Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 21 september 1995

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Een op non-actief gestelde groepsleider van een kinderdagverblijf over wie
door ouders bij de instelling het vermoeden was geuit dat hun kind door
deze groepsleider seksueel misbruikt zou zijn, verzoekt om ontbinding van
zijn arbeidsovereenkomst.Na politie-onderzoek bleek dat er geen bewijs
voor de beschuldigingen was. Verzoeker wilde weer komen werken maar wilde
dat werkgeefster hem haar verontschuldigingen zou aanbieden en dat zij aan
hem ƒ 70.000,- smartegeld zou betalen. De kantonrechter oordeelde dat
werkgeefster in de beginfase onvoldoende aandacht voor de positie van
verzoeker heeft gehad, door hem tijdelijk op non-actief te stellen
waardoor hij buitengesloten werd van informatie, bijvoorbeeld over het
verdere verloop van het onderzoek.

Werkgeefster heeft onvoldoende steun geboden aan verzoeker. Zij had
bovendien verzoeker in staat moeten stellen zijn visie aan haar weer te
geven. Na de uitslag van het politie-onderzoek heeft verweerster voldoende
actie ondernomen om verzoeker van blaam te zuiveren, hem professioneel te
laten begeleiden en een terugkeerplanning opgesteld waarin verzoeker de
gelegenheid zou krijgen zich te rehabiliteren ten opzichte van collega’s,
ouders en kinderen. Door voorwaarden te stellen aan zijn terugkeer heeft
verzoeker zelf die terugkeer in ernstige mate verhinderd. De kantonrechter
acht een vergoeding in het kader van de ontbinding van de
arbeidsovereenkomst gelijk aan de hoogte van drie maandsalarissen als
aanvulling op de te verwachten WW-rechten billijk. Wegens immateriele
schade wordt een vergoeding van ƒ 5.000,- (bruto) toegekend. (Eis was een
jaarsalaris en ƒ 100.000,- netto).

Volledige tekst

Gronden van de beslissing

1. Verzoeker, die 41 jaar oud is, is op 1 januari 1994 in dienst van
verweerster getreden. Zijn functie is groepsleider in een
kinderdagverblijf. Het salaris bedraagt ƒ 2191,21 bruto per maand.

2. Als gewichtige reden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voert
verzoeker aan een verandering in de omstandigheden van dien aard, dat de
dienstbetrekking billijkheidshalve zo spoedig mogelijk behoort te
eindigen. Verzoeker stelt daartoe dat hij naar tevredenheid werkzaam was
in het door verweerster geexploiteerde kinderdagverblijf. Op 13 juni 1995
is hij door het sectorhoofd van verweerster, mevrouw G, geschorst naar
aanleiding van een klacht van ouders van een op geplaatst kind. De
klacht betrof een vermoeden van seksueel misbruik van het kind door
verzoeker. De namen van het kind en van de ouders werden niet aan
verzoeker meegedeeld: de klacht werd niet gespecificeerd.

3. Navraag door verzoeker bij de politie op de dag van de schorsing leerde
dat de ouders van het kind (nog) geen aangifte hadden gedaan, maar dat het
voormelde sectorhoofd de politie had ingelicht. Verweerster heeft dezelfde
dag het personeel van geinformeerd en de daaropvolgende dag haar
volledige personeel. De op verzoeker rustende verdenking verspreidde zich
binnen korte tijd over velen in Amsterdam Zuid-Oost, waaronder de gehele
Ghanese gemeenschap aldaar. De voorzitter van die gemeenschap heeft
verzoeker aan de tand gevoeld.

4. De kantonrechter te Amsterdam heeft een voorlopige voorziening van
verzoeker tot wedertewerkstelling op 29 juni 1995 behandeld. Ter zitting
is overeengekomen dat verzoeker niet middels schorsing, maar middels
betaald verlof tot 15 juli 1995 afwezig zou blijven, hetgeen ook naar
derden toe zou worden uitgedragen. Op 3 juli 1995 heeft verweerster een
informatieavond voor de ouders van kinderen op over het incident
georganiseerd, waarin zij in strijd met de voormelde afspraak toch heeft
gesteld dat verzoeker de toegang tot het kinderdagverblijf was ontzegd.
Verweerster had verzoeker bovendien nog niet de gelegenheid gegeven zijn
visie op de verdenking te geven.

5. De politie heeft een onderzoek ingesteld. Op 10 juni 1995 heeft zij aan
verweerster laten weten dat bewijs voor de beschuldiging ontbrak. Daarop
heeft op 11 juli 1995 een gesprek plaatsgehad tussen partijen en hun
gemachtigden alsmede met de extern deskundige dr. C.H.D. Steinmetz.
Verzoeker was bereid om te werken aan de terugkeer naar zijn werkplaats,
mede middels gesprekken met Steinmetz. Naar bleek wenste verweerster
echter geen verontschuldigingen aan te bieden, hetgeen voor verzoeker de
feitelijke terugkeer naar zijn werk onmogelijk maakte. Verzoeker is
dientengevolge in psychische nood geraakt, heeft zich onder psychiatrische
behandeling gesteld en heeft zich ziek gemeld.

6. Verzoeker acht zich door het onzorgvuldig optreden van verweerster
gedupeerd. Hij stelt zonder grond en verontschuldigingen te zij
afgeschilderd als kinderverkrachter, hetgeen zijn goede naam ernstig heeft
beschadigd. Nu hij voorts onvoldoende praktijkervaring heeft kunnen
opdoen, heeft verzoeker zijn opleiding Leider Kindercentrum niet kunnen
afronden. Verzoeker verwijst tenslotte naar het oordeel van het Anti
Discriminatie Bureau Amsterdam, dat de werkwijze van verweerster heeft
afgekeurd, mede gelet op een eerder gebrek aan vertrouwen van verweerster
en een ziekmelding van verzoeker tijdens zijn vakantie in Ghana en op de
ontzegging van de toegang tot van verzoekers kinderen, nadat enkele
door verzoeker verschuldigde ouderbijdragen (deels) onbetaald waren
gebleven.

7. Verzoeker is van oordeel dat de vertrouwensbreuk en de verstoring van
de arbeidsrelatie geheel aan verweerster te verwijten zijn. Hij vordert
naast de ontbinding van de arbeidsovereenkomst vergoedingen van ƒ 28 398
bruto, zijnde een jaar bruto salaris met vakantietoeslag en van ƒ 100 000
netto voor geleden immateriele schade.

8. Verweerster voert ten verwere aan dat zij gelet op de aard en de
serieuze onderbouwing van de klacht, alsmede op de noodzaak om het
vertrouwen van de ouders van de 1400 aan haar toevertrouwde kinderen te
behouden, de klacht grondig heeft moeten behandelen en dienovereenkomstige
maatregelen heeft moeten nemen. Haar inzet was daarbij niet alleen om de
klacht te (laten) onderzoeken, maar ook om schade voor alle betrokkenen
zoveel mogelijk te voorkomen. Daar zijzelf niet eerder met een kwestie als
deze was geconfronteerd, heeft zij naast Steinmetz voormeld als externe
deskundigen dr. N. Drayer en drs. F. Lamers in de arm genomen. De
deskundigen voedden haar vertrouwen in de deskundigheid van de jeugd- en
zedenpolitie, reden waarom zij geen eigen onderzoek heeft uitgevoerd. De
politie wilde na een eerste telefonisch gesprek pas in actie komen als de
ouders aangifte zouden doen. De ouders waren ook voor hun klacht bij al
van zins om aangifte te doen en hebben dat zulks na een gesprek met de
politie en na enige bedenktijd ook gedaan.

9. Verweerster heeft, gezien de in het geding zijnde belangen, strikte
vertrouwelijkheid nagestreefd. Zij heeft verzoeker de namen van het
betrokken kind en de ouders niet willen noemen, evenmin als aan de overige
medewerkers. De medewerkers van zijn omstreeks 13 juni 1995 ingelicht
met als instructie dat ouders bij vragen moest worden meegedeeld dat
verzoeker om priveredenen afwezig was. De medewerkers op het centraal
bureau van verweerster en de Ondernemingsraad zijn eerst bij brief van 29
juni 1995 op de hoogte gesteld, onder het verzoek een spreekverbod te
bewaren, strikte vertrouwelijkheid te betrachten en de brief na de lezing
te vernietigen. Verzoeker zelf heeft op zijn opleiding over de kwestie
gesproken, hetgeen leidde tot actie van de zijde van een docent. Hij heeft
aldus mede bijgedragen aan geruchtenvorming.

10. Verweerster heeft voorts, mede met ondersteuning van Steinmetz,
publiciteit trachten te voorkomen middels een strikt stilzwijgen over de
kwestie. De ouders zijn bij voormelde bijeenkomst d.d. 3 juli 1995
voorgelicht, teneinde mogelijke geruchten te weerspreken en voorts latere
verwijten over desinformatie te voorkomen. Ook bij die gelegenheid zijn,
ondanks gerichte vragen ter zake, geen inlichtingen verstrekt over de
betrokkenen.

11. Terstond na de uitkomst van het politieonderzoek heeft verweerster op
11 juli 1995 overleg geentameerd met verzoeker, teneinde de terugkeer naar
zijn werk mogelijk te maken. Ook dat geschiedde met behulp van Steinmetz.
Aan verzoeker is mondeling en schriftelijk te kennen gegeven dat volledig
werd uitgegaan van zijn onschuld, hetgeen ook in de brief d.d. 14 juli
1995 aan de medewerkers van is neergelegd. Een overeenkomstige brief is
op 20 september 1995 aan de ouders van de kinderen van gezonden. De
ouders van het betrokken kind bleken teleurgesteld over de uitkomst van
het politieonderzoek. Aan dit en hun andere kind is een opvangplaats op
een ander dagverblijf aangeboden.

12. Verweerster heeft verzoeker begeleiding door Steinmetz aangeboden. Hij
heeft daarvan enkele malen gebruik gemaakt, waarvan tweemaal met zijn
vrouw en kinderen. Vervolgafspraken heeft hij na begin september 1995 niet
meer gemaakt. Verweerster voert aan alles in het werk te hebben gesteld
om verzoeker te rehabiliteren. Zij was echter niet bereid om haar formele
verontschuldigingen aan te bieden, omdat zij niet meende onjuist te hebben
gehandeld. Bovendien wilde zij zich niet op voorhand binden aan mogelijke
rechtspositionele aanspraken t.a.v. die verontschuldiging. Zij was bereid
om een schadevergoeding te bespreken, maar eerst nadat gebleken was of
verzoeker op zijn werkplaats had kunnen terugkeren, zodat zijn schade
beter kon worden begroot.

13. Verzoeker heeft zijn standpunt ter vergadering van 11 juli 1995, dat
hij bereid was om aan zijn terugkeer te werken, nadien gewijzigd. Bij
brief d.d. 24 juli 1995 zijn gemachtigde heeft hij als voorwaarden aan
zijn verdere medewerking gesteld de aanbieding van formele
verontschuldigingen door verweerster en betaling van ƒ 70 000 netto. Toen
verweerster niet aan die voorwaarden wilde voldoen, heeft hij aan
terugkeer niet meer meegewerkt. De verstoring van de arbeidsverhouding is
mitsdien aan hem te verwijten. Verweerster acht de verklaring d.d. 17
oktober 1995 van de behandelend psychiater van verzoeker, dat een formele
verontschuldiging therapeutisch gewenst is, geen juist medisch oordeel.

Zij overlegt de nadere brief d.d. 27 oktober 1995 van dezelfde psychiater,
waarin deze te kennen geeft dat zijn oordeel geen diagnose betrof, maar
een weergave van de mening van zijn patient.

14. Verweerster bestrijdt dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij voert
aan dat, in strijd met de door verzoeker gestelde geruchtenstroom, geen
der op geplaatste kinderen door ouders is weggehaald, maar dat zij
integendeel waarderende reacties heeft gekregen op haar aanpak van de
kwestie.

15. Verweerster bestrijdt tenslotte de voormelde visie van het Anti
Discriminatie Bureau. Zij wijst erop dat verzoeker juist middels
voorkeursbeleid bij haar is aangesteld, dat er gegronde reden was om aan
de geldigheid van de reden van zijn langere verblijf in Ghana te
twijfelen, maar dat zulks in casu geen rol heeft gespeeld. De wanbetaling
door verzoeker heeft zij behandeld volgens haar gebruikelijke procedures.

16. Geoordeeld wordt als volgt. Verweerster verzet zich niet tegen de
verzochte ontbinding, die gelet op de verstoorde arbeidsverhouding op
grond van een wijziging van omstandigheden wordt uitgesproken.

17. De vraag naar de juistheid van de beschuldiging jegens verzoeker staat
hier niet ter beantwoording. Er is voldoende gebleken dat er aanleiding
was voor een onderzoek, los van de nadien gebleken uitkomst daarvan. Ter
zitting heeft verzoeker voorts verklaard te kunnen billijken dat hij ter
voorkoming van onrust tijdelijk op non-actief werd gesteld, zoals ook
tijdens de behandeling van de gevorderde voorlopige voorziening is
overeengekomen.

18. Beoordeeld dient in de eerste plaats te worden of verweerster in de
eerste fase van het incident, na de klacht van de ouders, de belangen van
verzoeker voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Verzoeker verwijt
verweerster met name dat hij niet is gehoord en dat zij hem in die fase
niet of te weinig als werkgever heeft gesteund. In de tweede plaats dient
te worden beoordeeld of er over en weer met voldoende inzet en
zorgvuldigheid aan de terugkeer van verzoeker is gewerkt.

19. Geoordeeld wordt dat verweerster in de genoemde eerste fase
onvoldoende aandacht voor de positie van verzoeker heeft gehad. Naar ter
zitting vast is komen te staan, heeft verweerster verzoeker eerst hulp en
begeleiding aangeboden ten tijde van de behandeling van de voorlopige
voorziening, derhalve na verloop van twee weken. De op zich redelijke
schorsing, c.q. op non-actiefstelling d.d. 13 juni 1995 was niet alleen
in formeel opzicht een ingrijpende maatregel, maar had ook tot feitelijk
effect dat verzoeker werd buitengesloten van informatie over de verdere
ontwikkelingen, het verloop van het onderzoek en de bejegening van de
ouders van de kinderen. Begrijpelijk is dat verzoeker zich in die periode,
na een complexe beschuldiging jegens hem, zich onvoldoende gesteund heeft
gevoeld. Verweerster had die steun als goed werkgever in verdergaande mate
moeten bieden.

20. Verweerster heeft de gerechtvaardigde keuze om het onderzoek naar de
verwijten bij gebrek aan expertise door deskundigen derden te laten
uitvoeren. Wel had zij verzoeker ten minste in staat dienen te stellen
zijn visie aan haar weer te geven. Het verweer, dat niet zij de
beschuldiging heeft geuit, slaagt niet nu zij de behandeling daarvan ter
hand heeft genomen en in haar arbeidsrechtelijke verhouding met verzoeker
op die grond maatregelen heeft getroffen.

21. De gegrondheid van verzoekers verwijt, dat tengevolge van het optreden
van verweerster een hem beschadigende geruchtenstroom is ontstaan, is niet
gebleken. Gelet op de verklaring van mevrouw Koning ter zitting is niet
komen vast te staan dat zijdens verweerster al op de avond van 13 juni
1995 telefonische mededelingen aan derden zijn gedaan. De handelwijze van
verweerster bij het informeren van (een deel van) haar werknemers en de
ouders van kinderen is voorts zorgvuldig te noemen, blijkens de
overgelegde correspondentie en het verslag van de oudervergadering d.d.
3 juli 1995. Tegenover het verweer dat geen kinderen van het dagverblijf
zijn weggehaald, heeft verzoeker bovendien onvoldoende inhoud gegeven aan
de gestelde geruchtenstroom.

22. In de fase na de uitkomst van het politieonderzoek heeft verweerster
blijkens de overgelegde correspondentie tijdig voldoende actie ondernomen
om verzoeker van blaam te zuiveren. Voorts heeft zij een terugkeerplanning
opgesteld, waarin verzoeker de gelegenheid kreeg om zich jegens zijn
collega’s en de ouders van de kinderen te rehabiliteren. De ouders van het
betrokken kind waren tot een gesprek met verzoeker om hun moverende
redenen niet bereid. Tenslotte heeft zij verzoeker professionele
begeleiding aangeboden. Verzoeker heeft ter vergadering van 11 juli 1995
met die plannen van verweerster, na overleg met zijn gemachtigde,
ingestemd.

23. Uit de stukken en de mondelinge behandeling van de zaak is komen vast
te staan dat terugkeer van verzoeker in ieder geval is verhinderd door een
gebrek aan overeenstemming over de door verzoeker gestelde voorwaarden.
Zulks valt in overwegende mate aan verzoeker te verwijten. Verweerster
heeft hem in materieel opzicht, intern en extern van blaam pogen te
zuiveren. Voorts was zij in beginsel bereid verzoeker een schadevergoeding
te voldoen. Alleszins redelijk is echter dat zij zich voorafgaande aan de
wederzijdse inspanningen om de arbeidsrelatie te herstellen, niet wilde
binden aan de gestelde financiele voorwaarde van verzoeker, mede gelet op
het feit dat zijn mogelijke schade nog niet vaststond en het niet
onaanzienlijke bedrag niet was onderbouwd.

24. Door zijn medewerking aan terugkeer te verbinden aan de genoemde
voorwaarden heeft verzoeker zelf de mogelijkheid in het leven geroepen dat
zijn terugkeer in ernstige mate werd bemoeilijkt.

25. De overwegingen van het Anti Discriminatie Bureau worden hier niet
gevolgd, nu deze voorbijgaan aan de dilemma’s van in de verhouding tot
de ouders van de geplaatste kinderen en voorts gebaseerd zijn op
omstandigheden die hier niet in het geding zijn.

26. Gelet op het bovenstaande acht de kantonrechter een vergoeding in het
kader van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ter hoogte van drie
maandsalarissen als aanvulling op de te verwachten WW-rechten billijk,
mede gelet op de korte duur van het dienstverband. Ter zake van de
immateriele schade wordt een vergoeding bepaald van ƒ 5000,= bruto. Over
de fiscale behandeling van een zodanige vergoeding kan hier niet worden
beslist.

27. De kosten van het geding zullen worden gecompenseerd, behoudens in het
geval van intrekking van het verzoek.

Rechters

Mr. F. van der Hoek

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 21 september 1995

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


De werkgever kan zich tegen een vordering om alsnog deel te nemen in de
pensioenregeling verweren door zich te beroepen op en verjaringstermijn
van vijf jaar. De werknemersbijdrage in de premie moet betaald worden.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar hetgeen daaromtrent is overwogen in het
tussenvonnis van 10 februari 1993.

Motivering De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 18 maart
1993, waarbij aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
vragen zijn gesteld. Mede naar aanleiding van hetgeen het Hof heeft
overwogen, overweegt de kantonrechter het volgende. Eiseres heeft op
grond van artikel 119 EEG-verdrag aanspraak op deelname in het
bedrijfspensioen van Voorhuis. De beperking in de tijd van de werking
van het arrest Barber geldt niet voor het recht op aansluiting bij de
bedrijfspensioenregeling. Eiseres zal haar aandeel in de premie alsnog
moeten betalen.

Aangezien toewijzing van de vordering medebrengt dat Voorhuis een deel
van de premie moet betalen (het werkgeversdeel) kan eiseres een beroep
doen op een verjaringstermijn van vijf jaren.

De vordering is ingesteld op 24 juli 1992, zodat het recht op
aansluiting geldend gemaakt kan worden vanaf 24 juli 1987.

Met betrekking tot de vordering tegen gedaagde sub 2, verder ook te
noemen X, overweegt de kantonrechter dat X tot 1 januari 1988
vrijgesteld was van deelname aan het bedrijfspensioenfonds. X had toen
een eigen pensioenvoorziening ondergebracht bij een
ondernemingspensioenfonds. De vordering tegen X kan dus pas vanaf 1
januari 1988 geldig gemaakt worden. X zal vanaf die datum haar
medewerking moeten verlenen aan het treffen van een regeling tussen
partijen die tot doel heeft eiseres met terugwerkende kracht op te
nemen in het pensioenfonds.

De primaire vordering is dus niet zonder meer toewijsbaar aangezien nog
niet vaststaat wat de financiele consequenties zijn. De kantonrechter
zal gedaagde in de gelegenheid stellen een berekening te maken en die
aan eiseres voor te leggen, waarna eiseres in de gelegenheid gesteld
zal worden zich omtrent die berekening uit te laten.

De primaire vordering is dus niet zonder meer toewijsbaar aangezien nog
niet vaststaat wat de financiele consequenties zijn. De kantonrechter
zal gedaagden in de gelegenheid stellen een berekening te maken en die
aan eiseres voor te leggen, waarna eiseres in de gelegenheid gesteld
zal worden zich omtrent die berekening uit te laten.

Beslissing: De kantonrechter: stelt, alvorens verder te beslissen,
gedaagden in de gelegenheid om een berekening over te leggen waaruit
kan blijken hoeveel premie eiseres moet betalen om alsnog met ingang
van 24 juli 1987 opgenomen te worden in de bedrijfspensioenregeling,
waarbij de omvang van de pensioenopbouw gelijk dient te zijn aan
hetgeen onder dezelfde omstandigheden als eiseres verkerende gehuwde
mannelijke werknemers zouden hebben verkregen.

De zaak zal worden afgeroepen ter rolle van donderdag 19 oktober 1995
te 11.00 uur, voor “akte aan zijde van gedaagden”. Eiseres zal
vervolgens een antwoordakte kunnen nemen.

Rechters

Mr Delfos Visser

Instantie: Rechtbank Maastricht, 19 september 1995

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


De moeder kan binnen huwelijk niet het vaderschap van haar wettige echtgenoot
ontkennen.
De tussen de biologische vader en het kind bestaande relatie moet worden
aangemerkt als family life in de zin van art. 8 lid 1 EVRM. Eerbied voor
family life vereist dat de biologische en sociale werkelijkheid boven een
wettelijke vooronderstelling als verwoord in artikel 1:197 BW gaan. In casu
heeft de juridische vader geen enkel blijk gegeven er prijs op te stellen
zijn juridisch vaderschap overeind te willen houden. Artikel 1:197 BW moet te
dezen buiten toepassing blijven.

Volledige tekst

Wederom gezien het verzoekschrift van T wonende te G gemeente B op 10 mei
1995 ter griffie van deze Rechtbank ingediend door de procureur mr. Alda
Peters, daartoe strekkende dat de Rechtbank aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente S zal gelasten de geboorteakte van A door
te halen en in plaats daarvan een akte te doen opmaken waaruit blijkt dat
voornoemde A de zoon is van M.
Gezien het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting van deze
Rechtbank van 16 juni 1995.

De Rechtbank overweegt als volgt:
Bij het voormelde verzoekschrift, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt,
heeft verzoekster overgelegd een fotokopie van een geboorte-akte, nr. (…)
waarin vermeld dat op 30 mei 1994, in de gemeente S is geboren A, zoon van de
echtgenoten V, wonende te G en T wonende te B.
Verzoekster stelt, ondermeer en samengevat, dat voormelde geboorte-akte een
misslag bevat doordat ten onrechte is vermeld in die geboorte-akte dat het
voornoemde uit verzoekster geboren kind, kind is van V, dat de biologische
vader van dat kind is M, geboren op (…) 1964, dat verzoekster gehuwd is
geweest met genoemde V, dat bij vonnis van de Rechtbank Maastricht van 17
februari 1994 echtscheiding tussen verzoekster en V is uitgesproken, welke
vonnis op 7 juni 1994 ingeschreven is in de registers van huwelijken en
echtscheidingen van de gemeente G en dat genoemd kind dus nog staande het
huwelijk van verzoekster en V geboren is.
Verder stelt verzoekster dat conform het huidige Nederlandse recht de moeder
niet het vaderschap kan ontkennen van een kind dat staande huwelijk is
geboren, dat op grond van artikel 1:198 BW de moeder alleen het vaderschap
kan ontkennen van een kind dat binnen 306 dagen na de ontbinding van het
huwelijk is geboren, met als gevolg dat de biologische vader c.q. de
verwekker van het kind dat kind niet kan erkennen en er geen
familierechtelijke betrekkingen tussen de biologische vader en dat kind
kunnen ontstaan.
Voorts stelt verzoekster in haar verzoekschrift dat zij en de biologische
vader van bedoeld kind, genoemde M bij de geboorte van het kind A aanwezig
was en hem vanaf diens geboorte mee opgevoed heeft, zodat gesproken kan
worden van family life tussen de biologische vader en A.
Verzoekster stelt dan vervolgens dat de artikelen 1:198 en 1:199 BW, die voor
de vader en de moeder verschillende regelingen geven voor de ontkenning van
het vaderschap, een verboden inmenging opleveren in het gezinsleven in de zin
van artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de
mens en de fundamentele vrijheden (verder hier: EVRM) en een verboden
discriminatie opleveren als bedoeld in artikel 14 EVRM.
Uit de stukken en bij de behandeling van de zaak is aan de Rechtbank onder
meer en voor zover thans van belang het volgende gebleken.
In de tussen verzoekster en haar voormalige echtgenoot V bij deze rechtbank
gevoerde procedure waarin bij vonnis van 17 februari 1994 de echtscheiding
tussen voornoemden is uitgesproken was de advocaat van genoemde V mr. C. Mr.
C heeft genoemde V bij brief met ontvangstbevestiging van 7 juli 1994
geschreven dat T op 30 mei 1994 een kind heeft gekregen, genaamd A en V
gewezen op de omstandigheid dat hij juridisch vader van dat kind is alsmede
hem gewezen op de mogelijkheid van ontkenning van het vaderschap.
V is op de door de wet voorgeschreven wijze voor de behandeling van het
onderhavige verzoekschrift ter zitting van 16 juni 1995 als belanghebbende
opgeroepen, maar niet ter zitting verschenen.
De zittingsgriffier heeft voor de zitting telefonisch contact met het adres
waar V staat ingeschreven gehad en toen gesproken met een oom van V, die
meedeelde `dat dhr met een en ander geen moeite had omdat dat kind niet zijn
kind is’.
Meergenoemde M verklaarde ter zitting onder meer dat hij wel met verzoekster
wil trouwen maar niet via de weg van stiefouderadoptie wettig vader van A wil
worden omdat hij zulks niet in overeenstemming met de werkelijkheid acht,
kennelijk nu hij van oordeel is dat zulks geen recht doet aan de
omstandigheid dat hij en verzoekster al sinds 1 juli 1993 samenwonen, A uit
deze samenleving geboren is en hij dus de verwekker en biologische vader van
A is.
Op het schriftelijk verzoek van de advocaat van verzoekster aan de ambtenaar
van de burgerlijke stand van de gemeente S – kennelijk om te doen wat
verzoekster thans in deze procedure verzoekt – heeft die ambtenaar bij
schrijven van 13 april 1995 – bij het verzoekschrift overgelegd – onder meer
het volgende geantwoord: `Indien de moeder ten tijde van de geboorte gehuwd
is wordt het kind als een wettig kind van haar en haar echtgenoot vermeld.
Daar het kind op 30 mei 1994 is geboren en het huwelijk pas op 7 juni 1994
formeel is ontbonden, is het kind staande huwelijk geboren en krijgt dus de
geslachtsnaam van de wettige vader: V. Indien de wettelijke vader ontkenning
van het vaderschap zou aanvragen en dit gehonoreerd zou worden en vervolgens
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kan een andere man het
kind daarna erkennen en eventueel door huwelijk wettigen. Dit is hier niet
het geval.
Ook een ontkenning van het vaderschap door de moeder met gelijktijdige
erkenning door een ander als bedoeld in artikel 198 boek I Burgerlijk Wetboek
is niet mogelijk aangezien de voorwaarde hiervoor is dat de wettelijke ouders
op het moment van de geboorte reeds gescheiden zijn.
Gelet op het bovenstaande wijs ik uw verzoek af.
Ter zitting van 16 juni 1995 heeft de ambtenaar van de burgerlijke stand van
de gemeente S aanwezig in de persoon van mevrouw S, het in voormelde brief
neergelegde standpunt gehandhaafd en meegedeeld: `Met de huidige wetgeving
kunnen we niet anders. Ik persisteer bij de inhoud van de brief’.
Verzoekster heeft verder nog gesteld dat voor de vraag of sprake is van
family life tussen de biologische vader en het kind het volgende nog van
belang is:
– de onmogelijkheid tot verwekking van het kind door de wettelijke vader;
– de langdurige samenlevingsrelatie met de biologische vader;
– het feit dat A vlak voor de inschrijving van het echtscheidingsvonnis, dus
ruime tijd na het uitspreken van de echtscheiding, geboren is;
– de moeder heeft al meer dan twee jaar geen contact meer met de wettelijke
vader.
De Rechtbank acht het, op grond van alle gestelde en gebleken feiten en
omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het verzoek,
aannemelijk dat V voornoemd niet, en M wel de verwekker en biologische vader
is van het op 30 mei 1994 uit verzoekster geboren kind A.
De Rechtbank is op grond van de in deze zaak gebleken feiten en
omstandigheden van oordeel dat de tussen genoemde M en het bewuste kind
bestaande relatie moet worden aangemerkt als `vie familiale/family life’ in
de zin van artikel 8 lid 1 EVRM.
Dit brengt mee dat zij er in beginsel over en weer aanspraak op hebben dat
die relatie rechtens wordt erkend als familierechtelijke rechtsbetrekking, in
casu die van vader en zoon. De artikelen 1:197 en 1:198 BW vormen daartoe een
beletsel. Teneinde te kunnen beoordelen of in dit geval een dergelijke
inbreuk op het door artikel 8 lid 1 EVRM beschermde recht gerechtvaardigd is
dienen alle omstandigheden van het geval tegen elkaar te worden afgewogen,
enerzijds de ernst van de door die inmenging op het bedoelde recht gemaakte
inbreuk en anderzijds de belangen die de wettelijke regeling beoogt te
beschermen.
Wat dit laatste betreft is duidelijk dat die belangen betreffen de openbare
orde en de bescherming van rechten en vrijheden van anderen, en dat de
rechtszekerheid in het afstammingsrecht gebaat is bij een stelsel dat als
uitgangspunt heeft een kind staande huwelijk geboren de echtgenoot van de
moeder van dat kind tot vader heeft.
De Rechtbank is evenwel van oordeel dat eerbied voor `family life’ vereist
dat de biologische en sociale werkelijkheid boven een wettelijke
vooronderstelling als verwoord in artikel 1:197 BW gaan.
Die werkelijkheid is, in het onderhavige geval, dat de op 30 mei 1994 uit
verzoekster geboren A (naar alle waarschijnlijkheid) genoemde M als
biologische vader heeft, in gezinsverband sedert zijn geboorte al meer dan
een jaar samenwoont met en verzorgd wordt door verzoekster en zijn
biologische vader, dat verzoekster en M ter bestendiging van hun leefeenheid
met elkaar willen trouwen, dat de juridische vader van A geen enkel blijk
heeft gegeven er prijs op te stellen zijn juridisch vaderschap overeind te
willen houden, terwijl op geen enkele wijze valt in te zien dat A in de
toekomst ook maar iets van zijn juridische vader te verwachten heeft, hetgeen
wel het geval lijkt te zijn met betrekking tot zijn biologische vader.
Het belang van verzoekster, M en het desbetreffende kind bij honorering van
het verzoek is evident.
De Rechtbank is van oordeel dat, het vorenstaande in aanmerking genomen, in
het onderhavige geval toepassing van artikel 1:197 BW een niet door artikel 8
lid 2 EVRM toegestane inmenging met betrekking tot het in artikel 8 lid 1
EVRM gewaarborgde recht van verzoekster en de bewuste minderjarige oplevert
en voormeld artikel 1:197 BW te dezen buiten toepassing moet blijven.
De Rechtbank zal derhalve het verzoek, dat kennelijk steunt op artikel 1:24
(1:29 oud) BW toewijzen en beslissen zoals hierna vermeld.

Beschikt als volgt:
Gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente S de
geboorte-akte nr. (…) betreffende het op 30 mei 1994 uit verzoekster
geboren kind A door te halen en in plaats daarvan een geboorte-akte te doen
opmaken waarin staat vermeld en waaruit blijkt dat voornoemd kind de zoon is
van M geboren 1964, wonende te (…) gemeente B.

Rechters

Mr. Casparie

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 19 september 1995

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Gedaagde heeft het minderjarige zoontje van eiseres misbruikt. Als gevolg
van het gebeurde heeft het zoontje grote immateriele schade geleden en
lijdt deze thans nog. De president kent het zoontje een voorschot op de
schadevergoeding van ƒ 5.000,- toe. Als gevolg van het gebeurde lijdt de
moeder ook materiele schade omdat zij naar aanleiding van het seksueel
misbruik van haar minderjarige zoontje in therapie is. De president kent
derhalve aan de moeder een voorschot op de materiele schadevergoeding toe
van ƒ 1.000,-. Ook het straatverbod wordt toegewezen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 5 oktober 1995 heeft B gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. H
heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde
voorziening. Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van
weerszijden produkties en pleitnotities, overgelegd voor vonniswijziging.

Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten: a. Op 17 juli
1995 heeft B aangifte gedaan bij de politie terzake het plegen van ontucht
door H. met haar minderjarige D. D is geboren op september 1983 en
derhalve thans 12 jaar oud.

b. Uit een op 24 en 25 juli 1995 opgemaakt proces-verbaal blijkt dat H
heeft erkend dat hij seksuele handelingen met D heeft gepleegd.

c. Op 24 juli 1995 is H in verzekering gesteld en op 26 juli 1995 is hij
door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken
gehoord. De voorlopige hechtenis is op 26 juli 1995 door de rechter-
commissaris geschorst onder meer onder de voorwaarden dat hij niet uit
zichzelf contact zal opnemen met de betrokkenen in de strafzaak.

d. D is van oktober 1993 tot eind november 1993 en van november 1994 tot
eind februari 1995 in behandeling geweest bij een haptotherapeute.

e. Op 29 november 1994 heeft de neuroloog dr. W. Linssen D die toen al
drie jaar last had van hoofdpijn, onderzocht. Zijn conclusie is:
spierspanningshoofdpijn, waarschijnlijk gerelateerd aan emotionele
problematiek.

f. Op 28 augustus 1995 is D onderzocht op de orthoptische afdeling van het
AMC te Amsterdam wegens ernstige hoofdpijnklachten.

g. Drs. S.O.L. Osterhaus, psychologe en gedragstherapeute bij wie D in
behandeling is stelt in een verslag dat is gedateerd 14 september 1995
onder meer: “Samenvattend kan worden gezegd dat het seksueel misbruik door
de heer H ervoor heeft gezorgd dat een gezonde emotionele en seksuele
ontwikkeling van een kwetsbare jongen, die reeds een zeer traumatische
ervaring achter de rug heeft, in hoge mate wordt bedreigd. Dit betekent
dus ook een hoge mate van bedreiging op het gebied van de gezonde verdere
relatievorming.”

2. Stellende dat H onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar en D, vordert
B in dit geding H te veroordelen tot betaling van ƒ 10.000,=,
gespecificeerd in ƒ 5.000,= voor D en ƒ 5.000,= voor haar, met rente, als
voorschot op de door haar en D geleden materiele en immateriele schade.
Voorts vordert zij een contact- en straatverbod jegens H. D ondervindt als
gevolg van het handelen van H diverse klachten, zoals hoofdpijn, het
voortdurend willen wassen van zijn handen en veelvuldig willen baden, het
veelvuldig plassen, inslaapproblemen, een zenuwtic, knipperen met de ogen
en een schrale mond. D is van een vrolijk kind in drie jaar tijd veranderd
in een gesloten depressief kind met gedragsproblemen op school, aldus B.
D krijgt thans therapie en zal dat nog langdurig moeten ondergaan. Voorts
krijgt B zelf ook therapie om het gebeurde te verwerken en te leren D op
de juiste wijze bij te staan. Aan therapie en reiskosten heeft zij reeds
ƒ 700,= uitgegeven.

3. H erkent dat zijn seksuele contacten met D schade bij het kind kunnen
hebben veroorzaakt. Hij betwist dat de klachten die D vertoont, allemaal
en uitsluitend het gevolg zijn van zijn handelen. D had reeds smetvrees
en een zenuwtic voordat er seksuele contacten bestonden. Bovendien kunnen
de klachten ook mede zijn ontstaan door het ziekbed en overlijden van de
vader van D ongeveer twee jaar geleden. Hij betwist dat hij het kind ooit
onder druk heeft gezet of dwang heeft gebruikt. Hij is bereid om een
financiele bijdrage te leveren aan de kosten van therapie, aldus H.

Hij verzet zich tegen het opleggen van een straatverbod. Dat is niet nodig
want zijn voorlopige hechtenis is geschorst reeds op voorwaarde dat hij
geen contact met onder meer D zal opnemen. Hij zal dat ook niet doen. Een
straatverbod zou betekenen dat hij zijn huisarts niet meer zal kunnen
bezoeken, aldus H.

4. Ter zitting heeft H erkend dat zijn eerste seksuele contacten met het
kind dateren van het voorjaar van 1991 toen D 7 jaar oud was. Voldoende
aannemelijk is dat die contacten hebben voortgeduurd tot niet lang voor
de aangifte. Het onrechtmatige handelen van H gedurende langere tijd staat
daarmee vast. Voorts staat vast dat de gedurende de laatste drie jaar last
heeft van klachten van psychosomatische aard. Gelet op de conclusies van
dr Linssen en drs Osterhaus is voldoende aannemelijk geworden dat deze
klachten mede het gevolg zijn van het onrechtmatige handelen van H. Dat
enerzijds de traumatische ervaring van het ziekbed en overlijden van zijn
vader emotionele klachten bij D kunnen hebben veroorzaakt, is niet uit te
sluiten. Anderzijds valt niet uit te sluiten dat de seksuele contacten die
H met D juist gedurende het ziekbed en het sterven van zijn vader heeft
onderhouden, de verwerking door D van dit verlies, hebben bemoeilijkt en
het trauma hebben versterkt.

5. Dat D als gevolg van het handelen van H immateriele schade heeft
geleden en nog lijdt en waarschijnlijk langdurig psychotherapeutische
behandeling zal moeten ondergaan, is voldoende gebleken. Een voorschot van
ƒ 5.000,- als vergoeding voor die schade komt redelijk en billijk voor.
Met betrekking tot de door B gestelde materiele schade, is voldoende
gebleken dat zij een deel van de ten behoeve van D, gemaakte en te maken
kosten van therapeutische behandeling zal moeten dragen. Een voorschot van
ƒ 1.000,- als vergoeding voor die schade komt voorshands redelijk en
billijk voor. De mede door B ten behoeve van haar zelf gevorderde
immateriele schade is niet toewijsbaar. Uit het samenstel van de
bepalingen sub a-c lid 1 van artikel 6:106 BW volgt dat in beginsel geen
vergoeding van immateriele schade mogelijk is voor het verdriet om het
lijden van anderen. Een uitzondering op die regel zou kunnen zijn dat H
met zijn handelen het oogmerk had B te kwetsen. Daarvan is hier echter
geen sprake. Toewijsbaar is derhalve een bedrag van ƒ 5.000,- ten
behoeve van D en ƒ 1.000,- ten behoeve van B nu met aanzienlijke mate van
waarschijnlijkheid valt aan te nemen dat deze bedragen in een
bodemprocedure in ieder geval zullen worden toegewezen.

6. Het gevorderde straat- en contact-verbod is eveneens toewijsbaar. Het
belang van D om in alle rust zijn ervaringen te verwerken zonder daarbij
bevreesd te hoeven zijn voor confrontaties met H weegt zwaarder dan het
belang van H om zijn huisarts te kunnen bezoeken. Hieraan doet niet af dat
H reeds op grond van de schorsingsbeslissing geen contact met D mag
opnemen. Deze maatregel gaat immers minder ver dan het gevraagde
straatverbod en kan eindigen op een voor de D en zijn moeder onverwacht
moment waardoor D toch weer met H geconfronteerd zou kunnen worden.

7. H dient met de kosten van het geding te worden belast. Het bedrag tot
voldoening waarvan H zal worden veroordeeld, geldt als voorschot ter
nadere verrekening met hetgeen hij ten gronde zal blijken verschuldigd te
zijn.

Beslissing:

1. Verbiedt H om gedurende een periode van een jaar na de betekening van
dit vonnis: a. zich te begeven naar en/of zich te bevinden in het gebied
te Amsterdam dat begrensd wordt door de volgende straten: Mauritskade,
Pontanusstraat, Muiderpoortstation, Celebesstraat, Valentijnkade,
Molukkenstraat, Archimedesplantsoen, Kruislaan, Middenweg, Linnaeusstraat,
een en ander zoals aangegeven op de aan dit vonnis gehechte plattegrond;
b. D te volgen; c. op enigerlei wijze contact met D op te nemen; op
straffe van een dwangsom van ƒ 500,= voor iedere overtreding van een van
deze verboden en met machtiging op B om de verboden onder a en b zonodig
te doen naleven met behulp van de sterke arm.

2. Veroordeelt H om aan B als wettelijk vertegenwoordiger van haar
minderjarige zoon D geboren op september 1983, te voldoen een bedrag
van ƒ 5.000,= (vijfduizend gulden) te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 29 september 1995 tot de dag van voldoening, en aan B zelf ƒ 1.000,=
(duizend gulden), eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
29 september 1995 tot aan de dag van voldoening.

3. Veroordeelt H in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van
B begroot op ƒ 461,98 aan verschotten, waaronder ƒ 350,= wegens vastrecht
en op ƒ 1.500,= aan salaris procureur.

4. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad. 5. Wijst het
meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr A.L. Croes

Instantie: Rechtbank Maastricht, 18 september 1995

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Eiseres is seksueel misbruikt door haar vader in de periode van 1979 tot en
met 1984. Zij heeft daarvan aangifte gedaan in 1986. In 1989 is de strafzaak
tegen de vader geseponeerd. Vanaf 1986 kampt eiseres met psychische
problemen. In 1994 heeft zij contact opgenomen met een advocaat om te kijken
of er mogelijkheden waren voor een vordering tot schadevergoeding tegen haar
vader. In 1995 is de vader aansprakelijk gesteld. Eiseres vordert ƒ 5000 als
voorschot op de door haar geleden schade te begroten op ƒ 48 000 materiële en
ƒ 15 000 immateriële schade.
De vader stelt onder andere dat de vordering inmiddels is verjaard. De
rechtbank is van mening dat gezien de aard van de onderhavige onrechtmatige
daad, waarbij vrijwel steeds sprake is van een langdurig verwerkingsproces
tijdens hetwelk de benadeelde in het algemeen nauwelijks in staat zal zijn om
een weloverwogen beslissing te nemen over al of niet vragen van
schadevergoeding, terwijl de beslissing daarover ook niet aan de wettelijke
vertegenwoordiger van de benadeelde kan worden overgelaten, het redelijk is
om deze bepaling in casu zo uit te leggen dat aan de hierin gestelde eis van
bekendheid met de schade is voldaan, als de benadeelde in staat is te
beseffen dat het haar aangedane leed kan leiden tot gevolgen in
vermogensrechtelijke zin èn ook in staat is aan dat bewustzijn van het
ondergane leed en de daardoor geleden schade uiting te geven. In dit geval
mag dan als uitgangspunt worden genomen het moment dat zij zich tot een
advocaat heeft gewend.
Gedaagde wordt veroordeeld tot een voorschot van ƒ 5000 voor de door eiseres
geleden materiële en immateriële schade.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde doen dagvaarden in kort geding en ten dienende dag, 4
september 1995, geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van de
dagvaarding, waarna zij, onder verwijzing naar op voorhand ter inzage
toegezonden producties, haar vordering nader heeft doen toelichten, zoals
weergegeven in de pleitnotities.
Gedaagde heeft daarop geconcludeerd voor antwoord overeenkomstig de inhoud
van de pleitnota, waarna de uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Eiseres heeft op 20 oktober 1986 aangifte gedaan van seksueel misbruik,
gepleegd in de periode 1979 tot en met 1984 door haar vader, gedaagde in dit
geding. Dit misbruik bestond uit het betasten en kussen van het lichaam van
eiseres en het proberen gemeenschap te hebben met haar. Gedaagde heeft
tegenover politie en justitie erkend dat hij meermalen ontucht met zijn
dochter heeft gepleegd.

In 1989 heeft de behandelend officier van justitie bij deze rechtbank de
strafzaak tegen gedaagde geseponeerd, omdat hij, blijkens zijn brief van 1
februari 1989, gericht aan eiseres, van mening was dat hij haar vader terzake
niet meer kon vervolgen.

Vanaf 1986 kampt eiseres in toenemende mate met psychische problemen. In
verband daarmee is zij tussen 1986 en 1992 diverse malen opgenomen geweest in
psychiatrische ziekenhuizen.

Van 1992 tot 1994 verbleef eiseres in Hamingen, in het opvangcentrum van
ARTA, centrum voor verslavingszorg.
Vervolgens is zij nog een korte periode opgenomen geweest in de Bernard
Lievegoed Kliniek.

In februari 1994 heeft eiseres voor het eerst contact opgenomen met een
advocaat, degene die in dit geding ook als haar raadsvrouw optreedt, en bij
die gelegenheid vernomen van de mogelijkheid om een vordering tot
schadevergoeding wegens seksueel misbruik tegen haar vader in te stellen.
In februari van dit jaar heeft eiseres haar raadsvrouw opdracht gegeven om
haar vader aansprakelijk te stellen.
Laatstgenoemde heeft afwijzend gereageerd op het verzoek van eiseres om tot
schadevergoeding over te gaan.

3. De vordering

De vordering van eiseres strekt ertoe dat gedaagde veroordeeld wordt tot
betaling aan haar van een bedrag van ƒ 5000 bij wijze van voorschot op een
door gedaagde aan haar te betalen vergoeding wegens door haar geleden schade.

4. De standpunten van partijen

Eiseres legt aan haar vordering ten grondslag dat gedaagde door haar seksueel
te misbruiken onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, als gevolg van welk
handelen zij schade heeft geleden en nog steeds lijdt.
Deze schade, die zowel materieel als immaterieel van aard is, begroot eiseres
op bedragen van achtereenvolgens ƒ 48 000 en ƒ 15 000.
Genoemde immateriële schade bestaat uit de psychische problemen en klachten
waarmee eiseres wordt geconfronteerd, zoals depressieve gevoelens,
ondefinieerbare angsten op straat en in de omgang met mensen, moeilijkheden
bij het aangaan van relaties, persoonlijkheids- en concentratiestoornissen en
algehele lusteloosheid.
De materiële schade is ontstaan wegens het moeten volgen van therapie,
waarvoor een eigen bijdrage verschuldigd is en verder wegens
inkomstenderving, omdat eiseres ten gevolge van haar psychische gesteldheid
haar oorspronkelijke, hogere opleiding niet kon voltooien en met veel moeite
een lagere beroepsopleiding heeft afgerond, met als gevolg dat zij een
substantieel deel van het inkomen als gevolg dat zij met die hogere opleiding
had kunnen verwerven, misloopt. Voorts behoren de kosten voor juridische
bijstand, alsmede de gemaakte reiskosten tot de materiële schade.

Dat er causaal verband bestaat tussen het seksueel misbruik en de opgetreden
schade blijkt volgens eiseres niet alleen uit de wetenschappelijke
onderzoeken die sedert 1989 naar dit misbruik bij jonge meisjes zijn verricht
en die melding maken van dezelfde psychische klachten en problemen als
waarmee eiseres te kampen heeft, maar ook uit de rapportage van de diverse
hulpverleners die haar in de periode van 1988 tot 1994 hebben begeleid. In
die rapporten wordt het seksueel misbruik door haar vader steevast als
oorzaak genoemd van de psychische problemen van eiseres.

Van verjaring van haar vordering tot schadevergoeding is geen sprake, zo
stelt eiseres.
Ingevolge artikel 3:310 BW verjaart een vordering tot schadevergoeding door
verloop van 5 jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de
benadeelde zowel met de schade of met de opeisbaarheid van de boete, als met
de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens eiseres
betekent dit, toegepast op het onderhavige geval, dat als uitgangspunt voor
het begin van de verjaring dient te worden gekozen het moment waarop zij zich
bewust werd van het feit dat zij door het seksueel misbruik schade heeft
geleden en deze schade wilde verhalen. Dit moment vond plaats in 1994, aldus
eiseres, toen zij voor het eerst contact opnam met een advocaat en vernam dat
het vorderen van schadevergoeding na seksueel misbruik mogelijk is. Ook in de
rechtspraak is deze opvatting met betrekking tot de verjaring in zaken als de
onderhavige erkend. In verband daarmee verwijst eiseres naar de uitspraak van
het Gerechtshof te Arnhem van 26 april 1994.
Eiseres stelt spoedeisend belang bij haar vordering te hebben, daar
toekenning van een voorschot immers impliceert dat haar rol als slachtoffer
wordt erkend, en dat kan wellicht een positieve bijdrage leveren aan het
verwerkingsproces.

Het verweer van gedaagde kan, voor zover van belang, als volgt worden
samengevat.
Gedaagde stelt om te beginnen dat eiseres bij gebreke van spoedeisend belang
niet in haar vordering kan worden ontvangen. Voorzover er wel van een
spoedeisend belang sprake zou zijn, heeft eiseres zulks op generlei wijze
aannemelijk gemaakt.

Hetgeen gedaagde verder ten verwere aanvoert, komt er, kort gezegd op neer
dat, zo er al van seksueel misbruik gesproken kan worden nu de officier van
justitie de gepleegde feiten kennelijk niet ernstig genoeg achtte om tot
vervolging over te gaan, dit misbruik niet de enige oorzaak is van de
psychische problemen waarmee eiseres al jarenlang kampt. Reeds als peuter
vertoonde eiseres gedragsstoornissen, naar aanleiding waarvan deskundigen
werden geconsulteerd. Zulks blijkt ook uit de rapporten van psychiater
Bisschops en maatschappelijk werker Senden.
De therapie die eiseres de afgelopen jaren heeft ondergaan, is als het ware
een voortzetting van de behandelingen die reeds in de kleutertijd van eiseres
zijn aangevangen.
Slechts na een onderzoek door onafhankelijke deskundigen kan worden
vastgesteld of en zo ja, in hoeverre gedaagde aansprakelijk is voor de door
eiseres gepretendeerde schade. Zolang zulks niet is vastgesteld, is gedaagde
niet tot betaling bereid.
Daar komt bij, aldus gedaagde, dat zijns inziens de vordering tot
schadevergoeding is verjaard – gedaagde meent dat het moment van aangifte als
`peildatum’ moet gelden – zodat hij reeds om die reden niet tot betaling kan
worden verplicht.

5. De beoordeling

Het behoeft geen betoog dat eiseres spoedeisend belang bij haar vordering
heeft. Naar het voorlopig oordeel van de president kan van eiseres, die, naar
zij ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld, part time als
vrijwilligster werkzaam is en geen inkomen uit arbeid geniet, niet worden
gevergd dat zij de kosten waarmee zij steeds geconfronteerd wordt, blijft
betalen. Bovendien komt het de president vooralsnog aannemelijk voor dat
toewijzing van het gevraagde voorschot – en daarmee de erkenning van
eiseresses positie als slachtoffer – in positieve zin kan bijdragen aan het
verloop van het verwerkingsproces dat eiseres moet doormaken.

Op grond van de door eiseres in het geding gebrachte verklaringen van
gedaagde acht de president aannemelijk dat gedaagde zich in de periode van
1979 en 1984 meermalen aan seksueel misbruik van eiseres heeft schuldig
gemaakt. Daarmee heeft gedaagde in genoemde periode meermalen onrechtmatig
jegens eiseres gehandeld. Dat de officier van justitie destijds besloten
heeft gedaagde terzake niet te vervolgen, kan aan dit oordeel niet afdoen, nu
gedaagde door hem gepleegde ontucht immers heeft erkend.

Seksueel misbruik vormt een ernstige inbreuk op de lichamelijke en
geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene
bekendheid dat zulks aanleiding kan geven tot ernstige en langdurige
lichamelijke en psychische schade, met name als het gaat om jeugdige
slachtoffers. Naar het voorlopig oordeel van de president kan er dan ook geen
twijfel over bestaan dat de psychische en lichamelijke klachten en problemen,
waarmee eiseres wordt geconfronteerd, het gevolg zijn van het seksueel
misbruik waaraan zij als kind bij herhaling onderworpen is geweest. Gedaagde
heeft zich er terzake weliswaar op beroepen dat eiseres als klein kind reeds
met gedragsproblemen te kampen had, doch dit verweer wordt terzijde
geschoven, gelet op het feit dat de in het geding gebrachte medische
rapporten het seksueel misbruik dat eiseres heeft ondervonden, steevast als
de oorzaak van haar problemen aanwijzen.
Het door gedaagde gedane beroep op verjaring kan hem evenmin baten. Artikel
3:310 BW bepaalt dat de rechtsvordering tot schadevergoeding verjaart door
verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de
benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon
bekend is geworden, en in ieder geval door verloop van twintig jaar na de
gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Gezien de aard van de
onderhavige onrechtmatige daad, waarbij vrijwel steeds sprake is van een
langdurig verwerkingsproces tijdens hetwelk de benadeelde in het algemeen
nauwelijks in staat zal zijn om een weloverwogen beslissing te nemen over het
al of niet vragen van schadevergoeding, terwijl de beslissing daarover ook
niet aan de wettelijke vertegenwoordiger van de benadeelde kan worden
overgelaten, is het redelijk om deze bepaling in casu zo uit te leggen dat
aan de hierin gestelde eis van bekendheid met de schade is voldaan, als de
benadeelde in staat is te beseffen dat het hem/haar aangedane leed kan leiden
tot gevolgen in vermogensrechtelijke zin én ook in staat is aan dat
bewustzijn van het ondergane leed en daardoor geleden schade uiting te geven.
Eiseres heeft gesteld dat zij zich pas op het moment dat zij zich tot een
advocaat wendde en alstoen vernam dat het vorderen van schadevergoeding
wegens seksueel misbruik mogelijk is, bewust werd van het feit dat zij door
seksueel misbruik schade heeft geleden en deze schade wilde omzetten in een
vermogensrechtelijke vordering. Zulks komt de president aannemelijk voor.
Weliswaar heeft eiseres reeds in 1986 aangifte gedaan, doch deze aangifte
kan, naar het voorlopig oordeel van de president, niet worden beschouwd als
het moment waarop eiseres zich van het aangedane leed bewust werd, enerzijds
omdat zij, naar vast is komen te staan, deze aangifte op initiatief van haar
moeder heeft gedaan en anderzijds omdat zij te jong was – eiseres was pas
veertien jaar – en, naar onweersproken is gesteld, in een erg slechte
psychische toestand verkeerde. Tot het ne

men van een weloverwogen beslissing tot het vorderen van schadevergoeding kon
zij toen derhalve nog niet in staat worden geacht.

Onder de geschetste omstandigheden, waarbij voorshands aannemelijk is dat de
ten deze toepasselijke verjaringstermijn van vijf jaar pas in 1994 is
aangevangen en bovendien nog geen twintig jaar zijn verlopen na het plegen
van de onrechtmatige daad van gedaagde jegens eiseres, kan niet worden
aangenomen dat de vordering tot schadevergoeding van eiseres jegens gedaagde
reeds thans zou zijn verjaard.

Het voorgaande leidt ertoe dat het gevorderde voorschot, waarvan de hoogte de
president alleszins redelijk voorkomt, zal worden toegewezen.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze
procedure worden veroordeeld.

6. De beslissing

De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Veroordeelt gedaagde om bij wijze van voorschot aan eiseres te betalen een
bedrag van ƒ 5000 wegens door haar geleden materiële en immateriële schade,
welke schade is ontstaan als gevolg van het door gedaagde ten opzichte van
eiseres gepleegde seksuele misbruik.

Veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, voor zover aan de zijde
van eiseres gerezen en tot aan deze uitspraak begroot op ƒ 1265,56, waarvan ƒ
350 wegens griffierecht, ƒ 800 wegens procureurssalaris en ƒ 115,56 wegens
deurwaardersexploit.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Rechters

Mr Broekhoven

Instantie: Hoge Raad, 15 september 1995

Instantie

Hoge Raad

Samenvatting


De echtscheiding wordt uitgesproken op verzoek van de man, ruim vijfendertig
naar nadat de samenwoning is verbroken. Er is sprake van duurzame
ontwrichting van het huwelijk.
De vrouw heeft nimmer aanspraak gemaakt op een bijdrage in haar
levensonderhoud, omdat zij voor zichzelf wilde zorgen. Thans ontvangt de
vrouw een AOW-uitkering.
De vrouw vordert alimentatie, en die wordt afgewezen. De vrouw voert ook een
pensioenverweer. (Ook arrest Hof Amsterdam 1 november 1993, arrest Hof
Amsterdam 28 maart 1994, de cassatiedagvaarding en de conclusie van de A-G
mr. Strikwerda zijn opgenomen).

Volledige tekst

De door het middel aangevoerde motiveringsklacht faalt eveneens, omdat een
rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht kan worden bestreden.
3.5. Middel III klaagt dat het Hof, door te overwegen dat van de man in
redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij bijdraagt in het levensonderhoud
van de vrouw, nu zij na de verbreking van de samenwoning om haar moverende
redenen nimmer aanspraak heeft gemaakt op enig bedrag voor haar
levensonderhoud, niet heeft voldaan aan de te dezen geldende hoge
motiveringseisen, aangezien het hier gaat om omstandigheden die niet voor
wijziging vatbaar zijn en derhalve om een definitief einde van de
alimentatieplicht.
Het middel faalt. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat de
vrouw, die sedert het verbreken van de samenwoning gedurende ruim
vijfendertig jaar in eigen onderhoud heeft voorzien, gedurende die periode
welbewust financieel onafhankelijk van de man heeft willen zijn, en dat zij
in het onderhavige geding het standpunt heeft ingenomen dat zij alleen dan
ook in de toekomst financieel onafhankelijk van de man zou willen zijn indien
het huwelijk in stand zou blijven, terwijl voorts niet aannemelijk is dat de
financiële situatie van de vrouw, die een AOW-uitkering geniet, door of na de
echtscheiding nog zal veranderen. Zulks in aanmerking genomen geeft het
bestreden oordeel van het Hof niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en
behoefde het niet nader te worden gemotiveerd.
3.6. Middel IV mist eveneens doel. Het Hof heeft, in cassatie tevergeefs
bestreden, zijn beslissing omtrent de vordering van de vrouw tot een bijdrage
in haar levensonderhoud gegrond op andere omstandigheden dan de behoefte en
de draagkracht van partijen. Het behoefde derhalve niet meer in te gaan op
hetgeen de vrouw omtrent haar behoefte had gesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.
Conclusie A-G mr. Strikwerda:

1. De partijen in deze echtscheidingsprocedure zijn op 6 maart 1946 met
elkaar gehuwd. Sinds 1955, toen de man (verweerder in cassatie) de
samenwoning met de vrouw (eiseres tot cassatie) verbrak, wonen partijen niet
meer samen.
2. Bij exploit van 21 november 1991 heeft de man de vrouw gedagvaard voor de
Rechtbank te Amsterdam en, stellende dat het huwelijk van partijen duurzaam
is ontwricht, echtscheiding, subsidiair scheiding van tafel en bed gevorderd.
3. De vrouw heeft zich op verschillende gronden tegen de vordering verweerd.
Voor zover thans in cassatie van belang voerde zij aan dat van de door de man
gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk geen sprake is en,
subsidiair, dat als gevolg van de gevorderde echtscheiding haar
vooruitzichten op uitkeringen na vooroverlijden van de man verloren zouden
gaan. Voorts vorderde de vrouw in reconventie onder meer veroordeling van de
man tot betaling van een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud van ƒ
2000 per maand.
4. Nadat de man de reconventionele vordering tot levensonderhoud had
bestreden en nadat een bij tussenvonnis van 1 juli 1992 door de Rechtbank
bevolen comparitie van partijen had plaatsgevonden, heeft de Rechtbank bij
haar eindvonnis van 6 januari 1993 de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken en de alimentatievordering van de vrouw afgewezen.
5. De vrouw is van het eindvonnis van de Rechtbank onder aanvoering van vier
grieven in hoger beroep gegaan bij het GerechtsHof te Amsterdam. Met de
grieven I en III bestreed de vrouw de verwerping door de Rechtbank van
respectievelijk haar primaire en subsidiaire verweer tegen de vordering tot
echtscheiding, terwijl grief IV zich keerde tegen de afwijzing door de
Rechtbank van de door de vrouw in reconventie gevorderde bijdrage in haar
levensonderhoud.
6. Bij tussenarrest van 1 november 1993 verwierp het Hof de grieven I en IV
(en II) en gelastte in verband met grief III een comparitie van partijen. Met
betrekking tot grief I overwoog het Hof onder meer dat aan de conclusie dat
het huwelijk duurzaam is ontwricht niet afdoet dat, zoals de vrouw stelt, het
reeds meer dan 35 jaar niet samen wonen nimmer een beletsel heeft gevormd
voor het voortbestaan van het huwelijk. `Immers een huwelijk kan bestaan
terwijl het duurzaam is ontwricht’, aldus het Hof (r.o. 4.1). Met betrekking
tot grief IV overwoog het Hof (r.o. 4.3):
`Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat van de man, thans in redelijkheid
niet meer gevergd kan worden dat hij met enig geldsbedrag bijdraagt in het
levensonderhoud van de vrouw, aangezien de vrouw, nadat de man in 1955 de
samenwoning tussen partijen heeft verbroken, om haar moverende redenen nimmer
aanspraak heeft gemaakt op enig bedrag voor haar levensonderhoud.’
7. Nadat de door het Hof bevolen comparitie van partijen had plaatsgevonden,
heeft het Hof bij zijn eindarrest van 28 maart 1994 ook grief III verworpen,
zulks op grond van de overweging dat is komen vast te staan dat de man geen
pensioen heeft opgebouwd op basis waarvan de vrouw uitzicht heeft op een
uitkering na zijn overlijden, en het beroepen vonnis van de Rechtbank
bekrachtigd.
8. De vrouw is tegen zowel het tussen- als het eindarrest van het Hof
(tijdig) in cassatie gekomen met vier middelen, die door de man zijn
bestreden met conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.
9. Middel I keert zich tegen de verwerping door het Hof (in het tussenarrest)
van grief I. Het Hof zou hebben miskend dat, wanneer de man om hem moverende
redenen heeft besloten om gedurende 36 jaren af te zien van het vorderen van
echtscheiding, hij zijn recht heeft verloren om krachtens art. 1:151 BW een
vordering tot echtscheiding in te stellen.
10. Het middel geeft niet aan op welke rechtsregel wordt gedoeld. Voor zover
het middel zou menen dat de rechtsvordering tot echtscheiding kan verjaren,
berust het op een onjuiste rechtsopvatting. Zowel onder oud recht (zie
Pitlo/Hidma, Bewijs en verjaring, 1981, p. 235) als onder huidig recht (zie
art. 3:326) moet worden aangenomen dat een vordering tot echtscheiding niet
aan verjaring onderhevig is. Van rechtsverwerking kan evenmin sprake zijn,
reeds omdat, wanneer de duurzame ontwrichting van het huwelijk eenmaal
vaststaat, tegen de vordering tot echtscheiding geen andere verweren mogelijk
zijn dan de wet noemt. Bovendien heft het dulden van de ontwrichting van het
huwelijk, de ontwrichting niet op (vgl.
ukács e.a., Echtscheiding, losbl., art. 151, aant. 8 met verwijzing naar de
wetsgeschiedenis). Zo het middel al voldoet aan de eisen der wet, is het dus
ongegrond.
11. Middel II bestrijdt de verwerping door het Hof (in het eindarrest) van
grief III en berust op de opvatting dat, anders dan het Hof tot uitgangspunt
heeft genomen, het begrip `bestaand vooruitzicht op uitkeringen’ in art.
1:153 lid 1 BW niet uitsluitend ziet op pensioenuitkeringen, maar ook op
bijvoorbeeld spaargelden en onroerende zaken als een woning.
12. De opvatting waar het middel op berust, kan niet als juist worden
aanvaard. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft art. 1:153 lid 1 BW enkel het
oog op vooruitzichten op pensioenrechten en dergelijke. Ik citeer uit de MvT
(Hand. II, zt. 1968-1969, 10 213, nr. 3, Vuga-uitgave, p. I-18):
‘… in de tegenwoordige omstandigheden mag men er niet aan voorbijgaan dat
door echtscheiding met name de vrouw het ernstige risico loopt bij
vooroverlijden van de man slecht verzorgd achter te blijven. De alimentatie
houdt dan op, en een pensioenvoorziening of levensverzekering is veelal zo
geregeld dat weduwe-uitkeringen slechts ten goede komen aan de vrouw met wie
de man op het ogenblik van overlijden was gehuwd’.
Zie voorts Asser-De Ruiter-Moltmaker (1992), nr. 610; Luijten, Het
Nederlandse personen- en familierecht, deel II (1992), p. 151-153; Wortmann,
in: Personen- en familierecht, losbl., art. 153, aant. 1a; Lukács e.a., a.w.,
art. 153, aant. 2. Het Hof heeft art. 1:153 BW derhalve niet geschonden door
het beroep van de vrouw op het in dat artikel bedoelde verweer te verwerpen
op de grond dat de man geen pensioen heeft opgebouwd en een bestaand
vooruitzicht op uitkeringen aan de vrouw na overlijden van de man derhalve
niet bestaat. Het middel zal moeten falen.
13. De middelen III en IV zijn gericht tegen de verwerping door het Hof (in
het tussenarrest) van grief IV. Waar de aard van de omstandigheden op grond
waarvan het Hof de uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw heeft
geweigerd, meebrengen dat deze beslissing niet meer vatbaar is voor wijziging
op grond van gewijzigde omstandigheden, zou de beslissing van het Hof niet
voldoen aan de daaraan te stellen hoge motiveringseisen (middel III), althans
zou het Hof hebben miskend dat de vrouw heeft gesteld dat zij
alimentatiebehoeftig is geworden omdat zij thans moet leven van een
WAO-uitkering (bedoeld is kennelijk AOW-uitkering) (middel IV).
14. Het Hof heeft zijn oordeel tot afwijzing van de alimentatievordering van
de vrouw gegrond op de overweging dat thans in redelijkheid van de man niet
meer kan worden gevergd dat hij in het levensonderhoud van de vrouw
bijdraagt, aangezien de vrouw sinds de verbreking van de samenwoning in 1955
om haar moverende redenen nimmer aanspraak heeft gemaakt op enig bedrag in
haar levensonderhoud.
15. De aard van de omstandigheden op grond waarvan het Hof heeft geoordeeld
dat de alimentatie aan de vrouw moet worden geweigerd, brengt inderdaad met
zich mee dat zij zich niet meer kunnen wijzigen. Dat betekent dat het recht
op alimentatie van de vrouw praktisch definitief door de beslissing van het
Hof wordt beëindigd. Aan ’s Hofs beslissing zijn derhalve hoge
motiveringseisen te stellen. HR 11 juni 1982, NJ 1983, 595 en 596 nt. EAAL;
HR 23 januari 1993, NJ 1993, 233.
16. Voldoet de beslissing van het Hof aan deze eisen? De motivering van het
Hof is weliswaar kort, maar de omstandigheden waarop het Hof zijn beslissing
grondt, zijn zwaarwichtig en m.i. toereikend. De periode die is verstreken na
de verbreking van de samenwoning is exceptioneel lang (ruim 35 jaar). Uit
hetgeen het Hof heeft vastgesteld (r.o. 3.1-3.4 in het tussenarrest) blijkt
dat man en vrouw na de verbreking van de samenwoning nauwelijks nog contact
met elkaar hebben gehad en ieder hun eigen weg zijn gegaan, wat de vrouw
betreft, naar eigen wens, ook financieel. Beiden zijn inmiddels op leeftijd.
Tegen deze achtergrond meen ik dat het Hof tot nadere motivering van zijn
beslissing niet gehouden was. Middel III acht ik derhalve ongegrond.
17. Bij gevolg zal ook middel IV niet kunnen slagen: waar het Hof op grond
van niet financiële omstandigheden heeft kunnen beslissen dat geen reden
bestaat om aan de vrouw een uitkering toe te kennen, mocht het voorbij gaan
aan hetgeen de vrouw had gesteld omtrent haar behoefte aan onderhoud. HR 12
december 1975, NJ 1976, 573 nt. EAAL.
18. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Rechters

Mrs. Roelvink, Korthals Altes, Neleman

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 15 september 1995

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


De pensioenvoorziening voor stewardessen die voor 1 januari 1977 in dienst
waren bij de KLM was in strijd met het beginsel van gelijke beloning voor
gelijke arbeid, volgens eiseres. Daarom verzoekt eiseres om haar pensioen
opnieuw vast te stellen.
De kantonrechter is met de KLM van mening dat er geen sprake is van
`relevante ongelijke behandeling’ omdat ingevolge het Barber-arrest op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG verdrag slechts een beroep kan
worden gedaan teneinde gelijkheid op het gebied van bedrijfspensioenen te
eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die verschuldigd zijn uit hoofde van
na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van arbeid, behoudens de uitzondering van
werknemers of hun rechtverkrijgenden die voor die datum een rechtsvordering
hebben ingesteld of een naar geldend nationaal recht daarmee gelijk te
stellen vordering hebben ingediend. Dit is in casu niet het geval.
Het recht op aansluiting valt wel binnen de werkingssfeer van artikel 119
EEG-verdrag en wordt dus bestreken door het in dat artikel geformuleerde
discriminatieverbod. Ten aanzien hiervan is eiseres ongelijk behandeld. De
KLM wordt veroordeeld het pensioen van eiseres zodanig te laten vaststellen
dat het overeenkomt met het pensioen dat eiseres uit haar arbeid zou hebben
genoten indien zij, na haar aansluiting bij het Algemeen Pensioenfonds, vanaf
8 april 1976 aangesloten zou zijn geweest bij het Pensioenfonds voor Vliegend
Personeel.

Volledige tekst

Eiseres wordt verder aangeduid als Bos en gedaagden als KLM onderscheidenlijk
het Algemeen Pensioenfonds.
Verloop van de procedure
Bij dagvaarding heeft eiseres gevorderd:
– primair:
1. verklaring voor recht dat KLM door de wijze waarop zij voor vrouwelijke
stewardessen, die voor 1 januari 1977 in dienst waren bij haar, een
pensioenvoorziening heeft getroffen heeft
gehandeld in strijd met het beginsel van gelijke beloning voor gelijke arbeid
zoals vastgelegd in artikel 119 van het EEG-verdrag;
2. veroordeling van KLM tot het opnieuw vaststellen van het pensioen van Bos,
zodanig dat het overeenkomt met het pensioen dat zij uit haar arbeid voor KLM
zou hebben verdiend als zij een man was geweest.
3. veroordeling van KLM tot betaling:
primair:
het verschil tussen het opnieuw vastgestelde pensioen als bedoeld in 2 en het
door Bos ontvangen pensioen sinds de ingangsdatum van het pensioen, zijnde 1
januari 1982;
subsidiair:
het verschil tussen het opnieuw vastgestelde pensioen als bedoeld in 2
en het door eiseres ontvangen pensioen vanaf 17 mei 1990;
– subsidiair:
4. verklaring voor recht dat KLM handelt in strijd met het bepaalde in
artikel 119 van het EG-verdrag door aan vrouwelijke gepensioneerden toeslagen
op hun pensioen te onthouden die wel aan mannelijke gepensioneerden met
eenzelfde arbeidsverleden worden toegekend;
5. veroordeling van KLM tot betaling van:
primair:
het verschil tussen het door Bos ontvangen pensioen en het pensioen dat zij
ontvangen zou hebben als dat verhoogd was met de extra toeslagen die aan
mannelijke stewards zijn verleend in het Pensioenfonds voor het Vliegend
Personeel sinds de ingang van haar pensioen;
subsidiair:
het verschil tussen het door haar ontvangen pensioen en het pensioen dat zij
zou hebben ontvangen als het na 17 mei 1990 telkens was verhoogd
overeenkomstig de extratoeslagen die aan mannelijke stewards zijn verleend in
het Pensioenfonds voor het Vliegend Personeel;
6. veroordeling van het Algemeen Pensioenfonds om het pensioen van Bos
opnieuw vast te stellen waarbij haar KLM-pensioen verhoogd moet worden door
alsnog het `oude’ grondpensioen voor die berekening om te rekenen naar
opbouwjaren van het stewardessenpensioen en met verhoging van de volledige
AOW-uitkering waar eiseres recht op zou hebben ware zij nu 65, conform de
wijze van artikel J2 van het pensioenreglement;
7. veroordeling van het Algemeen Pensioenfonds tot betaling van het verschil
tussen het door haar ontvangen pensioen en het pensioen dat zij zou hebben
ontvangen als zij de ingangsdatum van dit pensioen zou zijn berekend op de
wijze als gevorderd onder 6, alles met kosten.
Het Algemeen Pensioenfonds heeft voor alle weren opgeworpen dat de
kantonrechter onbevoegd is om van de vordering, voorzover tegen het Algemeen
Pensioenfonds ingesteld, kennis te nemen. Voorts hebben KLM en het Algemeen
Pensioenfonds bij conclusie van antwoord met tien bewijsstukken de vordering
bestreden en geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van Bos in
de kosten van het geding.
Bij conclusies met repliek (met acht bewijsstukken) en dupliek (met drie
bewijsstukken) hebben partijen hun wederzijdse standpunten gehandhaafd.
Bos heeft bij akte zich over laatstgenoemde bewijsstukken uitgelaten.
Vervolgens hebben KLM en het Algemeen Pensioenfonds nog een akte genomen.
Bos heeft zich over de inhoud daarvan bij antwoordakte uitgelaten.
KLM heeft de aan partijen bekende, maar op dat moment nog niet gepubliceerde
arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 23
september 1994 Beune (C-57/93), Vroege (C-7/93) en Fisscher (C-18/93)
overgelegd.
Daarna is vonnis gevraagd.
Gronden van de beslissing
1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de
overgelegde stukken staat het volgende vast.
Bos, geboren in 1931, is op 14 februari 1949 bij KLM in dienst getreden. Tot
16 april 1953 heeft zij in een grondfunctie gewerkt. Per 16 april 1953 werd
zij tewerkgesteld als stewardess. Aanvankelijk was Bos werkzaam op basis van
een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
In 1964 is tussen de (toenmalige) vereniging van KLM-stewardessen en KLM een
regeling getroffen volgens welke regeling de stewardessen met contracten voor
onbepaalde tijd bij het bereiken van de 40-jarige leeftijd op non-actief
gesteld zouden worden. De regeling is neergelegd in een brief van KLM van 23
september 1964 aan het bestuur van genoemde vereniging. Deze brief houdt in,
voorzover thans van belang:
`De stewardessen, die op 1 januari 1965 40 jaar of ouder zijn, zullen per die
datum op non-actief worden gesteld, welke non-activiteit zal voortduren
totdat de dienstbetrekking wegens het bereiken van de pensioengerechtigde
leeftijd (50 jaar) of om andere redenen eerder eindigt. Tot de 1e januari na
het bereiken van de 50-jarige leeftijd wordt hun een wachtgeld toegekend ten
bedrage van ƒ 1025 per maand. Hierop worden eventuele andere inkomsten uit
arbeid voor 50% in mindering gebracht. Tot het bereiken van de 50-jarige
leeftijd wordt de pensioenopbouw van betrokkenen voortgezet. Zij betalen
daartoe de gebruikelijke premie van 10% van genoemd wachtgeld.
Het wachtgeld zal worden verhoogd met kostencompenserende loonronden, zoals
huurbijslagen, A.O.W.-premiecompensaties en dergelijke, indien en voor zover
deze ook aan de stewardessen in actieve dienst worden toegekend.’
Een kopie van deze brief is door allen die tot genoemde groep behoorden,
waaronder Bos, voor accoord getekend.
Overeenkomstig deze regeling is Bos bij het bereiken van de 40-jarige
leeftijd op non-actief gesteld. In 1981 heeft zij bij het bereiken van de
50-jarige leeftijd de dienst van KLM met pensioen verlaten.
KLM heeft Bos een pensioentoezegging gedaan, welke toezegging hierin bestond
dat zij zou worden opgenomen in de pensioenregeling die wordt uitgevoerd door
het Algemeen Pensioenfonds.
Tot 1 januari 1977 maakte KLM onderscheid in pensioenregelingen in die zin,
dat stewardessen werden opgenomen in het Algemeen Pensioenfonds en stewards
in het Pensioenfonds voor Vliegend Personeel. Werknemers die na 1 januari
1977 in dienst zijn getreden, zowel mannen als vrouwen, worden opgenomen in
het Pensioenfonds voor het Cabinepersoneel.
Het pensioen van Bos is lager dan dat van een steward met een vergelijkbaar
arbeidsverleden, die in het Pensioenfonds voor Vliegend Personeel is
opgenomen.
2. Het door het Algemeen Pensioenfonds gedaan beroep op gedeeltelijke
onbevoegdheid van de kantonrechter wegens een in artikel 24 van zijn statuten
opgenomen arbitraal beding behoeft slechts bespreking wanneer aan de
subsidiaire vordering wordt toegekomen. Eerst de subsidiaire vordering is
immers (mede) gericht tegen het Algemeen Pensioenfonds. Of aan de subsidiaire
vordering wordt toegekomen zal hierna blijken.
3. De primaire vorderingen van Bos, alleen tegen KLM gericht, zijn hierop
gegrond dat zij ongelijk zou zijn behandeld in de pensioenregeling aangezien
haar mannelijke collega’s van weleer hogere ouderdomspensioenen genieten, en
dat het Barber-arrest van het Hof van Justitie meebrengt dat zij alsnog het
ouderdomspensioen ontvangt dat zij zou hebben ontvangen indien zij, evenals
haar mannelijke collega’s, opgenomen zou zijn geweest in het Pensioenfonds
voor het Vliegend Personeel.
4. KLM bestrijdt dat er sprake is van `relevante ongelijke behandeling’ omdat
ingevolge het Barber-arrest op de rechtstreekse werking van artikel 119
EG-verdrag slechts een beroep kan worden gedaan teneinde gelijkheid op het
gebied van bedrijfspensioenen te eisen, wanneer het gaat om uitkeringen die
verschuldigd zijn uit hoofde van na 17 mei 1990 vervulde tijdvakken van
arbeid, behoudens de uitzondering van werknemers of hun rechtverkrijgenden
die voor die datum een rechtsvordering hebben ingesteld of een naar geldend
nationaal recht daarmee gelijk te stellen vordering hebben ingediend. Waar
Bos de dienst van K
M in 1981 heeft verlaten en derhalve geen arbeidsperioden na 17 mei 1990
heeft vervuld terwijl zij evenmin voor 17 mei 1990 een over ongelijke
behandeling klagende vordering heeft ingesteld, missen haar vorderingen
voorzover berustende op artikel 119 van het EG-verdrag en/of ongelijke
behandeling in de pensioensfeer de vereiste juridische grondslag, aldus KLM.
5. Met KLM is de kantonrechter van oordeel dat de vordering van Bos,
voorzover gegrond op het Barber-arrest, moet falen om redenen als door KLM
genoemd. Bos heeft echter mede aangevoerd dat zij ongelijk is behandeld
doordat zij niet bij dezelfde bedrijfspensioenregeling is aangesloten waarbij
haar mannelijke collega’s waren aangesloten.
6. Het recht op aansluiting valt binnen de werkingssfeer van artikel 119 van
het EG-verdrag en wordt dus bestreken door het in dat artikel geformuleerde
discriminatieverbod. Met recht kan Bos zich op het standpunt stellen dat zij
in dit opzicht ongelijk is behandeld. De beperking in de tijd, welke is
voorzien in het arrest Barber, geldt niet voor het recht op aansluiting bij
een bedrijfspensioensregeling, zodat Bos de rechtstreekse werking van artikel
119 kan inroepen teneinde met terugwerkende kracht tot 8 april 1976 (de datum
van het arrest Defrenne, waarbij voor het eerst de rechtstreekse werking van
dat artikel werd erkend) gelijkheid van behandeling met betrekking tot het
recht op aansluiting bij een bedrijfspensioensregeling te eisen (arresten
Vroege en Fisscher).
7. KLM heeft hiertegenover nog aangevoerd dat een beroep op deze arresten
niet kan baten omdat zij sedert 1 januari 1972 geen arbeid meer voor KLM
heeft verricht en omdat van een algehele uitsluiting van deelneming aan
pensioenregelingen vergelijkbaar met de gevallen Vroege en Fisscher zich ten
aanzien van Bos niet heeft voorgedaan.
8. De arresten Vroege en Fisscher houden een dergelijk beperkingen echter
niet in. Overigens zal het beroep van KLM op de omstandigheid dat Bos sedert
1 januari 1972 geen arbeid meer heeft verricht hierop moeten afstuiten dat
dit slechts het gevolg is geweest van een KLM betreffende omstandigheid
terwijl de arbeidsovereenkomst overigens, is blijven voortduren, met
voortzetting van de deelneming in een pensioenfonds en met handhaving van de
rechtspositie van Bos als `bij normaal doordienen’ (zo blijkt uit de bij
repliek overgelegde brief van K
M van 14 oktober 1994). Bedoelde omstandigheid is deze dat, zoals Bos bij
repliek heeft gesteld en KLM niet (voldoende) heeft bestreden, KLM heeft
gemeend destijds alleen voor het vrouwelijk deel van het cabinepersoneel een
beleid te moeten voeren, dat voor stewardessen met een contract voor
onbepaalde tijd, waaronder Bos, hierop neerkwam dat zij niet meer tot hun
vijftigste jaar zouden mogen vliegen maar al bij hun veertigste verjaardag
daarmee zouden moeten ophouden.
9. Het betoog van KLM dat de vorderingen van Bos ook niet zouden kunnen
worden toegewezen omdat Bos zich tot dusverre niet bereid heeft getoond tot
bijbetaling van de werknemersbijdrage tot het niveau van de destijds van haar
mannelijke collega’s geheven bijdragen kan evenmin doel treffen, nu Bos als
reactie hierop heeft verklaard dat zij de premies die zij verschuldigd zal
blijken te zijn zal voldoen.
10. De gevorderde verklaring voor recht is, zoals zij wordt verlangd, niet
toewijsbaar. Het primair onder 2. gevorderde is evenmin ten volle
toewijsbaar. Uit de omstandigheid echter dat blijkens de stellingen van Bos
de vordering mede steunt op de omstandigheid dat zij met terugwerkende kracht
recht heeft op aansluiting bij het Pensioenfonds voor Vliegend Personeel kan
haar vordering aldus worden begrepen, dat deze mede de minder ver strekkende
vordering omvat, dat KLM zal worden veroordeeld het pensioen van Bos zodanig
vast te stellen dat het overeenkomt met het pensioen dat Bos uit haar arbeid
voor K
M zou hebben genoten indien zij, na haar aansluiting bij het Algemeen
Pensioenfonds, vanaf 8 april 1976 aangesloten zou zijn geweest bij het
Pensioenfonds voor het Vliegend Personeel.
11. Uit het voorgaande volgt dat omtrent de primaire vorderingen alleen tegen
KLM gericht, moet worden beslist als volgt. KLM zal als de grotendeels in het
ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden verwezen. Bos zal
echter in de kosten van het Algemeen Pensioenfonds moeten worden verwezen, nu
aan een beslissing ten aanzien van het Algemeen Pensioenfonds niet wordt
toegekomen.
Beslissing
KLM wordt veroordeeld het pensioen van Bos zodanig te laten vaststellen dat
het overeenkomt met het pensioen dat Bos uit haar arbeid zou hebben genoten
indien zij, na haar aansluiting bij het Algemeen Pensioenfonds, vanaf 8 april
1976 aangesloten zou zijn geweest bij het Pensioenfonds voor het Vliegend
Personeel.
KLM wordt voorts veroordeeld om aan eiseres te betalen het verschil tussen
het opnieuw vastgestelde pensioen als vorenbedoeld en het door Bos sinds 1
januari 1982 ontvangen pensioen.
KLM wordt verwezen in de kosten van het geding tot aan deze uitspraak aan de
zijde van Bos begroot op ƒ 1495,95 waarvan ƒ 1250 als salaris van de
gemachtigde van Bos.
Bos wordt verwezen in de kosten van het geding aan de zijde van het Algemeen
Pensioenfonds tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Dit vonnis wordt tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Rechters

Mr. R.A.J. van der Linde

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 15 september 1995

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Recht op aansluiting bij een pensioenfonds is voor wat betreft de
verjaring niet gelijk te stellen met een loonvordering. De opname van
de voorheen uitgesloten vrouwen in de pensioenregeling is wel te
beschouwen als een verplichting om te doen. Deze verjaart na vijf
jaren. De vordering van vervangende schadevergoeding in verband met de
verboden uitsluiting verjaart pas na twintig jaren. De kantonrechter
spreekt zich niet uit over de verjaring van de werknemersbijdrage.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure:

Eiseressen, verder te noemen A en B, hebben een vordering ingesteld,
als nader omschreven in de inleidende dagvaarding. Gedaagde verder te
noemen de Vier Leeuwen, heeft schriftelijk geconcludeerd voor antwoord
en een voorwaardelijke eis in reconventie ingesteld.

A en B hebben vervolgens een akte genomen, waarbij een tweetal arresten
van het Europese Hof in het geding zijn gebracht. De Vier leeuwen heeft
vervolgens een akte houdende uitlating producties genomen. Tenslotte
hebben A en B een akte genomen.

Alle hierboven genoemde processtukken worden hier als ingelast en
herhaald beschouwd. Het door partijen verzochte vonnis werd bepaald op
heden.

De beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie

A en B zijn beiden sedert 1 juni 1979 in loondienst van de Vier
Leeuwen.

Vanaf de aanvang van het dienstverband hebben A en B tot 1 juli 1990
geen pensioenrechten verkregen als gevolg van het feit dat het ook op
grond van het voor die datum geldende pensioenreglement gehuwde vrouwen
werden uitgesloten van deelname aan de pensioenregeling en A en B
gehuwd waren in die periode. Per 1 juli 1990 is het pensioenreglement
gewijzigd en vanaf die datum nemen A en B deel aan de pensioenregeling.
A en B zijn van mening dat de uitsluiting van deelname in de
pensioenregeling in het tijdvak 1 juli 1979 tot 1 juli 1990 in strijd
is met het bepaalde in artikel 119 van het EEG-verdrag.

Zij vorderen thans opname in de pensioenregeling en toekenning van
opbouw van pensioenrechten met terugwerkende kracht over de periode van
12 juli 1979 tot 1 juli 1990, een en ander op straffe van een dwangsom
en voorts met veroordeling van gedaagde alle kosten van de toekenning
van die pensioenrechten voor haar rekening te nemen. Subsidiair
verzoeken A en B een verklaring voor recht, dat de Vier Leeuwen
gehouden is om aan A en B een schadevergoeding te betalen van een
zodanige aard en omvang dat daarmee de schade van eiseres als gevolg
van gemis aan pensioenopbouw via de bij gedaagde geldende
pensioenregeling in het tijdvak van 1 juni 1979 tot 1 juli 1990 geheel
wordt gecompenseerd. Gedaagde heeft – na kennis genomen te hebben van
de overgelegde arresten van het Europese Hof – de vordering van A en B
bestreden door te stellen dat de aanspraken van eiseressen, voorzover
die dateren van voor 16 september 1988, zijn verjaard. De onderhavige
vordering dient te worden beschouwd als een loonvordering, waarvoor een
verjaringstermijn van 5 jaren geldt.

Voorts is er geen sprake van beperkingen die het Hof van Justitie stelt
aan de mogelijkheid om met succes een beroep te doen op verjaring. Bij
wijze van vordering in voorwaardelijke reconventie – namelijk voor het
geval het gevorderde zou worden toegewezen – stelt de Vier Leeuwen dat
A en B alsnog werknemersbijdragen zijn verschuldigd. deze
werknemersbijdragen dienen dan alsnog ineens door A en B te worden
voldaan, te vermeerderen met rente. A en B bestrijden dat er sprake is
van een verjaringstermijn van 5 jaren; de algemene verjaringstermijn
bedraagt ex artikel 3:306B.W. 20 jaren en er is geen sprake van de
kortere verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:307 B.W. of artikel
3:308 B.W. Er is in casu geen sprake van een “normale” loonvordering,
die dan door de verjaringstermijn van artikel 3:308 B.W. zal worden
getroffen; er is geen sprake van een naar tijdsruimte vastgesteld loon,
noch van een naar tijdsruimte vastgesteld bedrag. A en B verwijzen
tevens naar HR 10-9-1993, NJ 1994,736.

Tenslotte stellen A en B dat de door de Vier Leeuwen gepropageerde
verjaringstermijn het voor A en B onmogelijk zou maken hun recht te
realiseren, terwijl het niet reeel is te stellen dat zij – gelet op de
stand van wetgeving en rechtspraak – hun vordering eerder hadden moeten
instellen. Met betrekking tot de reconventionele vordering stellen A en
B dat zij inderdaad de werknemersbijdragen verschuldigd zijn, maar dat
hiervoor wel de verjaringstermijn van artikel 3:308 B.W. geldt, nu er
sprake is van periodieke betalingen. Zij bestrijden dat zij verplicht
zouden kunnen worden de wel verschuldigde premies ineens te voldoen, nu
zij daarmee in een slechtere positie zouden komen dan de werknemers bij
wie wel werknemersbijdragen zijn ingehouden. Zij bestrijden tevens de
verschuldigdheid van de wettelijke rente. Naar aanleiding van de
hierboven kort en zakelijk weergegeven standpunten van partijen
overweegt de kantonrechter als volgt: Op grond van de in het geding
gebrachte arresten van het Hof van Justitie is thans vast komen te
staan, dat A en B over de periode van 1 juni 1979 tot 1 juli 1990 als
deelnemers in de bij de Vier Leeuwen geldende pensioenregeling hadden
moeten worden opgenomen. Een dergelijk recht op aansluiting is – anders
dan de Vier Leeuwen betoogt – niet gelijk te stellen met een
loonvordering, waarvoor de korte verjaringstermijn van artikel 3:307
lid 1 B.W. geldt.

Het recht op aansluiting is wel te beschouwen als een beloning als
bedoeld in artikel 119 van het Verdrag, maar is niet een naar
tijdsruimte vastgesteld loon of een naar tijdsruimte vastgesteld
bedrag. De verjaring als bedoeld in artikel 3:308 BW mist derhalve
toepassing. Wel vindt de Vier Leeuwen het gelijk aan haar zijde wanneer
zij betoog dat er sprake is van verjaring van de verplichting om te
doen (de opname van eiseressen in de pensioenregeling). Deze verjaring
vloeit voort uit artikel 3:307 lid 1 BW. Het resultaat hiervan zou zijn
dat de primaire vordering van A en B slechts kan worden toegewezen
voorzover deze betrekking heeft op de periode van 16 september 1988 tot
1 juli 1990 en dat de vordering voor het overige als zijnde verjaard
zou dienen te worden afgewezen. De subsidiaire vordering van A en B is
gebaseerd op het verkrijgen van vervangende schadevergoeding en kent
een algemene verjaringstermijn van 20 jaren (3:310 BW). Deze vordering
is derhalve toewijsbaar, ook in de vorm van opname van A en B in het
pensioenfonds op grond van het bepaalde in 6:103 BW, gelijk A en B –
zij het niet met zoveel woorden op grond van deze bepaling – hebben
gevorderd.

Het gevolg van een en ander is dat A en B gehouden zijn
werknemersbijdragen te voldoen. Alvorens hieromtrent in reconventie te
beslissen wenst de kantonrechter geinformeerd te worden omtrent de
hoogte van het bedrag dat hiermee is gemoeid en wat het effect is van
de door de Vier Leeuwen in de akte van 3 maart 1995 gesuggereerde
berekenings- en verrekeningswijzen. De kantonrechter laat vooralsnog de
overige geschilpunten tussen partijen in reconventie (verjaring en
verschuldigdheid van wettelijke rente door A en B) onbesproken. Er zal
een comparitie van partijen worden bepaald tot het verschaffen van
inlichtingen en het beproeven van een minnelijke schikking.

De beslissingen in conventie en in reconventie:

De kantonrechter:

1. Beveelt partijen in persoon dan wel behoorlijk vertegenwoordigd op
dinsdag 24 oktober 1995 om 9.30 uur in het kantongerechtsgebouw aan de
Henegouwerlaan 70 te Rotterdam te verschijnen, zulks tot het
verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke
schikking;

2. Houdt iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr Veenendaal

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 14 september 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde heeft nadat eiseres de relatie heeft verbroken, geweld gebruikt
tegen eiseres. Hij is daarvoor strafrechtelijk veroordeeld. Eiseres vordert
een straat- en contactverbod. Gedaagde stelt dat eiseres hem lastigvalt, in
plaats van dat hij haar lastigvalt. De rechter stelt een straatverbod vast
omdat gedaagde zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 8 september 1995 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding met
bijlagen.
Gedaagde heeft de vordering bestreden.
Na een nadere toelichting heeft eiseres de stukken overgelegd en vonnis
gevraagd.
De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De behandeling van de zaak
1. De uitgangspunten
1.1. Eiseres heeft in januari 1991 een tussen partijen bestaande relatie
verbroken.
1.2 Na de verbreking van de relatie heeft gedaagde geweld gepleegd tegen
eiseres. Dit heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging van gedaagde en
een – in middels onherroepelijke – veroordeling van gedaagde tot een
(gedeeltelijke voorwaardelijke) gevangenisstraf en tot betaling aan eiseres
van een bedrag van ƒ 1500.
1.3 Eiseres is in 1993 verhuisd naar X te Heerhugowaard.
1.4 Gedaagde is in 1994 verhuisd naar Y te Heerhugowaard, een straat die niet
ver verwijderd is van X.
1.5 Gedaagde heeft op 31 mei 1995 een briefje aangebracht aan de voordeur van
de woning van eiseres. Dit brief vermeldt onder meer de tekst: `Dit is dus
het laatste wat je leest van mij, de rest merk je vanzelf wel.’

2. De vordering
Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – een straat- en contactverbod.

3. Het standpunt van eiseres
3.1 Eiseres voelt zich niet meer veilig in haar woonomgeving. Angst voor
gedaagde beheerst haar leven.
3.2 Eiseres is verhuisd naar de thans door haar bewoonde woning in de hoop
aldaar rust te kunnen vinden. Gedaagde is vervolgens verhuisd naar een woning
in haar buurt.
3.3 Gedaagde gaat onverminderd door met het schrijven van dreigende briefjes,
het volgen van eiseres, het leggen van (telefonisch) contact met eiseres en
het maken van fotografische opnamen van eiseres.
3.4 De toenaderingen van gedaagde hebben er toe geleid, dat zij
arbeidsongeschikt is. Door tussenkomst van haar huisarts krijgt zij thans
hulp van het maatschappelijk werk.
3.5 Eiseres heeft belang bij een spoedige beslissing. Zij is in het belang
van haar genezing en verwerking gebaat bij rust in haar woonomgeving.

4. Het standpunt van gedaagde
4.1 Gedaagde wenst niet in contact te komen met eiseres. Hij heeft een nieuwe
relatie en is voornemens eind 1995 in het huwelijk te treden.
4.2 Eiseres valt hem lastig. Zij heeft via haar werkgeefster informatie
omtrent zijn ziektekostenverzekering verstrekt aan derden.
4.3 Op 31 mei 1995 heeft op straat een woordenwisseling tussen partijen
plaatsgevonden nadat eiseres hem had aangesproken over haar fotocamera die
hij, gedaagde, op dat moment bij zich droeg.
4.4 Gedaagde heeft kennissen wonen in de flat waarin eiseres woont en in de
directe omgeving van die flat.

5. De gronden van beslissing
5.1 Eiseres heeft aan de hand van door haar overgelegde bescheiden
onweersproken gesteld dat gedaagde na het verbreken van de relatie tegen
eiseres geweld heeft gepleegd.
voorts heeft gedaagde erkend, dat hij na het verbreken van de relatie en
nadat de onder 1.2 genoemde strafzaak was geëindigd, eiseres telefonisch
heeft benaderd zowel op haar woon- als haar werkadres. Daarnaast heeft
gedaagde erkend dat hij op 31 mei 1995 een briefje heeft aangebracht op de
toegangsdeur van de woning van eiseres. Eiseres ervaart de tekst van het
briefje, gezien in het licht van gedragingen van gedaagde in het verleden,
als zeer bedreigend. Gedaagde heeft de door eiseres gestelde, door de inhoud
van het briefje toegenomen, angst niet, althans niet afdoende ontzenuwd. Door
deze feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien is
aannemelijk dat opnieuw een werkelijke dreiging van de kant van gedaagde
uitgaat. Eiseres heeft dan ook zwaarwichtige redenen om van verder
confrontaties met gedaagde verstoken te blijven.
5.2 Gedaagde heeft aangevoerd, dat hij kennissen heeft in de flat waarin
eiseres woont en in de directe omgeving van die flat.
Dit belang van gedaagde weegt niet op tegen de belangen die eiseres heeft bij
het door haar gevraagde straatverbod.
5.3 Gedaagde heeft aangevoerd dat hij geen contact wenst te hebben met
eiseres en dat hij elk contact vermijdt.
5.4 Uit het vorenstaande vloeit voort dat de gevraagde verboden voor
toewijzing op na te melden wijze gereed liggen.
Gedaagde behoort als de in het ongelijk gestelde partij de gedingkosten te
dragen.

De beslissing
De president:
1. Verbiedt gedaagde gedurende één jaar na betekening van dit vonnis:
– zich te begeven in de straat X in de gemeente Heerhugowaard,
– mondeling, schriftelijk of op welke wijze van communicatie dan ook contact
te zoeken met eiseres of haar lastig te vallen, daaronder begrepen posten,
opwachten, aanspreken en hinderlijk volgen buiten de genoemde straat in de
gemeente Heerhugowaard, met name op de werkplek van eisers bij U te Alkmaar,
één en ander op verbeurte van een dwangsom van ƒ 750 (zegge: zeven honderd
vijftig gulden) per overtreding van (één van) deze verboden, met een maximum
van ƒ 10 000 (zegge: tien duizend gulden);
2. machtigt eiseres voorzover nodig dit vonnis ten uitvoer te leggen met
behulp van de sterke arm van politie en justitie.

Uitspraak van het Gerechtshof van 12 juli 1996

De verdere loop van het geding

Bij (tussen)arrest van 17 november 1995 is de zaak verwezen naar de rol ter
fine als in rechtsoverwegingen 3 en 7 van dat arrest vermeld. De partijen
hebben ieder nog een akte genomen, de vrouw met acht producties. Tenslotte
hebben zij de proces-dossiers wederom aan het hof overgelegd en arrest
gevraagd.

De verdere beoordeling van het hoger beroep

1. het hof handhaaft hetgeen is overwogen in voormeld tussen-arrest.

2. Gelet op de door de vrouw overgelegde – en door de man niet bestreden –
stukken, staat thans ten processe vast:
– dat de vrouw de tijdens de procedure – op 17 september 1993 – meerderjarig
geworden oudste dochter van partijen, R, rechtsgeldig in rechte
vertegenwoordigt;
– dat R voor wat betreft de periode van 17 september 1993 tot 7 november 1994
(nog steeds) aanspraak maakt op een bijdrage van de man in de kosten van haar
levensonderhoud en studie;
– dat zij die bijdrage ook behoeft.

3. Het vorenoverwogene leidt ertoe, dat de in voormeld arrest vastgestelde
periode waarop de bijdrageverplichting van de man ten behoeve van R
betrekking heeft, dient te worden verlengd tot 7 november 1994.

4. Het hof acht termen aanwezig om de proceskosten van beide instanties
tussen partijen te compenseren.

De verder beslissing

Het gerechtshof:

bepaalt dat de in het arrest van 17 november 1995 vastgestelde periode waarop
de bijdrageverplichting van de man ten behoeve van R betrekking heeft,
eindigt op 7 november 1994;

compenseert de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep,
des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Rechters

Mr. J.C. van Dijk

Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 14 september 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


Partijen hebben gedurende enige tijd een affectieve relatie met elkaar
gehad. Op 25 oktober 1991 is uit de vrouw R. geboren. De vrouw is voogdes
over R. Aanvankelijk heeft de vrouw aan derden laten voorkomen dat de man
vader is van R. Later heeft zij dit ontkend en heeft S. de huidige vriend
van de vrouw het kind erkend op 2 november 1994. De man wenst het kind te
erkennen maar de vrouw weigert toestemming omdat de relatie tussen
partijen verstoord is. Het Hof oordeelt dat de vrouw geen misbruik heeft
gemaakt van haar bevoegdheid toestemming tot de erkenning te weigeren.

Volledige tekst

1. Het verloop van het geding

1.1. Het Hof verwijst naar en neemt over hetgeen hieromtrent is vermeld
in zijn tussenbeschikking van 1 juni 1995.

1.2. Bij die tussenbeschikking is de beschikking van de rechtbank te
Haarlem van 4 januari 1995 vernietigd en is de rechtbank alsnog bevoegd
verklaard om van het verzoek van de man kennis te nemen. Het hof heeft de
zaak aan zich gehouden teneinde op het hoger beroepschrift van de man een
beslissing te geven en heeft in verband hiermee de behandeling heropend.

1.3. Op 21 juni 1995 is in deze zaak ter griffie van het hof een notitie
van 19 juni 1995 binnengekomen van de ambtenaar van de burgerlijke stand
van de gemeente Amsterdam. Daarin geeft de ambtenaar te kennen niet ter
zitting te zullen verschijnen en zich te refereren aan het oordeel van het
hof.

1.4. De behandeling is voortgezet op 26 juni 1995.

1.5. Bij die behandeling heeft de procureur-generaal geconcludeerd de
verzoeken van de vader af te wijzen.

2. De feiten en omstandigheden

2.1. Partijen hebben gedurende enige tijd een affectieve relatie met
elkaar gehad. De man woonde een paar huizen verder in dezelfde straat als
waar de vrouw toentertijd bij haar moeder woonde. Zij hebben geen
gemeenschappelijke huishouding gevoerd. Wel verbleef de man regelmatig bij
de vrouw en hadden zij seksuele gemeenschap. Op 25 oktober 1991 is te
Amsterdam uit de vrouw R geboren. De vrouw is voogdes over R. R vertoont
een vrij grote gelijkenis met de man. Na de geboorte van R heeft de vrouw
aanvankelijk naar de man en naar derden laten voorkomen dat de man de
biologische vader van R was. Hun onderlinge verstandhouding is echter
gaandeweg steeds slechter geworden. Er was sprake van verwijten en
intimidaties over en weer. Dit heeft er zelfs toe geleid dat de man is
verhuisd.

2.2. Toen de man de vrouw te kennen gaf R te willen erkennen, heeft de
vrouw haar toestemming daartoe geweigerd. De ambtenaar van de burgerlijke
stand weigerde een akte van erkenning op te maken zonder de toestemming
daartoe van de vrouw. De man heeft zich vervolgens tot de rechtbank te
Haarlem gewend met het verzoek de ambtenaar van de burgerlijke stand te
gelasten een akte van erkenning op te maken van de erkenning door de man
van R en het register van de burgerlijke stand aan te vullen met die op
te maken akte houdende erkenning. Op 2 november 1994 is R met toestemming
van de vrouw erkend door S, de huidige vriend van de vrouw.

2.3. Bij de beschikking van 4 januari 1995 van de rechtbank te Haarlem is
het verzoek van de man afgewezen. Van deze beschikking is de man bij dit
hof in hoger beroep gekomen, waarna het hof zijn tussenbeschikking van 1
juni 1995 heeft gegeven.

2.4. Bij zijn appelrekest verzoekt de man primair de ambtenaar van de
burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam te gelasten een akte op te
maken van de erkenning door hem van R en het register van de burgerlijke
stand van de gemeente Amsterdam aan te vullen met deze op te maken akte
houdende erkenning, en de erkenning door S ongeldig te verklaren en de
ambtenaar te gelasten deze erkenning door te halen met vermelding van
ongeldigverklaring en subsidiair de vrouw op te dragen medewerking te
verlenen aan het laten verrichten van een DNA-onderzoek teneinde het
vaderschap van de man vast te stellen.

2.5. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft in zijn notitie van 19
juni 1995 er op gewezen dat, gelet op de per 1 januari 1995 van kracht
geworden Wet van 14 oktober 1993, Stb. 555, het primair verzochte aldus
moet worden gelezen: “met toepassing van artikel 1:24 BW de ambtenaar van
de burgerlijke stand te Amsterdam te gelasten aan de geboorteakte van R,
geboren op 25 oktober 1991 te Amsterdam, een latere vermelding toe te
voegen betreffende de doorhaling van de kantmelding inzake de erkenning
van het kind door S, en tevens aan de geboorteakte van genoemd kind een
latere vermelding toe te voegen betreffende de erkenning van het kind door
I, geboren op 1 mei 1973 te Jigjia (Etiopie) en aan de ambtenaar van de
burgerlijke stand te Haarlemmermeer te gelasten aan de akte inzake de
erkenning van genoemd kind door S, een latere vermelding toe te voegen
betreffende de doorhaling van deze akte.”

2.6. De vrouw verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen.

2.7. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is alleenstaand.

Hij stelt dat hij de biologische vader van R is en dat hij van juni 1992
tot februari 1994 regelmatig contact heeft gehad met R en de vrouw. Die
contacten waren zodanig intensief dat hij van mening is dat hij toen
betrokken was bij de verzorging en opvoeding van R.

2.8. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij vormt samen met R een eenoudergezin. Haar vriend de heer S heeft een
eigen woning en komt iedere dag bij haar op bezoek. De vrouw en S zijn
voornemens om met elkaar te trouwen. De relatie tussen R, de vrouw en S
is goed.

Zij stelt dat de man niet de biologische vader van R is en dat zij op een
feestje zwanger is geraakt van een andere man. Wie de biologische vader
van R is stelt zij niet te weten. Haar relatie met de man was toen al
slecht. Zij weigert haar medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek,
om te kunnen vaststellen of de man de biologische vader van R is.

Zij is, naar zij stelt, na het beeindigen van hun relatie door de man
diverse keren bedreigd en geslagen, omdat de man, aldus de vrouw, niet kon
accepteren dat zij hun relatie had verbroken. Met de man, die haar zo
vijandig heeft bejegend, wenst zij niets meer te maken willen hebben. Zij
ziet geen enkel vooruitzicht dat hun relatie ooit zou kunnen verbeteren.
De uit de erkenning door de man voortvloeiende rechtsgevolgen beschouwt
zij in haar gezinssituatie als een ongewenste inbreuk op haar gezins- en
priveleven.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de man de biologische vader
van R is en dat er tussen hem en R een relatie zou bestaan die is aan te
merken als “Vie Familiale/family life” in de zin van het bepaalde in
artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de
Mens en de Fundamentele Vrijheden, staat aan het ontstaan van
familierechtelijke betrekkingen de weigering van de vrouw om toestemming
tot erkenning te geven in de weg. De vraag die dan beantwoord dient te
worden is of de weigering van de vrouw slechts kan worden opgevat als
misbruik van haar in artikel 1: 224, lid 1, aanhef en onder d, BW
verleende bevoegdheid toestemming tot erkenning te weigeren. Het gaat er
daarbij om of de moeder in feite geen enkel te respecteren belang bij haar
weigering heeft.

3.2. Op grond van de feiten en omstandigheden die hiervoor zijn vermeld
en van hetgeen hiervoor is overwogen, en in aanmerking genomen dat de
vrouw en R recht hebben op bescherming van hun gezins- en priveleven, kan
niet geoordeeld worden dat de vrouw bij haar weigering tot het geven van
haar in artikel 1:224, lid 1, aanhef en onder d, B.W. bedoelde
toestemming, geen enkel te respecteren belang heeft. Dit geldt ook indien
juist zou zijn het betoog van de man, dat de rechter kan bepalen dat R
ondanks de erkenning door de man de naam van de moeder kan behouden; de
bezwaren van de moeder hebben immers ook betrekking op andere
omstandigheden. Het voorgaande brengt mee dat beide verzoeken van de man
dienen te worden afgewezen.

3.3. Dit leidt tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

Het hof:

wijst de verzoeken van de man in hoger beroep af.

Rechters

mrs Willems-Morsink, Streefkerk en De Ruiter