Instantie: Commissie gelijke behandeling, 30 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is werkzaam als zelfstandige. Zij heeft een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de wederpartij.
Krachtens deze verzekering wordt geen uitkering verleend voor arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan door zwangerschap of bevalling,
tenzij hierbij complicaties optreden, in welk geval alleen recht op een uitkering bestaat bij volledige arbeidsongeschiktheid. Verzoekster is
van mening dat de wederpartij hiermee handelt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen. Aangezien de in
het geding zijnde overeenkomst niet onder de reikwijdste van de vierde richtlijn (EG-richtlijn 86/378) valt, is niet van belang dat de
uitvoeringstermijn van genoemde richtlijn is verstreken. Dit leidt tot de conclusie dat de Commissie niet bevoegd is een oordeel uit te
spreken over mogelijke strijd met de WGB.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 26 oktober 1993 verzocht mevrouw te
Amstelveen (hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling van
mannen en vrouwen bij de arbeid haar oordeel uit te spreken over de
vraag of Schadeverzekering Mij. N.V. te ‘s-Gravenhage (hierna: de
wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van geslacht heeft
gemaakt in strijd met de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen
(WGB; Stb. 1989, 168).

1.2. Verzoekster is werkzaam als zelfstandige. Zij heeft een
arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de wederpartij.
Krachtens deze verzekering wordt geen uitkering verleend voor
arbeidsongeschiktheid welke is ontstaan door zwangerschap of bevalling,
tenzij hierbij complicaties optreden, in welk geval alleen recht op een
uitkering bestaat bij volledige arbeidsongeschiktheid. Verzoekster is
van mening dat de wederpartij hiermee handelt in strijd met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie van mannen en vrouwen bij de arbeid heeft het verzoek
in behandeling genomen en een onderzoek ingesteld.

2.2. De Commissie
van mannen en vrouwen bij de arbeid is op 1 september 1994, de datum
van inwerkingtreding van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB;
Stb. 1994, 230) opgeheven. Zij heeft haar werkzaamheden overgedragen
aan de op 1 september 1994 ingestelde Commissie gelijke behandeling
(hierna: de Commissie). Deze Commissie heeft de behandeling van de
onderhavige zaak overgenomen.

2.3. Partijen hebben ieder twee maal de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.4. Vervolgens heeft de Commissie partijen uitgenodigd hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 31 januari 1995. De
wederpartij heeft van deze uitnodiging geen gebruik gemaakt.

Bij deze zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw mr M.M. Ingwersen-Brink (advocaat)

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – mw
mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (juridisch
adviseur). De onderhavige zaak is gevoegd behandeld met een
vergelijkbare zaak (Commissie gelijke behandeling, oordeelnummer 95-4,
10 maart 1995).

2.5. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.4.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is zelfstandig pianodocente. Zij heeft in 1987 een
arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij de wederpartij. De
wederpartij is een particuliere verzekeringsmaatschappij. In de
polisvoorwaarden staat in artikel 5 onder f vermeld, dat geen uitkering
krachtens deze verzekering wordt verleend voor arbeidsongeschiktheid,
welke is ontstaan: “door zwangerschap of bevalling, tenzij hierbij
complicaties optreden, in welk geval alleen recht op een uitkering
bestaat bij volledige arbeidsongeschiktheid”. Verzoekster is op 2 mei
1992 bevallen. Tijdens haar zwangerschap heeft zij zeer incidenteel
pianoles gegeven. Dit heeft zij aan wederpartij medegedeeld. Als gevolg
hiervan is aan haar geen uitkering meer verstrekt over de periode 13
november 1991 tot 3 februari 1992. Voor het resterende deel van de
periode van arbeidsongeschiktheid wegens zwangerschap/bevalling is haar
geen uitkering verstrekt vanwege genoemde polisvoorwaarde.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoekster is van mening dat eerdergenoemde polisvoorwaarde in
strijd is met de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen op twee
punten: – In de eerste plaats kunnen alleen vrouwen zwanger zijn. De
polisvoorwaarde sluit dus vrouwen buiten, hetgeen een verboden
onderscheid naar geslacht inhoudt. – In de tweede plaats houdt deze
uitsluiting in, dat indien verzoekster niet arbeidsongeschikt was
geraakt vanwege zwangerschap en/of bevalling maar vanwege een andere
grond, zij wel een uitkering gehad indien zij incidenteel of zeer
gedeeltelijk weer arbeidsgeschikt was geworden. Verzoekster heeft
incidenteel pianoles gegeven, omdat zij anders een te groot aantal van
haar leerlingen zou verliezen. Niet een ieder is bereid om gedurende
een zeer groot aantal maanden te wachten of genoegen te nemen met een
waarnemer/waarneemster. Verzoekster bestrijdt tevens dat zwangerschap
een ziekte of onzeker voorval is. Ook verwerpt zij het argument dat een
maatschappij die zwangerschap en bevalling insluit in haar polis,
geconfronteerd zou worden met een aantal claims dat het gemiddelde ver
te boven gaat. Deze stelling wordt niet met gegevens onderbouwd, immers
niet iedere vrouw wil/zal kinderen krijgen en bij het sluiten van een
verzekeringsovereenkomst die polis kiezen die zwangerschap of bevalling
insluit.

3.3. De wederpartij stelt dat tussen hem en verzoekster een
verzekeringsovereenkomst bestaat, waarbij verzoekster verzekerd is in
geval van arbeidsongeschiktheid zoals gedefinieerd in de
polisvoorwaarden. Bij de behandeling van een claim dient de wederpartij
uit te gaan van de voorwaarden die op dit contract van toepassing zijn,
en mag de wederpartij ervan uitgaan dat deze voorwaarden bij de
verzekerde bekend zijn.

De wederpartij is tevens het standpunt toegedaan het risico van normaal
verlopende zwangerschap/bevalling niet te hoeven dekken om
verzekeringstechnische redenen, aangezien er geen sprake is van een
onzeker voorval en er evenmin sprake is van ziekte. Een extra motief om
zwangerschap en bevalling niet mee te verzekeren is de onmogelijkheid
om de vereiste premie vast te stellen, vooral gezien de te verwachten
zelfselectie. Een polis die normale zwangerschap en bevalling insluit
is extra aantrekkelijk voor wie gezinsuitbreiding heeft gepland,
waardoor de maatschappij geconfronteerd zal worden met een aantal
claims wegens zwangerschap/bevalling dat het gemiddelde ver te boven
gaat.

3.4. De wederpartij betwist tevens de bevoegdheid van de Commissie om
in casu een oordeel uit te spreken. Blijkens het bepaalde in artikel 14
van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen behoort het louter
tot de competentie van de Commissie te oordelen over geschillen terzake
van het bepaalde in artikel 7A:1637ij BW. Deze bepaling ziet slechts
toe op een ontoelaatbaar onderscheid tussen mannen en vrouwen in een
arbeidsrechtelijke relatie tussen een werkgever en een werknemer, zodat
een klacht met betrekking tot de toepassing van verzekeringsvoorwaarden
buiten het bereik van de Commissie valt, temeer daar geen sprake is van
enig onderscheid dat ligt op het terrein van arbeid. De wederpartij
vestigt daarbij de aandacht op het oordeel van de Commissie gelijke
behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer
515-92-54, waarin zij zich in een identieke kwestie onbevoegd heeft
verklaard.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. Het is de taak van de Commissie na te gaan of in casu sprake is
van onderscheid op grond van geslacht in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling. Het is niet aan de Commissie te oordelen of sprake
is van een ongeval of ziekte bij zwangerschap. Evenmin als de Commissie
oordeelt over de vraag of zwangerschap een onzeker voorval is of
verzekerbaar middels een verzekeringsovereenkomst conform het Wetboek
van Koophandel. In geding is de vraag of de wederpartij heeft
gehandeld in strijd met artikel 2 WGB door in de polisvoorwaarden het
risico van zwangerschap/bevalling niet te dekken. De tekst van artikel
2 WGB luidt aldus: “Het is niet toegelaten onderscheid te maken tussen
mannen en vrouwen met betrekking tot de voorwaarden voor de toegang tot
en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing binnen het vrije
beroep”.

4.2. Voordat de Commissie over kan gaan tot beantwoording van de in
geding zijnde vraag, moet zij beoordelen of zij bevoegd is naar
aanleiding van het onderhavige verzoek een oordeel uit te spreken over
mogelijke strijd met de WGB.

In de tekst van artikel 2 WGB is niet bepaald tot wie het verbod om
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen is gericht. Evenmin is
aangegeven of dit verbod zich beperkt tot een bepaald terrein.

Een dergelijke beperking heeft de wetgever wel aangebracht in de
artikelen 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek (BW) en 1a WGB. In deze
artikelen wordt de reikwijdte van het verbod om onderscheid te maken
immers beperkt tot die handelingen en regelingen, afkomstig van of toe
te rekenen aan de werkgever respectievelijk het bevoegd gezag. Verder
worden uitkeringen of aanspraken ingevolge pensioenregelingen van de
werkingssfeer van deze artikelen uitgezonderd. Dit betekent dat het
terrein van de (wettelijke) sociale zekerheid in beginsel niet wordt
bestreken door genoemde artikelen. Gelet op deze duidelijke begrenzing
in genoemde artikelen komt het de Commissie aannemelijk voor, dat een
vergelijkbare begrenzing ook is beoogd in de regeling voor het vrije
beroep in artikel 2 WGB. Dat op grond van jurisprudentie van het Hof
van Justitie van de Europese Gemeenschappen inmiddels een deel van de
(bovenwettelijke) sociale zekerheid wel binnen het bereik van de
artikelen 7A:1637ij BW en 1a WGB is gebracht, is voor de onderhavige
zaak zonder betekenis. Het betreft in dat geval dat deel van de sociale
zekerheid dat valt onder artikel 119 EEG-verdrag. Dit artikel betreft
evenwel niet de positie van zelfstandigen.

4.3. Dit leidt tot de conclusie dat de onderhavige materie in beginsel
niet binnen het bereik van artikel 2 WGB valt. Voor deze opvatting, die
eerder ook door de Commissie gelijke behandeling mannen en vrouwen bij
de arbeid werd gehuldigd (Commissie gelijke behandeling van mannen en
vrouwen bij de arbeid, oordeelnummer 392-92-35, 23 juni 1992 en
oordeelnummer 515-92-54, 17 september 1992), is ook steun te vinden in
de parlementaire geschiedenis (Tweede Kamer der Staten Generaal,
vergaderjaar 1987-1988, kamerstukken 19.908, nummer 6, bladzijde 35)
van deze wet. Immers, de vraag of onderscheid tussen mannen en vrouwen,
gemaakt door onder andere verzekeringsmaatschappijen, onder de WGB
viel, werd door het kabinet ontkennend beantwoord. Weliswaar werd
erkend dat een dergelijk onderscheid de toegang tot en de mogelijkheden
tot ontplooiing binnen het vrije beroep kon belemmeren, maar dit nam
niet weg, dat het een materie betrof die volgens het kabinet eerst in
de AWGB zou worden geregeld.

4.4. Slechts op grond van het hogere Europese gemeenschapsrecht zou
artikel 2 WGB anders kunnen worden geinterpreteerd. Mogelijk is in casu
de vierde richtlijn (Raad van de Europese Gemeenschappen, de
tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen
en vrouwen in ondernemings- en sectoriele regelingen inzake sociale
zekerheid, 86/378/EEG, 24 juli 1986, Publicatieblad van de Europese
Gemeenschappen, nr. L 225/40, 12-9-1986) van belang, die betrekking
heeft op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in ondernemings-
en sectoriele regelingen inzake de sociale zekerheid. Deze richtlijn
had met ingang van 1 januari 1993 in de nationale wetgeving
gencorporeerd moeten zijn. Te dien aanzien overweegt de Commissie het
volgende.

Artikel 2 lid 1 van genoemde richtlijn luidt: “Als ondernemings- of
sectoriele regelingen inzake sociale zekerheid worden aangemerkt
regelingen die niet vallen onder richtlijn 79/7/EEG en tot doel hebben
aan de werknemers of zelfstandigen uit een onderneming, een groep
ondernemingen, een tak van de economie of een of meer bedrijfstakken
omvattende sector, prestaties te verstrekken in aanvulling op de
prestaties uit hoofde van de wettelijke regelingen op het gebied van de
sociale zekerheid of in plaats daarvan, ongeacht of aansluiting bij
deze regelingen verplicht is of niet”. Lid 2 vervolgt: “Deze richtlijn
is niet van toepassing op: a) individuele overeenkomsten, b) regelingen
die slechts een lid tellen, (….)”.

4.5. In casu betreft het polisvoorwaarden die deel uitmaken van een
overeenkomst tussen verzoekster en wederpartij. Deze kan niet anders
worden beschouwd dan als een individuele overeenkomst. Het feit dat
sprake is van standaardpolisvoorwaarden doet daaraan niet af. De tekst
van artikel 2 lid 2 van de richtlijn leidt derhalve tot de conclusie
dat de overeenkomst tussen verzoekster en de wederpartij niet valt
onder de reikwijdte van de vierde richtlijn.

4.6. Hieraan kan worden toegevoegd, dat lid 1 van artikel 1 van de
vierde richtlijn niet zonder beperking spreekt over zelfstandigen. De
tekst richt zich immers tot “zelfstandigen uit een onderneming, een
groep ondernemingen ( …)”. Deze beperking duidt eerder op een
collectieve regeling tussen betrokkenen dan op een collectief aanbod
waar op basis van individuele overeenkomsten gebruik van kan worden
gemaakt.

Deze interpretatie van artikel 1 lid 1 van de vierde richtlijn wordt
bevestigd door wetsvoorstel 20.890, waarmee wordt beoogd de vierde
richtlijn te incorporeren in de nationale wetgeving. Krachtens dit
wetsvoorstel (de wijziging van het Burgerlijk Wetboek en van de Wet
gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Eerste Kamer der Staten
Generaal, vergaderjaar 1989-1990, kamerstukken 20.890, nummer 121) komt
het nieuwe artikel 2 van de WGB te luiden: “1. Het is niet toegelaten
onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen met betrekking tot de
voorwaarden voor toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en
ontplooiing binnen het vrije beroep, alsmede wat betreft regelingen
tussen beroepsgenoten inzake sociale zekerheid niet zijnde
pensioenvoorzieningen als bedoeld in artikel 12a. 2. Indien een
regeling als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op ziekte of
arbeidsongeschiktheid mag daarin geen uitzondering worden gemaakt voor
zwangerschap en bevalling, onverminderd de bevoegdheid bepalingen op te
nemen ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik. 3. Elke
bepaling van een regeling als bedoeld in het eerste lid, die in strijd
is met het eerste of tweede lid bepaalde is nietig.”.

Gesproken wordt expliciet van “regelingen tussen beroepsgenoten”. In de
Memorie van Toelichting van genoemd wetsontwerp wordt opgemerkt, dat
als in dit wetsvoorstel bedoelde voorzieningen niet kunnen worden
aangemerkt de voor een groep beroeps- of bedrijfsgenoten geldende
voorzieningen, die niet zozeer door een collectief overleg tussen
betrokkenen als wel door een collectief aanbod van een verzekeraar
wordt bepaald. Volgens de toelichting zal de AWGB voor deze
voorzieningen van betekenis zijn. Uit het voorgaande volgt, dat ook de
tekst van lid 1 van artikel 1 van de richtlijn zich verzet tegen het
bestrijken van overeenkomsten als de onderhavige.

4.7. Aangezien de in het geding zijnde overeenkomst gelet op het
bovenstaande niet onder de reikwijdte van de vierde richtlijn valt, is
niet van belang dat de uitvoeringstermijn van genoemde richtlijn reeds
is verstreken. Dit leidt tot de conclusie, dat de Commissie niet
bevoegd is een oordeel uit te spreken over mogelijke strijd met de WGB.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie acht zich niet bevoegd een oordeel uit te spreken over de
vermeende ongelijke behandeling in strijd met de Wet gelijke
behandeling van mannen en vrouwen van mevrouw te Amstelveen door
Schadeverzekering Mij. N.V. te ‘s-Gravenhage op het punt van de
uitsluiting van arbeidsongeschiktheid/ongeval in verband met
zwangerschap/bevalling van de vrijwillige arbeidsongeschiktheids- en
ongevallenverzekering.

Rechters

Mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr L.Y.Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (lidKamer), mw mr A.K. de Jongh (juridisch adviseur)

Instantie: President rechtbank Amsterdam, 29 maart 1995

Instantie

President rechtbank Amsterdam

Samenvatting


Eiseres stelt dat gedaagde haar op 14 maart 1991 heeft gegijzeld in zijn
woning en haar daar meermalen heeft verkracht en mishandeld. Daarna is zij
nogmaals opgesloten in de woning van gedaagde (haar ex-man) en wederom
verkracht en mishandeld. Gedaagde is daarvoor door de rechtbank Alkmaar
veroordeeld.
Eiseres vordert van gedaagde een voorschot op de door haar geleden materiële
schadevergoeding van ƒ 5335 en immateriële schadevergoeding van ƒ 15 000.
De president stelt dat het gevorderde voorschot niet onrechtmatig of
ongegrond voorkomt en wijst het gevorderde toe. (Ook dagvaarding is
opgenomen).

Volledige tekst

Verloop van de procedure:
Ter terechtzitting van 22 maart 1995 heeft eiseres, nadat tegen gedaagde
verstek was verleend, gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan
dit vonnis gehechte dagvaarding.
Vervolgens heeft eiseres stukken overgelegd voor vonniswijzing.
Gronden van de beslissing:
De vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor en is dus toewijsbaar
als volgt.
Het bedrag tot voldoening waarvan gedaagde zal worden veroordeeld, geldt als
voorschot ter nadere verrekening met hetgeen hij ten gronde zal blijken
verschuldigd te zijn.
Beslissing bij verstek:
1. Veroordeelt gedaagde om aan eiseres te voldoen ƒ 20 485
(twintigduizendvierhonderdvijfentachtig).
2. Veroordeelt gedaagde in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde
van eiseres begroot op en te voldoen als volgt:
– aan eiseres:
ƒ 210 aan de bij haar gevallen kosten van vastrecht, en
– aan de griffier van deze rechtbank:
ƒ 210 aan overig vastrecht,
ƒ 71,90 aan exploitkosten, en
ƒ 800 aan salaris procureur.
3. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
4. Wijst het meer of anders gevorderde af.
Dagvaarding:
(…),
Op deze terechtzitting zal de navolgende konklusie van eis worden genomen:
1. Eiseres heeft de Tunesische nationaliteit en is 29 jaar. Na een zeer
problematisch huwelijk met een oudere Tunesische man met de Nederlandse
nationaliteit, is zij in een Blijf-van-m’n-lijf-huis in Den Helder terecht
gekomen. Zij heeft in Den Helder een nieuw bestaan opgebouwd.
2. Die situatie is in maart 1991 gruwelijk verstoord. Op 14 en ?? maart 1991
heeft gedaagde eiseres gegijzeld in zijn woning te Den Helder en haar
meermalen verkracht en mishandeld. Gedaagde heeft eiseres vervolgens
opgesloten in zijn woning van 18 maart tot en met 20 maart 1991. Zij is toen
wederom verkracht en mishandeld door gedaagde. Gedaagde heeft toen voorts de
inboedel van de woning van eiseres vernield. Uiteindelijk heeft eiseres weten
te ontsnappen en is zij in een shocktoestand door de politie te Den Helder en
de RIAGG verwezen naar de PAAZ-afdeling van het Geminiziekenhuis te Den
Helder. Vervolgens is zij enige tijd opgenomen geweest in het crisiscentrum
te Haarlem. Na daar te zijn ontslagen is zij bij bevriende familie in
eiden gaan wonen. Tegelijkertijd is de hulpverlening op gang gekomen in de
vorm van maatschappelijk werk en de zenuwarts prof. dr. F. Jessurrun te
‘s-Gravenhage. Uiteindelijk is zij terechtgekomen in XX, alwaar zij nu nog
steeds woont.
3. Na aangifte tegen gedaagde van verkrachting, meermalen gepleegd,
wederrechtelijke vrijheidsberoving, mishandeling en vernieling, heeft de
officier van justitie te Alkmaar de strafvervolging tegen gedaagde ingesteld.
De strafzaak tegen gedaagde is echter door de officier van justitie
geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Door eiseres is tegen deze beslissing
beklag ex. art. 12 Sv ingesteld bij het Gerechtshof Amsterdam, met succes.
Uiteindelijk heeft het Gerechtshof besloten dat de officier van justitie te
Alkmaar gedaagde diende te vervolgen omdat zowel voor het zedenmisdrijf
alsmede de vernieling, voldoende bewijs aanwezig werd geacht.
4. Uiteindelijk is gedaagde op 4 maart 1994 bij verstek veroordeeld door de
Arrondissementsrechtbank te Alkmaar tot een gevangenisstraf voor de tijd van
twee jaar en zes maanden. Daarbij heeft de Arrondissementsrechtbank Alkmaar
bewezen verklaard dat eiseres meermalen is verkracht door gedaagde, dat
eiseres opzettelijk door gedaagde van haar vrijheid is beroofd. Bovendien is
bewezen verklaard dat gedaagde opzettelijk en wederrechtelijk goederen van
eiseres heeft vernield c.q. beschadigd. Gedaagde is van dit verstekvonnis in
appel. De zittingsdatum is nog niet bekend.
5. Eiseres zal in deze kort geding procedure overleggen:
a. het schaduwdossier in de strafzaak tegen gedaagde;
b. de beslissing van het Gerechtshof op het beklag ex art. Sv. van 3 februari
1993;
c. het vonnis van de Arrondissementsrechtbank Alkmaar van ?? maart 1994.
6. Eiseres is van mening dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld jegens
haar en derhalve aansprakelijk is voor de daaruit ontstane door eiseres
geleden en nog te lijden schade.
7. Eiseres zal op grond van genoemde onrechtmatige daad een bodemprocedure
tegen gedaagde aanhangig maken waarin zij schadevergoeding zal eisen. De
huidige psychische toestand van eiseres maakt echter noodzakelijk dat
traumaverwerking op de kortst mogelijke termijn kan plaatsvinden en deze
spoedprocedure zal daaraan bijdragen. Tevens is de omvang van de schade bij
eiseres van dien aard dat zij spoedeisend belang heeft bij een voorschot op
de schadevergoeding en een voorschot op de geleden materiële schade.
8. De immateriële schade bij eiseres is zeer aanzienlijk. Zij is enige tijd
opgenomen geweest. Heeft langdurige psychiatrische behandeling gehad en is
tot op heden onder behandeling van psychiater Rohlof verbonden aan de RIAGG.
Daarnaast heeft zij begeleiding van maatschappelijk werk. In de procedure
zullen rapportages uit de behandelende sektor met betrekking tot de
psychische gesteldheid van eiseres worden overgelegd.
9. Eiseres heeft tevens materiële schade geleden als gevolg van het feit dat
gedaagde haar inboedel geheel heeft vernield. Gedaagde heeft de vernieling
van de goederen bekend en is daarvoor ook veroordeeld. Blijkens rapport van
de gemeentepolitie Den Helder van 3 april 1991 bedraagt de totale materiële
schade in verband met de vernieling van kleding en bezittingen van eiseres
een bedrag van ƒ 5335.
10. Eiseres is van mening – gelet op de omvang van de door haar geleden en
nog te lijden schade – vooruitlopend op de in de bodemprocedure naar
redelijkheid en billijkheid door uw Rechtbank te begroten schade, een
voorlopige schadevergoeding ter hoogte van ƒ 15 000 aan immateriële schade op
zijn plaats is, gelet op de ernst van de door gedaagde jegens haar gepleegde
strafbare feiten en de haar toegebrachte psychische schade.
11. Eiseres is daarnaast van mening dat gedaagde haar tevens de door haar
geleden materiële schade dient te vergoeden, zijnde ƒ 150 therapiekosten aan
prof. dr. Jessurrun alsmede ƒ 5335 in verband met vernieling van haar
bezittingen door gedaagde.
Mitsdien
bij vonnis in kort geding van de Edelachtbare Vrouwe/Heer President van de
Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, uitvoerbaar bij voorraad en op de
minuut dat gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding
terzake van geleden en nog te lijden immateriële schade een bedrag van ƒ 15
000, alsmede van materiële schade een bedrag van ƒ 5485.
met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

Rechters

Mr. U.W. Bentinck

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoekster is dirigent bij de wederpartij. De wederpartij en een ander
koor zullen samen per 1 april 1995 een koor gaan vormen. Besloten is
dat de mannelijke dirigent van laatstgenoemd koor de dirigent van het
nieuwe koor zal worden. De overeenkomst met verzoekster ten aanzien van
haar dirigentschap is beeindigd. Zij is van mening dat dit is geschied
vanwege het feit dat zij vrouw is en dat de wederpartij hiermee heeft
gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

De Commissie stelt vast, dat het geslacht van verzoekster door de
penningmeester ter sprake is gebracht als reden voor beëindiging van de
overeenkomst in het gesprek dat gericht was op mededeling van die
beëindiging. In dat gesprek waren behalve de penningmeester ook de
voorzitter en de secretaris aanwezig. Daarom acht de Commissie het
bestuur verantwoordelijk voor de uitlatingen van de penningmeester.
Niet is vast komen te staan, dat de penningmeester eerdergenoemde
toevoeging heeft uitgesproken tijdens het gesprek met verzoekster op 24
januari 1995.

Mitsdien acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat het geslacht
van verzoekster een rol heeft gespeeld bij het besluit van de
wederpartij om de overeenkomst met haar te beeindigen.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 2 februari 1995 verzocht mevrouw te Enschede
(hierna: verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit
te spreken over de vraag of koor te
Enschede (hierna: de wederpartij) jegens haar onderscheid op grond van
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoekster is dirigent bij de wederpartij. De wederpartij en
(hierna: het andere koor) zullen samen per 1 april 1995 een koor
gaan vormen. Besloten is dat de mannelijke dirigent van laatstgenoemd
koor de dirigent van het nieuwe koor zal worden. De overeenkomst met
verzoekster ten aanzien van haar dirigentschap is beeindigd. Zij is van
mening dat dit is geschied vanwege het feit dat zij vrouw is en dat de
wederpartij hiermee heeft gehandeld in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie gelijke behandeling heeft het verzoek in behandeling
genomen en een onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft gevraagd haar
verzoek versneld te behandelen. De Commissie heeft dit ingewilligd.

2.2. Partijen hebben ieder een maal de gelegenheid gehad hun
standpunten schriftelijk toe te lichten.

2.3. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 14 maart 1995.

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(echtgenoot en getuige)

van de kant van de wederpartij – dhr (penningmeester) – dhr
(voorzitter)

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – mw mr Y. Telenga (lid Kamer) – dhr mr W.A. van Veen
(lid Kamer) – mw mr A.K. de Jongh (secretaris Kamer)

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.3.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoekster is volgens een schriftelijke overeenkomst tussen haar
en de wederpartij sinds 1 december 1992 in dienst van de wederpartij in
de functie van dirigent. Deze functie heeft zij tot volle tevredenheid
van de leden en het bestuur van het mannenkoor vervuld.

Tijdens een daartoe op 16 november 1994 belegde leden- vergadering
hebben de leden van de wederpartij – gelet op de continuiteit van hun
koor (ledental en leeftijds- opbouw) – besloten de mogelijkheid te
onderzoeken om samen te gaan met het andere koor. Op 17 november 1994
is verzoekster door het dagelijks bestuur van de wederpartij op de
hoogte gesteld van dit besluit. Bij dat gesprek waren van de zijde van
de wederpartij aanwezig de penningmeester, de voorzitter en de
secretaris, alsmede verzoekster en haar echtgenoot.

3.2. De besprekingen tussen beide koren, die op 23 november 1994 zijn
gestart, hebben uiteindelijk geleid tot het besluit om de wederpartij
officieel op te heffen, waarna de leden zich collectief zouden
aanmelden bij het andere koor. De besluitvorming over het dirigentschap
vond plaats medio december 1994. De besprekingen werden afgerond in
januari 1995, nadat beide ledenvergaderingen akkoord waren gegaan met
de voorwaarden van samengaan zoals deze in een protocol zijn
neergelegd. Het protocol stelt in punt 01 onder andere dat de statuten
en reglementen van het andere koor gehandhaafd blijven en die van de
wederpartij worden opgeheven. Punt 05 vermeldt dat de dirigent van het
andere koor dirigent blijft.

Op 24 januari 1995 heeft tijdens de pauze van een repetitie een gesprek
plaatsgevonden tussen de voorzitter, de penningmeester en de secretaris
enerzijds en verzoekster anderzijds. Bij monde van de penningmeester is
verzoekster op de hoogte gesteld van de beëindiging van de overeenkomst
met haar per 1 april 1995. Brief van 10 februari 1995 is deze
mededeling schriftelijk bevestigd. Volgens verzoekster heeft de
penningmeester haar tijdens genoemd gesprek als reden meegedeeld, dat
het andere koor geen vrouw wil.

Op 6 februari 1995 heeft de secretaris van genoemd dagelijks bestuur
verzoekster meegedeeld, dat de woorden van de penningmeester tijdens
het gesprek van 24 januari 1995 niet zo bedoeld waren geweest en door
verzoekster verkeerd zijn begrepen. Ook stelde hij dat was afgezien van
een open sollicitatieprocedure, omdat de huidige dirigent van het
andere koor een gevoelige man is die een dergelijke procedure niet
aankan.

Tijdens de op 7 februari 1995 gehouden ledenvergadering hebben de leden
zich via schriftelijke stemming unaniem achter het besluit gesteld per
31 maart 1995 de wederpartij op te heffen. Aan de Kamer van Koophandel
is verzocht de vereniging per laatstgenoemde datum uit te schrijven uit
het verenigingsregister.

De wederpartij heeft op 21 februari 1995 getracht telefonisch met
verzoekster in contact te komen teneinde voor te stellen de door de
gang van zaken ontstane problematiek te bespreken. Verzoekster liet
echter weten geen prijs te stellen op een gesprek.

De standpunten van partijen

3.3. Verzoekster stelt dat in genoemd gesprek op 17 november 1994,
waarin haar het voornemen werd bericht om een samengaan met het andere
koor te onderzoeken, het bestuur van de wederpartij heeft laten weten,
dat zij van plan was haar na de fusie dirigent te laten worden van het
samengevoegde koor. Verzoekster constateert dat er geen proefrepetities
zijn geweest en er geen open sollicitatie- procedure heeft
plaatsgevonden. Tijdens de zitting van de Commissie heeft de
wederpartij melding gemaakt van de eis van het andere koor om hun eigen
dirigent in zijn functie te handhaven. Verzoekster zegt dit voor het
eerst te horen. Tijdens het gesprek op 24 januari 1995 is haar hierover
niets gemeld.

Bij de mededeling op 24 januari 1995 betreffende de beëindiging van de
overeenkomst met haar is haar als reden gemeld, dat het andere koor
geen vrouw wil. Verzoekster zegt de gebruikte woorden niet anders te
kunnen interpre- teren. Tijdens de zitting van de Commissie heeft de
wederpartij gesteld dat gezegd is, dat het andere koor geen vrouw wil
omdat zij een goede mannelijke dirigent had. Deze toe- voeging duidt
volgens de wederpartij aan, dat het niet ging om het geslacht van de
betrokkenen maar om de tevredenheid van het andere koor met hun eigen
dirigent, die toevallig man is. Verzoekster spreekt tegen dat deze
toevoeging is gedaan.

In het onderhoud tussen de secretaris van het koor en verzoekster op 6
februari 1995 is als reden voor het afzien van een open
sollicitatieprocedure de gevoeligheid van de huidige dirigent van het
andere koor aangevoerd die een dergelijke procedure niet aan zou
kunnen. Verzoekster ervaart deze uitleg als extra discriminerend, omdat
zij niet vermag in te zien waarom wel rekening wordt gehouden met de
gevoeligheid van een man en niet met die van een vrouw ten aanzien van
het behoud van haar baan. Verzoekster stelt dat in voornoemd gesprek
de secretaris haar vanwege de persoonlijke relatie tussen zijn familie
en het gezin van verzoekster heeft verzocht hem niet persoonlijk
verantwoordelijk te houden als hij straks dingen zou moeten doen die
tegen verzoekster gericht waren. Verzoekster zegt niet te begrijpen dat
er een persoonlijke relatie in het geding moet worden gebracht als de
secretaris overtuigd is van zijn eerlijk handelen. Al met al heeft zij
zijn bezoek ervaren als een poging tot intimidatie.

3.4. Volgens de wederpartij is nimmer in de richting van verzoekster
aangegeven dat het bestuur van plan was verzoekster na het samengaan
van beide koren als dirigent van het (nieuwe) koor te handhaven. Dit
kon zij niet zeggen, omdat zij het koor vormde dat met haar problemen
bij een ander koor aanklopte. Zij was niet in de positie om op
voorhand eisen te stellen. Een open sollicitatie is daarom ook niet aan
de orde geweest. Het andere koor gaf tijdens de besprekingen aan
tevreden te zijn over haar dirigent en de eis te stellen dat deze
persoon dirigent bleef. Dit had niets van doen met het zijn van man of
vrouw. De wederpartij is met deze eis akkoord gegaan.

De wederpartij zegt het uiteraard niet prettig te hebben gevonden om
verzoekster mede te delen dat de samenwerking met haar moest worden
beeindigd. Om dat te verzachten heeft de penningmeester gemeend deze
boodschap te moeten verpakken in het gezegde dat het andere koor geen
vrouw voor haar koor wenste. Het bestuur van de wederpartij stelt dat
deze uitspraak op persoonlijke titel is gedaan en niet werd gedragen
door het bestuur om reden dat de waarheid geweld werd aangedaan. De
intentie van het betrokken bestuurslid was beslist niet om verzoekster
te kwetsen of haar op grond van haar vrouw zijn te discrimineren. Het
bestuur betreurt deze uitspraak. Tijdens de zitting heeft de
penningmeester dit onderstreept en zijn excuses aan verzoekster
aangeboden. Daarbij stelt hij tevens te hebben gezegd dat het andere
koor geen vrouw wil, omdat ze een goede mannelijke dirigent hebben.

De wederpartij is tot slot van mening, dat in casu geen sprake is van
beëindiging van een arbeidsverhouding, maar van beëindiging van
diensten.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij direct onderscheid naar
geslacht heeft gemaakt in strijd met de wetgeving gelijke behandeling
door de overeenkomst met verzoekster te beeindigen.

De Commissie merkt op dat het niet haar taak is om vast te stellen of
de in geding zijnde schriftelijke overeenkomst tussen verzoekster en de
wederpartij een arbeidsovereen- komst naar burgerlijk recht is, dan wel
dat sprake is van het een ander onder gezag arbeid laten verrichten. In
geding zijn derhalve de volgende artikelen. Artikel 7A:1637ij van het
Burgerlijk wetboek (BW) bepaalt onder andere dat de werkgever bij het
beeindigen van de arbeidsovereenkomst geen onderscheid mag maken tussen
mannen en vrouwen. Alleen in geval van een wettelijke
uitzonderingsgrond mag van het verbod in bovengenoemd artikel worden
afgeweken.

Artikel 1b van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen (WGB; Stb.
1989, 168) stelt dat, ingeval een natuurlijke persoon, rechtspersoon of
bevoegd gezag een ander onder zijn gezag arbeid laat verrichten, anders
dan krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke
aanstelling, artikel 1637ij van het BW van overeenkomstige toepassing
is.

4.2. De Commissie stelt vast, dat het geslacht van verzoekster door de
penningmeester ter sprake is gebracht als reden voor beëindiging van de
overeenkomst in het gesprek dat gericht was op mededeling van die
beëindiging. In dat gesprek waren behalve de penningmeester ook de
voorzitter en de secretaris aanwezig. Daarom acht de Commissie het
bestuur verantwoordelijk voor de uitlatingen van de penningmeester.
Niet is vast komen te staan, dat de penningmeester eerdergenoemde
toevoeging heeft uitgesproken tijdens het gesprek met verzoekster op 24
januari 1995.

Mitsdien acht de Commissie het voldoende aannemelijk dat het geslacht
van verzoekster een rol heeft gespeeld bij het besluit van de
wederpartij om de overeenkomst met haar te beeindigen.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat koor “
Enschede te Enschede direct onderscheid naar geslacht heeft gemaakt
jegens mevrouw te Enschede in strijd met de wetgeving
gelijke behandeling door de overeenkomst met haar met betrekking tot
haar dirigentschap te beeindigen.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), mw mr Y. Telenga(lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw mr A.K. de Jongh(secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 29 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Verzoeker is in het bezit van een motorjacht. Voor deze boot huurt hij
sinds twee jaren een ligplaats bij de wederpartij. De wederpartij heeft
volgens verzoeker het huurcontract onder andere opgezegd vanwege de
echtscheiding van laatstgenoemde. De Commissie acht het niet voldoende
aannemelijk dat de burgerlijke staat van verzoeker een reden is geweest
bij de beeindiging van de huurovereenkomst door de wederpartij. De
Commissie concludeert dat er geen onderscheid is gemaakt in strijd met
de Algemene wet gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 8 februari 1995 verzocht de heer te Brunssum
(hierna: verzoeker) de Commissie gelijke behandeling (hierna: de
Commissie) haar oordeel uit te spreken over de vraag of
te Maasbracht (hierna: de wederpartij) jegens hem heeft gehandeld in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

1.2. Verzoeker is in het bezit van een motorjacht. Voor deze boot huurt
hij sinds twee jaren een ligplaats bij de wederpartij. De wederpartij
heeft volgens verzoeker het huurcontract onder andere opgezegd vanwege
de echtscheiding van laatstgenoemde.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1 De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoeker heeft verzocht zijn verzoek versneld te
behandelen. De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd. Partijen hebben
ieder eenmaal de gelegenheid gehad hun standpunten schriftelijk toe te
lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 20 maart 1995. Bij de
zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoeker – dhr (verzoeker) – mw
(getuige)

van de kant van de wederpartij – dhr (gemachtigde,
bedrijfsadviseur)

van de kant van de Commissie – mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck
(Kamervoorzitter) – dhr drs B. van Schijndel (lid Kamer) – dhr mr W.A.
van Veen (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris Kamer).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door Kamer III van de Commissie. In
deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Verzoeker heeft voor zijn boot sedert twee jaar een gehuurd bij de
wederpartij. De jaarlijkse huurperiode loopt vanaf 1 april. Bij
schrijven van 28 december 1994 heeft de wederpartij de huurovereenkomst
opgezegd en verzocht uiterlijk 1 april 1995 de ligplaats te verlaten.
In deze brief stond ook vermeld: “Deze beslissing is louter z zakelijk
genomen”.

Telefonisch heeft verzoeker gevraagd om een toelichting op deze
opzegging. De directeur van het bedrijf, tevens havenmeester, heeft in
dit gesprek gewezen op het feit dat de boot van verzoeker niet zou
passen in het beleid van de haven. Dit houdt onder andere in het weren
van kleinere boten vanwege commerciele redenen, aangezien de
ligplaatsen van grotere boten meer inkomsten opleveren. Dit havenbeleid
is ongeveer anderhalf jaar geleden begonnen. Het eerste huurcontract
met verzoeker in 1993 is toen echter niet opgezegd maar stilzwijgend
verlengd. De reden daarvoor is geweest dat de wederpartij destijds
minder behoefte had aan ligplaatsen voor haar eigen boten. De
wederpartij verhuurt namelijk niet slechts ligplaatsen maar verzorgt
ook reparatie, onderhoud, koop en verkoop van boten. Voor deze laatste
activiteiten, die in het bedrijf de grootste inkomstenbron zijn, was
het – meer dan een jaar geleden – nodig om tijdelijk eigen ligplaatsen
te hebben teneinde deze niet elders te hoeven huren. Tijdens genoemd
telefoongesprek is ook de echtscheiding van verzoeker ter sprake
gekomen. Vanwege zijn echtscheiding heeft verzoeker tijdelijk zijn boot
als woon- en verblijfplaats gebruikt. Nadat het telefonisch onderhoud
heeft plaatsgehad is bij schrijven van 31 december 1994 de beeindiging
van de huurovereenkomst door de wederpartij bevestigd.

De standpunten van partijen

3.2. Verzoeker meent dat zijn echtscheiding mede reden was voor de
beeindiging van de huurovereenkomst. Hij hecht geen geloof aan het door
de wederpartij gevoerde havenbeleid als reden. Verzoeker stelt dat uit
zijn eigen onderzoek is gebleken dat aan de steiger waaraan zijn boot
ligt tien boten liggen, die even lang als of kleiner zijn dan zijn
boot. Desgevraagd verklaarde een van de gebruikers van deze boten hem,
dat zijn huurcontract niet was opgezegd en dat daar ook geen sprake van
was. Verzoeker is ervan overtuigd dat dit voor meer boten geldt. Ook op
het onderhoud van zijn boot valt niets aan te merken. Hij bestrijdt
tevens dat de opbrengsten van de ligplaats van zijn boot, ƒ 1500,-
per jaar, in commercieel opzicht iets uitmaken voor de wederpartij die
zegt een miljoenenbedrijf te zijn. Daarom moeten naar zijn opvatting
wel andere redenen dan zakelijke een rol hebben gespeeld. Verzoeker
erkent dat het, althans gedeeltelijk, juist is dat zijn boot door hem
als woon- en verblijfplaats is gebruikt. Hij stelt echter de
havenmeester van tevoren te hebben gesproken over zijn voornemen om in
verband met zijn echtscheiding tijdelijk vaker op de boot te zijn.
Verzoeker heeft noch tijdens dat gesprek noch later van enig bezwaar
daartegen vernomen. Hij heeft de havenmeester gevraagd hem door het
ophangen van een briefje op de hoogte te stellen als er telefoon voor
hem zou zijn. Maximaal ongeveer zes keer is dit volgens verzoeker het
geval geweest.

Gedurende veertien dagen in mei en juni 1994 is verzoeker regelmatig op
zijn boot geweest en heeft er ook wel overnacht. Hij is echter niet
steeds in de haven geweest omdat hij daarnaast altijd een huis ter
beschikking had. In genoemde periode waren er naar de mening van
verzoeker zeker zes andere boten waarop volledig gewoond werd. Niemand
zou daarvoor toestemming hebben gevraagd. In Nederland is het normaal
om op de boot te slapen, bijvoorbeeld tijdens een lang weekend. Er is
ook niemand die rechtstreeks bij hem heeft geklaagd over zijn gedrag.
Verzoeker zegt goed om te gaan met degenen die hun boot naast de zijne
hebben liggen. Verzoeker heeft in eerdergenoemd telefonisch gesprek
met de wederpartij te kennen gegeven dat de reden, dat zijn boot niet
in het beleid van de haven paste, hem zeer onvoldoende voorkwam om de
huurovereenkomst op te zeggen. Daarop heeft de wederpartij volgens
verzoeker opgemerkt de echtscheiding ‘niet zo leuk’ te vinden. De
wederpartij meldde tevens vanwege de echtscheiding van verzoeker onder
druk te zijn gezet door klanten.

3.3. Toen tijdens het telefonisch onderhoud de echtscheiding van
verzoeker ter sprake kwam heeft verzoeker de luidspreker van het
telefoonapparaat ingeschakeld waardoor mevrouw Schols vanaf dat moment
getuige kon zijn van wat werd gezegd. Zij bevestigde, dat de
wederpartij klachten van klanten vermeldde ten aanzien van het
overnachten en dat de wederpartij zei dat ook de telefoontjes voor
verzoeker eigenlijk niet door de beugel konden. De getuige verklaarde
tijdens de zitting van de Commissie tevens dat het moeilijk is om te
zeggen dat de echtscheiding van verzoeker en de opzegging van het
huurcontract in het telefoongesprek direct met elkaar in verband zijn
gebracht.

3.4. De wederpartij stelt dat de opzegging van de huurovereenkomst
heeft plaatsgevonden vanwege het feit dat de jachthaven zich richt op
de grotere jachten, in die zin de boot van verzoeker te klein is en
daardoor ook aan ligplaatsgeld te weinig oplevert. De tien door
verzoeker genoemde kleine boten zijn boten die verkocht zijn, door de
wederpartij nog moeten worden geverfd of verkocht, of die van iemand
zijn die een andere boot heeft gekocht of gaat kopen. Voorts richt de
jachthaven zich op de meer exclusieve goed onderhouden jachten, waarbij
het jacht van verzoeker in negatieve zin afsteekt. In essentie komt dit
overeen met de door de havenmeester in genoemd telefonisch onderhoud
gemaakte opmerking dat de boot van verzoeker niet zo erg in het beleid
van de haven past.

Volgens de wederpartij is de havenmeester tijdens genoemd
telefoongesprek onder druk gezet. Daardoor werd de echtscheiding van
verzoeker gememoreerd. Verzoeker koos namelijk in verband met zijn
echtscheiding gedurende langere tijd zijn jacht als woon- en
verblijfplaats, zulks in strijd met het havenreglement en zonder
daarvoor toestemming te vragen. Gedurende die periode was de praktische
belasting voor de havenmeester groot in verband met veelvuldige
telefoontjes die kwamen voor betrokkene. Daarop sloeg de opmerking over
de echtscheiding. De reden voor de opzegging was gelegen in louter
commerciele argumenten. Er zijn inmiddels vijf kleinere boten
vertrokken, en er zullen er meer volgen. De wederpartij vindt daarom
dat geen sprake is van discriminatie in de zin van de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230).

De wederpartij bestrijdt niet dat verzoeker gemeld heeft vaker op de
boot te verblijven. Deze mededeling is echter niet als een verzoek om
toestemming opgevat. De wederpartij wilde de zaak evenwel niet op de
spits drijven. Eigenlijk mag men de boot niet als permanente woon- en
verblijfplaats hanteren. Als echter mensen in het weekend en gedurende
vakanties willen overnachten, vindt de wederpartij dat goed zonder
daarvoor schriftelijke toestemming te verlenen. Er zijn mensen die
toestemming hebben gevraagd en gekregen. De wederpartij stelde tijdens
de zitting van de Commissie niet te weten hoe vaak verzoeker gedurende
genoemde veertien dagen werkelijk overnacht heeft op zijn boot. Zij had
met zijn tijdelijke overnachtingen geen moeite. Wel is door klanten
geklaagd, ook over het onderhoud van zijn boot. De wederpartij zegt dat
zij wel vaker onder druk wordt gezet zonder er gevolgen aan te
verbinden.

Met betrekking tot de schriftelijke beeindiging van de
huurovereenkomst, waarin gesteld werd dat het een louter zakelijke
beslissing betrof, zegt de wederpartij dat deze zinsnede gebruikelijk
is in zijn brieven. In andere opzeggingsbrieven wordt deze zinsnede
eveneens gehanteerd, evenals in brieven aan leveranciers.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij onderscheid maakt in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling door de huurovereenkomst
met verzoeker te beeindigen.

Artikel 1b van de Algemene wet gelijke behandeling bepaalt dat onder
direct onderscheid onder andere wordt verstaan onderscheid op grond van
burgerlijke staat. Burgerlijke staat kan onder andere betreffen het
gescheiden zijn. (Tweede kamer der Staten Generaal, kamerstukken
22.014, nummer 5, vergaderjaar 1991-1992, Memorie van Antwoord,
bladzijde 68).

Artikel 7 lid 1 sub a van de Algemene wet gelijke behandeling verbiedt
het maken van (direct) onderscheid onder andere bij het aanbieden van
goederen of diensten en bij het beeindigen van overeenkomsten terzake
in de uitoefening van een bedrijf.

4.2. De Commissie stelt vast dat in het telefonisch onderhoud, waarin
verzoeker vroeg om een toelichting op de beeindiging van de
huurovereenkomst, de wederpartij het havenbeleid als reden heeft
genoemd. Later is in dat gesprek de echtscheiding van verzoeker ter
sprake gekomen. De Commissie constateert echter tevens, dat de getuige
van het telefonisch onderhoud niet kan bevestigen dat de echtscheiding
van verzoeker direct in verband kan worden gebracht met het opzeggen
van de overeenkomst. Wat dit betreft acht de Commissie het mitsdien
niet aannemelijk, dat de echtscheiding een reden was bij de beeindiging
van het huurcontract.

4.3. Ten aanzien van de andere elementen die volgens verzoeker erop
duiden dat zijn echtscheiding een reden bij de opzegging is geweest
overweegt de Commissie het volgende. De stelling van verzoeker, dat
niet alle kleine en/of minder goed onderhouden boten worden geweerd uit
de haven, is door de wederpartij niet overtuigend bestreden. Dat het
havenbeleid niet geheel consistent wordt gevoerd maakt echter nog niet
aannemelijk, dat de echtscheiding van verzoeker reden voor opzegging
van de huurovereenkomst was.

Ten aanzien van de klachten met betrekking tot het verblijf van
verzoeker op zijn boot stelt de Commissie vast, dat verzoeker daarop
nooit is aangesproken. Daarbij viel de periode dat verzoeker zijn boot
als woon- en verblijfplaats gebruikte (mei/juni 1994) aan het begin van
de huurperiode (april 1994 tot april 1995). Bij frequente klachten en
een zware belasting van de havenmeester zou het aannemelijk zijn dat,
zeker waar het het begin van het huurjaar betrof, contact met verzoeker
zou zijn opgenomen. De Commissie acht het daarom niet overtuigend, dat
bedoelde klachten erop wijzen dat echtscheiding een reden was om de
huurovereenkomst te beeindigen.

Mitsdien acht de Commissie het niet voldoende aannemelijk dat de
burgerlijke staat van verzoeker een reden is geweest bij de beeindiging
van de huurovereenkomst door de wederpartij. De Commissie concludeert
dat er geen onderscheid is gemaakt in strijd met de Algemene wet
gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat te Maasbracht bij het
opzeggen van de huurovereenkomst geen onderscheid naar burgerlijke
staat heeft gemaakt jegens de heer te Brunssum in strijd met de
Algemene wet gelijke behandeling.

Rechters

mw mr Y.E.M.A. Timmerman-Buck (Kamervoorzitter), dhr drs B. vanSchijndel (lid Kamer), dhr mr W.A. van Veen (lid Kamer), mw mr G.L.M.Lenssen (secretaris Kamer)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Op grond van de CAO waaronder de wederpartij valt, kunnen werknemers
van 55 jaar en ouder aanspraak maken op arbeidsduurvermindering met
behoud van loon. Voorwaarde hiervoor is dat de werknemer een volledig
dienstverband heeft. Verzoekster werkt weliswaar in deeltijd maar heeft
toen zij 55 jaar werd, haar arbeidsduur evenredig kunnen verminderen
met behoud van loon. De wederpartij wil dit ongedaan maken vanwege
strijdigheid met de CAO. Verzoekster is van mening dat de wederpartij
in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen door haar geen arbeidsduurvermindering toe te kennen. De
Commissie is van oordeel dat toepassing van de regeling
arbeidsduurvermindering tot een verboden indirect onderscheid op grond
van geslacht leidt, tenzij voor dit onderscheid een objectieve
rechtvaardiging bestaat. Hoewel het doel van de regling op zich
objectief gerechtvaardigd is, is de Commissie van oordeel dat het
gekozen middel niet geschikt kan worden geacht om dat doel te bereiken.
Derhalve concludeert de Commissie dat de wederpartij een niet
gerechtvaardigd onderscheid op grond van geslacht maakt.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 januari 1995 verzocht mevrouw te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of de Stichting te Den
Haag (hierna: de wederpartij) onderscheid naar geslacht maakt in strijd
met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Op grond van de CAO waaronder de wederpartij valt, kunnen
werknemers van 55 jaar en ouder aanspraak maken op
arbeidsduurvermindering met behoud van loon. Voorwaarde hiervoor is dat
de werknemer een volledig dienstverband heeft. Verzoekster werkt
weliswaar in deeltijd maar heeft toen zij 55 jaar werd, haar
arbeidsduur evenredig kunnen verminderen met behoud van loon. De
wederpartij wil dit ongedaan maken vanwege strijdigheid met de CAO.
Verzoekster is van mening dat de wederpartij in strijd handelt met de
wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen door haar geen
arbeidsduurvermindering toe te kennen.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft verzocht haar verzoek versneld
te behandelen. De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd.

Partijen hebben ieder eenmaal de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 24 februari 1995. De
onderhavige zaak is ter zitting gevoegd behandeld met zaak 95-D51. In
die zaak heeft verzoekster om een oordeel gevraagd inzake het handelen
van de betrokken cao-partijen (oordeel 95-7).

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – (Hoofd Personeel
Organisatie en Opleidingen) – mw (gemachtigde
wederpartijen in gevoegde zaak 94-D51)

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw mr J.R. Dierx (lid Kamer) – mw mr L.Y.
Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris).

2.3. Na de zitting heeft de wederpartij op verzoek van de Commissie
schriftelijk nog een aantal cijfers overgelegd. Verzoekster heeft
daarop schriftelijk gereageerd.

2.4. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op de arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en wederpartij is de
CAO Kruiswerk en Tuberculosebestrijding 1992/1994 van toepassing
(hierna: de CAO). Op grond van artikel 3 CAO mag van de CAO-bepalingen
in voor de werknemer gunstige noch ongunstige zin worden afgeweken.

Artikel 29 lid 1 van de CAO stelt de arbeidsduur van de werknemer met
een volledig dienstverband op 40 uur per week. Artikel 29 lid 5 sub c
bepaalt vervolgens: ‘Aan werknemers met een volledig dienstverband die
de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, wordt op hun verzoek toegestaan
de wekelijkse arbeidsduur met behoud van salaris te bekorten met vier
uur.’

De achtergrond van deze regeling arbeidsduurvermindering voor oudere
werknemers, ligt in een onderzoek door de in 1983 door CAO-partijen
ingestelde paritaire Commissie Oudere Werkne- nemers. Deze stelde voor
de werkweek van werknemers van 55 jaar en ouder met een voltijds
dienstverband te bekorten, in verband met hun geringere belastbaarheid.
In de CAO 1984/1985 is toen voor de eerste maal een regeling terzake
opgenomen.

3.2. De onderhavige CAO is per 1 januari 1995 vervallen, de wederpartij
valt vanaf deze datum onder een andere CAO, met een andere
werkingssfeer.

3.3. Verzoekster werkt 32 uur per week. Op 15 september 1993 is zij 55
jaar geworden. Haar toenmalige leidinggevende heeft bovengenoemd
artikel uit de CAO aldus geinterpreteerd dat verzoekster recht zou
hebben op een evenredige arbeids- duurvermindering. Verzoekster is dan
ook met ingang van 15 september 1993 3 uur en 20 minuten minder gaan
werken met behoud van loon.

In het kader van een fusie zijn vervolgens in 1994 alle regelingen voor
het personeel onder de loep genomen, en is geconstateerd dat de met
verzoekster gemaakte afspraak niet conform de CAO was. In oktober 1994
is verzoekster hiervan op de hoogte gesteld, en is haar meegedeeld dat
zij weer 32 uur moest gaan werken. Aanvankelijk is onderhandeld over
het op een andere manier met behoud van loon verkorten van verzoeksters
werkweek. Deze onderhandelingen hebben niets opgeleverd, waardoor
verzoekster per 1 februari 1995 weer 32 uur moest gaan werken.

3.4. Onder de CAO vallen in totaal 1.561 mannen en 25.794 vrouwen. Op
31 december 1993 waren 134 mannen en 1.225 vrouwen 55 jaar of ouder.
Van deze groep werkten op die datum 96 mannen en 972 vrouwen in
deeltijd.

Bij de wederpartij werkten in 1993 45 mannen en 495 vrouwen. Op 1
september 1993 waren er 2 mannen en 27 vrouwen 55 jaar of ouder. Van
hen werkten 0 mannen en 16 vrouwen in deeltijd.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster stelt het volgende.

Zij stelt in de eerste plaats dat de wederpartij niet na een jaar kan
terugkomen op de met haar gemaakte afspraak over
arbeidsduurvermindering met behoud van salaris. Subsidiair stelt zij
dat de wederpartij door artikel 29 lid 5 sub c van de CAO slechts op
voltijdwerkers toe te passen jegens haar onderscheid naar geslacht
maakt. Zij wijst in dit verband op artikel 4 van het Sociaal Statuut
behorende bij de CAO. Dit bepaalt onder meer dat deeltijdwerkers qua
faciliteiten en ontplooiingsmogelijkheden in principe dezelfde rechten
en plichten houden als werknemers met een volledig dienst- verband.

Verzoekster acht het onbillijk dat de regeling arbeids-
duurvermindering niet op deeltijdwerkers wordt toegepast. Gevolg is
namelijk dat een voltijdwerker ouder dan 55 jaar, in de praktijk 34 uur
werkt voor 100% van het loon (40 uur minus 2 uur algemene
arbeidsduurvermindering minus 4 uur arbeidsduurvermindering vanwege
leeftijd). De deeltijdwerker die 80% werkt, werkt in de praktijk 30 uur
en 20 minuten. Dit geringe verschil in te werken aantal uren
rechtvaardigt volgens verzoekster niet het grote beloningsverschil.

3.6. De wederpartij betreurt dat verzoekster zich gedupeerd voelt, maar
ziet zich genoodzaakt een afspraak die is gebaseerd op een foutieve
interpretatie van de CAO, ongedaan te maken. Zou zij dat niet doen, dan
zou verzoekster bevoordeeld worden boven andere werknemers, wat ook
gezien het standaardkarakter van de CAO, niet acceptabel is.

Voor wat betreft de rechtvaardiging voor het feit dat de regeling
arbeidsduurvermindering alleen geldt voor werknemers die voltijds
werken, sluit zij zich aan bij wat de gemachtigde van de CAO-partijen
ter zitting aangaf.

Deze stelde dat de CAO-bepalingen voor voltijdwerkers in beginsel
steeds een naar rato toepassing kennen voor deeltijdwerkers. Bij de
onderhavige bepaling is daar bewust niet voor gekozen. Uit het
onderzoek van de Commissie Oudere Werknemers bleek destijds namelijk
dat alleen bij voltijdwerknemers de behoefte aan
arbeidsduurvermindering bestond. Het feit dat deeltijdwerkers door
werkzaamheden elders of prive-bezigheden ook zwaar belast kunnen zijn,
verandert dit niet. Werkgevers onder de CAO kunnen namelijk alleen
worden aangesproken op de belasting van werknemers die ontstaat tijdens
het dienstverband van laatstgenoemde met de werkgever. De belasting
van personeel met een (groot) deeltijd dienst- verband, is in het
onderzoek van de Commissie Oudere Werk- nemers niet meegenomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartij jegens verzoekster in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelt, door haar op grond
van haar deeltijddienstverband uit te sluiten van de regeling voor
arbeidsduurvermindering zoals omschreven in artikel 29 lid 5 sub c van
de CAO.

In de periode september 1993 tot februari 1995 is bovengenoemde
regeling analoog op verzoekster toegepast. De Commissie stelt
allereerst vast dat het niet haar wettelijke taak is uitsluitsel te
geven over de uitleg van CAO-bepalingen. Desgewenst kunnen partijen
daarvoor terecht bij de Interpretatiecommissie die is ingesteld bij
artikel 53 CAO. Evenmin is het de taak van de Commissie om te
beoordelen of de wederpartij zorgvuldig handelt door de afspraak met
verzoekster voor de toekomst ongedaan te maken. De Commissie heeft tot
taak om te beoordelen of de wederpartij in strijd handelt met de
wetgeving gelijke behandeling, wanneer verzoekster vanwege haar
deeltijd- dienstverband geen aanspraak (meer) kan maken op de regeling
arbeidsduurvermindering voor oudere werknemers.

4.2. Tot 1 september 1994 waren de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) en artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek (BW) van kracht. Op 1 september 1994 trad de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230) in werking. Deze heeft de
WGB en artikel 7A:1637ij BW, op een aantal aanpassingen na, evenwel
onverlet gelaten.

Getoetst moet dus worden aan artikel 7A:1637ij BW. Dit artikel bepaalt
dat de werkgever onder andere in de arbeidsvoorwaarden geen direct of
indirect onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken. Onder
indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van geslacht
tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is
(artikel 7A: 1637ij lid 5 BW).

4.3. Artikel 29 lid 5 sub c van de CAO betreft een arbeids- voorwaarde
in de zin van artikel 7A:1637ij BW. Om na te gaan of er hier sprake is
van een verboden indirect onderscheid, zal de Commissie eerst nagaan of
de wijze waarop de weder- partij de onderhavige regeling binnen haar
organisatie toepast, voor personen van een geslacht een nadelig effect
heeft. Zij hanteert hierbij in het algemeen relatieve cijfers,
aangezien daardoor rekening wordt gehouden met het aandeel dat mannen
respectievelijk vrouwen hebben in het personeelsbestand van de
wederpartij. Bij een bestand waarin mannen en vrouwen niet een ongeveer
gelijk aandeel hebben, zouden absolute aantallen een vertekend beeld
kunnen geven (Een voorbeeld: een onderneming waarin 10 vrouwen en 1000
mannen werken. Van de vrouwen werken er 9 in deeltijd, van de mannen
ook. Stel dat deeltijders een lager uurloon ontvangen dan
voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt naar de aantallen (dus de
absolute getallen) werkt onderscheid ten nadele van deeltijders gelijk
uit naar geslacht; er zijn immers 9 vrouwen en 9 mannen die benadeeld
worden. Toch zal duidelijk zijn dat met name de vrouwen nadelig
getroffen worden: immers 9 van de 10 vrouwen tegenover 9 van de 1000
mannen worden nadelig getroffen).

Op 1 september 1993 werkten er bij de wederpartij 2 mannen en 27
vrouwen die 55 jaar of ouder waren. Geen van deze mannen werkte in
deeltijd (0%). Van de vrouwen werkten er 16 in deeltijd, dat is 59,3%
van alle vrouwen van 55 jaar of ouder (16/27 x 100%). Het feit dat
geen enkele man, maar wel bijna 60% van de vrouwen wordt getroffen,
leidt tot de conclusie dat wanneer deeltijdwerkers worden uitgesloten
van de regeling arbeidsduurvermindering, dit in overwegende mate
vrouwen treft.

4.4. De Commissie is op grond van bovenstaande gegevens dan ook van
oordeel dat toepassing van de regeling arbeidsduur- vermindering tot
een verboden indirect onderscheid op grond van geslacht leidt, tenzij
voor dit onderscheid een objectieve rechtvaardiging bestaat. Onder een
objectieve rechtvaardigingsgrond verstaat de Commissie (Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, 5 maart 1990,
oordeelnummer 1-90-10; Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen,
Bilka- Kaufhaus versus Weber von Hartz, 13 mei 1986, zaak 170/84;
Rinner-Kuhn versus FWW Spezial Gebaudereinigung GmbH & Co.KG, 13 juli
1989, zaak 171/88.): – dat het onderscheid gemaakt wordt om een
objectief gerechtvaardigd doel te dienen en – daartoe middelen zijn
gekozen die geschikt en noodzakelijk zijn om dit doel te bereiken,
terwijl – dit doel niet is te bereiken op een andere wijze waarbij
geen indirect onderscheid naar geslacht wordt gemaakt.

4.5. De Commissie overweegt hieromtrent als volgt.

De wederpartij heeft allereerst aangevoerd verplicht te zijn de CAO –
correct- toe te passen. Afwijken in voor de werknemer gunstige dan wel
ongunstige zin, is niet toegestaan.

De Commissie overweegt op dit punt dat de verplichting om de CAO toe te
passen, de wederpartij niet ontslaat van de eigen verplichting tot
naleving van artikel 7A:1637ij BW. Deze eigen verplichting kan worden
afgeleid uit het feit dat de wederpartij verzoeksters werkgever is.
Artikel 7A:1637ij BW merkt namelijk diegene die als werkgever moet
worden beschouwd, als wederpartij aan (Zie ook onder meer Commissie
gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de arbeid, – 1 juli
1991, oordeelnummer 167A-91-415; – 5 december 1991, oordeelnummer
371-91-80; – 29 december 1992, oordeelnummer 364-92-71). Nu er een
dienstbetrekking bestaat tussen de wederpartij en verzoekster en uit
hoofde van die dienstbetrekking salarisbetaling door de wederpartij
plaatsvindt, is laatstgenoemde terecht als wederpartij aangemerkt.

4.6. Voor wat betreft de rechtvaardiging voor de gewraakte regeling,
conformeerde de wederpartij zich aan het door de gemachtigde van de
CAO- partijen ingenomen standpunt.

Uit hetgeen deze aanvoerde, leidt de Commissie af dat de regeling
beoogt de belasting van de oudere werknemer te verminderen, voor zover
deze ontstaat door de werkzaamheden tijdens het dienstverband. Om dit
doel te bereiken kunnen werknemers van 55 jaar en ouder op hun verzoek
hun arbeidsduur verminderen met vier uur per week, met behoud van loon.

Hoewel het doel op zich objectief gerechtvaardigd is, is de commissie
van oordeel dat het gekozen middel niet geschikt kan worden geacht om
dat doel te bereiken. Zij motiveert dit als volgt. Ter zitting werd
aangegeven dat de relatief zwaardere belasting vanwege leeftijd alleen
voltijdwerkers treft. De Commissie stelt vast dat dit algemene
uitgangspunt niet zonder meer als juist kan worden aanvaard. De
veronderstelde extra belasting is namelijk in z’n algemeenheid niet
vast te stellen, nu een en ander afhankelijk is van gestel,
persoonlijkheid en persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Nog
afgezien van de vraag of de wederpartij met recht slechts die belasting
in ogenschouw neemt die door het dienstverband wordt veroorzaakt, geldt
ook in die situatie dat moeilijk in algemene zin die werkbelasting kan
worden bepaald. Het feit dat de wederpartij slechts op verzoek
arbeidsduurvermindering toekent, waardoor degenen die daaraan geen
behoefte hebben, ervan kunnen afzien, doet aan het bovenstaande niet
af. De regeling arbeidsduurvermindering oudere werknemers miskent
namelijk, dat ook oudere werknemers met een deeltijddienst- verband te
kampen kunnen krijgen met een relatief zware belasting door het werk.
Dit zal met name gelden voor werknemers met grotere deeltijdbanen, die
soms slechts een paar uur minder werken dan voltijdwerkers. De
wederpartij heeft niet aangetoond dat deze werknemers qua
belastbaarheid een ander gedrag zullen vertonen dan werknemers met een
40-urige werkweek. Dit aspect is ook niet meegenomen in het onderzoek
van de Commissie Oudere Werknemers.

Op grond van het vorenstaande concludeert de Commissie dat de
onderhavige regeling niet geschikt, en derhalve ook niet noodzakelijk
geacht kan worden om het door de wederpartij beoogde doel te bereiken.

Daarmee staat vast dat de wederpartij een niet gerecht- vaardigd
onderscheid op grond van geslacht maakt.

4.7. Ten overvloede wijst de Commissie erop dat het niet uitgesloten is
dat een regeling die de belasting van oudere werknemers wil
verminderen, al naar gelang de omvang van een deeltijddienstverband kan
varieren. De Commissie kan zich voorstellen dat voor werknemers met een
kleine deeltijdbaan een dergelijke regeling niet nodig is. Wel dient
van te voren onderzocht te zijn welke groep als zodanig kan worden
aangemerkt, en of deze deeltijdwerkers inderdaad minder belast worden
tijdens hun dienstverband.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat de Stichting Den Haag
te Den Haag in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek indirect
onderscheid naar geslacht maakt jegens mevrouw te Den Haag.

Rechters

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr J.R. Dierx(lid Kamer), mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mw mr G.L.M.Lenssen (secretaris)

Instantie: Commissie gelijke behandeling, 27 maart 1995

Instantie

Commissie gelijke behandeling

Samenvatting


Op grond van de CAO waaronder de werkgever van verzoekster valt, kunnen
werknemers van 55 jaar en ouder aanspraak maken op
arbeidsduurvermindering met behoud van loon. Voorwaarde hiervoor is dat
de werknemer een volledig dienstverband heeft. Verzoekster werkt
weliswaar in deeltijd maar heeft toen zij 55 jaar werd, haar
arbeidsduur evenredig kunnen verminderen met behoud van loon. Haar
werkgever wil dit ongedaan maken, vanwege strijdigheid met de CAO.
Verzoekster is van mening dat de CAO-partijen in strijd hebben
gehandeld/handelen met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen, door een bepaling in de CAO op te nemen/in stand te laten die
aan deeltijdwerkers geen arbeidsduurvermindering toekent. Het handelen
van de andere wederpartijen (de werknemersorganisaties) wordt getoetst
aan de AWGB. De AWGB kent een algemeen tot eenieder gericht verbod tot
het maken van onderscheid op bepaalde gronden. Artikel 1 AWGB verbiedt
onder meer het maken van direct en indirect onderscheid op grond van
geslacht.

Artikel 1 sub c definieert indirect onderscheid als onderscheid op
grond van andere hoedanigheden of gedragingen dan het geslacht, dat
direct onderscheid tot gevolg heeft. Artikel 2 lid 1 AWGB voegt hieraan
toe dat het in de AWGB neergelegde verbod van onderscheid niet geldt
ten aanzien van indirect onderscheid dat objectief gerechtvaardigd is.
Met deze iets gewijzigde formulering van indirect onderscheid ten
opzichte van de WGB en artikel 7A:1637ij BW, is overigens geen
inhoudelijke wijziging van het begrip beoogd. De onderhavige regeling
brengt volgens de gehanteerde berekeningsmethode geen vermoeden van
indirect onderscheid teweeg, en de wederpartijen hebben aldus
onderscheid hebben gemaakt/maken in strijd met de wetgeving gelijke
behandeling. De Commissie voegt hier ten overvloede aan toe, dat zij
niet toekomt aan de beoordeling van de door wederpartijen aangevoerde
rechtvaardiging voor de regeling arbeidsduurvermindering voor oudere
werknemers. Zij wijst op dit punt op oordeel 95-6 in de zaak van
verzoekster tegen haar werkgever. Daar in dat concrete geval de
CAO-bepaling in zijn toepassing wel in overwegende mate vrouwen
benadeelde, oordeelde de Commissie dat hier wel sprake was van een
indirect onderscheid op grond van geslacht. De Commissie beoordeelde de
aangevoerde rechtvaardiging als onvoldoende in het licht van de
wetgeving gelijke behandeling.

Volledige tekst

1. HET VERZOEK

1.1. Op 13 januari 1995 verzocht mevrouw te Den Haag (hierna:
verzoekster) de Commissie gelijke behandeling haar oordeel uit te
spreken over de vraag of – de Landelijke Vereniging te Bunnik, – de
te Zoetermeer, – de Landelijke Vereniging van te Utrecht, en – de
te Utrecht onderscheid naar geslacht hebben gemaakt/maken in strijd met
de wetgeving gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

1.2. Op grond van de CAO waaronder de werkgever van verzoekster valt,
kunnen werknemers van 55 jaar en ouder aanspraak maken op
arbeidsduurvermindering met behoud van loon. Voorwaarde hiervoor is dat
de werknemer een volledig dienstverband heeft. Verzoekster werkt
weliswaar in deeltijd maar heeft toen zij 55 jaar werd, haar
arbeidsduur evenredig kunnen verminderen met behoud van loon. Haar
werkgever wil dit ongedaan maken, vanwege strijdigheid met de CAO.
Verzoekster is van mening dat de CAO-partijen in strijd hebben
gehandeld/handelen met de wetgeving gelijke behandeling van mannen en
vrouwen, door een bepaling in de CAO op te nemen/in stand te laten die
aan deeltijdwerkers geen arbeidsduurvermindering toekent.

2. DE LOOP VAN DE PROCEDURE

2.1. De Commissie heeft het verzoek in behandeling genomen en een
onderzoek ingesteld. Verzoekster heeft verzocht haar verzoek versneld
te behandelen. De Commissie heeft dit verzoek ingewilligd.

Partijen hebben ieder eenmaal de gelegenheid gehad hun standpunten
schriftelijk toe te lichten.

2.2. Vervolgens heeft de Commissie partijen opgeroepen hun standpunten
nader toe te lichten tijdens een zitting op 24 februari 1995. De
onderhavige zaak is ter zitting gevoegd behandeld met zaak 94-D52. In
die zaak heeft verzoekster om een oordeel gevraagd inzake het handelen
van haar werkgever (oordeel 95-6).

Bij de zitting waren aanwezig:

van de kant van verzoekster – mw (verzoekster) – dhr
(gemachtigde)

van de kant van de wederpartij – mw (gemachtigde
CAO- partijen) – drs (in dossier
95-D52, Hoofd Personeel Organisatie en Opleidingen
van verzoeksters werkgever)

van de kant van de Commissie – mw prof. mr J.E. Goldschmidt
(Kamervoorzitter) – mw mr J.R. Dierx (lid Kamer) – mw mr L.Y.
Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer) – mw mr G.L.M. Lenssen (secretaris).

2.3. Het oordeel is vastgesteld door een ad hoc Kamer van de Commissie.
In deze Kamer hebben zitting de leden als vermeld onder 2.2.

3. DE RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK

De feiten

3.1. Op de arbeidsovereenkomst tussen verzoekster en haar werkgever is
de CAO Kruiswerk en Tuberculosebestrijding 1992/1994 van toepassing
(hierna: de CAO). De wederpartijen zijn deze CAO met elkaar
overeengekomen. Op grond van artikel 3 CAO mag van de CAO-bepalingen in
voor de werknemer gunstige noch ongunstige zin worden afgeweken.

Artikel 29 lid 1 van de CAO stelt de arbeidsduur van de werknemer met
een volledig dienstverband op 40 uur per week. Artikel 29 lid 5 sub c
bepaalt vervolgens: ‘Aan werknemers met een volledig dienstverband die
de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, wordt op hun verzoek toegestaan
de wekelijkse arbeidsduur met behoud van salaris te bekorten met vier
uur.’

De achtergrond van deze regeling arbeidsduurvermindering voor oudere
werknemers, ligt in een onderzoek door de in 1983 door CAO-partijen
ingestelde paritaire Commissie Oudere Werknemers. Deze stelde voor de
werkweek van werknemers van 55 jaar en ouder met een voltijds
dienstverband te bekorten, in verband met hun geringere belastbaarheid.
In de CAO 1984/1985 is toen voor de eerste maal een regeling terzake
opgenomen.

3.2. De onderhavige CAO is per 1 januari 1995 vervallen, verzoeksters
werkgever valt vanaf deze datum onder een andere CAO met een andere
werkingssfeer.

3.3. Verzoekster werkt 32 uur per week. Op 15 september 1993 is zij 55
jaar geworden. Haar toenmalige leidinggevende heeft bovengenoemd
artikel uit de CAO aldus geinterpreteerd dat verzoekster recht zou
hebben op een evenredige arbeidsduurvermindering. Verzoekster is dan
ook met ingang van 15 september 1993 3 uur en 20 minuten minder gaan
werken met behoud van loon.

In het kader van een fusie zijn vervolgens in 1994 alle regelingen voor
het personeel onder de loep genomen, en is geconstateerd dat de met
verzoekster gemaakte afspraak niet conform de CAO was. In oktober 1994
is verzoekster hiervan op de hoogte gesteld, en is haar meegedeeld dat
zij weer 32 uur moest gaan werken. Aanvankelijk is onderhandeld over
het op een andere manier met behoud van loon verkorten van verzoeksters
werkweek. Deze onderhandelingen hebben niets opgeleverd, waardoor
verzoekster per 1 februari 1995 weer 32 uur moest gaan werken.

3.4. Onder de onderhavige CAO vallen in totaal 1.561 mannen en 25.794
vrouwen. Op 31 december 1993 waren 134 mannen en 1.225 vrouwen 55 jaar
of ouder. Van deze groep werkten op die datum 96 mannen en 972 vrouwen
in deeltijd.

Bij verzoeksters werkgever werkten in 1993 45 mannen en 495 vrouwen. Op
1 september 1993 waren er 2 mannen en 27 vrouwen 55 jaar of ouder. Van
hen werkten 0 mannen en 16 vrouwen in deeltijd.

De standpunten van partijen

3.5. Verzoekster is van mening dat artikel 20 lid 5 sub c CAO
onduidelijk is. Wanneer deze aldus geinterpreteerd moet worden, dat
deeltijdwerkers geen recht hebben op arbeidsduurvermindering, is er
volgens haar sprake van strijd met de wetgeving gelijke behandeling.
Zij wijst in dit verband op artikel 4 van het Sociaal Statuut behorende
bij de CAO. Dit bepaalt onder meer dat deeltijdwerkers qua faciliteiten
en ontplooiingsmogelijkheden in principe dezelfde rechten en plichten
houden als werknemers met een volledig dienstverband.

Verzoekster acht het onbillijk dat de regeling arbeidsduurvermindering
niet op deeltijdwerkers wordt toegepast. Gevolg is namelijk dat een
voltijdwerker ouder dan 55 jaar, in de praktijk 34 uur werkt voor 100%
van het loon (40 uur minus 2 uur algemene arbeidsduurvermindering minus
4 uur arbeidsduurvermindering vanwege leeftijd). De deeltijdwerker die
80% werkt, werkt in de praktijk 30 uur en 20 minuten. Dit geringe
verschil in te werken aantal uren rechtvaardigt volgens verzoekster
niet het grote beloningsverschil.

3.6. De wederpartijen stellen dat de CAO-bepalingen voor voltijdwerkers
in beginsel steeds een naar rato toepassing kennen voor
deeltijdwerkers. Bij de onderhavige bepaling is daar evenwel bewust
niet voor gekozen. Uit het onderzoek van de Commissie Oudere Werknemers
bleek destijds namelijk dat alleen bij voltijdwerknemers de behoefte
aan arbeidsduurvermindering bestond. Het feit dat deeltijdwerkers door
werkzaamheden elders of prive- bezigheden ook zwaar belast kunnen zijn,
verandert dit niet. Werkgevers onder de CAO kunnen namelijk alleen
worden aangesproken op de belasting van werknemers die ontstaat tijdens
het dienstverband van laatstgenoemde met de werkgever. De belasting
van personeel met een (groot) deeltijd dienstverband, is in het
onderzoek van de Commissie Oudere Werknemers niet meegenomen.

4. DE OVERWEGINGEN VAN DE COMMISSIE

4.1. In geding is de vraag of de wederpartijen jegens verzoekster in
strijd met de wetgeving gelijke behandeling handelen, door in de CAO
artikel 29 lid 5 sub c op te nemen, dat deeltijdwerkers uitsluit van de
regeling voor arbeidsduurvermindering.

De Commissie stelt allereerst vast dat het niet haar wettelijke taak is
uitsluitsel te geven over de uitleg van CAO-bepalingen. Desgewenst
kunnen partijen daarvoor terecht bij de Interpretatiecommissie die is
ingesteld bij artikel 53 CAO. De Commissie is slechts bevoegd om te
beoordelen of een partij in strijd handelt met de wetgeving gelijke
behandeling. Onderstaand oordeel geldt dan ook voor het geval artikel
29 lid 5 sub c CAO aldus moet worden uitgelegd dat werknemers van 55
jaar en ouder die in deeltijd werken, geen recht hebben op
arbeidsduurvermindering.

4.2. Tot 1 september 1994 waren de Wet gelijke behandeling van mannen
en vrouwen (WGB; Stb. 1989, 168) en artikel 7A:1637ij Burgerlijk
Wetboek (BW) van kracht. Op 1 september 1994 trad de Algemene wet
gelijke behandeling (AWGB; Stb. 1994, 230) in werking. Deze heeft de
WGB en artikel 7A:1637ij BW, op een aantal aanpassingen na, evenwel
onverlet gelaten.

Het handelen van de werkgeversorganisatie onder de wederpartijen wordt
getoetst aan artikel 7A:1637ij BW. Dit artikel bepaalt dat een
werkgever onder andere in de arbeidsvoorwaarden geen direct of indirect
onderscheid tussen mannen en vrouwen mag maken. Onder indirect
onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van andere
hoedanigheden dan het geslacht dat onderscheid op grond van geslacht
tot gevolg heeft, tenzij dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is
(artikel 7A: 1637ij lid 5 BW).

Het handelen van de andere wederpartijen (de werknemersorganisaties)
wordt getoetst aan de AWGB. De AWGB kent een algemeen tot eenieder
gericht verbod tot het maken van onderscheid op bepaalde gronden.

Artikel 1 AWGB verbiedt onder meer het maken van direct en indirect
onderscheid op grond van geslacht. Artikel 1 sub c definieert indirect
onderscheid als onderscheid op grond van andere hoedanigheden of
gedragingen dan het geslacht, dat direct onderscheid tot gevolg heeft.
Artikel 2 lid 1 AWGB voegt hieraan toe dat het in de AWGB neergelegde
verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid
dat objectief gerechtvaardigd is. Met deze iets gewijzigde formulering
van indirect onderscheid ten opzichte van de WGB en artikel 7A:1637ij
BW, is overigens geen inhoudelijke wijziging van het begrip beoogd (Zo
wordt in de Memorie van Toelichting (blz. 14) en de Memorie van
Antwoord (MvA II, blz. 72) verwezen naar begrippen en jurisprudentie
die ook voor toetsing aan de WGB en artikel 7A:1637ij BW reeds relevant
waren).

Artikel 5 sub d verbiedt het maken van onderscheid in de
arbeidsvoorwaarden.

4.3. Artikel 29 lid 5 sub c van de CAO betreft een arbeidsvoorwaarde
voor de werkgevers en werknemers die valt onder de onderhavige CAO. Om
na te gaan of er hier sprake is van een verboden indirect onderscheid,
zal de Commissie eerst nagaan of de onderhavige regeling binnen de
kring van werknemers die onder de onderhavige CAO vallen, voor personen
van een geslacht een nadelig effect heeft. Zij hanteert in het algemeen
relatieve cijfers, aangezien daardoor rekening wordt gehouden met het
aandeel dat mannen respectievelijk vrouwen hebben in het
personeelsbestand van de wederpartij. Bij een bestand waarin mannen en
vrouwen niet een ongeveer gelijk aandeel hebben, zouden absolute
aantallen een vertekend beeld kunnen geven (Een voorbeeld: een
onderneming waarin 10 vrouwen en 1000 mannen werken. Van de vrouwen
werken er 9 in deeltijd, van de mannen ook. Stel dat deeltijders een
lager uurloon ontvangen dan voltijdwerkers. Indien men alleen kijkt
naar de aantallen (dus de absolute getallen) werkt onderscheid ten
nadele van deeltijders gelijk uit naar geslacht; er zijn immers 9
vrouwen en 9 mannen die benadeeld worden. Toch zal duidelijk zijn dat
met name de vrouwen nadelig getroffen worden: immers 9 van de 10
vrouwen tegenover 9 van de 1000 mannen worden nadelig getroffen).

Op 31 december 1993 vielen onder de CAO 134 mannen en 1.225 vrouwen die
55 jaar of ouder waren. Van de mannen werkten er 96 in deeltijd, dat is
71,7% (96/134 x 100%) van alle mannen van 55 jaar of ouder. Van de
vrouwen werkten er 972 in deeltijd, dat is 79,3% van alle vrouwen van
55 jaar of ouder (972/1.225 x 100%).

Het feit dat 71,7% van de mannen en 79,3% van de vrouwen wordt
getroffen, leidt bij het hanteren van relatieve cijfers tot de
conclusie dat wanneer deeltijdwerkers worden uitgesloten van de
regeling arbeidsduurvermindering, dit niet in overwegende mate personen
van een geslacht treft. Dat betekent dat de onderhavige regeling
volgens de gehanteerde berekeningsmethode geen vermoeden van indirect
onderscheid teweeg brengt, en de wederpartijen aldus geen onderscheid
hebben gemaakt/maken in strijd met de wetgeving gelijke behandeling.

4.4. De Commissie voegt hier ten overvloede aan toe, dat zij niet
toekomt aan de beoordeling van de door wederpartijen aangevoerde
rechtvaardiging voor de regeling arbeidsduurvermindering voor oudere
werknemers. Zij wijst op dit punt op oordeel 95-6 in de zaak van
verzoekster tegen haar werkgever. Daar in dat concrete geval de
CAO-bepaling in zijn toepassing wel in overwegende mate vrouwen
benadeelde, oordeelde de Commissie dat hier wel sprake was van een
indirect onderscheid op grond van geslacht. De Commissie beoordeelde de
aangevoerde rechtvaardiging als onvoldoende in het licht van de
wetgeving gelijke behandeling.

5. HET OORDEEL VAN DE COMMISSIE

De Commissie spreekt als haar oordeel uit dat

– de Landelijke Vereniging te Bunnik geen indirect onderscheid naar
geslacht in strijd met artikel 7A:1637ij Burgerlijk Wetboek heeft
gemaakt/maakt jegens mevrouw te Den Haag.

– de te Zoetermeer, de Landelijke Vereniging van te Utrecht en
de Nieuw Unie ’91 te Utrecht, geen indirect onderscheid naar geslacht
in strijd met artikel 5 sub d Algemene wet gelijke behandeling
hebben gemaakt/maken jegens mevrouw te Den Haag.

Rechters

mw prof. mr J.E. Goldschmidt (Kamervoorzitter), mw mr J.R. Dierx(lid Kamer), mw mr L.Y. Goncalves-Ho Kang You (lid Kamer), mw mr G.L.M.Lenssen (secretaris)

Instantie: Rechtbank Breda, 23 maart 1995

Instantie

Rechtbank Breda

Samenvatting


Partijen zijn negen jaar gehuwd geweest en nu gescheiden. Zij hebben
een kind van vijf jaar. De man stelt dat de vrouw geen behoefte heeft
omdat zij inkomsten heeft door middel van werkzaamheden in de
gezinsverzorging en kinderopvang. De rechtbank oordeelt dat de behoefte
van de vrouw vaststaat nu de man, tegenover de betwisting daarvan door
de vrouw, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vrouw inkomen uit
arbeid heeft. Alimentatie wordt ƒ 600,=.

Volledige tekst

1. Het verdere verloop van het geding

Dit blijkt uit de volgende stukken:

-de beschikking van deze rechtbank d.d. 25 november 1994, met alle
daarin vermelde stukken; -de op 3 november 1994 en 16 februari 1995
ontvangen brieven van de procureur van de man met bijlagen; -de op 10
november 1994 ontvangen brief en het op 7 maart 1994 ontvangen
faxbericht van de procureur van de vrouw.

De inhoud van deze stukken dient als hier overgenomen te worden
beschouwd.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank volhardt bij hetgeen in voormelde beschikking werd
overwogen en beslist, voor zover thans nog relevant.

2.2. Bij voormelde beschikking is de echtscheiding tussen partijen
uitgesproken, alsmede een aantal nevenvoorzieningen getroffen. Thans
dient nog te worden beslist op het verzoek van de vrouw tot
vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsuitkering van ƒ
2.000,= per maand.

2.3. Door de man wordt betwist dat de vrouw behoefte heeft aan de
verzochte bijdrage. Bovendien stelt hij de financiele draagkracht te
missen tot betaling van enige bijdrage.

2.4. Ter terechtzitting is door de man gesteld dat de vrouw inkomen
heeft middels gezinsverzorging en kinderopvang. Nu hij, tegenover de
betwisting daarvan door de vrouw, niet aannemelijk heeft gemaakt dat de
vrouw inkomsten uit arbeid genereert, staat de behoefte van de vrouw
aan een bijdrage vast.

2.5. Voor de vaststelling van de financiele draagkracht van de man gaat
de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken
gegevens.

2.6. De man heeft een salaris van ƒ 3.653,86 bruto per maand, te
vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag en een bedrag van
gemiddeld ƒ 893,= bruto per maand aan reisuren. Blijkens de door de man
bij brief van 15 februari 1995 overgelegde produkties ontvangt hij,
anders dan door hem ter terechtzitting gesteld, thans nog steeds een
bedrag aan reisuren.

2.7. Voor de vaststelling van lasten en de uitgaven van de man gaat de
rechtbank uit van de volgende posten op maandbasis:

– het op de Algemene Bijstandswet gebaseerde normbedrag voor een
zelfstandig wonende alleenstaande, exclusief de woonkostencomponent,
waaruit de noodzakelijke in het algemeen geldende kosten van
levensonderhoud moeten worden voldaan; – ƒ 900,= aan huur nu de man
voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij wegens de ziekte van zijn
vader niet langer bij zijn ouders kan blijven wonen dan strikt
noodzakelijk is en hij voor het huren van een huis is aangewezen op een
particuliere woningbouwvereniging of woningbureau; – ƒ 100,= aan
Moirafonds; – ƒ 40,= aan kosten verbonden aan de omgangsregeling; – ƒ
32,= aan ziektekostenverzekering; – ƒ 250,= ten behoeve van het
minderjarige kind van partijen.

2.8. Voor het overige is niet gebleken van lasten waarmee in het
bijzonder rekening moet worden gehouden.

2.9. Op grond van voormelde financiele omstandigheden en rekening
houdend met de fiscale gevolgen, acht de rechtbank bij de man de
draagkracht aanwezig na te melden bijdrage te voldoen aan de vrouw. Die
bijdrage acht de rechtbank overigens in overeenstemming met de
wettelijke maatstaven.

2.10. Aangezien partijen (gewezen) echtgenoten zijn, zal de rechtbank
bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De verdere beslissing

De rechtbank

bepaalt dat de man vanaf de dag dat de beschikking van deze rechtbank,
d.d. 25 november 1994, wordt ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud tegen bewijs van
kwijting en voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen een bedrag
van ƒ 600,= (zeshonderd gulden) per maand; bepaalt dat iedere partij de
eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Rechters

mr. Cohen

Instantie: Rechtbank Haarlem, 21 maart 1995

Instantie

Rechtbank Haarlem

Samenvatting


Partijen zijn drie jaar gehuwd geweest en hebben een minderjarig kind van
twee jaar. De man stelt dat de vrouw tot de geboorte van het kind heeft
gewerkt en dat zij in staat moet worden geacht in eigen levensonderhoud
te voorzien. Voorts verzoekt de man limitering tot drie jaar omdat het
huwelijk ongeveer drie jaar heeft geduurd. De rechtbank gaat bij
vaststelling van de behoefte enerzijds en de draagkracht anderzijds uit
van de volgende feiten en omstandigheden: leeftijd, gezinssituatie,
inkomen en lasten van partijen. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat na
te melden uitkering in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven,
waarbij rekening is gehouden met het fiscaal voordeel dat de man geniet
terzake de betaling van deze uitkering. De rechtbank wijst het
limiteringsverzoek af: nu de vrouw de zorg heeft voor de dochter van
partijen, die thans twee jaar oud is, en geen inkomen heeft, is er geen
aanleiding af te wijken van de wettelijke limiteringstermijn. Alimentatie
wordt ƒ 400,=.

Volledige tekst

Overwegingen ten aanzien van de feiten:

Bij verzoekschrift is een verzoek tot echtscheiding ingesteld alsmede een
verzoek tot verdeling en een verzoek met betrekking tot de echtelijke
woning.

De vrouw heeft zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot
echtscheiding, het verzoek tot verdeling en het verzoek met betrekking tot
de echtelijke woning.

Zij heeft zelf een verzoek tot een uitkering tot levensonderhoud
ingesteld.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot een uitkering tot
levensonderhoud.

Hierna is de zitting bepaald, deze heeft plaatsgehad.

Partijen hebben zich nog uitgelaten.

Ten aanzien van het recht:

De rechtbank komt rechtsmacht toe.

Het verzoek tot echtscheiding is op de wet gegrond en, nu daartegen geen
verweer wordt gevoerd, toewijsbaar.

Uit de stukken is gebleken dat het verzoek tot verdeling en die met
betrekking tot de echtelijke woning, welke op de wet zijn gegrond, niet
zijn tegengesproken, zodat deze kunnen worden toegewezen.

De vrouw heeft een uitkering tot haar levensonderhoud verzocht ad ƒ 650,=
per maand. De man heeft hier verweer tegen gevoerd. Bij de vaststelling
van de behoefte enerzijds en de draagkracht anderzijds gaat de rechtbank
uit van de navolgende feiten en omstandigheden:

Aan de zijde van de vrouw: -zij is geboren op 12 oktober 1970 en vormt een
eenoudergezin met de thans 2-jarige dochter van partijen; -zij woont met
haar gezin in de echtelijke woning; -zij heeft momenteel geen inkomsten
uit arbeid.

Aan de zijde van de man: -hij is geboren op 30 oktober 1967 en is thans
alleenstaande; -zijn inkomsten uit arbeid bedragen circa ƒ 2.330,= netto
per maand en hij ontvangt daarnaast vakantiegeld; -zijn woonlasten
bedragen ƒ 501,90 per maand aan huur, inclusief een kleine post niet te
beinvloeden kosten.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat
in het kader van de definitieve voorzieningen -naast de verzochte bijdrage
ten behoeve van de minderjarige- na te melden uitkering tot
levensonderhoud van de vrouw in overeenstemming is met de wettelijke
maatstaven, waarbij rekening is gehouden met het fiscaal voordeel dat de
man geniet terzake de betaling van deze uitkering.

De man heeft nog gesteld dat een eventueel door hem te betalen uitkering
tot levensonderhoud van de vrouw in duur beperkt zou dienen te worden tot
een periode van drie jaar. Nu de vrouw de zorg heeft voor de dochter van
partijen, die thans 2 jaar oud is, en geen inkomen heeft, is er geen
aanleiding af te wijken van de wettelijke limiteringstermijn. De rechtbank
deelt het oordeel van de man niet en zal het verweer van de man op dit
punt derhalve passeren.

Tengevolge van de echtscheiding dienen voorzieningen met betrekking tot
de minderjarige te worden gegeven.

Tussen de ouders bestaat overeenstemming over de voogdij en de toeziende
voogdij. Nu niet is gebleken dat dit tegen het belang van de minderjarige
indruist, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.

Tussen de ouders bestaat overeenstemming over de bijdrage. De rechtbank
zal dienovereenkomstig beslissen.

Tussen de ouders bestaat overeenstemming over een omgangsregeling en er
zijn onvoldoende gronden aanwezig om die regeling in de beschikking vast
te leggen.

Beslissingen: De rechtbank:

Spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op in de gemeente met
elkaar gehuwd.

Beveelt partijen met elkaar over te gaan tot verdeling van de tussen hen
bestaande gemeenschap van goederen.

Benoemt, tenzij partijen binnen veertien dagen na de inschrijving van deze
beschikking in de registers van de burgerlijke stand anders overeenkomen,
notaris mr. R. A. Westen te Beverwijk of diens waarnemer of opvolger om
de verdeling op een door hem te bepalen plaats en tijd te bewerkstelligen.

Benoemt mr. W.O. Groustra, advocaat te Beverwijk, tot onzijdig persoon om
de man en mr. J.P.S. van Schaik, advocaat te Beverwijk, om de vrouw te
vertegenwoordigen bij de verdeling indien de verwerende partij,
respectievelijk de verzoekende partij daartoe niet verschijnt of weigert
daaraan mede te werken.

Benoemt de moeder, per heden wonende aan het adres te tot voogdes
over de uit het huwelijk van partijen geboren minderjarige : –
geboren in de gemeente op. Benoemt de vader, per heden aan het
adres te tot toeziend voogd.

Beveelt voorzoveel nodig de afgifte van de minderjarige aan de met het
gezag beklede ouder.

Bepaalt, dat partij met ingang van de datum dat deze beschikking zal
zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan partij B
als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige
telkens bij vooruitbetaling zal voldoen ƒ 300,= per maand, vermeerderd met
het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of
regelingen ten behoeve van deze minderjarige eventueel kan of zal worden
verleend.

Bepaalt dat partij A een uitkering tot levensonderhoud van partij B zal
betalen van ƒ 400,= (vierhonderd gulden) per maand, bij vooruitbetaling
te voldoen met ingang van de dag dat deze beschikking zal zijn
ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Verklaart deze beschikking, met uitzondering van de echtscheiding
uitvoerbaar bij voorraad.

Ontzegt het meer of anders verzochte.

Rechters

mr. C.H.M. Kampert-Touwen

Instantie: Gerechtshof Arnhem, 21 maart 1995

Instantie

Gerechtshof Arnhem

Samenvatting


Partijen zijn negentien jaar getrouwd geweest en gaan scheiden. Zij hebben
twee minderjarige kinderen, 17 en 15 jaar oud. De man stelt dat de vrouw
in staat moet worden geacht eigen inkomen te verwerven. De vrouw heeft tot
1976 9 jaar als directiesecretaresse gewerkt. In 1993 heeft zij een cursus
WordPerfect gevolgd. De vrouw moet, aldus de man, niet stilzitten.

De rechtbank oordeelt dat op dit moment, mede gelet op de door de vrouw
gevolgde en op haar arbeidsverleden aansluitende cursus nog niet gezegd
kan worden dat de vrouw zo weinig heeft gedaan om aan werk te komen dat
haar behoefte aan (aanvullende) middelen van bestaan niet meer ten laste
van de man zouden hoeven te komen. Ook kan nog niet worden uitgegaan van
enig moment in de nabije toekomst waarop de vrouw geacht kan worden
betaald werk te hebben met zodanige beloning dat de man niet meer
verplicht zou zijn geheel in die behoefte te voorzien. Alimentatie wordt
ƒ 2.800,=.

Volledige tekst

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de inhoud van de beschikking van de rechtbank te
Zutphen van 8 september 1994, die in fotokopie aan deze beschikking is
gehecht.

Het geding in hoger beroep

Bij verzoekschrift, op 7 november 1994 ter griffie van het hof ingekomen,
is verzoeker, verder te noemen de man, in hoger beroep gekomen van die
beschikking van de rechtbank, gegeven tussen hem en verweerster, verder
te noemen de vrouw.

De man heeft bij voormeld beroepschrift aan het hof verzocht de
beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende te
bepalen dat de man niet in staat moet worden geacht enige alimentatie ten
behoeve van de vrouw te betalen met vaststelling van de alimentatie op
nihil, kosten rechtens.

Bij het op 6 december 1994 ter griffie ingekomen verweerschrift heeft de
vrouw verzocht om de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans het
beroep ongegrond te verklaren en het vonnis (bedoeld zal zijn de
beschikking) van de rechtbank te Zutphen te bekrachtigen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een
aanvullend verweerschrift van de vrouw, met bijlagen, ingekomen op 22
februari 1995.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 februari 1995.
Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr. A.
Dunsbergen, advocaat te Gorinchem en de vrouw bijgestaan door mr. J. Vlug,
advocaat te Deventer.

Grieven

Door de man zijn negen grieven aangevoerd tegen de door hem bestreden
beschikking.

I. Ten onrechte heeft de rechtbank de man veroordeeld om aan de vrouw voor
haar levensonderhoud te betalen een alimentatie van ƒ 2.800,= per maand,
telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

II. Ten onrechte hanteert de rechtbank bij de bepaling van de
draagkrachtruimte van de man een ABW-norm van ƒ 1.308,48 per maand en een
wooncomponent van ƒ 324,58 per maand.

III. Ten onrechte houdt de rechtbank bij de bepaling van de overige lasten
van de man rekening met een huur van ƒ 1.000,= per maand.

IV. Ten onrechte houdt de rechtbank ten aanzien van de
ziektekostenverzekering van de man slechts rekening met een totaal van ƒ
150,= per maand.

V. Ten onrechte overweegt de rechtbank dat de pensioen- en vermogensopbouw
in de BV te hoog is om deze integraal in het kader van de
alimentatiebetaling mee te wegen. Ten onrechte houdt de rechtbank rekening
met een pensioenpremie van ƒ 8.500,= per jaar en met de premies voor de
arbeidsongeschiktheidsverzekering en overlijdensverzekering tot een bedrag
van ƒ 750,= per maand.

VI. Ten onrechte houdt de rechtbank geen rekening met de onbetwist tussen
partijen vaststaande maandelijkse verplichting van de man van ƒ 1.429,=
terzake rente en aflossing doorlopend crediet.

VII. Ten onrechte houdt de rechtbank terzake de door de man afgesloten
lening herinrichting slechts rekening met een bedrag van ƒ 10.000,=.

VIII. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat de omgang tussen de
man en de kinderen niet structureel is en dat om die reden de kosten van
de omgangsregeling worden gesteld op een bedrag van ƒ 75,= per maand.

IX. Ten onrechte houdt de rechtbank geen rekening met de door de man
opgevoerde verwervingskosten van ƒ 132,= per maand 21 maart 1995.

De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen: 1. Partijen zijn op in gemeenschap van
goederen gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, te weten:
– geboren te op , en – geboren te op .

2. Bij de thans bestreden beschikking is onder meer de echtscheiding
tussen partijen uitgesproken, de vrouw benoemd tot voogdes en de man tot
toeziend voogd over voornoemde kinderen. Tevens is bij die beschikking
bepaald dat de man maandelijks ƒ 500,= per kind zal bijdragen in de
kosten van verzorging en opvoeding en met ingang van de datum van
inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand
ƒ 2.800,= per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van
levensonderhoud van de vrouw.

3. De echtscheiding is op 19 januari 1995 ingeschreven in de registers van
de burgerlijke stand.

4. De vrouw bewoont met de kinderen van partijen de voormalige echtelijke
woning. De man heeft tot 1 januari 1995 de aan de woning verbonden
hypotheekrente voldaan. De vrouw betaalt de eigenaarslasten van de woning.

5. Blijkens mededeling ter zitting zullen de bedrijfsresultaten van de man
over 1994 aanzienlijk hoger zijn dan in 1993 en zal een positief resultaat
van ƒ 350.000,= a ƒ 400.000,= behaald zijn.

Ten aanzien van de man:

6. De man is eigenaar van alle aandelen in welke vennootschap 58%
van de aandelen in bezit. De man is als directeur in dienst bij
laatstgenoemde .

De beoordeling van het verzoek in hoger beroep:

7. Het hoger beroep is beperkt tot de kwestie van de door de man te
betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De
behoefte aan de zijde van de vrouw is niet betwist. De man stelt dat zijn
draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde alimentatie te kunnen
voldoen.

8. Met betrekking tot de eerste grief van de man is het hof van oordeel
dat uit de beschikking van de rechtbank niet blijkt welk bedrag juist is.
Nu het bedrag dat in de overwegingen is genoemd afwijkt van dat in het
dictum, slaagt de eerste grief van de man in zoverre. Het hof zal hierna
beoordelen of en in hoeverre dit van invloed is op de beslissing.

9. Ook de tweede grief van de man slaagt. De rechtbank is uitgegaan van
verouderde normbedragen. Welk bedrag aan alimentatie aan de man opgelegd
dient te worden is afhankelijk van de bespreking van de overige grieven.
Het hof zal hiermee rekening houden.

10. De man betaalt momenteel ƒ 1.750,= per maand aan huur voor een
gestoffeerde woning. Nu het bedrijf van de man in is gevestigd en de man
in woont, acht het hof niet aannemelijk dat de man zakenrelaties thuis
ontvangt. De noodzaak om een representatieve woning in Terwolde aan te
houden is in elk geval niet gebleken. Het hof gaat er van uit dat de man
voor een bedrag van ƒ 1.000,= per maand een passende huisvesting kan
vinden, zodat met dit bedrag rekening zal worden gehouden bij de bepaling
van de draagkracht van de man. De derde grief faalt derhalve.

11. Aan ziektekosten voor de man houdt het hof rekening met de door hem
opgevoerde premie ziektekostenverzekering ad ƒ 119,25 per maand en het
eigen risico van ƒ 83,33 per maand. De eveneens opgevoerde tandarts-,
huisarts- en medicijnkosten laat het hof buiten beschouwing nu niet
aannemelijk is dat het hier jaarlijks terugkerende bedragen betreft. De
man ontvangt een bijdrage van zijn werkgever in de ziektekosten van ƒ
203,= per maand.

12. Het hof is van oordeel dat, gelet op de overige pensioenvoorzieningen,
een bedrag van ƒ 8.500,= per jaar aan pensioenpremie, zoals door de
rechtbank in aanmerking genomen, aannemelijk is. Het hof is van oordeel
dat een hoger bedrag voor
… pensioenvoorziening geen prioriteit geniet boven de onderhoudsplicht
van de man jegens de vrouw. Middel I faalt eveneens.

13. De zesde grief van de man acht het hof gegrond. Het hof zal bij de
bepaling van de draagkracht van de man rekening houden met een bedrag van
ƒ 1.429,= per maand terzake rente en aflossing op een doorlopend crediet.

14. met herinrichtingskosten van de man houdt het hof -eveneens de
rechtbank deed- rekening tot een bedrag van ƒ 10.000,= welk bedrag in
bedragen van ƒ 250,= per maand bij de bepaling van de draagkracht in
aanmerking wordt genomen. Dat in redelijkheid met een hoger bedrag aan
herinrichtingskosten rekening dient te worden gehouden is onvoldoende
aannemelijk gemaakt, te minder nu de man stelt een gestoffeerde woning te
hebben gehuurd. Ook grief VII faalt.

15. Aan kosten verbonden aan de omgangsregeling met de kinderen heeft de
man ter zitting een bedrag van ƒ 160,= per maand opgevoerd. Het hof zal
evenwel rekening houden met het in het beroepschrift onder grief VIII
vermelde bedrag van ƒ 120,= per maand, dat het hof aannemelijk acht, gelet
op het in dat beroepschrift hieromtrent gestelde. Grief VIII slaagt dus
in zoverre.

16. Nu de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ƒ 132,= per maand aan
werkelijke niet-vergoede verwervingskosten heeft, zal bij de bepaling van
de draagkracht van de man geen rekening worden gehouden met dit bedrag.
De laatste grief van de man faalt derhalve.

17. Bij de bepaling van de draagkracht van de man gaat het hof uit van het
hiervoor overwogene alsmede van het gegeven dat de man redelijkerwijs in
staat moet worden geacht tot het verwerven van een inkomen dat gelijk is
aan dat tot januari 1994, zijnde ƒ 14.199,16 bruto per maand. Het hof
houdt rekening met de ter zitting gebleken omstandigheid dat het bedrijf
van de man weer aanzienlijk betere resultaten oplevert en acht aannemelijk
dat het inkomen van de man in 1995, gelet op de stijgende lijn van de
bedrijfsresultaten, ook weer op het oude niveau kan worden gesteld,
waarbij het hof ervan uit gaat dat de man als directeur invloed kan
uitoefenen op de vaststelling van de hoogte van zijn inkomen.

18. Uitgaande van al deze financiele gegevens en rekening houdend met de
fiscale consequenties van een en ander, laat de draagkracht van de man,
naast betaling van de door hem verschuldigde bijdragen in de kosten van
verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen van ƒ 500,= per kind
per maand, een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw toe
van ƒ 2.800,= per maand.

19. De beschikking waarvan beroep dient derhalve te worden bekrachtigd
voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met compensatie van
de proceskosten in hoger beroep, nu partijen gewezen echtelieden zijn.

De beslissing

Het hof: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Zutphen van 8
september 1994 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt.

Rechters

mrs. Van Eupen, Bierman en Runia

Instantie: Hoge Raad der Nederlanden, 17 maart 1995

Instantie

Hoge Raad der Nederlanden

Samenvatting


Een patiente, vrijwillig opgenomen in de gesloten afdeling van
een psychiatrisch ziekenhuis en de arts verklaren over en weer
verliefd te zijn, waarop de behandelrelatie verbroken wordt en zij
gemeenschap hebben. De inspecteur klaagt over dit handelen, het
Medisch tuchtcollege schorst de arts, welke beslissing het Hof
handhaaft. Volgens de Hoge Raad is eiser van mening dat de inspecteur
niet-ontvankelijk moet worden verklaard; de gemeenschap vond plaats in
de privesfeer na het verbreken van de behandelrelatie en met
instemming van de patiente.

De Hoge Raad stelt dat de zienswijze van de patient in het medisch
tuchtrecht niet voorop staat, maar de vraag of een arts in
overeenstemming met de voor zijn beroepsuitoefening geldende normen
heeft gehandeld. Door de hierbij betrokken algemene belangen heeft de
inspecteur een eigen bevoegdheid tot klagen. Verder heeft het Hof
terecht geoordeeld dat de klacht een onderzoek naar de gebeurtenissen
noodzakelijk maakte ter beantwoording van de voor de toetsing aan
voormelde normen belangrijke vragen of de behandelrelatie was
verbroken en, zo ja, of dat op medisch verantwoorde wijze was gebeurd.
zodanig onderzoek vormt geen inbreuk op de rechten in art. 8 EVRM en
art. 17 BuPo-verdrag. De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Volledige tekst

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 7 oktober 1993 bij het Medisch Tuchtcollege te Amsterdam binnengekomen klaagschrift
heeft verweerder in cassatie – verder te noemen: de Inspecteur – zich
gewend tot dat College en een klacht tegen eiser tot cassatie – verder
te noemen: de arts – ingediend.

Nadat de arts primair had geconcludeerd tot nietontvankelijkverklaring
van de Inspecteur in zijn klacht en subsidiair tot ontzegging van de
klacht als (kennelijk) ongegrond, heeft het Medisch Tuchtcollege bij
beslissing van 25 april 1994 de arts geschorst in de uitoefening van
de geneeskunst voor een periode van twee weken.

Tegen deze beslissing heeft de arts hoger beroep ingesteld bij het
Gerechtshof te Amsterdam.

Bij beslissing van 11 oktober 1994 heeft het Hof de beslissing waarvan
beroep gehandhaafd.

De beslissing van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie Tegen de beslissing van het Hof heeft de
arts beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze
beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De arts heeft zijn
zaak mondeling doen toelichten door zijn advocaat. De conclusie van de
Advocaat-Generaal Asser strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen 3.1. Het cassatierekest moet blijkbaar
aldus worden verstaan dat het in de eerste plaats klaagt dat het Hof
ten onrechte althans zonder voldoende motivering de Inspecteur in zijn
klacht ontvankelijk heeft geoordeeld. Het voert daartoe aan dat de in
deze klacht bedoelde gemeenschap tussen de arts en D heeft
plaatsgevonden in de privesfeer nadat de behandelingsrelatie was
verbroken, en dat de patiente zelf dit niet als misbruik van haar
afhankelijke situatie heeft ervaren en geen aanleiding heeft gevonden
een klacht tegen de arts in te dienen.

Deze klacht miskent evenwel dat het in het medisch tuchtrecht niet in
de eerste plaats gaat om de zienswijze van de patient, maar veeleer om
de vraag of een arts in overeenstemming met de voor zijn
beroepsuitoefening geldende normen heeft gehandeld.

Bij dit laatste zijn bij uitstek belangen van algemene aard betrokken,
en met het oog daarop heeft de inspecteur voor de volksgezondheid een
eigen bevoegdheid, eventueel zelfs tegen de wens van de patient een
klacht in te dienen. Dat de gemeenschap naar de opvatting van de arts
in de privesfeer heeft plaatsgevonden doet aan deze bevoegdheid niet
af, nu het Hof – zonder miskenning van enige rechtsregel en
begrijpelijkerwijs – heeft geoordeeld dat de klacht een onderzoek met
betrekking tot de gebeurtenissen in de nacht van 24 op 25 april 1993
noodzakelijk maakte ter beantwoording van de voor de toetsing aan de
voormelde normen belangrijke vragen of de behandelingsrelatie was
verbroken en, zo ja, of zulks op medisch verantwoorde wijze was
geschied, alsmede of D zich ondanks het verbreken van de
behandelingsrelatie in een van de arts afhankelijke positie bevond.

Het voorgaande brengt mee dat zodanig onderzoek geen
ongerechtvaardigde inmenging in de fundamentele rechten als bedoeld in
art. 8 EVRM en 17 IVBPR oplevert, zodat ook deze bepalingen niet aan
ontvankelijkheid van de Inspecteur in de weg staan.

3.2. Voor zover middel 1 ervan uitgaat dat het Hof in rechtsoverweging
5.3.4. van zijn beschikking heeft geoordeeld dat het enkele feit dat D
van de arts afhankelijk was, voldoende is voor het oordeel dat de arts
verre de grenzen van het toelaatbare heeft overschreden door met haar
geslachtsgemeenschap te hebben, kan het bij gebrek aan feitelijke
grondslag niet tot cassatie leiden. Het Hof heeft immers dit oordeel
niet gebaseerd op de enkele afhankelijkheid van D van de arts, maar
daarbij mede de in rechtsoverweging 5.3.1. en 5.3.2. van zijn
beschikking samengevatte omstandigheden in aanmerking genomen.

Voor zover het middel strekt ten betoge dat slechts sprake is van
overschrijding van het tuchtrechtelijk toelaatbare, indien een arts
misbruik maakt van de afhankelijkheid van de patient en dit misbruik
leidt tot seksuele omgang, gaat het uit van een opvatting die geen
steun vindt in het recht. Het middel is derhalve tevergeefs
voorgesteld.

3.3. Voor zover middel 2 de in het eerste middel verdedigde
tuchtrechtelijke norm tot uitgangspunt neemt, moet het het lot daarvan
delen.

Het betoog van het middel dat de arts, door de behandelingsrelatie met
D te verbreken alvorens met haar seksuele gemeenschap te hebben, juist
zorgvuldig de ter zake geldende tuchtrechtelijke norm heeft nageleefd,
miskent dat het niet alleen gaat om de vraag of de behandelingsrelatie
is verbroken, maar ook om de vraag of zulks op medisch verantwoorde
wijze is geschied. het Hof heeft de laatste vraag ontkennend
beantwoord, waarbij het Hof in het bijzonder van belang heeft geacht
dat het verbreken van die relatie plaatsvond in een situatie waarin de
arts en D zojuist hun intieme gevoelens van verliefdheid jegens elkaar
hadden geuit (rechtsoverweging 5.4.4.). Dit oordeel geeft niet blijk
van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het is
zozeer verweven met een waardering van omstandigheden van feitelijke
aard dat het in cassatie niet verder kan worden onderzocht. Middel 2
faalt derhalve.

Anders dan middel 3 aanvoert, was het Hof niet gehouden bij zijn
oordeel tot uitdrukking te brengen in hoeverre het de door het Medisch
Tuchtcollege op dit punt geformuleerde norm juist achtte. Ook dit
middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

3.4. Middel 4 ziet eraan voorbij dat de “opportuniteit en de
passendheid van de opgelegde maatregel” in cassatie niet kunnen worden
onderzocht. Voor zover het middel bedoelt te klagen over de motivering
van de opgelegde maatregel, is het eveneens tevergeefs voorgesteld.
Het Hof heeft de opgelegde maatregel alleszins voldoende gemotiveerd.

3.5. Ook voor ambtshalve cassatie bestaat geen grond.

4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; verstaat dat uit ‘s
Rijks kas aan de arts geen kosten voor hem uit de behandeling van de
zaak in cassatie voortvloeiend, zullen worden vergoed.

Rechters

mrs. Snijders, Korthals Altes, Neleman, Nieuwenhuis,Swen-donner; A-G Asser