Instantie: Rechtbank ‘s-Gravenhage, 8 juni 1995

Instantie

Rechtbank ‘s-Gravenhage

Samenvatting


Sinds maart 1994 verzorgt het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdrage
de inning van kinderalimentaties. Het LBIO heeft deze werkzaamheden overgenomen
van de Raad voor de Kinderbescherming. De vrouw heeft sinds maart 1994
geen kinderbijdrage meer ontvangen. De achterstand is opgelopen tot bijna
ƒ 10.000,–. Op telefoontjes en brieven reageert het LBIO niet. De vrouw
wil het LBIO aansprakelijk stellen.
Hoewel de rechtbank met de vrouw van mening is dat het LBIO onzorgvuldig
heeft gehandeld en er geen rechtvaardiging is voor de laksheid van het
LBIO wijst zij de vordering toch af. De rechtbank stelt dat het causaal
verband tussen de daad en de schade onvoldoende aannemelijk is geworden.
Volgens de rechtbank staan nog een aantal mogelijkheden open: de alimentatieplichtige
kan alsnog tot betaling overgaan, of de alimentatieplichtige is daadwerkelijk
niet in staat geweest de alimentatie te betalen.
De vrouw zet hoger beroep niet door. LBIO is nu aktief met haar zaak bezig.

Volledige tekst

1. De feiten

Op grond van de stukken van het verhandelde ter zitting van 1 juni 1995
kan van het navolgende worden uitgegaan:
– Eiseres is op 28 november 1990 gehuwd met Van L. Uit dit huwelijk zijn
twee kinderen geboren, respectievelijk op 26 november 1981 en 11 november
1984. Bij vonnis van 23 januari 1989 is door de Arrondisementsrechtbank
te Rotterdam de echtscheiding tussen eisers en Van L. uitgesproken. Het
vonnis is op 18 december 1989 ingeschreven in de daartoe bestemde registers
van de burgerlijke stand van de gemeente Bloemendaal.
– Bij beschikking van 5 juli 1991 is door de Arrondisssementsrechtbank
te Rotterdam (rekestnr.: 4833/90) bepaald dat Van L. aan de Raad voor de
Kinderbescherming te Rotterdam dient bij te dragen in de kosten van verzorging
en opvoeding van de twee kinderen met een bedrag van ƒ 265,– per maand
per kind. Ingevolgde de wettelijke indexering bedraagt de bijdrage thans
ƒ 297,33 per maand per kind. Op 12 november 1993 is de inning van deze
alimentatiebetalingen (samen met 20.000 andere zaken) overgedrgen aan ht
BIO. Bij besluit van 22 februari 1994 van de Minister van Justitie is het
LBIO aangewezen als invorderende instantie ex artiekle 1:408 lid 2 BW.
– Eind 1992 werden de betalingen door Van L., de alimentatieplichtige,
onregelmatig. Bij brief van 4 januari 1993 heeft de alimentatieplichtige
de Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam verzocht de betaling van
de Alimentatie op te mogen schorten. In februari 1993 heeft de Raad, na
overleg met eiseres, de alimentatieplichtige meegedeeld niet accoord te
gaan met opschorting. Over de periode tot en met november 1993 heeft de
alimentatieplichtige – zij het met horten en stoten – betaald. Van de daarna
verschuldigde termijnen heeft de alimentatieplichtige alleen nog in maart
1994, januari 1995 en maart 1995 een termijn voldaan. Volgens gedaagde
bedraagt de achterstand in de betalingen per eind mei 1995 ƒ 8.975,99.
– Op 14 april 1994 heeft het LBIO een brief ontvangen van de raadsman van
de alimentatieplichtige waarin een verzoekschrift strekkende tot vermindering
van de alimentatie werd aangekondigd. Tevens werd verzocht om de incassomaatregelen
voorlopig stop te zetten. Op 9 november 1994 is door de raadsman van de
alimentatieplichtige aan het LBIO meegedeeld dat deze zich niet meer had
gemeld en dat van de indiening van een verzoekschrift geen sprake meer
was. Bij brief van dezelfde dag heeft het LBIO de alimentatieplichtige
aangezegd dat indien geen betalingen meer zouden volgen en het
BIO geen afschrift van een verzoekschrift zou ontvangen, zonder nadere
aankondiging tot inningsmaatregelen zou worden overgegaan.
– Bij brief van 20 oktober 1994 heeft de raadsvrouwe van eisers het LBIO
meegedeeld dat alimentatiebetalingen had belast en het LBIO verzocht om
de voor de inning benodigde grosse aan haar over te dragen. Bij brief van
23 januari 1995 heeft de raadsvrouwe van eiseres het LBIO laten weten dat
de incasso bij het LBIO diende te blijven.
– In verband met de door het LBIO voorgenomen incassomaatregeln heeft het
LBIO in de periode van november 1994 tot eind januari 1995 omtrent de inkomsten
van de alimentatie geinformeerd bij diverse instanties. Volgens gedaagde
heeft deze informatieronde alleen een uitreksel bij het handelsregister
opgeleverd waaruit blijkt dat de alimentatieplichtige als eenmanszaak een
ondernemeing drijft met als bedrijfsomschrijving ‘Markthandel in aardappelen,
groenten en fruit’.
– Op 10 april 1995 is door het LBIO de grosse in handen gesteld van een
deurwaarder en op 22 mei 1995 is executoriaal derdenbeslag gelegd op twee
bankrekeningen van de betalingsplichtige.
– Gedurende het grootste deel van 1994 heeft het LBIO, na de overdracht
van 20.000 zaken door de financiele afdelingen van de Raden voor de Kinderbescherming,
niet optimaal gefunctioneerd.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde te veroordelen:
I. haar, op straffe van een dwangsom, een overzicht te verstrekken van
hetgeen het LBIO heeft gedaan om tot inning van de achterstand in de alimentatiebetalingen
te geraken;
II. haar ten titel van voorschot op de totale schadevergoedingsvordering
een bedrag ad ƒ 12.000,– te betalen.

Eiseres stelt daartoe dat het LBIO in gebreke blijft met de hem wettelijk
opgedragen taak zorg te dragen voor de inning van de verschuldigde kinderalimentatie.
Sinds de overdracht van de vordering tot inning in november 1993 is geen
enkele poging daartoe ondernomen, aldus eiseres. Zij wenst niet de dupe
te worden van de organisatorische chaos bij het LBIO. Het nalaten van de
LBIO is in de visie van eiseres zowel een toerekenbare tekortkoming, die
schadeplichtigheid meebrengt, als een handelen in strijd met de wet (art.
1:408 BW) en dus een onrechtmatige daad, op grond waarvan eveneens een
plicht tot schadevergoeding is ontstaan. Eiseres begroot de voor haar ontstane
schade op ƒ 12.000,–, zijnde twintig maanden niet-betaalde alimentatie.
Aangezien eiseres de mededelingen van het
BIO niet vertrouwt, heeft zij belang bij een opgave van de door het LBIO
verrichte inspanningen.

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens gedaagde is eiseres
door het LBIO voldoende geïnformeerd. Tussen partijen en tussen hun raadslieden
is gecorrespondeerd, terwijl een mondeling onderhoud over de problematiek
ten kantore van het LBIO heeft plaatsgevonden. Aan de vordering sub 2.1.
is derhalve reeds voldaan. Wat de vordering tot schadevergoeding betreft
is gedaagde van mening dat van een tekortkomen of van een onrechtmatige
daad jegens eiseres geen sprake is. Gedurende de periode april tot november
1994 is met de inning van alimentatie terughoudendheid betracht, nu door
de advocaat van de alimentatieplichtige een verzoekschrift tot vermindering
van de alimentatie werd aangekondigd. Pas in november 1994 heeft gedaagde
bericht gekregen dat geen verzoekschrift zal worden ingediend. Voorts wijst
gedaagde er op dat in oktober 1994 de raadsvrouwe van eiseres heeft aangekondigd
de inning van de alimentatie te willen overnemen, zodat het
BIO er van uit mocht gaan dat haar taak, dienaangaande was beëindigd. Pas
in januari 1995 heeft het LBIO van haar vernomen dat de incasso niet werd
overgenomen. Vanaf november 1994 was ondertussen door het LBIO al het gebruikelijk
incassotraject gevolgd. Hoewel gedaagde erkent dat gedurende een zekeren
periode in 1994 het LBIO niet optimaal heeft gefunctioneerd, is volgens
hem op zijn minst twijfelachtig of daardoor voor eiseres schade is ontstaan.
Er bestaat geen duidelijk causaal verband tussen het (niet) handelen van
het
BIO en de achterstand in de alimentatiebetalingen, aldus gedaagde.

3. Beoordeling van het geschil

3.1 Anders dan eiseres meent, valt niet in te zien welk belang zij nog
kan hebben bij toewijzing van de vordering sub 2.1.. De voor eiseres relevante
stukken zijn immers door de raadsman van gedaagde – nog voor de zitting
– aan de raadsvrouwe van eiseres overlegd, terwijl voorts aannemelijk is
dat eiseres tijdens een mondeling onderhoud op 20 maart 1995 ten kantore
van LBIO ook al de nodige inlichtingen verstrekt heeft verkregen. Op grond
hiervan wordt aangenomen dat eiseres voldoende is geinformeerd over de
incassomaatregelen van het
BIO. De stelling van eiseres dat de mededelingen van het LBIO niet te vertrouwen
zijn en dat zij daarom toch belang heeft bij haar vordering sub 2.I., is
door gedaagde ontkend en overigens ook niet aannemelijk geworden.

3.2. Wat de vordering sub 2.II. betreft zij vooropgestled dat gedaagde
in haar correspondentie met eiseres – en ook ter zitting – heeft toegegeven
dat het LBIO gedurende het grootste gedeelte van 1994 – op zijn minst genomen
– niet optimaal heeft gefunctioneerd. Een periode dich zich volgens partijen
voornamelijk heeft gekenmerkt door een slechte tot zeer slechte telefonische
bereikbaarheid, het niet beantwoorden van brieven door het LBIO en het
uitblijven van berichten omtrent de stand van zaken met betrekking tot
de inning van de verschuldigde kinderalimentatie.
Eiseres heeft gelijk als zij stelt dat deze gang van zaken zich niet verdraagt
met de zorgvuldigheid die een overheidsorgaan – temeer nu het gaat om een
precaire taak als het innen van kinderalimentatie – jegens de door haar
vertegenwoordigde alimentatiegerechtigden in acht dient te nemen en dus
als ongewenst dient te worden bestempeld.

3.3. Dit neemt niet weg dat het feit dat het LBIO terughoudend is geweest
met het nemen van incassomaatregel, nu door de alimentatieplichtige mogelijkerwijs
een verzoekschrift strekkende tot vermindering van de verschuldigde alimentatie
zou worden ingediend. Het levert echter geen rechtvaardiging op voor de
op het eerste gezicht nogal lakse administratieve behandeling van de zaak
in de periode tot novermber 1994. Het is onbegrijpelijk dat eiseres gedurende
het grootste gedeelte van het jaar 1994 verstoken is moeten blijven van
enige informatie omtrent de voortgang in haar zaak. het zou in de lijn
der verwachting hebben gelegen als het
BIO de alimentatieplichtige een termijn had gesteld om een verozekschrift
aan haar over te leggen. Het LBIO had dan op basis daarvan zo mogelijk
in samenspraak met eiseres een verder gedragslijn uit kunnen stippelen.
Het heeft de zaak echter te lang op zijn beloop gelaten.

3.4. Een ander vraag is echter of het niet naar behoren functioneren van
het LBIO tot de thans geclaimde schade heeft geleid.
Zo dient voldaan te zijn aan het essentiële vereiste van een causaal verband
tussen daad (i.c. het nalaten van het LBIO) en schade (i.c. het oninbaar
zijn van de alimentatievordering), waarbij de grondslag van eiseres vordering
(toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad) in het midden kan blijven.
Het is niet onmogelijk dat door het slechte functioneren van het LBIO de
verdere verhaalsmogelijkheden zijn verminderd. Het is echter geenszins
uitgesloten dat de alimentatieplichtie, nu het LBIO inmiddels tot actie
is overgegaan, alsnog tot betaling van de achterstand zal overgaan. Evenmin
kan worden uitgesloten dat de alimentatieplichtige daadwerkelijk niet in
staat is (geweest) om de alimentatie te betalen en dat een actiever optreden
van het LBIO in een eerder stadium geen baat zou hebben gebracht. Het causale
verband tusen het nalaten van het
BIO en de thans geclaimde schade is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden.
Overigens is er door het LBIO terecht op gewezen dat eiseres in de periode
november 1994 t/m januari 1995 zelf voor een onduidelijke situatie heeft
gezorgd door de indruk te wekken de incasso zelf ter hand te willen nemen.
Een en ander leidt tot de conclusie dat ook de vordering sub 2.II. zal
worden afgewezen.

3.5. Wel valt gedaagde te verwijten dat het tot dit kort geding heeft moeten
komen. Door toedoen van het LBIO is eiseres immers gedurende geruime tijd
verstoken gebleven van enige informatie van betekenis omtrent de voortgang
van de incassomaatregelen in haar zaak en is bij haar de indruk kunnen
ontstaan dat de zaak in het slop was geraakt. Het valt haar dan ook niet
euvel te duiden dat zij haar toevlucht tot de huidige procedure heeft genomen.
In deze omstandigheid wordt aanleiding gevonden de proceskosten als na
te melden te compenseren.

4. Beslissing

De President:
Wijst de vorderingen af;
Compenseert de kosten van deze procedure, in dier voege dat elke partij
de eigen kosten zal dragen.

Rechters

mr van Delden

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 7 juni 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van 1 januari 1976 tot 1 mei 1986 bij de wederpartij in
dienst geweest. De pensioenregeling die tijdens haar dienstverband
gold, bepaalde dat werknemers die minder dan 21 uur per week werkzaam
waren niet aan de pensioenregeling konden deelnemen. Bovendien gold
voor gehuwde vrouwen dat zij slechts dan tot de pensioenregeling werden
toegelaten als zij kostwinner waren. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij door deze uitsluitingen zowel direct als indirect
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

De Commissie acht zich in ieder geval bevoegd om te onderzoeken of, en
zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling valt binnen het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve binnen de
werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling. De onderhavige
pensioenregeling voldoet aan de hiervoor genoemde criteria. De
Commissie stelt op grond van het bovenstaande vast dat de deelname aan
de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG- Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637ij BW.
Onderscheid op grond van geslacht met betrekking tot aansluiting bij
een bedrijfspensioenregeling is in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling/WGL vanaf 8 april 1976.

De Commissie is van oordeel dat er een vermoeden rijst dat de
wederpartij indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt. Nu een
vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld, zal onderzocht
moeten worden of er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond.
De wederpartij heeft geen specifieke rechtvaardigingsgronden aangevoerd
doch slechts de algemene rechtvaardiging dat de uitsluiting van
deeltijdwerkers paste in het toenmalige tijdsgewricht. Voorts heeft de
wederpartij gesteld dat zij het Pensioenreglement slechts uitvoert.
Deze argumenten kunnen niet als objectieve rechtvaardigingsgronden
dienen, omdat zij niet aan de hiervoor gestelde eisen voldoen. De
wederpartij heeft voorts een eigen verantwoordelijkheid om de wetgeving
gelijke behandeling na te leven. Nu er geen sprake is van een
objectieve rechtvaardigingsgrond concludeert de Commissie dat de
wederpartij indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 oktober 1992 verzocht mevrouw te Amsterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of de
Stichting Openbare Bibliotheek Amsterdam te Amsterdam (hierna: de
wederpartij) onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van 1 januari 1976 tot 1 mei 1986 bij de
wederpartij in dienst geweest. De pensioenregeling die tijdens haar
dienstverband gold, bepaalde dat werknemers die minder dan 21 uur per
week werkzaam waren niet aan de pensioenregeling konden deelnemen.
Bovendien gold voor gehuwde vrouwen dat zij slechts dan tot de
pensioenregeling werden toegelaten als zij kostwinner waren.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze uitsluitingen
zowel direct als indirect onderscheid naar geslacht maakt in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en een onderzoek
ingesteld. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten
terzake uiteen te zetten.

2.2. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft per 1 september 1994 haar werkzaamheden overgedragen aan
de Commissie gelijke behandeling, die is ingesteld op grond van de
inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling op 1 september
1994 (AWGB). De Commissie heeft de behandeling van pensioenzaken
opgeschort in verband met het feit dat het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen (EG- Hof) uitspraak zou doen in voor de
interpretatie van de pensioenproblematiek relevante zaken.

2.3. Partijen zijn vervolgens opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 4 april 1995. Bij deze zitting waren
aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – mw mr
M.E.B. Terwee (advocaat)

van de kant van de wederpartij – dhr (directeur) – mw
(personeelsfunctionaris)

van de kant van de Commissie – mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You
(Kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr W.A. van
Veen (lid kamer) – mw mr A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is aangehouden in afwachting van de cijfers die door
de wederpartij verstrekt zouden worden in reactie op de door de
Commissie gestelde vragen. De wederpartij heeft meegedeeld dat zij niet
over alle gevraagde gegevens beschikte. Zij heeft echter op de zitting
toegezegd dat zij zoveel als zij nog redelijkerwijs zou kunnen
verzamelen aan de Commissie zou verstrekken. Zij is daarmee in gebreke
gebleven en heeft op herhaalde verzoeken van de Commissie evenmin
gereageerd.

2.5. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboren op 13 augustus 1949) is van 1 januari 1976
tot 1 mei 1986 bij de wederpartij in dienst geweest in de functie van
uitleen- assistent. Aan het begin van het dienstverband werkte zij 17
uur per week, per 5 november 1979 20 uur per week en per 16 augustus
1981 tot aan het einde van haar dienstverband 7 uur per week. Tijdens
haar dienstverband is verzoekster arbeidsongeschikt geworden. Op 14
oktober 1992 was zij nog steeds volledig arbeidsongeschikt. Verzoekster
was bij de aanvang van het dienstverband gehuwd.

3.2. Gedurende het dienstverband van verzoekster gold bij de
wederpartij het Pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds
bibliotheekpersoneel van mei 1976 (hierna: het Pensioenreglement).

Blijkens artikel 1 van het Pensioenreglement dient dit reglement te
worden toegepast door “de natuurlijke- of rechtspersonen, die een of
meer openbare bibliotheken beheren en die krachtens een algemeen
geldende overheidsregeling verplicht zijn voor hun werknemers een
pensioenregeling te treffen volgens het Pensioenreglement van het
fonds” en dienen zij conform artikel 2 hun werknemers als deelnemers in
het fonds bij het bestuur aan te melden.

In artikel 2 lid 1 van het Pensioenreglement is als voorwaarde tot
deelname aan de pensioenregeling gesteld, dat medewerkers op 1 januari
van enig jaar 21 jaar of ouder moeten zijn en bovendien tenminste zes
maanden onafgebroken in dienst moeten zijn van een
werkgever-aangeslotene.

Blijkens artikel 1 van het reglement wordt onder medewerkers verstaan
de werknemers, die tenminste 21 uur per week in dienst van de
werkgever- aangeslotene zijn.

In artikel 2 lid 2 worden uitzonderingen gegeven op lid 1 van dit
artikel. Personen die direct tot het pensioenfonds kunnen toetreden,
zijn – voor zover van belang – gehuwde mannelijke medewerkers en
gehuwde vrouwelijke medewerkers die kostwinster zijn (artikel 2 lid 2
sub a en b).

3.3. Bij de wederpartij waren in de periode 1976-1986 ongeveer 600
werknemers in dienst. Hiervan zijn inmiddels velen niet meer bij de
wederpartij werkzaam en de wederpartij beschikt niet meer over de
dossiers van deze werknemers. De wederpartij is niet in staat gegevens
over deze werknemers nader te specificeren naar geslacht, omvang
dienstverband en/of pensioen-gerechtigdheid. In de functiegroep waarin
verzoekster werkzaam was, namelijk van uitleen-assistent, waren
destijds overwegend vrouwen werkzaam. Het deeltijdkarakter van de
werkzaamheden heeft volgens de wederpartij daarbij zeker een rol
gespeeld. De wederpartij erkent dat er, zowel in voltijd als in
deeltijd, meer vrouwen dan mannen bij haar in dienst zijn (toen en nu),
dit blijkt ook uit de sociale jaarverslagen van de periode na 1980. Uit
de periode daarvoor zijn weinig gegevens voorhanden.

De standpunten van partijen

3.4. Verzoekster brengt het volgende naar voren. Zij is van mening dat
de wederpartij bij het bepalen van de vereisten voor toelating tot de
pensioenregeling, direct en indirect onderscheid naar geslacht maakt en
hiermee in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling.

Volgens verzoekster maakt de wederpartij direct onderscheid naar
geslacht door artikel 2 lid 2 van het Pensioenreglement toe te passen.
Dit artikel biedt voor gehuwde mannelijke medewerkers immers een
directe toetredingsmogelijkheid, terwijl voor gehuwde vrouwen de
voorwaarde wordt gesteld dat zij kostwinster moeten zijn. Indien zij
niet aan deze voorwaarde voldoen, moeten zij eerst zes maanden wachten
alvorens zij tot het pensioenfonds worden toegelaten.

Door conform artikel 2 lid l van het Pensioenreglement een
deeltijdcriterium als uitsluitingsgrond te hanteren voor deelname aan
de pensioenregeling, maakt de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht, aangezien dit voor vrouwen nadeliger uitwerkt dan voor
mannen. In dit verband wijst verzoekster erop dat het een feit van
algemene bekendheid is dat het overwegend vrouwen zijn die in deeltijd
werken. Verzoekster verwijst in dit verband naar macro-gegevens uit het
OESO-rapport van 1992 waarin staat vermeld dat circa 75% van de
deeltijdwerkers in Nederland vrouwen zijn. De samenstelling van de
werknemers naar geslacht en de omvang van het dienstverband zal bij de
wederpartij niet wezenlijk afwijken van de macro-gegevens uit dit
rapport.

Voor zover de Commissie er niet voor kiest om uit te gaan van “het feit
van algemene bekendheid”, wijst verzoekster erop dat meer specifieke
cijfers over het aantal vrouwelijke en mannelijke deelnemers aan de
pensioenregeling bij de wederpartij een vertekend beeld zou kunnen
opleveren. Dit omdat er naar alle waarschijnlijkheid meer vrouwen dan
mannen bij de bibliotheken werkzaam zijn.

Verzoekster stelt voor, indien de Commissie niet wil uitgaan van “het
feit van algemene bekendheid”, om een aantal andere cijfers op te
vragen, met als peildatum de jaren 1976 (toen verzoekster in dienst
trad) en 1986 (toen de arbeidsverhouding met verzoekster eindigde).

Verzoekster is van mening dat zij op grond van een aantal arresten van
het Europese Hof van Justitie recht heeft op een gelijke pensioenopbouw
en gelijke pensioenuitkeringen als ware er geen deeltijdgrens in het
Pensioenreglement opgenomen. Zij doelt hierbij op onder andere de
arresten Defrenne I en II, Worringham en Bilka. Ook wijst verzoekster
op het arrest Vroege/NCIV, dat betrekking heeft op uitsluiting van
deeltijdwerkers van een bedrijfspensioenregeling.

Indien de Commissie tot de conclusie komt dat de wederpartij in strijd
met de wet heeft gehandeld door verzoekster niet tot de
pensioenregeling toe te laten, betekent dit dat verzoekster met
terugwerkende kracht tot de pensioenregeling moet worden toegelaten.
Dit heeft tot gevolg dat verzoekster vanaf het moment van
arbeidsongeschiktheid aanspraak moet kunnen maken op een premievrije
opbouw van haar pensioen (artikel 10 van de pensioenregeling).
Verzoekster verzoekt de Commissie om hierover een standpunt te bepalen.

3.5. De wederpartij voert het volgende aan. Zij is van mening dat zij
geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door verzoekster niet tot
de pensioenregeling toe te laten. Voor mannelijke en vrouwelijke
werknemers golden dezelfde voorwaarden voor toelating tot het
pensioenfonds. Verzoekster is niet aangemeld als deelneemster in het
pensioenfonds, omdat haar dienstverband minder dan 21 uur per week
bedroeg. Ook als verzoekster een man was geweest, was zij wegens de
omvang van haar dienstverband niet als deelnemer in het pensioenfonds
geaccepteerd. Voor wat betreft het kostwinnerschap geldt dat
kostwinners direct bij de datum van indiensttreding worden aangemeld,
terwijl niet-kostwinners per 1 januari van het jaar daaropvolgend
worden aangemeld. Dit laatste komt zowel bij mannen als vrouwen voor,
zo stelt de wederpartij in haar reactie op het verzoekschrift.

Voorts brengt de wederpartij naar voren dat het uitsluiten van
deeltijdwerkers van de pensioenregeling paste in het toenmalige
tijdsgewricht. Indien men de cijfers op macroniveau wil bekijken moet
ook dit aspect op macroniveau bezien. Ten slotte is de wederpartij van
mening dat zij slechts de regelingen met betrekking tot het
pensioenfonds ten uitvoer brengt.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster direct
en/of indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt/maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling door haar geen toegang tot de
geldende pensioenregeling te verlenen.

4.2. De eerste vraag die rijst, is aan welke artikelen uit de wetgeving
gelijke behandeling moet worden getoetst. Daarover overweegt de
Commissie als volgt.

Op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen (WGL) in
werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te oordelen over
klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de Wet gelijke behandeling van
mannen en vrouwen (WGB oud), waarbij tevens de voorloper van het
huidige artikel 7A:1637ij BW werd ingevoerd. Op 1 juli 1989 werd een
aantal wijzigingen in artikel 1637ij BW van kracht, terwijl tevens de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGBoud), op 1 juli 1989
werd gewijzigd. In beide wijzigingswetten was voorzien in Commissies,
die achtereenvolgens tot onderzoek en oordelen bevoegd waren bij
vermeende overtreding van genoemde wetgeving.

De WGL bepaalde in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht
maken op het punt van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten
aanzien van pensioenregelingen was niet opgenomen. Evenals het huidige
artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat een
werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middelijk) onderscheid
mag maken tussen mannen en vrouwen in ondermeer de arbeidsvoorwaarden,
waaronder begrepen de beloning. Niet onder de arbeidsvoorwaarden werden
begrepen aanspraken of uitkeringen ingevolge pensioenregelingen. Uit
het bovenstaande blijkt dat eerst bij de inwerkingtreding van de WGL in
1975 specifieke wetgeving terzake van gelijke beloning van mannen en
vrouwen bestond, alsmede een Commissie die tot onderzoek en oordelen
bevoegd was.

4.3. Voor de periode na 1975 is hiervoor al vastgesteld aan welke
opeenvolgende artikelen moet worden getoetst. Vervolgens zal nagegaan
moeten worden of de Commissie bevoegd is een oordeel over het verzoek
uit te spreken. In lid 1 van artikel 7A:1637ij BW is namelijk bepaald
dat niet onder arbeidsvoorwaarden zijn begrepen uitkeringen of
aanspraken ingevolge pensioenregelingen.

Uit de wetgeschiedenis blijkt, dat de wetgever met de eerdere WGL en
voorts met artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in de zaak Von Colson en Kamman (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Von Colson en Kamman versus Deelstaat
Nordrhein- Westfalen, C-14/83, 10 april 1984, JUR 1984-1891) van mening
dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn bekleed,
gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de
bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel 119
EEGverdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW, moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over
het loonbegrip van artikel 119 EEG- Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in
artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag van de wettelijke
norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.4. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt
binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, overweegt de
Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het Barber-arrest (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange
Assurance Group, C- 262/88, 17 mei 1990, Nemesis 1990, nr 116, NJ
1992-436) stelt het EG-Hof dat een pensioenregeling onder het
loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag valt, indien deze het resultaat
is van overeenstemming tussen werknemers en werkgevers of een
eenzijdige beslissing van de werkgever vormt. Voorts moet het gaan om
een regeling die geheel gefinancierd wordt door de werkgever of door
werkgever en werknemers gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige
bijdrage van de overheid.

Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, C-170/84, 13 mei 1986, JUR 1989-1607) uitgesproken.

In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de
vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht
moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te
vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van
toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen,
zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit
de dienstbetrekking met de betrokken werkgever.

De onderhavige pensioenregeling voldoet aan de hiervoor genoemde
criteria. De Commissie stelt op grond van het bovenstaande vast dat de
deelname aan de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van
artikel 119 EEGVerdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637ij BW.

4.5. Over de vraag vanaf welk moment de aansluiting bij een
pensioenregeling onder de norm van gelijke behandeling van de WGL en de
opeenvolgende wetgeving valt, overweegt de Commissie als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor
Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, C-57/93, 28
september 1994, Nemesis 1994 nr 424.

Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis
Hengelo BV en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, C-
128/93, 28 september 1994, Nemesis 1994 nr 425) bevestigd dat niet
alleen het recht op uitkering uit hoofde van een
bedrijfspensioenregeling, maar ook het recht op aansluiting daartoe
binnen de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag valt en dus wordt
bestreken door het in dat artikel geformuleerde discriminatieverbod. In
genoemde uitspraken heeft het EG-Hof voorts aangegeven dat er voor het
recht op aansluiting geen bijzondere beperking in de tijd geldt, en dat
dit recht derhalve vanaf 8 april 1976, de datum van het Defrenne II
arrest (Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Defrenne versus
Belgische luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), C-43/75, 8 april 1976,
NJ 1976-510) waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend, kan worden ingeroepen. Het Hof
wijst er echter uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij de
pensioenregeling mede betekent dat ook over de betrokken periode
(alsnog) premies moeten worden betaald, ook door de werknemer indien
het Pensioenreglement een werknemersbijdrage voorschrijft.

Het bovenstaande betekent dat onderscheid op grond van geslacht met
betrekking tot aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling in strijd
is met de wetgeving gelijke behandeling/WGL vanaf 8 april 1976.

4.6. Vervolgens komt de Commissie toe aan de vraag of de wederpartij in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld/handelt
door verzoekster van het Pensioenreglement uit te sluiten.

Allereerst zal de Commissie ingaan op de vraag of er sprake is van
direct onderscheid naar geslacht. Het Pensioenreglement stelt aan
gehuwde vrouwen een voorwaarde om direct (zonder een wachttijd van zes
maanden) tot het pensioenfonds te kunnen toetreden, namelijk dat zij
kostwinster moeten zijn. Voor gehuwde mannen geldt deze voorwaarde
niet. Verzoekster is door deze voorwaarde in haar belang getroffen,
aangezien zij vanaf 10 juli 1968 was gehuwd.

4.7. De Commissie is van oordeel dat de tekst van artikel 2 lid 2 sub b
in samenhang met sub a van het Pensioenreglement in strijd is met de
WGB, aangezien daarin direct onderscheid naar geslacht wordt gemaakt
doordat er aan vrouwen een extra voorwaarde voor directe toetreding tot
het pensioenfonds wordt gesteld die aan mannen niet wordt gesteld.

4.8. De wederpartij stelt overigens in haar reactie op het
verzoekschrift dat zij de desbetreffende bepaling niet naar de letter
heeft toegepast. Zij heeft het criterium kostwinnerschap zowel bij
gehuwde mannen als bij gehuwde vrouwen gehanteerd om te bepalen welke
werknemers direct bij het pensioenfonds werden aangemeld. Zij heeft
derhalve geen direct onderscheid naar geslacht gemaakt.

4.9. De Commissie heeft vanwege het ontbreken van relevante gegevens
geen onderzoek in kunnen stellen naar de wijze waarop artikel 2 lid 2
sub b in samenhang met sub a van het pensioenreglement in de praktijk
is toegepast. De Commissie wil er wel op wijzen dat door het hanteren
van het criterium kostwinnerschap indirect onderscheid zou kunnen
worden gemaakt indien dit nadeliger uitwerkt voor leden van een
geslacht. De Commissie is echter niet in staat hierover een oordeel uit
te spreken.

4.10. Vervolgens zal de Commissie de vraag beantwoorden of er sprake is
van indirect onderscheid naar geslacht, doordat de pensioenregeling die
tijdens het dienstverband van verzoekster gold, bepaalde dat
deeltijdwerkers niet daaraan konden deelnemen.

In het arrest van het EG-Hof inzake Vroege wordt in rechtsoverweging 17
gesteld dat wanneer de uitsluiting deeltijdwerkers betreft, artikel 119
van het EEG-Verdrag slechts wordt geschonden wanneer die maatregel een
veel groter aantal vrouwen dan mannen betreft, tenzij de werkgever
aantoont dat bedoelde maatregel haar verklaring vindt in factoren die
objectief gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met
discriminatie op grond van geslacht. In dit verband wordt verwezen naar
het Bilka- arrest.

Verzoekster meent dat de hantering van een deeltijd criterium als
uitsluitingsgrond voor deelname aan de pensioenregeling, indirect
onderscheid naar geslacht oplevert, aangezien de toepassing daarvan
nadeliger uitwerkt voor vrouwen dan voor mannen. Verzoekster draagt
geen concrete cijfers aan ter staving van haar standpunt, maar beroept
zich erop – zoals hiervoor al uiteengezet – dat het een feit van
algemene bekendheid is dat het overwegend vrouwen zijn die in deeltijd
werken. Dit levert volgens haar een vermoeden van indirect onderscheid
op.

De Commissie heeft de wederpartij gevraagd om een aantal nadere cijfers
over de jaren 1975 tot en met 1986. De wederpartij heeft zoals gesteld
geen nadere cijfers aan de Commissie overgelegd. De Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid heeft reeds in eerdere
gevallen geoordeeld dat bij gebreke aan specifieke cijfers de situatie
beoordeeld kan worden op grond van feiten van algemene bekendheid
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 466-93-34, 30 september 1993, oordeelnummer 529-9340, 18
oktober 1993, oordeelnummer 614-93-57, 31 december 1993). Ook in deze
zaak gaat de Commissie uit van het feit van algemene bekendheid dat
meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken. Door de wederpartij is niet
aangevoerd, noch aangetoond dat de situatie bij haar zou afwijken van
het algemene beeld (In herinnering wordt geroepen dat de wederpartij in
gebreke is gebleven om nadere gegevens te verschaffen). Integendeel,
tussen partijen is onbetwist dat bij de wederpartij meer vrouwen dan
mannen in deeltijd werkten. Hieruit leidt de Commissie af dat door de
uitsluiting van deeltijdwerkers van deelname aan de pensioenregeling
vermoedelijk meer vrouwen dan mannen nadelig worden getroffen.

4.11. De Commissie is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er
een vermoeden rijst dat de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is
vastgesteld, zal onderzocht moeten worden of er sprake is van een
objectieve rechtvaardigingsgrond. Onder een objectieve
rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie (Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 1-90-10,
5 maart 1990. Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka-
Kaufhaus versus Weber von Hartz, C-170/84, 13 mei 1986, JUR 1986-1607.
Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen, Rinner-Kuhn versus FWW
Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co. KG, C-171/88, 13 juli 1989, JUR
1989-2743). – dat onderscheid gemaakt wordt om een objectief
gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn gekozen die
geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit
doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

De wederpartij heeft geen specifieke rechtvaardigingsgronden aangevoerd
doch slechts de algemene rechtvaardiging dat de uitsluiting van
deeltijdwerkers paste in het toenmalige tijdsgewricht. Voorts heeft de
wederpartij gesteld dat zij het Pensioenreglement slechts uitvoert.
Deze argumenten kunnen niet als objectieve rechtvaardigingsgronden
dienen, omdat zij niet aan de hiervoor gestelde eisen voldoen. De
wederpartij heeft voorts een eigen verantwoordelijkheid om de wetgeving
gelijke behandeling na te leven. Nu er geen sprake is van een
objectieve rechtvaardigingsgrond concludeert de Commissie dat de
wederpartij indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling.

4.12. Tot slot heeft verzoekster aan de Commissie verzocht om een
standpunt te bepalen over de premievrije opbouw van haar pensioen
tijdens haar arbeidsongeschiktheid (conform artikel 10 van het
Pensioenreglement).

De Commissie is niet bevoegd te bepalen of verzoekster daar wel of niet
voor in aanmerking komt. Aangezien de Commissie oordeelt dat
uitsluiting van verzoekster van het Pensioenreglement in strijd met de
wet is, spreekt het voor zich dat bij aansluiting het Pensioenreglement
integraal op verzoekster van toepassing dient te zijn.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Openbare
Bibliotheek Amsterdam te Amsterdam in strijd met artikel (7A:)1637ij BW
(oud) jegens mevrouw :

Direct onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door in artikel 2 lid 2
van het Pensioenreglement aan de directe toelating van gehuwde vrouwen
tot de pensioenregeling de voorwaarde te verbinden dat zij kostwinner
moesten zijn, welke beperkende voorwaarde voor gehuwde mannelijke
medewerkers niet gold.

Indirect onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door haar uit te
sluiten van deelname aan de pensioenregeling vanwege een dienstverband
van minder dan 21 uur per week.

Rechters

mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr mr A.W.Heringa (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid kamer), mw mr A.K. deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Kantonrechter Terneuzen, 31 mei 1995

Instantie

Kantonrechter Terneuzen

Samenvatting


Werknemer is op 15 augustus 1989 bij de stichting in dienst getreden als
docent. In juni 1994 is hij op verzoek van de directeur ziek gemeld wegens
overspannenheid.
De stichting heeft ontbinding van de arbeidsovereenkomst aangevraagd onder
andere omdat de werknemer sinds geruime tijd structureel ernstig inbreuk op
de persoonlijke levenssfeer van een collega maakt. Hij heeft zijn pogingen om
een intieme relatie met haar aan te gaan niet gestaakt nadat eerst zijzelf en
daarna de directeur hem te kennen hebben gegeven dat zij daarvan niet is
gediend. Deze acties kunnen volgens de kantonrechter echter niet als seksuele
intimidatie worden gekwalificeerd omdat hij zich steeds met respect ten
aanzien van zijn collega heeft gedragen. Voor ontslag op staande voet is geen
reden.
Het is wel duidelijk dat door de avances zijn collega ernstige problemen op
het werk heeft gekregen en het is dan de taak van de werkgever om maatregelen
te nemen.
Van de werkgever kan niet worden gevraagd om de werknemer terug te nemen.
Daarom gaat de kantonrechter over tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
per 1 september 1995. De kantonrechter ziet geen aanleiding voor een
vergoeding, gelet enerzijds op de duur van het dienstverband en anderzijds op
de reden en de termijn van de ontbinding en het feit dat de stichting het
nodige heeft gedaan om werknemer bij zijn eerdere arbeidsongeschiktheid in
staat te stellen geleidelijk weer in zijn werkzaamheden terug te keren.

Volledige tekst

Het verloop van de procedure
De procedure is als volgt verlopen:
– verzoekschrift, ingediend op 2 mei 1995,
– verweerschrift,
– mondelinge behandeling op 16 mei 1995,
– brief van T. van 16 mei 1995.
De beoordeling van de zaak
1. Ter zitting heeft de kantonrechter partijen voorgesteld het dienstverband
op wat langere termijn te ontbinden, opdat T. gelegenheid heeft uit een
gunstige positie elders te solliciteren, zoals zijn wens is. Daarop heeft
Infra Scaldem aangeboden het dienstverband per 1 oktober 1995 te ontbinden,
zonder vergoeding, op voorwaarde dat T. zijn werkzaamheden op school niet zal
hervatten. Op zijn verzoek is aan T. een week uitstel gegeven teneinde dit
aanbod met dokter Oudshoorn te kunnen bespreken. Diezelfde dag heeft T. na
een gesprek met Oudshoorn per fax een verder uitstel verzocht op de grond dat
een psychiatrisch rapport over hem binnen 2 a 3 weken zal zijn afgerond.
Infra Scaldem is met verder uitstel niet akkoord gegaan. De kantonrechter zal
T. geen verder uitstel verlenen, temeer nu daartoe onvoldoende is aangevoerd.
2. T. is op 15 augustus 1989 bij Infra Scaldem in dienst getreden als docent.
In juni 1994 heeft T. zich op verzoek van de heer G., directeur van Infra
Scaldem, ziek gemeld. Hij was overspannen en had of kreeg problemen in de
privé-sfeer. Later is hij van zijn echtgenote gescheiden. In september 1994
is T. na hulp van een psycholoog weer voor 50% aan het werk gegaan. In
december 1994 ging T. weer voor 100% gaan werken. Begin maart 1995 was er een
reisje naar Brussel waaraan T. niet wilde deelnemen. Op verzoek van G. heeft
T. zich op 9 maart 1995 opnieuw ziek gemeld. In de daarop volgende periode
van ledigheid heeft T. zich het lot van werkeloze allochtonen en
heroïneprostituees aangetrokken en aan directies van verscheidene
gezondheidsinstellingen in Zeeuwsch-Vlaanderen een uitvoerige brief verzonden
met het voorstel om te komen tot de oprichting van een minderhedenfonds. T.
heeft deze brief ondertekend onder de vermelding van: `docent-verpleegkundige
Infra Scaldem’.
3. Infra Scaldem heeft de ontbinding van het dienstverband verzocht op grond
van een dringende reden, bestaande uit twee onderdelen, te weten:
a. T. heeft door voormelde brief het aanzien van Infra Scaldem en haar
medewerkers geschaad;
b. T. maakt sinds geruime tijd structureel ernstig inbreuk op de persoonlijke
levenssfeer van mevrouw F., sectorhoofd opleidingen ziekenverzorging bij
Infra Scaldem.
T. heeft een en ander bestreden.
4. Infra Scaldem heeft er bezwaar tegen dat haar naam werd vermeld onder de
voormelde brief. Het is uiteraard aan Infra Scaldem en niet aan T. om te
beslissen of Infra Scaldem het voorstel van T. ondersteunt. T. heeft echter
niet geschreven dat Infra Scaldem achter zijn voorstel stond. Voor de lezer
met enig onderscheidend vermogen moet het ook duidelijk zijn, dat T. deze
brief op persoonlijke titel heeft geschreven. Minder oplettende lezers kan
zulks aan de hand van de inhoud en de vorm van de brief gemakkelijk worden
uitgelegd. Voor zulke lezers is T. echter niet verantwoordelijk. Voorop moet
staan dat het T. vrij staat om per brief een voorstel te lanceren, zoals hij
heeft gedaan. Het is geenszins aannemelijk geworden dat T. door zijn actie
het aanzien van Infra Scaldem en haar medewerkers heeft geschaad.
5. Daarentegen is genoegzaam gebleken, dat T. vanaf eind februari 1995
inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van mevrouw F.. T. heeft
zijn pogingen om met haar een intieme relatie aan te gaan niet gestaakt nadat
eerst zijzelf en daarna op haar verzoek de heer G., T. in duidelijke taal
hadden meegedeeld, dat zij van zijn avances niet gediend was. Anderzijds gaat
het te ver om het gedrag van T. te kwalificeren als seksuele intimidatie,
zoals Infra Scaldem doet; T. heeft P. nimmer lijfelijk benaderd, er is geen
sprake van hinderlijk volgen of telefoneren, nog van grof of obsceen
taalgebruik. In de overlegde brief en briefkaarten van T. aan P. heeft hij
zich steeds correct uitgedrukt, ja zelfs met respect. T. heeft zich niet zo
ernstig misdragen, dat dit een dringende reden was geweest voor ontslag op
staande voet.
6. Zijn respect voor P. bracht T. ook ter zitting tot uiting. Het is dan ook
zeer merkwaardig, dat T. blind wenst te zijn voor de onmiskenbare afwijzing
van P. en dat T. evenmin onder ogen wil zien welke nare gevolgen zijn
toenaderingspogingen voor mevrouw P. hebben. Hij is voorbijgegaan aan haar
mededeling dat zij reeds een relatie heeft en heeft een briefkaart gestuurd
aan haar moeder, hetgeen grote onrust heeft verwekt. Aannemelijk is geworden
dat mevrouw P. in de werksfeer problemen heeft gekregen, doordat de
toenaderingspogingen van T. op school weinig discreet waren.
Mevrouw P. is als leidinggevende op school in een moeilijke positie gebracht
en het is dan de taak van Infra Scaldem als werkgever om maatregelen te
nemen.
7. Gelet op de situatie die door toedoen van T. is ontstaan op de school van
Infra Scaldem, voordat T. zich op 9 maart 1995 ziek meldde, kan van Infra
Scaldem in redelijkheid niet worden gevergd T. te laten terugkeren in zijn
werkzaamheden op school. Zulks geldt temeer, nu T. de afwijzing van mevrouw
P. nog steeds niet onder ogen wenst te zien, zodat herhaling gevreesd moet
worden. Het lijkt erop dat T. al geruime tijd geestelijk niet in evenwicht
is. Een aanwijzing daarvoor is, dat hij eerder onder behandeling van een
psycholoog was. T. is thans niet onder behandeling en heeft zijn
medicijngebruik in februari 1995 gestaakt en niet hervat.
8. Er moet rekening mee worden gehouden, dat het gedrag van T. ten opzichte
van P. hem mogelijk slechts in (licht) verminderde mate kan worden
toegerekend. In die zin kan er een zeker verband zijn tussen de huidige
arbeidsongeschiktheid van T. en het ontbindingsverzoek. Dit mogelijke verband
is echter niet van dien aard, dat dit vanwege het wettelijke ontslagverbod
tijdens ziekte aan ontbinding in de weg zou moeten staan.
9. Gelet op het voorgaande zal het dienstverband worden ontbonden wegens
gewijzigde omstandigheden die een gewichtige reden opleveren, en wel per 1
september 1995. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat T. thans nog
arbeidsongeschikt is. Het lijkt waarschijnlijk dat hij voor de zomervakantie
niet hersteld zal worden verklaard, zodat hij niet meer op school zal
terugkeren. T. heeft aldus nog enige tijd om vanuit zijn huidige
dienstverband elders te solliciteren, zoals zijn wens is. Er is geen
aanleiding voor een vergoeding, gelet enerzijds op de duur van het
dienstverband en anderzijds op de reden en de termijn van de ontbinding en
het feit dat Infra Scaldem het nodige heeft gedaan om T. bij zijn eerdere
arbeidsongeschiktheid in staat te stellen geleidelijk weer in zijn
werkzaamheden terug te keren.
10. Gelet op de omstandigheden van deze zaak is er aanleiding om de
proceskosten te compenseren.
De beslissing
De kantonrechter:
wijst af het primaire verzoek van Infra Scaldem tot ontbinding wegens een
dringende reden;
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1
september 1995;
bepaalt dat zowel Infra Scaldem als T. de eigen proceskosten moet dragen;

Rechters

M.J.M. Klarenbeek

Instantie: Hof van Justitie EG, 31 mei 1995

Instantie

Hof van Justitie EG

Samenvatting


Artikel 119 EEG-verdrag en EG-richtlijn 75/117 zijn ook van toepassing
op beloningsregelingen zoals stukloonregelingen, waarbij de beloning
geheel of voor een belangrijk deel afhankelijk is van de individuele
werknemer. Het Hof geeft criteria voor het vaststellen van de te
vergelijkbare groepen. De nationale rechter dient zich ervan te
vergewissen dat elk van beide groepen alle werknemers omvat die gelet
op een reeks factoren zoals de aard van het werk, de
opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden kunnen worden geacht
zich in een vergelijkbare situatie te bevinden en de groepen dienen uit
een relatief groot aantal werknemers te bestaan.

Volledige tekst


46. Dit neemt echter niet weg, dat de omstandigheid dat de bestanddelen
van de beloning via collectieve onderhandelingen dan wel via
onderhandelingen op plaatselijk vlak zijn bepaald, voor de nationale
rechter een gegeven kan zijn waarmee hij rekening houdt bij de
beoordeling van de vraag, of de verschillen in gemiddelde beloning
tussen twee groepen werknemers al dan niet het gevolg zijn van
objectieve factoren die niets van doen hebben met discriminatie op
grond van geslacht.

47. Mitsdien moet op de vierde vraag, sub b, worden geantwoord, dat het
beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers
ook van toepassing is, wanneer de verschillende bestanddelen van de
beloning via collectieve onderhandelingen of via onderhandelingen op
plaatselijk vlak zijn bepaald, maar dat de nationale rechter met die
omstandigheid rekening kan houden bij de beoordeling van de vraag, of
de verschillen in gemiddelde beloning van twee groepen werknemers al
dan niet het gevolg zijn van objectieve factoren die niets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht.

Kosten

48. De kosten door de Duitse, de Portugese en de Britse regering
alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening
van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in
aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de
procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de
nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Het Hof van Justitie,

uitspraak doende op de door het Faglige voldgiftsret bij beschikking
van 27 augustus 1993 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1. Artikel 119 EEG-Verdrag en de richtlijn 75/117/EEG van de Raad van
10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der Lid-Staten inzake de toepassing van het beginsel van
gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers, zijn van
toepassing op beloningsregelingen zoals stukloonregelingen, waarbij de
beloning volledig of in aanzienlijke mate afhankelijk is van het
arbeidsresultaat van de individuele werknemer.

2. Het in artikel 119 van het Verdrag en artikel 1 van richtlijn 75/117
neergelegde beginsel van gelijke beloning moet aldus worden uitgelegd,
dat bij een stukloonregeling de loutere vaststelling, dat de gemiddelde
beloning van een groep werknemers die overwegend bestaat uit vrouwen
die een bepaald soort arbeid verrichten, aanzienlijk lager is dan de
gemiddelde beloning van een groep werknemers die overwegend bestaat uit
mannen die een ander soort arbeid van gelijke waarde verrichten, niet
volstaat om tot discriminatie op het punt van de beloning te
concluderen. Indien echter bij een stukloonregeling, waarin de
individuele beloningen bestaan uit een variabel gedeelte dat afhangt
van het individuele arbeidsresultaat van elke werknemer, en uit een
vast gedeelte dat voor elke groep betrokken werknemers verschillend is,
onmogelijk kan worden nagegaan, welke factoren bij de vaststelling van
de tarieven of maatstaven voor de berekening van het variabel gedeelte
van de beloning bepalend zijn geweest, kan de werkgever worden
verplicht aan te tonen, dat de geconstateerde verschillen niet op
discriminatie op grond van geslacht berusten.

3. Voor de vergelijking tussen de gemiddelde beloning van twee in
stukloon betaalde groepen werknemers moet de nationale rechter zich
ervan vergewissen, dat elk van beide groepen alle werknemers omvat die,
gelet op een reeks van factoren zoals de aard van het werk, de
opleidingsvereisten en de arbeidsomstandigheden, kunnen worden geacht
zich in een vergelijkbare situatie te bevinden, en dat die groepen uit
een relatief groot aantal werknemers bestaan, dit om te voorkomen dat
de geconstateerde verschillen het gevolg zijn van louter toevallige of
conjuncturele factoren, of voortvloeien uit verschillen die aan het
individuele arbeidsresultaat van de betrokken werknemers zijn toe te
schrijven.

4. Bij het onderzoek of het beginsel van gelijke beloning in acht is
genomen, dient de nationale rechter te bepalen of, gelet op bepaalde
factoren zoals, enerzijds, het feit dat de ene groep werknemers
machinale arbeid verricht, waarbij hoofdzakelijk spierkracht van belang
is, terwijl het in de andere groep om handenarbeid gaat waarbij het
meer in het bijzonder op vingervaardigheid aankomt, en, anderzijds, het
feit dat er tussen de twee groepen verschillen bestaan inzake betaalde
pauzes, vrijheid bij de arbeidsorganisatie en arbeidsongemakken, de
twee soorten arbeid gelijke waarde hebben, dan wel of deze factoren
kunnen worden beschouwd als objectieve factoren die niets van doen
hebben met discriminatie op grond van geslacht en die eventuele
verschillen in beloning kunnen rechtvaardigen.

5. Het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke
werknemers is ook van toepassing, wanneer de verschillende bestanddelen
van de beloning via collectieve onderhandelingen of via
onderhandelingen op plaatselijk vlak zijn bepaald. De nationale rechter
kan echter met die omstandigheid rekening houden bij de beoordeling van
de vraag, of de verschillen in gemiddelde beloning van twee groepen
werknemers al dan niet het gevolg zijn van objectieve factoren die
niets van doen hebben met discriminatie op grond van geslacht.

Noot

De in het geding zijnde vragen hebben betrekking op een geschil tussen
een Deense vakbond en een confederatie van de Deense industrie. Aan de
orde is de vraag of de stukwerkbeloning, die het bedrijf Royal
Copenhagen hanteert, in strijd is met artikel 119 en de eerste
richtlijn (75/117/EEG) betreffende het nader tot elkaar brengen van de
wetgevingen der lid-staten inzake de toepassing van het beginsel van
gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers. In het kort
de feiten. Royal Copenhagen is een keramisch bedrijf met 1150
werknemers. Van deze werknemers zijn er ongeveer tweehonderd draaiers,
waaronder zogenaamde ‘rollerdraaiers’ en 453 schilders. Binnen deze
laatste categorie is er nog een onderscheid tussen blauwschilders en
sierbordschilders. Al deze werknemers vallen onder een CAO die in
beginsel uitgaat van stukloon. Zij kunnen overigens ook kiezen voor een
vast uurloon, dat in beginsel voor alle groepen werknemers gelijk is.

Het stukloon bestaat uit een vast bedrag en een variabel bedrag,
afhankelijk van de produktie. Ongeveer zeventig procent van de draaiers
en schilders wordt in stukloon betaald. De vermeende ongelijke betaling
speelt zich voornamelijk af tussen de in stukloon werkende
rollerdraaiers (26 mannen) en blauwschilders (155 vrouwen en een man).
Het gemiddelde uurloon van de eerste groep bedraagt 103,93 DKR
tegenover 91 DKR voor de tweede groep. Daarnaast is er nog een derde
groep van belang in deze casus, bestaande uit 51 vrouwelijke
sierbordschilders. Zij verdienen gemiddeld 116,20 DKR. Bij alle drie de
groepen zijn de verschillen tussen de hoogstbetaalde en de
laagstbetaalde werknemer aanzienlijk. De vragen die het Deense
scheidsgerecht stelt hebben betrekking op de beloning in stukloon
enerzijds en op de keuze van de te vergelijken groepen werknemers
anderzijds.

Het Hof beantwoordt de opgeworpen vragen duidelijk en beperkt zich
daarbij tot de taak die het naar mijn mening ook exclusief heeft, te
weten het geven van interpretatieregels voor de nationale rechters. Het
voorliggende arrest geeft deze nationale rechters voldoende handvatten
om bij vermeende discriminatie in beloning in het geval van stukloon te
toetsen aan communautair recht. Dit alles is geplaatst in een soort van
fasen-plan. In de eerste plaats geeft het Hof aan, dat artikel 119 en
de eerste richtlijn ook van toepassing zijn op beloningsregelingen
zoals stukloonregelingen. Dit ondanks het feit, dat de beloning in deze
gevallen volledig of in aanzienlijke mate afhankelijk is van het
arbeidsresultaat van de individuele werknemer. Daarover merkt het Hof
nog wel op, dat bij een stukloonregeling de loutere vaststelling van
een verschil in de gemiddelde beloning van twee groepen werknemers,
berekend op basis van de totale individuele beloning van alle
werknemers die tot de ene of tot de andere groep behoren, niet volstaat
om tot discriminatie op het punt van de beloning te concluderen. De
nationale rechter dient bij een dergelijke constatering eerst na te
gaan of op beide groepen werknemers wel dezelfde maatstaf wordt
toegepast, waarbij hij dient uit te sluiten dat het verschil in
beloning wordt veroorzaakt door het verschil in individueel
arbeidsresultaat.

Refererend aan de Enderby-zaak (RN 1993, nr. 354) wijst het Hof op de
jurisprudentie dat er bij een vermoeden van discriminatie, gebaseerd op
significante statistieken en een aanzienlijk verschil in beloning,
omkering van de bewijslast kan worden opgelegd aan de werkgever, zodat
hij moet aantonen dat dit verschil gerechtvaardigd is door objectieve
factoren die niets van doen hebben met discriminatie op grond van
geslacht. Tot deze omkering van bewijslast kan de nationale rechter ook
besluiten in het geval van een stukloonregeling, zeker als voor wat
betreft het variabele deel van de beloning niet of nauwelijks is na te
gaan welke factoren bij het vaststellen van tarieven en maatstaven
bepalend zijn geweest.

Vervolgens stelt het Hof criteria op aan welke voorwaarden twee te
vergelijken groepen van mannen en vrouwen moeten voldoen. In de casus
wordt immers een groep mannen (rollerdraaiers) vergeleken met een groep
vrouwen (blauwschilders). Gezien de opleidingsvereisten zouden de
blauwschilders meer moeten verdienen dan de rollerdraaiers, zeker omdat
het verschil in arbeidsomstandigheden het geconstateerde verschil in
beloning niet rechtvaardigt. De vergelijking van de twee groepen is
echter min of meer toevallig. Zo worden bijvoorbeeld niet alle in het
bedrijf werkzame draaiers in de vergelijking betrokken en wordt de al
eerder genoemde groep sierbordschilders eveneens buiten de vergelijking
gelaten, hoewel deze groep qua opleidingsvereisten meer overeenkomst
vertoont met de rollerdraaiers dan de blauwschilders. De verwijzend
rechter zou graag willen weten of bij een loonvergelijking in het kader
van een stukloonregeling de te vergelijken groepen werknemers
samengesteld moeten zijn op basis van criteria die vooral verband
houden met het aantal werknemers in de groep en hun getalsmatige
verhouding tot het totale aantal werknemers, of op basis van
willekeurig gekozen criteria, waarbij uiteindelijk het geslacht
bepalend is.

Het Hof oordeelt, dat er eerst een vergelijking moet worden gemaakt
tussen de beloning van werknemers van verschillend geslacht voor
gelijke arbeid of arbeid van gelijke waarde. Bij beloning in stukloon
komt daar nog bij, dat de te vergelijken groepen alle werknemers moeten
omvatten die zich in een vergelijkbare situatie bevinden. Te denken
valt daarbij aan aard van het werk, opleidingsvereisten,
arbeidsomstandigheden. Bovendien moet de vergelijking betrekking hebben
op een relatief groot aantal werknemers, om toevalligheidsfactoren te
elimineren. Willekeurig samengestelde groepen maken een vergelijking
niet relevant. Daarna geeft het Hof te kennen dat het de nationale
rechter is, die bij uitstek bevoegd is om te bepalen of er in het
concrete geval sprake is van arbeid van gelijke waarde, omdat daarbij
de feiten beoordeeld moeten worden. Het Hof refereert daarbij
(nogmaals) aan de vaste jurisprudentie dat er geen sprake is van
strijdigheid met artikel 119 als het verschil verklaard kan worden aan
de hand van factoren die objectief gerechtvaardigd zijn en los staan
van discriminatie op grond van geslacht.

Tenslotte gaat het Hof in op de vraag, in hoeverre het verschil
uitmaakt dat de bestanddelen van de beloning worden bepaald bij CAO of
via onderhandelingen op plaatselijk vlak. Daarbij wijst het op de
dwingendrechtelijke horizontale werking van artikel 119, die evenzeer
geldt voor beloningssystemen die via CAO’s tot stand zijn gekomen. Hij
besluit deze overweging echter met de voor mij cryptische formulering,
dat een verschil in beloning objectief gerechtvaardigd kan zijn en dat
een rechter met de omstandigheid dat de beloning bij CAO tot stand is
gekomen rekening kan houden bij zijn beoordeling van de objectieve
rechtvaardiging. Bij mijn weten is het feit dat een beloning
voortvloeit uit een CAO nog nooit als rechtvaardiging voor
discriminatie gebruikt. Wat het Hof met deze zinsnede wil zeggen is mij
niet duidelijk geworden.

Het Hof heeft in dit arrest kortom duidelijke regels gesteld die goed
bruikbaar zijn voor de nationale rechters om te bepalen of er sprake is
van discriminatie in beloning waar het stukloonwerk betreft. De regels
zijn echter wel restrictief en met name de vereisten die gesteld worden
aan de samenstelling van de te vergelijken groepen zullen in veel
gevallen een struikelblok vormen. Dat geldt ook in deze casus, waar
aanvankelijk blauwschilders vergeleken werden met de rollerdraaiers,
maar in de uiteindelijke beoordeling ook de – goed verdienende,
vrouwelijke – sierbordschilders werden betrokken. De vereisten, gesteld
aan sierbordschilders bleken meer overeenkomsten te hebben met die van
de rollerdraaiers dan die van de blauwschilders, waardoor het Hof tot
de conclusie komt, dat de samenstelling van de te vergelijken groepen
zo toevallig is, dat de vergelijking haar relevantie verliest. De
overwegingen van het Hof betreffende de groepsvergelijking zijn mijns
inziens echter wel terecht. Toch kan ik me niet aan de indruk
onttrekken, dat de grote groep – vrouwelijke – blauwschilders relatief
slecht wordt betaald, zeker als je bedenkt dat hun opleiding veel
langer duurt dan die van de andere twee groepen. Artikel 119 biedt in
dit geval – helaas, maar mijns inziens terecht – geen soelaas, tenzij
bij een loonvergelijking tussen groepen, samengesteld volgens de
criteria die het Hof heeft gegeven, zou blijken dat er een relevant
verschil in beloning is tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers bij
het Deense bedrijf. Het is, zo stelt het Hof terecht, de nationale
rechter die zich over dat vraagstuk mag buigen.

Malva Driessen

Rechters

Mrs Rodriguez Iglesias, Schockweiler, Gulmann, Mancini, Kakouris,Moitinho de Almeida, Murray, Edward, Puissochet, Hirsch, Sevon, AGLeger

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 mei 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam bij de wederpartij. Zij is van mening dat zij
te laag wordt beloond. Zij wijt dit onder meer aan het feit dat bij de
inschaling geen rekening is gehouden met de door haar opgedane
ervaring, wat volgens haar bij vrouwen meer voorkomt dan bij mannen.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee heeft gehandeld in
strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Hoewel de Commissie niet
het RPBO toetst, merkt zij op dat de stelling van de wederpartij dat de
ervaring door verzoekster opgedaan in haar eerdere onderwijsfunctie
niet relevant is voor de functies die zij vanaf 1 maart 1990 bekleedde,
niet juist acht.

De relevantie van die ervaring wordt op grond van artikel I-P7
voorondersteld en op die grond is ook het aanvangssalaris van
verzoekster met terugwerkende kracht vanaf 1 maart 1990 op de hoogste
ancienniteit van de maximum schaal behorend bij die functie gesteld. De
Commissie acht het een feit van algemene bekendheid dat in de huidige
maatschappelijke situatie overwegend vrouwen hun loopbaan onderbreken
in verband met de verzorgingstaken voor de kinderen. Een bijkomend
gevolg van deze onderbreking is het feit dat vrouwen bij herintreden
vaak genoopt zijn een functie te accepteren op een lager niveau dan zij
voor de onderbreking hadden bij gebrek aan passende functies.

Dit leidt tot de conclusie dat wanneer de onderhavige regeling
voorschrijft alleen die ervaring financieel te waarderen die tot uiting
komt in het laatstgenoten salaris en dientengevolge overige relevante
ervaring buiten beschouwing laat, de toepassing van deze regeling in
overwegende mate vrouwen nadelig treft. De wederpartij heeft als
rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat aansluiting bij het salaris in een
eerdere onderwijsfunctie slechts kan voorzover daarbij niet boven de
hoogste ancienniteit van de maximum schaal van de aanvaarde functie
uitkomt, daar anders de indeling van functies op grond van
functiewaardering verstoord wordt. De Commissie acht dit argument een
voldoende rechtvaardiging voor de kwestie aansluiting bij salaris
eerdere onderwijsfunctie. De Commissie is evenwel van mening dat dit
argument onvoldoende rechtvaardiging is voor het toepassen van het
criterium laatstgenoten salaris na de functie bestuurssecretariaat. Het
salaris in die functie is geen weerspiegeling van de eerder opgedane
ervaring. De wederpartij had zonder schending van het
functiewaardingssysteem verzoekster in de functies plaatsvervangend
hoofd faculteitsbureau en managementassistente in de hoogste
ancinniteit van de schalen behorend tot die functies kunnen inschalen.
In dit geval had het salaris beter aangesloten bij de opgedane ervaring
van verzoekster.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

Op 14 april 1994 verzocht mevrouw te Driel (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij
de arbeid (hierna: de Commissie) haar oordeel uit te spreken over de
vraag of de (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

Verzoekster is werkzaam bij de wederpartij. Zij is van mening dat zij
te laag wordt beloond. Zij wijt dit onder meer aan het feit dat bij de
inschaling geen rekening is gehouden met de door haar opgedane
ervaring, wat volgens haar bij vrouwen meer voorkomt dan bij mannen.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij hiermee heeft gehandeld in
strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk de
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994 is
de Algemene Wet gelijke behandeling in werking getreden (AWGB). De
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is op
die datum opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de
op 1 september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling. Deze
Commissie heeft het onderzoek voortgezet.

2.2. Partijen zijn vervolgens opgeroepen voor een zitting op 28 maart
1995.

2.3. Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van de verzoekster: – mw (verzoekster) – mw
mr J.I. van der Winden (advokaat verzoekster) – dhr
(personeelsfunctionaris)

van de kant van de wederpartij: – mw mr (juridisch adviseur
gemachtigde) – dhr (personeelsfunctionaris)

van de kant van de Commissie: – mw mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw mr Y. Telenga (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen
(lid Kamer) – mw G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster, geboren in 1947, is op 1 maart 1990 bij de
wederpartij in dienst getreden in de functie van medewerkster
bestuurssecretariaat, een zogenaamde AOP-functie. Het onderwijs aan de
school wordt gesubsidieerd door de Minister van Onderwijs en
Wetenschappen (hierna: de Minister), personeel wordt beloond volgens de
schalen van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984
(hierna: BBRA’84).

Verzoekster werd bij indiensttreding aanvankelijk op de aanloopschaal
5.8 ingeschaald doch later met terugwerkende kracht vanaf het moment
van indiensttreding in schaal 6, regelnummer 10 van het BBRA’84. Op 1
juli 1991 werd zij plaatsvervangend hoofd van het faculteitsbureau en
werd zij ingeschaald in schaal 7.8. Vanaf 1 januari 1993 vervult zij de
functie van managementassistente, op die datum werd zij geplaatst in
schaal 8.4. In augustus 1993 ontving zij de jaarlijkse periodieke
verhoging.

3.2. Het arbeidsverleden van verzoeksters ziet er als volgt uit.

Verzoekster heeft kandidaatsexamen Frans gedaan en is in de periode
1972-1979 werkzaam geweest als docente Frans in het voorgezet
onderwijs. Zij werd toen beloond volgens schaal 9.5. Deze baan heeft
verzoekster opgegeven in verband met de verzorging van haar kinderen.
In de periode 1983-1988 werkte zij als invalkracht ter vervanging van
docenten Frans op diverse scholen. In 1988 en 1989 had zij
deeltijdbanen buiten het onderwijs, omdat er binnen het onderwijs op
dat moment geen werk was.

Verzoekster wilde toch binnen het onderwijs werken en aanvaardde per 1
maart 1990 de functie van medewerkster bestuurssecretariaat.

3.3. Verzoekster is ingeschaald volgens de regels van het
Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (hierna: RPBO) (Besluit van 23
maart 1985, houdende wijziging van het Rechtspositiebesluit
onderwijspersoneel (Herziening Onderwijs Salarisstructuur), Stb. 1985,
155). Het rechtspositiebeleid wordt aan de hogescholen overgelaten.

De volgende bepalingen uit hoofdstuk I-P van het RPBO zijn hier van
belang. Vanaf 1 april 1985 neemt het RPBO niet langer de bevoegdheid en
leeftijd van een medewerker als uitgangspunt voor de inschaling maar de
functie die de medewerker gaat vervullen. Het salaris van een nieuwe
medewerker wordt in beginsel vastgesteld op het laagste bedrag in de
laagste schaal behorend bij de desbetreffende functie (I-P6). Is
voorheen relevante ervaring opgedaan, dan kan een hogere inschaling
worden bereikt, omdat dan wordt aangesloten bij het laatstgenoten
salaris. Voor de medewerker die voorheen al eerder in het onderwijs
werkte (I-P7) of die een onderwijsfunctie aanhoudt (I-P8), wordt
automatisch aangesloten bij het laatstgenoten salaris. Dit betekent dat
in dat geval geen individuele beoordeling van de relevantie van de
opgedane ervaring plaatsvindt.

Voor medewerkers met een onderbroken carrierepatroon kan vervolgens
artikel I-P10 nog van belang zijn. Dit artikel kent aan een medewerker
extra periodieken toe wanneer deze voorheen (minimaal vier jaar
geleden) een onderwijsfunctie vervulde dan wel zijn
onderwijsbevoegdheid behaalde. Voor elke vier jaar onderbreking wordt
een extra periodiek toegekend, dus boven de inschaling op basis van
artikel I-P7 respectievelijk I-P6. (De artikelnummers in hoofdstuk I-P
zijn in 1992 vernummerd. In dit oordeel wordt de oude nummering
aangehouden).

Het laatstgenoten salaris wordt zonodig omgerekend van een
deeltijdfunctie naar een voltijdfunctie. Ook wordt het omgerekend naar
het loonpeil van het moment van indiensttreding.

In gevallen waarin het RPBO niet of niet naar billijkheid voorziet, kan
een beroep gedaan worden op artikel I-A8, de hardheidsclausule, op welk
beroep de Minister beslist.

3.4. De functie van medewerker bestuurssecretariaat kan maximaal
volgens schaal 6 worden beloond. Verzoekster ontving, voordat zij in
dienst trad, een WWV-uitkering op het niveau van schaal 9.5. Op grond
van artikel I-P7 is zij in 6.10 geplaatst, het maximaal haalbare
salaris in deze schaal. De functie van plaatsvervangend hoofd
faculteitsbureau is een schaal 7 functie. Verzoekster is vanuit 6.10
met een bevorderingsperiodiek en een reguliere periodiek in schaal 7.8
geplaatst. Op 1 augustus 1992 kreeg zij de jaarlijkse periodieke
verhoging. De functie van managementassistente is een schaal 8
functie, verzoekster werd in schaal 8.4, aansluitend op 7.8 met een
bevorderingsperiodiek geplaatst. In augustus 1993 ontving zij een
periodieke verhoging.

3.5. De standpunten van partijen

Verzoekster stelt dat de huidige inschalingsregeling leidt tot een
ongelijke beloning van mannen en (herintredende) vrouwen. Zij heeft in
de zeventiger jaren in het onderwijs gewerkt en daarna een aantal jaren
de zorg voor haar kinderen op zich genomen. Herintreding in het
onderwijs bleek moeilijk te zijn. Verzoekster heeft enige jaren als
invaldocente gewerkt en daarna verschillende banen buiten het onderwijs
gehad. Omdat zij toch liever in het onderwijs wilde werken, heeft zij
de baan van medewerkster bestuurssecretariaat aanvaard. Haar inschaling
in deze baan weerspiegelt niet het salaris van haar eerdere
onderwijsfunctie. Het zijn vooral herintredende vrouwen die met deze
problematiek worden geconfronteerd. Verzoekster vindt het niet redelijk
dat het salaris dat zij kreeg bij aanvaarding van haar functie in 1990
verder als uitgangspunt dient voor haar verdere salarisontwikkeling.
Hierdoor zou de onderwijservaring van voor haar onderbreking niet meer
tot uiting worden gebracht in haar salaris. Zij bevindt zich derhalve
in een nadeliger positie dan iemand die niet gestopt is met werken en
die na terugkeer op de arbeidsmarkt een baan op een hoger niveau heeft
gevonden.

Ook vreemd is dat het voor haar financieel gunstiger zou zijn geweest
om langer een WWV-uitkering te krijgen. Deze lag namelijk op het niveau
van een inschaling in 9.5. Haar wachtgelduitkering is opgeschort, wat
betekent dat als zij nu ontslagen zou worden, zij weer een uitkering op
schaal 9.5 niveau zou ontvangen. De wijze waarop wederpartij het RPBO
heeft toegepast, is indirect discriminerend voor vrouwen, omdat vooral
vrouwen hun arbeidscarriere onderbreken in verband met de zorg voor
kinderen.

Verzoekster wijst in dit verband op de carriere van haar ex-man, die
voordat zij met werken stopte vergelijkbaar was met de hare (dezelfde
opleiding, onderwijsfunctie en nagenoeg hetzelfde salaris). Hij was in
april 1994 ingeschaald in 12.4.

3.6. Verzoekster is van mening dat de wederpartij niet alleen in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling handelt, maar ook in strijd met de
CAO voor het HBO. Deze CAO bepaalt dat het salaris bij indiensttreding
in redelijkheid en met inachtneming van de opgebouwde werkervaring
wordt vastgesteld. Het was redelijk geweest, indien de wederpartij
aansluiting had gezocht bij de inschaling van verzoekster bij het
salarisniveau dat zij genoot als docente Frans. Primair bij de
inschaling in 1990 bij haar functie als docente Frans, schaal 9.5,
subsidiair, eventueel met een beroep op de hardheidsclausule, voor het
geval de door verzoekster in 1990 vervulde functie niet beloond kan
worden boven de maximum schaal 6, bij acceptatie van iedere functie
daarna met een hogere maximumschaal in de hoogste periodiek van die
maximumschaal. Alles voor het geval blijkt dat de schalen van de
functies die verzoekster vanaf 1990 heeft bekleed, juist zijn. Immers
al deze functies zijn niet gebaseerd op functiewaardering.

3.7. De wederpartij is het niet eens met de stelling van verzoekster
dat zij als gevolg van een onderbroken carriere genoodzaakt was een
lagere functie te accepteren en dat geen rekening is gehouden met haar
ervaring in het onderwijs. Het was verzoeksters eigen keuze over te
stappen van een OP-functie naar een AOP-functie. Overstappen van de ene
naar de andere personeelscategorie levert een rechtspositionele breuk
op met het verleden. Verzoekster is volgens de geldende regels
ingeschaald, waarbij uiteraard geldt dat niet wordt ingeschaald boven
de hoogste ancienniteit van de maximumschaal. De waardering van de
functies sluit dit uit. Inschaling volgens verzoeksters salaris als
docente Frans zou boven dit maximumsalaris uitgaan en is derhalve niet
mogelijk. Overigens was de ervaring van verzoekster niet relevant voor
de functie van medewerker bestuurssecretariaat.

De vergelijking van verzoeksters salaris met dat van haar ex-echtgenoot
acht de wederpartij niet relevant. Ook zonder onderbreking van de
carriere zou verzoekster, of een man, in de functie van medewerker
bestuurssecretariaat niet hoger zijn ingeschaald.

4. OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster op het
punt van beloning, een arbeidsvoorwaarde, heeft gehandeld in strijd met
de gelijke behandelingswetgeving, doordat zij bij het vaststellen van
het aanvangssalaris van de diverse door verzoekster beklede functies
vanaf 1 maart 1990 niet heeft aangesloten bij het laatstgenoten
onderwijssalaris van verzoekster en na haar functie van medewerker
bestuurssecretariaat is uitgegaan van het voorlaatste genoten salaris.

Op 1 maart 1990 gold de Wet Gelijke Behandeling mannen en vrouwen bij
de arbeid van 1 juli 1989 (WGB).

In het midden kan blijven of het hier betreft een arbeidssituatie als
bedoeld in artikel 1 a lid 1 WGB dan wel artikel 7A:1637ij lid 1 BW,
daar beide artikelen de werkgever verbieden onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen bij onder meer bij de arbeidsvoorwaarden.

4.2. De inschalingsregeling van het RPBO beoogt de in een eerdere
betaalde functie opgedane relevante ervaring financieel te waarderen
door uit te gaan van het laatstgenoten salaris of wel van het salaris
eerder in het onderwijs verdiend. In het laatste geval wordt de daar
opgedane ervaring zonder toetsing relevant geacht. Deze factoren leiden
tot verhoging van het aanvangssalaris, dat in beginsel wordt
vastgesteld aan de hand van I- P6.

Hoewel de Commissie niet het RPBO toetst, merkt zij op dat de stelling
van de wederpartij dat de ervaring door verzoekster opgedaan in haar
eerdere onderwijsfunctie niet relevant is voor de functies die zij
vanaf 1 maart 1990 bekleedde, niet juist acht. De relevantie van die
ervaring wordt op grond van artikel I-P7 voorondersteld en op die grond
is ook het aanvangssalaris van verzoekster met terugwerkende kracht
vanaf 1 maart 1990 op de hoogste ancienniteit van de maximum schaal
behorend bij die functie gesteld.

4.3. De Commissie constateert dat het feit dat verzoekster eerder in
het onderwijs werkzaam is geweest in een hoger ingeschaalde functie
meegewogen is bij het vaststellen van het aanvangssalaris van de
functie die verzoekster per 1 maart 1990 ging bekleden. Vervolgens
heeft de wederpartij bij de latere functies het criterium laatstgenoten
salaris gehanteerd. De vraagstelling is dan ook tweeledig: a. Is de
wijze waarop is aangesloten bij het salaris ver-diend in een eerdere
onderwijsfunctie in strijd met de WGB? b. Is het vervolgens toepassen
van het criterium laatstgenoten salaris in strijd met de WGB?

Aansluiten bij het eerder verdiende salaris in een onderwijsfunctie en
het criterium laatstgenoten salaris worden gelijkelijk voor mannen en
vrouwen toegepast. Van een direct onderscheid is dan ook geen sprake.
Het criterium laatstgenoten salaris is op zichzelf sekseneutraal. Wel
rijst de vraag of er gezien het effect van de toepassing van de
aansluiting en het voornoemde criterium sprake is van indirect
onderscheid. Hiervan is sprake wanneer door het hanteren van een op
zichzelf sekseneutraal criterium in overwegende mate personen van een
bepaald geslacht worden getroffen, zonder dat daarvoor een objectieve
rechtvaardiging bestaat.

De Commissie acht het een feit van algemene bekendheid dat in de
huidige maatschappelijke situatie overwegend vrouwen hun loopbaan
onderbreken in verband met de verzorgingstaken voor de kinderen. Een
bijkomend gevolg van deze onderbreking is het feit dat vrouwen bij
herintreden vaak genoopt zijn een functie te accepteren op een lager
niveau dan zij voor de onderbreking hadden bij gebrek aan passende
functies.

Dit leidt tot de conclusie dat wanneer de onderhavige regeling
voorschrijft alleen die ervaring financieel te waarderen die tot uiting
komt in het laatstgenoten salaris en dientengevolge overige relevante
ervaring buiten beschouwing laat, de toepassing van deze regeling in
overwegende mate vrouwen nadelig treft. De Commissie ziet zich in dit
oordeel gesteund door de overwegingen van de burgerlijke rechter in de
zaak Pot. (Pot/Stichting Centrum voor Onderwijsbegeleiding voor de
Zaanstreek HR, 25 november 1988, NJ 1989, 730).

4.4. Nu vastgesteld is dat de inschalingsregeling, zoals deze is
toegepast, in overwegende mate nadelig uitwerkt voor vrouwen, rijst de
vraag of er voor het gemaakte onderscheid een objectieve
rechtvaardiging is.

Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond wordt verstaan: – dat het
onderscheid wordt gemaakt om een objectief gerechtvaardigd doel te
dienen, en – dat daartoe middelen zijn gekozen die geschikt en
noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit doel niet is
te bereiken op een andere wijze waarbij geen indirect onderscheid wordt
gemaakt.

De wederpartij heeft als rechtvaardigingsgrond aangevoerd dat
aansluiting bij het salaris in een eerdere onderwijsfunctie slechts kan
voorzover daarbij niet boven de hoogste ancienniteit van de maximum
schaal van de aanvaarde functie uitkomt, daar anders de indeling van
functies op grond van functiewaardering verstoord wordt.

De Commissie acht dit argument een voldoende rechtvaardiging voor de
kwestie aansluiting bij salaris eerdere onderwijsfunctie. De Commissie
is evenwel van mening dat dit argument onvoldoende rechtvaardiging is
voor het toepassen van het criterium laatstgenoten salaris na de
functie bestuurssecretariaat. Het salaris in die functie is geen
weerspiegeling van de eerder opgedane ervaring. De wederpartij had
zonder schending van het functiewaardingssysteem verzoekster in de
functies plaatsvervangend hoofd faculteitsbureau en
managementassistente in de hoogste ancinniteit van de schalen behorend
tot die functies kunnen inschalen. In dit geval had het salaris beter
aangesloten bij de opgedane ervaring van verzoekster.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de
door de wijze waarop het criterium laatstgenoten salaris gehanteerd is
jegens mevrouw indirekt onderscheid naar geslacht
heeft gemaakt als bedoeld in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek.

Rechters

mw mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr Y. Telenga (lidKamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw G.L.M. Lenssen (secretarisKamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 mei 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is van 1 februari 1965 tot 1 april 1983 in een
deeltijdfunctie bij de wederpartij in dienst geweest. De
pensioenregeling die tijdens haar dienstverband gold, bepaalde dat
deeltijdwerkers niet aan de pensioenregeling konden deelnemen.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. De Commissie acht zich in ieder geval bevoegd om te
onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden pensioenregeling
valt binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, en derhalve
binnen de werkingssfeer van de wetgeving gelijke behandeling. De
onderhavige pensioenregeling voldoet aan de hiervoor genoemde criteria.

De Commissie stelt op grond van het bovenstaande vast dat de deelname
aan de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel
119 EEG- Verdrag valt en derhalve, op grond van verdragsconforme
interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel 7A:1637ij BW. Voor
wat betreft het standpunt van verzoekster dat voor de werknemer, de
verzekerde, of deelnemer geen verjaringstermijn geldt voor het vorderen
van achterstallig pensioen overweegt de Commissie dat zij hierover geen
oordeel kan uitspreken, omdat het niet haar (wettelijke) taak is om
vast te stellen welke verjaringstermijn naar burgerlijk recht van
toepassing is. Zij kan slechts haar oordeel uitspreken over de vraag of
er een door de wetgeving gelijke behandeling verboden onderscheid is of
wordt gemaakt. Hetgeen in deze zaak bekend is geworden is in
overeenstemming met het feit van algemene bekendheid dat er meer
vrouwen dan mannen in deeltijd werken.

De Commissie is op grond van bovenstaande gegevens van oordeel dat er
een vermoeden rijst dat de wederpartij indirect onderscheid naar
geslacht maakt. De wederpartij heeft naast de bedrijfseconomische
redenen en maatschappelijke opvattingen geen andere specifieke
rechtvaardiging aangevoerd voor het uitsluiten van deeltijders van de
pensioenregeling. De bedrijfseconomische redenen en maatschappelijke
opvattingen zijn respectievelijk vaag en te algemeen en kunnen evenmin
als objectieve rechtvaardigingsgronden dienen, omdat zij niet aan de
hiervoor gestelde eisen voldoen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 15 april 1992 verzocht mevrouw te
Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of het te Amsterdam (hierna: de wederpartij) onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Verzoekster is van 1 februari 1965 tot 1 april 1983 in een
deeltijdfunctie bij de wederpartij in dienst geweest. De
pensioenregeling die tijdens haar dienstverband gold, bepaalde dat
deeltijdwerkers niet aan de pensioenregeling konden deelnemen.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij door deze uitsluiting
onderscheid naar geslacht maakt in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE 2.1. De Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid (hierna: Commissie m/v) heeft het
verzoek in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld. Partijen
zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten terzake uiteen te
zetten.

2.2. De Commissie m/v heeft de behandeling van pensioenzaken opgeschort
in verband met het feit dat het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen (EG-Hof) uitspraak zou doen in voor de interpretatie van
de pensioenproblematiek relevante zaken. De Commissie m/v heeft per 1
september 1994 haar werkzaamheden overgedragen aan de Commissie gelijke
behandeling, die is ingesteld op grond van de inwerkingtreding van de
Algemene wet gelijke behandeling op 1 september 1994 (AWGB).

2.3. Partijen zijn vervolgens opgeroepen hun standpunten nader toe te
lichten tijdens een zitting op 4 april 1995. Bij deze zitting waren
aanwezig: van de kant van verzoekster – mw
(verzoekster) – dhr (toehoorder) van de kant van de
wederpartij – dhr (hoofd personeelszaken) – mr
(gemachtigde)

van de kant van de Commissie – mw mr L.Y.Goncalves-Ho Kang You
(Kamervoorzitter) – dhr mr A.W. Heringa (lid Kamer) – dhr mr W.A. van
Veen (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster (geboren in 1922) is van 1 februari 1965 tot 1 april
1983 bij de wederpartij in dienst geweest. Tot 6 mei 1974 werkte zij 20
uur per week, hierna 22,5 uur per week.

Gedurende het dienstverband van verzoekster gold bij de wederpartij het
pensioenreglement van de Stichting pensioenfonds voor het personeel van
het (hierna het pensioenreglement).

In artikel 1 lid 1 sub b van het pensioenreglement (van 1 januari 1964)
is bepaald dat van deelneming aan het pensioenreglement zijn
uitgesloten onder meer die werknemers die een gedeeltelijke dagtaak
vervullen. Deze bepaling heeft gegolden tot 1984. Hierna werden ook
werknemers met een deeltijddienstverband in de pensioenregeling
opgenomen.

In de arbeidsvoorwaardenregeling van de wederpartij van januari 1978
staat onder paragraaf 5.0 dat, indien er sprake is van bijzondere
omstandigheden, werknemers met een niet volledige taak door de
wederpartij als deelnemer aan het pensioenfonds kunnen worden
voorgesteld. Verzoekster is niet toegelaten als deelnemer.

3.2. De wederpartij heeft slechts in beperkte mate gegevens voorhanden
over de samenstelling van het werknemersbestand naar geslacht en naar
omvang van het dienstverband. Deze gegevens heeft zij aan de Commissie
verstrekt. Zij verklaart dat gedurende alle jaren het aantal
deeltijders en het aantal voltijders ongeveer gelijk is gebleven. In
1983 zijn veel werknemers ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen.
Uit de gegevens blijkt dat in de jaren 1974 tot en met 1977 gemiddeld
65% van het totale werknemersbestand uit vrouwen bestond. Per ultimo
1978 werkten bij de wederpartij in totaal 1000 werknemers, waarvan 349
mannen en 651 vrouwen. Van de mannen werkten er 330 (94,6%) voltijds en
19 (5,4%) in deeltijd. Van de vrouwen werkten er 361 (55,5%) voltijds
en 290 (44,5%) in deeltijd. Op de afdeling waar verzoekster werkzaam
was werkten er in totaal 393 werknemers, waarvan 31 mannen en 362
vrouwen. Van de mannen werkten er 29 (93,5%) voltijds en 2 (6,5%) in
deeltijd. Van de vrouwen werkten er 174 (48,1%) voltijds en 188 (51,9%)
in deeltijd.

De standpunten van partijen

3.3 Verzoekster brengt het volgende naar voren. Zij is van mening dat
de wederpartij door deeltijdwerkers van het pensioenreglement uit te
sluiten, jegens haar indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling. Bij de wederpartij
waren het immers uitsluitend danwel in overwegende mate vrouwen die in
deeltijd werkten. Het waren dus (met name) vrouwen die door het
hanteren van een deeltijdcriterium van het pensioenreglement zijn
uitgesloten, terwijl daarvoor geen objectieve rechtvaardigingsgrond
bestond.

Wat betreft de verjaringstermijn voor het vorderen van achterstallig
pensioen, wijst verzoekster op een arrest van de Hoge Raad van 10
september 1993 (Hoge Raad, 10 september 1993, NJ 93-736). Hierin is
bepaald dat een werknemer van wie de (vroegere) werkgever verzuimd
heeft om premies aan de pensioenverzekeraar (of pensioenfonds) af te
dragen, er vele jaren nadien nog aanspraak op kan maken dat die
werkgever de premie alsnog betaalt. Voor de werknemer, de verzekerde of
deelnemer geldt geen verjaringstermijn.

3.4. De wederpartij voert het volgende aan. Zij is van mening dat zij
geen onderscheid naar geslacht heeft gemaakt door verzoekster niet tot
de pensioenregeling toe te laten. Veranderde inzichten hebben ertoe
geleid dat in 1984 de beperkende bepalingen in het pensioenreglement
zijn verdwenen. De wederpartij ziet echter geen aanleiding om deze
wijzigingen terugwerkende kracht te verlenen. Dit standpunt zou
ondersteund worden door het Barber arrest (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange
Assurance Group, C-262/88, 17 mei 1990, NJ 1992-436) van het EG-Hof.
Hierin is bepaald dat ook niet-wettelijke pensioenregelingen onder de
directe werking van artikel 119 EEG-Verdrag vallen, doch tevens is een
beperking gesteld aan de termijn van de terugwerkende kracht. Geen
beroep kan worden gedaan op terugwerkende kracht over arbeidsperioden
voor 17 mei 1990, tenzij reeds voor deze datum een (rechts)vordering is
ingesteld. Voorts beroept de wederpartij zich op het Ten Oever arrest
(Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen, Ten Oever versus
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Glazenwassers- en
Schoonmaakbedrijf, C- 109/91, 6 oktober 1993, Nemesis 1993-360) van het
EG-Hof. De wederpartij is van mening dat er geen sprake is van indirect
onderscheid. Het kan immers zijn dat een bedrijf gerechtvaardigde
economische redenen heeft om deeltijders uit te sluiten van een
pensioenregeling. De maatschappelijke opvattingen in de tijd dat
verzoekster in dienst was waren dat kostwinners een pensioen moesten
krijgen en de werknemers die een bijbaan hadden niet.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
indirect onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling door haar geen toegang tot de geldende
pensioenregeling te verlenen.

4.2. De eerste vraag die rijst, is over welke periode de Commissie aan
welke artikelen uit de wetgeving gelijke behandeling kan toetsen.
Daarover overweegt de Commissie als volgt.

Eerst op 1 maart 1975 trad de Wet gelijk loon voor vrouwen en mannen
(WGL) in werking. Deze voorzag in een Commissie die bevoegd was te
oordelen over klachten inzake de WGL. Vanaf 1980 gold de Wet gelijk
behandeling van mannen en vrouwen (WGBoud), waarbij tevens de voorloper
van het huidige artikel 7A:1637ij BW werd ingevoerd. Op 1 juli 1989
werd een aantal wijzigingen in artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek van
kracht, terwijl tevens de WGBoud werd herzien. In beide
wijzigingswetten was voorzien in Commissies, die achtereenvolgens tot
onderzoek en oordelen bevoegd waren bij vermeende overtreding van
genoemde wetgeving.

De WGL bepaalde in artikel 2 dat een werkgever geen onderscheid mocht
maken op het punt van de beloning. Een uitdrukkelijke uitzondering ten
aanzien van pensioenrege- lingen was niet opgenomen. Evenals het
huidige artikel 7A:1637ij BW bepaalde het oude artikel 1637ij BW dat
een werkgever direct (onmiddellijk) noch indirect (middellijk)
onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen in onder meer de
arbeidsvoorwaarden, waaronder begrepen de beloning. Niet onder de
arbeids- voorwaarden werden begrepen aanspraken of uitkeringen
ingevolge pensioenregelingen.

Uit het bovenstaande blijkt dat eerst bij de inwerkingtreding van de
WGL in 1975 specifieke wetgeving terzake van gelijke beloning van
mannen en vrouwen bestond, alsmede een Commissie die tot onderzoek en
oordelen bevoegd was.

4.3. Voor de periode na 1975 is hiervoor al vastgesteld aan welke
opeenvolgende artikelen moet worden getoetst. Vervolgens zal nagegaan
moeten worden of de Commissie bevoegd is een oordeel over het verzoek
uit te spreken. In lid 1 van artikel 7A:1637ij BW is namelijk bepaald
dat niet onder arbeidsvoorwaarden zijn begrepen uitkeringen of
aanspraken ingevolge pensioenregelingen. De Commissie overweegt
hierover als volgt.

Uit de wetgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de eerdere WGL en
voorts met artikel 7A:1637ij BW mede een volledige uitwerking heeft
willen geven aan artikel 119 EEG-Verdrag. Het EG-Hof is blijkens haar
overwegingen in de zaak Van Colson en Kamann (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Von Colson en Kamann, versus Deelstaat
Nordrhein-Westfalen, C-14/83, 10 april 1984, JUR 1984-1891) van mening
dat nationale rechters en anderen die met overheidsgezag zijn bekleed,
gehouden zijn om binnen hun bevoegdheden de wetgeving gelijke
behandeling uit te leggen en toe te passen in het licht van de
bewoordingen en objectieve doelstelling van -in dit geval- artikel 119
EEG-Verdrag.

Naar het oordeel van de Commissie betekent dit dat zij de
uitdrukkelijke uitzondering voor aanspraken en uitkeringen ingevolge
pensioenregelingen als gemaakt in artikel 7A:1637ij BW, moet
interpreteren in het licht van de jurisprudentie van het EG-Hof over
het loonbegrip van artikel 119 EEG- Verdrag.

Gelet op het bovenstaande vat de Commissie de uitzondering genoemd in
artikel 7A:1637ij BW zo op, dat slechts die pensioenkwesties terzake
waarvan volgens het EG-Hof geen beroep kan worden gedaan op de
rechtstreekse werking van artikel 119 EEG-Verdrag van de wettelijke
norm van gelijke behandeling zijn uitgesloten.

Op grond van het bovenstaande acht de Commissie zich in ieder geval
bevoegd om te onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de bestreden
pensioenregeling valt binnen het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag, en derhalve binnen de werkingssfeer van de wetgeving
gelijke behandeling.

4.4. Ten aanzien van de vraag, of de onderhavige pensioenregeling valt
binnen het loonbegrip van artikel 119 EEG-Verdrag, overweegt de
Commissie als volgt.

In zijn overweging 25 in het Barber-arrest (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Barber versus Guardian Royal Exchange
Assurance Group, C- 262/88, 17 mei 1990, Nemesis 1990 nr 116) stelt het
EG-Hof dat een pensioenregeling onder het loonbegrip van artikel 119
EEG-Verdrag valt, indien deze het resultaat is van overeenstemming
tussen werknemers en werkgevers of een eenzijdige beslissing van de
werkgever vormt. Voorts moet het gaan om een regeling die geheel
gefinancierd wordt door de werkgever of door werkgever en werknemers
gezamenlijk, zonder dat sprake is van enige bijdrage van de overheid.
Deze beginselen heeft het EG-Hof reeds in het Bilka-arrest (Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Bilka-Kaufhaus versus Weber von
Hartz, C-170/84, 13 mei 1986, JUR 1989-1607) uitgesproken.

In overweging 26 van het Barber-arrest gaat het Hof nader in op de
vraag in welke gevallen pensioenregelingen voor werknemers geacht
moeten worden onder de werkingssfeer van artikel 119 EEG-Verdrag te
vallen. Daarvan is onder meer sprake indien de regeling alleen van
toepassing is op werknemers van bepaalde bedrijven of instellingen,
zodat gebondenheid aan de regeling noodzakelijkerwijs voortvloeit uit
de dienstbetrekking met de betrokken werkgever.

De onderhavige pensioenregeling voldoet aan de hiervoor genoemde
criteria. De Commissie stelt op grond van het bovenstaande vast dat de
deelname aan de onderhavige pensioenregeling onder het loonbegrip van
artikel 119 EEG- Verdrag valt en derhalve, op grond van
verdragsconforme interpretatie, binnen de werkingssfeer van artikel
7A:1637ij BW.

4.5. Over de vraag vanaf welk moment de aansluiting bij een
pensioenregeling onder de norm van gelijke behandeling van de WGL en de
opeenvolgende wetgeving valt, overweegt de Commissie als volgt.

Het EG-Hof heeft in de zaken Vroege en Fisscher (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Vroege versus NCIV Instituut voor
Volkshuisvesting BV en Stichting Pensioenfonds NCIV, C-57/93, 28
september 1994, Nemesis 1994 nr 424. Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Fisscher versus Voorhuis Hengelo BV en Stichting
Bedrijfspensioenfonds voor de Detailhandel, C-128/93, 28 september
1994, Nemesis 1994 nr 425) bevestigd dat niet alleen het recht op
uitkering uit hoofde van een bedrijfspensioenregeling, maar ook het
recht op aansluiting daartoe binnen de werkingssfeer van artikel 119
EEG-Verdrag valt en dus wordt bestreken door het in dat artikel
geformuleerde discriminatieverbod. In genoemde uitspraken heeft het
EG-Hof voorts aangegeven dat er voor het recht op aansluiting geen
bijzondere beperking in de tijd geldt, en dat dit recht derhalve vanaf
8 april 1976, de datum van het Defrenne II-arrest (Hof van Justitie der
Europese Gemeenschappen, Defrenne versus Belgische
luchtvaartmaatschappij NV Sabena (II), C-43/75, 8 april 1976, NJ
1976-510) waarin het Hof voor het eerst de rechtstreekse werking van
artikel 119 EEG-Verdrag heeft erkend, kan worden ingeroepen. Het Hof
wijst er echter uitdrukkelijk op, dat recht op aansluiting bij de
pensioenregeling mede betekent dat ook over de betrokken periode
(alsnog) premies moeten worden betaald, ook door de werknemer indien
het pensioenreglement een werknemersbijdrage voorschrijft. Het
bovenstaande betekent dat onderscheid op grond van geslacht met
betrekking tot aansluiting bij een bedrijfspensioenregeling in strijd
is met de wetgeving gelijke behandeling/WGL vanaf 8 april 1976.

Voor wat betreft het standpunt van verzoekster dat voor de werknemer,
de verzekerde, of deelnemer geen verjaringstermijn geldt voor het
vorderen van achterstallig pensioen overweegt de Commissie dat zij
hierover geen oordeel kan uitspreken, omdat het niet haar (wettelijke)
taak is om vast te stellen welke verjaringstermijn naar burgerlijk
recht van toepassing is. Zij kan slechts haar oordeel uitspreken over
de vraag of er een door de wetgeving gelijke behandeling verboden
onderscheid is of wordt gemaakt.

4.6. Vervolgens komt de Commissie toe aan de vraag of de wederpartij in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft gehandeld door
verzoekster van het pensioenreglement uit te sluiten.

Verzoekster meent dat de hantering van een deeltijd criterium als
uitsluitingsgrond voor deelname aan de pensioenregeling, indirect
onderscheid naar geslacht oplevert, aangezien de toepassing daarvan
nadeliger uitwerkt voor vrouwen dan voor mannen. Verzoekster draagt
echter geen concrete cijfers aan ter staving van haar standpunt, maar
stelt dat het uitsluitend dan wel overwegend vrouwen waren die bij de
wederpartij een deeltijd dienstverband hadden. Dit levert volgens haar
een vermoeden van indirect onderscheid op.

De pensioenregeling die tijdens haar dienstverband gold, bepaalde dat
deeltijdwerkers niet aan de pensioenregeling konden deelnemen. In het
arrest van het EG-Hof inzake Vroege wordt in rechtsoverweging 17
gesteld dat wanneer de uitsluiting deeltijdwerkers betreft, artikel 119
van het EEG-Verdrag slechts wordt geschonden wanneer die maatregel een
veel groter aantal vrouwen dan mannen betreft, tenzij de werkgever
aantoont dat bedoelde maatregel haar verklaring vindt in factoren die
objectief gerechtvaardigd zijn en niets van doen hebben met
discriminatie op grond van geslacht. In dit verband wordt verwezen naar
het Bilka-arrest.

4.7. De Commissie heeft de wederpartij gevraagd om een aantal nadere
cijfers over de jaren 1975 tot en met 1983. De wederpartij heeft
slechts een beperkt aantal cijfers overgelegd welke in paragraaf 3.2
zijn vermeld. De Commissie m/v ging bij het beantwoorden van de vraag
of in overwegende mate leden van een geslacht door een bepaalde
regeling nadelig worden getroffen uit van relatieve cijfers, omdat
hierdoor rekening wordt gehouden met het aandeel dat mannen
respectievelijk vrouwen hebben in het personeelsbestand. Bij een
personeelsbestand waarin mannen en vrouwen geen ongeveer gelijk aandeel
hebben zouden absolute aantallen een vertekend beeld kunnen geven (Een
voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen werken en 1000 mannen. Van
de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de mannen ook. In aantallen
werkt onderscheid ten nadele van deeltijdwerkers gelijk uit naar
geslacht, terwijl duidelijk zal zijn dat toch met name de vrouwen
worden getroffen (9 van de 10 respectievelijk 9 van de 1000)). De
Commissie gaat ook in deze zaak uit van relatieve cijfers. Uit de
cijfers blijkt dat er relatief gezien circa 8 keer zoveel vrouwen als
mannen in deeltijd werkten. Door deeltijdwerkers uit te sluiten van de
pensioenregeling worden derhalve acht keer zoveel vrouwen als mannen
nadelig getroffen.

Het vorenstaande is in overeenstemming met het feit van algemene
bekendheid dat er meer vrouwen dan mannen in deeltijd werken. De
Commissie is op grond van bovenstaande gegevens van oordeel dat er een
vermoeden rijst dat de wederpartij indirect onderscheid naar geslacht
maakt.

4.8. Nu een vermoeden van indirect onderscheid is vastgesteld zal
onderzocht moeten worden of er sprake is van een objectieve
rechtvaardigingsgrond. Onder een objectieve rechtvaardigingsgrond
verstaat de Commissie (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 1-90-10, 5 maart 1990. Hof van
Justitie van de Europese Gemeenschappen, Bilka- Kaufhaus versus Weber
von Hartz, C-170/84, 13 mei 1986, JUR 1986-1607; Rinner-Kuhn versus FWW
Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, C-171/88, 13 juli 1989, JUR
1989-2743) – dat onderscheid gemaakt wordt om een objectief
gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn gekozen die
geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken, terwijl – dit
doel niet is te bereiken op andere wijze waarbij geen indirect
onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

De wederpartij heeft als objectieve rechtvaardigingsgrond aangevoerd
dat zij op grond van het Barber-arrest en het Ten Oever-arrest niet
verplicht is om het pensioenreglement met terugwerkende kracht op
verzoekster van toepassing te verklaren. Dit heeft de wederpartij
echter aangevoerd toen het EG-Hof nog geen uitspraak had gedaan in de
arresten Vroege en Fisscher (nl. bij brief van 2 april 1992). Deze
arresten zijn door de Commissie aan verzoekster en de wederpartij
verstuurd. De wederpartij heeft haar standpunten aanvankelijk
gehandhaafd, doch heeft op de zitting erkend dat het EG-Hof (in de
arresten Vroege en Fisscher) ten aanzien van de aansluiting bij een
pensioenregeling heeft geoordeeld dat uitsluiting van deeltijders vanaf
april 1976 ongeoorloofd was.

De wederpartij heeft geen andere specifieke rechtvaardiging aangevoerd
voor het uitsluiten van deeltijders van de pensioenregeling. De door de
wederpartij aangevoerde bedrijfseconomische redenen en maatschappelijke
opvattingen zijn respectievelijk vaag en te algemeen en kunnen evenmin
als objectieve rechtvaardigingsgronden dienen, omdat zij niet aan de
hiervoor gestelde eisen voldoen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het
te Amsterdam in strijd met artikel 1637ij BW oud jegens mevrouw
indirect onderscheid heeft gemaakt naar geslacht door
haar uit te sluiten van deelname aan de pensioenregeling.

Rechters

mw mr L.Y.Goncalves-Ho Kang You (Kamervoorzitter), dhr mr A.W.Heringa (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw mr A.K. deJongh (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was op tijdelijke basis werkzaam bij de wederpartij. Haar
tijdelijke contract werd eenmaal verlengd door middel van een nieuw
tijdelijk contract. Verzoekster stelt dat haar contract niet nogmaals
is verlengd wegens haar zwangerschap. Verzoekster is van mening dat de
wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke behandeling heeft
gehandeld door haar contract niet te verlengen. De Commissie is van
oordeel dat de (niet beschikbaarheid wegens) zwangerschap van
verzoekster een rol heeft gespeeld bij de beslissing om verzoekster
niet opnieuw een tijdelijke aanstelling aan te bieden. De Commissie is
van oordeel dat ook indien zwangerschap niet de doorslaggevende reden
is geweest om een zwangere kandidate niet te benoemen maar slechts een
van de redenen, reeds dan in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling van mannen en vrouwen is gehandeld.

De Commissie stelt tevens afwezigheid of verminderde inzetbaarheid
wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof als een onlosmakelijk en
onvermijdelijk gevolg van de zwangerschap, op een lijn met de
zwangerschap zelf. Onderscheid op grond van beperkte inzetbaarheid om
hiergenoemde reden levert dus direct onderscheid op. Het systeem van de
Wet kent niet de mogelijkheid direct onderscheid naar geslacht door
verwijzing naar (afwezigheid ten gevolge van) zwangerschap te
rechtvaardigen. De Wet maakt het voorts niet mogelijk
rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct onderscheid, anders
dan de in artikel 5 WGB opgenomen uitzonderingen. Deze uitzonderingen
zijn hier niet van toepassing. In verband met het verweer dat de
kabinetchef niet bevoegd zou zijn om beslissingen ten aanzien van
aanstellingen te nemen, overweegt de Commissie dat de kabinetchef
weliswaar formeel niet bevoegd is tot het nemen van dergelijke
beslissingen, maar in de praktijk wel besluiten neemt over de noodzaak
van het al dan niet in dienst nemen of houden van personeel. Het
handelen van de kabinetchef kan dan ook aan de wederpartij worden
toegerekend.
Deze zaak is geschikt. Onkostenvergoeding ƒ 10 000, immateriële
schaevergoeding ƒ 15 000 en outplacement ƒ 20 567,50.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 24 augustus 1994 verzocht mevrouw te
Amsterdam (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid om met spoed haar oordeel uit te
spreken over de vraag of Gedeputeerde Staten van de Provincie
Noord-Holland te Haarlem (hierna: de wederpartij) jegens haar
onderscheid maakt naar geslacht in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

1.2. Verzoekster was op tijdelijke basis werkzaam bij de wederpartij.
Haar tijdelijke contract werd eenmaal verlengd door middel van een
nieuw tijdelijk contract. Verzoekster stelt dat haar contract niet
nogmaals is verlengd wegens haar zwangerschap. Verzoekster is van
mening dat de wederpartij in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling heeft gehandeld door haar contract niet te verlengen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen en het verzoek om spoed
afgewezen. De Commissie heeft vervolgens een onderzoek ingesteld
volgens de normale procedure. Partijen hebben ieder de gelegenheid
gehad hun standpunten toe te lichten.

2.2. Op 1 september 1994 is de Algemene Wet gelijke behandeling in
werking getreden (AWGB; Stb. 1994, 230). De Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is op die datum
opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen aan de op 1
september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie). De Commissie heeft het onderzoek voortgezet.

2.3. De Commissie heeft partijen opgeroepen hun standpunten nader toe
te lichten tijdens een zitting op 28 maart 1995.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – mw mr
J.M. Legeland (advocaat verzoekster)

van de kant van de wederpartij – dhr mr (chef afdeling
Personeel, Organisatie en Informatie) – dhr mr (chef
afdeling Kabinet) – dhr mr (algemeen beleidsmedewerker
afdeling POI) – dhr mr (gemachtigde wederpartij)

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer) – mw mr Y. Telenga
(lid Kamer) – mw mr M.M. Hubner (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als genoemd onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster was van 8 november 1993 tot en met 31 december 1993
werkzaam bij de Centrale Bestuursdienst van de wederpartij, afdeling
kabinet van de Commissaris der Koningin, op basis van een aanstelling
voor bepaalde tijd als ambtenaar. Hierna volgde een tweede tijdelijke
aanstelling, tot 2 april 1994. Verzoekster werd aangesteld als beleids-
medewerkster op het gebied van openbare orde, veiligheid en politie. Op
14 maart 1994 heeft verzoekster in een gesprek met de kabinetchef van
de Commissaris der Koningin (hierna: de kabinetchef) aangegeven dat zij
graag duidelijkheid wilde hebben over haar dienstverband en een
eventuele verlenging daarvan. Zij verzocht vanwege rechtspositionele
redenen ook om een verlenging van tenminste een maand, zodat zij zes,
in plaats van vijf maanden zou hebben gewerkt. De aanstelling van
verzoekster werd echter niet verlengd.

3.2. Op 15 maart 1995 vond een gesprek plaats tussen verzoekster en een
medewerkster van het stafbureau Personeel, Informatie, Organisatie en
Financien (hierna stafbureau PIOF) van de Centrale Bestuursdienst van
de wederpartij. Verzoekster nam na dit gesprek contact op met het
Meldpunt Emancipatie van de provincie. Naar aanleiding daarvan heeft
verzoekster op 25 maart opnieuw met de kabinetchef gesproken. De
wederpartij bleef echter bij haar standpunt ten aanzien van een
verlenging van de aanstelling.

3.3. Na intern overleg tussen de kabinetchef en het hoofd van het
stafbureau PIOF werd eind maart 1994 aan verzoekster meegedeeld dat het
werk voorlopig, tot na de zomervakantie, door de vaste medewerkers
opgevangen zou kunnen worden. Het aantrekken van een nieuwe medewerker
was daardoor niet meer nodig.

3.4. Omdat verzoekster het Meldpunt Emancipatie vroeg een
bemiddelingspoging te ondernemen, vond op 5 april 1994 opnieuw een
gesprek plaats waarbij verzoekster, het hoofd van het stafbureau PIOF
en een vertegenwoordigster van het Meldpunt Emancipatie aanwezig waren.
Hiervan is door het Meldpunt Emancipatie een verslag gemaakt. Uit dit
verslag blijkt dat de kabinetchef de zwangerschap van verzoekster ter
sprake heeft gebracht in verband met haar vraag of haar aanstelling
verlengd zou worden. Partijen zijn door dit gesprek niet nader tot
elkaar gekomen.

3.5. In een besluit gedateerd 25 april 1994 deelde de griffier der
Staten, die formele beslissingsbevoegdheid heeft, aan verzoekster mee
dat haar aanstelling niet verlengd zal worden. Verzoekster heeft op 3
juni 1994 een bezwaarschrift ingediend bij Gedeputeerde Staten tegen
het besluit om het tijdelijk dienstverband niet te verlengen. Naar
aanleiding van dit bezwaarschrift heeft op 22 november 1994 een
hoorzitting plaatsgevonden. Er is negatief op het bezwaarschrift van
verzoekster beslist.

De standpunten van partijen

3.6. Verzoekster stelt dat de wederpartij haar aanstelling niet wilde
verlengen, omdat zij zwanger was en dat hiermee onderscheid naar
geslacht gemaakt is als bedoeld in de wetgeving gelijke behandeling. De
kabinetchef had haar namelijk in het gesprek op 14 maart 1994
meegedeeld dat, indien zij niet zwanger was geweest, haar aanstelling
verlengd zou zijn. Verzoekster betwist dan ook dat er geen vacature
was. Pas in een later stadium, na het gesprek op 14 maart 1994, is aan
de vaste medewerkers gevraagd hoeveel werkzaamheden er nog gedaan
moesten worden en zijn deze over hen verdeeld.

Verzoekster brengt nog naar voren dat zij niet heeft gesteld dat haar
aanstelling er een betrof ter vervanging van een zieke medewerkster.
Zij voert alleen aan dat de werkdruk door de ziekte van de
desbetreffende medewerkster enorm groot was en er daardoor veel werk
lag dat nog gedaan moest worden. Zij betwist bovendien de stelling van
de wederpartij dat de werkzaamheden waarvoor zij was aangesteld,
afgerond waren.

3.7. De wederpartij stelt het volgende. Erkend kan worden dat door de
kabinetchef in de gesprekken op 14 en 25 maart 1994 is opgemerkt dat
verzoekster in verband met zwangerschap en bevalling enige tijd niet
beschikbaar zou zijn voor het verrichten van werk. Het is echter niet
zo, dat dit de reden is geweest om verzoeksters dienstverband te
beeindigen/niet voort te zetten. Het waren zakelijke gronden die aan de
beslissing ten grondslag lagen. Deze zijn ook aan verzoekster
meegedeeld. Er bestond geen behoefte meer aan een extra arbeidskracht
op de afdeling en de aan verzoekster opgedragen tijdelijke
werkzaamheden waren al afgerond.

Dit blijkt ook uit het feit dat een formeel verzoek tot voortgezette
tijdelijke uitbreiding van de formatie niet aan de griffier is
voorgelegd, niet in maart 1994 en ook niet op enig moment daarna. Het
is niet de bevoegdheid van de kabinetchef, maar van de griffier om
beslissingen te nemen omtrent verlenging van een aanstelling.
Geconcludeerd kan worden dat er in die periode geen vacature was,
waardoor er evenmin een door de wetgeving gelijke behandeling verboden
onderscheid gemaakt kan zijn.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij bij haar beslissing om de
tijdelijke aanstelling van verzoekster niet te verlengen heeft laten
meewegen dat verzoekster zwanger was.

4.2. Niet-verlenging van een aanstelling beschouwt de Commissie als een
besluit omtrent de aanstelling. Artikel 1a lid 1 Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen (WGB; Stb. 1989. 168) schrijft voor
dat in de openbare dienst het bevoegd gezag geen onderscheid mag maken
tussen mannen en vrouwen bij de aanstelling tot ambtenaar.

In artikel 1 WGB is bepaald dat onder onderscheid tussen mannen en
vrouwen wordt verstaan direct en indirect onderscheid. Onder direct
onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap.

4.3. De Commissie stelt allereerst vast dat door verzoekster is gesteld
en door wederpartij niet betwist, dat in het gesprek op 14 maart 1994
de zwangerschap ter sprake is gekomen in relatie tot de beschikbaarheid
voor het werk.

In de tweede plaats komt de stelling van de wederpartij dat er geen
verlenging van de tijdelijke aanstelling is verleend vanwege de enkele
grond dat er geen extra arbeidskracht nodig was, niet overtuigend over.
Op de vraag van verzoekster of haar aanstelling verlengd zou worden,
heeft de kabinetchef immers niet volstaan met het antwoord, dat er geen
werkzaamheden meer te verrichten waren.

De Commissie is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de (niet
beschikbaarheid wegens) zwangerschap van verzoekster een rol heeft
gespeeld bij de beslissing om verzoekster niet opnieuw een tijdelijke
aanstelling aan te bieden.

De Commissie is van oordeel dat ook indien zwangerschap niet de
doorslaggevende reden is geweest om een zwangere kandidate niet te
benoemen maar slechts een van de redenen, reeds dan in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen is gehandeld (Zie
onderstaande oordelen van de Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid waarin deze uitsprak dat ook als zwangerschap
een van de redenen en niet de enige reden voor het gemaakte onderscheid
is, dit strijd met de Wet oplevert. Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 42-89-13, 18 oktober
1990, oordeelnummer 172-90-31, 8 mei 1990, oordeelnummer 518-92-37, 23
juni 1992). De Commissie stelt tevens afwezigheid of verminderde
inzetbaarheid wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof als een
onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg van de zwangerschap, op een lijn
met de zwangerschap zelf (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 449-93-24, 21 juni 1993,
oordeelnummer 421-92-59, 17 november 1992, oordeelnummer 438-91-68, 2
oktober 1991, oordeelnummer 158-90-134, 17 september 1990,
oordeelnummer 172-90-31, 8 mei 1990). Onderscheid op grond van beperkte
inzetbaarheid om hiergenoemde reden levert dus direct onderscheid op.
Het systeem van de Wet kent niet de mogelijkheid direct onderscheid
naar geslacht door verwijzing naar (afwezigheid ten gevolge van)
zwangerschap te rechtvaardigen (De Hoge Raad heeft zich hierover in
genoemde zin uitgesproken in de zaak Dekker, in navolging van de
uitspraak van het EG-Hof in dezelfde zaak. Hoge Raad, Dekker versus
Stichting Vormingscentrum voor Jong Volwassenen, 13 september 1991, NJ
1992, 855. Zie in dezelfde zaak Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen, Dekker versus Stichting Vormingscentrum voor Jong
Volwassenen, zaaknummer C-177/88, 8 november 1990. Zie tevens Hof van
Justitie der Europese Gemeenschappen, Webb versus E.M.O. Air Cargo
Ltd., zaaknummer C-32/93, 14 juli 1994, RN 1994-423). De Wet maakt het
voorts niet mogelijk rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct
onderscheid, anders dan de in artikel 5 WGB opgenomen uitzonderingen.
Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

In verband met het verweer dat de kabinetchef niet bevoegd zou zijn om
beslissingen ten aanzien van aanstellingen te nemen, overweegt de
Commissie dat de kabinetchef weliswaar formeel niet bevoegd is tot het
nemen van dergelijke beslissingen, maar in de praktijk wel besluiten
neemt over de noodzaak van het al dan niet in dienst nemen of houden
van personeel. Het handelen van de kabinetchef kan dan ook aan de
wederpartij worden toegerekend.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat Gedeputeerde Staten van
de Provincie Noord-Holland te Haarlem jegens mevrouw
te Amsterdam in strijd met de wetgeving gelijke behandeling onderscheid
naar geslacht heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1a Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr mr W.A. vanVeen (lid Kamer), mw mr Y. Telenga (lid Kamer), mw mr M.M. Hubner(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 23 mei 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam als documentatiebeheerder.
Die functie verviel, waarna verzoekster enige tijd optrad als vervanger
van een scholingscoordinator. Voor deze functie bestond een vacature.
Verzoekster is van mening dat zowel het niet verlengen van haar functie
als vervanger als het niet in aanmerking komen voor de functie van
coordinator als reden hadden dat zij zwanger was. Daarmee is volgens
haar gehandeld in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen. De wederpartij heeft op grond van de verminderde
beschikbaarheid verzoekster niet in aanmerking laten komen voor de
tijdelijke vervanging.

Met betrekking tot afwezigheid of verminderde inzetbaarheid als gevolg
van een zwangerschap en/of bevalling heeft de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid herhaalde malen
uitgesproken dat dit een onlosmakelijk en onvermijdelijk gevolg is van
de zwangerschap en daardoor op een lijn te stellen is met de
zwangerschap zelf. De Commissie onderschrijft dit standpunt. Het
niet-verlengen van de vervangingsfunctie op grond van beperkte
inzetbaarheid levert dus direct onderscheid op.

De Commissie merkt op dat een verbod op het maken van onderscheid bij
verminderde inzetbaarheid vanwege zwangerschap en bevalling in geval
van werkzaamheden met een tijdelijk karakter de vraag oproept of de
grens geraakt wordt van wat de WGB beoogt te beschermen. De Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid overwoog ten
aanzien hiervan dat de Wet een duidelijke norm stelt ten aanzien van
direct onderscheid op grond van zwangerschap en bevalling zonder
uitzonderingen. De positie van zwangere vrouwen is nog steeds zeer
kwetsbaar en het gebruik van tijdelijke aanstellingen en andere
flexibele arbeidsrelaties is zo wijdverbreid, dat een uitzondering op
het verbod om onderscheid te maken door verwijzing naar zwangerschap te
zeer de bescherming van de Wet op dit punt zou ontnemen.

De communautaire en Nederlandse wetgever willen de zwangere vrouw een
duidelijke bescherming bieden tegen onderscheid in het arbeidsproces.
Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie ten aanzien van het
niet voortzetten van het tijdelijk dienstverband van verzoekster, dat
de wederpartij in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling door onderscheid te maken als bedoeld in artikel 1a lid 1
van de WGB. De Commissie acht het bovendien aannemelijk, dat de
zwangerschap van verzoekster een rol heeft gespeeld bij het vervullen
van de vacature voor de functie van scholingscoordinator.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 20 maart 1994 verzocht mevrouw te Amsterdam
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de vraag of het
College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam
(hierna: de wederpartij) jegens haar heeft gehandeld in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

Verzoekster was bij de wederpartij werkzaam als documentatiebeheerder.
Die functie verviel, waarna verzoekster enige tijd optrad als vervanger
van een scholingscoordinator. Voor deze functie bestond een vacature.
Verzoekster is van mening dat zowel het niet verlengen van haar functie
als vervanger als het niet in aanmerking komen voor de functie van
coordinator als reden hadden dat zij zwanger was. Daarmee is volgens
haar gehandeld in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en
vrouwen (WGB: Stb. 1989, 168).

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de
arbeid heeft het verzoek in behandeling genomen. Op 1 september 1994 is
de Algemene Wet gelijke behandeling in werking getreden (AWGB). De
Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid is op
die datum opgeheven en vervangen door de Commissie gelijke behandeling.
Deze commissie (hierna: de Commissie) heeft het onderzoek voortgezet.

2.2. Partijen zijn opgeroepen zijn voor een zitting op 28 maart 1995.

2.3. Bij deze zitting waren aanwezig: van de kant van verzoekster – mw
(verzoekster) – mw mr J.M. Legeland (advocaat)

van de kant van de wederpartij – mw (hoofd afdeling Buro
Scholingsinformatie) – mw (juridisch medewerker
hoofdafdeling P&O/BIR) – dhr (personeelsadviseur en lid
selectie-commissie)

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw mr Y. Telenga (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen
(lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is op 1 september 1988 in dienst getreden bij de
wederpartij in de functie van documentatiebeheerder voor een bepaald
project. Het project is per 31 december 1991 opgeheven. Zij werkte op
basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten tot 1 januari 1993.

In het najaar van 1991 en in het voorjaar van 1992 is verzoekster door
de wederpartij gevraagd de functie van scholingscoordinator te
vervullen. Geen van beide keren is dit geschied. Eind april 1992 is
verzoekster op eigen verzoek de ondersteuning aangeboden van een extern
outplacementbureau, op kosten van de wederpartij. Deze ondersteuning
ging uiteindelijk niet door vanwege het salarisniveau van verzoekster.

De verlenging van de vervangingsfunctie

3.2. Op verzoek van het afdelingshoofd heeft verzoekster in de periode
september tot eind december 1992 waargenomen in de functie van
scholingscoordinator. Zij ontving hiervoor een waarnemingstoelage.

Eind augustus of begin september 1992 heeft het afdelingshoofd
verzoekster gevraagd of zij voor een langere periode wilde waarnemen,
namelijk tot in de eerste maanden van 1993. In een brief d.d. 9
december 1992 constateert de directeur van de Gemeentelijke Sociale
Dienst dat verzoekster enthousiast reageerde maar daarbij meldde, dat
zij vanaf begin/medio februari 1993 met zwangerschaps- en
bevallingsverlof zou gaan. Genoemde brief stelt tevens: ‘Gezien het
feit, dat het ging om een tijdelijke vervanging in de eerste maanden
van 1993 ligt het naar mijn mening niet voor de hand om dan te kiezen
voor een medewerker(st)er, die naar alle waarschijnlijkheid in die
periode gedurende een termijn van zestien weken niet beschikbaar zal
zijn. Als het was gegaan om de structurele vervanging van een vacature
zou dat uiteraard anders zijn geweest.’

De vacaturevervulling

3.3. De wederpartij heeft twee vacatures scholingscoordinator waarvoor
intern via het interne uitzendbureau GSD en de Sociale Dienst Krant
wordt geworven. Verzoekster heeft in juni 1992 aan collega’s gevraagd
of zij daarbij mee kon solliciteren. Zij kon echter niet meedingen
omdat de vacatures alleen openstonden voor mensen met een vaste
aanstelling.

In juli 1992 wordt extern geworven via een personeelsadvertentie in De
Volkskrant, waarbij de wederpartij kandidaten oproept voor twee
vacatures scholingscoordinator/accountmanager. Bij de functie-eisen
wordt onder meer genoemd: – universitair niveau op relevant vakgebied;
– kennis en/of ervaring op het terrein van de beroepsgerichte scholing
en de arbeidsmarkt; – in staat zijn zowel zelfstandig als in
teamverband projecten op te zetten; – in staat zijn (educatieve)
ontwerpen te maken, gericht op kwaliteitsverbetering van de
taakuitvoering; – ervaring in onderhandelen. Verzoekster heeft naar
aanleiding van deze advertentie niet gesolliciteerd.

In augustus 1992 werden drie personen geselecteerd (er was inmiddels
een derde vacature ontstaan), van wie zich echter twee mensen
terugtrokken. Daarna zijn intern de functie-eisen gewijzigd in die zin,
dat verder geselecteerd werd op onderwijsdeskundigen. Vanwege de twee
resterende vacatures werd uit de eerste lichting kandidaten een nieuwe
selectie gemaakt. De gespreksronde met deze kandidaten vond plaats
midden september en begin oktober 1992. Uiteindelijk zijn twee personen
aangenomen, waarvan een onderwijskundige.

3.4. Verzoekster heeft begin en medio september 1992 gevraagd of zij
mee kon dingen in de procedure voor de functie van
scholingscoordinator. Bij het eerste onderzoek werd haar door het
afdelingshoofd te kennen gegeven dat dit niet mogelijk was: gezocht
werd naar mensen met een onderwijskundige achtergrond. Het tweede
verzoek vond plaats tussen de eerste en de tweede gespreksronde met de
nieuwe kandidaten. Verzoekster werd medegedeeld, dat deze procedure
werd beschouwd als voortzetting van de eerdere procedure en het niet
fair werd geacht nu nieuwe kandidaten toe te voegen.

In laatstbedoeld gesprek van verzoekster met het afdelingshoofd is wel
de toezegging gedaan dat, wanneer niet twee geschikte personen gevonden
zouden worden, verzoekster aangenomen zou worden.

3.5. Verzoekster heeft geprotesteerd tegen het feit dat zij niet in de
functie van scholingscoordinator is aangenomen. De directeur GSD geeft
in een brief van 9 december 1992 aan niet tot de conclusie te zijn
gekomen, dat verzoekster ten onrechte niet in de functie van
scholingscoordinator is benoemd. Het verzoek om herziening van de
beslissing van de directeur GSD is door het college van Burgemeester en
Wethouders afgewezen. Verzoeksters bezwaren zijn ongegrond verklaard.

De standpunten van partijen

De verlenging van de vervangingsfunctie

3.6. Verzoekster stelt dat zij op 31 augustus 1992 het afdelingshoofd
in kennis stelde van haar zwangerschap. Deze reageerde daarop zeer
negatief. Het afdelingshoofd zou hebben gevraagd waarom zij nog een
kind wilde en hebben gezegd dat zij zeker ook nog ouderschapsverlof zou
willen opnemen. Over verlenging van het arbeidscontract is daarna ten
gevolge van de zwangerschap niet meer gesproken. Daarmee is onderscheid
naar geslacht is gemaakt als bedoeld in de wetgeving gelijke
behandeling.

3.7. De wederpartij stelt dat verzoekster wist dat haar aanstelling
slechts tijdelijk zou zijn en dat er gezocht werd naar een definitief
aan te stellen medewerker. Daarnaast stelt de wederpartij dat het,
gezien het feit dat het ging om een tijdelijke vervanging die doorliep
in de eerste maanden van 1993, niet voor de hand lag om te kiezen voor
een medewerk(st)er, die naar alle waarschijnlijkheid in die periode
gedurende een termijn van zestien weken niet beschikbaar zal zijn. Als
het was gegaan om een structurele vervulling van een vacature zou dit
anders zijn geweest.

De vacaturevervulling

3.8. Ten aanzien van de sollicitatieprocedure voor de functie als
scholingscoordinator stelt verzoekster eerst via de GSD-krant d.d. 19
juni 1992 hiervan op de hoogte te zijn gebracht. Verzoekster kon niet
meesolliciteren in deze fase omdat zij geen vaste aanstelling had. Ook
wilde verzoekster de eer aan zichzelf houden: zij was reeds twee keer
(in het najaar van 1991 en het voorjaar van 1992) gevraagd voor de
functie en beide keren was, ondanks het feit dat zij te kennen had
gegeven de functie te ambieren, er niet meer op teruggekomen. Dit is
ook de reden waarom zij niet solliciteerde bij de externe werving.

In september 1992 heeft verzoekster tot tweemaal toe gevraagd of zij
mee kon dingen naar de functie. Het afdelingshoofd gaf aan dat dit niet
mogelijk was, omdat alleen onderwijskundigen in aanmerking zouden
komen. Uiteindelijk is echter naast een onderwijskundige iemand benoemd
die is afgestudeerd in de archeologie, hetgeen verzoekster niet vindt
rijmen met de eis van onderwijskundige. Bovendien heeft het
afdelingshoofd tegen haar gezegd dat twee onderwijskundigen waren
aangenomen.

Verzoekster concludeert uit het bovenstaande dat zij niet mocht
meedingen in de sollicitatieprocedure voor de functie
scholingscoordinator omdat zij zwanger was. Verzoekster is van mening
dat de wederpartij hiermee heeft gehandeld in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling.

3.9. De wederpartij bestrijdt dat verzoekster bij voortduring te kennen
heeft gegeven de functie van scholingscoordinator te willen vervullen
en voert daartoe het volgende aan.

In de eerste plaats heeft verzoekster bij eerdere vacatures, waarbij
zij was gepolst voor de vervulling daarvan, aangegeven geen
belangstelling te hebben. Omdat verzoekster aangaf alleen in haar eigen
vakgebied een baan te willen, is door de wederpartij, op verzoek van
verzoekster, eind april 1992 outplacement aangeboden.

In de tweede plaats stelt de wederpartij dat verzoekster niet heeft
gereageerd op de oproepen in de formele sollicitatieprocedure voor de
nieuwe vacatures voor de functie van scholingscoordinator, noch op
andere wijze heeft laten blijken geinteresseerd te zijn in de functie
van scholingscoordinator. Pas op 14 september 1992, toen de wederpartij
op de hoogte werd gesteld van de zwangerschap, heeft verzoekster
aangegeven toch genteresseerd te zijn. Kennelijk omdat zij van het
uitzendbureau had gehoord binnenkort niet meer bemiddelbaar te zijn in
verband met haar zwangerschap. Doordat verzoekster gedurende negen
maanden heeft aangegeven de functie niet te willen hebben, was de
organisatie verplicht extern te gaan werven.

Ten aanzien van de stelling van verzoekster dat een van de twee
aangenomen personen geen onderwijskundige is, stelt de wederpartij dat
de opleidingsachtergrond van verzoekster niet vergelijkbaar is met de
bredere opleidingsachtergrond en de ruime relevante werkervaring van
degene die benoemd is op de onderhavige functie. Laatstbedoelde heeft
een opleiding archeologie met daarbij relevante theoretische en
praktijkkennis: aantekening didactiek en een afgeronde studie
bedrijfskunde alsmede ruime werkervaring als coordinator opleidingen
bij een centrum voor beroepseducatie.

De eerstvolgende vacature bij Buro Scholingsinformatie is verzoekster
op 15 februari 1993 overigens wel aangeboden. Het betrof een functie in
dezelfde loongroep als die waarin verzoekster gedurende 4,5 jaar
werkzaam was geweest.

Op grond van bovenstaande zegt de wederpartij geen onderscheid te
hebben gemaakt op grond van zwangerschap in de sollicitatieprocedure
voor scholingscoordinator. Het feit dat verzoekster op 14 september
1992 meedeelde dat ze zwanger was, heeft geen rol gespeeld in de
procedure.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster
onderscheid naar geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling met betrekking tot 1) de verlenging van de
vervanging van de scholingscoordinator; 2) de sollicitatieprocedure
voor de functie van scholingscoordinator.

De verlenging van de vervangingsfunctie

4.2. Artikel 1a lid 1 van de WGB schrijft voor dat in de openbare
dienst het bevoegd gezag geen onderscheid mag maken tussen mannen en
vrouwen bij de aanstelling tot ambtenaar, de indienstneming op
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en bij de arbeidsvoorwaarden.
De niet-verlenging van een tijdelijke aanstelling beschouwt de
Commissie als een besluit omtrent de aanstelling.

In artikel 1 van de WGB is bepaald dat onder onderscheid tussen mannen
en vrouwen wordt verstaan direct en indirect onderscheid. Onder direct
onderscheid wordt mede verstaan onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap. De Wet maakt het niet mogelijk
rechtvaardigingsgronden aan te voeren voor direct onderscheid anders
dan de in de Wet (artikel 1a lid 3 en artikel 5 WGB) opgenomen
uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing.

4.3. De wederpartij heeft op grond van de verminderde beschikbaarheid
verzoekster niet in aanmerking laten komen voor de tijdelijke
vervanging. Met betrekking tot afwezigheid of verminderde inzetbaarheid
als gevolg van een zwangerschap en/of bevalling heeft de Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid herhaalde malen
uitgesproken (Zie onder andere Commissie gelijke behandeling van mannen
en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 421-92-59, 17 november 1992 en
oordeelnummer 449-93-24, 21 juni 1993), dat dit een onlosmakelijk en
onvermijdelijk gevolg is van de zwangerschap en daardoor op een lijn te
stellen is met de zwangerschap zelf. De Commissie onderschrijft dit
standpunt. Het niet-verlengen van de vervangingsfunctie op grond van
beperkte inzetbaarheid levert dus direct onderscheid op.

De Commissie merkt op dat een verbod op het maken van onderscheid bij
verminderde inzetbaarheid vanwege zwangerschap en bevalling in geval
van werkzaamheden met een tijdelijk karakter de vraag oproept of de
grens geraakt wordt van wat de WGB beoogt te beschermen. De Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid overwoog ten
aanzien hiervan (Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen
bij de arbeid, oordeelnummer 438-91-68, 2 oktober 1991) dat de Wet een
duidelijke norm stelt ten aanzien van direct onderscheid op grond van
zwangerschap en bevalling zonder uitzonderingen. De positie van
zwangere vrouwen is nog steeds zeer kwetsbaar en het gebruik van
tijdelijke aanstellingen en andere flexibele arbeidsrelaties is zo
wijdverbreid, dat een uitzondering op het verbod om onderscheid te
maken door verwijzing naar zwangerschap te zeer de bescherming van de
Wet op dit punt zou ontnemen. De communautaire en Nederlandse wetgever
willen de zwangere vrouw een duidelijke bescherming bieden tegen
onderscheid in het arbeidsproces. Dit is bevestigd door zowel het
EG-Hof van Justitie als door de Hoge Raad (Hoge Raad, Dekker versus
Stichting VJV-Centrum, 13 september 1991. In deze zaak is ook een
arrest gewezen door het Hof van Justitie der Europese Gemeenschappen,
C-177/88, 8 november 1990. Zie tevens het Hof van Justitie der Europese
Gemeenschappen in de zaak Webb, 14 juli 1995. Dit arrest betrof de
zwangerschap van appellante, die was aangesteld in een
vervangingsfunctie, ontstaan door zwangerschap. Het Hof van Justitie
der Europese Gemeenschappen stelt onder meer, dat ontslag wegens
zwangerschap directe discriminatie is en niet kan worden
gerechtvaardigd met een beroep op het feit dat de werkneemster niet
beschikbaar is tijdens de periode waarvoor zij is aangenomen).

Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie ten aanzien van het
niet voortzetten van het tijdelijk dienstverband van verzoekster, dat
de wederpartij in strijd heeft gehandeld met de wetgeving gelijke
behandeling door onderscheid te maken als bedoeld in artikel 1a lid 1
van de WGB.

De vacaturevervulling

4.4. Artikel 3 lid 1 van de WGB schrijft onder meer voor, dat het niet
is toegestaan bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen.

4.5. De Commissie stelt vast dat, ofschoon verzoekster niet naar
aanleiding van de advertentie voor scholingscoordinator in de
Volkskrant heeft gesolliciteerd, zij zowel voordien (in juni 1992 bij
de interne werving) aan collega’s te kennen heeft gegeven de functie te
ambieren als nadien (in september 1992) twee maal bij de wederpartij
heeft verzocht te mogen meedingen.

De Commissie neemt op grond van de brief van de directeur GSD d.d. 9
december 1992 aan dat verzoekster eind augustus 1992, toen de
wederpartij haar polste voor de verlenging van de vervangingsfunctie,
de wederpartij in kennis heeft gesteld van haar zwangerschap. Toen
verzoekster in september verzocht in de sollicitatieprocedure te mogen
worden opgenomen was de wederpartij derhalve op de hoogte van haar
zwangerschap.

Het argument van de wederpartij om verzoekster bij haar eerste verzoek
te mogen meedingen niet toe te laten tot de procedure, namelijk dat men
onderwijskundigen zocht, acht de Commissie niet overtuigend.
Uiteindelijk is immers iemand aangesteld die niet aan deze vereiste
kwalificatie voldoet. Het verweer van de wederpartij dat deze persoon
volgens haar meer dan verzoekster voldoet aan de inhoud van de
functie-eis is relevant bij een vergelijking van kandidaten en de
uiteindelijke selectie. In casu is echter niet de vraag aan de orde of
verzoekster de meest geschikte kandidaat was, maar de vraag of zij als
kandidaat in de procedure kon worden opgenomen. Uit het feit dat
verzoekster reeds eerder door de wederpartij voor de functie van
scholingscoordinator was benaderd en dat verzoekster was toegezegd de
functie te mogen vervullen indien geen twee geschikte kandidaten zouden
worden gevonden blijkt dat verzoekster zeker niet bij voorbaat
ongeschikt was. Daarbij komt nog dat in de advertentie niet de eis van
onderwijskundige is gesteld.

Ook indien zwangerschap niet de enige reden is geweest maar slechts een
van de redenen om verzoekster niet te laten mee solliciteren, wordt
onderscheid gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
(Commissie gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid,
oordeelnummer 172-90-31, 8 mei 1990, oordeelnummer 518-92-37, 23 juni
1992, oordeelnummer 607-93-29, 26 juli 1993, oordeelnummer 575-93-33,
16 september 1993).

Gelet op het bovenstaande acht de Commissie het aannemelijk, dat de zwangerschap van verzoekster een rol heeft gespeeld bij het vervullen
van de vacature voor de functie van scholingscoordinator.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat het College van Burgemeesters en Wethouders te Amsterdam jegens mevrouw
te Amsterdam

1) ten aanzien van de niet-verlenging van de waarnemingsfunctie in strijd met de wetgeving gelijke behandeling onderscheid heeft gemaakt
als bedoeld in artikel 1a lid 1 van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen;

2) ten aanzien van de vacaturevervulling van de functie van scholingscoordinator in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
onderscheid heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw mr Y. Telenga(lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw mr G.L.M. Lenssen(secretaris Kamer)

Instantie: Rechtbank Groningen, 19 mei 1995

Instantie

Rechtbank Groningen

Samenvatting


Eiseres vordert schadevergoeding van de gemeente omdat zij is verkracht
door een man die zojuist was ontsnapt uit een politiecel. Hij was in
verzekering gesteld op verdenking van een andere verkrachting. Uit het
ontsnappingsrapport blijkt dat het traliewerk niet afdoende was
afgesloten. De vordering van eiseres wordt afgewezen omdat de tekortkoming
van de gemeente voor wat betreft de beveiliging van het politiebureau een
tekortkoming is in de verplichtingen die de gemeente heeft jegens de
staat. Het handelen in strijd met de zorgvuldigheidsnorm betreft een norm
van algemene strekking en beschermt niet tegen de schade van een
individuele burger. Er is een schikking tot stand gekomen voor een bedrag
van ƒ 5.000,- .

Volledige tekst

Procesgang

Eiseres, hierna te noemen F, heeft op de bij dagvaarding geformuleerde
gronden geconcludeerd voor eis bij vonnis, voorzoveel mogelijk uitvoerbaar
bij voorraad, gedaagde, hierna te noemen de gemeente, te veroordelen aan
F te betalen de somma van ƒ 35.000,= met rente, met veroordeling van de
gemeente in de kosten van het geding.

De gemeente heeft geantwoord met conclusie tot afwijzing van het
gevorderde, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van F in de kosten
van deze procedure.

Partijen hebben respectievelijk gerepliceerd en gedupliceerd en vervolgens
de stukken overgelegd voor vonnis.

Rechtsoverwegingen

de vaststaande feiten

1. F is op donderdag 16 juni 1988 omstreeks 04.00 uur ’s ochtends het
slachtoffer geworden van een zedendelict gepleegd door G, die terzake van
het plegen van dit delict inmiddels onherroepelijk veroordeeld is door de
strafrechter. G was op 12 juni 1988 ontsnapt uit de ophoudruimte van het
politiebureau te Stadskanaal, waar hij ingesloten was in het kader van een
voorlopige hechtenis, bevolen door de rechtbank te Groningen, dit op grond
van het feit dat hij werd verdacht van brandstichting en verkrachting. G
heeft kunnen ontsnappen doordat de borgpennen van het getraliede raam niet
in het kozijn waren gedraaid, zodat hij het raam kon openen en daaruit kon
klimmen.

het standpunt van F

2. De gemeente is ernstig te kort geschoten in haar taak G op een zodanige
wijze te bewaken dat hij niet kon ontsnappen. Deze verregaande
onzorgvuldigheid is onrechtmatig jegens F. G zat in voorarrest onder meer
wegens vrees voor herhaling, zodat de gemeente had kunnen voorzien,
althans rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat G na zijn
ontsnapping een nieuw zedendelict zou plegen.

F heeft tengevolge van het onrechtmatige handelen van de gemeente ernstige
psychische schade geleden welke zij begroot op ƒ 35.000,= en waarvoor zij
de gemeente aansprakelijk houdt.

het standpunt van de gemeente

3. G verbleef in de ophoudruimte van het politiebureau te Stadskanaal op
grond van een door de gemeente met de Staat gemaakte afspraak. Voorzover
moet worden aangenomen dat de gemeente te kort is geschoten bij de
uitvoering van een bij de Nederlandse Staat berustende taak dient F zich
te wenden tot de Staat.

Met het algemeen belang dat de Staat heeft bij een goede strafvervolging
en rechtspleging, waaronder de voorlopige hechtenis moet worden begrepen,
kan niet worden gelijkgesteld het privebelang van de inidividuele burger.

Het niet-uitdraaien van de pennen is niet onrechtmatig, maar voorzover dit
toch moet worden beschouwd als het overtreden van een norm, strekte deze
norm niet tot bescherming van het individuele belang van eiseres.

Er is geen causaal verband tussen het niet-uitdraaien van de borgpennen
en de verkrachting van F door G. Na reguliere beeindiging van de
voorlopige hechtenis zou G even goed in staat geweest zijn het delict te
plegen. Het delict was in redelijkheid niet te voorzien, en het behoort
niet tot de risicosfeer van de gemeente.

De gemeente betwist gemotiveerd de hoogte van de gestelde schade.

Beoordeling van het geschil 4.1 Gezien het feit dat de beweerde
onrechtmatige daad is gepleegd in 1988 en aangenomen kan worden dat de
schade vanaf dat moment is ingetreden dienen de vorderingen van F te
worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 januari 1992 geldende recht.

4.2 Ook voor 1 januari 1992 gold, zoals thans neergelegd in artikel 6:163
BW, dat geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de
geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de
benadeelde die heeft geleden. De vraag is derhalve of de gemeente ten
opzichte van F een dergelijke norm heeft geschonden. De stellingen van F
in dit verband komen er op neer, dat op een gemeente, die op verzoek van
de Staat voorlopig gedetineerden in haar politiebureau laat verblijven,
de verplichting rust de maatschappij – en dus ook F – te beschermen tegen
(verdere) misdrijven.

4.3 De rechtbank overweegt allereerst dat G zich niet in de ophoudruimte
van het politiebureau bevond krachtens een op de gemeente rustende
wettelijke verplichting tot gevangenhouding, maar krachtens een afspraak
van de gemeente met de Staat, waarbij de gemeente, ten behoeve van
justitie, ruimte in haar politiebureau ter beschikking heeft gesteld als
tijdelijke verblijfplaats voor voorlopig gedetineerden. Deze afspraak
brengt naar het oordeel van de rechtbank voor de gemeente de verplichting
met zich mee zorg te dragen voor een zo goed mogelijke beveiliging van die
ruimte. Schending van die verplichting kan echter, gezien het
voorafgaande, niet worden gezien als schending van een op de gemeente
rustende wettelijke verplichting, maar moet allereerst worden beschouwd
als een tekortkoming door de gemeente in haar verplichtingen jegens de
Staat.

4.4 Voorzover moet worden aangenomen, dat er naast de contractuele
verplichting sprake is van een zorgvuldigheidsnorm welke de overheid, en
i.c. ook de gemeente, bij de gevangenhouding van voorlopig gedetineerden
in acht dient te nemen, heeft deze norm naar het oordeel van de rechtbank
een algemene strekking, te weten het algemeen belang van een behoorlijke
rechtshandhaving en rechtspleging, en strekt deze niet tot bescherming
tegen schade welke een individuele burger als F heeft geleden.

4.5 Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering
van F moet worden afgewezen. Zij dient, als de in het ongelijk gestelde
partij, te worden veroordeelt in de kosten van deze procedure.

Beslissing

de rechtbank:

1. wijst af de vorderingen van F;

2. veroordeelt F in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak
aan de zijde van de gemeente begroot op ƒ 585,= aan verschotten en op ƒ
1420,= aan salaris. Deze zaak is gegarandeerd door het proefprocessenfonds
Rechtenvrouw.

Noot De Groningse rechtbank liet de vordering stranden op een uiterst
strikte toepassing van de relativiteitseis, in 1988 nog een
jurisprudentiele toetssteen, maar intussen gecodificeerd in artikel 6:163
BW: ‘Geen verplichting tot schadevergoeding bestaat, wanneer de geschonden
norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die
heeft geleden’.

De vraag is welke norm hier geschonden is of, liever gezegd, was, want
toen de schurk ontsnapte schreven wij 12 juni 1988 en was de gemeentelijke
zorgplicht voor het politie-apparaat nog vervat in de Politiewet van 1957.
Die is intussen vervangen door de Politiewet van 1993. Artikel 3 van de
oude Politiewet 1957 bepaalde, dat het beheer van de gemeentepolitie
berustte bij de burgemeester. Thans berust het beheer over de regionale
politiekorpsen bij de korpsbeheerder, dat is de burgemeester van de
belangrijkste gemeente in de politieregio’s (zie art. 24 Politiewet 1993).
Onder de beheerstaak van de burgemeester valt zeker de zorg voor
kwalitatief goede politiebureaus. De burgemeester van Stadskanaal had er
dus eenvoudigweg voor te zorgen dat de gebouwen van ‘zijn’ gemeentepolitie
in goede staat verkeerden, met andere woorden, dat daar waar tralies waren
aangebracht die ook behoorlijk vast zaten.

Door het traliewerk te verwaarlozen had de burgemeester dus niet voldaan
aan zijn uit art. 3 Politiewet 1957 vervatte rechtsplicht om dat in orde
te houden. Het behoeft weinig fantasie om te bedenken dat dit wetsartikel
niet zozeer geschreven was om particuliere belangen van individuele
justitiabelen te beschermen als wel de verantwoordelijkheid voor het
beheer over de gemeentepolitie vast te leggen. De Groningse rechtbank
beschouwde echter art. 3 van de oude Politiewet niet als de geschonden
norm (althans, dat blijkt niet uit de uitspraak), maar zocht die in de
overeenkomst tussen de gemeente Stadskanaal en de Staat (bedoeld wordt:
het ministerie van Justitie), waarbij de gemeente zich verplichtte tot het
gevangen houden van de betrokken verdachte en de Staat (al blijkt dat niet
uit de tekst van het vonnis) daar een geldelijke vergoeding tegenover
zette.

Deze praktijk vloeide voort uit het destijds al bestaande cellentekort.
Politiebureaus boden (en bieden) tegen een dagvergoeding ‘gastvrijheid’
aan preventief gehechten die eigenlijk in een huis van bewaring thuishoren
(op 7 maart 1996 bedroeg die dagvergoeding ƒ 176,-; bron: de afdeling
voorlichting van het politiebureau te Maastricht). Een overeenkomst strekt
in beginsel slechts partijen tot ‘wet’ en de onderhavige ‘wet’ bedoelde
naar de mening van de Groningse rechtbank niet de particuliere belangen
van eiseres te beschermen. In het arrest, dat onder de naam ‘De Tilburgse
tandartsen’ bekend is geworden (HR 17 januari 1958, NJ 1961, 568) heeft
de Hoge Raad conform de conclusie van Procureur-Generaal Langemeijer
overwogen dat behalve een wettelijke norm (in casu art. 3 van de oude
Politiewet of de ‘wet’, belichaamd in de overeenkomst tussen Stadskanaal
en de Staat) ook een ongeschreven norm (die in dit geval betrokken is op
het belang van eiseres) kan zijn overtreden.

En dat was nu juist het standpunt van eiseres, waar die stelde dat de
onzorgvuldigheid van de gemeente haar schade had berokkend. De bewering
van Groningse rechtbank, dat de wanprestatie geen onrechtmatige daad
jegens eiseres oplevert is uiterst zwak gemotiveerd met de stelling dat
de geschonden norm slechts een algemene strekking had ’te weten het
algemeen belang van een behoorlijke rechtshandhaving en rechtspleging’ en
niet strekte tot bescherming tegen schade welke eiseres had geleden. De
rechtbank had op zijn minst moeten aangeven waarom die norm niet mede tot
bescherming van haar individuele recht op lichamelijke integriteit
strekte, want dat is volgens de genoemde ‘correctie-Langemeijer’ zeer goed
denkbaar.

Of rechtshandhaving en rechtspleging behoorlijk zijn blijkt slechts uit
het concrete doen en laten van de overheid. Alleen door de overheid op de
vingers te tikken (in dit geval civielrechtelijk aansprakelijk te achten)
waar het in concreto mis gaat, is het mogelijk te streven naar een
behoorlijke rechtshandhaving en rechtspleging in abstracto. Dat betekent
dat de rechter niet te gemakkelijk moet aannemen dat schending van
instructienormen voor overheidsorganen geen onrechtmatige daad jegens
individuele justitiabelen oplevert. Kortom: getoetst aan het arrest
‘Tilburgse tandartsen’ had de vordering van eiseres gemakkelijk toegewezen
kunnen worden. De gemeente Stadskanaal moet zich dat ook wel hebben
gerealiseerd, anders is moeilijk te begrijpen waarom er een schikking
tussen partijen tot stand is gekomen.

Een extra argument (en misschien wel het doorslaggevende) om met behulp
van de ‘correctie Langemeijer’ op het relativiteitsvereiste de vordering
toch toewijsbaar te achten is het volgende. Uit de tekst van het vonnis
blijkt dat de gedaagde zich in voorlopige hechtenis bevond terzake van een
verdenking van brandstichting en verkrachting. Niet betwist is de
mededeling van eiseres onder sub 2 van het vonnis, dat de grond (of een
van de gronden) voor het bevel gevangenhouding de vrees voor herhaling van
brandstichting en verkrachting was (art. 67a lid 1b jo. lid 2, 2° Sv). Nu
de gemeente wist (of op zijn minst kon weten) dat justitie vreesde voor
specifieke recidive door haar ‘gast’ rustte op haar een verzwaarde plicht
ervoor te zorgen dat deze persoon niet voortijdig de benen kon nemen.

Immers: in de gevallen waarin de recidive- grond (mede) het bevel bewaring
motiveert is het de wens van de rechtbank dat de individuele burger niet
het risico loopt met deze verdachte te worden geconfronteerd. Aan deze
factor is in het vonnis geheel voorbij gegaan. Het lijkt misschien een
detail, maar het is misschien toch niet onbelangrijk erop te wijzen dat
de gedaagde destijds niet uit een cel maar uit een ophoudruimte van het
politiebureau te Stadskanaal is ontsnapt. Ophoudruimtes in politiebureaus
zijn kamers waarin verdachten, die worden opgehouden voor verhoor (art.
61 Sv), tijdelijk worden ‘gestald’. Je kunt de deuren van die ruimtes
weliswaar niet van binnenuit opendoen en de vensters plegen te zijn
afgesloten, maar die ruimtes zijn veel minder sterk beveiligd dan echte
politiecellen.

Was het wel verantwoord, waar men toch uitdrukkelijk voor herhaling te
vrezen had, om deze verdachte in zo’n ‘ophoudruimte’ onder te brengen? Bij
de beantwoording van de vraag of de gemeente Stadskanaal onrechtmatig
jegens eisers handelde door de verdachte te laten ontsnappen kan het ook
interessant zijn na te gaan of de gemeente door deze nalatigheid misschien
zelf een strafbaar feit heeft gepleegd en daardoor, civielrechtelijk
gezien, in strijd met een wettelijke plicht en dus onrechtmatig heeft
gehandeld. Met andere woorden: was Stadskanaal wellicht zelf
strafrechtelijk vervolgbaar voor de verkrachting die de ontvluchte
arrestant gepleegd heeft? Vervolging van de gemeente lijkt alleen mogelijk
als men de gemeente als ‘functioneel’ dader beschouwt en wel als een ex
art. 51 Sr strafbare rechtspersoon, op wier conto, gezien de door haar
vervulde functie en gezien de concrete betrokkenheid bij het tot stand
gekomen delict, de delictshandeling kan worden geschreven (zie: D.H. de
Jong en G. Knigge, Het materiele strafrecht, Algemeen deel, Arnhem, 1994,
bl. 202).

Vervolging van een publiekrechtelijk rechtspersoon als een gemeente wordt
– hoewel mogelijk – echter meestal niet opportuun geacht omdat correctie
langs administratiefrechtelijke weg kan geschieden (vgl. J. de Hullu, De
Staat zelf in de verdachtenbank?, AA [1995] 1, bl. 50-56). Men zou in dit
geval ook kunnen beweren dat de gemeente Stadskanaal door nalatigheid de
betrokken voorlopig gehechte de gelegenheid heeft gegeven om weer een
verkrachting te plegen en er daarom aan medeplichtig is (art. 48, 2° jo.
art. 242 Sr). Een probleem daarbij is dan wel het bewijs van ‘dubbele
opzet’, nl. zowel op de medeplichtigheid als op het uiteindelijk gepleegde
delict.

Alleen door in beide gevallen voorwaardelijk opzet aanwezig te achten zou
tot strafbaarheid van de gemeente Stadskanaal kunnen worden geconcludeerd.
Dat zou een wel wat erg gewrongen constructie worden. Dan nog een enkel
woord over het door de gemeente betwiste causale verband tussen de
ontsnappingspoging en de door de verkrachting aangerichte schade. Dit
verweer wordt door de rechtbank kennelijk irrelevant geacht want zij
besteedt er geen aandacht aan. En terecht, want voor de vestiging van
aansprakelijkheid op grond van art. 6:162, eerste lid BW
(‘dientengevolge’) is een simpel conditio sine qua non verband al
voldoende. Ronduit cynisch is de stelling van de gemeente dat de
betrokkene na reguliere beeindiging van de voorlopige hechtenis even goed
in staat zou zijn geweest het delict te plegen (‘Wat zeurt U nou, mevrouw,
U loopt toch elke dag de kans verkracht te worden’).

Afrondend kan worden gesteld dat de rechtbank Groningen de gemeente
Stadskanaal heel makkelijk heeft laten wegkomen en niet heeft willen zien
dat in dit specifieke geval van ‘gast-detentie’ er een zware zorgplicht
jegens individuele burgers op de gemeentelijke schouders rustte. De
rechtbank heeft zich hier lijdelijker opgesteld dan in civilibus
noodzakelijk is en heeft zich duidelijk niet bekommerd om wat eiseres (en
haar lotgenoten) onder een behoorlijke rechtshandhaving verstaan.

Gerard de Jonge

Rechters

Mrs Van Baak-Klijnsma, Dissel-van Erp, Van Riessen

Instantie: President rechtbank Amsterdam, 18 mei 1995

Instantie

President rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres treedt mede op namens zes slachtoffers die aan haar een lastgeving
hebben afgedragen. Gedaagde heeft samengewoond met de moeder van eiseres.
Gedaagde heeft zeven jaar lang de slachtoffers stelselmatig seksueel
misbruikt. De kinderen waren toen tussen de 7 en 13 jaar oud. Eiseres vordert
namens de andere vrouwen een voorschot op de immateriële schadevergoeding van
ƒ 35 000. Gedaagde betwist het seksueel misbruik en meent dat deze zaken zijn
verjaard.
De president concludeert dat de vordering van vijf slachtoffers is verjaard.
Van twee slachtoffers is de zaak nog niet verjaard. De president wijst hun
vordering van ƒ 5000 voorschot op de immateriële schadevergoeding toe.

Volledige tekst

Verloop van de procedure:
Ter terechtzitting van 2 mei 1995 heeft eiseres gesteld en gevorderd
overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.
Gedaagde heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde
voorziening.
Na verder debat hebben partijen stukken, waaronder van de zijde van eiseres
producties en van de zijde van gedaagde pleitnotities, overgelegd voor
vonniswijzing.
Gronden van de beslissing:
1. In dit vonnis wordt uitgegaan van de volgende feiten:
a. Blijkens ongedateerde lastgevingsovereenkomsten hebben
M.B.P., geboren 10 mei 1960,
S.M.V., geboren op 15 november 1963,
S.M.V., geboren op 11 november 1966,
L.M.E., geboren op 28 oktober 1960,
D.C.E., geboren op 19 november 1963,
S.M.E., geboren op 22 augustus 1965,
aan eiseres, die zelf is geboren op 16 juli 1962, last gegeven een
rechtsvordering tegen gedaagde in te stellen om een voorschot van ƒ 5000 op
de door ieder van de lastgeefsters ten gevolge van gesteld onrechtmatig
handelen van gedaagde geleden immateriële schade te verkrijgen.
b. Gedaagde heeft samengewoond met de moeder van eiseres en M.P.S. en S.V.
zijn achternichtjes van eiseres, en L, D en S.E. zijn nichtjes van eiseres.
In de periode van 1967 tot 1974 hebben de zusjes V. en E. geregeld bij het
gezin van de moeder van eiseres gelogeerd.
c. In 1974 heeft de moeder van eiseres de samenwoning met gedaagde verbroken.
d. Eiseres en de door haar vertegenwoordigde vrouwen, die allen ter zitting
aanwezig waren, hebben schriftelijke verklaringen afgelegd waarin zij stellen
door gedaagde in de periode gelegen tussen 1967 en 1974 stelselmatig seksueel
te zijn misbruikt. Gedaagde heeft volgens de verklaringen daarbij ontucht
gepleegd en, met uitzondering van L. en D.E., geslachtsgemeenschap met de
meisjes gehad. De leeftijden van de meisjes lagen destijds tussen de 7 en 13
jaar.
2. In dit geding vordert eiseres, mede namens de andere vrouwen, gedaagde te
veroordelen tot betaling van een voorschot van ƒ 35 000 op de door hen
geleden immateriële schade. Zij stelt daartoe dat, nadat haar moeder het
seksueel misbruik had ontdekt en gedaagde daarom uit huis had gezet, er binnen
de familie niet meer over de voorvallen is gesproken. Er rustte een taboe op
het onderwerp. Aangifte bij de politie is niet gedaan. Pas in 1994 heeft S.V.
hierover contact met de andere vrouwen opgenomen nadat zij sinds kort in
therapie was gegaan. Toen werd het onderwerp weer bespreekbaar, werden zij
zich bewust van de geleden schade en kwamen de vrouwen op het punt hun
traumatische jeugdervaringen te verwerken. Vanaf 1994 is de verjaringstermijn
bedoeld in artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gaan lopen.
Voor de verwerking van hun ervaringen is het onder meer van belang dat
gedaagde op zijn daden wordt aangesproken. Zij hebben allen grote immateriële
schade geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van gedaagde, aldus
eiseres.
3. Gedaagde heeft het gestelde seksuele misbruik betwist. De gestelde feiten
zijn ook nooit aan justitie voorgelegd, wat toch voor de hand had gelegen bij
dergelijke ernstige strafbare feiten.
Afgezien daarvan zijn de gestelde feiten ook inmiddels verjaard. Een en ander
zou zich immers 20 jaar geleden hebben voorgedaan. Gedaagde wijst daartoe op
het bepaalde in artikel 69 sub d, artikel 73 en 173 Overgangswet Nieuw BW.
Alle vereisten voor het aannemen van aansprakelijkheid krachtens
onrechtmatige daad, zouden in 1974 reeds zijn vervuld. Eiseres noch een van
de andere vrouwen hebben na 1974 tot nu toe de verjaring van hun
gepretendeerde vorderingsrechten gestuit. De ernst van de beschuldigingen
nopen tot een grondig onderzoek, waartoe dit geding zich niet leent, aldus
gedaagde.
4. Ingevolge artikel 73 Overgangswet is de huidige wet van toepassing, te
weten artikel 3:310 BW in het bijzonder lid 4 – dat bij wet van 7 juli 1994,
Staatsblad 529 is toegevoegd – evenals artikel 71 lid 1 aanhef en 3 van het
Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit systeem brengt mee dat een vordering in
ieder geval verjaart door verloop van een termijn die in artikel 3:310 lid 4
BW afhankelijk wordt gemaakt van het bestaan van het recht tot
strafvordering.
Voorzover het hier gaat om het misdrijf van artikel 244 Sr, waarop een
maximale gevangenisstraf is gesteld van 12 jaar, verjaart het recht tot
strafvordering volgens artikel 70 aanhef en sub 3 Sr na 12 jaar, welke
termijn ingevolge artikel 71 lid 1 aanhef en sub 3 Sr aanvangt op de dag na
die waarop de eisende partij 18 jaar is geworden. Dit komt erop neer dat na
het 29ste levensjaar de rechtsvordering in ieder geval is verjaard, voorzover
de verjaringstermijn niet is gestuit. Van dit laatste is in dit geding niet
gebleken.
Dit betekent dat in elk geval vooralsnog is gebleken dat het recht op
strafvordering en dus ook de op 21 april 1995 ingestelde rechtsvordering tot
schadevergoeding van M.D.P., M.B.P., S.M.V., L.M.E., D.C.E. is verjaard, nu
zij allen zijn geboren voor 21 april 1965. Zij zijn in hun vorderingen om die
reden niet ontvankelijk.
Deze verjaringsregel is niet van toepassing op S.M.V. en S.M.E., die
respectievelijk zijn geboren op 11 november 1966 en 22 augustus 1965. Op hen
is van toepassing de in artikel 3:310 lid 1 BW neergelegde regel dat de
rechtsvordering verjaart door verloop van vijf jaar na de dag volgende op die
waarop de benadeelde met (onder meer) de schade bekend is geworden.
5. S.M.V. en S.M.E. hebben beiden tegenover de betwisting van gedaagde, die
niet heeft ontkend tot 1974 met de moeder van eiseres te hebben samengewoond
en dat zij geregeld in het gezin dat gedaagde met de moeder van eiseres en
haar kinderen vormde, kwamen logeren, voldoende aannemelijk gemaakt dat
gedaagde met hen gemeenschap heeft gehad toen zij de leeftijd van 12 jaar nog
niet hadden bereikt. Dit blijkt genoegzaam uit hun schriftelijke verklaringen
in verband met de verklaringen van de andere genoemde vrouwen, die ter
zitting ook zijn gehandhaafd.
6. Ook is voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich eerst in de laatste
jaren bewust zijn geworden van de psychische schade, die hun daardoor is
berokkend en zij dus met die schade bekend zijn geworden. Ten opzichte van
hen gaat het beroep op verjaring dus niet op.
7. De te hunnen behoeve gevorderde bedragen aan schadevergoeding van ƒ 5000
zijn door gedaagde op zichzelf niet aangevochten en komen als vergoeding van
immateriële schade ook redelijk en billijk voor. Zij zullen bij wijze van
voorschot worden toegewezen, nu op basis van het voorgaande met aanzienlijke
mate van waarschijnlijkheid valt aan te nemen dat deze vorderingen in een
bodemprocedure zullen worden toegewezen
8. Nu de vordering deels wordt toegewezen en deels wordt afgewezen, zullen de
proceskosten als na te melden worden gecompenseerd.
9. Het bedrag tot voldoening waarvan gedaagde zal worden veroordeeld, geldt
als voorschot ter nadere verrekening met hetgeen hij ten gronde zal blijken
verschuldigd te zijn.
Beslissing:
1. Veroordeelt gedaagde aan eiseres te betalen ƒ 10000 (tienduizend gulden),
als voorschot op de door haar lastgeefsters S.M.V. en S.M.E. geleden
immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 april 1995
tot de dag van voldoening.
2. Compenseert de proceskosten tussen partijen in dier voege dat iedere
partij de eigen kosten draagt.
3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4. Wijst het meer of anders gevorderde af.

Rechters

Mr. R. Orobio de Castro