Instantie: Rechtbank Maastricht, 22 augustus 1995

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


Moeder en dochter (19 jaar) worden jarenlang door hun stiefvader
geterroriseerd. De man wordt door de moeder door middel van messteken om het
leven gebracht waarna het stoffelijk overschot in stukken werd gesneden. De
rechter acht niet bewezen verklaard dat de dochter enige uitvoerings-
handeling heeft verricht. Wel acht de rechtbank de dochter schuldig aan het
medeplegen van moord. De rechtbank stelt dat de dochter haar moeder heeft
geholpen bij het beramen van de moord en met het wegwerken van het stoffelijk
overschot. De dochter wordt daarvoor veroordeeld tot zeven jaar
gevangenisstraf.

Volledige tekst

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de
terechtzittingen van 21 februari 1995, 3 maart 1995, 16 mei 1995 en 8
augustus 1995.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 12 november 1994 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in
het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade L. van het
leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van)
haar mededader(s) opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die L.
meermalen, althans eenmaal, met een of meer mes(sen), althans een of meer
scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) in de borst en/of in de
rug en/of in de hals en/of in de buik gestoken en/of het hoofd van die
. van diens romp afgesneden, tengevolge waarvan voornoemde L. is overleden;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht
of zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 12 november 1994 in de gemeente Kerkrade tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk L. van het
leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van)
haar mededader(s) opzettelijk die L. meermalen, althans eenmaal, met een of
meer mes(sen), althans een of meer scherpe en/of puntige en/of snijdende
voorwerp(en) in diens borst en/of diens hals en/of diens buik gestoken en/of
het hoofd van die L. van diens romp afgesneden, tengevolge waarvan voornoemde
. is overleden;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht zou kunnen leiden, dat:

zij op of omstreeks 12 november 1994 in de gemeente Kerkrade, in elk geval in
het Arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen, opzettelijk (en met voorbedachten rade) L. van het
leven heeft beroofd, immers heeft/hebben H. en/of (een of meer van) haar
mededader(s) opzettelijk (en na kalm beraad en rustig overleg), die L.
meermalen, althans eenmaal, met een of meer mes(sen), althans een of meer
scherpe en/of puntige en/of snijdende voorwerp(en) in de borst en/of in de
rug en/of in de hals en/of in de buik gestoken en/of het hoofd van die
. van diens romp afgesneden, tengevolge waarvan voornoemde L. is overleden,
bij het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, op of omstreeks 12 november
1994 in de gemeente Kerkrade, althans in het arrondissement Maastricht, door
daartoe, ingevolge een tevoren met H. en/of haar mededader(s) gemaakt plan,
althans gemaakte afspraken, nabij de plaats des misdrijfs op bericht te
wachten en onmiddellijk daarna samen met (een) ander(en), althans alleen het
lichaam van voornoemde L. in stukken te snijden, althans van een of meer
ledema(a)t(en) te ontdoen en/of vervolgens die ledematen in kleinere stukken
te snijden teneinde aldus het lichaam van die
. geheel of ten dele te doen verdwijnen, opzettelijk behulpzaam is geweest.

Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting overweegt de rechtbank
in de eerste plaats dat slechts verdachte en haar medeverdachte H. als
mogelijke daders van de in de primaire tenlastelegging bedoelde moord op L.
in beeld komen. De vraag of deze moord wettig en overtuigend is bewezen en zo
ja, of wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte en haar medeverdachte
H. daarbij ook daadwerkelijk betrokken zijn geweest, wordt vooralsnog
daargelaten. De primaire tenlastelegging laat, ook waar zij uitgaat van het
medeplegen van moord, de mogelijkheid open dat slechts een dader – verdachte
en/of haar mededader – de uitvoeringshandeling(en) heeft verricht welke de
dood van . tot gevolg heeft/hebben gehad. De rechtbank begrijpt en leest de
primaire
tenlastelegging aldus, dat in dat geval – gezien het inleidende
kwalificatieve deel van de primaire tenlastelegging – aan het verrichten van
de uitvoeringshandeling(en) door deze dader een gemeenschappelijk opzet van
beide daders ten grondslag heeft gelegen en dat de beide daders het aan die
uitvoeringshandeling(en) voorafgegane kalm beraad en rustig overleg tezamen
en in vereniging hebben gehouden en gevoerd.

Dat vooropgesteld hebbende, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen
dat de verdachte het bij dagvaarding primair ten laste gelegde heeft begaan,
met dien verstande dat:

zij op of omstreeks 12 november 1994 in de gemeente Kerkrade tezamen en in
vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade L. van het
leven heeft beroofd, immers heeft haar mededader opzettelijk en na kalm
beraad en rustig overleg L. meermalen met een mes in de borst en/of in de rug
en/of in de hals gestoken, tengevolge waarvan voornoemde L. is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding
primair meer of anders is ten laste gelegd.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte, het eerder overwogene
mede in aanmerking genomen, L. tezamen en in vereniging met een ander
opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg van het leven heeft beroofd,
als nader in vorenstaande bewezenverklaring omschreven, op feiten en
omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat:

(…)

Uit deze bewijsmiddelen blijkt enerzijds dat L. opzettelijk en na kalm beraad
en rustig overleg van het leven is beroofd, anderzijds dat de opzet om L. van
het leven te beroven bij verdachte en haar medeverdachte H. aanwezig is
geweest en dat zij bedoeld beraad en overleg gezamenlijk hebben gehouden en
gevoerd.

Immers, hoewel meergenoemde H. degene is geweest die als eerste het idee
heeft opgevat om L. van het leven te beroven, heeft verdachte, door H. van
haar voornemen deelgenote gemaakt, zich onmiddellijk en onvoorwaardelijk met
dit idee verenigd, waarna voor de uitvoering daarvan tussen beiden afspraken
zijn gemaakt, alsmede door H. in samenspraak met verdachte een plan is
beraamd voor de wijze waarop zij zich na de dood van L. van diens lijk zouden
ontdoen.

Verdachte is niet alleen bij de uitvoering van laatstbedoeld plan in
belangrijke mate betrokken geweest, doch heeft ook in de aan de dood van L.
voorafgaande fase een wezenlijke rol vervuld. Deze rol komt niet slechts tot
uiting in het maken van eerder bedoelde afspraken en het beramen van eerder
bedoeld plan, doch ook in het feit dat verdachte blijkens haar hierboven
weergegeven, op 22 november 1994 afgelegde verklaring reeds voor 12 november
1994 tezamen met H. heeft geprobeerd althans heeft willen proberen
. van het leven te beroven. Voorts komt uit de tot het bewijs gebezigde
verklaringen van verdachte en de medeverdachte H. naar voren dat
laatstgenoemde zich regelmatig, zo niet bij voortduring, door een veelal
onder invloed van alcohol verkerende L. vernederd en gekleineerd heeft
gevoeld, dat L. zich daarbij ook meermalen verbaal agressief over verdachte
heeft uitgelaten, dat verdachte en haar medeverdachte het er deswege over
eens waren geworden dat L. dood moest als hij zich aldus zou blijven
gedragen, dat
. weer “ladderzat” was toen verdachte op 12 november 1994 aan het begin van
de avond naar het café ging en dat verdachte een “helder hoofd” wilde houden,
omdat zij zich erop had ingesteld dat er die nacht “iets ging gebeuren”.

Niettegenstaande het feit dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen
acht dat (ook) verdachte (uiteindelijk) enige uitvoeringshandeling heeft
verricht welke de dood van L. (mede) tot gevolg heeft gehad, blijkt uit
vorenbedoelde omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd,
van een zodanige geestelijke betrokkenheid van verdachte voor, tijdens en na
het plaatsvinden van de moord op L. en van een zodanige nauwe samenwerking
tussen verdachte en de medeverdachte H., dat elk van hen met betrekking tot
die moord als dader dient te worden aangemerkt.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

medeplegen van moord,
voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 47, eerste lid,
aanhef en onder 1., van het Wetboek van Strafrecht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de
verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden
opgelegd, heeft de rechtbank zich vooreerst laten leiden door:
a. de aard van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en
b. de persoon van de verdachte.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het
bijzonder gelet op:
– de mededeling namens de beheerder van de afdeling van de justitiële
documentatiedienst ten departemente van justitie d.d. 23 november 1994,
inhoudende dat verdachte onbekend is in het algemeen documentatieregister van
die afdeling;
– de over de verdachte door de reclassering uitgebrachte
voorlichtingsrapportage d.d. 10 februari 1995;
– het psychiatrisch rapport d.d. 13 februari 1995, opgemaakt door de
psychiater prof. dr. A.M.H. van Leeuwen en
– het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 24 juli 1995, opgemaakt en
ondertekend door psychologe A.T. Spangenberg, de zenuwarts A.W.M. Mooij en de
assistent-psychiater T.A. Wouters.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, met name gezien het laatstgenoemde
rapport, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan – hetgeen de
raadsvrouwe van verdachte kennelijk bij haar ter terechtzitting van 21
februari 1995 gehouden pleidooi heeft bedoeld te stellen – het bepaalde in
artikel 77d, eerste lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafrecht.

Gezien enerzijds de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde feit, waarbij
de norm van zeer fundamentele aard, neergelegd in artikel 289 van het Wetboek
van Strafrecht, is geschonden en waarbij, zonder enig mededogen voor het
slachtoffer te tonen, een gruwzaam plan op een even gruwzame manier tot
uitvoering is gebracht – de wijze waarop verdachte en haar medeverdachte H.
zich van het stoffelijk overschot hebben ontdaan mede in aanmerking genomen –
, doch anderzijds rekening houdend met de omstandigheid dat niet verdachte,
maar de medeverdachte H. zowel tot bedoeld plan als tot de uitvoering
daarvan, het initiatief heeft genomen en aan die medeverdachte daarbij ook
overigens een tot op zekere hoogte sturende rol valt toe te schrijven,
alsmede en in aanzienlijke mate rekening houdend met de nog jeugdige leeftijd
van verdachte, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na
te melden duur op haar plaats.

Inzake het beslag wordt tenslotte en volledigheidshalve nog overwogen dat de
op de betreffende lijst achter de punten 5 en 6 nader omschreven voorwerpen
blijkens het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte op deze lijst zijn
opgevoerd, reden waarom de rechtbank in de onderhavige strafzaak ter zake
geen beslissing zal nemen.

De op te leggen straf is – behalve op voormelde artikelen – gegrond op de
artikelen 10 en 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissingen

De rechtbank:

– verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij
dagvaarding primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft
begaan;

– vaststaat dat het bewezen verklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit
oplevert;

– verklaart verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde strafbaar;

– veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezen verklaarde tot een
gevangenisstraf voor de tijd van zeven jaren;

– beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de
uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in
mindering zal worden gebracht;

– verklaart niet in staat te zijn tot het geven van een last omtrent de
teruggave aan een met name genoemde persoon van het inbeslaggenomene, te
weten: een bloedmonster DNA B 0244;

– verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding primair meer
of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen verklaard en spreekt haar
daarvan vrij.

Rechters

Mrs Huinen (vz), Smit, Van Dijk

Instantie: Rechtbank Maastricht, 22 augustus 1995

Instantie

Rechtbank Maastricht

Samenvatting


De vrouw, die na jarenlang te zijn geterroriseerd, haar man met messteken om
het leven brengt wordt veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf. De
rechtbank verwerpt het verweer dat de vrouw uit noodweer zou hebben
gehandeld. De man had zijn vrouw met een hamer bedreigd. Maar volgens de
rechtbank was de man niet meer in staat daarmee te slaan omdat hij te dronken
was.
De dochter, die heeft geholpen met het wegwerken van het lijk, is veroordeeld
tot zeven jaar gevangenisstraf. (nr. 03/005898-94)

Volledige tekst

Zonder enige toelichting wordt hier het begrip `culturele achtergrond’
gehanteerd. Van de vrijheid die gedragsdeskundigen voor hun strafrechtelijke
rapportage aangereikt krijgen, wordt hier stellig gebruik gemaakt. Wat echter
precies het cultuurbegrip inhoudt en wat voor rol culturele verschillen
spelen in de strafrechtspleging is geenszins duidelijk (zie hierover ook: J.
Fiselier, F. Strijbosch (red), Cultuur en Delict, Themanummer van Recht der
werkelijkheid, nr. 2, 1992 ‘s-Gravenhage.) Het begrip cultuur wordt als
verzamelterm gebruikt voor allerlei verschijnselen, die min of meer in
verband staan met het feit dat een persoon, in dit geval de verdachte,
afkomstig is uit een ander land. In toenemende mate worden in strafzaken
tegen allochtonen de gedragingen van de dader in verband gebracht met zijn
sociaal-culturele achtergrond. In de Verenigde Staten is er een beweging die
pleit voor specifieke aandacht voor culturele factoren in het strafproces en
voor het opnemen in de wet van de zogenaamde cultural defense (H. Wiersinga,
Amerika: de `melting pot’ en het recht, in: Proces nr. 6, 1996, p. 119-127).
Een dergelijk verweer staat een uiteindelijke strafvermindering voor. Ook in
zaken waarin de culturele achtergrond niet zeer van belang lijkt, moet,
volgens deze beweging, de verdediging de gelegenheid krijgen de culturele
omstandigheid naar voren te brengen. In de Nederlandse rechtspraak zien we
dat als culturele factoren door de verdediging naar voren worden gebracht, ze
naast een strafverlichtende werking ook een strafverzwarende werking kunnen
hebben. Wiersinga beschrijft een geval waarin een man na (al of niet
vermeend) overspel van de vrouw haar met messteken om het leven heeft
gebracht. De verdediging pleitte primair voor psychische overmacht,
subsidiair strafvermindering. Het desbetreffende hof was van oordeel dat de
verdachte had gehandeld in een primitieve reactie op de aantasting van zijn
eergevoel. De Islamitische achtergrond van de verdachte speelde daarbij juist
geen strafverminderende rol. Verdachte’s handelen viel niet te rijmen met de handelswijze van iemand die een
eremoord `in Islamitische zin’ pleegt. Uiteindelijk was er een minieme
`erkenning’ van de mogelijke invloed van de cultuur van de verdachte: zijn
eergevoel zou iets sneller zijn aangetast (H. Wiersinga, Dossier van een
verloren zaak, in: Delikt en Delikwent afl. 6, 1996, p. 528-545; Zie voor een
uitweiding over de multiculturele achtergrond van Turkse verdachten in het
Nederlandse strafproces: Y. Yesilgoz, Allah, Satan en het recht: Communicatie
met Turkse verdachten, Gouda Quint-Arnhem, 1995).
Van Walsum waarschuwt voor het aanvoeren van culturele argumenten in een
juridische zaak (zie o.a. S. Van Walsum, Het machtskarakter van het
cultuurdebat, in: Nemesis 1992, nr. 2, p. 12-17). Stereotiepe
orientalistische clichés kunnen als uitvlucht gebruikt worden, terwijl
personen en progressieve bewegingen die niet passen bij die clichés naar de
achtergrond verdwijnen. Daarnaast kan een culturele analyse van problemen de
aandacht afleiden van andere, meer wezenlijke oorzaken van die problemen. In
de onderhavige zaak is geen sprake van een cultural defense door de
verdediging. Zoals reeds aangekaard, komt helemaal niets naar voren over de,
eventueel opgevoerde, verdedigingslijn. De deskundigen-rapporten, die in de
strafmotivering van de rechter worden meegewogen, benadrukken echter wel de
culturele factoren die van invloed zijn op de problemen die de verdachte
ervoer met zijn relatie. Ik ben van mening dat de culturele factoren in de
rapporten ook zodanig hadden kunnen worden geïnterpreteerd dat er in casu
sprake was van een doding met voorbedachte rade. Als advocaat van de duivel,
maar dan aan de zijde van justitie is dit te beredeneren afgaande op de,
wellicht sporadische, feiten uit het psychiatrisch rapport. In het rapport
wordt gesproken over een `afstraffing van een alles of niets karakter’, over
het `executeren van de door de cultuur gedecreteerde rechten als echtgenoot
en vader van het gezin’. Wat deze rechten in de gedachten van de verdachte
inhouden, lijfelijke mishandeling of zelfs doding, wordt niet vermeld. In
deze zaak wordt niet geconcludeerd tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid
van de verdachte. Ook niet tot een toestand van psychische overmacht. Een
voorbedachte rade bij het handelen van de echtgenoot is in een requisitoir
wellicht aannemelijk te maken met het accent op het feit dat de verdachte
onvoldoende steun kreeg van de `extended’ family om tot een oplossing te
komen van zijn `relatieproblemen’ en hij uiteindelijk vanuit een (vermeend)
cultureel recht (of plicht) met volle overtuiging,
willens en wetens heeft gehandeld. Wiersinga stelt dan ook terecht dat een
eventueel beroep op een `cultural defense’ door de verdediging ook tegen de
verdachte kan werken, doordat de cultuur van de verdachte de handeling in
feite heeft `voorbedacht’ (Wiersinga 1996).
Met Van Walsum ben ik van mening dat culturele argumenten niet zomaar
klakkeloos door de verdediging naar voren moeten worden gebracht. Ook in
deskundigen-rapportage moet men rekening houden met de negatieve effecten van
een inbreng van culturele factoren. De `waarheden’ die in het onderhavige
psychologisch rapport worden vermeld over mensen met een Pakistaanse
achtergrond, zijn voorbeelden van stereotiepe clichés waarvoor geen enkele
objectieve argumentatie wordt gegeven.
Suzian van der Maas

Rechters

Mrs. Huinen, Smit, Van Dijk

Instantie: Kantonrechter Brielle, 22 augustus 1995

Instantie

Kantonrechter Brielle

Samenvatting


Verzoek ex art. 7A: 1639 w BW tegen een gehuwde werknemer die enige jaren
gelden met een ondergeschikte een relatie heeft gehad, doch na de geboorte
van zijn kind de relatie met de moeder heeft verbroken. Aan betrokkene
werd in juni 1995 verweten dat hij onvoldoende krachtig leiding gaf
doordat hij, nadat zijn relatie met zijn ondergeschikte openbaar was/waren
geworden, zijn gezag onvoldoende had hersteld. De afspraak werd gemaakt
dat werknemer zijn stijl van leidinggeven zou veranderen. Vervolgens ging
werknemer vitten op zijn ondergeschikte en moeder van zijn kind, wier
nieuwe partner daarover klaagde bij werkgeefster die daarin aanleiding zag
werknemer op non-actief te stellen en op grond van verstoring van de
arbeidsverhouding ontbinding te verzoeken. Hoewel betrokkene geruime tijd
nadat zijn relatie openbaar was geworden in zijn functie werd gehandhaafd,
worden de wijze waarop hij met een zijner ondergeschikten is omgegaan en
het daardoor veroorzaakte verlies van gezag als wijziging van
omstandigheden aangemerkt welke tot ontbinding dient te leiden. Voor
toekenning van een vergoeding -werknemer heeft ƒ 100.000,= gevraagd -wordt
geen aanleiding gezien.

Volledige tekst

De beoordeling van het verzoek

1. In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan. X is op 1 november
1989 bij verzoekster in dienst getreden. Zijn functie was die van hoofd
voedingsdienst. Als zodanig had hij de leiding over een veertigtal
medewerkers. Met een van die medewerkers, mevrouw G heeft X in 1992 een
intieme relatie gehad, uit welke relatie een kind is geboren. Dat is in
1994 bekend geworden. X, die gehuwd is, heeft vervolgens aan de relatie
een eind gemaakt. Naar aanleiding van een en ander zijn tussen X en zijn
leidinggevenden afspraken gemaakt om te bevorderen dat hij het geschonden
vertrouwen tussen hem en zijn ondergeschikten zou herwinnen. Eerst is
afgesproken dat hij elders werk zou zoeken, maar toen hem dat niet lukte
heeft de Stichting hem nog een kans gegeven en de in dat verband gemaakte
afspraken vastgelegd in een brief van 7 december 1994.

Onder meer is daarin aan X geschreven dat de afspraken in juni 1995 zouden
worden geevalueerd. In juni 1995 is er een conflict geweest tussen twee
medewerkers van X, die volgens de Stichting hun oorzaak daarin vonden dat
de leiding die X gaf niet krachtig genoeg was doordat hij zijn gezag na
het openbaar worden van zijn relatie met mevrouw G. nog steeds niet goed
had hersteld. De Stichting heeft toen met X afgesproken dat hij zijn stijl
van leidinggeven zou veranderen. Op 13 juli 1995 zijn er woorden geweest
tussen mevrouw G en X omdat eerstgenoemde volgens X, op een provocerende
manier na haar diensttijd vertrok met in haar hand een appel en een ijsje.
X heeft haar toen ter verantwoording geroepen en heeft dat de volgende dag
opnieuw gedaan.

Mevrouw G heeft zich vervolgens ziek gemeld. De nieuwe partner van mevrouw
G heeft toen telefonisch contact met X opgenomen en met X een afspraak
gemaakt, maar heeft daar vervolgens weer van afgezien en heeft het voorval
aangekaart bij de superieur van X, mevrouw Troost, hoofd civiele dienst.
In overleg met haar heeft de directie vervolgens besloten X op non-actief
te stellen en een ontbindingsverzoek in te dienen. 2. De Stichting stelt
zich op het standpunt dat de verhoudingen tussen partijen ernstig zijn
verstoord en dat dat in overwegende mate aan X is te verwijten, op grond
waarvan zij meent dat het dienstverband binnen korte tijd moet worden
ontbonden en dat aan X geen vergoeding toekomt, in ieder geval geen hogere
vergoeding dan wat gebruikelijk is.

3. X is van mening dat de arbeidsverhouding niet onherstelbaar is
verstoord, dat de relatie die tussen zijn medewerker G en hem heeft
bestaan de Stichting niet aangaat en dat hem overigens niet bekend is dat
die relatie en haar gevolgen de medewerkers heeft ontdaan of dat die
medewerkers de verdere gang van zaken hebben veroordeeld. Hij meent dat
als de verhoudingen al zijn verstoord dat niet aan hem lig omdat hij zijn
best heeft gedaan om de verhoudingen weer in het reine te brengen. Van een
onwerkbare situatie is volgens hem geen sprake. Hem komt naar zijn
opvatting een vergoeding toe van ƒ 100.000,=.

3. De kantonrechter oordeelt als volgt. Aannemelijk is geworden dat X als
hoofd voedingsdienst, door de wijze waarop hij met zijn ondergeschikte,
mevrouw G is omgegaan, zijn gezag bij zijn medewerkers zo zeer is kwijt
geraakt dat hij reeds om die reden niet in zijn functie kan worden
gehandhaafd. Dat de Stichting hem, nadat de afspraak dat hij een andere
baan zou zoeken geen resultaat had gehad, nog een kans heeft willen geven
zijn gezag te herstellen maar dat niet is gelukt, kan haar niet worden
tegen geworpen, zij het dat het de vraag is hoe zij in redelijkheid kon
verwachten dat X en mevrouw G na het einde van hun relatie in een positie
van leidinggevende/ondergeschikte konden blijven samenwerken. Dat X de
opdracht van zijn chef meer daadkracht te tonen bij het leidinggeven aldus
uitvoerde dat hij mevrouw G kapittelde om het eten van een ijsje en een
appel op het moment dat haar diensttijd voorbij was en zij naar huis
vertrok en dat hij zulks de volgende ochtend nog eens over deed, geeft
niet blijk van een juist inzicht in wat belangrijk is en wat niet.

X heeft niet kunnen uitleggen waarom hij zich op dat moment zo aan het
gedrag van mevrouw G tegenstond. Wel heeft hij verklaard dat het gedrag
van mevrouw G in het algemeen de laatste maanden in hoge mate stoorde.
Aannemelijk is daarom dat de verhouding tussen in ieder geval X en mevrouw
G ernstig is verstoord en dat de samenwerking tussen die twee niet meer
goed mogelijk is. Aangezien echter bij voortzetting van het dienstverband
met X die samenwerking juist noodzakelijk is, terwijl niet is gebleken van
omstandigheden dat van de stichting zou kunnen worden gevergd het
dienstverband met mevrouw G te beeindigen, valt ook in dat licht niet in
te zien hoe handhaving van het dienstverband met X in redelijkheid tot de
mogelijkheden behoort. Een en ander betekent dat het ontbindingswerk moet
worden gehonoreerd. De vraag is dan of X een vergoeding toekomt. Dat zou
het geval zijn indien de verstoring van de arbeidsverhouding niet in
overwegende mate aan X valt te verwijten. Het gezagsverlies van X bij zijn
medewerkers in het algemeen en de problemen met mevrouw G in het bijzonder
zijn echter veroorzaakt doordat hij met laatstgenoemde een intieme
verhouding heeft aangeknoopt, gevolgd door de geboorte van een kind, en
zijn beslissing om de relatie te beeindigen ten gunste van zijn
echtgenote.

Dat zijn omstandigheden die voor zijn rekening komen. Het dienstverband
zal dus worden ontbonden zonder toekenning van een vergoeding. De
proceskosten zullen worden gecompenseerd.

Rechters

mr. P.H. Veling

Instantie: Hof ‘s-Gravenhage, 18 augustus 1995

Instantie

Hof ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Tussen de vader en de kinderen is een omgangsregeling tot stand gekomen.
De moeder gaat hiertegen in beroep. De moeder wil een ruimere
bezoekregeling dan de vader. Volgens het hof kan deze opvatting dat een
voogd een uitbreiding van de omgangsregeling kan verzoeken worden
gebaseerd op art. 1:161a lid 2 BW. Het hof acht zich derhalve bevoegd. Er
wordt nog geen uitspraak gedaan over de inhoudelijke kant van het verzoek
omdat de ouders eerst willen proberen zelf tot een bevredigende regeling
te komen. Het hof stelt de kinderalimentatie vast op ƒ 175,- per maand per
kind.

Volledige tekst

Het geding

De partijen zijn in 1982 met elkaar gehuwd.

Bij beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 22 december 1994 is
tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is
over de minderjarigen 1. Nicky, geboren op 28 september 1983, en 2.
Vanity, geboren op 24 januari 1987, de moeder benoemd tot voogdes en de
vader tot toeziende voogd en is het verzoek van de moeder om een door de
vader te betalen kinderalimentatie vast te stellen afgewezen. Tevens is
een omgangsregeling bepaald, inhoudende dat de vader de kinderen eenmaal
per veertien dagen een weekend bij zich mag hebben, te weten -bij
nachtdienst- van zaterdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur en — –bij
dagdienst- van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur.

De moeder is tijdig in hoger beroep gekomen en heeft verzocht de bestreden
beschikking te vernietigen voor wat betreft de afwijzing van het verzoek
tot vaststelling van een kinderalimentatie, en alsnog een
kinderalimentatie vast te stellen van ƒ 200,= per maand per kind.

In haar aanvullend hoger beroepschrift heeft de moeder verzocht in het
kader van de omgangsregeling vast te stellen dat de vader de minderjarigen
eenmaal per veertien dagen een weekend bij zich zal hebben, te weten -bij
nachtdienst- van zaterdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur en bij dagdienst
van vrijdag 17.00 uur tot zondag 19.00 uur.

De vader heeft een verweerschrift ingediend en verzocht de bestreden
beschikking te bekrachtigen en de moeder niet- ontvankelijk te verklaren
in haar verzoeken danwel haar verzoeken af te wijzen.

Op 9 juni 1995 is de zaak mondeling behandeld.

Beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep inzake de
omgangsregeling.

De partijen zijn het er over eens, dat de vader de kinderen eenmaal per
veertien dagen bij zich mag hebben en dat de kinderen, indien de vader de
betreffende week nachtdienst heeft gehad, vanaf zaterdag 17.00 uur bij hem
zullen verblijven. Omtrent de weekeinden na een week dagdienst van de
vader zijn de partijen het niet eens. De moeder heeft het hof verzocht
vast te stellen, dat de kinderen in deze weekeinden op vrijdag 17.00 uur
naar hem toe zullen gaan. De vader verzet zich hiertegen. Hij wenst dat
de kinderen conform de uitspraak van de rechtbank op zaterdag 10.00 uur
bij hem komen.

De vraag is of de moeder ontvankelijk is in haar verzoek tot vaststelling
van een ruimere omgangsregeling dan de vader wil. Hiertegen kan worden
aangevoerd dat de omgangsregeling meestentijds wordt beschouwd als een
inbreuk op de bevoegdheid die de voogd heeft om te bepalen waar de
kinderen verblijven en dat een voogd geen vergroting van de inbreuk op
zijn eigen bevoegdheid kan verzoeken. Het hof is van oordeel dat zwaarder
moet wegen het praktische argument dat de rechter een uitspraak moet
kunnen doen in een geschil tussen gescheiden ouders, daaruit bestaande dat
de voogd wil dat de omgangsregeling uitgebreider moet zijn dan de
niet-voogd wenst. Beiden kunnen voor hun standpunten volstrekt legitieme
argumenten hebben.

Het hof meent dat de voogd in een kwestie als deze een beroep kan doen op
de verantwoordelijkheid die een ouder heeft jegens zijn kinderen, ook
indien hij na een echtscheiding niet tot voogd is benoemd. Ook vindt het
hof steun voor de opvatting dat een voogd een uitbreiding van de
omgangsregeling kan verzoeken in de bewoordingen van artikel 1:161a lid
2 BW. In dat artikel wordt bepaald dat de rechtbank “op verzoek van de
ouders of een van hen” een regeling inzake de uitoefening van het
omgangsrecht vaststelt. Deze bewoordingen wijzen erop dat de wetgever niet
alleen heeft gedacht aan de mogelijkheid dat de niet-voogd vaststelling
van een omgangsregeling verzoekt, doch ook aan de mogelijkheid dat de
voogd dat doet. Het hof acht de moeder derhalve ontvankelijk in haar
verzoek tot uitbreiding van de omgangsregeling.

Een vraag die in situaties als de onderhavige aandacht verdient, is of de
niet-voogd bereid zal zijn de kinderen langer bij zich te hebben dan hij
zelf wenselijk acht. In het onderhavige geval is dit echter geen probleem
nu de vader ter zitting heeft verklaard de kinderen reeds op vrijdagavond
te ontvangen, indien het hof van oordeel is dat hij dit zou moeten doen.

Beoordeling van het hoger beroep

De omgangsregeling

De partijen hebben het hof verzocht een uitspraak te doen over de
ontvankelijkheid van de moeder in het bovenomschreven verzoek, doch thans
nog geen uitspraak te doen over de inhoudelijke vraag over de duur van het
verblijf van de kinderen bij de vader na een dagdienst. Zij verklaarden
eerst een poging te willen doen in onderling overleg tot een regeling te
komen van dit geschilpunt. Het hof zal de behandeling op dit punt dan ook
aanhouden.

De kinderalimentatie

De bedragen worden op hele guldens afgerond.

1. De behoefte aan een alimentatie van de minderjarigen staat als niet
bestreden vast.

2. Aangezien de door de vader betwiste stelling van de moeder dat de
partijen ten tijde van de procedure voor de rechtbank zijn overeengekomen
dat de vader een kinderalimentatie van ƒ 200,- per maand per kind zal
betalen niet vast is komen te staan, zal het hof thans aan de hand van de
bekende financiele gegevens bepalen of de draagkracht van de vader een
kinderalimentatie voor de minderjarigen toelaat.

3. De vader is werkzaam bij PTT Post B.V. te R. Zijn netto inkomen
bedraagt ƒ 2.687,- per maand exclusief vakantiegeld. Hij is
alleenstaand. Voor rekening van de vader komt per maand ƒ 756,- aan
huur. De premie begrafenisverzekering is ƒ 7,- per maand. De
betalingsverplichting op schulden bij het GEB en de Postbank bedraagt ƒ
100,- per maand, en de advocaatkosten bedragen ƒ 100,- per maand. De
kosten van de omgangsregeling zijn ƒ 90,- per maand.

4. Ter zitting zijn de partijen overeen gekomen dat met een totaal bedrag
van ƒ 250,- aan herinrichtingskosten van de vader rekening mag worden
gehouden, zodat derhalve geen rekening wordt gehouden met de schuld van
de vader aan zijn broer, eveneens voor herinrichtingskosten, van ƒ 200,-
per maand. Eveneens zijn de partijen het er over eens geworden dat geen
rekening dient te worden gehouden met de aflossing op de
betalingsachterstand bij de Gemeentelijke Sociale Dienst van ƒ 75,- per
maand.

5. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader een alimentatie
voor de minderjarigen toelaat van ƒ 175,- per maand per kind, welke
alimentatie in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

Het bovenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking in zoverre moet
worden vernietigd.

Beslissing van de zaak in hoger beroep

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank te R van 22 december 1994, voor
zover daarbij het verzoek van de moeder tot vaststelling van een
kinderalimentatie is afgewezen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met
ingang van de dag waarop de voogdij aanvangt op ƒ 175,- per maand per
kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling
te voldoen;

verklaart deze beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders verzocht is; verklaart de
moeder ontvankelijk in haar verzoek tot uitbreiding van de vastgestelde
omgangsregeling;

heropent het onderzoek inzake de omgangsregeling en houdt de behandeling
aan tot 1 december 1995 pro forma, met het verzoek aan de partijen om het
hof tijdig voor die datum te informeren over het resultaat van hun
besprekingen daaromtrent.

Rechters

Mr Overweel-Monshouwer

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 11 augustus 1995

Instantie

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen

Samenvatting


Het Hof van Justitie (Zesde kamer), uitspraak doende op de door de Court
of Appeal (Civil Division) bij beschikking van 18 januari 1994 gestelde
vragen, verklaart voor recht: Wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7,
lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid,
de pensioenleeftijd van vrouwen op 60 en die van mannen op 65 jaar stelt,
staat deze bepaling die Lid-Staat eveneens toe om, in de eerste plaats,
te bepalen, dat het bedrag van het invaliditeitspensioen dat personen
genieten die voor het bereiken van de pensioenleeftijd arbeidsongeschikt
zijn geworden, voor vrouwen bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar
en voor mannen vanaf 65 jaar wordt beperkt tot het reele bedrag van het
ouderdomspensioen en, in de tweede plaats, het recht op en
invaliditeitstoeslag, die wordt betaald als aanvulling op het
invaliditeitspensioen, voor te behouden aan personen die op het moment
waarop de arbeidsongeschiktheid ontstaat, in geval van vrouwen de leeftijd
van 55 jaar en in geval van mannen de leeftijd van 60 jaar nog niet hebben
bereikt.

Volledige tekst

Arrest

1 Bij beschikking van 18 januari 1994, ingekomen ten Hove op 17 maart
daaraanvolgend, heeft de Court of Appeal (Civil Division) krachtens
artikel 177 EG-Verdrag een aantal prejudiciele vragen gesteld over de
uitlegging van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad
van 19 december 1978 betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het
beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van
de sociale zekerheid (PB 1979, L6, blz. 24; hierna: “richtlijn 79/7”).

2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen Graham, Connell en
Nicholas en de Chief Adjudication Officer over de beperking van het bedrag
van hun invaliditeitspensioen toen zij de pensioenleeftijd bereikten en,
in het geval Graham, over de weigering haar een invaliditeitspensioen toe
te kennen.

3 In het Verenigd Koninkrijk bepaalt artikel 33 van de Social Security
Contributions and Benefits Act 1992 (hierna: “wet van 1992”) in hoofdzaak,
dat degene die voor een periode van 168 dagen wegens arbeidsongeschiktheid
ziektegeld heeft ontvangen, of een toeslag bij moederschap, of gedurende
diezelfde periode het wettelijke ziekengeld heeft ontvangen, maar voldoet
aan de premievoorwaarden voor ziektegeld, recht heeft op een
invaliditeitspensioen voor elke volgende dag van arbeidsongeschiktheid,
indien hij de pensioenleeftijd, die voor mannen op 65 jaar en voor vrouwen
op 60 jaar is gesteld, nog niet heeft bereikt, of indien hij niet meer dan
vijf jaar boven de pensioenleeftijd is en recht zou hebben gehad op een
ouderdomspensioen, indien hij de betaling ervan niet had opgeschort of
niet voor andere uitkeringen had geopteerd.

4 Het invaliditeitspensioen van degene die de pensioenleeftijd nog niet
hebben bereikt, is gelijk aan het bedrag van een volledig
ouderdomspensioen van overheidswege. Degene die de pensioenleeftijd zijn
gepasseerd, doch ervoor hebben gekozen de betaling van hun
ouderdomspensioen op te schorten, ontvangen een bedrag dat gelijk is aan
hun reele ouderdomspensioen, dat wordt bepaald aan de hand van het aantal
jaren van deelneming aan het arbeidsproces gedurende welke de betrokkene
de vereiste premies hebben betaald.

5 Krachtens artikel 34 van de wet van 1992 ontvangt degene die op het
moment waarop hij arbeidsongeschikt wordt, meer dan vijf jaar onder de
pensioenleeftijd is, gedurende de periode van onderbreking van zijn
arbeidscontract naast zijn invaliditeitspensioen een invaliditeitstoeslag.
Hoe jonger de rechthebbende op het moment van het begin van de
arbeidsongeschiktheid, des te hoger wordt het bedrag van de
invaliditeitstoeslag.

6 Graham, Connell en Nicholas hebben allen voor het bereiken van de
pensioenleeftijd hun beroepsbezigheden om gezondheidsredenen moeten
opgeven en ontvingen eerst ziektegeld en vervolgens een
invaliditeitspensioen ten belope van een volledig ouderdomspensioen. Toen
zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikten, kozen zij allen ervoor om
hun invaliditeitspensioen te blijven ontvangen, in plaats van hun
ouderdomspensioen, dat, in tegenstelling tot het invaliditeitspensioen,
belastbaar is. Aangezien geen van hen voldeed aan de premievoorwaarden om
een volledig ouderdomspensioen te ontvangen, werd het bedrag van hun
invaliditeitspensioen beperkt tot het bedrag van het ouderdomspensioen dat
hun zou zijn betaald, indien zij ervoor hadden gekozen dit te ontvangen.
Graham, die op het moment waarop zij arbeidsongeschikt werd boven de 55
jaar was, werd om die reden voorts de invaliditeitstoeslag geweigerd.

7 Van oordeel, dat de wettigheid van de beslissingen over de korting van
de bedragen van de invaliditeitspensioenen en, in het geval van Graham,
de weigering om de invaliditeitstoeslag toe te kennen, afhing van de
uitlegging van artikel 7, lid 1 sub a, van richtlijn 79/7 en van de
verenigbaarheid van de artikelen 33 en 34 van de wet van 1992 met die
richtlijn, heeft de Court of Appeal, waar de zaak uiteindelijk aanhangig
was gemaakt, besloten de behandeling van de zaak te schorsen, totdat het
Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende prejudiciele vragen:

“Krachtens de relevante bepalingen van de Sociale Security Contributions
and Benefits Act 1992:

(a) zijn invaliditeitspensioenen en -toeslagen langlopende
sociale-zekerheidsuitkeringen voor invaliden;

(b) zijn invaliditeitspensioenen en -toeslagen niet- premievrije
uitkeringen die alleen worden betaald aan hen die aan de relevante
premievoorwaarden voldoen;

(c) wordt een invaliditeitspensioen betaald aan mannen en vrouwen onder
de pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar voor mannen en 60 voor vrouwen)
en aan mannen en vrouwen die niet meer dan vijf jaar boven de
pensioenleeftijd zijn en die hun pensioen van overheidswege hebben
opgeschort of ervoor hebben gekozen dit niet te ontvangen;

(d) is voor degene die onder de pensioenleeftijd zijn, het bedrag van het
invaliditeitspensioen gelijk aan het basisbedrag van het
ouderdomspensioen. Het recht op het invaliditeitspensioen volgt in de
meeste gevallen uit het (vermeende) recht op ziektegeld, een kortlopende
uitkering. De premievoorwaarden voor ziektegeld en ouderdomspensioen zijn
echter verschillend;

(e) is voor degene die minder dan vijf jaar boven de pensioenleeftijd zijn
en een invaliditeitspensioen ontvangen, het bedrag van die uitkering
beperkt tot het bedrag van het pensioen van overheidswege dat zij (op
grond van hun bijdragen) zouden hebben ontvangen, ware het niet dat zij
dit hebben opgeschort of ervoor hebben gekozen dit niet te ontvangen;

(f) wordt de invaliditeitstoeslag alleen betaald aan degenen die op de
referentiedatum, dat wil zeggen bij het ingaan van hun
arbeidsongeschiktheid, meer dan vijf jaar onder de pensioenleeftijd zijn
(dat wil zeggen mannen onder de 60 jaar, vrouwen onder de 55).

Onder deze omstandigheden wordt gevraagd:

(1) Welke criteria moet de nationale rechter hanteren ten einde te
beslissen, of de hierboven genoemde verschillen in behandeling van mannen
en vrouwen wettig zijn ingevolge artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn
79/7/EEG?

(2) Wordt in de omstandigheden van de onderhavige zaak aan de relevante
criteria voldaan met betrekking tot:

(a) de verschillende bedragen van de invaliditeitspensioenen die aan
mannen en vrouwen tussen de 60 en 65 jaar wordt betaald, en

(b) de verschillende referentiedata voor de invaliditeitstoeslag?”

8 Alvorens deze vragen te beantwoorden zij om te beginnen opgemerkt, dat
volgens de nationale rechter een wettelijke regeling als in het
hoofdgeding aan de orde is, een discriminatoir karakter heeft, aangezien,
in eerste plaats, het bedrag van het invaliditeitspensioen van vrouwen
vanaf de 60-jarige leeftijd wordt beperkt tot het bedrag van het
ouderdomspensioen waarop zij recht zouden hebben, indien zij niet ervoor
hadden gekozen de betaling ervan op te schorten, terwijl dit voor mannen
eerst geldt vanaf de 65-jarige leeftijd, en aangezien, in de tweede
plaats, vrouwen niet in aanmerking kunnen komen voor een
invaliditeitstoeslag naast hun invaliditeitspensioen, wanneer hun
arbeidsongeschiktheid na de 55-jarige leeftijd is ontstaan, terwijl dit
voor mannen slechts geldt, indien hun arbeidsongeschiktheid na de 60-
jarige leeftijd is ontstaan.

9 Voorts zij eraan herinnerd, dat artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn
79/7 de Lid-Staten de bevoegdheid verleent om niet alleen de vaststelling
van de pensioenleeftijd met het oog op de toekenning van ouderdoms- en
rustpensioenen van haar werkingssfeer uit te sluiten, maar eveneens de
gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties.

10 Zo gezien moeten de prejudiciele vragen aldus worden opgevat, dat de
verwijzende rechter wenst te vernemen of, in geval een Lid-Staat krachtens
artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 de pensioenleeftijd voor
vrouwen op 60 jaar en voor mannen op 65 jaar heeft vastgesteld, deze
bepaling de Lid-Staat eveneens toestaat om, in de eerste plaats, te
bepalen dat het bedrag van het invaliditeitspensioen waarop personen recht
hebben die voor het bereiken van de pensioenleeftijd arbeidsongeschikt
worden, voor vrouwen met ingang van de 60-jarige leeftijd en voor mannen
met ingang van de 65-jarige leeftijd wordt beperkt tot het reele bedrag
van het ouderdomspensioen en, in de tweede plaats, het recht op een
invaliditeitstoeslag, die wordt betaald als aanvulling op het
invaliditeitspensioen, voor te behouden aan personen die op het moment
waarop de arbeidsongeschiktheid ontstaat, in geval van vrouwen jonger zijn
dan 55 jaar en ingeval van mannen jonger zijn dan 60 jaar.

11 In het arrest an 30 maart 1993 (zaak C-328/91, Thomas e.a., Jurispr.
1993, blz. 1-1247) heeft het Hof voor recht verklaard, dat wanneer een
Lid-Staat met toepassing van artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7,
voorziet in een voor mannen en vrouwen verschillende pensioenleeftijd voor
de toekenning van ouderdoms- en rustpensioenen, de werkingssfeer van de
in artikel 7, lid 1, sub a, toegestane afwijking, geformuleerd als “en de
gevolgen die hieruit kunnen voortvloeien voor andere prestaties”, beperkt
is tot de discriminaties in de andere uitkeringsregelingen, die een
objectieve en noodzakelijke band hebben met het verschil in
pensioenleeftijd.

12 Dit is het geval indien deze discriminaties objectief noodzakelijk zijn
om te vermijden, dat het financiele evenwicht van het
sociale-zekerheidsstelsel wordt verstoord, of om de samenhang tussen het
stelsel van rustpensioenen en de andere uitkeringsregelingen te bewaren
(arrest Thomas e.a., reeds aangehaald, r.o. 12).

13 Wat de in het hoofdgeding in geding zijnde discriminaties betreft, moet
worden vastgesteld, dat deze een objectieve band hebben met de
vaststelling van een voor mannen en vrouwen verschillende
pensioenleeftijd, aangezien deze rechtstreeks voortvloeien uit het feit
dat de pensioenleeftijd voor eerstgenoemden op 60 en voor laatstgenoemden
op 65 jaar is gesteld.

14 Wat de vraag betreft, of deze discriminaties eveneens een noodzakelijke
band hebben met de verschillende pensioenleeftijd van mannen en vrouwen,
zij om te beginnen opgemerkt, dat aangezien invaliditeitsuitkeringen het
door de beroepsbezigheid verworven inkomen moeten vervangen, niets een
Lid-Staat belet te bepalen, dat de betaling ervan wordt stopgezet en dat
zij worden vervangen door het ouderdomspensioen op het moment waarop de
begunstigden hun werk hoe dan ook wegens het bereiken van de
pensioenleeftijd zouden staken.

15 Vervolgens zij opgemerkt, dat indien men een Lid-Staat die
verschillende pensioenleeftijden heeft vastgesteld, verbiedt om voor
personen die voor de pensioenleeftijd arbeidsongeschikt worden, het bedrag
van de hun met ingang van die leeftijd verschuldigde
invaliditeitsuitkeringen te beperken tot het reele bedrag van het
ouderdomspensioen waarop zij krachtens de ouderdomspensioenregeling recht
hebben, dit erop zou neerkomen, dat men in zoverre een beperking aanbrengt
op de bevoegdheid van een Lid-Staat om overeenkomstig artikel 7, lid 1,
sub a, van richtlijn 79/7 verschillende pensioenleeftijden vast te
stellen.

16 Een dergelijk verbod zou eveneens de samenhang tussen de
ouderdomspensioenregeling en de regeling van de invaliditeitsuitkeringen
in minstens twee opzichten in gevaar brengen.

17 In de eerste plaats zou de betrokken Lid-Staat worden belet om mannen
die arbeidsongeschikt zijn geworden, doch die de pensioenleeftijd nog niet
hebben bereikt, invaliditeitsuitkeringen te verlenen die meer bedragen dan
de ouderdomspensioenen die hun daadwerkelijk verschuldigd zouden zijn,
indien zij tot de pensioenleeftijd waren blijven werken, tenzij vrouwen
die de pensioenleeftijd hebben overschreden, hogere ouderdomspensioenen
worden verleend dan die welke hun daadwerkelijk verschuldigd zijn.

18 In de tweede plaats zouden vrouwen, indien hun invaliditeitspensioen
pas met 65 jaar, zoals bij mannen, werd verminderd tot het niveau van hun
ouderdomspensioen, tussen hun 60e en 65e jaar, dat wil zeggen nadat zij
de pensioenleeftijd zijn gepasseerd, een invaliditeitspensioen genieten
ten belope van het volledige ouderdomspensioen, indien hun
arbeidsongeschiktheid voor de pensioenleeftijd is ontstaan, en een
ouderdomspensioen ten belope van het daadwerkelijk verschuldigde bedrag,
indien dit niet het geval is.

19 Gelet op het voorgaande moet geconcludeerd, dat de afwijking voorzien
in artikel 7, lid 1, sub a, van richtlijn 79/7 zich eveneens uitstrekt tot
de verschillen tussen de bedragen van het invaliditeitspensioen dat mannen
en vrouwen genieten vanaf het moment waarop zij de pensioenleeftijd
bereiken.

20 Gezien het verband tussen het invaliditeitspensioen en de
invaliditeitstoeslag, die wordt betaald als aanvulling op het
invaliditeitspensioen en derhalve alleen aan de rechthebbenden op dat
pensioen, moet deze conclusie eveneens gelden voor het verschil tussen de
referentiedata die zijn vastgesteld voor de toekenning van de
invaliditeitstoeslag.

21 Mitsdien moet op de prejudiciele vragen van de Court of Appeal worden
geantwoord, dat wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7, lid 1, sub a,
van richtlijn 79/7 de pensioenleeftijd van vrouwen op 60 en die van mannen
op 65 jaar stelt, deze bepaling die Lid-Staat eveneens toestaat om, in de
eerste plaats, te bepalen, dat het bedrag van het invaliditeitspensioen
dat personen genieten die voor het bereiken van de pensioenleeftijd
arbeidsongeschikt zijn geworden, voor vrouwen bij het bereiken van de
leeftijd van 60 jaar en voor mannen vanaf 65 jaar wordt beperkt tot het
reele bedrag van het ouderdomspensioen en om, in de tweede plaats, het
recht op een invaliditeitspensioen, voor te behouden aan personen die op
het moment waarop de arbeidsongeschiktheid ontstaat, in geval van vrouwen
de leeftijd van 55 jaar en in geval van mannen de leeftijd van 60 jaar nog
niet hebben bereikt.

Kosten

22 De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk en de Commissie
van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij
het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten
aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar
gerezen incident te beschouwen, zodat de nationaal rechterlijke instantie
over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie (Zesde kamer), uitspraak doende op de door de Court
of Appeal (Civil Division) bij beschikking van 18 januari 1994 gestelde
vragen, verklaart voor recht: Wanneer een Lid-Staat krachtens artikel 7,
lid 1, sub a, van richtlijn 79/7/EEG van de Raad van 19 december 1978
betreffende de geleidelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke
behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid,
de pensioenleeftijd van vrouwen op 60 en die van mannen op 65 jaar stelt,
staat deze bepaling die Lid-Staat eveneens toe om, in de eerste plaats,
te bepalen, dat het bedrag van het invaliditeitspensioen dat personen
genieten die voor het bereiken van de pensioenleeftijd arbeidsongeschikt
zijn geworden, voor vrouwen bij het bereiken van de leeftijd van 60 jaar
en voor mannen vanaf 65 jaar wordt beperkt tot het reele bedrag van het
ouderdomspensioen en, in de tweede plaats, het recht op en
invaliditeitstoeslag, die wordt betaald als aanvulling op het
invaliditeitspensioen, voor te behouden aan personen die op het moment
waarop de arbeidsongeschiktheid ontstaat, in geval van vrouwen de leeftijd
van 55 jaar en in geval van mannen de leeftijd van 60 jaar nog niet hebben
bereikt.

Rechters

Mrs Schockweiler, Kapteyn, Kakouris, Murray, Ragnemalm

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 10 augustus 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is bij de wederpartij werkzaam als Junior Systeemontwerper.
Zij is op 23 juni 1993 bevallen van haar eerste kind. In aansluiting op
het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft zij in verband met
‘moederschapsverlof’ en ouderschapsverlof gedurende een jaar 24 uur per
week gewerkt. De wederpartij heeft het verzoek van verzoekster om haar
arbeidstijd structureel te verminderen niet ingewilligd. Verzoekster
wil in verband met zorgtaken graag een dienstverband van 80%. Zij is
van mening dat de wederpartij onderscheid maakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling door haar dit niet toe te staan. De
Commissie overweegt als volgt. Het is een feit van algemene bekendheid
dat in Nederland vooral vrouwen in deeltijdbanen (willen) werken
vanwege zorgtaken. Dit feit van algemene bekendheid wordt niet
weerlegd door de gegevens die de wederpartij heeft overgelegd.

Integendeel, ook daaruit blijkt dat er bij de wederpartij meer vrouwen
dan mannen in deeltijd werken. Er van uitgaande dat het in overwegende
mate vrouwen zijn die een deeltijdbaan wensen, levert het
deeltijdbeleid van de wederpartij vermoedelijk indirect onderscheid op
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Dit vermoeden kan
slechts weerlegd worden indien de wederpartij kan aantonen dat voor dit
beleid objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn. De Commissie
acht niet aangetoond dat de functie van Junior Systeemontwerper niet in
deeltijd uitgeoefend kan worden, zodat dit niet als objectieve
rechtvaardiging kan gelden. Daarmee staat vast dat de wederpartij in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen
indirect onderscheid naar geslacht maakt door van verzoekster te eisen
dat zij de functie van Junior Systeemontwerper voltijds vervult.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 8 juni 1995 verzocht mevrouw te
Rotterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling met
spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Nieuwegein (hierna: de wederpartij) onderscheid maakt
op grond van geslacht in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is bij de wederpartij werkzaam als Junior
Systeemontwerper. Zij is op 23 juni 1993 bevallen van haar eerste kind.
In aansluiting op het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft zij in
verband met ‘moederschapsverlof’ en ouderschapsverlof gedurende een
jaar 24 uur per week gewerkt. De wederpartij heeft het verzoek van
verzoekster om haar arbeidstijd structureel te verminderen niet
ingewilligd. Verzoekster wil in verband met zorgtaken graag een
dienstverband van 80%. Zij is van mening dat de wederpartij onderscheid
maakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling door haar dit niet
toe te staan.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en conform
het verzoek van verzoekster de spoedprocedure toegepast. Partijen zijn
opgeroepen voor een zitting op 4 juli 1995. Voorafgaand aan de zitting
is de wederpartij in de gelegenheid gesteld om haar standpunt
schriftelijk uiteen te zetten, waarvan verzoekster een afschrift heeft
ontvangen.

2.2. Bij de zitting waren aanwezig:

Van de kant van de verzoekster –
(verzoekster) – dhr mr P.C. Vas Nunes (advocaat) –
(getuige) – (getuige)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – dhr
(chef verzoekster) – dhr mr Ch.Y.M. Moons (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – dhr P.M. van der Sluis b. (lid Kamer) – mw mr Y.
Telenga (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is een schadeverzekeringsmaatschappij. Verzoekster
is sinds 1 augustus 1988 in dienst van de wederpartij, thans als Junior
Systeemontwerper. Zij heeft een full-time contract voor onbepaalde
tijd.

3.2. Op 25 juni 1993 is verzoekster bevallen van haar eerste kind. In
verband daarmee heeft zij van 14 juni 1993 tot en met 3 oktober 1993
zwangerschaps- en bevallingsverlof genoten. In aansluiting hierop
genoot zij conform de CAO voor het verzekeringsbedrijf tot en met 3
april 1994 ‘moederschapsverlof’, en vervolgens tot en met 3 oktober
1994 ouderschapsverlof. In de periode van het moederschaps- en
ouderschapsverlof heeft zij gedurende 24 uur (drie dagen per week)
gewerkt.

Toen het eind van de verlofperiode naderde heeft verzoekster (medio
september 1994) bij haar directe chef een verzoek ingediend om per 4
oktober 1994 (het moment dat het ouderschapsverlof afliep) haar
full-time dienstverband te mogen omzetten in een dienstverband voor
80%. Daarbij stelde zij voor om de concrete werktijden in overleg te
regelen, waarbij zij zich bereid verklaarde om in ieder geval vijf
dagen per week aanwezig te zijn. Daarbij verwees zij naar de CAO en het
daarbij behorende protocol waarin de mogelijkheid werd verruimd om een
voltijddienstverband om te zetten in een deeltijddienstverband. Haar
verzoek is door haar chef op 16 september 1994 geweigerd, daar het
werken met mensen in deeltijd bij projectmatig werken niet voor de hand
lag. Wel werd de mogelijkheid van heroverweging door de directie op
basis van een nieuwe CAO open gelaten. Daarbij werd aangegeven dat de
directie de resultaten van een doorlichting van het bedrijf wilde
afwachten.

Nadat het betreffende doorlichtingsproject was beeindigd, vroeg
verzoekster op 16 december 1994 om herziening van het afwijzende
standpunt op haar verzoek om werktijdvermindering. In een afwijzende
reactie van haar chef van 28 december 1994 werd meegedeeld dat een
nieuw standpunt pas kon worden verwacht als er meer bekend was over een
mogelijke fusie en de daarmee gepaard gaande arbeidsvoorwaarden. Deze
fusie is uiteindelijk niet doorgegaan.

3.3. Op 13 april 1995 maakt de wederpartij in een memo van de Directie
aan de afdelingschefs haar deeltijdbeleid bekend. Daarin staat o.a.:
“Bij het beoordelen van aanvragen voor arbeidstijdverkorting dient
rekening gehouden te worden met de aard van de werkzaamheden, de
continuiteit, alsmede het handhaven van ons service-niveau. Derhalve
zal elk verzoek om deeltijdwerk door de afdelingschef na ruggespraak
met Personeelszaken ter goedkeuring aan de naast hogere chef voorgelegd
dienen te worden.” Naar aanleiding hiervan stelt verzoekster haar
verzoek wederom aan de orde bij haar chef. In een schrijven van 18
april 1995 herhaalt haar chef zijn eerdere standpunt dat het
projectmatig werken op de afdeling systeemontwikkeling niet verenigbaar
is met deeltijdarbeid. Wel is hij bereid om tijdelijk in te stemmen met
deeltijd, teneinde verzoekster de gelegenheid te bieden haar
kinderopvang te regelen. Nadat verzoekster hier aanvankelijk mee
akkoord was gegaan, bleek dat de afdeling Personeelszaken slechts voor
een termijn van drie maanden met deeltijdarbeid wilde instemmen. Toen
op 18 mei 1995 niets geregeld bleek te zijn en een tijdelijke oplossing
slechts in zeer beperkte mate mogelijk leek, wendde verzoekster zich
tot de Commissie. Zij heeft zich rondom die tijd ziek gemeld, omdat zij
full-time werken en de verzorging van haar kind niet kon combineren.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster stelt het volgende. De wederpartij staat
deeltijdarbeid in bepaalde -hogere- functies niet toe. Het beleid om
voor sommige functies geen, dan wel slechts tijdelijk deeltijdarbeid
toe te staan impliceert indirect onderscheid naar geslacht, nu dit
beleid in overwegende mate vrouwen treft. Daarbij verwijst zij naar
onderzoeksgegevens waaruit blijkt dat vooral vrouwen in verband met
zorgtaken in deeltijd willen werken. Verzoekster meent dat voor de
weigering van de wederpartij geen objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn. Verzoekster wijst er daarbij op, dat zij ruim 15 maanden
lang zonder problemen van betekenis volledig danwel 40% kon worden
vervangen, terwijl de hele afdeling het met verzoekster eens is, dat er
geen noemenswaardige organisatorische problemen zouden ontstaan als zij
haar werk in deeltijd zou uitvoeren.

Dat hier sprake is van een verboden onderscheid, blijkt ook uit een
oordeel van de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid, waarin de casus gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak.
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 31
december 1993, oordeelnummer 614-93-57). Ook in die zaak vond de
werkgever het niet wenselijk dat een werkneemster na terugkeer van het
bevallingsverlof minder ging werken. De Commissie oordeelde dat de
weigering van de werkgever in strijd met de wet was, nu de werkgever
geen onderzoek had gedaan naar de mogelijkheden voor deeltijdwerk.

3.5.De wederpartij stelt het volgende. Zowel het aantal deeltijdwerkers
als het aantal vrouwelijke medewerkers ligt bij de wederpartij hoger
dan elders in de branche gebruikelijk is.

Uit die cijfers is af te leiden, dat het beleid, zoals dat wordt
(uit)gevoerd, kennelijk niet in zoverre tot indirect onderscheid naar
geslacht leidt, dat de participatie van vrouwen in de onderneming
daardoor nadelig wordt beinvloed.

De wederpartij voert vervolgens aan, dat de werkzaamheden van
verzoekster zich niet lenen voor deeltijd-invulling. Ook (twee)
mannelijke collega’s van verzoekster is daarom geweigerd om in deeltijd
te werken. Op de automatiseringsafdeling waar verzoekster werkzaam is
wordt projectmatig gewerkt. De projecten moeten binnen een bepaalde
termijn af zijn. De werkzaamheden zijn van inhoudelijk complexe aard en
niet tussentijds overdraagbaar. Een project zou daarom onaanvaardbare
vertraging oplopen, indien een persoon in deeltijd zou werken. Verder
brengt een deeltijdvervulling van de functie van Junior
Systeemontwerper een goede communicatie en interne samenwerking in
gevaar. Hierdoor verminderen de service-gerichtheid en de effectiviteit
van de werkzaamheden. Het aantrekken van extra capaciteit zou bovendien
excessief duur zijn.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. De wederpartij stelt zich op het standpunt, dat de functie van
verzoekster uitsluitend full-time kan worden uitgeoefend. De vraag die
voorligt, is of de wederpartij onderscheid naar geslacht maakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen
doordat zij verzoekster niet toestaat haar voltijdse dienstverband om
te zetten in een dienstverband voor 80%.

4.2. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW bepaalt dat de werkgever geen
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij -onder andere- de
arbeidsvoorwaarden.

Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van
andere hoedanigheden dan het geslacht, dat onderscheid op grond van
geslacht tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief
gerechtvaardigd is (artikel 7A:1637ij lid 5 BW).

Indirect onderscheid ontstaat wanneer het nadelig effect van een
regeling in overwegende mate personen van een geslacht treft, terwijl
daarvoor geen of niet voldoende objectieve rechtvaardigingsgronden
aanwezig zijn.

4.3. De Commissie overweegt als volgt. Het is een feit van algemene
bekendheid dat in Nederland vooral vrouwen in deeltijdbanen (willen)
werken vanwege zorgtaken. Dit feit van algemene bekendheid wordt niet
weerlegd door de gegevens die de wederpartij heeft overgelegd.
Integendeel, ook daaruit blijkt dat er bij de wederpartij meer vrouwen
dan mannen in deeltijd werken. Er van uitgaande dat het in overwegende
mate vrouwen zijn die een deeltijdbaan wensen, levert het
deeltijdbeleid van de wederpartij vermoedelijk indirect onderscheid op
in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. Dit vermoeden kan
slechts weerlegd worden indien de wederpartij kan aantonen dat voor dit
beleid objectieve rechtvaardigingsgronden aanwezig zijn. Onder een
objectieve rechtvaardigingsgrond wordt verstaan (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990,
oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84;
Rinner- Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, zaak
171/88, 13 juli 1989). – dat het onderscheid gemaakt wordt om een
objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn
gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken,
terwijl – dit doel niet is te bereiken op een andere wijze waarbij geen
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.4. In de eerste plaats heeft de wederpartij ter rechtvaardiging naar
voren gebracht, dat de organisatorische omstandigheden met betrekking
tot het werk van verzoekster zich niet lenen voor een deeltijd-
functievervulling, omdat er projectmatig gewerkt wordt. Hierbij is
sprake van werk met inhoudelijke complexiteit, dat niet goed
overdraagbaar is. Bovendien zou bij een deeltijdvervulling de goede
communicatie en interne samenwerking in gevaar kunnen komen, waardoor
de effectiviteit en service- gerichtheid van de werkzaamheden
verminderen. Op zichzelf kunnen deze doelen als objectief
gerechtvaardigd worden aangemerkt, mits aangetoond is dat dergelijke
problemen zich feitelijk voordoen. De vraag daarbij is of voor de
functie van Junior Systeemontwerper is aan te geven of er een minimum
arbeidstijd bestaat, waarbij de goede uitoefening van de functie in de
betrokken organisatie niet in gevaar wordt gebracht.

Om te voorkomen dat de norm van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen wordt uitgehold, dient niet al te gemakkelijk aangenomen te
worden dat bepaalde oplossingen die de gelijke behandeling ondersteunen
niet mogelijk zijn. De Commissie is van oordeel dat de wederpartij
onvoldoende heeft onderbouwd waarom vanuit het gezichtspunt van de aard
van de werkzaamheden en goede functie-uitoefening de Junior
Systeemontwerper niet minder dan 100% kan werken. Enig
bedrijfsorganisatorisch onderzoek hiernaar is niet verricht.

Daarbij speelt een rol, dat er kennelijk wel een oplossing gevonden is
binnen de organisatie tijdens verzoeksters verlofperiode van ruim 15
maanden. Dit wordt ook bevestigd door een verklaring van een van de
getuigen.

Ook heeft de wederpartij onvoldoende aangetoond dat zij andere
mogelijke oplossingen, zoals bijvoorbeeld een duobaan, genoegzaam heeft
onderzocht. De wederpartij heeft niet aan de hand van feiten
aannemelijk gemaakt dat er onoverkomelijke problemen zouden ontstaan
indien twee (goed ingewerkte) personen de bewuste functie zouden
uitoefenen. Dit terwijl een van de getuigen heeft verklaard dat zij
gedurende de periode dat verzoekster part-time werkte prima met haar in
dezelfde functie heeft samengewerkt.

4.5. Hieruit volgt niet dat er, vanuit het oogpunt van gelijke
behandeling, nimmer een minimumgrens gesteld zou kunnen worden ten
aanzien van het werken in deeltijd. Zo heeft de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid bijvoorbeeld eerder
uitgesproken dat in de desbetreffende organisatie bepaalde
deeltijdgrenzen wel acceptabel waren (Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, datum oordeelnummer 513-93-58). De
werkgever in die zaak had ook uitvoerig beargumenteerd waarom die
deeltijdgrenzen noodzakelijk waren. De conclusie is alleen dat de
wederpartij thans onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd waarom deze
grens getrokken is.

De Commissie acht derhalve niet aangetoond dat de functie van Junior
Systeemontwerper niet in deeltijd uitgeoefend kan worden, zodat dit
niet als objectieve rechtvaardiging kan gelden. Daarmee staat vast dat
de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen indirect onderscheid naar geslacht maakt door van
verzoekster te eisen dat zij de functie van Junior Systeemontwerper
voltijds vervult.

4.6. Wat betreft het argument van de wederpartij, dat het aantrekken
van extra capaciteit ter vervanging van de weggevallen werkzaamheden
excessief duur is, oordeelt de Commissie dat de wederpartij dit niet
voldoende heeft onderbouwd. Daar komt bij dat financiele belemmeringen
op zich niet voldoende zijn om als objectief gerechtvaardigd doel te
fungeren (Zie in dit verband Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986,
zaak 170/88; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.
KG, zaak 171/88, 13 juli 1989).

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat
te Nieuwegein in strijd met artikel 7A:1637ij lid 1 Burgerlijk
Wetboek indirect onderscheid naar geslacht maakt jegens mevrouw te
Rotterdam door te eisen dat zij de functie van Junior Systeemontwerper
voltijds vervult.

Rechters

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr P.M. van derSluis b. (lid Kamer), mw mr Y. Telenga (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 9 augustus 1995

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Aanvraagster heeft twee kinderen, geboren in 1982 en 1983. De kinderen zijn
niet erkend door de vader. De vader heeft alleen kort na de bevallingen iets
betaald. In 1984 is de relatie verbroken. Tot 1994 was er geen contact.
Aanvraagster wenst kinderalimentatie. De vaderschapsactie-procedure bij de
rechtbank sneuvelde op grond van de verjaringstermijn. Aanvraagster vraagt
garantstelling voor het hoger beroep, waarbij een DNA-test gevraagd zal
worden.

Volledige tekst

Verloop van de procedure
De eisende partij vordert bij naar dagvaarding verwijzende conclusie van eis
dat gedaagde zal worden veroordeeld om aan eiseres in haar hoedanigheid van
moeder-voogdes over na te noemen kinderen als bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van bedoelde minderjarigen tegen kwijting te betalen
een bedrag van ƒ 250(tweehonderdenvijftig gulden) per kind per maand, ten
behoeve van eiseres in voormelde hoedanigheid bij vooruitbetaling te voldoen,
zulks vanaf 30 januari 1995 (alles met veroordeling van gedaagde in de kosten
van het geding).
De eisende partij heeft daartoe gesteld:
– dat op respectievelijk 5 maart 1982 en 22 maart 1983 te Amsterdam uit haar
zijn geboren de kinderen, genaamd J en B;
– dat zij gedaagde aanwijst als vader van deze kinderen, aangezien zij vanaf
1977 tot 1984 een affektieve relatie met gedaagde heeft gehad;
– dat noch gedaagde, noch een andere man de kinderen heeft erkend;
– dat gedaagde gedurende de minderjarigheid van deze kinderen verplicht en in
staat is tot het verstrekken van voormelde bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen.
Bij conclusie van antwoord heeft gedaagde ontkend een affektieve relatie met
eiseres te hebben gehad en hij ontkent de verwekker van de ten processe
bedoelde kinderen te zijn. Gedaagde ontkent in de conceptietijdvakken
voorafgaande aan de geboorte van deze kinderen seksuele gemeenschap met
eiseres te hebben gehad. Gedaagde concludeert dat eiseres in haar vorderingen
niet ontvankelijk moet worden verklaard c.q. deze moeten worden afgewezen, nu
de termijn waarbinnen deze vordering moet worden gestart is verjaard, met
veroordeling van eiseres in de kosten van dit geding.
Gronden van de beslissing:
Uit de stelling van eiseres dat de gedaagde `nauwelijks enige financiële
bijdrage’ heeft betaald voor de kinderen zou kunnen worden afgeleid dat de
gedaagde in het verleden zijn vaderschap over de kinderen expliciet of
impliciet heeft erkend. Teneinde zulks nader te onderzoeken, zal een
comparitie van partijen worden gehouden. Pas nadat hieromtrent zekerheid is
verkregen, kan op voet van HR 20 januari 1995, NJ 95.326 worden beoordeeld of
de (ingeroepen) verjaringstermijn van artikel I:405 lid 2 BW van toepassing
is en zo ja, wellicht is gestuit. Om proces-economische redenen zullen ter
comparitie tevens inlichtingen worden ingewonnen over de vraag of gedaagde in
de conceptietijdvakken gemeenschap heeft gehad met eiseres.
Beslissing:
De rechtbank:
gelast partijen, desgewenst vergezeld door hun raadslieden, te verschijnen
voor het lid van deze rechtbank en kamer mr. H.L.L. Neervoort-Briët ten deze
tot rechtercommissaris benoemd, en wel op 18 september 1995 te 9.30 uur in
het gebouw van deze rechtbank, Parnassusweg 220, Toren E, te Amsterdam;
sluit hoger beroep van dit vonnis uit tot dat van het eindvonnis en houdt
iedere verdere beslissing aan.

Rechters

Mr. A.L. Smit

Instantie: Rechtbank Arnhem, 8 augustus 1995

Instantie

Rechtbank Arnhem

Samenvatting


Verhaal van bijstand verleend aan een Marokkaanse vrouw en haar uit haar
door echtscheiding ontbonden huwelijk geboren kind op haar jaren in
Nederland verblijvende Marokkaanse ex-echtgenoot, de vader van dat kind.
Ingevolge art. 4 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op
onderhoudsverplichtingen heeft te gelden dat Nederlands recht van
toepassing is op onderhoudsverplichtingen. Daarom is de vader
onderhoudsplichtig jegens het kind dat in Nederland verblijft en
grotendeels op kosten van de gemeente wordt onderhouden en opgevoed.
Verhaal van bijstand voor zover betrekking hebbende op die kosten is
mogelijk. Artikel 8 van vorenbedoeld Verdrag zou meebrengen dat de man
niet onderhoudsplichtig is jegens zijn gewezen echtgenote naar Marokkaans
recht nu de echtscheiding door een Marokkaanse rechter en met toepassing
van Marokkaans recht is uitgesproken. De rechtbank acht die uitkomst
onaanvaardbaar in de Nederlandse rechtsorde, strijdig met de openbare orde
en beslist, stellende dat in een geval als dit het sociaal recht derogeert
aan het privaatrecht, dat ook de aan de Marokkaanse vrouw verleende
bijstand kan worden verhaald op haar ex-echtgenoot. Afwijzing van de door
de gemeente verzochte bepaling dat derden van gelden, welke zij aan de man
verschuldigd zijn daarvan het door hem aan de gemeente verschuldigde
bedrag aan haar zullen uitkeren. De huidige ABW kent die mogelijkheid
niet.

Volledige tekst

Overwegende

1. Op 21 augustus 1989 is de man te Marokko gehuwd met mevrouw O, (nader
te noemen: de vrouw). Uit dit huwelijk is op 4 januari 1994 A (nader te
noemen: het kind) geboren.

2. Bij vonnis van 8 augustus 1994 heeft de
rechtbank te Taza, Marokko, tussen de man en de vrouw de echtscheiding
uitgesproken. Op 17 augustus 1994 is dit vonnis ingeschreven.

3. Sedert
9 mei 1994 verleent de gemeente bijstand, krachtens de ABW naar de norm
voor een eenoudergezin, aan de vrouw en het kind.

4. De gemeente acht zich
bevoegd de kosten van bijstand te verhalen op de man en heeft op grond van
de door de man verstrekte financiele gegevens die (verhaals)bijdrage als
volgt vastgesteld: -voor de periode van 1 juli 1994 tot 1 februari 1995
op ƒ 626 per maand; -voor de periode vanaf 1 maart 1995 op ƒ 441 per
maand.

5. De man is weigerachtig gebleven voormelde verhaalsbijdrage te
voldoen, waarna de gemeente op 28 december 1994 -krachtens
mandateringsbesluit- heeft besloten verhaal in rechte in te stellen.

6. De gemeente verzoekt (kort gezegd) de verhaalsbijdrage vast te stellen,
alsmede de man te veroordelen de ontstane achterstand te voldoen.

7. De
man voert verweer. Hij stelt dat: primair: nu er van een wettelijke
onderhoudsverplichting geen sprake is er evenmin sprake kan zijn van een
verhaalsverplichting; subsidiair: hij in staat is een bijdrage van ƒ 269
per maand te betalen en dat deze niet eerder kan ingaan dan 6 februari
1995, zijnde de datum waarop de gemeente zich tot de rechter heeft gewend.
Hij verzoekt het verzoek van de gemeente af te wijzen en haar in de kosten
van deze procedure te veroordelen.

Motivering van de beslissing

1. Op 1 maart 1981 is voor Nederland van kracht geworden het op 2 oktober
1973 te ‘s-Gravenhage gesloten Verdrag inzake de wet die van toepassing
is op onderhoudsverplichtigen (Trb. 1974, 86, Nederlandse vertaling van
artikel 8, gecorrigeerd in Trb. 1977, 179 en 1981, 20 (nader te noemen:
het Verdrag)).

2. Op grond van artikel 4 van het Verdrag is ter zake van de bijdrage voor
het kind het recht van de gewone verblijfplaats van het kind van
toepassing. Nu het kind in Nederland verblijft en de gemeente krachtens
bijstandsverstrekking grotendeels in de kosten van verzorging en opvoeding
van het kind voorziet, kan op de man, zijnde de onderhoudsplichtige vader,
de ten behoeve van het kind verstrekte bijstand worden verhaald.

3. Met betrekking tot het antwoord op de vraag of de gemeente ook de ten
behoeve van de vrouw verleende bijstand op de man kan verhalen, nu de man
en de vrouw naar Marokkaans recht zijn gescheiden en volgens dat recht de
man jegens de vrouw niet onderhoudsplichtig is, wordt overwogen, dat zulks
mede dient te geschieden aan de hand van het recht dat krachtens regels
van Nederlands internationaal privaatrecht van toepassing is.

4. Het Verdrag heeft een universeel formeel toepassingsgebied (artikel 3),
waardoor de Nederlandse rechter de bepalingen van het Verdrag dient toe
te passen, ook in het geval dat de betrokken personen geen banden met een
verdragsluitende staat hebben. Overigens hebben de man en de vrouw wel een
band met Nederland, alwaar zij beiden reeds vele jaren verblijven.

5. De regels van dit Verdrag gelden dus algemeen in alle gevallen van
internationaal privaatrecht inzake alimentatie; dat Marokko niet tot dit
Verdrag is toegetreden doet niet ter zake en staat er met name niet aan
in de weg de regels van het Verdrag op de verhouding tussen de man en de
vrouw toe te passen.

6. Krachtens artikel 8 van het Verdrag beheerst het recht dat op de
echtscheiding is toegepast tevens de onderhoudsverplichtingen tussen de
gescheiden echtgenoten. Deze worden derhalve aan het recht van de gewone
verblijfplaats onttrokken en onder het op de echtscheiding toegepaste
recht gebracht in het geval dat een ander recht is dan het recht van de
gewone verblijfplaats.

7. Nu op de echtscheiding tussen partijen het Marokkaanse recht is
toegepast, is eveneens Marokkaans recht van toepassing op de
onderhoudsverplichting tussen de echtgenoten. Dit heeft twee gevolgen: a.
De man is nimmer onderhoudsgerechtigde noch gedurende het huwelijk noch
na de ontbinding ervan. Na de ontbinding van het huwelijk door verstoting
en zolang deze herroepbaar is, heeft alleen de vrouw slechts gedurende de
seksuele onthoudingsperiode, ‘de Idda’ -meestal drie maanden,- recht op
onderhoud door de man. Zij heeft bovendien recht op achterstallige
onderhoudsbijdragen die door de man gedurende het huwelijk verschuldigd
zijn geworden. Het recht op onderhoud vervalt vooralsnog door afstand of
‘doordat de herroepelijke verstoten vrouw het huis waarin zij haar
‘Idda-periode’ houdt, verlaat zonder excuus of instemming van haar
echtgenoot’, aldus artikel 122 Code du Statut Personnel. b. De
bijstandsuitkering die door de vrouw op grond van de Algemene Bijstandswet
na de echtscheiding wordt verstrekt, zou bij consequente toepassing van
artikel 8 van het Verdrag en de Marokkaanse wet ter beoordeling van de
verhaalsmogelijkheid volgens de ABW, niet door de gemeente op de man
kunnen worden verhaald zodat op die grond het verzoek van de gemeente zou
moeten worden afgewezen.

8. Deze uitkomst kan in de Nederlandse rechtsorde echter niet worden
aanvaard. In het rechtsbewustzijn van de Nederlandse bevolking vervult de
ABW een niet weg te denken functie. Deze functie houdt onder meer in dat
aan tal van in Nederland duurzaam verblijvende gescheiden vrouwen met
jonge kinderen een uitkering wordt verleend om hen te behoeden voor de
onvermijdelijkheid te moeten leven beneden een naar Nederlandse opvatting
minimaal bestaansniveau. ABW-uitkeringen, aan gescheiden vrouwen met jonge
kinderen verleend, leggen een groot beslag op de openbare middelen. In de
ABW is dan ook voorzien in een verhaalsmogelijkheid voor de gemeente op
de voormalige echtgenoot die nalaat in het onderhoud van vrouw (en kind)
te voorzien, met het gevolg dat voornoemde noodsituatie voor dezen dreigt
te ontstaan. Die verhaalsmogelijkheid is een integrerend deel van de
ABW-regeling; het beslag op de openbare middelen wordt aldus enigermate
verlicht.

9. De Nederlandse openbare orde verdraagt niet, dat met een beroep op
artikel 8 van het Verdrag en de op grond daarvan toepasselijk te achten
Marokkaanse wet, een in Nederland duurzaam verblijvende Marokkaanse man
zich kan onttrekken aan verhaal door de gemeente van uitkeringen, verleend
of te verlenen aan zijn voormalige echtgenote, aan welk verhaal een in
Nederland verblijvende Nederlandse man zich in een overeenkomstig geval
niet zou kunnen onttrekken. Zulk een Marokkaanse man dient mee te dragen
in de lasten van het Nederlandse sociale bestel, waarvan de ABW een
element is, zoals hij, in andere omstandigheden, min of meer van toeval
afhankelijk, van dat bestel ook de voordelen mag genieten. Door zich te
begeven in de sfeer van dit sociale bestel aanvaardt hij daarvan de plus-
en de minpunten.

10. Het voorgaande klemt te meer, nu deze beslissing niet betrekking heeft
op een uitzonderlijk geval. In Nederland leven vele duizenden Marokkanen
(en andere vreemdelingen). Het staat hun vrij in hun land van herkomst een
echtscheiding na te streven. Daarop kan echter niet de premie worden
gesteld dat zij van verhaal volgens de ABW worden gevrijwaard. De
redelijke zin van artikel 8 van het Verdrag, overigens niet omstreden,
wordt aldus niet miskend. Het sociaalrecht derogeert hier aan het
privaatrecht.

11. De rechtbank geeft zich er rekenschap van dat in het voorgaande ligt
besloten dat een Marokkaanse man als hier bedoeld ter voorkoming van de
noodzaak voor de gemeente tot het verlenen van ABW-uitkeringen, in
beginsel -dat wil zeggen onverminderd draagkrachtoverwegingen die doen
concluderen tot een lager bedrag- tot het betalen van alimentatie is
gehouden tot het beloop van het bedrag van die uitkeringen en daartoe kan
worden veroordeeld. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat in dit
geval de gemeente ook de ten behoeve van de vrouw verleende bijstand op
de man kan verhalen.

12. Ten aanzien van de financiele omstandigheden van de man is het
volgende van belang:

a. Hij geniet een arbeidsinkomen van ƒ 3953 bruto per maand. Naast de
pseudo premies werknemersverzekeringen wordt aan pensioenpremie, premie
ip en premie vut respectievelijk ƒ 60,59, ƒ 8,52 en ƒ 10,25 ingehouden.

b. Hij is krachtens de IZA verzekerd. De werkgevers- en werknemersbijdrage
(behoudens de nominale premies die in de bijstandsnorm zijn
verdisconteerd) bedragen respectievelijk ƒ 201,93 en ƒ 55.07 per maand.

c. Tot 21 februari 1995 betaalde de man aan huur ƒ 333,33 per maand en
sinds laatstgenoemde datum, inclusief verplichte servicekosten ƒ 781,27
per maand. d. Partijen zijn het er over eens dat zowel de fiscale als
reele verwervingskosten ƒ 175 per maand bedragen.

e. Aan aflossing op een lening wordt maandelijks ƒ 537,64 betaald (rente
ƒ 1452 per jaar).

13. De man is op 29 juni 1994 aangeschreven met het verzoek om inzage te
verstrekken in zijn financiele situatie. Daarbij is medegedeeld dat zal
worden bezien of er voor de man met ingang van 1 juli 1994 een
verhaalsbijdrage kan worden opgelegd. Bij brief van de gemeente van 29
augustus 1994 is vervolgens met ingang van 1 juli 1994 een
verhaalsbijdrage vastgesteld. Veelvuldige correspondentie tussen de man
en de gemeente heeft geleid tot het op 6 februari 1995 entameren van deze
verhaalsprocedure. In deze omstandigheden vindt de rechtbank het redelijk
om de door de man te betalen verhaalsbijdrage met ingang van 1 september
1994 te laten ingaan.

14. Voor de periode van 1 september 1994 tot (gemakshalve) 1 maart 1995
is de man in staat om de verzochte verhaalsbijdrage van ƒ 626 per maand
te voldoen. Voor de periode vanaf 1 maart 1995 is een verhaalsbijdrage van
ƒ 250 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. Overigens
wordt een bijdrage van ƒ 250,= per maand geacht bestemd te zijn voor het
kind.

15. Voor de periode van 1 september 1994 tot 1 juli 1995 is de man totale
verhaalsbijdrage verschuldigd van ƒ 4756 (6 x 626) + (4 x ƒ 250). Hierop
strekt in mindering de door de man krachtens echtscheidingsvonnis van 8
augustus 1994 -derhalve na de bijstandsverlening- betaalde bijdrage voor
het kind van ƒ 480. Voor de periode tot 1 juli 1995 is de man derhalve aan
de gemeente een bedrag verschuldigd van ƒ 4276 en met ingang van 1 juli
1995 ƒ 250 per maand.

16. Het verzoek dat bij verhaal op gelden die derden aan de man
verschuldigd zijn of worden, deze schuldenaren hiervan direct en ineens
zullen uitkeren aan de gemeente het als dan verschuldigde bedrag, zal als
niet op de huidige ABW gegrond worden afgewezen. 17. Nu elk der partijen
gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld zullen de proceskosten worden
gecompenseerd, zoals hier na te vermelden.

Beschikkend

1. Stelt de door de man verschuldigde verhaalsbijdrage ten behoeve van de
vrouw en mede ten behoeve van het kind voor de periode van 1 september
1994 tot 1 juli 1995 vast op ƒ 4276 en veroordeelt hem tot betaling
daarvan.

2. Stelt de door de man verschuldigde verhaalsbijdrage ten behoeve van de
vrouw en mede ten behoeve van het kind vast op ƒ 250,= per maand, ingaande
1 juli 1995 en tot zolang de bijstandsverlening voortduurt en veroordeelt
hem tot betaling daarvan.

3. Stelt vast dat indien de man niet aan voornoemde betalingsverplichting
voldoet, terstond het alsdan verschuldigde bedrag kan worden ingevorderd.

4. Compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen
kosten draagt.

Rechters

onbekend

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 augustus 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Het dragen van een hoofddoek is een van de voorschriften die rechtstreeks
voortvloeien uit de moslim- geloofsovertuiging meent de Commissie. Het
wettelijk verbod van onderscheid op grond van godsdienst geldt ook voor
het dragen van een hoofddoek door vrouwen vanuit haar moslim-
geloofsovertuiging.Het verbod op het dragen van een hoofddoek is een
vorm van direct onderscheid. Wensen en eisen van opdrachtgevers ontslaan
de verweerder niet van de eigen verantwoordelijkheid de AWGB na te leven.

Volledige tekst


Van een volmaakt arbitrair onderscheid lijkt mij ook geen sprake. Het valt
door de rechter zeker wel te objectiveren. Daarnaast kan ook in het
algemeen uit worden gegaan van een vrijheid van de werknemer om zelf zijn
kleding te kiezen, maar hierbij dienen de belangen van de werkgever ook
in het oog te worden gehouden. Hij kan een redelijk belang hebben bij het
geven van bepaalde kledingvoorschriften. Ingeval van om zwaarwegende
(zoals godsdienstige) redenen gekozen kleding, dienen de motieven van de
werkgever voor het verbod ook van een bijzonder gewicht te zijn. De
kwestie rond hoofddoekjes kan een voorbeeld vormen van een neiging om
aversie tegen buitenlanders op bepaalde symbolen uit te leven, juist omdat
directe discriminatie niet wordt geaccepteerd.

Een voorbeeld vormt de discussie over de toelaatbaarheid van het dragen
van hoofddoekjes door islamitische leerlingen op school. In verschillende
landen heeft dit aanleiding gegeven tot problemen en Nederland viel daar
niet buiten. Het ging hierbij niet alleen om opvattingen van conservatieve
christenen, maar ook om bijvoorbeeld VVD-leider Bolkestein (zie Rosan
Coppes, in de Sociologische Gids 1994/2, p. 130-143). De uitspraak van de
CGB lijkt mij ook van toepassing op de deelneming aan het onderwijs. Ook
de uitzondering voor eisen die gelet op de doelstelling van de school
nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag (art. 7, tweede lid
AWGB) acht ik hier niet van toepassing. Men zal ofwel uitsluitend
bijvoorbeeld christelijke leerlingen moeten toelaten of niet.

Is men hierin niet consequent, dan is ook een verbod op het dragen van
hoofddoekjes niet in strijd met de grondslag. Een andere situatie doet
zich echter voor indien het dragen van bepaalde kleding meer is dan een
uiting van geloof of levensovertuiging en bijvoorbeeld de intentie heeft
om de uitoefening van grondrechten te beperken. Dergelijke kleding of
kledingvoorschriften zouden op school (en op het werk) mogen worden
verboden. Dat zou onder omstandigheden ook een godsdienststrijd kunnen
betreffen, bijvoorbeeld een verplichting om hoofddoekjes te dragen. Het
gebruik van symbolen door scholieren op hun jassen, die een vijandige
houding tegenover buitenlanders uitdrukken mag mijns inziens worden
verboden. Een dergelijke uiting is in zichzelf discriminatoir en verdient
daarom geen tolerantie.

Guus Heerma van Voss

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Den Boer, drs Van Schijndel

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij is voornemens verzoeker in het kader van een
reorganisatie te ontslaan. Verzoeker is van mening dat het al dan niet
hebben van een bepaalde godsdienstige overtuiging zowel bij de
mogelijkheden tot het uitoefenen van zijn functie als bij het
voorgenomen ontslag een rol speelt. Hij is van mening dat de
wederpartij daarmee in strijd handelt met de AWGB. Voor wat betreft de
verhouding werkgever/werknemer geeft de AWGB een specifieke
uitzondering voor de discriminatiegrond godsdienst in artikel 5, tweede
lid, sub a AWGB. Deze uitzondering geldt voor instellingen op
godsdienstige en levensbeschouwelijke grondslag. De Commissie stelt
vast dat de wederpartij geen instelling is op godsdienstige of
levensbeschouwelijke grondslag. Dat betekent dat voornoemde
uitzondering op het verbod van onderscheid niet van toepassing is. De
Commissie overweegt voorts dat, gelet op het aandeel van werknemers die
afkomstig zijn uit de voormalige in de adviesgroep van de wederpartij
(namelijk eenderde deel), het aannemelijk is dat het bestendigen van de
bestaande relaties tot gevolg heeft gehad dat verzoeker minder toegang
heeft gekregen tot instellingen op bepaalde godsdienstige grondslag.
Het bestendigen van bestaande relaties leidde er immers toe dat daar
waar werknemers afkomstig uit de relaties onderhielden met instellingen
op godsdienstige grondslag, deze gehandhaafd bleven. Daardoor hadden
verzoeker, en zijn collega’s die eveneens uit de afkomstig waren, geen
toegang tot de christelijke scholen waarmee de andere collega’s al een
relatie onderhielden. De Commissie stelt daarom vast dat verzoeker door
het bestendigen van bestaande relaties zoals de wederpartij dat gedaan
heeft, enig nadeel heeft ondervonden, dat voor een deel voortduurde
nadat zijn functie in verband met zijn arbeidsongeschiktheid
hoofdzakelijk een bureaufunctie is geworden. Volgens artikel 2, eerste
lid, AWGB geldt het in de AWGB neergelegde verbod van onderscheid niet
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat
het onderscheid wordt gemaakt om een objectief doel te dienen en
daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit
doel te bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op andere wijzen
waarbij geen indirect onderscheid naar godsdienst wordt gemaakt. De
Commissie constateert voorts, dat de wederpartij om het beoogde doel te
bereiken als middel hanteert het handhaven van die werknemers bij de
opdrachtgevers waarmee de betrokken werknemers al een relatie
onderhielden. De Commissie acht dit middel geschikt om het doel te
bereiken. De Commissie overweegt vervolgens dat het middel tevens
proportioneel geacht kan worden. De Commissie overweegt dat het
bestendigen van de bestaande relaties op de wijze zoals de wederpartij
dat gedaan heeft, in dit geval noodzakelijk geacht kan worden. De
Commissie komt tot de conclusie dat de wederpartij bij het voorgenomen
ontslag van verzoeker geen onderscheid op grond van geslacht maakt
omdat het criterium multi-inzetbaarheid geen verband houdt met
onderscheid op grond van godsdienst.

Volledige tekst


Daarentegen heeft wederpartij voldoende aannemelijk gemaakt dat de
veronderstelde verminderde inzetbaarheid wordt verklaard door de
gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van verzoeker en geen verband houdt
met zijn afkomst uit een openbaar-neutrale fusie-partner.

Dit leidt tot de conclusie dat de wederpartij bij het voorgenomen
ontslag van verzoeker geen onderscheid op grond van godsdienst maakt.

4.19. Aangezien de Commissie oordeelt dat het criterium multi-
inzetbaarheid, zoals dat is toegepast door de wederpartij, geen verband
houdt met onderscheid op godsdienst, behoeft niet te worden onderzocht
of toepassing van het criterium tot indirect onderscheid ten aanzien
van verzoeker leidt.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de
te Goes jegens de heer te Nisse – geen onderscheid naar
godsdienst maakt bij de arbeidsvoorwaarden, zoals bedoeld in artikel 5,
eerste lid, sub d en artikel 1 Algemene wet gelijke behandeling; – geen
onderscheid naar godsdienst maakt bij de voorgenomen beëindiging van de
arbeidsverhouding, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub b en
artikel 1 Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw mr J.R. Dierx(lid Kamer), dhr mr P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen(secretaris Kamer)