Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 17 november 1995

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Partijen zijn de latere huwelijkse voorwaarden, wettelijk deelgenootschap,
aangegaan omdat zij een op naam van de vrouw gestelde onderneming wilden gaan
voeren. De vrouw mocht er in redelijkheid van uitgaan dat de
pensioenaanspraken niet bij de in de akte van huwelijkse voorwaarden
voorgenomen scheiding en deling waren betrokken en dat er een gemeenschap van
pensioenaanspraken is blijven bestaan. De pensioenaanspraken van de man,
zowel die welke voor als na de totstandkoming van de akte van huwelijkse
voorwaarden zijn opgebouwd, zijn buiten het wettelijk deelgenootschap
gebleven, met als gevolg dat de vrouw recht heeft op de helft van de waarde
van de pensioenaanspraken die de man op het tijdstip van de ontbinding van
het huwelijk van partijen heeft opgebouwd. Ook bij een deelgenootschap komt
het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen voor verrekening in aanmerking.
De feiten dat de vrouw pas ruim vijf jaar na de ontbinding van het huwelijk
de nadere scheiding heeft gevorderd en de kwestie van de pensioenaanspraken
niet in andere gerechtelijke procedures aan de orde heeft gesteld, brengen
niet met zich mee dat de man deze vordering niet meer behoefde te verwachten
en de vrouw haar recht op het haar toekomende deel van de pensioenaanspraken
heeft verwerkt.

Volledige tekst

Het geding
Bij exploit van 14 januari 1992 is de man in hoger beroep gekomen van het
vonnis van 28 oktober 1991, door de rechtbank te Rotterdam tussen de partijen
(de vrouw als eiseres en de man als gedaagde) gewezen.
De man heeft bij memorie van grieven zes grieven aangevoerd, welke de vrouw
bij memorie van antwoord heeft bestreden.
Ten slotte hebben de partijen hun procesdossiers aan het hof overgelegd en
arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2. genoemde
vaststaande feiten zijn geen grieven aangevoerd, zodat ook in hoger beroep
van die feiten zal worden uitgegaan.
2. De partijen zijn op 2 februari 1968 te Rotterdam met elkaar in algehele
gemeenschap van goederen gehuwd. De gemeenschap is ontbonden door opheffing
bij huwelijkse voorwaarden, verleden op 22 december 1981. De
huwelijksvoorwaarden regelden ondermeer de voorgenomen scheiding en deling
bij ontbinding van het huwelijk van de partijen.
De partijen zijn de latere huwelijksvoorwaarden enkel en alleen aangegaan
omdat zij een op naam van de vrouw gestelde onderneming (X.) wilden gaan
voeren. De man, die werkzaam was en bleef bij de PTT, mocht geen
nevenfuncties vervullen. Voorts zijn in de akte van huwelijksvoorwaarden bij
de voorgenomen scheiding en deling van de ontbonden algehele gemeenschap van
goederen de pensioenaanspraken van de man niet als te verdelen
vermogensbestanddelen genoemd, hetgeen wel voor de hand had gelegen aangezien
vlak daarvoor de Hoge Raad het zogenaamde pensioenarrest (HR 27-11-81, NJ
1982, 503) had gewezen, in welk arrest de mogelijkheid tot
pensioenverrekening was genoemd, en op dat tijdstip uitsluitend de man
pensioen had opgebouwd. Noch gesteld noch gebleken is dat de
pensioenaanspraken van de man voor of bij het opmaken van de akte van
huwelijksvoorwaarden ter sprake zijn geweest. Ook bij de bepalingen omtrent
het eindigen van het overeengekomen deelgenootschap ontbreekt iedere
verwijzing daarnaar. De vrouw mocht er daarom in redelijkheid van uitgaan dat
de pensioenaanspraken niet bij de in de akte van huwelijksvoorwaarden
voorgenomen scheiding en deling waren betrokken en dat er een gemeenschap van
pensioenaanspraken is blijven bestaan.
De pensioenaanspraken van de man, zowel die welke voor als na de
totstandkoming van de akte van huwelijksvoorwaarden zijn opgebouwd, zijn dus
buiten het wettelijk deelgenootschap gebleven, met als gevolg dat de vrouw
recht heeft op de helft van de waarde van de pensioenaanspraken die de man op
het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk heeft opgebouwd, zijn dus
buiten het wettelijk deelgenootschap gebleven, met als gevolg dat de vrouw
recht heeft op de helft van de waarde van de pensioenaanspraken die de man op
het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk van de partijen (12 april
1984) heeft opgebouwd. Artikel 1158, tweede lid, oud BW, dat in de
onderhavige zaak dient te worden toegepast (vgl. HR 7 april 1995, RvdW
1995,90), geeft vervolgens de vrouw het recht een nadere scheiding te
vorderen.
De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat ook bij een
deelgenootschap als het onderhavige het tijdens het huwelijk door de man
opgebouwde pensioen voor verrekening in aanmerking komt. De andersluidende
stellingen van de man, dat bij deelgenootschappen geen pensioenverrekening
mag plaatsvinden althans alleen het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen
voor verrekening in aanmerking komt, kunnen derhalve buiten bespreking
blijven.
De feiten, dat de vrouw pas ruim vijf jaar na de ontbinding van het huwelijk
van de partijen de nadere scheiding heeft gevorderd en de kwestie van de
pensioenaanspraken niet in andere tussen de partijen gevoerde gerechtelijke
procedures aan de orde heeft gesteld, brengen niet mee dat de man deze
vordering niet meer behoefde te verwachten en de vrouw haar recht op het haar
toekomende deel van de pensioenaanspraken van de man heeft verwerkt.
Artikel 1162 oud BW heeft geen betrekking op de vordering tot nadere
scheiding als bedoeld in artikel 1158, tweede lid, oud BW.
Het enkele feit dat bij de scheiding en deling de desbetreffende onderneming
aan de vrouw is toegescheiden en de vrouw die onderneming na de scheiding en
deling heeft voortgezet, dwingt nog niet tot de conclusie dat de man reeds op
zodanige wijze in de verzorging van de vrouw heeft voorzien dat zij
redelijkerwijs geen recht meer kan doen gelden op de helft van de waarde van
de pensioenaanspraken van de man.
3. Alle grieven zijn in het voorgaande besproken en ongegrond bevonden, zodat
het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. Een veroordeling van de man in
de kosten van het geding in hoger beroep acht het hof, nu de partijen
ex-echtelieden zijn en de onderhavige procedure in voldoende mate verband
houdt met de ontbinding van hun huwelijk, niet opportuun.
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis door de rechtbank te Rotterdam op 28 oktober 1991
tussen de partijen gewezen;
bepaalt dat ieder van de partijen de eigen kosten van het geding in hoger
beroep draagt.

Rechters

Mrs. Von Brucken Fock, Pieters, Van Oldenburgh

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 17 november 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Het betreft hier een vrouw die van haar broer een schadevergoeding
vordert op grond van seksueel misbruik tijdens haar jeugd. De Hoge Raad
wijst in haar uitspraak op het specifieke karakter van procedures met
betrekking tot seksueel geweld. De feiten waar het ook hier om draait
spelen zich in de regel slechts in aanwezigheid van partijen zelf af.
Daarom, zo stelt de Hoge Raad, moet het in dergelijke gevallen in
principe mogelijk zijn dat een deskundigenbericht en de verklaring van
de betrokken partij als getuige samen voldoende bewijs van de gestelde
feiten oplevert. De rechter kan een dergelijk deskundigenbericht niet
zonder meer terzijde schuiven zoals in deze zaak is gebeurd. De Hoge
Raad vernietigt het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden en verwijst
de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam.

Volledige tekst

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel keert zich in zijn drie onderdelen tegen wat het hof
overweegt in r.o. 5 van het bestreden arrest waarin het hof uiteenzet
waarom het met de president van oordeel is dat de rechter ten gronde op
basis van het gepresenteerde bewijsmateriaal niet tot de vaststelling
zal komen dat verweerder eiseres seksueel heeft misbruikt. Dragend voor
dit oordeel is, gelijk het hof overweegt, dat de behandelaars van
eiseres wier verklaringen zijn overgelegd en de door het hof benoemde
deskundige ‘hun wetenschap’ enkel ontlenen aan wat hun door eiseres
zelf is medegedeeld en dat ook het overige bewijsmateriaal ‘louter’
berust op uitlatingen van eiseres zelf. Daaraan voegt het hof toe dat
evenmin op grond van dat bewijsmateriaal kan worden gezegd dat eiseres
haar stelling tenminste in die mate aannemelijk heeft gemaakt, dat het
gestelde seksuele misbruik van haar door verweerder voor waar moet
worden gehouden, nu de man het tegendeel niet aannemelijk heeft
gemaakt. Hierbij heeft het hof de bewijsnood van eiseres meegewogen.
Daarbij ging het er wel van uit dat het enkele feit dat eiseres in
bewijsnood verkeerde niet meebracht dat de bewijslast moest worden
omgekeerd en op verweerder moest worden gelegd.

2.2 Het middel klaagt, kort samengevat, in onderdeel a dat
onbegrijpelijk is dat het hof overweegt dat de wetenschap van de
genoemde deskundigen, met name ook van de door het hof benoemde
deskundige Bullens, enkel is ontleend aan wat hun door eiseres zelf is
meegedeeld. Onderdeel b bevat de klacht dat onduidelijk is waarom het
hof aan de bedoelde verklaringen niet voldoende bewijskracht toekent
ook al zouden dat uitsluitend de auditu-verklaringen zijn. Het
onderdeel betoogt dat eiseres gelet op haar specifieke situatie als
incestslachtoffer zonder getuigen, een zodanig “begin van bewijs” heeft
geleverd dat verweerder het tegendeel dient aan te tonen. Onderdeel c
ten slotte betoogt kort gezegd dat nu de deskundigen inclusief de door
het hof benoemde, verklaren dat de stellingen van eiseres aangaande het
seksuele misbruik door haar broer geloofwaardig zijn, het hof de
bewijslast op verweerder had moeten leggen, nu deze “de schijn tegen
zich heeft”.

2.3 Laat ik vooropstellen dat ik in het algemeen meen dat in gevallen
als dit een bijzondere regel van bewijslastverdeling op grond waarvan
de bewijslast komt te liggen bij de gedaagde partij die van seksueel
misbruik wordt beschuldigd, niet op zijn plaats is (Dat is ook niet
gebeurd in de zaak van het gestelde seksuele misbruik door een
psychotherapeut, HR 17 december 1993, NJ 1994, 193 met beschouwingen
hierover in de conclusie onder 2.3. e.v.) De rechter zal van geval tot
geval moeten oordelen of er grond bestaat om de wederpartij van degene
die het seksuele misbruik aan zijn of haar vordering tot
schadevergoeding ten grondslag legt, met het bewijs van het tegendeel
te belasten. Daarbij zal hij met de – wederzijdse! – bewijsnood
rekening kunnen houden en met alle overige omstandigheden van het
geval.

2.4. De aangevallen beslissingen van het hof zijn van feitelijke aard.
Bovendien gaat het om “bewijs”oordelen in kort geding, waar de rechter
niet eens aan de gewone bewijsregels is gebonden en een nog grotere
vrijheid heeft dan de toch al zeer vrije bodemrechter. Het is heel
moeilijk om daar in cassatie iets tegen te ondernemen, want de Hoge
Raad is niet geroepen tot feitelijke waarderingen. Dat het hof het
bewijsmateriaal voldoende had moeten oordelen om, al of niet bij wege
van vermoeden, het gestelde seksueel misbruik (voorshands) aannemelijk
te achten of aannemelijk te achten dat de bodemrechter zou oordelen dat
het bewezen zou zijn, al of niet tot op bewijs van het tegendeel door
verweerder, kan in cassatie dus niet worden beslist.

2.5. Een ander aspect van zaken als deze is dat in ons bewijsrecht
verankerd ligt dat verklaringen van de partij zelf niet kunnen
bijdragen tot het bewijs dat zijzelf moet leveren. Men zie de art. 19a
lid 4, 205 lid 4 en 213 Rv. Het hof heeft, naar ik wil aannemen, met
name aan die regel – als met het zo wil noemen – gedacht.

2.6. Er ontstaat dus een patstelling als het in zaken als deze blijft
bij het woord van de een tegenover het woord van de ander. Dat is in
zoverre moeilijk te aanvaarden, dat het bewijsrecht hier een
belemmering lijkt te worden om ooit in zaken als deze, waar het bijna
per definitie gaat om het woord van de een tegenover dat van de ander,
recht te kunnen doen. Een oplossing is evenwel niet gemakkelijk aan te
dragen en de kwestie is juist door de wederzijdse bewijsnood bijzonder
delicaat.

2.7. Een uitweg uit de impasse zou kunnen worden geboden door een
onderzoek door een of meer deskundigen. Langs die weg kan naar het
bestaan van psychische trauma’s en hun oorzaak onderzoek worden gedaan
en wellicht meer zekerheid worden verkregen over het waarheidsgehalte
van de stellingen van de eisende partij die zegt het slachtoffer van
seksueel misbruik te zijn geworden. Aan het deskundigenbericht, kan,
indien het over het voorgevallen zijn van feiten verklaringen en
oordelen bevat, bewijs worden ontleend, daarover bestaat geen twijfel
(zie HR 13 januari 1995, RvdW 1995, 31 C.). De discussie in de, vooral
oudere, literatuur (Zie Vademecum Burgerlijk Procesrecht (Asser) 6.3.3
met gegevens.) of het deskundigenbericht in het algemeen kan worden
bestempeld als bewijsmiddel kan blijven rusten.

2.8. Daarmee is niet gezegd dat een deskundigenonderzoek steeds de
doorbraak zal bieden – in de ene of de andere richting – op grond
waarvan de rechter met voldoende mate van zekerheid over het gestelde
seksuele misbruik kan beslissen, want het kan heel goed zijn dat hij
niet tot de overtuiging geraakt dat het plaats heeft gevonden. Dan moet
de vordering bij gebrek aan voldoende feitelijke basis stranden.

2.9. In deze zaak zijn verklaringen van ter zake deskundige
behandelaars voorhanden en een rapport van een door de rechter zelf
benoemde deskundige die zijn onderzoek heeft verricht ter beantwoording
van een aantal door de rechter geformuleerde vragen, onder meer naar,
kort gezegd, de objectieve feitelijke grondslag van de stellingen van
de eiseres die zegt slachtoffer te zijn van seksueel misbruik door de
verweerder. In zo’n geval zal de rechter zijn beoordeling van de vraag
of het gestelde seksuele misbruik is komen vast te staan de uitkomst
van het deskundigenonderzoek moeten betrekken. De enkele omstandigheid
dat de deskundige afgaat op hem door de desbetreffende partijen gedane
feitelijke mededelingen kan dan niet beslissend zijn voor de
beantwoording van die vraag.

2.10. Het voorgaande in aanmerking nemend, meen ik dat bij de
beoordeling van het rapport van de door het hof benoemde deskundige,
anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, niet beslissend mag zijn
dat deze zijn wetenschap slechts ontleent aan mededelingen van eiseres.
Het onderzoek van die deskundige was er blijkens de hem door het hof
opgegeven vragen en zijn rapport immer nu juist mede op gericht te
onderzoeken of de stelling van eiseres gebaseerd was op objectieve
gebeurtenissen dan wel slechts of mede was gegrond op haar subjectieve
belevingswereld en voorts of de betwisting door verweerder van het
gestelde seksuele misbruik werd veroorzaakt door verdringing door
verweerder van het gebeurde (vragen c en d). het spreekt vanzelf dat
bij dit onderzoek de verklaringen die de beide partijen tegenover de
deskundige hebben afgelegd, naast hun langs andere weg waarneembare
psychische toestand, het voornaamste onderzoeksmateriaal vormen.
Daarvan uitgaande kan men m.i. het onderzoek en de resultaten daarvan
niet diskwalificeren op de enkele grond dat de ‘wetenschap’ van de
deskundige enkel aan de mededelingen van eiseres zijn ontleend, want
daarmee wordt eraan voorbijgezien dat die mededelingen nu juist mede
het voorwerp van onderzoek vormden en dat die ‘wetenschap’ eveneens
wordt gevormd door de gevolgtrekkingen die de deskundige op grond van
zijn ervaring en deskundigheid aan die hun door eiseres gedane
mededelingen heeft verbonden.

2.11. Het gaat hier dus niet slechts om de feitelijke informatie die
eiseres heeft verschaft – de rapporten zijn niet althans niet alleen
maar te beschouwen als de auditu-verklaringen van derden – maar ook om
de vraag of de mededelingen van eiseres geloofwaardig zijn, dat we
zeggen voldoende betrouwbaarheid bezitten en bovendien om het
vaststellen van trauma’s bij de eiseres die op seksueel misbruik in
haar jeugd zijn terug te voeren. Het is het onderzoeksresultaat van de
deskundige dat de eigen stellingen van de betrokken partij – in dit
geval de eiseres – ondersteund.

2.12. Ik moge eraan herinneren dat art. 213 de getuigenverklaring van
de partij zelf niet elke bewijskracht ontzegt, maar dat er aanvullend
bewijs moet zijn dat zodanig sterk is en zodanige essentiele punten
betreft dat het de partijverklaring voldoende geloofwaardig maakt (HR
10 december 1993, NJ 1994, 667 (m.nt. P. van Schilfgaarde); HR 31 maart
1995, RvdW 1995, 83 C.) Of het uit het deskundigenrapport te putten
bewijs aan die eisen voldoet kan natuurlijk niet in het algemeen gezegd
worden, maar de rechter heeft hier heel wat speelruimte. Want ook al
bindt art. 213 de rechter aan een beperking van de bewijskracht van de
partij-getuigenverklaring, de waardering van de kracht van het
aanvullend bewijs is niet aan enige beperking gebonden (art. 179 lid
2), behoudens de toepassing van het – vrij ruime – criterium dat Uw
Raad in de zojuist genoemde rechtspraak aan de parlementaire
geschiedenis heeft ontleend. Ik zou dus willen aannemen dat in zaken
als de onderhavige een deskundigenbericht aangaande de betrouwbaarheid
van het ‘verhaal’ van de eiseres in beginsel kan dienen als aanvullend
bewijs als gevolg waarvan de partij-getuigenverklaring bewijs kan
leveren voor de door die partij te bewijzen feiten. Daarbij bedenke men
dat het oordeel van de deskundige aangaande de geloofwaardigheid van
wat de eiseres stelt mede gebaseerd kan zijn op door hem waargenomen
trauma’s die naar zijn deskundig inzicht op seksueel misbruik tijdens
de jeugd zijn terug te voeren.

2.13. Als in deze zaak de (voormalige) behandelaars die het hof noemt
zeggen dat de mededelingen van eiseres geloofwaardig zijn en de door
het hof benoemde deskundige de stelling van eiseres dat zij seksueel
misbruikt is door verweerder aannemelijk acht en haar ‘verhaal’ zelfs
als zeer geloofwaardig kenschetst, zoals het hof in r.o. 4 vaststelt,
en als ik daarbij in aanmerking neem het antwoord van de deskundige op
vraag a van het hof (zie hierboven onder 1.4), dan meen ik dat het hof
met name het deskundigenbericht niet kan afdoen met enkel te wijzen op
het de auditu-karakter van de ‘wetenschap’ van de deskundige, zonder er
in de motivering blijk van te geven dat het rekening heeft gehouden met
zijn zojuist genoemde oordelen.

2.14. Ik meen dus dat de motivering van het bestreden arrest
tekortschiet ook als ik in aanmerking neem (a) het feitelijke karakter
van ’s hofs oordeel en (b) de omstandigheid dat het hier een kort
geding betreft. Ook voor vonnissen in kort geding gelden
minimum-motiveringseisen (Ik volsta met verwijzing naar het in dit
verband belangrijke arrest HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659 m.nt. D.W.F.
Verkade) en met name in delicate kwesties als de onderhavige mocht van
het hof een uitgebreidere motivering van zijn oordeel verwacht worden.
Nu bestaat er met name gerede twijfel of het hof wel is uitgegaan van
een juiste opvatting aangaande de functie en betekenis van het
deskundigenrapport in zaken als deze.

2.15. Op grond van een en ander meen ik dat met name onderdeel a van
het middel slaagt, zodat de onderdelen b en c geen behandeling
behoeven. Het bestreden arrest kan dus mijns inziens niet in stand
blijven en verwijzing zal moeten volgen opdat het Arnhemse Hof zich
opnieuw over de zaak buigt.

Hoge Raad, 17 november 1995

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseres tot cassatie -verder te noemen: eiseres- heeft bij exploit van
21 december 1992 verweerder in cassatie -verder te noemen: verweerder-
in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Assen
en gevorderd verweerder te veroordelen om aan haar te betalen een
voorschot op een schadevergoeding ten bedrage van ƒ 7.500,=,
vermeerderd met rente en kosten. Nadat verweerder tegen de vordering
verweer had gevoerd, heeft de President bij vonnis van 26 januari 1993
de vordering afgewezen. Tegen dit vonnis heeft eiseres hoger beroep
ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Bij beschikking van 14
juli 1993 heeft het Hof op verzoek van eiseres een voorlopig onderzoek
door een deskundige bevolen. Na depot van het onderzoeksverslag heeft
het Hof bij arrest van 10 augustus 1994 het bestreden vonnis
bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft eiseres
beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest
gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen verweerder is verstek
verleend. Eiseres heeft haar zaak schriftelijk doen toelichten door
haar advocaat. De conclusie van de Advocaat-Generaal Asser strekt tot
vernietiging van het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 10
augustus 1994 en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en
beslissing naar het Gerechtshof te Arnhem.

3. Beoordeling van het middel 3.1 Eiseres heeft in het onderhavige kort
geding gesteld dat verweerder, die haar jongere broer is, haar in haar
jeugd thuis regelmatig seksueel heeft misbruikt, onder meer door haar
te verkrachten, en op grond daarvan een voorschot gevorderd op de
schadevergoeding waarop zij heeft gesteld recht te hebben. De President
heeft zijn afwijzing van deze vordering gegrond op zijn voorlopig
oordeel dat een ontkennend antwoord moet worden gegeven op de vraag of
de rechter in een bodemprocedure op basis van het gepresenteerde
bewijsmateriaal tot de vaststelling zou komen dat het door eiseres
gestelde juist is.

Meer in het bijzonder heeft de President als zijn voorlopig oordeel
uitgesproken dat dit materiaal niet voldoende is om aan te nemen dat
seksueel misbruik door verweerder heeft plaatsgevonden, zulks te minder
nu eiseres stelt dat ook haar vader haar op jeugdige leeftijd heeft
misbruikt en ter zitting voorts is komen vast te staan dat een
muziekleraar zich eveneens seksueel aan haar heeft vergrepen. Hangende
het hoger beroep heeft eiseres bij het Hof een verzoekschrift
ingediend, strekkende tot het bevelen van een voorlopig
deskundigenonderzoek. Dit onderzoek is door het Hof bij beschikking van
14 juli 1993 bevolen met benoeming van dr R. B’s psychotherapeut, als
deskundige, waarbij het Hof een zevental vragen heeft geformuleerd. In
een onderzoeksverslag van 21 bladzijden heeft de deskundige deze vragen
beantwoord, zulks blijkens dit verslag na uitvoerige gesprekken met
eiseres en met verweerder. Daarbij heeft de deskundige kennelijk mede
geput uit zijn kennis van gelijksoortige gevallen en uit hetgeen hem
uit hoofde van de deskundigheid die hij op zijn vakgebied heeft, onder
meer ter zake van dergelijk gevallen bekend is. Voorts had eiseres in
eerste aanleg reeds overgelegd onder meer verklaringen van de huisarts
V, de psychiater J, de haptonome R en de VHV-therapeute S door het Hof
aangeduid als behandelaars, alsook haar bij de politie gedane aangifte
tegen verweerder.

In zijn bestreden arrest heeft het Hof zijn bekrachtiging van het
vonnis van de President gegrond op de van die van de President
afwijkende overwegingen – kort samengevat – dat de voormelde deskundige
en behandelaars ‘hun wetenschap enkel ontlenen aan wat hun door de
vrouw zelf is medegedeeld en ook het overige bewijsmateriaal louter
berust op uitlatingen van de vrouw zelve’, en dat de bodemrechter
daarom op basis van het gepresenteerde bewijsmateriaal noch zal komen
tot een vaststelling dat verweerder eiseres seksueel heeft misbruikt,
noch zulks zo aannemelijk zal achten dat dit misbruik, bij gebreken van
tegenbewijs door verweerder, voor waar moet worden gehouden.

3.2. Het middel komt terecht tegen deze overwegingen op. ’s Hofs arrest
kan op verschillende wijzen worden begrepen en geeft reeds hierom
onvoldoende inzicht in ’s Hofs gedachtengang. Ter zake van elk van de
mogelijke lezingen van ’s Hofs arrest geldt het volgende. Indien het
Hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het onderzoeksverslag van de
deskundige en de verklaringen van de behandelaars aan de mededelingen
van eiseres zelf niets toevoegen dat bewijs – zij het ook onvolledig
bewijs – zou kunnen opleveren, dat zich leent voor aanvulling met een
verklaring door eiseres als partijgetuige in de zin van art. 213 lid 1
Rv., heeft het Hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste
rechtsopvatting, hetzij een oordeel gegeven dat in het licht van de
gedingstukken zonder nadere redengeving niet begrijpelijk is.

Indien het Hof van oordeel is geweest dat, daargelaten wat de
deskundige en de behandelaars aan de mededelingen van eiseres hebben
toegevoegd, het enkele feit dat zij hun gegevens aan die mededeling
hebben ontleend, reeds tot gevolg heeft dat het gehele desbetreffende
bewijsmateriaal in een bodemprocedure ontoereikend moet worden geacht,
geeft het eveneens blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In het
bijzonder in een situatie als hier aan de orde is, waarin de gestelde
feiten zich naar hun aard in de regel slechts in aanwezigheid van
partijen zelf hebben afgespeeld, kan een zodanige opvatting niet worden
aanvaard. Met name behoort niet te worden uitgesloten dat een
deskundigenbericht waarin de mededelingen van een partij aan een nader
onderzoek worden onderworpen – onder meer door deze mededelingen in
verband te brengen met aan de deskundige bekende, in dergelijke
gevallen optredende psychische verschijnselen en met hetgeen hem ter
zake van dergelijke gevallen uit hoofde van de deskundigheid die hij op
zijn vakgebied heeft, bekend is – te zamen met de verklaring van de
betrokken partij als getuige voldoende bewijs van de gestelde feiten
oplevert. Evenmin behoort te zijn uitgesloten dat verklaringen van
deskundige behandelaars tot een zodanig bewijs kunnen bijdragen.

Opmerking verdient daarbij echter dat de waardering van dergelijk
bewijsmateriaal door de rechter zal dienen te geschieden met een
bijzondere, op de delicate aard van dit materiaal afgestemde
behoedzaamheid. Een en ander brengt tevens mee dat, zo het Hof bedoeld
heeft bij zijn voorlopig oordeel slechts een verwachting betreffende
een feitelijke bewijswaardering door de bodemrechter uit te spreken,
ook dit oordeel in het licht van de gedingstukken niet begrijpelijk is,
aangezien verwacht mag worden dat de bodemrechter ook in een zaak als
de onderhavige al het beschikbare bewijsmateriaal, ook indien het gaat
om verklaringen van een deskundige of van deskundige behandelaars die
hun gegevens aan de mededelingen van een partij ontlenen, met
inachtneming van het hiervoor overwogene in zijn waardering zal
betrekken.

3.3. Uit het voorgaande volgt dat ’s Hofs arrest niet in stand kan
blijven en dat het beschikbare bewijsmateriaal na verwijzing met het
oog op hetgeen in dit kort geding wordt gevorderd, opnieuw zal moeten
worden beoordeeld.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het arrest van het Gerechtshof te
Leeuwarden van 10 augustus 1994; verwijst de zaak naar het Gerechtshof
te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing; compenseert de
kosten van het geding in dier voege dat elke partij de hare draagt.

Rechters

Mrs Snijders, Mijnssen, Heemskerk, Nieuwenhuis en Swens-Donner, A-G Asser

Instantie: Hof ‘s-Hertogenbosch, 16 november 1995

Instantie

Hof ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Na een huwelijk van 23 jaar is nu gedurende vijftien jaar alimentatie
betaald, laatstelijk ƒ 300 per maand. De vrouw is 63 jaar oud. Uit het
huwelijk zijn vier kinderen geboren die de vrouw verder heeft verzorgd en
opgevoed. De vrouw ontvangt een ABW-uitkering. Zij zal 25 procent van het
tijdens het huwelijk door de man opgebouwde pensioen ontvangen. De man woont
samen met een partner die in haar eigen levensonderhoud voorziet. Na betaling
van de alimentatie heeft de man een netto-besteedbaar inkomen van ƒ 2019 per
maand. De rechtbank heeft het verzoek tot limitering afgewezen en een termijn
van vijf jaar bepaald.
Het Hof vernietigt het vonnis en beëindigt de op de man rustende
onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 1 juli 1997.
Doorslaggevend acht het hof dat de door de man betaalde alimentatie in
mindering strekte op de door de vrouw ontvangen bijstand. Met ingang van 1
januari 1997 zal de vrouw, in verband met het bereiken van de 65-jarige
leeftijd, echter een A.O.W.-uitkering ontvangen. De door de man te betalen
uitkering strekt dan niet in mindering op haar A.O.W.-uitkering. Deze
omstandigheid levert naar het oordeel van het hof niet op, dat beëindiging
van deze alimentatie per 1 juli 1997 van zo ingrijpende aard is, dat dit naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden
gevergd.

Volledige tekst

Vonnis rechtbank ‘s-Hertogenbosch 27 juni 1987, alim. no. 043. Mr.
P.P.M. Rousseau

1. Het verloop van de procedure
Dit blijkt uit het volgende:
– het verzoekschrift (met bijlagen) van de man, ingekomen ter griffie van de
rechtbank op 3 februari 1995;
– de brief van 13 februari 1995 van mr. Nooteboom, ingekomen ter griffie op
14 februari 1995;
– het verweerschrift van de vrouw, ingekomen ter griffie op 3 maart 1995;
– het proces-verbaal van de terechtzitting van 2 mei 1995.
2. De inleiding
Tussen partijen is bij vonnis van deze rechtbank van 15 juni 1979,
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 3 april 1980, de
echtscheiding uitgesproken.
Bij arrest van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 8 november 1984 is
bepaald dat de man met een bedrag van ƒ 250 per maand dient bij te dragen in
de kosten van het levensonderhoud van de vrouw.
Deze alimentatie bedraagt inmiddels als gevolg van wettelijke indexeringen ƒ
307,26 per maand.
In zijn inleidend verzoekschrift verzoekt de man om zijn
alimentatieverplichting nader te bepalen op nihil. Ter terechtzitting heeft
de man zijn verzoekschrift gewijzigd in die zin dat zijn
alimentatieverplichting op grond van de wettelijke regelingen van limitering
van alimentatie in ieder geval dient te eindigen per 1 juli 1997.
Volgens de man is thans sprake van een wijziging van omstandigheden daarin
bestaande dat hij op 12 april 1995 65 is geworden en dat zijn inkomen als
gevolg van pensionering sterk is gedaald.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man.
3. De beoordeling
Vaststaat dat het inkomen van de man als gevolg van pensionering na 12 april
1995 is gedaald.
De rechtbank beschouwt dit als een gewijzigde omstandigheid op grond waarvan
zij de draagkracht van de man tot het betalen van alimentatie opnieuw zal
bezien.
De vrouw ontvangt een aanvullende bijstandsuitkering. Daarmee staat voldoende
vast dat zij nog immer behoefte heeft aan alimentatie van de man.
De vrouw kan op grond van de Wet van 28 april 1994 (Staatsblad 1994, 342)
aanspraak maken op pensioenverevening. De vrouw heeft bij gelegenheid van de
mondelinge behandeling medegedeeld haar aanspraak uit hoofde van de Wet
Pensioenverevening te effectueren.
Rekening houdende met deze verevening heeft de man sedert zijn pensionering
een gemiddeld netto maandinkomen van ruim ƒ 2000.
De man woont samen met een partner die een eigen inkomen heeft van circa ƒ
1400 netto per maand en daarmee in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.
Bij de bepaling van hetgeen de man minimaal behoeft om in de noodzakelijke
bestaanskosten te voorzien zoekt de rechtbank daarom aansluiting bij het
normbedrag voor een alleenstaande conform de Algemene Bijstandswet (ABW).
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende lasten van de man:
– woonlasten. Op grond van het geproduceerde jaaroverzicht 1994 van het HNG
gaat de rechtbank uit van een hypotheekrente van ƒ 318,50 per maand en een
aflossing van ƒ 459,50 per maand. De rechtbank houdt voorts rekening met een
huurwaardeforfait van ƒ 720 per jaar en met forfaitaire eigenaarslasten van ƒ
150 per maand.
De rechtbank houdt geen rekening met de gestelde service-kosten van ƒ 455 per
maand omdat in deze kosten de kosten van ondermeer de levering van gas en
water zijn begrepen, omdat de rechtbank ook al rekening houdt met forfaitaire
eigenaarslasten en omdat de service-kosten overigens niet gespecificeerd zijn
zodat de rechtbank niet kan beoordelen of in redelijkheid nog met een
gedeelte van de service-kosten ten laste van de draagkrachtruimte rekening
dient te worden gehouden.
Op grond van deze gegevens komt de rechtbank tot een netto woonlast van ƒ 883
per maand.
De partner van de man wordt geacht de helft van deze last te dragen.
Op de voor de man resterende woonlast strekt in mindering de in de
bijstandsnorm begrepen woonkostencomponent.
De man heeft derhalve woonlasten welke de woonkostencomponent met een bedrag
van ƒ 106,50 per maand overschrijden;
– premie ziektekostenverzekering ƒ 88,96 per maand;
– premie Dela ƒ 5,30 per maand.
De rechtbank houdt geen rekening met (premie) ziektekosten van de partner van
de man. Niet valt in te zien dat deze kosten ten laste van de man komen nu de
partner zelf een inkomen heeft.
Gelet op vorenstaande gegevens heeft de man de draagkracht om de geldende
alimentatie te voldoen.
De rechtbank heeft dan zelfs geen rekening gehouden met het fiscale voordeel
waar de man voor in aanmerking komt als gevolg van het betalen van
alimentatie.
Ter zake de door de man gevorderde limitering met ingang van 1 juli 1997
oordeelt de rechtbank als volgt.
Tussen partijen staat het volgende vast:
– Het huwelijk heeft ongeveer 23 jaar geduurd;
– Ten tijde van de echtscheiding in 1979 hadden partijen 4 minderjarige
kinderen, die ook na de echtscheiding door de vrouw zijn verzorgd en
opgevoed;
– Uit hoofde van de Wet Pensioenverevening kan de vrouw slechts aanspraak
maken op een zeer beperkt pensioen-inkomen, te weten maximaal 25% van het
door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Algemeen Pensioenfonds voor
de Schoenindustrie en de Lederwarenindustrie (100% waarde: ƒ 5.203,28) en
maximaal 25% over het door de man opgebouwde pensioen bij AKZO-pensioenfonds
(100% waarde: ƒ 1877);
– De vrouw is thans 63 jaar, alleenstaande en geniet een bijstandsuitkering
naar die norm;
– De man woont samen met een nieuwe partner, die zelf in de kosten van
levensonderhoud kan voorzien;
Gelet op voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat beëindiging
van de alimentatie-uitkering per 1 juli 1997 van zo ingrijpende aard is, dat
zulks naar redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd,
en zal zij de termijn waarop de alimentatieverplichting eindigt verlengen met
een periode van 5 jaar. De rechtbank zal tevens bepalen dat verlenging van
deze termijn te zijner tijd kan worden verzocht.
De proceskosten worden gecompenseerd.
Beslist wordt als volgt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de man af;
stelt een termijn van 5 jaar vast, ingaande op 1 juli 1995 en eindigende op 1
juli 2000, na ommekomst van welke termijn de verplichting voor de man tot het
verstrekken van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw eindigt;
bepaalt dat verlenging van deze termijn mogelijk is;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Arrest Hof ‘s-Hertogenbosch, rekestenkamer, 16 november 1995
1. De eerste aanleg
Het Hof verwijst in dit verband naar de inhoud van de beschikking, waarvan
beroep, die in afschrift is gehecht aan deze beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
Van die beschikking bij voormeld verzoekschrift in hoger beroep gekomen,
heeft de man – onder het in het geding brengen van bescheiden – het Hof
verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de door de man voor de
vrouw te betalen onderhoudsbijdrage te stellen op nihil, danwel op een nadere
door het Hof vast te stellen bijdrage lager dan de thans geldende, en in
ieder geval te bepalen, dat aan zijn alimentatieverplichting per 1 juli 1997,
althans met ingang van een door het Hof vast te stellen datum een einde komt.
Bij schrijven van 20 juli 1995 heeft de procureur van de man meegedeeld, dat
in het appelschriftuur een aantal correcties dient te worden aangebracht.
Bij haar op 10 augustus 1995 ter griffie van dit Hof ingediende
verweerschrift heeft de vrouw het Hof verzocht de bestreden beschikking te
bekrachtigen.
Het Hof heeft vervolgens kennis genomen van de volgende stukken:
– een schrijven van de procureur van de vrouw d.d. 12 september 1995, met
daarbij behorende producties;
– een schrijven van de procureur van de man d.d. 12 oktober 1995 met daarbij
behorende bescheiden.
Ter terechtzitting met gesloten deuren van 19 oktober 1995 heeft het Hof
partijen en haar raadslieden gehoord.
3. De gronden van het hoger beroep.
De man heeft zich op het standpunt gesteld, dat de Rechtbank ten onrechte op
zijn dit geding inleidende verzoek heeft beslist zoals vervat in de bestreden
beschikking.
De man is van mening, dat hij iedere draagkracht mist om de geldende
alimentatie voor de vrouw te voldoen en dat – indien en voorzover zodanige
draagkracht wel bij hem aanwezig wordt geoordeeld – zijn
alimentatieverplichting jegens de vrouw dient te eindigen per 1 juli 1997.
4. De beoordeling
4.1. Ten processe staan onder meer de volgende feiten en omstandigheden
tussen partijen vast:
– dat de echtscheiding van partijen is uitgesproken bij vonnis van
meergenoemde rechtbank van 15 juni 1979;
– dat evengemeld vonnis op 3 april 1980 is ingeschreven in de desbetreffende
registers van de burgerlijke stand;
– dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw laatstelijk op ƒ
250 per maand is vastgesteld bij arrest van dit Hof d.d. 8 november 1984;
– dat de – krachtens wettelijke indexering – thans geldende door de man voor
de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ƒ 307,26 per maand bedraagt.
4.2. Ten processe staat voorts tussen partijen onweersproken vast, dat de
vrouw nog immer behoefte heeft aan de thans geldende door de man voor haar te
betalen alimentatie.
4.3. De man heeft evenwel zijn draagkracht tot het betalen van zodanige
onderhoudsbijdrage ter discussie gesteld.
4.3.1. Dat betekent, dat derhalve hierna de draagkracht van de man dient te
worden beoordeeld.
4.4. Ter adstructie van het door hem gestelde gemis aan draagkracht, heeft de
man zijn appelschriftuur doen vergezellen van een berekening van zijn
draagkracht.
4.4.1. Uit die berekening is onbetwist gebleken, dat het totaal netto
besteedbaar inkomen van de man neerkomt op circa ƒ 2019 per maand.
4.5. Voorts is het Hof gebleken, dat de in die berekening opgenomen lasten –
met uitzondering van de post `eigenaarslasten huis’ – door de vrouw niet zijn
betwist, zodat met die onbetwist gebleven lasten ten deze in het bijzonder
rekening dient te worden gehouden bij de vaststelling van de draagkracht van
de man.
4.5.1. De aldus in aanmerking te nemen lasten zijn de volgende:
– het op de Algemene Bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een
alleenstaande, inclusief woonkostencomponent, waaruit de man de
noodzakelijke, in het algemeen geldende kosten van levensonderhoud dient te
voldoen;
– ƒ 389 terzake van hypothecaire woonlasten, te verminderen de in
evengenoemde Wet gehanteerde woonkostencomponent.
In dit bedrag is ondermeer begrepen circa ƒ 159,25 aan fiscaal aftrekbare
hypotheekrente, welke bij de berekening van het hiervoor vermelde netto
besteedbaar inkomen reeds mede in aanmerking is genomen;
– ƒ 151,50 aan servicekosten;
– circa ƒ 89 terzake van premie ziektekostenverzekering;
– ƒ 5,30 aan premie uitvaartverzekering DELA.
4.6. Van andere aan de zijde van de man in bijzonder in aanmerking te nemen
lasten is het Hof niet gebleken.
4.6.1. Ook op andere wijze zijn zodanige lasten niet aannemelijk geworden.
4.7. Als zodanig bijzonder in aanmerking te nemen lasten kunnen in ieder
geval niet worden aangemerkt de door de man in zijn berekening opgenomen
`eigenaarslasten huis’ ad ƒ 75 per maand, omdat zodanig lasten naar het
oordeel van het Hof reeds zijn begrepen in de door de man opgevoerde post
`servicekosten’.
Immers ter adstructie van laatstgemelde kostensoort heeft de man een door hem
ondertekende opsomming van kostenposten in het geding gebracht, in welke
opsomming reeds zijn opgenomen een aantal uitgaven die moeten worden geacht
te zijn betrokken in de door de man opgevoerde post `eigenaarslasten huis’.
4.8. De voormelde financiële omstandigheden van de man in onderling verband
en samenhang bezien voeren het Hof tot de slotsom, dat – rekening houdende
met alle relevante fiscale aspecten van het geval – de man nog immer in staat
is de aan hem opgelegde, thans geldende onderhoudsbijdrage voor de vrouw te
betalen, waaraan de vrouw zoals hiervoor overwogen nog immer behoefte heeft.
4.9. De man heeft voorts verzocht om de door hem voor de vrouw te betalen
alimentatie te beëindigen met ingang van 1 juli 1997, een en ander in verband
met de inwerkingtreding van de Wet van 28 april 1994 tot wijziging van
bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regelingen van de
limitering van alimentatie na scheiding. (Staatsbladen 325 en 265, jaargang
1994).
4.9.1. De vrouw heeft zich verzet tegen evenvermeld verzoek van de man.
4.9.2. Ter zake van de door de man gevorderde limitering met ingang van 1
juli 1997 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:
`Tussen partijen staat het volgende vast:
– het huwelijk heeft ongeveer 23 jaar geduurd;
– ten tijde van de echtscheiding in 1979 hadden partijen 4 minderjarige
kinderen, die ook na de echtscheiding door de vrouw zijn verzorgd en
opgevoed;
– uit hoofde van de Wet Pensioenverevening kan de vrouw slechts aanspraak
maken op een zeer beperkt pensioen-inkomen, te weten maximaal 25% van het
door de man opgebouwde pensioen bij de Stichting Algemeen Pensioenfonds voor
de Schoenindustrie en de Lederwarenindustrie (100% waarde: ƒ 5203,28) en
maximaal 25% over het door de man opgebouwde pensioen bij AKZO-pensioenfonds
(100% waarde: ƒ 1877);
– de vrouw is thans 63 jaar, alleenstaande en geniet een bijstandsuitkering
naar die norm;
– de man woont samen met een nieuwe partner, die zelf in de kosten van
levensonderhoud kan voorzien;
Gelet op voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat beëindiging
van de alimentatieuitkering per 1 juli 1997 van zo ingrijpende aard is, dat
zulks naar redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd,
en zal zij de termijn waarop de alimentatieverplichting eindigt verlengen met
een periode van 5 jaar. De rechtbank zal tevens bepalen dat verlenging van
deze termijn te zijner tijd kan worden verzocht.’
4.9.3. Het hof komt tot een ander oordeel dan de rechtbank.
Tegenover de door de rechtbank vermelde omstandigheden staat, dat de man per
1 juli 1997 zeventien jaar alimentatie zal hebben betaald. De door hem
betaalde alimentatie strekte en strekt in mindering op de door de vrouw
gedurende die periode ontvangen bijstand.
Bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd op 15 december 1996 zal de vrouw
in plaats van een bijstandsuitkering een A.O.W.-uitkering ontvangen.
Op zichzelf genomen leidt dit niet tot een wezenlijke verandering in haar
financiële situatie, zij het dat de door de man te betalen alimentatie dan
niet in mindering strekt op haar A.O.W.-uitkering.
4.9.4. Echter de enkele omstandigheid, dat de door de man te betalen
alimentatie van een omvang als hiervoor vermeld met ingang van 1 januari
1997, niet in mindering zal strekken op de door haar te ontvangen
A.O.W.-uitkering levert naar het inzicht van het hof niet op, dat beëindiging
van deze alimentatie per 1 juli 1997 van zo ingrijpende aard is, dat
ongewijzigde handhaving van de termijn, aflopend per 1 juli 1997, naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de vrouw niet kan worden
gevergd.
(Slechts gedurende een half jaar heeft ze dan immers geprofiteerd van het met
ongeveer ƒ 300 per maand bruto gestegen welvaartsniveau.)
4.10. Al het vooroverwogene voert het hof tot de slotsom, dat op het hoger
beroep van de man behoort te worden beslist op de in het dictum aan te geven
wijze.
4.11. Het hof acht termen aanwezig de op het hoger beroep gevallen
proceskosten op nader aangegeven wijze te compenseren tussen partijen, die
elkanders gewezen echtelieden zijn.
5. De beslissing
Het Gerechtshof:
Vernietigt de beschikking, waarvan beroep, doch uitsluitend voorzover daarbij
is bepaald, dat de op de man rustende alimentatieplicht jegens de vrouw
eindigt op 1 juli 2000.
En in zo verre opnieuw rechtdoende:
Beëindigt de op de man rustende onderhoudsverplichting jegens de vrouw met
ingang van 1 juli 1997.
Verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Wijst af het overigens meer of anders door partijen verzochte.
Compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen in
die zin, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs. Van Teeffelen, Van Loo, Meulenkamp

Instantie: Kantonrechter Groenlo, 15 november 1995

Instantie

Kantonrechter Groenlo

Samenvatting


Werknemer is al geruime tijd in dienst bij werkgeefster. In oktober 1995
heeft een stagiaire een klacht ingediend over seksuele intimidatie door de
werknemer. Werknemer is in de gelegenheid gesteld te reageren op deze
beschuldigingen. Vervolgens heeft werkgeefster geoordeeld dat de verklaring
van de stagiaire aannemelijker was en daarom heeft zij ontbinding van de
arbeidsovereenkomst gevraagd.
De kantonrechter meent dat de werknemer uitlatingen heeft gedaan die hij niet
had mogen doen. Bovendien heeft hij de stagiaire in ieder geval eenmaal op
ongewenste wijze aangeraakt. Van andere ongewenste aanrakingen is geen
sprake, zoals uit de verklaring van de stagiaire blijkt. De kantonrechter
concludeert dat werknemer verwijtbaar en onprofessioneel heeft gehandeld.
Werknemer is echter al vijftien jaar in dienst zonder dat zich problemen
hebben voorgedaan. Beëindiging van het dienstverband zou voor hem gezien zijn
opleiding, werkervaring en leeftijd, ernstige gevolgen hebben. Alles afwegend
komt de kantonrechter tot de conclusie dat ontslag een te zwaar middel is.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure
1.1. Leo Stichting heeft bij verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 25
oktober 1995, verzocht de arbeidsovereenkomst met X te ontbinden wegens
gewichtige redenen, bestaande in primair een dringende reden, subsidiair een
verandering van de omstandigheden welke van dien aard is dat de
dienstbetrekking billijkheidshalve na korte tijd behoort te eindigen.
1.2. X heeft zich tegen het verzoek verweerd bij verweerschrift,
binnengekomen ter griffie op 3 november 1995.
1.3. Op 13 november 1995 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek
plaatsgehad. Tijdens deze behandeling is de na te melden stagiaire als
informante door de kantonrechter gehoord.

2. De feiten
2.1. X is op 1 april 1985 in dienst getreden bij (de rechtsvoorgangster van)
Leo Stichting, alwaar hij laatstelijk de functie van groepsleider uitoefende
tegen een bruto salaris van ƒ 3781 per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de
CAO Jeugdhulpverlening van toepassing.
2.2. Leo Stichting drijft een instelling voor Jeugdhulpverlening. Binnen haar
organisatie is een `Beroepscode en Protocol inzake preventie seksueel
misbruik door hulpverleners’ van kracht. Artikel 2 van deze code bepaalt
onder het hoofd `seksualiteit’ onder meer het volgende:
`(…) d. ongewenste intimiteiten jegens cliënten en collega’s zijn uit den
boze. Norm voor de beoordeling van wat ongewenste intimiteiten zijn, is de
beleving van het slachtoffer. (…)’
2.3. X is door Leo Stichting op 5 oktober 1995 met onmiddellijke ingang op
non-actief gesteld, met als reden dat tegen hem een klacht was ingediend. De
op non-actief-stelling is conform de bepalingen van de CAO verlengd.
2.4. De onder 2.3. bedoelde klacht was afkomstig van een vrouwelijke
stagiaire, die sinds enige weken stage liep bij Leo Stichting, en betrof
gedragingen van X die door de stagiaire als ongewenste intimiteiten werden
beschouwd. X was benoemd als mentor van de betreffende stagiaire. De
stagiaire heeft een schriftelijk verslag gemaakt van de gebeurtenissen.

3. De standpunten van partijen
3.1. Leo Stichting heeft ter ondersteuning van haar ontbindingsverzoek,
verkort weergegeven, het volgende aangevoerd. Nadat Leo Stichting X had
gehoord over de sub 2.4. bedoelde klacht, heeft zij, de verklaringen van
beide partijen tegen elkaar afwegend, geoordeeld dat de verklaring van de
stagiaire aannemelijker is dan die van X gezien de afhankelijke positie van
de stagiaire en de reactie en houding van X. Een en ander levert primair een
gewichtige reden (bedoeld zal zijn: dringende reden, ktr) in de zin van
artikel 7A:1639x BW op. In ieder geval is het vertrouwen van
eo Stichting in X dermate geschaad dat van een vruchtbare samenwerking geen
sprake meer kan zijn, hetgeen een wijziging in de omstandigheden oplevert die
de verzochte ontbinding rechtvaardigt.
3.2. X heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Primair heeft hij geconcludeerd tot
afwijzing van het verzoek. Subsidiair heeft hij om toekenning van een
vergoeding verzocht. De inhoud van het verweer wordt, voor zover van belang,
onderstaand weergegeven.

4. De beoordeling
4.1. De klacht van de stagiaire richt zich concreet op het feit dat X haar
gezegd zou hebben dat hij een spanningsveld tussen hen voelde, dat hij de
drang had haar te knuffelen en dat hij thuis ook wel eens aan haar dacht. Na
het gesprek, waarin X (overigens op verzoek van de stagiaire, die het gevoel
had dat er iets aan de hand was) een en ander had gezegd, is X naast haar
komen zitten en bukte hij zich over haar heen om een sigaret uit te drukken
in een asbak, waar hij niet goed bij kon. `Verder heeft hij me niet vervelend
aangeraakt, alleen vond ik de aanrakingen die we hadden wel erg vaak’, aldus
het onder 2.4. genoemd schriftelijk verslag. De lezingen van de feiten, die
zijn voorgevallen, van de stagiaire en X lopen gedeeltelijk uiteen. Waar wel
overeenstemming over bestaat is dat tussen hen op het werk op een
woensdagavond een gesprek heeft plaatsgehad, waarbij van de zijde van X aan
de stagiaire is gevraagd of zij ook een spanningsveld voelde tussen hen en
door hem is gezegd dat hij haar een knuffeldier vond, respectievelijk de
drang voelde haar te knuffelen. X heeft aangegeven dat hij dit heeft gedaan
om de stagiaire uit te dagen, nu zij zich naar zijn oordeel uitdagend jegens
hem opstelde, onder meer omdat zij hem soms erg lichamelijk benaderde. De
stagiaire heeft zulks ontkend, en heeft gesteld dat de toenadering juist van
de kant van X werd gezocht.
4.2. Uit de stellingen van partijen, als hiervoor in het kort aangegeven,
alsmede uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is
voldoende af te leiden dat de contacten tussen de stagiaire en X zich hebben
ontwikkeld in een richting, die het zakelijke te buiten gingen. Mede gelet op
de doelstelling van Leo Stichting en de binnen haar organisatie geldende
beroepscode, dient zulks, zeker gelet op de afhankelijke relatie van een
stagiaire ten opzichte van haar mentor, als ongewenst beschouwd te worden. De
kantonrechter is van oordeel dat, zelfs indien de lezing van X, dat de
stagiaire zich uitdagend jegens hem opstelde (welke lezing overigens ten
processe niet is komen vast te staan, nu deze lezing uitdrukkelijk is
betwist) juist zou zijn, X daarvan een verwijt te maken valt. Mede gelet op
het leeftijdsververschil, had hij op mogelijke avances op professionele wijze
behoren te reageren, hetgeen hij niet heeft gedaan, zo heeft X overigens ook
zelf toegegeven. Hij heeft uitlatingen gedaan jegens de stagiaire, in zijn
lezing om haar uit te dagen, die hij niet had mogen doen. Daarenboven is
mogelijk, nu beide partijen daarvan melding maken, meer fysiek contact tussen
hen geweest dan strikt noodzakelijk. Indien zulks is geïnitieerd door de
stagiaire (zoals X stelt), had het op zijn weg gelegen dat gedrag
bespreekbaar te maken. Indien zulks is geïnitieerd door X (zoals de stagiaire
stelt) valt dat X ernstig toe te rekenen. Behoudens hetgeen hiervoor is
aangegeven betreffende, wat maar gemakshalve zal worden aangeduid als `het
asbakkenincident’, is blijkens de eigen lezing van de stagiaire echter geen
sprake geweest van ongewenste aanrakingen.
4.3. Blijkens hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen, heeft X naar het
oordeel van de kantonrechter verwijtbaar en onprofessioneel gehandeld. De
vraag rijst echter of zijn gedrag, mede gelet op de inhoud van de klacht,
dusdanig ernstig is dat op dit grond een dienstverband van 15 jaar, waarin
zich geen eerdere noemenswaardige problemen hebben voorgedaan, thans zou
moeten eindigen. De kantonrechter komt, na afweging van de wederzijdse
belangen, tot een ontkennende beantwoording van die vraag. Daarbij hebben de
navolgende overwegingen een rol gespeeld.
eo Stichting heeft weliswaar een duidelijk belang om hard op te treden tegen
ongewenste intimiteiten, doch steeds zal per concreet geval beoordeeld dienen
te worden of daarvan sprake is en zal zij de ernst van de feiten dienen te
wegen. Leo Stichting stelt weliswaar dat de norm voor de vraag of zich
ongewenste intimiteiten voordoen is gelegen in de objectivering valt niet te
ontkomen, teneinde aan alle betrokken belangen recht te kunnen doen. In casu
staat vast dat, behoudens hetgeen onder 4.2. is overwogen, geen (op dat
moment door de stagiaire als ongewenst ervaren) aanrakingen zijn geweest of
opmerkingen zijn gemaakt. Voorts staat vast dat de wijze van beleving van de
gebeurtenissen door de stagiaire is gekleurd (en wellicht in belangrijke mate
is bepaald door) ervaringen uit het verleden. Voor X heeft beëindiging van
het dienstverband op de gronden, zoals door
eo Stichting aangevoerd, bijzonder ernstige gevolgen. Gelet op zijn
opleiding, werkervaring en leeftijd is hij aangewezen op werk binnen de
Jeugdhulpverlening, waar hij moeilijk aan de slag zal kunnen komen. In de
gegeven omstandigheden wordt beëindiging van het dienstverband een te zwaar
middel geoordeeld.
4.6. X heeft tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd uitdrukkelijk
medegedeeld dat hij zijn werkkring bij Leo Stichting wenst te behouden en dat
hij zijn werk wenst te hervatten. Naar het oordeel van de kantonrechter is,
gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen sprake van een dusdanige
wijziging in de omstandigheden, die maakt dat de dienstbetrekking dadelijk of
na korte tijd behoort te eindigen. Dit brengt mee dat het verzoek wordt
afgewezen.
4.7. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen aangaande de verwijtbaarheid van
X acht de kantonrechter termen aanwezig om de kosten van de procedure te
compenseren.

De beslissing:
De kantonrechter te Groenlo, beschikkende:
Wijst het verzoek af.
Compenseert de proceskosten in dier voege, dat iedere partij haar eigen
kosten draagt.

Rechters

Mr. Hillen

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 13 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij heeft per 1 oktober 1995 de arbeidsovereenkomst met
verzoekster beeindigd. Verzoekster was arbeidsongeschikt geworden voor
haar functie als bejaardenverzorgster. Zij stelt dat zij voor de haar
passende functie van avond- en weekendreceptioniste niet aangenomen is
door de wederpartij omdat zij zwanger was. Verzoekster is van mening
dat de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelt. De Commissie is van oordeel dat als zwangerschap
een van de redenen is en niet de enige reden is voor het gemaakte
onderscheid, dit strijd met de Wet oplevert.

Weliswaar acht de Commissie het aannemelijk geworden dat bij de keuze
voor de andere kandidate een rol heeft gespeeld dat verzoekster zwanger
was en dientengevolge minder inzetbaar was, doch dit leidt in het
onderhavige geval niet tot de conclusie dat verzoekster de functie wel
zou hebben gekregen als zij niet zwanger was geweest. Immers, er zijn
verschillende selectiecriteria toegepast op grond waarvan de andere
kandidate is gekozen, zoals meer geschikte kwaliteiten, het langere
dienstverband, de leeftijd en kansen op de arbeidsmarkt. De Commissie
merkt op dat zij geen oordeel kan geven over de vraag wie van beide
kandidates het meest geschikt was voor de functie. In het licht van het
gehele feitencomplex is de Commissie van oordeel dat onvoldoende
aannemelijk is geworden dat het genoemde onderscheid op grond van
zwangerschap bij de selectieprocedure voor de functie van avond- en
weekendreceptioniste mede heeft geleid tot de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 juli 1995 verzocht mevrouw te Wintelre
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie) met spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Stichting te Veldhoven (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling. Gelijktijdig heeft verzoekster verzocht om een oordeel
over de vraag of de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening
(hierna: de RDA) onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving
gelijke behandeling door een ontslagvergunning te verlenen (zie
Commissie gelijke behandeling, /RDA-Eindhoven, oordeelnummer
95-48).

1.2. De wederpartij heeft per 1 oktober 1995 de arbeidsovereenkomst met
verzoekster beeindigd. Verzoekster was arbeidsongeschikt geworden voor
haar functie als bejaardenverzorgster. Zij stelt dat zij voor de haar
passende functie van avond- en weekendreceptioniste niet aangenomen is
door de wederpartij omdat zij zwanger was. Verzoekster is van mening
dat de wederpartij hiermee in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelt.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft de Commissie verzocht een
spoedprocedure toe te passen. Dit verzoek is toegewezen. Partijen
hebben ieder eenmaal de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 26 september 1995. Deze
zaak is gevoegd behandeld met de zaak waarin de RDA als wederpartij is
aangemerkt.

2.3. Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster

– mw (verzoekster) – mw
(gemachtigde)

van de kant van de wederpartij

– dhr (directeur ) – mw mr W.A.H.A.
Schnitzler-Strijbosch (advocaat)

van de kant van de Commissie

– mw prof. mr J. E. Goldschmidt (Kamervoorzitter) – mw mr drs M.G.
Nicolai (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer) – mw I.M.
Hidding (secretaris Kamer) – mw mr A.N. Veekamp (verslaglegging).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

Verzoekster is sinds 1 april 1986 bij de wederpartij in dienst als
bejaardenverzorgster. Op 10 oktober 1989 is verzoekster
arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van een ongeval. De
arbeidsongeschiktheid gold steeds een wisselend percentage. Toen bleek
dat zij de functie van bejaardenverzorgster niet meer kon uitoefenen,
heeft zij van januari 1993 tot eind juli 1993 de functie van
activiteitenbegeleidster vervuld. Dit betreft licht lichamelijk werk
dat als “passende arbeid” voor verzoekster was aan te merken.

Vanaf 30 januari 1994 ontving verzoekster een AAW/WAO-uitkering naar
een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15/25 %.

In oktober 1994 nodigde de wederpartij verzoekster uit te solliciteren
naar de passende functie van weekend -en avondreceptioniste voor 7,5
uur per week. Voor deze functie was ook een andere interne kandidate
uitgenodigd te solliciteren die eveneens voor passende werkzaamheden in
aanmerking kwam. Verzoekster gaf in het sollicitatiegesprek formeel aan
dat zij zwanger was. Informeel had verzoekster reeds eerder bekend
gemaakt dat zij zwanger was. De wederpartij deelde bij brief van 9
november 1994 mee dat de keuze gevallen was op de andere kandidate.

Op 1 februari 1995 is verzoekster bevallen.

Op 7 februari 1995 heeft de wederpartij bij de RDA toestemming gevraagd
de arbeidsverhouding met verzoekster te beeindigen met als reden dat
verzoekster gedurende tenminste twee jaar onafgebroken
arbeidsongeschikt was. Op 29 mei 1995 werd door de RDA toestemming voor
de beëindiging van de arbeidsverhouding verleend. De wederpartij heeft
vervolgens verzoekster per brief d.d. 31 mei 1995 per 1 oktober 1995
ontslagen.

De standpunten van partijen

3.1. Verzoekster stelt dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst
het gevolg is van het feit dat zij indertijd afgewezen is voor de
functie van weekend- en avondreceptioniste vanwege haar zwangerschap.

De wederpartij heeft in al die jaren slechts tweemaal een passende
functie aan verzoekster aangeboden in het kader van haar
inspanningsverplichting passende arbeid aan te bieden aan een
gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemer, namelijk de functie van
activiteitenbegeleidster en die van avond- en weekendreceptioniste.
Verzoekster was geinteresseerd in een functie als
activiteitenbegeleidster, maar zij was niet op de hoogte van het feit
dat daarvoor een formatieplaats beschikbaar was. De voortdurende
onzekerheid over het voortbestaan van deze functie kon verzoekster op
dat moment niet aan.

Zij is afgewezen voor de functie van weekend- en avond- receptioniste,
waarbij haar zwangerschap als een van de redenen werd opgegeven. Gezien
het lage aantal arbeidsuren van deze functie (7,5 uur per week), heeft
zij de wederpartij erop gewezen dat het enige tijd zou duren voordat
zij zou zijn ingewerkt, zodat het rendabeler zou zijn voor de
wederpartij haar na haar bevallingsverlof te laten beginnen. Dit
voorstel deed zij ook uit solidariteit met haar collega’s die haar
wellicht zouden moeten vervangen tijdens haar verlofperiode. Zij heeft
zich uitdrukkelijk wel bereid verklaard te werken tot aan haar
zwangerschapsverlof. Ze heeft niet gezegd dat zij pas na haar
bevallingsverlof voor passend werk in aanmerking wilde komen.
Verzoekster was erg enthousiast over deze functie en heeft dit na
afloop van het gesprek nogmaals kenbaar gemaakt aan haar werkgever. Ook
heeft zij meegedeeld graag bereid te zijn de benodigde opleiding te
volgen.

De kandidate die in plaats van verzoekster in de functie werd
aangenomen had reeds een passende functie bij de wederpartij, in de
medicijnkamer. Het had dan ook in de rede gelegen verzoekster de
vacature te laten vervullen, dan wel haar de vrijgekomen functie aan te
bieden.

Toen verzoekster de afwijzingsbrief van 9 november 1994 ontving heeft
zij telefonisch gevraagd naar de redenen van de afwijzing. Haar werd
telefonisch meegedeeld dat de zwangerschap een van de redenen was,
naast de vraag of zij wel bereid zou zijn de benodigde opleiding te
volgen.

Dat de zwangerschap een rol speelde bij de afwijzing is later bevestigd
in de correspondentie van de werkgever aan de RDA over de
ontslagprocedure. Ook verwijst verzoekster naar de passage in de
vorengenoemde afwijzingsbrief van de werkgever waarin staat vermeld dat
zij pas na de bevalling voor passend werk in aanmerking zou willen
komen.

Het ontslag van verzoekster had voorkomen kunnen worden als zij was
aangenomen voor de betreffende functie van avond- en
weekendreceptioniste. De afwijzing voor deze functie op 9 november
1994, heeft tot gevolg dat verzoekster op 31 mei 1995 per 1 oktober
1995 is ontslagen.

3.2. De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij heeft verzoekster enkele malen gewezen op vacatures,
waaronder de vacature voor avond- en weekend- receptioniste. Op deze
functie heeft verzoekster gesolliciteerd. Verzoekster heeft tijdens het
sollicitatiegesprek aan het Hoofd verpleging en verzorging en het Hoofd
huishoudelijke diensten te kennen gegeven dat zij zwanger was en dat
zij pas na de bevalling voor passend werk in aanmerking wilde komen. De
voorkeur van de wederpartij ging uit naar onmiddellijke
indiensttreding. Toen verzoekster vroeg of haar zwangerschap de keuze
zou beinvloeden is door beide functionarissen aangegeven dat als
verzoekster de meest geschikte kandidate zou zijn, haar zwangerschap
geen reden zou zijn haar af te wijzen.

Behalve verzoekster was nog een andere interne kandidaat voor deze
functie uitgenodigd. Deze kandidaat was, evenals verzoekster, niet meer
arbeidsgeschikt als bejaardenverzorgster. Op grond van de beoordeling
dat de andere kandidate het meest geschikt was voor de functie werd
verzoekster afgewezen. Bovendien is meegewogen dat de andere kandidate
al sinds 1979 in dienst was en vanwege haar leeftijd een zwakkere
positie zou hebben op de arbeidsmarkt. De zwangerschap van verzoekster
heeft bij de beslissing geen enkele rol gespeeld. Dit is ook
telefonisch meegedeeld aan verzoekster. Als de zwangerschap wel een rol
zou hebben gespeeld dan was verzoekster ook niet uitgenodigd te
solliciteren naar deze functie. Haar zwangerschap was namelijk al
langere tijd bekend.

Gelet op de fysieke beperkingen en de opleiding van verzoekster waren
er geen andere passende functies voorhanden.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE:

4.1. De Commissie heeft de twee navolgende vragen onderzocht: I. heeft
de wederpartij onderscheid gemaakt naar geslacht als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling bij de behandeling bij de vervulling van
de openstaande betrekking van avond/weekend-receptioniste en II.heeft
de wederpartij onderscheid naar geslacht gemaakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling door de arbeidsverhouding met verzoekster
te beeindigen.

ad I. In artikel 1 Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(verder: WGB) is bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en vrouwen
direct en indirect onderscheid verstaan wordt. Onder direct onderscheid
wordt mede verstaan, onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling
en moederschap.

Artikel 3 lid 1 WGB schrijft onder andere voor dat het niet is
toegestaan bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Van het verbod in artikel 3 lid 1 WGB mag slechts worden afgeweken als
er sprake is van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in artikel
3 lid 2 WGB en artikel 5 leden 1 en 2 WGB. In casu is geen sprake van
een wettelijke uitzonderingsgrond.

ad II. Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) schrijft
voor dat het verboden is bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Onderscheid op grond van
zwangerschap is blijkens lid 5 van artikel 7A:1637ij BW een vorm van
direct onderscheid. De Wet maakt het voorts niet mogelijk
rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct onderscheid, anders
dan de in de Wet (artikel 7A:1637ij lid 2-4) opgenomen uitzonderingen.
Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

4.2. Ten aanzien van de eerste vraag, waar het gaat om de behandeling
bij de vervulling van de betrekking, overweegt de Commissie als volgt.

Verzoekster stelt dat meegedeeld is dat de zwangerschap een rol heeft
gespeeld bij de afwijzing voor de functie. De wederpartij ontkent dit
en stelt dat alleen op geschiktheid geselecteerd is. De verklaringen
van partijen over de inhoud van de gevoerde telefoongesprekken komen
niet met elkaar overeen.

In de afwijzingsbrief van de wederpartij van 9 november 1994 wordt
vermeld dat verzoekster heeft aangegeven dat zij zwanger is en dat zij
na de bevalling voor passend werk in aanmerking wil komen. In het kader
van de ontslagprocedure is door de wederpartij aan de RDA meegedeeld
bij brief van 8 maart 1995 dat op grond van geschiktheid en vanwege de
zwangerschap van verzoekster de voorkeur is gegeven aan de andere
interne kandidaat. Op grond van deze passages in genoemde brieven acht
de Commissie het aannemelijk dat de zwangerschap en met name de
verminderde inzetbaarheid hierdoor, een rol hebben gespeeld bij de
selectieprocedure voor de functie van avond- en weekendreceptioniste.

In de lijn van eerdere uitspraken van de Commissie gelijke behandeling
mannen en vrouwen bij de arbeid (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, 21 juni 1993, oordeelnummer:449-93-24;
17 november 1992, oordeelnummer 421- 92-59; 2 oktober 1991,
oordeelnummer: 438-91-68; 17 september 1990, oordeelnummer: 158-90-134;
8 mei 1990, oordeelnummer: 172-90-31. Zie ook oordeel van de Commissie
gelijke behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer 95-15) is de Commissie
van oordeel dat afwezigheid of verminderde inzetbaarheid wegens
zwangerschaps- en bevallingsverlof een onlosmakelijk en onvermijdelijk
gevolg is van de zwangerschap en daardoor op een lijn te stellen is met
de zwangerschap zelf. Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid
om hiergenoemde reden levert dus direct onderscheid op. Het systeem van
de Wet kent niet de mogelijkheid direct onderscheid naar geslacht door
verwijzing naar (afwezigheid ten gevolge van) zwangerschap te
rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft zich hierover in genoemde zin
uitgesproken in de zaak Dekker (Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, 13 september 1991, Dekker versus Stichting
Vormingscentrum voor Jong Volwassenen VJV-centrum, zaaknummer C-177/88,
NJ 1992, 855. Zie in dezelfde zaak Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, 8 november 1990, zaak C- 177/88), in navolging van de
uitspraak van het EG-Hof in dezelfde zaak.

De Commissie is van oordeel dat als zwangerschap een van de redenen is
en niet de enige reden is voor het gemaakte onderscheid, dit strijd met
de Wet oplevert (Commissie gelijke behandeling, oordeelnummer 95-15 en
95-25).

Weliswaar acht de Commissie het aannemelijk geworden dat bij de keuze
voor de andere kandidate een rol heeft gespeeld dat verzoekster zwanger
was en dientengevolge minder inzetbaar was, doch dit leidt in het
onderhavige geval niet tot de conclusie dat verzoekster de functie wel
zou hebben gekregen als zij niet zwanger was geweest. Immers, er zijn
verschillende selectiecriteria toegepast op grond waarvan de andere
kandidate is gekozen, zoals meer geschikte kwaliteiten, het langere
dienstverband, de leeftijd en kansen op de arbeidsmarkt.

De Commissie merkt op dat zij geen oordeel kan geven over de vraag wie
van beide kandidates het meest geschikt was voor de functie.

4.3. De tweede vraag die in geding is, is of bij de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst onderscheid is gemaakt als bedoeld in artikel
7A:1637ij BW ten gevolge van de afwijzing voor de functie van
receptioniste waarbij (de verminderde inzetbaarheid als gevolg van) de
zwangerschap een rol heeft gespeeld.

Verzoekster was gedurende meer dan twee jaren arbeidsongeschikt voor
haar functie als bejaardenverzorgster. Om deze reden heeft de
wederpartij op 7 februari 1995 een ontslagvergunning bij de RDA
aangevraagd. Onomstreden is dat toen bleek dat verzoekster haar eigen
functie niet meer kon uitoefenen, in de loop van de tijd twee passende
functies zijn aangeboden, namelijk de functie van activiteiten-
begeleidster en die van avond- en weekendreceptioniste. Met de
werkzaamheden als activiteitenbegeleidster is door verzoekster gestopt
na circa een half jaar. Op de gang van zaken bij de
sollicitatieprocedure voor de functie van avond- en
weekendreceptioniste is in het voorgaande uitvoerig ingegaan.

Verzoekster heeft in haar verzoek en ter zitting gesteld dat de
werkgever zich niet voldoende heeft ingespannen haar passende arbeid
aan te bieden. Het is niet de taak van de Commissie te beoordelen of de
wederpartij zich voldoende heeft ingespannen om verzoekster te werk te
stellen in een passende functie.

De Commissie stelt vast op basis van de schriftelijke stukken en de
verklaringen ter zitting, dat zich sinds de arbeidsongeschiktheid van
verzoekster een reeks van gebeurtenissen heeft voorgedaan. Deze
gebeurtenissen hebben er niet toe geleid dat verzoekster haar eigen
arbeid heeft kunnen hervatten dan wel andere passende arbeid is gaan
verrichten. De sollicitatie naar de functie van avond- en
weekendreceptioniste is een van die gebeurtenissen geweest.

Zoals reeds vermeld kan niet worden geconcludeerd dat het aannemelijk
is dat verzoekster de functie wel zou hebben gekregen als zij niet
zwanger zou zijn geweest. De wederpartij heeft immers in de
selectieprocedure voor de functie van avond- en weekendreceptioniste,
naar aanleiding van de gevoerde gesprekken met beide kandidates,
geoordeeld dat verzoekster niet de meest geschikte kandidate was. De
Commissie heeft weliswaar vastgesteld dat bij het beoordelen van de
geschiktheid de zwangerschap van verzoekster mede een rol heeft
gespeeld, maar daaruit volgt niet dat er niet factoren geweest kunnen
zijn op basis waarvan de wederpartij de andere kandidate geschikter kon
achten. Er is om deze reden dan ook niet vast te stellen of verzoekster
wel passende arbeid zou hebben gehad als het verboden onderscheid in de
selectieprocedure niet zou zijn gemaakt.

In het licht van het gehele feitencomplex is de Commissie van oordeel
dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het genoemde onderscheid op
grond van zwangerschap bij de selectieprocedure voor de functie van
avond- en weekendreceptioniste mede heeft geleid tot de beëindiging van
de arbeidsovereenkomst.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting
te Veldhoven jegens mevrouw : – onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3 Wet gelijke behandeling
mannen en vrouwen bij de behandeling bij de vervulling van de vacature
van avond- en weekendreceptioniste en – geen onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek bij
de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Rechters

mw prof. mr J. E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr drs M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw I.M. Hidding(secretaris Kamer), mw mr A.N. Veekamp (verslaglegging)

Instantie: Rechtbank Utrecht, 8 november 1995

Instantie

Rechtbank Utrecht

Samenvatting


Vervolg op RN 1993, 36 (HvJ EG 6 oktober 1993, Ten Oever).
De kantonrechter heeft de vordering van eiser tot toekenning aan hem van een
weduwnaarspensioen afgewezen. In hoger beroep voert eiser aan dat de
kantonrechter het arrest van het HvJ EG verkeerd heeft uitgelegd.
De rechtbank is net als de kantonrechter van oordeel dat uit het arrest van
het HvJ EG volgt dat de in de Barber-zaak aangebrachte beperking in de tijd
onverkort geldt in de onderhavige zaak. Nu eiser niet voor 17 mei 1990 een
vordering had ingesteld tot betaling van een weduwnaarspensioen kan hij geen
aanspraken over de periode voor 17 mei 1990 geldend maken. De latere arresten
inzake Vroege etc. maken dit niet anders, omdat het daar ging om een recht op
aansluiting bij een pensioenfonds. Aan de vordering van eiser staat bovendien
het protocol van art. 119 van het EU-verdrag van 7 februari 1992 in de weg.
Dit protocol geeft een strikte interpretatie van het Barber-arrest. Hoewel
dit protocol in werking is getreden gedurende de looptijd van dit geding, is
het, gezien de inhoud ervan, toch van toepassing.
Het beroep op de hardheidsclausule in het pensioenreglement kan eiser niet
baten. Het pensioenfonds was gerechtigd dit beroep af te wijzen uit vrees
voor precedentwerking.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1. Ten Oever is bij exploot van 25 juli 1994 in hoger beroep gekomen van
het eindvonnis van de kantonrechter te Utrecht d.d. 26 april 1994, gewezen
tussen Ten Oever als eisende partij en het Fonds als gedaagde partij.
1.2. Bij memorie van grieven heeft Ten Oever onder overlegging van
producties, twee grieven opgeworpen tegen het tussenvonnis van de
kantonrechter van 28 maart 1991 – dat daarmee tevens in dit hoger beroep is
betrokken – en vier tegen het eindvonnis van de kantonrechter van 26 april
1994. Ten Oever heeft zakelijk in overeenstemming met de aankondiging in de
dagvaarding geconcludeerd dat de rechtbank het vonnis van de kantonrechter te
Utrecht van 26 april 1994 zal vernietigen en, opnieuw recht doende, zal
beslissen dat het Fonds alsnog aan Ten Oever een weduwnaarspensioen dient toe
te kennen met ingang van 13 oktober 1988, kosten rechtens.
1.3. Het Fonds heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden en
geconcludeerd dat de rechtbank het vonnis van de kantonrechter van 26 april
1994 zal bevestigen, met veroordeling van Ten Oever in de kosten van het
hoger beroep.
1.4. Ten slotte hebben partijen de stukken voor het wijzen van vonnis aan de
rechtbank overgelegd. Onder de stukken bevinden zich de stukken van de
procedure voor de kantonrechter te Utrecht en de vonnissen van 28 maart 1991
en 26 april 1994. De inhoud van die vonnissen geldt, voor zover deze het
verloop van die procedure betreft, als hier ingelast.

2. De grieven
De grieven van Ten Oever luiden zakelijk weergegeven als volgt.
I. Ten onrechte overweegt de kantonrechter bij punt 4 in het vonnis van 28
maart 1991 dat Ten Oever in deze procedure de toepassing van de
hardheidsclausule niet aan de orde heeft gesteld.
II. Ten onrechte stelt de kantonrechter in overweging 8 bij het vonnis van 28
maart 1991 dat Ten Oever niet voor 17 mei 1990 een met een beroep in rechte
gelijk te stellen klacht heeft ingediend en dat het antwoord op zijn verzoek
aan het bestuur van het Fonds geen noodzakelijke voorwaarde was om de
procedure aanhangig te maken.
III. Ten onrechte heeft de kantonrechter in het vonnis van 26 april 1994
overwogen, onder 18 t/m 21, dat Ten Oever geen beroep op artikel 119
EG-verdrag kan doen en dat er geen aanleiding is tot nadere vragen aan het
EG-Hof.
IV. Ten onrechte overweegt de kantonrechter onder 22 van het vonnis van 26
april 1994 dat het in strijd met de beginselen van een behoorlijk procesrecht
is, dat Ten Oever pas bij zijn nadere conclusie een beroep op de
hardheidsclausule heeft gedaan en dat hij dat beroep eerder `uitdrukkelijk’
niet aan de orde heeft willen stellen.
V. Ten onrechte overweegt de kantonrechter in overweging 22 bij het vonnis
van 26 april 1994 dat `kennelijk nog niet vaststaat dat gedaagde de clausule
niet zal toepassen. Zolang dit het geval is, is toetsing hoe dan ook
prematuur.’
VI. Ten onrechte heeft de kantonrechter de vordering van Ten Oever afgewezen.

3. De vaststaande feiten
De kantonrechter heeft in haar vonnis van 28 maart 1991 in rechtsoverweging
1, een aantal feiten vermeld, die als tussen partijen vaststaand moeten
worden aangemerkt. Die vaststelling is in hoger beroep niet bestreden. De
rechtbank zal die feiten daarom eveneens als tussen partijen vaststaand
aannemen.

4. De beoordeling van het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 28
maart 1991
4.1. Zoals hierna wordt overwogen, komt Ten Oever met zijn grieven
tegen het eindvonnis ook op tegen de weigering van het Fonds in 1990 om aan
hem een weduwnaarspensioen toe te kennen met toepassing van de
hardheidsclausule. Ten Oever heeft derhalve geen belang bij de beoordeling
van de in de eerste grief aan de orde gestelde vraag of de kantonrechter in
het tussenvonnis terecht heeft overwogen dat Ten Oever in deze procedure de
toepassing van de hardheidsclausule niet aan de orde heeft gesteld. Daarop
behoeft derhalve niet te worden ingegaan.
4.2. De tweede grief treft geen doel. De kantonrechter heeft terecht en op
goede gronden overwogen dat Ten Oever vóór 8 juni 1990 geen met een beroep in
rechte gelijk te stellen klacht heeft ingediend. De rechtbank neemt dit
oordeel over en maakt dit tot het hare. De beslissing van Ten Oever zelf om
te gaan procederen kan niet worden gelijkgesteld met de daadwerkelijke
instelling van een rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht
daarmee gelijk te stellen vordering. Of de beslissing van het bestuur van het
Fonds een noodzakelijke voorwaarde was om een procedure aanhangig te maken,
kan in het midden blijven. Vaststaat immers dat het bestuur van het Fonds
reeds op 27 maart 1990 afwijzend had beslist.
4.3. Het vorenstaande leidt ertoe dat het vonnis van de kantonrechter van 28
maart 1991 zal worden bekrachtigd.

5. De beoordeling van het hoger beroep tegen het eindvonnis van 26 april
1994
De uitleg van artikel 119 EG-Verdrag
5.1. Met de derde grief komt Ten Oever op tegen de beslissing van de
kantonrechter dat hij geen beroep kan doen op het bepaalde in artikel 119
EG-Verdrag en dat er geen aanleiding is tot het stellen van nadere vragen aan
het Hof van Justitie.
5.2. Blijkens de toelichting op deze grief en op de zesde grief, legt Ten
Oever onder meer aan de rechtbank ter beoordeling voor of de uitleg die de
kantonrechter aan het arrest van het Hof van Justitie in deze zaak van 6
oktober 1993 heeft gegeven, correct is. Ten Oever voert aan dat dit arrest
ten aanzien van de tweede door de kantonrechter gestelde vraag geen eenduidig
antwoord geeft. Volgens Ten Oever is er aanleiding ter zake een nadere
precisering aan het Hof van Justitie te vragen.
5.3. De tweede door de kantonrechter gestelde vraag luidt, zakelijk
weergegeven: Indien een overlevingspensioen als het onderhavige onder
beloning in de zin van artikel 119 EG-Verdrag dient te worden begrepen, geldt
artikel 119 EG-Verdrag voor Ten Oever dan in zodanige mate dat hij aanspraak
op de betaling van een weduwnaarspensioen kan maken:
a. met ingang van het tijdstip van overlijden van zijn echtgenote (13 oktober
1988)?
b. met ingang van de beslissing van het Hof in de Barber-zaak van 17 mei
1990?
c. in het geheel niet, daar de echtgenote van Ten Oever is overleden vóór 17
mei 1990?
Het Hof heeft hierop geantwoord: `Ingevolge het arrest van 17 mei 1990
(C-262/88, Barber) kan op de rechtstreekse werking van artikel 119
EEG-Verdrag slechts een beroep worden gedaan teneinde gelijkheid van
behandeling op het gebied van bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat
om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde
tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering ten gunste van werknemers of
hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een rechtsvordering hebben
ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen
vordering hebben ingediend.’
5.4. Uit de overwegingen van het Hof in het onderhavige arrest en uit het
hiervoor weergegeven antwoord van het Hof moet worden afgeleid, dat het Hof
van oordeel is dat de motivering in de Barber-zaak voor de daarin
aangebrachte beperking in de tijd van de gevolgen van dat arrest, onverkort
in de onderhavige zaak geldt. De kantonrechter heeft naar het oordeel van de
rechtbank dan ook terecht beslist dat de beperking in de tijd in de
Barber-zaak ook op de onderhavige vordering van Ten Oever betrekking heeft.
5.5. Op grond van hetgeen hiervoor onder 4.2. is overwogen, moet in dit hoger
beroep als uitgangspunt gelden dat ten Oever eerst na 17 mei 1990 een
rechtsvordering heeft ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee
gelijk te stellen vordering heeft ingediend. Ten Oever kan zich derhalve niet
met succes beroepen op de in het arrest van het Hof in deze zaak vermelde
uitzonderingssituatie.
5.6. In zijn toelichting op de derde grief verwijst Ten Oever naar de
conclusie van AG van Gerven bij het arrest van het Hof van Justitie in deze
zaak van 6 oktober 1993. De AG komt in nr. 51 van zijn conclusie tot het
oordeel dat het Hof zijn uitspraak aangaande de toepasselijkheid van artikel
119 EG-Verdrag op weduwnaarspensioen andermaal in de tijd moet beperken,
overeenkomstig de principes van de Barber-zaak, met als referentiedatum de
datum van het arrest in de zaak van Ten Oever. De AG heeft dan ook
geconcludeerd dat Ten Oever wel recht heeft op het door hem gevorderde
weduwnaarspensioen.
5.7. Ten Oever stelt dat het Hof er niet expliciet op is ingegaan dat in de
onderhavige zaak voor het eerst een uitkering uit een weduwnaarspensioen aan
de orde is gesteld. Bezien in samenhang met de conclusie van de AG had dit
volgens Ten Oever de kantonrechter er toe moeten brengen en moet dit de
rechtbank er toe leiden een nadere precisering aan het Hof te vragen alvorens
de vordering van Ten Oever af te wijzen. Zoals hiervoor reeds is overwogen is
naar het oordeel van de rechtbank het antwoord van het Hof op de in deze zaak
gestelde vragen duidelijk. De rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding
tot het stellen van vragen van uitleg aan het Hof.
5.8. Ten overvloede wordt gewezen op de uitleg die AG Van Gerven in zijn
conclusie voor de hierna te vermelden arresten in de zaken Vroege en Fisscher
heeft gegeven op de uitspraak van het Hof in deze zaak. De AG heeft namelijk
in die conclusie onder punt 24 als verklaring voor de uitkomst van het arrest
in de Ten Oever-zaak gegeven, dat het Hof bereid is de beperking in de tijd
van de Barber-zaak ook toepasselijk te achten in de andere gevallen waarvoor
richtlijn 86/378 uitzonderingen heeft aangebracht op de tenuitvoerlegging van
het beginsel van de gelijke behandeling, omdat ook in die gevallen in de
termen van het arrest Barber, `de
id-Staten en de belanghebbenden kringen redelijkerwijze (mochten) aannemen,
dat artikel 119 niet van toepassing was (..) en dat uitzonderingen op het
beginsel van gelijkheid van mannelijke en vrouwelijke werknemers op dit
gebied geoorloofd bleven.’
5.9. Ten oever heeft erop gewezen dat het Hof inmiddels in een tweetal
arresten, gewezen na het arrest in deze zaak, te weten in de zaken Vroege en
Fisscher, van de letterlijke tekst waarvan hij nog geen kennis heeft kunnen
nemen, weer enigszins is terug gekomen van de strikt beperkende uitleg aan de
beperking van de werking in de tijd zoals gedaan in de Barber-zaak. Volgens
Ten Oever heeft het Hof in die uitspraken beslist dat met die beperking in de
tijd niet is bedoeld een `vroegere’ uitsluiting van deelname alsnog te
sanctioneren.
5.10. De door Ten Oever bedoelde arresten van Hof zijn inmiddels
gepubliceerd: arrest van 28 september 1994, NJ 95,385 (Vroege/NCIV), C-57/93,
Jurispr. 1994 blz I-4541 en arrest van 28 september 1994 (Fisscher/Voorhuis
Hengelo en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel), C-128/93,
Jurispr. 1994, blz. I-4583. Deze arresten hebben echter beide betrekking op
het recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling. De in die arresten
aan de orde zijnde problematiek is dan ook niet vergelijkbaar met de
onderhavige. De beperking van de werking in de tijd uit de Barber-zaak is in
deze zaken niet van toepassing, aangezien voormelde richtlijn 86/378 geen
uitzonderingen bevat met betrekking tot de uitsluiting uit pensioenregelingen
van deeltijdwerkers of gehuwde vrouwen. Een dergelijke uitsluiting is in de
onderhavige zaak niet aan de orde.
5.11. Naast het hiervoor overwogene is bovendien nog van belang dat het
protocol ad artikel 119 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, te
Maastricht ondertekend op 7 februari 1992 en in werking getreden op 1
november 1993, het volgende bepaalt:
‘Voor de toepassing van artikel 119 van het Verdrag worden uitkeringen uit
hoofde van een ondernemings- of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid
niet als beloning beschouwd indien en voor zover zij kunnen worden
toegerekend aan tijdvakken van arbeid vóór 17 mei 1990, behalve in het geval
van werknemers of hun rechtverkrijgenden die vóór die datum een
rechtsvordering of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te stellen
vordering hebben ingesteld.’
Dit protocol heeft betrekking op de problematiek in de onderhavige zaak.
Volgens vaste rechtspraak van het EG-Hof kan aan een nieuwe regel van
materieel recht, zoals dit protocol, in beginsel geen gelding worden
toegekend voor een bij de inwerkingtreding daarvan hangend rechtsgeding,
tenzij er blijkens de bewoordingen, doelstellingen of opzet, zulke gevolgen
aan dienen te worden toegekend. Deze situatie moet worden geacht zich voor te
doen bij een declaratoire regeling als dit protocol, waarvan de opzet is de
inhoud van artikel 119 en de rechtspraak van het Hof, met name het arrest in
de Barber-zaak en, blijkens de overwegingen van het Hof in de Vroege-zaak,
het arrest in de onderhavige zaak, te interpreteren. Derhalve moet worden
geoordeeld dat inmiddels ook het protocol aan toewijzing van de aanspraken
van Ten Oever, voor zover gebaseerd op artikel 119, in de weg staat.
5.12. De derde grief faalt derhalve.

Het beroep op de hardheidsclausule
5.13. Artikel 15 lid 2 van het toepasselijke Pensioenreglement luidt aldus:
`In incidentele, niet van algemene aard zijnde gevallen, waarin dit reglement
niet voorziet, alsmede in gevallen waarin strikte toepassing van dit
reglement tot onbillijkheden zou leiden, beslist het bestuur, met
inachtneming van eventuele wettelijke bepalingen.’
5.14. Blijkens de toelichting op de zesde grief bedoelt Ten Oever met de
grieven 4 en 5 in hoger beroep ook de weigering van het Fonds in 1990 om aan
hem een weduwnaarspensioen toe te kennen met toepassing van de
hardheidsclausule aan de orde te stellen. Bij de beoordeling van de vraag of
de kantonrechter terecht heeft overwogen dat het in strijd is met de
beginselen van een behoorlijk procesrecht dat Ten Oever pas bij zijn nadere
conclusie een beroep op die clausule heeft gedaan, heeft Ten Oever derhalve
geen belang, zodat daarop niet behoeft te worden ingegaan. Hetzelfde geldt
voor de in de vijfde grief aan de orde gestelde vraag.
5.15. De rechtbank kan de beslissing van het bestuur van het Fonds om de
aanvraag van ten Oever op grond van de hardheidsclausule af te wijzen,
slechts marginaal toetsen. Aan de rechtbank staat derhalve ter beoordeling of
het bestuur van het Fonds, rekening houdend met de omstandigheden van het
geval en met de tekst en strekking van artikel 15 lid 2 van het
Pensioenreglement, tot die weigering is kunnen komen, zulks gelet op de
inhoud van die beslissing en de wijze waarop zij is tot stand gekomen.
5.16. Omtrent de wijze van totstandkoming van de beslissing heeft Ten Oever
niets aangevoerd. Mitsdien kan niet worden geoordeeld dat het Fonds wat
betreft de wijze van totstandkoming van de weigering in redelijkheid niet tot
die beslissing heeft kunnen komen.
5.17 Wat betreft de inhoud van de beslissing heeft Ten Oever aangevoerd dat
doorslaggevende betekenis moet worden toegekend aan de stelling van het Fonds
dat de toekenning van het weduwnaarspensioen is geweigerd uit angst voor
precedentwerking. Dit is ook de enige kenbare reden voor de weigering in de
brief van het Fonds van 27 maart 1990, waarin de beslissing aan Ten Oever is
medegedeeld. Niet valt in te zien waarom het Fonds de aanvraag op deze grond
in redelijkheid niet zou hebben kunnen weigeren. Ten Oever heeft geen feiten
of omstandigheden aangevoerd, die tot een ander oordeel kunnen leiden.
Mitsdien faalt het beroep van Ten Oever op de weigering van het Fonds de
hardheidsclausule toe te passen.
5.18. De zesde grief heeft naast de overige grieven geen zelfstandige
betekenis en behoeft derhalve geen verdere behandeling.
5.19. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de derde tot en met de zesde
grief falen. Het eindvonnis van de kantonrechter zal worden bekrachtigd. Ten
Oever zal als de in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden
veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

6. De beslissing
6.1. De vonnissen van de kantonrechter te Utrecht van 28 maart 1991 en 26
april 1994 worden bekrachtigd.
6.2. Ten Oever wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, aan de zijde
van het Fonds begroot op ƒ 1065 voor salaris procureur en ƒ 350 voor
verschotten.

Rechters

Mrs. Kranenburg, Breedveld-van Beeck Calkoen, Wesseling-van Gent

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 7 november 1995

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Partijen zijn 29 jaar gehuwd geweest. De man betaalde de vrouw ƒ 2.524,08
alimentatie per maand. De man verzoekt de alimentatie met ingang van 1
juli 1997 te beeindigen. De rechtbank heeft bepaald dat de alimentatie
eindigt met ingang van 1 september 1995. De vrouw ontvangt met ingang van
1 augustus 1995 een bedrag aan pensioen in het kader van de Wet
pensioenverevening, zij ontvangt een AOW-uitkering en zij ontvangt rente
en dividend. Het hof wijzigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt
de alimentatie op ƒ 500,- en de alimentatie wordt met ingang van 1 juli
1997 beeindigd. Het hof honoreert voorts het verzoek van de vrouw haar
vermogen in tact te houden.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Arnhem van 6 juni
1995, die in kopie aan deze beschikking is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. De partijen worden hierna aangeduid als: de vrouw respectievelijk de
man.

2.2. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 26 juni 1995,
is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij
verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het
te betalen alimentatiebedrag in stand te laten, althans een zodanig bedrag
vast te stellen als het hof redelijk meent.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 14 juli 1995, heeft de
man het beroep van de vrouw bestreden. Hij concludeert tot niet
ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar appel, althans tot ontzegging
van haar verzoeken, althans -ingeval de door hem te betalen alimentatie
niet op nihil wordt gesteld- tot bepaling dat zijn alimentatieplicht
eindigt op 1 juli 1997.

2.4. De mondelinge behandeling heeft op 5 oktober 1995 plaatsgevonden.
Verschenen zijn partijen, de vrouw bijgestaan door mr. W. Bonnema,
advocaat te Amsterdam, en de man bijgestaan door mr. L.J.H. Gijbels,
advocaat te Rotterdam.

3. De vaststaande feiten

Partijen zijn op 19 september 1950 gehuwd. Tussen partijen is bij vonnis
van de rechtbank Amsterdam d.d. 13 juni 1979 de scheiding van tafel en bed
uitgesproken. Daarbij is tevens aan de man een alimentatieverplichting
jegens de vrouw opgelegd van ƒ 2.250,= per maand. Bij vonnis van de
rechtbank te Amsterdam van 25 november 1981 is met vaststelling van de
alimentatieverplichting op ƒ 2.524,08, de ontbinding van het huwelijk
uitgesproken. Dit vonnis is op 10 december 1981 ingeschreven in de
registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 16 april 1986 van
dezelfde rechtbank is de alimentatie gewijzigd. Op grond van deze
beschikking en de wettelijke indexering bedraagt de alimentatie thans ƒ
2.334,58 per maand. Bij de bestreden beschikking van 6 juni 1995 is de
door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van
de vrouw met ingang van 1 september 1995 beeindigd.

4. De motivering van de beslissing

1. De man heeft in zijn inleidend verzoek onder a. verzocht de
onderhoudsverplichting jegens de vrouw te beeindigen met ingang van 1 juli
1997. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd, dat zijn verplichting op die
datum eindigt, omdat hij dan meer dan vijftien jaar alimentatie aan de
vrouw zal hebben betaald.

2. Onder b. heeft de man verzocht de te betalen uitkering over de periode
van 1 mei 1995 tot 1 juli 1997 op nihil te stellen, althans de uitkering
te verminderen met een in goede justitie vast te stellen bedrag, dat
tenminste gelijk behoort te zijn aan het bedrag dat de vrouw uit hoofde
van pensioenverevening zal ontvangen. Daarnaast beroept hij zich erop, dat
de vrouw eigen inkomsten heeft en over vermogen beschikt van een zodanige
omvang, dat zij geen behoefte meer heeft aan alimentatie.

3. De rechtbank, onderdeel b. het eerste behandelend, heeft de man gevolgd
in diens standpunt dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een uitkering
tot levensonderhoud van de man. Zij heeft de beschikking van de rechtbank
te Amsterdam van 16 april 1986 -blijkbaar op grond van de wetsbepaling dat
een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere
rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij
nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke
maatstaven te voldoen (artikel 1: 401 lid 1 van het Burgerlijke Wetboek)
– gewijzigd in die zin, dat de door de man te betalen uitkering tot
levensonderhoud “eindigt” met ingang van 1 september 1995. De rechtbank
heeft aan onderdeel a. geen overwegingen gewijd.

4. De vrouw voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank ten onrechte
ervan uitgaat dat zij een eigen aanspraak op pensioen van ƒ 15.997,30
bruto per jaar heeft. Dit bezwaar is inmiddels echter achterhaald, nu in
appel is gebleken dat zij met ingang van 1 augustus 1995 ƒ 16.075,44 bruto
per jaar (rond ƒ 1.340,- per maand) aan pensioen zal gaan ontvangen. Deze
wijziging in omstandigheden rechtvaardigt op zichzelf een lagere
alimentatie.

5. Er is voorts aanleiding de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot
haar levensonderhoud opnieuw te beoordelen op grond van het volgende. De
vrouw ontvangt naast het zojuist genoemde pensioen een A.O.W-uitkering van
ƒ 18.156,24 bruto per jaar. Daarnaast ontvangt zij aan dividend ƒ 821,-
en aan rente ƒ 13.303,- per jaar, zoals blijkt uit het door haar
overgelegde aangiftebiljet voor de Inkomstenbelasting 1993, van ƒ
47.534,68 bruto per jaar. De vrouw is een van de erfgenamen van een eind
1994 overleden broer. Met haar aandeel in deze nalatenschap houdt het hof
thans geen rekening, omdat de afwikkeling ervan, naar het zich laat
aanzien, nog geruime tijd op zich zal laten wachten.

6. De rechtbank te Amsterdam heeft in haar vonnis van 13 juni 1979 geen
rekening gehouden met inkomsten uit vermogen van de vrouw in de huidige
omvang. In 1979 heeft de vrouw blijkens de verklaring van haar raadsvrouwe
ter terechtzitting van 9 mei 1995 ƒ 13.000,- geerfd van haar moeder, welk
bedrag is belegd. De rechtbank heeft ten aanzien van de vrouw in haar
vonnis slechts in aanmerking genomen, dat zij recht heeft op een kleine
nalatenschap van -niet meer dan ƒ 14.000,– (naar het hof aanneemt doelt
de rechtbank op de nalatenschap van de moeder). Aan inkomen van de man nam
de rechtbank in aanmerking ƒ 9.263,75 per maand exclusief vakantiegeld en
een uitkering van ƒ 1.400,- bruto per jaar uit het Utrechts
Universiteitsfonds. In haar beschikking van 16 april 1986, volgend op een
verzoek van de man tot wijziging van de alimentatie in verband met zijn
pensionering, is de rechtbank aan zijn zijde uitgegaan van een inkomen van
ƒ 7.654,22 bruto per maand.

7. In 1992 heeft de vrouw uit de erfenis van een vriendin ƒ 30.000,-
contant ontvangen en heeft zij het vruchtgebruik van ƒ 75.000,- gekregen.
Dit levert op zichzelf ook een wijziging van omstandigheden op, die een
nieuwe beoordeling van de uitkering tot levensonderhoud rechtvaardigt.

8. De vrouw voert nog aan, dat tijdens de mondelinge behandeling op 24
oktober 1985 (blijkbaar die, welke vooraf ging aan de beschikking van 16
april 1986) tussen partijen is afgesproken dat bij de vaststelling van een
uitkering tot levensonderhoud voor haar geen rekening zou worden gehouden
met inkomen uit vermogen. In het proces-verbaal van de behandeling ter
terechtzitting van 24 oktober 1985 is inderdaad een debat vastgelegd
tussen partijen over de vraag of de vrouw inkomen uit vermogen had van ƒ
685,- per maand, zoals de advocaat van de man beweerde of slechts ƒ 415,-
per maand uit een vermogen van ƒ 5.000,- zoals de advocaat van de vrouw
betoogde, waarna volgens het proces-verbaal beide partijen hebben
verklaard ermee accoord te gaan de vermogens van beide partijen bij de
berekening van de alimentatie buiten beschouwing te laten. Hoe dit ook
zij, niet blijkt dat deze accoordverklaring behalve het toen aanhangige
geschil ook toekomstige wijzigingsverzoeken betrof. Ook overigens is er
thans geen rechtens aanvaardbare reden voormeld inkomen uit vermogen, dat
een tamelijk belangrijk bestanddeel van het inkomen van de vrouw vormt,
buiten beschouwing te laten.

9. De vrouw woont in een eigen woning, vrij van hypotheek. haar woonlasten
(inclusief een bedrag, verschuldigd aan de vereniging van eigenaren)
bedragen jaarlijks ten hoogste ƒ 3.600,-. Zij ondersteunt financieel een
in 1955 geboren, zelfstandig wonende dochter van partijen die aan
schizofrenie lijdt en wier eigen inkomen bestaat uit een uitkering van
rond ƒ 1.200 per maand krachtens de A.A.W
..

10. Het standpunt van de vrouw dat haar behoefte mede wordt bepaald door
de uitgaven die zij doet ten behoeve van deze dochter wordt door de man
terecht bestreden. Ingevolge artikel 1:392, lid 1 aanhef en onder a. in
verbinding met lid 2, van het Burgerlijk Wetboek zijn ouders verplicht tot
het verstrekken van levensonderhoud aan hun wettige kinderen ingeval zij
behoeftig zijn. De dochter kan dus zonodig zelf een aanspraak op
levensonderhoud geldend maken.

11. De man is met ingang van 1 juli 1985 gepensioneerd. Hij heeft blijkens
de aangifte Inkomstenbelasting 1993 een inkomen van 109.509,- bruto per
jaar uit twee pensioenen en A.O.W. en voorts ƒ 17.660,- per jaar uit
belegd vermogen. Hij is in 1981 hertrouwd met een vrouw, die een eigen
inkomen heeft van rond ƒ 47.000,- bruto per jaar. Hij bewoont een hem
toebehorende boerderij waarvan de onderhoudskosten in 1993 ƒ 31.059,38
bedroegen. De boerderij is vrij van hypotheek. Het betreft een monument;
een gedeelte van ƒ 24.260,- van de onderhoudskosten bracht hij in
mindering pp zijn inkomen.

De huurwaarde bedroeg ƒ 4.930,-. Aan premie voor een
ziektekostenverzekering betaalde hij in 1993 ƒ 3.075,96 en aan overige
bijzondere kosten, zoals huisartsenhonorarium ƒ 300,-. Zowel voor de vrouw
als de man geldt dat bij gebreke van recentere cijfers uitgegaan wordt van
de zojuist genoemde.

12. Een en ander tegen elkaar afwegend en rekening houdend met de fiscale
gevolgen van het betalen van alimentatie acht het hof een uitkering tot
levensonderhoud van ƒ 500,- per maand met ingang van 1 augustus 1995 in
overeenstemming met de wettelijke maatstaven.

13. De man heeft zich ter ondersteuning van zijn stelling dat de vrouw
geen behoefte meer heeft aan alimentatie ook nog op het standpunt gesteld
dat zij, mede gezien haar leeftijd – zij was ten tijde van de behandeling
in eerste aanleg 74 jaar oud – enigszins kan interen op haar vermogen. De
vrouw heeft dit besteden; zij wil haar vermogen intact laten ten behoeve
van haar eerder genoemde dochter. Het hof volgt de man niet in zijn
standpunt. doordat de vrouw haar vermogen aanspreekt zal dit slinken,
hetgeen de opbrengst doet verminderen en haar behoefte dienovereenkomstig
doet vergroten. Bovendien is de draagkracht van de man niet in geschil,
waarbij komt dat hij zelf een vermogen van 487.000.- heeft.

14. De rechtbank heeft, als overwogen, grond a. van het verzoek van de man
buiten beschouwing gelaten. Deze grondslag moet alsnog aan de orde komen,
want in appel verzoekt de man het hof – voor het geval de alimentatie niet
op nihil wordt gesteld – alsnog te bepalen dat de alimentatieplicht
eindigt op 1 juli 1997. Artikel II van de Wet van 28 april 1994 tot
wijziging van enige bepalingen van de wet van 28 april 1994, Stb. 324
houdende wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met
de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding bepaalt dat de
rechter op verzoek van degene, die op grond van een voor de
inwerkingtreding van de wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is
een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken – zoals in dit geval de
man -, die verplichting beeindigt, indien deze op of na dat tijdstip
vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat deze
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot
de uitkering is gerechtigd kan worden gevergd.

Nagegaan moet derhalve worden of zich hier een dergelijke uitzondering
voordoet. Bij de beoordeling houdt de rechter in ieder geval rekening met:
a. de leeftijd van degene die tot de uitkering is gerechtigd; b. de
omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren; c. de datum en
de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van
de betrokkenen heeft beinvloed; d. de omstandigheid dat de tot de
uitkering gerechtigde geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het
ouderdomspensioen van degene die tot uitkering is gehouden.

15. Te dien aanzien geldt het volgende. De vrouw zal op 1 juli 1997 76
jaar oud zijn. Uit het huwelijk zijn twee dochters geboren: de ene dochter
is in het voorgaande genoemd, de andere is eveneens meerderjarig en zorgt
voor zichzelf. Het huwelijk is gesloten op 19 september 1950 en is
ontbonden op 10 december 1981. De verdiencapaciteit van de vrouw is gezien
alleen al haar leeftijd niet aan de orde. Zij heeft tenslotte, als
overwogen, recht op een deel van voormeld ABP-pensioen. Hoewel de vrouw
een hoge leeftijd heeft bereikt en het huwelijk lang heeft geduurd vormen
deze twee factoren geen grond voor de conclusie dat zich hier een
uitzondering voordoet. Ook de andere omstandigheden van het geval leiden
niet tot die conclusie.

5. De slotsom De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. De
uitkering tot levensonderhoud wordt bepaald op ƒ 500,- met ingang van 1
augustus 1995. De verplichting tot betaling wordt beeindigd met ingang van
1 juli 1997. Het hof zal de kosten van de procedure tussen partijen als
gewezen echtgenoten als volgt compenseren.

6. De beslissing

Het hof:

-vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank te Arnhem van 6 juni
1995, en opnieuw beschikkende:

-wijzigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank te
Amsterdam van 16 april 1986 in die zin, dat de man met ingang van 1
augustus 1995 aan de vrouw ƒ 500,= per maand tot haar levensonderhoud zal
uitkeren, voor de toekomst telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

-beeindigt de verplichting van de man een uitkering tot levensonderhoud
aan de vrouw te verstrekken met ingang van 1 juli 1997;

-compenseert de kosten in beide instanties in die zin, dat beide partijen
ieder de eigen kosten dragen;

-verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mrs Fokker, Katz-Soeterboek, Van Ginkel

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 6 november 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van beroep vrachtwagenchauffeur in het
beroepsgoederenvervoer. Zij heeft zich bij een uitzendbureau aangemeld
om tijdelijk werk te verrichten bij verschillende bedrijven. Ook de
wederpartij verzocht het uitzendbureau om een chauffeur te leveren.
Toen echter bleek dat het uitzendbureau een vrouwelijke chauffeur
(verzoekster) wilde leveren, werd dit aanbod geweigerd omdat de
wederpartij slechte ervaringen had met vrouwelijke chauffeurs. Het
uitzendbureau heeft vervolgens een mannelijke chauffeur gestuurd.

Verzoekster is van mening dat zowel de wederpartij als het
uitzendbureau door deze handelwijze in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelen. Verzoekster heeft het verzoek tegen het
uitzendbureau naderhand ingetrokken. De Commissie stelt zich op het
standpunt dat het uitzendbureau, en dus niet de wederpartij, als
potentiele werkgever van verzoekster moet worden aangemerkt. Aangezien
geen van de wettelijke uitzonderingsgronden van toepassing is, staat
hiermee vast dat de wederpartij in strijd met artikel 3 WGB heeft
gehandeld door verzoekster niet in aanmerking te laten komen voor de
functie van vrachtwagenchauffeur.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 september 1994 verzocht mevrouw te
Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar
oordeel uit te spreken over de vraag of (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid heeft gemaakt op grond van
geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is van beroep vrachtwagenchauffeur in het
beroepsgoederenvervoer. Zij heeft zich bij een uitzendbureau aangemeld
om tijdelijk werk te verrichten bij verschillende bedrijven. Ook de
wederpartij verzocht het uitzendbureau om een chauffeur te leveren.
Toen echter bleek dat het uitzendbureau een vrouwelijke chauffeur
(verzoekster) wilde leveren, werd dit aanbod geweigerd omdat de
wederpartij slechte ervaringen had met vrouwelijke chauffeurs. Het
uitzendbureau heeft vervolgens een mannelijke chauffeur gestuurd.
Verzoekster is van mening dat zowel de wederpartij als het
uitzendbureau door deze handelwijze in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling handelen. Verzoekster heeft het verzoek tegen het
uitzendbureau naderhand ingetrokken.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek tegen zowel de wederpartij als het
uitzendbureau in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.
Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun standpunt schriftelijk
toe te lichten.

2.2. De zaak tegen het uitzendbureau is ingetrokken nadat deze aan
verzoekster excuses heeft aangeboden voor het gebeurde en heeft
toegezegd dat indien zich onverhoopt wederom een dergelijke gebeurtenis
zou voordoen, op dat moment ad hoc een commissie gevormd zal worden
bestaande uit directie, uitvoerders en ondernemingsraad. Eveneens is
afgesproken dat alle vestigingsmedewerkers opnieuw gewezen zullen
worden op de antidiscriminatie bepaling in de leveringsvoorwaarden en
de ABU gedragsregels ter voorkoming van discriminatie, zodat in de
toekomst dergelijke gebeurtenissen voorkomen kunnen worden.

2.3. De Commissie heeft partijen vervolgens uitgenodigd hun standpunt
mondeling nader toe te lichten tijdens een zitting op 5 september 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
(manager distributie)

van de kant van de Commissie – mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You
(Kamervoorzitter) – mw mr drs M.G. Nicolai (lid Kamer) – dhr drs B. van
Schijndel (lid Kamer) – mw A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is van beroep vrachtwagenchauffeur in het
beroepsgoederenvervoer. Omdat zij eind juli 1994 werkloos was geraakt,
heeft zij zich bij een uitzendbureau aangemeld om tijdelijk werk te
verrichten bij verschillende bedrijven. Dit uitzendbureau is op grond
van afspraken tussen werkgeversorganisaties en vakbonden in de
bedrijfstak als enige gerechtigd om vrachtwagenchauffeurs te leveren
aan bedrijven in het beroepsgoederenvervoer.

De wederpartij is een transportbedrijf dat gespecialiseerd is in
‘door-to-door’-distributie van hoofdzakelijk luxegebruiksartikelen.
Afhankelijk van het soort goederen en soort zendingen, levert een
chauffeur 20 tot 70 zendingen per dag af. De zendingen bestaan
enerzijds uit losse collies, zoals televisies, computersystemen of
magnetrons en anderzijds uit palletzendingen met variabele gewichten
van 250 kilogram tot 1100 kilogram.

3.2. Verzoekster heeft na haar aanmelding bij het uitzendbureau een
aantal dagen voor een bedrijf gereden. Ook de wederpartij had het
uitzendbureau verzocht om tijdelijk een chauffeur te leveren.
Verzoekster werd op een avond gebeld door een medewerkster van het
uitzendbureau. Deze vroeg verzoekster of zij de volgende dag voor de
wederpartij wilde rijden, wat verzoekster wel wilde. Zij sprak met de
medewerkster van het uitzendbureau af dat zij de wederpartij zou
bellen. Even later werd verzoekster echter door diezelfde medewerkster
van het uitzendbureau gebeld die meedeelde, dat de wederpartij haar
intussen had verteld dat het bedrijf als beleid had om geen vrouwelijke
chauffeur te laten rijden vanwege slechte ervaringen in het verleden
met vrouwelijke chauffeurs. Verzoekster had nog nimmer voor de
wederpartij gereden.

Het uitzendbureau heeft vervolgens een mannelijke chauffeur gestuurd.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ondanks haar verzoek
daartoe, was de intercedent van het uitzendbureau, niet bereid om een
schriftelijke verklaring af te leggen over de discriminerende eis van
de wederpartij.

3.3. Een paar weken later was verzoekster wederom bij het uitzendbureau
om naar werk te informeren, toen er, bij toeval, weer door de
wederpartij werd gebeld met het verzoek om een vrachtwagenchauffeur te
leveren. Een andere intercedent van het uitzendbureau deelde mee dat
verzoekster beschikbaar was. Wederom weigerde de wederpartij om
verzoekster te laten rijden op grond van hetzelfde argument. De
intercedent heeft getracht de wederpartij te overtuigen door de
wederpartij mee te delen dat verzoekster een uitstekende chauffeur was,
doch dit mocht niet baten. Aan verzoekster vertelde de intercedent dat
hij ook ongelukkig was met de situatie, maar dat hij uit
bedrijfseconomische overwegingen toch zou toegeven aan de eis van de
wederpartij. Hoewel verzoekster opnieuw heftig bezwaar maakte tegen
deze handelwijze bood de intercedent de wederpartij even later een
mannelijke chauffeur aan, die eveneens onbekend was bij de wederpartij.
Deze man is aangenomen.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door haar vanwege haar
geslacht niet voor de functie van vrachtwagenchauffeur in aanmerking te
laten komen.

Verzoekster stelt dat zij een goede chauffeur is en hetzelfde werk doet
als een mannelijke chauffeur. Verzoekster stelt voorts dat het beleid
van de wederpartij om geen vrouwelijke chauffeurs aan te nemen vanwege
de werkdruk en fysieke belasting, berust op een vooroordeel dat vrouwen
altijd stressgevoeliger en fysiek minder krachtig zouden zijn dan
mannen. Er zijn ook mannen die niet geschikt zijn voor de functie van
vrachtwagenchauffeur. Zij heeft bij een groot bedrijf gewerkt waar zij
de enige vrouwelijke vrachtwagenchauffeur was. Daar heeft men gezegd
dat zij niet hadden verwacht dat zij het zo goed zou doen. Er zijn
altijd genoeg hulpmiddelen aanwezig om het werk te kunnen doen. Er zijn
ook tengere mannen die dit werk doen. Over hen worden echter geen
problemen gemaakt.

3.5. De wederpartij brengt het volgende naar voren. Als functie-eis
wordt gesteld dat een chauffeur de werkdruk en de fysieke belasting aan
kan. Bij een sollicitatieprocedure worden kandidaten met name op deze
onderdelen geselecteerd. Dit is van elementair belang gebleken naar
aanleiding van een aantal probleemgevallen in het verleden. In de
periode 1989-1991 waren er zeven vrouwen als chauffeur in dienst. De
arbeidsovereenkomsten werden in alle gevallen vroegtijdig verbroken
waarbij de fysieke belasting een bepalende rol speelde, hetgeen zijn
weerslag had op de werkdruk. Dit vertaalde zich in ziekteverzuim wegens
rugklachten en in een geval raakte zelfs een chauffeuse overspannen. In
hoeverre de gezinssituatie daarbij bepalend is geweest, is niet direct
te meten, maar men heeft wel ondervonden dat deze problematiek bij de
chauffeuses wel tijdsdrukverhogend werkte.

Daarnaast -vermoedelijk vanwege deze spanningen- liep ook het aantal
verkeersongevallen bij de chauffeuses onevenredig hoog op. Toen een
chauffeuse een door haar veroorzaakt ongeval overkwam waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk was en de bedrijfswagen ’total loss’ werd
verklaard, werd het onverantwoord geacht om op deze wijze verder te
gaan. Het beleid werd om geen vrouwelijke chauffeurs in dienst te
nemen, zolang er geen passende werkzaamheden aangeboden kunnen worden.
Passende werkzaamheden zouden kunnen zijn: transporten over langere
afstand met slechts een enkel los- of laadadres waarbij de fysieke
belasting minimaal is zoals bij tank- of bulkvrachten of situaties
waarbij los- of laadploegen of heftrucks aanwezig zijn. Op dergelijke
transporten kan op verantwoorde wijze een chauffeuse worden ingezet.

Aan chauffeurs via het uitzendbureau worden dezelfde eisen gesteld,
waarbij het uitzendbureau een voorselectie maakt. Het is overigens al
een extra belasting om onvoorbereid bij dit bedrijf in te vallen
vanwege de specialisatie. Wanneer het uitzendbureau een niet bij haar
bekende of passende chauffeur in kan zetten, wordt er naar andere
oplossingen gezocht.

Onlangs is nog bevestigd dat haar beleid gerechtvaardigd is, toen een
nieuwe manager een vrouwelijke chauffeur geselecteerd had uit een
aantal kandidaten voor een van de landelijke vestigingen. Na een
gedegen inwerkperiode, diende deze chauffeuse met onmiddellijke ingang
haar ontslag in, wegens de te grote fysieke druk van de werkzaamheden.
Desgevraagd deelt de wederpartij mee dat er niet in alle situaties
hulpmiddelen voor handen zijn die de fysieke last verminderen voor de
chauffeurs. Dat zij geen vrouw-onvriendelijk beleid voert, blijkt uit
het feit dat zij een chauffeuse een administratieve baan heeft
aangeboden, nadat ook zij te kennen had gegeven met haar werkzaamheden
als chauffeuse te willen stoppen.

De wederpartij betreurt het voorval, maar vertrouwt er op hiermee de
indruk weggenomen te hebben dat zij ten opzichte van vrouwen
discriminerend handelt. Ook vertrouwt zij er op dat zij heeft laten
blijken zich juist verantwoordelijk te voelen voor het welzijn van haar
personeel, waarbij in sommige situaties, gebaseerd op praktijkervaring,
beschermend opgetreden moet worden.

De wederpartij stelt dat verzoekster niet de enige kandidaat is die
voor deze klus niet is geaccepteerd. Ook enkele mannelijke kandidaten
voldeden niet aan de gestelde eisen. De wederpartij betreurt het dat
deze situatie zo hoog is opgelopen. Zij zal in de toekomst het ontstaan
van dergelijke situaties voorkomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling, door verzoekster niet voor de functie van
vrachtwagenchauffeur in aanmerking te laten komen.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft voor dat het niet is toegestaan bij
de aanbieding van een betrekking of bij de behandeling bij de
vervulling van een openstaande betrekking onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen.

4.3 Voor wat de juridische relatie betreft tussen de wederpartij en
verzoekster en tussen het uitzendbureau en verzoekster overweegt de
Commissie als volgt. De Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid (hierna: de Commissie m/v) heeft eerder (Zie ook
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 28
februari 1990, oordeelnummers 3-90-6 en 3-90-7) uitgesproken dat indien
een uitzendbureau voor iemand bemiddelt die door een inlener in dienst
wordt genomen, zij als uitgangspunt neemt dat bij normale
uitzendsituaties, er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen het
uitzendbureau en de uitzendkracht. Er ontstaat naar het oordeel van de
Commissie m/v in dit soort situaties dus niet een arbeidsovereenkomst
tussen de uitzendkracht en de inlener. De Commissie m/v baseerde zich
hierbij op rechtspraak en literatuur waarin dit standpunt vrij algemeen
wordt aanvaard. De Commissie deelt dit standpunt dat het uitzendbureau,
en dus niet de wederpartij, als potentiele werkgever van verzoekster
moet worden aangemerkt.

4.4. Voor wat betreft de relatie tussen uitzendkracht, in dit geval
verzoekster, en inlener, de wederpartij, overweegt de Commissie als
volgt. In artikel 3 WGB staat niet uitdrukkelijk vermeld tot wie de
norm in dit artikel is gericht. Hieruit concludeert de Commissie dat
artikel 3 WGB zich richt tot een ieder die op enige wijze bij de
werving en selectie van personeel betrokken is. Al eerder heeft de
Commissie m/v geoordeeld dat deze norm in ieder geval is gericht tot de
werkgever en tot een derde die door deze werkgever wordt betrokken in
de wervings- en selectieprocedure.

De Commissie m/v leidde dit af uit de tekst van artikel 3 WGB en uit de
Memorie van Toelichting op dit artikel (Tweede Kamer, vergaderjaar
1986-1987, 19.908, nr. 3, blz. 18. Zie ook Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 11 oktober 1993,
oordeelnummers 523-93-38 en 523-93-39). In beginsel is de werkgever
verantwoordelijk voor de naleving van de WGB voor het geheel van de
wervings-, selectie- en de aanstellingsfase. Daarnaast richt artikel 3
zich ook op inleners. Dit zijn bedrijven of instellingen die aan
uitzendbureaus opdracht geven arbeidskrachten voor hen te werven en/of
te selecteren. De verantwoordelijkheid van het uitzendbureau, als
potentiele werkgever om de WGB na te leven, heft de eigen
verantwoordelijkheid van de inlener dan ook niet op.

4.5. Van het verbod in artikel 3 WGB mag slechts worden afgeweken als
er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden. In artikel
5 lid 2 WGB wordt een uitzonderingsgrond op artikel 3 WGB genoemd: bij
de toegang tot beroepsactiviteiten mag onderscheid tussen mannen en
vrouwen worden gemaakt in die gevallen waarin vanwege de aard of de
voorwaarden voor de uitoefening van de beroepsactiviteit het geslacht
bepalend is. Aan deze uitzondering is nadere uitwerking gegeven in lid
3 en de daarop gebaseerde Algemene maatregel van bestuur (hierna: AMVB)
inzake beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn. De
wederpartij doet geen expliciet beroep op een van de wettelijke
uitzonderingsgronden. Uit het verweer kan echter wel afgeleid worden
dat de wederpartij de functie ofwel geslachtsbepaald acht, ofwel geen
vrouwen toelaat vanwege bescherming van vrouwen. Zij geeft immers aan,
dat gebleken is dat het werk van een chauffeur in haar bedrijf fysiek
en mentaal te zwaar is voor vrouwen, waarbij zij ook de gezinssituatie
als mogelijk verzwarende factor voor vrouwen ziet. Aangezien zij zich
verantwoordelijk acht voor het welzijn van haar personeel, zou zij ook
beschermend moeten optreden.

4.6. Voor wat betreft de vraag of hier sprake is van een
geslachtsbepaalde functie overweegt de Commissie als volgt. In artikel
5 lid 3 WGB en in het Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht
bepalend kan zijn (Stb. 1989,207), is limitatief opgesomd welke
beroepsactiviteiten als zodanig aangemerkt kunnen worden. Artikel 1
onder a van het Besluit bepaalt dat de beroepsactiviteiten die om
lichamelijke redenen uitsluitend door personen van een bepaald geslacht
kunnen worden vervuld, geslachtsbepaald zijn. Indien het gaat om
fysieke kracht, kan echter niet volgehouden worden dat fysiek zware
werkzaamheden uitsluitend door mannen verricht kunnen worden. Mannen
onderling en vrouwen onderling kunnen immers grote verschillen in
lichaamsbouw en lichaamskracht vertonen (zie ook de Nota van
Toelichting bij de AMVB). Op grond hiervan, kan de bewuste functie van
vrachtwagenchauffeur niet als geslachtsbepaald beschouwd worden (Zie
onder andere oordeel 317-90-124 van de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid).

4.7 Voor wat betreft de beoordeling van de vraag of een beroep op de
‘bescherming van de vrouw’ in deze toelaatbaar is overweegt de
Commissie als volgt. In artikel 5 WGB is bepaald dat van het verbod in
onder andere artikel 3 WGB mag worden afgeweken in geval van een
voorkeursbeleid voor vrouwen en in geval van een geslachtsbepaalde
functie /opleiding. In artikel 5 WGB is niet bepaald dat van het verbod
in artikel 3 WGB mag worden afgeweken ingeval van ‘bescherming van de
vrouw’. De Commissie m/v heeft hieruit in verscheidene oordelen (Zie
onder andere oordeel 40-90- 135 van de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid) afgeleid dat vrouwen niet de
toegang tot de arbeid mag worden ontzegd (in de selectiefase) op grond
van beschermende bepalingen. De Commissie is in navolging van de
Commissie m/v van oordeel dat, voorzover de wederpartij derhalve op
deze uitzonderingsgrond een beroep doet, dit beroep niet kan slagen.

4.8. Aangezien geen van de wettelijke uitzonderingsgronden van
toepassing is, staat hiermee vast dat de wederpartij in strijd met
artikel 3 WGB heeft gehandeld door verzoekster niet in aanmerking te
laten komen voor de functie van vrachtwagenchauffeur.

4.9. De Commissie spreekt tenslotte haar waardering uit dat zowel de
wederpartij als het uitzendbureau aan verzoekster hun excuses hebben
aangeboden en hebben toegezegd dat zij maatregelen zullen treffen dat
dergelijke situaties zich in de toekomst niet meer zullen voordoen.
Wellicht is het mogelijk dat de wederpartij en het uitzendbureau
richtlijnen opstellen zodat -voorzover fysieke kracht voor bepaalde
werkzaamheden is vereist- zulks op objectieve wijze kan worden
vastgesteld. Voorzover het situaties betreft waarbij met spoed in een
plotseling ontstane vacature dient te worden voorzien valt te denken
aan een vragenlijst waarbij aan de desbetreffende kandidaat wordt
gevraagd naar ervaring met werkzaamheden van ongeveer dezelfde fysieke
zwaarte of waaruit af te leiden valt of betrokkene redelijkerwijs in
staat moet worden geacht de desbetreffende werkzaamheden te verrichten.
Daarbij dienen zowel bij mannen als bij vrouwen dezelfde
selectiecriteria te gelden.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
Amsterdam jegens mevrouw te Amsterdam in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt als
bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen.

Rechters

mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw mr drsM.G. Nicolai (lid Kamer), dhr drs B. van Schijndel (lid Kamer), mw A.C.van Doornen (secretaris Kamer)

Instantie: Court of Appeals of New York, 2 november 1995

Instantie

Court of Appeals of New York

Samenvatting


Court of Appeals of New York kent co-ouder-adoptie toe bij zowel ongehuwd
heteroseksueel als lesbisch ouderpaar. Gezamenlijk verzoek tot co-ouder-adoptie
door de mannelijke ongehuwde partner en de moeder van Jacob en door de
vrouwelijke ongehuwde partner en de moeder van Dana. De Court of Appeals
oordeelt dat het `in the best interest of the child’ is de co-ouder-adoptie
in beide situaties toe te staan ongeacht de huwelijkse staat of de sexuele
geaardheid van verzoekers. De bewoording van Domestic Relations
aw $ 110 and 117 doen daar niets aan af.

Volledige tekst

Opinion of the Court

KAYE, Chief Judge.

Under the New York adoption statute, a single person can adopt a child
(Domestic Relations Law s 110). Equally clear is the right of a single
homosexual to adopt (see, 18 NYCRR 421.16[h][2] [qualified adoption agencies
`shall not reject[ ] [adoption petitions] solely on the basis of homosexuality’]
).These appeals call upon us to decide if the unmarried partner of a child’s
biological mother, whether heterosexual or homosexual, who is raising the
child together with the biological parent, can become the child’s second
parent by means of adoption.

Because the two adoptions sought – one by an unmarried heterosexual couple,
the other by the lesbian partner of the child’s mother – are fully consistent
with the adoption statute, we answer this question in the affirmative.To
rule otherwise would mean that the thousands of New York children actually
being raised in homes headed by two unmarried persons could have only one
legal parent, not the two who want them.

The Adoptions Sought

In Matter of Jacob, Roseanne M.A. and Jacob’s biological father (from whom
she is divorced) separated prior to the child’s birth and Roseanne M.A.
was awarded sole custody. Jacob was a year old when Stephen T.K. began
living with him and his mother in early 1991.At the time of filing the
joint petition for adoption three years later, Stephen T.K. was employed
as a programmer/analyst with an annual income of $50,000, while Roseanne
M.A. was a student at SUNY Health Center. Jacob’s biological father consented
to the adoption.

Though acknowledging that `the granting of an adoption in this matter may
be beneficial to Jacob,’ Family Court dismissed the petition for lack of
standing on the ground that Domestic Relations Law s 110 does not authorize
adoptions by an unmarried couple. The Appellate Division affirmed, two
Justices dissenting (210 A.D.2d 876, 620 N.Y.S.2d 640), and an appeal to
this Court was taken as of right.

In Matter of Dana, appellants are G.M. and her lesbian partner, P.I., who
have lived together in what is described as a long and close relationship
for the past 19 years. G.M. works as a special education teacher in the
public schools earning $38,000 annually and P.I., employed at an athletic
club, has an annual income of $48,000. In 1989, the two women decided that
P.I. would have a child they would raise together. P.I. was artificially
inseminated by an anonymous donor, and on June 6, 1990, she gave birth
to Dana. G.M. and P.I. have shared parenting responsibilities since Dana’s
birthand have arranged their separate work schedules around her needs.
With P.I.’s consent, G.M. filed a petition to adopt Dana in April 1993.

In the court-ordered report recommending that G.M. be permitted to adopt
(see, Domestic Relations Law s 116), the disinterested investigator described
Dana as an attractive, sturdy and articulate little girl with a `rich family
life,’ which includes frequent visits with G.M.’s three grown children
from a previous marriage `who all love Dana and accept her as their baby
sister.’ Noting that G.M. `only has the best interest of Dana in mind,’
the report concluded that she `provides her with a family structure in
which to grow and flourish.’

As in Matter of Jacob, Family Court, while conceding the favourable results
of the home study and `in no way disparaging the ability of [G.M.] to be
a good, nurturing and loving parent,’ denied the petition for lack of standing.
In addition, the court held that the adoption was further prohibited by
Domestic Relations Law s 117 which it interpreted to require the automatic
termination of P.I.’s relationship with Dana upon an adoption by G.M. Despite
its conclusion that G.M. had standing to adopt, the Appellate Division
nevertheless affirmed on the ground that Domestic Relations
aw s 117 prohibits the adoption (209 A.D.2d8, 624 N.Y.S.2d 634). We granted
leave to appeal.

Limiting our analysis, as did the courts below, to the preserved statutory
interpretation issues, we conclude that appellants have standing to adopt
under Domestic Relations Law s 110 and are not foreclosed from doing so
by Domestic Relations Law s 117. There being no statutory preclusion, we
now reverse the order of the Appellate Division in each case and remit
the matter to Family Court for a factual evaluation and determination as
to whether these adoptions would be in the best interest of the children.

The Context of our Statutory Analysis

Two basic themes of overarching significance set the context of our statutory
analysis

[1] First and foremost, since adoption in this State is `solely the creature
of * * * statute’ (Matter of Eaton, 305 N.Y. 162, 165, 111 N.E.2d 431),
the adoption statute must be strictly construed. What is to be construed
strictly and applied rigorously in this sensitive area of the law, however,
is legislative purpose as well as legislative language. Thus, the adoption
statute must be applied in harmony with the humanitarian principle that
adoption is a means of securing the best possible home for a child (see
Matter of Malpica-Orsini, 36 N.Y.2d 568, 571-572, 370 N.Y.S.2d 511, 331
N.E.2d 486)

(…)

This policy would certainly be advanced in situations like those presented
here by allowing the two adults who actually function as a child’s parents
to become the child’s legal parents. The advantages which would result
from such an adoption include Social Security and life insurance benefits
in the event of a parent’s death or disability, the right to sue for the
wrongful death of a parent, the right to inherit under rules of intestacy
(see In re Tammy, 416 Mass. 205, 619 N.E.2d 315, 320) and eligibility for
coverage under both parents’ health insurance policies. In addition, granting
a second parent adoption further ensures that two adults are legally entitled
to make medical decisions for the child in case of emergency and are under
a legal obligation for the child’s economic support (see, Domestic Relations
aw s 32).

Even more important, however, is the emotional security of knowing that
in the event of the biological parent’s death or disability, the other
parent will have presumptive custody, and the children’s relationship with
their parents, siblings and other relatives will continue should the coparents
separate. Indeed, viewed from the children’s perspective, permitting the
adoptions allows the children to achieve a measure of permanency with both
parent figures and avoids the sort of disruptive visitation battle we faced
in Matter of Alison D. v. Virginia M. (see, 77 N.Y.2d 651, 656, 569 N.Y.S.2d
586, 572 N.E.2d 27 [‘Petitioner concedes that she is not the child’s `parent’
* * * by virtue of an adoption.’] ).

A second, related point of overriding significance is that the various
sections comprising New York’s adoption statute today represent a complex
and not entirely reconcilable patchwork. Amended innumerable times since
its passage in 1873, the adoption statute was last consolidated nearly
60 years ago, in 1938 (L.1938, ch. 606). Thus, after decades of piecemeal
amendment upon amendment, the statute today contains language from the
1870’s alongside language from the 1990’s.

Though courts surely must, and do, strive to give effect to every word
of a statute, our analysis must recognize the difficulty – perhaps unique
difficulty – of such an endeavour here. With its long, tortuous history,
New York’s adoption statute today is a far cry from a `methodical[ ] and
meticulous [ ]’ expression of legislative judgment (dissenting opn, at
683, at 733 of 636 N.Y.S.2d, at 414 of 660 N.E.2d). That the questions
posed by these appeals are not readily answerable by reference to the words
of a particular section of the law, but instead require the traditional
and often close and difficult task of statutory interpretation is evident
even in the length of today’s opinions – whichever result is reached.

Against this backdrop, we turn to the particular provisions at issue. [FN1]

(…)

Domestic Relations Law 110

[2] Despite ambiguity in other sections, one thing is clear: section 110
allows appellants to become adoptive parents. Domestic Relations Law s
110, entitled `Who May Adopt,’ provides that an `adult unmarried person
or an adult husband and his adult wife together may adopt another person’
(Domestic Relations Law s 110). Under this language, both appellant G.M.
in Matter of Dana and appellant Stephen T.K. in Matter of Jacob, as adult
unmarried persons, have standing to adopt and appellants are correct that
the Court’s analysis of section 110 could appropriately end here.

(…)

Endowing the word `together’ as used in section 110 with the overpowering
significance of enforcing a policy in favour of marriage (as the dissent
does) would require us to rewrite the statute. The statute uses the word
`together’ only to describe married persons and thus does not preclude
an unmarried person in a relationship with another unmarried person from
adopting. Rather, by insisting on the joint consent of the married persons,
the statutory term `together’ simply insures that one spouse cannot adopt
a child without the other spouse’s knowledge or over the other’s objection
(see,
.1984, ch. 218, Mem. of State Dept. of Social Services, 1984 McKinney’s
Session Laws of NY, at 3184). Since each of the biological mothers here
is not only aware of these proceedings, but has expressly consented to
the adoptions, section 110 poses no statutory impediment.

(…)

The conclusion that appellants have standing to adopt is also supported
by the history of section 110. The pattern of amendments since the end
of World War II evidences a successive expansion of the categories of persons
entitled to adopt regardless of their marital status or sexual orientation.
The language in section 110 permitting adoptions by `an adult or minor
husband and his adult or minor wife together,’ for example, is the result
of 1951 legislation intended to enlarge the class of potential adoptive
parents to include minors (Bill Jacket,
.1951, ch. 211, Mem. of Assn. of Bar of City of N.Y., Committee on State
Legislation, at 119; 1943 Opns. Atty. Gen. 260). The sponsors of the bill,
passed during the Korean War, were concerned that the child of a young
father drafted into the military would be unable to take his father’s surname
(Bill Jacket, L.1951, ch. 211, Mem. of Legal Aid Society, at 9).

(…)

[3] A reading of section 110 granting appellants, as unmarried second parents,
standing to adopt is therefore consistent with the words of the statute
as well as the spirit behind the modern-day amendments: encouraging the
adoption of as many children as possible regardless of the sexual orientation
or marital status of the individuals seeking to adopt them.

Domestic Relations Law s 117

[4] Appellants having standing to adopt pursuant to Domestic Relations
Law s 110, the other statutory obstacle relied upon by the lower courts
in denying the petitions is the provision that `[a]fter the making of an
order of adoption the natural parents of the adoptive child shall be relieved
of all parental duties toward and of all responsibilities for and shall
have no rights over such adoptive child or to his property by descent or
succession’ (Domestic Relations Law s 117[1][a]). Literal application of
this language would effectively prevent these adoptions since it would
require the termination of the biological mothers’ rights upon adoption
thereby placing appellants in the `Catch-22′ of having to choose one of
two coparents as the child’s only legal parent.

As outlined below, however, neither the language nor policy underlying
section 117 dictates that result.

The Language of Section 117. Both the title of section 117 (‘Effect of
adoption’) and its opening phrase (‘After the making of an order of adoption’)
suggest that the section has nothing to do with the standing of an individual
to adopt, an issue treated exclusively in section 110 (see, at 660- 662,
at 719-720 of 636 N.Y.S.2d, at 400-401 of 660 N.E.2d, supra). Rather, section
117 addresses the legal effect of an adoption on the parties and their
property.

(…)

One conclusion that can be drawn, however, is that section 117 does not
invariably require termination in the situation where the biological parent,
having consented to the adoption, has agreed to retain parental rights
and to raise the child together with the second parent. Despite their varying
factual circumstances, each of the adoptions described above – stepparent
adoptions, adoptions by minor fathers and open adoptions – share such an
agreement as a common denominator. Because the facts of the cases before
us are directly analogous to these three situations, the half-century-old
termination language of section 117 should not be read to preclude the
adoptions here. Phrased slightly differently, `the desire for consistency
in the law should not of itself sever the bonds between the child and the
natural relatives’ (People ex rel. Sibley v. Sheppard, 54 N.Y.2d 320, 326,
445 N.Y.S.2d 420, 429 N.E.2d 1049, supra).

(…)

‘Where the language of a statute is susceptible of two constructions, the
courts will adopt that which avoids injustice, hardship, constitutional
doubts or other objectionable results’ (Kauffman & Sons Saddlery Co. v.
Miller, 298 N.Y. 38, 44, 80 N.E.2d 322 [Fuld, J.]; see also, McKinney’s
Cons.Laws of N.Y., Book 1, Statutes s 150). Given that section 117 is open
to two differing interpretations as to whether it automatically terminates
parental rights in all cases, a construction of the section that would
deny children like Jacob and Dana the opportunity of having their two de
facto parents become their legal parents, based solely on their biological
mother’s sexual orientation or marital status, would not only be unjust
under the circumstances, but also might raise constitutional concerns in
light of the adoption statute’s historically consistent purpose – the best
interests of the child. (See, e.g., Gomez v Perez, 409 U.S. 535, 538, 93
S.Ct. 872, 875, 35
.Ed.2d 56 [Equal Protection Clause prevents unequal treatment of children
whose parents are unmarried]; Plyler v. Doe, 457 U.S. 202, 220, 102 S.Ct.
2382, 2396, 72 L.Ed.2d 786 [State may not direct the onus of parent’s perceived
`misconduct against his (or her) children’]; Matter of Burns, 55 N.Y.2d
501, 507-510, 450 N.Y.S.2d 173, 435 N.E.2d 390 [New York statute requiring
child born out of wedlock to prove `acknowledgment’ by deceased parent
did not further legitimate State interest]; see also, Matter of Best, 66
N.Y.2d 151, 160, n. 4, 495 N.Y.S.2d 345, 485 N.E.2d 1010, supra ).

(…)

These concerns are particularly weighty in Matter of Dana. Even if the
Court were to rule against him on this appeal, the male petitioner in Matter
of Jacob could still adopt by marrying Jacob’s mother. Dana, however, would
be irrevocably deprived of the benefits and entitlements of having as her
legal parents the two individuals who have already assumed that role in
her life, simply as a consequence of her mother’s sexual orientation.

Any proffered justification for rejecting these petitions based on a governmental
policy disapproving of homosexuality or encouraging marriage would not
apply. As noted above, New York has not adopted a policy disfavouring adoption
by either single persons or homosexuals. In fact, the most recent legislative
document relating to the subject urges courts to construe section 117 in
precisely the manner we have as it cautions against discrimination against
`nonmarital children’ and `unwed parents’ (see, at 664, at 721 of 636 N.Y.S.2d,
at 402 of 660 N.E.2d, supra ). An interpretation of the statute that avoids
such discrimination or hardship is all the more appropriate here where
a contrary ruling could jeopardize the legal status of the many New York
children whose adoptions by second parents have already taken place (e.g.,
Matter of Camilla, 163 Misc.2d 272, 620 N.Y.S.2d 897; Matter of Evan, 153
Misc.2d 844, 583 N.Y.S.2d 997; Matter of A.J.J., 108 Misc.2d 657, 438 N.Y.S.2d
444).

Conclusion

To be sure, the Legislature that last codified section 117 in 1938 may
never have envisioned families that `include[ ] two adult lifetime partners
whose relationship is characterized by an emotional and financial commitment
and interdependence’ (Braschi v. Stahl Assocs. Co., 74 N.Y.2d 201, 211,
544 N.Y.S.2d 784, 543 N.E.2d 49). Nonetheless, it is clear that section
117, designed as a shield to protect new adoptive families, was never intended
as a sword to prohibit otherwise beneficial intrafamily adoptions by second
parents. Accordingly, in each proceeding, the order of the Appellate Division
should be reversed, without costs, the adoption petition reinstated and
the matter remitted to Family Court for further proceedings consistent
with this opinion.
(…)

Rechters

Mrs Kaye, Chief Judge, Smith, Levine, Ciparick, and Bellacosa, Simons andTitone

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 2 november 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


Na zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft de vrouw ontslag genomen.
De stelling van appellante dat zij wel in deeltijd zou hebben willen werken
bij de PTT levert geen reële beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt op, nu
appellante immers heeft betoogd dat het destijds niet mogelijk was bij de PTT
in deeltijd te werken.
Verder heeft de vrouw niet aannemelijk kunnen maken dat zij zich in die tijd
beschikbaar heeft gesteld voor de arbeidsmarkt. Terecht is haar een
WWV-uitkering ontzegd.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding
Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen een zijnerzijds genomen eerdere
beslissing heeft gedaagde onder dagtekening 29 september 1992 aan appellante
mededeling gedaan van een besluit betreffende de uitvoering van de Wet
Werkloosheidsvoorziening (hierna: WWV).
De Arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft bij uitspraak van 26 juli 1994
het tegen voormelde beslissing ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de in het
beroepschrift aangegeven gronden.
Van de zijde van gedaagde is op 18 april 1995 een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 12 oktober 1995, waar
appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door haar broer W.G. Joosten,
en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.

II. Motivering
Appellante is tot 17 mei 1977 gedurende de normale arbeidstijd in dienst
geweest bij de P.T.T. te Arnhem.
Hieraan kwam, volgens de verklaring van appellante, na afloop van haar
zwangerschaps- en bevallingsverlof dat werd genoten in verband met de
geboorte van haar oudste kind op 23 maart 1977, een einde, omdat bij de
P.T.T. toentertijd niet de mogelijkheid bestond om in deeltijd te werken.
Op 4 november 1991 heeft appellante, naar aanleiding van berichten in de
krant omtrent het vervallen van de zogeheten kostwinnersbepaling in de WWV,
aan gedaagde verzocht haar een WWV-uitkering toe te kennen.
Bij beslissing van 7 april 1992 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen, omdat
appellante na haar ontslag op eigen verzoek, in verband met de verzorging van
haar kind en de huishouding, geacht werd niet reëel beschikbaar te zijn
geweest voor de arbeidsmarkt en om die reden niet werkloos was.
Bij het bestreden besluit is voormelde beslissing gehandhaafd.
De rechtbank heeft geoordeeld dat op 17 mei 1977 voor appellante, die wel
voldeed aan het toen nog in de WWV opgenomen zogeheten kostwinnersvereiste,
in beginsel een recht op WWV-uitkering is ontstaan. Daartoe is, kort gezegd,
overwogen dat er voor appellante op en na 17 mei 1977 geen objectieve
factoren waren die een reële beschikbaarstelling in de weg stonden, terwijl
uit de verklaringen van appellante niet ondubbelzinnig kon worden afgeleid,
dat zij niet beschikbaar was, reden waarom volgens de rechtbank aan
appellante op dit punt het voordeel van de twijfel zou moeten worden gegeven.
Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat appellantes recht op
WWV-uitkering op 8 maart 1979 wegens niet reële beschikbaarstelling is
geëindigd, terwijl appellante in de loop van 1991 weer beschikbaar is
geworden voor de arbeidsmarkt. Dat was evenwel, aldus de rechtbank, op een
moment dat, ingevolge het bepaalde in artikel 5, eerste lid van de
Invoeringswet Stelselherziening Sociale Zekerheid, van herleving van het
recht op WWV-uitkering geen sprake meer kon zijn.
Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat nog tot 1 januari 1992 een
beroep kon worden gedaan op de herleving van een eerder ontstaan
uitkeringsrecht. Van de zijde van gedaagde is in verweer aangevoerd dat er
bij de P.T.T. wel mogelijkheden waren om in deeltijd te blijven werken.
Allereerst is thans aan de orde het antwoord op de vraag of appellante
ingaande 17 mei 1977 beschikbaar was voor de arbeidsmarkt en mitsdien als
werkloos in de zin van artikel 9, eerste lid, van de WWV kon worden
aangemerkt. De stelling van appellante dat zij wel in deeltijd zou hebben
willen werken bij de P.T.T. levert geen reële beschikbaarheid voor de
arbeidsmarkt op, nu appellante immers tevens heeft betoogd dat het, althans
voor het eigen personeel, destijds niet mogelijk was bij de P.T.T. in
deeltijd te werken.
De Raad is voorts van oordeel dat appellante op geen enkele wijze aannemelijk
heeft gemaakt dat zij indertijd zich als werkzoekende heeft laten inschrijven
bij het Gewestelijk Arbeidsbureau dan wel sollicitatieactiviteiten heeft
ontplooid. Appellante heeft zelfs niet een begin van bewijs van haar
beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt geleverd.
Van de zijde van appellante is in dit verband aangevoerd dat het haar niet
aangerekend kan worden dat zij de bewijsstukken van haar beschikbaarheid voor
de arbeidsmarkt niet heeft bewaard.
De Raad overweegt hieromtrent dat tussen partijen niet in geschil is, en dat
ook voor de Raad vast staat, dat appellante indertijd voldeed aan
eerdergenoemd in de WWV opgenomen kostwinnersvereiste. Appellante zou
derhalve, indien zij destijds werkloos was geweest, in beginsel in aanmerking
hebben kunnen komen voor een WWV-uitkering. Dat zij zodanige uitkering toen
wegens onwetendheid niet heeft aangevraagd dient voor haar risico te blijven.
Anders dan de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het in de gegeven
omstandigheden volledig op de weg van appellante ligt buiten enige twijfel te
stellen dat zij destijds beschikbaar was voor de arbeidsmarkt.
Nu niet gebleken is dat appellante zich in mei 1977 aansluitend aan haar
betrekking bij de P.T.T. beschikbaar heeft gesteld voor de arbeidsmarkt is
zij destijds niet werkloos geworden en is er voor haar indertijd geen recht
op WWV-uitkering ontstaan.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde aan appellante terecht een uitkering
ingevolge de WWV heeft ontzegd, zodat de aangevallen uitspraak, met
aanvulling van gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht de Raad geen termen aanwezig
toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet
bestuursrecht.

III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs. Hugenholtz, Talman, Hoogenboom