienbaar teruglopend
aantal leerlingen, als gevolg waarvan waarschijnlijk per 1 augustus 1996
een of meer leerkrachten zullen moeten afvloeien. Twee leerkrachten,
anderen dan K, zijn door het bestuur geplaatst in het zogeheten
risicodragend deel van de formatie (RDF) en hen is per 1 augustus 1995
ontslag tegen 1 augustus 1996 aangezegd.

1.10. Het beleid van het bestuur van de vereniging houdt in dat met het
oog op het reeds bestaande aantal deeltijd-leerkrachten het aantal
parttime- banen niet verder mag groeien.

1.11. Gedeeltelijk of volledig ontslag van mevrouw K zal tot gevolg hebben
dat het bestuur van de vereniging voor vervanging zal moeten zorgdragen
en daarbij allereerst dient te putten uit leerkrachten met wachtgeld die
vallen onder de zogeheten TWAO-regeling.

1.12. Sinds 1 november 1995 werkt mevrouw K weer fullitime. Zij verricht
haar werk tot volle tevredenheid van het bestuur.

2. Mevrouw K verzoekt thans primair gedeeltelijke ontbinding van haar
arbeidsovereenkomst voor een gedeelte groot tenminste 18 en ten hoogste
26 uren per week onder instandlating van de overeenkomst voor het overige.
Ter zitting heeft zij haar verzoek aangevuld met een tweetal subsidiaire
verzoeken, inhoudende – verkort zakelijk weergegeven – volledige
ontbinding met vergoeding in de vorm van een vaste arbeidsovereenkomst met
de omvang van ongeveer de helft van haar huidige uren onder overigens
gelijke arbeidsvoorwaarden, dan wel (uiterst subsidiair) volledige
ontbinding met een financiele vergoeding volgens de
‘kantonrechtersformule’.

3. Aan haar verzoeken legt zij, eveneens verkort zakelijk weergegeven,
haar stelling ten grondslag dat zij vanwege de dagelijkse zorg voor de
opvoeding en verzorging van het nog jonge kind niet langer in staat is om
haar werk als lerares gedurende een volledige werkweek uit te oefenen. De
aanwezigheid van het kind en haar verminderde beschikbaarheid voor arbeid
vormen samen een zodanige wijziging van de omstandigheden dat van haar
niet langer zou kunnen worden gevergd dat de oorspronkelijke overeenkomst
ongewijzigd in stand blijft, zodat die overeenkomst op grond van
gewichtige redenen ontbonden zou behoren te worden. Omdat zij nog wel in
staat is om een gedeelte van de week te werken verzoekt zij primair
slechts gedeeltelijke ontbinding.

4. Zij stelt voorts dat in het verleden ten tijde van het
ouderschapsverlof reeds is gebleken dat er geen praktische bezwaren zouden
behoeven te bestaan tegen het verzochte. Zij is zich ervan bewust dat
inwilliging van haar verzoek nadelige rechtpositionele gevolgen zou kunnen
hebben voor collega-leraren op haar school, doch is van oordeel dat zulks
aan inwilliging niet in de weg zou mogen staan. Onder verwijzing naar
jurisprudentie en de raamovereenkomst stelt zij tenslotte dat goed
werkgeversschap met zich brengt dat in het onderhavige geval haar zou
moeten worden toegestaan om in deeltijd te werken.

5. Het bestuur van de vereniging verweert zich tegen het verzoek in al
haar onderdelen. Zij verzet zich tegen ontbinding in welke vorm dan ook
en voert daartoe aan dat mevrouw K een bekwame leerkracht is die zij
ongaarne ziet vertrekken. Zij wenst mevrouw K te houden aan de
overeenkomst krachtens welke zij fulltime haar werk behoort te verrichten
nu de verloven zijn geeindigd. De bij mevrouw K aanwezige omstandigheden
acht zij te gering van ernst om een ontbinding te rechtvaardigen.

6. Het bestuur stelt voorts dat zij in beginsel niet onwelwillend
tegenover deeltijdarbeid staat, dat reeds meer dan de helft van het aantal
werknemers in haar dienst in deeltijd werkt, doch dat zij omwille van de
kwaliteit en continuiteit van het onderwijs aan de jaargroepen en ter
voorkoming van een toename van de taakbelasting voor haar personeelsleden
als beleid dient te voeren dat het aantal parttime banen niet meer mag
toenemen.

7. Nader stelt zij dit verband dat formatieruimte die vrij zou komen
indien mevrouw K gedeeltelijk of geheel zou vertrekken ingevuld zal moeten
worden door een of meer TWAO-ers in deeltijd, terwijl het onwenselijke
gevolg van veel deeltijders is dat meer aandacht moet worden besteed aan
en energie moet worden gestoken in overdracht van gegevens en ervaringen
tussen de leerkrachten en dat verantwoordelijkheden voor een klas niet bij
een doch bij meer personen komt te liggen. Voorts wenst zij te voorkomen
dat als gevolg van het binnenhalen van TWAO-ers de rechtspositie van reeds
in dienst zijnde leerkrachten negatief wordt beinvloed.

8. Vooreerst dient een beslissing te worden gegeven omtrent de vraag van
principiele aard of een overeenkomst als de onderhavige ook gedeeltelijk
kan worden ontbonden. Op die vraag zijn tot nu toe in de rechtspraak van
rechters in eerste en tweede feitelijke aanleg verschillende antwoorden
gegeven zoals door de gemachtigde van verzoekster terecht is gesignaleerd.

9. Naar het oordeel van de kantonrechter te Almelo behoort die vraag
bevestigend te worden beantwoord. Volgens het bepaalde in het Burgerlijk
Wetboek zoals dat luidt sinds 1 januari 1992 is het mogelijk dat een
rechter een overeenkomst geheel of gedeeltelijk ontbindt. Niet valt in te
zien waarom een gedeeltelijke ontbinding niet ook zou kunnen worden
uitgesproken ten aanzien van een arbeidsovereenkomst voor wat betreft het
aantal overeengekomen uren en de daarbij behorende beloning.

10. In het onderhavige geval heeft mevrouw K genoegzaam aannemelijk
gemaakt dat de taken en verantwoordelijkheden verband houdende met de
dagelijkse opvoeding en verzorging van een nog zeer jong kind haar zodanig
zwaar vallen dat van haar in redelijkheid niet langer gevergd kan worden
dat zij daarnaast een fulltime baan als lerares vervult. Haar wens om
gedurende ongeveer de helft van het aantal overeengekomen uren nog wel te
werken is een redelijke wens die in beginsel door elke goede werkgever zal
moeten worden ingewilligd. In ieder geval zijn de aanwezigheid van het
kind en de door mevrouw K gevoelde noodzaak om een groot gedeelte van de
werkweek voor dat kind als moeder beschikbaar te zijn voldoende gewichtige
redenen om de overeenkomst (voor een gedeelte) te ontbinden.

11. De door het bestuur genoemde redenen om aan haar niet toe te staan om
in deeltijd te werken kunnen daar naar het oordeel van de kantonrechter
in dit geval niet aan in de weg staan. Overigens zou, indien die redenen
wel zwaarwegend genoeg zouden geweest, zulks slechts kunnen leiden tot de
vaststelling dat voor een deeltijdbaan geen plaats meer is, hetgeen in het
onderhavige geval tot volledige ontbinding van de overeenkomst zou moeten
leiden.

12. Uitgangspunt behoort te zijn dat het een werknemer in beginsel vrij
behoort te kunnen staan om in deeltijd te gaan werken, zeker als dat
halftime zou zijn. Verzoekster stelt, en zulks wordt door het bestuur ook
niet betwist, dat volgens de Raamovereenkomst die op de onderhavige
arbeidsovereenkomst van toepassing is, schoolleiders een beleid dienen te
voeren waarbinnen deeltijdwerk in beginsel mogelijk moet zijn. Van een
goed werkgeefster mag en behoort te worden verlangd dat zij een verzoek
om in deeltijd te werken slechts afwijst indien daarvoor goede gronden
aanwezig zijn verband houdende met dreigend gevaar voor de kwaliteit van
het werk waarvoor een werknemer is aangenomen en/of met gevaren voor de
organisatie van het bedrijf van de werkgever, in casu de school.

13. Dit uitgangspunt behoort in het bijzonder ook voor vrouwelijke
personeelsleden te gelden in een situatie als de onderhavige. Immers is
het evident dat het doorgaans juist een vrouw is die in de praktijk belast
is met de dagelijkse zorg voor opvoeding en verzorging van jonge kinderen
tot ongeveer 12 jaar en dat juist een vrouw er behoefte aan zal hebben om
in deeltijd te kunnen gaan werken. Indien mevrouw K die mogelijkheid niet
of niet in voldoende mate zou hebben dan zou in casu het beleid van het
bestuur om niet nog meer deeltijdbanen te doen ontstaan haar meer dan een
man treffen. Alsdan zou dat beleid in strijd zijn met het bepaalde in de
Wet Gelijke Behandeling en discriminatoir van aard zijn. Ook al is niet
gesteld of gebleken dat het bestuur beoogd heeft om haar beleidsstandpunt
alleen maar op vrouwen van toepassing te laten zijn.

14. De argumenten voor weigering van het bestuur zijn onvoldoende
zwaarwichtig. Deeltijdbanen zijn in het basisonderwijs inmiddels een
algemeen verschijnsel geworden waarop leerlingen, ouders en het
onderwijzend personeel ingespeeld zijn geraakt. Ook op deze school zal
zulks niet anders zijn. Ook in de verlofperiode van ongeveer 1 jaar heeft
mevrouw K in deeltijd gewerkt zonder dat dat tot noemenswaardige problemen
heeft geleid. Het enkele feit dat er vanzelfsprekend wat meer overleg
nodig is tussen leerkrachten die samen een jaargroep ‘hebben’ om tot een
goede afstemming te komen, waardoor sprake kan zijn van enige
taakverzwaring bij alle leerkrachten, is onvoldoende zwaarwegend om het
verzoek te weigeren.

15. Het is niet aannemelijk dat de kwaliteit van het onderwijs of de
verhouding lesgevende taken/niet lesgevende taken zou lijden onder een
teveel aan deeltijders. Veeleer is aannemelijk dat deeltijders juist meer
gelegenheid hebben en gemotiveerder zijn om het onderwijs op de school en
de organisatie van de school zo goed mogelijk te dienen.

16. Het gevolg van na te melden beslissing zal zijn dat het bestuur van
de vereniging de uren waarvoor ontbinding volgt zal moeten laten opvullen
door een TWAO-er. Zulks behoeft evenwel geen bezwaar van ernstig gewicht
te zijn. Het streven van het bestuur is er kennelijk op gericht om de
rechtspositie van het huidige personeelsbestand niet nadelig te
beinvloeden door het binnenhalen van een “buitenstaander” met mogelijk een
hogere ancienniteit. Dit streven is evenwel in strijd met de bedoeling
welke bij de wetgever heeft voorgezeten bij het vaststellen en
instandhouden van de TWAO-regeling: er zoveel mogelijk voor zorgen dat
werkloos geraakte leerkrachten met voorrang weer aan de slag komen. Er is
niet gesteld of gebleken dat TWAO-ers per definitie minder goed zouden
zijn dan de huidige leerkrachten van de school.

17. Uit het vorenoverwogene volgt dat de gronden voor de weigering van het
bestuur om mevrouw K arbeid in de door haar gewenst vorm van deeltijd te
laten verrichten onvoldoende zwaarwegend zijn en dat, nu er sprake is van
gewijzigde omstandigheden die een gedeeltelijke ontbinding van de
arbeidsovereenkomst rechtvaardigen, het primaire verzoek van mevrouw K
behoort te worden toegewezen. De ontbinding zal ingaan per 1 januari 1996
zodat het bestuur nog voldoende tijd heeft om een regeling te treffen voor
de overname van de vrijgekomen uren van mevrouw K.

18. In de omstandigheden van het geval wordt aanleiding gevonden om de
proceskosten volledig te compenseren.

Beschikkende

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen gedeeltelijk met ingang
van 1 januari 1996 voor de helft van het aantal uren waarvoor deze is
aangegaan en bepaalt dat deze overeenkomst voor het overige en onder
dezelfde voorwaarden in stand blijft.

Compenseert de proceskosten in dier voege dat iedere partij de eigen
kosten zal dragen.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr Olthof

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 20 november 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Een vrouw, werkzaam als toneelmeester/belichter, wordt door haar directeur
seksueel geïntimideerd. Zij raakt overspannen en wordt arbeidsongeschikt. De
vrouw doet aangifte bij de Klachtencommissie seksuele intimidatie. De
Klachtencommissie oordeelt haar klacht gegrond. In kort geding vordert de
vrouw materiële en immateriële schadevergoeding. De president oordeelt dat
onvoldoende is komen vast te staan dat de seksuele intimidatie naar objectieve
maatstaven onrechtmatig zou zijn. De vordering wordt afgewezen.
Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Eiseres had gesteld dat het
hinderlijk handelen van gedaagde in dit geval, gelet op de aard en de
frequentie van het hinderlijk handelen en de ondergeschikte positie van
eiseres als werkneemster ten opzichte van gedaagde als directeur, tegenover
haar meer dan alleen hinderlijk was en wel degelijk als onrechtmatig moet
worden beschouwd. Het hof verwerpt dit betoog en stelt dat er onvoldoende
omstandigheden zijn aangevoerd. Ook het bewijsaanbod wordt verworpen omdat
het een kort geding betreft. Voorts is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de
arbeidsongeschiktheid van eiseres is veroorzaakt door het handelen van
gedaagde.

Volledige tekst

Het geding in hoger beroep

1.1. Bij exploit van 30 augustus 1994 is appellante – verder ook L te noemen
– in hoger beroep gekomen van het door de president van de
arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder rolnummer K.G. 94/201Be tussen
partijen gewezen en op 18 augustus 1994 uitgesproken vonnis, met dagvaarding
van geïntimeerde – verder ook M te noemen – voor dit hof teneinde te horen
concluderen dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
(a) M zal veroordelen een bedrag van ƒ 5000 aan L te voldoen als voorschot op
de door
te vorderen immateriële schadevergoeding en ƒ 1500 zijnde een voorschot op de
materiële schade en (b) M zal veroordelen de advokaatskosten van L te voldoen
ten bedrage van ƒ 4000, een en ander met veroordeling van M in de kosten van
beide instanties.

1.2. Bij herstel-exploit van 6 september 1994 heeft L de datum waartegen M
bij eerderbedoeld exploit werd gedagvaard, doen wijzigen in 22 september
1994.

1.3. Bij memorie van grieven met producties heeft L zeven grieven aangevoerd,
bewijs aangeboden en, in de vorm van haar zevende grief, haar vordering
aangevuld met een vordering tot veroordeling van M tot betaling van
wettelijke rente over het gevorderde voorschot vanaf de dag van het
uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van algehele
voldoening.

1.4. Bij memorie van antwoord met producties heeft M de voorgedragen grieven
bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal
bekrachtigen, al dan niet met wijziging en/of aanvulling van gronden en met
veroordeling van L in de kosten van het hoger beroep.

1.5. Bij akte uitlating producties heeft L zich uitgelaten omtrent de bij
memorie van antwoord in het geding gebrachte producties.

1.6. Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten, L door
Mr Van Driem voornoemd en M door Mr Van Velzen voornoemd, aan de hand van
nadien overgelegde pleitnotities. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft L
producties in het geding gebracht.

1.7. Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties,
waarvan de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.

2. De grieven

Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Uitgangspunt

Rechtsoverweging 1 in het vonnis waarvan beroep is in hoger beroep niet
bestreden. het hof zal derhalve uitgaan van de in die rechtsoverweging
vermelde feiten.

4. Beoordeling

4.1. Het hof stelt voorop dat van toewijzing in kort geding van een vordering
tot schadevergoeding slechts sprake kan zijn indien met voldoende
waarschijnlijkheid aannemelijk is dat de vordering in de bodemprocedure zal
slagen.

4.2. In het vonnis waarvan beroep overweegt de president dat in het
onderhavige kort geding niet van een dergelijke mate van waarschijnlijkheid
kan worden gesproken. Tegen die overweging richt zich het eerste onderdeel
van grief 1, dat de gevolgtrekking inhoudt die L gemaakt wenst te zien uit
het tweede onderdeel van die grief in combinatie met de grieven 2 tot en met
5.

4.3. Het tweede onderdeel van grief 1 en grief 2, die zich lenen tot
gezamelijke behandeling, klagen over het oordeel van de president dat L
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat M haar op 28 januari 1991 bij de
borst heeft gepakt. M ontkent die misdraging. Hetgeen L betoogt in de
toelichting op de grieven 1 en 2 komt hierop neer dat die misdraging wel
voldoende aannemelijk is gemaakt, mits gewicht wordt toegekend aan het
steunbewijs dat haars inziens valt te ontlenen aan de harerzijds in het
geding gebrachte verklaringen van haar ex-collega’s en van de ex-echtgenote
van M. Ten onrechte, aldus
heeft de president die verklaringen niet als steunbewijs aanvaard.
Daaromtrent overweegt het hof het volgende. De door L bedoelde verklaringen
hebben betrekking op M’s wijze van omgaan met anderen in het algemeen, en met
name ook met werkneemsters. Het door L gestelde bij de borst grijpen is door
geen van hen die deze verklaringen hebben afgelegd, waargenomen. L wil echter
met die verklaringen aantonen dat M iemand is in wiens gedragspatroon een
dergelijke handtastelijkheid past, waarmee volgens L die handtastelijkheid
als in de onderhavige procedure voldoende aannemelijk gemaakt kan worden
beschouwd.

4.4. Van de zijde van L is ter gelegenheid van de pleidooien erop gewezen dat
degene die tegenover een ontkenning aannemelijk heeft te maken dat een
dergelijke misdraging tegenover hem of haar heeft plaatsgevonden, in een
nadeel verkeert omdat dergelijke misdragingen in het algemeen buiten de
aanwezigheid van getuigen plaatsvinden. het hof onderkent dat nadeel.
Voorzover echter L’s betoog ertoe strekt dat, ter compensatie van dat nadeel,
bij de beoordeling of de gestelde misdraging voldoende aannemelijk is
gemaakt, in rechte ruimere maatstaven mogen worden aangelegd dan zonder dat
nadeel het geval zou zijn, volgt het hof
in dat betoog niet.

4.5. De tegenover de Klachtencommissie Seksuele Intimidatie van de gemeente
Amstelveen afgelegde verklaringen zijn niet-beëdigde, buiten aanwezigheid van
M afgelegde verklaringen, waaronder een anonieme verklaring. De inhoud van
die verklaringen, voorzover voor M belastend, is door M gemotiveerd ontkend.
De president heeft derhalve terecht overwogen dat die verklaringen niet
kunnen dienen tot steunbewijs van het gestelde bij de borst grijpen, dat
trouwens ook door de Klachtencommissie niet aannemelijk is geacht. Dit kort
geding leent zich niet voor een onderzoek naar de feiten. Het tweede
onderdeel van grief 1 en grief 2 falen derhalve.

4.6 De president heeft voorts overwogen dat de in de uitspraak van de
Klachtencommissie bedoelde doorlopende gedragingen van M door L als
hinderlijk kunnen zijn ervaren, doch dat van die gedragingen niet zonder meer
kan worden gezegd dat zij naar objectieve maatstaven onrechtmatig zijn. Tegen
die overwegingen richten zich de eveneens voor gezamenlijke behandeling in
aanmerking komende grieven 3. en 4. De strekking van die grieven is dat
weliswaar niet ieder hinderlijk handelen tevens onrechtmatig handelen
betekent, doch dat in het onderhavige geval, gelet op de aard en de
frequentie van dat hinderlijk handelen en op de ondergeschikte positie die
als werkneemster bij het Cultureel Centrum Amstelveen ten opzichte van M als
directeur van dat Centrum innam, dat handelen van M tegenover haar meer dan
alleen maar hinderlijk was en wel degelijk als onrechtmatig moet worden
beschouwd.

4.7. Daaromtrent wordt overwogen dat voorshands onvoldoende omstandigheden
aannemelijk zijn, die mee zouden brengen dat M onrechtmatig zou hebben
gehandeld. Het bewijsaanbod van L moet worden verworpen. Dit kort geding
leent zich niet voor een onderzoek naar de feiten. Voorshands is het hof
derhalve, met de president, van oordeel dat, wat er overigens van dat gedrag
van M zij, dat gedrag niet als jegens L onrechtmatig kan worden aangemerkt.
De grieven 3 en 4 falen derhalve.

4.8. Voorzover in verband met het falen van het tweede onderdeel van grief 1
en de grieven 2, 3 en 4 nog van belang, overweegt het hof dat ook grief 5
tevergeefs wordt voorgedragen. Dat de aan M verweten gedragingen in rechtens
relevante mate mede oorzaak zijn van L’s arbeidsongeschiktheid, blijkt niet
uit de door L op dit punt overgelegde produkties en is tegenover M’s
betwisting ook anderszins onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.9. Het falen van het tweede onderdeel van grief 1 en van de grieven 2 tot
en met 5, brengt met zich dat ook het eerste onderdeel van grief 1 faalt en
het falen van dat onderdeel betekent dat grief 6 eveneens faalt. Grief 7, die
uitgaat van het slagen van het eerste onderdeel van grief 1, moet het lot van
dat onderdeel delen.

Slotsom

Nu de voorgedragen grieven falen dient het vonnis waarvan beroep te worden
bekrachtigd en dient L als de in het ongelijk gestelde partij te worden
veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:

– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

– veroordeelt L in de kosten van het hoger beroep tot deze uitspraak aan de
zijde van M begroot op ƒ 4760.

Rechters

Mrs Aaftink, Bakels, Van den Blink

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 20 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


In 1994 heeft de wederpartij op het “object” waar verzoekster werkzaam
was de arbeidsuren van de medewerkers met een kwartier per week
teruggebracht. Verzoekster meent dat hierdoor meer deeltijdwerkers dan
voltijdwerkers zijn benadeeld. Aangezien er meer vrouwen dan mannen in
deeltijd werken, heeft de wederpartij hiermee in strijd gehandeld met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Voorts is
verzoekster van mening dat deeltijdwerkers vaker dan voltijdwerkers
uren moeten inleveren, dat zij er relatief gezien meer op achteruit
gaan dan voltijdwerkers en dat artikel 4 van de toen geldende CAO in
het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: de CAO) indirect
discriminerend jegens vrouwen is.

Ten slotte meent verzoekster dat ook artikel 5 van de nieuwe CAO in
strijd met de wet is. De Commissie is van mening dat de cijfers over
het aantal werknemers bij wie de arbeidstijd is teruggebracht geen
vermoeden van indirect onderscheid opleveren. Wat betreft de
veronderstelling van verzoekster, dat er meer vrouwen dan mannen zijn
getroffen door artikel 4 lid 1 van de toen geldende CAO, omdat er meer
vrouwen dan mannen zijn die minder dan 5 uur per week of minder dan de
helft van de arbeidstijd moeten inleveren, overweegt de Commissie als
volgt. Uit de overgelegde informatie is niet gebleken dat er meer
vrouwen dan mannen arbeidstijd hebben moeten inleveren. Er is derhalve
niet aangetoond dat toepassing van deze bepaling tot onderscheid op
grond van geslacht heeft geleid.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 december 1994 verzocht mevrouw (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie)
haar oordeel uit te spreken over de vraag of te Eindhoven
(hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. In 1994 heeft de wederpartij op het “object” waar verzoekster
werkzaam was de arbeidsuren van de medewerkers met een kwartier per
week teruggebracht. Verzoekster meent dat hierdoor meer deeltijdwerkers
dan voltijdwerkers zijn benadeeld. Aangezien er meer vrouwen dan mannen
in deeltijd werken, heeft de wederpartij hiermee in strijd gehandeld
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Voorts is
verzoekster van mening dat deeltijdwerkers vaker dan voltijdwerkers
uren moeten inleveren, dat zij er relatief gezien meer op achteruit
gaan dan voltijdwerkers en dat artikel 4 van de toen geldende CAO in
het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (hierna: de CAO) indirect
discriminerend jegens vrouwen is. Ten slotte meent verzoekster dat ook
artikel 5 van de nieuwe CAO in strijd met de wet is.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad
hun standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen vervolgens opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 18 april 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) –
dhr mr (gemachtigde, medewerker van de dienst
ledenservice industriebond FNV)

van de kant van de wederpartij – dhr (hoofd
personeelszaken) – dhr mr M.R. van Hall (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – dhr prof. mr P.F. van der Heijden (lid Kamer) – mw
mr Y. Telenga (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Naar aanleiding van de zitting heeft de Commissie besloten bij
partijen nadere informatie op te vragen. Deze informatie was op 22
augustus 1995 compleet.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is sinds 1992 bij de wederpartij (een schoonmaak-
bedrijf) in dienst. De eerste jaren werkte zij 15 uur per week. In mei
1994 heeft de wederpartij op het “object” waar verzoekster werkzaam was
van alle werknemers de arbeidsuren met een kwartier per week
teruggebracht. Op grond van artikel 4 lid 1 van de CAO in het
Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf (zoals die gold van 1 maart 1993
tot en met 31 december 1994) was hiervoor geen ontslagvergunning
nodig. Dit artikel bepaalt namelijk dat geen ontslagvergunning vereist
is bij een urenvermindering van minder dan 5 uren per week of minder
dan de helft van het aantal arbeidsuren per week.

Bij de wederpartij werkten medio 1995 in totaal 10.647 personen, onder
wie 8.862 vrouwen en 1.785 mannen. Van de vrouwen werkten er 43 in
voltijd en 8.819 in deeltijd. Van de mannen werkten er 224 in voltijd
en 1.561 in deeltijd, volgens opgave van de wederpartij.

Op het object waar verzoekster werkte, waren medio 1994 in totaal 45
personen werkzaam, onder wie 44 vrouwen en 1 man. Allen waren op dit
object in deeltijd werkzaam. Het mannelijke personeelslid werkte ook
nog op andere objecten, waardoor hij over het geheel genomen voltijds
werkte. Al deze personen hebben in mei 1994 een kwartier per week
ingeleverd. Hun dienstverband varieerde tussen de 10 en 35 uur per
week. De meesten onder hen werkten 20 uur per week.

De Commissie heeft aan de wederpartij gevraagd om aan te geven op welke
andere objecten werknemers binnen haar bedrijf werktijd hebben moeten
inleveren. Om een vollediger beeld te krijgen van de gevolgen van de
urenvermindering, wilde de Commissie meer inzicht hebben in de
man/vrouw-verhouding binnen het gehele bedrijf van de wederpartij. Ook
heeft de Commissie aan de wederpartij verzocht om per project aan te
geven hoeveel voltijd- en deeltijdwerkers er werkzaam waren,
uitgesplitst naar geslacht, en hoeveel werktijd zij hebben moeten
inleveren.

De wederpartij heeft te kennen gegeven de gevraagde informatie niet
centraal geregistreerd te hebben, aangezien hier in 1994 nog geen
verplichting toe bestond. Op grond van de CAO 1995-1996 is er wel een
registratieplicht. Aangezien er in 1994 bij de wederpartij meer dan
10.000 personen werkzaam waren, is de Commissie ermee akkoord gegaan
dat de wederpartij van een drietal verschillende projecten de gevraagde
gegevens gaf in plaats van de gehele onderneming.

Uit deze cijfers blijkt dat op het object in totaal 52
personen werkzaam waren, onder wie 8 mannen en 44 vrouwen. Al deze
werknemers waren deeltijdwerkers en zij hebben allemaal 0,5 uur per dag
ingeleverd. Op het waren in totaal 59
personen werkzaam, onder wie 27 mannen en 32 vrouwen. Al deze
werknemers waren deeltijdwerkers en zij hebben allemaal 0,5 uur per dag
ingeleverd. Bij werkten 1 man en 1 vrouw. De vrouw
werkte 12 uur per week en heeft 2 uur per week ingeleverd. De man
werkte 12,7 uur per week en heeft hiervan 4,7 uur ingeleverd.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster brengt het volgende naar voren. Volgens haar heeft de
wederpartij door haar urenaantal te verminderen indirect onderscheid
naar geslacht gemaakt. Bovendien zullen er meer vrouwen dan mannen
getroffen worden door toepassing van artikel 4 lid 1 van de CAO. Ook
artikel 5 van de nieuwe CAO dat van gelijke strekking is, is in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling. Daarnaast komt het bij
deeltijdwerkers vaker voor dat zij uren moeten inleveren dan bij
voltijdwerkers. Over het laatste kan verzoekster echter geen cijfers
leveren. Op 7 december 1994 sprak verzoekster de verwachting uit dat
zij in de nabije toekomst opnieuw arbeidsuren zou moeten inleveren.
Tijdens de procedure bij de Commissie is hier echter geen sprake van
geweest. Ten slotte voert verzoekster aan dat deeltijdwerkers door
inlevering van arbeidstijd er relatief gezien meer op achteruit gaan
dan voltijdwerkers.

Verzoekster bestrijdt de juistheid van de cijfers die de wederpartij
heeft gegeven over het drietal andere objecten binnen het bedrijf. Bij
zouden niet 52, maar 104 mensen werkzaam zijn. Hiervan
werken er 52 in voltijd, die geen van allen werktijd hebben ingeleverd
en werken er 52 in deeltijd, die wel werktijd hebben ingeleverd.

Verzoekster stelt dat de cijfers van de objecten die de wederpartij
heeft gegeven, geen juist beeld geven van de uitwerking van
arbeidstijdvermindering voor vrouwen. Om dit te onderbouwen heeft zij
een aantal andere objecten van de wederpartij in kaart gebracht:

1) . Hier werken 2 vrouwen in deeltijd, die beiden een
kwartier hebben ingeleverd. 2) . Hier werken 1 man en
ongeveer 18 vrouwen, allen in deeltijd. Bijna allemaal hebben zij een
kwartier moeten inleveren, behalve de man. 3) .
Hier zijn alleen vrouwen werkzaam (ongeveer 35); zij hebben allen
werktijd in moeten inleveren. 4) .
Hier werken 10 vrouwen en een paar mannen. De vrouwen werken in
deeltijd en hebben allemaal een kwartier ingeleverd. De mannen werken
in voltijd en hebben geen arbeidstijd ingeleverd. 5)
. Hier werkten 10 vrouwen in deeltijd. Zij hebben allen een kwartier
moeten inleveren. 6) . Hier werkten 11 vrouwen. Zij
hebben allen een kwartier moeten inleveren.

Uit het bovenstaande blijkt dat zowel absoluut gezien als relatief
gezien meer vrouwen dan mannen zijn getroffen door de
arbeidstijdvermindering in 1994.

Naar de mening van verzoekster werkt het bepaalde in artikel 4 lid 1
van de CAO (indirect) discriminerend uit voor vrouwen. Doordat het met
name vrouwen zijn die minder dan 5 uur per week of minder dan de helft
van de arbeidstijd moeten inleveren, komt toepassing van deze bepaling
erop neer dat met name vrouwen minder ontslagbescherming genieten. Voor
hen hoeft immers geen ontslagvergunning te worden aangevraagd.

Tot slot voert verzoekster aan dat het onjuist is dat zij in onderling
overleg een kwartier per week van haar arbeidsuren heeft ingeleverd.
Dit is haar eenzijdig door de wederpartij opgelegd.

3.3. De wederpartij voert het volgende aan. Zij bestrijdt dat er hier
sprake is van indirect onderscheid. Bij haar werken er meer vrouwen dan
mannen. Absoluut gezien worden er dus meer vrouwen dan mannen getroffen
door de arbeidstijd- vermindering, maar relatief gezien niet. In dit
verband wijst de wederpartij erop dat op het object
de man zowel absoluut gezien als relatief gezien meer arbeidsuren heeft
ingeleverd dan de daar werkzame vrouw.

Ook is het onjuist dat deeltijders relatief gezien zwaarder worden
getroffen door de desbetreffende CAO-bepaling dan voltijdwerkers. In de
praktijk vindt er namelijk arbeidstijd- vermindering per werkdag
plaats, waardoor iemand die minder uren werkt ook minder uren inlevert.
Het enkele feit dat er meer vrouwen dan mannen worden getroffen door
een CAO-bepaling, omdat in de schoonmaakbranche nu eenmaal meer vrouwen
dan mannen werkzaam zijn, zegt niets over een mogelijk discriminatoir
karakter van de desbetreffende CAO-bepaling. Er is voor gekozen om de
arbeidstijdvermindering nominaal in plaats van procentueel vast te
stellen, aangezien een procentuele urenvermindering in de praktijk vaak
niet haalbaar is. De praktische consequentie van een dergelijke
urenvermindering zou immers zijn dat op hetzelfde object voor een ieder
verschillende werktijden zouden gelden, terwijl het thans meestal zo is
dat een gehele ploeg gelijktijdig begint en eindigt.

De wederpartij betwist dat in mei 1994 meer deeltijdwerkers dan
voltijdwerkers arbeidstijd hebben moeten inleveren. Ook betwist zij dat
deeltijdwerkers vaker dan voltijdwerkers arbeidstijd hebben moeten
inleveren. In onderling overleg is er op het object waar verzoekster
werkzaam was een kwartier per week door de medewerkers ingeleverd. De
verwachting van verzoekster dat dit in de nabije toekomst opnieuw zou
gebeuren is ongegrond. Het inleveren van een kwartier per week was
nodig, aangezien er geen prijscompensatie was afgesproken binnen de
Ondernemings- organisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten (OSB) over
het in de CAO lager inschalen van de vakvolwassen leeftijd.

In reactie op cijfers die verzoekster heeft gegeven over
merkt de wederpartij op, dat zij alleen cijfers heeft gegeven van
gebouwen binnen , waar uren zijn ingeleverd. De
wederpartij heeft bij namelijk verschillende
onderhoudscontracten voor verschillende gebouwen. De cijfers die
verzoekster naar voren brengt, hebben ook betrekking op gebouwen waar
geen urenvermindering heeft plaatsgevonden. Overigens is de opgave van
het aantal werknemers binnen van verzoekster onjuist. Er
werkten in totaal 191 personen, onder wie 155 vrouwen en 36 mannen. Van
de vrouwen werkten er 153 in deeltijd en 2 in voltijd. Van de mannen
werkten er 31 in deeltijd en 5 in voltijd.

Met betrekking tot de 7 personen die een voltijddienstverband hebben,
merkt de wederpartij op dat deze personen in het algemeen specialistich
werk verrichten. Urenvermindering voor deze functies is niet opportuun.
De meeste voltijdwerkers zijn mannelijke specialisten zoals
glazenwassers en vloerspecialisten. Zij werken voltijds, verspreid over
verschillende objecten. De meeste vrouwen werken in kleine
deeltijdbanen.

De cijfers die verzoekster heeft gegeven betrekking hebbende op de
zijn onjuist. Er werkten hier 16 vrouwen en 2 mannen.
Allen hebben een kwartier ingeleverd. Ook de cijfers over
zijn onjuist. Op dit object heeft geen van de
medewerkers werktijd ingeleverd.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag, of de wederpartij indirect onderscheid
maakt naar geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek
(BW) door de arbeidstijd van verzoekster terug te brengen.

4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt dat de werkgever onder meer in
de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen mannen en vrouwen mag
maken. Lid 5 van dit artikel geeft aan dat onder onderscheid tussen
mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en indirect onderscheid.
Blijkens dit lid wordt onder indirect onderscheid verstaan onderscheid
op grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op
grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is.

4.3. Om de in het geding zijnde vraag te kunnen beantwoorden, moet ten
eerste worden nagegaan of de wijze waarop de arbeidstijd van werknemers
is teruggebracht, in overwegende mate personen van een geslacht trof,
en derhalve in effect indirect onderscheid tot gevolg heeft. De
Commissie gaat bij de beoordeling van het effect naar geslacht uit van
relatieve cijfers. Daardoor wordt rekening gehouden met het aandeel
mannen en vrouwen in het personeelsbestand dat door de
arbeidstijdvermindering getroffen wordt.

Uit de cijfers van het object van verzoekster blijkt dat alle 44
vrouwen en de ene daar werkzame man een kwartier per week hebben moeten
inleveren. Uit deze cijfers kan dus geen vermoeden van indirect
onderscheid worden afgeleid. Dit geldt ook voor de objecten het
, de , De , het
, de en .
Voor al deze objecten geldt dat iedereen die er werkte in arbeidstijd
is gekort.

Wat betreft de objecten , en
verschillen de lezingen van partijen
over het aantal aldaar werkzame personen. Desgevraagd heeft verzoekster
evenwel niet aan kunnen geven waaraan de discrepantie tussen de door
verzoekster en de door de wederpartij overlegde gegevens is te wijten.
Evenmin heeft verzoekster aannemelijk kunnen maken, waarom de gegevens,
zoals die door de wederpartij zijn verstrekt, niet kloppen. De
Commissie gaat derhalve uit van de cijfers die de wederpartij heeft
verstrekt.

Wat betreft de gegevens van het object bij neemt de
Commissie als uitgangspunt het totaal aldaar werkzame personen en niet
alleen de werknemers, werkzaam in gebouwen waar arbeidstijd ingeleverd
moest worden. Op basis van deze cijfers blijkt dat 153 van de 155
vrouwen in deeltijd werkten. Dat is 153:155 x 100% = 98,7% van de
vrouwen. Van de 36 mannen werkten er 31 in deeltijd. Dat is 31:36 x
100% = 86,1% van de mannen. Er werkten op dat object dus 98,7:86,1 =
1,1 keer zoveel vrouwen als mannen in deeltijd. Ook deze cijfers
leveren geen vermoeden van indirect onderscheid op.

4.4. Verzoekster stelt voorts dat deeltijdwerkers vaker arbeidstijd
moeten inleveren dan voltijdwerkers. De arbeidstijd van verzoekster is
alleen in mei 1994 bekort en niet vaker. Verzoekster heeft niet kunnen
aantonen dat andere deeltijdwerkers door een herhaalde vermindering van
arbeidstijd zijn getroffen. Derhalve kan de Commissie hierover geen
oordeel uitspreken.

4.5. Wat betreft de veronderstelling van verzoekster, dat er meer
vrouwen dan mannen zijn getroffen door artikel 4 lid 1 van de toen
geldende CAO, omdat er meer vrouwen dan mannen zijn die minder dan 5
uur per week of minder dan de helft van de arbeidstijd moeten
inleveren, overweegt de Commissie als volgt. Uit de overgelegde
informatie is niet gebleken dat er meer vrouwen dan mannen arbeidstijd
hebben moeten inleveren. Er is derhalve niet aangetoond dat toepassing
van deze bepaling tot onderscheid op grond van geslacht heeft geleid.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Eindhoven
jegens mevrouw te Ossendrecht geen indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek.

Rechters

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr prof. mr P.F.van der Heijden (lid Kamer), mw mr Y. Telenga (lid Kamer), mw mr A.K.de Jongh (secretaris Kamer)

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 17 november 1995

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vrouw heeft 2 kinderen, thans 13 en 17 jaar oud, die door de biologische
vader niet zijn erkend. Vader heeft op vrijwillige basis tot 1987 bijgedragen
in de kosten van de kinderen. De vordering van de vrouw, strekkende tot het
verkrijgen van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen is door de rechtbank
afgewezen, omdat de vordering door verloop van 5 jaar na de geboorte van het
kind verjaart. De vrouw wil hiervan in hoger beroep gaan.
In het tussenvonnis van het Hof Den Haag 3 maart 1995 heeft de man erkend de
verwekker van de kinderen te zijn. Het Hof verwijst naar een arrest van de
Hoge Raad van 20 januari 1995, RvdW 1995, nr. 33, waar de Hoge Raad oordeelt
dat er sprake is van een ongelijke – en op het punt van de verjaring niet te
rechtvaardigen – behandeling van kinderen die wel en kinderen die niet in een
familierechtelijke betrekking tot hun biologische vader staan voor wat
betreft de onderhoudsverplichting. De vrouw is ontvankelijk in haar
vordering.
Later bepaalt de rechter de hoogte van de door de man te betalen
kinderbijdrage. Omdat de man heeft betwist dat een van de kinderen de vrouw
heeft gemachtigd wordt de zaak nog aangehouden om de vrouw in de gelegenheid
te stellen een machtiging over te leggen.
Het Hof bepaalt op 12 juli 1996 dat de vrouw de meerderjarige dochter van
partijen rechtsgeldig vertegenwoordigde. De dochter maakte aanspraak op een
kinderbijdrage en had daar ook behoefte aan.

Volledige tekst

Tussenvonnis Hof van 17 november 1995

De verdere loop van het geding

Het hof neemt hier over de inhoud van zijn tussenarrest van 3 maart 1995. Na
verwijzing naar de rol heeft de vrouw een akte houdende uitlaten na
tussenarrest genomen, met produkties waaronder een machtiging van de
inmiddels meerderjarig geworden oudste dochter, en heeft de man een
akteverzoek gedaan, eveneens met produkties. Vervolgens heeft iedere partij
nog een antwoordakte genomen, waarna andermaal onder overlegging van de
procesdossiers arrest is gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof dient nog te beslissen omtrent de door de vrouw met ingang van 15
januari 1992 gevorderde bijdrage van de man terzake van de kosten van
verzorging en opvoeding van hun kinderen R en S, voor wat betreft R met
ingang van 17 september 1993 terzake van levensonderhoud en studie.

2. De vrouw heeft in eerste aanleg een bijdrage gevorderd van ƒ 125 per maand
per kind. Bij haar akte houdende uitlaten na tussenarrest heeft zij haar eis
in zoverre vermeerderd dat zij met ingang van de trouwdatum van de man
vordert ƒ 250 per maand per kind. De man, die blijkens zijn akteverzoek op 20
december 1994 is gehuwd, heeft tegen die eisvermeerdering geen bezwaar
gemaakt, zodat het hof daarvan uit zal gaan.

3. Behoefte van de kinderen.

De behoefte van de kinderen staat als niet betwist vast, met dien verstande
dat de man stelt dat hij ten aanzien van de oudste dochter R sedert haar
meerderjarig worden op 17 september 1993 niet gehouden is tot enige bijdrage
omdat zij geen studie of opleiding volgt en geen behoefte heeft wegens
samenwoning met haar vriend B. De vrouw betoogt dat R haar schoolopleiding
aan de middelbare school voor doven pas in de zomer van 1994 heeft beëindigd,
sindsdien op een wachtlijst voor een baan op een sociale werkplaats staat, te
haren laste is bij gebreke van eigen inkomsten en uitkering, en niet
samenwoont. Gelet op de betwisting door de man zal de vrouw in de gelegenheid
worden gesteld bij akte een verklaring van R in het geding te brengen waarin
zij gemotiveerd uiteenzet waarom zij ook na 17 september 1993 nog behoefte
had aan een bijdrage, op welke wijze zij sindsdien in haar levensonderhoud
heeft voorzien en wie daarin bijgedragen heeft/hebben.

4. Draagkracht van de vrouw

Blijkens overgelegde salarisspecificatie betreffende maart 1995 verdient de
vrouw als administratief medewerkster bruto ƒ 3010 per maand. Zij betaalt
terzake van een hypothecaire lening ƒ 728 per maand aan rente en ƒ 104 per
maand aan verzekeringspremie. Een lening bij haar broer zal per 1 december
1995 zijn afgelost. In de jaren 1992 tot 1995 had de vrouw een iets hogere
draagkracht, aanvankelijk door lagere lasten, later door een hoger inkomen.

5. Draagkracht van de man

De man, voorheen werkzaam tegen een netto-salaris van gemiddeld ƒ 1700 per
maand, is sinds 7 november 1994 werkloos en ontvangt blijkens overgelegde
specificatie d.d. 22 maart 1995 een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet van ƒ 1311 netto per vier weken (f 1420 per maand). Op een
doorlopend krediet betaalt de man ƒ 80 aan aflossing en ƒ 35 aan rente per
maand. Gelet op het feit dat zijn echtgenote eigen inkomsten heeft, beschouwt
het hof de man voor de draagkrachtberekening als alleenstaande. In de jaren
1992 tot 1995 had de man een iets hogere draagkracht, in dezelfde verhouding
tot de actuele draagkracht als de hogere draagkracht van de vrouw.

6. Het vorenoverwogene brengt mee dat de man in staat geacht moet worden naar
draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding, resp. van
levensonderhoud en studie, van der partijen kinderen een bedrag van ƒ 125 per
maand per kind voor de periode ingaande 15 januari 1992 en lopende tot 7
november 1994. Het hof zal de alimentatie vanaf die datum op nihil bepalen en
de man in de gelegenheid stellen het per heden verschuldigde bedrag te
voldoen als na te melden.

7. In zijn antwoordakte bestrijdt de man dat de handtekening op de
overgelegde volmacht afkomstig is van R. Uit in zijn bezit zijnde brieven zou
blijken dat zij een fundamenteel andere handtekening gebruikt. Bovendien zou
R aan de man te kennen hebben gegeven dat zij niet achter de vordering staat
voorzover betreffend de bijdrage in haar levensonderhoud na 17 september
1993. De man biedt van zijn stellingen getuigenbewijs aan. Het hof acht
vooralsnog geen termen aanwezig voor een getuigenverhoor, maar zal de vrouw
eerst in de gelegenheid stellen bij akte in het geding te brengen:

a. een nieuwe machtiging van R waarvan de advocaat van de vrouw de verklaring
heeft toegevoegd dat de ondertekening van die machtiging door R in haar
bijzijn is gebeurd;
b. een verklaring van R, waaruit blijkt dat zij voor wat betreft de periode
van 17 september 1993 tot 7 november 1994 nog steeds aanspraak maakt op een
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie;
c. gegevens waaruit blijkt dat R in die periode niet in staat was of
redelijkerwijs in staat geacht kon worden in de kosten van haar
levensonderhoud en studie te voorzien.

8. In verband met het hiervoor onder 3 en 7 overwogene zal een beslissing
over de gevorderde bijdrage voor R voor de periode van 17 september 1993 tot
7 november 1994, alsmede over de proceskosten, worden aangehouden. De zaak
zal naar de rol van 21 december 1995 worden verwezen voor het nemen van de in
de genoemde rechtsoverwegingen bedoelde akten. De man wordt in de gelegenheid
gesteld op die akten te reageren bij akte ter rolle van 18 januari 1996. De
partijen kunnen dan weer fourneren voor arrest.

Beslissing

Het hof:

veroordeelt de man om aan de vrouw een bijdrage te betalen ten behoeve van
hun kind S, geboren 25 november 1979, van ƒ 125 per maand over de periode van
15 januari 1992 tot 7 november 1994, en bepaalt die bijdrage vanaf 7 november
1994 op nihil;

stelt de man in de gelegenheid om het aldus verschuldigde te voldoen in
maandelijkse termijnen van ƒ 125;

veroordeelt de man om aan de vrouw een bijdrage te betalen ten behoeve van
hun kind R, geboren 17 september 1975, van ƒ 125 per maand over de periode
van 15 januari 1992 tot 17 september 1993;

stelt de man in de gelegenheid het aldus verschuldigde te voldoen in
maandelijkse termijnen van ƒ 125;

bepaalt dat de verschuldigde bijdragen elk geheel opeisbaar zullen zijn op
het moment dat de man in totaal drie termijnen niet heeft betaald;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak naar de rol van 21 december 1995 ter fine als in
rechtsoverwegingen 3 en 7 vermeld;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mrs. Von Brucken Fock, Borgesius en Simonis

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 17 november 1995

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


De vrouw wil in cassatie gaan van echtscheidingsvonnis waarin haar
alimentatie in duur is beperkt tot zeven jaar. Zij is nu 52 jaar,
huwelijksduur 27 jaar met traditionele rolverdeling. Zij studeerde tijdens
het huwelijk rechten en werkt sinds een aantal jaren in deeltijd. Een
fulltime baan kan zij niet vinden. Rechter stelt dat gezien haar opleiding
van haar mag worden verwacht over zeven jaar geheel in eigen onderhoud te
kunnen voorzien.

Volledige tekst

Het geding
De partijen zijn in 1967 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar
gehuwd.
Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 9 maart 1995 is tussen de
partijen de echtscheiding uitgesproken. Daarbij werd aan de vrouw ten laste
van de man een alimentatie toegekend van ƒ 3500 per maand, gedurende zeven
jaar.
De beschikking is op 30 mei 1995 ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand.
De vrouw is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de bestreden
beschikking te vernietigen en de alimentatie vast te stellen op een bedrag
van ƒ 4500 per maand zonder beperking in duur.
De man heeft tijdig een verweerschrift ingediend en in incidenteel hoger
beroep verzocht de alimentatie met ingang van 30 mei 2000 te bepalen op
nihil.
Op 25 augustus 1995 is de zaak mondeling behandeld.
Beoordeling van het principale en incidentele hoger beroep
1. De vrouw, thans 51 jaar, is als juridisch medewerkster op part-time basis
werkzaam bij de stichting Pelita. Haar inkomen bedraagt gemiddeld ca. ƒ 1600
netto per maand, exclusief vacantiegeld. De behoefte van de vrouw aan een
alimentatie van de man staat thans niet ter discussie, wel de hoogte en de
duur ervan.
2. De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij behoefte heeft aan het door
haar verzochte bedrag van ƒ 4500 en wel zonder beperking in duur. Zij tracht
ander werk te vinden dan zij nu heeft maar is daar tot op heden niet in
geslaagd. Het risico dat zij geen ander werk zal vinden is te groot om nu
reeds de alimentatie in duur te beperken.
3. De man is van mening dat een periode van vijf jaar na de inschrijving van
de echtscheiding meer dan voldoende is om de vrouw de gelegenheid te geven om
een passende werkkring te vinden waarmee zij geheel in eigen levensonderhoud
kan voorzien. De vrouw is juriste en heeft al werkervaring zodat zij in staat
moet zijn haar werkzaamheden uit te breiden.
4. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat de vrouw
behoefte heeft aan een hogere bijdrage dan door de rechtbank is vastgesteld,
ook niet indien rekening wordt gehouden met de welstand van de partijen
tijdens het huwelijk. Wat de duur van de alimentatie betreft is het hof met
de rechtbank van oordeel dat een periode van zeven jaar in beginsel voldoende
moet zijn om de vrouw de gelegenheid te geven om zodanige werkzaamheden te
zoeken dat zij in staat zal zijn geheel in haar eigen levensonderhoud te
voorzien. Het hof merkt daarbij op dat het de vrouw na verloop van de periode
van zeven jaar vrijstaat alsnog alimentatie te verzoeken indien zij alsdan
niet volledig in eigen levensonderhoud kan voorzien. Wel dient de vrouw er
daarbij rekening te houden dat het in dat geval op haar weg zal liggen om aan
te tonen dat het niet volledig in eigen levensonderhoud kunnen voorzien niet
te wijten is aan haar eigen tekortschieten in het zoeken naar werk.
Een en ander leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikking dient te
worden bekrachtigd.
Beslissing
Het hof:
in het principale en incidentele hoger beroep
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Rotterdam, op 9 maart 1995
tussen de partijen gewezen;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van het geding in hoger
beroep.

Rechters

Mr. Van den Wildenberg

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 17 november 1995

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Vrouw heeft 2 kinderen, thans 13 en 17 jaar oud, die door de biologische
vader niet zijn erkend. Vader heeft op vrijwillige basis tot 1987 bijgedragen
in de kosten van de kinderen. De vordering van de vrouw, strekkende tot het
verkrijgen van een onderhoudsbijdrage voor de kinderen is door de rechtbank
afgewezen, omdat op grond van art. 1: 405, lid 2 BW de vordering door verloop
van 5 jaar na de geboorte van het kind verjaart. De vrouw wil hiervan in
hoger beroep gaan.
In het tussenvonnis van het Hof Den Haag 3 maart 1995 heeft de man erkend de
verwekker van de kinderen te zijn. Het Hof verwijst naar een arrest van de
Hoge Raad van 20 januari 1995, RvdW 1995, nr. 33, waar de HR oordeelt dat er
sprake is van een ongelijke – en op het punt van de verjaring niet te
rechtvaardigen – behandeling van kinderen die wel en kinderen die niet in een
familierechtelijke betrekking tot hun biologische vader staan voor wat
betreft de onderhoudsverplichting. De vrouw is ontvankelijk in haar
vordering.
Later bepaalt de rechter de hoogte van de door de man te betalen
kinderbijdrage. Omdat de man heeft betwist dat een van de kinderen de vrouw
heeft gemachtigd wordt de zaak nog aangehouden om de vrouw in de gelegenheid
te stellen een machtiging over te leggen.
In dit arrest wordt de kinderbijdrage vanaf januari 1992 vastgesteld.
Arrest Hof Den Haag d.d. 12 juli 1996. De vrouw vertegenwoordigde
rechtsgeldig de meerderjarige dochter van partijen; de dochter maakte
aanspraak op een kinderbijdrage en had daar ook behoefte aan. Compensatie
proceskosten.

Volledige tekst

De verdere loop van het geding

Het hof neemt hier over de inhoud van zijn tussenarrest van 3 maart 1995. Na
verwijzing naar de rol heeft de vrouw een akte houdende uitlaten na
tussenarrest genomen, met producties waaronder een machtiging van de
inmiddels meerderjarig geworden oudste dochter, en heeft de man een
akteverzoek gedaan, eveneens met producties. Vervolgens heeft iedere partij
nog een antwoordakte genomen, waarna andermaal onder overlegging van de
procesdossiers arrest is gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof dient nog te beslissen omtrent de door de vrouw met ingang van 15
januari 1992 gevorderde bijdrage van de man terzake van de kosten van
verzorging en opvoeding van hun kinderen R en S, voor wat betreft R met
ingang van 17 september 1993 terzake van levensonderhoud en studie.
2. De vrouw heeft in eerste aanleg een bijdrage gevorderd van ƒ 125 per maand
per kind. Bij haar akte houdende uitlaten na tussenarrest heeft zij haar eis
in zoverre vermeerderd dat zij met ingang van de trouwdatum van de man
vordert ƒ 250 per maand per kind. De man, die blijkens zijn akteverzoek op 20
december 1994 is gehuwd, heeft tegen die eisvermeerdering geen bezwaar
gemaakt, zodat het hof daarvan uit zal gaan.
3. Behoefte van de kinderen.
De behoefte van de kinderen staat als niet betwist vast, met dien verstande
dat de man stelt dat hij ten aanzien van de oudste dochter R sedert haar
meerderjarig worden op 17 september 1993 niet gehouden is tot enige bijdrage
omdat zij geen studie of opleiding volgt en geen behoefte heeft wegens
samenwoning met haar vriend B. De vrouw betoogt dat R haar schoolopleiding
aan de middelbare school voor doven pas in de zomer van 1994 heeft beëindigd,
sindsdien op een wachtlijst voor een baan op een sociale werkplaats staat, te
haren laste is bij gebreke van eigen inkomsten en uitkering, en niet
samenwoont. Gelet op de betwisting door de man zal de vrouw in de gelegenheid
worden gesteld bij akte een verklaring van R in het geding te brengen waarin
zij gemotiveerd uiteenzet waarom zij ook na 17 september 1993 nog behoefte
had aan een bijdrage, op welke wijze zij sindsdien in haar levensonderhoud
heeft voorzien en wie daarin bijgedragen heeft/hebben.
4. Draagkracht van de vrouw
Blijkens overgelegde salarisspecificatie betreffende maart 1995 verdient de
vrouw als administratief medewerkster bruto ƒ 3010 per maand. Zij betaalt
terzake van een hypothecaire lening ƒ 728 per maand aan rente en ƒ 104 per
maand aan verzekeringspremie. Een lening bij haar broer zal per 1 december
1995 zijn afgelost. In de jaren 1992 tot 1995 had de vrouw een iets hogere
draagkracht, aanvankelijk door lagere lasten, later door een hoger inkomen.
5. Draagkracht van de man

De man, voorheen werkzaam tegen een netto-salaris van gemiddeld ƒ 1.700per
maand, is sinds 7 november 1994 werkloos en ontvangt blijkens overgelegde
specificatie d.d. 22 maart 1995 een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet van ƒ 1.311netto per vier weken (f 1.420per maand). Op een
doorlopend krediet betaalt de man ƒ 80aan aflossing en ƒ 35aan rente per
maand. Gelet op het feit dat zijn echtgenote eigen inkomsten heeft, beschouwt
het hof de man voor de draagkrachtberekening als alleenstaande. In de jaren
1992 tot 1995 had de man een iets hogere draagkracht, in dezelfde verhouding
tot de actuele draagkracht als de hogere draagkracht van de vrouw.
6. Het vorenoverwogene brengt mee dat de man in staat geacht moet worden naar
draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding, resp. van
levensonderhoud en studie, van der partijen kinderen een bedrag van ƒ 125 per
maand per kind voor de periode ingaande 15 januari 1992 en lopende tot 7
november 1994. Het hof zal de alimentatie vanaf die datum op nihil bepalen en
de man in de gelegenheid stellen het per heden verschuldigde bedrag te
voldoen als na te melden.
7. In zijn antwoordakte bestrijdt de man dat de handtekening op de
overgelegde volmacht afkomstig is van R. Uit in zijn bezit zijnde brieven zou
blijken dat zij een fundamenteel andere handtekening gebruikt. Bovendien zou
R aan de man te kennen hebben gegeven dat zij niet achter de vordering staat
voorzover betreffend de bijdrage in haar levensonderhoud na 17 september
1993. De man biedt van zijn stellingen getuigenbewijs aan. Het hof acht
vooralsnog geen termen aanwezig voor een getuigenverhoor, maar zal de vrouw
eerst in de gelegenheid stellen bij akte in het geding te brengen:
a. een nieuwe machtiging van R waarvan de advocaat van de vrouw de verklaring
heeft toegevoegd dat de ondertekening van die machtiging door R in haar
bijzijn is gebeurd;
b. een verklaring van R, waaruit blijkt dat zij voor wat betreft de periode
van 17 september 1993 tot 7 november 1994 nog steeds aanspraak maakt op een
bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie;
c. gegevens waaruit blijkt dat R in die periode niet in staat was of
redelijkerwijs in staat geacht kon worden in de kosten van haar
levensonderhoud en studie te voorzien.
8. In verband met het hiervoor onder 3 en 7 overwogene zal een beslissing
over de gevorderde bijdrage voor R voor de periode van 17 september 1993 tot
7 november 1994, alsmede over de proceskosten, worden aangehouden. De zaak
zal naar de rol van 21 december 1995 worden verwezen voor het nemen van de in
de genoemde rechtsoverwegingen bedoelde akten. De man wordt in de gelegenheid
gesteld op die akten te reageren bij akte ter rolle van 18 januari 1996. De
partijen kunnen dan weer fourneren voor arrest.

Beslissing

Het hof:
veroordeelt de man om aan de vrouw een bijdrage te betalen ten behoeve van
hun kind S, geboren 25 november 1979, van ƒ 125per maand over de periode van
15 januari 1992 tot 7 november 1994, en bepaalt die bijdrage vanaf 7 november
1994 op nihil;
stelt de man in de gelegenheid om het aldus verschuldigde te voldoen in
maandelijkse termijnen van ƒ 125,-;
veroordeelt de man om aan de vrouw een bijdrage te betalen ten behoeve van
hun kind R, geboren 17 september 1975, van ƒ 125per maand over de periode van
15 januari 1992 tot 17 september 1993;
stelt de man in de gelegenheid het aldus verschuldigde te voldoen in
maandelijkse termijnen van ƒ 125,-;
bepaalt dat de verschuldigde bijdragen elk geheel opeisbaar zullen zijn op
het moment dat de man in totaal drie termijnen niet heeft betaald;
verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst de zaak naar de rol van 21 december 1995 ter fine als in
rechtsoverwegingen 3 en 7 vermeld;
houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mrs. Von Brucken Fock, Borgesius, Van den Wildenberg