Instantie: Kantonrechter Brielle, 12 september 1995

Instantie

Kantonrechter Brielle

Samenvatting


Werknemer is ongeveer achtentwintig jaar bij werkgeefster in dienst. Sinds
1986 is hij hoofd van de afdeling proefdieren. In februari 1995 hebben twee
werknemers (broers) van deze afdeling zich beklaagd over seksuele intimidatie
door de werknemer. Werknemer ontkent de beschuldigingen. De werkgeefster
heeft de werknemer op non-actief gesteld en heeft een onderzoeksbureau een
uitgebreid onderzoek laten verrichten. Naar aanleiding van de uitkomsten van
het onderzoek heeft werkgeefster ontbinding wegens een dringende reden
verzocht.
De kantonrechter oordeelt dat niet is komen vast te staan dat werknemer zich
daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie. De aanklacht
berust enkel op de verklaringen van beide broers. Als de intimidatie al zou
hebben plaatsgevonden, dan is het niet geloofwaardig dat beide broers niet in
staat waren geweest daar een einde aan te maken. De aanpak van werkgeefster
heeft tot escalatie van de problemen geleid. Het door middel van een snelle
gespreksronde trachten te herstellen van de problemen was een betere aanpak
geweest. Werknemer valt te verwijten dat hij, als hoofd van de afdeling, zich
niet afzijdig heeft gehouden van het mogelijk door de broers gewenste
contact. Gezien de verstoorde verstandhoudingen is ontbinding
gerechtvaardigd. Daarbij komt werknemer een vergoeding toe van ƒ 180 000,
globaal een maandsalaris per dienstjaar.

Volledige tekst

Het verloop van het proces:
Op 19 juni 1995 is ter griffie een verzoekschrift met bijlagen ingekomen,
strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op grond
van primair een dringende reden en subsidiair een gewichtige reden, gelegen
in een verandering van omstandigheden.
Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift met producties ingediend,
strekkende tot afwijzing van het verzoek, dan wel toekenning van een
vergoeding groot ƒ 373 811,20 wegens inkomensschade en ƒ 100 000 netto wegens
pensioenschade benevens een bedrag ten titel van immateriële schade groot ƒ
25 000 en vergoeding in de kosten van rechtsbijstand begroot op ƒ 12 500.
De zaak is aanvankelijk mondeling behandeld op 5 juli 1995 waarna zij in
overleg met partijen is aangehouden voor een schikkingspoging. Nadat deze
niet was geslaagd is de mondelinge behandeling voortgezet op 15 augustus
1995.
Beide partijen hebben bewijsstukken overgelegd.
De uitspraak van de beschikking is bepaald op heden.
De beoordeling van het verzoek
Van het volgende kan hier worden uitgegaan:
X is op 17-jarige leeftijd (immers in 1967 en hij is nu 44) bij Unilever in
dienst getreden. Sinds 1973 is hij werkzaam op de afdeling proefdieren en
vanaf 1986 is hij hoofd van die afdeling (eerst als ARU-medewerker en sinds 1
januari 1988 als assistent manager). Zijn salaris bedraagt ƒ 6675,20 bruto
per maand.
Van de medewerkers op de afdeling proefdieren kan een groot deel evenals X
terugzien op een (zeer) lang dienstverband met Unilever.
Onder die medewerkers is een tweeling van (thans) 52 jaar, de gebroeders Y en
Z, die respectievelijk sedert 1963 en 1965 bij Unilever in dienst en werkzaam
zijn op de afdeling Dierproeven en wier gedrag door collega’s blijkens de
stukken wordt geduid als `macho-gedoe’, `heersend’,’nadrukkelijk aanwezig’.
Zij schuwden het lichamelijk contact met collega’s niet en beleefden
kennelijk plezier in op het oog onschuldige stoeipartijen met onder anderen
X.
Op 25 februari 1995 is er op de afdeling proefdieren tijdens een
werkbespreking een conflict geweest tussen de heren Y en X omtrent een
opdracht die eerstgenoemden naar de mening van X niet goed hadden vervuld.
Toen X daarover in navolging van een van de andere medewerkers een opmerking
maakte zijn beiden boos weg gelopen. Vervolgens hebben zij zich allebei
tegenover een superieur beklaagd aldus dat deze zich sedert een reeks van
jaren jegens ieder van hen had schuldig gemaakt aan een groot aantal
feitelijke gedragingen die samengevat kunnen worden onder de noemer seksuele
intimidatie. Zij hadden daarover niet eerder gesproken uit vrees voor hun
positie en uit schaamte, zo verklaarden zij desgevraagd.
X, die heeft toegegeven in 1984 met een van de betrokkenen een kortstondig
avontuurtje te hebben gehad (‘aftrekken’ tot een zaadlozing volgde), heeft
overigens de beschuldigingen ontkend. Unilever heeft in de klachten van de
broers Y en Z aanleiding gevonden X in afwachting van nader onderzoek op 22
maart 1995 op non actief te stellen en het onderzoeksbureau Bezemer & Kuiper
(‘Advies en training bij beleid tegen seksuele intimidatie op het werk’) te
belasten met het onderzoek naar de feiten.
Dat onderzoek heeft geresulteerd in de volgende conclusies (rapport blz. 15):
1. Vaststaat dat de heer X in het midden latend wanneer en hoe vaak, Y
tenminste eenmaal heeft afgetrokken. Hoewel de heer Y ontkent ooit zelf
meegedaan te hebben met de heer Y, acht de Commissie het niet onaannemelijk
dat dat wel gebeurd is.
2. Vast staat dat de heer X, na 1984 dan wel 1987, is doorgegaan met stoeien
met de beide gebroeders Y en Z. Het komt de Commissie voor dat de heer X na
het gebeuren in 1984 of 1987 had moeten stoppen met zijn (stoei)gedrag. Door
dat niet te doen, heeft hij op zijn minst de schijn tegen zich en heeft hij
in ieder geval bij de heer Y een gevoel van onzekerheid en angst gegeven
omtrent zijn (ware) bedoelingen. Van de heer X had als leidinggevende mogen
worden verwacht dat hij een juist besef zou hebben van wat hij zich als
leidinggevende tegenover het onder hem gestelde personeel kan permitteren.
Dat blijkt niet het geval te zijn.
3. Het is niet onaannemelijk dat de heer X ook ten aanzien van de heer Z zich
schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie door eenmaal zijn broek naar
beneden te trekken na diens liesbreuk. In ieder geval acht de Commissie zijn
gedrag ten opzichte van de heer Z in verband met diens kinderloosheid zeer
ongepast.
4. Er is sprake van onherstelbare schade in de werkverhoudingen tussen de
gebroeders Y en Z en de heer X.
5. De omgangsvormen en cultuur op de afdeling dierverzorging behoeft nadere
bezinning. Dat geldt zeker ook voor de houding en het gedrag van de
gebroeders Y en Z.
Met name op grond van dit rapport heeft Unilever de stelling betrokken
(primair) dat het dienstverband met X op grond van een dringende reden
behoort te worden ontbonden omdat de gebleken feiten `zowel afzonderlijk als
in samenhang bezien’, mede gelet op zijn leidinggevende positie als een
dringende reden moeten worden aangemerkt, en (subsidiair) dat het
dienstverband op grond van een uit een verandering in de omstandigheden
bestaande gewichtige reden voor ontbinding in aanmerking komt omdat de
werkrelatie onherstelbaar is verstoord zodat X niet langer op de afdeling
proefdieren kan worden gehandhaafd.
X kan geen andere functie binnen de Unilever-bedrijven worden aangeboden
omdat zijn kennis zo specifiek is dat voor hem geen vervangende baan
beschikbaar is. Inmiddels is wel gebleken dat hij de komende twee jaar bij de
universiteit van Utrecht kan komen werken, zij het dat hij daar ƒ 2.100per
maand minder gaat verdienen en dat zijn arbeidsplaats daarna niet is
gegarandeerd. Tot zover Unilever.
Het verweer van X komt er – voor zover thans van belang en kort samengevat –
op neer, dat `intimidatie’ iets heel anders is dan hier heeft plaatsgevonden,
dat de conclusies van de onderzoekscommissie geen feiten bevatten die
afzonderlijk bezien of in onderling verband bezien een dringende reden voor
ontslag zouden hebben opgeleverd, dat gebroeders Y en Z naar hun aard geen
figuren waren om zich te laten intimideren, dat de overige werknemers
blijkens het rapport van de onderzoekscommissie in hoge mate verbaasd waren
geweest toen zij van de beschuldigingen hoorden. Hij heeft voorts bezwaar
tegen de procedure die Unilever ten aanzien van de klacht van de gebroeders Y
en Z heeft gevolgd en ontkent dat de hem verweten gedragingen hebben
plaatsgevonden, behalve dat hij in 1984 een kortstondig seksueel avontuurtje
met één van de gebroeders Y en Z heeft gehad. Hij meent ten slotte dat de
arbeidsverhouding niet zodanig is verstoord dat verdere samenwerking niet
meer mogelijk is en voert aan dat hij gelet op zijn leeftijd, zelfs wanneer
hij de waarschijnlijk tijdelijke baan in Utrecht aanvaardt, zeer zal worden
benadeeld als zijn dienstverband wordt beëindigd.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
Uit het onderzoeksrapport van Bezemer & Kuiper komt naar voren dat op de
afdeling proefdierverzorging sinds jaar en dag een zeer amicale sfeer bestond
en dat het niet ongebruikelijk was dat de gebroeders Y en Z met X of met
andere medewerkers van de afdeling `rollebollend’ over de vloer gingen. Geen
van de andere medewerkers hebben tegenover de onderzoekster gewag gemaakt van
erotische of seksuele elementen in dat gestoei, integendeel blijkt uit hun
verklaringen dat sommigen er zich wel aan ergerden, maar dat zij het allemaal
vrij onschuldig hebben gevonden. Het lag in de aard van met name de
gebroeders Y en Z: zeer nadrukkelijk aanwezig en zeer joviaal. Van de overige
medewerkers heeft vrijwel iedereen blijk gegeven van grote verbazing omtrent
de beweringen van de gebroeders Y en Z. Eén van hen heeft daaraan toegevoegd
dat hij een goede persoonlijke band met hen had en dat zij hem altijd alles
vertelden maar dat zij tegenover hem nooit over het nu aan X verweten gedrag
hebben gerept.
X heeft nadrukkelijk de hem verweten seksuele handelingen (behalve het
`avontuurtje’ met één van de gebroeders Y en Z – volgens hem met wederzijds
goedvinden) ontkend en er is overigens geen ander bewijs voor dan de
afzonderlijke verklaringen van de gebroeders Y en Z die echter slechts ieder
voor zich hebben verklaard omtrent hoe X zich tegen hen persoonlijk zou
hebben gedragen.
De vraag is daarom gerechtvaardigd of hun klachten tegen X wel gegrond zijn
en een dringende reden zouden hebben opgeleverd, alsmede of de aanpak van die
klachten door Unilever (met name: op non-actiefstelling gevolgd door een
zwaar en langdurig onderzoek door een extern bureau – het onderzoeksrapport
telt 15 bladzijden benevens een veelvoud aan vellen met verslagen van
gesprekken met de medewerkers van de afdeling -, waarvan de uitkomsten gelet
op de hierboven geciteerde conclusies, nogal mager zijn) niet anders had
gekund bijvoorbeeld met een snelle gespreksronde gericht op herstel van de
betrekkingen. He tweede deel van deze vraag beantwoordt de kantonrechter op
nog nader te noemen gronden bevestigend. Omtrent het eerste deel van deze
vraag overweegt de kantonrechter dat het erotische avontuurtje, waarvan niet
is komen vast te staan dat het tegen de wil van Y is gebeurd en zelfs niet
dat het gebeurde toen Y ondergeschikt was aan X, hoe dan ook al zo lang
geleden is dat dat nu niet meer als dringende reden kan worden aangemerkt.
De overige bezwaren (voor zover die onder de noemer seksuele intimidatie
kunnen worden geschaard) zijn onvoldoende aannemelijk geworden. Dat betekent
dat een dringende reden niet als grondslag voor een eventuele ontbinding van
de arbeidsovereenkomst kan worden gehanteerd.
Blijft de vraag of er overigens sprake is van een verandering in de
omstandigheden die tot ontbinding moeten leiden. Die vraag moet bevestigend
worden beantwoord omdat niet valt in te zien hoe de gebroeders Y en Z en X
nog met elkaar zouden kunnen samenwerken na wat zij tegenover de
onderzoekscommissie over X hebben verklaard. Dat betekent dat het
dienstverband moet worden ontbonden.
Vervolgens moet worden onderzocht of er aanleiding is om X een vergoeding toe
te kennen zoals door hem is gevraagd. Daaromtrent het volgende.
Enerzijds is niet geloofwaardig dat de gebroeders zich zozeer geïntimideerd
hebben gevoeld dat zij niet is staat waren aan het volgens hen ongewenste
gedrag van X paal en perk te stellen. Onvoldoende is immers aannemelijk
geworden dat er tussen X enerzijds en de gebroeders Y en Z anderzijds, zulke
ongelijke machtsverhoudingen bestonden dat zij realiter van X iets te vrezen
hadden indien zij zijn gedrag aan de kaak hadden gesteld. Zijdens Unilever is
in dat verband aangevoerd dat de verhoudingen bij Unilever destijds nu
eenmaal zo lagen dat je tegen een superieur niet optrad. Dat moge tot op
zekere hoogte waar zijn, niet aannemelijk is dat dat ook gold in een geval
als dit waar het een niet geringe aantijging betreft en waar de
desbetreffende ondergeschikten even lang of langer in dienst zijn als de
meerdere en bovendien ouder zijn dan die meerdere en niet bekend staan als
kwetsbare figuren. Dat geldt temeer waar alle betrokkenen op (zeer) jonge
leeftijd in dienst zijn gekomen en als het ware samen in het bedrijf zijn
(op)gegroeid.
Unilever had zich zulks moeten realiseren en moeten onderzoeken of het niet
mogelijk was middels bijvoorbeeld, zoals eerder gezegd, een snelle
gespreksronde te trachten de verhoudingen te herstellen onder het maken van
duidelijke afspraken voor de toekomst. De kantonrechter houdt het er daarom
voor dat de problemen – door de aanpak die Unilever heeft gekozen – nodeloos
zijn geëscaleerd, zodanig dat de verhoudingen nu te ernstig zijn verstoord om
vruchtbare verdere samenwerking mogelijk te achten. Dat een en ander valt
Unilever aan te rekenen.
Anderzijds moet X worden aangerekend dat hij – zeker toen hij eenmaal was
benoemd tot assistent manager – zich niet afzijdig heeft gehouden van het
mogelijk door de gebroeders Y en Z zelf gewenste lichamelijke contact.
Het bovenstaande leidt tot de slotsom, dat X niet helemaal vrijuit gaat maar
dat ook niet is gebleken dat hem in overwegende mate van de verstoorde
verhouding een verwijt valt te maken en dat de ontbinding gepaard hoort te
gaan met toekenning van een vergoeding, maar niet terzake van smartegeld en
ook niet zo hoog als X graag had gezien.
Rekening houdend met het aantal dienstjaren van X, zijn leeftijd, de hoogte
van zijn huidige salaris, alsmede met de bepaald niet denkbeeldige kans dat X
– ook als hij de in Utrecht beschikbare functie aanvaardt – na twee jaar geen
werk meer zal hebben, zal de kantonrechter hem naar billijkheid een
vergoeding toekennen van ƒ 180 000 bruto, te weten globaal één maandsalaris
per dienstjaar zonder verhogingen.
Aan Unilever behoort volgens de wet een termijn te worden gegund binnen welke
het verzoek kan worden ingetrokken.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
Beslissing
De Kantonrechter:
Stelt Unilever tot uiterlijk 25 september 1995 in de gelegenheid haar verzoek
in te trekken;
en voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken;
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober
1995;
kent aan X ten laste van Unilever toe een vergoeding groot ƒ 180 000
éénhonderdtachtigduizend gulden) bruto;
compenseert de proceskosten des dat ieder partij de hare drage.

Rechters

Mr. Veling

Instantie: Schadefonds geweldsmisdrijven, 11 september 1995

Instantie

Schadefonds geweldsmisdrijven

Samenvatting


Aanvraagster is in de periode van oktober 1985 tot november 1989 seksueel
misbruikt. Zij heeft op 16 september 1994 een verzoek tot schadevergoeding
ingediend. De commissie is van oordeel dat dit niet binnen de wettelijke
termijn van zes maanden is gebeurd en verklaart het verzoek niet
ontvankelijk.

Volledige tekst

1. Op 16 september 1994 heeft namens u mevrouw mr. H.T.M., advocaat te
APELDOORN, de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven verzocht een uitkering
uit het fonds aan u toe te kennen.
De door of namens u verstrekte inlichtingen zijn bevestigd en zo nodig
aangevuld door het onderzoek, namens de Commissie ingesteld.

2. Ingevolge artikel 7, lid 1 van de Wet [voorlopige regeling] schadefonds
geweldsmisdrijven, zoals van toepassing op verzoeken die betrekking hebben op
geweldsmisdrijven, gepleegd vóór 1 januari 1994, diende een verzoek om een
uitkering bij het fonds te worden ingediend binnen zes maanden na de dag
waarop het misdrijf is gepleegd.
Een na afloop van de termijn ingediend verzoek is niettemin ontvankelijk
indien blijkt dat het zo spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden
verlangd.

3. Uit het onderzoek is het navolgende gebleken.
U grondt uw verzoek om een uitkering op feiten die hebben plaatsgevonden in
de periode van oktober 1985 tot november 1989 te APELDOORN. Het namens u op
16 september 1994 ingediende verzoek is derhalve niet ingediend binnen ed
wettelijke termijn van zes maanden. U hebt zich ter zake in april 1994 gewend
tot mr. M. voornoemd. Aard en gevolgen van het jegens u in genoemde periode
gepleegde geweldsmisdrijf waren op dat tijdstip in voldoende mate bekend.
Voor de Commissie is niet, althans onvoldoende duidelijk geworden waarom het
verzoek toen niet aanstonds is ingediend.
Het verzoek voldoet daarmee evenmin aan de wettelijke bepaling dat het zo
spoedig is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Weliswaar stelt
uw gemachtigde dat u haar nadrukkelijk hebt verzocht pas op de plaats te
maken totdat u voldoende psychische kracht zou hebben om de diverse
procedures aan te kunnen maar dat had enerzijds een ‘pro-forma’ verzoek niet
in de weg gestaan en laat anderzijds onverlet de plicht van een advocaat een
cliënt te wijzen op mogelijke gevolgen van het wachten met indienen van het
verzoek.

4. Op grond van het bovenstaande verklaart de Commissie uw verzoek van 16
september 1994 niet-ontvankelijk.

5. Desgewenst is de Commissie bereid te bepalen welke uitkering aan u uit het
Schadefonds Geweldsmisdrijven zou zijn toegekend, indien uw verzoek tijdig
zou zijn ingediend.

Rechters

Mevrouw mr M.A.F. Tan-de Sonnaville (voorzitter), drs. G. Van Essen, mr. J.H.Gombert, mr. D. Jalink en mevrouw dr. J. Smit

Instantie: Hof Leeuwarden, 6 september 1995

Instantie

Hof Leeuwarden

Samenvatting


De vrouw behoort tot de groep vrouwen voor wie de termijn voor het doen van
aangifte van incest is verlopen wegens verjaring. De vrouw heeft een
`smaadactie’ ondernomen om haar zaak alsnog voor de strafrechter te brengen.
Nadat de dader een klacht wegens smaad had ingediend is de vrouw vervolgd en
door de rechter vervolgens ontslagen van rechtsvervolging. Vervolgens stelt
zij een civiele actie tot schadevergoeding in.
De vrouw wordt in hoger beroep niet ontvankelijk verklaard. De hoger
beroepdagvaarding was niet aan de juiste persoon betekend. De nieuwe
advocaat, mr. van der Winden, ging hiervan in cassatie.

Volledige tekst

Het geding in eerste instantie.
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen
uitgesproken op 20 oktober 1992 en 13 juli 1993 door de
arrondissementsrechtbank te Assen.
Het geding in hoger beroep.
Bij exploit van 23 september 1993 is door V hoger beroep ingesteld van het
vonnis van 13 juli 1993 met dagvaarding van A tegen de zitting van 6 oktober
1993.
Bij exploit van 3 januari 1994 heeft V – onder betekening van voormeld
exploit van 23 september 1993 en onder aanzegging dat het hof de door V in
laatstgenoemd exploit gebezigde domiciliekeuze niet aanvaardt – A doen
dagvaarden tegen de zitting van 12 januari 1994.
V heeft een memorie van grieven genomen, waarvan de conclusie luidt:
`bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de eerste enkelvoudige
kamer van de Arrondissementsrechtbank te Assen d.d. 13 juli 1993 onder
rolnummer 843-1191 te vernietigen en alsnog recht doende geïntimeerde te
veroordelen tot betaling aan appellante van een bedrag van ƒ 70 000 wegens
geleden immateriële schade en een bedrag nader op te maken bij staat wegens
geleden materiële schade, te verhogen met de wettelijke rente over dit bedrag
vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag der algehele
voldoening, alsmede geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide
instanties, waaronder begrepen het door appellante verschuldigde griffierecht
en de door haar verschuldigde eigen bijdrage voor rechtshulp en tevens het
salaris van de procureur.’
Vervolgens heeft A – blijkens daarvan opgemaakte akte van depot d.d. 21 maart
1995 – een boek gedeponeerd ter griffie.
Bij memorie van antwoord heeft A – onder overlegging van producties – verweer
gevoerd met als conclusie:
`de appeldagvaarding nietig te verklaren c.q. het appel en/of appellante niet
ontvankelijk te verklaren en het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te
Assen van 13 juli 1993 onder rolnr. 843/1991 zo nodig met verbetering van
gronden te bevestigen en appellante in de kosten van het appel te
veroordelen.’
V heeft nog een akte uitlating producties, tevens uitlating depot genomen.
Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
Door V zijn drie grieven opgeworpen.
De beoordeling
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep:
1. A stelt zich op het standpunt, dat V niet-ontvankelijk dient te worden
verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep tegen voormeld vonnis d.d.
13 juli 1993, omdat – aldus A – hij pas op 3 januari 1994 op de hoogte is
gebracht van dat door V ingestelde appel.
2. Het binnen de appeltermijn van drie maanden uitgebrachte exploit d.d. 23
september 1993, waarbij door V hoger beroep is ingesteld van voormeld vonnis
d.d. 13 juli 1993 en waarbij A is gedagvaard tegen de zitting van 6 oktober
1993, is betekend aan het kantoor van de advocaat en procureur mr. drs. R.
Arends te Surhuisterveen.
Niet blijkt, dat A – voor wat betreft het uitbrengen van voormeld exploit –
bij mrs. drs. Arends woonplaats heeft gekozen op de voet van art 1:15 BW.
3. Naar het hof ambtshalve bekend is, beschikte de rolrechter ten tijde van
het bepalen van een nieuwe rechtsdag niet over het beroepen vonnis, zodat hij
niet kon vaststellen of de appeldagvaarding op juiste wijze was betekend.
De rolrechter heeft de zaak vervolgens meermalen aangehouden om V in de
gelegenheid te stellen duidelijkheid te verschaffen over de domiciliekeuze
van A dan wel om V de gelegenheid te geven zo nodig een eventueel gebrek in
de betekening van de appeldagvaarding te herstellen.
4. Zonder dat – naar blijkt uit de brief d.d. 17 januari 1994 van de
rolrechter aan V, waarin de eerste verzoekt hem helderheid te verschaffen
omtrent de in de appeldagvaarding van 23 september 1993 vermelde
domiciliekeuze van A – de rolrechter terzake helderheid was verschaft, is op
3 januari 1994 een herstelexploit uitgebracht aan A in persoon, waarbij A is
gedagvaard tegen de zitting van 12 januari 1994 van het hof. Op 16 februari
1994 is ter rolle verstek verleend tegen A, welk verstek op 21 september 1994
is gezuiverd.
5. Uit de stukken van het geding in eerste instantie is het hof gebleken, dat
voor A in eerste aanleg als procureur is opgetreden mr. J. Dekens, advocaat
en procureur te Odoorn. Gelet op het bepaalde in art. 137 lid 3 Rv moet A
geacht worden in eerste aanleg zijn woonplaats te hebben gekozen bij die
procureur.
Nu mr. drs. Arends niet is aan te merken als de procureur, bij wie A in
eerste aanleg woonplaats heeft gekozen, leed de betekening van het exploit
d.d. 23 september 1993 aan een gebrek dat nietigheid meebracht.
6. De betekening van het herstelexploit van 3 januari 1994, dat ertoe strekt
een nietige appeldagvaarding alsnog op de juiste wijze te betekenen, moet
worden aangemerkt als een aanvaardbaar middel tot herstel van vorenbedoeld,
door V begaan verzuim, indien A onvoldoende belang heeft om zich tegen deze
wijze van herstel te verzetten. Dit volgt uit de eisen van een goede
rechtspleging, zoals deze ook in art. 94 Rv tot uitdrukking zijn gebracht.
7. Met het oog op de gerechtvaardigde belangen van A als geïntimeerde, van
wie niet gevergd kan worden dat hij zonder enige beperking behoort mee te
werken aan het herstel van een tot nietigheid leidend verzuim van V, en tegen
de achtergrond van de noodzaak om de onzekerheid of al dan niet hoger beroep
is ingesteld, en of wanneer tot herstel wordt overgegaan zo beperkt mogelijk
te houden, moet als regel worden aangenomen dat het onderhavige gebrek in de
appeldagvaarding van dien aard is, dat A geen rechtens te respecteren belang
heeft zich tegen herstel te verzetten en niet in zijn processuele belangen is
geschaad als herstel met bekwame spoed heeft plaatsgevonden.
8. Met `bekwame spoed’ herstellen betekent, ook in een geval als het
onderhavige, behoudens bijzondere omstandigheden, binnen veertien dagen na de
oorspronkelijke rechtsdag. Daaraan staat niet in de weg, dat het herstel
plaatsvindt na afloop van de appeltermijn.
9. Het herstelexploit van 3 januari 1994 is bijna drie maanden na de
oorspronkelijke rechtsdag uitgebracht. Bijzondere omstandigheden, die een
afwijking zouden kunnen rechtvaardigen van het beginsel dat de nieuwe
oproeping binnen veertien dagen na de oorspronkelijke rechtsdag wordt
uitgebracht, zijn niet gesteld of gebleken.
10. Gelet op het in rechtsoverweging 3 en 4 overwogene betekent de
omstandigheid, dat de rolrechter de nieuwe rechtsdag enige malen nader heeft
bepaald, niet dat de rolrechter op enige wijze toestemming zou hebben gegeven
het herstelexploit met veronachtzaming van de in beginsel geldende termijn
van veertien dagen te doen plaatsvinden.
11. Zelfs indien in het onderhavige geval niet tot uitgangspunt moet worden
genomen, dat herstel dient plaats te vinden binnen een termijn van veertien
dagen, is de thans gehanteerde termijn van bijna drie maanden, zonder dat V
daarvoor enige verklaring heeft gegeven, reeds zodanig lang, dat niet gezegd
kan worden dat herstel met bekwame spoed heeft plaatsgevonden.
12. Uit het voorgaande volgt dat V niet kan worden ontvangen in het door haar
ingestelde hoger beroep.
Slotsom
13. V dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar hoger beroep tegen
het vonnis van 13 juli 1993 van de arrondissementsrechtbank te Assen.
14. V zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de
kosten van het geding in hoger beroep.
De beslissing
Het gerechtshof:
verklaart V niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 13
juli 1993 van de arrondissementsrechtbank te Assen.
veroordeelt V in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die tot
op heden aan de zijde van A gevallen op ƒ 1325 aan verschotten en ƒ 2500 aan
salaris voor de procureur.

Rechters

Mrs. Vellinga (vz), Bloem, Wachter

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 5 september 1995

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Vrouw verzoekt haar 32-urige werkweek om te zetten naar een 24- urige
werkweek. Een 24-urige werkweek gecombineerd met de zorg voor haar twee
kinderen is voor haar haalbaar. Een werkweek van 32 uur zou een te zware
belasting betekenen. De werkgever weigert wegens zwaarwegende
bedrijfsbelangen. Door de kantonrechter wordt een deskundige benoemd die
moet onderzoeken of het werken in deeltijd nadelig is voor de kwaliteit
en/of kwantiteit van de dienstverlening. Na dit tussenvonnis is echter
overeenstemming bereikt met de werkgever; de vrouw mag 24 uur werken, zij
het tijdelijk en op een andere werkplek, in een andere functie.

Volledige tekst

1. De verdere procedure:

De in het tussenvonnis van 18 april 1995 bepaalde comparitie van partijen
is gehouden op 10 mei 1995 in tegenwoordigheid van partijen, verder te
noemen, V en Bavo, en hun gemachtigden. Van het verhandelde ter zitting
heeft de griffier aantekening gehouden. Nadien hebben partijen beide hun
stellingen bij akte nader toegelicht, bij welke gelegenheid V nog enkele
producties heeft overgelegd. De kantonrechter heeft vonnis bepaald op
heden.

2. De verdere beoordeling van het geschil

2.1 De kantonrechter volhardt bij hetgeen is overwogen in het hiervoor
genoemde tussenvonnis, waarvan de inhoud als hier volledig ingelast en
herhaald moet worden beschouwd.

2.2 Zoals in rechtsoverweging 3.4 van het hiervoor genoemde tussenvonnis
is overwogen moet thans worden beoordeeld of Bavo in het licht van het
Statuut Sociaal Beleid, waarvan de relevante passage is weergegeven in
rechtsoverweging 1g van het hiervoor genoemde tussenvonnis op grond van
zwaarwegende bedrijfsbelangen aan haar zijde tegenover de belangen van V
in redelijkheid het verzoek van V om de arbeidsduur te verminderen van 32
naar 24 uur per week heeft kunnen afwijzen.

2.3 V heeft haar stellingen in het licht van hetgeen hiervoor is
overwogen, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als volgt
aangevuld.

Haar eigen belang bij haar verzoek om arbeidsduurverkorting tot 24 uur per
week omschrijft V als volgt. Zij meent dat de combinatie van 24 uur werken
en het verzorgen van haar huishouden/het opvoeden van haar kinderen – zij
heeft er thans twee – voor haar persoonlijk precies in evenwicht is. In
die verhouding is zij in staat optimaal aandacht te geven aan haar werk
en aan haar verzorgingstaken. Een dienstverband van 32 uur acht zij in
combinatie met de zorgtaken een te zware belasting voor zichzelf. Daarbij
moet volgens V worden bedacht dat het uitbesteden van kinderopvang in de
vorm van oppassen, slechts een deel van de verzorgings- en opvoedingstaak
van haar afneemt.

De structurele taken blijven voor haar eigen rekening. Aan V is gebleken
dat zij door 24 uur te werken maximaal presteert en functioneert. Er is
dan sprake van harmonie, werkvoldoening en evenwicht, waarvan een ieder
in haar omgeving, zowel haar werk als haar kinderen, voordeel ondervindt.
Daarnaast vreest V dat zij met een arbeidsduur van 32 uur per week
overbelast zou kunnen raken en arbeidsongeschikt zou kunnen worden.
Overigens stelt V dat zij bereid is om, wanneer zij 24 uur per week zou
mogen werken, scholingsactiviteiten in verband met het werk buiten deze
24 uur te volgen.

V stelt dat het minder dan 32 uur per week werken anders dan Bavo meent
niet schadelijk is voor de dienstverlening. Voor de kwaliteit van die
dienstverlening is de kwaliteit van de geboden zorg, de inzet,
deskundigheid en betrokkenheid van de verpleegkundige van veel groter
belang dan de frequentie van de aanwezigheid van de verpleegkundige. De
relatie met de patienten, waarvan V ook stelt dat deze belangrijk is, kan
bij 24 uur per week werken net zo intensief en opbouwend zijn als bij een
werkweek van 32 uur. Ook op het punt van de informatie-overdracht ziet
V geen nadelen. Deze informatie-overdracht geschiedt veelal schriftelijk
door middel van de statussen. Werkoverleg wordt lang niet altijd door alle
medewerkers bijgewoond, maar alleen als zij toevallig op dat moment dienst
hebben en ook dan alleen voorzover het werk het toelaat. Dat de
verpleegkundige een trait d’union vormt tussen de patient en de overige
behandelaars, als uitgangspunt van het behandelplan en verzorgingsbeleid
van Bavo onderschrijft V.

Zij meent dat het niet per se noodzakelijk is dat de verpleegkundige 32
uur per week werkt om aan dat uitgangspunt recht te kunnen doen. De
minimum arbeidsduur van 32 uur per week is weliswaar beleid van Bavo, maar
dit beleid is toevallig zo gegroeid. V meent dat het goed mogelijk is dat
er afspraken worden gemaakt zodat ook de verpleegkundige die 24 uur werkt
met haar arbeid kan bijdragen aan de hiervoor genoemde uitgangspunten en
zelfs een meerwaarde kan hebben. V stelt dat in de periode waarin zij tot
nu toe 24 uur per week werkte zich bepaald geen problemen op het werk,
noch met de patienten hebben voorgedaan. Het strikt vasthouden door Bavo
aan de ondergrens van 32 uur is volgens V in strijd met de hiervoor
genoemde relevante passage uit het sociaal statuut over deeltijdwerken.

2.4 Bavo heeft haar stellingen, voorzover van belang en zakelijk
weergegeven, als volgt aangevuld.

Haar belang omschrijft Bavo nader als volgt.

Bavo heeft een bijzondere, “moderne” wijze van werken, die sterk
individueel gericht is. De kern van de behandeling vormt de centrale rol
van een ziekenverzorgende, zoals V, en een (B-) verpleegkundige, die
tezamen de eerste verantwoordelijkheid voor een patient dragen. Om die
reden heeft Bavo gekozen voor een aanpak waarbij de ziekenverzorgende en
de verpleegkundige zoveel als redelijkerwijs mogelijk voor de patient
beschikbaar zijn. Aldus is het individuele contact met de betrokken
patient het beste gewaarborgd. Een en ander is ook van belang bij het
opstellen en eenduidig naleven van het behandelplan, dat is gericht op de
individuele patient. Ook om die reden is eenheid in de omgang met de
betrokken patient van groot belang.

Bavo ziet uiteraard in dat het niet mogelijk is om werknemers gedurende
7 dagen per week en 24 uur per dag beschikbaar te laten zijn. In de
afweging tussen de belangen van de patienten en de werkenden heeft men,
nu er geen absolute norm valt te geven, gekozen voor een beleid met een
bodem van 32 uur per week. Gelet op het belang dat Bavo hecht aan het
aantal contacten van de ziekenverzorgende met de patient per week leidt
een verkorting van de arbeidsduur wel degelijk tot kwaliteitsaantasting,
ook al doet de ziekenverzorgende haar werk als zodanig niet minder goed.
Daarbij komt, zo stelt Bavo, dat bij een kortere werkweek relatief meer
tijd zal worden besteed aan overleg en ander indirect werk, zodat de tijd
die beschikbaar is voor de directe zorgverlening meer dan naar
evenredigheid van het aantal uren afneemt.

Bavo erkent dat een minder frequent contact ook positieve aspecten kan
hebben, bijvoorbeeld, zoals V stelt, in de vorm van nieuwe invalshoeken
met betrekking tot de ontwikkeling in de behandeling van een patient na
een paar dagen afwezigheid van de ziekenverzorgende, maar bij Bavo
prevaleert de frequentie van de contacten. Dat zich in het geval van V bij
een 24-urige werkweek geen problemen hebben voorgedaan is volgens Bavo
niet van belang. Het gaat om algemene patronen en dus om de vraag of
werken gedurende slechts 24 uur per week per saldo de kans vergroot dat
de therapie minder goed werkt.

Met betrekking tot de belangen van V stelt Bavo dat hetgeen V stelt niet
specifiek is. Er worden geen argumenten genoemd die V zouden kunnen
onderscheiden van collega’s die evenzeer arbeidsduurverkorting wensen. Wat
V drijft is haar subjectieve gevoel. Daartegenover staan ervaringen die
Bavo heeft met werknemers die werk gedurende 32 uur per week op redelijke
wijze combineren met zorgtaken. Er is bij die werknemers geen sprake van
overbelasting en vervolgens arbeidsongeschiktheid.

2.5 De kantonrechter overweeg dat het enkele feit dat Bavo heeft gekozen
voor een minimum arbeidsduur van 32 uur per week voor ziekenverzorgenden
niet meebrengt dat daarmee gegeven is dat Bavo het verzoek van V om
arbeidsduurverkorting tot 24 uur per week in redelijkheid heeft kunnen
afwijzen. Bavo komt, ook in het licht van het verzoek van V, wel enige
beleidsvrijheid toe bij de bepaling van de minimumarbeidsduur, maar die
vrijheid is niet absoluut. Dit is alleen al het geval nu Bavo aangeeft dat
ook de gekozen minimumarbeidsduur voor haar al een compromis is. Dat
brengt mee dat een verdere verkorting van de arbeidsduur de kwaliteit van
de door Bavo verleende zorg niet zonder meer zodanig aantast dat deze niet
meer acceptabel is. De inhoudelijke achtergrond van de keuze van Bavo zal
derhalve moeten worden beoordeeld, alvorens de belangen van partijen te
kunnen afwegen in het licht van de hiervoor genoemde relevante passage uit
het Statuut Sociaal Beleid.

2.6 De hiervoor weergegeven stellingen van partijen waarmee zij hun
wederzijdse belangen onderstrepen, danwel bagatelliseren zijn echter in
zo algemene en subjectieve termen gesteld dat de hiervoor bedoelde
beoordeling op basis daarvan niet verantwoord kan worden gedaan. Om deze
reden acht de kantonrechter het noodzakelijk dat hij deskundig wordt
voorgelicht over een en ander.

2.7 Naar het oordeel van de kantonrechter moeten de volgende vragen aan
de te benoemen deskundige worden voorgelegd en wel ter beantwoording in
het licht van de door Bavo gehanteerde behandelwijze: 1. Wat is het effect
van een werkweek van 24 uur voor V op de kwaliteit en kwantiteit van de
dienstverlening, (de beheersbaarheid van) de organisatie; 2. Is er in het
licht van vraag 1 een significant verschil tussen een werkweek van 32 uur
voor V met een werkweek van 24 uur; is het bij een werkweek van 24 uur te
bereiken kwaliteitsniveau niet meer acceptabel, als ervan uit wordt gegaan
dat dit bij een werkweek van 32 uur wel het geval is; wat is de relevantie
van de omstandigheid dat zich in de anderhalf jaar waarin V 24 uur per
week heeft gewerkt geen problemen hebben voorgedaan; 3. Wat is het
antwoord op de hiervoor genoemde twee vragen als voor alle
ziekenverzorgenden en verpleegkundigen bij Bavo een minimumarbeidsduur van
24 , danwel 32 uur per week geldt.

2.8 De kosten van te benoemen deskundige zullen voorlopig moeten worden
gedragen door Bavo waartoe Bavo het bedrag van ƒ 2.000,- ter griffie in
depot dient te storten.

2.9 De zaak zal worden aangehouden zoals hierna is bepaald teneinde
partijen in de gelegenheid te stellen zich (bij voorkeur eenduidig) uit
te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de voor te
leggen vraagstelling, zoals hiervoor in 2.7 is overwogen. Nu in deze zin
wordt beslist, wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

De beslissing:

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de openbare civiele terechtzitting van het
kantongerecht te Rotterdam van dinsdag 3 oktober 1995 teneinde partijen
in de gelegenheid te stellen zich uit te laten overeenkomstig hetgeen
hiervoor in 2.9 is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze zaak is gegarandeerd door het proefprocessenfonds Rechtenvrouw.

Rechters

mr. P.J. Wiegman

Instantie: Kantonrechter Utrecht, 4 september 1995

Instantie

Kantonrechter Utrecht

Samenvatting


Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens het
disfunctioneren van werkneemster. Werkneemster stelt dat zij zich heeft ziek
gemeld omdat haar directeur toenaderingspogingen zocht en zij dit niet meer
aankon. Zij zou getracht hebben een onderzoek te laten instellen, maar
degenen die zij benaderd had, achtten zich of onbevoegd om een onderzoek in
te stellen of reageerden afwijzend op haar verzoek. Doordat aldus een
onderzoek uitbleef, heeft werkgeefster volgens werkneemster in strijd
gehandeld met de Arbowet.
De kantonrechter acht het aannemelijk dat er enige seksuele intimidatie heeft
plaatsgevonden. Gebleken is immers dat werkneemster in ieder geval met het
hoofd personeelszaken en met de onderdirecteur hierover heeft gesproken.
Bovendien is de bewuste directeur niet ter zitting verschenen om de
beschuldigingen van werkneemster te weerleggen. Het door de werkgeefster
gestelde disfunctioneren van werkneemster is niet komen vast te staan. De
kantonrechter meent dat er reden is voor ontbinding, gelet op de verstoorde
arbeidsverhouding. Daarbij wordt door de kantonrechter een hogere vergoeding
voor werkneemster (bijna een half jaarsalaris terwijl ze slechts vijftien
maanden in dienst is geweest) billijk geacht omdat niet is uit te sluiten dat
het ontbindingsverzoek is ingediend nadat de gemachtigde van de werkneemster
de directie een brief had geschreven met het verzoek een onderzoek in te
stellen omdat zij door de directeur was lastiggevallen.

Volledige tekst

1. Motivering van de beslissing
1. Partijen worden hierna BSL en Y genoemd. Y is vanaf 1 juni 1994 bij BSL in
dienst als directiesecretaresse van de statutair directeur D. Zij is 33 jaar
oud. Uit de overgelegde produkties blijkt dat het salaris per 1 januari 1995
ƒ 4355 bruto per maand bedraagt. Vanaf 5 april 1995 is Y ziek.
2. BSL verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige
redenen, bestaande uit dringende redenen alsmede uit veranderingen in de
omstandigheden. BSL stelt dat Y niet goed functioneert en haar functie niet
aankan. Zo is zij gezakt voor een basisexamen voor de uitgeverijbranche en is
zij ziek geworden toen zij herexamen moest doen. Zij heeft last van
overspanningsklachten en meldt zich regelmatig ziek waaruit blijkt dat zij de
functie niet aankan. Zij notuleert en archiveert slecht en gaat niet goed om
met collega’s.
Herhaaldelijk is zij op haar slechte functioneren gewezen, maar zij beloofde
telkens verbetering.
Bovendien is onlangs gebleken dat zij, toen zij belast was met de aankoop van
kerstpakketten voor het gehele personeel, geprobeerd heeft haar theeservies
aan te vullen op kosten van BSL. Dit laatste levert een dringende reden op
voor ontslag. Bovendien zijn inmiddels de arbeidsverhoudingen ernstig
verstoord hetgeen aan Y zelf te wijten is. Zij heeft haar directeur D
beschuldigd van seksuele intimidatie van haar. BSL betwist dit uitdrukkelijk.
Zij legt enige correspondentie van de hand van Y en gericht aan haar baas D
over, waaruit volgens BS
blijkt dat Y allerhande privé-problemen met D wenste te delen en waaruit
geenszins blijkt dat er sprake is van seksuele intimidatie. BSL wijst erop dat
Y nooit een officieel verzoek heeft gedaan een onderzoek naar de seksuele
intimidatie in te stellen.
3. Y voert verweer. Zij is op 5 april ziek geworden omdat zij de
toenaderingspogingen van haar baas D niet meer aankon.
Nadat zij zich in verband hiermee tot een advocaat had gewend en deze een
brief had gestuurd aan de directeur van Wolters Kluwer BBI, waarvan BSL een
onderdeel is, heeft BSL zich gewend tot haar gemachtigde en uiteindelijk het
verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend.
Y heeft getracht een onderzoek te laten instellen, maar dit is niet gelukt
omdat de aangewezen vertrouwenspersoon, de bedrijfsarts S. Laanbroek een
dubbele functie had en de collega van laatstgenoemde bij de Arbodienst,
mevrouw Van E, zich onbevoegd achtte op te treden als vertrouwenspersoon
omdat zij formeel niet als zodanig was aangesteld. Volgens Y houdt BSL zich
niet aan de Arbowet omdat zij geen beleid voert om seksuele intimidatie op het
werk tegen te gaan en geen voorzieningen te treffen om die klachten te
reguleren en te behandelen. Y heeft zich met haar klachten gewend tot het
hoofd personeel en organisatie. Heeneman, de voorzitter van de
ondernemingsraad en tot H.R. Schlick. Op het verzoek om hulp is echter
afwijzend gereageerd.
Als bewijs van de seksuele intimidatie legt Y diverse correspondentie en
verklaringen over.
Voorts betwist Y niet te functioneren. Zij is gezakt voor het basisexamen
voor de uitgeverijbranche in verband met haar verhuizing. Zij betwist bij
herhaling te zijn gewezen op het niet functioneren en heeft eind 1994 nog een
salarisverhoging ontvangen. Het is juist dat zij de door BSL overgelegde
brieven aan D heeft geschreven. D wilde zelf de privé en zakelijke
aangelegenheden zoveel mogelijk vermengd zien, omdat zij 5 dagen per week 8
uur per dag op elkaars lip zaten. D gaf haar ook adviezen op privé-gebied.
Zij heeft diverse malen tegen D gezegd dat zij geen prijs stelde op zijn
toenaderingspogingen, maar deze werd dan boos en was beledigd dat zij de
eerste was die niet wilde.
De aankoop bij de Bijenkorf van het theeservies heeft Y samen met een collega
gedaan met toestemming van D. Deze had ook een paraaf gezet. De bedoeling was
dat dit terugbetaald werd aan BSL.
Y verzoekt primair het verzoek af te wijzen en subsidiair bij toewijzing van
het verzoek haar een vergoeding toe te kennen van een jaarsalaris omdat haar
geen enkel verwijt valt te maken en BSL bovendien heeft verzuimd als goed
werkgeefster te handelen waardoor niet is komen vast te staan of D zich
inderdaad schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie. Zij is van mening
dat niet zij maar eerder D het veld had moeten ruimen.
4. De kantonrechter acht op grond van hetgeen beide partijen uitvoerig hebben
aangevoerd en op grond van de overgelegde stukken aannemelijk dat er enige
seksuele intimidatie van de zijde van D ten opzichte van Y heeft plaats
gevonden. Voldoende is immers gebleken dat Y daarover met H, het hoofd
personeel en organisatie, in november 1994 en januari 1995 heeft gesproken,
hetgeen Heeneman ter zitting heeft verklaard, terwijl ook de onderdirecteur
Schlick een verklaring heeft getekend waarin staat dat Y bij het aanbieden
van een contract voor onbepaalde tijd in augustus 1994 er met hem over heeft
gesproken. Bovendien is D niet ter zitting verschenen als directeur van BS
om de beschuldigingen van Y te weerleggen ten overstaan van de kantonrechter.
De dringendheid van andere afspraken is van de zijde van BSL niet nader
gemotiveerd.
Uit de overgelegde brieven van Y blijkt wel dat zij een speciale relatie met
haar baas D had waarin zij ook privé-gevoelens uitte, maar daaruit blijkt
niet dat zij een seksuele relatie met hem had dan wel toenaderingen op dit
gebied aanwakkerde. De kantonrechter krijgt eerder de indruk dat zij wat
vaderlijke adviezen op privé-gebied nodig had.
Evenmin is gebleken dat Y bij herhaling is gewezen op onvoldoende
functioneren door haar. Dat zij een concept-beoordeling over haar heeft
onderschept door deze uit zijn lade te halen is onvoldoende aangetoond. Voor
het bestellen van de aanvulling van het theeservice bij de Bijenkorf samen
met een andere collega is door Y een verklaring gegeven en nu dit verder niet
door BSL nader is onderzocht kan niet gezegd worden dat dit een dringende
reden oplevert.
De kantonrechter is er wel van overtuigd dat de arbeidsverhouding door de
gebeurtenissen inmiddels is verstoord. Y stelt ook zelf dat zij ziek is
geworden in verband met haar arbeidsomstandigheden. Het is dan ook beter de
arbeidsovereenkomst te beëindigen. De mededeling van partijen na sluiting van
de zitting, dat D per januari 1996 een andere functie krijgt, maakt de
beslissing niet anders. Daargelaten dat dit nog enige tijd duurt, is niet
weersproken dat D bij hetzelfde concern – Wolters Kluwer Nederland – blijft
werken. Er is wel reden om Y een hogere vergoeding dan normaal toe te kennen
omdat niet uit te sluiten valt dat het onderhavige ontbindingsverzoek is
ingediend nadat de gemachtigde van Y zich had gewend tot de directie met het
verzoek een onderzoek in te stellen zoals is bepaald in de Arbowet.
De kantonrechter acht alles afwegende een vergoeding van ƒ 25 000 bruto op
zijn plaats.
BSL dient de kosten van deze procedure te betalen.

Beslissing
De kantonrechter
stelt partijen in kennis van haar voornemen de arbeidsovereenkomst te
ontbinden met ingang van 20 september 1995 met toekenning van een vergoeding
aan Y ten laste van BSL van ƒ 25 000 bruto;
BSL krijgt de gelegenheid het verzoek voor die tijd in te trekken: bij niet
intrekking van het verzoek wordt de arbeidsovereenkomst ontbonden als vermeld
met toekenning van een vergoeding zoals vermeld;
in dat geval wordt BSL veroordeeld tot betaling van ƒ 25 000 bruto aan Y;
zowel bij intrekking als handhaving van het verzoek dient BSL de kosten van
deze procedure te betalen (…).

Rechters

Mr. Van Ditzhuijzen

Instantie: Pres. Rb Zwolle, 29 augustus 1995

Instantie

Pres. Rb Zwolle

Samenvatting


Eiseres vordert een straat- en mishandelingsverbod. Partijen zijn op dit
moment verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. De rechtbank oordeelt
dat bij voorlopige voorziening de echtelijke woning aan eiseres is
toegewezen. Dit houdt in dat zij gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik
van de woning, het daarbij behorende terrein en de daarop bevindende
percelen. Daarom wordt gedaagde veroordeeld onmiddellijk de woning te
verlaten en deze niet meer te betreden op straffe van een dwangsom. Het
mishandelingsverbod komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat het
toegewezen straatverbod de extra bescherming die eiseres wil, in voldoende
mate biedt.

Volledige tekst

Verloop van de procedure

P heeft O doen dagvaarden in kort geding.

De vordering strekt ertoe om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad O te
veroordelen: 1. onmiddellijk na betekening van het in deze te wijzen
vonnis de woning aan de te Ens, gemeente Noordoostpolder, en het
daarbij behorende erf en de daarbij behorende gronden, alsmede de te
Ens, gemeente Noordoostpolder, te verlaten en O te verbieden deze woning
en genoemde gebieden nadien weer te betreden;

daarbij te bepalen dat O een aan P te betalen dadelijk opeisbare dwangsom
verbeurt van ƒ 500,= te per keer/per dag dat hij het erf-/straatverbod als
hiervoren omschreven, overtreedt;

2. onmiddellijk na betekening van dit vonnis zich te onthouden van het
plegen van mishandeling van P;

en daarbij te bepalen dat O een aan P te betalen onmiddellijk opeisbare
dwangsom verbeurt van ƒ 5.000,= per keer dat hij dit mishandelingsverbod
overtreedt;

3. om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis
aan P te betalen tegen behoorlijk bewijs van kwijting de som van ƒ
1.750,=, vermeerderd met de wettelijke rente daarvan vanaf heden tot aan
het tijdstip van algehele voldoening van dit bedrag;

4. de garage gelegen aan de te Ens, gemeente Noordoostpolder, te
ontruimen en ontruimd te houden, daarbij te verstaan dat de advocaat van
P drie middagen aan O kenbaar zal maken waaruit O kan kiezen op welke
middag hij de garage zal ontruimen en daarbij te verstaan dat op deze
middag O geen dwangsom verbeurt wegens overtreding van het hierboven
bedoelde straatverbod;

5. P toe te staan de spullen uit de garage op te ruimen, zich daarvan te
ontdoen en daarbij te bepalen dat de man terzake geen aanspraak heeft op
enigerlei vergoeding, danwel verrekening, zulks in geval dat O geen
gebruik maakt van de onder 4 bedoelde mogelijkheid de garage te ontruimen;

althans m.b.t. de bovengenoemde onderwerpen zodanige maatregelen te
treffen als de Edelachtbare President in goede justitie meent
noodzakelijk, danwel redelijk te zijn;

6. in de kosten van deze procedure.

Daartegen is door O verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing van de
vordering en veroordeling van beide partijen in de kosten van het geding.

Motivering

Vaststaande feiten

Partijen zijn thans gewikkeld in een echtscheidingsprocedure. De rechtbank
te Zwolle heeft op 15 december 1994 bij wege van voorlopige voorziening
onder meer bepaald dat P met uitsluiting van O gerechtigd is tot het
gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan de te Ens. Het verzoek
van echtscheiding behelst tevens een verzoek om bij eindbeschikking de
verdeling van de tussen partijen bestaande goederengemeenschap te bevelen.

Partijen hebben in de afgelopen maanden meerdere treffens gehad in en om
de woning en de daarbij behorende garage. Bij enkele van deze ontmoetingen
is ruzie ontstaan. Standpunt P:

Ondanks het feit dat de echtelijke woning bij uitsluiting van O
(tijdelijk) aan P is toegewezen, valt O P in en rondom het huis lastig,
waarbij hij haar ook vaak bedreigt. Het is zelfs meerdere malen
voorgekomen dat O haar dusdanig mishandeld heeft, dat zij daarbij ernstig
letsel heeft opgelopen. De laatste mishandeling vond plaats op 17 juli
1995. Het komt ook herhaaldelijk voor dat O zonder enige toestemming
gebruik maakt van de op het erf aanwezige garage. O deelt dan mee de
garage enige tijd te moeten gebruiken om rustig te kunnen sleutelen aan
zijn auto. Dit terwijl de voorlopige voorziening met betrekking tot het
gebruik van de woning, zich ook uitstrekt over het gehele erf en de daarop
bevindende opstallen. De garage is dus ook bij uitsluiting van O aan P
toegewezen. Nu de man zich herhaaldelijk niet houdt aan de voorlopige
voorziening heeft P groot belang bij toewijzing van het gevorderde
straatverbod.

Hoewel mishandeling een strafbaar feit is, werkt het strafrecht ten
opzichte van O niet, danwel onvoldoende preventief. De werkelijke zwakke
plek van O is zijn portemonnaie, derhalve vordert P een
mishandelingsverbod op straffe van een direct te verbeuren dwangsom van
ƒ 5.000,=. Dit zou O wel van een nieuwe mishandeling van P kunnen
weerhouden.

In de bij de woning behorende garage staan diverse spullen van O. P. wordt
daardoor gehinderd in het gebruik van de garage. O weigert zijn spullen
weg te (laten) halen. Daarbij komt dat, zolang er nog spullen van O in de
garage liggen, dit voor O een reden is, om zich toch weer in en rondom de
woning op te houden. P is derhalve bang om plotseling weer geconfronteerd
te worden met O.

O heeft een aanzienlijk bedrag aan vakantiebonnen ontvangen. Nu de
vakantierechten opgebouwd zijn gedurende de periode van samenwoning, heeft
P recht op een deel van het aan O uitgekeerde bedrag. Het spoedeisende
belang van P is gelegen in het feit dat zij met het geld de kinderen iets
extra’s, bijvoorbeeld een weekendje weg, kan aanbieden.

Standpunt van O

Het is volstrekt onjuist dat O P mishandelt. Er zijn slechts twee
voorvallen geweest waaraan O, alsook P deel hebben gehad. Het daarbij
opgelopen letsel van P is daar een direct gevolg van, zonder dat een der
partijen zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling. Indien dit waar zou
zijn, zou P hem toch niet steeds in de woning toelaten. Tevens is het
onjuist om te stellen dat naast de woning ook het uitsluitend gebruik van
de garage tijdelijk aan P is toegewezen. Bij gebreke van een spoedeisend
belang dienen de vorderingen tot het geven van een straat- en
mishandelingsverbod te worden afgewezen.

Het gevorderde geldbedrag is niet toewijsbaar te achten in kort geding,
nu de uitbetaling van de vakantiebonnen bij uitstek een onderdeel is van
de hele boedelscheidingskwestie en er onvoldoende redenen aanwezig zijn
om in kort geding hierop ten gunste van P vooruit te lopen. Daarbij komt
dat P reeds zonder enige toestemming, ƒ 5.000,= van de tussen partijen
bestaande gezamenlijke spaarrekening heeft opgenomen. O heeft op advies
van zijn raadsman om die reden enkele rekeningen geblokkeerd.

Er staan inderdaad enkele spullen welke O toebehoren in de garage. Naast
een surfboard, zijn dit slechts enkele (kleine) gereedschappen. Niet is
het zo dat P op enigerlei wijze gehinderd wordt in het gebruik van de
garage. Zolang echter ook de boedelscheiding niet geregeld is, lijkt het
O ook niet raadzaam om allerlei spullen mee te nemen, laat staan dat P zou
worden gemachtigd tot het (doen) verwijderen ervan. Tevens staan O thans
geen opslagmogelijkheden tot zijn beschikking. Voorts is O van mening dat
de woning uiteindelijk aan hem zal moeten worden toegewezen.

Beoordeling van het geschil

De spoedeisendheid van de zaak vloeit voort uit de aard van de vordering.

Het bij voorlopige voorziening aan een der partijen toewijzen van het
uitsluitend gebruik van de echtelijke woning kan onder omstandigheden, die
onder andere met de relatie tussen de echtelieden te maken heeft, leiden
tot een uitleg van artikel 825b sub a (oud) van het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering, in die zin dat het uitsluitend gebruik van
de woning zich tevens uitstrekt tot het daarbij behorende terrein en de
daarop bevindende percelen. Nu ter zitting duidelijk naar voren is gekomen
dat, indien partijen met elkaar worden geconfronteerd de spanning tussen
hen dikwijls zeer hoog oploopt, acht ik vorenomschreven uitleg ook op het
onderhavige geval van toepassing. Onder de toewijzing van het uitsluitend
gebruik van de woning aan P, dient derhalve ook het uitsluitend gebruik
van het erf en de daarop bevindende garage te worden verstaan.

O heeft weliswaar elke mishandeling van P tegengesproken, maar gelet op
het letsel dat P met enige regelmaat aan de ontmoetingen in en rondom de
woning met O overhoudt, acht ik toewijzing van het gevorderde straatverbod
op zijn plaats. Wel zal de dwangsom worden gemaximeerd als na te melden.

Met betrekking tot het gevorderde mishandelingsverbod geldt het
navolgende. Hoewel de door P verlangde bescherming met name gelegen ligt
in het daaraan gekoppelde verbeuren van dwangsommen, gaat het niet aan de
strafrechtelijke omschrijving van mishandeling, waarop bij aangifte door
het slachtoffer een strafonderzoek behoort te volgen, door middel van een
in kort geding gegeven verbod te koppelen aan een onmiddellijk in te
vorderen dwangsom. Het zou dan immers aan P worden overgelaten een
ontmoeting met O en de eventueel daaruit voortvloeiende gevolgen te
bestempelen als mishandeling. Hoewel een (overigens uitdrukkelijk niet
door P gevorderd) contactverbod een verdergaande bescherming biedt, wordt
thans door toewijzing van het gevraagde straatverbod, toch ook enigermate
de door P gezochte extra bescherming geboden.

Het gevorderde mishandelingsverbod komt derhalve niet voor toewijzing in
aanmerking.

O heeft ter zitting verklaard geen direct spoedeisend belang te hebben bij
betreding van de schuur en/of het erf. P heeft de bereidheid uitgesproken
om, indien O vooraf contact met haar opneemt, nadere afspraken te maken
ten aanzien van het ophalen van spullen en/of het gebruik van de garage.
P wil bij thuiskomst met name niet voor de verrassing komen te staan, dat
de auto van O al in de garage staat. De (enkele) zaken van O welke zich
nog in de garage bevinden, leveren wellicht enige hinder op voor P, maar
het normaal gebruik ervan, in casu het parkeren van haar auto, blijkt
desgevraagd goed mogelijk. Van een spoedeisend belang bij de gevorderde
(machtiging tot) ontruiming van de garage is niet gebleken. Hetzelfde
geldt met betrekking tot de gevorderde betaling van ƒ 1.750,- aan
vakantiegeld. Partijen verschillen te zeer van mening met betrekking tot
de scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, om thans door
middel van toewijzing van het gevorderde – en door O gemotiveerd
weersproken – bedrag van ƒ 1.750,- hier op vooruit te lopen.

Ter zitting is voorts naar voren gekomen dat partijen niet met elkaar,
maar toch ook niet al te veel los van elkaar de echtscheidingsperiode
willen overbruggen. Het lijkt mij derhalve raadzaam om P mee te geven dat,
indien zij geen nodeloos risico wil lopen om te worden mishandeld, zij dan
ook zeer selectief gebruik dient te maken van de mogelijkheid om O
toestemming te geven de woning te betreden, danwel gebruik te maken van
de garage. Het monteren van een trekhaak onder de auto van O lijkt mij
niet de meest dringende reden om een meerdaagse ontheffing te geven van
een straatverbod. Het moet echter O wel duidelijk zijn dat, zolang de
echtscheiding niet definitief is geregeld, aan P het gebruik van de woning
en de garage is toegewezen! Daar komt thans nog een straatverbod bij. Of
O deze beslissingen welgevallig zijn, doet niet ter zake.

Nu deze procedure voortvloeit uit het verbreken van de echtelijke relatie
van partijen, bestaat er aanleiding de kosten van deze procedure te
compenseren.

Beslissing

O wordt veroordeeld om, na betekening van dit vonnis, onmiddellijk de
woning aan de te Ens, gemeente Noordoostpolder, en het daarbij
behorende erf en de daarbij behorende gronden, alsmede de te Ens,
gemeente Noordoostpolder, te verlaten en de woning en genoemde gebieden
totdat anders is beslist, nadien niet weer te betreden.

Een en ander op straffe van een dwangsom van ƒ 500,= per overtreding, met
een maximum van ƒ 25.000,=.

De proceskosten worden gecompenseerd aldus dat elke partij belast blijft
met de aan haar zijde gevallen kosten.

Tot zover is dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Rechters

Mr A.M. Everts

Instantie: Kantonrechter Amsterdam, 28 augustus 1995

Instantie

Kantonrechter Amsterdam

Samenvatting


Een vrouw wil in deeltijd gaan werken na haar zwangerschapsverlof en
aansluitend ouderschapsverlof. Zij heeft voor drie dagen kinderopvang
en meer opvang door derden wil zij niet. Het feit dat eiseres twee
dagen zelf haar kind wil verzorgen acht de kantonrechter een
gerechtvaardigde wens. De werkgever heeft onvoldoende aangegeven dat
het bedrijfsbelang zich in dit geval tegen inwilliging van het verzoek
in deeltijd te kunnen werken, verzet. De rechter gelast een proeftijd
van een half jaar waarin eiseres haar functie in deeltijd kan
uitoefenen. Daarna dient een evaluatie plaats te vinden.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Bij exploot van dagvaarding d.d. 8 augustus 1995 heeft eiseres een
voorlopige voorziening gevorderd, kort samengevat strekkende primair
tot het in staat stellen van eiseres haar werkzaamheden in deeltijd
– voor 24 uur per week – bij gedaagde voort te zetten, dan wel subsidiair
zulks eerst na een als geslaagd te evalueren experiment van zes maanden
te doen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,= per
dag.

Ter terechtzitting van 21 augustus 1995 heeft de mondelinge behandeling
plaatsgevonden. Gehoord zijn partijen en hun gemachtigden. De
gemachtigden van partijen hebben pleitnotities overgelegd.

Gronden van de beslissing:

1. Eiseres is op 17 november 1986 bij gedaagde in dienst getreden. Haar
functie is medewerkster op de financiele administratie. Zij is met name
belast met de administratie van het debiteuren- en crediteurenbestand.
Haar salaris bedraagt ƒ 2.724,30 bruto per maand. Met instemming van
gedaagde is haar reguliere werktijd per 1 januari 1993 van 40 uur tot
36 uur teruggebracht.

Op 1 juli 1994 is eiseres bevallen van een gezonde dochter. Tot 21
september 1994 had zij bevallingsverlof; tot 21 maart 1995 heeft zij
gebruikmakend van het ouderschapsverlof 20 uur per week gewerkt.
Sedertdien werkt zij drie dagen – maandag, woensdag en vrijdag – per week
met instemming van gedaagde anderhalve vakantiedag per week op te
nemen.

2. Eiseres wenst het werken in deeltijd te continueren. Haar
vakantiedagen zijn echter binnenkort uitgeput. Gedaagde blijkt evenwel
niet bereid eiseres een deeltijdcontract aan te bieden. Eiseres heeft
voor drie dagen kinderopvang kunnen verzorgen. Meer opvang door derden
staat zij niet voor. Zij wenst de resterende dagen zelf ook de dagzorg
aan haar kind te geven.

Eiseres meent dat haar deeltijd werken in de huidige functie tot nu toe
geen enkel probleem heeft opgeroepen. Gedaagde heeft daaraan
onverplicht meegewerkt vanaf 21 maart 1995 tot heden. Eiseres is
desalniettemin bereid bij gedaagde een anders ingevulde of anders
passende deeltijdfunctie te aanvaarden, indien dat wenselijk zou worden
geacht. Gedaagde weigert echter elk deeltijdcontract, zonder een
redelijke grond aan te voeren op grond waarvan eiseresses part-time
werken niet langer zou kunnen worden gecontinueerd.

Eiseres is van oordeel dat gedaagde zich aldus niet als een goed
werkgeefster gedraagt door niet mee te willen werken aan een
deeltijdcontract. Bovendien is zulks in strijd met de intentie van de
ondernemings-CAO, waarbij gedaagde partij is, al is deze (nog) niet van
toepassing op het kantoorpersoneel. Voorts meent eiseres dat gedaagde
haar als vrouw discrimineert, althans indirect, indien de halsstarrige
houding van gedaagde tot het einde van de arbeidsovereenkomst zou
moeten leiden, nu het van algemene bekendheid is dat het vooral vrouwen
zijn die part-time willen werken vanwege zorgtaken. Tenslotte meent zij
dat zich onvoorziene omstandigheden voordoen als bedoeld in art. 6:258
BW, die een wijziging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigen.

3. Gedaagde stelt daartegenover dat de wetgever met het bevallings- en
ouderschapsverlof de overgang van de kinderloze situatie naar het
ouderschap voor de ouders heeft geregeld. Daarnaast bestaat geen
wettelijk recht op deeltijdarbeid. In casu rust aldus gedaagde op
eiseres een inspanningsverplichting ook voor de twee resterende dagen
een opvang voor haar kind te regelen. Niet is gebleken dat eiseres die
verplichting gestalte heeft gegeven. Alleen al om die reden komt haar
verzoek niet voor inwilliging in aanmerking.

Gedaagde erkent dat een verzoek om deeltijdarbeid niet ongemotiveerd
mag worden afgewezen. Het dient in serieuze overweging te worden
genomen. Dat is door haar gedaan. Indien echter bedrijfsbelangen zich
tegen inwilliging van dat verzoek verzetten zal het mogen worden
afgewezen.

Het bedrijfsbelang van gedaagde verzet zich in haar ogen daadwerkelijk
tegen honorering van het verzoek. De functie van eiseres is een
full-timefunctie, die permanent vervuld dient te zijn. Zou een tweede
part-timer daarbij worden ingeschakeld -hetgeen in beginsel mogelijk
is-, dan ontstaan er overdrachtsproblemen. Omdat er dan sprake is van
volgtijdigheid en geen gelijktijdigheid, zullen miscommunicatie en
onduidelijkheden het werk belemmeren

Gedaagde heeft zich genoodzaakt gezien een extra kracht aan te trekken,
die fulltime werkzaam is. Dit heeft tot extra arbeidskosten geleid,
waaronder kosten van training en opleiding. Er is thans sprake van
overcapaciteit op de afdeling.

De ondernemings-CAO, waarbij gedaagde partij is, houdt slechts een
aanbeveling in en geen verplichting tot het bevorderen van deeltijd
arbeid.

Wijziging van een arbeidsovereenkomst op grond van het bepaalde in de
artikelen 6:258 en/of 7A:1638z BW is in strijd met het beginsel dat een
arbeidsovereenkomst alleen met wederzijds goedvinden kan worden
gewijzigd en met het gesloten stelsel van het arbeidsrecht. Genoemde
artikelen zijn niet geschreven om arbeidsvoorwaarden in de
arbeidsovereenkomst te wijzigen.

4. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter komt de primaire
vordering van eiseres niet voor toewijzing in aanmerking. Inwilliging
daarvan zou leiden tot een definitieve en permanente wijziging van een
bestaande arbeidsovereenkomst. Een dergelijke beslissing overstijgt het
kader van de 116 RV-procedure. Gedaagde heeft het gelijk aan haar zijde
als zij stelt dat een wettelijk recht op deeltijd arbeid na bevallings-
en ouderschapsverlof niet bestaat. Partijen zijn het er echter terecht
over eens dat een werkgever een verzoek van een werknemer om in
deeltijd te mogen gaan werken serieus in behandeling dient te nemen en
dat een dergelijk verzoek slechts deugdelijk gemotiveerd kan worden
geweigerd. De kantonrechter is met gedaagde van mening dat het
bedrijfsbelang zich tegen inwilliging van zo’n verzoek kan verzetten.
Gedaagde is er evenwel voorshands niet in geslaagd voldoende
aannemelijk te maken dat daarvan in casu sprake is. Op de afdeling waar
eiseres werkt is sprake van overcapaciteit. De arbeidskracht die voor
bepaalde tijd full-time was aangenomen om eiseresses taak te vervullen
en later te completeren is inmiddels voor onbepaalde tijd in dienst
genomen.

Eiseres werkt nu reeds 11 maanden part-time. Een concreet
voorbeeld van in die periode ontstane miscommunicatie of van
onduidelijkheid kon gedaagde ter zitting niet geven. De gestelde extra
kosten, voorzover door eiseresses deeltijdarbeid veroorzaakt, konden
niet worden geconcretiseerd. Tegenover de mogelijke kosten van extra
training en opleiding staat het voordeel dat twee werknemers op de
hoogte zijn van een zelfde taakonderdeel, hetgeen bij ontstentenis van
een van hen voordeel oplevert. Dat eiseres zich niet zou hebben
ingespannen om ook voor de twee andere dagen voor kinderopvang zorg te
dragen is in het licht van eiseressen gerechtvaardigde wens dat zij
twee dagen van de week zelf haar kind wenst te verzorgen een niet
relevant verweer. Eiseresses echtgenoot heeft desgevraagd ter zitting
aannemelijk gemaakt dat het hem niet mogelijk is een deel van de
dagzorgtaak van zijn dochter op zich te nemen. Het valt derhalve
voorshands niet uit te sluiten dat gedaagde zich door haar
weigerachtige houding jegens eiseres niet als een goed werkgeefster
gedraagt. Dit klemt te meer nu er bij gedaagde weldegelijk part-time
wordt gewerkt, eiseres heeft aangeboden desnodig een andere passende
deeltijdbaan bij gedaagde te willen aanvaarden en niet is gebleken dat
gedaagde heeft onderzocht of zulks tot de mogelijkheden behoort.

Nu over het functioneren van eiseres geen klacht is vernomen en partijen
er geen van beiden op uit zijn tot een beeindiging van de
arbeidsrelatie te geraken, zal eiseressen subsidiaire vordering als na
te melden worden toegewezen. Partijen dienen de proefperiode te
gebruiken om te onderzoeken of er inderdaad sprake zou kunnen zijn van
knelpunten bij de uitvoering van eiseresses werkzaamheden in deeltijd
en/of bij overdracht daarvan en zo ja, daarvoor oplossingen aan te
dragen en te effectueren. Mocht aan het einde van de proefperiode
blijken dat eiseresses deeltijdarbeid in haar huidige functie
aantoonbaar tot een onwerkbare situatie leidt en er voor eiseres binnen
de onderneming geen andere passende deeltijdfunctie voor handen zijn,
dan kunnen partijen die beslissingen nemen die hen dan geraden
voorkomen. Mocht de proef slagen dan moet worden aangenomen dat
gedaagde, gelet op de door haar ingenomen stellingen, bereid is eiseres
alsnog de verzochte deeltijdfunctie aan te bieden. Een veroordeling
daartoe in dit geding, zoals gevorderd, stuit af op hetzelfde bezwaar
als waarop de primaire vordering strandde. De kantonrechter gaat ervan
uit dat gedaagde loyaal aan deze proef zal medewerken, zodat het
opleggen van een dwangsom achterwege kan blijven. Er zijn termen de
proceskosten zo te verwerken dat elke partij de eigen kosten draagt.

Beslissing De navolgende voorlopige voorziening wordt getroffen:
Gedaagde wordt gelast om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis
eiseres bij wijze van proef tot 1 maart 1996 in staat te stellen om
haar werkzaamheden op de afdeling financiele administratie bij gedaagde
te continueren op part-time basis voor drie dagen per week (maandag,
woensdag, en vrijdag) van acht uur en deze proef in februari 1996 met
eiseres te evalueren. Dit vonnis is tot zover uitvoerbaar bij
voorraad.

De kosten van het geding worden zo verrekend, dat elke partij de eigen
kosten draagt.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Rechters

Mr Brouwer

Instantie: Rechtbank Alkmaar, 24 augustus 1995

Instantie

Rechtbank Alkmaar

Samenvatting


Gedaagde valt eiseres lastig, sinds zij zijn gescheiden. De man is sinds kort
in dezelfde plaats komen wonen als de vrouw. De vrouw vordert een
straatverbod en een verhuisgebod.
De rechter wijst het verhuisgebod af en het straatverbod toe.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure

Ter terechtzitting van 18 augustus 1995 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding, met dien
verstande dat eiseres haar vordering in na te melden zin heeft vermeerderd.
Gedaagde heeft de vordering bestreden.
Na verder debat hebben partijen de stukken overgelegd en vonnis gevraagd.
De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

De beoordeling van het gevorderde

De uitgangspunten:
1. In dit Kort Geding vordert eiseres, kort gezegd, om aan gedaagde een
sectorverbod op te leggen voor de gemeente Den Helder, alsmede een
contactverbod. Ter zitting heeft eiseres haar vordering vermeerderd met, kort
gezegd, een aan gedaagde op te leggen verhuisgebod. Zij grondt deze
vorderingen op haar stelling dat gedaagde, van wie eiseres onlangs is
gescheiden, zich sedert eind maart 1995 schuldig maakt aan het lastig vallen
van eiseres en haar gezin, bestaande uit onder andere het posten voor de deur
van het huis van eiseres, het trachten binnen te komen van dit huis, het
achter volgen op straat, het aanspreken in winkels en het dreigen met
brandstichting en doodslag. Al deze activiteiten vinden plaats in Den Helder,
waar de vrouw met haar gezin woont. Gedaagde woonde tot voor kort in
Amersfoort, maar heeft inmiddels een kamer in Den Helder betrokken. Gedaagde
heeft in de echtscheidingsprocedure een omgangsregeling verzocht, doch dit
verzoek is afgewezen. Gedaagde heeft tegen die beslissing hoger beroep
ingesteld.

2. Gedaagde heeft bij monde van zijn raadsman de stellingen van de vrouw niet
weersproken. Die stellingen worden bovendien gestaafd door een veelheid van
overgelegde verklaringen en politiemutaties en kunnen mitsdien als
vaststaande feiten worden aangemerkt. Gedaagde stelt dat hij geen werk meer
heeft en zijn huis in Amersfoort heeft moeten ontruimen. Hij woont nu in Den
Helder en wordt zeer intensief begeleid door een maatschappelijk werker
aldaar. Gedaagde verzoekt om het sectorverbod zodanig te beperken dat hij op
zijn huidige adres in Den Helder kan blijven wonen en de maatschappelijk
werker kan blijven bezoeken.

De gronden van de beslissing
3. Uit de vaststaande feiten als hiervoor vermeld blijkt dat gedaagde bij
voortduring ernstig inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van eiseres
en haar gezin, waarmee zijn onrechtmatig handelen vaststaat. Voorts is
gebleken, dat gedaagde zich niets aantrekt van verzoeken van eiseres en de
politie om zijn handelwijze te staken. Er is derhalve sprake van dreigend
verder onrechtmatig handelen van de zijde van gedaagde. Een en ander speelt
zich af rond de woning van eiseres in Den Helder en op die plaatsen in
genoemde gemeente waar de vrouw en de kinderen vaak verblijven in verband met
school, cursus of boodschappen. Mitsdiens komt het gevorderde in beginsel
voor toewijzing in aanmerking. Evenwel zal de president om na te melden
redenen het verhuisgebod afwijzen en het sectorverbod aldus in kleden, dat
dit beperkt is tot het gebied waar eiseres met haar gezin woont of in de
verband met voornoemde activiteiten verblijft, terwijl de duur van het
gevorderde sector- en contactverbod gesteld zal worden op een half jaar.
Immers, het gevorderd grijpt diep in in de fundamentele vrijheden van
gedaagde, die bovendien een zwaarwegend belang heeft bij voortzetting van
zijn bezoeken aan het maatschappelijk werk in Den Helder, terwijl voorts bij
onverhoopt nieuwe dreigende activiteiten van de zijde van gedaagde na
betekening van het vonnis, eiseres ten alle tijde de mogelijkheid heeft om
alsnog in kort geding verdergaande voorzieningen te vorderen.

4. De president acht tenslotte termen aanwezig om de gevorderde dwangsom in
na te melden zin te matigen en de proceskosten op na te melden wijze te
compenseren.

De beslissing
De president:
– verbiedt gedaagde voor de duur van een half jaar ingaande onmiddellijk na
betekening van dit vonnis zich te begeven in dat gedeelte van Den Helder dat
zowel gelegen is ten zuiden van de Huisduinerweg, Timorlaan en Javastraat als
ten westen van de spoorlijn.
– verbiedt gedaagde voor de duur van een half jaar na betekening van dit
vonnis mondeling, schriftelijk of op welke wijze van communicatie dan ook
contact te zoeken met eiseres of haar lastig te vallen, daaronder begrepen
posten, opwachten, aanspreken en hinderlijk volgen buiten het hiervoor
aangegeven gebied, daaronder begrepen het benaderen van familie, vrienden en
bekende van eiseres of de kinderen teneinde met haar of hen in contact te
komen, en voorts daaronder begrepen het op enige wijze bevorderen van
dergelijke gedragingen door derden, althans in te stemmen met deze
gedragingen;
– een en ander op verbeurte van een dwangsom van ƒ 100 voor iedere
overtreding van een der bovenstaande verboden na betekening van dit vonnis,
tot een maximum van ƒ 10 000;
– machtigt eiseres om het ten deze te wijzen vonnis voorzover nodig en
mogelijk met behulp van de sterke arm van politie en justitie ten uitvoer te
leggen;
– verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
– compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen haar eigen
kosten draagt;
– weigert de anders of meer gevraagde voorzieningen.
Gewezen door mr J.C. van Dijk, president van de Arrondissementsrechtbank te
Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 augustus 18995 in
tegenwoordigheid van mr L. Janse, griffier.

Rechters

Mr. J.C. van Dijk

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 augustus 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een deeltijdfunctie bij de wederpartij. Tot ongeveer
maart 1994 werkte zij gedurende 11,5 jaar fulltime. In maart 1995
ontving zij een ambtsgratificatie, die was gebaseerd op het
deeltijdsalaris van dat moment. Met de jaren waarin zij voltijds werkte
is geen rekening gehouden. Verzoekster is van mening dat deze regeling
met name vrouwen benadeelt omdat zij vaker dan mannen eerst voltijds en
daarna, vanwege de zorg voor kinderen, in deeltijd gaan werken.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

Op basis van de beschikbare gegevens stelt de Commissie vast, dat in
alle gevallen het effect van de regeling het meest neutraal is voor
mannelijke ambtenaren. Voor vrouwen treedt weliswaar in sommige
gevallen iets meer nadeel op, maar ook in bepaalde gevallen meer
voordeel. In die gevallen, waarbij het nadeel voor vrouwen iets groter
is, is er bovendien naar het oordeel van de Commissie geen sprake van
een zodanig groot nadeel ten opzichte van mannen, dat er gesproken kan
worden van een vermoeden van indirect onderscheid. Daarmee is
vastgesteld dat bij toepassing van de onderhavige gratificatieregeling
niet in strijd wordt gehandeld met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 9 augustus 1994 verzocht mevrouw te Heemskerk
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Minister van Justitie te ‘s-Gravenhage (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Verzoekster heeft een deeltijdfunctie bij de wederpartij. Tot ongeveer
maart 1994 werkte zij gedurende 11,5 jaar fulltime. In maart 1995
ontving zij een ambtsgratificatie, die was gebaseerd op het
deeltijdsalaris van dat moment. Met de jaren waarin zij voltijds werkte
is geen rekening gehouden. Verzoekster is van mening dat deze regeling
met name vrouwen benadeelt omdat zij vaker dan mannen eerst voltijds en
daarna, vanwege de zorg voor kinderen, in deeltijd gaan werken.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee handelt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994 is
de Algemene Wet gelijke behandeling in werking getreden (AWGB). De
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is op
die datum opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de
op 1 september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling. Deze
Commissie heeft het onderzoek voortgezet.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 27 juni
1995. Verzoekster is niet verschenen op deze zitting.

2.3. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij – dhr

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw drs. M.G. Nicolai (lid Kamer) – dhr mr W.A. van
Veen (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster werkt vanaf 6 september 1982 bij de wederpartij. Tot
ongeveer maart 1994 in een voltijdfunctie, daarna in een
deeltijdfunctie. Verzoekster wilde zelf in deeltijd gaan werken in
verband met de verzorging van haar kind. Haar echtgenoot kan bij het
bedrijf waar hij werkt niet in deeltijd werken.

Bij brief van 7 september 1994 is verzoekster meegedeeld dat de datum
van haar ambtsjubileum van 12,5 jaar onder voorbehoud is vastgesteld op
6 maart 1995. Zij heeft dan recht op een gratificatie.

3.2. Dit is geregeld in de Regeling gratificatie bij ambtsjubileum van
3 november 1989 (Staatscourant 1989, 223; Regeling gewijzigd bij
Besluit van 26 november 1991, Staatscourant 1991, 242), die is
vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken, en wordt toegepast
door de wederpartij (hierna: de Regeling).

Als belanghebbende merkt deze regeling aan: a. degene waarop artikel
79, derde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931,
248) van toepassing is; b. degene waarop artikel 51, derde lid, van het
Arbeids- overeenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354) van toepassing is; c.
degene, waarop artikel 114, derde lid, van het Ambtenarenreglement
Staten-Generaal (Stb. 1979, 123) van toepassing is.

Artikel 2 eerste lid van de Regeling bepaalt dat aan de belanghebbende
bij het bereiken van een diensttijd van 12,5, 25, 40 of 50 jaar een
gratificatie wordt toegekend. Artikel 2, eerste lid, bepaalt tevens dat
de gratificatie bij een ambtsjubileum van 12,5 jaar 25% van de
bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedraagt.

Artikel 4 van de regeling geeft aan wat tot de diensttijd gerekend
wordt.

Artikel 7 eerste lid van de Regeling bepaalt dat als grondslag voor de
berekening van de gratificatie wordt gehanteerd de bezoldiging,
vermeerderd met de vakantie-uitkering, die voor de belanghebbende geldt
op de datum van het ambtsjubileum.

3.3. In 1994 werden, uitgesplitst naar geslacht en aantal dienstjaren
de volgende gratificaties verleend:

man vrouw
12,5 jr 447 332
25 jr 320 81
40 jr 29 3

Voor het peiljaar 1994 zijn verder de aantallen mannen en vrouwen
bekend die voor een ambtsjubileum in aanmerking kwamen, en tevens wat
op het moment van het ambtsjubileum de omvang van het dienstverband was
en de omvang daarvan in de aan het jubileum voorafgaande periode.

12,5 jaar ambtsjubileum

vrouw: totaal 332 personen

voltijd 166 personen daarvoor ongewijzigd 148 daarvoor minder uren 18

deeltijd 166 personen daarvoor ongewijzigd 36 daarvoor minder uren 35
daarvoor meer uren 95

man: totaal 447 personen

voltijd 416 personen daarvoor ongewijzigd 406 daarvoor minder uren 10

deeltijd 31 personen daarvoor ongewijzigd 11 daarvoor minder uren 5
daarvoor meer uren 15

25 jaar ambtsjubileum

vrouw: totaal 81 personen

voltijd 45 personen daarvoor ongewijzigd 42 daarvoor minder uren 3

deeltijd 36 personen daarvoor ongewijzigd 18 daarvoor minder uren 10
daarvoor meer uren 8

man: totaal 320 personen

voltijd 310 personen daarvoor ongewijzigd 303 daarvoor minder uren 7

deeltijd 10 personen daarvoor ongewijzigd 6 daarvoor minder uren 1
daarvoor meer uren 3

40 jaar ambtsjubileum

vrouw: totaal 3 personen

voltijd 1 persoon daarvoor ongewijzigd 1 daarvoor minder uren –

deeltijd 2 personen daarvoor ongewijzigd 1 daarvoor minder uren –
daarvoor meer uren 1

man: totaal 29 personen

voltijd 25 personen daarvoor ongewijzigd 25 daarvoor minder uren –

deeltijd 4 personen daarvoor ongewijzigd 2 daarvoor minder uren –
daar voor meer uren 2

Deze gegevens hebben betrekking op het dienstverband van betrokkenen
bij het ministerie van Justitie en zijn beperkt tot de periode van 1985
tot 1994.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt dat de Regeling in strijd komt met de wetgeving
gelijke behandeling, doordat wordt uitgegaan van het salaris op het
moment van de gratificatie.

Het zijn volgens verzoekster nog steeds vooral vrouwen die hun loopbaan
onderbreken in verband met de zorg voor kinderen. Zij werken dan vaak
eerst een aantal jaren voltijds om, wanneer zij kinderen krijgen in
deeltijd te gaan werken. Het ambtsjubileum valt dan vaak in de periode
waarin in deeltijd wordt gewerkt, wat betekent dat de gratificatie
wordt gebaseerd op het deeltijdsalaris. De jaren waarin voltijds werd
gewerkt worden dan buiten beschouwing gelaten. Verzoekster is van
mening dat ook deze jaren meegenomen moeten worden in de berekening.

3.5. De wederpartij stelt in de eerste plaats dat er ten tijde van het
indienen van het verzoek geen sprake was van een definitief besluit
omtrent de gratificatie. Zij acht verzoekster daarom niet-ontvankelijk.
Bovendien, zo stelt de wederpartij, kan verzoekster na de bekendmaking
van het gratificatiebesluit desgewenst een bezwaarschriftenprocedure,
en vervolgens een beroepsprocedure bij de administratieve rechter
volgen. De bestuursrechter kan het gratificatiebesluit nietig
verklaren. De wederpartij is van mening dat op deze wijze in voldoende
rechtsbescherming is voorzien, zodat voor een beoordeling door de
Commissie in de onderhavige zaak geen ruimte is.

Verder, zo stelt de wederpartij, is de Minister van Binnenlandse Zaken
in deze kwestie het bevoegde orgaan, zijzelf is slechts ‘uitvoerder’
van de Regeling. In casu is sprake van een zogenaamde gebonden
beschikking, wat betekent dat de wederpartij geen vrijheid heeft om een
gratificatie al dan niet toe te kennen dan wel de hoogte daarvan te
bepalen. Wordt de regeling toch ter discussie gesteld, dan dient de
Minister van Binnenlandse Zaken als wederpartij aangemerkt te worden.

3.6. Ten aanzien van de inhoud van de regeling, is de wederpartij van
mening dat deze geen strijd oplevert met de wetgeving gelijke
behandeling. Met de regeling is beoogd een objectief criterium vast te
stellen op basis waarvan een gratificatie wordt toegekend. Het gaan
werken in deeltijd brengt volgens de wederpartij mee dat de bezoldiging
evenredig vermindert, en dus ook alle op deze bezoldiging gebaseerde
financiele aanspraken. Of iemand in deeltijd gaat werken is een
prive-beslissing, wat benadrukt wordt door verzoeksters opmerking dat
haar echtgenoot niet in deeltijd kan werken. Het nadelig effect waar
verzoekster mee te maken heeft, kan daarmee niet als discriminatoir
worden aangemerkt. De wederpartij erkent dat deze regeling in het geval
van verzoekster nadelig uitpakt. Er zijn echter ook gevallen waarin de
regeling mensen bevoordeelt, namelijk wanneer zij eerst in deeltijd en
op het moment van het jubileum voltijds (althans meer uren dan
voorheen) werken. De gratificatie wordt dan gebaseerd op het
voltijdsalaris, ook als niet steeds voltijds is gewerkt. De
wederpartij wijst daarbij op de cijfers over het peiljaar 1994, waaruit
geen nadelig effect voor vrouwen blijkt bij het verlenen van
gratificaties. Tevens wijst de Minister van Binnenlandse Zaken,
gevraagd naar de achtergrond en rechtvaardiging van de in de regeling
gevolgde berekeningswijze, op de circulaire van 10 juni 1971, nr.
AB71/U1471, die in onderdeel I een hardheidsclausule bevatte, op grond
waarvan in exceptionele gevallen, waarin stringente toepassing van de
regeling tot kennelijke onbillijkheid zou leiden, daarvan in
overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken kon worden
afgeweken. In de huidige regeling komt een vergelijkbare bepaling voor,
met dien verstande, dat het verkrijgen van overeenstemming met de
Minister van Binnenlandse Zaken thans niet meer is voorgeschreven.

De wederpartij heeft in casu niet aangegeven een reden voor toepassing
van de hardheidsclausule aanwezig te achten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster handelt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling, door bij het toekennen
van de gratificatie geen rekening te houden met de jaren waarin zij
voltijds werkte.

In geding is artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB). Hierin is bepaald dat het bevoegd gezag geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden.

4.2. Op het moment van indienen van het verzoek was er nog geen
definitief besluit vastgesteld ten aanzien van het ambtsjubileum/de
gratificatie van verzoekster. De Commissie heeft niettemin besloten het
verzoek ontvankelijk te verklaren, omdat blijkens de Memorie van
Toelichting van de WGB een verzoek ook betrekking kan hebben op een
regeling die bij toepassing later kan leiden tot ongelijke behandeling.

De vraag die ter beoordeling voorligt, is dan of, wanneer toepassing
wordt gegeven aan de regeling, de wederpartij in strijd zal handelen
met de WGB.

4.3. De wederpartij ziet voor de Commissie geen ruimte om deze zaak te
beoordelen, aangezien er al voorzien is in een
bezwaarschriftenprocedure en een beroepsprocedure bij de rechter.

De gang naar de Commissie is echter een specifieke rechtsgang, die zich
slechts richt op het beoordelen van de vraag of al dan niet in
overeenstemming met de gelijke behandelingswetgeving is dan wel zal
worden gehandeld. De AWGB en WGB kennen niet het vereiste dat eerst
andere rechtswegen bewandeld dienen te worden. De bezwaren- en
beroepsprocedure kan daarmee los van de rechtsgang bij de Commissie
gevolgd worden.

4.4. Verder geeft de wederpartij aan slechts uitvoerder te zijn van de
in het geding zijnde gratificatieregeling. Zij meent dat de Minister
van Binnenlandse Zaken als wederpartij zou moeten worden aangewezen,
aangezien deze verantwoordelijk is voor de regeling. Voor de
beantwoording van deze vraag acht de Commissie doorslaggevend dat hij
die als werkgever is aan te merken als wederpartij is te beschouwen
(Zie ook onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 5 december 1991, oordeelnummer 371-91-80). Nu er een
dienstbetrekking bestaat tussen de wederpartij en verzoekster en uit
hoofde van die dienstbetrekking gratificatieverlening door de
wederpartij plaatsvindt, is laatstgenoemde terecht als wederpartij
aangemerkt.

4.5. Wat de inhoud van de Regeling betreft overweegt de Commissie het
volgende.

Verzoekster stelt dat de Regeling nadelig uitwerkt voor vrouwen omdat
zij vaker dan mannen eerst voltijds werken en daarna in deeltijd. Op
het moment dat zij voor een gratificatie in aanmerking komen, werken ze
in deeltijd en wordt de gratificatie op dit deeltijdsalaris gebaseerd.
Met de voltijds gewerkte jaren wordt geen rekening gehouden.

Verzoekster stelt dus dat sprake is van indirect onderscheid. Onder
indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg
heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5
maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986,
zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH &
Co.KG, zaak 171/88, 13 juli 1989) – dat het onderscheid gemaakt wordt
om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen
zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken,
terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.6. Verzoekster stelt de berekeningswijze van de gratificatie aan de
orde. Deze zou voor vrouwen minder gunstig uitvallen dan voor mannen.
Bekeken moet dan worden binnen de groep van gratificatie-gerechtigden,
hoeveel mannen en vrouwen nadeel ondervinden van de wijze van
berekening.

Uit de hierboven (onder 3.3) weergegeven cijfers, komt het volgende
beeld naar voren, wat betreft het relatieve nadeel voor mannen en
vrouwen bij de toepassing van de regeling na wisseling van arbeidsduur:

12,5 jaar

m; effect v; effect
neutraal nadeel voordeel neutraal nadeel voordeel

VTA 98% 2% 89% 11%
DTA 36% 48% 16% 22% 57% 21%
VTA+DTA 93% 0,03% 3% 55% 29%
16%

m; effect v; effect
neutraal nadeel voordeel neutraal nadeel voordeel
25 jaar

VTA 98% 2% 93% 7%
DTA 60% 30% 10% 50% 22% 28%
VTA+DTA 97% 0,9% 2,5% 74% 10% 16%

40 jaar

VTA 100% 100%
DTA 50% 50% 50% 50%
VTA+DTA 93% 7% 67% 33%

alle 3 samen 12,5 + 25 + 40 jaar

VTA 98% 2,3% 90% 10%
DTA 42% 44% 13% 27% 52% 22%
VTA+DTA 95% 2,5% 2,1% 60% 25% 31%

Deze cijfers zijn als volgt berekend. Voor de categorie 12,5
dienstjaren geldt bijvoorbeeld dat 166 mannen op het moment van het
betreffende ambtsjubileum voltijds werken. Bij 148 mannen was sprake
van een ongewijzigde arbeidsduur. Dat impliceert een neutraal effect
van de arbeidsduur op de hoogte van de gratificatie. Dit neutrale
effect geldt voor 98% van de mannen (148 van 166 mannen). Overigens kan
door het afronden van de percentages in een bepaalde categorie het
totaal van de gevallen iets boven of onder de honderd procent komen.

Op basis van deze gegevens stelt de Commissie vast, dat in alle
gevallen het effect van de regeling het meest neutraal is voor
mannelijke ambtenaren. Voor vrouwen treedt weliswaar in sommige
gevallen iets meer nadeel op, maar ook in bepaalde gevallen meer
voordeel. In die gevallen, waarbij het nadeel voor vrouwen iets groter
is, is er bovendien naar het oordeel van de Commissie geen sprake van
een zodanig groot nadeel ten opzichte van mannen, dat er gesproken kan
worden van een vermoeden van indirect onderscheid.

Daarmee is vastgesteld dat bij toepassing van de onderhavige
gratificatieregeling niet in strijd wordt gehandeld met de WGB.
Daaraan doet overigens niet af, dat het de wederpartij vrij staat om in
gevallen als het onderhavige waarin wel van een nadeel voor betrokkene
sprake is, gebruik te maken van de mogelijkheid tot toepassing van de
hardheidsclausule.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Justitie
te ‘s-Gravenhage jegens mevrouw geen onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid.

Rechters

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw mr G.L.M.Lenssen (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 augustus 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster heeft een deeltijdfunctie bij de wederpartij. Tot 1
november 1991 werkte zij ongeveer 9 jaar fulltime. In april 1995
ontving zij een ambtsgratificatie, die was gebaseerd op het
deeltijdsalaris van dat moment. Met de jaren waarin zij voltijds werkte
is geen rekening gehouden. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling. Op
basis van de beschikbare gegevens stelt de Commissie vast, dat in alle
gevallen het effect van de regeling het meest neutraal is voor
mannelijke ambtenaren. Voor vrouwen treedt weliswaar in sommige
gevallen iets meer nadeel op, maar ook in bepaalde gevallen meer
voordeel. In die gevallen, waarbij het nadeel voor vrouwen iets groter
is, is er bovendien naar het oordeel van de Commissie geen sprake van
een zodanig groot nadeel ten opzichte van mannen, dat er gesproken kan
worden van een vermoeden van indirect onderscheid. Daarmee is
vastgesteld dat bij toepassing van de onderhavige gratificatieregeling
niet in strijd wordt gehandeld met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 16 augustus 1994 verzocht mevrouw te Heiloo
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Minister van Justitie te ‘s-Gravenhage (hierna: de wederpartij) jegens
haar onderscheid maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Verzoekster heeft een deeltijdfunctie bij de wederpartij. Tot 1
november 1991 werkte zij ongeveer 9 jaar fulltime. In april 1995
ontving zij een ambtsgratificatie, die was gebaseerd op het
deeltijdsalaris van dat moment. Met de jaren waarin zij voltijds werkte
is geen rekening gehouden. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
hiermee in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994 is
de Algemene Wet gelijke behandeling in werking getreden. De Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is op die datum
opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1
september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling. Deze
Commissie heeft het onderzoek voortgezet.

2.2. Partijen zijn vervolgens uitgenodigd voor een zitting op 27 juni
1995. Verzoekster is niet verschenen op deze zitting.

2.3. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de wederpartij – dhr

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw drs. M.G. Nicolai (lid Kamer) – dhr mr W.A. van
Veen (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster werkte op 1 april 1995 12,5 jaar bij de wederpartij.
Tot 1 november 1991 werkte zij in een voltijdfunctie, daarna in een
deeltijdfunctie. Bij brief van 8 augustus 1994 is verzoekster
meegedeeld dat de datum van haar ambtsjubileum van 12,5 jaar onder
voorbehoud is vastgesteld op 1 april 1995. Zij heeft dan recht op een
gratificatie.

3.2. Dit is geregeld in de Regeling gratificatie bij ambtsjubileum van
3 november 1989 (Staatscourant 1989, 223; Regeling gewijzigd bij
Besluit van 26 november 1991, Staatscourant 1991, 242), die is
vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken, en wordt toegepast
door de wederpartij (hierna: de Regeling).

Als belanghebbende merkt deze regeling aan: a. degene waarop artikel
79, derde lid van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Stb. 1931,
248) van toepassing is; b. degene waarop artikel 51, derde lid, van het
Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 1931, 354) van toepassing is; c.
degene, waarop artikel 114, derde lid, van het Ambtenarenreglement
Staten-Generaal (Stb. 1979, 123) van toepassing is.

Artikel 2 eerste lid van de Regeling bepaalt dat aan de belanghebbende
bij het bereiken van een diensttijd van 12,5, 25, 40 of 50 jaar een
gratificatie wordt toegekend. Artikel 2, eerste lid, bepaalt tevens dat
de gratificatie bij een ambtsjubileum van 12,5 jaar 25% van de
bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedraagt.

Artikel 4 van de regeling geeft aan wat tot de diensttijd gerekend
wordt.

Artikel 7 eerste lid van de Regeling bepaalt dat als grondslag voor de
berekening van de gratificatie wordt gehanteerd de bezoldiging,
vermeerderd met de vakantie-uitkering, die voor de belanghebbende geldt
op de datum van het ambtsjubileum.

3.3. In 1994 werden, uitgesplitst naar geslacht en aantal jaren
diensttijd de volgende gratificaties verleend:

man vrouw
12,5 jr 447 332
25 jr 320 81
40 jr 29 3

Voor het peiljaar 1994 zijn verder de aantallen mannen en vrouwen
bekend die voor een ambtsjubileum in aanmerking kwamen, en tevens wat
op het moment van het ambtsjubileum de omvang van het dienstverband was
en wat de omvang was in de aan het jubileum voorafgaande periode.

12,5 jaar ambtsjubileum

vrouw: totaal 332 personen

voltijd 166 personen daarvoor ongewijzigd 148 daarvoor minder uren 18

deeltijd 166 personen daarvoor ongewijzigd 36 daarvoor minder uren 35
daarvoor meer uren 95

man: totaal 447 personen

voltijd 416 personen daarvoor ongewijzigd 406 daarvoor minder uren 10

deeltijd 31 personen daarvoor ongewijzigd 11 daarvoor minder uren 5
daarvoor meer uren 15

25 jaar ambtsjubileum

vrouw: totaal 81 personen

voltijd 45 personen daarvoor ongewijzigd 42 daarvoor minder uren 3

deeltijd 36 personen daarvoor ongewijzigd 18 daarvoor minder uren 10
daarvoor meer uren 8

man: totaal 320 personen

voltijd 310 personen daarvoor ongewijzigd 303 daarvoor minder uren 7

deeltijd 10 personen daarvoor ongewijzigd 6 daarvoor minder uren 1
daarvoor meer uren 3

40 jaar ambtsjubileum

vrouw: totaal 3 personen

voltijd 1 persoon daarvoor ongewijzigd 1 daarvoor minder uren –

deeltijd 2 personen daarvoor ongewijzigd 1 daarvoor minder uren –
daarvoor meer uren 1

man: totaal 29 personen

voltijd 25 personen daarvoor ongewijzigd 25 daarvoor minder uren –

deeltijd 4 personen daarvoor ongewijzigd 2 daarvoor minder uren –
daar voor meer uren 2

Deze gegevens hebben betrekking op het dienstverband van betrokkenen
bij het ministerie van Justitie en zijn beperkt tot de periode van 1985
tot 1994.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt dat de Regeling in strijd komt met de wetgeving
gelijke behandeling, doordat wordt uitgegaan van het salaris op het
moment van de gratificatie. De jaren waarin voltijds werd gewerkt
worden dan buiten beschouwing gelaten. Verzoekster is van mening dat
ook deze jaren meegenomen moeten worden in de berekening. Verzoekster
suggereert dat door dit niet te doen er sprake is van indirect
onderscheid op grond van geslacht, daar vrouwen meer dan mannen in
deeltijd gaan werken na verloop van tijd.

3.5. De wederpartij stelt in de eerste plaats dat er ten tijde van het
indienen van het verzoek geen sprake was van een definitief besluit
omtrent de gratificatie. Zij acht verzoekster daarom niet-ontvankelijk.
Bovendien, zo stelt de wederpartij, kan verzoekster na de bekendmaking
van het gratificatiebesluit desgewenst een bezwaarschriftenprocedure,
en vervolgens een beroepsprocedure bij de administratieve rechter
volgen. De bestuursrechter kan het gratificatiebesluit nietig
verklaren. De wederpartij is van mening dat op deze wijze in voldoende
rechtsbescherming is voorzien, zodat voor een beoordeling door de
Commissie in de onderhavige zaak geen ruimte is.

Verder, zo stelt de wederpartij, is de Minister van Binnenlandse Zaken
in deze kwestie het bevoegde orgaan, zijzelf is slechts ‘uitvoerder’
van de Regeling. In casu is sprake van een zogenaamde gebonden
beschikking, wat betekent dat de wederpartij geen vrijheid heeft om een
gratificatie al dan niet toe te kennen dan wel de hoogte daarvan te
bepalen. Wordt de regeling toch ter discussie gesteld, dan dient de
Minister van Binnenlandse Zaken als wederpartij aangemerkt te worden.

3.6. Ten aanzien van de inhoud van de regeling, is de wederpartij van
mening dat deze geen strijd oplevert met de wetgeving gelijke
behandeling. Met de regeling is beoogd een objectief criterium vast te
stellen op basis waarvan een gratificatie wordt toegekend. Het gaan
werken in deeltijd brengt volgens de wederpartij mee dat de bezoldiging
evenredig vermindert, en dus ook alle op deze bezoldiging gebaseerde
financiele aanspraken. Of iemand in deeltijd gaat werken is een
prive-beslissing, wat benadrukt wordt door verzoeksters opmerking dat
haar echtgenoot niet in deeltijd kan werken. Het nadelig effect waar
verzoekster mee te maken heeft, kan daarmee niet als discriminatoir
worden aangemerkt. De wederpartij erkent dat deze regeling in het geval
van verzoekster nadelig uitpakt. Er zijn echter ook gevallen waarin de
regeling mensen bevoordeelt, namelijk wanneer zij eerst in deeltijd en
op het moment van het jubileum voltijds (althans meer uren dan
voorheen) werken. De gratificatie wordt dan gebaseerd op het
voltijdsalaris, ook als niet steeds voltijds is gewerkt. De
wederpartij wijst daarbij op de cijfers over het peiljaar 1994, waaruit
geen nadelig effect voor vrouwen blijkt bij het verlenen van
gratificaties. Tevens wijst de Minister van Binnenlandse Zaken,
gevraagd naar de achtergrond en rechtvaardiging van de in de regeling
gevolgde berekeningswijze, op de circulaire van 10 juni 1971, nr.
AB71/U1471, die in onderdeel I een hardheidsclausule bevatte, op grond
waarvan in exceptionele gevallen, waarin stringente toepassing van de
regeling tot kennelijke onbillijkheid zou leiden, daarvan in
overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken kon worden
afgeweken. In de huidige regeling komt een vergelijkbare bepaling voor,
met dien verstande, dat het verkrijgen van overeenstemming met de
Minister van Binnenlandse Zaken thans niet meer is voorgeschreven.

De wederpartij heeft in casu niet aangegeven een reden voor toepassing
van de hardheidsclausule aanwezig te achten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster handelt
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling, door bij het toekennen
van de gratificatie geen rekening te houden met de jaren waarin zij
voltijds werkte.

In geding is artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB). Hierin is bepaald dat het bevoegd gezag geen onderscheid mag
maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de arbeidsvoorwaarden.

4.2. Op het moment van indienen van het verzoek was er nog geen
definitief besluit vastgesteld ten aanzien van het ambtsjubileum/de
gratificatie van verzoekster. De Commissie heeft niettemin besloten het
verzoek ontvankelijk te verklaren, omdat blijkens de Memorie van
Toelichting van de WGB een verzoek ook betrekking kan hebben op een
regeling die bij toepassing later kan leiden tot ongelijke behandeling.

De vraag die ter beoordeling voorligt, is dan of, wanneer toepassing
wordt gegeven aan de regeling, de wederpartij in strijd zal handelen
met de WGB.

4.3. De wederpartij ziet voor de Commissie geen ruimte om deze zaak te
beoordelen, aangezien er al voorzien is in een
bezwaarschriftenprocedure en een beroepsprocedure bij de rechter.

De gang naar de Commissie is echter een specifieke rechtsgang, die zich
slechts richt op het beoordelen van de vraag of al dan niet in
overeenstemming met de gelijke behandelingswetgeving is dan wel zal
worden gehandeld. De AWGB en WGB kennen niet het vereiste dat eerst
andere rechtswegen bewandeld dienen te worden. De bezwaren- en
beroepsprocedure kan daarmee los van de rechtsgang bij de Commissie
gevolgd worden.

4.4. Verder geeft de wederpartij aan slechts uitvoerder te zijn van de
in het geding zijnde gratificatieregeling. Zij meent dat de Minister
van Binnenlandse Zaken als wederpartij zou moeten worden aangewezen,
aangezien deze verantwoordelijk is voor de regeling. Voor de
beantwoording van deze vraag acht de Commissie doorslaggevend dat hij
die als werkgever is aan te merken als wederpartij is te beschouwen
(Zie ook onder meer Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, 5 december 1991, oordeelnummer 371-91-80). Nu er een
dienstbetrekking bestaat tussen de wederpartij en verzoekster en uit
hoofde van die dienstbetrekking gratificatieverlening door de
wederpartij plaatsvindt, is laatstgenoemde terecht als wederpartij
aangemerkt.

4.5. Wat de inhoud van de Regeling betreft overweegt de Commissie het
volgende. Verzoekster stelt dat de Regeling nadelig uitwerkt voor
vrouwen omdat zij vaker dan mannen eerst voltijds werken en daarna in
deeltijd. Op het moment dat zij voor een gratificatie in aanmerking
komen, werken ze in deeltijd en wordt de gratificatie op dit
deeltijdsalaris gebaseerd. Met de voltijds gewerkte jaren wordt geen
rekening gehouden.

Verzoekster stelt dus dat sprake is van indirect onderscheid. Onder
indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg
heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5
maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986,
zaak 170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH &
Co.KG, zaak 171/88, 13 juli 1989.) – dat het onderscheid gemaakt wordt
om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen
zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken,
terwijl – dit doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.6. Verzoekster stelt de berekeningswijze van de gratificatie aan de
orde. Deze zou voor vrouwen minder gunstig uitvallen dan voor mannen.
Bekeken moet dan worden binnen de groep van gratificatie-gerechtigden,
hoeveel mannen en vrouwen nadeel ondervinden van de wijze van
berekening.

Uit de hierboven (onder 3.3) weergegeven cijfers, komt het volgende
beeld naar voren, wat betreft het relatieve nadeel voor mannen en
vrouwen bij de toepassing van de regeling na wisseling van arbeidsduur:

12,5 jaar

effect effect
neutraal nadeel voordeel neutraal nadeel voordeel

VTA 98% 2% 89% 11%
DTA 36% 48% 16% 22% 57% 21%
VTA+DTA 93% 0,03% 3% 55% 29% 16%

25 jaar

VTA 98% 2% 93% 7%
DTA 60% 30% 10% 50% 22% 28%
VTA+DTA 97% 0,9% 2,5% 74% 10% 16%

40 jaar

VTA 100% 100%
DTA 50% 50% 50% 50%
VTA+DTA 93% 7% 67% 33%

alle 3 samen 12,5 + 25 + 40 jaar

VTA 98% 2,3% 90% 10%
DTA 42% 44% 13% 27% 52% 22%
VTA+DTA 95% 2,5% 2,1% 60% 25% 31%

Deze cijfers zijn als volgt berekend. Voor de categorie 12,5
dienstjaren geldt bijvoorbeeld dat 166 mannen op het moment van het
betreffende ambtsjubileum voltijds werken. Bij 148 mannen was sprake
van een ongewijzigde arbeidsduur. Dat impliceert een neutraal effect
van de arbeidsduur op de hoogte van de gratificatie. Dit neutrale
effect geldt voor 98% van de mannen in deze categorie (148 van 166
mannen). Overigens kan door het afronden van de percentages in een
bepaalde categorie het totaal van de gevallen iets boven of onder de
honderd procent komen.

Op basis van deze gegevens stelt de Commissie vast, dat weliswaar in
alle gevallen het effect van de regeling het meest neutraal is voor
mannelijke ambtenaren. Voor vrouwen treedt weliswaar in sommige
gevallen iets meer nadeel op, maar ook in bepaalde gevallen meer
voordeel. In die gevallen, waarbij het nadeel voor vrouwen iets groter
is, is er bovendien naar het oordeel van de Commissie geen sprake van
een zodanig groot nadeel ten opzichte van mannen, dat er gesproken kan
worden van een vermoeden van indirect onderscheid.

Daarmee is vastgesteld dat bij toepassing van de onderhavige
gratificatieregeling niet in strijd wordt gehandeld met de WGB. Daaraan
doet overigens niet af, dat het de wederpartij vrij staat om in
gevallen als het onderhavige waarin wel van een nadeel voor betrokkene
sprake is, gebruik te maken van de mogelijkheid tot toepassing van de
hardheidsclausule.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Minister van Justitie
te ’s Gravenhage jegens mevrouw geen onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt in strijd met artikel 1a Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid.

Rechters

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw drs. M.G.Nicolai (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw mr G.L.M.Lenssen (secretaris Kamer).