Instantie: Hoge Raad, 20 oktober 1995

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Vrouw wil worden toegelaten tot de diakenopleiding van de Rooms Katholiek
kerk. Het Hof verwerpt het beroep op art. 3 jo art. 14 EVRM. Het niet toelaten
van eiseres tot de diakenopleiding omdat zij een vrouw is acht het Hof
(zie CWI nr. 97010471) geen vernederende behandeling in de zin van art.
3 EVRM. Volgens het Hof biedt de Wet gelijke behandeling kerkgenootschappen
de vrijheid onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen op grond van
hun levensbeschouwing. Art. 5 lid 3 WGB geeft deze mogelijkheid en naar
het oordeel van het Hof is er geen geschreven of ongeschreven rechtsregel
die eraan in de weg staat om de botsing van grondrechten aldus op te lossen.
De Hoge Raad wijst de vordering af. De Hoge Raad oordeelt dat de weigering
om vrouwen toe te laten tot de diakenopleiding niet in strijd is met de
Wet Gelijke Behandeling. Voorzover het in strijd is met art. 2 lid 2 van
de EG-Richtlijn 76/207, dan nog staat het de rechter niet vrij de WGB terzijde
te stellen.
De opvatting van het Hof omtrent het begrip ‘vernederende behandeling in
de zin van art. 3 EVRM’ kan in cassatie niet worden getoetst omdat het
van feitelijke aard is.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie – verder afzonderlijk te noemen: Van A. en de Stichting
– hebben bij exploit van 27 september 1991 verweerder in cassatie – verder
te noemen: de Bisschop – gedagvaard voor de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch
en – na vermeerdering van eis – gevorderd de Bisschop – gedagvaard voor
de Rechtbank te ‘s-Hertogenbosch en – na vermeerdering van eis – gevorderd
de Bisschop te veroordelen Van A. toe te laten tot de diakenopleiding van
het bisdom ‘s-Hertogenbosch, met veroordeling van de Bisschop tot betaling
van een dwangsom van ƒ 10.000,– voor iedere scholingsbijeenkomst, waarbij
Van Asseldonk feitelijk de toegang tot vorenbedoelde diakenopleiding wordt
ontzegd.
De Bisschop heeft bij conclusie van antwoord gevorderd Van A. en de Stichting
niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans aan hen deze
te ontzeggen.
Bij vonnis van 11 december 1992 heeft de Rechtbank de Stichting niet ontvankelijk
verklaard in haar vordering en Van A. haar vordering ontzegd.
Tegen dit vonnis hebben Van A. en de Stichting hoger beroep ingesteld bij
het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Bij memorie van grieven hebben zij
hun eis vermeerderd met een subsidiaire vordering inhoudende dat de Bisschop
wordt veroordeeld om op straffe van een dwangsom op de eerstkomende Nederlandse
Bisschoppenconferentie de vraag voor te leggen of overeenkomstig de hedendaagse
theologische opvattingen en de huidige pastorale situatie vrouwen tot diaken
kunnen worden gewijd.
Bij arrest van 6 juni 1994 heeft het Hof het bestreden vonnis bekrachtigd
en de subsidiaire vorderingen van Van A. en de Stichting afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof hebben Van A. en de Stichting beroep in cassatie
ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan
deel uit.
De Bisschop heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot verwerping van
het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Bij brief van 19 maart 1990 heeft Van A. verzocht om toelating tot de diakenopleiding
van het Bisdom ‘s-Hertogenbosch; daarbij heeft zij de wens kenbaar gemaakt
om na voltooiing van deze opleiding te worden gewijd tot diaken in het
Bisdom.
Deze toelating is haar geweigerd op de grond dat in de Rooms-Katholieke
Kerk alleen mannen tot diaken kunnen worden gewijd en diegenen die niet
voor de wijding tot diaken in aanmerking komen, ook niet tot de diakenopleiding
kunnen worden toegelaten.
Van A. heeft vervolgens bij brief van 7 april 1991 de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid verzocht een oordeel uit
te spreken over voormelde weigering. Bij uitspraak van 2 juni 1992 heeft
de Commissie als haar oordeel uitgesproken dat de Bisschop door deze weigering
niet een onderscheid naar geslacht heeft gemaakt, dat in strijd is met
de Wet Gelijke Behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB).

3.2 Van A. en de Stichting hebben de Bisschop in rechte betrokken en hebben
gevorderd deze te veroordelen om Van A. toe te laten tot de diakenopleiding
van het Bisdom.
De Stichting is opgericht bij notariële akte van 9 november 1990 en stelt
zich, samengevat, ten doel het aanmoedigen, bewerkstelligen en bewaken
van de gelijkheid en gelijkwaardigheid van het aandeel van mannen en vrouwen
op alle werktereinnen van en bij alle functies binnen de Rooms-Katholieke
Kerk alsmede het opkomen voor personen die zich inzetten voor de emancipatie
van de vrouw binnen deze kerk.
De rechtbank heeft de Stichting niet ontvankelijk verkaard in haar vordering
en heeft de vordering van Van A. ontzegd.
Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en twee subsidiaire
vorderingen, die in appel bij wege van vermeerdering van eis waren ingesteld,
afgewezen.
De middelen richten zich tegen ’s Hofs arrest, voor zover daarbij het vonnis
van de Rechtbank is bekrachtigd.

3.3 Middel I keert zich tegen ’s Hofs oordeel in rov. 4.3 en 4.3.1 dat
de Stichting niet ontvankelijk is in de primaire vordering, omdat zij niet
zelf rechtstreeks belang heeft bij de vordering tot toelating van Van A.
tot de diakenopleiding en evenmin sprake is van een bundeling van de bij
die vordering betrokken belangen, die geacht kan worden een efficiënte
en/of effectieve bescherming van die belangen te bevorderen. Het middel
betoogt dat, ofschoon de primaire vordering is toegespitst op de toelating
Van A., de weigering om haar toe te laten principieel van aard is, en wel
zo principieel dat slechts een succesvolle procedure behoeft te worden
gevoerd om hetzelfde recht voor andere vrouwen te claimen, aldus bundelt
de Stichting de belangen van alle vrouwen (en mannen) die toelating van
vrouwen tot de diakenopleiding willen en in het verlengde daarvan de wijding.
Uit dit betoog volgt echter niet dat de Stichting een eigen belang heeft
bij de vordering tot toelating van Van A. tot de diakenopleiding of dat
kan wroden gesproken van een bundeling van bij die vordering betrokken
belangen van anderen dan Van A.. Voorts miskent het middel – voor zover
het een beroep doet op het principiele karakter van deze zaak – dat, ook
zonder dat de Stichting in deze proedure naast Van A. optreedt, andere
vrouen die in een overeenkomstige positie als Van A. verkeren, zullen kunnen
profiteren van het praktische gevolg, gelegen in de verwachting dat, zo
de vordering van Van A. zou worden toegewezen, de rechter in volgende,
soortgelijke zaken in hetzelfde zal beslissen.
Middel I faalt derhalve.

3.4 Middel II richt zich tegen rov. 4.5.2. waarin het Hof heeft geoordeeld
dat het beroep van Van A. op art. 3 EVRM niet kan slagen, aangezien de
niet-toelating van haar tot de diakenopleiding op de enkele grond dat zij
een vrouw is, geen vernederende behandeling in de zin van voormelde verdragsbepaling
is. Het middel faalt, aangezien dit oordeel geen blijk geeft van een onjuiste
opvatting omtrent het begrip ‘vernederende behandeling’ in de zin van art.
3 EVRM en voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke
aard, incassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook
niet onbegrijpelijk of ongenoegzaam gemotiveerd, mede in aanmerking genomen
dat voor de toepasselijkheid van art. 3 niet beslissend is of de betrokkene
persoonlijk de gewraakte behandeling als vernederend ervaart.
Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.5 Middel III keert zich tegen rov. 4.7.3 en 4.74 van het arrest en strekt
ten betoge dat het Hof ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat niet
toelaten van Van A. tot de diakenopleiding niet in strijd is met art. 5
lid 4 WGB en art. 2 lid 2 van de Richtlijn van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van
het beginsel van gelijke behandleing van mannen en vrouwen ten aanzien
van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen
en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (76/207/EEG).
Voor zover het middel betoogt dat het bepaalde in art. 5 lid 3, aanhef
en onder a, WGB de Bisschop niet de vrijheid geeft Van A. niet tot de diekenopleiding
toe te laten op de grond dat alleen mannen tot die opleiding kunnen worden
toegelaten, vindt het geen steun in de WGB. Uit de bewoordingen van deze
bepaling en uit de bij Memorie van Toelichting gegeven toelichting blijkt
onmiskenbaar dat de wetgever met een beroep op eerbiediging van de in art.
6 van de Grondwet neergelegde vrijheid van godsdienst en levensovertuiging
voor wat betreft de toegang tot en de opleiding voor geestelijke ambten
een algemeen luidende uitzondering heeft willen maken op het verbod om
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen (Kamerstukken II 1986/87,
19 908, nr. 3, blz. 10 en 21).
Hieruit vloeit voort dat, anders dan het middel aanvoert, in dit verband
niet van belang is in hoeverre de maatstaven voor de in art. 5 lid 3, aanhef
en onder b en c, genoemde beroepsactiviteiten.
Voor zover het middel tevens klaagt over strijd met het bepaalde in art.
2 lid 2 van voormelde Richtlijn, stuit het hierop af dat het wettelijk
voorschrift van art. 5 lid 3, aanhef en onder a, WGB niet anders kan worden
begrepen dan hiervoor weergegeven, zodat het de rechter – ook al zou moeten
worden aangenomen dat deze uitleg niet geheel overeenstemt met de strekking
van die richtlijnbepaling – niet vrijstaat het voorschrift terzijde te
stellen op grond van zijn verplichting de nationale wet zoveel mogelijk
richtlijnconform uit te leggen.
Het vorenstaande brengt mede dat alle in middel III vervatte klachten falen.

3.6 Middel IV klaagt dat het Hof zich heeft onthouden van een oordeel omtrent
de wijze waarop de bepalingen uit verdragen en uit de Grondwet de in art.
6:162 BW neergelegde zorgvuldigheidsnorm ‘invullen’ en een motivering hiervoor
achterwege heeft gelaten.
Het middel kan echter bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie
leiden, omdat het Hof zich van zodanig oordeel niet heeft onthouden, doch
in rov. 4.8.2 van zijn arrest daaromtrent een oordeel heeft gegeven en
het door Van A. ingenomen standpunt gemotiveerd heeft verworpen.

3.7 De middelen V en VI keren zich tegen laatstgenoemd oordeel van het
Hof. Zij zijn beide tevergeefs voorgesteld. Het Hof heeft terecht aan het
door Van A. ingeroepen wets- en verdragsbepalingen niet de door haar verdedigde
verstrekkende betekenis toegekend en geoordeeld dat de vrijheid van godsdienst,
gelet op meerbedoeld art. 5 lid 3, aanhef en onder a, WGB, meebrengt dat
voor de bekleding van geestelijke ambten en de opleiding daartoe onderscheid
tussen mannen en vrouwen mag worden gemaakt, waarvan ook geen geschreven
of ongeschreven rechtsregel in de weg staat.

4. De beslissing

De Hoge Raad:
Verwerpt het beroep
veroordeelt Van A. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze
uitspraak aan de zijde van de Bisschop begroot op
ƒ 557,20 aan verschotten en ƒ 3.000,– voor salaris.

Rechters

Mrs Snijders, Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 20 oktober 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


De vrouw wil worden toegelaten tot de diakenopleiding van de RK- kerk.
Deze toegang wordt haar geweigerd omdat zij vrouw is. Het oordeel van
het hof dat het beroep op art. 3 EVRM niet kan slagen omdat de
niet-toelating van de vrouw tot de diakenopleiding op de enkele grond
dat zij een vrouw is, geen vernederende behandeling in de zin van art.
3 EVRM is, kan niet in cassatie op zijn juistheid worden getoetst. Het
oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk of ongenoegzaam
gemotiveerd. De wetgever heeft voor de onderhavige casus onmiskenbaar
een algemeen luidende uitzondering willen maken op het verbod
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. Geen strijd met het
bepaalde in art. 5 lid 3, aanhef en onder a WGB, aldus de Hoge Raad. De
vrijheid van godsdienst brengt met zich mee dat voor de bekleding van
geestelijke ambten en de opleiding daartoe onderscheid tussen mannen en
vrouwen mag worden gemaakt.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Eiseressen tot cassatie – verder afzonderlijk te noemen: A en de
Stichting – hebben bij exploit van 27 september 1991 verweerder in
cassatie – verder te noemen de Bisschop – gedagvaard voor de Rechtbank te
‘s- Hertogenbosch en – na vermeerdering van eis – gevorderd de Bisschop
te veroordelen A, toe te laten tot de diakenopleiding van het bisdom
‘s- Hertogenbosch, met veroordeling van de Bisschop tot betaling van
een dwangsom van ƒ 10 000 voor iedere scholingsbijeenkomst, waarbij A
feitelijk de toegang tot vorenbedoelde diakenopleiding wordt ontzegd.

De Bisschop heeft bij conclusie van antwoord gevorderd A en de
Stichting niet ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans
aan hen deze te ontzeggen. Bij vonnis van 11 december 1992 heeft de
Rechtbank de Stichting niet ontvankelijk verklaard in haar vordering en
A haar vordering ontzegd. Tegen dit vonnis hebben A en de Stichting
hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Bij
memorie van grieven hebben zij hun eis vermeerderd met een subsidiaire
vordering inhoudende dat de Bisschop wordt veroordeeld om op straffe
van een dwangsom op de eerstkomende Nederlandse Bischoppenconferentie
de vraag voor te leggen of overeenkomstig de hedendaagse theologische
opvattingen en de huidige pastorale situatie vrouwen tot diaken kunnen
worden gewijd.

Bij arrest van 6 juni 1994 heeft het Hof het bestreden vonnis
bekrachtigd en de subsidiaire vorderingen van A en de Stichting
afgewezen. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie.

Tegen het arrest van het Hof hebben A en de Stichting beroep in
cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en
maakt daarvan deel uit. De Bisschop heeft geconcludeerd tot verwerping
van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot verwerping van
het beroep.

3. Beoordeling van het middel 3.1. In cassatie kan van het volgende
worden uitgegaan. Bij brief van 19 maart 1990 heeft A verzocht om
toelating tot de diakenopleiding van het Bisdom ”s-Hertogenbosch;
daarbij heeft zij de wens kenbaar gemaakt om na voltooiing van deze
opleiding te worden gewijd tot diaken in het Bisdom. Deze toelating is
haar geweigerd op de grond dat in de Rooms-Katholieke kerk alleen
mannen tot diaken kunnen worden gewijd en diegenen die niet voor de
wijding tot diaken in aanmerking komen, ook niet tot de diakenopleiding
kunnen worden toegelaten. A heeft vervolgens bij brief van 7 april 1991
de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid
verzocht een oordeel uit te spreken over voormelde weigering. Bij
uitspraak van 2 juni 1992 heeft de Commissie als haar oordeel
uitgesproken dat de Bisschop door deze weigering niet een onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt dat in strijd is met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (hierna: WGB).

3.2 A en de Stichting hebben de Bisschop in rechte betrokken en hebben
gevorderd deze te veroordelen om A toe te laten tot die diakenopleiding
van het Bisdom. De Stichting is opgericht bij notariele akte van 9
november 1990 en stelt zich, samengevat, ten doel het
aanmoedigen, bewerkstelligen en bewaken van de gelijkheid en
gelijkwaardigheid van het aandeel van mannen en vrouwen op alle
werkterreinen van en bij alle functies binnen de Rooms Katholieke Kerk
alsmede het opkomen voor personen die zich inzetten voor de emancipatie
van de vrouw binnen deze kerk. De Rechtbank heeft de Stichting niet
ontvankelijk verklaard in haar vordering en heeft de vordering van A
ontzegd. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en twee
subsidiaire vorderingen, die in appel bijwege van vermeerdering van eis
waren ingesteld, afgewezen. De middelen richten zich tegen ’s Hofs
arrest, voor zover daarbij het vonnis van de Rechtbank is bekrachtigd.

3.3. Middel I keert zich tegen ’s Hofs oordeel in rov. 4.3 en 4.3.2.
dat de Stichting niet ontvankelijk is in de primaire vordering, omdat
zij niet zelf rechtstreeks belang heeft bij de vordering tot toelating
van A tot de diakenopleiding en evenmin sprake is van een bundeling van
de bij de vordering betrokken belangen, die geacht kan worden een
efficiente en/of effectieve bescherming van die belangen te bevorderen.
Het middel betoogt dat, ofschoon de primaire vordering is toegespitst
op de toelating A, de weigering om haar toe te laten principieel van
aard is, en wel zo principieel dat slechts een succesvolle procedure
behoeft te worden gevoerd om hetzelfde recht voor andere vrouwen te
claimen; aldus bundelt de Stichting de belangen van alle vrouwen (en
mannen) die toelating van vrouwen tot de diakenopleiding willen en in
het verlengde daarvan de wijding. Uit dit betoog volgt echter niet dat
de Stichting een eigen belang heeft bij de vordering tot toelating van
A tot de diakenopleiding of dat kan worden gesproken van een bundeling
van bij die vordering betrokken belangen van anderen dan A. Voorts
miskent het middel – voor zover het een beroep doet op het principiele
karakter van deze aak – dat, ook zonder dat de Stichting in deze
procedure naast A optreedt, andere vrouwen die in een overeenkomstige
positie als A verkeren, zullen kunnen profiteren van het praktische
gevolg, gelegen in de verwachting dat, zo de vordering van A zou worden
toegewezen, de rechter in volgende, soortgelijke zaken in dezelfde zin
zal beslissen. Middel 1 faalt derhalve.

3.4. Middel II richt zich tegen rov. 4.5.2., waarin het Hof heeft
geoordeeld dat het beroep van A op art. 3 EVRM niet kan slagen,
aangezien de niet-toelating van haar tot de diakenopleiding op de
enkele grond dat zij een vrouw is, geen vernederende behandeling in de
zin van voormelde verdragsbepaling is. Het middel faalt, aangezien dit
oordeel geen blijk geeft van een onjuiste opvatting omtrent het begrip
vernederende behandeling’ in de zin van art. 3 EVRM en voor het
overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie
niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het is ook niet
onbegrijpelijk of ongenoegzaam gemotiveerd, mede in aanmerking genomen
dat voor de toepasselijkheid van art. 3 niet beslissend is of de
betrokkenen persoonlijk de gewraakte behandeling als vernederend
ervaart. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.5. Middel III keert zich tegen rov. 4.7.3. en 4.7.4. van het ’s Hofs
arrest en strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte tot de slotsom is
gekomen dat het niet toelaten van A tot de diakenopleiding niet in
strijd is met art. 5 lid 3 WGB en art. 2 lid 2 van de Richtlijn van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 betreffende de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de
beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de
arbeidsvoorwaarden (76/207/EEG). Voor zover het middel betoogt dat het
bepaalde in art. 5 lid 3 aanhef en onder a, WGB de Bisschop niet de
vrijheid geeft A niet tot de diakenopleiding toe te laten op de grond
dat alleen mannen tot die opleiding kunnen worden toegelaten, vindt het
geen steun in de WGB. Uit de bewoordingen van deze bepaling en uit de
bij Memorie van Toelichting gegeven toelichting blijkt onmiskenbaar dat
de wetgever met een beroep op eerbiediging van de in art. 6 van de
Grondwet neergelegde vrijheid van godsdienst en levensovertuiging voor
wat betreft de toegang tot en de opleiding voor geestelijke ambten en
algemeen luidende uitzondering heeft willen maken op het verbod om
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen. (kamerstukken II
1986/87, 19 908, nr. 3, blz. 10 en 21). Hieruit vloeit voort dat,
anders dan het middel aanvoert, in dit verband niet van belang is in
hoeverre de maatstaven voor de in art. 5 lid 3, aanhef en onder b en c,
genoemde beroepsactiviteiten anders van aard zijn dan die voor de onder
a bedoelde beroepsactiviteiten. Voor zover het middel tevens klaagt
over strijd met het bepaalde in art. 2 lid 2 van voormelde Richtlijn,
stuit het hierop af dat de wettelijk voorschrift van art. 5 lid 3,
aanhef en onder a, WGB niet anders kan worden begrepen dan hiervoor
weergegeven, zodat het de rechter – ook al zou moeten worden aangenomen
dat deze uitleg niet geheel overeenstemt met de strekking van die
rechtlijnbepaling- niet vrijstaat het voorschrift terzijde te stellen
op grond van zijn verplichting de nationale wet zoveel mogelijk
richtlijnconform uit te leggen. Het vorenstaande brengt mede dat alle
in middel IV vervatte klachten falen.

3.6. Middel IV klaagt dat het hof zich heeft onthouden van een oordeel
omtrent de wijze waarop de bepalingen uit verdragen en uit de Grondwet
de in art. 6:162 BW neergelegde zorgvuldigheidsnorm ‘invullen’ en een
motivering hiervoor achterwege heeft gelaten. Het middel kan echter bij
gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat het Hof
zich van zodanig oordeel niet heeft onthouden, doch in rov. 4.8.2. van
zijn arrest daaromtrent een oordeel heeft gegeven en het door A
ingenomen standpunt gemotiveerd heeft verworpen.

3.7. De middelen V en VI keren zich tegen laatstgenoemd oordeel van het
Hof, Zij zijn beide tevergeefs voorgesteld. het Hof heeft terecht aan
de door A ingeroepen wets- en verdragsbepalingen niet de door haar
verdedigde verstrekkende betekenis toegekend en geoordeeld dat de
vrijheid van godsdienst, gelet op meerbedoeld art. 5 lid 3, aanhef en
onder a, WGB, meebrengt dat voor de bekleding van geestelijke ambten en
de opleiding daartoe onderscheid tussen mannen en vrouwen mag worden
gemaakt, waaraan ook geen geschreven of ongeschreven rechtsregel in de
weg staat.

4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep; veroordeelt A in de
kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde
van de Bisschop begroot op ƒ 577,20 aan verschotten en ƒ 3000 voor
salaris.

Rechters

Mrs Snijders, Roelvink, Mijnssen, Korthals Altes, Heemskerk

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 19 oktober 1995

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


De kantonrechter is van oordeel dat het pensioenfonds gelijk heeft. Uit de
aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie kan voor de gelding van een
pensioenregeling die, zoals de onderhavige, valt binnen de werkingssfeer van
artikel 119 EEG-verdrag het volgende worden afgeleid: De toepasselijke
gemeenschapsbepalingen verzetten zich ertegen dat een pensioenregeling een
regel voor aansluiting bevat danwel een regel voor pensioenopbouw kent die
verschillend uitwerkt voor voltijdwerkers en deeltijdwerkers. Tegen een
dergelijke regeling kan worden opgekomen teneinde een gelijke wijze van
behandeling te bewerkstelligen.
De onderhavige pensioenregeling heeft nooit een aansluitingsdrempel voor
eiseres opgeworpen en zij heeft steeds deelgenomen aan de betreffende
pensioenverzekering. Gelet hierop acht de kantonrechter voor het onderhavige
geval de beslissing in de zaak Beune richtinggevend. Uit dit arrest blijkt
dat naar de factor tijd gezien de mogelijkheid is beperkt om, als het betreft
een verschillend uitwerkende regel voor pensioenopbouw, een gelijke wijze van
behandeling daadwerkelijk te bewerkstelligen. Die mogelijkheid zou voor de
hier relevante periode slechts hebben open gestaan in het geval eiseres
daartoe voor 17 mei 1990 een rechtsvordering zou hebben ingesteld. Dit geval
doet zich niet voor en daarom wordt de eis van eiseres afgewezen.

Volledige tekst

; Verder verloop van de procedure
1.1. Op 3 december 1992 heeft deze zaak een aanvang genomen. Na debat tussen
partijen heeft de Kantonrechter op 13 januari 1994 vonnis gewezen. Ingevolge
dat vonnis hebben partijen inlichtingen verschaft waarna op 9 februari 1995
wederom een tussenvonnis is gewezen. Daarna hebben partijen ieder nog een
akte genomen. Vervolgens is vonnis bepaald op heden.
Gronden van de beslissing
2.1. Beknopt en zakelijk weergegeven vordert eiseres in deze zaak:
a) ophoging van haar pensioenopbouw vanaf 1 september 1978 op straffe van een
dwangsom.
b) betaling van alle daaraan verbonden kosten.
c) subsidiair te verklaren voor recht dat haar een schadevergoeding wordt
toegekend wegens te lage pensioenopbouw.
d) toewijzing van de proceskosten.
3.1. Zoals in het tussenvonnis van 13 januari 1994 reeds is aangegeven staat
het volgende tussen partijen vast. Eiseres is van 1 september 1978 tot 26
juli 1991 voor deeltijd in dienst geweest bij het bedrijf O te S. Op de deze
arbeidsovereenkomst was de CAO voor het Grafische bedrijf van toepassing.
Eiseres nam verplicht deel in de pensioenverzekering van het Pensioenfonds
voor de Grafische bedrijven en wel aan de pensioenkas voor gezellen. Eiseres
heeft de deelname in de genoemde verzekering na het einde van haar
arbeidsovereenkomst voortgezet.
3.2. Aan het vorengaande moet worden toegevoegd dat het betreffende
pensioenreglement bij de aanvang van de voornoemde arbeidsovereenkomst a) een
regel voor aansluiting kende waarbij voor voltijdwerkers en voor
deeltijdwerkers één loondrempel werd gehanteerd en b) tegelijk een regel voor
pensioenopbouw kende waarbij een franchise werd toegepast die meebracht dat
de pensioenopbouw voor deeltijdwerkers lager uitviel dan de pensioenopbouw
voor voltijdwerkers.
3.3. Eiseres is van oordeel dat het pensioenreglement zoals dat tot 1
februari 1992 heeft gegolden en zoals dat tot 17 mei 1990 jegens haar is
toegepast in strijd is met art. 119 EEG-verdrag en, aangezien dit reglement
meer vrouwen dan mannen treft, die toepassing strijd oplevert met het
beginsel van gelijke beloning voor mannen en vrouwen. Eiseres is van oordeel
dat zij met terugwerkende kracht aanspraak heeft op ophoging van de
pensioenopbouw danwel een gelijkwaardige voorziening. Hierop heeft eiseres
haar eis gebaseerd.
3.4. Pensioenfonds heeft de vordering bestreden en aangevoerd dat in het
licht van recente rechtspraak van het Hof van Justitie EG moet worden
geconcludeerd dat zij tegenover eiseres geheel volgens de europeesrechtelijke
voorschriften handelt nu zij jegens haar met ingang van 17 mei 1990 een
gelijke behandeling met betrekking tot de opbouw van pensioenrechten toepast.
3.4. Eiseres betwist dit en stelt met name hier tegenover dat Pensioenfonds
miskent dat zij (ook) opkomt tegen een voorwaarde voor aansluiting bij de
pensioenregeling. Een voorwaarde die, doordat één loondrempel voor
voltijdwerkers en deeltijdwerkers wordt gehanteerd, uiteindelijk in
overwegende mate voor vrouwen nadelig werkt en leidt tot een ongelijke
behandeling terzake van pensioenaanspraken. Eiseres verwijst daarbij naar de
arresten Vroege/NCIV van 28 september 1994 C-57/93 en
Fisscher/Voorhuis-Bedrijfspensioenfonds van 28 september 1994 C-128/93.
3.5. Pensioenfonds heeft dit standpunt bestreden en daarbij de onderhavige
zaak met name vergeleken met de casus die in het arrest van het Hof van
Justitie in de zaak Beune/ABP van 28 september 1994 C-7/93 aan de orde is
geweest.
4.1. De Kantonrechter is van oordeel dat het Pensioenfonds uiteindelijk het
gelijk aan zijn zijde heeft en de eis van eiseres moet worden afgewezen. De
Kantonrechter overweegt daarbij het volgende.
4.2. Uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie kan
voor de gelding van een pensioenregeling die, zoals de onderhavige, valt
binnen de werkingssfeer van artikel 119 van het Verdrag het volgende worden
afgeleid: De toepasselijke gemeenschapsbepalingen verzetten zich ertegen dat
een pensioenregeling een regel voor aansluiting bevat danwel een regel voor
pensioenopbouw kent die verschillend uitwerkt voor voltijdwerkers en
deeltijdwerkers. Tegen een dergelijke regeling kan worden opgekomen teneinde
een gelijke wijze van behandeling te bewerkstelligen.
4.3. Voor ogen moet evenwel worden gehouden dat de onderhavige
pensioenregeling de facto nooit een aansluitingsdrempel voor eiseres heeft
opgeworpen en zij steeds heeft deelgenomen aan de betreffende
pensioenverzekering.
Gelet hierop acht de Kantonrechter voor het onderhavige geval de beslissing
in de zaak Beune richtinggevend.
4.4. Uit het arrest Beune blijkt (wederom) dat naar de factor tijd gezien de
mogelijkheid is beperkt om, als het betreft een verschillend uitwerkende
regel voor pensioenopbouw, een gelijke wijze van behandeling daadwerkelijk te
bewerkstelligen. Die mogelijkheid zou voor de hier relevante periode slechts
hebben open gestaan in het geval eiseres daartoe vóór 17 mei 1990 een
rechtsvordering zou hebben ingesteld. Dit geval doet zich hier niet voor en
daarmede strandt de vordering van eiseres in al zijn onderdelen.
5.1. Het vorengaande brengt mede dat dit geschil met de navolgende uitspraak
moet eindigen.
De door partijen aangevoerde argumenten die niet aan de orde zijn gekomen
behoeven geen bespreking nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en
overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.
6.1. Gelet op de afloop van dit geding dient eiseres de proceskosten die aan
de zijde van Pensioenfonds zijn gevallen te dragen.
6.2. De Kantonrechter veroordeelt eiseres tot betaling van een bedrag van ƒ
1500 aan salaris van de gemachtigde van Pensioenfonds.
De Kantonrechter rechtdoende:
Wijst de eis af:
Beslist ten aanzien van de proceskosten als hiervoor sub 6. aangegeven.

Rechters

Mr. J.H. Dantuma

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 19 oktober 1995

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Het Hof van Justitie (Zesde kamer), uitspraak doende op de door High Court
of Justice, Queen’s Bench Division, Divisional Court, bij beschikking van
5 mei 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december
1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat een regeling als die van
Regulation 6 (1) van de National Health Service (Charges for Drugs and
Appliances) Regulations 1989, waarbij bepaalde categorieen personen en met
name bepaalde bejaarden worden vrijgesteld van betaling van een eigen
bijdrage in de kosten van op recept verstrekte geneesmiddelen en
apparaten, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.

2) Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 staat een Lid- Staat die
met toepassing van deze bepaling de pensioenleeftijd voor vrouwen op 60
jaar en voor mannen op 65 jaar heeft vastgesteld, niet toe tevens te
bepalen, dat vrouwen vanaf de leeftijd van 60 jaar en mannen pas vanaf de
leeftijd van 65 jaar recht hebben op vrijstelling van betaling van de
eigen bijdrage. 3) De werking in de tijd van dit arrest behoeft niet
worden beperkt, zodat ook personen die voor de datum van dit arrest geen
rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen vordering hebben
ingesteld, zich voor een aanspraak op schadevergoeding met betrekking tot
voor deze datum liggende tijdvakken kunnen beroepen op de rechtstreekse
werking van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7.

Volledige tekst

Arrest

1 Bij beschikking van 5 mei 1994, ingekomen bij het Hof op 16 mei
daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice, Queen’s Bench Divisional
Court, krachtens artikel 177 EG-Verdrag het Hof drie prejudiciele vragen
gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19
december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
de sociale zekerheid (PB 1979, L 6, blz. 24, hierna “richtlijn 79/7”).

2 Deze vragen zijn gerezen in het kader van een verzoek om “judicial
review”, dat bij de High Court is ingediend door C. Richardson, een
gepensioneerde man van 64 jaar die klaagt over een discriminatie op grond
van geslacht: krachtens Regulation 6 (1) (c) van de National Health
Service (Charges for Drugs and Appliances) Regulations 1989 (SI nr. 419,
hierna: de “Regulations van 1989”) namelijk zijn vrouwen tussen 60 en 64
jaar, anders dan mannen in dezelfde leeftijdsgroep vrijgesteld van
betaling van een eigen bijdrage in de kosten van op recept verstrekte
farmaceutische produkten, geneesmiddelen en apparaten (hierna: “medische
kosten”).

3 In het Verenigd Koninkrijk heeft de Secretary of State krachtens Section
77 (1) (a) van de National Health Service Act 1977 (hierna: de “Act van
1977″) de bevoegdheid te bepalen, dat een bijdrage in de medische kosten
is verschuldigd volgens nader te stellen regels. Krachtens de bij de
Social Security Act 1988 in de Act van 1977 ingelaste Section 83 A (1) (a)
kunnen voorts bepaalde categorieen personen worden vrijgesteld van
betaling van deze bijdrage. Volgens Section 83 A (2) gelden als criteria
voor de aanwijzing van deze categorieen personen onder meer leeftijd, het
soort aandoening waaraan zij lijden en de financiele draagkracht.

4 Krachtens deze bepaling heeft de Secretary of State de Regulations van
1989 vastgesteld, waarvan Regulation 6 (1) in vrijstelling van de eigen
bijdrage voorziet voor:

“a) personen jonger dan 16 jaar;

b) personen jonger dan 19 jaar die volledig dagonderwijs volgen met het
oog op het behalen van een diploma in de zin van paragraaf 7 van bijlage
12 bij de Act;

c) mannen die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt of vrouwen die de
leeftijd van 60 jaar hebben bereikt;

d) vrouwen die in het bezit zijn van een geldige, door een comite
afgegeven vrijstellingscertificaat op grond dat zij zwanger zijn of
tijdens de laatste 12 maanden het leven hebben geschonken aan een levend
kind of aan en overeenkomstig de Birth and Deaths Registration Act als
doodgeboren erkend kind;

e) personen die in het bezit zijn van een geldig, door een comite
afgegeven vrijstellingscertificaat op grond dat aan een of meer van de
volgende aandoeningen lijden:

(i) een permanente fistel (met inbegrip van caecostomie, colostomie,
laryngostomie of ileostomie) die voortdurend verbonden moeten worden of
waarvoor een apparaat nodig is;

(ii) de volgende ziekten waarvoor een specifieke subsitutietherapie
essentieel is: de ziekte van Addison en andere vormen van hypoadrenalisme,
diabetes, diabetes insipidus en andere vormen van hypopituitarisme,
diabetes mellitus, hypoparathyroidie, ernstige myasthenie, myxoedeem
(hypothyroidie);

(iii) epilepsie die een continue anti-spasmodische therapie vereist;

(iv) blijvende invaliditeit waardoor de patient zijn woning niet zonder
hulp van iemand anders kan verlaten;

f) personen die in het bezit van een geldige, door de Secretary of State
afgegeven vrijstellingscertificaat voor de verstrekking van farmaceutische
produkten en apparaten ter behandeling van een erkende invaliditeit, doch
enkel voor de verstrekkingen waarop het certificaat betrekking heeft;

g) personen die in het bezit zijn van een geldig
vooruitbetalingscertificaat.”

5 Daar de Secretary of State enerzijds stelde, dat het betrokken stelsel
van de eigen bijdrage en de vrijstelling daarvan niet onder de materiele
werkingssfeer van richtlijn 79/7 valt zoals die in artikel 3, lid 1,
daarvan is omschreven, en anderzijds dat de vrijstelling voor personen die
de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, hoe dan ook daarbuiten
valt ingevolge artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7, heeft de
nationale rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de
volgende prejudiciele vragen gesteld:

“1. Valt de vrijstelling van betaling van de eigen bijdrage, die krachtens
Regulation 6 (1) van de National Health Service (Charges for Drugs and
Appliances) Regulations 1989, SI nr. 419 voor bepaalde categorieen van
personen, of krachtens Regulation 6 (1) (c) voor bepaalde bejaarden geldt,
binnen de werkingssfeer van artikel 3 van richtlijn 79/7/EEG?

2. Zo ja, is artikel 7, lid 1 sub a, van richtlijn 79/7/EEG van toepassing
in omstandigheden als de onderhavige?

3. Indien richtlijn 79/7 is geschonden, kunnen personen die voor de datum
van het arrest van het Hof geen rechtsvordering of een daarmee gelijk te
stellen vordering hebben ingesteld, zich dan voor een aanspraak op
schadevergoeding met betrekking tot voor deze datum liggende tijdvakken
op de rechtstreekse werking van deze richtlijn beroepen?”

De eerste vraag

6 Met de eerste vraag wenst de High Court te vernemen, of artikel 3, lid
1, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat een regeling als
die van Regulation 6 (1) van de Regulations van 1989, waarbij bepaalde
catgorieen personen en met name bepaalde bejaarden worden vrijgesteld van
betaling van een eigen bijdrage in de medische kosten, binnen de
werkingssfeer van de richtlijn valt.

7 Volgens de tekst van artikel 3, lid 1, richtlijn 79/7 van toepassing op
de wettelijke regelingen die bescherming bieden tegen de eventualiteiten
van ziekte invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten,
en werkloosheid, alsmede op de sociale-bijstandsregelingen, voor zover
deze een aanvulling vormen op of in de plaats komen van voormelde
regelingen.

8 Zoals het Hof reeds besliste, moet een uitkering, om binnen de
werkingssfeer van richtlijn 79/7 te vallen, geheel of gedeeltelijk worden
toegekend krachtens een wettelijke regeling die bescherming biedt tegen
een van de genoemde eventualiteiten, dan wel een vorm van sociale bijstand
zijn met hetzelfde doel (arresten van 24 juni 1986, zaak 150/85, Drake,
Jurispr. 1986, blz. 1995, r.o. 21, 4 februari 1992, zaak C-243/90, zaak
C-243/90. Smithson, Jurispr. 1992, blz. 1- 467, r.o. 12 en 16 juli 1992,
gevoegde zaken C-63/91 en C- 64/91, Jackson en Cresswell, Jurispr. 1982,
blz. 1-4737, r.o. 15).

9 Het Hof wees er eveneens op, dat hoewel de toekenningsvoorwaarden niet
doorslaggevend zijn om te bepalen of een uitkering binnen de werkingssfeer
van richtlijn 79/7 valt, deze uitkering, om binnen de werkingssfeer van
de richtlijn te vallen, toch rechtstreeks en daadwerkelijk verband moet
houden met de bescherming tegen een van de in artikel 3, lid 1, opgesomde
eventualiteiten (arresten Smithson, reeds aangehaald, r.o. 14, en Jackson
en Cresswell, reeds aangehaald, r.o. 16).

10 Een prestatie als die bedoeld in Regulation 6 (1) (c) van de
Regulations van 1989 voldoet aan deze voorwaarden.

11 Allereerst maakt zij deel uit van een wettelijke regeling, aangezien
zij bij wet is vastgesteld en nader is uitgewerkt bij een verordening.

12 In de tweede plaats biedt zij rechtstreeks en daadwerkelijk bescherming
tegen de in artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 bedoelde eventualiteiten
van ziekte, aangezien de toekenning ervan aan de ene of de andere van de
aangegeven categorieen personen steeds afhankelijk is van het intreden van
de betrokken gebeurtenis.

13 Gelet tenslotte op het fundamentele belang van het beginsel van gelijke
behandeling en het doel van richtlijn 79/7, te weten de geleidelijke
tenuitvoerlegging van dit beginsel op het gebied van de sociale zekerheid,
kan een regeling niet reeds buiten de werkingssfeer van de richtlijn
vallen, op de enkele grond dat zij formeel geen deel uitmaakt van een
nationaal stelsel van sociale-zekerheid. Het feit dat de vrijstelling van
de eigen bijdrage is voorzien in de National Health Service Act 1977 zoals
de regering van het Verenigd Koninkrijk heeft aangevoerd, kan dan ook aan
het voorgaande niet afdoen.

14 Op de eerste vraag van de High Court moet dus worden geantwoord, dat
artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7 aldus moet worden uitgelegd, dat een
regeling als die van Regulation 6 (1) van de Regulations van 1989, waarbij
bepaalde categorieen personen en met name bepaalde bejaarden worden
vrijgesteld van betaling van een eigen bijdrage in de kosten van op recept
verstrekte geneesmiddelen en apparaten, binnen de werkingssfeer van de
richtlijn valt.

De tweede vraag

15 Alvorens deze vraag te beantwoorden, moet worden gewezen op het
volgende: enerzijds wordt niet betwist, dat een nationaal voorschrift als
Regulation 6 (1) van de Regulations van 1989 een directe discriminatie op
grond van geslacht bevat, in zoverre vrouwen vanaf de leeftijd van 60 jaar
en mannen eerst vanaf 65 jaar in aanmerking komen voor vrijstelling van
de eigen bijdrage, en anderzijds komen deze leeftijdsgrenzen overeen met
de wettelijke pensioengerechtigde leeftijd in het Verenigd Koninkrijk voor
de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen aan mannen en vrouwen.

16 Verder kunnen de Lid-Staten krachtens artikel 7, lid 1, sub a, van
richtlijn 79/7 niet alleen de vaststelling van de pensioengerechtigde
leeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen,
maar ook de gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere
prestaties, van haar werkingssfeer uitsluiten.

17 Onder deze omstandigheden dient de tweede vraag aldus te worden
begrepen, of een Lid-Staat die met toepassing van artikel 7, lid 1, sub
1, van richtlijn 79/7 de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen op 60
jaar en voor mannen op 65 jaar heeft vastgesteld, krachtens deze bepaling
eveneens vrouwen vanaf 60 jaar en mannen eerst vanaf 65 jaar kan
vrijstellen van betaling van de eigen bijdrage.

18 In het arrest van 30 maart 1993 (zaak C-328/91, Thomas e.a. Jurispr.
1993, blz. 1.1247) verklaarde het Hof, dat wanneer een Lid-Staat met
toepassing van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 voorziet in een
voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd voor de toekenning
van ouderdoms- en rustpensioenen, de werkingssfeer van de in artikel 7,
lid 1, sub a, toegestane afwijking -geformuleerd als “en de gevolgen die
hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties” -beperkt is tot in de
andere uitkeringsregelingen bestaande discriminaties die een objectieve
en noodzakelijke band hebben met het verschil in pensioenleeftijd.

19 Dat is het geval, indien deze discriminatie objectief noodzakelijk zijn
om te vermijden dat het financiele evenwicht van het
sociale-zekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het
stelsel van rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren
(arrest Thomas e.a., reeds aangehaald, r.o. 12; zie ook het arrest van 11
augustus 1995, zaak C-92/94, Graham e.a., nog niet gepubliceerd, r.o. 12).

20 Met betrekking tot het vereiste van behoud van het financiele evenwicht
tussen het stelsel van ouderdomspensioenen en andere uitkeringsregelingen
heeft het Hof in het arrest Thomas e.a. (reeds aangehaald, r.o. 14)
vastgesteld, dat uitkeringen die in geval van het intreden van bepaalde
gebeurtenissen krachtens niet op bijdragen berustende regelingen worden
betaald, ongeacht een eventueel recht op ouderdomspensioen op grond van
daartoe bepaalde bijdragen, geen rechtstreekse invloed op het financiele
evenwicht van op bijdragen berustende pensioenstelsels hebben.

21 In casu bestaat er, zoals de Commissie heeft opgemerkt, integendeel een
band in omgekeerde richting tussen het recht op de presentatie in de vorm
van de vrijstelling van de eigen bijdrage als bedoeld in Regulations 6 (1)
van de Regulations 1989, en de betaling van bijdragen aan het
pensioenstelsel, namelijk in die zin dat eerst wanneer iemand de
pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en geen bijdragen aan het
pensioenstelsel meer hoeft te betalen, krachtens deze bepaling aanspraak
kan worden gemaakt op vrijstelling van de eigen bijdrage.

22 Gelet op de omstandigheden moet worden aangenomen, dat opheffing van
de discriminatie geen invloed zou hebben op het financiele evenwicht van
het pensioenstelsel.

23 Voorts wordt in de verwijzingsbeschikking zelf niet bewezen geacht, dat
een wijziging van de litigieuze regeling het financiele evenwicht van het
gehele sociale-zekerheidsstelsel in gevaar zou brengen.

24 De enkele omstandigheid, dat uitbreiding van het recht op vrijstelling
van de eigen bijdrage tot mannen vanaf 60 jaar voor de staat een
verzwaring van de financieringslasten van zijn nationale stelsel van
ziektekostenverzekering zou betekenen, kan een dergelijk oordeel hoe dan
ook niet aantasten. Volgens vaste rechtspraak kunnen de Lid-Staten bij de
uitoefening van de hun ingevolge de artikelen 117 en 118 EG-Verdrag
toegekende bevoegdheid om, in het kader van een door de Commissie
georganiseerde nauwe samenwerking, hun sociale beleid te bepalen,
weliswaar vrij de aard en de omvang van de sociale
beschermingsmaatregelen, daaronder begrepen die op het gebied van de
sociale zekerheid, alsmede de concrete uitvoeringsmodaliteiten ervan
bepalen, en ter beheersing van hun sociale uitgaven maatregelen nemen als
gevolg waarvan bepaalde categorieen van personen het recht op sociale-
zekerheidsuitkeringen wordt ontnomen, op voorwaarde evenwel dat daarbij
het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen in acht worden
genomen (arrest van 24 februari 1994, zaak c-343/92, Roks e.a., Jurispr.
1994, blz. 1-571, r.o. 28, 29 en 37).

25 Ten slotte moet worden vastgesteld, dat in het hoofdgeding bestreden
discriminatie niet objectief noodzakelijk is om de samenhang tussen het
pensioenstelsel en een regeling als die van Regulation 6 (1) (c) van de
Regulations van 1989 te verzekeren.

26 De overweging dat ouderen over het algemeen met hogere medische kosten
worden geconfronteerd dan jongeren, en wel juist op een moment waarop hun
inkomen gewoonlijk achteruit gaat, moge grond kunnen opleveren om hen
vanaf een bepaalde leeftijd van de eigen bijdrage vrij te stellen, doch
brengt nog niet mee, dat dit voordeel moet worden toegekend op de
wettelijke pensioenleeftijd en dus op verschillende leeftijden voor mannen
en vrouwen.

27 Net zoals een vrouw haar beroep na het bereiken van de wettelijke
pensioenleeftijd kan voortzetten en dus in dezelfde situatie kan verkeren
als een man van dezelfde leeftijd die nog altijd deel uitmaakt van de
beroepsbevolking, kan een man immers een rustpensioen ontvangen voor de
wettelijke pensioenleeftijd te hebben bereikt en aldus in dezelfde
situatie verkeren als een vrouw van dezelfde leeftijd die het rustpensioen
waarop zij gerechtigd is, ontvangt.

28 Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat een
discriminatie als waartegen in het hoofdgeding wordt opgenomen, niet
noodzakelijkerwijs gebonden is aan het verschil in pensioenleeftijd voor
mannen en vrouwen en dus niet onder de afwijking van artikel 7, lid 1, sub
a, van richtlijn 79/7 valt.

29 Op de tweede vraag moet dus worden geantwoord, dat artikel 7, lid 1,
sub a, van richtlijn 79/7 een Lid-Staat die met toepassing van deze
bepaling de pensioenleeftijd voor vrouwen op 60 jaar en voor mannen op 65
jaar heeft vastgesteld, niet toestaat tevens te bepalen, dat vrouwen vanaf
de leeftijd van 60 jaar en mannen pas vanaf de leeftijd van 65 jaar recht
hebben op vrijstelling van betaling van de eigen bijdrage.

De derde vraag

30 Met de derde vraag wenst de nationale rechter gepreciseerd te zien, of
gelet op de antwoorden op de eerste twee vragen de werking in de tijd van
dit arrest moet worden beperkt, zodat personen die voor de datum van
uitspraak ervan geen rechtsvordering of een daarmee gelijk te stellen
vordering hebben ingesteld, zich voor een aanspraak op schadevergoeding
met betrekking tot de voor deze datum liggende tijdvakken niet kunnen
beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 4, lid 1, van richtlijn
79/7.

31 In dit verband zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak de
uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 van
het Verdrag verleende bevoegdheid geeft aan een voorschrift van
gemeenschapsrecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift zoals het
sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden
verstaan en toegepast, zo nodig verklaart en preciseert. Het aldus
uitgelegde voorschrift kan en moet derhalve door de rechter ook worden
toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen
voor het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist, indien
voor het overige is voldaan aan de voorwaarden waaronder een geschil over
de toepassing van dat voorschrift voor de bevoegde rechter kan worden
gebracht (zie arrest van 27 maart 1980, zaak 61/79, Denkavit italiana,
blz. 1205, r.o. 16).

32 Gelet op deze beginselen kan het Hof slechts bij uitzondering, met
toepassing van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen
beginsel van rechtszekerheid, aanleiding vinden om voor iedere
belanghebbende beperkingen te stellen aan de mogelijkheid, met een beroep
op een door het hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen
rechtsbetrekkingen weer in geding te brengen (arrest van 16 juli 1992,
zaak C-163/90, Legros, e.a., Jurispr. 1992, blz. 1- 4625, r.o. 30).

33 In casu zijn er geen omstandigheden die afwijking van het beginsel
rechtvaardigen, dat een interpretatief arrest tot de datum van
inwerkingtreding van het uitgelegde voorschrift terugwerkt.

34 Enerzijds moet worden vastgesteld, dat er bij de regering van het
Verenigd Koninkrijk, in tegenstelling tot het thans door haar verdedigde
standpunt, in het verleden geen misverstand over heeft bestaan, dat de
vrijstelling van de eigen bijdrage binnen de materiele werkingssfeer van
richtlijn 79/7 viel zoals omschreven in artikel 3, lid 1. Bij brief van
11 juni 1985 stelde zij de Commissie ingevolge artikel 8, lid 2, van
richtlijn 79/7 immers ervan in kennis, dat zij met toepassing van artikel
7, lid 1, sub 1, de verschillende behandeling van mannen en vrouwen inzake
de vrijstelling van de eigen bijdrage handhaafde, welke kennisgeving
impliceert dat deze vrijstelling binnen de werkingssfeer van de richtlijn
valt.

35 Anderzijds kon het Verenigd Koninkrijk enkel uit het stilzwijgen van
de Commissie na deze kennisgeving niet redelijkerwijs afleiden, dat op
grond van het bepaalde in artikel 7, lid 1, sub a, deze verschillende
behandeling buiten de werkingssfeer van richtlijn 79/7 viel. De richtlijn
bevat immers geen enkele specifieke bepaling op grond waarvan de Commissie
de haar uit hoofde van artikel 8, lid 2, verstrekte informatie al dan niet
zou moeten goedkeuren; bovendien beschikt de Commissie in de uitoefening
van haar algemene taak van hoedster van de verdragen, over een
discretionaire marge bij de beoordeling van de vraag, of het opportuun is
de procedure van artikel 169 van het Verdrag in te leiden.

36 Ten slotte kan de regering van het Verenigd Koninkrijk zich voor een
verzoek om de werking in de tijd van het arrest te beperken, niet beroepen
op de te verwachten financiele gevolgen ervan of op de overweging dat de
aan eventuele vorderingen ten grondslag liggende feiten veelal moeilijk,
zoniet onmogelijk zullen zijn na te trekken.

37 De mogelijke financiele gevolgen voor een Lid-Staat van een
prejudicieel arrest zijn op zich nooit een rechtvaardiging geweest voor
een beperking van de werking in de tijd van dat arrest (zie met name het
arrest van 11 augustus 1995, gevoegde zaken C-367/93, nog niet
gepubliceerd, r.o. 48). Bovendien rust de bewijslast gewoonlijk op degene
die zich op de door hem gestelde feiten beroept, zodat eventuele
moeilijkheden in dat verband hoe dan ook in het nadeel van de klager
zouden werken.

38 Bijgevolge moet op de derde vraag worden geantwoord, dat de werking in
de tijd van dit arrest niet behoeft te worden beperkt, zodat ook personen
die voor de datum van dit arrest geen rechtsvordering of een daarmee
gelijk te stellen vordering hebben ingesteld, zich voor een aanspraak op
schadevergoeding met betrekking tot voor deze datum liggende tijdvakken
op rechtstreekse werking van artikel 4, lid 1, van richtlijn 79/7 kunnen
beroepen.

Kosten

39 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie
van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij
het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten
aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar
gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie
over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie (Zesde kamer), uitspraak doende op de door High Court
of Justice, Queen’s Bench Division, Divisional Court, bij beschikking van
5 mei 1994 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december
1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale
zekerheid, moet aldus worden uitgelegd, dat een regeling als die van
Regulation 6 (1) van de National Health Service (Charges for Drugs and
Appliances) Regulations 1989, waarbij bepaalde categorieen personen en met
name bepaalde bejaarden worden vrijgesteld van betaling van een eigen
bijdrage in de kosten van op recept verstrekte geneesmiddelen en
apparaten, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt.

2) Artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 staat een Lid- Staat die
met toepassing van deze bepaling de pensioenleeftijd voor vrouwen op 60
jaar en voor mannen op 65 jaar heeft vastgesteld, niet toe tevens te
bepalen, dat vrouwen vanaf de leeftijd van 60 jaar en mannen pas vanaf de
leeftijd van 65 jaar recht hebben op vrijstelling van betaling van de
eigen bijdrage.

3) De werking in de tijd van dit arrest behoeft niet worden beperkt, zodat
ook personen die voor de datum van dit arrest geen rechtsvordering of een
daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingesteld, zich voor een
aanspraak op schadevergoeding met betrekking tot voor deze datum liggende
tijdvakken kunnen beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 4, lid
1, van richtlijn 79/7.

Rechters

Mrs Schockweiler, Kapteyn, Kakouris, Murray, Ragnemalm

Instantie: Hoge Raad, 17 oktober 1995

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


Slachtoffer heeft van haar dertiende tot haar zevenentwintigste een relatie
gehad met de (ex-)partner van haar moeder. De vraag is aan de orde of de
seksuele relatie met het zeventienjarige meisje dat aan zijn zorg is
toevertrouwd en welke relatie nog tien jaar voortduurt, strafbaar is. Het hof
komt tot een veroordeling. De Hoge Raad verwerpt het beroep van de
ex-partner.

Volledige tekst

1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te ‘s-Gravenhage van 28 april 1992 – de verdachte
ter zake van 1.`ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde
minderjarige, meermalen gepleegd’ en 2. `bedreiging met enig misdrijf tegen
het leven gericht’ veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf.

2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. S.E.
Marseille, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij pleidooi twee middelen van cassatie
voorgedragen. De schriftelijke opgave daarvan is aan dit arrest gehecht en
maakt daarvan deel uit.

3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.

4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1. Ten laste van de verdachte is – voor zover in cassatie van belang –
bewezenverklaard:
`1. dat hij te ‘s-Gravenhage in de periode van 20 februari 1980 tot 26
januari 1981 meermalen vleselijke gemeenschap heeft gehad met de aan zijn
zorg toevertrouwde minderjarige vrouw, genaamd S van H. (S)’
4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger
beroep, onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven – :
In 1973 ben ik te ‘s-Gravenhage gaan samenwonen met mijn vriendin Toos van H.
en haar twee dochters, onder wie S van H., die toen negen jaar oud was. Ik
heb achttien jaar samengewoond met Toos. Met S heb ik de periode van 20
februari 1980 tot 26 januari 1981 te ‘s-Gravenhage meermalen vleselijke
gemeenschap gehad. S was toen zeventien jaar oud.
2. Het ambtsedig proces-verbaal d.d. 8 juli 1991, nr. 20.871/1991, van de
gemeente-politie te ‘s-Gravenhage. Dit proces-verbaal is opgemaakt en
ondertekend door M.M.M. van der B., hoofdagent. Het houdt onder meer in –
zakelijk weergegeven – :
a. als de op 7 juni 1991 tegenover verbalisant van der B. afgelegde
verklaring van S van H.:
Ik ben geboren op 26 januari 1963. Ik was tien jaar toen mijn moeder kennis
kreeg aan D. Ik vond het fijn dat D bij ons kwam wonen. Ik vond het fijn om
weer een nieuwe vader te hebben. Omstreeks mijn twaalfde jaar ging D mij
bijzondere aandacht geven. Dit bestond uit een extra aai over mijn hoofd en
mij helpen met mijn huiswerk. In datzelfde jaar veranderde zijn houding. Hij
aaide over mijn borsten en betastte mijn vagina. In de vakantie van 1976
hebben D en ik voor het eerst vleselijke gemeenschap gehad. Na de vakantie
ging deze relatie verder. Gemiddeld eens in de veertien dagen hadden wij
vleselijke gemeenschap. Hij zei dat hij nog veel van mijn moeder hield en
haar nooit in de steek zou laten. Hij gaf mij het gevoel van wij worden met
z’n drieën oud. Mijn relatie met hem heeft geduurd tot december 1990.

5. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO,
geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van
rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

6. Beoordeling van het tweede middel
6.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is
aldaar namens de verdachte het volgende verweer gevoerd:

4. Kwalificatie feit 1: ontucht?
4.1. Wanneer cliënt en S in de telaste gelegde periode gemeenschap hadden,
dan was dit geen ontucht in de zin van art. 249 Sr. Zo er in 1980 al sprake
was van een verhouding tussen S en cliënt waarin zij aan zijn zorg was
toevertrouwd, dan is daarmee nog niet alles over hun onderlinge verhouding
gezegd. Op 17- respectievelijk 29-jarige leeftijd waren zij tevens en vooral
verbonden als partners in een liefdesrelatie. Seksuele contacten zijn binnen
zo’n relatie normaal en kunnen niet als `ontucht’ worden beschouwd.
4.2 Voor deze opvatting vind ik steun in de parlementaire geschiedenis van de
recente aanpassing van de zedelijkheidswetgeving (Wet van 9 oktober 1991,
Stb. 519). Daarbij werd onder andere het tweede lid van art. 249 Sr
aangevuld. De memorie van Antwoord bevat daarover onder meer het volgende:
`Men moet deze bepaling zo lezen, dat het verbod betrekking heeft op ontucht
in de relatie hulpverlener-patiënt/cliënt. Het heeft natuurlijk geen
betrekking op handelingen tussen een hulpverlener bijv. een arts, die zijn
vrouw of vriendin als patiënt in behandeling heeft. Er is dan ook geen sprake
van <>. Ik ben van mening dat voor wat betreft onderdeel 3 van art.
249, 2e lid, de wijze van strafbaarstelling niet anders dient te zijn dan
voor de onderdelen 1 een 2. Het absolute verbod van onderdeel 2 geldt
uiteraard ook niet voor de jeugdige leraar die <> is met een
17-jarig meisje uit de hoogste klas.'(Kamerstukken 20930, nr. 5, blz. 18).
De opvolgend Minister van Justitie zegt over deze voorbeelden in de Nota naar
aanleiding van het eindverslag: `(zij)’ waren enerzijds bedoeld om aan te
tonen dat men niet zonder meer <> door seksuele
handelingen kan vervangen, daar dan de bedoelde gedragingen zeker strafbaar
zouden zijn, hoewel zij niet als strafwaardig worden beschouwd. (…).
Anderzijds waren de voorbeelden bedoeld om aan te geven dat deze gevallen
waarin gesproken kan worden van vrijwilligheid, maatschappelijk niet als
<> worden beschouwd en derhalve niet voor strafvervolging in
aanmerking zullen komen.’ (Kamerstukken 20930, nr. 8, blz. 3-4).
4.3 Als er dan in de visie van de wetgever geen sprake is van ontucht wanneer
een jeugdige (bijvoorbeeld 29-jarige?) leraar seksuele contacten onderhoud met
een leerling op en met hij wie verliefd en verloofd is, waarom zijn die
contacten dan wel strafwaardig als een 29-jarige man deze onderhoudt met zijn
17-jarige partner ten opzichte van wie tevens een `zorgrelatie’ bestaat?
Dit verweer strekt tot ontslag van alle rechtsvervolging.
6.2 Het Hof heeft dit verweer verworpen, waartoe het heeft overwogen: het
hebben van vleselijke gemeenschap met een meisje van 17 jaar, dat aan zijn
zorg was toevertrouwd, is in het algemeen aan te merken als ontucht in de zin
van artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht. Zulks geldt te meer indien,
zoals in het onderhavige geval uit de voor het bewijs gebezigde verklaring
van het slachtoffer blijkt, de verdachte ook gedurende enige jaren voor het
zeventiende jaar van het slachtoffer gemeenschap met haar heeft gehad.
Bijzondere feiten en omstandigheden die een ander oordeel zouden
rechtvaardigen zijn niet aannemelijk geworden.
6.3 De in het eerste lid van art. 249 Sr – in welke bepaling geen wijziging
is gebracht bij de in voormeld verweer en in de toelichting op het middel
genoemde Wet van 9 oktober 1991, Stb. 519 – opgenomen opsomming van door hun
hoedanigheid ten opzichte van de dader aangeduide minderjarigen, met wie het
plegen van ontucht in deze bepaling strafbaar wordt gesteld, wordt hierdoor
gekenmerkt dat die hoedanigheid telkens een min of meer grote mate van
afhankelijkheid van de dader meebrengt, en dat de dader daaraan een zeker
overwicht tegenover de minderjarige kan ontlenen. De strekking van deze
bepaling is dan ook bescherming te verlenen aan minderjarigen, die als gevolg
van die afhankelijkheid en dat overwicht minder weerstand aan de dader kunnen
bieden dan anderen.
6.4 Overwegende als hiervoor onder 6.2 weergegeven heeft het Hof als zijn
oordeel tot uitdrukking gebracht dat, mede in aanmerking genomen dat de
verdachte reeds gedurende enige jaren voor het zeventiende jaar van het ook
toen reeds aan zijn zorg toevertrouwde slachtoffer vleselijke gemeenschap met
haar heeft gehad, de omstandigheid dat het slachtoffer ten tijde van de
bewezenverklaarde feiten zeventien jaar was en dat de seksuele relatie met de
verdachte na haar meerderjarigheid gedurende een aantal jaren is
gecontinueerd, niet meebrengt dat de bewezenverklaarde gedragingen van de
verdachte niet opleveren ontucht in de zin van art. 249, eerste lid, Sr. Dit
oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent voormelde
wetsbepaling, in aanmerking genomen de hiervoor weergegeven strekking van die
bepaling, en het is, gelet op de inhoud van de door het Hof gebezigde
bewijsmiddelen, toereikend gemotiveerd.
6.5 Het middel faalt derhalve.

7. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook
geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou
behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

8. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Haak, Van Erp Taalman Kip-Nieuwkamp, Schipper

Instantie: Hof van Justitie EG, 17 oktober 1995

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Een nationale regeling waarbij vrouwen met gelijke kwaliteiten en
indien zij minder dan vijftig procent uitmaken van de functiegroep
automatisch voorrang krijgen, valt buiten het bereik van de
uitzonderingsgrond voor bevoordelende maatregelen. Zie ook Conclusie
van AG Tesauro 6 april 1995 (Kalanke), RN 1995, nr. 511 m.nt. Albertine
Veldman.

Volledige tekst

Arrest 1. Bij beschikking van 22 juni 1993, ingekomen bij het Hof op 23
november daaraanvolgend, heeft het Bundesarbeitsgericht krachtens
artikel 177 EEG- Verdrag twee prejudiciele vragen gesteld over de
uitlegging van artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207/EEG van de
Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van
de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de
promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB 1976, L 39,
blz. 40, hierna: de “richtlijn”).

2. Deze vragen zijn gerezen in een geschil tussen E. Kalanke en de
Freie Hansestadt Bremen (hierna: stad Bremen”).

3. Par. 4 van het Landesgleichstellungsgesetz van 20 november 1990 (wet
van de deelstaat Bremen betreffende de gelijkstelling van mannen en
vrouwen in de openbare dienst, Bremisches Gesetzblatt, blz. 433,
hierna: “LGG”) bepaalt het volgende:

“Aanwerving, overgang en promotie.

1. Bij de aanwerving, inclusief de aanstelling als ambtenaar of als
rechter, anders dan met het oog op opleiding, moeten vrouwen met
dezelfde kwalificaties als hun mannelijke medekandidaten, in sectoren
waar zij ondervertegenwoordigd zijn bij voorrang in aanmerking worden
genomen.

2. Bij de overgang naar een functie in een hogere loon- of salarisgroep
moeten vrouwen met dezelfde kwalificaties als hun mannelijke
medekandidaten met voorrang in aanmerking worden genomen, wanneer zij
ondervertegenwoordigd zijn. Dit geldt ook bij voorrang in aanmerking
worden genomen, wanneer zij ondervertegenwoordigd zijn. Dit geldt ook
bij overgang naar een andere post en bij promotie.

3. (…)

4. De kwalificaties mogen uitsluitend worden getoetst aan de vereisten
van het beroep, de te bezetten post of de loopbaan. Specifieke ervaring
en bekwaamheden, bijvoorbeeld opgedaan bij huishoudelijk werk, in
sociaal engagement of onbezoldigde werkzaamheden, behoren tot de in de
leden 1 en 2 bedoelde kwalificaties zover zij voor de uitoefening van
de betrokken werkzaamheden relevant zijn.

5. Van ondervertegenwoordiging is sprake, wanneer in de verschillende
loon- en salarisgroepen van de betrokken personeelscategorie van een
dienst het personeel niet minstens voor de helft uit vrouwen bestaat.
Dit geldt ook voor de in het organisatieschema voorziene
functieniveaus.”

4. Blijkens de verwijzingsbeschikking bleven in het laatste stadium van
een selectieprocedure voor de bezetting van een post van afdelingshoofd
van de park- en plantsoendienst van de stad Bremen twee kandidaten
over, beiden van rang III BAT:

-de heer Kalanke, verzoeker in het hoofdgeding, tuin- en
landschapsingenieur, sinds 1973 tuinbouwtechnisch medewerker bij de
park- en plantsoendienst in de functie van vast assistent van het
afdelingshoofd;

-mevrouw Glissmann, sedert 1983 landschapsingenieur en sinds 1975
werkzaam bij diezelfde dienst, eveneens als tuinbouwtechnisch
medewerker.

5. De personeelsraad weigerde in te stemmen met de door de directie van
de park- en plantsoendienst voorgestelde promotie van Kalanke. Een
bemiddelingspoging resulteerde in een aanbeveling voor Kalanke. Daarop
verklaarde de personeelsraad de bemiddeling mislukt en bracht de
aangelegenheid voor de verzoeningscommissie. Deze kwam in een voor de
werkgever bindende beslissing tot de conclusie, dat beide kandidaten
gelijke kwalificaties hadden, zodat overeenkomstig het LGG aan de
vrouwelijke kandidaat de voorrang moest worden gegeven.

6. Voor het Arbeitsgericht voerde Kalanke het betoog, dat hij hogere
kwalificaties had dan Glissman, hetgeen de verzoeningscommissie had
miskend. Zijns inziens was het LGG wegens zijn quotaregeling in strijd
met de Verfassung van de deelstaat Bremen, met het Duitse Grundgesetz
en met par. 611a van het Burgerliche Gesetzbuch. Kalankes beroep werd
echter afgewezen door het Arbeitsgericht en, in hoger beroep, door het
Landesarbeitsgericht.

7. De eerste Senat van het Bundesarbeitsgericht, waarbij beroep tot
“Revision” is ingesteld, is van oordeel dat de oplossing van het
geschil hoofdzakelijk afhangt van de toepasbaarheid van het LGG. Indien
de verzoeningscommissie deze wet ten onrechte heeft toegepast, aldus de
Senaat, is haar beslissing onwettig, daar zij een kandidaat met gelijke
kwalificaties bevoordeelt, enkel op grond van het geslacht. De
verwijzende rechter verklaart, de vaststelling van het
Landesarbeitsgericht, dat beide kandidaten voor de post gelijke
kwalificaties hadden, over te nemen. Hij acht zich ook gebonden aan de
vaststelling van het Landesarbeitsgericht, dat vrouwen in de park- en
plantsoendienst ondervertegenwoordigd zijn, en overweegt dat de
verzoeningscommissie ingevolge par. 4, lid 2, LGG haar instemming met
de aanstelling van Kalanke op de vacante post moest weigeren.

8. Het Bundesarbeitsgericht zet uiteen, dat het hier gaat om een
stelsel van starre quota, dat een bepaald percentage vacatures aan
vrouwen voorbehoudt, los van hun kwalificatie. Het zou veeleer gaan om
een op bekwaamheid afgestemde quotaregeling; alleen wanneer de
mannelijke en de vrouwelijke kandidaten gelijke kwalificaties hebben,
komen vrouwen bij voorrang in aanmerking.

9. Volgens de verwijzende rechter is de quotaregeling verenigbaar met
de in rechtsoverweging 6 genoemde Duitse constitutionele en wettelijke
bepalingen. Hij wijst er in zonderheid op, dat par. 4 LGG
overeenkomstig het Duitse Grundgesetz aldus moet worden uitgelegd, dat
vrouwen weliswaar in beginsel voorrang moeten krijgen bij promotie,
maar dat in voorkomend geval omwille van de billijkheid van deze
bevoorrechting moet kunnen worden afgeweken.

10. Hij voert een aantal omstandigheden aan op grond waarvan deze
regeling wellicht verenigbaar met de richtlijn zou kunnen worden
geacht.

11. Daar naar zijn oordeel evenwel niet alle twijfels dienaangaande is
weggenomen, heeft hij de behandeling van de zaak geschorst en het Hof
de volgende prejudiciele vragen voorgelegd:

“1. Moet artikel 2, lid 4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9
februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang
tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten
aanzien van de arbeidsvoorwaarden, aldus worden uitgelegd, dat deze
bepaling ook wettelijke regelingen dekt welke bij de overgang van een
functie naar een hogere salarisgroep vrouwen met dezelfde kwalificaties
als hun mannelijke medekandidaten met voorrang in aanmerking moeten
worden genomen, wanneer vrouwen zijn ondervertegenwoordigd, hetgeen het
geval is wanneer in de verschillende salarisgroepen van de betrokken
personeelscategorie van een dienst het personeel niet minstens voor de
helft uit vrouwen bestaat en dit ook geldt voor de in het
organisatieschema voorziene functieniveaus?

2. Indien vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord:

Moet artikel 2, lid 1 van richtlijn 76/207/EEG, het
evenredigheidsbeginsel in aanmerking genomen, aldus worden uitgelegd,
dat geen toepassing kan worden gegeven aan wettelijke regelingen
volgens welke bij de overgang van een functie naar een hogere
salarisgroep vrouwen met dezelfde kwalificaties als hun mannelijke
medekandidaten met voorrang in aanmerking moeten worden genomen,
wanneer vrouwen zijn ondervertegenwoordigd, hetgeen het geval is
wanneer in de verschillende salarisgroepen van de betrokken
personeelscategorie van een dienst het personeel niet minstens voor de
helft uit vrouwen bestaat en dit ook geldt voor de in het
organisatieschema voorziene functieniveaus?”

12. Omdat de aan het Hof voorgelegde vragen beide gericht zijn op een
precisering van de inhoud van de in artikel 2, lid 4, van richtlijn
76/207 voorziene uitzondering op het beginsel van gelijke behandeling,
dienen zij tezamen te worden behandeld.

13. Met zijn vragen wenst de verwijzende rechter in hoofdzaak te
vernemen, of artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn in de weg staat
aan een nationale regeling die, zoals in casu, bij gelijke
kwalificaties van voor promotie in aanmerking komende kandidaten van
verschillend geslacht, in sectoren waar vrouwen ondervertegenwoordigd
zijn automatisch voorrang verleent aan vrouwelijke kandidaten, daarbij
ervan uitgaande dat er sprake is van ondervertegenwoordiging, wanneer
in de verschillende salarisgroepen van de betrokken personeelscategorie
het personeel niet minstens voor de helft uit vrouwen bestaat en dit
ook geldt voor de in het organisatieschema voorziene functieniveaus.

14. In zijn verwijzingsbeschikking merkt het Bundesarbeitsgericht op,
dat een quotaregeling als de onderhavige ertoe kan bijdragen, de
nadelen die vrouwen thans ondervinden en waardoor de vroegere
ongelijkheden worden bestendigd, in de toekomst op te heffen doordat
het een gewoon beeld wordt, dat vrouwen ook bepaalde hogere functies
bekleden. De traditionele toebedeling van bepaalde beroepswerkzaamheden
aan vrouwen en de concentratie van vrouwenarbeid in hierarchisch lagere
posities, zouden in strijd zijn met de thans geldende criteria op het
gebied van gelijke rechten. In dit verband vermeldt de nationale
rechter cijfers die erop zouden wijzen, dat vrouwen bij de stad Bremen
slecht vertegenwoordigd zijn in de hogere functies, inzonderheid
wanneer sectoren als het onderwijs, waar de aanwezigheid van vrouwen op
hogere niveaus inmiddels een feit is, buiten beschouwing worden
gelaten.

15. Om te beginnen zij opgemerkt, dat de richtlijn luidens artikel 1,
lid 1, de tenuitvoerlegging in de Lid-Staten beoogt van het beginsel
van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van onder
meer de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen.
Dit beginsel van gelijke behandeling houdt volgens artikel 2, lid 1 van
de richtlijn in, dat “iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op
grond van geslacht, hetzij direct, hetzij indirect”.

16. Een nationale regeling volgens welke vrouwen met dezelfde
kwalificaties als hun mannelijke medekandidaten, in sectoren waarin zij
ondervertegenwoordigd zijn bij promotie automatisch voorrang genieten,
houdt een discriminatie op grond van geslacht in.

17. Evenwel moet worden onderzocht, of een dergelijke nationale
regeling toelaatbaar is ingevolge artikel 2, lid 4, volgens hetwelk de
richtlijn geen belemmering vormt “voor maatregelen die beogen te
bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke kansen krijgen, in het
bijzonder door feitelijke ongelijkheden op te heffen welke de kansen
van de vrouwen (…) nadelig beinvloeden”.

18. Opgemerkt zij, dat deze bepaling een nauwkeurig bepaald en beperkt
doel heeft, te weten het toestaan van maatregelen die, hoewel
schijnbaar discriminerend, in werkelijkheid de in de realiteit van het
maatschappelijk leven bestaande feitelijke ongelijkheden beogen op te
heffen of te verminderen (zie arrest van 25 oktober 1988, zaak 312/86,
Commissie/Frankrijk, Jurispr. 1988, blz. 6315, r.o. 15).

19. Zo staat zij nationale maatregelen toe op het gebied van de toegang
tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, die in het
bijzonder vrouwen bevoordelen met het doel, hun beter in staat te
stellen op de arbeidsmarkt met anderen te concurreren en op voet van
gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen.

20. Zoals de Raad verklaarde in de derde overweging van de considerans
van aanbeveling 84/635/EEG van 13 december 1984 betreffende de
bevordering van positieve acties voor vrouwen (PB 1984, L 331, blz.
34), zijn “de bestaande rechtsnormen inzake gelijke behandeling, die
ten doel hebben rechten te geven aan individuele personen, ontoereikend
(…) voor de opheffing van alle feitelijke ongelijkheden tenzij de
regeringen, de sociale partners en andere betrokken instanties
gelijktijdig maatregelen treffen ten einde de nadelige gevolgen te
ondervangen die voor de vrouwen in het arbeidsproces voortvloeien uit
attitudes, gedragspatronen en sociale structuren”.

21. Daarbij moet echter worden opgemerkt, dat artikel 2, lid 4, dat een
afwijking behelst van een in de richtlijn neergelegd individueel recht,
strikt moet worden uitgelegd (zie arrest van 15 mei 1986, zaak 222/84,
Johnston, Jurispr. 1986, blz. 1651, r.o. 36).

22. Een nationale regeling die vrouwen bij aanstellingen of promoties
absoluut en onvoorwaardelijk voorrang verleent, gaat verder dan een
bevordering van gelijke kansen en overschrijdt de grenzen van de in
artikel 2, lid 4, van de richtlijn voorziene uitzondering.

23. Daar komt nog bij dat een dergelijke regeling, voor zover zij er op
gericht is te bewerkstelligen dat vrouwen in alle rangen en op alle
niveaus van een dienst gelijk vertegenwoordigd zijn als mannen, de in
artikel 2 lid 4, voorziene bevordering van gelijke kansen vervangt door
het resultaat waartoe enkel het verwezenlijken van die gelijke kansen
zou kunnen leiden.

24. Mitsdien moet aan de verwijzende rechter worden geantwoord, dat
artikel 2, leden 1 en 4, van de richtlijn in de weg staat aan een
nationale regeling die, zoals in casu, bij gelijke kwalificaties van
voor promotie in aanmerking komende kandidaten van verschillend
geslacht, in sectoren waar vrouwen ondervertegenwoordigd zijn
automatisch voorrang verleent aan vrouwelijke kandidaten, daarbij ervan
uitgaande dat er sprake is van ondervertegenwoordiging, wanneer in de
verschillende salarisgroepen van de betrokken personeelscategorie het
personeel niet minstens voor de helft uit vrouwen bestaat en dit ook
geldt voor de in het organisatieschema voorziene functieniveaus.

Kosten

25. De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de
Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun
opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de
nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie,

uitspraak doende op de door het Bundesarbeitsgericht bij beschikking
van 22 juni 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Artikel 2, leden 1 en 4, van richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9
februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van
gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang
tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten
aanzien van de arbeidsvoorwaarden, staat in de weg aan een nationale
regeling die, zoals in casu, bij gelijke kwalificaties van voor
promotie in aanmerking komende kandidaten van verschillend geslacht, in
sectoren waar vrouwen ondervertegenwoordigd zijn automatisch voorrang
verleent aan vrouwelijke kandidaten, daarbij ervan uitgaande dat er
sprake is van ondervertegenwoordiging, wanneer in de verschillende
salarisgroepen van de betrokken personeelscategorie van een dienst het
personeel niet minstens voor de helft uit vrouwen bestaat en dit geldt
voor de in het organisatieschema voorziene functieniveaus.

Noot

Indien de conclusie van AG Tesauro (RN 1995, 511) een rol heeft
gespeeld in de overwegingen van het Hof, dan heeft deze ene meneer wel
wat aangericht. Wanneer alle details van het arrest even terzijde
worden gezet, dan lijkt mij onomstreden dat artikel 2, lid 4
EG-richtlijn 76/207, als zijnde een uitzondering op het verbod op
sekse-onderscheid, slechts toepassing verlangt ingeval inderdaad van een
expliciet sekse-onderscheid sprake is in het kader van emancipatie.
Aangezien arbeidsstimulerende maatregelen zoals kinderopvang, scholing
of subsidieregelingen, sekseneutraal te reguleren zijn, en het HvJ EG
dat ook verlangt (Commissie/Frankrijk JUR 1988, 6315), kan een
sekse-onderscheid derhalve slechts aan de orde komen bij werkelijk
voorkeursbeleid. De nog denkbare meest minimale vorm om voorkeur te
geven door sekse-onderscheid te maken, is het geven van voorrang aan
vrouwen bij een gelijke geschiktheid van de eindkandidaten. Indien
derhalve uit het arrest zou volgen dat een dergelijke voorkeursregeling
niet toelaatbaar is, dan kan artikel 2, lid 4 gevoeglijk ingetrokken
worden. Bestudeerd men de precieze overwegingen van het HvJ EG, dan
lijkt het arrest voor meerdere uitleg vatbaar dankzij de gebrekkige
motivering. Het HvJ EG gaat van start met het nader bepalen van het
doel van artikel 2, lid 4 dat een sekse-onderscheid toelaat voor
‘maatregelen die beogen te bevorderen dat mannen en vrouwen gelijke
kansen krijgen, in het bijzonder door feitelijke ongelijkheden op te
heffen welke de kansen van vrouwen nadelig beinvloeden’. Hierover wordt
opgemerkt dat het artikel maatregelen toestaat die vrouwen bevoordelen
teneinde hen beter in staat te stellen op voet van gelijkheid te
concurreren en een loopbaan te vervolgen (r.o. 18. De Engelse vertaling
spreekt van give a specific advantage to women). Dit alles schept
nauwelijks enige helderheid. Indien het ‘op voet van gelijkheid
concurreren’ in formele zin wordt opgevat, zou een specifiek voordeel
in de zin van het uiteindelijk op grond van geslacht selecteren daarmee
tegenstrijdig zijn. Een verdere aanwijzing omtrent het doel van de
uitzonderingsgrond volgt uit de verwijzing naar de considerans van de
resolutie over positieve actie van de Raad van Ministers (84/635/EEG,
Pb. 1984 L 331, p. 34). Het Hof haalt aan dat met bevoordelende
maatregelen wordt beoogd die nadelen te ondervangen waarvoor de
bestaande rechtsnormen ontoereikend zijn, te weten nadelen die
voortvloeien uit houding, gedrags- patronen en sociale structuren. Daar
het Hof dit noemt in het kader van het doel van artikel 2, lid 4, zou
hieruit kunnen worden afgeleid dat een sekse-onderscheid erop gericht
moet zijn een daadwerkelijke gelijkheid van kansen te scheppen, in het
geval overheids- en organisatiebeleid weliswaar sekse-neutraal zijn en
derhalve niet met de bestaande rechtsnormen strijden, maar de
maatschappelijke realiteit andere belemmeringen uitwijst.

Vervolgens gaat het Hof over tot het aangeven van de begrenzingen van
de uitzonderingsgrond. Onder verwijzing naar Johnston (JUR 1986, 1651),
moet een afwijking van een individueel recht strikt worden
geinterpreteerd, aldus het Hof. Hierbij zijn twee kanttekeningen te
zetten. Ten eerste is er een verschil met Johnston in die zin dat het
daar de toelaatbaarheid van een nadelig sekse-onderscheid betrof.
Vrouwen werden uitgesloten van politiefuncties waarin een wapen werd
gedragen, wat overigens door het Hof werd gesanctioneerd als een
‘geslachtsbepaalde beroepsactiviteit’. Of voordelig en nadelig
onderscheid aan dezelfde strikte toets moeten worden onderworpen, vormt
binnen de Amerikaanse Supreme Court de kern van de discussie over
positieve discriminatie. Of zoals als minderheidsstandpunt deze zomer
in Adarand werd verdedigd: consistentie in toetsing kan toch niet
inhouden dat het verschil genegeerd wordt tussen een no trespassing-
sign and a welcome-mat (S.Crt. Adarand v. Pena, 13 juni 1995, 63 LW
4523). Het HvJ EG laat zich aan dit verschil echter weinig gelegen
liggen. De twee kanttekening betreft het gewicht dat het Hof geeft aan
het verbod van sekse-onderscheid als individueel recht, waardoor
afwijkingen strikt moeten worden uitgelegd. Op dit punt lijkt niet aan
de indruk te ontkomen dat hierin de conclusie van de AG een rol van
betekenis heeft gespeeld. De AG stelde dat het verbod van
sekse-onderscheid een individueel recht is, waar de uitzondering voor
voorkeursbeleid groepsrechten betreft (RN 1995, 511, r.o. 7). Ik blijf
dat bestrijden. Gesteund ook door de eerder aangehaalde considerans van
de resolutie van de Raad, is het verschil mijns inziens veeleer een
formeel individueel recht tegenover een materieel individueel recht.
Voorkeursbeleid beoogt feitelijke belemmeringen te ondervangen die
voortvloeien uit de maatschappelijke realiteit. Het doel is derhalve
het individu niet alleen een juridische, maar ook een feitelijke
gelijkheid van kansen te garanderen. Op grond van deze uitleg is het
niet zonneklaar dat het laatste een beperktere rechtsgeldigheid heeft
dan het eerste, wat het geval zou zijn indien men ‘afwijkingen’
ongeacht de omstandigheden strikt toetst.

Het Hof vervolgt met aan te geven wat een strikte toets in deze
inhoudt: een absolute en onvoorwaardelijke prioriteit voor vrouwen bij
benoeming of promotie valt buiten de uitzonderingsgrond. Na deze
uiteenzetting zou het arrest moeten leiden naar wat het klapstuk kan
heten. Immers, hoe wordt een nationale regeling getoetst aan het
criterium ‘absoluut en onvoorwaardelij- ke prioriteit’, wanneer deze
regeling prioriteit afhankelijk stelt van twee voorwaarden, namelijk
het zich voordoen van ondervertegenwoordiging in de functiegroep en het
vereiste dat de betreffende vrouw even geschikt is als haar mannelijke
mede-kandidaat. Hier laat het Hof het afweten. Men gaat simpeltjes over
naar het dictum dat samengevat luidt: regelingen zoals in deze zaak
waarin vrouwen bij gelijke kwalificatie automatisch voorrang krijgen
indien zij minder dan helft van de functiegroep uitmaken, zijn niet
toegestaan. Uiteraard zijn op dat moment de uiteenlopende
interpretaties niet van de lucht. Waarschijnlijk vanwege het
tegenstrijdige gegeven dat een regeling die een ‘gelijke
kwalificatie’-eis stelt toch door het Hof wordt opgevat als
‘automatisch prioriteit geven’ en vanwege het eerdere argument dat als
‘gelijk-geschiktheidsbeleid’ niet mag, de uitzonderingsgrond geen be-
staansreden meer heeft, komen de Commissie gelijke behandeling en
minister Melkert tot de conclusie dat niet de voorrang bij gelijke
geschiktheid het struikelblok was voor het Hof, maar de voorrang
voorzover de functiegroep niet voor de helft uit vrouwen bestaat. In
Nederland stelt de Commissie gelijke behandeling
ondervertegenwoordiging vast, wanneer het percentage vrouwen binnen de
functiegroep onder het percentage gekwalificeerd aanbod op de markt
ligt. Door dit verschil met Bremen meent men dat de uitspraak geen of
beperkte gevolgen heeft voor Nederland. Met andere woorden, regelingen
die voorrang geven bij gelijke geschiktheid van kandidaten binnen
functiegroepen waar vrouwen bijvoorbeeld minder dan tien, vijtig of
zestig procent uitmaken, verondersteld dat dit het respectievelijk
marktaanbod is, zouden derhalve niet als automatische of absolute
voorrang worden aangemerkt door het Hof. Strikt genomen vormt dit een
legitieme uitleg, zeker indien men in aanmerking neemt dat als de
vertegenwoordiging in het bedrijf langere tijd onder het aanbod blijft
er een vermoeden ontstaat van feitelijke kansongelijkheid als gevolg
van verborgen attitudes en gedragspatronen, zoals de Raad EG dat noemt.
Hoewel mij de opstelling van de Commissie gezien haar
verantwoordelijkheden een juiste lijkt in de huidige omstan- digheden,
betwijfel ik wel of het HvJ EG zich dusdanig de problematiek eigen
heeft gemaakt dat ingeval een regeling was voorgelegd met een
‘marktconform’-streven van bijvoorbeeld veertig procent vrouwen, het
eindoordeel 180 graden was gedraaid.

Ik vrees veeleer dat het Hof zich vastdraait in zijn denken, hierin
aangezet door de conclusie van de AG. Het vastdraaien blijkt mijns
inziens uit het feit dat uit het dictum lijkt te volgen dat het enige
andere alternatief in deze zaak, namelijk Kalanke aannemen op basis
zijn gelijke geschiktheid, eveneens een ‘automatische voorrang’ naar
sekse lijkt op te leveren. Immers, volgens de feiten blijkt Kalanke niet
over enig kenmerk te beschikken wat hem geschikter voor de functie
maakt dan mevrouw Glissman. Derhalve zou ook zijn benoeming slechts
zijn uit te leggen als een automatisch voordeel op grond van geslacht.
Uitsluitend het opwerpen van een munt maakt het mogelijk de schijnbaar
door het Hof beoogde gelijke kansen tot het bittere einde vol te
houden. Dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest Het lijkt mij dat
het Hof onterecht te weinig gewicht heeft gegeven aan het feit dat in
Bremen wel degelijk vereisten van bekwaamheid worden gesteld. Hierin
kan het Hof door de conclusie van de AG op het verkeerd been zijn
gezet. De AG spreekt op grond van het gestelde streven naar evenredige
vertegenwoordiging in Bremen, van begin af aan van een ‘quotaregeling’.
Vervolgens doet hij het voorstellen alsof het doel van gelijke repre-
sentatie tevens enig en doorslaggevend criterium is voor benoeming van
een vrouw. Er zijn echter geen functies voorbehouden aan uitsluitend
vrouwen. In tegendeel, men mag niet onderdoen voor de mannelijke
mede-kandidaat. Het Hof lijkt de voorstelling van een quotaregeling
over te nemen, wanneer wordt overwogen dat regelingen die gelijke
representatie beogen, het systeem van gelijke kansen zoals voorzien in
artikel 2, lid 4 aan de kant zetten (r.o. 22). Het doel van gelijke
representatie is echter slechts een streven, waarbij het inderdaad
juister is dit streven gelijk te stellen aan het aanbod. Dit streven
staat niet op zichzelf, maar is uiteindelijk terug te voeren op de
gedachte dat bij gelijkheid van kansen de representatie in
functiegroepen op den duur min of meer overeen zal moeten komen met de
sekseverhoudingen binnen de maatschappij of, juister, binnen het
marktaanbod. Gelijke kansen en een streven naar evenredige
representatie zijn derhalve niet onverenigbaar, zoals de AG en het Hof
doen voorkomen. Uiteraard zal de vorm van sekse-onderscheid als middel
om het streven naar evenredigheid dichterbij te brengen, wel
proportioneel moeten zijn aan de mate van achterstand. Het
proportionaliteitsbeginsel laat het Hof echter nergens vallen, ondanks
dat het in Johnston wel expliciet werd genoemd voor de beoordeling van
een uitzondering op het verbod op sekse-onderscheid.

Bovenstaande aspecten zullen opnieuw aan de orde moeten komen, wanneer
een nationale rechter met een voorkeursregeling wordt geconfronteerd.
Het lijkt mij dat in dat geval, gezien de verschillende mogelijkheden
voor interpretatie van het arrest, niet aan nieuwe prejudiciele vragen
is te ontkomen. Dat zou kunnen leiden tot een meer genuanceerd oordeel
wanneer het Hof het eigen arrest nogmaals beziet. Rechters zijn niet
onfeilbaar, wat wel blijkt uit Barber (RN 1990, 116) waarin het
onderscheid tussen gelijkheid in de opbouw van pensioenrechten en
gelijkheid in pensi- oenresultaat over het hoofd was gezien. Een minder
optimistische speculatie zou zijn dat het Hof naar aanleiding van de
ontwikkelingen in de VS bewust tendeert naar meer formele gelijkheid,
waarvoor men met een arrest dat nog verschillende kanten op kan eerst
de stemming heeft gepeild.

Afgezien van de juridische ‘ins and outs’, wil ik tot slot nog een
kanttekening van geheel andere aard zetten bij de ophef die het arrest
heeft veroorzaakt. De emotionaliteit speelt blijkbaar een zo grote rol
bij voorkeursbeleid, dat stelselmatig wordt genegeerd dat bestaand
onderzoek duidelijk maakt dat de praktische uitvoering van
voorkeursregelingen binnen organisaties marginaal is. Dat geldt
misschien nog wel het meest voor de ‘gelijke geschiktheid’-variant,
waarvan op de werkvloer in Nederland wordt geroepen dat dat niet
voorkomt. Men selecteert nu eenmaal tot er een over is en die kandidaat
is derhalve het geschiktst. In die zin is de nasmaak van het arrest
weinig positief. Het kan de progressieve werkgever doen afzien te
zoeken naar effectief controleerbare varianten van positieve actie en
de voorzichtige werkgever doen afzien van elke maatregel.

Albertine Veldman

Rechters

Mrs Rodriquez Iglesias, Kakouris, Edward, Puissochet, Hirsch,Mancini, Schockweiler, Moitinho de Almeida, Kapteyn, Gulmann, Murray

Instantie: Rechtbank Roermond, 12 oktober 1995

Instantie

Rechtbank Roermond

Samenvatting


Op 14 september 1994 vraagt de vrouw, elf jaar na de inschrijving van de
echtscheiding, alimentatie aan haar ex-man, omdat op dat moment de gemeenschappelijke
schulden zijn afbetaald. De rechtbank verklaart haar niet-ontvankelijk
voor zover het de periode na 31 maart 1995 betreft. Het verzoek over de
periode 14 september 1994 tot en met 31 maart 1995 wordt afgewezen omdat
in deze periode de man geen financiële draagkracht heeft om tot betaling
van de gevraagde alimentatie over te gaan.

Volledige tekst

Het verzoekschrift houdt in dat de rechtbank ten behoeve van verzoekster
en ten laste van verweerder een uitkering tot levensonderhoud zal bepalen
van ƒ 750,- per maand, een en ander als nader in dit verzoekschrift is
aangegeven, naar de inhoud waarvan de rechtbank verwijst. Verweerder heeft
op 19 oktober 1994 een verweerschrift bij de rechtbank ingediend.
Voor wat het verweer betreft verwijst de rechtbank naar de inhoud van dit
verweerschrift.

Ter zitting van 9 december 1994 is de mondelinge behandeling aangehouden
in afwachting van de beslissing van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch
op het door beide partijen ingestelde hoger beroep tegen de hier nagenoemde
beschikking van deze rechtbank van 19 augustus 1994.

Bij brief d.d. 7 juni 1995 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift
ingediend, waarnaar eveneens wordt verwezen.

Op 8 juni 995 heeft de nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden. De
griffier heeff van de inhoud daarvan aantekening gehouden.
Bij deze behandeling zijn verschenen:
partijen, bijgestaan door hun advocaten.

Omtrent de financiële situatie van verweerder zijn door deze bescheiden
geproduceerd.

Ten aanzien van partijen is gebleken:

Bij uitspraak van deze rechtbank van 24 februari 1983 is tussen partijen
de echtscheiding uitgesproken. Die uitspraak is op 31 maart 1983 ingeschreven
in de registers van de burgerlijke stand.
Bij uitspraak van deze rechtbank van 19 augustus 1994 is de aan verweerder
opgelegde verplichting om bij te dragen in de kosten van verzorging en
opvoeding van het minderjarig kind van partijen J. geboren te Tegelen op
6 januari 1979 bepaald op een bedrag van ƒ 250,- per maand.

Na daartoe ingesteld hoger beroep is met vernietiging van die uitspraak
bij beschikking van het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch de kinderbijdrage
aldus vastgesteld dat verweerder gedurende de periode 18 april 1994 tot
1 januari
1995 een bedrag van ƒ 400,- per maand heeft te betalen en met ingang van
1 januari 1995 een bedrag van ƒ 250,- per maand.

Het verzoek

Verzoekster heeft haar verzoek gegrond op de gestegen inkomstenpositie
van verweerder en het feit dat de gemeenschapsschulden inmiddels zijn afbetaald.
Zij is van mening dat verweerder thans een bijdrage kan leveren in de kosten
van haar levensonderhoud.

Het verweer

Verweerder heeft primair tot verweer aangevoerd dat in casu van toepassing
is artikel 1:157 BW, zoals dit luidt sedert 1 juli 1994. Hij is van mening
dat verzoekster op grond daarvan niet ontvankelijk verklaard dient te worden.
Voorts betwist verweerder dat verzoekster behoefte heeft aan alimentatie
omdat zij een bijstandsuitkering ontvangt. Tenslotte stelt hij dat hij
op 17 september 1994 is gaan samenwonen met een nieuwe partner en haar
vijf kinderen. Deze partner heeft geen eigen inkomen. Verweerder meent
dat hij niet in staat is de door verzoekster gevraagde uitkering voor levensonderhoud
te betalen.

Het oordeel van de rechtbank:

De rechtbank zal allereerst behandelen het primaire verweer dat verzoekster
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Vaststaat, dat noch bij vonnis van 24 februari 1983 noch bij latere uitspraak
een uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van verzoekster is gevorderd
en toegekend, danwel tussen partijen is overeengekomen.
Juist is dat in casu op grond van overgangsrecht van toepassing is artikel
1:157 BW zoals dit sedert 1 juli 1994 luidt. Op grond van lid 4 van dit
artikel eindigt in gevallen, waarin niet eerder een uitkering tot levensonderhoud
werd vastgesteld of overeengekomen, de verplichting tot levensonderhoud
na het verstrijken van een termijn van 12 jaar, die aanvangt op de datum
van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de
burgerlijke stand.
Van het in lid 5 van artikel 1:157 BW bepaalde is niets gesteld of gebleken.
In het onderhavige geval eindigde de genoemde termijn van 12 jaar op 31
maart 1995. Verzoekster is dan ook niet-ontvankelijk in haar verzoek voor
zover zich dat uitstrekt over de periode na 31 maart 1995.
Verzoekster heeft bij de mondelinge behandeling gesteld dat zij in leder
geval nog wel recht op alimentatie heeft over de periode vanaf de datum
van indiening verzoekschrift tot 31 maart 1995. De rechtbank zal deze stelling
opvatten als een verzoek tot nadere -subsidiaire- aanvulling van het petitum,
tegen welk verzoek verweerder zich niet heeft verzet.
De rechtbank is van oordeel dat verzoekster in dit verzoek kan worden ontvangen
en dat thans beoordeeld dient te worden of verweerder zodanige draagkracht
had dat vaststelling van de door verzoekster gevraagde alimentatie over
de periode 14 september 1994 tot 31 maart 1995 gerechtvaardigd is, waarbij
de rechtbank reeds aanstonds opmerkt dat de stelling van verweerder dat
verzoekster geen behoefte heeft aan alimentatie nu zij een bijstandsuitkering
ontvangt, zonder meer wordt gepasseerd.

Verweerder heeft gesteld dat hij sedert 17 september 1994 samenwoont met
een nieuwe partner met vijf kinderen. De nieuwe partner heeft geen eigen
inkomen en komt volledig ten zijne laste.

Voor de beoordeling van de draagkracht van verweerder gaat de rechtbank
uit van de overgelegde salarisspecificaties over de maanden september 1994
tot en met maart 1995. Hieruit blijkt dat verweerder een gemiddeld netto
maandsalaris heeft van ongeveer ƒ 3.050,-, zulks inclusief vakantie-toeslag
en overwerk in september 1994 en januari en februari 1995.
Op grond van de overgelegde verklaring van de werkgever van verweerder
acht de rechtbank niet voldoende aannemelijk dat verweerder, die als internationaal
service-monteur veelvuldig in het buitenland verblijft, naast reis- en
verblijfkosten, die kennelijk op declaratie-basis worden vergoed, nog extra
vergoedingen ontvangt, zoals verzoekster beweert.

Voor wat betreft de -overigens onweersproken- maandelijkse lasten houdt
de
rechtbank rekening met:
– de ABW-gezinsnorm, exclusief de woonnorm, zijnde ƒ 1.567.-;
– netto hypotheeklasten ad ƒ 933,-;
– het woonlastenforfait ad ƒ 150,-.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er, naast de
door het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch vastgestelde kinderbijdrage, in
de periode van 14 september 1994 tot 31 maart 1995 geen financiële draagkracht
aanwezig was tot betaling van de door verzoekster gevraagde uitkering tot
levensonderhoud, waarbij de rechtbank er wel van uit gaat dat de opgelegde
kinderbijdrage, waarvan ter zitting is gebleken dat verweerder deze niet
voldoet, daadwerkelijk wordt betaald.
Daarom dient omtrent het verzoek beslist te worden zoals hierna bepaald.

BESLISSING

wijst het verzoek van verzoekster af, voorzover betreffende de periode
van 14 september 1994 tot en met 31 maart 1995;

verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek voor zover betreffend
de periode vanaf 31 maart 1995.

Rechters

Mrs Smeenk-van der Weijden en Gruiters

Instantie: Hof Amsterdam, 12 oktober 1995

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


De president van de rechtbank heeft de vader op 9 maart veroordeeld tot het
betalen van een voorschot op de immateriële schade van ƒ 5000 omdat de vader
ontucht heeft gepleegd met zijn dochter. De vader gaat van dit vonnis in
hoger beroep. In hoger beroep oordeelt het hof dat de president de vordering
van de dochter terecht heeft toegewezen. De vader is ook strafrechtelijk
veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden
voorwaardelijk. (Ook rechtbank Amsterdam 9 maart 1995 is opgenomen).

Volledige tekst

;Rechtbank Amsterdam 9 maart 1995, rolnummer KG 95/391 SB, mr. E.
Steffan-Bakker
Verloop van de procedure:
Ter terechtzitting van 21 februari 1995 heeft de vader gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
De vader heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde
voorziening.
Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden producties
en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijzing.
Gronden van de beslissing:
1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:
a. De dochter heeft op 5 april 1993 aangifte gedaan bij de jeugd- en
zedenpolitie te Amsterdam van ontucht door K, haar vader, gepleegd tot eind
1992. Ook op 30 september 1993 heeft zij daaromtrent een verklaring afgelegd
ten overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken.
b. Blijkens processen-verbaal van de gemeentepolitie te Amsterdam d.d. 5
april en 13 mei 1993 hebben U, L en H, respectievelijk huidige en vroegere
vriendin van de dochter en `tante’ (zus van haar stiefmoeder) ieder
afzonderlijk verklaard – kort gezegd – dat de dochter heeft verteld dat haar
vader ontucht met haar heeft gepleegd.
c. De vader is bij vonnis d.d. 15 november 1994 van de meervoudige strafkamer
van deze rechtbank veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan
zes maanden voorwaardelijk, wegens ontucht met zijn dochter. De vader is van
dat vonnis in hoger beroep gegaan.
d. De dochter is geruime tijd arbeidsongeschikt geweest. Zij lijdt aan
concentratiestoornissen en depressieve buien. Zij volgt hiervoor eenmaal per
week therapie bij het RIAGG in Amsterdam.
e. De dochter werkt thans part-time als bejaardenverzorgster en heeft een
aanvullende uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet.
2. De dochter vordert een voorschot van ƒ 5.000 op immateriële schade die zij
stelt door toedoen van de vader te hebben geleden.
3. De vader betwist de door de dochter gestelde gebeurtenissen. Volgens hem
is de aangifte ongeloofwaardig en is haar verklaring bovendien op diverse
punten tegenstrijdig:
aan haar toenmalige vriendin L heeft zij een ander verhaal verteld dan aan
haar huidige vriendin U.
De beschuldiging strookt volgens de vader niet met zijn geloof: als moslim
duldde hij al niet dat de dochter in huis in nachtkleding rondliep, laat
staan dat hij ontucht met haar zou hebben gepleegd.
4. De dochter heeft onder meer een aantal processen-verbaal overgelegd uit
het strafdossier, alsmede een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming.
5. Op grond van die stukken, die bij beide partijen bekend zijn en als hier
herhaald en ingelast worden beschouwd, is voldoende aannemelijk geworden dat
de vader zijn dochter gedurende lange tijd seksueel heeft misbruikt, waardoor
hij ernstig geestelijk leed bij haar heeft veroorzaakt. De diverse
verklaringen zoals weergegeven in de overgelegde processen-verbaal van
politie en rechter-commissaris zijn dermate consistent en gedetailleerd dat
daaraan niet afdoet dat deze onderling op niet relevante details verschillen.
Ook de meervoudige strafkamer van deze rechtbank heeft de feiten wettig en
overtuigend bewezen geacht en de vader terzake veroordeeld. Dit alles
rechtvaardigt de toekenning van een voorschot op vergoeding van immateriële
schade, ter nadere verrekening met hetgeen de vader ten gronde zal blijken
verschuldigd te zijn.
6. Dat zijn geloof de vader zou verbieden ontucht te plegen, wil nog niet
zeggen dat de vader zich aan dit verbod heeft gehouden.
7. Voorts heeft de vader aangevoerd dat het vereiste causale verband
ontbreekt tussen de hem verweten gedragingen en de psychische problemen
waarmee de dochter thans te kampen heeft.
Van algemene bekendheid is dat incestslachtoffers door hun ervaringen ernstig
getraumatiseerd kunnen raken. Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen
ter zitting naar voren is gebracht, is er alle aanleiding te concluderen dat
dit ook voor de dochter geldt. Dit verweer faalt dus.
8. Toekenning van een voorschot op schadevergoeding in kort geding is te
beschouwen als een zekere vorm van erkenning en compensatie van aangedaan
leed.
Reeds op deze grond heeft de dochter een spoedeisend belang bij toewijzing
van het gevorderde en behoeft zij niet het resultaat van een eventuele
bodemprocedure af te wachten.
9. Nu geen verband behoeft te bestaan tussen de aard van de geleden schade en
de besteding van het toegekende voorschot, faalt het verweer van de vader dat
de door de dochter gevolgde therapie wordt vergoed door het ziekenfonds c.q.
dat zij voldoende inkomsten heeft om sociale aktiviteiten te bekostigen.
10. De vader heeft zich tenslotte nog beroepen op het bepaalde in artikel
3:310 lid 1 BW, op grond waarvan de vordering van de dochter zou zijn
verjaard. Dat is niet het geval. Zelfs al zou de in dat artikel genoemde
korte termijn van vijf jaar van toepassing zijn en niet de langere termijn
van twintig jaar, dan nog kan van verjaring geen sprake zijn, nu de
gebeurtenissen zich tot eind 1992 hebben voorgedaan.
11. De vader wordt in de proceskosten veroordeeld.
Beslissing:
1. Veroordeelt de vader aan de dochter te voldoen een bedrag van ƒ 5000
(vijfduizend gulden).
2. Veroordeelt de vader in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde
van de dochter begroot op en te voldoen als volgt:
– aan de dochter:
ƒ 87,50 aan de bij haar gevallen kosten van vastrecht, en
– aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 262,50 aan overig vastrecht,
ƒ 122,62 aan exploitkosten, en
ƒ 1500 aan salaris procureur.
3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4. Wijst het meer of anders gevorderde af.
Hof Amsterdam 12 oktober 1995
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Bij dagvaarding van 22 maart 1995 is de vader in hoger beroep gekomen
van een door de president van de rechtbank te Amsterdam onder rolnummer KG
95/391 SB gewezen en op 9 maart 1995 uitgesproken vonnis.
1.2. Bij memorie heeft de vader vier grieven tegen het vonnis aangevoerd en
geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende,
bij arrest de vordering van de dochter alsnog zal afwijzen, met veroordeling
van de dochter in de kosten van beide instanties.
1.3. De dochter heeft bij memorie van antwoord onder overlegging van
producties de juistheid van de grieven bestreden en geconcludeerd tot
bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van de vader in de
proceskosten.
1.4. Vervolgens hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties
aan het hof overgelegd voor het wijzen van arrest. De inhoud van alle stukken
geldt als hier ingelast.
2. De grieven
De grieven 1 tot en met 3 houden in dat de president ten onrechte in
overweging 5, respectievelijk 7 en 10 van het vonnis heeft overwogen zoals
zij heeft gedaan, terwijl de vierde grief algemeen is en inhoudt dat de
president ten onrechte het gevorderde heeft toegewezen met veroordeling van
de vader in de proceskosten.
3. Waarvan het hof uitgaat
Geen grief is aangevoerd tegen overweging 1. van het vonnis. Van de in die
overweging onder a. tot en met e. vermelde feiten, die hierna worden
weergegeven, wordt daarom ook in hoger beroep uitgegaan.
a. De dochter heeft op 5 april 1993 aangifte gedaan bij de jeugd- en
zedenpolitie te Amsterdam van ontucht door de vader gepleegd tot eind 1992.
Ook op 30 september 1993 heeft zij daaromtrent een verklaring afgelegd ten
overstaan van de rechter-commissaris in strafzaken.
b. Blijkens processen-verbaal van de gemeentepolitie te Amsterdam d.d. 5
april en 13 mei 1993 hebben U, L en H, respectievelijk huidige en vroegere
vriendin van de dochter en haar `tante’ (zus van haar stiefmoeder) ieder
afzonderlijk verklaard – kort gezegd – dat de dochter heeft verteld dat haar
vader ontucht met haar heeft gepleegd.
c. De vader is bij vonnis d.d. 15 november 1994 van de meervoudige strafkamer
van de rechtbank te Amsterdam veroordeeld tot achttien maanden
gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens ontucht met de
dochter. De vader is van dat vonnis in hoger beroep gegaan.
d. De dochter is geruime tijd arbeidsongeschikt geweest. Zij lijdt aan
concentratiestoornissen en depressieve buien. Zij volgt hiervoor eenmaal per
week therapie bij het RIAGG in Amsterdam.
e. De dochter werkt thans part-time als bejaardenverzorgster en heeft een
aanvullende uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. De eerste grief faalt. Terecht heeft de president overwogen dat
voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat de vader de dochter seksueel
heeft misbruikt.
Voor dit oordeel is in de eerste plaats van groot gewicht dat de strafkamer
van de rechtbank de feiten wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard en
de vader ter zake heeft veroordeeld. Dat namens de vader hoger beroep is
ingesteld tegen het strafvonnis doet daar niet aan af.
Voorts zijn de door de dochter tegenover de politie en tegenover de
rechter-commissaris afgelegde verklaringen uitvoerig, consistent en
gedetailleerd en vinden deze steun in de verklaringen van de getuigen H, L en
U. Van verschillen op meer dan ondergeschikte punten tussen deze verklaringen
is geen sprake.
Anders dan de vader betoogt pleit de omstandigheid dat de dochter niet eerder
tegenover derden over het seksueel misbruik heeft gesproken niet tegen het
waarheidsgehalte van de aangifte door de dochter, nu het een feit van
algemene bekendheid is dat incestslachtoffers vaak jaren nodig hebben voor
zij deze stap kunnen maken.
Niet aannemelijk is geworden dat de dochter tot de aangifte tegen de vader is
gebracht door de omstandigheid dat hij haar lesbische geaardheid niet heeft
geaccepteerd, hetgeen tot ruzies tussen hen heeft geleid en – uiteindelijk –
tot haar vertrek uit het ouderlijk huis.
4.2. De tweede grief mist blijkens de toelichting zelfstandige betekenis en
deelt daarom het lot van de eerste.
4.3. De derde grief faalt eveneens, reeds omdat het vierde lid van artikel
3:310 BW voor rechtsvorderingen tot vergoeding van schade in zaken als de
onderhavige een afwijkende – langere – verjaringstermijn bevat.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat ook de vierde grief niet opgaat. De
president heeft de vordering terecht toegewezen met veroordeling van de vader
in de proceskosten.
Als in het ongelijk gestelde partij wordt de vader ook in de kosten van het
hoger beroep verwezen.
4.5. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
verwijst de vader in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de
dochter tot deze uitspraak begroot op ƒ 1865, op de voet van artikel 57b Rv
te voldoen aan de griffier van dit hof.

Rechters

Mrs. Willems-Morsink, Yland-van Veen en Streefkerk

Instantie: President rechtbank Alkmaar, 12 oktober 1995

Instantie

President rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde is wegens verkrachting van eiseres veroordeeld tot een
gevangenisstraf van zes maanden, welke straf is omgezet in 240 uur
dienstverlening. Eiseres vordert nu ƒ 10 000 als voorschot op de door haar
geleden materiële en immateriële schade.
De president oordeelt dat het gevorderde voorschot op de materiële
schadevergoeding zich niet leent voor toewijzing in dit kort geding. De
president wijst toe een bedrag van ƒ 10 000 als voorschot op de
schadevergoeding.
(KG nummer 270/1995 KW, 12 oktober 1995, B, eiser in kort geding, tegen
dezelfde gedaagde. Uitspraak vrijwel identiek.)

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
Ter terechtzitting van 5 oktober 1995 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
Gedaagde heeft de vordering bestreden.
Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.
De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.
De behandeling van de zaak
1. De uitgangspunten
Eiseres heeft op 5 juli 1992 aangifte gedaan van seksueel misbruik door
gedaagde vanaf haar 13e jaar. Gedaagde is wegens het hebben van vleselijke
gemeenschap met eiseres in de periode van 1 mei 1988 tot en met 1 oktober
1990 door de rechtbank Alkmaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6
maanden, welke straf is omgezet in 240 uur dienstverlening.
2. De vordering
2.1. Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde om
aan eiseres te betalen een bedrag van ƒ 10 000 als voorschot op de door haar
geleden materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente
vanaf de dag der dagvaarding tot aan de voldoening en veroordeling van
gedaagde in de kosten van het geding.
2.2. Eiseres stelt daartoe dat gedaagde door het plegen van seksueel misbruik
onrechtmatig jegens eiseres heeft gehandeld, waardoor zij materiële en
immateriële schade heeft geleden en nog steeds lijdt.
2.3. Het seksueel misbruik heeft geleid tot groot geestelijk letsel bij
eiseres. Eiseres kreeg last van concentratieproblemen, raakte depressief en
verkeerde in een identiteitscrisis. De HAVO- en MEAO-opleiding heeft zij
gestaakt in de periode dat zij aangifte heeft gedaan en door het RIAGG
behandeld werd. Voorts heeft zij slaapproblemen, nachtmerries, problemen met
seksualiteit en is zij wantrouwend tegenover mannen.
2.4. De materiële schade bestaat uit o.a. gederfd arbeidsinkomen, de ontstane
vertraging in de strafzaak, de kosten van de reis naar Israël, het niet
kunnen afronden van een opleiding en het later dan verwacht kunnen deelnemen
aan het arbeidsproces.
2.5. Eiseres stelt belang te hebben bij een snelle afdoening van de
procedure, derhalve bij toewijzing van een voorschot op de schadevergoeding
aangezien zij dan pas het hoofdstuk van het seksueel misbruik door gedaagde,
voorzover mogelijk, kan afsluiten.
3. Het verweer
Gedaagde bestrijdt dat eiseres een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde
voorziening, aangezien zij reeds tijdens de strafzaak een civiele procedure
had kunnen beginnen. Hij stelt dat hij eiseres een aanbod heeft gedaan van ƒ
5000, welk aanbod door eiseres niet is aanvaard. Voorts stelt gedaagde dat
eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden.
4. De gronden van de beslissing
4.1. Gedaagde heeft in de periode 1 mei 1988 tot en met 1 oktober 1990
seksueel misbruik gepleegd met eiseres vanaf haar 13e jaar, waarvoor hij
strafrechtelijk is veroordeeld. Daarmee staat de onrechtmatige daad jegens
eiseres vast.
4.2. Vaststaat dat eiseres door onrechtmatig handelen van gedaagde psychische
schade heeft opgelopen. Uit de stukken en het ter zitting gestelde is
voldoende gebleken dat het misbruik heeft geleid tot geestelijk letsel. Een
schadevergoeding kan ertoe bijdragen dat eiseres met de verwerking van
hetgeen in het verleden is gebeurd kan beginnen. Hiermee is het spoedeisend
belang dat eiseres heeft bij toewijzing van de vordering gegeven.
4.3. Eiseres heeft een voorschot op de schadevergoeding ad ƒ 10 000
gevorderd, bestaande uit geleden materiële en geleden immateriële schade. Het
door eiseres gevorderde voorschot op de materiële schadevergoeding leent zich
niet voor toewijzing in dit kort geding, nu voor het vaststellen hiervan een
uitvoerig onderzoek nodig is.
Gelet op de ernst van het misdrijf, de leeftijd van eiseres ten tijde van het
delict, de tijdsperiode waarin het misbruik zich heeft voorgedaan, de door
het misbruik veroorzaakt posttraumatische stress-stoornis, de langdurige
therapeutische behandeling die eiseres heeft ondergaan stelt de president het
voorschot op de schadevergoeding vast op ƒ 10 000.
Beslissing
De president:
Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van ƒ 10 000
(tienduizend gulden) als voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 18 september 1995 tot
aan de algehele voldoening;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde
van eiseres begroot op ƒ 350 aan verschotten en ƒ 1500 aan salaris van de
procureur;
Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. J.C. van Dijk

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 12 oktober 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Eiser stelt dat gedaagde in de periode 1 april 1986 tot en met 24 juli 1989
ontuchtige handelingen met hem heeft gepleegd. Gedaagde is hiervoor door de
rechtbank Alkmaar veroordeeld.
Eiser vordert van gedaagde een voorschot op de door hem geleden materiële en
immateriële schadevergoeding van ƒ 10 000. De president stelt dat het
gevorderde voorschot op de materiële schadevergoeding niet voor toewijzing in
aanmerking komt maar wel het voorschot op de immateriële schadevergoeding. De
president wijst daarvoor ƒ 10 000 toe.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
Ter terechtzitting van 5 oktober 1995 heeft eiser gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotocopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
Gedaagde heeft de vordering bestreden.
Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden
pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.
De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.
De behandeling van de zaak
1. De uitgangspunten
Eiser heeft op 24 juli 1992 aangifte gedaan van het feit dat gedaagde
in de periode 1 april 1986 tot en met 24 juli 1989 ontuchtige handelingen met
hem heeft gepleegd. Deze handelingen hebben vanaf zijn 13e/14e jaar
plaatsgevonden. Gedaagde is wegens het plegen van ontuchtige handelingen door
de rechtbank Alkmaar veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, welke
straf is omgezet in 240 uur dienstverlening.
2. De vordering
2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – veroordeling van gedaagde om aan
eiser te betalen een bedrag van ƒ 10 000 als voorschot op de door hem geleden
materiële en immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de
dag der dagvaarding tot aan de voldoening en veroordeling van gedaagde in de
kosten van het geding.
2.2. Eiser stelt daartoe dat gedaagde door het plegen van seksueel misbruik
onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld, waardoor hij materiële en
immateriële schade heeft geleden en nog steeds lijdt.
2.3. Eiser heeft als gevolg van het seksueel misbruik op jonge leeftijd en het
feit dat hij dit misbruik tot op heden heeft verdrongen psychische schade
opgelopen: slaapproblemen, nachtmerries, wantrouwen tegenover anderen, het
kwijtraken van spontaniteit, eenzaamheid, identiteitscrisis,
studieachterstand.
2.4. De materiële schade bestaat uit o.a. advocaatkosten, de kosten in
verband met het bijwonen en voorbereiden van de strafzaak, kosten voor
scholing teneinde zich een beter opleidingsniveau te verschaffen dan het
niveau waarop gedaagde als gevolg van het
seksueel misbruik thans werkzaam is.
2.5. Eiser stelt belang te hebben bij een snelle afwikkeling van de procedure
en derhalve bij het toewijzen van een voorschot op de schadevergoeding
aangezien hij dan pas het hoofdstuk van het seksueel misbruik, voorzover
mogelijk, kan afsluiten.

3. Het verweer

Gedaagde bestrijdt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde
voorziening, aangezien hij reeds tijdens de strafzaak een civiele procedure
had kunnen beginnen. Hij stelt dat hij eiser een aanbod heeft gedaan van ƒ
5000, welk aanbod door eiser niet is aanvaard. Voorts stelt gedaagde dat
eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden.
4. De gronden van de beslissing
4.1. Gedaagde heeft in de periode 1 april 1986 tot en met 24 juli 1989
ontuchtige handelingen gepleegd met eiser vanaf zijn 13e/14e jaar, waarvoor
hij strafrechtelijk is veroordeeld. Daarmee staat de onrechtmatige daad
jegens eiser vast.
4.2. Vaststaat dat eiser door onrechtmatig handelen van gedaagde psychische
schade heeft opgelopen. Uit de stukken en het ter zitting gestelde is
voldoende gebleken dat het misbruik heeft geleid tot geestelijk letsel. Een
schadevergoeding kan ertoe bijdragen dat eiser met de verwerking van hetgeen
in het verleden is gebeurd kan beginnen. Hiermee is het spoedeisend belang
dat eiser heeft bij toewijzing van de vordering gegeven.
4.3. Eiser heeft een voorschot op de schadevergoeding ad ƒ 10 000 gevorderd,
bestaande uit geleden materiële en geleden immateriële schade. Het door eiser
gevorderde voorschot op de materiële schadevergoeding leent zich niet voor
toewijzing in dit kort geding, nu voor het vaststellen hiervan een uitvoering
onderzoek nodig is.
Gelet op de ernst van het misdrijf, de leeftijd van eiser ten tijde van het
delict, de tijdsperiode waarin het misbruik zich heeft voorgedaan en de
omvang van de door eiser geleden psychische schade stelt de president het
voorschot op de schadevergoeding vast op ƒ 10 000.
Beslissing
De president:
Veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een bedrag van ƒ 10 000
(tienduizend gulden) als voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, zijnde 18 september 1995 tot
aan de algehele voldoening;
Veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde
van eiser begroot op ƒ 350 aan verschotten en ƒ 1500 aan salaris van de
procureur;
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr. J.C. van Dijk