Instantie: Rechtbank Amsterdam, 28 juli 1995

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Verdachte heeft tijdens een echtelijke ruzie zijn vrouw gedood. Daarvoor
wordt hij door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven
jaar. De rechtbank rekende het verdachte zwaar aan dat hij met het doden van
zijn vrouw drie kinderen van hun moeder heeft beroofd. De rechtbank hield ook
rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en de grote
relatieproblemen waarin hij verkeerde.

Volledige tekst

1. Telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding,
waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die
dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.
2. Voorvragen.
3. Waardering van het bewijs
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 7 januari
1995 te Amsterdam opzettelijk K van het leven heeft beroofd, immers heeft
verdachte opzettelijk met kracht een halter tegen het hoofd van die K
geslagen, tengevolge waarvan voornoemde K is overleden.
4. Het bewijs
De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft
begaan op de feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn
vervat.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een
rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Over verdachte zijn de volgende rapporten opgemaakt:
– een psychiatrisch rapport d.d. 6 juni 1995 opgemaakt door drs. E.S.M.A.
Joemmankhan, psychiater te Amsterdam;
– een psychologisch rapport d.d. 9 mei 1995 opgemaakt door Dr. A. Eppink,
psycholoog te Hilversum.
Het psychiatrisch rapport houdt onder meer in – zakelijk weergegeven -:
Tot een inhoudelijke oplossing van de problemen die optraden ten gevolge van
de sterk verstoorde relatie met zijn echtgenote was onderzochte niet in
staat. Hiervoor had hij de relatieproblemen teveel tot een machtsvraagstuk
getransformeerd. Bovendien was de steun van de extended family onvoldoende om
enige bijdrage te leveren voor een inhoudelijke oplossing.
Onderzochte besloot tot het executeren van de door de cultuur gedecreteerde
rechten als echtgenoot en vader en hoofd van het gezin, waarbij de
volgzaamheid van de echtgenote een centraal gegeven is.
Op de dag van het delict heeft (voor) onderzochte blijkbaar de afstraffing
een alles of niets aspect ingenomen en geraakte onderzochte in een
opwindingstoestand waardoor hij niet in staat was zijn eenmaal ingezet gedrag
af te remmen.
De psychiater komt tot de conclusie dat onderzochte is gekenmerkt door een
onvolgroeide persoonlijkheid met fragmenten van narcisme, dwangmatigheid en
hysterie. Ten tijde dat de ten laste gelegde feiten zouden zijn begaan,
verkeerde onderzochte in een toestand, die hem, psychiatrisch bezien,
enigszins verminderd toerekeningsvatbaar maakte.
Met betrekking tot de eventueel op te leggen straf en/of maatregel zij
opgemerkt dat straf als sanctie ook in zijn eigen beleving kan zorg dragen
voor het reduceren van de kans op recidive. Onderzochte zal na de eventuele
gevangenisstraf hulp behoeven in het sterker maken van zijn persoonlijkheid
en integratie in de maatschappij. Het advies van de psychiater luidt om bij
een eventuele veroordeling te komen tot een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf.
Het psychologisch rapport houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:
Onderzochte twijfelde ernstig aan de liefde en trouw van zijn vrouw en
hieruit ontstond een ziekelijke jaloezie jegens haar, zoals deze bij mannen
met zijn culturele achtergrond zo vaak voorkomt, met name bij hen die zich
erg onzeker voelen wat hun rolpositie aangaat. Dat laatste stond bij
onderzochte ernstig ter discussie: zijn vrouw was veel ouder dan hij, zij was
goed ingevoerd in Nederland en verdiende de kost. Ook was er een gebrekkige
taalcommunicatie. Dit alles is een goede voedingsbodem voor een
jaloersheidswaan die bij onderzochte ontstond op het substraat van een
Aanpassingsstoornis (die veel migranten na enige tijd ontwikkelen).
Bij onderzochte werd deze Aanpassingsstoornis niet overwonnen, gezien zijn
tamelijk geïsoleerde en afhankelijke positie waarin hij was terecht gekomen.
Daarna zien we bij onderzochte een paranoïde ontwikkeling ontstaan, zoals
deze dikwijls waarneembaar is bij migranten die het gedrag van hun naaste
omgeving niet kunnen duiden binnen hun eigen (culturele) referentiekader.
Onderzochte voelde zich machteloos in de situatie en hij voelde zich door
zijn vrouw onder emotionele druk gezet. Onderzochte was niet meer in staat
dingen in hun juiste proporties te zien. Onderzochte voelde zich volledig van
zijn vrouw afhankelijk. Dit deed ernstig afbreuk aan zijn gevoel van
zelfvertrouwen en was voor hem een zware psychische belasting. Wat
aanvankelijk een Aanpassingsstoornis was, groeide uit tot een Waanstoornis
van het Jaloersheidstype. Tussen beide echtelieden ontstonden op den duur
grote conflicten en ruzies. Tijdens een ruzie handelde onderzochte uit woede
en machteloosheid, hetgeen fatale gevolgen had. Onderzochte is mijns inziens
als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen in relatie tot het
tenlastegelegde.
Nu niet is gebleken dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en ook
overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid
van verdachte uitsluiten is verdachte strafbaar.
7. Motivering van de straffen.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het
bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van
verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende
straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten
meewegen dat verdachte zijn partner het leven heeft ontnomen. Door verdachtes
toedoen hebben de nabestaanden van het slachtoffer, waaronder haar drie
kinderen, een zwaar verlies geleden. Aangenomen moet worden dat met name de
kinderen lange tijd de gevolgen zullen ondervinden van het overlijden van hun
moeder. Verdachte geeft zich daarvan ook thans nog onvoldoende rekenschap.
Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de inhoud van de onder 6. vermelde
rapporten, met name met de conclusie in het psychologisch rapport dat
verdachte met betrekking tot het delict als verminderd toerekeningsvatbaar
dient te worden beschouwd, alsmede met de conclusie in het psychiatrisch
rapport dat de straf als sanctie ook in de eigen beleving van de verdachte
kan zorgdragen voor het reduceren van de kans op recidive. Voorts heeft de
rechtbank kennis genomen van de inhoud van het over verdachte uitgebrachte
voorlichtingsrapport, d.d. 20 april 1995 opgemaakt door P. Vonk,
maatschappelijk werker bij de Reclassering Nederland te Amsterdam-Zuidoost.
Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van
verdachte en de relatieproblematiek waarin hij en zijn partner verkeerden.
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 1 metalen
stang, chroomkleurig en 1 gewicht van 1,75 kg, die aan verdachte toebehoren,
dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met
betrekking tot die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikel 33, 33a en 287 van het
Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing:
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals
hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd
dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Doodslag.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte Z daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze
uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de
tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Rechters

Mrs. De Wit, Blankevoort, Driessen

Instantie: Rechtbank Zutphen, 27 juli 1995

Instantie

Rechtbank Zutphen

Samenvatting


De vraag die hier moet worden beantwoord is of er sprake is van indirect
onderscheid. Zo ja, kan de werkgever daarvoor een objectieve
rechtvaardigingsgrond aantonen.Eiseres ontvangt voor arbeid van gelijke
waarde een lager loon dan haar mannelijke collega omdat zij een andere
vooropleiding heeft gevolgd dan die mannelijke collega. De rechtbank komt
tot de conclusie dat er inderdaad sprake is van indirect onderscheid omdat
zij te laag is ingeschaald.

Volledige tekst


e. verklaart dit vonnis, wat betreft veroordelingen onder c en d
uitvoerbaar bij voorraad;

f. wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mrs De Visser, Vergunst, Van Dorp

Instantie: Pres. Rechtbank Amsterdam, 27 juli 1995

Instantie

Pres. Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres vordert een straatverbod voor de omgeving van haar woning en haar
werk. Ondanks het feit dat het gedrag van gedaagde een – indirect – gevolg
is van zijn ziekte, wordt het straatverbod toegewezen op straffe van een
dwangsom. Het voorschot op de schadevergoeding wordt afgewezen.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:

Ter terechtzitting van 10 juli 1995 is de behandeling van deze zaak
aangehouden tot 17 juli 1995, teneinde H in de gelegenheid te stellen zich
te voorzien van rechtskundige bijstand. Ter terechtzitting van 17 juli
1995 heeft K gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit
vonnis gehechte dagvaarding, met dien verstande dat zij ter terechtzitting
haar eis heeft vermeerderd met de vordering om voor de duur van een jaar
een straatverbod op te leggen voor de Nieuwmarkt en het deel van de
Kloveniersburgwal te Amsterdam zoals aangegeven op aangehechte
plattegrond, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,= per overtreding en
met machtiging van eiseres om bij overtreding van dit verbod de sterke arm
in te schakelen. H heeft tegen de vermeerderde eis verweer gevoerd met
conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Na verder debat
hebben partijen stukken, waaronder van weerszijden produkties en van de
zijde van K pleitnotities, overgelegd voor vonniswijziging.

Gronden van de beslissing:

1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:

a. Partijen hebben in 1984-1985 bij elkaar op de middelbare school te Ede
gezeten.

b. K is in 1991 in Wageningen gaan studeren, alwaar partijen wederom met
elkaar in contact zijn gekomen.

c. In augustus 1991 is K voor werkzaamheden naar Benin (Afrika) gegaan.
In december 1991 bleek H haar te zijn nagereisd.

d. Nadat K begin 1992 weer naar Nederland was teruggekeerd, bleef H
veelvuldig contact met haar zoeken, ondanks dat zij hem te kennen had
gegeven hier geen prijs op te stellen. Teneinde voor hem onvindbaar te
zijn, heeft K enige tijd bij haar ouders in Ede gewoond. Vervolgens is zij
naar een studentenhuis in Wageningen verhuisd, waar hij haar ook is
blijven opzoeken en opbellen.

e. In 1993 en 1994 heeft H geen contact met K gezocht. Vanaf juni 1995
heeft H K, die inmiddels naar Amsterdam was verhuisd, weer buitensporig
veel opgebeld en is naar haar woning gegaan.

f. K heeft in Amsterdam, aan de werk gevonden. Zij woont thans in de
alhier.

g. H woont aan de te Amsterdam en volgt een opleiding aan de HTS
alhier. H lijdt aan schizofrenie, waarvoor hij behandeld wordt.

2. In dit geding vordert K bij vermeerderde eis een straat- en
contactverbod zoals weergegeven in de aangehechte dagvaarding en onder het
verloop van de procedure, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 500,- per
overtreding en met machtiging van K de sterke arm in te schakelen, alsmede
een voorschot van ƒ 5.000,- op de aan K toe te kennen schadevergoeding
voor de door haar geleden materiele en immateriele schade. K stelt hiertoe
dat zij door het veelvuldige contact dat H met haar zoekt, en waarin hij
zeer vasthoudend is, onder grote druk is komen te staan, waardoor zij
constant onrustig, gespannen en op haar hoede is. Zij heeft reden om aan
te nemen dat H zijn gedrag niet zal veranderen. Het is onder deze
omstandigheden voor haar niet mogelijk een normaal leven te leiden, aldus
K.

3. H heeft erkend dat hij K veelvuldig, en daardoor hinderlijk, heeft
opgezocht en opgebeld. Dit gedrag werd hem echter ingegeven door zijn
ziekte, zodat deze overlast hem niet zondermeer kan worden toegerekend.
Hij heeft K niet benaderd om haar het leven zuur te maken. Ten tijde van
de behandeling van deze zaak is zijn toestand weer onder controle, zodat
hij thans ook geen behoefte meer heeft om K te benaderen. Gelet op zijn
ziekte zou een tegen hem uitgesproken vonnis luxerend kunnen werken.
Dientengevolge zou hij bij voorkeur zich door middel van een afspraak ter
terechtzitting willen binden zich te onthouden van het zoeken van contact
met K. Indien dit niet mogelijk blijkt, zou H zich met een vonnis, waarbij
het straatverbod zich zou beperken tot de straten waarin K woont en werkt,
zonder oplegging van enige sanctie, kunnen verenigen. Indien toch een
dwangsom zou worden toegekend, merkt H op, dat deze niet kan worden
geexecuteerd, nu hij slechts een AAW-uitkering heeft. Ten aanzien van het
gevorderde voorschot op schadevergoeding voert H aan dat dit, gelet op
zijn situatie, niet toegewezen dient te worden.

4. Ter terechtzitting heeft K te kennen gegeven niet met een enkele
afspraak met H in te kunnen stemmen. Dientengevolge heeft zij gevraagd
vonnis te wijzen.

5. Onderkend wordt dat de handelwijze van H jegens K een – indirect –
gevolg is van zijn ziekte. Dit doet echter niet af aan het feit dat K van
deze handelwijze grote hinder ondervindt, waarvan zij verstoken wenst te
blijven. Ongeacht de oorzaak van de veroorzaakte hinder, heeft K er recht
op om door H met rust te worden gelaten. Aannemelijk is geworden dat het
gevorderde straat- en contactverbod haar deze rust kan geven. Juist omdat
H thans, zoals hij heeft aangevoerd, door de juiste medicatie in een
stabiel periode verkeert, mag van hem worden verwacht dat hij zich aan een
straat- en contactverbod kan houden. Het risico dat een veroordeling zijn
ziekteverschijnselen zal verergeren wordt vooralsnog ondergeschikt geacht
aan het belang van K om over een te executeren verbod te beschikken. De
stelling van H dat hem in dat geval de overtreding van het verbod niet zou
zijn toe te rekenen doet hieraan niet af. De gevorderde omvang van het
straatverbod komt redelijk voor. Het gevraagde straat- en contactverbod
is dan ook toewijsbaar. Gelet op alle omstandigheden worden deze verboden
voor de gevorderde periode van een jaar toegewezen. Toewijzing van deze
verboden zonder oplegging van enige sanctie zou K niet de haar toegekende
bescherming bieden. Gelet op de omstandigheden van het geval, komt het
evenwel redelijk voor de dwangsom als na te melden te matigen.

6. Het gevraagde voorschot op de schadevergoeding is in dit geding niet
toewijsbaar. Een geldvordering in kort geding komt immers slechts voor
toewijzing in aanmerking indien met grote mate van waarschijnlijkheid
vaststaat dat de vordering in de bodemprocedure zal worden gehonoreerd.
Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De omstandigheid dat K
meerdere malen is verhuisd teneinde H te ontlopen maakt dit niet anders,
nu zij haar verhuiskosten niet nader heeft gespecificeerd. Bovendien heeft
zij ter terechtzitting verklaard dat het gevorderde bedrag voornamelijk
wordt gevormd door de vergoeding van geleden immateriele schade.
Vaststelling van de omvang van deze door K gestelde schade vergt een nader
onderzoek naar de feiten, hetgeen het kader van dit geding te buiten gaat.

7. Nu partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, worden
de proceskosten tussen partijen als na te melden gecompenseerd.

Beslissing:

1. Verbiedt H om gedurende een periode van een jaar na de betekening van
dit vonnis: a. zich te bevinden in de gebieden te Amsterdam die worden
begrensd door het Sarphatipark/Ceintuurbaan, de Amsteldijk, de Lutmastraat
en de Tweede van der Helststraat, inclusief deze straten, alsmede door de
Nieuwmarkt en de Kloveniersburgwal voorzover deze ligt tussen de
Nieuwmarkt en de brug tussen het Rusland en de Raamgracht, een en ander
zoals aangegeven op aangehechte plattegronden; b. K op straat te volgen;
c. op enigerlei wijze contact op te nemen met K; op verbeurte van een
dwangsom van ƒ 150,= voor iedere overtreding van een van deze verboden en
met machtiging op K om de verboden onder a en b zonodig en waar mogelijk
te doen naleven met behulp van de sterke arm. 2. Verklaart dit vonnis tot
zover uitvoerbaar bij voorraad. 3. Compenseert de proceskosten aldus, dat
iedere partij de eigen kosten draagt. 4. Wijst het meer of ander
gevorderde af.

Rechters

Mr Hartzuiker

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 25 juli 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


De vrouw is ontslagen, en krijgt WW en WWV. Vervolgens is zij gehuwd en haar
WWV-uitkering wordt ingetrokken.
Het terugkomen op een beslissing is een discretionaire bevoegdheid van B&W.
De Raad kan dit besluit alleen marginaal toetsen. Aangezien de
oorspronkelijke beslissing niet meer voorhanden is, kan niet als vaststaand
worden aangenomen dat de uitkering is beëindigd vanwege de verandering van
haar burgerlijke staat, of dat zulks is gedaan om andere redenen, zoals B&W
voor mogelijk houdt.

Volledige tekst

I. Ontstaan en loop van het geding
Naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen een zijnerzijds genomen eerdere,
op 2 maart 1992 verzonden, beslissing heeft eiser onder dagtekening 4
september 1992 aan gedaagde mededeling gedaan van een beslissing, de
uitvoering van de Wet Werkloosheidsvoorziening (hierna: WWV) betreffende.
De Arrondissementsrechtbank te Almelo heeft bij uitspraak van 21 oktober 1993
het tegen laatstvermelde beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en
die beslissing alsmede de primaire beslissing vernietigd.
Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend
beroepschrift zijn de gronden uiteengezet waarop het hoger beroep berust.
Desgevraagd heeft eiser de Raad afschriften van de door gedaagde overgelegde
bankafschriften doen toekomen.
Bij brief van 25 april 1995 heeft gedaagde een toelichting gegeven op de van
eiser ontvangen WWV-uitkering en tevens een afschrift van de door eiser
verstrekte `Jaaropgave 1978′ ingezonden.
Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 6 juli 1995, waar
eiser – daartoe ambtshalve opgeroepen – zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr. K. Willems, werkzaam bij eisers gemeente, en waar gedaagde – daartoe
ambtshalve opgeroepen – in persoon is verschenen.

II. Motivering
Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)
in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven
wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het
onderhavige beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht
zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid
van vergoeding van proceskosten in hoger beroep, als geregeld in artikel 8:75
van de Awb.
De Raad gaat uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten.
Op 31 december 1991 heeft gedaagde bij eisers Gemeentelijke Sociale Dienst
een aanvraag om uitkering ingevolge de WWV ingediend. Op het betreffende
aanvraag- en inlichtingenformulier heeft gedaagde aangegeven dat zij vanwege
veelvuldig ziekteverzuim is ontslagen door haar toenmalige werkgeefster
kapsalon Mieke en per 31 januari 1978 werkloos is geworden, terzake waarvan
zij van de bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen
over de maximum termijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet heeft
ontvangen. Voorts heeft gedaagde op dat formulier vermeld dat zij van eiser
uitkering ingevolge de WWV heeft ontvangen tot 15 september 1978, de datum
waarop zij in het huwelijk is getreden. Gedaagde heeft een aantal
bankafschriften en boekingstukken overgelegd, waaruit eiser heeft afgeleid
dat aan gedaagde wekelijks, voor het eerst in de week van 7 tot 12 augustus
1978, een voorschot op de WWV-uitkering is overgemaakt en dat aan haar in de
week van 18 tot 23 september 1978 bedragen zijn betaald als afrekening over
de voorliggende periode. Een afschrift van de beëindigingsbeslissing heeft
gedaagde niet overgelegd, terwijl in eisers archief die beslissing evenmin is
aangetroffen. Gedaagde heeft indertijd in de beëindiging van die uitkering
berust.
Bij de onderhavige primaire beslissing heeft eiser afwijzend beslist op
gedaagdes aanvraag op de grond dat de WWV-uitkering in 1978 op reguliere
wijze is beëindigd en die beslissing onherroepelijk is geworden omdat
gedaagde daartegen geen bezwaar heeft aangetekend. Bij de bestreden
beslissing heeft gedaagde het tegen de primaire beslissing ingediende
bezwaarschrift ongegrond verklaard.
De eerste rechter is tot het oordeel gekomen dat -achteraf bezien- de
beëindiging van gedaagdes WWV-uitkering op onjuiste grond heeft
plaatsgevonden en dat in redelijkheid niet kan worden gezegd dat er geen
aanleiding was om terug te komen van de in rechte vaststaande beslissing.
Eiser heeft zich met het oordeel van de eerste rechter niet kunnen verenigen,
omdat de werkelijke reden van de beëindiging van de destijds toegekende
WWV-uitkering niet meer is te achterhalen, zodat niet als vaststaand kan
worden aangenomen dat achteraf bezien die beëindiging op onjuiste grond heeft
plaatsgevonden.
De Raad overweegt het navolgende.
In dit geding is de vraag aan de orde of eisers weigering om terug te komen
van zijn beslissing tot beëindiging van de WWV-uitkering in september 1978 in
rechte stand kan houden.
Hieromtrent zij opgemerkt dat het terugkomen van een beslissing een
discretionaire bevoegdheid van eiser is. Dit betekent dat de Raad slechts
heeft te beoordelen of eiser bij afweging van alle daarbij in aanmerking
komende belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen geraken,
dan wel daarbij anderszins in strijd is gekomen met één of meer algemene
beginselen van behoorlijk bestuur.
Anders dan de eerste rechter is de Raad van oordeel dat de onderhavige
beslissing die toetsing kan doorstaan.
Indien al aangenomen zou kunnen worden dat aan gedaagdes verzoek aan eiser om
terug te komen van zijn beslissing tot beëindiging van haar WWV-uitkering in
september 1978 nieuwe feiten en/of nieuwe omstandigheden ten grondslag
liggen, valt daar naar ’s Raads oordeel in elk geval niet uit af te leiden
dat de oorspronkelijke beslissing van eiser als onmiskenbaar onjuist moet
worden aangemerkt. Aangezien die oorspronkelijke beslissing niet meer
voorhanden is, kan immers niet als vaststaand worden aangenomen dat gedaagdes
WWV-uitkering daadwerkelijk op 15 of 23 september 1978 is beëindigd vanwege
de verandering van haar burgerlijke staat per 15 september 1978, zoals
gedaagde stelt, of dat zulks wellicht is gedaan om andere redenen, zoals
eiser voor mogelijk houdt.
Het vorenoverwogene leidt er toe dat de aangevallen uitspraak niet in stand
kan blijven en dat het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaard moet
worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Awb.
Als volgt wordt beslist.

III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond.

Rechters

Mrs. Hugenholtz, Talman, Hoogenboom

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De wederpartij verstrekt aan het einde van elk jaar een kerst- pakket
aan haar werknemers. Vanaf 1 juli 1993 hanteert de wederpartij de regel
dat niet langer per individuele werknemer, maar per gezamenlijke
huishouding een kerstpakket wordt verstrekt. Verzoekster is van mening
dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt in strijd met de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Nu volgens de Commissie in
het onderhavige geval bij het toekennen van kerstpakketten onderscheid
gemaakt wordt tussen een deel van de ambtenaren die gehuwd zijn (of met
gehuwden gelijk gesteld worden) en degenen die dat niet zijn, is er
sprake van een onderscheid op grond van burgerlijke staat, als bedoeld
in artikel 5 van de AWGB.

Dat van de ambtenaren die gehuwd zijn (of daarmee gelijk gesteld zijn),
slechts dat gedeelte door het onderscheid wordt getroffen, dat een
(huwelijks)partner heeft, die eveneens bij de gemeente werkzaam is,
laat het geconstateerde onderscheid onverlet. Immers, de groep die door
het gemaakte onderscheid nadelig getroffen wordt bestaat per definitie
uitsluitend uit gehuwden en daarmee gelijk gestelden. Daar hier sprake
is van een direct onderscheid is een uitzondering slechts toegestaan
indien sprake zou zijn van een van de wettelijke
uitzonderingsmogelijkheden (waarvan hier niet is gebleken), en komt
derhalve de vraag naar een mogelijke rechtvaardigingsgrond niet aan de
orde.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 16 februari 1994 verzocht mevrouw te Vlieland (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of Burgemeester en
wethouders van de gemeente Vlieland (hierna: de wederpartij)
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. De wederpartij verstrekt aan het einde van elk jaar een
kerstpakket aan haar werknemers. Vanaf 1 juli 1993 hanteert de
wederpartij de regel dat niet langer per individuele werknemer, maar
per gezamenlijke huishouding een kerstpakket wordt verstrekt.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee onderscheid maakt
in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB).

2. DE LOOP VAN HET ONDERZOEK

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994 is
de Algemene wet gelijke behandeling in werking getreden (AWGB). De
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is op
die datum opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de
Commissie gelijke behandeling, die op 1 september 1994 is ingesteld.
Deze Commissie heeft het onderzoek voortgezet.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd om hun
standpunten nader toe te lichten tijdens een zitting op 30 mei 1995.
Partijen hebben van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt. De
beraadslagingen hebben plaats gevonden op 30 mei 1995. Daarbij waren
aanwezig:

– mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter) – dhr mr W.A. van Veen
(lid Kamer) – mw mr J.R. Dierx (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh
(secretaris Kamer) – mw A.C. van Doornen (wnd secretaris Kamer)

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer I van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is het College van burgemeester en wethouders van
een gemeente. Bij de wederpartij is het gebruikelijk dat iedere
ambtenaar een kerstpakket ontvangt. In 1993 heeft de wederpartij deze
regeling gewijzigd, in die zin dat voortaan aan ambtenaren in dienst
van de gemeente slechts een kerstpakket per gezamenlijke huishouding
wordt verstrekt.

3.2. Verzoekster is werkzaam als medewerkster gemeentesecretarie bij de
wederpartij. Zij woont samen met haar partner die eveneens bij de
wederpartij werkzaam is. Verzoekster heeft het feit dat zij samenwoont
met haar partner niet vastgelegd in een verklaring van samenwonen.

3.3. Bij de wederpartij waren op 31 december 1993 52 werknemers in
dienst, waarvan 33 bij de afdeling secretarie/buitendienst en 19
werknemers bij de afdeling onderwijs. Het aantal mannelijke en
vrouwelijke werknemers was als volgt verdeeld. Bij de afdeling
onderwijs werkten 9 vrouwen en 10 mannen. Bij de afdeling
secretarie/buitendienst werkten 12 vrouwen en 21 mannen. In totaal
voerden 5 mannen en 5 vrouwen per bovengenoemde datum een gezamenlijke
huishouding waarbij beide partners bij de wederpartij werkzaam waren.
Uitgesplitst naar geslacht ziet het beeld er als volgt uit.

Aantal werknemers uitgesplitst naar geslacht:

vrouwen mannen

Totaal 21 31

gezamenl.huishouding en beiden werkzaam bij de wederpartij 5 23,8% 5 16,1%

Deze gegevens gerelateerd aan het aantal vrouwelijke respectievelijk
mannelijke werknemers leiden tot de conclusie dat: 23,8% van het totaal
aantal vrouwen voert een gezamenlijke huishouding met een partner
werkzaam bij de wederpartij. 16,1% van het totaal aantal mannen voert
een gezamenlijke huishouding met een partner werkzaam bij de
wederpartij.

Alvorens verzoekster een verzoek om een oordeel bij de Commissie heeft
ingediend heeft zij de Minister van Binnenlandse zaken aangeschreven.
Deze heeft haar doorverwezen naar onder andere de Commissie.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster is van mening dat de wederpartij jegens haar in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld/handelt, door
aldus onderscheid te maken op grond van burgerlijke staat.

Verzoekster stelt dat iedere werknemer een zelfstandig functionerend
onderdeel is van de wederpartij. Omdat zij toevallig de voordeur deelt
met iemand die dezelfde werkgever heeft als zij zou, door de regeling
van de wederpartij, zij niet voor 100% mee tellen. Volgens verzoekster
is hier sprake van ongelijke behandeling. Ook stelt verzoekster nog dat
andere jaren iedere medewerker, ongeacht het feit of zijn/haar partner
toevallig ook bij de wederpartij werkte, wel een eigen kerstpakket
ontving. Tot stelt verzoekster dat er in haar geval geen sprake is van
een gezamenlijke huishouding.

3.5. De wederpartij is van mening dat er geen sprake is van ongelijke
behandeling van verzoekster als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid.

Ten eerste stelt de wederpartij dat het verstrekken van een kerstpakket
geen onderdeel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden, waar rechten aan
kunnen worden ontleend. Ten tweede is het verstrekken van een
kerstpakket een attentie van het gemeentebestuur, zonder dat hiermee
een waarde-oordeel wordt gegeven omtrent de wijze van functioneren van
de individuele ambtenaar. Voorts stelt de wederpartij dat, juist omdat
de attentie (het kerstpakket) geen binding heeft met de individuele
ambtenaren, zij volledig in haar recht staat met het hanteren van het
beleidsuitgangspunt dat elk huishouden, waar een of meerdere ambtenaren
deel van uitmaken, een kerstpakket ontvangt. Het gaat naar haar mening
niet aan, om een gezamenlijk huishouden waarin meer dan een persoon een
arbeidsrelatie met dezelfde gemeente onderhoudt te bevoordelen boven
een gezamenlijk huishouden waarvan maar een persoon deze relatie
onderhoudt. Tot slot stelt de wederpartij dat of sprake is van een
gezamenlijke huishouding moet blijken uit de huwelijkse staat danwel
uit een verklaring van samenwonen. In geval van verzoekster heeft de
gemeente vastgesteld dat er sprake was van een gezamenlijke
huishouding, daar de met de gemeente afgesloten huurovereenkomst op
beider naam is gesteld.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster heeft
gehandeld in strijd met artikel 1a lid 1 WGB m/v door aan ambtenaren
van de gemeente niet meer dan een kerstpakket per huishouden te
verstrekken wanneer meer dan een ambtenaar deel uitmaakt van een
huishouden.

Artikel 1a, lid 1 WGB verbiedt het bevoegd gezag onderscheid naar
geslacht te maken onder andere in de arbeidsvoorwaarden, waaronder
begrepen loon.

In artikel 1 WGB wordt bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen wordt verstaan direct en indirect onderscheid tussen mannen en
vrouwen. Onder direct onderscheid wordt mede verstaan, onderscheid op
grond van zwangerschap, bevalling en moederschap. Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht, bijvoorbeeld burgerlijke staat of
gezinsomstandigheden, dat onderscheid op grond van geslacht tot gevolg
heeft.

4.2. Voor de beantwoording van de bovenstaande juridische vraag moet de
vraag beantwoord worden, of het verstrekken van een kerstpakket als een
arbeidsvoorwaarde moet worden beschouwd.

Het Europese Hof van Justitie heeft in het arrest van de zaak Defrenne
I (zaak 80/70 d.d. 25 mei 1971) beslist, dat onder het begrip beloning
moet worden verstaan alle huidige of toekomstige voordelen in geld of
natura, mits deze, zij het indirect, door de werkgever uit hoofde van
een dienstbetrekking worden betaald. Een kerstpakket kan worden
aangemerkt als een voordeel in natura uit hoofde van een dienstverband,
en valt derhalve onder het beloningsbegrip. Daarmee staat vast dat het
om een arbeidsvoorwaarde gaat.

4.3. Om de vraag te kunnen beantwoorden, of de gemeente in het
onderhavige geval bij het toekennen van de kerstpakketten indirect
onderscheid maakt naar geslacht, moet eerst worden vastgesteld of de
gehanteerde beleidslijn in overwegende mate personen van een geslacht
benadeelt en derhalve een vermoeden van indirect onderscheid op grond
van geslacht tot gevolg heeft.

Uit de overgelegde gegevens blijkt dat van het aantal vrouwen 23,8% aan
het bovengenoemde criterium voldoet en 16,1% van de mannen. Relatief
meer vrouwen dan mannen ontvangen dan ook een kerstpakket per
gezamenlijke huishouding. Het aantal vrouwen en mannen dat getroffen
wordt staat in een verhouding van 1,5:1. In absolute cijfers ontvangen
5 vrouwen en 5 mannen een kerstpakket per gezamenlijke huishouding.

4.4. De Commissie is van mening, dat deze cijfers weliswaar de indruk
wekken dat de gehanteerde beleidslijn vrouwen in overwegende mate
benadeelt, maar dat gezien de geringe aantallen waar het om gaat, de
cijfers een onvoldoende bestendig beeld geven om te kunnen constateren
dat dit niet te wijten is aan de min of meer toevallige perso-
neelssamenstelling op een bepaald moment.

De cijfers worden evenmin bevestigd door een algemeen beeld dat vrouwen
vaker dan mannen deel uit maken van een gezamenlijke huishouding
waarbij meer dan een partner bij dezelfde werkgever werkzaam is. De
Commissie is daarom van oordeel dat er geen sprake is ven een vermoeden
van indirect onderscheid, aangezien niet aanzienlijk meer vrouwen dan
mannen nadeel ondervinden van deze regeling.

4.5. Vervolgens is van belang, dat sinds 1 september 1994 de Algemene
wet gelijke behandeling van kracht is. Deze wet is van toepassing vanaf
1 september 1994. Nu de beleidslijn met betrekking tot de toekenning
van kerstpakketten ook na 1 september 1994 wordt gehanteerd, acht de
Commissie zich bevoegd te oordelen over mogelijke strijd met de AWGB
voor de periode na 1 september 1994.

Artikel 1 AWGB verbiedt onder andere het maken van direct en indirect
onderscheid op grond van burgerlijke staat. In artikel 5 lid 1 onder d
AWGB wordt het maken van onderscheid bij de arbeidsvoorwaarden
verboden.

Nu in het onderhavige geval bij het toekennen van kerstpakketten
onderscheid gemaakt wordt tussen een deel van de ambtenaren die gehuwd
zijn (of met gehuwden gelijk gesteld worden) en degenen die dat niet
zijn, is er sprake van een onderscheid op grond van burgerlijke staat,
als bedoeld in artikel 5 van de AWGB. Dat van de ambtenaren die gehuwd
zijn (of daarmee gelijk gesteld zijn), slechts dat gedeelte door het
onderscheid wordt getroffen, dat een (huwelijks)partner heeft, die
eveneens bij de gemeente werkzaam is, laat het geconstateerde
onderscheid onverlet. Immers, de groep die door het gemaakte
onderscheid nadelig getroffen wordt bestaat per definitie uitsluitend
uit gehuwden en daarmee gelijk gestelden. Daar hier sprake is van een
direct onderscheid is een uitzondering slechts toegestaan indien sprake
zou zijn van een van de wettelijke uitzonderingsmogelijkheden (waarvan
hier niet is gebleken), en komt derhalve de vraag naar een mogelijke
rechtvaardigingsgrond niet aan de orde.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie

1. spreekt als haar oordeel uit dat de gemeente Vlieland te Vlieland
geen indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt jegens mevrouw
te Vlieland in strijd met artikel 1a Wet gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid door het toekennen van maximaal een
kerstpakket per gezamenlijke huishouding aan werknemers die getrouwd
zijn met c.q. samenwonen met een partner die bij dezelfde werkgever
werkzaam is, terwijl werknemers die zich niet in deze situatie bevinden
een kerstpakket per persoon ontvangen;

2. spreekt als haar oordeel uit dat de gemeente Vlieland te Vlieland
direct onderscheid naar burgerlijke staat heeft gemaakt jegens mevrouw
te Vlieland als bedoeld in artikel 5 lid 1 sub d van de Algemene wet
gelijke behandeling door het toekennen van maximaal een kerstpakket per
gezamenlijke huishouding aan werknemers die getrouwd zijn met, c.q.
samenwonen met een partner die bij dezelfde werkgever werkzaam is,
terwijl werknemers die zich niet in deze situatie bevinden een
kerstpakket per persoon ontvangen.

Rechters

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), dhr mr W.A. vanVeen (lid Kamer), mw mr J.R. Dierx (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(secretaris Kamer), mw A.C. van Doornen (wnd secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is door de wederpartij, een kerkelijke gemeente, de toegang
geweigerd tot de openbare zondagochtendbijeenkomsten van de
wederpartij. Hij is van mening dat daarbij zijn persoonlijke
geloofsbeleving een rol speelt en dat de wederpartij daarmee handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie overweegt het
volgende. Het belijden van de godsdienst omvat niet alleen het huldigen
van de godsdienstige of overtuiging, maar ook het zich daarnaar
gedragen.

De Commissie stelt vast dat in casu sprake is van onderscheid op grond
van godsdienst zoals bedoeld in artikel 1 AWGB, vanwege de samenhang
van de gedragingen van verzoeker met zijn godsdienstige overtuiging.
Deze gedragingen betreffen met name het schriftelijk getuigen van zijn
geloofsvisie en zijn deelname aan de zondagbijeenkomsten. Het door de
wederpartij ervaren provocerende karakter ervan alsmede de schade voor
de doelstelling van de gemeente doen hieraan niet af.

De Commissie overweegt dat de wetgever met artikel 3 AWGB gedoeld heeft
op aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de belijdenis
van de religieus-levensbeschouwelijke overtuiging. De
zondagochtendbijeenkomsten van de wederpartij, waarvan de toegang
verzoeker werd geweigerd, zijn als zodanig te beschouwen. Regels ten
aanzien daarvan, mitsdien ook regels betreffende de toelating tot
genoemde bijeenkomsten, behoren derhalve tot de inrichtingsvrijheid
zoals bedoeld in artikel 3 onder a AWGB. Het openbaar karakter daaraan
niet af, aangezien het eveneens tot de inrichtingsvrijheid behoort
nadere regels te stellen ten aanzien van het al dan niet openbare
karakter van dergelijke bijeenkomsten. Gelet op het voorgaande
concludeert de Commissie dat in casu artikel 3 AWGB van toepassing is
en mitsdien niet gehandeld is in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling. Aan toetsing aan artikel 7 AWGB komt de Commissie derhalve
niet toe.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 december 1994 verzocht de heer te Hengelo
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling om haar oordeel
uit te spreken over de vraag of de te Hengelo
(hierna: de wederpartij) jegens hem onderscheid maakt op grond van
godsdienst in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).

1.2. Verzoeker is door de wederpartij, een kerkelijke gemeente, de
toegang geweigerd tot de openbare zondagochtendbijeenkomsten van de
wederpartij. Hij is van mening dat daarbij zijn persoonlijke
geloofsbeleving een rol speelt en dat de wederpartij daarmee handelt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en het verzoek om spoed afgewezen. De Commissie heeft
vervolgens een onderzoek ingesteld volgens de normale procedure.
Partijen hebben ieder tweemaal de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. De Commissie heeft partijen uitgenodigd hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 26 juni 1995. De wederpartij is niet
op deze uitnodiging ingegaan.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – dhr (verzoeker)

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw mr E.F. Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer) – dhr mr
P.R. Rodrigues (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker is jarenlang lid van de wederpartij geweest. Artikel 1
onderdeel c van de statuten van de wederpartij luidt: “In de zin van
artikel 2 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is de Gemeente een
kerkgenootschap, bezit op grond daarvan rechtspersoonlijkheid en is als
zodanig erkend naar Nederlands recht”. De wederpartij is aangesloten
bij de Unie van (hierna: de Unie).
Artikel 3 van de statuten van de Unie luidt overeenkomstig genoemd
artikel 1.

3.2. Tijdens de gemeentevergadering van 23 november 1993 heeft de
wederpartij besloten verzoeker te royeren als lid. Dit besluit is
schriftelijk bekrachtigd bij brief van 26 november 1993.

Het royement is uitgesproken conform het huishoudelijk reglement van de
wederpartij. De reden van dit royement is gebaseerd op de volgende
punten: 1. het uitdragen van een afwijkende geloofsleer; 2. de
ontkenning van het raadsgezag; 3. de negatieve visie van verzoeker op
de gemeente.

In genoemde brief is verzoeker medegedeeld dat hij niet langer welkom
is bij de (besloten) avondmaaldiensten. Voorts is verzoeker erop attent
gemaakt dat gemeentelijke bijeenkomsten zoals vergaderingen van de
evangelisatiecommissie, bidstond, bijbelstudie en dergelijke niet meer
voor hem toegankelijk zijn. Bij genoemd schrijven is tot slot gesteld,
dat het zowel voor verzoeker als voor de wederpartij goed zou zijn als
verzoeker ook de zondagmorgendiensten voorlopig zou mijden.

3.3. Op 27 januari 1994 is verzoeker schriftelijk door de wederpartij
medegedeeld, dat hem met ingang van 30 januari 1994 de toegang tot de
diensten van de gemeente is ontzegd. Dit is bij brieven van 12 april
1994 en 27 april 1994 herhaald. In laatstgenoemde brief attendeert de
wederpartij verzoeker erop dat deze zich met de geforceerde toegang tot
de diensten van de gemeente op de zondagen 19 en 24 april 1994 schuldig
heeft gemaakt aan lokaalvredebreuk.

Op zondag 24 april 1994 is de hulp van de politie ingeroepen om
verzoeker te verwijderen uit het kerkgebouw. Na een tevergeefs verzoek
van de predikant aan verzoeker en zijn gezin om de dienst te verlaten
heeft de voltallige gemeente het kerkgebouw verlaten om de dienst
buiten voort te zetten. Uiteindelijk is het gebouw verlaten zonder
ingrijpen van de politie.

Op zondag 5 juni 1994 is verzoeker met de hulp van de politie
verwijderd uit het kerkgebouw. Verzoeker heeft daarop voor moeten komen
bij de politierechter. Deze heeft in zijn uitspraak van 2 februari 1995
wettig bewezen verklaard, dat verzoeker op voornoemde datum artikel 138
van het Wetboek van Strafrecht heeft overtreden door wederrechtelijk
binnen te dringen in een besloten lokaal bij een ander in gebruik.
Daarbij overwoog de politierechter onder meer: ” …dat zulks in het
algemeen niet en ook niet in het bijzonder een inbreuk maakt op de
vrijheid van godsdienst, nu het verdachte mogelijk is ook elders zijn
geloof te belijden, waar niet is gebleken dat verdachte de toegang is
ontzegd tot alle gemeenten; dat het aan het Kerkbestuur is om te
beoordelen of de huisregels al dan niet zijn geschonden en voldaan is
aan de eisen die zij stelt met betrekking tot een goed verloop van de
godsdienstuitoefening; dat zulks de persoonlijke geloofsbeleving
onverlet laat …”

De standpunten van partijen

3.4 Verzoeker brengt het volgende naar voren. Zijn lidmaatschap van de
wederpartij is ingetrokken om redenen van persoonlijke geloofsbeleving.
In de gemeentevergadering van november 1993 was wel gelegenheid gegeven
om zich te verdedigen, maar van te voren was gezegd dat er niet op
gereageerd kon worden. Formeel stond het besluit al vast.

Het royement heeft verzoeker geaccepteerd, echter onder protest. Hij
stelt dat het verspreiden van een afwijkende geloofsvisie, een van de
redenen voor het royement, slechts het ter hand stellen betrof van drie
cassettebandjes en twee boekjes. Voorts is van ontkenning van het
raadsgezag, een andere reden voor het royement, geen sprake. Op de
gemeentevergadering in 1993 heeft hij bevestigd dat hij het raadsgezag
erkent. Het gezag van de raad is echter beperkt. Het hoogste gezag
wordt door de Bijbel vertegenwoordigd.

3.5. Voorafgaande aan de vergadering van november 1993 heeft de
voorzitter van de wederpartij verzoeker toestemming gegeven om na het
royement de diensten op zondagochtend te bezoeken. De voorzitter trad
hierbij op als de aan verzoeker toegewezen vertrouwenspersoon.
Verzoeker en zijn gezin hebben met toestemming van de wederpartij het
bezoeken van de zondagochtendbijeenkomst voortgezet. Ofschoon zij zich
zeer correct gedroegen werd hun aanwezigheid als provocerend gezien.
Verzoeker heeft schriftelijk aangegeven, dat de reden van zijn komst
gegrond is in zijn geloof.

Hij weerspreekt de juistheid van het beroep de wederpartij op de
statuten van de gemeente met betrekking tot de weigering hem toegang te
verlenen tot de zondagdiensten. Als door leden ten gevolge van hun
gedrag afbreuk wordt gedaan aan het doel van de gemeente, gaat het om
feitelijk zichtbaar wangedrag, zoals dronkenschap, roken, het woord
voeren, lichamelijk gedrag tijdens de zondagsdienst. Zijn schrijven van
brieven aan leden heeft niets van doen met zijn feitelijk gedrag op de
zondagmorgen. Dat gedrag belemmert niemand in zijn opbouw in het
geloofsleven. Verzoeker heeft de leiding van de kerk schriftelijk ervan
op de hoogte gebracht dat hij bij andere kerkelijke gemeenten van de
Unie wel mag komen, zelfs in bijeenkomsten met een besloten karakter.

Ten aanzien van de AWGB stelt verzoeker dat het in casu niet gaat om
internkerkelijke regels. De zondagochtend bijeenkomsten zijn openbaar
toegankelijk. Via advertenties worden (niet-)gelovigen wekelijks
uitgenodigd, en door akties in de stad worden zonder uitzondering
mensen geinviteerd. In casu is volgens verzoeker artikel 7 van de AWGB
van toepassing, waarin onderscheid is verboden bij het aanbieden van
goederen en diensten. Mensen gaan immers naar een dienst die wordt
gegeven. De collecte wordt door de een weliswaar als traditie
beschouwd, maar door de ander als dankbetuiging. Een lezing wordt
gegeven, de predikant wordt betaald. Het is niet gelijk aan, maar wel
vergelijkbaar met bijvoorbeeld een college aan de universiteit.

3.6. De wederpartij stelt het volgende. Verzoeker heeft sinds enige
jaren een geloofsvisie die anders is dan datgene wat in de gemeente
wordt beleden. Deze visie werd door verzoeker via bijbelstudies bij hem
aan huis, door het verspreiden van lectuur en cassettebandjes en door
gesprekken met verschillende gemeenteleden verspreid. De raad van de
gemeente heeft verzoeker bij herhaling gevraagd deze aktiviteiten te
stoppen. Niet om hem op andere gedachten te brengen wat zijn visie
betrof, maar om de bewuste en doelgerichte verspreiding daarvan onder
de gemeenteleden tegen te gaan. Verzoeker is echter van mening dat de
raad en de voorgangers zich nog meer moeten verdiepen in zijn visie en
ontkent het raadsgezag in deze.

Bovendien had verzoeker voortdurend negatieve reacties op het
gemeentelijke werk. De bijeenkomende gemeente is door verzoeker
belasterd in de van maart 1992. Verder heeft verzoeker
zich tijdens de gemeentevergadering van 8 juni 1993 negatief uitgelaten
over het jeugdwerk. Door een artikel van verzoeker in de
van oktober 1993 heeft verzoeker met zijn andere geloofsvisie velen in
verwarring gebracht. Gelet op de brieven van verzoeker van 2 juni 1994
en 25 augustus 1994 ervaart hij de (kerke)raad als onwetend en niet
representatief, en zijn de raad en de voorgangers mensen die aanzetten
tot haat en verachting.

3.7. De wederpartij is van mening dat iemand die zo tegenover de
gemeente staat niet in staat is die gemeente op te bouwen. Op grond
daarvan is verzoeker de toegang tot de gemeentelijke diensten ontzegd.
De aanwezigheid van verzoeker in het hart van de gemeente, de
zondagmorgendienst, was voor velen op grond van het voorgaande niet
langer te verdragen en reden om de dienst te verlaten. De komst naar de
diensten van verzoeker ondanks zijn wetenschap hiervan is daarom
provocerend.

In artikel 3 van de gemeentelijke statuten wordt het doel van de
gemeente omschreven. Als eerste wordt genoemd het opbouwen van de leden
van de gemeente in geloof, hoop en liefde. In artikel 4 van de statuten
worden de middelen genoemd die de gemeente ter beschikking heeft om het
in art. 3 genoemde doel te verwezenlijken. De in artikel 4a genoemde
kerkdiensten zijn er om de leden op te bouwen in geloof, hoop en liefde
en om het Evangelie te verkondigen. De artikelen 3 en 4 van de
gemeentelijke statuten verhinderen niet dat bij de kerkdiensten
niet-leden aanwezig zijn. Het behoort tot de identiteit van de
geloofsgemeenschap om zelfs wervend te zijn. De aanwezigheid van
niet-leden wordt echter niet door de statuten verhinderd, mits zij niet
de oorzaak ervan zijn dat anderen in de uitoefening van hun godsdienst
daardoor belemmerd raken. Juist op dit punt gaat de aanspraak van
verzoeker mank.

Na zijn royement bleef verzoeker gemeenteleden persoonlijk aanschrijven
en de diensten bezoeken. Nadat verzoeker op zondag 24 april 1994
uiteindelijk zonder hulp van de politie maar op zondag 5 juni 1994 met
hulp van de politie verwijderd was, bleef hij ook daarna met brieven
naar gemeenteleden ageren. De wederpartij weerspreekt de stelling van
verzoeker dat deze zich correct zou hebben gedragen.

Tot slot stelt de wederpartij dat geen sprake is van onder scheid
tussen personen; het gaat louter om de vraag of iemand toegestaan wordt
de doelstelling van de gemeente te schaden.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid op grond van
godsdienst heeft gemaakt in strijd met de Algemene wet gelijke
behandeling door verzoeker de toegang te weigeren tot de openbare
zondagsdienst.

Artikel 1 AWGB bepaalt onder andere dat onder direct onderscheid wordt
verstaan onderscheid tussen personen op grond van godsdienst. Het
standpunt van verzoeker dat onderscheid wordt gemaakt op grond van zijn
geloofsvisie wordt bestreden door de wederpartij. De laatste stelt dat
slechts sprake is van onderscheid vanwege de schade die door het gedrag
van verzoeker wordt toegebracht aan de doelstelling van de gemeente.

De Commissie overweegt ten aanzien hiervan het volgende. Het belijden
van de godsdienst omvat niet alleen het huldigen van de godsdienstige
of overtuiging, maar ook het zich daarnaar gedragen (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1991-1992, 22014, nr. 5, pag. 39/40). De Commissie stelt
vast dat in casu sprake is van onderscheid op grond van godsdienst
zoals bedoeld in artikel 1 AWGB, vanwege de samenhang van de
gedragingen van verzoeker met zijn godsdienstige overtuiging. Deze
gedragingen betreffen met name het schriftelijk getuigen van zijn
geloofsvisie en zijn deelname aan de zondagbijeenkomsten. Het door de
wederpartij ervaren provocerende karakter ervan alsmede de schade voor
de doelstelling van de gemeente doen hieraan niet af.

4.2. De Commissie overweegt het volgende ten aanzien van de vraag of in
casu de AWGB van toepassing is.

Artikel 3 AWGB luidt: “Deze wet is niet van toepassing op: a.
rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen alsmede hun zelfstandige
onderdelen en lichamen waarin zij zijn verenigd, alsmede binnen andere
genootschappen op geestelijke grondslag; b. het geestelijke ambt.” Dit
artikel vloeit voort uit de eerbiediging van de vrijheid van godsdienst
en levensovertuiging en het beginsel van scheiding van kerk en staat.
Het betreft de vrijheid van kerkgenootschappen om zich naar de eigen
overtuiging in te richten en de verhoudingen binnen het genootschap
dienovereenkomstig te regelen.

Op andere dan internkerkelijke rechtsverhoudingen zoals bedoeld in
artikel 3 AWGB is de AWGB onverkort van toepassing, namelijk wanneer
een genootschap op gelijke voet met anderen – dus buiten het eigen
verband – in het maatschappelijk verkeer optreedt (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 3, pag. 7). In dat geval komen met
name artikel 5 en 7 AWGB voor toepassing in aanmerking. Het eerste
wetsartikel heeft betrekking op het terrein van de arbeid. Artikel 7
AWGB, waarop verzoeker zich beroept, verbiedt het maken van onderscheid
bij het aanbieden van goederen en diensten. (Artikel 7 lid 1 AWGB
luidt: “Onderscheid is verboden bij het aanbieden van goederen of
diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beeindigen van overeenkomsten
ter zake, alsmede bij het geven van advies of voorlichting over school-
of beroepskeuze, indien dit geschiedt: a. in de uitoefening van een
beroep of bedrijf; b. door de openbare dienst; c. door instellingen die
werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting, welzijn,
gezondheidszorg, cultuur of onderwijs of d. door natuurlijke personen
die niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, voor
zover het aanbod in het openbaar geschiedt”)

4.3. De Commissie overweegt dat de wetgever met artikel 3 AWGB gedoeld
heeft op aangelegenheden die rechtstreeks verband houden met de
belijdenis van de religieus-levensbeschouwelijke overtuiging (Tweede
Kamer, vergaderjaar 1990-1991, 22014, nr. 3, pag. 15). De
zondagochtendbijeenkomsten van de wederpartij, waarvan de toegang
verzoeker werd geweigerd, zijn als zodanig te beschouwen. Regels ten
aanzien daarvan, mitsdien ook regels betreffende de toelating tot
genoemde bijeenkomsten, behoren derhalve tot de inrichtingsvrijheid
zoals bedoeld in artikel 3 onder a AWGB. Het openbaar karakter daaraan
niet af, aangezien het eveneens tot de inrichtingsvrijheid behoort
nadere regels te stellen ten aanzien van het al dan niet openbare
karakter van dergelijke bijeenkomsten.

Gelet op het voorgaande concludeert de Commissie dat in casu artikel 3
AWGB van toepassing is en mitsdien niet gehandeld is in strijd met de
Algemene wet gelijke behandeling. Aan toetsing aan artikel 7 AWGB komt
de Commissie derhalve niet toe.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit over het handelen van de
Baptisten Gemeente Hengelo ’t Venster te Hengelo door de heer A.C.
Schimmel te Hengelo de toegang te weigeren tot de openbare
zondagsdienst, dat de Algemene wet gelijke behandeling krachtens
artikel 3 van deze Wet niet van toepassing is en derhalve niet in
strijd met deze Wet is gehandeld.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw mr E.F.Lagerwerf-Vergunst (lid Kamer), dhr mr P.R. Rodrigues (lid Kamer), mwmr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 24 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was op basis van een tijdelijk arbeids-contract werkzaam
bij de wederpartij. Haar contract liep af op 1 mei 1995. Verzoekster
stelt dat haar contract niet verlengd is omdat haar directeur er geen
vertrouwen in had dat het moederschap is te combineren met een voltijd
baan. Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door haar contract niet
te verlengen. De Commissie concludeert dat het besluit van de
wederpartij van 7 december 1994 om de arbeidsovereenkomst met
verzoekster niet te verlengen, niet gebaseerd kon zijn op het feit dat
verzoekster niet bereid zou zijn voltijd te werken. Evenmin kon dit
besluit gebaseerd zijn op het feit dat verzoekster slecht zou
functioneren.

Uit de fuctionerings-evaluatie van 30 november 1994 blijkt immers dat
het functioneren van verzoekster overwegend als goed werd
gekwalificeerd. Hieruit rijst het vermoeden dat voormeld besluit van de
wederpartij inderdaad (mede) was gebaseerd op de zwangerschap en het
aanstaand moederschap van verzoekster. De Commissie acht het voorts
niet aannemelijk dat verzoekster vanwege de reorganisatie geen
verlenging werd aangeboden. De Commissie kan derhalve niet anders
concluderen dan dat niet aannemelijk is geworden dat de zwangerschap en
het aanstaand moederschap van verzoekster geen rol hebben gespeeld bij
de beslissing om niet een nieuwe arbeidsovereenkomst met verzoekster
aan te gaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 12 april 1995 verzocht mevrouw te
Spijkenisse (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling om
met spoed haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Spijkenisse (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid
heeft gemaakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster was op basis van een tijdelijk arbeids-contract
werkzaam bij de wederpartij. Haar contract liep af op 1 mei 1995.
Verzoekster stelt dat haar contract niet verlengd is omdat haar
directeur er geen vertrouwen in had dat het moederschap is te
combineren met een voltijd baan. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld door haar contract niet te verlengen.

2. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
spoedprocedure toegepast.

2.2. Partijen zijn opgeroepen voor een hoorzitting op grond van artikel
12 van het Besluit Werkwijze CGB op 25 april 1995 om in eerste
instantie mondeling inlichtingen te geven. Deze hoorzitting heeft geen
doorgang gevonden vanwege gezondheidsredenen van verzoekster.
Vervolgens zijn partijen opgeroepen voor een zitting op grond van
artikel 29 van het Besluit Werkwijze CGB op 26 juni 1995.

2.3.Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) –
dhr (gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – dhr
(personeelsfunctionaris) – dhr (directeur) – dhr
(bedrijfsjurist)

van de kant van de Commissie: – mw mr L.Y. Goncalves Ho Kang You
(Kamervoorzitter) – mw dr. mr. L. Mulder (lid Kamer) – mw mr. drs.
M.G. Nicolai (lid Kamer) – mw mr. A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.4.Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 1 mei 1994 in dienst getreden als secretaresse
bij de wederpartij. Daaraan voorafgaand is verzoekster van 14 februari
tot 1 mei 1994 op uitzendbasis bij de wederpartij werkzaam geweest in
dezelfde functie. Haar is met ingang van 1 mei 1994 een tijdelijk
contract voor een jaar aangeboden dat op 1 mei 1995 afliep. De intentie
van partijen was na afloop van het tijdelijk contract het dienstverband
te continueren. Een bepaling van deze strekking staat vermeld in het
tijdelijk arbeidscontract van verzoekster.

3.2. De wederpartij van verzoekster is een holding met een aantal
werkmaatschappijen. Verzoekster was werkzaam als secretaresse van de
directeur van een van de werkmaatschappijen. De directeur verrichtte
tevens een staffunctie ten behoeve van de holding, waarbij verzoekster
hem ook secretarieel ondersteunde.

3.3. Verzoekster heeft op of omstreeks 31 augustus 1994 aan de
directeur medegedeeld dat zij zwanger was. De verwachte bevallingsdatum
was op 25 april 1995 vastgesteld. Zij informeerde tijdens dit gesprek
naar de mogelijkheden om na de bevalling in deeltijd te gaan werken. De
directeur deelde hierop mee dat hij in principe de beschikking wilde
hebben over een voltijd secretaresse maar dat hij het verzoek serieus
zou overwegen.

3.4. Op 30 november 1994 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden
tussen verzoekster en de directeur. Het functioneren van verzoekster
werd overwegend als goed gekwalificeerd (volgens het
evaluatie-formulier: 2x “uit stekend”, 12x “goed” en 2x “voldoende”).
Verzoekster stelde wederom haar verzoek om na haar bevallingsverlof in
deeltijd te mogen werken aan de orde. Er zijn een aantal voorstellen
van verzoekster over de invulling van de functie in deeltijd besproken.
In verband met de beperkte tijd werd afgesproken het gesprek op 7
december 1994 voort te zetten.

3.5. Op 7 december 1994 heeft de directeur aan verzoekster medegedeeld
dat hij over een voltijd secretaresse wil beschikken. Het verzoek om in
deeltijd te gaan werken in de huidige functie zou derhalve niet worden
ingewilligd. Ook elders in het concern waren geen geschikte functies
voor verzoekster in deeltijd mogelijk. Verzoekster heeft op of
omstreeks 7 december 1994 zich bereid verklaard na 1 mei 1995 voltijd
te blijven werken.

3.6. Op het functionerings-evaluatieformulier staat vermeld dat het
contract van verzoekster niet omgezet zal worden in een vast
dienstverband.

3.7. Op 21 februari 1995 vond er tussen de directeur en verzoekster een
gesprek plaats over de voortzetting van het dienstverband na 1 mei
1995. De directeur deelde nogmaals aan verzoekster mee dat haar
contract niet zou worden verlengd per 1 mei 1995. Volgens verzoekster
heeft de directeur gesteld dat hij er geen vertrouwen in had dat
verzoekster een voltijd baan met het moederschap zou kunnen combineren.
De directeur heeft een andere lezing over de inhoud van dit gesprek. Na
dit gesprek heeft verzoekster zich ziek gemeld waarop aansluitend haar
zwangerschapsverlof is aangevangen.

3.8. Verzoekster heeft bij brief van 22 februari 1995, gericht aan de
personeelsfunctionaris van de wederpartij, haar lezing van de inhoud
van het gesprek van 21 februari 1995 met de directeur bevestigd, zoals
hiervoor onder 3.7 beschreven.

3.9. Verzoekster verzocht met de bovenvermelde brief aan de
personeelsfunctionaris om de reden van het niet verlengen van haar
overeenkomst (namelijk het geen vertrouwen hebben van de werkgever in
de combinatie van full-time werken en moederschap) te vermelden in een
getuigschrift. Dit is niet gebeurd. De afdeling personeelszaken van de
wederpartij heeft een ‘standaard’ getuigschrift verstrekt, waarop staat
vermeld dat verzoekster haar werkzaamheden “tot tevredenheid en met
inzet heeft uitgevoerd”. Verzoekster werd omschreven als een prettige
medewerkster en collega. Als reden van het einde van het dienstverband
staat vermeld dat de overeengekomen contractperiode is verstreken. Door
de wederpartij is niet gereageerd op de brief van verzoekster.

3.10 In april 1995 is er een nieuwe medewerkster op uitzendbasis
aangetrokken voor 38 driekwart uur per week voor administratieve
werkzaamheden. Half mei 1995 heeft deze medewerkster een contract
gekregen voor een jaar. Zij werkt 38 driekwart uur per week voor de
directeur en doet licht secretarieel werk.

De standpunten van partijen

3.11. Verzoekster stelt het volgende. De wederpartij heeft haar
contract niet willen verlengen omdat verzoekster eind april 1995 moeder
zou worden en zij het moederschap niet zou kunnen combineren met een
voltijd baan. Een andere reden is er niet, aangezien zij goed
functioneerde. Bij aanvang van het tijdelijk dienstverband is haar door
de personeelsfunctionaris meegedeeld dat de intentie was om na afloop
van het jaarcontract verzoekster voor onbepaalde tijd in dienst te
nemen.

Een dergelijke bepaling is ook in de tijdelijke arbeidsovereenkomst
opgenomen.

Haar verzoek om na 1 mei 1995 in deeltijd te gaan werken is afgewezen.
De verlenging van de arbeidsovereenkomst zou slechts op basis van een
voltijd dienstverband kunnen plaatsvinden. Verzoekster stelt dat haar
op 7 december 1994 een voltijd dienstverband is aangeboden na afloop
van haar tijdelijke contract en dat zij een dag later heeft verklaard
dit te aanvaarden. Verzoekster stelt dan ook dat er tussen haar en de
wederpartij een arbeidsovereenkomst is overeengekomen als voltijd
secretaresse vanaf 1 mei 1995. Verzoekster stelt zich op het standpunt
dat ofwel de wederpartij zijn aanbod heeft ingetrokken in februari 1995
ofwel zijn voorlopig aanbod niet heeft omgezet in een definitief
aanbod.

Naar aanleiding van het verweer van de wederpartij (zie hierna onder
3.12 en volgende) dat bedrijfseconomische redenen ten grondslag lagen
aan het besluit de arbeids-overeenkomst met verzoekster niet te
verlengen stelt verzoekster het volgende. Verzoekster was er van op de
hoogte dat er vanwege financiele perikelen bij de werkmaatschappij een
reorganisatie moest plaatsvinden, omdat zij vanwege haar werk betrokken
was bij vergaderingen van de centrale directieraad van de holding.
Echter over de gevolgen van de reorganisatie voor haar functie is niet
met haar gesproken. Naar aanleiding van de mededeling van de
wederpartij op de zitting dat er na de reorganisatie, te weten in april
1995, een nieuwe medewerkster is aangetrokken voor 38 uren per week
voor administratieve werkzaamheden, stelt verzoekster dat haar niet
gevraagd is of zij voor de nieuwe functie in aanmerking wilde komen. Er
is haar ook niets verteld over de inhoud van de nieuwe functie.

Verzoekster is van mening dat de wederpartij door het niet verlengen
van de arbeidsovereenkomst in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling onderscheid naar geslacht heeft gemaakt.

3.12.De wederpartij stelt het volgende.

De wederpartij bestrijdt dat door haar onderscheid wordt gemaakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling. De wederpartij stelt dat
tijdens het vervolg op het functioneringsgesprek op 7 december 1994
uitdrukkelijk is aangegeven dat het contract niet zou worden verlengd,
hetgeen ook staat vermeld onderaan het
functioneringsevaluatieformulier. Hieraan lagen bedrijfseconomische
redenen ten grondslag. Zwangerschap en aanstaand moederschap van
verzoekster hebben daarbij geen enkele rol gespeeld.

De wederpartij heeft geen aanbod gedaan aan verzoekster om na afloop
van het contract voltijd te blijven werken.

3.13. Het verzoek van verzoekster om in deeltijd te mogen gaan werken
is serieus overwogen door de directeur maar is op grond van
organisatorische overwegingen afgewezen. De organisatorische
overwegingen waren gelegen in het feit dat verzoekster werkzaam was op
een kleine afdeling waar reeds een werknemer in deeltijd werkte. De
onderlinge afstemming van de werkzaamheden en de benodigde
flexibiliteit zouden problemen geven als verzoekster ook in deeltijd
zou gaan werken. Besloten werd dat er behoefte was aan een voltijd
secretaresse.

3.14. Nadat de wederpartij besloten had dat het in deeltijd werken van
verzoekster niet mogelijk was, is het aanbod van verzoekster om dan
voltijd te blijven werken met ingang van 1 mei 1995 niet geaccepteerd
door de wederpartij. De negatieve resultaten van het bedrijf maakten in
de loop van het najaar 1994 duidelijk dat een reorganisatie
noodzakelijk was, waarbij de functie van verzoekster grotendeels zou
komen te vervallen. Er was behoefte aan een andersoortige, meer
commercieel gerichte functie dan die verzoekster vervulde en zou kunnen
vervullen, gelet op haar achtergrond en ervaring. De
administratieve/secretariele werkzaamheden zouden op een andere wijze
verdeeld gaan worden over de overblijvende medewerkers. De verwachting
was dat de markt binnen afzienbare tijd weer zou aantrekken.

3.15. Begin december 1994 vond de besluitvorming over deze
reorganisatie plaats in de centrale directieraad van de holding. In
december 1994 en januari 1995 is verdere invulling aan de reorganisatie
van de werkmaatschappij gegeven. De wederpartij verwachtte van
verzoekster dat zij uit hoofde van haar functie van de gang van zaken
en de gevolgen voor haar eigen functie op de hoogte was.

3.16. Op 21 februari 1995 heeft de directeur aan verzoekster nogmaals
meegedeeld dat zij geen contract voor onbepaalde tijd zou krijgen. Het
is gebruikelijk bij de wederpartij dat circa twee maanden voor het
einde van een arbeidscontract een gesprek met de betreffende medewerker
plaatsvindt. De wederpartij heeft het functioneren van verzoekster niet
ter discussie gesteld. De directeur was niet bekend met de brief van
verzoekster van 22 februari 1995, gericht aan de personeelsafdeling van
de holding, waarin het gesprek van 21 februari 1995 zou zijn bevestigd.
De wederpartij ontkent dat zij als reden van het niet verlengen van het
contract zou hebben gegeven dat het moederschap niet zou zijn te
combineren met een voltijd baan.

3.17. De medewerkster die in april 1995 is aangetrokken werkt voltijd
voor de directeur en doet administratieve/secretariele werkzaamheden
van eenvoudiger aard dan verzoekster tegen een loon dat meer dan 30 %
lager ligt dan dat van verzoekster. Deze functie is niet aan
verzoekster aangeboden vanwege het lagere salaris. Verder speelde mee
dat er minder vertrouwen was ontstaan in een plezierige
arbeidsverhouding met verzoekster.

Samengevat stelt de wederpartij dat het niet omzetten van het
arbeidscontract voor bepaalde tijd in een vast dienstverband met
verzoekster, na de beeindiging van rechtswege van de
arbeidsovereenkomst, berust op bedrijfseconomische gronden. De
wederpartij heeft ruim van te voren aangegeven dat het contract niet
zou worden verlengd. Zwangerschap en moederschap of onderscheid naar
geslacht hebben geen enkele rol gespeeld bij het nemen van dit besluit
van de wederpartij.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij in strijd met artikel
7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) heeft gehandeld door de
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet te verlengen.

4.2. Ingevolge artikel 7A:1637ij lid 1 BW is het verboden bij het
aangaan of beeindigen van een arbeidsovereenkomst onderscheid te maken
tussen mannen en vrouwen.

4.3. De Commissie heeft in eerdere uitspraken (Commissie gelijke
behandeling, 23 mei 1995, oordeelnummer 95-15) geoordeeld dat het
besluit om een tijdelijke arbeidsovereenkomst niet om te zetten in een
vast dienstverband, een besluit betreffende het aangaan van een
arbeidsovereenkomst is. Artikel 7A:1637ij lid 1 BW verbiedt het
onderscheid naar geslacht daarbij.

4.4. Artikel 7A:1637ij BW lid 5 respectievelijk artikel 1 Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB) geeft aan dat onder onderscheid
tussen mannen en vrouwen moet worden verstaan direct en indirect
onderscheid. Onderscheid op grond van zwangerschap, bevalling en
moederschap is blijkens deze bepalingen een vorm van direct
onderscheid.

De wet maakt het niet mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te voeren
voor direct onderscheid, anders dan de in de in artikel 5 WGB en
artikel 1637ij lid 2-4 BW opgenomen uitzonderingen, namelijk in geval
van geslachtsbepaalde functies, bescherming van de vrouw en
voorkeursbeleid voor vrouwen. Deze uitzonderingen zijn hier niet van
toepassing.

4.5. De vraag die voorligt is of aannemelijk is geworden dat de
zwangerschap en het aanstaand moederschap van verzoekster (mede)
aanleiding voor de wederpartij vormden om de arbeidsovereenkomst met
verzoekster niet te verlengen. In de lijn van eerdere uitspraken van de
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is de
Commissie van oordeel dat ook als zwangerschap of (aanstaand)
moederschap een van de redenen en niet de enige reden is voor het
gemaakte onderscheid, dit strijd met de wet oplevert. (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 18 oktober
1989, oordeelnummer 42-89-13, 8 mei 1990, 172-90-31 en 23 juni 1992,
518-92-37).

4.6. Hieromtrent overweegt de Commissie als volgt:

De wederpartij heeft als verweer aangevoerd dat de arbeidsovereenkomst
niet is verlengd vanwege bedrijfseconomische redenen, die geen verband
houden met het vrouw zijn, danwel het moederschap of de zwangerschap
van verzoekster. Hoewel de wederpartij deze bedrijfseconomische
omstandigheden uitvoerig heeft toegelicht, acht de Commissie het niet
aannemelijk, op de hierna vermelde overwegingen, dat de reorganisatie
de (enige) reden is geweest van het niet verlengen van de
arbeidsovereenkomst met verzoekster.

De Commissie is integendeel tot de conclusie gekomen dat hetgeen zich
tussen partijen heeft voorgedaan sinds de mededeling van verzoekster
dat zij zwanger was tot begin december 1994, cruciaal is geweest voor
de wederpartij om reeds op 7 december 1994 te besluiten de
arbeidsovereenkomst met verzoekster niet te verlengen. De Commissie zal
derhalve eerst ingaan op hetgeen zich in genoemde periode heeft
voorgedaan.

4.7. Nadat verzoekster op 31 augustus 1994 aan de directeur van de
wederpartij had meegedeeld dat zij zwanger was en informeerde naar de
mogelijkheid om na haar bevalling in deeltijd te gaan werken, heeft de
directeur zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat hij over
een voltijd secretaresse wilde beschikken. De mogelijkheden om in
deeltijd te werken, zowel binnen de afdeling als daarbuiten, zijn
weliswaar besproken dan wel bekeken door de wederpartij.

In ieder geval staat vast dat de directeur reeds op of omstreeks 7
december 1994 besloten heeft de arbeidsovereenkomst met verzoekster per
1 mei 1995 niet te verlengen omdat de directeur behoefte had aan de
ondersteuning door een voltijd secretaresse. Voorts staat vast dat
verzoekster zich toen direct bereid heeft verklaard voltijd te blijven
werken. Desondanks heeft de directeur dit besluit niet herzien.

De Commissie concludeert dan ook dat het besluit van de wederpartij van
7 december 1994 om de arbeidsovereenkomst met verzoekster niet te
verlengen, niet gebaseerd kon zijn op het feit dat verzoekster niet
bereid zou zijn voltijd te werken. Evenmin kon dit besluit gebaseerd
zijn op het feit dat verzoekster slecht zou functioneren. Uit de
fuctionerings-evaluatie van 30 november 1994 blijkt immers dat het
functioneren van verzoekster overwegend als goed werd gekwalificeerd.
Hieruit rijst het vermoeden dat voormeld besluit van de wederpartij
inderdaad (mede) was gebaseerd op de zwangerschap en het aanstaand
moederschap van verzoekster.

4.8. Vervolgens is de vraag of de wederpartij dit vermoeden heeft
weerlegd door haar beroep op bedrijfseconomische omstandigheden, die
omstreeks dezelfde tijd (begin december 1994) bezuinigingen binnen de
werkmaatschappij noodzakelijk maakten. Met betrekking tot dit verweer
overweegt de Commissie het volgende. Hoe de reorganisatie -en met name
de secretariele en/of administratieve ondersteuning- ingevuld zou gaan
worden was begin december 1994 nog niet duidelijk. Toen de
reorganisatie in het begin van 1995 duidelijker vormen kreeg, bleek dat
er bij de directeur wel behoefte bestond aan lichte
administratieve/secretariele ondersteuning. Nog tijdens het
dienstverband met verzoekster is een nieuwe administratieve kracht
aangetrokken, die ook lichte secretariele werkzaamheden verricht. Met
verzoekster is niet besproken of zij belangstelling zou hebben voor
deze functie, terwijl verzoekster had aangegeven graag (voltijd) te
willen blijven werken na mei 1995. Voorts staat vast dat de wederpartij
niet met verzoekster heeft gesproken over de gevolgen die de
reorganisatie voor haar functie zou hebben. Verzoekster was weliswaar
op de hoogte dat er binnen het bedrijf verschuivingen en bezuinigingen
plaatsvonden, maar haar is niet meegedeeld dat het feit dat zij niet
kon blijven met deze verschuivingen en bezuinigingen te maken had.

De Commissie acht het dan ook niet aannemelijk dat verzoekster vanwege
de reorganisatie geen verlenging werd aangeboden.

Het ligt immers voor de hand dat indien de reorganisatie daadwerkelijk
de (enige) reden voor het ontslag is geweest, de wederpartij dit aan
verzoekster zou hebben meegedeeld en begin 1995 met haar besproken zou
zijn of zij belangstelling had voor de nieuwe functie van
administratief medewerker, ook al was daaraan een lager salaris
verbonden.

Daarbij komt nog dat de wederpartij de intentie had om het
dienstverband te continueren, zoals in artikel 2 van de
arbeidsovereenkomst is vastgelegd, en gebruikelijk is dat er circa twee
maanden voor het einde van een tijdelijke dienstbetrekking een
beoordelingsgesprek plaatsvindt waarin besloten wordt of de
arbeidsovereenkomst wordt voortgezet. Er is geen reden door de
wederpartij aangegeven waarom dit besluit in het geval van verzoekster
reeds enkele maanden eerder (december 1994) genomen is.

4.9. De Commissie kan derhalve niet anders concluderen dan dat niet
aannemelijk is geworden dat de zwangerschap en het aanstaand
moederschap van verzoekster geen rol hebben gespeeld bij de beslissing
om niet een nieuwe arbeidsovereenkomst met verzoekster aan te gaan.

4.10. Naar aanleiding van het standpunt van wederpartij dat bij het
nemen van het besluit tot niet verlenging tevens heeft meegespeeld dat
er een minder plezierige arbeidsverhouding was ontstaan wijst de
Commissie tot slot op het volgende. Uit het feit dat de wederpartij de
redenen voor het niet voortzetten van het dienstverband, zoals door
verzoekster vastgelegd in haar brief van 22 februari 1995, niet heeft
weersproken, heeft verzoekster terecht mogen concluderen dat het niet
kunnen combineren van het moederschap met een voltijd baan voor de
wederpartij de reden was haar contract niet te verlengen. Het is
begrijpelijk dat verzoekster door deze gang van zaken teleurgesteld
moet zijn geweest. Voorzover er bij de wederpartij geen vertrouwen meer
was in een plezierige werksituatie is dat niet aan verzoekster
verwijtbaar.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Spijkenisse jegens
mevrouw te Spijkenisse onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
zoals bedoeld in artikel 7A:1637ij BW en daarmee heeft gehandeld in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

Rechters

mw mr L.Y. Goncalves Ho Kang You (Kamervoorzitter), mw dr. mr. L.Mulder (lid Kamer), mw mr. drs. M.G. Nicolai (lid Kamer), mw mr. A.K.de Jongh (secretaris Kamer)

Instantie: Kantonrechter Rotterdam, 21 juli 1995

Instantie

Kantonrechter Rotterdam

Samenvatting


Werkneemster heeft werkgeefster bij brief van 30 november 1994 meegedeeld
na afloop van haar bevallingsverlof gebruik te willen maken van haar recht
op ouderschapsverlof en twintig uren te willen gaan werken. Daarbij heeft
zij de door haar gewenste spreiding van haar 24 uren over de week
aangegeven. Werkgeefster heeft werkneemster bij brief van 5 april 1995
laten weten dat zij een fulltime medewerkster had aangenomen voor de
functie van werkneemster. Aan haar werd als alternatief een flexibele
plaats op een andere afdeling aangeboden en de twintig uren werden over
vijf dagen verdeeld. Werkneemster heeft zich daarop bij het einde van haar
bevallingsverlof ziek gemeld.

Zij vordert nu tewerkstelling in haar oude functie. De kantonrechter stelt
vast dat werkneemster werkgeefster conform het gestelde in art. 7A:1638oo
BW heeft laten weten dat zij ouderschapsverlof wilde opnemen. Gezien de
ingangsdatum van het verlof kon werkgeefster op 5 april 1995 zelfs geen
invloed meer uitoefenen op de spreiding van de uren over de week, nu dit
uiterlijk vier weken voor aanvang van het verlof moet gebeuren. Dit
betekent dat werkgeefster verplicht is werkneemster op de door haar
aangegeven uren in haar functie tewerk te stellen. Werkgeefster kan dit
alleen terecht weigeren als dit om zwaarwegende redenen niet van
werkgeefster gevergd zou kunnen worden. Hiervan is evenwel geen sprake.
Werkneemster was niet gehouden de alternatieve functie te accepteren,
zeker niet nu haar daarbij niet was toegezegd dat zij na afloop van het
ouderschapsverlof haar oude functie weer zou kunnen vervullen. De
kantonrechter beveelt werkgever werkneemster binnen 24 uur na betekening
van dit vonnis voor de resterende duur van het aan werkneemster toekomende
ouderschapsverlof zonder enige beperking te herplaatsen en tewerk te
stellen in haar oorspronkelijke functie.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

Overeenkomstig de inleidende dagvaarding vordert eiseres, verder te noemen
A, dat gedaagde, verder te noemen Vertom bij wijze van voorlopige
voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt veroordeeld om
binnen 24 uur na betekening van dit vonnis: A te herplaatsen en tewerk te
stellen in de functie van secretaresse voor de commerciele afdeling zonder
enige beperking, op grond van 20 uur per week en conform de uren die A
heeft aangegeven in haar brief van 30 november 1994, zulks op de verbeurte
van een dwangsom van ƒ 250,= per dag of gedeelten van een dag dat gedaagde
in gebreke mocht blijven aan voormeld vonnis te voldoen, met veroordeling
van Vertom in de kosten van de procedure.

Bij de dagvaarding zijn de producties gevoegd.

2. De motivering

2.1. Bij de beoordeling van het geschil wordt van de navolgende feiten
uitgegaan. A is met ingang van 1 december 1985 in dienst getreden bij
Vertom als bevrachter voor de volle werktijd per week. In september 1993
is A overgeplaatst naar de functie van secretaresse op de commerciele
afdeling, in welke functie zij vier dagen per week werkte. A is in 1994
zwanger geworden en heeft bij brief van 30 november 1994 aan Vertom
medegedeeld gebruik te willen maken van haar recht op ouderschapsverlof.
Zij gaf in die brief aan dat zij 20 uur per week wilde werken, te weten
acht uur op de maandagen en de woensdagen en vier op de dinsdagen. Het
ouderschapsverlof zou ingaan op de dag waarop het zwangerschapsverlof van
A zou eindigen. Vertom heeft aan A bij brief van 5 april 1995 bericht dat
zij inmiddels voor de functie van A een fulltime administratief
medewerkster in dienst genomen had, waardoor A niet in haar oude functie
tewerkgesteld kon worden.

Als alternatief bood Vertom aan A een flexibele plaats op de afdeling
Technische Dienst-Kapiteinskamer administratie aan, waar de tot 20 uur per
week gereduceerde werktijd zou moeten worden gespreid over vijf dagen per
week, in die zin dat A van maandag tot en met vrijdag iedere middag zou
werken. Op 8 mei 1995, de dag waarop het ouderschapsverlof daadwerkelijk
is aangevangen heeft A zich ziek gemeld, welke situatie tot op heden
voortduurt.

2.

2. A heeft gepersisteerd bij haar vordering. Het door Vertom geboden
alternatief is voor haar niet acceptabel, onder meer omdat Vertom haar
niet zonder voorbehoud garandeert dat zij na ommekomst van het
ouderschapsverlof zonder meer opnieuw voor vier dagen per week in haar
oude functie tewerkgesteld zal worden.

A betwist dat parttime werken zoals door haar voorgesteld in die functie
niet mogelijk is.

2.3. Vertom, heeft zich op het standpunt gesteld, dat A handelt in strijd
met de eisen van redelijkheid en billijkheid door het haar geboden
alternatief niet te accepteren. Vertom stelt daartoe dat zij A altijd
zoveel mogelijk tegemoet is gekomen. Zo heeft zij A, die in 1993 te kennen
gaf bij voorkeur slechts vier dagen per week te willen werken, vanaf dat
moment een functie aangeboden voor vier dagen per week op het secretariaat
van de bevrachtingsafdeling, terwijl zij A de bedrijfsauto, die normaal
uitsluitend aan commerciele medewerkers ter beschikking wordt gesteld,
vooralsnog heeft laten behouden. Vertom stelt verder dat parttime werken
op de bevrachtingsafdeling niet goed mogelijk is.

Op die afdeling worden 25 schepen per week afgesloten, hetgeen meebrengt
dat voor de afhandeling van een en ander de afdeling eigenlijk zeven dagen
per week bemand zou moeten zijn, terwijl het niet goed mogelijk is dat de
werkzaamheden halverwege de dag of gedurende de week worden overgedragen.

2.4. Bij de beoordeling van het geschil van partijen stelt de
kantonrechter voorop dat A door middel van het gestelde in haar brief van
30 november 1994 heeft voldaan aan de in artikel 7A:1638oo BW gestelde
vereisten voor een beroep door de werknemer op het recht om
ouderschapsverlof op te nemen. Verder stelt de kantonrechter vast dat
Vertom, gezien de ingangsdatum van het verlof zoals hiervoor is overwogen,
op 5 april 1995 zelfs geen invloed meer kon uitoefenen op de spreiding van
de door A te werken uren per week, gelet op hetgeen is bepaald in artikel
7A:1638oo lid 6 BW.

2.5. Hetgeen, hiervoor is overwogen brengt mee, dat Vertom in beginsel
verplicht was A met ingang van 8 mei 1995 gedurende de door haar
aangegeven uren in de week tewerk te stellen op het secretariaat van de
afdeling bevrachting, de functie van A. Vertom heeft alleen dan terecht
geweigerd om A aldus tewerk te stellen, indien van haar op grond van
zwaarwegende omstandigheden in redelijkheid niet gevergd kan worden om A
op haar eigen plek, ook in het kader van het ouderschapsverlof, tewerk te
stellen. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter doen zich
dergelijke omstandigheden in casu niet voor, nu Vertom er niet in is
geslaagd om aannemelijk te maken dat parttime werken, zoals door A is
aangegeven, op het secretariaat van de bevrachtingsafdeling niet mogelijk
is. Wel is duidelijk dat het ouderschapsverlof van A voor Vertom lastig
is, maar die omstandigheid is onvoldoende zwaarwegend. Aan een en ander
doet niet af dat Vertom aan A een alternatief heeft voorgesteld, zoals
hiervoor is overwogen. Dit voorstel heeft A alleen al niet hoeven te
accepteren, omdat Vertom geen garantie heeft willen bieden dat A na
ommekomst van het ouderschapsverlof weer zonder meer in haar oude functie
tewerkgesteld zou worden voor vier dagen per week. Het feit dat Vertom
tijdens het zwangerschapsverlof van A een nieuwe fulltime-medewerkster
voor de functie van A heeft aangesteld is tenslotte evenmin van belang,
nu deze omstandigheid geheel voor rekening en risico van Vertom dient te
blijven. De slotsom is dat de door A gevorderde voorziening zal worden
gegeven, zoals hierna is bepaald.

2.6. Vertom zal als de voor het grootste deel in het ongelijk gestelde
partij worden veroordeeld in de kosten, zoals hierna is vermeld.

De beslissing De kantonrechter: Rechtdoende bij wege van voorlopige
voorziening: beveelt Vertom om A binnen 24 uur na betekening van dit
vonnis voor de resterende duur van het aan A toekomende ouderschapsverlof
zonder enige beperking te herplaatsen en te werk te stellen in de functie
van secretaresse voor de commerciele afdeling met inachtneming van de
navolgende werktijden: -maandag 09.00 u.-13.00 u./13.30 u.-17.30 u.
-dinsdag 9.00 u.-13.00 u. -woensdag 09.00 u.-13.00 u./13.30 u.-17.30 u.,
op verbeurte van een dwangsom van ƒ 250,= voor iedere dag waarop gedaagde
in gebreke blijft aan dit bevel te voldoen: veroordeelt Vertom in de
kosten van deze procedure ( …); verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij
voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Rechters

Mr. Wiegman

Instantie: Rechtbank Rotterdam, 20 juli 1995

Instantie

Rechtbank Rotterdam

Samenvatting


Tussen partijen is een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van een
jaar. De arbeidsovereenkomst bevat de ontbindende voorwaarde dat eiseres
medisch goedgekeurd zou worden. Voorts is een proeftijd overeengekomen. De
arts acht haar bij de medische keuring minder geschikt voor de functie.
Vervolgens meldt de vrouw dat zij zwanger is. Op diezelfde dag wordt haar
medegedeeld dat haar dienstverband is beëindigd. Volgens de rechter staat
niet vast dat de uitslag van de medische keuring de doorslag heeft gegeven.
Hierdoor rijst het vermoeden dat de werkgever heeft gehandeld in strijd met
art. 1637ij BW. De werkgever zal dit vermoeden moeten weerleggen.

Volledige tekst

1. Het verloop van de procedure

1.1. Bij inleidende dagvaarding d.d. 1 oktober 1993 heeft P gevorderd dat de
kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

– voor recht zal verklaren dat RNO, door P te ontslaan in de proeftijd,
gehandeld heeft in strijd met art. 7A:1637ij BW, te weten de gelijke
behandeling mannen en vrouwen.
– RNO zal veroordelen tot betaling van een vergoeding van ƒ 36 500,00 terzake
van schending van voornoemd artikel, waarbij de vergoeding bestemd is ter
compensatie van pensioen- en inkomensverlies, alsmede carrièrebreuk.
– RNO zal veroordelen tot het betalen van de wettelijke rente over voornoemd
bedrag vanaf het moment dat deze verschuldigd is, tot het moment van algehele
voldoening.
– RNO zal veroordelen te voldoen aan P de door deze gemaakte
buitengerechtelijke incassokosten ter grootte 15% van de hoofdsom welke post
hierboven is toegelicht.
– Tevens RNO zal veroordelen aan P te betalen de afwikkelingskosten, zoals
hierboven toegelicht, indien en voorzover P gehouden is dergelijke kosten te
voldoen aan de deurwaarder, die het in deze procedure te wijzen vonnis
executeert.
– RNO zal veroordelen in de kosten van het geding.

1.2. RNO heeft bij conclusie van antwoord met producties verweer gevoerd
tegen de vordering.

1.3. Na verdere conclusiewisseling, waarbij P stukken in het geding heeft
gebracht, heeft de kantonrechter te Rotterdam bij vonnis d.d. 18 april 1994
RNO toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden, waaruit is af
te leiden dat haar besluit om af te zien van het dienstverband met P niet
berust op de zwangerschap van P.

1.4. De rechtbank verwijst met betrekking tot procedure in eerste aanleg
overigens naar de in hoger beroep overgelegde stukken, waaronder voormeld
vonnis, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

1.5. Bij dagvaarding d.d. 9 mei 1994 is RNO vervolgens in hoger beroep
gekomen van voormeld vonnis van 18 april 1994.

1.6. RNO heeft bij memorie van grieven drie grieven aangevoerd tegen
laatstvermeld vonnis van de kantonrechter, met conclusie dat de rechtbank het
bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij vonnis voor
zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair de vordering van P zal
afwijzen, subsidiair P zal belasten met het bewijs dat het dienstverband
vanwege haar zwangerschap is opgezegd, een en ander met veroordeling van P in
de kosten van het geding in beide instanties.

1.7. P heeft bij memorie van antwoord, met producties, de grieven bestreden,
en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het door RNO ingestelde hoger
beroep, met veroordeling van RNO in de proceskosten.

1.8. Partijen hebben hun zaak door hun advocaat doen bepleiten, RNO heeft
hierbij pleitnotities overgelegd.

1.9. Partijen hebben de stukken, waaronder die van de eerste aanleg,
overgelegd en vonnis gevraagd.

2. De ontvankelijkheid van het hoger beroep

RNO is tijdig van het vonnis in hoger beroep gekomen, en is in zoverre in
ieder geval ontvankelijk in haar hoger beroep.

3. De vaststaande feiten

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in het bestreden vonnis is geen
grief gericht, zodat de rechtbank ook in hoger beroep van die feiten zal
uitgaan.

4. De grieven en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen en het
verweer in hoger beroep

4.1. Blijkens de daarop gegeven toelichting houden de grieven – zakelijk
weergegeven – het volgende in:

4.1.1. Het dienstverband tussen partijen is niet tot stand gekomen en RNO
heeft het dienstverband ten overvloede beëindigd onder verwijzing naar
artikel 2., het proeftijdbeding van de arbeidsovereenkomst.

4.1.2. Gelet op artikel 177 Boek I Rv dient P te bewijzen dat de opzegging
vanwege de zwangerschap van P is geschied. Voor een omkering van de
bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid kan geen sprake zijn.

4.2. P heeft het door RNO in hoger beroep gestelde gemotiveerd betwist,
daartoe – zakelijk weergegeven – o.m. verwijzend naar de omkering van de
bewijslast volgens de ontwerp-richtlijn van de Europese commissie d.d. 24 mei
1988, welke beoogt dat, nadat de eisende partij door het aantonen van de
minder gunstige behandeling een wettelijk vermoeden van discriminatie tot
stand heeft gebracht, de bewijslast verschuift naar de gedaagde partij, die
het vermoeden kan trachten te weerleggen.

5. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1. RNO heeft bij brief van 1 juli 1993 aan P geschreven: `Zoals reeds
mondeling aan u is meegedeeld, bevestigen wij u hierdoor dat wij met ingang
van 1 juli 1993 het dienstverband met u beëindigen. We vertrouwen u hiermee
voldoende te hebben ingelicht.’

5.2. RNO heeft bij brief van 4 augustus 1993 aan de gemachtigde van P o.a.
gesteld: `De onslagaanzegging onzerzijds heeft geen relatie met het gegeven
dat mevrouw P zwanger is.
We hebben op grond van eigen motieven besloten om op grond van artikel 2. van
onze arbeidsovereenkomst het dienstverband met onmiddellijke ingang te
ontbinden.’

5.3. Uit de inhoud van deze brieven valt, anders dan RNO heeft aangevoerd,
niet op te maken dat krachtens artikel 1. van de arbeidsovereenkomst het
dienstverband niet tot stand is gekomen en RNO slechts ten overvloede een
beroep heeft gedaan op het proeftijdbeding.

5.4. De rechtbank is van oordeel dat indien RNO een beroep had willen doen op
artikel 1. van de arbeidsovereenkomst zij dit ondubbelzinnig had moeten doen.
In haar bovengenoemde brieven spreekt RNO met geen woord over de uitslag van
de medische keuring die, zoals zij stelt, bij haar besluit een
doorslaggevende rol zou hebben gespeeld. Nu zij dit heeft nagelaten moet het
ervoor worden gehouden dat de uitslag van de medische keuring bij het besluit
van RNO geen doorslaggevende rol heeft gespeeld.
De rechtbank verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter en de
daarvoor door deze gegeven motivering.

5.5. Uitgaande van dit vermoeden acht de rechtbank afwijking van de
hoofdregel van art. 177 Rv op zijn plaats. De kantonrechter heeft dan ook
terecht RNO de onder 1.3 vermelde bewijslast gegeven.

5.6. Het voorgaande brengt met zich mede dat de door RNO opgeworpen grieven
falen en het bestreden vonnis bekrachtigd dient te worden. RNO zal als de in
het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure
in hoger beroep.

6. De beslissing

De rechtbank, meervoudige kamer voor de berechting van burgerlijke zaken,
rechtdoende in hoger beroep:

– bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam, op 18 april 1994
tussen partijen gewezen;

– veroordeelt RNO in de kosten van de procureur in hoger beroep, tot aan deze
uitspraak aan de zijde van P bepaald op ƒ 290,00 aan verschotten en ƒ 2730,00
aan salaris voor de procureur;

– verwijst de zaak naar de kantonrechter te Rotterdam om op de hoofdzaak te
worden beslist.

Rechters

Mrs Fransen, Den Os-Brand, Van der Klooster

Instantie: Hof Amsterdam, 20 juli 1995

Instantie

Hof Amsterdam

Samenvatting


Een vrouw, werkzaam als toneelmeester/belichter werd door haar directeur
seksueel geïntimideerd. Zij raakt overspannen en wordt arbeidsongeschikt. De
vrouw doet aangifte bij de Klachtencommissie seksuele intimidatie. De
klachtencommissie oordeelt haar klacht gegrond. In kort geding vordert de
vrouw materiële en immateriële schadevergoeding. De president oordeelt dat
onvoldoende is komen vast te staan dat de seksuele intimidatie naar objectieve
maatstaven onrechtmatig zou zijn. De vordering wordt afgewezen.
Het Hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank. Eiseres had gesteld dat het
hinderlijk handelen van gedaagde in dit geval, gelet op de aard en de
frequentie van het hinderlijk handelen en de ondergeschikte positie van
eiseres als werkneemster ten opzichte van gedaagde als directeur, tegenover
haar meer dan alleen hinderlijk was en wel degelijk als onrechtmatig moet
worden beschouwd. Het Hof verwerpt dit betoog en stelt dat er onvoldoende
omstandigheden zijn aangevoerd. Ook het bewijsaanbod wordt verworpen omdat
het een kort geding betreft. Voorts is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de
arbeidsongeschiktheid van eiseres is veroorzaakt door het handelen van
gedaagde.

Volledige tekst

; 1. Het geding in hoger beroep
1.1. Bij exploit van 30 augustus 1994 is appellante – verder ook L. te noemen
– in hoger beroep gekomen van het door de president van
arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder rolnummer K.G. 94/2015Be tussen
partijen gewezen en op 18 augustus 1994 uitgesproken vonnis, met dagvaarding
van geïntimeerde – verder ook M. te noemen – voor dit hof teneinde te horen
concluderen dat het hof dat vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende,
(a) M. zal veroordelen een bedrag van ƒ 5000 aan L. te voldoen als voorschot
op de door
. te vorderen immateriële schadevergoeding en ƒ 1500 zijnde een voorschot op
de materiële schade en (b) M. zal veroordelen de advokaatkosten van L. te
voldoen ten bedrage van ƒ 4000, een en ander met veroordeling van M. in de
kosten van beide instanties.
1.2. Bij herstel-exploit van 6 september 1994 heeft L. de datum waartegen M.
bij eerderbedoeld exploit werd gedagvaard, doen wijzigen in 22 september
1994.
1.3. Bij memorie van grieven met producties heeft L. zeven grieven
aangevoerd, bewijs aangeboden en, in de vorm van haar zevende grief, haar
vordering aangevuld met een vordering tot veroordeling van M. tot betaling
van wettelijke rente over het gevorderde voorschot vanaf de dag van het
uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van algehele
voldoening.
1.4. Bij memorie van antwoord met producties heeft M. de voorgedragen grieven
bestreden en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal
bekrachtigen, al dan niet met wijziging en/of aanvulling van gronden en met
veroordeling van L. in de kosten van het hoger beroep.
1.5. Bij akte uitlating producties heeft L. zich uitgelaten omtrent de bij
memorie van antwoord in het geding gebrachte producties.
1.6. Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten, L.
door Mr. Van Driem voornoemd en M. door Mr. Van Velzen voornoemd, aan de hand
van nadien overgelegde pleitnotities. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft
L. producties in het geding gebracht.
1.7. Tenslotte hebben partijen de stukken van het geding in beide instanties,
waarvan de inhoud als hier overgenomen geldt, aan het hof overgelegd voor het
wijzen van arrest.
2. Grieven
Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.
3. Uitgangspunt
Rechtsoverweging 1 in het vonnis waarvan beroep is in hoger beroep niet
bestreden. Het hof zal derhalve uitgaan van de in die rechtsoverwegingen
vermelde feiten.
4. Beoordeling
4.1. Het hof stelt voorop dat van toewijzing in kort geding van een vordering
tot schadevergoeding slechts sprake kan zijn indien met voldoende
waarschijnlijkheid aannemelijk is dat de vordering in de bodemprocedure zal
slagen.
4.2. In het vonnis waarvan beroep overweegt de president dat in het
onderhavige kort geding niet van een dergelijke mate van waarschijnlijkheid
kan worden gesproken. Tegen die overweging richt zich het eerste onderdeel
van grief 1, dat de gevolgtrekking inhoudt die L. gemaakt wenst te zien uit
het tweede onderdeel van die grief in combinatie met de grieven 2 tot en met
5.
4.3. Het tweede onderdeel van grief 1 en grief 2, die zich lenen tot
gezamenlijke behandeling, klagen over het oordeel van de president dat L.
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat M. haar op 28 januari 1991 bij de
borst heeft gepakt. M. ontkent die misdraging. Hetgeen L. betoogt in de
toelichting op de grieven 1 en 2 komt hierop neer dat die misdraging wel
voldoende aannemelijk is gemaakt, mits gewicht wordt toegekend aan het
steunbewijs dat haars inziens valt te ontlenen aan de harerzijds in het
geding gebrachte verklaringen van haar ex-collega’s en van de ex-echtgenote
van M. Ten onrechte, aldus
. heeft de president die verklaringen niet als steunbewijs aanvaard.
Daaromtrent overweegt het hof het volgende. De door L. bedoelde verklaringen
hebben betrekking op M’s wijze van omgaan met anderen in het algemeen, en met
name ook met werkneemsters. Het door L. gestelde bij de borst grijpen is door
geen van hen die deze verklaringen hebben afgelegd, waargenomen. L. wil
echter met die verklaringen aantonen dat M. iemand is in wiens gedragspatroon
een dergelijke handtastelijkheid als in de onderhavige procedure voldoende
aannemelijk gemaakt kan worden beschouwd.
4.4. Van de zijde van L. is ter gelegenheid van de pleidooien erop gewezen
dat degene die tegenover een ontkenning aannemelijk heeft te maken dat een
dergelijke misdraging tegenover hem of haar heeft plaatsgevonden, in een
nadeel verkeert omdat dergelijke misdragingen in het algemeen buiten de
aanwezigheid van getuigen plaatsvinden. Het hof onderkent dat nadeel.
Voorzover echter L’s betoog ertoe strekt dat, ter compensatie van dat nadeel,
bij de beoordeling of de gestelde misdraging voldoende aannemelijk is
gemaakt, in rechte ruimere maatstaven mogen worden aangelegd dan zonder dat
nadeel het geval zou zijn, volgt het hof
. in dat betoog niet.
4.5. De tegenover de Klachtencommissie Seksuele Intimidatie van de gemeente
Amstelveen afgelegde verklaringen zijn niet-beëdigde, buiten aanwezigheid van
M. afgelegde verklaringen, waaronder een anonieme verklaring. De inhoud van
die verklaringen, voorzover voor M. belastend, is door M. gemotiveerd
ontkend. De president heeft derhalve terecht overwogen dat die verklaringen
niet kunnen dienen tot steunbewijs van het gestelde bij de borst grijpen, dat
trouwens ook door de Klachtencommissie niet aannemelijk is geacht. Dit kort
geding leent zich niet voor een onderzoek naar de feiten. Het tweede
onderdeel van grief 1 en grief 2 falen derhalve.
4.6. De president heeft voorts overwogen dat de in de uitspraak van de
Klachtencommissie bedoelde doorlopende gedragingen van M. door L. als
hinderlijk kunnen zijn ervaren, doch dat van die gedragingen niet zonder meer
kan worden gezegd dat zij naar objectieve maatstaven onrechtmatig zijn. Tegen
die overweging richten zich de eveneens voor gezamenlijke behandeling in
aanmerking komende grieven 3 en 4. De strekking van die grieven is dat
weliswaar niet ieder hinderlijk handelen tevens onrechtmatig handelen
betekent, doch dat in het onderhavige geval, gelet op de aard en de
frequentie van dat hinderlijk handelen en op de ondergeschikte positie die
. als werkneemster bij het Cultureel Centrum Amstelveen ten opzichte van M.
als directeur van dat centrum innam, dat handelen van M. tegenover haar meer
dan alleen maar hinderlijk was en wel degelijk als onrechtmatig moet worden
beschouwd.
4.7. Daaromtrent wordt overwogen dat voorshands onvoldoende omstandigheden
aannemelijk zijn, die mee zouden brengen dat M. onrechtmatig zou hebben
gehandeld. Het bewijsaanbod van L. moet worden verworpen. Dit kort geding
leent zich niet voor een onderzoek naar de feiten. Voorshands is het hof
derhalve, met de president, van oordeel dat, wat er overigens van dat gedrag
van M. zij, dat gedrag niet als jegens L. onrechtmatig kan worden aangemerkt.
De grieven 3 en 4 falen derhalve.
4.8. Voorzover in verband met het falen van het tweede onderdeel van grief 1
en de grieven 2, 3 en 4 nog van belang, overweegt het hof dat ook grief 5
tevergeefs wordt voorgedragen. Dat de aan M. verweten gedragingen in rechtens
relevante mate mede oorzaak zijn van L.’s arbeidsongeschiktheid, blijkt niet
uit de door L. op dit overgelegde producties en is tegenover M. betwisting
ook anderszins onvoldoende aannemelijk gemaakt.
4.9. Het falen van het tweede onderdeel van grief 1 en van de grieven 2 tot
en met 5, brengt met zich dat ook het eerste onderdeel van grief 1 faalt en
het falen van dat onderdeel betekent dat grief 6 eveneens faalt. Grief 7, die
uitgaat van het slagen van het eerste onderdeel van grief 1, moet het lot van
dat onderdeel delen.
5. Slotsom
Nu de voorgedragen grieven falen dient het vonnis waarvan beroep te worden
bekrachtigd en dient L. als de in het ongelijk gestelde partij te worden
veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6. Beslissing

Het hof:
– bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
– veroordeelt L in de kosten van het hoger beroep tot deze uitspraak aan de
zijde van M. begroot op ƒ 4760

Rechters

Mrs. Aaftink, Bakels, Van den Blink