Instantie: Commissie gelijke behandeling, 9 oktober 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker heeft gesolliciteerd naar de functie van gemeentesecretaris.
De
advertentie vermeldde dat vrouwen, gehandicapten en leden van etnische
minderheidsgroepen uitdrukkelijk verzocht werden te solliciteren en dat
zij
bij gelijke geschiktheid de voorkeur zouden krijgen. Verzoeker is voor
de
functie afgewezen.
De afwijzingsbrief van verzoeker vermeldt dat is geselecteerd op grond
van
opleiding en ervaring. De commissie acht dat ter zitting voldoende vast
is
komen te staan dat verzoeker in de eerste selectie is afgewezen op grond
van
functievereisten.
Het voorkeursbeleid heeft bij de eerste selectie geen rol gespeeld. Dat
brengt mee dat verzoeker niet toekomt aan een inhoudelijke toetsing van
het
voorkeursbeleid. Geen strijd met de WGB en/of AWGB.

Volledige tekst

ORDEEL

Rechters

Mw mr L.Y. Gonçalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw mr L. Mulder (lidkamer), dhr mr P.R. Rodrigues (lid kamer), mw mr M.M. Hübner (secretariskamer)

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 5 oktober 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


In kort geding heeft de rechtbank de vader veroordeeld tot het betalen van
schadevergoeding, ƒ 8000, aan zijn drie dochters wegens incest.
De vader is gescheiden van de moeder en heeft weer contact met zijn dochters
gekregen toen zij dertien, zeventien en achttien jaar waren. Daarom meent hij
dat zijn dochters een eigen verantwoordelijkheid droegen gezien hun leeftijd
en de duur van de relatie. Dit verweer wordt door het hof afgewezen.
Ook het verweer dat de schade grotendeels is veroorzaakt door het seksueel
misbruik van de dochters door de twee stiefvaders wordt door het hof terzijde
gelegd. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Bij exploit van 15 februari 1995 is appellant in hoger beroep gekomen
van een op 2 februari 1995 uitgesproken vonnis van de president van de
rechtbank Amsterdam, onder rolnummer KG 95/98Be gewezen tussen geïntimeerden
als eiseressen en hem als gedaagde.

1.2. Bij memorie heeft appellant tegen het vonnis waarvan beroep vier grieven
aangevoerd en geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en,
opnieuw rechtdoende, de vordering tot betaling van ƒ 8000 aan elk van hen
door appellant af zal wijzen, alsmede het verbod van appellant geïntimeerden
te volgen en op enigerlei wijze contact met hen op te nemen zal ontzeggen,
met compensatie van de proceskosten.

1.3. Bij memorie van antwoord hebben geïntimeerden de grieven bestreden,
bewijs van hun stellingen aangeboden en geconcludeerd dat het hof bij arrest
uitvoerbaar bij voorraad het appel van appellant niet ontvankelijk zal
verklaren, c.q. hem zijn vorderingen zal ontzeggen, alsmede het bestreden
vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van appellant in de kosten van het
hoger beroep.

1.4. Vervolgens hebben partijen de zaak door hun procureurs doen bepleiten
aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities, bij welke gelegenheid
geïntimeerden bij akte producties in het geding hebben gebracht.

1.5. Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties,
waarvan de inhoud als hier ingevoegd geldt, aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.

2. De grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.

3. De vaststaande feiten

De president heeft in rechtsoverweging 1 onder a tot en met f een aantal
vaststaande feiten opgesomd. Nu tegen die opsomming geen grief is gericht zal
ook het hof van die feiten uitgaan.

4. De beoordeling van het hoger beroep

4.1. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. a) Geïntimeerden
zijn zusters. Zij hebben op 13 juni 1994 bij de Jeugd- en Zedenpolitie te
Amsterdam aangifte gedaan van seksueel misbruik en verkrachting, gepleegd
door appellant, hun vader.

b) Geïntimeerde sub 1, Vera, geboren op 30 oktober 1963, heeft aangifte
gedaan van seksueel misbruik en verkrachting door haar vader, gepleegd in
1983 en 1984.
Geïntimeerde sub 3, Sophia, geboren op 31 mei 1962, heeft van deze feiten
aangifte gedaan over de periode 1980 tot juni 1994.

Geïntimeerde sub 2, Jolanda, geboren op 11 februari 1967, heeft tenslotte ter
zake van genoemde feiten aangifte gedaan over de periode 1986 tot juni 1994.

c) Appellant heeft na zijn echtscheiding van de moeder van geïntimeerden in
1967 de gemeenschappelijke woning verlaten. Hij is voor het eerst in 1980
opnieuw met zijn dochters in contact gekomen.

d) Appellant heeft in het kader van het tegen hem aanhangig gemaakte
strafrechtelijk onderzoek erkend met geïntimeerden een seksuele relatie te
hebben gehad. Hij heeft echter ontkend dat sprake is geweest van
verkrachting.

e) Geïntimeerden zijn op jeugdige leeftijd achtereenvolgens door twee
verschillende stiefvaders seksueel misbruikt. Zij zijn thans alle drie in
therapie.

f) Geïntimeerden hebben gevorderd appellant te veroordelen aan elk van hen ƒ
8000 te betalen als voorschot op de bij hen aangerichte materiële en
immateriële schade, welke vordering door de president, tezamen met het mede
gevorderde contactverbod, is toegewezen.

g) Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende redenering komt
appellant met vier grieven op.
De eerste drie grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2. Ter toelichting op genoemde grieven heeft appellant aangevoerd, zakelijk
weergegeven, dat geen sprake is geweest van dwang, dat integendeel het
initiatief tot het aangaan van de seksuele relatie steeds van geïntimeerden
is uitgegaan, dat hij weliswaar wist dat hij aan de relatie een einde diende
te maken doch dat hij niet tegen de druk van geïntimeerden was opgewassen,
waar bij komt dat geïntimeerden op een leeftijd waren dat zij wisten waar zij
aan begonnen, terwijl met name J en S gezien de lange duur van de relatie een
eigen verantwoordelijkheid droegen.
Voorts kan volgens appellant de gestelde schade niet aan hem worden
toegerekend nu deze het gevolg is van de handelwijze van de beide
stiefvaders. Hij zou zich de verhoogde kwetsbaarheid van geïntimeerden als
gevolg van bedoelde handelwijze niet hebben gerealiseerd.
Tenslotte betwist appellant zowel de hoogte van de hem opgelegde
schadevergoeding als het feit dat hij tot betaling hiervan in staat is.

4.3. Het hof stelt voorop dat in geval van een strafrechtelijke veroordeling
van appellant de onrechtmatigheid van zijn handelen gegeven is. Het ontbreken
van zodanige veroordeling brengt evenwel nog niet mee dat geen sprake is van
een onrechtmatige daad aan zijn zijde. Ook appellant zelf vindt zijn
handelwijze ten opzichte van zijn dochters verwerpelijk (pleitnotities hoger
beroep blz 2, 4e alinea), doch meent dat ook aan hun een verwijt kan worden
gemaakt.
Afgezien van het feit dat geïntimeerden ieder initiatief van hun zijde
uitdrukkelijk ontkennen had appellant zich het onrechtmatig karakter van zijn
handelwijze moeten realiseren. Hoewel hij betwist de verhoogde kwetsbaarheid
van zijn dochters te hebben onderkend had hij zich hiervan rekenschap behoren
te geven. Hij had moeten beseffen dat zijn dochters, die hem dertien jaar
lang niet hadden gezien, zich juist na hun slechte ervaringen met die
stiefvaders aanhankelijk tegenover hem, hun eigen vader, zouden betonen. Hij
heeft van deze aanhankelijkheid en hun vertrouwen in hem op grove wijze
misbruikt gemaakt.

4.4. Dat de emotionele schade van geïntimeerden wellicht mede aan het
misbruik door de stiefvaders zal kunnen worden toegeschreven betekent niet
dat niet ook appellant hieraan in belangrijke mate heeft bijgedragen. Zo is
uit de reactie van geïntimeerden ter terechtzitting in hoger beroep gebleken
hoe zeer zij zich juist door hun vader verraden voelen.

4.5. Het vorenoverwogene brengt mee dat voorshands voldoende aannemelijk moet
worden geacht dat de rechter in de reeds aanhangig gemaakte bodemprocedure de
vordering tot schadevergoeding van geïntimeerden zal toewijzen. Dat appellant
het door de president opgelegde bedrag niet kan betalen is niet, althans
onvoldoende aannemelijk. Het hof ziet, mede gezien de omstandigheden van dit
geval, geen aanleiding tot matiging van bedoeld bedrag.
De eerste drie grieven falen derhalve.

4.6. De vierde grief betreft het door de president opgelegde contactverbod.
Appellant stelt in de toelichting op deze grief eigenlijk niet meer dan dat
hij ook geen poging doet met geïntimeerden in contact te komen. Afgezien van
het feit dat appellant derhalve bij de grief kennelijk geen belang heeft,
neemt het hof in aanmerking dat geïntimeerden ter terechtzitting in hoger
beroep blijk ervan hebben gegeven het desbetreffende verbod ten zeerste op
prijs te stellen, het gaf hun rust naar zij zeiden.
Ook de vierde grief moet in verband hiermee worden verworpen.

4.7. Nu geen van de grieven slaagt moet het vonnis waarvan beroep worden
bekrachtigd. Ondanks de familierelatie acht het hof termen aanwezig appellant
als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van het
geding in hoger beroep.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op
deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op ƒ 4760 ingevolge
artikel 57b Rv. te betalen aan de griffier van het hof.

Rechters

Mrs Aaftink, Coeterier en Schrage

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 4 oktober 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een gelijk loon procedure bij de Commissie lopen. De
wederpartij heeft het voornemen verzoekster te ontslaan. Volgens
verzoekster speelt hierbij het feit dat verzoekster een procedure bij
de Commissie aanhangig heeft gemaakt, een rol. Verzoekster baseert dit
beroep op de meergenoemde passage in de brief van de advocaat van de
wederpartij aan verzoekster waarin staat vermeld dat het volstrekt ten
onrechte aanspannen van een gelijk loon-procedure bij de Commissie
zonder voorafgaand overleg als een van de redenen in overweging is
genomen om de arbeidsverhouding te beeindigen.

De Commissie merkt op dat deze passage zeer ongelukkig is geformuleerd
en dat het begrijpelijk is dat deze passage aanleiding heeft gegeven
tot de stellingname van verzoekster. Echter, nu de gelijk
loon-procedure reeds meer dan een jaar geleden (namelijk in mei 1994)
aanhangig is gemaakt bij de Commissie en de wederpartij in de
tussenliggende periode geen stappen heeft ondernomen om de
arbeidsovereenkomst met verzoekster te beeindigen, is het niet
aannemelijk dat deze gelijk loon procedure een rol heeft gespeeld bij
het besluit om de arbeidsovereenkomst met verzoekster te beeindigen.
De Commissie acht het voldoende aannemelijk gemaakt dat de
bedrijfsbeeindiging van de wederpartij de reden is om de
arbeidsverhouding met verzoekster te willen beeindigen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 27 juli 1995 verzocht mevrouw te Rotterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of haar werkgever
de heer te Rotterdam (hierna: de wederpartij) onderscheid
naar geslacht maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster heeft een gelijk loon procedure bij de Commissie
lopen. De wederpartij heeft het voornemen verzoekster te ontslaan.
Volgens verzoekster speelt hierbij het feit dat verzoekster een
procedure bij de Commissie aanhangig heeft gemaakt, een rol.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft de Commissie verzocht een
spoedprocedure toe te passen. Dit verzoek is toegewezen. Partijen
hebben ieder eenmaal de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk
toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 29 augustus 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr mr – dhr mr J.P. Snoek
(advocaat)

van de kant van de Commissie – mw mr Y. Telenga (plaatsvervangend
Kamervoorzitter) – mw mr drs M.G. Nicolai (lid Kamer) – dhr mr W.A. van
Veen (lid Kamer) – mw A.C. van Doornen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 16 november 1988 aangenomen door de wederpartij
in de functie van secretaresse. De wederpartij is advocaat en voert met
twee andere advocaten op basis van kantoorkostendeling de praktijk. Dit
houdt ondermeer in dat de kantoorgenoten van de wederpartij bijdragen
aan de personeels- lasten. Aanvankelijk had verzoekster een
arbeidsovereenkomst voor 30 uur per week en sinds 1 juni 1991 voor
41,25 uur per week. Naast verzoekster zijn er nog twee andere
administratieve medewerkers in dienst; een vrouw voor drie dagen per
week en een man voor minimaal 10 uren per week. Deze beide collega’s
zijn later in dienst getreden dan verzoekster. Alle drie de
administratieve medewerkers voeren werkzaamheden uit voor zowel de
wederpartij als zijn twee kantoorgenoten.

3.2. De wederpartij wil zijn praktijk beeindigen op uiterlijk 1 oktober
1995. In verband met deze bedrijfsbeeindiging heeft hij op 4 juli 1995
een ontslagvergunning aangevraagd voor verzoekster en haar beide
collega’s bij de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening (RDA)
Rijnmond. Hiertegen heeft verzoekster verweer gevoerd. Op 4 augustus
1995 heeft de wederpartij voor verzoekster een verzoek tot ontbinding
van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter ingediend en tegelijk
de aanvraag voor een ontslagvergunning bij de RDA ingetrokken. De
aanvraag voor een ontslagvergunning voor de vrouwelijke collega van
verzoekster is inmiddels ingetrokken en er zijn afspraken gemaakt over
voortzetting van de werkzaamheden voor de kantoorgenoten van de
wederpartij. De aanvraag voor een ontslagvergunning van de mannelijke
collega van verzoekster is niet ingetrokken, hoewel met hem ook
gesprekken gaande zijn of hij zal blijven werken voor de
kantoorgenoten.

3.3. Al eerder, namelijk op 24 mei 1994, heeft verzoekster om een
oordeel van de Commissie verzocht, omdat zij naar haar mening te laag
wordt beloond ten opzichte van haar mannelijke collega (de maatman).
Deze zaak verkeert nog in het onderzoeksstadium.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster brengt het volgende naar voren. Volgens haar handelt
de wederpartij bij de voorgenomen beeindiging van de arbeidsverhouding
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. In de brief van de
advocaat van de wederpartij van 21 juli 1995 wordt het feit dat zij een
procedure bij de Commissie heeft aangespannen zonder voorafgaand
overleg als reden voor haar ontslag opgenomen.

Andere redenen voor beeindiging zijn er niet. De twee kantoorgenoten
waarvoor zij ook altijd werkzaamheden verrichtte, zetten hun praktijk
voort. De werkzaamheden van verzoekster zullen derhalve grotendeels
blijven bestaan. Door de bestaande praktijk dat zij voor alle drie de
kantoorgenoten werkzaamheden verrichtte, is behalve met de wederpartij
ook met de overige twee kantoorgenoten een arbeidsovereenkomst
ontstaan. Zij stelt dat voor haar op grond van het
ancienniteitsbeginsel geen ontslagvergunning zou zijn afgegeven door de
RDA. Reden voor de wederpartij om in plaats daarvan een
ontbindingsprocedure bij de kantonrechter te starten. Op haar
functioneren is niets aan te merken, zodat ook dit niet een reden voor
beeindiging van de arbeidsovereenkomst kan zijn. De verslechterde sfeer
op kantoor en de spanningen zijn ontstaan door het gebrek aan overleg
over de personele consequenties van het op handen zijnde vertrek van de
wederpartij en het implicite verbod de ontslagaanvragen met de
collega’s te bespreken. Verzoekster is van mening dat zij te allen
tijde verweer dient te voeren tegen haar ontslagaanvraag. Er kan dan
ook van haar geen cooperatieve houding verwacht worden bij haar
ontslagprocedure.

3.5. De wederpartij stelt het volgende. De reden voor de voorgenomen
beeindiging van de arbeids- verhouding met verzoekster is het
neerleggen van zijn advocatenpraktijk vanwege gezondheidsredenen. Na de
bekendmaking van zijn op handen zijnde vertrek is de arbeidsverhouding
met verzoekster danig verstoord geraakt. Verzoekster heeft door haar
opstelling en gedrag de werksfeer en de onderlinge verhoudingen zwaar
onder druk gezet. Verder hebben zich ook al eerder fricties voorgedaan
en was er kritiek op de houding en het gedrag van verzoekster. Deze
kritiek is, in verband met zijn drukke werkzaamheden, niet schriftelijk
vastgelegd. Door de opstelling van verzoekster is bij de kantoorgenoten
geen bereidheid meer aanwezig een nieuwe arbeidsovereenkomst met haar
aan te gaan. In eerste instantie was de opzet van de kantoorgenoten
namelijk wel om de resterende uren voor administratieve werkzaamheden
naar evenredigheid over verzoekster en de andere administratieve
medewerkers te gaan verdelen. De twee andere administratieve
medewerkers hebben zich wel cooperatief opgesteld, zodat met hen
inmiddels afspraken zijn gemaakt.

De door verzoekster aangehaalde passage in de eerder genoemde brief van
21 juli 1995 over het volstrekt ten onrechte aanspannen van de
procedure bij de Commissie zonder voorafgaand overleg was ongelukkig
geformuleerd. Deze passage is weliswaar vatbaar voor de interpretatie
die verzoekster er aan geeft, doch was anders bedoeld en dient in de
context van de gehele brief gelezen te worden. Bedoeld was namelijk om
een opsomming te geven van gebeurtenissen die de negatieve en
non-cooperatieve opstelling van verzoekster illustreren en die de
arbeidsverhouding verstoord hebben. De wederpartij voert aan dat er
altijd een open en informele sfeer op kantoor heerste en dat
verzoekster gekozen heeft voor een starre en negatieve houding na het
bericht van de komende bedrijfsbeeindiging.

Verzoekster is alleen met hem een arbeidsovereenkomst overeengekomen en
niet met zijn kantoorgenoten. De wederpartij heeft geen zeggenschap
over de wijze waarop zijn kantoorgenoten na zijn vertrek de
werkzaamheden door het secretariaat willen laten verrichten. Van
overname van zijn praktijk door zijn kantoorgenoten is geen sprake.
Zijn zaken zal hij na zijn vertrek aan advocaten buiten het kantoor
overdragen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE.

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de voorgenomen
beeindiging van de arbeidsovereenkomst jegens verzoekster onderscheid
naar geslacht maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling.
Daarnaast is de vraag of er sprake is van victimisatie ten gevolge van
de nog lopende gelijk loon-procedure.

Artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaalt dat de
werkgever onder andere bij de beeindiging van het dienstverband geen
direct of indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken.

Onder indirect onderscheid naar geslacht wordt verstaan onderscheid op
grond van andere hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op
grond van geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is (artikel 7A:1637ij lid 5 BW).

De Commissie heeft als eerste onderzocht of de wederpartij bij de
voorgenomen beeindiging van de arbeidsovereenkomst jegens verzoekster
gehandeld heeft in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

4.2. De Commissie overweegt hieromtrent als volgt. Voor alle
administratieve medewerkers is door de wederpartij ontslag aangevraagd
vanwege zijn bedrijfsbeeindiging. De aanvraag voor een
ontslagvergunning voor de vrouwelijke collega van verzoekster is
vervolgens weer ingetrokken. Gezien het feit dat op grond van de
bovenvermelde wetgeving alleen getoetst kan worden of er onderscheid
wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen, kan de situatie met betrekking
tot de vrouwelijke collega niet getoetst worden. Voor de mannelijke
collega van verzoekster is ook ontslag aangevraagd zodat geen
onderscheid naar geslacht is gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. Ten overvloede wordt opgemerkt dat indien de
ontslagaanvraag van de mannelijke collega alsnog ingetrokken zou
worden, er een andere situatie ontstaat dan thans ter beoordeling van
de Commissie voorligt.

4.3. Het behoort niet tot de taak van de Commissie om na te gaan of
-zoals verzoekster stelt- ook met de kantoorgenoten van de wederpartij
een arbeidsovereenkomst is ontstaan en te beoordelen of het
ancienniteitsbeginsel is geschonden. Het oordeel hieromtrent is
voorbehouden aan de kantonrechter.

In het geval de rechter oordeelt dat er een arbeidsovereenkomst is
ontstaan met de kantoorcombinatie en vast is komen te staan dat met de
mannelijke collega van verzoekster het dienstverband wordt voortgezet,
kan verzoekster in overweging nemen opnieuw een oordeel van de
Commissie te vragen.

4.4. Verder is verzoekster van mening dat het aanspannen van de
procedure over gelijk loon bij de Commissie de reden is geweest voor
het ontslagverzoek. Hiermee stelt verzoekster aan de orde of de
beeindiging in strijd is met artikel 7A:1637ij lid 6 BW. Genoemde
bepaling beschermt de werknemer tegen beeindiging van de
arbeidsverhouding door de werkgever wegens de omstandigheid dat de
werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op artikel
7A:1637ij en/of de Wet gelijke behandeling.

4.5. Verzoekster baseert dit beroep op de meergenoemde passage in de
brief van de advocaat van de wederpartij aan verzoekster waarin staat
vermeld dat het volstrekt ten onrechte aanspannen van een gelijk
loon-procedure bij de Commissie zonder voorafgaand overleg als een van
de redenen in overweging is genomen om de arbeidsverhouding te
beeindigen.

De Commissie merkt op dat deze passage zeer ongelukkig is geformuleerd
en dat het begrijpelijk is dat deze passage aanleiding heeft gegeven
tot de stellingname van verzoekster Echter, nu de gelijk
loon-procedure reeds meer dan een jaar geleden (namelijk in mei 1994)
aanhangig is gemaakt bij de Commissie en de wederpartij in de
tussenliggende periode geen stappen heeft ondernomen om de
arbeidsovereenkomst met verzoekster te beeindigen, is het niet
aannemelijk dat deze gelijk loon procedure een rol heeft gespeeld bij
het besluit om de arbeidsovereenkomst met verzoekster te beeindigen.
De Commissie acht het voldoende aannemelijk gemaakt dat de
bedrijfsbeeindiging van de wederpartij de reden is om de
arbeidsverhouding met verzoekster te willen beeindigen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de heer te Rotterdam
jegens mevrouw bij de (voorgenomen) beeindiging van de
arbeidsovereenkomst geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt zoals
bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek en niet heeft
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

mw mr Y. Telenga (plaatsvervangend Kamervoorzitter), mw mr drsM.G. Nicolai (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw A.C. vanDoornen (secretaris Kamer)

Instantie: Kantonrechter Leiden, 4 oktober 1995

Instantie

Kantonrechter Leiden

Samenvatting


Recht op aansluiting bij een pensioenfonds is voor wat betreft de
verjaring niet gelijk te stellen met een loonvordering. De opname van
de voorheen uitgesloten vrouwen in de pensioenregeling is te beschouwen
als een verplichting om te doen. Deze verjaart na vijf jaren. De
vordering van vervangende schadevergoeding in verband met de verboden
uitsluiting verjaart door verloop van vijf jaren na de dag waarop de
benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke
persoon bekend is geworden en in ieder geval na twintig jaren. Eiseres
vordert behalve aansluiting ook een opbouw van aanspraken die zich tot
de opbouw van een fulltime werkend persoon verhoudt als de omvang van
haar werktijd zich verhoudt tot die van een fulltime werkende persoon.

Volledige tekst

Overwegingen

B is sinds 1 september 1978 op arbeidsovereenkomst in dienst bij
Innovam en wel voor halve dagen. Tot de arbeidsvoorwaarden van het bij
Innovam werkzame personeel behoort de deelname in een bij Aegon
afgesloten pensioenverzekering.

Tot 1 januari 1992 kwam B op grond van de destijds geldende
pensioenreglementen niet in aanmerking voor opbouw van pensioen.
Ofschoon door een wijziging van het reglement per 1 januari 1992 de
voor part-timers geldende uitsluiting van de pensioenvoorziening
ongedaan is gemaakt, bevat art. 4, tweede lid, van het reglement d.d. 1
januari 1989 – aldus B – nog een bepaling die voor part-timers
ongunstig is. Immers de pensioengrondslag wordt berekend aan de hand
van het jaarsalaris verminderd met een franchise die gelijk is aan 10/7
maal het AOW – ongehuwden -.

In dat onderhavige reglement wordt bij de toepassing van de franchise
geen rekening gehouden met deeltijdarbeid, waarvoor deeltijdwerkers
nooit pensioenaanspraken kunnen verkrijgen naar evenredigheid van de
aanspraken die ingeval van een volledige arbeidstijd zouden zijn
verkregen. Op grond van het bovenstaande is B van oordeel, dat de
geldende pensioenreglementen in strijd zijn met artikel 119
E.E.G.-verdrag. Zij vordert daarom opname van B met ingang van 1
september van pensioen naar evenredigheid van de opbouw die zou hebben
plaats gevonden ware B in de periode van 1 september 1978 tot heden bij
Innovam in dienst geweest op basis van een fulltime dienstverband.
‘Daarbij vordert B betaling van alle kosten, verbonden aan die
toekenning, ter verminderen met het werknemersdeel van de
pensioenpremies voorzover een vordering terzake van Innovam op
verklaring voor recht dat Innovam gebonden B schadevergoeding te
betalen van een zodanige aard en omvang dat via de bij Innovam
toepasselijke ondernemingspensioenregeling vanaf 1 september 1979
volledig wordt gecompenseerd.’

Ter ondersteuning van haar standpunt heeft B bij haar inleidende
dagvaarding, verwezen naar uitspraken van het Hof van Justitie voor de
E.E.G., zoals het “Defrenne I” en het “Defrenne II” arrest, het
Bilka/Weber-arrest alsmede het Rinner en het Kowalska-arrest. Voorts
verwijst B naar het in voorbereiding zijnde wetsontwerp tot wijziging
van de Pensioen en Spaarfondsenwet dat deeltijdwerkers met betrekking
tot hun pensioenaanspraken. Ver besteedt B uitgebreid aandacht aan de
vraag of en in hoeverre terugwerkende kracht kan worden verleend met
betrekking tot haar pensioenaanspraken c.q. pensioenopbouw. Innovam
heeft bij conclusie van antwoord de vordering betreden.

Allereerst brengt zij naar voren, dat sinds 1 januari 1992 het
pensioenreglement zodanig is aangepast, dat het voorziet in de
toelating van part-time medewerkers en berekening van de
pensioen-franchise naar evenredigheid van de overeengekomen
arbeidstijd. Kort samengevat luidt het verweer, dat de uitsluiting van
part-time werknemers niet in strijd is met art. 119 E.G.G-verdrag nu de
uitsluiting verklaring vindt in objectief gerechtvaardigde factoren en
niets van doen heeft met directe of indirecte discriminatie, zodat aan
B haar vordering zou moeten worden ontzegd. Subsidiair voert zij aan,
voor het geval strijd mocht worden aangenomen met art. 119 E.E.G,-
verdrag, dat – gelet op de 1e uitspraken van de Nederlandse wetgever en
de regering – door B niet eerder dan met ingang van 17 mei 1990
aanspraak kan worden gemaakt op deelname in de pensioenregeling en de
opbouw van pensioen.

Na de conclusie van antwoord hebben partijen over en weer nog
uitgebreid geconcludeerd, waarbij zijdens B is gesuggereerd een aantal
prejudiciele vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese
gemeenschap. In verband met het feit, dat de kantonrechter te Utrecht
reeds in de vergelijkbare zaken Vroege en Fisscher een aantal
prejudiciele vragen aan het Hof van Justitie heeft gesteld, is echter
besloten de uitspraak in die zaken af te wachten. nadat het Hof in die
zaken op 28 september 1994 arresten had gewezen, heet B onder
overlegging van die arresten geconcludeerd, dat haar primaire vordering
op grond hiervan dient te worden toegewezen.

Innovam heeft hierop vervolgens gereageerd waarna B nog een akte heeft
genomen waarbij zij uitvoerig in het bijzonder op de kwestie van de
verjaring is ingegaan. De kantonrechter overweegt het volgende. Na
kennisneming van de arresten van het hof inzake Vroege en Fisscher zijn
partijen nog verdeeld over de volgende punten:

a. De objectieve rechtvaardigingsgrond. Innovam stelt hieromtrent, dat,
gelet op 2.0.17 van het Vroege-arrest en 2.0.36 van het Bilka-arrest
geen strijd bestaat met art. 119 EG-verdrag. Immers de in haar
pensioenreglement vervatte uitsluiting van part-time werknemers is
uitsluitend ingegeven door economische motieven, omdat aan opname in de
pensioenregeling van part-time werknemers in verhouding veel meer
kosten zijn verbonden dan aan die van full-time werknemers. Zulks
betekent naar het oordeel van de Innovam, dat zij zich kan beroepen op
r.o. 17 van het Vroege-arrest. Immers de door haar in het
pensioenreglement getroffen uitsluiting vindt haar verklaring in
factoren, die blijkens r.o. 36 van het Bilka-arrest als objectief
gerechtvaardigd moeten worden beschouwd. Innovam verliest hierbij uit
het oog dat r.o. 36 als voorwaarden voor de objectieve
gerechtvaardigheid van de uitsluiting de navolgende voorwaarden stelt.

“De getroffen maatregel moet aan de werkelijke behoefte van de
onderneming beantwoorden, moet geschikt zijn om het beoogde doel te
bereiken en daarvoor ook noodzakelijk zijn.” De omstandigheid alleen
dat de maatregel financieel voordeliger was voor Innovam is derhalve
onvoldoende om met vrucht een beroep te kunnen doen op de objectieve
rechtvaardigingsgrond. Het verweer onder A. van Innovam moet dus worden
verworpen. Voor het geval Innovam beoogt te stellen onder punt 5,
laatste zin, van haar antwoord-akte d.d. 12 april 1995, dat de
betrokken maatregel niet veel meer vrouwelijke dan mannelijke
werknemers treft, moet dit verweer falen. Immers volgens eigen opgave
van Innovam in haar conclusie van antwoord sub 3, had zij in 1978 3
part-time medewerkers in dienst, alle van het vrouwelijk geslacht; in
1992 bedroeg het aantal part-time medewerkers 15 waarvan 13 vrouwen.
Ook dit verweer moet dus worden verworpen.

B. Het arrest van het Hof van 28 september 1994 inzake Fisscher contra
Voorhuis B.V. c.s. maakt duidelijk (zie r.o. 27), dat de rechtstreekse
werking van artikel 119 van het Verdrag kan worden ingeroepen teneinde
met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 -de datum van het arrest
Defrenne- het recht op aansluiting bij de bedrijfspensioenregeling te
vorderen.

c. De verjaring Het Hof heeft in zijn verklaring voor recht sub 5 in de
zaak Fisscher het navolgend overwogen:

“De nationale regels betreffende de in het nationale recht geldende
beroepstermijnen kunnen worden tegengeworpen aan werknemers die hun
recht op aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling doen gelden, mits
deze regels voor dit soort vorderingen niet ongunstiger zijn dan voor
soortgelijke nationale vorderingen en zij het in de praktijk niet
onmogelijk maken om het aan het gemeenschapsrecht ontleende recht uit
te oefenen.

Innovam nu betoogt, dat de vorderingen uit hoofde van artikel 119 van
het Verdrag loonvorderingen zijn waarvoor tot 1 januari 1992 een
verjaringstermijn gold van 5 jaren ingevolge artikel 2012 BW-oud,
terwijl ook sinds 1 januari 1992 een gelijke verjaringstermijn geldt op
grond van art. 3.307, lid 1 BW. De beide beperkingen, die het Hof
aanbrengt in de bovengenoemde verklaring voor recht, zijn, aldus
Innovam in casu niet van toepassing, zodat naar haar oordeel een
verjaringstermijn van 5 jaren geldt. B daarentegen voert aan, dat de
algemene verjaringstermijn volgens artikel 3.306 BW 20 jaren bedraagt.
Van de kortere termijn van 5 jaren is naar haar opvatting slechts
sprake als de toepassing daarvan uit de artikelen 3.307 t/m 3.312
blijkt. Art. 3.307 is volgens B niet van toepassing, omdat haar
vordering niet kan worden aangemerkt als een rechtsvordering tot
nakoming van een verbintenis tot een geven of doen. Art. 3.308 BW is –
aldus B – niet toepasselijk, omdat het recht op aansluiting bij een
pensioenregeling geen naar tijdruimte vastgesteld loon noch een naar
tijdruimte vastgesteld bedrag vormt. Er resteren dan nog, zo voert B
aan, de artikelen 3.3.06 en 3.3.10 BW. Welke keuze men ook maakt, het
resultaat is in beide gevallen een verjaringstermijn van 20 jaren. B
verwijst in dit verband nog naar het arrest van de Hoge Raad van 10
september 1993 (NJ 1993,736).

Tenslotte beroept B zich op de omstandigheid, dat van haar vordering –
bij toepassing van een verjaringstermijn van 5 jaren – van haar
deelnemersjaren in het pensioenfonds meer dan 9 jaren zouden wegvallen.
Dit nu acht zij in strijd met de beperking die het Hof heeft
aangebracht in de zaak Fisscher onder r.o. 40 (dat de nationale regels
inzake verjaring het in de praktijk niet onmogelijk maken om het aan
het gemeenschappelijk recht ontleende recht uit te oefenen). Niet reeel
acht B het te stellen dat zij, gelet op de stand van de wetgeving en de
rechtspraak, haar vordering eerder had moeten instellen dat zij heeft
gedaan.

De kantonrechter overweegt hieromtrent het volgende: Art. 3.308 BW is,
naar B terecht heeft aangevoerd, niet van toepassing , omdat het recht
op aansluiting bij pensioenregeling geen naar tijdruimte vastgesteld
loon noch een naar tijdruimte vastgesteld bedrag vormt. Anders dan B
meent is echter wel art. 3.307, lid 1 BW toepasselijk immers het
betreft hier de nakoming van een verbintenis uit overeenkomst om te
doen. Het gevolg van de alsdan geldende verjaringstermijn van vijf
jaren zou zijn, dat de primaire vordering althans voor een aanmerkelijk
deel zou moeten worden afgewezen. Echter de subsidiaire vordering van B
strekt tot schadevergoeding. Hiervoor geldt art. 3.310, lid 1 BW, de
rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart door verloop van vijf
jaar na de aanvang van de dag waarop de benadeelde zowel met de schade
als met de daarvoor aansprakelijk persoon bekend is geworden en in
ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor
de schade is veroorzaakt. Bepaald moet nog worden wanneer de benadeelde
geacht moet worden bekend te zijn geweest met de tekortkoming van de
schuldenaar. Als uitgangspunt ware te kiezen voor het jaar 1991, waarin
een rapport is gepubliceerd van de Adviesraad van de Regering voor het
emancipatiebeleid. Het rapport getiteld þGelijke behandeling naar
geslacht in aanvullende pensioenregelingenþ handelt op pagina 65 met
name over de schade die optreedt doordat pensioenregelingen bij de
bepaling van de franchise geen rekening houden met deeltijdarbeid.

Een ander uitgangspunt zou kunnen zijn de datum van het arrest Barber
te weten 17 mei 1990. In beide gevallen is de rechtsvordering tijdig
ingesteld.

Het gevolg hiervan is dat de subsidiaire vordering van B, ingesteld op
15 oktober 1992, toewijsbaar is. De kantonrechter gaat er vanuit, dat
de schadevergoeding bij voorkeur zal plaatsvinden in de vorm van
opneming van B in de ondernemingspensioenregeling op basis van het
primair gevorderde. In verband met het karakter van dit geding zal geen
uitvoerbaar verklaring bij voorraad worden uitgesproken. Innovam zal
als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten moeten dragen.

Ten overvloede overweegt de kantonrechter, dat – indien in het
onderhavige geval een verjaringstermijn van 5 jaren zou gelden – zulks
op gespannen voet staat met de strekking van hetgeen het Hof in de zaak
Fisscher onder 2.040 (hierboven aangehaald) heeft overwogen immers een
verjaringstermijn van 5 jaren zou betekenen, dat het B goeddeels
onmogelijk wordt gemaakt het aan het gemeenschappelijk recht ontleende
recht uit te oefenen.

Beslissing Verklaart voor recht, dat Innovam gebonden is B
schadevergoeding te betalen van een zodanige aard en omvang, dat
daarmee haar schade als gevolg van het gemis van pensioenopbouw via de
ondernemingspensioenregeling die bij Innovam van toepassing is, vanaf 1
september 1978 volledig wordt gecompenseerd. Ontzegt aan B het meer of
anders gevorderde. Veroordeelt Innovam in de kosten van dit geding tot
op deze uitspraak begroot op ƒ 2.396,97, waaronder begrepen ƒ 2.000,=
voor gemachtigde- salaris.

Noot

Op 28 september 1994 bepaalde het Europese Hof dat de uitsluiting van
deeltijders in pensioenregelingen al vanaf 8 april 1976 was verboden
(HvJ EG 28 september 1994 (Vroege), RN 1995, 424). In reactie op deze
uitspraken van het Europese Hof is de vraag gesteld of het recht om met
terugwerkende kracht toe te treden tot de regeling of anderszins de
verboden uitsluiting te bestrijden (geheel of gedeeltelijk) zou kunnen
zijn verjaard. In de drie hierboven, in chronologische volgorde
afgedrukte uitspraken, is deze vraag aan de orde. Driemaal wordt zij
verschillend beantwoord. Hieronder zal ik een kort overzicht geven
waarin de naar mijn mening meest relevante aspecten van het verjaren
van pensioenaanspraken aan de orde komen. Daarbij zal ik de
overwegingen van de kantonrechters bespreken. Een algemene opmerking
over verjaring van aanspraken op pensioenreparatie vooraf; verjaring
van de vordering laat het recht op de prestatie onverlet. De werkgever
c.q. het pensioenfonds dat zich gehouden acht een door het Europese Hof
verboden toestand ongedaan te maken, betaalt geenszins onverschuldigd,
ook indien de vordering om dit af te dwingen inmiddels verjaard is.

Zowel de werkgever als het pensioenfonds kunnen worden aangesproken een
ongelijke behandeling in pensioenregelingen ongedaan te maken. De
werknemer heeft namelijk zowel een vordering op het pensioenfonds als
op de werkgever. Afhankelijk van de situatie heeft of de werkgever of
het pensioenfonds een vordering op de werknemer om een aandeel in de
pensioenpremie te betalen. De eiseres in een pensioenprocedure tot het
repareren van uitsluiting (of andere vormen van discriminatie) uit het
verleden kan haar vordering op een aantal manieren inkleden. Dit is, zo
zal blijken, mede bepalende voor de mogelijkheden van de
werkgever/pensioenfonds om deze vordering te bestrijden met een beroep
op verjaring. Het eerste anker, waarvoor men kan gaan liggen, is
nakoming van een verplichting uit de arbeidsovereenkomst c.q. het
pensioenreglement. Dit omdat een eventuele bepaling in deze
overeenkomst over uitsluiting van de pensioenregeling verboden en dus
niet verbindend was. Deze vordering zal, ongeacht of zij tegen
werkgever of pensioenfonds is ingesteld, worden beschouwd als een
rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst
tot een geven of een doen.

Conform artikel 3:307 BW verjaart een dergelijke vordering door verloop
van vijf jaar na het opeisbaar worden van de vordering. De vordering is
mijns inziens voor iemand die per maand wordt betaald, en dus per maand
pensioen opbouwt, per maand opeisbaar. Om de verjaring te kunnen
bepalen moet dan nog exact te worden vastgesteld vanaf welk moment de
vordering opeisbaar was. In normale omstandigheden is de vordering
mijns inziens opeisbaar vanaf de datum van de eerste salarisbetaling.

Als rekening wordt gehouden met de feitelijke drempels, die er voor de
meeste uitgesloten vrouwen/deeltijders lagen om tegen hun werkgever of
pensioeninstantie op te treden dan ligt dit moment van opeisbaarheid
mogelijkerwijs later. Bij feitelijke drempels denk ik aan de situatie
waarin de uitgesloten vrouwen/deeltijders, zeker als ze ergens pas kort
in dienst waren, simpelweg feitelijk niet dan op straffe van een
arbeidsconflict in staat waren jegens hun werkgever of
pensioeninstantie een vordering in te dienen. Ook het feit dat de
gelijke behandelingswetgeving, die in de betreffende periodes in
Nederland gold, in alle gevallen een uitzonderingsbepaling voor
pensioenen bevatte, is naar mijn mening een element dat als een
dergelijke feitelijke drempel kan worden gezien. In de uitspraak van de
kantonrechters Rotterdam en Leiden wordt een deel van de eis op deze
grond toegewezen.

In de uitspraak van de kantonrechter Utrecht geeft de rechter aan een
vijf jaars-termijn te hanteren. Uit de uitspraak blijkt noch waarop de
eis noch waarop de (gedeeltelijke) afwijzing daarvan, zijn gebaseerd.
In beide uitspraken wordt de aanvang van de verjaringstermijn impliciet
gesteld op het moment dat er gewerkt werd. Het tweede anker, waarvoor
men kan gaan liggen, is vervangende schadevergoeding. De verjaring van
vervangende schadevergoeding wordt beheerst door artikel 3: 310 BW.
Hierin is bepaald dat de vordering verjaart door verloop van vijf jaren
nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor
aansprakelijke persoon bekend is geworden, en in ieder geval door
verloop van twintig jaar. Of en wanneer aan het kenbaarheidsvereiste,
als in deze bepaling bedoeld, is voldaan, is ondermeer afhankelijk van
de beoordeling van de informatie bij belanghebbenden. In de uitspraak
van het Kantongerecht Leiden wordt het kenbaarheidsvereiste min of meer
geobjectiveerd tot het moment dat de benadeelde geacht moet worden
bekend te zijn geweest met de tekortkoming van de schuldenaar. Door dit
gerecht wordt vervolgens aansluiting gezocht bij de publikatie van een
ER-Rapport (1991) en de Barber-uitspraak (1990).

Omdat de vordering binnen vijf jaren na deze data is ingesteld, is zij,
aldus het kantongerecht Leiden, niet verjaard. In de praktijk worden
wat betreft het kenbaarheidsvereiste twee uitersten verdedigd. Gesteld
wordt dat aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan vanaf 1976. Deze
stelling is wel zeer moeilijk te verdedigen als blijkt dat zelfs
pensioeninstanties en werkgevers er tot 1994 niet van doordrongen waren
dat uitsluiting uit de pensioenregeling van deeltijders ongeoorloofd
was. In de andere uiterste benadering wordt verdedigd dat er pas aan
het kenbaarheidsvereiste is voldaan vanaf eind september 1994. De
Leidse kantonrechter kiest tussen deze twee uitersten een middenweg. In
deze benadering is vervangende schadevergoeding mogelijk ook indien de
feitelijke periode van werken meer dan vijf jaren geleden ligt. De
schadevergoeding kan afhankelijk hoe men de feiten beoordeelt, worden
gebaseerd op wanprestatie of onrechtmatige daad. Voor de
verjaringsaspecten is dit onderscheid niet direkt van belang. De
schadevergoeding kan plaatsvinden door middel van het alsnog opnemen in
de pensioenregeling danwel het verschaffen van een gelijkwaardige
pensioenregeling. Als derde anker, waarvoor men kan gaan liggen, is de
vordering tot het opheffen van een onrechtmatige toestand.

Een dergelijke vordering verjaart ingevolge 3:306 BW pas na twintig
jaar na de dag waarop opheffing van die toestand kon worden gevorderd.
Deze benadering komt in de boven afgedrukte uitspraken niet aan de
orde. Dit omdat reeds op andere gronden toewijzing of afwijzing van de
eis heeft plaatsgevonden. Als toets die elk beroep op verjaring van
pensioenaanspraken in dit verband moet kunnen doorstaan, heeft het
Europese Hof in zijn uitspraken d.d. 28 september 1994 het volgende
bepaald. Nationaal-rechterlijke termijnen mogen niet zodanig zijn dat
het in de praktijk niet mogelijk is om het aan het Europese recht
ontleende recht uit te oefenen. Alleen de kantonrechter te Leiden
betrekt dit element in zijn beslissing. De uitspraak van het
Kantongerecht Utrecht waarin een verjaringstermijn van vijf jaren wordt
gehanteerd, resulteert erin dat betrokkene op basis van haar in 1992
ingediende vordering slechts vijf van haar veertien dienstjaren met
pensioen vergolden krijgt. Dit resultaat kan naar mijn mening de toets
aan het Europese recht niet doorstaan.

De vraag of en in hoeverre de vordering van werkgever en pensioenfonds
jegens de werknemer tot betaling van een deel van de pensioenpremie is
verjaard, komt in geen van drie bovenafgedrukte uitspraken uitgebreid
aan de orde. De Rotterdamse rechter laat de bespreking van dit aspect
uitdrukkelijk en voorlopig achterwege. De Utrechtse rechter stelt
zonder verdere overweging dat eiseres haar aandeel in de premie zal
moeten betalen. De Leidse rechter laat zich hier in het geheel niet
over uit, onverminderd een beroep op verjaring van de werknemerspremie
door de van deelneming-uitgesloten vrouw. De rechters menen kennelijk
dat er toch nog een tweede ronde komt waarin zij of hogere rechters dit
punt nader kunnen beoordelen. Wordt vervolgd dus!

Margriet Adema

Rechters

Mr Morshuis

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 3 oktober 1995

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Na acht jaar huwelijk is op 9 december 1993 de echtscheidingsbeschikking
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Op 2 juni 1994 is de
vrouw benoemd tot voogdes over de zeven-jarige dochter van partijen en is
bepaald dat de man ƒ 350 aan kinderalimentatie dient te betalen. Bij
beschikking van 16 mei 1995 is de alimentatieverplichting van de man bepaald
op ƒ 1.500 per maand. De vrouw verwerft zich uit arbeid ƒ 1.400 netto per
maand. De vrouw heeft de zorg van de dochter en van haar dan ook niet gevergd
worden dat zij haar werktijden gaat uitbreiden. Een dienstbetrekking
dichterbij zoeken is ook geen optie aangezien is komen vast te staan dat zij
gebruik kan maken van goede secundaire arbeidsvoorwaarden die in het belang
van het kind zijn. Ten aanzien van de draagkracht van de man is het hof geen
ander mening dan de rechtbank toegedaan met name omdat de draagkracht in
hoger beroep niet serieus is betwist. Gelet op het opleidingsniveau van de
vrouw, haar leeftijd (32), haar dochter (thans 8 jaar), is het redelijkerwijs
te verwachten, dat de vrouw per 1 januari 2000 in haar eigen levensonderhoud
zal kunnen voorzien. Dan kan niet langer worden aangenomen dat zij geheel aan
de schooltijden van haar dochter is gebonden. Mocht de vrouw op de genoemde
datum (1 januari 2000) niet geheel in haar levensonderhoud kunnen voorzien
dan zal zij hebben aan te tonen dat het niet aan haar (gebrek aan) inzet te
wijten is. Dit is anders dan de rechtbank heeft geoordeeld. De rechtbank zag
voor limitering van de alimentatie tot 22 maart 1999, zijnde de datum waarop
de dochter van partijen de twaalf-jarige leeftijd bereikt, geen aanleiding.
Gelet op het feit, dat de dochter nog jaren de zorg van de vrouw nodig heeft
en bovendien op dit moment niet valt te overzien of de vrouw in de komende
jaren in staat zal zijn haar huidige werkzaamheden uit te breiden, dan wel
een andere baan te vinden waarmee zij volledig in haar eigen levensonderhoud
kan voorzien, is de rechtbank van oordeel dat het de man uiteraard vrij staat
om aan de dochter verstrekken in natura te doen, deze kunnen echter niet ten
laste gebracht worden van de voor alimentatie beschikbare draagkracht.

Volledige tekst

1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst naar de beschikking van 16 mei 1995 van de rechtbank te
Arnhem, welke beschikking in fotocopie aan deze beschikking is gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 2 juni 1995, is
verzoeker, verder te noemen de man, in hoger beroep gekomen van de
beschikking van de rechtbank. Hij v erzoekt het hof de beschikking van de
rechtbank te Arnhem van 16 mei 1995 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het
verzoek tot vaststelling van alimentatie ten behoeve van geintimeerde af te
wijzen en subsidiair het bedoelde verzoek om limitering toe te wijzen.

2.2 De vrouw heeft een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie op 26
juni 1995 en daarbij verzocht het verzoekschrift van appellant ongegrond te
verklaren en de beschikking van de rechtbank van 16 mei 1995 wat betreft de
ingangsdatum van 18 november 1994, deze te wijzigen in februari 1994 en voor
het overige de beschikking in stand te laten.

2.3 Er heeft een mondelinge behandeling ten overstaan van mr Pel als
raadsheer-commissaris plaatsgevonden op 5 september 1995, waarbij beide
partijen zijn verschenen, de man bijgestaan door mr. X, advocaat te Y. de
vrouw bijgestaan door mr. X, advokaat te Y.

2.4 Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raadsman van de man verzocht
om krachtens artikel 429 p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
schorsing te bevelen van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in eerste
aanleg. Hij heeft dit verzoek ingetrokken nadat namens de vrouw was toegezegd
de beschikking van de rechtbank niet te zullen executeren tot aan de
uitspraak van het hof op 3 oktober 1995.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op 22 maart 1985 te Bad Salzuflen (Duitsland) gehuwd.

3.2 Bij beschikking van 21 oktober 1993 van de rechtbank Roermond is de
echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 9 december
1993 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3 Uit het huwelijk is geboren X., op 22 maart 1987 te Y.. Bij beschikking
van 2 juni 1994 is de vrouw benoemd tot voogdes en de man tot toeziend voogd.
X. woont bij haar moeder. De man is bij genoemde beschikking veroordeeld om ƒ
350 per maand te betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en
opvoeding.

Ten aanzien van de man

3.4 De man verdient een bruto salaris van ƒ 12.500 per vier weken exclusief
vakanteigeld. Zijn woonlasten bedragen ƒ 1.428,51 per maand (ƒ 1.217,92
rente op de hypothecaire lening en ƒ 264,59 premie levensverzekering).
De aflossing van een lening bij de SNS bank bedraagt ƒ 585,66 per maand.
Voorts lost de man af op een doorlopend krediet bij de IDM met een bedrag van
ƒ 900 per maand. De man heeft van dit krediet laatstelijk, op 6 december
1994, een bedrag van ƒ 15.000 opgenomen. De kosten huishoudelijke hulp
bedragen ƒ 300 per maand. De beroepskosten van de man bedragen ƒ 465 per
maand. De kosten omgangsregeling bedragen ƒ 465 per maand. Hij betaalt thans
als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van Stephanie een
bedrag van ƒ 375 per maand.

Ten aanzien van de vrouw

3.5 De vrouw werkt in een deeltijdbaan (22 uur) in loondienst in Duitsland.
Haar inkomen bedraagt DM 27.134 bruto per jaar. Aan loonbelasting wordt
ingehouden DM 2.221,88 en aan werknemersdeel premies sociale verzekering DM
5318,29. Voorts komt de vrouw in aanmerking voor een belastingvrije
“Kinderfreibetrag” van DM 4.104 per jaar.
Het inkomen van de vrouw bedraagt omgerekend ƒ 1.400 – netto per maand, na
aftrek premie ziektekostenverzekering.
Haar autokosten worden volledig vergoed en haar reistijd wordt gedeeltelijk
als werktijd vergoed.
Zij betaalt aan huur een bedrag van ƒ 388 per maand (na aftrek huursubsidie).

3.6 Teneinde haar woning te kunnen inrichten heeft zij een lening gesloten
van DM 15.000. Zij lost deze lening met een bedrag van DM 150 per maand af.

4. Beoordeling van het hoger beroep

4.1 Nu de man zijn verozek ex art. 429 p Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering tijdens de mondelinge behandeling heeft ingetrokken, nadat de
vrouw heeft toegezegd de executie op te schorten totdat in hoger beroep
uitspraak is gedaan, behoeft hierover geen beslissing te worden genomen.

4.2 Bij beschikking an 16 mei 1995 is door de rechtbank bepaald dat met
ingang van 18 november 1994 als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van
de vrouw een bedrag zal uitkeren van ƒ 1.500 per maand.

4.3 De man is van mening dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in
haar levensonderhoud en voorts dat hij, gelet op zijn draagkracht, niet in
staat is de opgelegde bijdrage te voldoen.

4.4 Met de rechtbank is het hof van mening dat de vrouw, gelet op
haar inkomen en haar lasten behoefte aan een bijdrage in de kosten van
levensonderhoud. Het hof houdt daarbij rekening met de hiervoor onder 3.5 en
3.6 genoemde gegevens. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat de
vrouw over andere inkomsten beschikt dan het daar genoemde inkomen van ƒ
1.400 per maand.

4.5 Voorts is het hof van oordeel dat, nu de vrouw de zorg heeft voor de
7-jarige dochter van partijen van haar momenteel niet gevergd kan worden haar
werkzaamheden uit te breiden. Ook is het niet redelijk van haar op dit moment
te verlangen dat zij een andere dienstbetrekking, dichterbij, zoekt, nu is
komen vast te staan dat zij momenteel gebruik kan maken van goede secundaire
arbeidsvoorwaarden die in het belang van het kind zijn en niet aannemelijk is
dat zij in een vergelijkbare dienstbetrekking met dezelfde werktijden een
beloning zou kunnen vinden.

4.6 Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt het hof dat deze in
hoger beroep niet serieus is betwist en voorts dat de man, gelet op zijn
inkomen, rekening houdend met zijn vaste lasten nog steeds in staat moet
worden geacht de door de rechtbank opgelegde bijdrage te voldoen.

4.7 Ten aanzien van het verzoek om limitering overweegt het hof dat het,
gelet op het opleidingsniveau, haar leeftijd (32), haar werkervaring, de duur
van het huwelijk en de leeftijd van X., (nu 8 jaar oud) dat redelijkerwijs te
verwachten is dat de vrouw per 1 januari 2000 in haar eigen levensonderhoud
zal kunnen voorzien. Dan kan niet langer worden aangenomen dat zij geheel aan
de schooltijden van X. is gebonden. De bijdrage in het levensonderhoud van de
vrouw zal daarom worden gelimiteerd per genoemde datum. Mocht de vrouw op de
genoemde datum niet geheel in haar eigen levensonderhoud kunnen voorzien dan
zal zij hebben aan te tonen dat dat niet aan haar (gebrek aan) inzet te
wijten is.

4.8 Gelet op het bovenstaand is het hof van oordeel dat de door de rechtbank
opgelegde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw voldoet aan
de wettelijke maatstaven.

4.9 De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 18 november 1994, zijnde
de datum waarop het verzoek in eerste aanleg is ingekomen, zal worden
gehandhaafd, nu de man niet eerder dan met ingang van deze datum rekening
heeft kunnen houden met een door hem te betalen bijdrage in de kosten van het
levensonderhoud van de vrouw.

4.10 Nu partijen gewezen echtgenoten zijn acht het hof termen aanwezig de
proceskosten te compenseren.

De beslissing

Het hof bekrachtigt de beschikking an de rechtbank te Arnhem van 16 mei 1995,
behoudens voor zover daarin het meer of anders verzochte is afgewezen en in
zover opnieuw beschikkende:
Bepaalt dat de duur waarvoor de man een bijdrage tot het levensonderhoud van
de vrouw moet betalen wordt beperkt tot 1 januari 2000.
Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Compenseert de proceskosten in
die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Pel, Fokker, Van Ginkel

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 3 oktober 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft naar aanleiding van een personeels- advertentie die
zij aantrof bij een arbeidsbureau gesolliciteerd naar een functie bij
een bedrijf waarvoor de wederpartij de selectie verzorgde. De
wederpartij gaf echter te kennen dat het bedrijf de voorkeur gaf aan
een man. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee heeft
gehandeld in strijd met de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen.

De Commissie constateert allereerst dat de opdrachtgever ontkent een
voorkeur te hebben uitgesproken voor een man ten aanzien van de
vacaturevervulling. De Commissie acht echter aannemelijk dat zulks wel
is geschied. De wederpartij heeft dit immers gesteld en bevestigd
daarvan melding te hebben gemaakt bij de telefonisch afwijzing van
verzoekster, en tevens tijdens de zitting uiteengezet wat de motivering
van de opdrachtgever daarbij was. De Commissie stelt vast dat de
wederpartij niet alleen voor de eerste selectie heeft gezorgd, maar ook
betrokken is geweest bij het vervolg van de procedure tot en met de
berichtgeving aan de kandidaten. Aangezien de wederpartij daarbij
feitelijk opdrachten van de opdrachtgever heeft uitgevoerd, heeft zij
een eigen verantwoordelijkheid ook bij dit deel van de procedure
artikel 3 WGB na te leven.

Vervolgens rijst de vraag of in casu de wederpartij heeft gehandeld in
strijd met artikel 3 WGB. De Commissie constateert ten aanzien hiervan,
dat de wederpartij zich op geen enkele wijze heeft gedistantieerd van
de voorkeur van de opdrachtgever voor een man en tevens dat zij in het
kader van de afwijzing jegens verzoekster deze voorkeur heeft gemeld.
De Commissie concludeert dat de wederpartij mitsdien jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt en daarmee in strijd heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 16 juni 1994 verzocht mevrouw te Eindhoven (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
te Drachten (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid heeft
gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster heeft naar aanleiding van een personeels-advertentie
die zij aantrof bij een arbeidsbureau gesolliciteerd naar een functie
bij een bedrijf waarvoor de wederpartij de selectie verzorgde. De
wederpartij gaf echter te kennen dat het bedrijf de voorkeur gaf aan
een man. Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee heeft
gehandeld in strijd met de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen
(hierna: WGB).

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994 is
de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) in werking getreden. De
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is op
die datum opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de
Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie), die op 1
september 1994 is ingesteld. Deze Commissie heeft het onderzoek
voortgezet.

2.2. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Partijen hebben ieder de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten nader
toe te lichten tijdens een zitting op 11 juli 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw ir (verzoekster) – mw
(gemachtigde verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
(intercedent)

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw mr L. Mulder (lid Kamer) – dhr mr P.R. Rodrigues
(lid Kamer) – mw A.C. van Doornen (secretaris Kamer)

2.3. Op grond van hetgeen ter zitting door de wederpartij naar voren is
gebracht, heeft de Commissie besloten het onderzoek te heropenen. De
Commissie heeft vervolgens nadere informatie opgevraagd bij de
opdrachtgever van de wederpartij, te Almere, ex artikel
18 lid 2 WGB. Deze informatie werd bij schrijven van 8 augustus 1995
verstrekt. Partijen hebben van de gelegenheid om daarop te reageren
geen gebruik gemaakt. De Kamer heeft vervolgens de zaak op 11 september
1995 in raadkamer behandeld.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een werving- en selectiebureau. Sinds 1 april
1994 was verzoekster als werkzoekende ingeschreven bij het
arbeidsbureau. In een advertentie bij het arbeidsbureau werd de functie
van Arbeids- en Organisatiepsycholoog bij de afdeling Personeelszaken
bij een bedrijf in de metaalindustrie aangeboden. De selectie voor deze
functie werd verzorgd door de wederpartij.

3.2. Verzoekster heeft op 2 mei 1994 gesolliciteerd naar de functie van
Arbeids- en Organisatiepsycholoog. Het curriculum vitae van verzoekster
is door de wederpartij doorgezonden naar de opdrachtgever van de
wederpartij.

Op 2 juni 1994 is verzoekster telefonisch afgewezen voor de genoemde
functie. Op 3 juni 1994 heeft verzoekster de wederpartij gevraagd om
een schriftelijke bevestiging van de afwijzing, met redenen toegelicht,
omdat de reden van deze afwijzing de voorkeur voor een man zou
betreffen. De wederpartij heeft bij brief van 10 juni 1994 zonder
nadere toelichting meegedeeld, dat verzoekster niet tot de kandidaten
behoorde die voor verdere gesprekken in aanmerking kwamen.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt het volgende. Op 2 juni 1994 heeft de
wederpartij haar telefonisch meegedeeld dat zij niet in aanmerking kwam
voor een volgende selectieronde. De wederpartij zei daarbij te hebben
besloten om, aangezien het aantal reacties op de vacature de
verwachtingen te boven ging, de wens van de opdrachtgever om de
voorkeur te geven aan een man als eerste selectiecriterium te hanteren.
In de daarop volgende discussie hanteerde de wederpartij argumenten
als: “We hebben zoveel kandidaten dat we maar beter als eerste op de
wens van het bedrijf kunnen ingaan” en “Nu valt het in je nadeel uit,
maar als een bedrijf de voorkeur geeft aan een vrouw, valt het in je
voordeel uit”. Volgens verzoekster heeft de wederpartij in genoemd
telefonisch gesprek geen gewag gemaakt van argumenten betreffende haar
ervaring en opleiding. Verzoekster bestrijdt dat zij gebrek aan
ervaring in de functie van A & O Psycholoog(e) heeft.

3.4. De wederpartij stelt het volgende. De opdrachtgever heeft niet
alleen via de wederpartij maar via verschillende kanalen de vacature
uitgezet. In totaal hebben 21 mannen en vier vrouwen gereageerd. De
wederpartij heeft van de ongeveer 15 reacties op de vacature een man en
een vrouw (verzoekster) in de eerste selectieronde geselecteerd en hun
curriculum vitae doorgezonden naar de opdrachtgever. Laatstgenoemde
heeft de rest van de selectie verzorgd en beide kandidaten van de
wederpartij afgewezen. Uiteindelijk is een man aangenomen.

De wederpartij stelt dat met betrekking tot de vacaturemelding geen
voorkeur is uitgesproken voor een man door de opdrachtgever. Pas toen
de opdrachtgever al een keuze had gemaakt sprak deze een lichte
voorkeur uit voor een man, vanwege de samenstelling van de afdeling
Personeelszaken (drie vrouwelijke en twee mannelijke medewerkers). De
opdrachtgever is een bedrijf waar ongeveer 50% van de werknemers
allochtoon is. Omdat de personeelsfunctionaris veel contact heeft met
de mensen die in de productie werken en in de cultuur van de allochtone
medewerkers de vrouw een ondergeschikte positie heeft, vond de
opdrachtgever het van belang dat de mannelijke allochtone medewerkers
een mannelijke gesprekspartner zouden krijgen. Tijdens de zitting
stelde de wederpartij dat – hoewel zij het geslacht van een kandidaat
zelf geen rol wil laten spelen – zij zich in deze motivering in de
situatie van dit bedrijf wel kon vinden.

De voorkeur voor een man was de wederpartij in eerste instantie niet
bekend en bleek pas nadat zij het curriculum vitae van verzoekster had
doorgestuurd. De wederpartij stelt dat zij dit doorzenden, indien zij
op de hoogte was geweest van de voorkeur voor een man, achterwege had
kunnen laten. De wederpartij is niet met de opdrachtgever over de
voorkeur voor een man in discussie gegaan. De wederpartij stelt, dat
het geslacht van verzoekster voor haar geen selectiecriterium is
geweest. Indien een opdrachtgever van meet af aan een voorkeur voor een
man zou uitspreken, zou de wederpartij erop attenderen dat dit niet is
toegestaan. Aangezien in casu echter de opdrachtgever al een keuze had
gemaakt was er sprake van een voldongen feit.

Verzoekster is volgens de wederpartij niet afgewezen op haar
vrouw-zijn, maar op haar gebrek aan ervaring in de functie van A & O
psycholoog(e). De wederpartij stelt dat verzoekster in bedoeld
telefonisch onderhoud ook is medegedeeld dat de reden voor haar
afwijzing te maken had met haar opleiding en werkervaring. Daarbij
heeft de wederpartij ook genoemd, dat de opdrachtgever een lichte
voorkeur voor een mannelijke kandidaat had teneinde verzoekster een
goed beeld te geven van de situatie. Achteraf denkt de wederpartij dat
zij de opmerking van de opdrachtgever beter niet had kunnen noemen. Zij
biedt haar excuses aan voor de mogelijk niet correcte wijze waarop zij
haar telefonische reactie op de sollicitatie van verzoekster heeft
geformuleerd.

3.5. De opdrachtgever van de wederpartij stelt het volgende. Van de
wederpartij is een curriculum vitae ontvangen met betrekking tot
verzoekster. Zij voldeed echter niet aan de opleidingsvereisten. Daarom
is aan de wederpartij bericht, dat de opdrachtgever aan de procedure
met betrekking tot verzoekster geen vervolg zou geven. Voorkeur voor
een man of vrouw is volgens de opdrachtgever in dat kader niet ter
sprake geweest.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de behandeling bij de
vervulling van de openstaande betrekking jegens verzoekster onderscheid
heeft gemaakt in strijd met de WGB door melding te maken van de
voorkeur van de opdrachtgever voor een man bij de afwijzing van
verzoekster voor de functie.

4.2. Artikel 3 lid 1 WGB schrijft onder andere voor dat het niet is
toegestaan bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

Van het verbod in artikel 3 WGB lid 1 mag slechts worden afgeweken als
er sprake is van een van de wettelijke uitzonderingsgronden genoemd in
artikel 3 lid 2 WGB en artikel 5 lid 1 en 2 WGB.

In artikel 3 lid 2 WGB wordt onder andere bepaald dat van dit verbod
mag worden afgeweken in die gevallen waarin ingevolge enige andere wet
dan de WGB bij het aanbieden van een betrekking onderscheid tussen
mannen en vrouwen mag worden gemaakt. In artikel 5 lid 1 WGB wordt
onder ander bepaald dat van dit verbod mag worden afgeweken, indien het
gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te
verminderen. Artikel 5 lid 2 WGB bepaalt onder meer dat van genoemd
verbod mag worden afgeweken in gevallen waarin vanwege de aard of de
voorwaarden voor de uitoefening van een beroepsactiviteit het geslacht
bepalend is.

In casu is geen sprake van de genoemde wettelijke uitzonderingsgronden.

4.3. De Commissie constateert allereerst dat de opdrachtgever ontkent
een voorkeur te hebben uitgesproken voor een man ten aanzien van de
vacaturevervulling. De Commissie acht echter aannemelijk dat zulks wel
is geschied. De wederpartij heeft dit immers gesteld en bevestigd
daarvan melding te hebben gemaakt bij de telefonisch afwijzing van
verzoekster, en tevens tijdens de zitting uiteengezet wat de motivering
van de opdrachtgever daarbij was.

4.4. De Commissie stelt vast dat de wederpartij verzoekster in de
eerste ronde heeft geselecteerd en haar c.v. heeft doorgezonden naar de
opdrachtgever. De Commissie stelt tevens vast dat pas toen de
opdrachtgever al een keuze had gemaakt, de wederpartij vernam dat de
opdrachtgever een voorkeur voor een man heeft. Ten aanzien van het
verweer van de wederpartij dat zij zelf weliswaar van die voorkeur
jegens verzoekster melding heeft gemaakt, maar bij de selectie zelf het
geslacht van verzoekster geen rol heeft laten spelen overweegt de
Commissie als volgt.

Blijkens de tekst van artikel 3 WGB en de Memorie van Toelichting op
dit artikel richt artikel 3 zich zowel tot de werkgever als tot een
derde die door deze werkgever wordt betrokken in de wervings- en
selectieprocedure (Tweede kamer, vergaderjaar 1986-1987, 19.908, nr. 3,
blz. 18).

In beginsel is de werkgever verantwoordelijk voor de naleving van de
WGB voor het geheel van de wervings-, selectie- en de aanstellingsfase.
Daarnaast is een door de werkgever ingeschakelde derde verantwoordelijk
voor de naleving van de WGB voor dat deel van de procedure waar deze
bij betrokken is.

De Commissie stelt vast dat de wederpartij niet alleen voor de eerste
selectie heeft gezorgd, maar ook betrokken is geweest bij het vervolg
van de procedure tot en met de berichtgeving aan de kandidaten.
Aangezien de wederpartij daarbij feitelijk opdrachten van de
opdrachtgever heeft uitgevoerd, heeft zij een eigen
verantwoordelijkheid ook bij dit deel van de procedure artikel 3 WGB na
te leven.

Vervolgens rijst de vraag of in casu de wederpartij heeft gehandeld in
strijd met artikel 3 WGB. De Commissie constateert ten aanzien hiervan,
dat de wederpartij zich op geen enkele wijze heeft gedistantieerd van
de voorkeur van de opdrachtgever voor een man en tevens dat zij in het
kader van de afwijzing jegens verzoekster deze voorkeur heeft gemeld.
De Commissie concludeert dat de wederpartij mitsdien jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt en daarmee in strijd heeft
gehandeld met de wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te
Drachten jegens mevrouw te Eindhoven, door bij de
behandeling van de vervulling van een openstaande betrekking de
voorkeur voor een man een rol te laten spelen, in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling onderscheid maakt naar geslacht zoals

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw mr L. Mulder(lid Kamer), dhr mr P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw A.C. van Doornen(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 27 september 1995

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan haar ƒ 450
kinderalimentatie moet betalen omdat hij de vader is van haar kind. De man
stelt zich op het standpunt dat hij niet de vader van het kind kan zijn en
dat hij niet in staat is de gevraagde bijdrage te leveren.
De rechtbank bepaalt dat er een deskundigenonderzoek dient plaats te vinden
om het vaderschap vast te stellen.
95.2746FV

Volledige tekst

Partijen worden hierna mede respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
– het op 18 mei 1995 ter griffie van deze rechtbank ingediende
verzoekschrift;
– het op 22 mei 1995 ingediende aanvullend verzoekschrift;
– het tijdig daartegen ingediende verweerschrift.
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan haar in haar hoedanigheid
van moeder-voogdes over na te noemen kind als bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van bedoeld kind tegen kwijting zal betalen een
bedrag van ƒ 450 per maand, zulks ingaande de dag dat door de man de
vrijwillige bijdrage voor bedoeld kind werd beëindigd, zijnde 1 december
1994.
Zij heeft hiertoe gesteld:
– dat op 25 mei 1979 uit haar is geboren het kind genaamd Q
– dat zij gedaagde aanwijst als vader van dit kind, aangezien zij tussen de
307e en de 179ste dag voorafgaand aan die waarop voornoemd kind is geboren
vleselijke gemeenschap met gedaagde heeft gehad,
– dat noch gedaagde, noch een andere man het kind heeft erkend,
– dat gedaagde tot de meerderjarigheid van het kind verplicht en in staat is
voormelde bijdrage te betalen.
De man heeft het verzoek bestreden en hiertoe primair gesteld dat de vrouw
niet-ontvankelijk is in haar verzoek nu het op grond van artikel 1:405 lid 2
van het Burgerlijk Wetboek is verjaard. Subsidiair stelt de man dat de vrouw
niet kan worden ontvangen in haar verzoek, gelet op de onredelijk lange tijd
die is verstreken na het royeren op 25 november 1981 van de eerste procedure
die de vrouw in 1980 tegen de man is gestart.
Het ten tweede male beginnen van een dergelijke procedure, daarbij in
aanmerking nemend de lange tussenliggende periode, is in strijd met artikel 6
EVRM, althans met een goede procesorde, althans met het beginsel van
rechtszekerheid.
Meer subsidiair ontkent de man dat hij tussen de 307e en de 179ste dag voor
de geboorte van het kind gemeenschap met de vrouw heeft gehad en derhalve de
vader van het kind kan zijn. Indien de rechtbank tot het oordeel mocht komen
dat de man wel de vader is stelt de man dat hij onvoldoende draagkracht heeft
om de verzochte bijdrage te betalen.
Daarop is de zaak behandeld op de terechtzitting van 20 september 1995,
alwaar partijen en hun procureurs verschenen zijn.
De rechtbank overweegt als volgt:
1. Als gesteld en niet weersproken staat de geboorte van voornoemd kind vast.
2. Ter zitting heeft de man zijn primaire en subsidiaire verweer ingetrokken.
Hij heeft echter het verweer dat hij niet de vader van het kind kan zijn en
het verweer dat hij onvoldoende draagkracht heeft, gehandhaafd en zich voorts
bereid verklaard mee te werken aan een deskundigenonderzoek tot vaststelling
van het vaderschap.
De vrouw heeft zich eveneens bereid verklaard mee te werken aan een
deskundigenonderzoek.
3. Op grond van het over en weer gestelde zal de rechtbank een
deskundigenonderzoek als hierna bedoeld bevelen.
Beslissing:
De rechtbank:
– benoemt, tenzij partijen binnen 8 dagen na heden omtrent de persoon van een
andere deskundige overeenkomen:
dr. G.G. de Lange,
hoofd van de afdeling Immunogenetica bij het Centraal Laboratorium van de
Bloedtransfusiediensten van het Nederlands Rode Kruis, als deskundige,
teneinde aan de rechtbank schriftelijk rapport uit te brengen omtrent de
vraag welke conclusies kunnen worden getrokken uit de samenstelling van het
bloed van de vrouw, de man en voornoemd kind met betrekking tot de
mogelijkheid dat de man al dan niet de vader van het kind is;
– bepaalt dat de deskundige, alvorens de benoeming te aanvaarden, van de
griffier van deze rechtbank een voorschot voor honorarium en voorschotten zal
kunnen verlangen;
– begroot dit voorschot voorlopig op ƒ 2550 (tweeduizend vijfhonderd en
vijftig gulden), terwijl de rechtbank bij de eindbeschikking zal bepalen te
wiens laste de aan het onderzoek verbonden kosten zullen komen;
– verzoekt de deskundige op uiterlijk 29 november 1995 een schriftelijk
bericht in te leveren ter griffie van deze rechtbank;
– verwijst de zaak naar de pro forma zitting van 13 december 1995 voor
conclusie na deskundigenbericht;
– sluit hoger beroep van deze beschikking uit tot dat van de eindbeschikking
en houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

A.N. van de Beek

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 26 september 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Getuige en slachtoffer F. heeft bij de politie en bij de rechter commissaris
in aanwezigheid van de raadsman, gelijke belastende verklaringen afgelegd. F.
verscheen niet in hoger beroep. Raadsman vond het goed dat F. door de RC werd
gehoord. Zij hoefde dan niet meer ter terechtzitting te verschijnen. F. is
steeds in aanwezigheid van de raadsman, na een voorgesprek met de RC, waarin
zij verklaarde bij de politie niet gelogen te hebben, door een Turkse
Rechtbank gehoord, waar zij zich op haar verschoningsrecht beriep. Het Hof
heeft de eerste twee verklaringen voor het bewijs gebruikt.
De Hoge Raad oordeelt dat nu de verdediging F. als getuige heeft kunnen
ondervragen, het gebruik van de eerste twee verklaringen voor het bewijs niet
in strijd is met artikel 6 EVRM. Verder heeft het Hof kennelijk en niet
onbegrijpelijk geoordeeld dat van intrekking door F. van haar eerste twee
verklaringen, dan wel van weigering om te verklaren geen sprake is.

Volledige tekst

1. De bestreden uitspraak
Het hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een vonnis van de
Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 12 januari 1993 – de verdachte ter
zake van `ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd’
veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden
voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Meijers,
advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De
schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het
beroep.
4. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard:
`dat hij in de periode van 1 januari 1989 tot en met 1 november 1992 in het
arrondissement Utrecht, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, F.,
geboren op 24 januari 1977, bestaande die ontucht hierin dat hij verdachte
daar toen meermalen ontuchtig de borsten en de vagina van F. heeft betast en
heeft gelikt aan de vagina van F. en met zijn, verdachtes stijve penis op- en
neergaande bewegingen heeft gemaakt tegen het lichaam van F..’
4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:
1. Verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover
inhoudende – zakelijk weergegeven -:
In 1989 woonden we in M. en in 1990 of 1991 zijn wij verhuisd naar Utrecht.
Mijn dochter F., geboren op 24 januari 1977, woonde zowel in M. als in
Utrecht bij ons. Het gezin woonde bij elkaar.
2. Een ambtsedig proces-verbaal van aangiftenummer 2064, op 4 november 1992
opgemaakt door M.J. Huigen, hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te
Utrecht, als onderdeel van het ambtsedig proces-verbaal, nummer 4475-92, op 5
november 1992 opgemaakt door M.J. Huigen, voornoemd, voor zover inhoudende,
als verklaring van aangeefster F., zakelijk weergegeven:
De eerste keer dat mijn vader incest met mij pleegde was op mijn twaalfde
jaar. Sinds die tijd heeft mijn vader bijna elke dag thuis incest met mij
gepleegd. Hij deed dat terwijl ik in bed lag. Soms riep hij mij bij hem op
zijn slaapkamer. Eerst betaste hij alleen mijn blote borsten en mijn blote
kut. Later ging mijn vader mij beffen, met zijn tong likte hij mijn kut. Soms
ging hij droogneuken. Ik voelde dan een stijve lul door zijn pyjama heen.
Mijn vader ging dan wippen. Eind augustus 1992 ben ik weggelopen van huis. Ik
had tegen een leerlingbegeleidster op school, M.G. verteld dat mijn vader
incest met mij pleegde. Tot op de dag dat ik ben weggelopen heeft mijn vader
incest met mij gepleegd. Mijn zusje M. heeft de incest een aantal keren
gezien.
3. Een proces-verbaal van verhoor van getuigen, op 3 december 1992 opgemaakt
en ondertekend door mr. C. van Linschoten, rechter-commissaris belast met de
behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Utrecht en zijn
griffier, voor zover inhoudende als verklaring van getuige F., zakelijk
weergegeven:
De incest vond thuis plaats. Eerst woonden we in M.. Ongeveer een jaar
geleden zijn we naar Utrecht verhuisd. mijn vader kwam bijna elke dag bij mij
om aan me te voelen en droog te vrijen.
4. Een ambtsedig proces-verbaal, op 6 november 1992 opgemaakt door M.J.
Adema, hoofdagent van gemeentepolitie te Utrecht, voor zover inhoudende als
verklaring van getuige M.G., zakelijk weergegeven:
Ik ben als leerlingenbegeleidster werkzaam bij het Spectrumcollege te
Utrecht. Op 29 september 1992 heb ik een kennismakingsgesprek gevoerd met een
meisje, F. genaamd. Zij is sinds augustus 1992 bij ons op school. Al snel
kwam zij met een incestverhaal. De seksuele handelingen werden al drie jaar
gepleegd. Haar vader kwam regelmatig bij haar op de slaapkamer en misbruikte
haar dan seksueel.
5. Een proces-verbaal, op 6 november 1992 opgemaakt door M.J. Huigen,
hoofdagent-rechercheur van gemeentepolitie te Utrecht, als onderdeel van het
ambtsedig proces-verbaal, nummer 4475/a, op 9 november 1992 opgemaakt door
M.J. Huigen, voornoemd, voor zover inhoudende, als verklaring van getuige E.,
echtgenote van de verdachte A., zakelijk weergegeven:
Ik weet dat mijn man is opgepakt door de politie omdat mijn dochter F.
aangifte heeft gedaan van incest. Ik heb van mijn dochter M. gehoord dat mijn
man op de slaapkamer van F. kwam. Ik merk aan de reacties van F. aan de
telefoon dat er iets gebeurd moet zijn. F. heeft in september 1992 geprobeerd
zich van het leven te beroven door zich op te hangen. Wij vonden haar liggend
op de grond.
6. Een proces-verbaal van bevindingen, op 16 juni 1994 opgemaakt en
ondertekend door mr. A.H.A. Scholten, rechter-commissaris belast met de
behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Utrecht en zijn
griffier, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Voorafgaand aan haar verhoor had ik op 16 juni 1994 in de rechtbank te K.,
Turkije, een voorgesprek met F.
F. heeft aangegeven dat zij bij de politie niet heeft gelogen. Met tranen in
haar ogen verklaarde zij – op besliste toon – tot tweemaal toe dat zij bij de
politie niet heeft gelogen.
5. Beoordeling van het middel
5.1. Het middel klaagt over het gebruik door het Hof van de in het
voorbereidend onderzoek opgemaakte processen-verbaal houdende verklaringen
van F. Het middel heeft daarbij kennelijk het oog op de door het Hof met 2 en
3 genummerde bewijsmiddelen.
5.2. Voor wat de door F. afgelegde verklaringen betreft blijkt uit de stukken
van het geding het volgende.
Nadat zij op 4 november 1992 door de politie was gehoord (bewijsmiddel 2)
heeft zij op 3 december 1992 ten overstaan van de Rechter-Commissaris en in
aanwezigheid van de raadsman een verklaring van gelijke strekking afgelegd
(bewijsmiddel 3).
Ter terechtzitting in hoger beroep van 19 oktober 1993, alwaar F. – op
verzoek van de verdediging als getuige opgeroepen – niet was verschenen,
heeft de raadsman te kennen gegeven zich er niet tegen te zullen verzetten
indien de getuige F. zou worden gehoord door de Rechter-Commissaris. Voorts
heeft hij meegedeeld dat, indien die getuige zou worden gehoord door de
Rechter-Commissaris, zij wat de verdediging betreft niet meer daarna ter
terechtzitting zou behoeven te verschijnen. Het hof heeft vervolgens het
onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst onder meer ten einde F. door de
Rechter-Commissaris te doen horen.
Op 16 januari 1994 is die getuige – naar aanleiding van een door de
Rechter-Commissaris in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht gedaan
rechtshulpverzoek – in aanwezigheid van de raadsman gehoord door de
meervoudige kamer van de Rechtbank te K. (Turkije). Zij heeft aldaar zakelijk
verklaard hetgeen in het middel is weergegeven. Genoemde Rechter-Commissaris
heeft in Turkije, onmiddellijk voorafgaand aan dat verhoor, in aanwezigheid
van de raadsman, een `voorgesprek’ met die getuige gehad, dat is weergegeven
in het door het hof als bewijsmiddel 6 genummerde proces-verbaal van
bevindingen.
De nadere behandeling van de zaak door het hof heeft vervolgens
plaatsgevonden op 21 oktober 1994.
5.3. Nu blijkens het vorenoverwogene de verdediging de gelegenheid heeft
gehad F. als getuige te ondervragen geeft het gebruik door het Hof voor het
bewijs van de in het voorbereidend onderzoek opgemaakte processen-verbaal
(bewijsmiddelen 2 en 3) geen blijk van miskenning van het bepaalde in art. 6
EVRM. Voor zover het middel over schending van die bepaling klaagt, faalt het
derhalve.
5.4. Het middel klaagt voorts, met een beroep op HR 1 februari 1994, NJ 1994,
427, rechtsoverwegingen 6.3.3. sub (iii-1) en (iii-2), dat het Hof genoemde
processen-verbaal niet tot het bewijs had mogen bezigen, nu F. niet voor de
nadere behandeling op 21 oktober 1994 is opgeroepen.
Ook die klacht faalt.
Het hof heeft in tegenstelling tot de dienaangaande in het middel betrokken
stelling, kennelijk en – in het licht van de inhoud van de op 16 januari 1994
in Turkije opgemaakte processen verbaal – niet onbegrijpelijk geoordeeld dat
van intrekking door F. van de door haar bij de politie en de
Rechter-Commissaris afgelegde verklaring dan wel van weigering (als bedoeld
in evengenoemde rechtsoverweging 6.3.3. sub (iii-2) om te verklaren omtrent
de feiten en omstandigheden waaromtrent zij eerder had verklaard – als
hoedanig een beroep op het haar toekomende verschoningsrecht immers niet kan
worden beschouwd – geen sprake is. Het in genoemd arrest onder 6.3.3. sub
(iii-2) bedoelde geval doet zich hier dus niet voor.
Ook overigens leveren de omstandigheden van het geval geen grond op voor het
oordeel dat het Hof door meergenoemde processen-verbaal voor het bewijs te
bezigen de door de Hoge Raad in zijn arrest van 11 februari 1994 getrokken
grenzen niet in acht heeft genomen.
5.5. Het middel faalt dus.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen
grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren
te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Rechters

Mrs. Hermans (vz), Beekhuis, Keijzer, Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp enKoster

Instantie: Rechtbank ‘s-Hertogenbosch, 22 september 1995

Instantie

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch

Samenvatting


Philips wijzigt naar aanleiding van het Barberarrest van het Europese Hof van
Justitie via de CAO de pensioenleeftijd van de vrouwelijke werknemers. Deze
wordt verhoogd van zestig naar vijfenzestig jaar. Negenhonderd Philipsvrouwen
verenigen zich in een werkgroep en tekenen bezwaar aan tegen deze
achteruitgang in pensioenrechten. Zij spannen een kort geding aan. De rechter
stelt de vrouwen in het ongelijk. Het recht op een pensioneringsleeftijd van
zestig jaar kan niet als een verworven recht worden beschouwd. Wel acht de
rechter het redelijk dat er een overgangsregeling wordt gecreeerd voor de
gedupeerde vrouwen. De Philipsvrouwen spannen een bodemprocedure aan.
De kantonrechter wijst de vordering af op formele gronden van
ontvankelijkheid en bepaaldheid.
De rechtbank bevestigt het vonnis van de kantonrechter. Geen cassatie in
verband met negatief cassatie-advies. (Ook vonnis kantongerecht Eindhoven 7
mei 1992 is opgenomen).

Volledige tekst

IV. De beoordeling:
1. Appellanten zijn tijdig in hoger beroep gekomen zodat zij daarin kunnen
worden ontvangen.
Het komt de rechtbank doelmatig voor om allereerst in te gaan op hetgeen
appellanten met het aanhangig maken van deze zaak aan de rechter ter toetsing
hebben willen voorleggen. Zonodig zullen vervolgens de grieven worden
besproken.
2. Op 1 april 1990 is de Philips CAO (A) (hierna: de CAO) in werking
getreden.
In hoger beroep hebben appellanten niet gehandhaafd hun in eerste aanleg
ingenomen standpunt dat die CAO niet geldt voor de niet-georganiseerden onder
hen.
2.1. De stelling van appellanten dat de CAO op 27 juni 1990 is ondertekend
doet niet af aan de – op zichzelf onweersproken – stelling van Philips dat de
cao-partijen op 11 mei 1990 overeenstemming over de inhoud daarvan hebben
bereikt. Derhalve dient 11 mei 1990 als tijdstip van totstandkoming van de
cao te worden aangemerkt.
3. In artikel 30 daarvan was, voorzover relevant, bepaald:
`2. Pensioneringsleeftijd voor werknemers, die op 31 december 1990 in dienst
zijn
a. Voor vrouwelijke werknemers ….. geldt een pensioneringsleeftijd van 60
jaar …… voor de overige werknemers geldt een pensioneringsleeftijd van 65
jaar.’
Appellanten 2 t/m 82 waren allen (reeds) op 31 december 1990 bij Philips in
dienst.
4.1. Na het sluiten van de CAO op 11 mei 1990, nl. op 17 mei 1990, heeft het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) arrest
gewezen in de zaak C 262/88: D.H. Barber tegen Guardian Royal Exchange
Assurance Group (hierna: Barber-arrest).
4.2. Deze uitspraak noopte Philips er, gelet op de overweging in voormeld
arrest dat vaststelling van een naar geslacht verschillende leeftijd voor
pensioenen in strijd is met artikel 119 EEG-Verdrag, toe voormeld artikel 30
te wijzigen en wel in die zin dat de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen
een vrouwen gelijk moest worden gesteld.
5.1. Naar aanleiding van het Barber-arrest heeft Philips in haar brief van 28
november 1990 gericht aan de vakorganisaties die partij waren bij de cao
medegedeeld:
`Bij gelegenheid van het CAO-accoord d.d. 11 mei jl. hebben wij een afspraak
gemaakt inzake de pensioengerechtigde leeftijd van vrouwelijke medewerkers,
ingedeeld lager dan functiegroep 40 en op 31 december 1990 in dienst van de
onderneming. (bijlage 3, a, punt 2 van de overeenkomst d.d. 11 mei jl.).
Afgesproken is om met ingang van 1 januari 1991 over te gaan tot het
realiseren van gelijke behandeling ten aanzien van de pensioengerechtigde
leeftijd van bedoelde vrouwen (thans 60 jaar) met die van mannelijke
medewerkers in dezelfde indelingsgroep (65 jaar). Een en ander conform de
overgangsbepalingen van het wetsvoorstel voor gelijke behandeling van mannen
en vrouwen in de bovenwettelijke sociale zekerheid (Wetsvoorstel 20 890), dat
ten tijde van het CAO-accoord in behandeling was bij de Tweede Kamer der
Staten Generaal).
Voorts is afgesproken de pensioenpremie van bedoelde vrouwelijke medewerkers
m.i.v. 1 januari 1991 aan te passen in overeenstemming met de wijziging van
de pensioengerechtigde leeftijd (zie: Samenvattend verslag van ons overleg
d.d. 10/11 mei 1990, blz. 27).
Wij melden u thans dat zich na 11 mei jl. een nieuw feit heeft voorgedaan,
dat van belang is voor bovengenoemde uitspraken.
Het Europees Hof van Justitie heeft in de zaak `Barber versus Guardian Royal
Exchange’ uitgesproken rechtstreekse werking toe te kennen aan art. 119
EEG-verdrag voor wat betreft o.m. aanvullende pensioenen en VUT-regelingen.
Dit betekent dat `Gelijke behandeling’ voortaan geboden is. Uitzonderingen op
dit principe zijn niet meer toegestaan, ook niet om redenen die in het
verleden gelegen zijn.
Deze uitspraak is gedaan door een hogere instantie dan de Nederlandse
wetgever, en is daarmee bepalend voor de situatie in Nederland (immers:
rechtstreekse werking).
Bovendien is het Nederlandse wetsvoorstel door deze uitspraak achterhaald,
o.m. wat betreft de overgangsbepaling die beoogt vrouwen vanaf een bepaalde
leeftijd uit te zonderen van de gelijke behandeling.
Een en ander maakt dat wij de strekking van onze afspraak ten aanzien van
vrouwen, ingedeeld lager dan functiegroep 40 en op 31 december 1990 in dienst
van de onderneming, kunnen handhaven: namelijk het realiseren van gelijke
behandeling (pensioenpremie en pensioengerechtigde leeftijd) m.i.v. 1 januari
1991.
Gezien de hierboven aangehaalde uitspraak van het Europees Hof van Justitie,
kunnen wij niet anders dan ten aanzien van de vormgeving van de bedoelde
gelijke behandeling als volgt handelen:
1. Met ingang van 1 januari 1991 zijn vrouwelijke medewerkers, ingedeeld
lager dan functiegroep 40 en in dienst van de onderneming op 31 december
1990, pensioengerechtigd op de leeftijd van 65 jaar.
2. Met ingang van 1 januari 1991 is de pensioenpremie voor vrouwelijke
medewerkers, ingedeeld lager dan functiegroep 40 en in dienst van de
onderneming op 31 december 1990, 2% van de daartoe aangewezen
inkomensbestanddelen.
3. Met ingang van 1 januari 1991 komen vrouwelijke medewerkers, ingedeeld
lager dan functiegroep 40 en in dienst van de onderneming op 31 december
1990, niet meer in aanmerking voor de SVPP-regeling zoals overeengekomen in
ons CAO-accoord d.d. 11 mei jl.
Zij zijn immers niet meer op de leeftijd van 60 jaar pensioengerechtigd (een
vereiste voor de SVVP), en daarenboven komen ook mannelijke medewerkers,
ingedeeld lager dan functiegroep 40 en in dienst van de onderneming op 31
december 1990, niet in aanmerking voor de SVVP.
4. Met ingang van 1 januari 1991 komen vrouwelijke medewerkers, ingedeeld
lager dan functiegroep 40 en in dienst van de onderneming op 31 december
1990, in aanmerking voor deelname aan de EB-regeling, zoals overeengekomen in
ons CAO-accoord d.d. 11 mei jl.’
Bij die brief is op een bijlage gevoegd de gewijzigde tekst van artikel 30,
voorzover van belang inhoudende:
`2. Pensioneringsleeftijd voor werknemers, die op 31 december 1990 in dienst
zijn.
a. Voor werknemers, ingedeeld lager dan functiegroep 40 geldt een
pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar.’
Appellanten sub 2 tot en met 82 zijn lager dan functiegroep 40 ingedeeld.
5.2. Bij brieven van 10 en 13 december 1990 hebben respectievelijk de
Industriebond FNV en de Industrie- en Voedingsbond CNV ingestemd met
voormelde brief van 28 november 1990. De Unie BLHP heeft in haar brief van 11
december 1990 medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de tekst van het
nieuwe artikel 30 van de cao.
5.3. Gelet op voormelde briefwisseling tussen Philips en vakbonden en gezien
genoemde bijlage is, anders dan appellanten hebben betoogd, wel voldaan aan
het vereiste van een onderhandse akte zoals bedoeld in artikel 5 in verband
met artikel 3 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomsten (WCAO). Ook
een opeenvolgende briefwisseling als in casu is als een onderhandse akte te
beschouwen (vgl. HR 14-4-1961, NJ 1961, 446). Ondertekening van de wijziging
van de cao wordt niet geëist. De wijziging van artikel 30 van de cao is dus
rechtsgeldig tot stand gekomen. De betreffende wijziging is ingegaan op 1
januari 1991.
5.4. Enig voorbehoud van de vakorganisaties ten aanzien van de wijziging,
zoals appellanten stellen, valt in de tekst van de gewijzigde bepaling noch
in voormelde brieven van de betrokken vakorganisaties te lezen. De brief d.d.
10 maart 1994 van de Industriebond FNV gericht aan de procureur van
appellanten doet, voorzover daarin al enig voorbehoud ten aanzien van de
wijziging valt te lezen, niet af aan de bewoordingen van de tussen Philips en
de bonden overeengekomen tekst van de gewijzigde bepaling.
6. Bij brief van 14 december 1990 zijn zijdens Philips de per 1 januari 1991
ingaande wijzigingen op voldoende duidelijke wijze aan de betreffende
werkneemsters medegedeeld.
7.1. De mening van appellanten dat de wijziging van artikel 30 van de CAO in
strijd met de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) is, is onjuist.
7.2. De strekking van de PSW is, in grote trekken omschreven, zo veel
mogelijk te waarborgen dat wanneer er toezeggingen omtrent pensioen zijn
gedaan, die toezeggingen inderdaad gerealiseerd worden. Uit de PSW valt
evenwel niet af te leiden dat dit ook betreft de pensioenleeftijd. Bepalingen
dienaangaande ontbreken en ook de wetsgeschiedenis duidt daar niet op. Door
de wijziging van artikel 30 van de CAO wordt dan ook geen afbreuk gedaan aan
voormelde strekking.
8.1. Indien bij appellanten de verwachting leefde dat er ten aanzien van de
pensioenleeftijd niets zou veranderen dan kan teleurstelling in die
verwachting Philips toch niet worden tegengeworpen. De leeftijd stond in de
CAO en die kon gewijzigd worden. Het kan Philips niet euvel geduid worden dat
zij een wijziging van de CAO overeengekomen is om de CAO in overeenstemming
te brengen met art. 119 EEG.
8.2. Niet gezegd kan worden dat Philips niet redelijk heeft gehandeld door de
pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen op te trekken tot die van de mannen
en door geen overgangsmaatregelen te treffen waarbij zowel aan mannen als aan
vrouwen de keuze werd gegeven om met 60 dan wel met 65 jaar met pensioen te
gaan. Verlaging van de pensioengerechtigde leeftijd voor mannen naar 60 jaar
kon in redelijkheid niet van Philips verwacht worden in verband met de
financiële gevolgen daarvan voor Philips.
8.3. De rechtbank merkt daarbij op dat het Hof in zijn arrest van 28
september 1994 in de zaak C-408/92 C.C.E. Smith en anderen tegen Avdel
Systems Ltd. heeft geoordeeld dat artikel 119 EEG-Verdrag er niet aan in de
weg staat dat een werkgever, die de nodige maatregelen neemt om aan het
Barber-arrest te voldoen, ten aanzien van na de datum van inwerkingtreding
van die maatregel vervulde tijdvakken van arbeid, de pensioengerechtigde
leeftijd voor vrouwen optrekt tot de voor mannen geldende leeftijd.
Bovendien heeft het hof in genoemde uitspraak bepaald dat zo’n verhoging van
de pensioengerechtigde leeftijd voor vrouwen tot de voor mannen geldende
leeftijd, waartoe een werkgever heeft besloten om ten aanzien van uit hoofde
van toekomstige tijdvakken van arbeid van bedrijfspensioenen op te heffen,
niet vergezeld kan gaan van discriminatie in stand latende maatregelen, zij
het ook tijdelijke, die bedoeld zijn om de ongunstige gevolgen die vrouwen
van een dergelijke verhoging kunnen ondervinden, te beperken.
9. Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Philips
door verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd overeen te komen geen
wanprestatie heeft geleverd noch onrechtmatig heeft gehandeld.
10. De subsidiaire vorderingen van appellanten acht de rechtbank prematuur.
De noodzakelijke nadere invulling die moet worden gegeven in verband met de
verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is nog onderwerp van bespreking
tussen de sociale partners (dat was het althans ten tijde van het fourneren
van de stukken). Voor enigerlei beslissing van de rechter op dit punt is
thans geen plaats.
11. Uit het vorenstaande volgt dat, ook al zouden de grieven, welke
betrekking hebben op het oordeel van de kantonrechter dat de vorderingen
onvoldoende duidelijk en bepaald zouden zijn en dat Stiwerog niet in haar
vorderingen kon worden ontvangen, gegrond zijn, dit niet tot een andere
beslissing dan de kantonrechter gegeven heeft, te weten afwijzing van de
vorderingen, kan leiden.
De grieven kunnen dus onbesproken blijven en het vonnis, waarvan beroep, zal
worden bekrachtigd.
Appellanten worden, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van
het hoger beroep, aan de zijde van Philips gevallen, verwezen.
V. De beslissing.
De rechtbank:
bekrachtigt het tussen partijen op 7 mei 1992 onder rolnummer 5042/91 door de
kantonrechter te Eindhoven gewezen vonnis;
verwijst appellanten in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de
zijde van geïntimeerden gevallen, welke kosten tot op heden worden begroot op
ƒ 3800.

Rechters

Mrs. Thijsen (vz), Milar, Smit

Instantie: Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 22 september 1995

Instantie

Gerechtshof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Gelet op de leeftijd van de vrouw, haar opleiding en de omstandigheden
op de arbeidsmarkt acht het hof het niet aannemelijk dat de vrouw thans
of in de nabije toekomst zich zodanige inkomsten kan verwerven dat zij
aan een aanvullende bijdrage van de man geen behoefte meer heeft. Op
dit moment kan, volgens het Hof, nog niet worden beoordeeld of de
alimentatie na vijftien jaar, eind 1997, kan worden gelimiteerd. Dit
kan pas worden beoordeeld na afloop van de termijn van vijftien jaar.
(Hoger beroep in de zaak: Rb Middelburg 25 januari 1995, RN 1995, 500,
m.nt. Paula Beek)

Volledige tekst

Het geding

De partijen zijn in 1969 in algehele gemeenschap van goederen met
elkaar gehuwd. bij vonnis van de rechtbank te Middelburg van 11
augustus 1982 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken. Het vonnis
is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 16 december
1982. Bij dat vonnis is een alimentatie van ƒ 2.30,= ten behoeve van de
vrouw vastgesteld.

Op 29 augustus 1994 heeft de man de rechtbank verzocht om die uitspraak
met ingang van 1 september 1992 te wijzigen en de alimentatie op nihil
te stellen en voorzover de rechtbank zou oordelen dat hij nog een
(verlaagde) alimentatie zou moeten betalen, te bepalen dat deze zal
eindigen op 31 december 1997.

De rechtbank heeft bij beschikking van 25 januari 1995 de alimentatie
met ingang van 29 augustus 1994 bepaald op ƒ 1.050,= per maand en het
meer of anders verzochte afgewezen.

De vrouw is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
beschikking te vernietigen en het verzoek van de man alsnog af te
wijzen, althans de alimentatie vast te stellen op een bedrag zoals het
hof redelijk oordeelt met ingang van de datum van de beschikking in
eerste aanleg, althans met ingang van een datum zoals het hof redelijk
oordeelt.

De vrouw is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de
beschikking te vernietigen en het verzoek van de man alsnog af te
wijzen, althans de alimentatie vast te stellen op een bedrag zoals het
hof redelijk oordeelt met ingang van de datum van de beschikking in
eerste aanleg, althans met ingang van een datum zoals het hof redelijk
oordeelt.

De man heeft tijdig een verweerschrift ingediend en in incidenteel
hoger beroep verzocht de beschikking te vernietigen en alsnog zijn
oorspronkelijke verzoek toe te wijzen, althans de door hem
verschuldigde alimentatie met ingang van 29 augustus 1994 op nihil te
stellen, althans op een bedrag van ƒ 610,= per maand, althans op een
bedrag en met ingang van een datum als het hof redelijk oordeelt en
voor zover het hof van oordeel is dat de man toch nog (een verlaagde)
alimentatie dient te betalen, te bepalen dat deze zal eindigen op 31
december 1997.

Op 23 augustus 1995 is de zaak ter terechtzitting van het hof mondeling
behandeld.

Beoordeling van het beroep Het hof gaat van de volgende gegevens uit
(bedragen op hele guldens afgerond):

1. De vrouw is 49 jaar oud. Haar inkomen uit een part-time betrekking
bedraagt ƒ 1.667,- netto per maand. In het salaris is een beschikking
inspecteur in verband met de hypotheekrente van haar woning verwerkt.
Aan hypotheeklasten betaalt zij ƒ 1.215,-, waarvan ƒ 489,- aan rente en
ƒ 726,- aan aflossing. De premie lijfrente polis bedraagt ƒ 4.000,- per
jaar.

2. De man is medisch specialist. Zijn draagkracht is niet in het
geding.

3. Het beroep van de vrouw op rechtsverwerking van de man aangezien
hij, eerst jaren nadat zij gedeeltelijk door arbeid in haar
levensonderhoud is gaan voorzien, wijziging van de alimentatie vraagt,
verwerpt het hof. De man heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij
reeds gedurende enige jaren voorafgaand aan zijn inleidend
verzoekschrift, pogingen heeft gedaan om met de vrouw in verband met
haar eigen inkomsten uit arbeid, waarvan de vrouw aanvankelijk geen
melding had gemaakt, tot een regeling te komen, maar dat deze op niets
zijn uitgelopen.

4. Hetgeen de partijen vervolgens verdeeld houdt betreft de vraag of de
vrouw thans nog behoefte heeft aan een alimentatie van de man.

5. De man heeft aan zijn inleidende verzoek aan de rechtbank een
wijziging van omstandigheden ten grondslag gelegd, hieruit bestaande
dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een alimentatie, althans dat
die behoefte aanzienlijk is verminderd, aangezien zij in 1987
buitenshuis is gaan werken en sedert augustus 1992 de beide kinderen
van de partijen niet meer bij haar wonen. De man verwijt de vrouw dat
zij zich te weinig inspanning heeft getroost om te proberen door middel
van een opleiding en/of sollicitaties geheel op eigen benen te staan.
Ook in hoger beroep handhaaft de man die stelling.

6. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het thans niet aan de
orde is de alimentatie op nihil te stellen. De vrouw heeft genoegzaam
aangetoond dat zij moeite heeft gedaan om een volledige baan te
krijgen, maar dat haar inspanningen niet zijn beloond. Gelet op de
leeftijd van de vrouw, haar opleiding en de omstandigheden op de
arbeidsmarkt acht het hof het niet aannemelijk dat zij thans of in de
nabije toekomst zich zodanige inkomsten kan verwerven dat zij aan een
aanvullende bijdrage van de man geen behoefte meer heeft. Dit laat
echter onverlet dat de vrouw moet blijven proberen haar inkomsten te
vergroten door de omvang van haar werkzaamheden waar mogelijk uit te
breiden. Nihilstelling van de alimentatie zou betekenen dat de vrouw
reeds thans gebracht wordt op bijstandsniveau. Ook het door de man in
zijn incidentele beroep genoemde bedrag van ƒ 610,- per maand zou haar
onvoldoende ruimte bieden. De rechtbank is op een bedrag gekomen van ƒ
1.050,- per maand, – het verschil tussen de oorspronkelijke alimentatie
en haar eigen inkomen – ervan uitgaande dat de vrouw jaren heeft kunnen
rondkomen van de alimentatie zonder inkomsten uit arbeid daarnaast. Met
de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw geen feiten of
omstandigheden heeft gesteld die van het tegendeel blijken. De vrouw is
immers van de alimentatie zoals deze in het vonnis is bepaald niet in
hoger beroep gegaan en ook later heeft zij geen wijziging van de
alimentatie in rechte verzocht. In de periode dat de vrouw alleen de
alimentatie ontving en in de periode dat zij daarnaast inkomen uit
arbeid had, woonden de beide kinderen van partijen nog bij haar.
Ondanks dat de man voor beiden alimentatie betaalde, brachten zij ook
voor de vrouw de nodige kosten mee. Beiden wonen sedert 1992 op kamers
en ontvangen naast hun studiefinanciering een aanvullende bijdrage van
de man.

7. Met betrekking tot de door de man verzochte limitering per 31
december 1997, de datum waarop hij 15 jaar alimentatie na inschrijving
van het echtscheidingsvonnis alimentatie zal hebben betaald, is het hof
met de rechtbank van oordeel dat thans nog niet kan worden beoordeeld
of de alimentatieplicht van de man dan beeindigd kan worden. Zoals
reeds overwogen zal het voor de vrouw niet meevallen gelet op haar
opleiding, leeftijd en de omstandigheden op de arbeidsmarkt volledig in
haar eigen onderhoud te gaan voorzien. Eerst wanneer vijftien jaar zijn
verstreken zullen de omstandigheden van partijen opnieuw beoordeeld
moeten worden.

8. Anders dan de rechtbank acht het hof het niet redelijk en billijk om
de verminderde alimentatie per datum van indiening van het inleidende
verzoekschrift te doen ingaan, nu alimentatie van maand tot maand
pleegt te worden aangewend. Wel is het zo dat de vrouw per datum van
indiening van het verzoekschrift rekening had kunnen houden met een
verlaging van de alimentatie. In feite heet zij dat ook gedaan, getuige
het feit dat zij ƒ 9.000,- in depot bij de raadsvrouwe van de man heeft
gestort. Het geld daartoe heeft zij evenwel geleend en zij zal dit
bedrag aan haar geldschieter moeten terugbetalen. Het hof acht het
daarom redelijk en billijk de verlaagde alimentatie eerst te doen
ingaan met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank,
zodat de vrouw niet belast wordt met een schuld.

9. Het voorgaande brengt mee, dat de bestreden beschikking dient te
worden vernietigd voor zover de ingangsdatum betreffende.

Beslissing

Het hof:

in het principale en het incidentale beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te Middelburg van 25 januari
1995 voorzover de ingangsdatum betreffende en in zoverre opnieuw
beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 25 januari 1995 de
alimentatie ad ƒ 1.050,= per maand dient te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen aldus dat
iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mrs Pieters, Michiels van Kenssenich-Googendam, Jansen