Instantie: Gerechtshof Amsterdam, 20 juli 1995

Instantie

Gerechtshof Amsterdam

Samenvatting


De vrouw vordert dat de man alsnog wordt veroordeeld tot voldoening aan
haar van de helft van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde
bruto ouderdomspensioen. Het Hof ziet hiertoe geen reden en bevestigt het
vonnis waartegen beroep is ingesteld.

Volledige tekst

1. Het geding in hoger beroep

1.1. Bij dagvaarding van 16 april 1993 is de vrouw in hoger beroep gekomen
van een door de rechtbank te Utrecht onder rolnummer 4500 FAZA 95-520
tussen partijen gewezen en op 3 februari 1993 uitgesproken vonnis.

1.2. De vrouw heeft bij memorie twee grieven tegen het vonnis aangevoerd
en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en opnieuw
rechtdoende, de man alsnog zal veroordelen tot voldoening aan haar van de
helft van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde bruto
ouderdomspensioen met veroordeling van de man in de kosten van de
procedure.

1.3. De man heeft bij memorie van antwoord onder overlegging van een
produktie de juistheid van de grieven bestreden en geconcludeerd tot
bekrachtiging van het vonnis, zonodig onder aanvulling en/of verbetering
van de gronden, met verwijzing van de vrouw in de kosten gevallen in beide
instanties.

1.4. Tenslotte hebben partijen onder overlegging van de stukken van het
geding in beide instanties arrest gevraagd. De inhoud van deze stukken
geldt als hier overgenomen.

2. De grieven

Deze luiden als volgt:

Grief I Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheden
die door de vrouw zijn genoemd onvoldoende zijn om de tussen partijen
overeengekomen huwelijkse voorwaarden op grond van de redelijkheid en
billijkheid als onaanvaardbaar te beschouwen.

Grief II Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat in casu geen plaats
zou zijn voor een anticipatie op de Wet Verevening Pensioenrechten bij
scheiding.

3. De feiten en omstandigheden

3.1. Geen grief is aangevoerd tegen de vaststelling van feiten in
rechtsoverweging 2 van het vonnis waarvan beroep, zodat van die feiten
uitgegaan zal worden.

3.2. Daaraan wordt toegevoegd dat artikel 5 van de huwelijksevoorwaarden
van partijen als volgt luidt: “De kosten der huishouding zullen door de
man alleen worden gedragen en betaald. De vrouw zal daartoe niets
bijdragen….”

4. Beoordeling

4.1. Uitgangspunt is dat de tussen partijen overeengekomen uitsluiting van
iedere gemeenschap van goederen zich er tegen verzet dat de vrouw
aanspraak kan maken op een deel van het ouderdomspensioen waarop de man
rechthebbende is. Dit beginsel lijdt uitzondering in het geval dat zich
zodanig bijzondere omstandigheden voordoen dat toepassing van de tussen
partijen geldende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen naar
maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.2. Grief I stelt de vraag aan de orde, of de door de vrouw gestelde -en
deels door de man betwiste- omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen
dat hier sprake is van een uitzonderingsgeval als onder 4.1. bedoeld.

4.3. De vrouw heeft in dit verband de navolgende omstandigheden genoemd:
a. beide partijen hebben tijdens het huwelijk (betaalde) arbeid verricht;
de vrouw heeft daarnaast de volledige huishouding gedaan en de kinderen
opgevoed; b. alleen de man heeft pensioenrechten opgebouwd; de vrouw had
niet de gelegenheid zelf pensioenrechten op te bouwen; c. de door de man
opgebouwde pensioenrechten waren bedoeld als oudedagsvoorziening voor
beide partijen; d. de pensioenopbouw is ten laste van de gezamenlijke
huishouding gekomen; e. gedurende het huwelijk is in afwijking van artikel
5 van de huwelijksvoorwaarden het inkomen van de vrouw besteed aan de
huishouding en aan de betaling van alimentatie ten behoeve van de kinderen
van de man uit een vorig huwelijk; f. de duur van het huwelijk.

4.4. De onder 4.3. onder a tot en met d en f genoemde omstandigheden zijn,
op zichzelf en in hun onderlinge samenhang beschouwd, niet zeer afwijkend
van de zich veel voordoende gevallen, waarin de vrouw de zorg voor de
dagelijkse gang van de huishouding en de opvoeding van de kinderen op zich
genomen heeft en niet in de gelegenheid is geweest om een pensioen op te
bouwen. Daaraan kan in het onderhavige geval niet afdoen dat de vrouw zelf
inkomen heeft gehad, te minder nu de vrouw geen enkel nader gegeven heeft
verstrekt over de omvang van haar werkzaamheden en daaruit voortvloeiende
verdiensten.

4.5. De vrouw heeft de in 4.3. onder e weergegeven omstandigheid, die door
de man wordt betwist, op geen enkele wijze feitelijk geadstrueerd. Ook
echter indien de juistheid van de door de vrouw genoemde omstandigheid zou
moeten worden aangenomen, brengt zulks, al dan niet bezien in samenhang
met de overige onder 4.3. genoemde omstandigheden, niet met zich dat
sprake is van een als in 4.1. bedoeld uitzonderingsgeval. Daarbij is mede
van belang dat de vrouw de ten onrechte door haar gefourneerde gelden in
beginsel van de man zou kunnen terugvorderen. Grief I faalt dus.

4.6. Grief II faalt reeds daarom nu volgens artikel 12 lid 1 van de
-inmiddels op 1 mei 1995 in werking getreden- Wet Verevening
Pensioenrechten die wet niet van toepassing is op een scheiding die -zoals
in dit geval- heeft plaatsgevonden voor 1 mei 1995 en de
uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 12 lid 2 van genoemde wet
zich hier niet voordoet.

4.7. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. Nu partijen gewezen
echtelieden zijn zullen de proceskosten op de gebruikelijke wijze
gecompenseerd worden.

5. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

mrs. Yland-van Veen, De Vreeze-Oostvogel en Streefkerk

Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 19 juli 1995

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Door de inwerkingtreding van de Wet limitering alimentatie is de
rechtspositie van gescheiden vrouwen aanmerkelijk verslechterd. De wet
gaat er ten onrechte vanuit dat vrouwen binnen twaalf jaar na de
scheiding economisch zelfstandig zijn. Dit is een te rooskleurige
voorstelling van zaken gezien de huidige arbeidsmarktpositie van
gescheiden vrouwen, aldus eiseressen. De rechtszekerheid van vrouwen
wordt geschaad. Er is strijd met de bepalingen uit het EVRM,
BuPo-verdrag en het VN-vrouwenverdrag. De rechtbank heeft alle eisen
afgewezen. Eiseressen hebben sprongcassatie ingesteld.

Volledige tekst

Procesverloop

Partijen hebben geconcludeerd voor eis, overeenkomstig de dagvaarding
d.d. 23 september 1994, en voor antwoord. Vervolgens is de zaak op 22
mei 1995 bepleit door de advocaten van partijen aan de hand van hun
pleitnota’s. De inhoud van voormelde stukken, door partijen ter
vonniswijzing overgelegd geldt als hier overgenomen.

Rechtsoverwegingen:

1. In het onderhavige geding komen eiseressen op tegen de twee wetten
van 28 april 1994 (Stb. 324 en 325) inzake de limitering van
alimentatie. Laatstbedoelde wet (Stb. 1994, 325) zal hierna
afzonderlijk worden aangeduid als “de Novelle” gezamenlijk zullen beide
wetten in dit vonnis worden aangeduid als: de WLA. Voordat deze
wetgeving op 1 juli 1994 van kracht werd hebben eiseressen daartegen
herhaaldelijk bij de leden van de Eerste en Tweede Kamer protest
aangetekend en geattendeerd op de gevolgen van alimentatielimitering
voor vrouwen.

2. Kort samengevat houdt de WLA o.m. het volgende in:
a. Is op of na 1 juli 1994 bij rechterlijke uitspraak of bij convenant
een alimentatie vastgesteld en heeft het huwelijk langer geduurd dan
vijf jaren en/of zijn er kinderen uit het huwelijk geboren, dan eindigt
de alimentatieverplichting na het verstrijken van een termijn van 12
jaren (art. 157 lid 4 Boek 1 BW). Heeft het huwelijk minder dan vijf
jaren geduurd en zijn er geen kinderen uit het huwelijk geboren, dan
eindigt de op of na 1 juli 1994 vastgestelde alimentatieverplichting na
het verstrijken van een termijn die gelijk is aan de beeindiging van de
uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in de wet genoemde
c.q. omschreven termijn (12 jaar c.q. de duur van het huwelijk) van zo
ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar
maatstaven van de redelijkheid en billijkheid niet van de
alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, dan kan de rechter op diens
verzoek alsnog een termijn vaststellen (art. 157 lid 5 en de laatste
-bij de Novelle aan dit lid toegevoegde- volzin van art. 157 lid 6 Boek
1 BW).

b. Voor gevallen waarin voor 1 juli 1994 bij rechterlijke uitspraak of
bij convenant een alimentatie is vastgesteld geeft de Novelle de
volgende regeling. De alimentatieplichtige kan dan de rechter verzoeken
de verplichting tot het verstrekken van een uitkering tot
levensonderhoud te beeindigen, indien deze verplichting 15 of meer
jaren heeft geduurd. Als de rechter van oordeel is dat de beeindiging
in redelijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd,
stelt de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een
termijn vast. Bij de beoordeling hiervan houdt de rechter in ieder
geval rekening met de volgende -in art. II lid 2 genoemde-
omstandigheden: (1) de leeftijd van de alimentatiegerechtigde; (2) de
omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren; (3) de datum
en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulke de
verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beinvloed; (4) de
omstandigheid dat de alimentatiegerechtigde geen recht heeft op
uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de
alimentatieplichtige. Overigens kan toewijzing van het
beeindigingsverzoek niet tot gevolg hebben dat de uitkering eindigt
binnen drie jaren na inwerkingtreding van de WLA.

3. Eiseressen vorderen I. te verklaren voor recht dat gedaagde (hierna
te noemen: de Staat) onrechtmatig jegens eiseressen alsmede jegens de
vrouwen voor wie eiseressen optreden, heeft gehandeld door invoering
van de WLA, alsmede door te weigeren deze wetgeving in te trekken; II.
de Staat te gelasten passende maatregelen te nemen teneinde te
bewerkstelligen dat de Staten-Generaal de onderhavige wetgeving in
zullen trekken, onder verbeurte van de dwangsom van ƒ 250.000,- per
dag; e.e.a. met kostenveroordeling.

4. Zij stellen kort samengevat dat de WLA toetsing aan hierna te
vermelden algemene rechtsbeginselen en verdragsbepalingen niet kan
doorstaan – wat de Staat gemotiveerd betwist en wel in verband met een
aantal sociaal-economische factoren, die in het kort op het volgende
neerkomen. Het zijn in grote meerderheid gescheiden vrouwen die
alimentatie van hun gescheiden echtgenoot ontvangen. Dit is ook
begrijpelijk, want tot ver in de jaren vijftig was het maatschappelijk
patroon aldus dat getrouwde vrouwen hun opleiding op beroepsarbeid
beeindigden zodra zij in het huwelijk traden of zich daarin kinderen
aandienden. In diverse wetten is dat gezinsbeschermende patroon
gedurende ongeveer een eeuw lang ook neergelegd geweest. In het
bijzonder vrouwen die in de jaren vijftig en zestig in het huwelijk
zijn getreden alsook vrouwen die gehandicapte kinderen te verzorgen
hebben en houden, worden als gevolg van de WLA in geval van
echtscheiding benadeeld. Zij zullen nl. veelal niet (meer) in staat
zijn om door arbeid inkomen te verwerven. Zij zullen hun levenspeil op
basis van alimentatie als gevolg van de limitering na 12 of 15 jaar
verliezen. Daarna zijn zij aangewezen op bijstand c.q. AOW. Aldus
worden zij, na jarenlang een inspanning voor de samenleving te hebben
gegeven, in geval van echtscheiding als gevolg van de WLA uiteindelijke
tot de bedelstaf gebracht, zeker als zij buiten gemeenschap van
goederen zijn getrouwd en nog meer als zij afgezien van de AOW (ook)
geen recht hebben op door hun voormalige echtgenoot opgebouwd
ouderdomspensioen.

Als zij er wel in slagen om een werkkring te vinden of deze
voortzetten, is de werking van de WLA in zoverre nog discriminerend
voor de betrokken vrouwen dat zij een aanzienlijke carriereachterstand
hebben opgelopen, terwijl die (op termijn) niet meer door alimentatie
zal worden gecompenseerd. Het hiervoor genoemde maatschappelijk patroon
is pas in de loop van de jaren zeventig gaan veranderen en bij vrouwen
die toen zijn opgevoed, zou kunnen worden verwacht dat zij wel
doordrongen zijn van het feit dat het huwelijk geen levensverzekering
meer is. Die verwachting blijkt in de praktijk echter niet uit te
komen, omdat ook bij zeer veel van die vrouwen nog steeds het
traditionele rolpatroon leeft.

5. Eiseressen stellen nu in de eerste plaats dat de Staat met de WLA
het gerechtvaardigd vertrouwen van vrouwen heeft geschonden en dat hun
rechtszekerheid door de wet ernstig wordt aangetast: niet alleen
verwachtte de maatschappij destijds dat gehuwde vrouwen zich volledig
zouden overgeven aan verzorgende en opvoedende taken, maar was ook de
wetgeving daarop toegesneden. Deze maakte o.m. het werken door gehuwde
vrouwen onaantrekkelijk c.q. onmogelijk.

6. Aldus beroepen eiseressen zich op een algemeen rechtsbeginsel ten
betoge dat de WLA niet had mogen worden ingevoerd en alsnog moet worden
ingetrokken. In wezen houdt dit betoog in dat de WLA aan het
vertrouwensbeginsel dient te worden getoetst, zo niet in algemene zin
dan toch in ieder geval voor wat betreft de onder 4. bedoelde vrouwen
die in de jaren vijftig of zestig zijn gehuwd of vrouwen die als gevolg
van hun opvoedende en/of verzorgende taken carriereachterstand hebben
opgelopen. De situatie waarin deze vrouwen kunnen geraken, is echter
bij de totstandkoming van de WLA onder ogen gezien en is in de afweging
van regering en parlement als wetgevende macht zijn betrokken. In dat
verband is immers aandacht besteed aan een grotere groep oudere
gescheiden vrouwen, wier mogelijkheden tot het komen tot economische
zelfstandigheid zeer beperkt tot nihil zijn, en eveneens aan vrouwen
die kinderen moeten verzorgen alsmede aan de categorie vrouwen die
langdurig gehuwd zijn geweest. In het bijzonder de Eerste Kamer heeft
aan deze problematiek veel aandacht besteed, hetgeen heeft geleid tot
de Novelle waarmee aan de positie van bedoelde vrouwen tegemoet is
gekomen.

Nu een en ander bij de parlementaire behandeling onder ogen is gezien,
is toetsing door de rechter van de WLA – d.w.z. van wetten in formele
zin – aan het vertrouwensbeginsel met een beroep op diezelfde
omstandigheden naar Nederlands staatsrecht niet mogelijk (HR 14-4-1989
NJ 469, rechtsoverweging 3.9.). 7. Ten overvloede zij nog het volgende
opgemerkt. – Voor gevallen waarin limitering volgens de WLA een
onredelijke uitkomst zou kunnen hebben, heeft de wetgever verschillende
“hardheidsclausules” gecreeerd, te weten in artikel 157, lid 5, BW Boek
1 alsook in de, bij de Novelle gewijzigde, artikelen 157, lid 6, Boek 1
BW en II, lid 2, die hierboven onder 2. zijn weergegeven. – De wetgever
codificeert en modificeert: tegenover de wet in formele zin kan men
zich niet licht op ‘verkregen rechten’ beroepen.

8. Verder stellen eiseressen dat de Staat in strijd handelt met artikel
3 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden (EVRM) en wel op de volgende grond. Sommige
vrouwen zullen na jarenlang een bijdrage aan de opbouw van de
samenleving te hebben geleverd, na afloop van de alimentatietermijn op
een bijstandsuitkering zijn aangewezen. Dit is voor hen vernederend en
onmenselijk. Een vrouw die jarenlang een stand heeft kunnen ophouden
zal door de gang naar de sociale dienst psychisch gekleineerd worden.

9. De rechtbank kan eiseressen in hun beroep op dit artikel niet
volgen. Het luidt:” Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of
aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.” het
gaat hier veeleer om mensonwaardige behandelingen van bijv. gevangenen
en niet om personen wier inkomen terugvalt, doch die nog wel in
aanmerking komen voor bijstand hoe onaangenaam het ook kan zijn om die
te moeten vragen.

10. Voorts hebben eiseressen de volgende argumenten aangevoerd die in
de kern alle een beroep op discriminatie inhouden.

a. De WLA vormt voor bepaalde groepen vrouwen een inbreuk op het hen
krachtens artikel 23 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (IVBPR) en 8 EVRM toekomende recht op een
gezinsleven. De uitoefening van dit recht wordt voor die vrouwen
hierdoor belemmerd dat zij dit recht in wezen alleen maar kunnen
uitoefenen door zich niet te conformeren aan de traditionele
rolpatronen: alleen dan kunnen zij de reeds geschetste financiele
nadelen bij echtscheiding ontgaan. Aldus wordt echter het recht d.w.z.
de vrijheid om op persoonlijke wijze invulling te geven aan het
gezinsleven miskend. Bovendien weigeren de echtgenoten van de vrouwen
die wel tot een dergelijke invulling willen overgaan, vaak om
huishoudelijke of verzorgingstaken op zich te nemen en is een
dergelijke invulling in veel gevallen eenvoudig niet realistisch. Ter
opheffing van die inbreuk dient de wetgever passende maatregelen te
nemen tot verwezenlijking van gelijke rechten van man en vrouw in en
bij de ontbinding van het huwelijk.

b. De WLA is ook in strijd met artikel 26 IVBPR, aangezien er sprake is
van (indirecte) discriminatie. De WLA is in haar effect discriminerend
voor bepaalde groepen vrouwen. Dezen genieten geen gelijke rechten na
de beeindiging van hun huwelijk. Een en ander is het gevolg van de
destijds en voor vele vrouwen nog steeds geldende maatschappelijke
normen.

c. Op dezelfde gronden is de WLA in strijd met artikel 5 van het 7e
Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op gelijkheid tijdens het
huwelijk en bij ontbinding daarvan, met artikel 14 EVRM – volgens die
bepaling moet het genot van de in het EVRM vermelde rechten worden
toegekend zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht –
en met artikel 2 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen
van discriminatie van vrouwen (Vrouwenverdrag).

11. Deze argumentatie kan, afgezien van de vraag of genoemde
Verdragsbepalingen alle rechtstreekse werking hebben slechts van belang
zijn in verband met indirecte of feitelijke discriminatie d.w.z. op
basis van het feit dat de alimentatiegerechtigden in (grote)
meerderheid vrouwen zijn. Wat de WLA in feite heeft veranderd, is het
automatisch doorlopen van alimentatie totdat de alimentatieplichtige
met een succes een verzoek tot opheffing heeft gedaan. Buiten de
gevallen van artikel II, lid 2, van de Novelle is het initiatief
verlegd en ook het ‘bewijsrisico’, dit laatste in die zin dat degene
die, ondanks het verloop van de tijd waartoe de alimentatie was
gelimiteerd, daarvan voortzetting wenst, aannemelijk dient te maken dat
daarvoor – ondanks dat tijdsverloop grond bestaat, meer nauwkeurig
gezegd: dat de beeindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is
dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de
uitkeringsgerechtigde kan worden gevergd. Voor de (‘oude’) gevallen
bedoeld in artikel II van de Novelle blijft de situatie ten aanzien van
het initiatief ongewijzigd: degene die alimentatie verschuldigd is, kan
daarvan aan de rechter opheffing vragen indien de verplichting vijftien
jaar heeft geduurd. Ook hier geldt dan echter wel dat de
alimentatiegerechtigde aannemelijk kan maken dat er ondanks dat
tijdsverloop nog wel degelijk gronden voor ondersteuning bestaan, zoals
zojuist gepreciseerd.

12. De enkele onder 11. omschreven verlegging van het initiatief
respectievelijk van het ‘bewijsrisico’ kan niet worden gezien als een
vorm van (feitelijke) discriminatie. Bedoelde Verdragsbepalingen zijn
immers geen ‘stand still’ bepalingen. Niet goed is nog in te schatten
in hoeverre in bepaalde gevallen, waarin volgens het voor 1 juli 1994
geldende recht door de rechter geen beeindiging zou zijn uitgesproken;
dit onder genoemde WLA-maatstaf (… van zo ingrijpende aard dat …) wel zal
gebeuren. Ook dat feit
leidt echter – noch op zich zelf noch in combinatie met eerder vermelde
verlegging van initiatief resp. ‘bewijsrisico’ – tot de slotsom dat de
WLA discriminerend ten opzichte van vrouwen zou zijn, in de zin van
genoemde Verdragsbepalingen.

13. Ook anderszins ziet de rechtbank geen gronden waaruit zou volgen
dat het invoeren of niet intrekken van de WLA onrechtmatig zou zijn.

14. Derhalve dienen de vorderingen van eiseressen te worden afgewezen
en dienen zij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden
veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Beslissing De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt
eiseressen in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde
van de Staat begroot op ƒ 350,= aan verschotten en ƒ 2.130,= aan
salaris procureur.

Noot

Rechtenvrouw en Divortium hebben geprobeerd de rechter te bewegen de
Wet Limitering Alimentatie (WLA) onrechtmatig te laten verklaren. Het
is hen niet gelukt. Dat wekt geen verbazing. De rechter is niet snel
geneigd een moeizaam tot stand gekomen wet het predikaat ‘onrechtmatig’
te geven. Daarbij komt dat de staatsrechtelijke structuur van de trias
politica barrieres opwerpt voor de rechter om de werking van een wet in
formele zin ongedaan te maken.

Gezien deze beperkte ruimte en de te verwachten rechterlijke
terughoudendheid om van deze ruimte gebruik te maken, zal de
aangedragen redenering overtuigend moeten zijn. Dat vereist onder meer
een retorisch goed ingeklede en sterke juridische argumentatie. De
argumentatie zal creatief moeten zijn en aansluiten bij geaccepteerde
rechtswaarden en gangbare juridische interpretaties en zal aanvaardbare
implicaties moeten hebben. Deze argumentatie-eisen maken het geen
gemakkelijke opgave om de pro- blematiek van de onderwaardering en
ongelijke verdeling van feitelijke zorg in het kader van een rechtszaak
over de onrechtmatigheid van alimentatie- wetgeving aan de orde te
stellen. Zorg als fundamentele waarde stelt immers juist de huidige
juridische structuur ter discussie en heeft bij erkenning daarvan
enorme implicaties, niet alleen op het gebied van het alimentatie-
recht.

Niettemin volharden Rechtenvrouw en Divortium in hun poging.
Sprongcassatie wordt voorbereid.

Het eerste argument van Rechtenvrouw en Divortium is dat de WLA een
schending betekent van de rechtszekerheid en het gerechtvaardigde
vertrouwen van vrouwen, met name die van oudere vrouwen. Sinds het
arrest inzake de Harmonisatiewet (Hoge Raad 14 april 1989, NJ 1989,
469) weet elke jurist dat het de rechter verboden is de verbindende
kracht van een wet in formele zin aan te tasten op grond van strijd met
een fundamenteel rechtsbeginsel, dat niet in een ieder verbindende
verdragsbepaling tot uitdrukking komt. Weliswaar eisen Rechtenvrouw en
Divortium niet de onverbindendheid of het buiten toepassing laten van
de wet, maar het door hen wel geeiste – de veroordeling van de Staat
tot het bewerkstelligen dat het parlement de WLA zal intrekken – heeft
het zelfde effect.

Bovendien doet zich hier het geval voor dat in het
Harmonisatiewet-arrest wordt genoemd: de rechter mag aan strijdigheid
van een wet met een fundamenteel rechtsbeginsel geen consequenties
verbinden ‘op grond van omstandigheden welke bij haar tot stand komen
in de afweging zijn betrokken, dus in gevallen waarvoor zij nu juist is
geschreven’. Er is ten tijde van de parlementaire behandeling uitvoerig
gesproken over de rechtszekerheid en gewekte verwachtingen van vrouwen.
Dit is afgewogen tegen een notie van onafhankelijkheid (‘het feit dat
het thans in het algemeen als onredelijk wordt gevoeld dat voormalige
echtgenoten levenslang door een alimentatieplicht aan elkaar gebonden
zijn’). Deze afweging heeft geresulteerd in drie wettelijke
limiteringsregimes van alimentatie (van maximaal vijf jaar voor korte
kinderloze huwelijken, van maximaal twaalf jaar voor nieuwe gevallen en
van maximaal vijftien jaar voor oude gevallen), elk aangevuld met
hardheidsclausules, waarop de vrouw een beroep moet doen.

Het is duidelijk dat eiseressen de gemaakte afweging onbevredigend
vinden. De retorische middelen die zij gebruiken om dit naar voren te
brengen, zijn echter zwak. Zij herhalen in de pleitnota argumenten die
al bij de tot- standkoming van de WLA aan de orde zijn geweest, voegen
het zoveelste schrijnende voorbeeld daaraan toe en constateren
verongelijkt dat vrouwe- lijke kamerleden ’tegenover de overmacht aan
mannen, waarvan velen zelf ‘gedupeerde’ ex-echtgenoot, niet duidelijk
[hebben] kunnen maken dat een grote groep gescheiden vrouwen in grote
financiele nood zou komen te verkeren’.

Het beroep op het rechtzekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel
als argument voor onrechtmatigheid van de WLA is dus retorisch zwak en
sluit niet aan bij de sinds het Harmonisatiewet-arrest gangbare
interpretatie van art. 120 GW. Een interpretatie die overigens is
ingegeven door de in het algemeen ongewenste implicatie, dat een
rechter de afweging gemaakt door de democratisch gelegitimeerde
wetgever te voortvarend terzijde stelt. Deze implicatie doet zich ook
bij de WLA voelen. Deze wet in formele zin kan niet als onzorgvuldige
wet worden bestempeld. De principiele vraag is dan ook of men gezien de
democratische totstandkoming van de WLA, waarin eiseressen bovendien
hun inbreng hebben gehad, het resultaat van zo’n tien jaar parlementair
debat, moet aanvechten voor de rechter.

Het tweede argument van eiseressen houdt in dat de WLA in strijd is met
het verbod (van art. 3 EVRM) op onmenselijke of vernederende
behandeling. Dit argument is zonder meer creatief, maar te ver
verwijderd van de gangbare juridische interpretatie. Het mensenrecht
ziet op zeer ernstige situaties van fysieke en psychische
vernederingen. Men kan toch niet serieus volhouden dat vrouwen die na
afloop van de termijn van alimen- tatiebetaling op een minimumuitkering
zijn aangewezen hieronder vallen. De vrouwen die het aangaat kunnen dit
onaangenaam vinden en als vernederend ervaren. Het betekent echter nog
niet dat zij aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin
van art. 3 EVRM worden blootgesteld. De keuze om dit argument voor een
rechter aan te voeren is dus niet sterk. Bovendien geldt ook hier dat
de onderbouwing van dit argument weinig overtuigingskracht heeft. In de
pleitnota wordt een beeld van vrouwen als luxe-poppetjes geschetst die
slaafs de instructies van Libelle en Margriet volgen en nu ‘door hun
vriendinnen met de rug (nek?JT) worden aangekeken [omdat] ze de clubs
en winkels die ze jaren bezochten, niet meer [kunnen] betalen’. Zowel
het argument als de onderbouwing van de onmenselijke en vernederende
behandeling leverde bij mij gefrons op en naar verwachting ook bij de
rechter, degene die overtuigd moest worden.

Het derde argument houdt in dat de WLA in strijd is met het recht op
gelijke behandeling c.q. het discriminatieverbod neergelegd in
verschillende VN-verdragen en in het EVRM. Art. 14 EVRM wordt in
verband gebracht met het recht op gezinsleven (art. 8 EVRM). Deze
derde redenering had naar mijn mening nog de meeste kans van slagen.
Het appelleert aan geaccepteerde waarden van gelijkheid en gezinsleven.
Met bescherming van het gezinsleven kunnen noch de staat noch de
rechter uit de voeten. Dus concentreren zij zich op het beroep op
gelijkheidsbeginsel c.q. het discriminatieverbod. Hun tegenargumenten
waren te voorzien. De overwegingen van de staat geven blijk van een
bedroevend karikaturale klassieke visie op het gelijkheidsbeginsel. Het
gelijkheidsbeginsel wordt door de Staat strikt formeel opgevat als een
verbod van willekeur. Voorzover alimentatie in de context van ongelijke
gevallen wordt betrokken, verwordt alimentatie bijna tot
niet-verplichte positieve discriminatie.

Het tegenargument van de rechter is sterker. Hij ontleent deze aan het
gegeven dat in de WLA rekening is gehouden met de positie van
gescheiden vrouwen. Zijn impliciete vooronderstelling is dat
alimentatie gerechtvaardigd is als compensatie voor de ongelijke
positie van (behoeftige) gescheiden vrouwen ten opzichte van die van
(draagkrachtige) gescheiden mannen. Deze vooronderstelling lijken
eiseressen te delen. Vervolgens stelt de rechter dat de WLA weinig
verandering brengt in de rechtspositie van alimentatiegerechtigde
vrouwen. Het automatisch doorlopen van de alimentatie geldt niet meer
en het initiatief en ‘bewijsrisico’ is verlegd.

Bovendien stelt de rechter dat het onduidelijk is in hoeverre de ‘oude
gevallen’ feitelijk last zullen hebben van het geldende
limiteringsregime. Er is immers een hardheidsclausule. De rechter
betoogt dus dat de compensatie niet dermate ernstig wordt aangetast dat
er sprake is van ongerechtvaardigde gelijke behandeling van ongelijke
gevallen. Uiteraard kan men van mening verschillen over de mate van
aantasting van de compensatie. Het punt is echter dat men dit (nog)
niet hard kan maken. Toegewezen beeindigingsverzoeken van
alimentatieplichtigen voor de ‘oude gevallen’ hebben pas drie jaar na
inwerkingtreding van de WLA effect. En we weten nog niet hoe rechters
de hardheidsclausules interpreteren. Men kan hier sombere verwachtingen
over hebben, maar dat is geen argument dat voldoende sterk is om de WLA
als onrechtmatig aan te merken. In individuele gevallen kan de
ongerechtvaardigde aantasting van alimentatie beter worden aangetoond.
Maar in die gevallen kan de hardheidsclausule als pleister op de wond
fungeren. Hier wreekt zich dus het feit dat eiseressen de hardheid van
algemene regels aanvechten, terwijl diezelfde regels voorzien in een
clausulering in geval de toepassing van die regels van zo ingrijpende
aard is dat zij in strijd komen met de redelijkheid en billijkheid.

De redenering van Rechtenvrouw en Divortium heeft de rechter er niet
van kunnen overtuigen dat het invoeren of niet intrekken van de WLA
onrechtmatig is. Gezien de eisen te stellen aan de juridische aan-
vaardbaarheid van argumentatie om de structuur van het
(alimentatie)recht ter discussie te stellen leek de overtuigingspoging
bij voorbaat tot mislukken gedoemd. De gangbare interpretaties van
rechtsnormen, de dominantie van een eenzijdige invulling van de waarde
van onafhankelijkheid in de WLA en de in het algemeen onaanvaardbaar
geachte implicaties van de argumentaties vormden een schild voor de
rechter, waarop de redenering van eiseressen konden afketsen. Dit
betekent niet dat de aangespannen procedure geen enkel nut heeft gehad.
De rechter heeft de rechtstreekse werking van de ingeroepen
verdragsbepalingen niet ontkend. Hij zet er alleen een vraagteken bij.
Bovendien geeft publiciteit over deze zaak de mogelijkheid een breder
publiek te attenderen op de verslechtering van de positie van
gescheiden vrouwen en met name die van oudere vrouwen. Ook al hebben
eiseressen de rechtszaak verloren, zij hebben wel ‘gelijk’. Dit
‘gelijk’ wordt in de conclusie van eis treffend verwoord: ‘vrouwen
dragen (…) onevenredig grote nadelen voor hun keus voor een rol in
het gezinsleven (…)’. Zorg in het gezinsleven behoort blijkbaar niet
tot de vrijheid van het individu om naar eigen opvatting een invulling
te geven aan het goede leven. Zorgen mag wel, maar alleen als men zelf
economisch zelfstandig is of tot een huishouden behoort dat als
economisch zelfstandige eenheid wordt beschouwd. Als dit niet lukt,
wordt het niet alleen als een persoonlijk probleem opgevat, maar ook
als strijdig met het burgerschapsideaal van het rationeel autonome
individu (lees: de burger die voldoende inkomen heeft om in eigen
inkomen te voorzien). De ontkenning van zorg als zelfstandige
fundamentele waarde en als maatschappelijke zinvolle bijdrage
diskwalificeert vrouwen die zorgen of hebben gezorgd als burgers. Dat
dit vernederend is staat buiten kijf.

Dit ‘gelijk’ heeft geleid tot de argumenten van gerechtvaardigd
vertrouwen en zekerheid, onmenselijke en vernederende behandeling en
het recht op materiele gelijkheid en bescherming van het gezinsleven.
Deze argumenten stellen de legitimiteit van de WLA ter discussie. Het
probleem is echter dat dit morele argumenten zijn, die nauwelijks
herkend worden als rechtvaardigheidsargumenten, laat staan dat zij
vertaald kunnen worden in rechtmatigheidsargumenten. Het probleem van
herkenning kan zelfs leiden tot ontkenning. Dit wordt pijnlijk
duidelijk in het betoog van de (gedaagde) Staat. In de conclusie van
antwoord en de pleitnotitie worden grenzen zo getrokken dat vrouwen op
klassieke wijze worden uitgesloten. Volgens de Staat heeft het
vertrouwensbeginsel in casu geen juridische maar sociaal-culturele
dimensie, die niet juridisch maar politiek relevant is. Verder houdt de
Staat vol dat het feit dat een deel van de vrouwen aangewezen zullen
zijn op een bijstandsuitkering, niet het gevolg is van de WLA, maar van
de echtscheiding. Tenslotte is de wijze waarop echtgenoten hun huwelijk
feitelijk invullen een zaak van de echtgenoten zelf. Hierdoor lijkt de
Staat zich te ontslaan van elke plicht die verder gaat dan gelijke
toepassing van sekse-neutraal geformuleerde wetgeving.

Het oude alimentatierecht kon feitelijke zorg al nauwelijks begrijpen
vanwege het behoeftigheidscriterium dat was afgeleid van de publieke
norm dat elke volwassene in staat wordt geacht in eigen levensonderhoud
te voorzien. Het nieuwe alimentatierecht versterkt dit onbegrip door
het criterium van behoeftigheid in tijd te fixeren en de reeds
bestaande morele bewijslast van de alimentatiegerechtigde vrouw te
vertalen in een juridische bewijslast ten aanzien van de
onrechtvaardigheid van beeindiging van alimentatie. De context van een
rechtszaak over wetgeving biedt beperkte mogelijkheden om structurele
onrechtvaardigheid in concrete onrechtmatigheid te vangen. De vorming
van algemene rechtsnormen op wetgevingsniveau biedt hiervoor meer
mogelijkheden, ook al geldt ook daar dat: ‘Those who perpetuates acts
of discrimination consistent with the value system are not aware that
they are victimizing others. For such people have a blind spot caused
by the interposition of the value systems between themselves and the
experiences of others. Attempts to communicate the reality of injustice
to them is but another source of frustration and depression to minority
group members’. (Kennedy, Values and Victims, aangehaald door
J.Tronto, Moral boundaries, A political argument for an ethic of care,
p. 74)

Jet Tigchelaar

Rechters

Mrs Punt, Tjebbes, Dedel-van Walbeek

Instantie: Hof Arnhem, 18 juli 1995

Instantie

Hof Arnhem

Samenvatting


Arts X heeft gedurende een tiental jaren bij een aantal van zijn vrouwelijke
patiënten seksuele handelingen verricht, nadat zij zich met een hulpvraag in
de psychosociale of psychoseksuele sfeer zich als patiënte tot hem hadden
gewend. Het College voor Medisch Tuchtrecht heeft besloten dat de arts de
bevoegdheid de geneeskunst uit te oefenen blijvend dient te worden ontzegd.
Het Hof bevestigt deze uitspraak. (Ook uitspraak College voor Medisch
Tuchtrecht is opgenomen).

Volledige tekst

Het College voor Medisch Tuchtrecht, 25 maart 1995, rolnr. 65/93. Mrs.
Van Uchelen (vz), De Jong, Vos-van Adrichem, Moerman, Huisman.

Het College voor Medisch Tuchtrecht in eerste aanleg, gevestigd te Zwolle,
oordelend inzake de op 26 november 1993 ingekomen klacht van S.K.D.,
verpleegkundige, en W.J.S., arts, in hun beider hoedanigheid van destijds
Inspecteur van de Volksgezondheid voor de provincies Overijsel en Flevoland,
thans kantoorhoudende te Arnhem, klaagster en klager, tegen X, arts,
verweerder.
Gezien de stukken, waarvan met name het klaagschrift, voorzien van bijlagen
genummerd 1 tot en met 7, het verweerschrift eveneens voorzien van een
bijlage, de repliek en de dupliek, alsmede een brief van 20 maart 1995 van
verweerders raadsman, beide stukken voorzien van een tweetal bijlagen.
Tenslotte gezien een op verzoek van de rechter-commissaris belast met de
behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Almelo door drs.
G.A.M. M., klinisch psycholoog en door prof. J.G. S., zenuwarts op 4 augustus
1994 uitgebrachte rapportage. Gelet op het verhandelde ter zitting van 25
maart 1995, waar klaagster in persoon is verschenen – zijnde klager niet meer
als Inspecteur van de Volksgezondheid werkzaam – en waar verweerder eveneens
in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.H.M. B. advocaat te A.
Op verzoek van het College is als deskundige gehoord prof. J.G. S.,
zenuwarts.
Op verzoek van verweerders raadsman is als getuige-deskundige gehoord R.M.D.,
als arts-organisatie-adviseur verbonden aan S. M. P. B.V., gevestigd te O.
Overweegt:
ten aanzien van de feiten:
Verweerder, heeft zich na zijn studie geneeskunde als huisarts gevestigd. In
de periode van 1982-1992 heeft verweerder met tenminste vier van zijn
vrouwelijke patiënten seksuele handelingen verricht, nadat zij zich met een
hulpvraag in de psycho-sociale of psycho-seksuele sfeer zich als patiënte tot
hem hadden gewend. Bij deze handelingen wendde verweerder therapeutische
doeleinden voor: zo hij de gedachte bij die patiënten hebben doen postvatten,
als zou hij bevoegd zijn geweest haptonomische behandelingen uit te voeren.
Verweerder was daartoe echter niet gekwalificeerd.
De genoemde pseudo-therapeutische `behandelingen’ spitsten zich toe op
aanrakingen en strelingen van erogene zones, bij een of meer patiëntes
leidend tot een eenmalig of herhaald uitgevoerde coïtus. Deze handelingen
vonden ook plaats in verweerders praktijkruimte en tijdens door andere
patiënten bezochte spreekuren alsmede bij de patiënten thuis.
De patiëntes verkeerden allen in een kwetsbare positie, op grond waarvan of
mede op grond waarvan zij zich tot verweerder wendden met de genoemde
psycho-sociale of psycho-seksuele hulpvraag.
Nadat verweerder in de loop van 1993 direct werd geconfronteerd met zijn
ernstige misslagen en hij inzag dat zijn patiënten in ieder geval niet langer
het risico mochten lopen van zijn ontsporingen, heeft hij zich onder
intensieve medische behandeling gesteld. Daarvoor heeft hij zijn
praktijkvoering onmiddellijk volledig gestaakt. Bovendien kon door het
neerleggen van de praktijk worden voorkomen dat onnodig verdere onrust zou
ontstaan bij de patiënten, die zich over hem hadden beklaagd, en dat zij
ongewild nog langer met hem zouden kunnen worden geconfronteerd.
Om die reden heeft verweerder ook definitief zijn woonplaats H. en omgeving
verlaten.
Vanaf begin januari 1994 staat verweerder onder behandeling en begeleiding
van psychiater P. Verweerder bezoekt de behandelend psychiater thans nog
eenmaal in de veertien dagen.
Ingaande 1 april 1995 gaat verweerder als verzekeringsgeneeskundige werken.
Ten aanzien van de klacht en van het verweer:
Klaagster acht in verweerders geval sprake van een zeer ernstige mate van
overschrijding van de grenzen van zijn beroepsuitoefening als huisarts. Door
dit handelen is het vertrouwen in de stand der geneeskundigen door de
huisarts ernstig ondermijnd.
Verder heeft hij er – aldus klaagster – blijk van gegeven de grenzen van zijn
kunnen en kennen langdurig te hebben miskend, dan wel niet te hebben
gehanteerd, zulks tot schade van aan zijn zorg toevertrouwde vrouwelijke
patiënten, aldus leidend tot het verwijt van grove onkunde.
Voorts heeft klaagster erop gewezen, dat de duur en ernst van het
grensoverschrijdend gedrag van verweerder ernstige twijfel oproept of hij wel
geschikt kan worden geacht voor de uitoefening van de geneeskunst als
zodanig.
Verweerder heeft de hem verweten gedragingen, die de grondslag vormen van de
tegen hem door klaagster ingediende klacht, erkend.
ten aanzien van de gegrondheid van de klacht:
Verweerder heeft ter zitting erkend zich aan de gewraakte handelingen, zoals
bedoeld in het klaagschrift, te hebben schuldig gemaakt. Hij heeft de globale
weergave daarvan – zoals hierboven onder de als vaststaand aangenomen feiten
verwoord – juist geacht.
Klaagster heeft naar aanleiding van het klaagschrift en de repliek ter
zitting desgevraagd meegedeeld, dat het de bedoeling van de klacht is, dat
het College primair de vraag beantwoordt, of verweerder wegens zielsgebreken
nog wel geschikt kan worden geacht de geneeskunst uit te oefenen, zoals
bedoeld in artikel 4 van de Medische Tuchtwet.
Eerst na een mogelijke bevestigende beantwoording van die vraag zou
subsidiair de vraag moeten worden beantwoord of verweerder zich schuldig
heeft gemaakt aan handelingen, die het vertrouwen in der geneeskundigen
ondermijnen, dan wel in de uitoefening van de geneeskunst blijk heeft gegeven
van grove onkunde, een en ander zoals in de klacht bedoeld en geformuleerd.
In het kader van de primair door klaagster opgeworpen vraag heeft het College
prof. J.G. S. voornoemd als deskundige gehoord. De deskundige heeft zijn –
reeds in zijn rapportage van 4 augustus 1994, zoals hierboven genoemd,
uitgesproken – oordeel, dat verweerder kan worden beschreven als een
intellectueel begaafde doch duidelijk onvolgroeide man met duidelijke en vrij
ernstige persoonlijkheidsstoornissen op basis van een gestoord verlopen
ontwikkelingsgang, bevestigd. Weliswaar heeft de deskundige geen aanwijzingen
gevonden voor het bestaan van een psychiatrische ziektetoestand, maar er is
sprake van een vrij ernstige persoonlijkheidsstoornis. Deze
persoonlijkheidsstoornis wordt gekenmerkt door narcistische en antisociale
elementen enerzijds en een grote mate van onzekerheid, kwetsbaarheid en
neiging tot acting out patronen anderzijds. Hij heeft desgevraagd verklaard
dat het risico van psychische decompensatie en disfunctioneren op grond van
de in zijn onderzoek omschreven persoonlijkheidsstoornis bij verweerder
aanwezig is, zeker als hij geen intensieve psychotherapeutische behandeling
zou blijven volgen. Deze psychotherapeutische behandeling zou echter
langdurig moeten zijn. Genoemd werd een periode tot 10 jaar. Eerst daarna zou
mogelijk een zodanige stabiele situatie kunnen zijn ingetreden, dat de
persoonlijkheidsstoornissen geacht kunnen worden te zijn overwonnen. Zou een
dergelijke psychotherapeutische behandeling niet de gewenste intensiteit
hebben, dan acht de deskundige een gerede kans aanwezig op psychische
decompensatie en disfunctioneren op grond van de omschreven
persoonlijkheidsstoornis. Verweerder staat sedert begin januari 1994 onder
behandeling van de psychiater P. De aanvankelijk frequente behandeling is
inmiddels afgenomen tot een bezoek van eenmaal in de 14 dagen. Overige de
aard en intensiteit van de behandeling kon door de deskundige niets worden
verklaard, aangezien de heer P. ondanks een herhaaldelijk verzoek van de
deskundige hem inlichtingen over de aard en de intensiteit van de behandeli

ng te verschaffen zelfs niet de moeite nam de deskundige te berichten.
Het College beschikt derhalve over geen enkel aanknopingspunt over de aard en
de intensiteit van de behandeling noch over de prognose daarvan. Het College
heeft echter geen reden gezien de zaak om die reden nog aan te houden, zoals
ter zitting als mogelijkheid werd besproken. Verweerder zal immers gaan
werken als verzekeringsgeneeskundige, terwijl geen enkele garantie
zijnerzijds is geboden voor een behoorlijke uitoefening van de geneeskunst
zonder dat de vrees voor decompensatie en disfunctioneren op grond van zijn
persoonlijkheidsstoornis behoeft te bestaan.
Het College heeft na ampel beraad op grond van de verklaring van de
deskundige prof. S. voldoende grond aanwezig geacht voor het oordeel, dat
verweerder tengevolge van een `zielsziekte’, zoals bedoeld in artikel 4 van
de Medische Tuchtwet, ongeschikt moet worden geacht voor het uitoefenen van
de geneeskunst.
Ten aanzien van de op te leggen maatregel:
Dit oordeel in aanmerking genomen en gelet op de hierboven aangeduide
gedragingen van verweerder, blijkens welke hij als arts gedurende tenminste
een tiental jaren misbruik heeft gemaakt van zijn vertrouwenspositie en van
zijn overwicht als zodanig door kwetsbare en niet zelden labiele patiënten te
manipuleren en aan te zetten tot het verrichten van seksuele handelingen met
hem, die de meesten zo niet allen van hen als ernstig belastend hebben
ervaren, heeft het College besloten, dat verweerder de bevoegdheid de
geneeskunde uit te oefenen blijvend dient worden ontzegd.
Beslist:
Ontzegt verweerder de bevoegdheid de geneeskunst uit te oefenen.
Vaststaat, dat aan geen der partijen kosten, voor haar uit de behandeling der
zaak voortvloeiende, uit ’s Rijks kas zullen worden vergoed.
Hof Arnhem, 18 juli 1995.

De zaak in eerste aanleg

Het Hof verwijst naar de door het College voor Medisch Tuchtrecht in eerste
aanleg, gevestigd te Zwolle, op 25 maart 1995 genomen beslissing in deze
zaak. Toen was aan de zijde van de Inspectie voor de Gezondheidszorg ook
W.J.S. als klager bij de zaak betrokken, maar thans is dit niet meer het
geval nu hij niet meer als inspecteur werkzaam is. Voormelde beslissing,
waarbij de klacht van de inspectie gegrond is geacht en aan appellant de
bevoegdheid is ontzegd de geneeskunst uit te oefenen, is in fotokopie aan
deze uitspraak gehecht.
De zaak in hoger beroep
Appellant is bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 4 mei
1995, in hoger beroep gekomen van voormelde beslissing. Bij dit beroepschrift
heeft appellant verzocht hem een termijn te gunnen van drie maanden voor
nadere motivering van de gronden voor zijn beroep, met conclusie dat het het
hof zal behagen om de voormelde beslissing, waarvan beroep, te vernietigen
en, ook bij gegrondverklaring van de klacht van de inspecteur, de aan
appellant op te leggen maatregel te beperken tot een schorsing van nader te
bepalen duur. De inspecteur heeft hierop per brief, ingekomen ter griffie van
het hof op 17 mei 1995, laten weten ernstig bezwaar te hebben tegen uitstel
van de zaak voor een periode van drie maanden. Het Hof heeft vervolgens de
behandeling van de zaak bepaald op 12 juni 1995. Aldaar zijn verschenen en
gehoord: appellant en zijn advocaat, de inspecteur en mevrouw G.A.,
psychiater-inspecteur van de Gezondheidszorg, alsmede de getuige/deskundige
prof. J.G., zenuwarts, en voorts de Procureur-Generaal.
Naar aanleiding van een verzoek van de advocaat van appellant is bepaald dat
de behandeling op 3 juli 1995 zou worden voorgezet, indien het, – ten tijde
van de behandeling op 12 juni 1995 nog niet beschikbare – proces-verbaal van
de behandeling van de zaak in eerste aanleg daartoe aanleiding zou geven. De
advocaat van appellant heeft vervolgens, na kennisneming van dit
proces-verbaal, per brief van 30 juni 1995 aan het Hof bericht geen
voortzetting van de behandeling te wensen. Bij die brief is nog een aantal
stukken overgelegd, waaronder de hierna te noemen brief van dr. P. aan prof.
S. d.d. 8 juni 1995. Kopie van een en ander is gezonden aan de inspecteur en
de Procureur-Generaal. Het Hof heeft hierna de uitspraak bepaald op heden.
Bij zijn beraadslagingen heeft het hof verder gelet op de stukken van de
behandeling in eerste aanleg en op de in verband met de behandeling in hoger
beroep door appellant overgelegde stukken.
De vaststaande feiten
Het hof gaat uit van de door het Medisch Tuchtcollege als vaststaand
aangenomen feiten, nu die in hoger beroep niet zijn betwist. Daaraan kan
worden toegevoegd dat appellant, na zijn verhuizing, nog slechts sporadisch
dr. P. bezoekt en dat diens behandeling en begeleiding zich in een afrondende
fase bevinden. Appellant is sinds 1 april 1995 werkzaam als
verzekeringsgeneeskundige.
Beoordeling van de zaak in hoger beroep
1. Het hoger beroep is tijdig doch bij de griffie van het hof en niet, zoals
de wet voorschrijft, bij het secretariaat van het College voor Medisch
Tuchtrecht in eerste aanleg te Zwolle, ingesteld. Het hof is van oordeel dat
dit verzuim in dit geval niet behoeft te leiden tot
niet-ontvankelijkheidsverklaring van appellant in zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep heeft – blijkens de mondeling gegeven toelichting –
uitsluitend betrekking op de opgelegde maatregel. Primair wordt verzocht het
opleggen van een maatregel op te schorten totdat meer inzicht is verkregen in
de resultaten van de behandeling van appellant, en subsidiair, te volstaan
met de maatregel van schorsing voor de maximale duur.
Daartoe is aangevoerd dat ten gevolge van de behandeling van appellant thans
reeds sprake is van verandering in de persoonlijkheidsstoornis van appellant
en dat appellant thans inzicht heeft in wat verkeerd is gegaan, zodat hij
niet meer in de oude fout zal vervallen.
Daarbij heeft appellant aangegeven wel als arts werkzaam te willen blijven,
bijvoorbeeld als verzekeringsarts, maar zeker niet meer als huisarts en ook
anderszins niet in de curatieve sfeer.
3. De getuige/deskundige prof. S. heeft verklaard dat hij kort voor de
behandeling ter zitting van het hof een brief heeft ontvangen van dr. P.
welke brief bij de brief van de advocaat van appellant van 30 juni 1995 aan
het hof is overgelegd. Laatstgenoemde bevestigt daarin het oordeel van prof.
S. dat bij appellant sprake is van een narcistische persoonlijkheidsstoornis.
Voorts meldt dr. P. dat aanvankelijk gebrek aan inzicht was bij appellant om
werkelijk tot een verandering in de persoonlijkheid te komen, maar dat
geleidelijk enig inzicht bij appellant is ontstaan.
Volgens prof. S. laat dr. P. echter open of appellant een intensieve
behandeling zal opvatten en voortzetten. Naar de mening van prof. S. is – ter
vermijding van mogelijke recidive van seksuele delicten – een intensieve,
langdurige meerjarige behandeling noodzakelijk, gericht op
persoonlijkheidsverandering. Met intensief bedoelt prof. S. dat, zeker de
eerste tijd meerder malen per week behandeling nodig is. Aan dit vereiste
heeft de behandeling door dr. P. niet voldaan. Deze schrijft in zijn brief
dat hij, mede vanwege de maximering door de ziekteverzekering voor een
psychotherapie van 90 zittingen, zijn behandelingsplan niet gestart is met
een zeer intensieve inzichtgevende therapie gericht op verandering van de
narcistische persoonlijkheid zelf, maar een therapie met veel
steunend-structurele elementen, eenmaal per week.
4. Appellant heeft hierop gezegd dat uit de verklaring van prof. S. ten
aanzien van de noodzaak van een intensieve, langdurige meerjarige
behandeling, gericht op persoonlijkheidsverandering duidelijk blijkt dat er
een medische indicatie is voor een intensieve behandeling en dat hij dit ter
harte zal nemen. Hij is bereid met een dergelijke intensieve behandeling te
starten.
5. De Procureur-Generaal heeft twijfel geuit omtrent voldoende inzicht bij
appellant en omtrent voldoende motivatie, nu de behandeling bij dr. P.
kennelijk tot een einde komt en appellant nog geen serieuze contacten heeft
gelegd over voortzetting van de behandeling of een nieuwe behandeling.
Ervan uitgaande dat de ernstige persoonlijkheidsstoornis bij appellant om een
langdurige en intensieve behandeling vraagt, die evenwel nog niet is
totstandgekomen, terwijl bovendien het resultaat van psycho-analytische
behandeling niet gegarandeerd kan worden, en voorts gelet op de ernst en de
langdurigheid van het seksueel misbruik ten aanzien van meerdere patiëntes,
heeft de Procureur-Generaal geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing
van het Medisch Tuchtcollege met aanvulling van gronden.
6. De inspecteur heeft verklaard zich geheel te kunnen vinden in de woorden
van de Procureur-Generaal. Zij heeft gesteld het onverantwoord te vinden als
appellant zijn beroep als geneeskundige zou kunnen uitoefenen. In verband
daarmee heeft zij zich verzet tegen het verzoek tot aanhouding van de
beslissing een maatregel op te leggen.
7. Het hof is van oordeel, gelet op de in de beslissing van het Medisch
Tuchtcollege aangeduide gedragingen van appellant, blijkens welke hij als
huisarts gedurende tenminste een tiental jaren misbruik heeft gemaakt van
zijn vertrouwenspositie en van zijn overwicht als zodanig door kwetsbare en
niet zelden labiele patiëntes te manipuleren en aan te zetten tot het
verrichten van seksuele handelingen met hem, die de meesten zo niet allen van
hen als ernstig belastend hebben ervaren, dat appellant zich in ernstige mate
heeft schuldig gemaakt aan handelingen die het vertrouwen in de stand der
geneeskundigen ondermijnen.
8. Bovendien kan het hof, gelet op de bevindingen van prof. S., zoals
weergegeven in de beslissing van het Medisch Tuchtcollege, en de door prof.
S. ter voorkoming van recidive – noodzakelijk geachte intensieve, langdurige
behandeling van appellant, waarbij prof. S. een periode tot 10 jaar heeft
genoemd, waarna mogelijk een zodanig stabiele situatie zou kunnen zijn
ingetreden dat de persoonlijkheidsstoornis geacht kan worden te zijn
overwonnen, welk oordeel het hof overneemt en tot het zijne maakt, alsmede
gelet op de houding van appellant ter zitting van het hof, waaruit het hof
niet de indruk heeft gekregen dat appellant werkelijk inzicht heeft in zijn
problematiek, nu hij aanvankelijk meedeelde dat het na afronding van de
behandeling door dr. P. niet voor de hand lag dat hij, appellant, zich in
verbinding zou stellen met een andere psychiater, zich verenigen met het
oordeel van het Medisch Tuchtcollege dat appellant tengevolge van een
`zielsziekte’, zoals bedoeld in artikel 4 van de Medische Tuchtwet,
ongeschikt moet worden geacht voor het uitoefenen van de geneeskunst.
9. Gelet op het onder 7 en 8 overwogene, kan het hof zich ook ten aanzien van
de opgelegde maatregel verenigen met de beslissing van het Medisch
Tuchtcollege. Immers vanwege de noodzakelijk geachte lange duur van de
behandeling komen noch het aanhouden van de zaak voor enige tijd noch een
schorsing voor de maximale duur van een jaar in aanmerking.
10. Dit voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is en dat de
beslissing van het Medisch Tuchtcollege moet worden bevestigd.
11. Het hof acht voldoende termen aanwezig om te bepalen dat om redenen aan
het algemeen belang ontleend deze beslissing met weglating van namen en
woonplaatsen van de daarin genoemde personen alsmede van de andere gegevens
welke omtrent die personen een aanwijzing bevatten, zal worden bekend gemaakt
in de hierna te noemen bladen.
Beslissing
Het hof, beslissende in hoger beroep: bevestigt de beslissing van het Medisch
Tuchtcollege te Zwolle van 25 maart 1995;
bepaalt dat de beslissing, zodra deze onherroepelijk is geworden, op de wijze
als is voorgeschreven in artikel 13b van de Medische Tuchtwet wordt bekend
gemaakt door plaatsing in de Nederlandse Staatscourant en door toezending met
het verzoek tot plaatsing over te gaan aan Medisch Contact en het Tijdschrift
voor Gezondheidsrecht; vaststaat dat aan geen der partijen kosten, voor haar
uit de behandeling van de zaak voortvloeiende, uit ’s Rijks kas zullen worden
vergoed.

Rechters

Mrs. Balkema, Houtman en Huber

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van 14 juli 1986 tot 1 mei 1992 bij de weder- partij in
dienst geweest. Zij is per 1 januari 1987 tot het pensioenfonds van de
wederpartij toegetreden. In april 1992 is het pensioenreglement
gewijzigd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze
wijziging onderscheid naar burgelijke staat heeft gemaakt, zoals
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, terwijl tevens indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt, als bedoeld in de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

De wederpartij is van mening dat er sprake moet zijn van een
misverstand. Volgens de wederpartij gaat verzoekster er van uit dat de
regeling als beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement bij
ongehuwden in de plaats komt van de regeling, zoals vervat in artikel 4
van het pensioenreglement. Dat is niet juist. De regeling als
beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement betreft een
aanvulling op het oudedagspensioen voor personen die ongehuwd zijn. Ook
in artikel 4, dat van kracht is na 1 april 1992, staat dat naast het
aanvullend oudedagspensioen, als bedoeld in artikel 4a, ook nog
aanspraak bestaat op het gewone oudedagspensioen. De Commissie is van
mening dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de regeling, zoals
vervat in de artikelen 4 en 4a van het gewijzigde pensioenreglement,
niet uitsluitend beoogt een aanvulling te geven op de in artikel 4 van
het reglement neergelegde aanspraken. De Commissie heeft niet kunnen
vaststellen dat door de wijziging van het pensioenreglement per 1 april
1992, in het bijzonder door de toevoeging van artikel 4a van het
pensioenreglement, voor verzoekster enig nadeel is ontstaan.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 juni 1994 verzocht mevrouw te
‘s-Hertogenbosch (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of haar ex-werkgever te
‘s-Hertogenbosch (hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling van
mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van 14 juli 1986 tot 1 mei 1992 bij de weder-partij
in dienst geweest. Zij is per 1 januari 1987 tot het pensioenfonds van
de wederpartij toegetreden. In april 1992 is het pensioenreglement
gewijzigd. Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze
wijziging onderscheid naar burgelijke staat heeft gemaakt, zoals
bedoeld in de Algemene wet gelijke behandeling, terwijl tevens indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt, als bedoeld in de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten
ter zake uiteen te zetten.

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden overgedragen aan
de Commissie gelijke behandeling (hierna: de Commissie), die is
ingesteld op grond van de inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke
behandeling (AWGB) op 1 september 1994. De Commissie heeft de
behandeling van deze zaak overgedragen aan de Commissie gelijke
behandeling, die het onderzoek heeft voortgezet.

2.3. Partijen zijn opgeroepen hun standpunten nader toe te lichten
tijdens een zitting op 20 juni 1995. De wederpartij is niet ter zitting
verschenen.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – (gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mevrouw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – de heer mr W.A. van Veen (lid Kamer) – de heer drs
B. van Schijndel (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is van 14 juli 1986 tot 1 mei 1992 in dienst geweest
van de wederpartij. Per 1 januari 1987 is verzoekster toegetreden tot
de in de onderneming geldende pensioenregeling. Verzoekster is
ongehuwd.

3.2. In de loop van 1991 en begin 1992 is door de wederpartij overleg
gevoerd, extern met de pensioenverzekeraar en intern met de
ondernemingsraad over een wijziging van het pensioenreglement. Deze
wijziging betrof, voor zover in casu van belang, een toevoeging aan het
pensioenreglement. Tot 1 april 1992 luidde artikel 4 van het
pensioenreglement: “Oudedagspensioen Het oudedagspensioen gaat in op
de pensioendatum en eindigt op de laatste dag van de maand voorafgaand
aan de maand waarin de gewezen deelnemer komt te overlijden. Het
jaarlijkse oudedagpensioen bedraagt voor elk op de pensioendatum
meetellend dienstjaar 1,75 % van de voor de deelnemer laatstgeldende
pensioengrondslag met dien verstande dat vanaf de datum waarop de
deelnemer de 55-jarige leeftijd heeft bereikt, de laatstgeldende
pensioengrondslag gelijk zal worden gesteld aan het gemiddelde van de
hoogste drie opeenvolgende pensioengrondslagen in de laatste 10 jaar
voor de pensioendatum. Hierbij wordt telkens aangenomen dat de nog niet
bekende toekomstige pensioengrondslag(en) gelijk is (zijn) aan de
laatst bepaalde pensioengrondslag”. Aan dit artikel is per 1 april 1992
een nieuw artikel (4a) toegevoegd luidende: “Aanvullend
oudedagspensioen Indien de echtgenote c.q. de echtgenoot van de
deelnemer voor de pensioendatum is overleden c.q. het huwelijk van de
deelnemer voor de pensioendatum anders dan door overlijden is geeindigd
of de echtgenote c.q. de echtgenoot op of na de pensioendatum komt te
overlijden, wordt op de pensioendatum respectievelijk op de eerste dag
van de maand waarin de echtgenote of echtgenoot overlijdt een
oudedagspensioen voor ongehuwden uitgekeerd. De uitkering eindigt op de
laatste dag voorafgaand aan de maand, waarin de gewezen deelnemer komt
te overlijden; Het oudedagspensioen voor ongehuwden bedraagt voor elk
meetellend dienstjaar 2,50 % van het verschil tussen de AOW-uitkering
voor een echtpaar, waarvan beide partners ouder zijn dan 65 jaar, en de
AOW-uitkering voor een ongehuwde”.

Bij brief d.d. 22 oktober 1993 heeft verzoekster van de
pensioenverzekeraar van de wederpartij een brief ontvangen met als
aanduiding ‘bewijsstuk aanspraken’. In deze brief is verzoekster zowel
voor het oudedagspensioen als het ongehuwden oudedagspensioen als
begunstigde vermeld, respectievelijk met de volgende bedragen per jaar:
ƒ 4019,- en ƒ 983,-.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster is van mening dat jegens haar door de wijziging per 1
april 1992 van de pensioenregeling en in het bijzonder door het
invoeren van artikel 4a van de pensioenregeling, betreffende de
invoering van het aanvullend oudedagspensioen voor ongehuwden, waarop
zij sinds 1 april 1992 nog slechts aanspraak zou kunnen maken,
onderscheid wordt gemaakt naar burgelijke staat. Zij vindt dit
onderscheid des te meer schrijnend, omdat het percentage van de
pensioengrondslag, dat als bijdrage van iedere werknemer wordt geheven,
voor iedere werknemer even hoog (5,5%) is. Tevens is verzoekster van
mening dat het aanvullend ouderdomspensioen indirecte discriminatie met
zich brengt, omdat in het algemeen onder de werkende bevolking relatief
meer ongehuwde vrouwen dan ongehuwde mannen voorkomen.

3.4. De wederpartij is van mening dat er sprake moet zijn van een
misverstand. Volgens de wederpartij gaat verzoekster er van uit dat de
regeling als beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement bij
ongehuwden in de plaats komt van de regeling, zoals vervat in artikel 4
van het pensioenreglement. Dat is niet juist. De regeling als
beschreven in artikel 4a van het pensioenreglement betreft een
aanvulling op het oudedagspensioen voor personen die ongehuwd zijn. Ook
in artikel 4, dat van kracht is na 1 april 1992, staat dat naast het
aanvullend oudedagspensioen, als bedoeld in artikel 4a, ook nog
aanspraak bestaat op het gewone oudedagspensioen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Ter zitting heeft de Commissie aan de gemachtigde van verzoeker
nogmaals met nadruk gevraagd of de gemachtigde van verzoeker aan kon
geven op welk punt de door de wederpartij aangegeven mogelijkheid van
een misverstand onjuist zou zijn.

De gemachtigde van de verzoekster heeft daarop geantwoord dat het heel
wel mogelijk zou kunnen zijn dat er sprake is van een misverstand, maar
dat hij in de door de wederpartij verstrekte stukken niet kon lezen,
dat het in artikel 4a uitsluitend om een aanvullende regeling gaat.

De Commissie is van mening dat er geen aanleiding is om aan te nemen
dat de regeling, zoals vervat in de artikelen 4 en 4a van het
gewijzigde pensioenreglement, niet uitsluitend beoogt een aanvulling te
geven op de in artikel 4 van het reglement neergelegde aanspraken. De
Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat door de wijziging van het
pensioenreglement per 1 april 1992, in het bijzonder door de toevoeging
van artikel 4a van het pensioenreglement, voor verzoekster enig nadeel
is ontstaan. De Commissie acht in het bijzonder de in het geding
gebrachte brief d.d. 22 oktober 1993, hierboven aangeduid als
‘bewijsstuk aanspraken’ overtuigend.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de besloten vennootschap
te ‘s-Hertogenbosch geen onderscheid heeft gemaakt noch in de zin
van de Algemene wet gelijke behandeling noch in de zin van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen jegens mevrouw te
‘s-Hertogenbosch.

Rechters

mevrouw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), de heer mrW.A. van Veen (lid Kamer), de heer drs B. van Schijndel (lid Kamer), mwmr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Ter tegemoetkoming in de ziektekosten kent de wederpartij aan haar
werknemers een uitkering toe op grond van de Interimregeling
ziektekosten ambtenaren. De hoogte van deze tegemoetkoming is
afhankelijk van de omvang van het dienstverband. Verzoekster is van
mening dat door deze wijze van vaststelling van de tegemoetkoming,
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt als bedoeld in de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen. De Commissie onderschrijft
het standpunt van de wederpartij dat het beginsel van gelijke
behandeling in de onderhavige zaak inhoudt dat de beloning van
deeltijders en voltijders wordt vastgesteld/overeengekomen naar
evenredigheid van de omvang van de dienstbetrekking. Voor verzoekster
betekent dit dat zij gelijk wordt behandeld, wanneer zij 80% ontvangt
van de beloning van een voltijder ook voorzover het betreft de
tegemoetkoming ziektekosten krachtens de IRZK, hetgeen het geval is.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 17 januari 1994 verzocht mevrouw te Maastricht
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Limburg (hierna: de
wederpartij) onderscheid naar geslacht maakt als bedoeld in de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Ter tegemoetkoming in de ziektekosten kent de wederpartij aan haar
werknemers een uitkering toe op grond van de Interimregeling
ziektekosten ambtenaren. De hoogte van deze tegemoetkoming is
afhankelijk van de omvang van het dienstverband. Verzoekster is van
mening dat door deze wijze van vaststelling van de tegemoetkoming,
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt als bedoeld in de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB).(Een vergelijkbaar
verzoek n.a.v. de toen geldende regeling (IRZK) is beoordeeld door de
CGB(bod), augustus 1983, rechtspraak gelijke behandeling m/v,
1975-1986, no. 90)

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Op 1 september 1994 is de Algemene wet gelijke behandeling
in werking getreden (AWGB). De Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid is op die datum opgeheven. Zij heeft haar
werkzaamheden overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die op
1 september 1994 is ingesteld. Deze Commissie heeft het onderzoek
voortgezet.

Tegelijkertijd met deze zaak is een identieke zaak met dezelfde
wederpartij aan de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid voorgelegd. Deze zaak (zie oordeel 95-27) is ter zitting
gevoegd met de onderhavige zaak behandeld.

2.2. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten. De Commissie heeft partijen vervolgens
uitgenodigd hun standpunten nader mondeling toe te lichten tijdens een
zitting op 28 maart 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

Van de kant van verzoekster – mw
(gemachtigde)

Van de kant van de wederpartij – dhr
, gemachtigde)

Van de kant van de Commissie: – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – dhr prof. mr P.F. van der Heijden (lid Kamer) – dhr
mr W.A. van Veen (lid Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is het College van Bestuur van een
rijksuniversiteit. Ter tegemoetkoming in de ziektekosten kent hij aan
haar ambtenaren/werknemers een uitkering toe. Deze tegemoetkoming wordt
verstrekt op basis van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982
(IRZK), zoals laatstelijk gewijzigd bij KB van 9 april 1992 (Stb.220).
Deze regeling is vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en
is van toepassing op de gehele Rijksoverheid, ook op de sector
Onderwijs. Op grond van artikel 5 van het Rechtspositiereglement
Wetenschappelijk Onderwijs (Stb.1987, 393) is de IRZK ook binnen de
rijksuniversiteiten van toepassing. De uitvoering van de IRZK wordt
door artikel 7 IRZK aan de werkgever/het bevoegd gezag opgedragen. De
hoogte van deze tegemoetkoming is afhankelijk van de omvang van het
dienstverband.

3.2. Het bedrag van de tegemoetkoming is genormeerd op een vast bedrag
(basisbedrag). Dit basisbedrag wordt vastgesteld op de wijze als in
artikel 4 IRZK en de op dit artikel gebaseerde uitvoeringsbesluiten
bepaald. Het basisbedrag is -in fiscale zin- een bruto bedrag.
Uitbetaling van de door een ambtenaar opgebouwde tegemoetkomingen vindt
in de maanden juni en december plaats.

3.3. De IRZK maakt onderdeel uit van een uitgebreider systeem van
vergoeding van ziektekosten door de rijksoverheid aan haar personeel,
als onder 3.1 omschreven.

3.4. Artikel 5 IRZK bepaalt dat de ambtenaar die een of meer
betrekkingen met een onvolledige werktijd bekleedt, als tegemoetkoming
ontvangt een evenredig deel van de tegemoetkoming bij een volledige
werktijd, met dien verstande dat de tegemoetkomingen tezamen het bedrag
van de tegemoetkomingen bij een volledige werktijd niet overschrijden.

3.5. Verzoekster is sinds 1 september 1991 bij de wederpartij als
ambtenaar in dienst. Zij heeft een dienstverband van 0.8 Fulltime
Equivalent (FTE). De hoogte van haar tegemoetkoming is vastgesteld op
80% van een tegemoetkoming die aan een voltijdwerker wordt uitgekeerd.

3.6. Verzoekster heeft per brief d.d. 21 juli 1993 aan de wederpartij
kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met de wijze waarop de
tegemoetkoming wordt vastgesteld. In deze brief verzoekt zij om de
toegepaste korting op haar tegemoetkoming wegens deeltijdwerk ongedaan
te maken. Per brief d.d. 1 december 1993 heeft de wederpartij aan
verzoekster geantwoord dat zij gebonden is aan de IRZK en daarom haar
verzoek niet kan honoreren.

3.7. Op 15 december 1993 was de personeelssamenstelling van de
wederpartij als volgt. In totaal waren er 2608 werknemers in dienst,
waaronder 1494 mannen en 1114 vrouwen. Van de mannen werkten 546 in
deeltijd, van de vrouwen werkten er 716 in deeltijd.

3.8. De standpunten van partijen

Verzoekster brengt het volgende naar voren.

Zij is van mening dat de wederpartij door de tegemoetkoming voor
deeltijdwerkers naar rato te berekenen, indirect onderscheid naar
geslacht maakt en hierdoor in strijd handelt met de WGB. De regeling
(IRZK) is opgezet om een tegemoetkoming in de premie van de
ziektekostenverzekering te verstrekken. De tegemoetkoming is een
onderdeel van haar salaris en aan te merken als een arbeidsvoorwaarde,
zodat de WGB van toepassing is. De hoogte van de premie voor deze
verzekering is niet afhankelijk van de omvang van de aanstelling van de
ambtenaar. Door de hoogte van de tegemoetkoming wel afhankelijk te
maken van de omvang van het dienstverband is de ziektekostenverzekering
voor deeltijdwerkers relatief duurder. Vooral vrouwen werken in
deeltijd, zodat zij in overwegende mate hierdoor getroffen worden. Hier
komen nog de volgende nadelen bij: – voor deeltijdwerkers met een
inkomen net boven de bijstandsnorm heeft de IRZK heel schrijnende
consequenties; – wanneer in een huishouden een van beide partners niet
werkt, krijgt de werkende partner een dubbele tegemoetkoming. De
tegemoetkoming naar rato werkt dan dubbel negatief uit.

De tegemoetkoming in de ziektekostenverzekering moet vergeleken worden
met de vergoeding van feitelijke reiskosten. Zowel voltijdwerkers als
deeltijdwerkers krijgen hun reiskosten geheel vergoed.

De tegemoetkoming in de ziektekostenverzekering kan niet vergeleken
worden met de vakantietoeslag voor werknemers, die ook aan deeltijders
naar omvang van hun dienstbetrekking wordt betaald, omdat de
vakantietoeslag niet de bedoeling heeft alle vakantiekosten te dekken.

Weliswaar geeft de wederpartij slechts uitvoering aan IRZK, want de
regeling is opgesteld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, maar
als werkgever is zij ook gehouden aan de WGB.

3.9. De wederpartij voert het volgende aan.

Zij is belast met de uitvoering van de IRZK. Bij deze uitvoering vormen
de bepalingen van de IRZK een vast gegeven. De uitvoerder is niet
bevoegd van de gegeven bepalingen af te wijken of nadere voorschriften
te geven. Deze bevoegdheid berust blijkens artikel 10 IRZK bij de
Minister van Binnenlandse Zaken.

Uitbreiding van de werkingssfeer zou bovendien tot vergaande financiele
consequenties leiden, waarin bij de middelentoewijzing door de
Nederlandse Staat aan de wederpartij niet is voorzien.

Of er sprake is van indirect onderscheid, laat de wederpartij aan de
Commissie ter beoordeling over. Wel acht zij de volgende elementen van
belang bij de beoordeling van het verzoek. – Personen kunnen bij meer
werkgevers die uitvoering dienen te geven aan de IRZK, een
deeltijdbetrekking hebben. De evenredigheidsbepaling van artikel 5 IRZK
regelt in dit kader tevens de financiele verhouding tussen deze
werkgevers. Als aan deeltijders een tegemoetkoming van 100% zou worden
verstrekt, zou dit problemen opleveren als deze deeltijders
verschillende dienstverbanden hebben. – Tot 1 mei 1994 waren werknemers
met een beperkte omvang van de werkzaamheden (met een bezoldiging van
minder dan ƒ 9.357,33 per jaar) geen ambtenaar in de zin van de
ABP-wet. Deze werknemers waren verplicht verzekerd krachtens de
Ziekenfondswet en kwamen niet in aanmerking voor de IRZK. Hetzelfde
gold tot 1 augustus 1994 voor werknemers met een dienstverband van
minder dan een half jaar. Voor deze werknemers was dus geen sprake van
(indirecte) discriminatie, terwijl deze groep bij de beoordeling van de
vraag of er sprake is van indirecte discriminatie tot 1 augustus 1994
“uit de cijfers gehaald moet worden”. – Het inkomen van deeltijdwerkers
zal veelal lager zijn dan dat van de (voltijd werkende) partner.
Deeltijders kunnen daardoor, indien de partner verzekerd is krachtens
de Ziekenfondswet, een beroep doen op de “meeverzekeringsbepalingen” in
het kader van de Ziekenfondswet. Alsdan bestaat er geen aanspraak op
een tegemoetkoming krachtens artikel 3 IRZK. Ook voor deze deeltijders
kan geen sprake zijn van (indirecte) discriminatie. – De IRZK kent zijn
pendant in de Regeling Ziektekostenvoorziening Overheidspersoneel
(ZVO-regeling), Stb. 1980, 544. Beide regelingen tezamen beogen
ambtenaren die zich particulier moeten verzekeren tegen ziektekosten,
in een vergelijkbare positie te brengen met verplicht verzekerden
krachtens de ZFW. De ZVO geeft aanspraak op een vergoeding, wanneer de
ziektekosten die voor rekening van de ambtenaar komen in een bepaalde
periode meer dan een bepaald percentage van het gezinsinkomen bedragen.
Dit percentage wordt bepaald aan de hand van het bedrag dat de
verplicht verzekerde betaalt voor zijn ziekenfondsverzekering. De
medewerk(st)er met een deeltijdaanstelling voldoet sneller dan de
voltijds medewerk(st)er aan de voorwaarden voor een ZVO-vergoeding.

De wederpartij wijst tenslotte op het beginsel van beloningsaanspraken
naar evenredigheid van (de omvang van) het dienstverband, zoals dat is
vastgelegd in artikel 9 WGB en recent bevestigd door het Hof van
Justitie (Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 15 december
1994, Helmig/Stadt Lengerich. JAR 1995-36).

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

4.2. Alvorens op deze vraag in te gaan stelt de Commissie met de
wederpartij vast, dat door verzoekster slechts een onderdeel van dit
systeem aan de Commissie is voorgelegd ter beoordeling. De wederpartij
heeft er terecht de aandacht voor gevraagd om bij de beoordeling door
de Commissie van het verzoek rekening te houden met de gevolgen van dit
systeem als geheel. Uitgaande van dit gegeven zal de Commissie het
verzoek als zodanig beoordelen, maar zij is zich ervan bewust dat deze
beoordeling onderhevig blijft aan de genoemde beperking.

4.3. De Commissie stelt vast dat de IRZK niet, zoals verzoekster meent,
een tegemoetkoming regelt in de premie van de ziektekostenverzekering.
De IRZK regelt een tegemoetkoming in de ziektekosten, die bestaat uit
een vast bedrag per maand dienstverband, dat onafhankelijk is van de
werkelijke kosten van de ambtenaar. Dit laat overigens onverlet, dat
-blijkens haar considerans- de IRZK wel bedoeld is om voor
overheidspersoneel te voorzien in een redelijke tegemoetkoming in de
premie van een ziektekostenverzekering. De tegemoetkoming is onderdeel
van een systeem van vergoeding van ziektekosten door de rijksoverheid
voor haar personeel. De Commissie gaat ervan uit dat -gemiddeld
genomen- de ziektekosten voor een deeltijder gelijk zullen zijn aan die
van een voltijder.

4.4. Het verzoek van verzoekster moet beoordeeld worden in het kader
van artikel 1a WGB. Dit artikel bepaalt (onder meer) dat het bevoegd
gezag in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen mannen en
vrouwen mag maken.

4.5. De tegemoetkoming krachtens de IRZK vloeit voort uit de
aanstelling tot burgerlijk ambtenaar, van wie de bezoldiging bij de wet
is geregeld. Het bevoegd gezag is door deze regeling gebonden tot
betaling van deze uitkering. De ambtenaar heeft er recht op dat
haar/hem deze uitkering wordt verstrekt. De tegemoetkoming is derhalve
een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 1a WGB.

4.6. Hoewel de bewoordingen van de IRZK duidelijk aangeven, dat het
basisbedrag een tegemoetkoming is in de ziektekosten van een ambtenaar
in het algemeen en dus niet specifiek in de premiekosten van een
ziektekostenverzekering, gaat de Commissie er, mede gelet op de
duidelijke considerans van de IRZK, vanuit dat de tegemoetkoming
feitelijk gezien wordt als een directe tegemoetkoming in de
premiekosten. In die zin is het standpunt van verzoekster, dat
voltijders een groter deel van hun premie voor de
ziektekostenverzekering van het bevoegd gezag vergoed krijgen dan
deeltijders, juist.

4.7. De tegemoetkoming in de ziektekosten is een onderdeel van het
gehele beloningspakket/de bezoldiging van de ambtenaar. Evenals de
andere beloningsbestanddelen, het basissalaris en eventuele toeslagen
wordt de tegemoetkoming opgebouwd in de tijd. Ten aanzien van deze
tegemoetkoming geldt specifiek dat zij per maand wordt opgebouwd,
echter slechts tweemaal per jaar (in juni en december) wordt
uitbetaald. Het feit dat de tegemoetkoming per gewerkte tijd wordt
opgebouwd deelt de tegemoetkoming met andere toelagen, die deel kunnen
uitmaken van de bezoldiging van ambtenaren, zoals bijv. de
functioneringstoelage, de waarnemingstoelage en de toelage wegens
onregelmatige dienst. Ook kan de toelage vergeleken worden met (de
opbouw van) de vakantiebijslag. Deze toelagen worden in het algemeen
uitgedrukt in een percentage van het basissalaris. Daarmee verschillen
zij van de tegemoetkoming, omdat deze uitgedrukt wordt in een vast
bedrag. Verzoekster heeft aangevoerd dat de tegemoetkoming het beste
vergeleken kan worden met een feitelijke reiskostenvergoeding. De
Commissie kan hierin niet met verzoekster meegaan. Een feitelijke
reiskostenvergoeding wordt niet per gewerkte tijd opgebouwd, maar is
een directe vergoeding voor specifiek gemaakte kosten. Een dergelijke
vergoeding wordt zomin voor ambtenaren als voor werknemers als beloning
gezien.

4.8. Met de andere toelagen die per gewerkte tijd worden opgebouwd,
heeft de tegemoetkoming gemeen dat het werken in deeltijd zijn
(evenredige) invloed heeft op de hoogte van het te ontvangen bedrag.
Bij de genoemde toelagen, die uitgedrukt worden in een percentage van
het salaris gebeurt dit vanzelf, omdat het in overeenstemming is met de
WGB en overigens onomstreden, dat voor een deeltijder het salaris een
evenredig deel is van het salaris van een voltijder. Bij de onderhavige
tegemoetkoming gebeurt dit op een andere manier, nl. door het vaste
bedrag te vermenigvuldigen met de verhouding deeltijd/voltijd. Beide
manieren hebben hetzelfde gevolg.

4.9. De Commissie onderschrijft dus het standpunt van de wederpartij
dat het beginsel van gelijke behandeling in de onderhavige zaak inhoudt
dat de beloning van deeltijders en voltijders wordt
vastgesteld/overeengekomen naar evenredigheid van de omvang van de
dienstbetrekking. Voor verzoekster betekent dit dat zij gelijk wordt
behandeld, wanneer zij 80% ontvangt van de beloning van een voltijder
ook voorzover het betreft de tegemoetkoming ziektekosten krachtens de
IRZK, hetgeen het geval is.

4.10. De Commissie heeft kennis genomen van de voorbeelden van
verzoekster, waarin zij uitwerkt tot welke vervelende gevolgen de
toepassing van de IRZK voor mensen met een salaris op het niveau van
het minimumloon kan leiden. De Commissie is echter niet bevoegd om zich
daarover uit te laten.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Bestuur
van de Rijksuniversiteit Limburg te Maastricht jegens mevrouw te
Maastricht geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in
artikel 1a WGB door de tegemoetkoming krachtens de Interimregeling
ziektekosten ambtenaren 1982 naar evenredigheid van de omvang van het
dienstverband te verstrekken.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr prof. mrP.F. van der Heijden (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster stelt zich onder meer ten doel adequaat op te treden tegen
instellingen die zich aan discriminatie schuldig maken. In dat kader
heeft verzoekster gesteld dat de wederpartij in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling heeft geworven voor kamermeisjes en daarbij zowel
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht alsmede ras of ook
nationaliteit.

Volgens de Commisie levert het vereiste voor de functie dat kandidaten
goed Nederlands dienen te spreken in de gegeven omstandigheden noch
direct onderscheid naar ras op, noch naar nationaliteit. Het criterium
van goede beheersing van de Nederlandse taal maakt immers niet per
definitie onderscheid tussen personen op grond van hun ras of
nationaliteit.

Vervolgens is de vraag aan de orde of de eis van een goede beheersing
van de Nederlandse taal bij de werving voor een vacature indirect
onderscheid naar ras of nationaliteit kan opleveren. Dit is het geval
als het nadelig effect van de taaleis in overwegende mate personen
treft van hun niet- Nederlandse etnische of nationale afstamming, of
niet-Nederlandse nationaliteit. Hieromtrent stelt de Commissie dat het
een algemeen gegeven is dat onder personen wier etnische of nationale
herkomst buiten Nederland ligt, alsmede bij in Nederland woonachtige
personen van niet-Nederlandse nationaliteit functie-eisen omtrent de
Nederlandse taalbeheersing eerder tot uitsluiting voor een vacature
zullen leiden dan voor personen die buiten genoemde groepen vallen.

De wederpartij heeft geen rechtvaardigingsgronden aangevoerd voor het
gemaakte onderscheid. Uit de door de wederpartij overgelegde stukken
van de ABU blijkt dat de ABU in het algemeen de eis van goede
beheersing van de Nederlandse taal niet relevant acht voor
schoonmaakwerkzaamheden. De Commissie is eenzelfde mening toegedaan ten
aanzien van de functie van kamermeisje (m/v). De Commissie concludeert
dat in het onderhavige geval geen sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 januari 1995 heeft de Stichting Haags Meld- en
Registratiepunt Discriminatiezaken te Den Haag (hierna: verzoekster) de
Commissie gelijke behandeling verzocht haar oordeel uit te spreken over
de vraag of Uitzendbureau te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster stelt zich onder meer ten doel adequaat op te treden
tegen instellingen die zich aan discriminatie schuldig maken. In dat
kader heeft verzoekster gesteld dat de wederpartij in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling heeft geworven voor kamermeisjes en
daarbij zowel onderscheid heeft gemaakt naar geslacht alsmede ras of
ook nationaliteit.

2. DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET VERZOEK

Verzoekster is een Stichting welke zich blijkens haar statuten onder
andere ten doel stelt het bevorderen van een gericht en adequaat
optreden van overheids- en particuliere instellingen tegen
discriminerende handelingen en tegen instellingen, organisaties en
personen die zich aan zodanige handelingen schuldig maken. Verzoekster
tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door het zelf of in
samenwerking met deskundigen onderzoeken van meldingen en klachten op
mogelijkheden voor juridische actie, waaronder het voeren van
rechtsgedingen, alsmede het op verzoek van klagers of uit eigen
beweging aanspannen van juridische acties. Uit de feitelijke
werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming met
haar statuten de belangen behartigt van degenen die de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB), de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB) en art. 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) beogen te
beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de
ontvankelijkheidsvereisten zoals gesteld in art. 12 lid 2 sub e AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie
zou zijn gehandeld, zoals bedoeld in art. 12 lid 3 AWGB. Een onderzoek
door de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het
onderhavige verzoek kan derhalve achterwege blijven.

3. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

3.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen. Partijen
hebben de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk toe te
lichten.

3.2. Gezien het summiere karakter van de reactie van de wederpartij
heeft de Commissie de wederpartij nogmaals verzocht een nadere
toelichting te verschaffen. De wederpartij heeft hiervan geen gebruik
gemaakt.

3.3. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 4 juli 1995. De wederpartij
heeft een verweerschrift voor de zitting ingediend en aangegeven niet
ter zitting te zullen verschijnen. Verzoekster is hiervan in kennis
gesteld en heeft daarop eveneens afgezien ter zitting te verschijnen.

Bij de beraadslaging waren aanwezig:

van de kant van de Commissie – mw mr. L.Y Goncalves-Ho Kang You
(Kamervoorzitter) – dhr drs. B. van Schijndel (lid Kamer) – dhr mr.
P.R. Rodrigues (lid Kamer) – mw I.M. Hidding (secretaris Kamer)

3.4. Het oordeel is vastgesteld door Kamer II van de Commissie. In deze
Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 3.3.

4. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

4.1. Verzoekster heeft gesignaleerd dat de wederpartij, en wel in het
bijzonder een van haar vestigingen in Den Haag, in de Haagse Courant
van 11 januari 1995 een personeelsadvertentie heeft geplaatst voor de
vacature van “kamermeisjes”. De personeelsadvertentie vermeldt dat het
werkzaamheden betreft in de regio Den Haag en/of Rotterdam en dat de
werkzaamheden veelal op afroep vervuld zullen worden. De wederpartij
roept kandidaten op zich te melden waarbij opgemerkt wordt dat
“gemotiveerde en goed Nederlands sprekende dames” verzocht worden te
solliciteren.

4.2. Verzoekster heeft tevens een zelfde wijze van werving door de
wederpartij, die gelijktijdig met de in het geding zijnde advertentie
is gepubliceerd, voorgelegd aan de Algemene Bond Uitzendondernemingen
(ABU). De ABU heeft hierop aan verzoekster meegedeeld dat het vereiste
van “goede beheersing van de Nederlandse taal” slechts onder
omstandigheden geoorloofd is. Deze kwestie betrof blijkens een brief
van de ABU aan verzoekster een vacature voor schoonmaakwerkzaamheden.
De ABU wijst op haar Gedragsregels ter voorkoming van discriminatie
waarin is opgenomen dat het stellen van niet functie-relevante eisen
niet is toegestaan. De wederpartij is op de hoogte gesteld van het
standpunt van de ABU. Tevens heeft de ABU verzocht de noodzaak van een
dergelijk eis in de advertenties te onderbouwen of anders dit vereiste
achterwege te laten. De wederpartij heeft aan de ABU meegedeeld dat de
zaak besproken was met de betreffende vestigingsmanager en dat dit
soort uitlatingen zich niet meer zouden voordoen.

4.3. De wederpartij verwijst in de onderhavige zaak naar het antwoord
dat zij met betrekking tot de advertentie voor schoonmaakpersoneel aan
de ABU heeft gegeven. De wederpartij is er telefonisch door de
Commissie op gewezen dat de zaak die onder de aandacht van de ABU is
gebracht en de zaak die thans bij de Commissie in behandeling is, twee
verschillende advertenties betreffen.

De standpunten van partijen

4.4. Verzoekster stelt dat de wederpartij bij het werven van personeel
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling en wel in het bijzonder met:

1. art. 1639ij BW (kennelijk wordt bedoeld art. 1637ijBW) 2. art. 3 WGB
m/v 3. oordelen CGB nrs. 389-91-27V, 391-91-28V en 440-91-69V 4. art. 5
lid 1 sub a AWGB 5. ABU Scheidsgerecht 19 februari 1988 Verzoekster
stelt dat in de onderhavige advertentie ten onrechte Onderscheid is
gemaakt naar geslacht alsmede ras of ook nationaliteit.

4.5. De wederpartij stelt dat zij door de ABU op de hoogte is gesteld
van de klacht van verzoekster. Tevens stelt de wederpartij dat zij naar
aanleiding daarvan de zaak met de betreffende vestiging in Den Haag
heeft besproken en dat dit soort advertentieteksten niet meer zullen
voorkomen. De wederpartij merkt op dat de ABU namens haar een antwoord
heeft gericht aan verzoekster.

De wederpartij stelt dat het nimmer de bedoeling is geweest om
onderscheid te maken. Zij acht het een “vervelende zaak” en heeft de
betreffende vestigingsmanager hierop aangesproken. Tevens heeft de
wederpartij toegezegd er voor te zullen waken dat dit soort
functie-eisen niet meer zullen voorkomen. De wederpartij stelt dat zij
de ABU Gedragsregels onderschrijft. Voor de gang van zaken heeft zij
haar excuses aangeboden.

5. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

5.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij de aanbieding van een
betrekking onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht, ras en ook
nationaliteit en daarmee in strijd heeft gehandeld met de WGB, AWGB en
art. 7A:1637ij BW door in de onderhavige advertentie om “kamermeisjes”
en “gemotiveerde en goed Nederlands sprekende dames” te vragen.

5.2. Met betrekking tot de vraag of de wederpartij in de advertentie
onderscheid heeft gemaakt naar geslacht overweegt de Commissie als
volgt.

Artikel 3 lid 1 WGB verbiedt het maken van onderscheid op grond van
geslacht bij de aanbieding van een betrekking. De WGB noemt in artikel
5 twee toegelaten uitzonderingen op dit verbod. Onderscheid is
toegestaan als een voorkeursbehandeling van vrouwen van toepassing is
of als de betreffende functie geslachtsbepaald is. De wederpartij heeft
geen beroep gedaan op een van de wettelijke uitzonderingen. De
Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze zich hier voordoen.
5.3. In artikel 3 lid 3 WGB wordt het algemene verbod om onderscheid te
maken naar geslacht bij de aanbieding van een betrekking nader
uitgewerkt. Artikel 3 lid 3 schrijft voor dat uit de tekst en
vormgeving van een advertentie duidelijk moet blijken dat zowel mannen
als vrouwen in aanmerking komen. Door in de tekst van de advertentie
“dames” op te roepen, blijkt niet duidelijk dat zowel mannen als
vrouwen voor de functie in aanmerking komen en heeft de wederpartij in
strijd met art. 3 lid 3 gehandeld.

5.4. In artikel 3 lid 4 WGB wordt deze eis vervolgens verder
toegespitst op het gebruik van functiebenamingen. Hierin is bepaald dat
of zowel de mannelijke als de vrouwelijke functiebenaming gebruikt moet
worden, of uitdrukkelijk vermeld moet worden dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen. In de advertentie wordt slechts een
functiebenaming vermeld, namelijk “kamermeisjes”. In dat geval stelt de
WGB de eis dat uitdrukkelijk wordt aangegeven dat zowel mannen als
vrouwen voor de betreffende functie in aanmerking komen. Een dergelijke
vermelding ontbreekt echter in de advertentie. Daarmee staat vast dat
de wederpartij onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht in
strijd met art. 3 lid 4 en daarmee tevens in strijd met art. 3 lid 3 en
lid 1 WGB.

De AWGB laat de specifieke regeling inzake gelijke behandeling van
mannen en vrouwen op het terrein van de arbeid onverlet. Aangezien het
bestreden handelen ten aanzien van het onderscheid naar geslacht onder
de werking van de WGB valt, komt de Commissie aan een toetsing aan de
AWGB niet toe. De vraag of er sprake is van schending van art.
7A:1637ij BW blijft in de onderhavige zaak buiten beschouwing. De reden
daartoe is dat dit artikel geen betrekking heeft op de werving, maar
ziet op de fase vanaf het aangaan tot en met het beeindigen van de
dienstbetrekking.

5.5. In geding is voorts de vraag of de wederpartij bij de werving voor
de vacature door het stellen van de eis “goed Nederlands sprekende
dames” in strijd met de AWGB onderscheid heeft gemaakt naar ras of
nationaliteit, dan wel beide. In dit verband is van belang dat het
begrip ras in de AWGB overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake
de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en vaste
jurisprudentie ruim moet worden uitgelegd en tevens omvat: huidskleur,
afkomst, of nationale of etnische afstamming (Tweede Kamer,
vergaderjaar 1990-1991, nr. 3, pag. 13). Voorts dient het begrip
nationaliteit in de AWGB te worden begrepen als nationaliteit in
staatkundige zin, onafhankelijk van de feitelijke woon- of
verblijfplaats (Handelingen Eerste Kamer, 22 februari 1994, pag. 1086).

5.6. Artikel 5 lid 1 sub a AWGB verbiedt, in samenhang met artikel 1
AWGB, onder meer het maken van onderscheid naar ras en nationaliteit
bij de aanbieding van een betrekking.

Volgens artikel 1 AWGB wordt onder onderscheid verstaan zowel direct
als indirect onderscheid. Artikel 1 AWGB bepaalt dat onderscheid op
grond van ras en onderscheid op grond van nationaliteit vormen van
direct onderscheid zijn. Van indirect onderscheid is sprake indien op
grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan ras of nationaliteit
onderscheid wordt gemaakt, dat direct onderscheid op deze gronden tot
gevolg heeft.

5.7. In de AWGB is een aantal uitzonderingen geformuleerd op het in de
wet neergelegde verbod van onderscheid. Met betrekking tot de gronden
ras en nationaliteit gelden de volgende uitzonderingen.

In artikel 2 lid 3 AWGB is bepaald dat het verbod van onderscheid niet
geldt, indien het onderscheid tot doel heeft vrouwen of personen
behorende tot een bepaalde etnische of culturele minderheidsgroep een
bevoorrechte positie toe te kennen ten einde feitelijke ongelijkheden
op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke
verhouding staat tot dat doel.

In artikel 2 lid 4 AWGB is neergelegd dat het verbod van onderscheid op
grond van ras niet geldt in gevallen waarin uiterlijke kenmerken die
samenhangen met het ras van een persoon bepalend zijn.

Tenslotte is in artikel 2 lid 5 AWGB een uitzondering op het verbod van
onderscheid op grond van nationaliteit neergelegd die betrekking heeft
op algemeen verbindende voorschriften en regels van internationaal
recht en een uitzondering voor gevallen waarin de nationaliteit
bepalend is.

5.8. De wederpartij heeft geen beroep gedaan op een van de wettelijke
uitzonderingen. De Commissie beschikt niet over aanwijzingen dat deze
zich hier voordoen. Dit geldt zowel voor de algemene uitzondering
genoemd in artikel 2 AWGB als voor de bijzondere uitzonderingen genoemd
in artikel 5 AWGB.

5.9. In de advertentie worden kamermeisjes geworven met daarbij de
oproep dat “gemotiveerde en goed Nederlands sprekende dames worden
verzocht kontakt op te nemen”. Gezien de aard van de voorliggende
rechtsvraag is de Commissie van mening dat de vraag of er in de
onderhavige zaak sprake is van onderscheid naar ras of nationaliteit
voor beide gronden gezamenlijk kan worden behandeld.

Het vereiste voor de functie dat kandidaten goed Nederlands dienen te
spreken levert in de gegeven omstandigheden noch direct onderscheid
naar ras op, noch naar nationaliteit. Het criterium van goede
beheersing van de Nederlandse taal maakt immers niet per definitie
onderscheid tussen personen op grond van hun ras of nationaliteit.

5.10. Vervolgens is de vraag aan de orde of de eis van een goede
beheersing van de Nederlandse taal bij de werving voor een vacature
indirect onderscheid naar ras of nationaliteit kan opleveren. Dit is
het geval als het nadelig effect van de taaleis in overwegende mate
personen treft van hun niet-Nederlandse etnische of nationale
afstamming, of niet- Nederlandse nationaliteit. Hieromtrent stelt de
Commissie dat het een algemeen gegeven is dat onder personen wier
etnische of nationale herkomst buiten Nederland ligt, alsmede bij in
Nederland woonachtige personen van niet-Nederlandse nationaliteit
functie-eisen omtrent de Nederlandse taalbeheersing eerder tot
uitsluiting voor een vacature zullen leiden dan voor personen die
buiten genoemde groepen vallen (Zie ook Nationale Ombudsman 22 mei
1987, Rechtspraak Rassendiscriminatie 152, Voorzitter scheidsgerecht
Algemene Bond Uitzendbureaus 19 februari 1988 Rechtspraak
Rassendiscriminatie 171 en HR 20 maart 1992, NJ 1992, 495).

5.11. Volgens artikel 2 lid 1 AWGB geldt het in de AWGB neergelegde
verbod van onderscheid niet ten aanzien van indirect onderscheid dat
objectief gerechtvaardigd is. Onder een objectieve
rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie dat het onderscheid wordt
gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te dienen en daartoe
middelen zijn gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te
bereiken, terwijl dit doel niet is te bereiken op andere wijzen waarbij
geen indirect onderscheid naar ras of nationaliteit wordt gemaakt
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid 5
maart 1990, oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von Hartz 13 mei 1986, zaak
170/84; Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.KG 13
juli 1989, zaak 171/88).

De wederpartij heeft geen rechtvaardigingsgronden aangevoerd voor het
gemaakte onderscheid. Uit de door de wederpartij overgelegde stukken
van de ABU blijkt dat de ABU in het algemeen de eis van goede
beheersing van de Nederlandse taal niet relevant acht voor
schoonmaakwerkzaamheden. De Commissie is eenzelfde mening toegedaan ten
aanzien van de functie van kamermeisje (m/v). Het is denkbaar dat onder
bepaalde omstandigheden of wegens de specifieke aard van de
werkzaamheden een dergelijke eis functie- relevant kan zijn. Dergelijke
omstandigheden of een zodanige aard van de werkzaamheden zijn ten
aanzien van de onderhavige vacature noch gesteld, noch gebleken. De
Commissie concludeert dat in het onderhavige geval geen sprake is van
een objectieve rechtvaardigingsgrond. Hieraan doet niet af dat het
betwiste onderscheid haar grond heeft in de wensen die opdrachtgevers
bij de betreffende vestiging in Den Haag hebben neergelegd. Het
uitzendbureau heeft immers een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien
van de naleving van de wetgeving gelijke behandeling. Dit is door de
wederpartij onderkend aangezien zij de daarvoor verantwoordelijke
medewerker van de betreffende vestiging heeft gewezen op de ABU
gedragsregels ter voorkoming van discriminatie. Deze gedragsregels
hebben ook betrekking op de relatie tussen uitzendonderneming en
opdrachtgever. Voorts heeft de wederpartij toegezegd dat het voormelde
handelen niet meer zal worden herhaald. De Commissie hecht belang aan
deze handelwijze en verklaring van de wederpartij omdat zij daarmee
aangeeft het beginsel van gelijke behandeling te willen respecteren.

6. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat
Uitzendbureau te Amsterdam bij de werving van kandidaten voor een
vacature jegens de Stichting Haags Meld- en Registratiepunt
Discriminatiezaken te Den Haag in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling: – direct onderscheid heeft gemaakt naar geslacht, zoals
bedoeld in artikel 3 Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen –
indirect onderscheid heeft gemaakt naar ras, zoals bedoeld in artikel 5
Algemene wet gelijke behandeling – indirect onderscheid heeft gemaakt
naar nationaliteit, zoals bedoeld in artikel 5 Algemene wet gelijke
behandeling

Rechters

mw mr. L.Y Goncalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr drs. B.van Schijndel (lid Kamer), dhr mr. P.R. Rodrigues (lid Kamer), mw I.M.Hidding (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 18 juli 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


De tegemoetkoming voor ambtenaren krachtens de Interimregeling
ziektekosten wordt naar evenredigheid van de omvang van het
dienstverband verstrekt. De Commissie vergelijkt de regeling met de
tegemoetkoming ziektekosten, welke ook naar rato van de arbeidstijd
wordt toegekend en niet met bijvoorbeeld de reiskostenvergoeding welke
specifiek gemaakte kosten vergoed. Er is zodoende geen sprake van
discriminatie van deeltijders.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 17 januari 1994 verzocht mevrouw
te Landgraaf (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling
van mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Limburg
(hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht maakt als bedoeld in
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Ter tegemoetkoming in de ziektekosten kent de wederpartij aan haar
werknemers een uitkering toe op grond van de Interimregeling
ziektekosten ambtenaren. De hoogte van deze tegemoetkoming is
afhankelijk van de omvang van het dienstverband. Verzoekster is van
mening dat door deze wijze van vaststelling van de tegemoetkoming,
indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt als bedoeld in de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB). (Een vergelijkbaar
verzoek n.a.v. de toen geldende regeling (IRZK) is beoordeeld door de
CGB(bod), augustus 1983, rechtspraak gelijke behandeling m/v,
1975-1986, no. 90).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Op 1 september 1994 is de Algemene wet gelijke behandeling
in werking getreden (AWGB). De Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid is op die datum opgeheven. Zij heeft haar
werkzaamheden overgedragen aan de Commissie gelijke behandeling, die op
1 september 1994 is ingesteld. Deze Commissie heeft het onderzoek
voortgezet.

Tegelijkertijd met deze zaak is een identieke zaak met dezelfde
wederpartij aan de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid voorgelegd. Deze zaak (zie oordeel 95-28) is ter zitting
gevoegd met de onderhavige zaak behandeld.

2.2. Partijen hebben enkele malen de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten. De Commissie heeft partijen vervolgens
uitgenodigd hun standpunten nader mondeling toe te lichten tijdens een
zitting op 28 maart 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

Van de kant van verzoekster –
(verzoekster)

2 Van de kant van de wederpartij –
, gemachtigde)

Van de kant van de Commissie: – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – dhr prof. mr P. van der Heijden (lid Kamer) – dhr
mr W.A. van Veen (lid Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. De wederpartij is het College van Bestuur van een
rijksuniversiteit. Ter tegemoetkoming in de ziektekosten kent hij aan
haar ambtenaren/werknemers een uitkering toe. Deze tegemoetkoming wordt
verstrekt op basis van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982
(IRZK), zoals laatstelijk gewijzigd bij KB van 9 april 1992 (Stb.220).
Deze regeling is vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en
is van toepassing op de gehele Rijksoverheid, ook op de sector
Onderwijs. Op grond van artikel 5 van het Rechtspositiereglement
Wetenschappelijk Onderwijs (Stb.1987, 393) is de IRZK ook binnen de
rijksuniversiteiten van toepassing. De uitvoering van de IRZK wordt
door artikel 7 IRZK aan de werkgever/het bevoegd gezag opgedragen. De
hoogte van deze tegemoetkoming is afhankelijk van de omvang van het
dienstverband.

3.2. Het bedrag van de tegemoetkoming is genormeerd op een vast bedrag
(basisbedrag). Dit basisbedrag wordt vastgesteld op de wijze als in
artikel 4 IRZK en de op dit artikel gebaseerde uitvoeringsbesluiten
bepaald. Het basisbedrag is -in fiscale zin- een bruto bedrag.
Uitbetaling van de door een ambtenaar opgebouwde tegemoetkomingen vindt
in de maanden juni en december plaats.

3.3. De IRZK maakt onderdeel uit van een uitgebreider systeem van
vergoeding van ziektekosten door de rijksoverheid aan haar personeel,
als onder 3.1 omschreven.

3.4. Artikel 5 IRZK bepaalt dat de ambtenaar die een of meer
betrekkingen met een onvolledige werktijd bekleedt, als tegemoetkoming
ontvangt een evenredig deel van de tegemoetkoming bij een volledige
werktijd, met dien verstande dat de tegemoetkomingen tezamen het bedrag
van de tegemoetkomingen bij een volledige werktijd niet overschrijden.

3.5. Verzoekster is sinds 1 september 1991 bij de wederpartij als
ambtenaar in dienst. Zij heeft een dienstverband van 0.8 Fulltime
Equivalent (FTE). De hoogte van haar tegemoetkoming is vastgesteld op
80% van een tegemoetkoming die aan een voltijdwerker wordt uitgekeerd.

3.6. Verzoekster heeft per brief d.d. 21 juli 1993 aan de wederpartij
kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met de wijze waarop de
tegemoetkoming wordt vastgesteld. In deze brief verzoekt zij om de
toegepaste korting op haar tegemoetkoming wegens deeltijdwerk ongedaan
te maken. Per brief d.d. 1 december 1993 heeft de wederpartij aan
verzoekster geantwoord dat zij gebonden is aan de IRZK en daarom haar
verzoek niet kan honoreren.

3.7. Op 15 december 1993 was de personeelssamenstelling van de
wederpartij als volgt. In totaal waren er 2608 werknemers in dienst,
waaronder 1494 mannen en 1114 vrouwen. Van de mannen werkten 546 in
deeltijd, van de vrouwen werkten er 716 in deeltijd.

3.8. De standpunten van partijen

Verzoekster brengt het volgende naar voren.

Zij is van mening dat de wederpartij door de tegemoetkoming voor
deeltijdwerkers naar rato te berekenen, indirect onderscheid naar
geslacht maakt en hierdoor in strijd handelt met de WGB. De regeling
(IRZK) is opgezet om een tegemoetkoming in de premie van de
ziektekostenverzekering te verstrekken. De tegemoetkoming is een
onderdeel van haar salaris en aan te merken als een arbeidsvoorwaarde,
zodat de WGB van toepassing is. De hoogte van de premie voor deze
verzekering is niet afhankelijk van de omvang van de aanstelling van de
ambtenaar. Door de hoogte van de tegemoetkoming wel afhankelijk te
maken van de omvang van het dienstverband is de ziektekostenverzekering
voor deeltijdwerkers relatief duurder. Vooral vrouwen werken in
deeltijd, zodat zij in overwegende mate hierdoor getroffen worden. Hier
komen nog de volgende nadelen bij: – voor deeltijdwerkers met een
inkomen net boven de bijstandsnorm heeft de IRZK heel schrijnende
consequenties; – wanneer in een huishouden een van beide partners niet
werkt, krijgt de werkende partner een dubbele tegemoetkoming. De
tegemoetkoming naar rato werkt dan dubbel negatief uit.

De tegemoetkoming in de ziektekostenverzekering moet vergeleken worden
met de vergoeding van feitelijke reiskosten. Zowel voltijdwerkers als
deeltijdwerkers krijgen hun reiskosten geheel vergoed.

De tegemoetkoming in de ziektekostenverzekering kan niet vergeleken
worden met de vakantietoeslag voor werknemers, die ook aan deeltijders
naar omvang van hun dienstbetrekking wordt betaald, omdat de
vakantietoeslag niet de bedoeling heeft alle vakantiekosten te dekken.

Weliswaar geeft de wederpartij slechts uitvoering aan IRZK, want de
regeling is opgesteld door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, maar
als werkgever is zij ook gehouden aan de WGB.

3.9. De wederpartij voert het volgende aan.

Zij is belast met de uitvoering van de IRZK. Bij deze uitvoering vormen
de bepalingen van de IRZK een vast gegeven. De uitvoerder is niet
bevoegd van de gegeven bepalingen af te wijken of nadere voorschriften
te geven. Deze bevoegdheid berust blijkens artikel 10 IRZK bij de
Minister van Binnenlandse Zaken.

Uitbreiding van de werkingssfeer zou bovendien tot vergaande financiele
consequenties leiden, waarin bij de middelentoewijzing door de
Nederlandse Staat aan de wederpartij niet is voorzien.

Of er sprake is van indirect onderscheid, laat de wederpartij aan de
Commissie ter beoordeling over. Wel acht zij de volgende elementen van
belang bij de beoordeling van het verzoek. – Personen kunnen bij meer
werkgevers die uitvoering dienen te geven aan de IRZK, een
deeltijdbetrekking hebben. De evenredigheidsbepaling van artikel 5 IRZK
regelt in dit kader tevens de financiele verhouding tussen deze
werkgevers. Als aan deeltijders een tegemoetkoming van 100% zou worden
verstrekt, zou dit problemen opleveren als deze deeltijders
verschillende dienstverbanden hebben. – Tot 1 mei 1994 waren werknemers
met een beperkte omvang van de werkzaamheden (met een bezoldiging van
minder dan ƒ 9.357,33 per jaar) geen ambtenaar in de zin van de
ABP-wet. Deze werknemers waren verplicht verzekerd krachtens de
Ziekenfondswet en kwamen niet in aanmerking voor de IRZK. Hetzelfde
gold tot 1 augustus 1994 voor werknemers met een dienstverband van
minder dan een half jaar. Voor deze werknemers was dus geen sprake van
(indirecte) discriminatie, terwijl deze groep bij de beoordeling van de
vraag of er sprake is van indirecte discriminatie tot 1 augustus 1994
“uit de cijfers gehaald moet worden”. – Het inkomen van deeltijdwerkers
zal veelal lager zijn dan dat van de (voltijd werkende) partner.
Deeltijders kunnen daardoor, indien de partner verzekerd is krachtens
de Ziekenfondswet, een beroep doen op de “meeverzekeringsbepalingen” in
het kader van de Ziekenfondswet. Alsdan bestaat er geen aanspraak op
een tegemoetkoming krachtens artikel 3 IRZK. Ook voor deze deeltijders
kan geen sprake zijn van (indirecte) discriminatie. – De IRZK kent zijn
pendant in de Regeling Ziektekosten- voorziening Overheidspersoneel
(ZVO-regeling), Stb. 1980, 544. Beide regelingen tezamen beogen
ambtenaren die zich particulier moeten verzekeren tegen ziektekosten,
in een vergelijkbare positie te brengen met verplicht verzekerden
krachtens de ZFW. De ZVO geeft aanspraak op een vergoeding, wanneer de
ziektekosten die voor rekening van de ambtenaar komen in een bepaalde
periode meer dan een bepaald percentage van het gezinsinkomen bedragen.
Dit percentage wordt bepaald aan de hand van het bedrag dat de
verplicht verzekerde betaalt voor zijn ziekenfondsverzekering. De
medewerk(st)er met een deeltijdaanstelling voldoet sneller dan de
voltijds medewerk(st)er aan de voorwaarden voor een ZVO-vergoeding.

De wederpartij wijst tenslotte op het beginsel van beloningsaanspraken
naar evenredigheid van (de omvang van) het dienstverband, zoals dat is
vastgelegd in artikel 9 WGB en recent bevestigd door het Hof van
Justitie.(Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, 15 december
1994, Helmig/Stadt Lengerich. JAR 1995-36).

4. De overwegingen van de commissie

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht maakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

4.2. Alvorens op deze vraag in te gaan stelt de Commissie met de
wederpartij vast, dat door verzoekster slechts een onderdeel van dit
systeem aan de Commissie is voorgelegd ter beoordeling. De wederpartij
heeft er terecht de aandacht voor gevraagd om bij de beoordeling door
de Commissie van het verzoek rekening te houden met de gevolgen van dit
systeem als geheel. Uitgaande van dit gegeven zal de Commissie het
verzoek als zodanig beoordelen, maar zij is zich ervan bewust dat deze
beoordeling onderhevig blijft aan de genoemde beperking.

4.3. De Commissie stelt vast dat de IRZK niet, zoals verzoekster meent,
een tegemoetkoming regelt in de premie van de ziektekostenverzekering.
De IRZK regelt een tegemoetkoming in de ziektekosten, die bestaat uit
een vast bedrag per maand dienstverband, dat onafhankelijk is van de
werkelijke kosten van de ambtenaar. Dit laat overigens onverlet, dat
-blijkens haar considerans- de IRZK wel bedoeld is om voor
overheidspersoneel te voorzien in een redelijke tegemoetkoming in de
premie van een ziektekostenverzekering. De tegemoetkoming is onderdeel
van een systeem van vergoeding van ziektekosten door de rijksoverheid
voor haar personeel. De Commissie gaat ervan uit dat -gemiddeld
genomen- de ziektekosten voor een deeltijder gelijk zullen zijn aan die
van een voltijder.

4.4. Het verzoek van verzoekster moet beoordeeld worden in het kader
van artikel 1a WGB. Dit artikel bepaalt (onder meer) dat het bevoegd
gezag in de arbeidsvoorwaarden geen onderscheid tussen mannen en
vrouwen mag maken.

4.5. De tegemoetkoming krachtens de IRZK vloeit voort uit de
aanstelling tot burgerlijk ambtenaar, van wie de bezoldiging bij de wet
is geregeld. Het bevoegd gezag is door deze regeling gebonden tot
betaling van deze uitkering. De ambtenaar heeft er recht op dat
haar/hem deze uitkering wordt verstrekt. De tegemoetkoming is derhalve
een arbeidsvoorwaarde in de zin van artikel 1a WGB.

4.6. Hoewel de bewoordingen van de IRZK duidelijk aangeven, dat het
basisbedrag een tegemoetkoming is in de ziektekosten van een ambtenaar
in het algemeen en dus niet specifiek in de premiekosten van een
ziektekostenverzekering, gaat de Commissie er, mede gelet op de
duidelijke considerans van de IRZK, vanuit dat de tegemoetkoming
feitelijk gezien wordt als een directe tegemoetkoming in de
premiekosten. In die zin is het standpunt van verzoekster, dat
voltijders een groter deel van hun premie voor de
ziektekostenverzekering van het bevoegd gezag vergoed krijgen dan
deeltijders, juist.

4.7. De tegemoetkoming in de ziektekosten is een onderdeel van het
gehele beloningspakket/de bezoldiging van de ambtenaar. Evenals de
andere beloningsbestanddelen, het basissalaris en eventuele toeslagen
wordt de tegemoetkoming opgebouwd in de tijd. Ten aanzien van deze
tegemoetkoming geldt specifiek dat zij per maand wordt opgebouwd,
echter slechts tweemaal per jaar (in juni en december) wordt
uitbetaald. Het feit dat de tegemoetkoming per gewerkte tijd wordt
opgebouwd deelt de tegemoetkoming met andere toelagen, die deel kunnen
uitmaken van de bezoldiging van ambtenaren, zoals bijv. de
functioneringstoelage, de waarnemingstoelage en de toelage wegens
onregelmatige dienst. Ook kan de toelage vergeleken worden met (de
opbouw van) de vakantiebijslag. Deze toelagen worden in het algemeen
uitgedrukt in een percentage van het basissalaris. Daarmee verschillen
zij van de tegemoetkoming, omdat deze uitgedrukt wordt in een vast
bedrag. Verzoekster heeft aangevoerd dat de tegemoetkoming het beste
vergeleken kan worden met een feitelijke reiskostenvergoeding. De
Commissie kan hierin niet met verzoekster meegaan. Een feitelijke
reiskostenvergoeding wordt niet per gewerkte tijd opgebouwd, maar is
een directe vergoeding voor specifiek gemaakte kosten. Een dergelijke
vergoeding wordt zomin voor ambtenaren als voor werknemers als beloning
gezien.

4.8. Met de andere toelagen die per gewerkte tijd worden opgebouwd,
heeft de tegemoetkoming gemeen dat het werken in deeltijd zijn
(evenredige) invloed heeft op de hoogte van het te ontvangen bedrag.
Bij de genoemde toelagen, die uitgedrukt worden in een percentage van
het salaris gebeurt dit vanzelf, omdat het in overeenstemming is met de
WGB en overigens onomstreden, dat voor een deeltijder het salaris een
evenredig deel is van het salaris van een voltijder. Bij de onderhavige
tegemoetkoming gebeurt dit op een andere manier, nl. door het vaste
bedrag te vermenigvuldigen met de verhouding deeltijd/voltijd. Beide
manieren hebben hetzelfde gevolg.

4.9. De Commissie onderschrijft dus het standpunt van de wederpartij
dat het beginsel van gelijke behandeling in de onderhavige zaak inhoudt
dat de beloning van deeltijders en voltijders wordt
vastgesteld/overeengekomen naar evenredigheid van de omvang van de
dienstbetrekking. Voor verzoekster betekent dit dat zij gelijk wordt
behandeld, wanneer zij 80% ontvangt van de beloning van een voltijder
ook voorzover het betreft de tegemoetkoming ziektekosten krachtens de
IRZK, hetgeen het geval is.

4.10. De Commissie heeft kennis genomen van de voorbeelden van
verzoekster, waarin zij uitwerkt tot welke vervelende gevolgen de
toepassing van de IRZK voor mensen met een salaris op het niveau van
het minimumloon kan leiden. De Commissie is echter niet bevoegd om zich
daarover uit te laten.

5. Het oordeel van de commissie De Commissie spreekt als haar oordeel
uit dat het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit Limburg te
Maastricht jegens mevrouw G. geen onderscheid naar geslacht heeft
gemaakt als bedoeld in artikel 1a WGB door de tegemoetkoming krachtens
de Interimregeling ziektekosten ambtenaren 1982 naar evenredigheid van
de omvang van het dienstverband te verstrekken.

Noot

De voorliggende casus betreft een van de complexe vragen rond
deeltijdarbeid: welke arbeidsvoorwaarden zijn deelbaar en komen in
aanmerking voor evenredige toekenning en welke zijn dat niet. (Zie
onder andere I.P.Asscher-Vonk, SMA (1993) juli/augustus, p. 454-462.)
Verzoekster heeft zich tot de Commissie gelijke behandeling gericht met
het verzoek haar oordeel uit te spreken over de vraag, of het College
van Bestuur van de Rijksuniversiteit Limburg (indirect) onderscheid
naar geslacht maakt in de zin van de WGB, door de hoogte van de
tegemoetkoming op grond van de Interimregeling ziektekosten ambtenaren
(IRZK) afhankelijk te stellen van de omvang van het dienstverband. De
vraag is in feite of het naar evenredigheid toekennen van deze
tegemoetkoming in overeenstemming is met de WGB. Twaalf jaar geleden
boog de toenmalige Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid in de burgerlijke openbare dienst over dezelfde vraag
(CGB augustus 1983, Rechtspraak gelijke behandeling m/v, 1975-1986, no.
90). De oordelen vertonen een opvallende gelijkenis, zij het dat het
oordeel uit 1983 naar mijn smaak inzichtelijker is geconcipieerd.
Centraal staat de Interimregeling ziektekosten ambtenaren (1982). Deze
regeling voorziet in een tegemoetkoming in ziektekosten over elke
kalendermaand waarin betrokkene een of meer betrekkingen bekleedt als
burgerlijk ambtenaar of krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk
recht (artikel 2, eerste lid Interimregeling). Gezien de considerans en
de nota van toelichting bij de Interimregeling 1982 maakt de
Interimregeling deel uit van een systeem van lastenverdeling van
ziektekosten tussen de overheid en zijn personeel. De Regeling
Ziektekostenvoorziening overheidspersoneel (ZVO) dient als basis en
sluitstuk van dit systeem. Uit de Regeling ZVO kan worden begrepen dat
onder ziektekosten moet worden verstaan het bedrag van de premie en de
kosten van geneeskundige verzorging. De Interimregeling voorziet in een
tegemoetkoming in het bedrag van de premie. Dat blijkt niet alleen uit
considerans en nota van toelichting, maar ook uit de wijze waarop de
hoogte van de tegemoetkoming wordt berekend. Artikel 5 van de
Interimregeling bepaalt dat betrokkenen met een onvolledige werktijd
een evenredig deel van de tegemoetkomingen bij een volledige werktijd
ontvangen. In het tweede lid wordt een teruggebrachte werktijd
(deeltijd-vut bijvoorbeeld) niet beschouwd als onvolledige werktijd in
de zin van het eerste lid. De CGBbod stelt in het oordeel van augustus
1983 dat als vaststaand moet worden aangenomen dat binnen de
burgerlijke openbare dienst, waar genoemde regelingen hun toepassing
vinden, deeltijdwerkenden in overwegende mate vrouwen zijn. Wanneer nu
deeltijdwerkenden in de praktijk mindere arbeidsvoorwaarden hebben, cq
per saldo lager worden betaald dan voltijders, kan worden gesteld dat
er sprake is van indirect onderscheid in strijd met de wet, tenzij dit
onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De vraag waar de CGBbod zich
voor gesteld ziet is of het naar evenredigheid toekennen van
tegemoetkoming krachtens de IRZK een nadelige behandeling voor
deeltijders inhoudt. De Commissie stelt vast dat er geen sprake is van
nadeel omdat het kennelijk niet de bedoeling van de regeling is een
volledige dekking te geven tot de helft van de ziektekostenpremie, maar
slechts om een tegemoetkoming daarin te geven, mede met het oog op de
dekking die de ZVO-regeling biedt. `Op grond hiervan is het naar het
oordeel van de Commissie verdedigbaar dat aan deeltijdwerkenden naar
evenredigheid van hun inkomen een tegemoetkoming in de ziektekosten
wordt verleend. Hierdoor kan niet worden gesteld dat zij door deze
regeling (nadelig) worden getroffen.’

In een oordeel van twaalf jaar terug is deze benadering voorstelbaar;
de wijze waarop wordt vastgesteld of er sprake is van indirect
onderscheid was toen in de (HvJ EG-)jurisprudentie nog niet zodanig
uitgekristalliseerd als nu. Dat deze benadering ook herkenbaar is in
het onderhavige oordeel van de CGB mag opmerkelijk genoemd worden.
Sinds jaar en dag kan in oordelen van de Commissie over vermeend
indirect onderscheid de strenge toets worden teruggelezen, die stamt
uit HvJ EG 13 mei 1986, zaak 170/84, inzake Bilka-Kaufhaus versus Weber
von Hartz. De zogenoemde Bilka-toets houdt in, dat moet worden nagegaan
of een regeling die onderscheid maakt op grond van andere hoedanigheden
dan het geslacht, onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft.
Er is geen sprake van indirect onderscheid indien de onderscheidende
maatregel objectief kan worden gerechtvaardigd. Doel en strekking van
de onderscheidende regeling en de geschiktheid en noodzakelijkheid van
het middel om het gestelde doel te bereiken moeten in het kader van
deze objectieve rechtvaardiging worden getoetst. De Commissie stelt
vast dat er onderscheid wordt gemaakt tussen deeltijders en voltijders
(overweging 4.6). Tegen elke verwachting in wordt niet onderzocht of
dit onderscheid ook sekse-onderscheid tot gevolg heeft. Door niet te
concluderen tot een vermoeden van indirect onderscheid blijft de deur
tot de Bilka-toets gesloten. De Commissie volstaat met een magere
willekeurstoets. Opgemerkt wordt dat de tegemoetkoming per gewerkte
tijd wordt opgebouwd. De vergelijking met een vergoeding voor
reiskosten gaat volgens de Commissie mank. Een reiskostenvergoeding
wordt niet in tijd opgebouwd, maar is een directe vergoeding van
specifiek gemaakte kosten. Het werken in deeltijd heeft net als bij
andere toelagen die per gewerkte tijd worden opgebouwd (vakantiebijslag
bijvoorbeeld) effect op de hoogte van het te ontvangen bedrag. Bij de
andere toelagen wordt dit effect in overeenstemming met de WGB geacht
en wordt het onomstreden geacht dat voor een deeltijder het salaris een
evenredig deel is van het salaris van een voltijder. De conclusie is
vervolgens een `waarom-daarom-redenering’: het is redelijk de
tegemoetkoming naar evenredigheid toe te kennen omdat het redelijk is
een dergelijke tegemoetkoming naar evenredigheid toe te kennen.

De Commissie maakt het zichzelf op deze manier buitengewoon
gemakkelijk. De consequentie van deze benadering is dat een verschil in
behandeling bij voorbaat wordt gerechtvaardigd ongeacht een eventueel
sekse-onderscheid. Voor een dergelijke rechtvaardiging volstaat de
Commissie met een willekeurstoets. De Bilka-toets beoogt meer te zijn
dan dat. Een vergelijking met andere in tijd opgebouwde toelagen had
dan niet volstaan. Wat zijn immers doel en strekking van de IRZK? Welke
plaats neemt de IRZK in in het systeem van ziektekostenvergoedingen
voor ambtenaren? Is deze evenredige toekenning (en niet die van de
vakantiebijslag) geschikt en noodzakelijk gezien doel en strekking van
de IRZK? Het is nu juist de evenredigheid die ten aanzien van deze
tegemoetkoming ter discussie wordt gesteld. In het oordeel van de
Commissie wordt dit op geen enkele wijze geproblematiseerd. Een
benadering in overeenstemming met het concept indirect onderscheid had
de Commissie ertoe gedwongen zich nader te verdiepen in de
problematiek; dat zou wellicht meer hebben opgeleverd dan de
oppervlakkige benadering die de Commissie in dit oordeel hanteert, in
ieder geval een genuanceerder oordeel. Zo’n oordeel draagt bij aan een
discussie over de deelbaarheid van arbeidsvoorwaarden die in het kader
van de behandeling van een wetsvoorstel Gelijke behandeling van
deeltijders en voltijders zal moeten worden gevoerd (TK 23216 en
24020). Elke arbeidsvoorwaarde moet daarbij op zijn eigen merites
worden onderzocht, en mag niet voor het gemak worden ondergebracht in
clustertjes `in tijd opgebouwd’, `vergoeding van werkelijke kosten’
enzovoort. Afhankelijk van het accent past de onderhavige
tegemoetkoming immers in zowel het ene als het andere cluster. Een
werkelijk gelijke behandeling hoeft niet altijd een identieke
behandeling in te houden. (Vergelijk ook de noot van G. Heerma van Voss
bij het arrest Helmig e.a. (Hof van Justitie EG, 15 december 1994) ten
aanzien van de toekenning van overwerktoeslagen aan deeltijders,
NJCM-Bulletin 20-2 (1995), p. 243.)

Is er een oorzaak aan te wijzen voor dit opmerkelijk afwijkend oordeel
van de Commissie? En is het een eenmalig slippertje of heeft dit
oordeel een trend gezet? Aan de vooravond van 1995 heeft het Hof van
Justitie van de EG een arrest gewezen inzake Angelika Helmig/Stadt
Lengerich. De formele opstelling van het Hof heeft menigeen verbaasd.
(Vergelijk de noot van Heerma van Voss, de noot van Steyger bij het
arrest in Nemesis, RN 483, en Holtmaat in (nog ongepubliceerd) paper
The ECJ in Helmig: a Case in which Part-time Workers Lost their Right
to Equal Pay, gepresenteerd in het kader van de European Forum
Conference The Regulation of Working Time in the European Union; Gender
and the Use of Time, Florence, 29 april 1995.) Heerma van Voss
constateert aan het eind van zijn noot bij het Helmig-arrest dat het
Hof zonder enige behandeling van de problematiek het probleem als
zodanig ontkent. Vervolgens vraagt hij zich af wat de CGB zal gaan
doen; zal zij zich opstellen als een volgzame en overijverige leerling
en de gemakkelijke weg van het Hof ook inslaan, of zal zij de ruimte
die het EG-recht geeft voor een verdergaande nationale uitleg gebruiken
en blijven doorwerken aan rechtsontwikkeling volgens de door het Hof
zelf ontwikkelde uitgangspunten? Gezien het bovenstaande lijkt het
eerste het geval te zijn, hoewel het gissen blijft of de Commissie
bedoeld heeft aan te sluiten bij deze ontwikkeling in het EG-recht.
Gewoonlijk verwijst de Commissie expliciet naar arresten waarin nieuwe
ontwikkelingen tot uitdrukking komen. Dat blijft hier achterwege.
Interessant is het om oordeel en arrest naast elkaar te bekijken. In
Helmig definieert het Hof het voorliggende probleem zo dat er sprake is
van een gelijke behandeling. Er is geen sprake van discriminatie in de
zin van artikel 119 EEG-verdrag en het eerste artikel van de
EG-richtlijn Gelijk Loon (76/207). Aan de vraag of er sprake is van
sekse-onderscheid komt het Hof niet eens toe, laat staan aan de
objectieve rechtvaardiging. Het Hof heeft ervoor gekozen de extra
belasting die vrouwen ondervinden bij de combinatie van arbeid en zorg
niet te erkennen en de norm van de voltijdwerker te handhaven. Wellicht
gegrepen door de eenvoud van dit arrest denkt de Commissie
vergelijkbaar kort door de bocht te kunnen gaan. Een verschil is echter
dat de IRZK wel degelijk (formeel) onderscheid maakt tussen deeltijders
en voltijders, zoals de Commissie vaststelt in overweging 4.6. De
Commissie heeft `verzuimd’ dit door een andere definitie van het
probleem weg te poetsen door net als in de zaak Helmig te stellen dat
de tegemoetkoming per uur voor deeltijders even groot is als voor
voltijders. De Commissie lijkt deze `omissie’ goed te willen maken als
zij uiteindelijk concludeert dat een en ander voor verzoekster betekent
`dat zij gelijk wordt behandeld, wanneer zij tachtig procent ontvangt
van de beloning van een voltijder ook voorzover het betreft de
tegemoetkoming ziektekosten krachtens de IRZK, hetgeen het geval is.’
Het Hof in de zaak Helmig heeft een buitengewoon teleurstellende keuze
gemaakt waardoor hij aan zijn eigen toetsingsmethodiek ontkwam, de
Commissie heeft gewoon slecht haar huiswerk gedaan. Laten we hopen dat
het bij een keer blijft.

Nynke de Vries-Huiser

Rechters

Mrs Timmerman-Buck, Van der Heyden, Van Veen

Instantie: Centrale Raad van Beroep, 13 juli 1995

Instantie

Centrale Raad van Beroep

Samenvatting


In het kader van de WAO/Toeslagenwet krijgt de vrouw een oproep voor geneeskundig
onderzoek. Vrouw verzoekt om vrouwelijke keuringsarts omdat zij het sexistisch
gedrag van mannelijke artsen bij eerdere onderzoeken beu is. Dit wordt
geweigerd. In beroepsprocedure is de vrouw niet-ontvankelijk verklaard.
De CRvB zal thans moeten uitmaken of een vrouw op grond van eerdere sexistische
ervaringen met mannelijke keuringsartsen een vrouwelijke keuringsarts mag
eisen.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevestigt de aangevallen uitspraak.
Over de weigering van de vrouw zich door een mannelijke keuringsarts te
laten onderzoeken merkt de CRvB op: – zij heeft in haar verzoek aan de
eerste rechter om een onderzoek te gelasten geen melding gemaakt uitsluitend
een vrouwelijke keuringsarts te willen;
– zij heeft zich in de periode van de oproep voor de keuring wel door diverse
andere mannelijke artsen laten onderzoeken;
– zij heeft pas in een zeer laat stadium van de procedure aangevoerd dat
de aangewezen keuringsarts haar op sexistische wijze zou benaderen;
– zij heeft daarover nooit een klacht ingediend bij de daarvoor in aanmerking
komende instanties.

Volledige tekst

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Namens appelante is mr. R.A. Haverhoek, advocaat te Geleen, op bij aanvullende
beroepsschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door
de rechtbank te Maastricht onder dagtekening 31 december 1993 tussen partijen
gegeven uitspraak, waarna hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van appelante heeft nog nadere brieven ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 16 mei 1995, waar appellante
niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen
door mr I. Veltrop, werkzaam bij gedaagdes bedrijfsvereniging.

II. MOTIVERING

Bij beslissing van 7 mei 1993 heeft gedaagde de uitkering van appelante
ingevolge de Wet op arbeidsongeschiktheids- verzekering, welke laatstelijk
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, met
ingang van 24 mei ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid
met ingang van die datum minder dan 15% was.

Namens appelante is beroep ingesteld tegen deze beslissing. Daarbij is
de rechtbank verzocht niet alleen de fysieke maar de psychische problemen
door een deskundige te laten onderzoeken.

Appelante is -zulks is door haar niet betwist- bij aangetekend schrijven
opgeroepen om op 25 oktober 1993 te verschijnen bij orthopaedisch chirurg
dr A.J.G. Nollen.

Bij brief van 18 oktober 1993 heeft de gemachtigde van appelante de eerste
rechter het volgende medegedeeld.

“Cliënte is reeds eerder door deze chirurg gekeurd metals gevolg bijgaand
rapport d.d. 14 januari 1992. De conclusie van dit rapport is duidelijk
genoeg en cliënte verwacht dan ook geen nieuwe en/of andere conclusies
van deze arts, zodat zij een nieuw onderzoek door deze orthopaed niet zinvol
acht.

Bovendien is cliënte inmiddels zo vaak gekeurd, laatstelijk nog in
mei 1993 in het kader van een keuring door Wegom in verband met passende
arbeid bij de sociale werkvoorziening, dat zij nu een stadium heeft bereikt,
dat zij weigert zich uit te kleden voor weer een keuringsarts. Cliënte
wil een uitzondering maken voor haar behandelende artsen en een vrouwelijke
keuringsarts. Na de lange voorgeschiedenis van cliënte is deze wens alleen
maar begrijpelijk en dient derhalve gerespecteerd te worden”.

Appelante is op 25 oktober 1993 niet bij dr Nollen verschenen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de eerste rechter appelante met toepassing
van artikel 52, eerste lid van de Beroepswet, zoals die bepaling tot 1
januari 1994 luidde, niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep, onder
overweging dat zijn zonder deugdelijke grond niet heeft voldaan op de op
haar rustende verplichting om voor een geneeskundig onderzoek te verschijnen
bij de daartoe aangewezen deskundige.

In hoger beroep is namens appelante aangevoerd dat
– appelante twijfelt aan de objectiviteit en de deskundigheid van de orthopaedisch
chirurg dr Nollen;
– namens haar is gewezen op de sexistische benadering door dr Nollen bij
een onderzoek in het kader van een eerdere procedure tussen partijen en
dat de rechtbank hieraan ten onrechte voorbij is gegaan;
– appelante slecht door een vrouwelijke arts wenst te worden onderzocht.
De Raad merkt in de eerste plaats op dat niet gezegd kan worden dat de
eerste rechter ten onrecht aan argumenten van appelante voorbij is gegaan.
Bedoelde argumenten zijn door en namens appelante eerst bij brief van 14
december 1993, derhalve na de behandleing van het geding ter zitting van
de rechtbank op 10 december 1993, bij de rechtbank ingediend, zodat het
de rechtbank ingevolge de bepalingen van de Beroepswet zoals die toen luidden,
niet vrij stond deze in zijn oordeelsvorming te betrekken.

De Raad ziet voorts geen aanleiding tot een ander oordeel tek komen dan
de eerste rechter. Hij overweegt daartoe het volgende.

De Beroepswet zoals die ten tijde hier van belang luidde, geeft de rechter
de bevoegdheid degene op wiens aanspraken de bestreden beslissing betrekking
heeft, door een medisch deskundige te doen onderzoeken en daartoe een deskundige
aan te wijzen. De keuze van de persoon van deze deskundige en het terrein
van zijn deskundigheid is aan de rechter. Het feit dat een betrokkenen
zich niet de keuze van de deskundige kan vinden, zal in het algemeen geen
deugdelijke grond opleveren om niet te voldoen aan zijn verplichting bij
die deskundige te verschijnen. Er zijn evenwel gevallen denkbaar waarin
de betrokkene dermate zwaarwegende bezwaren tegen de door de rechter ingeschakelde
deskundige heeft dat wel van een deugdelijke grond kan worden gesproken.
In het onderhavige geval is de Raad van dergelijke zwaarwegende bezwaren
niet gebleken.

Het bezwaar van appelante tegen een onderzoek door dr Nollen lijkt in de
eerste plaats te zijn ingegeven door het feit dat deze arts in een eerdere
procedure tussen partijen heeft gerapporteerd en daarbij tot een voor appelante
ongunstig oordeel is gekomen. Deze arts is in de voorgaande procedure als
neutraal deskundige verzocht om van verslag en advies te dienen omtrent
de belastbaarheid van de appelatne op de toen in geding zijnde datum, 1
februari 1989. De raad is niet gebleken dat hij in zijn rapport van 14
januari 1992 een oordeel heeft gegeven dat niet strookt met appelantes
standpunt in die zaak, staat er naar het oordeel van de Raad niet aan in
de weg om in het onderhavige geding, waarin de belastbaarheid van appelante
op 24 mei 1993 aan de orde is, opnieuw als neutraal deskundige op te treden.

Voorts heeft de Raad geen enkele aanleiding te twijfelen aan de deskundigheid
van dr Nollen.

De Raad neemt voorts in aanmerking dat appelante
– bij haar verzoek aan de eerste rechter een onderzoek door een deskundige
te gelasten geen melding heeft gemaakt van haar wens uitsluitend door een
vrouwelijke deskundige te worden onderzocht;
– zich zowel voor als na de oproep voor het onderzoek bij dr Nollen door
een reeks van mannelijke artsen heeft doen onderzoeken;
– eerst in een zeer laat stadium van de onderhavige procedure heeft aangevoerd
dat de benadering van appelante door dr Nollen een sexistisch karakter
zou hebben gehad en dat gesteld noch gebleken is dat appelante na dat onderzoek
in januari 1992 tegenover de eerste rechter melding heeft gemaakt van een
onheuse bejegening, laat staan dat zij een klacht daaromtrent zou hebben
ingediend bij het medisch tuchtcollege, de inspectie voor de volksgezondheid
of een andere daaarvoor in aanmerking komende instantie.

Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in
aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Rechters

Mrs Spaas, van der Kade, Schuttel

Instantie: Hof van Justitie EG, 13 juli 1995

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Family credit is een soort inkomensafhankelijke kinderbijslag voor werkenden met een laag inkomen. Het doel van deze regeling is laagbetaalde werknemers aan het werk te houden door te zorgen dat zij niet slechter af zijn als ze werken. De bijlage kan zodoende gezien worden als verband houdende met de toegang tot het arbeidsproces en is tevens aan te merken als arbeidsvoorwaarde. Family credit valt daarom binnen de werkingssfeer van de tweede EG-richtlijn.

Volledige tekst

Judgment

1. By decision of 11 February 1994, received at the Court on 19 April 1994, the Social Security Commissioner, London referred to the Court for a preliminary ruling under Article 177 of the EC Treaty a question on the interpretation of Council Directive 76/207/EEC of 9 February 1976 on the implementation of the principle of equal treatment for men and women as regards access to employment, vocational training and promotion, and working conditions (OJ 1976 L 39, p. 40).

2. That question was raised in proceedings between Jennifer Meyers and the Adjudication Officer concerning her right to deduct child-care costs from her gross income in order to obtain family credit.

3. Family credit is an income-related benefit which is awarded in order to supplement the income of low-paid workers who are responsible for a child.

4. According to Article 20 of the 1986 Social Security Act, a person in Great Britain is entitled to family credit if, when the claim for it is made or treated as made: -his income does not exceed the applicable amount;

-he, or if he is a member of a married or unmarried couple, he or the other member of the couple, is normally engaged in remunerative work; and

-her, or he is a member of a married or unmarried couple, he or the other member, is responsible for a member of the same household who is a child or a person of a prescribed description.

5 Article 20(6) provides that ‘family credit shall be payable for a period of 26 weeks or such other period as may be prescribed and, subject to regulations, an award of family credit and the rate at which it is payable shall not be affected by any change of circumstances during that period (…)’.

6. Ms Meyers, who is a single parent made an application for family credit in respect of herself and her daughter, then aged three. The application was rejected by the Adjudication Officer on the ground that her income, as calculated for the purposes of that benefit, was greater than the level conferring entitlement.

7. In her appeal against that decision to the Social Security Appeal Tribunal, Ms Meyers submitted that the non-deduction of child-care costs for the purpose of calculating her net income discriminated against single parents, since it is much easier for couples to arrange their working hours so that any children can be looked after by one of them. As most single parents are women, it also constitutes indirect discrimination against women.

8. The Social Security Appeal Tribunal accepted Ms Meyers’ argument.

9. In the appeal proceedings before the Social Security Commissioner, however, the parties do not contend that the first tribunal incorrectly applied a provision of national law. The Social Security Commissioner observes that Ms Meyers will be able to rely on the direct effect of Article 2(1) of the directive if family credit falls within its scope.

10. Accordingly, the question referred, which concerns only the last point, is worded as follows: “Does a benefit having the characteristics and purpose of family credit fall within the scope of Council Directive 76/207/EEC?”

The purpose of the directive, according to Article 1(1) thereof, is to put into effect in the Member States the principle of equal treatment for men and women as regards access to employment, including promotion, and to vocational training and as regards working conditions. Article 1(2) states that with a view to ensuring the progressive implementation of the principle of equal treatment in matters of social security, the Council, acting on a proposal for the Commission, is to adopt provisions defining its substance, its scope and the arrangements for its application.

12. The Court has consistently held that, in view of the fundamental importance of the principle of equal treatment, the exclusion of social security matters from the scope of the directive provided for in Article 1(2) must be interpreted strictly (see the judgments in Case 151/84 Roberts v Tate & Lyle [1986] ECR 703, paragraph 35, and in Case 152/84 Marshall v Southampton and South-West Hampshire Area Health Authority [1986] ECR 723, paragraph 36).

13. Thus, the Court has held that a scheme of benefits cannot be excluded from the scope of the directive solely because, formally, it is part of a national social security system. Such a scheme may come within the scope of the directive if its subject matter is access to employment, including vocational training and promotion, or working conditions. However, the directive is not rendered applicable simply because the conditions of entitlement for receipt of benefits may be such as to affect the ability of a single parent to take up employment (see the judgment in Joined Cases C- 63/91 and C-64/91 Jackson and
Cresswell v Chief Adjudication Officer [1992] ECR I-4737, paragraphs 27, 28 and 31).

14. The question whether the characteristics of a benefit such as family credit are such as to bring it within the scope of the directive must therefore be resolved in the light of those considerations.

15. According to the United Kingdom, family credit is excluded from the scope of the directive by Article 1(2) thereof. Family credit is intended to supplement the income of persons with insufficient means to meet their needs. Classifying it as income support is justified on the ground that, where a couple applies for it, family credit is paid to the woman, whether or not she is working. Moreover, the United Kingdom points out that the benefit continues to be paid for a period of 26 weeks even where the circumstances change, and that appeals against decisions concerning that benefit are brought before a tribunal with jurisdiction in social security matters. Finally, it claims that family credit has nothing to do either with access to employment, since it is awarded to persons who are already employed, or with working conditions, because those are merely conditions in the contract of employment or measures applied by an employer to a worker in respect of the latter’s employment.

16. Those arguments cannot be accepted.

17. According to the Jackson and Cresswell judgment, cited above, the fact that a scheme of benefits is part of a national social security applicable in the main proceedings, cannot exclude it from the scope of the directive.

18. In its judgment in Case C-78/91 Hughes v Chief Adjudication Officer [1992] ECR I-4839, paragraph 19, the Court noted that family credit in Northern Ireland performed the dual function of keeping poorly paid workers in employment and of meeting family expenses. It considered that by virtue of that second function (paragraph 20), a benefit such as family credit fell within the scope of Council Regulation (EEC) No 1408/71 of 14 June 1971 on the application of social security schemes to employed persons, self-employed persons and members of their families moving within the Community, as amended and updated by Council Regulation (EEC) No 2001/83 of 2 June 1983 (OJ 1983 L 230, p. 6).

19. However, that classification cannot prevent a benefit of the same kind, where its function is to keep poorly paid workers in employment, from coming within the scope of the directive, in so far as it concerns access to employment and working conditions.

20. It is not disputed in the main proceedings that one of the conditions for the award of family credit is that the claimant should
be engaged in remunerative work. According to the legislation referred to by the United Kingdom in its written observations, the aim of the benefit is to ensure that families do not find themselves worse off in work than they would be if they were not working. It is therefore intended to keep poorly paid workers in employment.

21. That being so, family credit is concerned with access to employment, as referred to in Article 3 of the directive.

22. Furthermore, it is not only the conditions obtaining before an employment relationship comes into being which are involved in the concept of access to employment. As the Advocate General has pointed out in paragraph 47 of his Opinion, the prospect of receiving family credit if he accepts low-paid work encourages an unemployed worker to accept such work, with the result that the benefit is related to considerations governing access to employment.

23. That finding is not invalidated by the United Kingdom’s other arguments which seek to show that there is no link with an employment relationship. It is precisely the existence of an employment relationship which confers entitlement to the benefit, even though the worker is not the direct recipient of that benefit, as in the case of a woman who is married or cohabiting and is unemployed, but who receives the benefit by virtue of her husband’s or partner’s work. The fact that entitlement to family credit is not affected by loss of employment or an increase in salary during the 26 weeks following the award cannot detract from the finding that the benefit is awarded only when the claimant is engaged in remunerative work and is not in receipt of income exceeding a specified amount.

24. Furthermore, compliance with the fundamental principle of equal treatment presupposes that a benefit such as family credit, which is necessarily linked to an employment relationship, constitutes a working condition within the meaning of Article 5 of the directive. To confine the latter concept solely to those working conditions which are set out in the contract of employment or applied by the employer in respect of a worker’s employment would remove situations directly covered by an employment relationship from the scope of the directive.

25. Consequently, the answer to the question referred to the Court must be that a benefit with the characteristics and purpose of family credit is concerned with both access to employment and working conditions and falls, therefore, within the scope of the directive.

Costs 26. The costs incurred by the United Kingdom an d the Commission of the European Communities, which have submitted observations to the Court, are not recoverable. Since these proceedings are, for the parties to the main proceedings, a step in the proceedings pending before the national court, the decision on costs is a matter of that court.

On those grounds.

The Court (Fourth Chamber),

in answer to the question referred to it by the Social Security Commissioner, London, by decision of 11 February 1994, herby rules:

A benefit with the characteristics and purpose of family credit is concerned with both access to employment and working conditions and falls, therefore, within the scope of Council Directive 76/207/EEC of 9 February 1976 on the implementation of the principle of equal treatment for men and women as regards access to employment, vocational training and promotion, and working conditions.

Noot

Jennifer Meyers is een alleenstaande werkende moeder met een kind. Bij haar aanvrage voor family credit trekt ze de kosten voor kinderopvang af van haar bruto-inkomen. Family credit is een gezinsbijslag die in het Verenigd Koninkrijk wordt toegekend op grond van de Social Security Act van 1986. De uitkering wordt toegekend aan personen die doorgaans betaalde arbeid verrichten en daarmee minder verdienen dan een – in de uitkeringsregeling – vastgesteld bedrag en voor een of meer kinderen
verantwoordelijk zijn. Het is dus een soort inkomensafhankelijke kinderbijslag voor werkenden met een laag inkomen. De aanvraag van Jennifer Meyers voor family credit wordt afgewezen. De aftrek van de kosten voor kinderopvang van het bruto-inkomen wordt namelijk niet geaccepteerd. Daarmee is het inkomen van Meyers te hoog om in aanmerking te kunnen komen voor family credit.

In de procedure tegen de afwijzende beslissing betoogt Meyers dat er sprake is van indirecte discriminatie van vrouwen. Het afwijzen van de mogelijk- heid om de kosten van kinderopvang af te trekken, is discriminerend voor alleenstaande ouders omdat het voor (echt)paren veel gemakkelijker is de werktijden zo te regelen dat een van beiden voor de kinderen kan zorgen. Omdat de meeste alleenstaande ouders vrouwen zijn, is er sprake van indirecte discriminatie van vrouwen.
Meyers heeft in eerste instantie succes want de Social Security Appeal Tribunal accepteert haar betoog. Tegen de uitspraak van deze rechterlijke instantie wordt beroep aangetekend bij de Social Security Commissioner. De Social Security Commissioner legt het Hof van Justitie de vraag voor of een uitkeringsregeling met de kenmerken en het doel van family credit onder het toepassingsbereik van de tweede richtlijn (76/207/EEG) valt.

Voor de aanspraak van Meyers is een positief antwoord van het Hof van cruciaal belang. Haar beroep op de gelijke behandelingsnorm kan alleen worden gehonoreerd via de tweede richtlijn. Op grond van eerdere jurisprudentie van HvJ EG over de materiele werkingssfeer van de derde richtlijn (79/7/EEG) was het duidelijk dat een uitkeringsregeling als
family credit niet onder deze richtlijn zou vallen. In de arresten Smithson (zaak C 243/90, RN 1993, nr. 304) en Jackson & Cresswell (zaken C 63/91, C 64/91, RN 1993, 305, m.nt. Marlies Vegter) stelde het Hof vast dat een uitkering een rechtstreeks en daadwerkelijk verband moet houden met de bescherming tegen een van de in artikel 3, lid 1 derde richtlijn genoemde eventualiteiten. Een uitkering die dit verband niet heeft, valt niet onder de derde richtlijn. Omdat family credit een algemene uitkering is die wordt betaald aan een werkende die onvoldoende inkomen heeft, valt de uitkering – op grond van de
redenering van het Hof – buiten de derde richtlijn. Het is weliswaar niet uitgesloten dat de uitkering wordt uitbetaald als zich een van de eventualiteiten als ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten of werkloosheid voordoet, maar dat is zeker niet het doel van de regeling.

Het Hof overweegt ondermeer dat een van de voorwaarden om family credit te kunnen krijgen, de betrokkenheid bij betaald werk is. Het doel van de uitkering is te zorgen dat gezinnen niet slechter af zijn als ze werken dan wanneer ze niet zouden werken. Het doel van de regeling is daarmee laagbetaalde werknemers aan het werk te houden. In dat licht bezien houdt de uitkeringsregeling verband met de toegang tot het arbeidsproces. De uitkering is ook aan te merken als een arbeidsvoorwaarde in de zin van de tweede richtlijn. Volgens het Hof kun je niet alleen van arbeidsvoorwaarden spreken als de relatie tussen
werkgever en werknemer rechtstreeks in het geding is. Door dat wel te doen, zou je namelijk situaties buiten het bereik van de tweede richtlijn kunnen houden die direct te maken hebben met een arbeidsrelatie. Family credit valt dus binnen de werkingssfeer van de tweede richtlijn. De Social Security Commissioner kan zich daarmee buigen over de vraag of Jennifer Meyers gelijk heeft met de stelling dat de niet-aftrekbaarheid van de kosten van kinderopvang een indirecte
discriminatie is van vrouwen. Aangenomen kan worden dat Meyers gelijk heeft en dat ze aanspraak op de uitkering zal kunnen maken, als er althans geen objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid.

Bij eerste lezing van de tweede richtlijn lijkt het niet logisch dat de richtlijn van toepassing zal zijn op een sociale-zekerheidsregeling. In artikel 1, lid 1 staat dat de richtlijn de tenuitvoerlegging beoogt van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen,
en tot de beroepsopleiding, alsmede ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en, onder de voorwaarden bedoeld in lid 2, de
sociale zekerheid. Dit tweede lid zegt vervolgens dat voor de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid latere bepalingen moeten worden vastgesteld. De interpretatie van deze bepaling is in de tachtiger jaren een aantal malen in de rechtspraak van het Hof aan de orde geweest.

In het Marshall-arrest (zaak C 192/85, Jur. 1986, 723) was de overweging dat de uitzondering van artikel 1, lid 2 restrictief moet
worden uitgelegd vanwege het fundamentele belang van het beginsel van gelijke behandeling in de communautaire rechtsorde. In de zaak Newstead (zaak C 192/85, Jur. 1987, 4653) overwoog het Hof echter dat de richtlijn niet bestemd was om op het gebied van de sociale zekerheid te worden toegepast. In de negentiger jaren is de verhouding tussen de sociale zekerheid en de tweede richtlijn weer aan de orde gesteld in de hierboven aangehaalde (gevoegde) zaken Jackson & Cresswell. De vraag die in deze zaken aan het Hof werd voorgelegd, was anders geformuleerd dan in de zaak Meyers. In deze zaken speelde eveneens het probleem dat de afwijzing van de aftrek van de kosten van kinderopvang voor de beide
alleenstaande moeders nadelige consequenties had voor hun inkomenspositie. De vraag die destijds aan het Hof in de eerste plaats werd voorgelegd, betrof de materiele werkingssfeer van de derde richtlijn. Die kwestie is zojuist aangestipt. Daar is genoemd dat het Hof overwoog dat een uitkering een rechtstreeks en daadwerkelijk verband moet houden met de bescherming tegen een van de in artikel 3, lid 1 derde richtlijn genoemde eventualiteiten (ziekte, invaliditeit, ouderdom, arbeidsongevallen en beroepsziekten, werkloosheid). Een uitkering die dit verband niet heeft, valt niet onder de derde
richtlijn.

Dit aspect is destijds uitvoerig in Rechtspraak Nemesis becommentarieerd door Marlies Vegter in haar annotatie bij het arrest
en blijft nu buiten beschouwing. De vraag naar de werkingssfeer van de tweede richtlijn in verband met de sociale zekerheid fungeerde in Jackson & Cresswell min of meer als een toegift. Als de betrokken regelingen onder de werking van de derde richtlijn zouden vallen, zou de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en
vrouwen immers verzekerd zijn. De vraag die destijds werd gesteld, luidde: ‘Kunnen de voorwaarden voor het recht op een aanvullende uitkering of op inkomenssteun onder richtlijn 76/207 vallen, waar deze voorwaarden enkel de toegang tot de aanvullende uitkering of de inkomenssteun regelen, maar de toepassing van die voorwaarden tot gevolg kan hebben dat de mogelijkheid van een alleenstaand ouder om deeltijdarbeid te aanvaarden of een beroepsopleiding te volgen, ongunstig wordt beinvloed?’.

Bij de beantwoording van deze vraag, stelde het Hof voorop dat een uitkeringsregeling niet buiten het toepassingsgebied van de tweede richtlijn valt, enkel omdat zij formeel onderdeel vormt van een nationaal sociale-zekerheidsstelsel. Daarmee zou namelijk afbreuk worden gedaan aan de doelstelling van de richtlijn. Maar een dergelijke regeling zal alleen binnen de werkingssfeer van de richtlijn vallen, als ze verband houdt met de toegang tot het arbeidsproces, daaronder begrepen de beroepsopleiding en de promotiekansen, of met de arbeidsvoorwaarden. Een uitkeringsregeling die bestemd is ter aanvulling van het inkomen van personen die over onvoldoende middelen beschikken om in hun behoeften te voorzien, voldoet niet aan die voorwaarde. Dergelijke regelingen vallen ook niet binnen de werkingssfeer van de richtlijn omdat de berekeningswijze van het werkelijke inkomen van de uitkeringsgerechtigde invloed kan hebben op de mogelijkheden van een alleenstaande moeder om een beroepsopleiding te volgen of deeltijdarbeid te aanvaarden.

Hiermee was duidelijk dat het Hof op het standpunt bleef dat een uitkeringsregeling binnen het toepassingsgebied van de tweede richtlijn zal kunnen vallen. Echter: voorwaarden voor het recht op uitkering met een ongunstig effect op de arbeidsparticipatie van vrouwen, brengen de betrokken regeling niet binnen de werking van de tweede richtlijn. De zaak Meyers bood het Hof de gelegenheid nader aan te geven wanneer een uitkeringsregeling die deel uitmaakt van een nationaal
sociaal-zekerheids- stelsel, onder de tweede richtlijn valt. Het doel van de regeling geeft de doorslag. Doorslaggevend is dat de betrokken uitkeringsregeling (mede) tot doel heeft mensen aan het werk te houden. Hierbij kan worden aangetekend dat het verschaffen van inkomenssteun aan mensen die doorgaans betaald werk verrichten, niet het enige doel van family credit was. In O. 18 verwijst het Hof naar de tweeledige doelstelling: enerzijds is de regeling gericht op het geven van gezinsbijstand en anderzijds op het aan het werk houden van mensen met een laag inkomen.

In verband met de eerste doelstelling was family credit in een eerder arrest binnen de werkingssfeer van de coordi- natie-verordening sociale zekerheid Vo. 1408/71 gebracht (Hughes, zaak C. 78/91, Jur. 1992, 4839). De duidelijke relatie bij de toekenning van het recht op uitkering met deelname aan de betaalde arbeid is voor het Hof van essentieel belang om family credit ook binnen de werking van de tweede richtlijn te brengen. Het betoog van het Verenigd Koninkrijk dat de uitkering ook wordt betaald aan de niet-werkende partner en de uitkering daarom als inkomenssteun moet worden gezien, brengt het Hof
niet van de wijs. Het doel van de uitkering is dat gezinnen niet slechter af zijn als ze betaald werk verrichten (O. 20).

In de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak RvS van 28 februari 1995 is de vraag aan de orde of de partnerinkomenstoets van de IOAW in strijd is met zowel de tweede als de derde richtlijn. Aangevoerd wordt dat als gevolg van de partnerinkomenstoets IOAW-gerechtigde gehuwde vrouwen in verband met de inkomsten van hun echtgenoot minder vaak in aanmerking zullen komen voor een uitkering op grond van deze wet dan IOAW-gerechtigde gehuwde mannen. Daarnaast wordt aangevoerd dat door de partnerinkomenstoets vrouwen zullen worden ontmoedigd om aan het arbeidsproces deel te nemen. Op deze beweringen wordt door de Afdeling Bestuursrechtspraak RvS niet inhoudelijk ingegaan. De rechter volstaat
met de vaststelling dat zowel de tweede als de derde richtlijn zich verzetten tegen (onder andere) indirecte discriminatie op grond van geslacht. De vraag of in concreto de beide richtlijnen of een van de twee van toepassing zijn/is, wordt niet beantwoord. Ook de kwestie of de partnerinkomenstoets van de IOAW indirect discriminerend voor vrouwen is, wordt in het midden gelaten. De Afdeling spreekt zich helemaal niet uit over de vraag of deze toets daadwerkelijk meer vrouwen dan mannen treft.

De Afdeling Bestuursrechtspraak RvS geeft alleen beargumenteerd aan dat de partnerinkomenstoets objectief gerechtvaardigd is. Daartoe wordt nagegaan of het gekozen middel beantwoordt aan een legitieme doelstelling van sociaal beleid en of het middel geschikt en noodzakelijk is om dat doel te bereiken. Het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak RvS is in overeenstemming met de vaste jurisprudentie over de toeslagenregelingen. De uitspraak verwijst naar relevante jurisprudentie. Het is nogal verwonderlijk dat de Afdeling Bestuursrechtspraak RvS niet beargumenteert waarom de IOAW wel of niet binnen het toepassingsbereik van de richtlijnen valt. Dat is immers de voorwaarde om de uitkeringsregeling aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen zoals geformuleerd in de richtlijnen, te kunnen toetsen. Het is ook verwonderlijk dat geen uitspraak wordt gedaan over de vraag of door de partnerinkomenstoets meer vrouwen dan mannen worden getroffen. De cruciale voorvragen worden in deze uitspraak niet beantwoord. Overigens levert de toepassing van de derde richtlijn geen problemen op. De IOAW is een uitkeringsregeling voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. De IOAW houdt een rechtstreeks en daadwerkelijk verband met de bescherming tegen eventualiteiten van deze richtlijn. Daarmee valt de IOAW onder de materiele werkingssfeer van de derde richtlijn (zie de hierboven aangehaalde zaken Jackson & Cresswell).

Ook de vraag of de inkomenstoets al dan niet indirect discriminerend is, had beantwoord moeten en kunnen worden. Ik zie overigens niet in waarom in deze zaak ook een beroep is gedaan op de tweede richtlijn. Voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling was het niet nodig. Uit de summiere toelichting van de beroepsgronden in de uitspraak wordt dit ook niet duidelijk. Aangenomen moet worden dat het argument dat de partnerinkomenstoets vrouwen ontmoedigt om betaald werk
te verrichten, is gebruikt om de IOAW binnen het toepassingsbereik van de tweede richtlijn te brengen. De redering zal dan zijn dat het als partner van een werkloze werknemer onaantrekkelijk is om te werken als het daarmee verdiende inkomen van invloed is op het recht op de IOAW-uitkering. In de Nederlandse situatie zijn de bij de uitkeringsregeling betrokken werkloze werknemers grotendeels mannen.
Het zijn dus in hoofdzaak vrouwelijke partners die door de inkomenstoets worden ontmoedigd om aan het arbeidsproces deel te nemen. Het verbod van indirecte discriminatie bij de toegang tot het arbeidsproces van de tweede richtlijn zou hiermee in het geding zijn.

De Afdeling Bestuursrechtspraak RvS had het beroep op de tweede richtlijn van de hand kunnen wijzen met de overwegingen van het Hof in het arrest Jackson & Cresswell uit 1992. Het Hof had immers overwogen dat als de voor- waarden voor het recht op uitkering een ongunstig effect op de arbeidsparticipatie van vrouwen hebben, dat onvoldoende is om de betrokken regeling binnen de werking van de tweede richtlijn te brengen. Het arrest Meyers is van latere datum dan deze IOAW-uitspraak. Mijns inziens brengt het arrest geen wijziging in het antwoord op de vraag of een uitkeringsregeling zoals de IOAW binnen het bereik van de tweede richtlijn valt. Zoals gebleken geeft het doel van de regeling de doorslag en moet het doel van de regeling mede zijn mensen binnen het arbeidsproces te houden. Het doel van de IOAW is het verschaffen van een bodemvoorziening aan categorieen werkloze werknemers en hun partners. Nu deze regeling binnen de werkingssfeer van de derde richtlijn valt en daarmee de toetsing aan het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen, is het arrest Meyers voor deze regeling ook materieel niet van belang.

De arresten Jackson & Cresswell en Meyers maken duidelijk dat het voor de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling belangrijk blijft na te gaan of er situaties zijn die mogelijk onder de tweede richtlijn te brengen zijn. Daar blijkt nog ruimte te zitten. Voor de aanspraak op een uitkering kan een beroep op de tweede richtlijn de doorslag geven. Een beroep op de tweede richtlijn moet uiteraard wel zinvol zijn in de zin dat dit beroep nodig is voor de toepassing van de gelijke behandelingsnorm. Per lidstaat van de EU kan dit verschillen. Dit hangt uiteraard af van de specifieke uitkeringsregeling die in het geding is en het uitkeringsstelsel dat binnen een lidstaat geldt. Het gaat met name om situaties die niet of niet zondermeer onder de derde richtlijn vallen. Voor Nederland lijkt het arrest Meyers op dit moment weinig praktische betekenis te hebben. De meeste uitkeringsregelingen vallen onder de werking van de derde richtlijn en kunnen daarom worden getoetst aan het beginsel van gelijke behandeling. Voor de rechtspraktijk hier te lande is het belang van het arrest vooral dat het laat zien dat het zinvol blijft om na te denken over de vraag of en in hoeverre het mogelijk is de positie van vrouwen te verbeteren met een beroep op het gemeenschapsrecht.

Eva Cremers

Rechters

Mrs Kapteyn, Kakouris, Ragnemalm, AG Lenz

Instantie: Rechtbank Amsterdam, 12 juli 1995

Instantie

Rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Als uitgangspunt voor de verdeling van pensioenrechten geldt het Boon van
Loonarrest, nu partijen dit zo in 1987 zijn overeengekomen. Volgens dit
arrest dient verdeling plaats te vinden volgens de eisen van redelijkheid
en billijkheid. Partijen kwamen overeen dat de vrouw aanspraak heeft op
een voorwaardelijke uitkering, die opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen
opeisbaar zijn. De omvang van het voorwaardelijk uitkeringsrecht is 41,43%
van de waarde van het ouderdomspensioen dat de man zou hebben verkregen
per datum echtscheiding. De pensioenverzekeraar heeft de pensioenuitkering
per januari 1990 met 11% verhoogd omdat de financiële situatie van het
Pensioenfonds dit toeliet. De vrouw stelt dat deze stijging van 11% mede
aan haar ten goede dient te komen. De man betwist dit en stelt dat partijen
niet een percentage doch een vast bedrag zijn overeengekomen, welk bedrag
is afgeleid van de aan de vrouw toekomende contante waarde van de opgebouwde
pensioenrechten per datum echtscheiding. Nadien opgebouwde pensioenrechten
en wijzigingen hebben geen betekenis voor de aanspraken van de vrouw, aldus
de man.
De rechtbank stelt de vrouw in het gelijk. De stijging van 11% zou ook
worden toegepast wanneer de man zijn dienstverband per datum echtscheiding
zou hebben beëindigd.

Volledige tekst

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De rechtbank is uitgegaan van de volgende processtukken en/of proceshandelingen:
– dagvaarding;
– conclusie van eis met een bewijsstuk;
– conclusie van antwoord met een bewijsstuk;
– conclusie van repliek met een bewijsstuk;
– conclusie van dupliek met bewijsstukken;
– akte uitlating produkties.

Vervolgens hebben partijen de stukken overlegd ter verkrijging van vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet (voldoende)
betwist, alsmede op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van de
overgelegde bewijstukken staat in dit geding het volgende vast:

a. Partijen zijn op 4 december 1954 te Amsterdam met elkaar in gemeenschap
van goederen gehuwd. Bij vonnis van 25 september 1980 van de arrondisementsrechtbank
te Arnhem is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Het vonnis
is op 4 december 1980 ingeshcreven in de registers van de burgerlijke stand.

b. Bij notariële akte van 24 juni 1987 hebben partijen de scheiding en
deling van de ontbonden huwelijksgemeenschap geregeld.

c. De notariële akte van 24 juni 1987 luidt – voorzover van belang – als
volgt:

PENSIOEN EN ALIMENTATIE
Vervolgens verklaarden de komparanten, dat als uitgangspunt voor de regeling
van het pensioen zal gelden het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad
van zeven en twintig november negentienhonderd een en tachtig en het bepaalde
in gemelde brief van één en twintig december negentienhonderd vier en tachtig
terzake waarvan tijdens gemelde boedelbespreking ten kantore van de notaris-redacteur
op achttien juni negentienhonderd vijf en tachtig een nadere overeenkomst
is opgesteld, die met een wijziging als Staat III aan deze akte zal worden
vastgehecht, de daarin vermelde zinsnede uit de brief van negen en twintig
januari negentienhonderd vijf en tachtig zal als Staat IV aan deze akte
worden vastgehecht.
(…)
Tevens verklaarden zij te zijn overeengekomen, dat op het aan de komparente
sub 2 toekomende pensioengedeelte met terugwerkende kracht tot de datum
van de echtscheiding, zijnde vier december negentienhondertachtig, de wettelijke
indexering moet worden toegepast, zodat deze wettelijke indexering moet
worden toegepast op het in gemelde breif van één en twintig december negentienhonderd
vier en tachtig vermelde bedrag van dertigduizend vierhonderd zeventig
gulden (f 30.470,–) met ingang van vier december negentienhonderd tachtig.
(…)

d. Genoemde Staat III, behorende bij de notariele akte van 24 juni 1987
luidt – voorzover van belang – als volgt:

Pensioen en alimentatie

Pensioenaanspraken conform brief de dato 21 december 1984 met de verdere
uitwerking als in de brief de dato 29 januari 1985 blad 3 laatste volzin
mevrouw mr. Grimbere.
(…)

e. Genoemde Staat IV, behorende bij de notariële aktie van 24 juni 1987
luidt als volgt:

Ad IV Pensioenaanspraken
Een copie van voornoemd Actuarieel Adviesbureau treft u hierbij ter kennisneming
aan (bijlage 2). Ingeval van direkte verrekening zou sprake zijn van een
bedrag van ƒ 290.407,–. Indien wordt verrekend vanaf het moment dat
het pensioen van client ingaat (augustus 1986) zou de uitkering 41,43%
van het aan cliënt toekomende
ouderdomspensioen bedragen. Het is cliënt niet mogelijk tot contante verrekening
over te gaan. Hij stelt dan ook voor te zijner tijd de verrekening te laten
plaatsvinden. In dat geval zou volgens de berekening mevrouw D. 1986 tot
1 augustus 1995 41,43% van ƒ 73.548.– ontvangen, ofwel ƒ 30.470,–
per jaar. Na 1 augustus 1995 ondergaat het ouderdomspensioen wijziging:
het pensioen-bedrag wordt dan lager in verband met het bereiken door cliënt
van de AOW-gerechtigde leeftijd. Vanaf die datum heeft mevrouw D. in beginsel
aanspraak op 41,43% van ƒ 68.563,– ofwel ƒ 28.405,65 per jaar.

f. Genoemde brief van 21 december 1984 van Actuarieel Adviesbureau v/h
Smit en Bunschoten luidt als volgt:

Geachte heer Alandt,

Betreft: Pensioenverrekening vanwege echtscheiding betreffende de heer
R.
————————————————————–

Overeenkomstig uw verzoek van 18 dezer hebben wij de nodige berekeningen
uitgevoerd in verband met de pensioenverekening bij echtscheiding met betrekking
tot de pensioenvoorziening van de heer R. in de Stichting Pensioenfonds
voor het Vliegend Personeel der K.L.M..

Onze berekeningen zijn op de navolgende gegevens gebaseerd:

Geboortedatum man 03-08-1930
Geboortedatum vrouw 30-02-1931
Berekeningsdatum 04-12-1980
opgebouwd per 4-12-1960:
ouderdomspensioen
van 3-6-1986 tot 1-6-1995 ƒ 73.548,- per jaar
ouderdomspensioen na 1-8-1995 ƒ 68.563,- per jaar
medeverzekerd weduwepensioen ƒ 47.994,- per jaar

De contante waarde van deze pensioenen is bepaald op basi van een rentegrondslag
van 3.757 per jaar en de sterftetafels GEM 1966-1970 met twee jaar leeftijdsverlaging
tot de pensioendatum met een jaar leeftijdsverlaging daarna GBV 1966-1970
met een jaar leeftijdsverlaging.
Deze grondslagen wroden ook door het desbetreffende pensioenfonds toegepast.

Op basis van deze grondslagen bedraagt de

contante waarde opgebouwd ouderdomspensioen ƒ 787.943,-
contante waarde opgebouwd weduwenpensioen ƒ 187.129,-
—————–

totaal ƒ 955.072,-

Aan de gewezen echtgenote komt toe
50% van de totale contante waarde ƒ 477.326,-
af: contante waarde opgebouwd pensioen ƒ 287.189,-
—————–

saldo ƒ 290.487,-

Bij afrekening ineens van de waarde van de pensioenaanspraken bedraagt
het per 4 december 1980 aan de vrouw toekomende deel ƒ 290.407,-.

Verrekening kan echter ook plaatsvinden door toekenning van een recht op
een voorwaardelijke uitkering aan de gewezen echtgenote, welke uitkering
opeisbaar is naarmate de pensioentermijnen opeisbaar zijn. De contante
waarde van deze voorwaardelijke uitkering is gelijk aan het aan de vrouw
toekomende bedrag bij afrekening ineens.

Deze voorwaardelijke uitkering, ingaande op de pensioendatum en uit te
keren en zolang man en vrouw blijven leven bedraagt ƒ 30.470,- per jaar
of wel 41,43% van ƒ 73.545,-., zijnde het tot 4 december 1980 opgebouwde
ouderdomspensioen dat op de pensioendatum ingaat.

Hoogachtend,

Actuarieel Adviesbureau
v/h Smit en Bunschoten
Drs. E.J. Smies

g. De pensioenaanspraken van de man jegens de Stichting Pensioenfonds voor
het Vliegend Personeel der KLM zijn per 1 januari 1990 met 11% verhoogd,
welke verhoging geen betrekking heeft op de aanpassing ingevolge de indexcijfers.

2. De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de man te veroordelen
aan de vrouw te betalen 41,43% van zijn aanspraken uit hoofde van ouderdomspensioen
jegens de Stichting Pensioenfonds voor het Vliegend Personeel der KLM,
gevestigd te Amstelveen, inclusief incidentele verhogingen, zijnde geen
verhogingen ingevolge indexcijfers, in ieder geval inclusief de incidentele
verhoging ad 11 % ingaande 1 januari 1990, te vermeerderen met de wettelijke
rente over de inmiddels ontstane achterstand in de desbetrefende betalingen
vanaf 1 januari 1990 tot aan de dag der algehele voldoening en de man voorts,
eveneens uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen in de kosten van deze
procedure.

De vrouw legt de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag.

2.1. Partijen zijn overeengekomen dat de vrouw met ingang van de ingangsdatum
van het ouderdomspensioen van de man, onder afstand van haar alimentatierechten,
aanspraak heeft jegens de man op 41,43% van dat ouderdomspensioen, bij
wijze van een voorwaardelijke uitkering, opeisbaar naarmate de pensioentermijnen
opeisbaar worden.

2.2. De verhoging van 11% van het ouderdomspensioen van de man, die het
gevolg is van de overschotten binnen het pensioenfonds, behoren tot de
vorderingsrechten van de vrouws. De vrouw heeft dan ook recht op 41,43%
van de incidentele verhoging vanaf 1 januari 1990, die de man weigert aan
haar te betalen.

3. De man heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.1. Partijen zijn niet overeengekomen dat de vrouw aanspraak heeft op
41,43% van het ouderdomspensioen, maar op het in de notariële akte vastgelegde
bedrag van ƒ 30.470,– per jaar plus de wettelijke indexering sedert
datum echtscheiding.

3.2. het bedrag van ƒ 30.470,– per jaar, is afgeleid van en gelijk aan
het bedrag van ƒ 290.407,–, zijnde de (eenmalig) aan de vrouw toekomende
contante waarde van de opgebouwde pensioenrechten per datum echtscheiding.
De nadien opgebouwde pensioenrechten en wijzigingen in de pensioenaanspraken
van de man, hebben geen betekenis voor de aanspraken van de vrouw jegens
de man.

4. De rechtbank overweegt als volgt:

4.1. In de notariële akte van 24 juni 1987 is neergelegd dat als uitgangspunt
voor de verdeling van de pensioenrechten zal gelden het bepaalde in het
arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981.
Daarin is bepaald dat de wijze waarop en tot welke bedragen verdeling van
de pensioenrechten in geval van echtscheiding moet plaatsvinden, dient
te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van de redelijkheid en billijkheid,
die op de verdeling van een huwelijksgemeenschap van toepassing zijn. Met
betrekking tot de wijze waarop de verdeling van de pensioenrechten moet
plaatsvinden zijn partijeen overeengekomen dat de vrouw aanspraak heeft
op een voorwaardelijke uitkering, die opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen
opeisbaar zijn, zolang als de vrouw en de man beiden leven. De wijze van
verdeling van de pensioenrechten is dan ook niet tussen partijen in geschil.
Ingevolge genoemd arrest van de Hoge Raad moeten tussen de man en de vrouw
verdeeld worden de opgebouwde pensioenrechten per datum van de echtscheiding.
Dat wil zeggen dat verdeeld moet worden het pensioen dat de man bij het
bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd zou hebben verkregen wanneer
zijn dienstverband per datum echtscheiding reeds zou zijn geeindigd. Anders
dan de man meent is een na de echtscheiding optredende ongunstige ontwikkeling
voor de pensioenopbouw, zoals arbeidsongeschiktheid, niet van invloed op
de omvang van de aan de vrouw toekomende pensioenrechten, zoals ook een
na de echtscheiding gunstige ontwikkeling (salarisverhoging) daarop niet
van invloed is.
De waarde van het ouderdomspensioen dat de man (bij het bereiken van de
pensioengerechtigde leeftijd) zou hebben gekregen wanneer zijn dienstverband
per datum echtscheiding reeds zou zijn geëindigd en dat tussen de man en
de vrouw moet worden verdeeld, is in de brief van 21 december 1984 gesteld
op ƒ 73.548,– per jaar. Dat is dus het gedeelte van het ouderdomspensioen
van de man dat is ontstaan als gevolg van de tijdens de huwelijkse jaren
betaalde pensioenpremies, die ten laste zijn gekomen van de huwelijksgemeenschap.
De omvang van het aan de vrouw toekomende voorwaardelijke uitkeringsrecht
is, gelet op haar aanspraak op een éénmalige betaling van ƒ 290.407,–
in geval van een direkte verrekening van de pensioenrechten, vastgesteld
op ƒ 30.470,– per jaar, zijnde 41,43% van ƒ 73.548,–.
Het bedrag dat de man (inmiddels gepensioneerd) na 1 januari 1990 daadwerkelijk
ontvangt is per 1 januari 1990 met 11% verhoogd omdat de financiele situatie
van het pensioenfonds dit toeliet. het bedrag dat de man na 1 januari 1990
zou hebben ontvangen indien zijn dienstverband per datum echtscheiding
zou zijn beeindigd (ƒ 73.458,– per jaar exclusief indexering) en dat
tussen de man en de vrouw verdeeld behoort te worden, zou echter ook met
ingang van 1 januari 1990 met 11% zijn verhoogd. Omdat dit bedrag, waarvan
aan de vrouw 41.43% tokeomt, ook zou zijn verhoogd, is de rechtbank van
oordeel dat deze stijging van 11% mede aan de vrouw ten goede dient te
komen en wel voor 41,43%. De man had immers reeds tijdens het huwelijk
mede ten behoeve van de vrouw een pensioenaanspraak op een fonds dat vanaf
1 januair 1990 een verhoging van 11% toepast. Het anders luidende standpunt
van de man dat deze verhoging niet (mede)aan de vrouw ten goede komt, wordt
verworpen.

4.2. De vrouw heeft echter niet, zoals zij vordert, recht op 41,43% van
de aanspraken van de man jegens het pensioenfonds. Deze aanspraak omvat
immers tevens de door de man opgebouwde pensioenrechten na de datum vanechtscheiding.
Bij vaststelling van de aan de vrouw toekomende verhoging dient voorts
de indexering buiten beschouwing te blijven nu tussen partijen vaststaat
dat de door het pensioenfonds toegepaste verhoging evenmin betrekking heeft
op aanpassingen ingevolge de indexcijfers.

4.3. De man heeft gesteld, hetgeen niet door de vrouw is weersproken, dat
hij reeds aan haar heeft betaald hetgeen (in zijn visie) voortvloeit uit
de notariële akte van 24 juni 1987 met betrekking tot de pensioenrechten,
derhalve ƒ 73.548,– x 11 41.43% = ƒ 30.470,– per jaar, te vermeerderen
met indexering.

Daarenboven heeft de vrouw vanwege de incidentele verhoging van het pensioen
met ingang van 1 januari 1990 nog aanspraak op:

ƒ 73.548,– te verhogen met 11% = ƒ 81.638,28 waarvan aan de vrouw
toekomt 41.43% = ƒ 33.822,74.

ƒ 33.822,74
ƒ 30.470,—
—————– – / –

ƒ 3.352,74 per jaar

De vordering van de vrouw zal dan ook worden toegewezen als na te melden.

4.3. Omdat partijen gewezen echtgenoten zijn en onderhavig geschil voortkomt
uit de vroegere echtelijke verhouding, zullen de proceskosten worden gecompenseerd
zodat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

BESLISSING

De rechtbank
– veroordeelt de man om aan de vrouw met ingang van 1 januari 1990 te betalen
ƒ 3.352,74 per jaar;
– verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
– compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen
kosten draagt;
– wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

mr Markx